Deel 1 — Monnickendam, een kleine wereld aan de Zuiderzee

De dag begint aan de haven

Het is 1834. Nog voordat heel Monnickendam wakker is, beweegt er al iets op het water. Vissersvaartuigen komen binnen vanaf de Gouwzee, schippers maken lijnen vast en mannen brengen lading aan wal. Vis moet snel worden gelost. Aan de kade wachten kopers en verderop begint het werk dat van de vangst een handelsproduct maakt. Haring verdwijnt naar de bokkinghangen, waar vuur en rook bij het dagelijkse stadsbeeld horen. Een kar ratelt weg met nieuwe vracht. Achter de haven staan huizen, werkplaatsen en kerktorens dicht opeen. Monnickendam is klein, maar 's morgens aan het water is het allesbehalve stil.

De vislucht betekent werk

De rook boven de bokkinghangen vertelt waar een belangrijk deel van het inkomen vandaan komt. In een plaatselijke beschrijving van de economische belangen worden 32 bokkinghangen genoemd, waarvan meer dan vijftig huishoudens afhankelijk zouden zijn. Ook de stedelijke kas profiteert van de vis: de verpachting van de haringafslag brengt volgens dezelfde bron jaarlijks ongeveer 1.000 tot 1.600 gulden op. Zulke cijfers kwamen voort uit een belangenstrijd en moeten daarom voorzichtig worden gebruikt. Maar het economische patroon is duidelijk. Achter één aangevoerde haring staan een visser, koper, roker, handelaar en vervoerder. Wie door Monnickendam loopt, ruikt dus niet alleen vis. Hij ruikt een belangrijk deel van het plaatselijke inkomen.

Aan de kade liggen meer dan vissersboten

Over de Gouwzee komen niet alleen vangsten binnen. Schippers vervoeren goederen en kleinere vaartuigen onderhouden verbindingen met de omgeving. Op de werven worden schepen gerepareerd en gebouwd. We moeten voorzichtig zijn met het benoemen van specifieke latere Zuiderzeescheepstypen zolang die voor 1834 niet aantoonbaar zijn, maar de werkzaamheden zijn duidelijk genoeg. Houten rompen slijten, zeilen scheuren en touwwerk moet worden vervangen. Daarom verdient niet alleen de bemanning aan een schip. Scheepstimmerlieden, smeden, zeilmakers en touwslagers vinden werk rond dezelfde vaartuigen. Volgens een plaatselijke bron konden alleen de scheepswerven tijdens het haringseizoen ongeveer veertig mannen nodig hebben. Vis houdt dus ook hamers aan het slaan.

Dirk van Otegem werkt aan de schepen

Een van die werkende mannen kunnen we bij naam noemen. Dirk van Otegem staat in 1833 geregistreerd als scheepstimmerman. Hij is op 7 juni 1829 getrouwd met Trijntje Scholten. Wanneer Dirk naar zijn werk gaat, begint zijn dag tussen hout, gereedschap en vaartuigen die niet lang op de wal mogen blijven liggen. Een vissersschip dat wordt gerepareerd, kan immers niet varen. Zijn beroep verbindt het water rechtstreeks met zijn huishouden. Op 20 en 21 maart 1833 wordt daar een tweeling geboren. Het ene kind overlijdt al op 22 maart. Achter de bedrijvigheid van de werf bevindt zich dus een gezin waarin arbeid, geboorte en verlies dicht naast elkaar bestaan.

Maria Reigers loopt door dezelfde straten

Bij die bevalling is Maria Reigers aanwezig. Vanaf 1830 is zij de enige officiële stadsvroedvrouw van Monnickendam. De stad betaalt haar 62 gulden en 50 cent per kwartaal, oftewel 250 gulden per jaar. Haar werk brengt haar achter gevels waar de haven nauwelijks zichtbaar is, maar waar de gevolgen van het dagelijkse bestaan worden gevoeld. Op de avond van 20 maart 1833 helpt zij Trijntje Scholten bij de geboorte van dochter Trijntje. Een halfuur na middernacht, op 21 maart, wordt Aaltje geboren. Reigers beweegt daarmee door dezelfde kleine stad als vissers, ambachtslieden en predikanten. Ook geboortezorg is hier een herkenbaar beroep, uitgevoerd door iemand met een naam.

Op de werf klinkt de hamer

Rond de scheepshellingen wordt ondertussen gezaagd, geboord en getimmerd. Een beschadigde huid moet worden hersteld, ijzerwerk vervangen en een mast of ander onderdeel gerepareerd. De scheepsbouw trekt weer ander werk aan. Een smid heeft vuur en ijzer nodig, een zeilmaker doek, een touwslager vezels. Wanneer er voldoende opdrachten zijn, verdient niet één ambachtsman maar een hele keten. Monnickendam mag zijn grote handelsbloei dan achter zich hebben, de haven blijft de economische motor van veel plaatselijke werkzaamheden. Dat verklaart ook waarom bereikbaarheid over water zo belangrijk is. Zonder bevaarbare haven verdwijnen niet alleen schepen. Dan verliezen ook mensen aan wal een deel van hun werk.

Tijmon Kater bestrijdt de modder

Daar verschijnt Tijmon Kater. Tussen 1822 en 1829 wordt hij bij geboorteaangiften aangeduid als aannemer van publieke of rijkswerken. Vanaf 1825 woont hij ruim bij de Nieuwe Zijds Burgwal en tussen 1822 en 1833 koopt hij omliggende grond. Maar Kater kijkt ook naar het water. Tussen 1828 en 1834 wordt een door hem bedachte moddermolen bij Monnickendam gebruikt. Daarmee kan baggerspecie worden verwijderd en de vaarweg beter bruikbaar blijven. Voor vissers en schippers is dat geen technische luxe. Ondiep water kan inkomsten kosten. Terwijl zij met hun schepen varen, verdient Kater juist aan het werk dat nodig is om die schepen varend de stad te laten bereiken.

