Toen het water Nederland verzwolg — twaalf eeuwen van stormvloeden, verdronken dorpen en verloren levens

De Nederlandse overstromingsgeschiedenis, 800–1995

Deel 1 — Toen de bewoners het waterland veranderden (800–1163)

Omstreeks 800 — Het land tussen de Noordzee en de rivieren is nog grotendeels onbeschermd

Omstreeks 800 bestond het huidige Nederland uit een uitgestrekt landschap van rivierarmen, veenmoerassen, kwelders, kreken en natuurlijke oeverwallen. Langs de kust van Friesland en Groningen bouwden boeren hun woningen op terpen en wierden. Daar konden zij bij hoogwater bescherming vinden, terwijl hun akkers en weilanden lager lagen. Langs de Rijn, Maas en IJssel ontstonden nederzettingen op hoger gelegen rivierafzettingen. Midden in het land lag het Almere, een groot watergebied dat onder meer water uit de IJssel, Vecht en Eem ontving en via noordelijke waterlopen met de zee verbonden was. De latere Zuiderzee had haar bekende omvang nog niet bereikt. Aaneengesloten zeedijken ontbraken grotendeels. Bewoners pasten hun woonplaatsen aan het water aan, maar konden hun landbouwgrond niet volledig beschermen. Wanneer de rivieren buiten hun oevers traden of zeewater de kwelders overspoelde, gingen oogsten verloren, konden dieren verdrinken en werden verbindingen tussen nederzettingen verbroken.

December 806 – februari 807 — Friese overleveringen beschrijven verdronken land, ingestorte gebouwen en honderden slachtoffers

Volgens een in 1776 gepubliceerd historisch overstromingsverhaal werd Friesland in december 806, tijdens de regering van Karel de Grote, door een zware zeevloed getroffen. De schrijver vermeldde vierhonderd verdronken mensen, terwijl andere overleveringen zeshonderd slachtoffers noemden. Het water zou niet onmiddellijk zijn teruggelopen, maar gedurende de winter grote stukken land hebben bedekt. Op 2 februari 807 stortte volgens hetzelfde verslag de kerk van Memmertsga in, samen met haar toren en een nabijgelegen woning. Bij de Lauwers zou de nederzetting Esonstad vijfendertig huizen hebben verloren. Deze plaats wordt in latere Friese geschiedschrijving ook als een verdwenen stad beschreven. Voor het bestaan en de omvang van Esonstad ontbreken echter voldoende betrouwbare bewijzen. Ook de genoemde slachtofferaantallen en het precieze verloop van de overstroming kunnen niet als vastgestelde historische feiten worden beschouwd. De berichten laten vooral zien hoe latere schrijvers het verlies van land, gebouwen en levens in de vroege Friese geschiedenis probeerden vast te leggen.

Tussen 838 en 860 — Zware zeevloeden treffen Friesland en roepen vragen op over de Rijnmond bij Katwijk

Op 26 december 839 werd Friesland volgens latere historische geschiedschrijving getroffen door een uitzonderlijk zware stormvloed. De achttiende-eeuwse geschiedschrijver Jan Wagenaar vermeldde 2.437 weggespoelde woningen. In andere historische reconstructies wordt de grote Friese overstroming onder 838 geplaatst en verschijnt hetzelfde getal in een andere betekenis. De precieze datering en schadeomvang vragen daarom afzonderlijke broncontrole. Wagenaar behandelde eveneens de opvatting dat de Rijnmond bij Katwijk tijdens deze storm door zand was afgesloten. Hij achtte een geleidelijke verzanding aannemelijker dan een volledige afsluiting door één overstroming. Voor 860 beschreef de latere overlevering opnieuw een vloed waarbij opgestuwd zeewater de afvoer van Rijnwater zou hebben belemmerd. De gevolgen werden verbonden met Holland, Utrecht en de Betuwe. Een hoge zeestand kon de rivierafvoer inderdaad bemoeilijken, maar de plaatselijke schade in 860 is onvoldoende gedocumenteerd. De berichten moeten daarom worden onderscheiden van bewezen veranderingen in het rivierenlandschap.

Tussen 900 en 1050 — Boeren ontginnen de veenmoerassen en maken hun landbouwgrond kwetsbaarder voor overstromingen

Vanaf de tiende eeuw breidden boeren hun landbouwgebieden uit naar de veenmoerassen van Holland, Utrecht en Friesland. Vanuit bestaande nederzettingen groeven zij sloten om regenwater naar rivieren, beken en meren af te voeren. Het drooggelegde veen werd geschikt voor akkerbouw, waarna op veel plaatsen ook veeteelt en hooibouw belangrijk werden. Langs de Rijn, Waal, Maas en IJssel bleven de hogere oeverwallen aantrekkelijke vestigingsplaatsen, terwijl de lagere komgronden vooral als grasland werden gebruikt. De ontginningen vergrootten de voedselproductie en maakten nieuwe nederzettingen mogelijk, maar veranderden ook de bodem. Door ontwatering kromp het veen en verteerde het bij contact met zuurstof. Het maaiveld daalde, terwijl de waterstanden van rivieren en zee niet op dezelfde manier meedaalden. Daardoor werden de ontgonnen gronden geleidelijk kwetsbaarder. Een gebied dat aanvankelijk zonder hoge dijken kon worden gebruikt, kreeg steeds vaker bescherming en aanvullende afwatering nodig.

28 september 1014 — Een grote stormvloed treft Vlaanderen, Walcheren en de Zeeuwse kust

Op 28 september 1014 werd het zuidwestelijke Noordzeekustgebied getroffen door een zware overstroming. De gebeurtenis werd in verschillende middeleeuwse annalen vastgelegd, waaronder die van Quedlinburg. De bronnen beschrijven een uitzonderlijke zeevloed waarbij veel mensen omkwamen. Vooral Vlaanderen en de kust van het latere Zeeland worden met de ramp verbonden, waaronder mogelijk Walcheren. Het gebied bestond uit kwelders, getijdengeulen, veengronden en bewoonbare hogere delen. Wanneer zeewater diep de kustvlakte binnendrong, konden nederzettingen worden afgesneden en landbouwgronden langdurig beschadigd raken. De precieze aantallen slachtoffers en verloren woningen zijn niet betrouwbaar vast te stellen. De overstroming van 1014 behoort tot de vroegste betrekkelijk goed gedocumenteerde grote zeevloeden in het zuidwestelijke kustgebied. Zij maakt duidelijk dat bewoners al vóór de grootschalige middeleeuwse bedijkingen met ernstige stormvloeden rekening moesten houden.

November 1042 — Een nieuwe zeevloed bedreigt de Vlaamse kust en mogelijk Zeeland

In november 1042 werd opnieuw een ernstige overstroming vastgelegd in de annalen van de Sint-Pietersabdij in Gent, de zogenoemde Annales Blandinienses. De vermelding heeft vooral betrekking op Vlaanderen, maar mogelijk werden ook delen van Zeeland getroffen. De precieze geografische omvang en het aantal slachtoffers zijn niet bekend. De kustvlakte bestond uit kreken, kwelders, nederzettingen en landbouwgebieden die door hoog zeewater konden worden overspoeld. Een stormvloed kon bestaande waterlopen verbreden en de afwatering veranderen, maar niet iedere landschapsverandering kan rechtstreeks aan deze ene gebeurtenis worden toegeschreven. Samen met de overstroming van 1014 toont de gebeurtenis hoe kwetsbaar de zuidwestelijke delta gedurende de elfde eeuw bleef. Voor bewoners was herstel van land en waterkeringen noodzakelijk om bewoning en landbouw voort te zetten.

Tussen 1050 en 1121 — Boeren en grondbezitters bouwen kaden om hun ontgonnen land te behouden

In de elfde en vroege twaalfde eeuw namen bewoners van verschillende lage kust- en veengebieden maatregelen om hun landbouwgrond tegen hoogwater te beschermen. Zij legden plaatselijke kaden en dijken aan met aarde, klei en graszoden. De ontwikkeling verliep niet overal tegelijk: langs sommige Vlaamse kustgebieden bestonden al langere waterkeringen, terwijl in West-Friesland de grotere aaneengesloten bedijking vooral later gestalte kreeg. De kaden moesten buitenwater keren, maar mochten de afvoer van regenwater niet onmogelijk maken. Boeren en grondbezitters moesten daarom ook sloten en afwateringsopeningen onderhouden. Een beschadigde kade kon niet alleen het land van één eigenaar, maar ook aangrenzende percelen bedreigen. Gezamenlijk onderhoud en afspraken over werkzaamheden werden daardoor steeds belangrijker. De aanleg van dijken bood meer bescherming en maakte intensiever landbouwgebruik mogelijk, maar vergrootte tegelijkertijd de gevolgen wanneer een waterkering bezweek.

Het jaar 1122 — Bisschop Godebald damt de Kromme Rijn af en verandert de waterhuishouding van Utrecht

In 1122 liet bisschop Godebald van Utrecht de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede afdammen. De rivier voerde voordien Rijnwater langs Utrecht en overstroomde regelmatig de omliggende lage gronden. Door de afdamming werd de toevoer naar de Kromme Rijn sterk verminderd en kreeg de Lek een grotere betekenis voor de afvoer van Rijnwater. Hierdoor ontstonden betere mogelijkheden om de natte gronden in het Krommerijngebied, waaronder het latere Langbroek, te ontginnen. De ingreep had echter ook gevolgen voor de handel. Utrecht verloor een belangrijk deel van zijn rechtstreekse rivierverbinding en schippers werden afhankelijker van andere vaarwegen. De ontwikkeling van de Vaartse Rijn bood vervolgens een alternatieve verbinding met de zuidelijker gelegen rivieren. Godebalds besluit laat zien hoe een bisschop als landsheer de waterhuishouding kon veranderen om landbouw en bewoning mogelijk te maken, terwijl dezelfde ingreep nieuwe belangenconflicten en waterstaatkundige verplichtingen veroorzaakte.

Oktober 1134 — Een zware stormvloed verandert de kustvlakte van Vlaanderen en Zeeland

In oktober 1134 werd het zuidwestelijke kustgebied opnieuw getroffen door een zware stormvloed. De gebeurtenis wordt vooral verbonden met Vlaanderen en Zeeland, waar de zee via bestaande geulen diep het land kon binnendringen. De overstroming speelde een rol in de veranderingen van het gebied waar later het Zwin een belangrijke getijdenwaterweg vormde. Het is niet verantwoord het volledige ontstaan van deze waterweg aan één storm toe te schrijven. Bewoners van de kustvlakte werden geconfronteerd met verlies van landbouwgrond, aantasting van waterkeringen en veranderingen in de afwatering. De herhaalde overstromingen versterkten de noodzaak om kwetsbare gebieden door dijken en dammen te beschermen. In Vlaanderen en Zeeland groeide de bedijking daardoor uit tot een steeds belangrijker onderdeel van de inrichting van het landschap. De bescherming van landbouwgrond en nederzettingen vereiste langdurig onderhoud en samenwerking tussen verschillende grondbezitters.

Tussen 1134 en 1163 — De Noordzee krijgt meer invloed op het Almere en de kwetsbare veengronden

In de decennia na 1134 veranderde het landschap tussen West-Friesland, Friesland en het Almere verder. De verbindingen met de Noordzee bestonden uit geulen en waterdoorgangen waarlangs zeewater het binnenland kon bereiken. Stormvloeden, golfslag en afkalving tastten de omliggende veengronden aan. Tegelijkertijd hadden boeren grote oppervlakten veen ontwaterd, waardoor de bodem was gedaald en gemakkelijker kon worden aangetast. Het Almere groeide niet door één enkele gebeurtenis uit tot de latere Zuiderzee, maar door een langdurige combinatie van natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. In Friesland en Groningen bleven terpen en wierden belangrijke woonplaatsen, terwijl ook dijken en kaden steeds meer bescherming boden. In West-Friesland en de Hollandse veengebieden nam de noodzaak van gezamenlijke waterbeheersing toe. Toch bleven grote kustgebieden kwetsbaar. In februari 1164 trof een uitzonderlijk zware stormvloed het Noordzeegebied. Deze ramp, bekend als de Sint-Julianavloed, vormt het begin van het volgende deel.

Toen het water Nederland verzwolg

Twaalf eeuwen van stormvloeden, verdronken dorpen en verloren levens (800–1995)

Deel 2 — Toen de zee het land binnendrong

Stormvloeden, dijkdoorbraken en verdronken dorpen (1164–1399)

In de twaalfde en dertiende eeuw veranderde het Nederlandse kustlandschap ingrijpend. De Noordzee drong verder door bestaande zeegaten naar binnen, ontgonnen veengronden daalden en stormvloeden brachten steeds grotere gebieden in gevaar. De gevolgen beperkten zich niet tot verdronken mensen en verwoeste dorpen. Boeren verloren hun vee en oogsten, landerijen verziltten en beschadigde dijken moesten opnieuw worden opgebouwd.

Tegelijkertijd ontstond een steeds ingewikkelder stelsel van waterkeringen. Dat beschermde landbouwgrond, maar maakte bewoners ook afhankelijk van gezamenlijk onderhoud en een goede afwatering. Aan het einde van de veertiende eeuw was duidelijk geworden dat een dijkdoorbraak niet alleen een plaatselijk dorp, maar een heel achterliggend gebied kon treffen.

Februari 1164 — De Sint-Julianavloed verwoest nederzettingen langs de Noordzeekust

In de nacht van 16 op 17 februari 1164 joeg een zware storm het Noordzeewater tegen de kust van het Friese en Saksische kustgebied. De kroniekschrijver Helmold van Bosau beschreef hoe nederzettingen overstroomden, bewoners verdronken en grote aantallen landbouwdieren verloren gingen. Vooral Oost-Friesland, Hadeln en de gebieden langs de Elbe en Weser werden getroffen. Ook Groningen wordt in latere beschrijvingen met de ramp verbonden, maar betrouwbare schadecijfers voor afzonderlijke Nederlandse dorpen ontbreken. Het overgeleverde dodental van ongeveer twintigduizend blijft onzeker. De overstroming trof boeren die afhankelijk waren van hun akkers, vee en plaatselijke waterkeringen. Verlies van landbouwgrond en voedselvoorraden kon ook na het terugtrekken van de zee tot langdurige armoede leiden.

November 1170 — De Allerheiligenvloed opent nieuwe wegen van de Noordzee naar het Almere

Op 1 november 1170 veroorzaakte de Allerheiligenvloed ernstige overstromingen langs de kust van Holland en Friesland. De Annalen van Egmond beschrijven hoe in Kennemerland onverwacht water binnendrong, vee verdronk en bewoners hun toevlucht zochten op de balken van hun woningen. Schepen werden ingezet om bedreigde mensen te redden. Verder naar het noorden drong de zee via het Marsdiep, het Vlie en andere waterverbindingen het binnenland binnen. Latere schrijvers vermeldden zelfs gevolgen tot Utrecht, waarvan de omvang onzeker blijft. De vloed droeg bij aan de verbreding van zeegaten en de ontwikkeling van het Almere tot de Zuiderzee. Dat langdurige proces werd door volgende stormvloeden en het verdwijnen van veengrond voortgezet.

6 december 1196 — De Sint-Nicolaasvloed brengt zeewater via de Middelzee het Friese binnenland in

Op 6 december 1196 trof de Sint-Nicolaasvloed Groningen, Friesland en delen van Noord-Holland. De storm stuwde het water vanuit de Waddenzee via de Middelzee tussen Westergo en Oostergo naar het Friese binnenland. Hoewel deze zeearm plaatselijk al dichtslibde, bleef hij een gevaarlijke toegangsweg voor het zeewater. Ook Griend en het gebied rond het Almere worden met de overstroming verbonden. Boeren langs de waterverbindingen zagen hun akkers en graslanden bedreigd, terwijl afslag van veengrond blijvend landverlies kon veroorzaken. Betrouwbare aantallen verdronken bewoners ontbreken. De ramp vergrootte de noodzaak om afzonderlijke waterkeringen met elkaar te verbinden en kwetsbare ontginningsgebieden gezamenlijk te beschermen.

Omstreeks 1200–1219 — De Wolddijk beschermt het Groningse veenland tegen toestromend water

Omstreeks 1200 legden bewoners van het Centrale Woldgebied ten noorden en oosten van Groningen de Wolddijk aan. Deze binnendijk beschermde de lage gronden rond Bedum, Zuidwolde, Noordwolde en Garmerwolde vooral tegen water uit omliggende, hoger gelegen gebieden. Door eeuwenlange veenontginning en ontwatering was de bodem gedaald, terwijl bestaande kustdijken de natuurlijke afvoer bemoeilijkten. De Wolddijk vormde daarom onderdeel van een groter stelsel van watergangen, kaden en afwateringswerken. In januari 1219 trof de Sint-Marcellusvloed opnieuw het Noordzeegebied, waaronder de kwetsbare Friese kust en omgeving van de Lauwerszee. Latere verhalen verbinden deze ramp met het verdwijnen van Ezonstad bij Anjum, maar daarvoor ontbreekt overtuigend historisch bewijs.

December 1248 – maart 1249 — Abt Menko beschrijft hoe het Groningse land maandenlang onder water blijft

Op 27 december 1248 trok een zware storm over Groningen. Abt Menko van het klooster Bloemhof in Wittewierum beschreef hoe de wind daken van huizen rukte en vervolgens naar het noorden draaide, waardoor zeewater werd opgestuwd. Op 4 februari 1249 volgde een nog ernstiger storm, die drie dagen aanhield. Volgens Menko trad negenmaal eb op zonder dat het binnenstromende water voldoende kon wegvloeien. Akkers en hooilanden in de Groningse Wolden bleven langdurig overstroomd. Pas na het feest van Sint-Ludger op 26 maart konden boeren weer ploegen. Het zoute water had ondertussen het gras beschadigd en de voedselvoorziening voor het vee aangetast. Zo veroorzaakte de storm ook maanden later landbouwverliezen.

1272–1273 — Hongersnood en handelsbelemmeringen brengen Groningse boeren in schulden

In 1272 en 1273 werden delen van Friesland en Groningen getroffen door ernstige voedseltekorten. In de lage gebieden rond Woltersum, Oostwold, Noordbroek en Zuidbroek hadden mislukte oogsten en veesterfte de bestaanszekerheid van boeren aangetast. Abt Menko beschreef bovendien hoe handelsbelemmeringen langs de Eems de verkoop van vee, boter, kaas en eieren bemoeilijkten. Zonder inkomsten konden gezinnen nauwelijks graan aankopen. Sommige bewoners waren aangewezen op leningen onder zware voorwaarden. Een historische studie vermeldt gevallen waarin voor één geleend mud graan vier mud moest worden terugbetaald. Deze crisis ging vooraf aan de overstromingen van 1287 en 1288. Ze verzwakte huishoudens die voor nieuwe watersnood juist voedselvoorraden, vee en geld voor dijkherstel nodig hadden.

December 1286 – februari 1287 — Stormvloeden treffen Zeeland en West-Friesland voordat de grote ramp volgt

Op 17 december 1286 en 5 februari 1287 werden volgens een historisch overstromingsboek uit 1776 verschillende kustgebieden door zware zeevloeden getroffen. De schrijver noemde Friesland, Zeeland en West-Friesland als getroffen gebieden. In Zeeland zou een groot deel van het land zijn overstroomd, terwijl Walcheren en Wolfaartsdijk grotendeels gespaard bleven. Ook langs de West-Friese kust ontstond volgens zijn beschrijving aanzienlijke schade aan land en waterkeringen. Omdat de schrijver beide gebeurtenissen gezamenlijk behandelde, is niet vast te stellen welke verliezen bij welke storm behoorden. Afzonderlijke bevestiging van dijkdoorbraken, getroffen dorpen en slachtofferaantallen blijft noodzakelijk. De berichten tonen wel hoe kwetsbaar verschillende kustgebieden waren in de maanden voorafgaand aan de Sint-Luciavloed.