De Waag, Speeltoren en het raadhuis

Vanaf de haven ligt de stad open voor een wandeling. De Waag herinnert eraan dat handel moet worden gewogen en gecontroleerd. De Speeltoren steekt herkenbaar boven de bebouwing uit. Niet ver daarvandaan bevindt zich het bestuur van de stad. In en rond het raadhuis worden besluiten genomen over openbare werken, financiën, armenzorg en plaatselijke orde. Verderop staat de Grote Kerk. Aan Kerkstraat, Noordeinde en Zuideinde staan woningen en bedrijven dicht bij elkaar. Wie hier werkt, bestuurt of naar de kerk gaat, beweegt steeds door dezelfde beperkte ruimte. De gebouwen vertellen daardoor iets over de samenleving: handel, bestuur, geloof en dagelijks wonen liggen hier letterlijk op loopafstand van elkaar.

Kornelis Bobbeldijk is molenmaker én huiseigenaar

In de Kerkstraat treffen we Kornelis Bobbeldijk. Hij is molenmaker, maar bezit ook het huidige Kerkstraat 12. Op 23 april 1823 kocht hij het pand van de hervormde predikant Lodewijk ten Bokkel. Bobbeldijk verhuurt het huis. Juist dit pand wordt door lokaal historisch onderzoek genoemd als de vermoedelijke woning van de Lutherse predikant F.J. Domela Nieuwenhuis tussen 1834 en 1837, al ontbreekt definitief bewijs. Bobbeldijk laat daarmee zien hoe klein de maatschappelijke wereld is. Dezelfde man kan ambachtsman, eigenaar en verhuurder zijn. Een predikantsgezin kan wonen in een huis dat economisch verbonden is met een plaatselijke vakman die elders met zijn handen zijn brood verdient.

Niet iedereen staat aan het water

Achter de opvallende visserij bestaat een hele stedelijke economie. Bakkers moeten brood leveren, slagers vlees verwerken, winkeliers verkopen dagelijkse benodigdheden, voerlieden brengen goederen verder over land en dienstboden werken in huishoudens. Er zijn timmerlieden, smeden en andere ambachtslieden nodig om huizen en gereedschappen te onderhouden. Niet van al deze beroepsbeoefenaars hebben we voor 1834 al een betrouwbare naam gevonden; die vullen we niet zelf in. Maar juist hun aanwezigheid maakt duidelijk dat Monnickendam meer is dan een vissershaven. Vis vormt het herkenbare economische gezicht van de stad. Daarachter draait een kleine samenleving waarin vrijwel ieder huishouden afhankelijk is van werk, klanten, handel of bezit.

Rijkdom en afhankelijkheid liggen dicht bij elkaar

De verschillen zijn zichtbaar. Tijmon Kater kan grond kopen en ruim wonen. Een knecht of dagloner bezit veel minder zekerheid. Een predikant geniet opleiding en maatschappelijk aanzien; een dienstbode werkt in het huishouden van een ander. Toch wonen zij niet in werelden die kilometers van elkaar verwijderd liggen. Zij lopen door dezelfde straten en passeren dezelfde haven, Waag en kerken. Wie ondersteuning nodig heeft, blijft eveneens zichtbaar. Familie, kerk en plaatselijke instellingen vormen belangrijke vangnetten. Dat kan bescherming geven, maar ook afhankelijkheid. In Monnickendam bestaat weinig ruimte om volledig in de massa te verdwijnen. Dezelfde gemeenschap die weet wie succesvol is, weet vaak ook welk huishouden het moeilijk heeft.

6 juli 1834 komt een nieuwe predikant

Op zondag 6 juli 1834 verschijnt in deze werkende stad een nieuwe Lutherse predikant: Ferdinand Jacob Domela Nieuwenhuis. Zijn voorganger George Carolus Egidus Richener, die sinds 1830 in Monnickendam stond, is naar Utrecht vertrokken. Domela komt dus niet terecht in een verstild decor van oude gevels. Wanneer hij door de stad loopt, liggen er schepen in de haven, wordt vis verwerkt, slaat een scheepstimmerman zijn gereedschap in het hout en beweegt Maria Reigers tussen de huizen. Tijmon Kater werkt aan waterwerken en Kornelis Bobbeldijk verdient als molenmaker zijn brood. Tussen al die mensen krijgt Domela één duidelijke plaats: de kansel van de Lutherse gemeente.

Deel 2 — F.J. Domela Nieuwenhuis tussen de Monnickendammers

Zondag 6 juli 1834

Op 6 juli 1834 begint Ferdinand Jacob Domela Nieuwenhuis zijn ambt als Evangelisch-Luthers predikant in Monnickendam. Hij is zesentwintig jaar oud. Buiten klinkt de havenstad; binnen wacht een gemeente met bijna twee eeuwen geschiedenis. Zijn werkplek is de Lutherse kerk, maar zijn werk houdt niet bij de kerkdeur op. Een predikant komt in aanraking met geboorte, huwelijk, geloofsonderwijs, ziekte, ondersteuning en overlijden. Wanneer Domela na een dienst de straat weer opstapt, loopt hij tussen mensen die hun inkomen verdienen aan vis, schepen, winkels en ambachten. Dat is zijn eerste gemeente: geen theologisch begrip, maar een kleine stad waarvan veel inwoners elkaar bij gezicht of naam kennen.

Henriette Frances Berry komt mee

Domela arriveert niet alleen. Zijn vrouw Henriette Frances Berry deelt zijn Monnickendamse jaren. In juli 1834 worden beiden in het Lutherse lidmatenregister vermeld als afkomstig uit Amsterdam. Voor Henriette betekent de verhuizing eveneens dat zij in een kleine, zichtbare gemeenschap terechtkomt. Een predikantsvrouw bekleedt geen predikantsambt, maar haar huishouden staat wel in de belangstelling. Over haar dagelijkse werkzaamheden in Monnickendam vertellen de gevonden bronnen nauwelijks iets; die stilte moeten we respecteren. We weten dus niet welke winkels zij bezocht of met welke vrouwen zij dagelijks sprak. Wel weten we dat zij hier woont, hier een gezin vormt en dat Monnickendam binnen twee jaar de geboorteplaats van een van haar kinderen wordt.

Misschien liep Domela vanuit Kerkstraat 12

Het vermoedelijke woonhuis maakt zijn dagelijkse wereld tastbaar. Lokaal onderzoek wijst naar het huidige Kerkstraat 12, eigendom van molenmaker Kornelis Bobbeldijk. Die had het pand op 23 april 1823 gekocht van Lodewijk ten Bokkel, hervormd predikant. Het huis werd verhuurd en de beschikbare gegevens passen bij bewoning door Domela tussen 1834 en 1837, maar een doorslaggevend huurcontract is niet gevonden. We moeten daarom blijven schrijven: waarschijnlijk. Als de reconstructie klopt, hoeft Domela maar de deur uit te stappen om midden in de kleine stad te staan. Kerk, woningen, winkels en werkplaatsen liggen dichtbij. De haven is nooit ver weg.

De gemeente bestaat uit werkende huishoudens

Domela preekt niet voor een verzameling namen zonder dagelijks bestaan. Achter zijn gemeenteleden zitten huishoudens die geld moeten verdienen, kinderen grootbrengen en voedsel kopen. Sommigen hebben bezit, anderen zijn afhankelijk van loon of ondersteuning. In de havenstad kunnen inkomsten direct of indirect samenhangen met visserij, scheepvaart, ambacht en handel. We kunnen nog niet iedere Lutheraan uit 1834–1837 betrouwbaar aan een specifiek beroep koppelen en moeten daarom geen fictieve visser in Domela's kerkbank zetten. Maar de maatschappelijke omgeving is duidelijk. Wanneer een vangst tegenvalt of een schip niet kan varen, blijft dat niet noodzakelijk aan de haven. Minder inkomsten kunnen uiteindelijk ook achter de voordeur van een gezin voelbaar worden.

Op de kansel staat een jonge predikant

De kerk waarin Domela spreekt heeft al een eigen geschiedenis. De gemeente bestaat sinds de zeventiende eeuw; de preekstoel en het in 1782 voltooide orgel dateren van vóór zijn geboorte. Op zondag kijkt hij vanaf de kansel naar mensen die hij in deze kleine gemeenschap opnieuw kan ontmoeten. Dat maakt zijn positie anders dan die van een predikant die opgaat in een enorme stad. Zijn woorden worden gesproken binnen een netwerk van families en bekenden. Tegelijk moeten we hem niet groter maken dan hij in deze jaren is. Domela hervormt Monnickendam niet. Hij staat aan het begin van zijn loopbaan en neemt een bestaande functie over. Juist die bescheiden rol maakt het latere contrast met zijn beroemde zoon interessant.

Op maandag slaan de hamers weer

Na de zondag keert de gewone arbeid terug. Dirk van Otegem werkt als scheepstimmerman. Bij de visverwerking wordt gestookt en gerookt. Schippers bewegen hun vaartuigen over het water en ambachtslieden onderhouden wat voor die scheepvaart nodig is. Tijmon Kater heeft juist rond Domela's komst zijn moddermolen bij Monnickendam in gebruik. De predikant staat buiten die productieketen, maar leeft er middenin. Hij hoeft geen hamer vast te houden om te weten dat de stad van arbeid afhankelijk is. Vanuit zijn positie ziet hij bovendien een bredere samenleving: succesvolle bezitters, zelfstandige ambachtslieden, knechten, dienstboden en mensen die ondersteuning nodig hebben. De kerk brengt maatschappelijke lagen bijeen zonder de verschillen tussen hen op te heffen.

Maria Reigers kent andere huizen

Ook Maria Reigers werkt in dezelfde stad. Sinds 1830 is zij de enige officiële stadsvroedvrouw. Waar Domela mensen bij doop, huwelijk of overlijden vanuit zijn ambt ontmoet, komt Reigers letterlijk bij gezinnen over de vloer wanneer een kind wordt geboren. Haar jaarlijkse stedelijke vergoeding bedraagt 250 gulden. De twee beroepen zijn heel verschillend, maar raken dezelfde levensloop. Een kind komt ter wereld met hulp van een vroedvrouw en wordt vervolgens opgenomen in gezin, burgerlijke administratie en, afhankelijk van het gezin, een geloofsgemeenschap. In het kleine Monnickendam zijn zulke functies bovendien herkenbaar. De vroedvrouw en predikant zijn geen naamloze vertegenwoordigers van grote instellingen; inwoners weten wie zij zijn.

De dominee staat maatschappelijk hoger dan een knecht

Domela's ambt geeft hem status. Hij heeft een theologische opleiding gevolgd en behoort tot een ontwikkeld burgerlijk milieu. Daarmee staat hij economisch en maatschappelijk anders in Monnickendam dan een dagloner, knecht of dienstbode. Precieze gegevens over zijn Monnickendamse traktement hebben de gebruikte bronnen nog niet opgeleverd, zodat we geen inkomen verzinnen. Maar het verschil in maatschappelijke positie is duidelijk genoeg. Dat wordt later essentieel. De zoon die uit dit gezin voortkomt en uiteindelijk een landelijke arbeidersvoorman wordt, is zelf geen arbeiderszoon. Zijn vader vertegenwoordigt juist een gevestigde kerkelijke en burgerlijke wereld. In Monnickendam zien we die wereld nog in haar kleinschaligste vorm.

19 februari 1836 wordt Jacob geboren

Op 19 februari 1836 gebeurt achter een van de Monnickendamse gevels iets dat de familie blijvend aan de stad verbindt. Jacob Domela Nieuwenhuis wordt geboren, zoon van Ferdinand Jacob en Henriette Frances Berry. Het is nadrukkelijk niet Ferdinand, de latere socialist; die wordt pas tien jaar later in Amsterdam geboren. Jacob maakt duidelijk dat Monnickendam voor het echtpaar geen plaats is waar vader alleen zijn ambt uitoefent. Het gezin leeft hier werkelijk. Henriette doorloopt hier een zwangerschap en krijgt hier een kind. Buiten gaan ondertussen de visvangst, scheepvaart en ambachten gewoon door. Een familiegebeurtenis voltrekt zich binnen het ritme van dezelfde kleine werkende stad.