14 december 1287 — De Sint-Luciavloed verwoest huizen, dijken en landbouwgronden langs de noordelijke kust

Op 14 december 1287 trof de Sint-Luciavloed Friesland en het Groningse kustgebied. De voortzetting van de kloosterkroniek van Bloemhof in Wittewierum beschrijft hoe de storm huizen meesleurde, stenen gebouwen beschadigde en bomen ontwortelde. Bewoners verdronken, vee ging verloren en voorraden graan en hooi werden door het water vernield. In de overlevering worden ongeveer dertigduizend doden tussen Stavoren en de Lauwers genoemd en twintigduizend tussen de Lauwers en de Eems. Deze aantallen zijn niet betrouwbaar vast te stellen. De overlevenden verloren tegelijkertijd onderdak, voedselvoorraden, landbouwgrond en bescherming tegen volgende stormen. Beschadigde waterkeringen moesten worden hersteld voordat overstroomde akkers en weilanden opnieuw veilig konden worden gebruikt.

Oktober 1288 — De Simon- en Judasvloed treft het noorden voordat de schade van 1287 is hersteld

In oktober 1288 werd het noordelijke kustgebied opnieuw getroffen door een zware stormvloed, bekend als de Simon- en Judasvloed. Sinds de Sint-Luciavloed waren minder dan elf maanden verstreken. Volgens de historische overlevering waren verschillende beschadigde dijken nog niet volledig hersteld. De nieuwe overstroming trof daardoor een gebied waar boeren reeds woningen, vee, oogsten en voedselvoorraden hadden verloren. Het dichten van dijkgaten vereiste arbeidskrachten, grond, gereedschap en bijdragen van grondbezitters. Door de nieuwe waterschade moesten herstelwerkzaamheden opnieuw worden uitgevoerd of uitgebreid. Betrouwbare afzonderlijke slachtofferaantallen ontbreken. De opeenvolgende stormvloeden maakten duidelijk dat de veiligheid van een herbouwde boerderij afhankelijk bleef van de toestand van de gehele omliggende waterkering.

25 november 1304 — De Catharinavloed breekt Zeeuwse dijken en laat delen van Noord-Beveland onbeschermd achter

Op 25 november 1304 trof de Catharinavloed de Zeeuwse eilanden. Vooral Walcheren en Noord-Beveland kregen te maken met zware schade aan waterkeringen en overstroomde polders. Volgens historische beschrijvingen waren sommige dijken zo ernstig beschadigd dat bewoners aanvankelijk twijfelden of herstel nog mogelijk was. Toch werden verschillende gebieden opnieuw bedijkt. Op Noord-Beveland bleef daarbij een aanzienlijk deel van de vroegere landbouwgrond buiten de nieuwe dijken liggen. Aan de oostzijde werden onder meer Sint-Michielsdorp en Hamerstee in latere beschrijvingen als buitengedijkte nederzettingen genoemd. Het prijsgeven van grond verkleinde het beschermde landoppervlak. De ramp liet zien dat herbedijking niet altijd herstel van de oude toestand betekende: soms moesten bewoners kiezen welk land nog verdedigbaar was.

1321–1323 — Doorbraken bij Vreeswijk dwingen bisschop Jan van Diest het beheer van de Lekdijk te hervormen

In 1321 en 1322 brak de Lekdijk bij Vreeswijk herhaaldelijk door. Het rivierwater overstroomde achterliggende landbouwgronden en maakte duidelijk dat onvoldoende onderhoud van één dijkgedeelte een groot gebied kon bedreigen. Op 12 juli 1323 vaardigde bisschop Jan van Diest een dijkbrief uit voor het Hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams. Daarmee werd het reeds bestaande dijkbestuur opnieuw georganiseerd. Een dijkgraaf en elf hoogheemraden kregen vastgelegde verantwoordelijkheden voor toezicht en onderhoud. Zij moesten de waterkering tussen Amerongen en IJsselstein controleren en konden eigenaren aanspreken op hun onderhoudsplichten. De dijkbrief vormde een belangrijke bestuurlijke reactie op de overstromingen: plaatselijke verplichtingen werden ondergebracht in een gezamenlijk gereglementeerd systeem van dijkzorg.

23 november 1334 — De Sint-Clemensvloed overstroomt Zeeuwse polders en treft ook andere kustgebieden

Op 23 november 1334 veroorzaakte een zware storm opnieuw overstromingen in de Nederlanden. De gebeurtenis staat bekend als de Sint-Clemensvloed. In Zeeland stroomde het water over verschillende polderdijken. Vooral Noord-Beveland werd opnieuw zwaar getroffen. Volgens historische beschrijvingen ging een groot deel van het gebied bij Kats verloren. Ook in Friesland, Holland en andere delen van Zeeland werden overstromingen gemeld. Een achttiende-eeuwse schrijver vermeldde dat eerdere rivieroverstromingen in Holland en het Sticht Utrecht aan de zeevloed waren voorafgegaan. Kennemerland zou grotendeels zijn gespaard. Betrouwbare slachtoffertellingen en een volledige lijst van verdronken dorpen ontbreken. Voor de Zeeuwse bewoners betekende de ramp opnieuw verlies van landbouwgrond en hoge kosten voor herstel.

Tussen 1340 en 1370 — De bedijking van de Zeevang sluit de IJe bij Edam van de Zuiderzee af

In de veertiende eeuw werd het veengebied van de Zeevang ten noorden van Edam door samenhangende waterkeringen beschermd. Sinds de elfde eeuw hadden bewoners het veen ontgonnen en ontwaterd, waardoor de bodem steeds verder was gedaald. Stormvloeden vanuit de Zuiderzee konden daardoor laaggelegen akkers en weilanden bereiken. Bij de verdere bedijking werd de oude veenstroom de IJe, ook Ee genoemd, met een dam van de Zuiderzee afgesloten. De ingreep beperkte de rechtstreekse invloed van het zeewater en verbeterde de bescherming van Edam en het omliggende landbouwgebied. Elders langs de Zuiderzee werden eveneens dijken versterkt, waaronder gedeelten van de Westfriese Omringdijk. De bescherming bleef afhankelijk van onderhoud en het afvoeren van overtollig binnenwater.

Na 1366 — Bedijkingen langs de Merwede veranderen de ruimte waarlangs rivierwater kan wegstromen

Na 1366 werd volgens een achttiende-eeuwse historische beschrijving land langs de Merwede aan de zijde van de Alblasserwaard binnengedijkt. Daardoor zou tussen Hardinxveld en Werkendam minder ruimte zijn overgebleven voor de afvoer van rivierwater. Bij hoge rivierstanden kon het water volgens deze verklaring sterker tegen de dijken drukken. De schrijver beschouwde deze ontwikkeling als een belangrijke factor in de voorgeschiedenis van de Sint-Elisabethsvloed. Zijn verklaring berust echter op waterstaatkundige inzichten uit de achttiende eeuw en bewijst niet dat deze bedijkingen de ramp van 1421 veroorzaakten. Wel onderstreept de beschrijving een wezenlijk probleem: uitbreiding van beschermd landbouwgebied kon gevolgen hebben voor de afvoer van water en de belasting van aangrenzende dijken.

1374–1399 — De Lekdijk breekt bij Schalkwijk en toont de kwetsbaarheid van de Hollandse waarden

Begin 1374 veroorzaakte uitzonderlijk hoogwater in het Rijngebied meerdere overstromingsgolven. In januari en februari bereikten deze ook de Lek. Bij De Heul, ter hoogte van Schalkwijk, brak de Lekdijk op twee nabijgelegen plaatsen door. Het rivierwater verspreidde zich over het achterliggende land in de richting van Jutphaas en verder westwaarts. Otto van Schonauwen wordt in de historische beschrijving met de herstelwerkzaamheden verbonden. Ook de Alblasserwaard en de Grote Waard waren afhankelijk van hun rivier- en zeedijken. De Grote Waard omvatte het landbouwgebied tussen Dordrecht, Heusden en Geertruidenberg. Tegen het einde van de veertiende eeuw vereiste het behoud van deze gebieden blijvend toezicht, geld en samenwerking. Een doorbraak kon immers veel meer dan één dorp treffen.

Toen het water Nederland verzwolg

Twaalf eeuwen van stormvloeden, verdronken dorpen en verloren levens — 800–1995

Deel 3 — De ondergang van de Grote Waard (1400–1449)

Van vruchtbare landbouwgrond tot verdronken kerkdorpen, van mislukte dijkherstellingen tot de eerste nieuwe polders.

1400–1402 — De Grote Waard wordt steeds afhankelijker van haar dijken en sluizen

Aan het begin van de vijftiende eeuw vormde de Grote Waard een van de belangrijkste landbouwgebieden van Holland. Tussen Dordrecht, Heusden, Geertruidenberg en Zevenbergen lagen akkers, weilanden, dorpen en waterlopen binnen een omvangrijk stelsel van dijken. De Merwede, Maas, Dubbel, Alm en Donge bepaalden de ligging van het gebied. Boeren verbouwden graan, hielden vee en leverden hun producten aan omliggende steden. Door eeuwenlange ontwatering was de veenbodem echter ingeklonken. Daardoor kwamen landbouwgronden steeds lager ten opzichte van de rivieren te liggen. Een doorbraak kon inmiddels grote delen van het achterliggende gebied bedreigen. Het behoud van de Grote Waard vereiste daarom voortdurend onderhoud en samenwerking tussen bestuurders en grondbezitters.

1402 — De graaf van Holland legt de onderhoudsplichten van Strijen vast

In 1402 bevestigde hertog Albrecht van Beieren een regeling voor de ingelanden van Strijen. Zij werden vrijgesteld van een bepaalde betaling, het zogenoemde schot, in ruil voor hun bijdrage aan het onderhoud van de dijk van de Grote Waard. De akte is opgenomen in het archief van de Heren van Putten en Strijen, dat tegenwoordig bij het Nationaal Archief wordt bewaard. De regeling toont hoe nauw dijkonderhoud met grondbezit, belastingverplichtingen en heerlijke rechten was verbonden. De bescherming van het land berustte niet uitsluitend op het werk van dijkgraven en heemraden. Ook afzonderlijke groepen ingelanden moesten bijdragen. Wanneer rechten en verplichtingen uiteenliepen, kon dat de financiering van gemeenschappelijke waterkeringen bemoeilijken.

19 november 1404 — De eerste Sint-Elisabethsvloed verwoest delen van Vlaanderen en Zeeland

Op 19 november 1404 trof een zware stormvloed de Vlaamse en Zeeuwse kust. Zeewater brak door beschadigde waterkeringen en overstroomde polders die in voorgaande tientallen jaren waren bedijkt. Bij Sint-Margriete en Sint-Jan-in-Eremo gingen opnieuw landbouwgronden verloren. Jan zonder Vrees, sinds 1404 hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen, kreeg te maken met de omvangrijke herstelproblemen. Onder zijn bewind werden bestaande dijken hersteld en versterkt, waaronder gedeelten van wat de Graaf Jansdijk werd genoemd. Het ging niet om één geheel nieuwe, gelijktijdig aangelegde waterkering, maar om verschillende oudere en vernieuwde dijktrajecten. De ramp maakte duidelijk hoe kostbaar het herstel van eenmaal overstroomde polders kon worden.

1409–1413 — Herhaalde overstromingen beschadigen de dijken van de Grote Waard

In 1409, 1411 en 1413 werd opnieuw wateroverlast in de Grote Waard vermeld. De bewoners hadden al ervaring met ernstige doorbraken. Tijdens de storm van 21 op 22 januari 1394 was bij Broek een dijk bezweken, waarna graaf Albrecht van Beieren herstelmaatregelen had verlangd. De nieuwe overstromingen vergrootten de druk op een landschap waarvan de bodem verder daalde. Dijkgraven en heemraden moesten de waterkeringen en sluizen inspecteren, terwijl ingelanden beschadigde gedeelten moesten laten herstellen. Iedere doorbraak betekende nieuwe uitgaven en mogelijk verlies van oogsten. Bovendien kon een diepe uitspoeling, een wiel, ontstaan waarin het oude dijktracé niet eenvoudig te herstellen was.

1410–1413 — De kosten van een nieuwe dijk leiden tot een conflict met de Tieselenswaard

In 1410 klaagden inwoners van de Grote Waard bij graaf Willem VI over de hoge kosten van een geplande dijk rond het land van Putten. Ook moesten nieuwe uitwateringssluizen bij Broek worden aangelegd. Ondanks de bezwaren begon de uitvoering. In december 1413 was de dijk vrijwel voltooid, maar volgens de historische reconstructie waren de kosten tot ongeveer negenmaal de oorspronkelijke raming opgelopen. De Tieselenswaard weigerde aan bepaalde uitgaven bij te dragen en beriep zich op voorrechten uit 1282. Deze vrijwaarden haar volgens die uitleg van bijdragen aan dijken en sluizen buiten het eigen gebied. Het geschil toont waarom gezamenlijk dijkbeheer financieel en juridisch ingewikkeld was, juist wanneer de bescherming dringend versterking vereiste.

1413–1420 — De zoutwinning bij Broek en Strijen vergroot het gevaar voor de dijken

Rond Broek en Strijen werd zouthoudend veen afgegraven voor de zoutproductie. Deze moernering leverde inkomsten op aan grondbezitters en ondernemers, maar veranderde ook het landschap. Door het afgraven verdwenen stukken veengrond die eerder bescherming boden tegen stromend water en golfslag. Vooral bij Broek, waar belangrijke uitwateringssluizen lagen, was dat gevaarlijk. Het archief van de Heren van Putten en Strijen bevat oudere stukken over zoutwinning in het Markgors en Loogors, waaronder een bevestiging uit 1358 en een geschil uit 1359. De economische belangen waren dus al lang vóór de ramp aanwezig. Hoeveel de moernering precies bijdroeg aan de doorbraken van 1421 blijft onzeker, maar zij vergrootte de kwetsbaarheid van de waterkeringen.

1417–1420 — Jacoba en Jan van Beieren strijden om het bestuur van Holland

Na de dood van graaf Willem VI in 1417 volgde zijn dochter Jacoba van Beieren hem op. Haar oom Jan van Beieren betwistte haar positie en kreeg steun van de Kabeljauwse partij. De Hoekse en Kabeljauwse twisten brachten daardoor nieuwe bestuurlijke onzekerheid. In 1418 belegerde Jacoba de stad Dordrecht, die Jan van Beieren steunde. Het conflict leidde in februari 1419 tot de overeenkomst van Woudrichem, waarna Jan zijn invloed op het bestuur van Holland verder uitbreidde. Voor de Grote Waard viel deze machtsstrijd samen met toenemende onderhoudskosten. De politieke verdeeldheid bemoeilijkte de samenwerking tussen verschillende belanghebbenden, maar verklaart op zichzelf niet waarom de dijken enkele jaren later bezweken.

1420 – voorjaar 1421 — Nieuwe overstromingen treffen de verzwakte Grote Waard

In 1420 en het voorjaar van 1421 werden opnieuw overstromingen gemeld. Niet alleen stormen vanaf zee vormden een gevaar. Ook hoge rivierwaterstanden konden de dijken van de Grote Waard zwaar belasten. Bij langdurige regenval en hoge afvoer van Rijn en Maas werd de afwatering van het achterliggende landbouwgebied bemoeilijkt. Sluizen konden hun werk alleen goed doen wanneer het buitenwater voldoende laag stond. Beschadigde dijken moesten worden aangevuld en diep uitgespoelde gedeelten opnieuw afgesloten. Boeren verloren ondertussen arbeidsdagen en landbouwopbrengsten aan het herstel. De combinatie van bodemdaling, beschadigde waterkeringen, hoge kosten en politieke onzekerheid maakte het gebied steeds kwetsbaarder voor een volgende zware storm.

18–19 november 1421 — De noordwesterstorm veroorzaakt de grote doorbraak bij Broek

In de nacht van 18 op 19 november 1421 trof een zware noordwesterstorm de Nederlandse kust en het benedenrivierengebied. Het opgestuwde zeewater zette de westelijke waterkeringen van de Grote Waard onder zware druk. Bij Broek, ten zuiden van Strijen, ontstond een belangrijke doorbraak. Het water verspreidde zich over de Strijense Waard en bedreigde het land van Zevenbergen. Via bestaande waterlopen, sloten en lage landbouwgronden drong het steeds verder door. Boeren verloren de bescherming van de dijken waarvan hun bedrijven afhankelijk waren. Akkerland, weilanden, wegen en erven overstroomden. De storm van november 1421 betekende echter nog niet dat ieder dorp onmiddellijk verdween. De uiteindelijke ondergang van de Grote Waard was het gevolg van meerdere doorbraken en daaropvolgende overstromingen.

November 1421 — Wieldrecht, Weede en Werkendam worden door de overstromingen getroffen

Bij Wieldrecht en Weede drong het water vanuit het zuidwesten verder het landbouwgebied binnen. Hoger gelegen dijken en oeverwallen konden plaatselijk enige bescherming bieden. Ook langs de Merwede ontstonden problemen. Bij Werkendam volgde een belangrijke doorbraak, waardoor rivierwater toegang kreeg tot de Grote Waard. Historische onderzoekers verschilden later van mening over de doorslaggevende plaats van de overstroming. Frans Netscher legde de nadruk op Wieldrecht, terwijl onder anderen Wagenaar en Van Velsen de Oude Wiel bij Werkendam belangrijk achtten. De verschillende verklaringen weerspiegelen de moeilijkheid om de gebeurtenissen nauwkeurig te reconstrueren. Het water drong via meerdere punten binnen, waarna afzonderlijke overstromingsgebieden met elkaar verbonden raakten.

November 1421 – voorjaar 1422 — Bewoners zoeken een veilige plaats terwijl het water blijft staan

De overstromingen dwongen bewoners om hun huizen, vee en bezittingen te verlaten. Langs hoger gelegen wegen, dijken en oeverwallen konden vluchtmogelijkheden bestaan, maar niet ieder gebied bleef bereikbaar. Dordrecht bood bescherming aan mensen uit het omliggende land. Over het werkelijke aantal doden bestaat grote onzekerheid. Latere verhalen noemden honderdduizend slachtoffers, een aantal dat niet verenigbaar is met de geschatte bevolking van de Grote Waard. De Tielse Kroniek vermeldde omstreeks 1450 dat volgens berichten tweeduizend mensen waren verdronken. Ook dat is geen nauwkeurige telling. De gevolgen reikten bovendien verder dan de slachtoffers van de eerste stormnacht. Veel bewoners verloren hun landbouwgrond, inkomsten en mogelijkheden om naar hun vroegere woonplaats terug te keren.