Geloof betekent ook zorg

Wanneer een huishouden door ziekte, overlijden of gebrek aan inkomsten in moeilijkheden komt, bestaat nog geen nationale verzorgingsstaat die automatisch opvang biedt. Familie, stad en kerkgenootschappen spelen een grote rol. De Lutherse gemeente beschikt sinds 1810 over een eigen Weesfonds. Domela treedt dus binnen in een kerk waarin geloof en sociale verantwoordelijkheid naast elkaar bestaan. Dat maakt hem echter nog niet tot een negentiende-eeuwse sociale hervormer. Daarvoor hebben we geen bewijs. Zijn rol is die van een predikant binnen een bestaand kerkelijk zorgsysteem. Het verschil met zijn latere zoon wordt daardoor juist scherper: vader werkt binnen plaatselijke christelijke liefdadigheid; Ferdinand zal later vragen stellen over de maatschappelijke structuren die armoede voortbrengen.

30 april 1837 gaat de deur achter hem dicht

Op 30 april 1837 eindigt Domela's Monnickendamse predikantschap. Na bijna drie jaar vertrekt hij naar Utrecht. Hij laat een stad achter waarin zijn zoon Jacob is geboren en waarin zijn eerste predikantsjaren zich hebben afgespeeld. Aan de haven verandert daardoor weinig. Schepen moeten blijven varen, vis moet worden verwerkt en Dirk van Otegem moet zijn brood blijven verdienen als scheepstimmerman. Maria Reigers blijft bevallingen begeleiden en Kornelis Bobbeldijk blijft molenmaker en huiseigenaar. Dat is precies de bescheidenheid die we in dit deel nodig hebben: Domela vertrekt, maar Monnickendam draait door. De hoofdpersoon was drie jaar onderdeel van de stad; de stad was nooit afhankelijk van hem.

22 juli 1837 staat een ander op de kansel

Nog geen drie maanden later, op 22 juli 1837, treedt Caspar Diederick Viehoff als nieuwe Lutherse predikant aan. Dezelfde kerk krijgt een andere voorganger. Dezelfde haven blijft vol arbeid. Dezelfde straten verbinden huizen, winkels, werkplaatsen en kerken. Daarmee eindigt Deel 2 waar Deel 3 begint. Want achter Domela stond al die tijd een gemeenschap die ouder en duurzamer was dan zijn eigen verblijf. Om de wereld van de vader werkelijk te begrijpen, moeten we daarom niet onmiddellijk met hem naar Utrecht vertrekken. We blijven nog twee delen in Monnickendam: eerst tussen de Lutheranen van geboorte tot graf, daarna tussen vissers, boten, ambachtslieden, vroedvrouw, bestuurders en gezinnen tijdens een gewone werkdag.

Deel 1 — Monnickendam, een kleine wereld aan de Zuiderzee

In 32 bokkinghangen brandt het vuur

Het is 1834. In de vroege ochtend komen vissersvaartuigen over de Gouwzee naar de haven van Monnickendam. De haring wordt aan wal gebracht, verkocht en naar de bokkinghangen gedragen. Een plaatselijke opgave noemt 32 van zulke hangen en meer dan vijftig huishoudens die van deze bedrijfstak afhankelijk zijn. Daar branden de vuren en hangt de vis boven de rook. Ook de stad verdient aan de vangst. De verpachting van de haringafslag brengt jaarlijks ongeveer 1.000 tot 1.600 gulden op. Boven de huizen steken de Speeltoren en de Grote Kerk uit. Tussen de gevels trekt de rook van de haring.

Dirk van Otegem werkt op de scheepswerf

Op een Monnickendamse werf werkt Dirk van Otegem. In 1833 staat hij geregistreerd als scheepstimmerman. Houten vissersvaartuigen worden hier onderhouden en hersteld. Versleten huidplanken moeten worden verwijderd, nieuw hout wordt op maat gebracht en beschadigde delen worden vervangen. Tijdens het haringseizoen kunnen de plaatselijke scheepswerven ongeveer veertig mannen werk geven. Aan dezelfde vaartuigen vragen ook ijzerwerk, zeilen en touwwerk onderhoud. Dirk is sinds 7 juni 1829 getrouwd met Trijntje Scholten. Na zijn werk op de werf keert hij terug naar het huishouden dat zij samen in Monnickendam hebben opgebouwd.

In maart 1833 wordt bij Dirk een tweeling geboren

Op 20 maart 1833 begint bij Trijntje Scholten een bevalling. Maria Reigers wordt erbij gehaald. Zij is sinds 1830 stadsvroedvrouw van Monnickendam en ontvangt daarvoor ieder kwartaal 62 gulden en 50 cent, samen 250 gulden per jaar. Kort voor middernacht wordt dochter Trijntje geboren. Een halfuur later, inmiddels 21 maart, volgt Aaltje. Het tweede meisje sterft al op 22 maart. Trijntje overlijdt op 12 juni, nog geen drie maanden oud. Maria Reigers blijft daarna als vroedvrouw werkzaam. Tot haar overlijden op 27 januari 1856 wordt zij in Monnickendam bij bevallingen geroepen.

In februari 1825 stroomt Waterland vol

Negen jaar eerder is het water zelf de stad binnengedrongen. In de nacht van 4 op 5 februari 1825 bezwijkt tussen Schellingwoude en Durgerdam een stenen beer in de dijk. Het Zuiderzeewater stroomt Waterland binnen en bereikt Monnickendam. Bijna de hele stad komt onder water te staan. Alleen een gedeelte van de Kerkstraat en een klein stuk van het Noordeinde blijven droog. Honderden inwoners worden met schuitjes, pramen en andere vaartuigen naar deze hogere delen gebracht. Huizen, straten en erven staan in het water. Dezelfde Gouwzee waarvan vissers en schippers leven, heeft Monnickendam in één nacht van buitenaf bereikt.

Willem I wil de kust na de ramp veranderen

De overstroming krijgt gevolgen die tot in Den Haag reiken. Koning Willem I besluit in april 1825 een groot waterbouwkundig plan uit te voeren. Door een dam in het IJ en een kanaal door Waterland moet de kustlijn van de Zuiderzee ongeveer 68 kilometer korter worden. In het ontwerp komt een kanaal van ongeveer 70 Nederlandse ellen breed, circa 48 meter. Marken moet met rijzendammen aan het vasteland worden verbonden. Voor Monnickendam dreigt daarmee iets anders: de vrije verbinding tussen haven en Zuiderzee kan verdwijnen. De vissersstad die net door het water is getroffen, dreigt nu door waterbouwkundige werken van datzelfde water te worden afgesneden.

Op 3 september 1825 schrijft Monnickendam aan de koning

Op 27 augustus krijgt de gemeenteraad te horen wat het ontwerp voor Monnickendam betekent. De toegang tot zee zou afhankelijk worden van een sluis in de nieuwe leidijk. Op zaterdag 3 september besluit de raad onmiddellijk een rekest aan koning Willem I te sturen. Twee dagen later ligt het concept klaar. Het stadsbestuur wijst op de vissers die tijdens haring- en ansjovistijd met hun vangst naar de markt moeten kunnen varen. Ook de scheepvaart wordt genoemd. Monnickendam vreest dat zijn voornaamste bronnen van bestaan worden afgesneden. Een waterbouwkundig plan uit Den Haag is daarmee ineens een plaatselijke strijd om haven, vis en werk.

Tijmon Kater haalt modder uit de vaarweg

De bestaande vaarweg heeft ondertussen voortdurend onderhoud nodig. Tussen 1828 en 1834 wordt bij Monnickendam een door Tijmon Kater bedachte moddermolen gebruikt om bagger te verwijderen. Kater wordt tussen 1822 en 1829 aangeduid als aannemer van publieke of rijkswerken. Tegelijk breidt hij zijn bezit uit. Tussen 1822 en 1833 koopt hij grond en vanaf 1825 woont hij ruim bij de Nieuwe Zijds Burgwal. Later krijgt hij een plaats in de gemeenteraad. Terwijl Den Haag plannen maakt voor grote kanalen en dammen, wordt bij Monnickendam zelf met een machine gewerkt om de bestaande toegang voor schepen bruikbaar te houden.

Vanaf de haven gaat de vracht naar de Waag

Vanaf de haven rijdt vracht verder de stad in. Bij de Waag worden handelswaren gewogen. Vlakbij verheft de Speeltoren zich boven de huizen. Verderop bevindt zich het raadhuis, waar het stadsbestuur vergadert. De Grote of Sint-Nicolaaskerk staat aan de rand van de oude bebouwing. Noordeinde, Zuideinde en Kerkstraat lopen door een stad waarin woningen, herbergen en werkplaatsen dicht bij elkaar staan. Paarden, wagens, handkarren en voetgangers gebruiken dezelfde straten. Vanaf de haven zijn de Waag, het raadhuis en de kerken te voet bereikbaar. Binnen enkele minuten loopt een schipper van zijn vaartuig naar het hart van Monnickendam.

Kornelis Bobbeldijk bezit Kerkstraat 12

Op 23 april 1823 verandert een huis in de Kerkstraat van eigenaar. Molenmaker Kornelis Bobbeldijk koopt het pand van Lodewijk ten Bokkel, predikant van de Hervormde gemeente. Bobbeldijk verhuurt het huis. Het huidige Kerkstraat 12 geldt als de denkelijke woning van Ferdinand Jacob Domela Nieuwenhuis tijdens zijn Monnickendamse predikantschap. Wanneer Domela in 1834 naar de stad komt, is Bobbeldijk eigenaar. Juist dit deel van de Kerkstraat lag tijdens de overstroming van februari 1825 op een van de weinige hogere stukken van de stad. Negen jaar later komt hier mogelijk het jonge Lutherse predikantsgezin te wonen.

De bakker heeft zijn oven al warm

Niet iedere werkdag begint aan het water. De bakker heeft zijn oven vroeg opgestookt om brood te bakken. Slagers verwerken vlees en kleermakers en naaisters maken of herstellen kleding. Een voerman spant zijn paard voor de wagen en brengt goederen verder. In herbergen krijgen inwoners, schippers en reizigers drank en maaltijden. Achter andere gevels wordt water gehaald, turf naar het vuur gebracht, gekookt, gewassen en schoongemaakt. Dienstboden verrichten een deel van dat werk in huishoudens die personeel in dienst hebben. Terwijl aan de Gouwzee de vis van boord komt, zijn in de straten en huizen andere Monnickendammers al aan het werk.

Op 6 juli 1834 komt een nieuwe predikant

Op zondag 6 juli 1834 loopt Ferdinand Jacob Domela Nieuwenhuis de Lutherse kerk binnen. Hij is zesentwintig jaar oud en dit wordt zijn eerste eigen gemeente. Zijn vader bevestigt hem die dag als Evangelisch-Luthers predikant. Domela heeft voor zijn eerste preek in Monnickendam een tekst uit de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs gekozen: hoofdstuk 5, vers 20. Hij verbindt zich aan de gemeente als een gezant van Christus. De kerkenraad zit in de eigen bank. Het orgel uit 1782 begeleidt de gemeentezang. Buiten wachten het Zuideinde, de haven en de kleine stad waarin hij nu predikant is.

Deel 2 — F.J. Domela Nieuwenhuis tussen de Monnickendammers

Henriette Frances Berry komt mee uit Amsterdam

Ferdinand Jacob verhuist niet alleen naar Monnickendam. Zijn vrouw Henriette Frances Berry komt met hem mee. In juli 1834 worden beiden in het Lutherse lidmatenregister ingeschreven met Amsterdam als plaats van herkomst. Ferdinand is kort daarvoor kerkelijk met Henriette getrouwd. Voor hem volgen in enkele maanden zijn huwelijk, inzegening tot het predikambt en zijn bevestiging in Monnickendam. Kerkstraat, Zuideinde, Noordeinde, Waag en haven liggen binnen een klein stedelijk gebied. Vanuit hun denkelijke woning aan de Kerkstraat kan Ferdinand zijn kerk te voet bereiken. Hier begint het echtpaar aan zijn eerste jaren als predikantsgezin.