1421–1422 — Houweningen, Dubbelmonde en andere kerkdorpen verliezen hun bestaansgrond

De Grote Waard omvatte tientallen nederzettingen en kerkelijke gemeenschappen. Houweningen, ook Botteskerk genoemd, kende een geschiedenis die tot de elfde eeuw terugging. Eemkerk werd in 1216 vermeld. Ook Dubbelmonde, Leiderkerk, Kruiskerk, Wolbrandskerk en Wieldrecht behoorden tot het verdwenen middeleeuwse landschap. De overstromingen tastten niet overal tegelijk de bewoning aan. Sommige nederzettingen bleven nog tijdelijk bereikbaar, terwijl andere hun landbouwgrond verloren en werden verlaten. Archeologisch onderzoek heeft verschillende kerkplaatsen gelokaliseerd, waaronder Houweningen, Leiderkerk en Wieldrecht. De identificatie van Kruiskerk en Wolbrandskerk is ingewikkelder door wisselende historische benamingen. Een deel van de dorpen verdween dus geleidelijk, en niet noodzakelijk tijdens één enkele nacht.

1421–1422 — Dordrecht verliest haar landbouwgebied en belangrijke handelsverbindingen

De overstromingen troffen de economische positie van Dordrecht. Vanuit de Grote Waard werden graan, vee en andere landbouwproducten naar de stad gebracht. Nu verloren pachters en grondbezitters akkers, hooilanden en inkomsten. Wegen en verbindingen met dorpen raakten onbruikbaar. Dordrecht zelf bleef grotendeels boven water, maar haar achterland veranderde ingrijpend. De nieuwe waterverbindingen maakten het voor schippers bovendien mogelijk de stad gemakkelijker te passeren, wat haar economische positie en lucratieve stapelrecht onder druk zette. Voor afzonderlijke boerenbedrijven zijn de verliezen moeilijk te berekenen. De schade bleef niet beperkt tot vernielde gebouwen of een verloren oogst: zolang land onder water stond, konden ook pachtinkomsten en landbouwproductie niet herstellen.

1422 — Jan van Beieren en de belanghebbenden proberen de dijken opnieuw te sluiten

Na de storm van november 1421 werd de Grote Waard niet onmiddellijk opgegeven. Onder het gezag van Jan van Beieren werden pogingen gedaan om beschadigde waterkeringen opnieuw te sluiten. Dordrecht en de grondbezitters hadden groot belang bij herstel, omdat het overstroomde gebied hun landbouwgrond, inkomsten en verbindingen vertegenwoordigde. Arbeiders moesten dijkgaten afsluiten, nieuwe keringen opwerpen en overtollig water laten afstromen. Zulke werkzaamheden waren afhankelijk van de waterstand, beschikbare grond en voldoende arbeidskrachten. De situatie bleef echter gevaarlijk. In april 1422 stond volgens een historische reconstructie het grootste gedeelte van de Grote Waard onder water. De herstelwerkzaamheden moesten dus worden uitgevoerd terwijl de waterhuishouding nog ernstig ontregeld was.

1422–1423 — Nieuwe rivieroverstromingen bedreigen het herstel van de Grote Waard

In het najaar van 1422 volgde opnieuw een overstroming. Ook in 1423 kwamen volgens historische overzichten hoge waterstanden en nieuwe inundaties voor. Daardoor bleven de mogelijkheden om het overstroomde gebied droog te leggen beperkt. Dijkwerkers moesten rekening houden met nieuw binnendringend water, terwijl beschadigde sluizen en veranderde waterlopen de afwatering bemoeilijkten. Voor boeren die hun bedrijven opnieuw wilden beginnen, bleef de toekomst onzeker. Een herstelde dijk betekende weinig wanneer verderop opnieuw een opening ontstond. Bovendien moesten de benodigde werkzaamheden worden betaald uit inkomsten die door eerdere overstromingen al waren verminderd. Het herstel vereiste daarom niet alleen grondwerk, maar ook nieuwe bestuurlijke afspraken over de verdeling van kosten en verplichtingen.

1423 — Jan van Beieren benoemt Jacob van Gaasbeek tot dijkgraaf van de Grote Waard

In 1423 stelde Jan van Beieren Jacob van Gaasbeek, heer van Putten en Strijen, aan tot dijkgraaf van de Grote Waard. De aanstelling is vastgelegd in een oorkonde in het archief van de Heren van Putten en Strijen, inventarisnummer 38. In hetzelfde jaar sloten Jan van Beieren en Jacob van Gaasbeek een overeenkomst over de uitgifte van vijfhonderd morgen grond bij Strijen ter bedijking, vastgelegd onder inventarisnummer 37. De twee akten tonen dat het landsheerlijke bestuur nog daadwerkelijk maatregelen nam om het overstroomde land te herstellen. Jacob kreeg een officiële positie binnen het dijkbeheer, terwijl de overeenkomst een concreet gebied aanwees voor nieuwe bedijkingswerkzaamheden. Of alle voorgenomen werkzaamheden onmiddellijk werden uitgevoerd, blijkt niet uit de inventarisbeschrijvingen alleen.

18–19 november 1424 — Een nieuwe Sint-Elisabethsvloed maakt de eerdere herstelpogingen grotendeels ongedaan

Rond 19 november 1424 trof opnieuw een zware stormvloed het zuidwestelijke rivierengebied. In de voorafgaande jaren waren beschadigde waterkeringen hersteld, maar verschillende gedeelten bleven kwetsbaar. Volgens archeologisch-historische reconstructies had de droge zomer van 1424 bovendien bijgedragen aan verzwakking van nieuw aangebrachte veendijken en opvullingen. De stormvloed beschadigde opnieuw waterkeringen en liet delen van de Grote Waard onderlopen. Voor bewoners, grondbezitters en financiers betekende dit dat eerder verrichte werkzaamheden hun doel niet blijvend hadden bereikt. Het uitzicht op herstel van de gehele dijkring werd daardoor aanzienlijk slechter. Niet alleen de ramp van 1421, maar vooral de opeenvolging van overstromingen tussen 1421 en 1424 bepaalde de uiteindelijke ondergang van de Grote Waard.

1425–1435 — Rivierwater en getijdenwerking veranderen de Grote Waard in een nieuw landschap

Na de mislukte herstelpogingen raakte de vroegere Grote Waard steeds verder verdeeld door waterlopen en geulen. Bestaande rivieren konden zich verbreden, terwijl op andere plaatsen nieuwe stroomgeulen ontstonden. Stromend water voerde zand en slib aan, die op beschutte plekken werden afgezet. Hoger gelegen delen bleven langer bruikbaar of bereikbaar dan de diepere gronden. Het gebied ontwikkelde zich geleidelijk tot het Bergsche Veld, waaruit later het landschap van de Biesbosch voortkwam. De veranderingen waren niet overal gelijk: getijdenwerking, rivierafvoer, erosie en aanslibbing bepaalden plaatselijk een andere ontwikkeling. Het herstel van de oorspronkelijke Grote Waard als één landbouwgebied werd steeds moeilijker. Daarom kregen afzonderlijke bedijkingen langs de randen van het overstroomde gebied meer betekenis.

1436 — Jacob van Gaasbeek beschermt het Oudeland van Strijen met een nieuwe winterdijk

In 1436 werd het Oudeland van Strijen ingepolderd en door een winterdijk beschermd. Een in historische overzichten genoemd octrooi van 12 maart 1436 wordt met deze bedijking verbonden, al verdient de precieze datering nog controle aan de hand van de oorspronkelijke akte. Jacob van Gaasbeek speelde als heer van Putten en Strijen een belangrijke bestuurlijke rol. De uitvoering vereiste grondbezitters, financiers en arbeiders die de dijk konden aanleggen en onderhouden. Het nieuwe bedijkte gebied maakte het mogelijk landbouwgrond opnieuw blijvend te gebruiken. Daarmee veranderde de herstelstrategie. In plaats van de gehele vroegere Grote Waard terug te winnen, richtten bestuurders en belanghebbenden zich op afzonderlijke, beter te beschermen stukken land.

1437 — De bedijking van Oud-Heinenoord brengt opnieuw landbouwgrond onder bescherming

Na de bedijking bij Strijen volgden nieuwe ondernemingen in de Hoeksche Waard. In 1437 werd Oud-Heinenoord opnieuw bedijkt. Dit gebied had al vóór de grote overstromingen een geschiedenis van bewoning en landbouw. De aanleg van een winterdijk maakte het mogelijk de aanwezige grond opnieuw tegen hoge waterstanden te beschermen. Voor een succesvolle bedijking waren afspraken nodig over het grondbezit, de uitvoering en het toekomstige onderhoud. Boeren konden pas duurzaam terugkeren wanneer de dijken bescherming boden en de afwatering geregeld was. De bedijking van Oud-Heinenoord laat zien dat herstel niet uitsluitend afhankelijk was van het afsluiten van de oude Grote Waard, maar ook door kleinere, zelfstandige ondernemingen kon plaatsvinden.

1439 — De herdijking van Maasdam en Puttershoek herstelt een belangrijk landbouwgebied

In 1439 volgde de herdijking van het Oudeland van Maasdam en Puttershoek. Maasdam was ontstaan bij een dam die omstreeks 1270 in de Maas was aangelegd. Het oorspronkelijke dorp was door de gevolgen van de Sint-Elisabethsvloed zwaar getroffen. De nieuwe bedijking beschermde landbouwgrond langs een belangrijke verbinding tussen de oudere nederzettingen. De werkzaamheden vereisten het opwerpen en onderhouden van dijken en het opnieuw regelen van de afwatering. Grondbezitters kregen daardoor mogelijkheden om landbouwgrond in gebruik te nemen en pachtinkomsten te herstellen. Samen met de bedijkingen van Strijen en Heinenoord betekende deze onderneming een belangrijke fase in de vorming van het latere polderlandschap van de Hoeksche Waard.

15 april 1439 — Jan Robijn, Daniël van Cralingen en Cornelis van Almonde krijgen bedijkingsrechten

Op 15 april 1439 verleende Jacob van Gaasbeek, heer van Putten en Strijen, aan verschillende ondernemers toestemming om nieuw korenland te bedijken. Onder hen bevonden zich Jan Robijn, kanunnik te Geervliet, Daniël van Cralingen en Cornelis van Almonde. Jacob trad daarbij ook op namens het kapittel van Geervliet en de kartuizers van Bloemendaal bij Utrecht. De uitgifte omvatte verschillende gorzen en uitlanden, waaronder Coorndijk, Koewaard, Gouwaard, IJmansgors, Hughe Claesgors en Hollaartsdijk. Deze gebieden werden verbonden met de Oude-Korendijkse polder en het ontstaan van Goudswaard. De bedijkers moesten de uitvoering en financiering organiseren, terwijl heerlijke rechten en bepaalde tiendinkomsten bij de rechthebbenden bleven.

1442 — Cornelis van Almonde koopt voor 2.000 gouden nobelen nieuwe gronden voor de bedijking

In 1442 verkochten de kartuizers van Bloemendaal verschillende uitlanden, waaronder IJmansgors en Hughe Claeszoonsgors, aan Cornelis van Almonde Philipszoon. De koopsom bedroeg volgens het historische overzicht in de inventaris van het Nationaal Archief tweeduizend gouden nobelen. Cornelis was rentmeester van de landen van Putten en Strijen en behoorde tot de ondernemers die in 1439 bij de bedijking betrokken waren geweest. Mogelijk kocht hij de gronden mede voor andere bedijkers. De transactie toont hoeveel kapitaal nodig was om opnieuw landbouwgrond te verwerven en te beschermen. Kerkelijke instellingen, heren en particuliere ondernemers hadden daarbij verschillende belangen. De nieuwe polders vormden een bron van landbouwinkomsten, maar bleven afhankelijk van kostbaar dijkonderhoud.

13–14 maart 1449 — Jan IV van Nassau laat het Sacrament van Niervaart naar Breda overbrengen

De overstromingen hadden ook Niervaart, bij het huidige Klundert, ingrijpend veranderd. Deze oude bedevaartplaats was bekend vanwege het Sacrament van Niervaart, dat volgens de religieuze overlevering door turfsteker Jan Bautoen was ontdekt. Door de wateroverlast werd het behoud van de kerkelijke verering steeds moeilijker. Jan IV van Nassau, heer van Breda en Niervaart, verkreeg bisschoppelijke toestemming om het Sacrament naar Breda over te brengen. Op 13 maart 1449 vond in Niervaart een laatste plechtige mis plaats, gevolgd door een ommegang rond de kerk. Onder begeleiding van geestelijken, waaronder Hendrik de Bije en Jan Boot, werd de hostie per schip via de Nieuwe Vaart en de Mark vervoerd. De overbrenging vond volgens de overlevering plaats in de avond en nacht van 13 op 14 maart. In de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Breda kreeg het Sacrament een plaats bij het Sint-Anna-altaar. Daarmee verloor Niervaart een belangrijk middelpunt van haar religieuze en economische bestaan.

Toen het water Nederland verzwolg

De Nederlandse overstromingsgeschiedenis, 800–1995

Deel 5 — De zee blijft terugkomen: stormvloeden, dijkdoorbraken en verdronken dorpen (1574–1685)

Juli – oktober 1574 — Willem van Oranje laat Hollandse dijken doorsteken om Leiden te ontzetten

Tijdens het Spaanse beleg van Leiden besloot Willem van Oranje het water tegen de belegeraars te gebruiken. Op 31 juli 1574 stemden de Staten van Holland in met het onder water zetten van grote delen van Schieland en Delfland. Vanaf 3 augustus werden dijken langs de Maas en de Hollandse IJssel doorgestoken. Op 8 augustus bezocht Oranje de werkzaamheden bij Capelle aan den IJssel. Tegelijk gingen sluizen bij Maassluis en Vlaardingen open. Admiraal Lodewijk van Boisot moest met een vloot platbodems over de overstroomde polders naar Leiden varen. De eerste weken bleef het water te laag. Nieuwe dijkdoorsteken, harde wind en hoogwater maakten verdere opmars mogelijk. Op 3 oktober werd Leiden ontzet. De militaire overwinning liet uitgestrekte landbouwgebieden achter die opnieuw moesten worden drooggelegd en hersteld.

1574–1578 — Nieuwe overstromingen treffen Friesland terwijl het herstel van de Allerheiligenvloed nog voortduurt

Na de Allerheiligenvloed van 1570 moest Friesland grote delen van zijn kustverdediging herstellen. Onder leiding van de Spaanse stadhouder Caspar de Robles waren zeedijken versterkt en werkzaamheden georganiseerd. Toch bleef het kustgebied kwetsbaar. Historische overzichten vermelden nieuwe overstromingen in augustus 1574, in 1575, op 23 juni 1577 en in maart 1578. Vooral Noord-Friesland en laaggelegen landbouwgebieden kregen opnieuw wateroverlast. Niet iedere vermelding bewijst een afzonderlijke stormvloed vanuit zee; ook hoge binnenwaterstanden en beschadigde kaden konden overstromingen veroorzaken. Ondertussen bracht de Nederlandse Opstand nieuwe militaire en financiële lasten. Boeren moesten beschadigde gronden herstellen, vee beschermen en bijdragen aan dijkonderhoud. Het herstel van de ramp van 1570 was daardoor geen afgesloten gebeurtenis, maar een langdurige strijd om landbouwgrond en bestaanszekerheid.

1597 — Kooplieden uit Amsterdam en Alkmaar financieren de definitieve bedijking van de Zijpe

In Noord-Holland probeerden grondbezitters al tientallen jaren de Zijpe aan de zee te onttrekken. Eerdere bedijkingen waren door stormvloeden, beschadigde dijken en de oorlogshandelingen van 1573 verloren gegaan. In 1597 slaagde een nieuwe onderneming erin het gebied duurzaam te bedijken. Welgestelde kooplieden uit Amsterdam en Alkmaar leverden een belangrijk deel van het kapitaal. Arbeiders legden dijken, sluizen, watergangen en afwateringsvoorzieningen aan. Bij Petten werd de aansluiting op de Hondsbossche zeewering versterkt. Binnen de nieuwe waterkering ontstonden landbouwpercelen die met molens drooggehouden moesten worden. Grondbezitters lieten boerderijen bouwen en verpachtten hun nieuwe land. De Zijpe bewees dat verloren grond kon terugkeren, maar ook dat nieuwe landbouwmogelijkheden afhankelijk bleven van geld, dijkonderhoud en voortdurend werkende afwatering.

November 1609 – maart 1610 — Bestuurlijke onenigheid vertraagt de dijkversterking bij Workum

Langs de Friese Zuiderzeekust wilden bestuurders en grondbezitters de bescherming rond Workum verbeteren. De stad Workum en de betrokken gebieden Wymbritseradeel en Hemelumer Oldeferd konden echter geen overeenstemming bereiken over de verdeling van de kosten. Vooral de aanleg en het onderhoud van dijken en houten paalwerken brachten hoge lasten met zich mee. In november 1609 probeerde het Friese gewest het geschil op te lossen, maar de onderhandelingen leverden onvoldoende voortgang op. In januari 1610 volgde opnieuw een overstroming. De Staten van Friesland verlengden daarop in maart een belastingvrijstelling van vijfentwintig naar vijftig jaar. Rechtstreekse financiering van de dijken en paalwerken bleef echter uit. De belanghebbenden moesten zelf middelen vinden. De overstroming maakte duidelijk dat een waterkering niet alleen door een storm, maar ook door uitgesteld bestuurlijk handelen kwetsbaar werd.

Januari 1610 — De Bildtse boer Dirck Jansz. beschrijft hoe een overstroming de landbouw ontregelt

In januari 1610 werd Het Bildt opnieuw door een overstroming getroffen. De Bildtse boer Dirck Jansz., die tussen 1604 en 1636 zijn ervaringen vastlegde, beschreef de gevolgen voor zijn omgeving. Volgens zijn aantekeningen raakten veel woningen geheel of gedeeltelijk beschadigd. Akkerland kwam onder water te staan en landbouwgronden moesten opnieuw worden bewerkt. Nadat het water was verdwenen, zaaiden boeren hun percelen opnieuw in. Ook die poging leverde weinig op. De schade beperkte zich daardoor niet tot verloren huisraad of een beschadigde woning. Gezinnen verloren opbrengsten, zaaigoed en arbeidskracht, terwijl de verplichtingen voor pacht en dijkonderhoud bleven bestaan. De overstroming van januari 1610, in de eerdere datering op 10 januari geplaatst, laat zien hoe een watersnood meerdere landbouwseizoenen kon doorwerken.

1610–1612 — De bedijkers van de Wieringerwaard moeten hun nieuwe zeedijken telkens opnieuw herstellen

Ten noorden van de Westfriese Omringdijk begonnen ondernemers aan de bedijking van de Wieringerwaard. Adriaan Maartenz. Koetenburg uit Alkmaar had daarvoor in 1597 toestemming van de Staten van Holland verkregen. De uitvoering liep vertraging op door gebrek aan arbeidskrachten en geschikt dijkmateriaal. In 1608 en 1609 werden nieuwe werkzaamheden ondernomen. In 1610 kon een groot deel van het voormalige waddengebied worden drooggelegd, maar de waterkeringen waren nog niet veilig. Tijdens een storm op 27 februari ontstonden opnieuw dijkgaten en diepe uitschuringen. Arbeiders moesten rijshout, klei, palen en zelfs afgezonken schepen gebruiken om de beschadigingen te herstellen. Ook in 1611 verzakten dijkgedeelten. In 1612 kregen de ondernemers opnieuw uitstel. De bedijking, waarin ook Johan van Oldenbarnevelt belangen had, werd pas na verdere werkzaamheden voldoende afgesloten.