Domela komt als doctor in de godgeleerdheid

De nieuwe predikant heeft zijn universitaire opleiding achter de rug. Op 27 maart 1833 promoveert Ferdinand Jacob in Leiden tot doctor in de godgeleerdheid. Zijn proefschrift behandelt zelfmoord vanuit christelijk standpunt. In 1834 verschijnt daarnaast zijn studie over de hoge feesten van de christelijke kerk, hun oorsprong en bestemming. Hij heeft in Leiden gestudeerd en daarna aan het Evangelisch-Luthers Seminarium in Amsterdam onderwijs gevolgd. Voor homiletiek, de kunst van het preken, volgt hij colleges bij Abraham des Amorie van der Hoeven. Wanneer hij in Monnickendam de kansel beklimt, brengt hij die Leidse en Amsterdamse opleiding mee.

Op zondag preekt Domela vanaf de kansel

De preekstoel waarop Domela staat, dateert uit omstreeks 1760. Op de buik ervan is de droom van Jacob uitgebeeld. Links bevindt zich de kerkenraadsbank, eveneens uit die periode. Voor Domela ligt een koperen lezenaar. De gemeente luistert naar Schriftlezing en prediking en zingt Lutherse gezangen. Boven de kerkgangers klinkt het orgel van Johann Michael Gerstenhauer. De uit Erfurt afkomstige orgelbouwer had zich in Monnickendam gevestigd en werd zelf lid van de Lutherse kerkenraad. In 1781 kreeg hij opdracht voor het instrument; een jaar later was het gereed. Domela preekt dus tussen werkstukken van vroegere Monnickendamse Lutheranen.

Op de avondmaalstafel staat zilver uit 1772

Bij de viering van het avondmaal komen andere voorwerpen uit de geschiedenis van de gemeente tevoorschijn. In 1772 kreeg de kerk een zilveren broodschaal en een zilveren wijnkan geschonken. Op het deksel van de kan staat het Lam Gods. Hetzelfde motief bevindt zich op de koperen lezenaar die in 1767 werd aangeschaft. Ook de rococo-psalmborden behoren tot deze periode. Wanneer Domela in 1834 zijn ambt begint, zijn deze voorwerpen al tientallen jaren in gebruik. Brood en wijn worden daardoor opgediend met kerkzilver dat afkomstig is uit de bloeiperiode van de Lutherse gemeente in de achttiende eeuw.

In 1835 komt een beroep uit Bodegraven

Domela staat nog maar ongeveer een jaar in Monnickendam wanneer elders belangstelling voor hem ontstaat. In 1835 ontvangt hij een beroep naar Bodegraven. Hij neemt het niet aan. De zesentwintigjarige die in juli 1834 zijn eerste gemeente heeft gekregen, blijft daardoor in Monnickendam. Op zondag blijft hij dezelfde kansel beklimmen en door de week gaat zijn werk voor de plaatselijke Lutheranen verder. Zijn keuze heeft een concreet gevolg voor de stad: het predikantschap dat gemakkelijk al na korte tijd had kunnen eindigen, duurt voort. Domela blijft tot het voorjaar van 1837 aan de gemeente verbonden.

In 1836 bestaat de Lutherse gemeente tweehonderd jaar

Tijdens Domela's predikantschap bereikt de Lutherse gemeenschap een bijzonder moment. In 1836 wordt herdacht dat het Lutherse leven in Monnickendam twee eeuwen eerder vaste vorm begon te krijgen. Domela houdt bij deze gelegenheid een feestrede. De jonge predikant staat daarmee op de kansel van een gemeente waarvan hij tegelijk het verleden begint te bestuderen. Twee eeuwen liggen tussen de eerste Lutherse bijeenkomsten en de kerkdienst waarin hij de geschiedenis herdenkt. Het kerkgebouw, de preekstoel, het zilver en het orgel zijn ondertussen tastbare onderdelen van die geschiedenis. Voor Domela wordt Monnickendam niet alleen zijn eerste gemeente, maar ook onderwerp van historisch onderzoek.

In 1836 wordt boven Domela aan het orgel gewerkt

In hetzelfde jaar verandert ook het instrument boven de gemeente. Het orgel van Johann Michael Gerstenhauer dateert uit 1782 en heeft meer dan een halve eeuw dienstgedaan. In 1836 wordt het uitgebreid door orgelbouwer L. van den Brink. Tijdens Domela's eigen predikantschap wordt dus aan het instrument gewerkt dat de zondagse gemeentezang begeleidt. De preekstoel uit omstreeks 1760 blijft staan, evenals de kerkenraadsbank, de lezenaar en het achttiende-eeuwse kerkzilver. Maar het geluid boven de kerkgangers verandert. Wanneer de werkzaamheden zijn voltooid, beschikt de kleine Lutherse kerk over een uitgebreid orgel terwijl Domela nog altijd haar predikant is.

Op 19 februari 1836 wordt Jacob geboren

Op 19 februari 1836 bevalt Henriette Frances Berry in Monnickendam van een zoon. Het kind krijgt de naam Jacob Domela Nieuwenhuis. Ferdinand staat dan ongeveer anderhalf jaar als predikant in de stad. Het huidige Kerkstraat 12 geldt als de denkelijke woning van het gezin. Wanneer die plaatsbepaling juist is, woont het gezin op het gedeelte van de Kerkstraat dat tijdens de watersnood van 1825 grotendeels droog bleef. Jacob wordt in ieder geval in Monnickendam geboren. De stad waar Ferdinand zijn eerste gemeente heeft, wordt daarmee ook de geboorteplaats van zijn zoon.