December 1623 – maart 1625 — Drie opeenvolgende stormjaren verzwakken de Friese Zuiderzeedijken

De Friese Zuiderzeekust kreeg in korte tijd verschillende zware overstromingen te verwerken. In december 1623 werd opnieuw hoogwater vermeld. In 1624 brak volgens een historisch overzicht de zeedijk tussen Stavoren en Hindeloopen door. Op 7 en 8 maart 1625 volgde een nieuwe stormvloed die ook bij Harlingen gevaarlijke waterstanden veroorzaakte. Langs de kust moesten beschadigde dijken, houten paalwerken en uitwateringsvoorzieningen worden hersteld. Wanneer een zeedijk bezweek, stroomde zout water over de achterliggende landbouwgrond en konden sluizen hun functie verliezen. De getroffen dorpen werden hierdoor niet alleen bedreigd door de volgende storm, maar ook door langdurig slechte afwatering. De opeenvolgende gebeurtenissen tonen hoe moeilijk herstel was wanneer nieuwe vloeden volgden voordat de oude schade volledig was verholpen.

Maart 1625 — Dijkdoorbraken bij Diemen en Muiden brengen het water diep het Hollandse achterland binnen

Tijdens de stormvloed van maart 1625 kwamen de waterkeringen langs de Zuiderzee opnieuw onder zware druk te staan. Bij Diemen en Muiden werden dijkdoorbraken gemeld, waardoor water de lage veengebieden ten noorden van de Oude Rijn kon bereiken. De overstroming bedreigde ook het gebied rond het Haarlemmermeer. Op 22 maart werd vastgesteld dat de dijken van de pas drooggelegde Lisserpoel waren bezweken. Daar raakten behalve de polderdijk ook de molentocht en sloten beschadigd. Het land kon daardoor niet onmiddellijk opnieuw worden gebruikt. De stormvloed maakte zichtbaar dat zelfs binnenlandse droogmakerijen afhankelijk waren van de veiligheid van verder weg gelegen zeedijken. De bekende berichten over water op de Dam, Nieuwendijk en Warmoesstraat in Amsterdam behoren aantoonbaar tot de latere Sint-Pietersvloed van 1651.

Maart 1625 — Amsterdamse burgemeesters laten schippers zeilen naar de bedreigde Diemerzeedijk brengen

Langs het IJ en de Zuiderzee vormde de Diemerzeedijk een belangrijke bescherming van Amsterdam en het aangrenzende polderland. Volgens een ouder historisch verslag raakte deze waterkering tijdens de storm van 1625 zwaar beschadigd. Golven spoelden grond weg en vernielden delen van het houten paalwerk. De Amsterdamse burgemeesters zouden daarop ervaren lichterschippers en schuitevoerders met zeilen naar de bedreigde plaats hebben gestuurd. Met deze materialen probeerden zij het beschadigde dijklichaam tegen verder wegspoelen te beschermen. Het verslag vermeldt dat de noodvoorziening ter plaatse standhield, terwijl dichter bij Muiden een groter dijkgedeelte verloren ging. De precieze uitvoering verdient nadere broncontrole, maar de beschreven noodmaatregel toont hoe stadsbesturen scheepvaartmateriaal konden inzetten wanneer gewoon dijkherstel tijdens een storm onmogelijk was.

Maart 1625 — Oude dijkgaten bij Katwoude en Durgerdam laten Waterland opnieuw overstromen

Tijdens de watersnood van 1625 braken de Waterlandse zeedijken op verschillende plaatsen door. Bij Katwoude bezweek volgens een oudere beschrijving opnieuw een gedeelte dat tijdens de Allerheiligenvloed van 1570 al was beschadigd. Bij het vroegere herstel zou een schip, in dat verslag aangeduid als een vaartuig van 350 last, in het dijkgat zijn afgezonken. Vijfenvijftig jaar later bood de herstelde plaats opnieuw onvoldoende bescherming. Bij Durgerdam ontstonden drie doorbraken. Het water verspreidde zich over Waterland en bereikte ook Monnickendam. De pas drooggelegde Wijdewormer liep opnieuw vol, terwijl de Purmer met grote inspanning behouden bleef. Een historisch verslag vermeldt dat oudere inwoners van Monnickendam de waterstand ongeveer één voet hoger vonden dan in 1570. De herhaalde doorbraken maakten oude zwakke dijkgedeelten opnieuw zichtbaar.

1625–1629 — Schokland zoekt financiële steun om zijn bedreigde oevers te beschermen

Ook Schokland kreeg tijdens de stormvloed van 1625 te maken met beschadigde waterkeringen. Het eiland lag midden in de Zuiderzee en verloor geleidelijk grond door afslag van zijn oevers. Bewoners waren afhankelijk van dijken, houten beschoeiingen en onderhoud aan de aanlegplaatsen voor schepen. Wanneer zware golven deze voorzieningen vernielden, werd niet alleen landbouwgrond bedreigd, maar ook de verbinding met het vasteland. Voor de kleine eilandgemeenschap waren de herstelkosten moeilijk op te brengen. Volgens een historische vermelding werd in 1629 geregeld dat schepen die Schokland aandeden financieel moesten bijdragen aan de bescherming van het eiland. Die regeling verbond het belang van bewoners aan dat van vissers en schippers. Schokland kon zijn waterkeringen niet uitsluitend uit de middelen van zijn eigen bevolking onderhouden.

Januari 1643 — Bij Hindeloopen spoelen twaalf woningen, een houten sluis en een deel van de zeedijk weg

In januari 1643 trof een zware storm de Friese Zuiderzeekust bij Hindeloopen. Volgens de plaatselijke geschiedschrijving werden twaalf woningen, een houten sluis en een gedeelte van de zeedijk door het water vernield. Bij het Juffersgat ontstond een doorbraak waardoor het Nieuwland overstroomde. Ook tussen Hindeloopen en Molkwerum kwam landbouwgrond onder water te staan. De verwoesting van de sluis maakte de situatie extra ernstig. Een beschadigde zeedijk kon worden gesloten, maar zonder goede uitwatering bleef het achterliggende land moeilijk droog te krijgen. De stadsbestuurders en betrokken grondbezitters moesten daarom zowel de waterkering als de afvoer van het binnenwater herstellen. Voor Hindeloopen had de ramp een dubbele betekenis: de stad leefde van de zeevaart, maar moest haar huizen, akkers en waterwegen voortdurend tegen hetzelfde water beschermen.

4–5 maart 1651 — De Sint-Pietersvloed doorbreekt de Sint-Anthonisdijk en overstroomt Amsterdam

In de nacht van 4 op 5 maart 1651 joeg een zware noordwesterstorm het water van de Zuiderzee tegen de dijken bij Amsterdam. Door springtij steeg het water uitzonderlijk hoog. Bij Houtewael en Jaap Hannes ontstonden twee doorbraken in de Sint-Anthonisdijk, ook verbonden met de Zeeburger- en Diemerzeedijk. Het water stroomde de achterliggende polders binnen en bereikte ook de binnenstad. Vanuit het Damrak liepen de Nieuwendijk, Warmoesstraat, Dam en Nieuwmarkt onder. Ook de Kalverstraat en aangrenzende straten kregen wateroverlast. Oudere historische beschrijvingen noemen daarnaast Rapenburg, Uilenburg, Marken, de Lastage, overstroomde kelders en ondergelopen stadspalen langs het IJ. Schilder Jan Asselijn en prentmaker Pieter Nolpe, naar Willem Schellinks, legden de dijkdoorbraak vast. Buiten Amsterdam werden ook vissersschepen bij Scheveningen en de kust bij Katwijk getroffen.

1651–1652 — De Watergraafsmeer loopt vijf meter onder en moet opnieuw worden drooggemaakt

De doorbraak van de Sint-Anthonisdijk had bijzonder grote gevolgen voor de Watergraafsmeer, ten oosten van Amsterdam. Het voormalige meer was in 1629 drooggelegd en daarna verkaveld voor landbouw en buitenplaatsen. Toen de zeedijk in maart 1651 bezweek, stroomde water de laaggelegen polder binnen. Volgens historische beschrijvingen stond het plaatselijk zestien voet, ongeveer vijf meter, diep. Tuinen, landbouwpercelen, wegen en huizen kwamen onder water te staan. Eigenaren konden hun bezittingen alleen nog per boot bereiken. De investering van ruim twintig jaar eerder leek verloren. Toch besloten de belanghebbenden opnieuw geld en arbeid in de droogmakerij te steken. Na herstel van de waterkeringen begonnen de molens met het wegmalen van het water. In 1652 was de Watergraafsmeer opnieuw droog. De ramp maakte duidelijk dat inpoldering geen eenmalige overwinning was.

4–5 november 1675 — Een noordwesterstorm verwoest kustgrond bij Huisduinen en bedreigt Wieringen

In de nacht van 4 op 5 november 1675 trok een zware noordwesterstorm over de Republiek. Langs de Noord-Hollandse kust werd het water hoog opgestuwd. Bij Huisduinen verdween kustgrond en het onbedijkte gebied tussen de Zijpe en Wieringen kwam onder water te staan. De storm bedreigde daarmee zowel natuurlijke zandgronden als aangelegde zeedijken. Bij Medemblik moesten dijkwerkers alle beschikbare middelen inzetten om de waterkering te behouden. Hun inspanningen voorkwamen daar een grotere doorbraak. Op andere plaatsen slaagde de verdediging niet. De stormvloed werd later in prenten vastgelegd door Romeyn de Hooghe, die de beschadigde kusten en overstroomde gebieden afbeeldde. Terwijl het water bij Medemblik werd tegengehouden, ontstond verder zuidelijk bij Hoorn een doorbraak met gevolgen voor vrijwel geheel oostelijk West-Friesland.

5 november 1675 — De Westfriese Omringdijk breekt bij Scharwoude en laat een groot gebied overstromen

Op 5 november 1675 bezweek omstreeks half drie 's nachts de Westfriese Omringdijk bij Scharwoude, in de omgeving van Oudendijk en Schardam. Het water schuurde een diep gat uit en stroomde over de achterliggende landerijen. Ook bij het Zwarte Kerkje en langs de Zomerdijk werden in oudere verslagen ernstige beschadigingen genoemd. De overstroming bereikte het gebied tussen Heerhugowaard, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik. Bij de Oosterpoort van Hoorn werden een sluis en aangrenzende waterkering bedreigd. Volgens de overlevering liet het stadsbestuur de alarmklok luiden en trommels roeren om hulp te verzamelen. Boeren brachten hun vee naar hoger gelegen kerken; veel dieren verdronken. Honderden arbeiders begonnen aan het herstel. Op 29 november was het gat gesloten, maar een nieuwe storm vernielde het werk. Pas op 21 januari 1676 was de dijk opnieuw dicht.

5 november 1675 — Bij Halfweg slaat het water een gat van 140 meter in de Spaarndammerdijk

Tijdens dezelfde stormvloed brak even ten oosten van Halfweg de Spaarndammerdijk door. Het Hoogheemraadschap van Rijnland beschrijft een opening van ongeveer 140 meter breed en tien meter diep. Deze dijk beschermde een groot deel van Rijnland tegen hoogwater vanuit het IJ en de Zuiderzee. In Halfweg en Spaarndam beschikte het hoogheemraadschap over opzichters, gebouwen en opgeslagen dijkmaterialen. Toch kon het de doorbraak niet voorkomen. Ook de Slaperdijk ten westen van Spaarndam en de zeedijk bij Muiderberg bezweken op verschillende plaatsen. Daardoor overstroomde een uitgestrekt gebied tussen de duinen en Naarden. De dijkdoorbraak bij Halfweg liet een diepe kolk achter. Het herstel vereiste niet alleen nieuwe grond en arbeid, maar ook ingrijpende maatregelen om het uitgespoelde gat opnieuw veilig af te sluiten.

November 1675 — Bij Stavoren en Molkwerum ontstaan grote gaten in de Friese Zuiderzeedijk

Ook Friesland werd tijdens de stormvloed van november 1675 zwaar getroffen. Langs de Zuiderzeekust sloegen de golven tegen de zeedijken bij Stavoren en Molkwerum. Volgens een historisch verslag ontstond bij Stavoren een opening van dertig roeden breed. Bij Molkwerum was het dijkgat nauwelijks kleiner. Het binnendringende water verspreidde zich over landbouwgronden en bedreigde huizen, vee en uitwateringsvoorzieningen. Voor de getroffen boeren betekende de ramp niet alleen verlies van een deel van de oogst, maar ook nieuwe kosten voor het herstel van dijken en landerijen. De storm trof bovendien delen van Overijssel en Groningen. Het historische verslag vermeldt verdronken bewoners en dieren en vernielde gebouwen, zonder afzonderlijke betrouwbare slachtofferaantallen voor Stavoren en Molkwerum te geven. De ramp van 1675 was daarmee geen plaatselijke, maar een bovenregionale watersnood.

26 januari 1682 — Een stormvloed zet 161 Zeeuwse polders onder water en laat dorpen verdwijnen

Op 26 januari 1682 trof een zware noordwesterstorm het Zeeuwse kustgebied. De combinatie van stormopzet en springtij bracht het zeewater uitzonderlijk hoog tegen de dijken. Volgens historische overzichten overstroomden in Zeeland 161 polders. Op Schouwen werd Bommenede zwaar getroffen. Op Zuid-Beveland ging Valkenisse verloren als bewoond dorp. Ook Vlissingen kreeg ernstige schade aan muren, straten, kaden en havenvoorzieningen. De Zeeuwse arts F. Gruiwardt beschreef in een pamflet de ellendige toestand van de provincie. Een andere tijdgenoot berichtte over graven die door het water werden aangetast. De schade bleef niet beperkt tot akkers en boerderijen: ook pakhuizen, kerken, wegen en handelsvoorzieningen kwamen in gevaar. Vooral bij jonge of kwetsbare bedijkingen bleek dat één stormvloed de resultaten van jarenlang herstel en landwinning kon vernietigen.

26 januari 1682 — Vijftien polders in Oost-Zeeuws-Vlaanderen verliezen samen ongeveer 6.436 hectare land

In Oost-Zeeuws-Vlaanderen drong de stormvloed van 1682 diep het bedijkte landbouwgebied binnen. Volgens een historische schadeopgave overstroomden vijftien polders met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 6.436 hectare. Vooral de jonge Aan- en Genderdijkepolder ten oosten van Terneuzen werd zwaar getroffen. In de zeedijk ontstonden volgens de beschrijving één grote en twee kleinere openingen. Het water kon daardoor over de nieuwe akkers stromen en bestaande afwateringsvoorzieningen beschadigen. Voor de ondernemers en grondbezitters betekende dit opnieuw grote financiële verplichtingen. Eerst moesten de dijkgaten worden gesloten, waarna het water kon worden afgevoerd en de landbouwgrond hersteld. De overstroming toont hoe kwetsbaar recent gewonnen land bleef. De aanleg van een polder bracht nieuwe bezittingen voort, maar ook een blijvende verplichting om de waterkering te onderhouden.

26 januari 1682 — Ooltgensplaat verliest huizen aan de Kerkring en 22 inwoners verdrinken

Op Goeree-Overflakkee kwamen tijdens de stormvloed van 26 januari 1682 in totaal 28 polders onder water te staan. Ooltgensplaat werd bijzonder zwaar getroffen. De plaatselijke schrijver Hendrik van Dam legde kort na de ramp vast hoe het dorp door verschillende dijkdoorbraken van meerdere kanten werd overspoeld. Volgens zijn beschrijving stortten bijna alle huizen aan de Kerkring in. Bewoners zochten bescherming op daken, klommen in bomen of probeerden zich vast te houden aan drijvende delen van woningen. Sommigen bereikten op losgeslagen daken alsnog een dijk. Het raadhuis werd een toevluchtsoord voor gezinnen die hun huisraad en bezittingen verloren hadden. Volgens de historische opgave verdronken 22 inwoners en grote aantallen dieren. De ramp veranderde de toestand van vrijwel de gehele dorpsgemeenschap binnen één dag.

26 januari 1682 — Tien vluchtelingen komen bij Dordrecht om wanneer een molen instort

Ook de gebieden langs het Hollands Diep, de Oude Maas en de Hollandsche IJssel werden tijdens de stormvloed van 1682 getroffen. Historische verslagen noemen overstromingen bij Buitensluis, Hitsert, Piershil en de Korendijk. In de omgeving van Dordrecht zocht volgens een later overstromingsboek een gezelschap van tien personen toevlucht in een molen. Het ging om een man, zijn vrouw, zes kinderen, een knecht en een dienstmeid. Toen het gebouw tijdens de overstroming instortte, zouden alle aanwezigen zijn verdronken. Het afzonderlijke voorval vraagt nog controle in oudere plaatselijke bronnen, maar laat zien welke gevaren schuilplaatsen bij hoogwater konden opleveren. Verder oostelijk ontstonden bij Kortenoord en Klein Hitland twee doorbraken in de Groenendijk. De stormvloed trof dus ook nederzettingen ver van de Zeeuwse kust.

Januari 1682 — Groningse burgers trekken met vaartuigen uit om mensen en vee te redden

De stormvloed van januari 1682 wordt ook in een historisch overstromingsboek in verband gebracht met hulpverlening vanuit de stad Groningen. Volgens dat verslag liet het stadsbestuur de burgerij in twee vendels verdelen. Deze groepen gingen beurtelings met vaartuigen naar overstroomde gebieden om bewoners, vee en goederen in veiligheid te brengen. De inzet van boten was noodzakelijk omdat wegen en landverbindingen door het water onbruikbaar waren geworden. Voor de reddingsploegen betekende het werk dat zij mensen en dieren moesten vervoeren terwijl hoge waterstanden de terugtocht konden bemoeilijken. Het verslag vermeldt geen volledige lijst van bezochte plaatsen en evenmin het aantal geredde personen. Ook de precieze datering en omvang van de actie verdienen nader onderzoek. Wel vormt de beschrijving een voorbeeld van georganiseerde stedelijke hulpverlening bij een watersnood.

1682–1685 — Holland weigert het herstel van Bommenede te betalen en de bewoners verlaten hun dorp

Na de stormvloed van januari 1682 begonnen in Zeeland, Zeeuws-Vlaanderen, Goeree-Overflakkee en Holland omvangrijke herstelwerkzaamheden. Dijkgaten werden gesloten, sluizen hersteld en overstroomde polders opnieuw ontwaterd. Niet overal konden de bewoners voldoende geld bijeenbrengen. Bij Bommenede op Schouwen was de zeedijk bij Nataars doorgebroken en waren drie grote openingen in de binnendijk ontstaan. Het polderbestuur en de bewoners vroegen financiële hulp aan de Hollandse overheid, waaronder de Rekenkamer. Aanvankelijk werden beschadigingen voorlopig hersteld, maar in 1683 besloten de Staten van Holland geen verdere middelen beschikbaar te stellen. De laatste bewoners verlieten het oude Bommenede in 1684, waarna de ontruiming in de winter van 1684–1685 werd voltooid. Veel gezinnen vestigden zich bij Zonnemaire. De ramp liet zien dat land definitief verloren kon gaan wanneer de overheid verdere herdijking niet meer wilde betalen.

Toen het water Nederland verzwolg — twaalf eeuwen van stormvloeden, verdronken dorpen en verloren levens

De Nederlandse overstromingsgeschiedenis, 800–1995

Deel 6 — De Sint-Maartensvloed van 1686 en de Kerstvloed van 1717: verwoesting, redding en dijkherstel (1686–1725)

12–13 november 1686 — De Sint-Maartensvloed breekt door de Groningse zeedijken

In de nacht van 12 op 13 november 1686 trof een zware noordelijke stormvloed de Groningse kust. Langs de Eems, de Dollard en de noordelijke Waddenkust bezweken verschillende zeedijken, waarna het zeewater de lager gelegen dorpen en landbouwgronden binnendrong. Vooral de kustgebieden van Fivelingo, Hunsingo en het Oldambt leden zware verliezen. Huizen stortten in, bewoners verdronken en het zoute water bedierf akkers, weilanden en drinkwatervoorzieningen. Een bewaard gebleven slachtofferlijst uit het archief van de Staten van Groningen vermeldt 1.394 doden. De ramp staat bekend als de Sint-Maartensvloed, hoewel zij enkele dagen na Sint-Maarten plaatsvond. Niet alleen het menselijke verlies was groot. Door beschadigde dijken, weggespoelde sluizen en verdronken vee raakten ook landbouw, afwatering en plaatselijk bestuur ontwricht.

November 1686 — In Uithuizermeeden en Termunten verdrinken honderden inwoners

Uithuizermeeden en Termunten behoorden in november 1686 tot de zwaarst getroffen Groningse nederzettingen. De historische slachtofferlijst vermeldt 313 doden in Uithuizermeeden en 223 in Termunten. Voor Termunten wordt dit aantal bevestigd door het bewaard gebleven kerkeboek over de jaren 1664–1738. Daarin staan slechts zestig slachtoffers afzonderlijk bij naam vermeld. Onder de omgekomen inwoners bevonden zich de predikant, de ambtman die tevens dijkgraaf van het Klei-Oldambt was, een plaatselijke gerechtsdienaar en een chirurgijn. De overstroming kostte Termunten daardoor niet alleen een groot deel van zijn bevolking, maar ook verschillende functionarissen die bij bestuur, rechtspraak en verzorging betrokken waren. Hun overlijden bemoeilijkte de organisatie van begrafenissen, hulpverlening en het noodzakelijke dijkherstel.

November 1686 — Ook Spijk, Bierum, Oterdum en de dorpen achter de Eemskust verliezen inwoners

Langs de Groningse Eemskust veroorzaakte de Sint-Maartensvloed op verschillende plaatsen een uitzonderlijk hoog aantal slachtoffers. Volgens de historische lijst verdronken 104 inwoners van Spijk, 97 van Oterdum, 61 van Bierum en 17 van Borgsweer. Verder landinwaarts werden 37 doden in Holwierde, 53 in Godlinze en 27 in Wagenborgen geregistreerd. Ook Woldendorp verloor 37 inwoners. De overstroming bleef daardoor niet beperkt tot woningen onmiddellijk achter de zeedijk. Bij Bierum verdwenen zeventien huisjes. Een negentiende-eeuwse plaatsbeschrijving vermeldt daarnaast het verlies van 53 paarden en 265 runderen. Voor boeren betekende dat het verdwijnen van trekkracht, melkvee en fokdieren. De schade aan stallen, huisraad, voorraden en landbouwgronden maakte het herstel bijzonder zwaar.

November 1686 — De Sint-Maartensvloed verwoest de uitwateringssluis van Termunterzijl

Bij Termunterzijl vernielde de Sint-Maartensvloed de uitwateringssluis die in 1601 was aangelegd. Deze zijl lag aan het uiteinde van het Termunterzijldiep, dat tussen 1600 en 1601 was gegraven om overtollig water uit het Oldambt en Duurswold naar de Eems af te voeren. Bij lage buitenwaterstanden kon de sluis het binnenwater lozen; bij hoogwater moest zij de zee tegenhouden. Door de verwoesting verdween een essentiële schakel in de regionale afwatering. Ook de nederzetting bij de sluis werd vrijwel geheel weggevaagd. De stad Groningen, die grote bestuurlijke belangen in het Oldambt bezat, speelde een belangrijke rol bij het herstel. Een volledig nieuwe sluis met stenen boogbrug kwam pas in 1725 gereed. Daarmee bleef de schade van 1686 tientallen jaren bepalend voor Termunterzijl.

November 1686 — Overlevenden uit Nieuwolda worden per schip naar Noordbroek gebracht

In het Oldambt veranderde de Sint-Maartensvloed grote delen van het landbouwgebied in een watervlakte. Volgens de Canon van het Oldambt verdronken in de streek 482 mensen, spoelden 160 huizen weg en gingen ruim driehonderd paarden en ongeveer 2.600 runderen verloren. Voor Termunterzijl vermeldt deze regionale bron zelfs dat slechts twee inwoners de ramp overleefden. De bewoners die uit Nieuwolda konden ontkomen, werden met scheepjes naar Noordbroek vervoerd, omdat de overstroomde wegen onbruikbaar waren. Tussen het drijvende huisraad bevonden zich bedden, kisten en resten van woningen. Het verlies van paarden bemoeilijkte het vervoer en de grondbewerking. De verdwenen veestapel betekende bovendien een langdurige economische schade. De 482 slachtoffers betreffen de regionale telling voor het Oldambt en mogen niet bij het Groningse totaal worden opgeteld.

12–15 november 1686 — Ook in Oostdongeradeel breken de Friese zeedijken door

De stormen van 12 tot 15 november 1686 beschadigden eveneens de zeeweringen van Oostdongeradeel in Friesland. Het Procuratieboek van deze grietenij bevat een elf bladzijden tellende rekening van het herstel van dijkdoorbraken en uitgespoelde kolken. Bij Oostrum, Engwierum, Anjum en Dijkshorne moesten arbeiders de beschadigde waterkeringen opnieuw sluiten. Ook bij Ezumazijl zijn wielen met deze overstromingsperiode in verband gebracht. Grietman Hobbo Esaias van Aylva hield met bijzitter Joannis Andries, de dijkgraaf, dijksgedeputeerden en de secretaris toezicht op de werkzaamheden en uitgaven. Deze rekening is van bijzonder belang omdat algemene stormvloedenoverzichten de Friese schade van 1686 soms onvermeld laten. Het plaatselijke bestuursarchief bewijst dat ook hier daadwerkelijk dijkgaten moesten worden hersteld.

November 1686 – voorjaar 1687 — Jan Dirx en Tiaerd Douwes herstellen de Friese dijken met klei en stro

De herstelrekening van Oostdongeradeel laat zien hoe de doorgebroken Friese zeedijken werden hersteld. Arbeiders brachten klei aan om de verdwenen dijklichamen opnieuw op te bouwen. Meer dan drieduizend schoven stro moesten de verse grond tijdens de winter beschermen tegen golfslag en afspoeling. Jan Dirx en Tiaerd Douwes ontvingen samen 23 caroligulden voor het vastkrammen van stro. Zes brouwers leverden voor 177 caroligulden bier aan de dijkarbeiders, onder wie de Anjumer brouwers Lieuwe Folkerts en Harke Andries. Vier schippers uit Metslawier verzorgden 56 dagen vervoer, vijf Anjumer schippers vijftig vrachten en vervoerders uit Jouswier zeventien vrachten. Bollepramen brachten klei en andere materialen aan. De rekening toont bovendien dat een deel van de schippers verplichte, onbetaalde werkdagen verrichtte.

1686–1689 — Het herstel van de Dollarddijken duurt drie jaar

Rond de Dollard waren de gevolgen van de Sint-Maartensvloed jarenlang zichtbaar. De Canon van het Oldambt vermeldt dat het drie jaar duurde voordat de beschadigde dijken voldoende waren hersteld. Op plaatsen waar het zeewater door de waterkeringen was gebroken, bleven metersdiepe kolken achter. Arbeiders moesten nieuwe klei aanvoeren en beschadigde dijktrajecten opnieuw opbouwen. Bij grote uitschuringen kon het noodzakelijk zijn het nieuwe dijklichaam om een kolk heen te leggen. De werkzaamheden vergden grond, schepen, gereedschap en veel arbeidskracht. Grondbezitters en bestuurders moesten bepalen wie de kosten droeg. Tegelijkertijd bleef het achterliggende land kwetsbaar voor slechte afwatering en verzilting. Boeren hadden daardoor niet alleen huizen en vee verloren, maar moesten ook bijdragen aan het herstel van de waterkeringen die hun land moesten beschermen.

1696–1701 — Nieuwe Dollardpolders verschuiven de kustlijn naar buiten

Ondanks de verwoestingen van 1686 zetten grondbezitters de inpoldering van de Dollard voort. Aan de oostelijke Dollardkust werd in 1696 de Kroonpolder bedijkt. Aan de westelijke kust volgde in 1701 een nieuwe bedijking bij Midwolda en Scheemda, in verschillende overzichten aangeduid als Nieuwland, Oud-Nieuwland of de tweede Midwolderpolder. De naamgeving en afbakening van deze oudere polders verschillen per bron. Door de aanleg van nieuwe zeedijken veranderde de kustlijn en kwam vruchtbare kleigrond beschikbaar voor landbouw. Oudere waterkeringen kwamen verder landinwaarts te liggen en konden een tweede verdedigingslijn vormen. Tegelijkertijd ontstonden nieuwe onderhoudsverplichtingen. De polders hadden watergangen, sluizen en dijkbeheer nodig. Daarmee ging uitbreiding van het landbouwgebied voortdurend gepaard met nieuwe waterstaatkundige kosten.

1701–1705 — Nieuwe stormen en verdwenen dijkpalen bedreigen de Friese zeeweringen

Aan het begin van de achttiende eeuw bleef de Friese kust blootstaan aan zware stormen. Historische overzichten vermelden onder meer stormvloeden in oktober 1701 en december 1703. Golfslag kon houten paalwerken beschadigen en de klei aan de buitenzijde van de dijken wegspoelen. In Oostdongeradeel ontstond daarnaast een bestuurlijk probleem. In 1705 bleken paaltjes verdwenen waarmee de onderhoudsvakken van afzonderlijke grondbezitters waren afgebakend. Deze palen vormden geen bescherming tegen de golven, maar gaven aan welk gedeelte van de dijk iedere onderhoudsplichtige moest onderhouden. Zonder duidelijke markeringen konden geschillen ontstaan over achterstallig onderhoud. De verantwoordelijkheid voor één zwak dijkvak had gevolgen voor het gehele achterliggende gebied. Daarom waren niet alleen sterke waterkeringen nodig, maar ook duidelijke onderhoudsgrenzen en toezicht.

1707 — De aanleg van de Oude Statenzijl verbetert de afwatering van de Dollardpolders

In 1707 werd bij de Westerwoldsche Aa een nieuwe uitwateringssluis gebouwd, later bekend als de Oude Statenzijl. De aanleg hield verband met de bedijking van de Kroonpolder in 1696 en de uitbreiding van de landbouwgronden aan weerszijden van de oostelijke Dollard. Door deze inpolderingen was de kustlijn verder naar het noorden verschoven en lagen oudere sluizen steeds verder landinwaarts. De nieuwe Statenzijl moest overtollig water uit het stroomgebied van de Westerwoldsche Aa bij laag buitenwater naar de Dollard afvoeren. Bij hoogwater moesten de sluisdeuren het binnendringen van zeewater verhinderen. Naast de sluis werd een verdedigingswerk aangelegd, omdat deze doorgang ook militair van betekenis was aan de grens met Oost-Friesland. Waterbeheer, landaanwinning en grensverdediging kwamen hier samen.

12 december 1716 — Thomas van Seeratt waarschuwt de Groningse bestuurders voor de slechte zeedijken

Thomas van Seeratt werd in 1676 geboren in Jönköping in Zweden en had jarenlang als zeekapitein voor de West-Indische Compagnie gevaren. In oktober 1716 werd hij benoemd tot commies-provinciaal van Groningen. Hij inspecteerde de provinciale zeeweringen en diende op 12 december 1716 een kritisch rapport in bij de Gecommitteerde Staten. Volgens Van Seeratt verschilden de dijken sterk in hoogte en vorm. Veel dijklichamen waren te smal, hadden te steile taluds en stonden te dicht bij het water. Ook het houten paalwerk was volgens hem onvoldoende aangelegd. Hij vergeleek de Groningse zeeweringen met die van Friesland. Zijn kritiek leidde tot weerstand bij de bestuurders. Op 25 januari 1717 volgde een nader vergelijkend rapport, maar omvangrijke verbeteringen bleven uit.

24 december 1717 — Thomas van Seeratt ontdekt bij de Punt van Reide een uitzonderlijk lage waterstand

Op de ochtend van 24 december 1717 inspecteerde Thomas van Seeratt de zeeweringen bij de Punt van Reide, aan de monding van de Eems. Omstreeks negen uur zag hij dat het water ongewoon ver was teruggetrokken. Een ongeveer tachtigjarige dijkwerker verklaarde volgens zijn verslag dat hij daar nooit eerder zo'n lage waterstand had waargenomen. Van Seeratt maakte zich ook zorgen over de donkere, veranderlijke lucht, die hem herinnerde aan zijn ervaringen met zware stormen in West-Indië. Hij vertrok vanuit Delfzijl met de trekschuit naar Groningen. Door de toenemende wind moesten onderweg twee extra trekpaarden worden ingezet. Pas omstreeks half tien 's avonds bereikte hij de stad. Inmiddels draaide de wind naar het noordwesten en werd het zeewater met grote kracht tegen de kust gestuwd.

24–25 december 1717 — De Kerstvloed breekt door de zeedijken van de Waddenkust

In de nacht van 24 op 25 december 1717 veranderde een zware noordwesterstorm in een van de grootste overstromingsrampen van het vroegmoderne Noordzeegebied. Zeewater werd tegen de kusten van Groningen, Friesland, Oost-Friesland, Oldenburg en Sleeswijk-Holstein gestuwd. Op talrijke plaatsen bezweken de waterkeringen. Het water stroomde over landbouwgronden, vernielde boerderijen en bereikte dorpen die kilometers achter de zeedijken lagen. De ramp vond midden in de winternacht plaats, waardoor veel bewoners in hun woningen werden verrast. In het gehele getroffen Waddengebied vielen volgens modern historisch onderzoek naar schatting 11.000 tot 14.000 doden. Vooral inwoners van laaggelegen woningen en kleine arbeidershuizen waren kwetsbaar. De uitzonderlijke storm veroorzaakte de overstroming, maar gebrekkige zeeweringen en de ligging van woningen bepaalden mede de omvang van het menselijke verlies.

25 december 1717 — Het zeewater bereikt de stad Groningen en overstroomt de buitenwijken

Op eerste kerstdag 1717 drong het zeewater vanaf de doorgebroken kustdijken diep het Groningse achterland binnen. Thomas van Seeratt liet boodschappers te paard uitsturen om de schade te onderzoeken. Rond het middaguur bereikten de eerste alarmerende berichten de stad. Volgens een historische beschrijving was omstreeks vier uur 's middags vanaf de stadswallen vrijwel niets anders meer te zien dan water, met daarboven de daken, kerken en hogere gebouwen van het overstroomde platteland. Vooral de lage buitenwijken bij Groningen kwamen onder water te staan. De hoger gelegen stadskern bood meer bescherming. De wegen naar de omliggende dorpen waren grotendeels onbruikbaar geworden. Het provinciale bestuur moest daarom snel beslissen hoe schepen, voedsel en reddingsploegen naar de getroffen bevolking konden worden gestuurd.

25 december 1717 — De Kerstvloed verwoest Wierhuizen en beschadigt de dorpskerk

Ten noorden van Pieterburen werd Wierhuizen tijdens de Kerstvloed uitzonderlijk zwaar getroffen. Volgens het historische schade- en slachtofferregister verdronken veertig inwoners en verdwenen zeventien huizen. Daarnaast gingen volgens een overgeleverde telling 48 runderen, 26 paarden, één varken en 63 schapen verloren. Ook de kerk op de wierde raakte zwaar beschadigd. De overlevende inwoners konden hun oude dorpskerk niet langer gebruiken en waren voor de kerkdiensten op Pieterburen aangewezen. De kerkruïne bleef nog geruime tijd staan en is op een kaart van landmeter Hindrik Warner Folckers uit 1727 zichtbaar. Uit latere werkrekeningen blijkt dat de restanten tussen 1735 en 1740 werden afgebroken en dat bouwmateriaal voor dijkherstel werd gebruikt. Het kerkhof bleef bestaan. Zo verloor Wierhuizen zowel woningen als het godsdienstige middelpunt van de nederzetting.

25 december 1717 — Pieterburen, Leens en Uithuizermeeden verliezen honderden inwoners

De Kerstvloed veroorzaakte bijzonder zware verliezen langs de Groningse Waddenkust. Een historische slachtofferlijst vermeldt 208 doden in Uithuizermeeden, 182 in Leens, 172 in Pieterburen, 126 in Eenrum en 117 in Hornhuizen. Ook Westernieland, Warffum, Usquert en Zuurdijk werden getroffen. Voor Uithuizermeeden vermeldt een afzonderlijke archieflijst 209 dodelijke slachtoffers. Daar werden bovendien 58 huizen volledig verwoest en nog eens 47 grotendeels beschadigd. Hetzelfde register noemt 725 verdronken runderen en 189 paarden. Een vergelijking met latere belastinggegevens laat zien dat huishoudens met weinig of geen vee relatief veel menselijke slachtoffers telden. De dorpsgewijze slachtofferlijst komt voor Groningen op 2.091 doden, terwijl andere historische tellingen 2.276 slachtoffers noemen. Deze cijfers vertegenwoordigen verschillende registraties en moeten afzonderlijk worden behandeld.

25 december 1717 — Spijk, Bierum en Holwierde worden binnen één generatie opnieuw getroffen

De Kerstvloed bereikte ook de Groningse Eemskust, waar verschillende dorpen in 1686 al zware verliezen hadden geleden. In Spijk verdronken volgens de historische slachtofferlijst 53 inwoners, in Bierum 67 en in Holwierde twintig. Godlinze verloor achttien inwoners. Ook Farmsum, Oterdum en andere nederzettingen werden getroffen. Voor Bierum vermeldt een plaatsbeschrijving dat 35 huizen wegspoelden. Daarnaast zouden 178 runderen, 58 paarden, 26 varkens en 414 schapen zijn omgekomen. Bij Finsterwolde werden dijken aan de Dollard beschadigd. Het Oldambt telde volgens de regionale Canon 22 menselijke slachtoffers, aanzienlijk minder dan in 1686. Wel werden daar meer dan tweehonderd huizen beschadigd. Het opnieuw optreden van overstromingen maakte duidelijk dat verschillende kustgebieden binnen één generatie tweemaal hun woningen, vee en landbouwinkomsten konden verliezen.

December 1717 — In Friesland breken dijken door bij het Nieuw Bildt en wordt het Oud Bildt bedreigd

Ook Friesland werd tijdens de Kerstvloed van 1717 getroffen. Langs de noordelijke kust ontstonden dijkdoorbraken, terwijl het zeewater op verschillende plaatsen over de waterkeringen sloeg. Bij het Nieuw Bildt bezweek de Poldijk en werd een uitwateringsduiker vernield. Daardoor overstroomde het Nieuw Bildt en kwam ook het achterliggende Oud Bildt in gevaar. In Oudebildtzijl zag timmerman Kornelis Annes, bijgenaamd baas Krelis, dat de sluis in de Oude Bildtdijk een zwakke plaats vormde. Hij liet inwoners een nabijgelegen huis afbreken en het puin tegen de sluisdeuren storten. Daarmee werd volgens de overlevering een doorbraak naar het Oud Bildt voorkomen. In 1718 kreeg hij voor 485 gulden opdracht de sluis vrij te maken en nieuwe eikenhouten deuren aan te brengen.