Domela schrijft vanuit Monnickendam voor een tijdschrift

Zijn studeerkamer staat niet los van de wetenschappelijke wereld buiten Monnickendam. Vanuit zijn eerste predikantsplaats onderhoudt Domela contact met geleerden in Amsterdam. Professor Rooijens moedigt hem aan voor de Godgeleerde Bijdragen te schrijven. In 1836 verschijnen van zijn hand besprekingen van werken van Georg Hermes en Karl Gottlieb Bretschneider. Over het IJ liggen Amsterdamse universiteit, seminaria, uitgevers en geleerde contacten binnen bereik. Domela kan daardoor in een kleine Zuiderzeestad predikant zijn en tegelijkertijd deelnemen aan een veel bredere theologische discussie. Pen, boeken en tijdschriften verbinden zijn werkkamer in Monnickendam met de academische wereld.

Op 30 april 1837 neemt Domela afscheid

Zondag 30 april 1837 staat Ferdinand Jacob voor het laatst als predikant van Monnickendam op de kansel. Bijna drie jaar zijn verstreken sinds zijn bevestiging. Bij zijn afscheid zegt hij dat de stad en de gemeente hem dierbaar zullen blijven. Henriette Frances Berry vertrekt met hem en hun in Monnickendam geboren zoon Jacob gaat mee. Utrecht wordt zijn nieuwe standplaats. Nog geen drie maanden later krijgt de Lutherse gemeente een opvolger. Op 22 juli 1837 treedt Caspar Diederick Viehoff aan. De kansel waarop Domela zijn eerste predikantsjaren heeft doorgebracht, krijgt opnieuw een andere stem.

Deel 3 — De Lutherse gemeente van Monnickendam

In 1636 begint de Lutherse geschiedenis

Twee eeuwen vóór Domela ontstaan in Waterland Lutherse bijeenkomsten. Pieter van Engelen, afkomstig uit Holstein, treedt in 1636 op als Lutherse lekeprediker. In 1641 wordt Herman Jung als predikant bevestigd en begint ook het oudste bewaarde doopboek. Op 17 september van dat jaar klaagt het stadsbestuur over Lutherse bijeenkomsten. De gereformeerde kerk heeft een bevoorrechte positie en de nieuwe gemeente moet voorzichtig opereren. Toch worden kinderen gedoopt. Op 1 september 1641 wordt Johannes, zoon van Hans Willick en Aeltje, ingeschreven. Hans Willick is drapenier. Werk, gezin en het nieuwe geloof komen bij hem in één naam bijeen.

Op 31 mei 1642 wordt de gemeente uit een akte geschrapt

Op 31 mei 1642 krijgt de jonge gemeente opnieuw met het stadsbestuur te maken. Bij een transportakte weigeren de schepenen de Lutherse gemeente als eigenaar te erkennen. Haar naam wordt uit de akte verwijderd en Johannes Willick komt ervoor in de plaats. De drapenier die een jaar eerder zijn zoon binnen de Lutherse gemeenschap liet dopen, staat nu zelf in de eigendomspapieren. De Lutherse bijeenkomsten verdwijnen niet. De gemeente blijft bestaan en krijgt predikanten, doopboeken en bezit. Bijna twee eeuwen later zal Domela juist deze geschiedenis onderzoeken wanneer hij de ontwikkeling van zijn eerste gemeente probeert vast te leggen.

In 1692 kiest Monnickendam zelf een predikant

De gemeente raakt in 1692 opnieuw in conflict, nu binnen de Lutherse kerk zelf. Zonder toestemming van Amsterdam benoemen de Monnickendamse Lutheranen een eigen predikant. De Lutherse Broederschap reageert door Monnickendam uit te sluiten. De gemeente sluit zich vervolgens aan bij de Christ-Broederlijke Unie, ook Haagse Unie genoemd. Wanneer die Unie in 1713 wordt opgeheven, wordt de verhouding met de Broederschap hersteld. Vier jaar later, in 1717, moet zelfs het stadsbestuur tussenbeide komen bij een intern conflict. De kleine gemeente aan de Gouwzee verdedigt dus lang vóór Domela haar eigen plaats binnen het Nederlandse Lutheranisme.

In 1782 bouwt Gerstenhauer het orgel

Johann Michael Gerstenhauer is uit Erfurt naar de Lage Landen gekomen en vestigt zich uiteindelijk in Monnickendam. Hij bouwt niet alleen orgels; hij wordt ook lid van de Lutherse kerkenraad. In 1781 geeft zijn eigen gemeente hem opdracht een nieuw instrument voor de kerk te vervaardigen. In 1782 is het gereed. De preekstoel en kerkenraadsbank zijn dan ongeveer twintig jaar oud en het zilveren avondmaalsgerei ongeveer tien jaar. Wanneer het orgel voor het eerst klinkt, heeft de kerk daarmee een groot deel van de inrichting die Domela in 1834 zal aantreffen. Gerstenhauers werk blijft boven de kansel staan.

Een conflict leidt in 1810 tot het Weesfonds

Aan het begin van de negentiende eeuw ontstaat onenigheid over de verzorging van Lutherse wezen. De Lutherse gemeente raakt met het gereformeerde weeshuis in conflict over de kosten. In 1810 nemen de Lutheranen daarom een eigen maatregel: zij stichten een Weesfonds. Voortaan beschikt de gemeente over afzonderlijke middelen voor kinderen die hun ouders verliezen. Wanneer Domela in 1834 predikant wordt, bestaat dit fonds al vierentwintig jaar. Een eigen Luthers weeshuis is er nog niet. Dat komt pas op 29 september 1849, wanneer aan het Zuideinde voor 675 gulden een huis voor de Lutherse wezen wordt aangekocht.

Bij de doop wordt de naam opgeschreven

Na de geboorte van een Luthers kind volgt de doop. Ouders brengen hun kind naar de kerk en de predikant bedient het sacrament met water. De naam wordt in het kerkelijke register geschreven, samen met gegevens over het gezin. Die handeling wordt in Monnickendam al verricht sinds de zeventiende eeuw. Wanneer Domela in 1834 de gemeente overneemt, zet hij hetzelfde predikantswerk voort. Kinderen die hij doopt, groeien op tussen dezelfde straten waarin zijn eigen zoon Jacob in 1836 wordt geboren. De doopboeken vormen ondertussen een steeds langere reeks namen van Monnickendamse Lutheranen.