25 december 1717 — Isebrand Pieters overleeft de Kerstvloed, maar verliest zijn vrouw bij Rasquert

Een verslag van A.E. Crous uit 1719 beschrijft hoe Isebrand Pieters en zijn vrouw tijdens de Kerstvloed vanuit Wester-Nieuwland op een losgeraakt gedeelte van hun woning werden meegevoerd. Zij bereikten een klein boerenschuurtje, maar ook dit bood onvoldoende bescherming tegen het water. Uiteindelijk dreven zij naar Rasquert, waar Isebrand in een boom kon klimmen. Zijn vrouw was door de kou zo verzwakt dat zij hem niet meer kon volgen. Zij verdronk voor zijn ogen. Isebrand werd later door bewoners van de plaats van meester Martens uit de boom gered. Hetzelfde verslag vertelt hoe Berent Claasen met zijn vrouw en vier kinderen op een hoop hooi vanuit Wester-Nieuwland tot bij Bedum dreef. Volgens de overlevering bereikte het gezin daar levend de vaste grond.

25–26 december 1717 — Thomas van Seeratt organiseert vanuit Groningen een reddingsvloot van tachtig schepen

Op eerste kerstdag 1717 kwamen de Groningse gedeputeerden bijeen om de hulpverlening te organiseren. Thomas van Seeratt kreeg opdracht zoveel mogelijk schepen gereed te maken om bewoners, vee en goederen uit het overstroomde gebied te redden. Daarbij werd ook de militie ingeschakeld. Op 26 december vertrokken volgens zijn verslag in de ochtend veertig schepen. In de middag volgden nog eens veertig vaartuigen, terwijl dertig schepen inmiddels waren teruggekeerd met geredde mensen, dieren en bezittingen. Om doorgangen voor de reddingsvloot te maken, werden volgens historische berichten bruggen gedeeltelijk verwijderd en wegen doorgestoken. Ook turfschepen werden ingezet. Zij vervoerden brood, bier, drinkwater en andere levensmiddelen. Van Seeratt moest daarnaast hooi en turf laten inkopen, zodat de overlevenden tegen honger en winterkou beschermd konden worden.

December 1717 – januari 1718 — Groningen vangt overlevenden op en zamelt geld in voor de getroffen dorpen

De hulpverlening na de Kerstvloed duurde tot begin januari 1718. Reddingsschepen brachten inwoners, vee, huisraad en overgebleven voorraden vanuit het overstroomde platteland naar Groningen. In de stad namen burgers dakloze gezinnen op. Het stadsbestuur zorgde voor voedsel, brandstof en verdere ondersteuning. Thomas van Seeratt liet onder meer hooi en turf verspreiden. Volgens een historisch verslag werd ook verdronken vee verwerkt, gezouten en met kool onder de getroffenen uitgedeeld. Daarnaast werd geld ingezameld voor de slachtoffers. Een ouder overstromingsboek vermeldt een collecteopbrengst van ruim dertienduizend gulden. Deze hulp was dringend nodig, omdat veel gezinnen naast hun woning ook vee, gereedschap en voedselvoorraden hadden verloren. Na de reddingsacties moesten de overlevenden hun bestaansmiddelen opnieuw opbouwen, terwijl het achterliggende land nog gedeeltelijk onder brak water stond.

Januari – december 1718 — Thomas van Seeratt brengt de dijkbreuken in kaart en leidt het herstel

Begin januari 1718 kon Thomas van Seeratt zich steeds meer op het herstel van de Groningse zeeweringen richten. Hij liet beschadigde dijktrajecten onderzoeken en bracht in februari verslag uit aan het provinciale bestuur. Vooral langs de noordelijke Waddenkust waren grote stukken waterkering verdwenen. Achter de doorbraken lagen diepe kolken, terwijl het achterland nog met brak water was bedekt. Ook verdronken vee moest maanden na de ramp worden opgeruimd. Arbeiders moesten nieuwe grond aanvoeren, dijklichamen opbouwen en beschadigde sluizen herstellen. Een storm op 13 oktober 1718 vernielde opnieuw delen van het uitgevoerde werk. Van Seeratt liet de werkzaamheden hervatten. In november waren belangrijke hersteltrajecten gereed en vóór Kerstmis 1718 waren volgens de historische verslagen de noodzakelijke dijkreparaties grotendeels voltooid.

19 januari 1719 — Een zware noordwesterstorm stelt de herstelde Groningse zeedijken op de proef

Op 19 januari 1719 trok opnieuw een zware noordwesterstorm over Groningen. De storm vormde een belangrijke beproeving voor de waterkeringen die onder leiding van Thomas van Seeratt waren hersteld. Volgens de historische beschrijvingen bleven de door hem aangepakte dijkgedeelten behouden. Zij bezweken niet zoals tijdens de Kerstvloed van 1717. Van Seeratt had bij het herstel gekozen voor hogere dijken met een minder steil buitentalud. Daardoor konden stormgolven geleidelijker tegen de waterkering oplopen en werd de kans op beschadiging beperkt. Ook streefde hij naar een betere bescherming van de dijkvoet. Het resultaat versterkte het vertrouwen in de nieuwe ontwerpen. Toen eind 1720 opnieuw een zware storm optrad, werd volgens het overgeleverde verslag evenmin vergelijkbare schade veroorzaakt.

1719–1721 — Groningen versterkt de zeedijken en verandert het bestuur van het dijkonderhoud

Na de noodreparaties van 1718 ging de versterking van de Groningse kust verder. Thomas van Seeratt wilde hogere waterkeringen met bredere kruinen en flauwere buitentaluds. Ook stimuleerde hij het gebruik van strekdammen en de aangroei van kwelders, zodat de golfaanval op de dijken kon worden verminderd. Het herstel veroorzaakte conflicten tussen Stad en Ommelanden over de verdeling van de kosten. De stad Groningen wilde haar middelen vooral besteden aan de eigen bezittingen in het Oldambt, terwijl de noordelijke kustgebieden eveneens grote bedragen nodig hadden. Friese gedeputeerden moesten bij de geschillen bemiddelen. In mei 1720 beëindigde Van Seeratt zijn functie als commies-provinciaal en werd hij provinciaal rentmeester. In 1721 kwam een belangrijke fase van de vernieuwde Groningse zeewering gereed. De Kerstvloed had daarmee geleid tot een sterkere provinciale betrokkenheid bij het dijkbeheer.

1725 — Stadsbouwmeester Antoni Verburgh bouwt de nieuwe Boog van Ziel bij Termunterzijl

In 1725 werd bij Termunterzijl een nieuwe uitwateringssluis met een stenen boogbrug aangelegd. De oorspronkelijke sluis uit 1601 was tijdens de Sint-Maartensvloed van 1686 verwoest. De stad Groningen gaf stadsbouwmeester Antoni Verburgh opdracht het nieuwe werk uit te voeren. De sluis werd bekend als de Boog van Ziel. De brug kreeg een natuurstenen borstwering met de wapens en namen van bestuurders die bij het Termunterzijlvest betrokken waren. Via het Termunterzijldiep kon overtollig water uit het Oldambt en Duurswold weer beter naar de Eems worden afgevoerd. De zijl was bovendien van betekenis voor de scheepvaart en de bereikbaarheid van het achterland. Met de voltooiing van deze waterstaatkundige voorziening werd bijna veertig jaar na de Sint-Maartensvloed een belangrijk onderdeel van de regionale infrastructuur vernieuwd.

Toen het water Nederland verzwolg — twaalf eeuwen van stormvloeden, verdronken dorpen en verloren levens

De Nederlandse overstromingsgeschiedenis, 800–1995

Deel 7 — Tussen stormvloeden en kruiend rivierijs: Nederland onder water (1726–1820)

1729 — Willem Loré sluit het Dokkumer Grootdiep af en beschermt het Friese achterland

De Kerstvloed van 1717 had duidelijk gemaakt hoe gevaarlijk de open verbinding tussen Dokkum en de Lauwerszee was. Op 11 maart 1723 stelden Gedeputeerde Staten van Friesland een onderzoekscommissie in. Onder leiding van waterbouwkundige Willem Loré werd in 1729 het Dokkumer Grootdiep bij Nieuwe Zijlen afgesloten met een ongeveer twee kilometer lange dijk. Claes Bockes Balck ontwierp de uitwateringssluizen. Het complex kreeg drie sluiskolken, waarin het zeewater kon worden gekeerd, binnenwater bij eb kon worden afgevoerd en schepen konden passeren. Ongeveer zeshonderd hectare land werd gewonnen. Dokkum verloor zijn directe open zeeverbinding, maar Noordoost-Friesland kreeg een veel betere bescherming tegen hoog buitenwater.

1731 — Paalwormen vernietigen de houten bescherming van de Zuiderzeedijken

In 1731 ontdekten dijkbeheerders langs de Noord-Hollandse Zuiderzeekust dat houten palen van binnen waren uitgehold. De oorzaak was de paalworm, een kleine boormossel die gangen door ondergedompeld hout maakte. De palen hielden de wierbekleding bij de dijkvoet op haar plaats en beschermden daarmee het achterliggende dijklichaam tegen golfslag. Sommige palen leken uitwendig nog intact, terwijl ze bij belasting gemakkelijk konden breken. Vooral de zeeweringen bij Medemblik, Den Helder en langs de Friese kust kwamen onder verdenking. Bestuurders moesten duizenden palen onderzoeken en vervangen. De ontdekking maakte duidelijk dat zelfs een ogenschijnlijk stevige zeedijk onverwacht zijn bescherming kon verliezen, zonder dat daarvoor eerst een stormvloed nodig was.

18 augustus 1732 — Friese bestuurders laten het aangetaste paalwerk inspecteren

Op 18 augustus 1732 gaven Gedeputeerde Staten van Friesland opdracht de houten bescherming langs de zeedijken te onderzoeken. Vooral bij Zurich en voorbij Roptazijl bleek het paalwerk zwaar door paalwormen aangetast. Nieuwe houten palen boden geen blijvende oplossing zolang dezelfde dieren het hout opnieuw konden doorboren. Bestuurders onderzochten daarom andere vormen van dijkbescherming, waaronder steenbekleding met keien uit Drenthe en Scandinavië. Tegelijk kreeg Willem Loré de leiding over de aanleg van de Koudumer Slaperdijk, tussen het Workumer Nieuwland, Koudum en de omgeving van Galamadammen. Deze binnendijk moest bij een doorbraak van de zeedijk voorkomen dat het water grote delen van Friesland overspoelde. De werkzaamheden werden nog in 1732 uitgevoerd.

1736 — De Groenendijk moet de Alblasserwaard redden door Boven-Hardinxveld op te offeren

In 1736 besloten de betrokken dijkbestuurders een nieuwe inlaagdijk aan te leggen tussen Den Bout en Neder-Hardinxveld. Deze Groenendijk, later bekend als Kanaaldijk Zuid, moest de Alblasserwaard beschermen wanneer de buitenste waterkering langs de Merwede bezweek. Het besluit had ingrijpende gevolgen voor Boven-Hardinxveld. Bij een grote doorbraak kon dit gebied als opvangruimte voor het binnendringende water dienen, waardoor de waterdruk op andere delen van de waard werd beperkt. Bestuurders kozen daarmee bewust welke gronden extra overstromingsrisico moesten dragen. Voor de getroffen boeren betekende dit dat hun land kon worden prijsgegeven om elders woningen, landbouwgronden en dorpen te beschermen. De Groenendijk maakte de ongelijke verdeling van waterveiligheid zichtbaar.

24 december 1740 – 3 januari 1741 — Doorbraken van de Lekdijk en Lingedijk zetten twintig kerkdorpen onder water

Vanaf november 1740 steeg het rivierwater gevaarlijk. Bewoners verhoogden bedreigde dijken met aarde en mest en plaatsten houten kistingen om overslag te voorkomen. Op 24 december, omstreeks vier uur 's morgens, brak de Lekdijk tussen Ameide en Lexmond door. Het water stroomde de Alblasserwaard binnen en bereikte ongeveer twintig kerkdorpen. Vervolgens bezweek ook de Lingedijk op verschillende plaatsen. Een nieuwe overstromingsgolf volgde begin januari 1741. De Betuwe, Tielerwaard en het Land van Heusden en Altena werden eveneens getroffen. Kerken, molens, boomkruinen en daken staken boven het water uit. Bewoners vluchtten naar dijken en hoger gelegen woningen, terwijl veevoer, huisraad en landbouwgereedschap verloren gingen.

December 1740 – januari 1741 — Nieuwpoort vangt 87 gezinnen op terwijl vluchtelingen in kerken opgesloten raken

Nieuwpoort werd tijdens de overstroming een opvangplaats voor 87 gevluchte huishoudens, waaronder ongeveer 250 kinderen. In de kerk van Bleskensgraaf zaten circa zestig mensen met hun predikant twee tot drie dagen vrijwel zonder voedsel. Ongeveer dertig vluchtelingen verlieten uiteindelijk met de predikant de kerk om de dijk te bereiken. In Molenaarsgraaf zaten vijfentwintig mensen opgesloten; sommige hadden dagenlang niets gegeten. Een vrouw met vijf kinderen verbleef drie dagen en nachten zonder vuur of voedsel op een koude zolder voordat zij werd gered. Reddingsschuiten liepen gevaar door wind, drijfijs en rondzwervend wrakhout. Volgens het overgeleverde verslag verdronk een geredde vrouw alsnog toen een schuit omsloeg. De schipper en zijn knecht overleefden.

Januari – april 1741 — Water, wind en drijfijs verwoesten vrijwel alle huizen van verschillende dorpen

Toen het water langer bleef staan, veranderde de overstroming in een langdurige verwoesting van woningen en landbouwbezit. In Bleskensgraaf bleven volgens het historische schadeverslag slechts drie huizen onbeschadigd. In Ottoland stonden nog drie huizen overeind, maar ook deze waren beschadigd. In Goudriaan verdwenen veertien woningen volledig. Van de vierentwintig huizen in Schelluinen werden er twintig weggeslagen. De westenwind beschadigde eerst de ene zijde van de gebouwen; na het draaien van de wind werden ook andere gevels getroffen. Drijfijs, golven en stroming vernielden schuren, molens en hooibergen. Boeren verloren hun wintervoer en verkochten overlevend vee soms voor slechts zes tot negen gulden per koe. Ook welvarende gezinnen verloren hun bestaansmiddelen.

Voorjaar 1741 — Dirk Koome organiseert met kooplieden een hulpnetwerk voor de overstroomde dorpen

Toen berichten over de watersnood Rotterdam en Amsterdam bereikten, begonnen kooplieden geld en goederen in te zamelen. Dirk Koome en Jan Verbeek in Nieuwpoort verzorgden de eerste plaatselijke verdeling. In Rotterdam hielpen Michiel de Koker en Adriaan van der Willigen bij de aanschaf van levensmiddelen en bouwmaterialen. Kornelis van Laer en Wilhem van Maurik ontvingen in Amsterdam ingezamelde gelden. Volgens een afzonderlijke historische opgave stelden de Staten-Generaal 18.860 gulden beschikbaar voor noodhulp. Hout kwam uit de Zaanstreek, kalk uit Makkum, dakpannen uit Woerden en ijzerwerk uit Amsterdam. Voor de herbouw beneden de Zouwendijk werd daarnaast 20.837 gulden, dertien stuivers en acht penningen begroot. Deze bedragen betroffen verschillende financiële regelingen.

April 1741 — Schadeverklaringen bepalen wie een nieuw huis of vervangend vee ontvangt

Op 10 april 1741 verklaarde Harmen Jansz. uit Everdingen dat zijn huis ernstig beschadigd was en hij onvoldoende middelen bezat om het te herstellen. Een dag later liet Jannetje Abrahams, een weduwe met vijf kinderen uit Heykoop onder Vianen, vastleggen dat zij vrijwel al haar koeien verloren of noodgedwongen verkocht had. Schouten, predikanten, secretarissen en andere plaatselijke functionarissen moesten de verklaringen controleren. Daarna bepaalden hulpverleners welke gezinnen geld, bouwmaterialen of vee ontvingen. Voor armlastige bewoners werden eenvoudige huisontwerpen met deuren, vensters en bedsteden opgesteld. Met de ingezamelde middelen werden volgens de rekening ongeveer vierhonderd huizen hersteld of herbouwd. Daarnaast ontvingen getroffen gezinnen gezamenlijk 146 koeien, zes werkpaarden en een wagen.

11–12 maart 1744 — Een nieuwe doorbraak treft de Alblasserwaard na de eerdere winterramp

In maart 1744 werd de Alblasserwaard opnieuw getroffen door hoog rivierwater en een dijkdoorbraak. De negentiende-eeuwse schrijver Frans Netscher vermeldde 11 maart, terwijl een regionale waterstaatskroniek 12 maart noemt. De exacte plaats en omvang van de schade zijn in deze korte overzichten niet vastgesteld. De gebeurtenis volgde slechts drie jaar na de verwoestende overstroming van 1740–1741, toen veel bewoners hun huizen en bedrijfsvoering opnieuw hadden moeten opbouwen. Volgens Netscher werd in 1795 tijdens een godsdienstige bijeenkomst herdacht dat de streek ongeveer vijftig jaar voor een vergelijkbare ramp gespaard was gebleven. De herinnering aan 1744 bleef daardoor bestaan, ook toen de daaropvolgende generaties lange tijd geen even grote doorbraak meemaakten.

12–15 november 1775 — Een draaiende storm jaagt het zeewater door het IJ en de Zuiderzee

Op 12 november 1775 meldden tijdgenoten ongewoon warme, vochtige lucht en een dalende barometer. De volgende dag nam de wind toe. Op 14 november ontwikkelde zich een zware storm die vanuit het zuidwesten naar westelijke en noordwestelijke richtingen draaide. Volgens een historisch verslag hield het zwaarste gedeelte veertien tot vijftien uur aan. Het zeewater werd eerst tegen de Hollandse kust en door het IJ gestuwd. Toen de windrichting veranderde, liepen ook de waterstanden langs de Zuiderzee gevaarlijk op. Vooral de nacht van 14 op 15 november bracht ernstige schade. Water stroomde over kaden en dijken, schepen raakten op drift en kustbewoners moesten hun woningen verlaten. De ramp trof zowel zeehavens als het achterliggende polderland.

14–15 november 1775 — Het stormwater sleurt de Zaandamse kermis weg en ondermijnt de dijken

Op de Dam in Zaandam stonden kramen voor de jaarlijkse kermis toen het water in de nacht van 14 op 15 november gevaarlijk begon te stijgen. Koopman Adriaan Rogge beschreef hoe het water omstreeks drie uur 's morgens het marktterrein bereikte. Kramen werden meegesleurd en de kermis werd afgelast. Via het Dampad, Noorderkerkpad en de Peperstraat drong het water verder de bebouwing binnen. De Zuiddijk, Hoogendijk en Westzanerdijk werden bedreigd. Bij verschillende woningen verdwenen erven, spoelde de binnenglooiing weg en raakten funderingen ondermijnd. Rogge en andere tijdgenoten wezen later op tekortschietende bewaking, waarschuwing en leiding tijdens de reddingsacties. De stormvloed bracht daardoor niet alleen materiële schade, maar ook discussie over de verantwoordelijkheid van het plaatselijke bestuur.

14–15 november 1775 — Het stormwater dringt Dordrecht en het Land van Heusden binnen

De stormvloed van november 1775 bedreigde niet alleen de Zuiderzeekust, maar ook de benedenrivieren. In Dordrecht steeg het water volgens historische verslagen zo hoog dat verschillende straten met schuiten werden bevaren. Woningen, kelders en opgeslagen koopmansgoederen liepen schade op. Ook Papendrecht en de tegenoverliggende rivieroevers kregen met gevaarlijk hoogwater te maken. Verder oostelijk werden nederzettingen in het Land van Heusden getroffen. Bij Meeuwen stortten huizen langs de dijk in en kwam volgens de overlevering minstens één bewoner om. Bij Oud-Heusden spoelden planken en huisraad tegen de waterkering; op de dijk zou zelfs een hengstenschuit terechtgekomen zijn. Door het bederven van graan en hooi verloren boeren voedsel en wintervoer voor hun vee.

November 1775 — Op Schokland vlucht de vuurstoker met zijn gezin naar de resten van een kerk

De stormvloed van 14 en 15 november 1775 trof het eiland Schokland bijzonder zwaar. Johannes Hermanus Hering beschreef de gebeurtenissen in zijn in 1776 verschenen verslag over de watersnood. Bij de vuurbaak werden grond en gebouwen beschadigd. De vuurstoker vluchtte met zijn gezin naar de overblijfselen van een oude kerk, waar zij ongeveer vierentwintig uur zonder voedsel verbleven. Drie koeien gingen verloren. De zee spoelde over delen van het eiland en drong ook de kerk en predikantswoning binnen. Volgens Hering strandde een driemaster, terwijl een ander schip met stokvis en planken bij Schokland zonk en de bemanning omkwam. De ramp versnelde het verlies van grond aan de Zuiderzee.

Februari – maart 1784 — IJsdammen breken de rivierdijken en zetten tientallen Gelderse dorpen onder water

De strenge winter van 1783–1784 had Rijn, Waal en andere rivieren met ijs bedekt. Toen de temperatuur steeg, begonnen grote schotsen te bewegen. Op verschillende plaatsen hoopte het ijs zich op tot dammen die de waterafvoer blokkeerden. Op 29 februari en in maart 1784 ontstonden ernstige dijkdoorbraken, onder meer langs de Waal. De Tielerwaard, Overbetuwe, Nederbetuwe en het Land van Maas en Waal kwamen grotendeels onder water te staan. Ook Buren werd getroffen. Volgens historische ramingen omvatte het rampgebied ongeveer 72 dorpen met 50.000 tot 60.000 inwoners. Het rivierwater werd achter de ijsdammen opgestuwd totdat dijken bezweken. Het kruiende ijs vernielde daarna woningen, bomen en waterkeringen.

Maart 1784 — Haalderen verliest vijftien inwoners en Bemmel ontvangt duizenden guldens noodhulp

In Haalderen veroorzaakte de watersnood van 1784 uitzonderlijk zware verwoestingen. Volgens een regionale historische studie kwamen vijftien inwoners om het leven. Woningen werden door het water en de grote ijsmassa's vernield. Ook Bemmel en omliggende dorpen verloren huizen, vee en landbouwbezit. De Oeconomische Tak van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen organiseerde een landelijke inzameling, omdat de gewone overheidszorg onvoldoende hulp bood. Uit de bewaarde rekening blijkt dat Bemmel bijna 7.000 gulden ontving, voornamelijk voor woningherstel. Voor Lent werd vijftien gulden uitgekeerd, voor Oosterhout 110 gulden en voor Doornenburg 36 gulden. Deze uitkeringen weerspiegelen de gedocumenteerde hulpverlening, maar geven niet de totale schade of het volledige aantal slachtoffers weer.

1793 — Militairen steken de Giessendijk door en laten polders als verdedigingsmiddel overstromen

In 1793 werden volgens een regionale waterstaatskroniek op verschillende plaatsen gedeelten van de zuidelijke Giessendijk doorgestoken. Militairen wilden hiermee landbouwgronden onder water zetten om vijandelijke troepen te hinderen. Giessen-Nieuwkerk en de Benedenpolder van Hardinxveld kwamen onder water te staan. De inundatie verschilde van een doorbraak door storm, ijs of hoog rivierwater: het binnendringen van water was hier een doelbewuste militaire maatregel. Voor de bewoners betekende dit opnieuw schade aan landbouwgrond, wegen en waterkeringen. Na afloop moesten de doorgestoken dijken worden hersteld voordat de polders weer normaal gebruikt konden worden. De aangehaalde kroniek noemt geen afzonderlijke bevelhebbers of schadebedragen, zodat de verantwoordelijkheid niet nauwkeuriger kan worden vastgesteld.

22 februari 1799 — Een muur van rivierijs vernielt de dijk en bedreigt de huizen bij Vuren

Op 22 februari 1799 hoopten grote hoeveelheden drijfijs zich op in de rivier bij Vuren, ten oosten van Gorinchem. Het ijs vormde een opstopping waardoor het rivierwater werd tegengehouden en plaatselijk steeg. Nieuwe schotsen schoven tegen de bestaande ijsmassa en werden tegen de waterkering opgestuwd. De dijk bezweek onder de druk van water en ijs. De kunstenaar Jacob Cats legde de gebeurtenis vast in een tekening, die Christiaan Josi later gebruikte voor een prent. Daarop is te zien hoe een opeenhoping van ijsschotsen een boerderij beschadigt. De afbeelding maakte de ramp ook buiten het rivierengebied bekend. Zij toont hoe een bevroren rivier bij dooi een verwoestende water- en ijsmassa kon worden.

Januari 1809 — IJsdammen veroorzaken een watersnood die in de Tielerwaard 92 mensenlevens kost

Na de strenge vorst van december 1808 zette op 10 januari 1809 de dooi in. Grote ijsmassa's kwamen los op Rijn en Waal. Bij plaatselijke verstoppingen werd het rivierwater opgestuwd, waardoor verschillende dijken bezweken. Vooral de Tielerwaard werd zwaar getroffen. Volgens historische tellingen werden daar 331 huizen volledig verwoest en 573 ernstig beschadigd. Daarnaast verdronken 395 runderen, 303 schapen, 105 paarden, 95 varkens, drie ezels en twee geiten, samen 903 dieren. In de Tielerwaard kwamen 92 mensen om het leven. Ook elders in Gelderland gingen huizen, stallen, wegen en landbouwgronden verloren. Door de combinatie van overstroming, ijs en winterkou konden veel bewoners hun bezit niet tijdig redden.

25–30 januari 1809 — Lodewijk Napoleon bezoekt Gorinchem terwijl burgers en militairen de dijken verdedigen

Op 25 januari 1809 arriveerde koning Lodewijk Napoleon vanuit Vianen in Gorinchem. Hij verbleef tot 27 januari in de Doelen en bezocht bedreigde plaatsen in de omgeving. Op 30 januari ontstond opnieuw groot gevaar. De Oude Wolpherensedijk raakte beschadigd en de kisting op de Kortendijk bezweek op twee plaatsen. Water stroomde via de Hoogstraat en aangrenzende stegen de benedenstad binnen. Burgers en militairen van het garnizoen, waaronder karabiniers onder generaal Tarayre, werkten aan het sluiten van de openingen. De koning keerde terug, bezocht de Kortendijk en moedigde de verdedigers aan. De gaten werden gedicht voordat een grotere overstroming van Gorinchem kon ontstaan. De stad ving bovendien vluchtelingen en vee uit omliggende gebieden op.

1809–1810 — De Lingewerken vormen een nieuwe verdedigingslinie tussen Gorinchem en de Lek

De watersnood van 1809 maakte duidelijk dat een doorbraak in de Betuwe ook het lager gelegen Hollandse achterland bedreigde. Op voorstel van een riviercommissie werden de Lingewerken aangelegd. Zij omvatten de nieuwe Zuider Lingedijk, verhogingen van bestaande dijken ten zuiden van de Linge en versterking van de Diefdijk. Daarnaast werden sluizen en overlaten aangebracht. Zo ontstond een verdedigingslinie tussen Gorinchem en de Lek ten westen van Culemborg. Het doel was water uit de Betuwe tegen te houden en waar mogelijk ten oosten van Gorinchem naar de Waal af te voeren. De werken waren nog in 1809 grotendeels voltooid en kostten uiteindelijk ongeveer 1.435.000 gulden. De aanleg beperkte overstromingsgevolgen, maar nam het gevaar van ijsdammen niet weg.

1819 — Friese dijkbestuurders regelen de bewaking tussen Paesens en Nieuwe Zijlen

In 1819 werden volgens een regionale waterstaatskroniek maatregelen vastgesteld voor de bewaking van de Friese zeedijken tussen Paesens en Nieuwe Zijlen. Bestuurders moesten zorgen dat bij dreigend hoogwater voldoende dijkwachten beschikbaar waren. Deze moesten beschadigingen en zwakke gedeelten tijdig ontdekken en melding maken voordat een beginnende aantasting zich tot een doorbraak ontwikkelde. Ook de beschikbaarheid van materialen en mensen voor noodherstel was van belang. De regeling sloot aan bij eerdere ervaringen met stormvloeden, paalwormschade en de aanleg van nieuwe waterkeringen. Dijkbewaking vereiste duidelijke afspraken over toezicht, verantwoordelijkheid en de inzet van arbeidskrachten. Het aangehaalde overzicht vermeldt geen volledige personeelslijst of kostenbegroting, zodat die gegevens niet nader kunnen worden ingevuld.

26 januari 1820 — De Lekdijk breekt bij Langerak en meer dan dertig dorpen verdwijnen onder water

Na weken van strenge vorst begon in januari 1820 de dooi. Hoog rivierwater en bewegende ijsmassa's brachten de Lekdijken in gevaar. Op woensdag 26 januari, omstreeks acht uur 's avonds, bezweek de Lekdijk bij Langerak. Water en ijs stroomden de Alblasserwaard binnen. Twaalf kanonschoten waarschuwden de inwoners voor de doorbraak. Meer dan dertig dorpen en ongeveer 17.000 hectare grond werden getroffen. Gezinnen vluchtten naar waterzolders, kerken en hoge dijken; boeren probeerden hun vee te behouden. Op 27 januari bezocht de gouverneur van Zuid-Holland, Van der Duijn, het bedreigde gebied. Na zijn rapportage stelde koning Willem I 10.000 gulden beschikbaar voor de eerste hulp. Het was de laatste keer dat vrijwel de gehele Alblasserwaard overstroomde.

29 januari – 9 maart 1820 — Willem I bezoekt Langerak en Wassenaar helpt de verdronken boeren hun vee behouden

Op 29 januari 1820 bezocht koning Willem I de doorbraak bij Langerak. De hulpverlening richtte zich niet alleen op voedsel en onderdak, maar ook op het behoud van vee. In Wassenaar onderzocht het dorpsbestuur op 4 februari hoeveel runderen uit de Alblasserwaard tijdelijk konden worden ondergebracht. Na een oproep meldden zich 49 inwoners, die gezamenlijk plaats aanboden aan zestig dieren. Op 9 maart arriveerden 25 runderen: tien koeien en vijftien pinken uit Groot-Ammers, Langerak en Brandwijk. De initialen van de eigenaars waren met blauwe verf op de dieren aangebracht. Hierdoor konden de boeren hun vee later terugkrijgen. De opvang maakte deel uit van een bredere hulpverlening waarin getroffen landbouwgezinnen ook buiten hun eigen streek ondersteuning ontvingen.


Einde deel 7 — Tussen stormvloeden en kruiend rivierijs: Nederland onder water (1726–1820)

In deze periode veranderde het Nederlandse waterbeheer, maar het overstromingsgevaar verdween niet. Willem Loré en de Friese dijkbestuurders probeerden de kust beter te beschermen. In Holland en Gelderland bleven hoge rivierstanden, ijsdammen en dijkdoorbraken duizenden gezinnen bedreigen. De rampen van 1740–1741, 1784, 1809 en 1820 maakten zichtbaar hoe groot de schade aan mensenlevens, woningen, vee en landbouwgrond kon zijn.

Tegelijk ontwikkelden bestuurders, kooplieden en plaatselijke hulpverleners nieuwe manieren om overstromingen te bestrijden en slachtoffers te ondersteunen. In 1741 werden bouwmaterialen en vee over grote afstanden verspreid. In 1809 bezocht koning Lodewijk Napoleon persoonlijk de bedreigde dijken. In 1820 werd onder Willem I opnieuw hulpverlening buiten de getroffen streek georganiseerd.

Toen het water Nederland verzwolg — twaalf eeuwen van stormvloeden, verdronken dorpen en verloren levens

De Nederlandse overstromingsgeschiedenis, 800–1995

Deel 8 — Van de watersnood van 1825 tot de evacuatie van 1995 — Nederland leert het water beheersen (1821–1995)

3–5 februari 1825 — Een noordwesterstorm veroorzaakt de grootste Nederlandse watersnood van de negentiende eeuw

Van 3 tot 5 februari 1825 trok een zware noordwesterstorm over de Noordzee. In combinatie met springtij werd het water met grote kracht de Zuiderzee ingedreven. Langs de kusten van Friesland, Overijssel en Noord-Holland ontstonden gevaarlijke waterstanden. Talrijke dijken bezweken, waarna het zeewater dorpen en landbouwgebieden overstroomde. De storm trof ook kustgebieden buiten Nederland, van Vlaanderen tot Noord-Duitsland. Volgens de historische telling kwamen in Nederland 379 mensen om het leven. Tienduizenden landbouwdieren verdronken en honderden woningen werden vernield. De ramp maakte duidelijk dat de bestaande waterkeringen rond de Zuiderzee onvoldoende bescherming boden tegen uitzonderlijke stormvloeden.

4–5 februari 1825 — Ongeveer 65 dijkdoorbraken zetten grote delen van Overijssel onder water

In de nacht van 4 op 5 februari 1825 braken volgens historische overzichten op ongeveer 65 plaatsen dijken door langs de Zuiderzee, het Zwarte Water, de IJssel en de Vecht. Het water bereikte niet alleen Blokzijl, Genemuiden en Kampen, maar verspreidde zich ook naar Staphorst, Dalfsen, Heino en Wijhe. Huizen en boerderijen werden beschadigd of weggeslagen. Bewoners zochten bescherming op zolders, kerken en hoger gelegen dijken. Overijssel kreeg de zwaarste menselijke verliezen te verwerken. Volgens de provinciale schadeopgave verdronken 305 mensen, 13.073 runderen en 525 paarden. Ook werden ongeveer 574 gebouwen verwoest en raakten 2.284 gebouwen zwaar beschadigd.

Februari 1825 — In Staphorst en Rouveen verliezen gezinnen hun woningen en vee

De stormvloed bereikte ook de lage landbouwgebieden van Staphorst en Rouveen. Volgens de historische telling kwamen in de gemeente Staphorst 21 mensen om het leven. Veel slachtoffers woonden in Rouveen. Het snel stijgende water verraste bewoners in hun boerderijen, waar woningen en stallen vaak onder één dak waren samengebracht. Niet al het vee kon tijdig worden losgemaakt. Wanneer een boerderij instortte, gingen daardoor soms zowel de woning als de dieren, het gereedschap, het zaaigoed en de voedselvoorraden verloren. Voor de overlevenden begon na het wegtrekken van het water een langdurige periode van herstel, waarbij het voortbestaan van hun landbouwbedrijf onzeker was.

Februari 1825 — Friesland verliest landbouwgrond, woningen en duizenden dieren

Ook Friesland werd tijdens de stormvloed zwaar getroffen. Historische reconstructies noemen ongeveer 103.000 bunder overstroomd land, waardoor grote delen van de provincie met zout water te maken kregen. Volgens een schadeoverzicht werden 594 huizen en andere gebouwen vernield. Meer dan 2.100 runderen verdronken, evenals ongeveer 1.600 andere landbouwdieren, waaronder schapen, paarden en varkens. Voor Friesland worden zeventien directe dodelijke slachtoffers genoemd. De grootste schade ontstond in laaggelegen gebieden die verbonden waren met de Zuiderzee en de waterlopen van Overijssel. Na de ramp moesten beschadigde dijken worden hersteld en verzilte landbouwgronden opnieuw bruikbaar worden gemaakt.

Februari 1825 — Het water bedreigt Kampen, Blokzijl en het eiland Schokland

De stormvloed veroorzaakte ook grote problemen in de plaatsen langs de oostelijke Zuiderzeekust. In Kampen probeerden inwoners de stadspoorten tegen het opgestuwde water af te sluiten. Toch stortten volgens een historisch verslag gedeelten van de stadsmuren bij de Broederpoort, de Cellebroederspoort en de toenmalige Venepoort in. Blokzijl werd eveneens zwaar getroffen. Op Schokland bedreigde het water de verhoogde nederzettingen en beschadigde het de kwetsbare kustverdediging. Voor het eiland was iedere nieuwe afslag gevaarlijk omdat de beschikbare woonruimte al beperkt was. De storm van 1825 maakte opnieuw duidelijk dat niet alleen afzonderlijke huizen, maar ook belangrijke verbindingen en beschermingswerken verloren konden gaan.

1826 — Een koortsepidemie treft de gebieden die in 1825 onder water stonden

De watersnood van 1825 had ook gevolgen voor de gezondheid van de bevolking. In 1826 ontstond een ernstige koortsepidemie in Groningen, Friesland en Overijssel. Hedendaags onderzoek verbindt deze uitbraak met malaria, waarvan de verspreiding werd bevorderd door de warme zomer en het langdurig achterblijven van brak water. De omstandigheden waren gunstig voor de muggen die de ziekte overbrengen. Destijds kende de medische wetenschap deze besmettingswijze nog niet. Op 25 oktober 1826 berichtte de Nederlandsche Staatscourant over de uitbreiding van de ziekte naar Overijssel. De gouverneur stelde een provinciale commissie in om de situatie te onderzoeken en hulpverlening te organiseren.

5 maart 1855 — De Grebbedijk breekt en het Rijnwater overstroomt de Gelderse Vallei

Na een strenge winter begon in maart 1855 het ijs op de Rijn te bewegen. Grote ijsschotsen vormden opstoppingen, waardoor het rivierwater steeds hoger tegen de Grebbedijk kwam te staan. Op 5 maart bezweek de dijk bij de Grebbe, tussen Wageningen en Rhenen. Het water stroomde de Gelderse Vallei binnen en verspreidde zich tot de omgeving van Amersfoort. In Veenendaal werden woningen door het water en de storm beschadigd. Volgens de plaatselijke slachtofferregistratie kwamen dertien mensen om het leven. Onder hen waren vijf personen die verdronken toen een schuit zonk. Vier kanonschoten vanaf de Wageningse Berg waarschuwden de bevolking voor de doorbraak.

1 februari 1861 — Kruiend ijs veroorzaakt een verwoestende dijkdoorbraak bij Leeuwen

In de winter van 1861 raakte de Waal opnieuw bedekt met grote ijsmassa's. Tijdens de dooi kwam het ijs bij Nijmegen in beweging, maar verder stroomafwaarts bleef de rivier gedeeltelijk geblokkeerd. Het water werd tegen de dijken opgestuwd. Op 1 februari, omstreeks zes uur in de ochtend, bezweek de Waaldijk bij Leeuwen, even boven de weg naar Wamel. Volgens een eigentijds krantenverslag werden ongeveer twaalf woningen onmiddellijk meegesleurd. Het binnendringende water overstroomde grote delen van het Land van Maas en Waal. Mensen zochten bescherming op daken en hoger gelegen plaatsen. De ramp leidde tot hulpacties en nieuwe schadeadministraties voor getroffen inwoners en landbouwers.

1861–1874 — Rijkswaterstaat graaft de Nieuwe Merwede om het Waalwater sneller af te voeren

De grote rivieroverstromingen maakten duidelijk dat hogere dijken alleen onvoldoende waren. Bij Werkendam en de Biesbosch moest het water van de Waal via de Merwede naar zee worden afgevoerd. Daarom werd tussen 1861 en 1874 de Nieuwe Merwede aangelegd. Bestaande geulen werden verbreed en verdiept tot een rivierverbinding van ongeveer 21 kilometer tussen de Boven-Merwede en het Hollandsch Diep. Het werk moest de afvoercapaciteit vergroten en de druk op kwetsbare dijken verminderen. Tegelijkertijd veranderden de stroming en de waterverdeling in de Biesbosch. De aanleg markeerde een ontwikkeling waarin de overheid niet uitsluitend dijkbreuken repareerde, maar ook de loop van grote rivieren ingrijpend aanpaste.

18 augustus 1904 — Koningin Wilhelmina opent de Bergsche Maas en scheidt Maas en Waal

Op 18 augustus 1904 opende koningin Wilhelmina de nieuwe Bergsche Maas. De aanleg was het resultaat van de Maasmondwet van 1883 en jarenlange werkzaamheden onder leiding van Rijkswaterstaat. Ingenieur Cornelis Lely speelde een belangrijke rol bij de plannen. Bij Andel werd de oude Maasverbinding richting Woudrichem afgesloten. Het water stroomde voortaan via de nieuw gegraven Bergsche Maas naar de Amer en het Hollandsch Diep. De ingreep moest de afvoer van de Maas verbeteren en voorkomen dat hoge waterstanden op Maas en Waal elkaar ongunstig beïnvloedden. Ook de Wilhelminasluis bij Andel en nieuwe scheepvaartverbindingen maakten deel uit van de veranderingen.

13–14 januari 1916 — De Zuiderzeevloed breekt de Waterlandse dijk op elf plaatsen open

In de nacht van 13 op 14 januari 1916 werd de Zuiderzee door een zware storm opgestuwd. De Waterlandse zeedijk was door langdurige regen verzwakt en kon de golven onvoldoende weerstaan. Op elf plaatsen ontstonden doorbraken. Het water stroomde vervolgens over Waterland en bereikte de omgeving van Purmerend. Ook de Buikslotermeer, de Broekermeer en de polder Oostzaan overstroomden. Bij Zuiderwoude en Ransdorp verdronk veel vee. Geredde dieren werden tijdelijk ondergebracht in kerken en schoolgebouwen. De overstroming trof ook de oostelijke Zaanstreek. De schade liet zien hoe kwetsbaar het gebied rond Amsterdam nog altijd was voor stormwater uit de open Zuiderzee.

Januari 1916 — Marken verliest zestien inwoners en de Anna Paulownapolder overstroomt

Het eiland Marken werd tijdens de watersnood van 1916 bijzonder zwaar getroffen. Op de Wittewerf werden woningen door het water meegesleurd en ook de Moeniswerf raakte zwaar beschadigd. Zestien bewoners kwamen om het leven. Elders langs de Zuiderzee werden havens en vissersplaatsen getroffen, waaronder Spakenburg en Volendam. Bij de Anna Paulownapolder bezweek de Amsteldijk, waarna het zeewater het landbouwgebied binnendrong. Daar verdronken twee inwoners. De overstroming veroorzaakte grote materiële schade en maakte duizenden mensen afhankelijk van hulpverlening en dijkherstel. De ramp gaf de plannen om de Zuiderzee van de Noordzee af te sluiten nieuwe politieke urgentie.

1918 — Minister Cornelis Lely krijgt toestemming voor de afsluiting van de Zuiderzee

Na de watersnood van 1916 kwam het plan van ingenieur en minister Cornelis Lely opnieuw centraal te staan. Al sinds de negentiende eeuw waren verschillende ontwerpen gemaakt om de Zuiderzee af te sluiten en delen droog te leggen. In 1918 nam het parlement de Zuiderzeewet aan. Daarmee kreeg de regering toestemming een afsluitdijk tussen Noord-Holland en Friesland aan te leggen en nieuwe polders te ontwikkelen. Het plan moest niet alleen bescherming bieden tegen stormvloeden, maar ook landbouwgrond opleveren en de waterhuishouding verbeteren. Voor vissersplaatsen betekende de afsluiting echter een ingrijpende verandering, omdat het zoute viswater geleidelijk zou verdwijnen en de traditionele Zuiderzeevisserij onder druk kwam te staan.

31 december 1925 – 1 januari 1926 — De Maasdijk bij Nederasselt breekt en het Land van Maas en Waal overstroomt

Na weken van vorst, sneeuw en vervolgens zware regen steeg de Maas eind december 1925 uitzonderlijk hoog. Op oudejaarsdag bezweek de Maasdijk tussen Overasselt en Nederasselt. Er ontstond een opening van ongeveer honderd meter. Het water stroomde naar de lage polders bij Wijchen en Beuningen. In de nieuwjaarsnacht van 1926 bezweek bovendien de Ruffelsdijk bij Niftrik, waardoor het Land van Maas en Waal verder overstroomde. Op 3 januari bereikte het water het laaggelegen gebied rond Dreumel en Alphen. Dijkgraaf Johannes de Leeuw liet op 4 januari bij Dreumel openingen maken om het opgesloten water terug naar de Maas te laten stromen.

Januari 1926 — Bijna zesduizend inwoners vluchten en drieduizend huizen raken verloren

De watersnood van 1926 bracht het Land van Maas en Waal grote economische schade toe. Volgens Waterschap Rivierenland werden ongeveer drieduizend huizen verwoest of zwaar beschadigd en moesten bijna zesduizend mensen vluchten. Wonderlijk genoeg vielen in dit gebied geen directe dodelijke slachtoffers. Koningin Wilhelmina bezocht het rampgebied meerdere keren. De bevolking kreeg hulp, maar het herstel verliep moeizaam. Veel gezinnen verloren hun bezittingen en landbouwinkomsten. Nog tientallen jaren bleef de streek economisch achter. De overheid besloot nieuwe maatregelen te nemen om de rivierafvoer te verbeteren. In 1926 werden onder meer elektrische gemalen bij Balgoij en Niftrik aangelegd om de waterhuishouding van het gebied te versterken.

28 mei 1932 — Het laatste gat in de Afsluitdijk sluit en de Zuiderzee wordt het IJsselmeer

Op 28 mei 1932, om 13.02 uur, werd bij de Vlieter het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten. Ongeveer vijfduizend arbeiders hadden aan de aanleg gewerkt. De verbinding tussen Wieringen en de Friese kust veranderde de open Zuiderzee in een afgesloten binnenwater, dat voortaan het IJsselmeer zou heten. De sluizen bij Den Oever en Kornwerderzand moesten overtollig water afvoeren naar de Waddenzee en de scheepvaart mogelijk houden. De Wieringermeer was in 1930 al drooggevallen. Later volgden de Noordoostpolder en de Flevopolders. De afsluiting beëindigde de directe invloed van Noordzeestormvloeden op een groot deel van de vroegere Zuiderzeekust. Een ontwikkeling die al in de middeleeuwen was begonnen, kreeg daarmee een ingrijpend nieuw vervolg.

17 april 1945 — Duitse militairen zetten de Wieringermeer doelbewust onder water

Tijdens de laatste weken van de Tweede Wereldoorlog werd de Wieringermeer opnieuw overstroomd. Op 17 april 1945 bliezen Duitse militairen de IJsselmeerdijk op twee plaatsen op. Het water stroomde de polder binnen en zette het pas vijftien jaar eerder drooggelegde landbouwgebied onder water. Bewoners moesten vluchten en veel boerderijen en gebouwen raakten beschadigd. De inundatie was, net als bij Leiden in 1574, geen natuurlijke stormvloed maar een doelbewuste militaire maatregel. Na de bevrijding begonnen herstelwerkzaamheden aan de dijken en de afwatering. Op 11 december 1945 viel de Wieringermeer opnieuw droog. De gebeurtenis liet zien dat zelfs een modern ontworpen polder kwetsbaar bleef wanneer zijn waterkering werd doorbroken.

31 januari – 1 februari 1953 — Een noordwesterstorm veroorzaakt de grootste Nederlandse natuurramp van de twintigste eeuw

Op zaterdagavond 31 januari 1953 bereikte een uitzonderlijk zware noordwesterstorm de Nederlandse kust. De wind stuwde het Noordzeewater op, terwijl springtij voor extra hoge waterstanden zorgde. In de nacht van 31 januari op 1 februari bezweken op talrijke plaatsen de dijken van Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. In Vlissingen werd een waterstand van 4,55 meter boven NAP gemeten. Het zeewater stroomde over polders en dorpen en verraste bewoners die in hun woningen sliepen. Op meer dan 150 plaatsen ontstonden dijkdoorbraken. Toen later op zondag opnieuw hoogwater kwam, werd de verwoesting op verschillende plaatsen nog groter. De watersnoodramp kostte uiteindelijk 1.836 mensen het leven.

1 februari 1953 — Oude-Tonge, Nieuwerkerk en Ouwerkerk verliezen honderden inwoners

Vooral Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland werden zwaar getroffen. In Oude-Tonge kwamen volgens de officiële telling 305 mensen om het leven. Op Schouwen-Duiveland verdronken in Nieuwerkerk 288 inwoners en in Ouwerkerk 91. Ook Stavenisse op Tholen verloor meer dan 150 bewoners. De overstromingen verwoestten huizen en boerderijen en maakten wegen onbruikbaar. Overlevenden zochten bescherming op daken, zolders en hoger gelegen dijken. Hele gezinnen werden uiteengerukt. Het verlies van familieleden bleef ook na het herstel van de dorpen merkbaar. De ramp was daarmee niet alleen een waterstaatkundige catastrophe, maar een langdurige menselijke ontwrichting waarvan de gevolgen generaties voortleefden.

1 februari 1953 — Schipper Arie Evegroen sluit met de Twee Gebroeders een dijkgat bij Nieuwerkerk aan den IJssel

Ook langs de Hollandsche IJssel dreigde een grote overstroming. Bij Nieuwerkerk aan den IJssel ontstond een opening van ongeveer vijftien meter in de Groenendijk. Als deze waterkering verder zou bezwijken, kon een groot deel van het laaggelegen Zuid-Hollandse achterland onder water komen te staan. Burgemeester J.C. Vogelaar liet het achttien meter lange graanschip Twee Gebroeders van schipper Arie Evegroen vorderen. Met hulp van onder anderen Cornelis Heuvelman en schipper Van Vliet manoeuvreerde Evegroen het schip voor de opening. De stroming drukte het vaartuig tegen het dijkgat. Vervolgens vulden hulpverleners de overgebleven ruimte met zandzakken. Daardoor werd een nog grotere overstroming voorkomen.

Februari 1953 — Nederland organiseert een nationale reddingsactie voor tienduizenden getroffenen

In de dagen na de watersnood werden schepen, vliegtuigen, helikopters en militairen ingezet om overlevenden te bereiken. Het Rode Kruis en talloze vrijwilligers organiseerden voedsel, kleding, medicijnen en onderdak. Ook uit het buitenland kwamen hulpgoederen en financiële bijdragen. Volgens Rijkswaterstaat moesten ongeveer 72.000 mensen worden geëvacueerd. Ruim 47.000 stuks vee en 140.000 stuks pluimvee verdronken. Ongeveer 4.300 huizen en andere gebouwen werden verwoest en 43.000 raakten beschadigd. Meer dan 150.000 hectare grond overstroomde. De totale materiële schade werd geraamd op ongeveer anderhalf miljard gulden. De omvang van deze verliezen maakte duidelijk dat het herstel niet uitsluitend aan plaatselijke waterschappen kon worden overgelaten.

18 februari – 6 november 1953 — De Deltacommissie wordt ingesteld en het laatste dijkgat wordt gesloten

Op 18 februari 1953 stelde minister Jacob Algera van Verkeer en Waterstaat de Deltacommissie in. Waterstaatsingenieur Johan van Veen werd secretaris. De commissie moest voorstellen ontwikkelen om een nieuwe stormvloedramp te voorkomen. Tegelijkertijd leidde Rijkswaterstaat het herstel van de beschadigde waterkeringen. Duizenden arbeiders en militairen werkten aan het sluiten van de dijkgaten. Op 6 november 1953 werd bij Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland het laatste grote gat gesloten. Hiervoor werden vier enorme betonnen Phoenix-caissons gebruikt. Daarmee kwam na ruim negen maanden een einde aan de open verbinding tussen de zee en het overstroomde gebied. Het droogmaken en opnieuw opbouwen van de getroffen polders duurde daarna nog geruime tijd.

8 mei 1958 — De Deltawet legt de nieuwe bescherming tegen stormvloeden vast

Op 8 mei 1958 werd de Deltawet vastgesteld. De wet vormde de juridische basis voor de afsluiting van verschillende zeearmen en de versterking van de bestaande hoogwaterkeringen. Het uitgangspunt was dat de lange, grillige kustlijn van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta korter en beter verdedigbaar moest worden. In hetzelfde jaar kwam de stormvloedkering in de Hollandsche IJssel gereed, het eerste grote werk van het Deltaplan. De nieuwe kering moest het dichtbevolkte achterland beschermen tegen uitzonderlijk hoog zeewater. De staat nam een centrale rol bij de uitvoering van de omvangrijke werkzaamheden. De bescherming van de Nederlandse kust veranderde daarmee in een samenhangend nationaal waterbouwkundig programma.

1961–1971 — De Deltawerken sluiten zeearmen af en veranderen het Zeeuwse landschap

Na de eerste stormvloedkering werden achtereenvolgens nieuwe dammen en afsluitingen aangelegd. In 1961 werd het Veerse Gat afgesloten. De Haringvlietdam kwam in 1970 gereed en de Brouwersdam sloot in 1971 het Brouwershavense Gat af. Daarmee verdwenen verschillende open verbindingen tussen de Noordzee en het achterliggende land. Voor bewoners van Zeeland en Zuid-Holland verminderde het gevaar van stormvloeden aanzienlijk. Tegelijk veranderden de getijden, de zoutgehalten en de leefomstandigheden voor planten en dieren. De nieuwe dammen verbeterden bovendien de verbindingen tussen de voormalige eilanden. Het Deltaplan betekende daardoor niet alleen een grote verbetering van de waterveiligheid, maar ook een ingrijpende verandering van het landschap en de plaatselijke economie.

4 oktober 1986 — Koningin Beatrix opent de Oosterscheldekering

Op 4 oktober 1986 stelde koningin Beatrix de Oosterscheldekering officieel in gebruik. De oorspronkelijke plannen hadden voorzien in een volledige afsluiting van de Oosterschelde. Na protesten en onderzoek naar de gevolgen voor natuur en visserij koos de regering echter voor een beweegbare stormvloedkering. De betonnen pijlers en afsluitbare schuiven moesten de zee tijdens uitzonderlijk hoogwater kunnen tegenhouden, terwijl onder normale omstandigheden het getij grotendeels behouden bleef. De kering vormde een belangrijk keerpunt in de Nederlandse waterbouw. Veiligheid bleef de belangrijkste opdracht, maar de bescherming van het ecosysteem kreeg eveneens een plaats in het ontwerp.

December 1993 — De Maas overstroomt Limburg en dwingt twaalfduizend mensen hun huizen te verlaten

In december 1993 veroorzaakten langdurige regenval en hoge afvoer uit België en Frankrijk een uitzonderlijke waterstand op de Maas. Vooral het Limburgse Maasdal werd getroffen. Bij Borgharen bereikte de rivier op 22 december een hoogte van ongeveer 45,90 meter boven NAP. De onbedijkte dorpen Borgharen en Itteren overstroomden en ook rond Roermond, Venlo en andere plaatsen ontstond schade. Ongeveer 18.000 hectare, acht procent van Limburg, kwam onder water te staan. Naar schatting twaalfduizend inwoners moesten worden geëvacueerd. Ook ongeveer tweeduizend bedrijven werden getroffen. De schade werd geraamd op circa 254 miljoen gulden. Het hoogwater maakte duidelijk dat de bescherming van de rivieren nog altijd grote tekortkomingen kende.

25–31 januari 1995 — De Rijn en Maas stijgen tot uitzonderlijke hoogte

Ruim een jaar na de Limburgse overstromingen steeg het water opnieuw in de grote rivieren. Langdurige regenval in Frankrijk, België en Duitsland, gecombineerd met smeltwater, veroorzaakte een snel toenemende afvoer. Bij Lobith steeg de Rijn binnen één dag ongeveer twee meter. Op 31 januari bereikte de waterstand een hoogte van 16,63 meter boven NAP; de hoogste stand kwam uiteindelijk uit op 16,68 meter. Langs de Waal, Maas, Rijn en IJssel werden dijken bewaakt en met zandzakken versterkt. Ook de uiterwaarden en verschillende kaden liepen onder. De bestuurders vreesden dat één grote dijkdoorbraak een omvangrijk deel van het Gelderse rivierengebied zou kunnen overstromen.

30 januari – 1 februari 1995 — Meer dan 250.000 inwoners verlaten de Betuwe en het rivierengebied

Toen de waterstanden bleven stijgen, besloten bestuurders grote gebieden uit voorzorg te ontruimen. In de Ooijpolder, het Land van Maas en Waal, de Bommelerwaard en de Tieler- en Culemborgerwaard moesten bewoners hun woningen verlaten. Meer dan 250.000 mensen en ongeveer één miljoen dieren werden geëvacueerd. Boeren brachten hun vee met vrachtwagens naar veilige plaatsen, terwijl gezinnen met auto's en aanhangwagens naar familieleden of opvangcentra vertrokken. De Jaarbeurs in Utrecht werd als opvanglocatie ingericht. Ook patiënten uit het ziekenhuis in Tiel werden elders ondergebracht. Het was een van de grootste evacuaties uit de Nederlandse geschiedenis, uitgevoerd terwijl nog geen grote rivierdijk was bezweken.

1 februari 1995 — De Waaldijk bij Ochten begint te schuiven en militairen voorkomen een doorbraak

Bij Ochten ontstond op 1 februari 1995 een bijzonder gevaarlijke situatie. Een gedeelte van de Waaldijk begon onder de druk van het hoge rivierwater te schuiven. De dijk dreigde zijn stabiliteit te verliezen, waardoor een groot gebied van de Betuwe onder water kon komen te staan. Honderden militairen en dijkwerkers werden ingezet om de waterkering met zandzakken en andere materialen te versterken. Het dorp werd met spoed ontruimd. Ondertussen werden de dijken langs andere riviertrajecten voortdurend gecontroleerd. Uiteindelijk hield de Waaldijk stand. Vanaf 2 februari begonnen de waterstanden te dalen en op 4 februari konden de eerste geëvacueerde bewoners naar hun huizen terugkeren.

1995 — Het Deltaplan Grote Rivieren verandert de Nederlandse aanpak van hoogwater

De hoogwatercrises van 1993 en 1995 maakten duidelijk dat ook moderne rivierdijken niet zonder risico waren. De regering besloot het versterken van kwetsbare waterkeringen versneld aan te pakken met het Deltaplan Grote Rivieren. Langs de Maas moesten nieuwe kaden worden aangelegd en bestaande bescherming worden verbeterd. In het Rijn- en Waalgebied kregen dijkversterkingen eveneens voorrang. Tegelijk groeide het inzicht dat de rivieren bij hoge afvoer meer ruimte nodig hadden. Het beperken van de afvoer door steeds hogere dijken was niet altijd voldoende. De gebeurtenissen van 1995 legden daarmee een belangrijke basis voor de latere ontwikkeling van het programma Ruimte voor de Rivier.