Jongeren komen bij Domela voor catechisatie

Na de kinderjaren volgt voor Lutherse jongeren de catechisatie. Domela geeft onderwijs in de Bijbel en de leer van zijn kerk. Christus, geloof, genade en de sacramenten behoren tot de onderwerpen die daarbij aan bod komen. De jonge doctor treedt hier niet op als spreker voor de volledige zondagse gemeente, maar als leraar. Zijn belangstelling voor catechese zal ook in zijn latere publicaties zichtbaar blijven. In Monnickendam hoort het eenvoudig bij zijn dagelijkse predikantswerk. Jongeren die hem op zondag vanaf de kansel horen, krijgen hem door de week tegenover zich als degene die hun de Lutherse geloofsleer onderwijst.

Bij ziekte gaat Domela naar het huis

Een ernstig ziek gemeentelid kan niet naar de zondagse dienst komen. Dan gaat de predikant naar de woning. Domela bezoekt zieken als onderdeel van zijn ambt en kan bij een sterfbed geestelijke bijstand geven. De omgeving verandert dan volledig. Geen orgel, kansel en kerkenraadsbank, maar een woonvertrek waarin familieleden rond een zieke staan. Bij overlijden volgen aangifte en begrafenis. Wanneer kinderen zonder ouders achterblijven, kan het Weesfonds van de gemeente nodig worden. Zo loopt het werk van de predikant van de openbare zondagse dienst tot achter de deuren van afzonderlijke Monnickendamse huishoudens.

In 1838 wordt de kerk verbouwd

Domela is nog geen jaar weg wanneer aan zijn oude kerk wordt gewerkt. In 1838 wordt het interieur vernieuwd en krijgt het gebouw een portaalvoorbouw. Caspar Diederick Viehoff is dan predikant. Twee jaar later, in 1840, wordt voor de kerk een ijzeren hek geplaatst. Rond deze tijd telt de gemeente ongeveer 130 lidmaten en in totaal circa 230 leden. De preekstoel en doopbanken uit omstreeks 1760 blijven behouden, evenals het orgel dat in 1836 tijdens Domela's predikantschap is uitgebreid. Wie vanaf het Zuideinde naar de kerk kijkt, ziet kort na zijn vertrek dus een gebouw dat zichtbaar verandert.

Deel 4 — Leven binnen de regels van Monnickendam

Op zondag gaat Monnickendam door verschillende kerkdeuren

Wanneer op zondag de klokken klinken, gaan de inwoners niet allemaal dezelfde kerk binnen. Hervormden bezoeken de Grote of Sint-Nicolaaskerk. Lutheranen gaan naar hun kerk aan het Zuideinde. Daarnaast wonen katholieken, doopsgezinden en Joden in Monnickendam. Iedere geloofsgemeenschap kent eigen diensten en vormen van godsdienstonderwijs. Ook armenzorg en wezenzorg worden gedeeltelijk langs deze kerkelijke lijnen georganiseerd. Juist daaruit was in 1810 het conflict ontstaan dat de Lutheranen tot hun eigen Weesfonds bracht. Na de kerkdiensten komen de verschillende groepen weer in dezelfde straten terecht en gebruiken zij dezelfde haven, Waag en stedelijke voorzieningen.

Tijmon Kater koopt grond rond de stad

Tussen 1822 en 1833 koopt Tijmon Kater verschillende stukken grond. Vanaf 1825 woont hij ruim bij de Nieuwe Zijds Burgwal. Zijn bezit komt naast zijn werkzaamheden als aannemer van publieke of rijkswerken en zijn betrokkenheid bij de moddermolen. Kornelis Bobbeldijk bezit ondertussen het huidige Kerkstraat 12 en verhuurt dat pand. Elders werken knechten en dagloners voor loon. De ene inwoner verschijnt in eigendomsakten als koper van grond of huizen, een ander met zijn beroep in de burgerlijke registers. Kater krijgt later bovendien een plaats in het gemeentebestuur en beweegt daarmee van aannemer en grondbezitter naar bestuurder.

Kinderen gaan naar school en catechisatie

Monnickendamse kinderen krijgen onderwijs op school en binnen hun geloofsgemeenschap. Lutherse jongeren volgen catechisatie bij hun predikant. Tussen 1834 en 1837 behoort dat onderwijs tot het werk van Domela. Thuis wachten andere taken. Water moet worden gehaald, brandstof naar binnen gebracht en voedsel bereid. Jongens kunnen later bij een ambachtsman in de leer gaan. Meisjes kunnen huishoudelijk werk verrichten en als dienstbode bij een ander gezin terechtkomen. Voor wezen komt daar toezicht van bestuurders bij. Sinds 1810 heeft de Lutherse gemeente daarvoor haar eigen fonds; het stedelijke weeshuis kent weer eigen vaders, moeders, regenten en regels.

Op 17 juni 1840 moet Eshuis uitleg geven

Op 17 juni 1840 wordt weesmoeder mevrouw Eshuis ter verantwoording geroepen in het stedelijke weeshuis. Zij heeft het gebouw zonder toestemming verlaten en is tussen half negen en half elf 's avonds afwezig geweest. Het bestuur verlangt uitleg. Als weesmoeder draagt Eshuis verantwoordelijkheid voor de kinderen, maar ook voor haarzelf gelden voorschriften. De regenten houden toezicht op de gang van zaken en kunnen ingrijpen wanneer regels worden overtreden. De gebeurtenis speelt drie jaar nadat Domela Monnickendam heeft verlaten. Het systeem van zorg waarin predikanten, kerkbesturen en stedelijke regenten optreden, bestaat echter nog steeds.

Harmen de Jong en Willem Zonneberg worden gestraft

In november 1840 komen twee jongens uit het weeshuis voor het bestuur. Harmen de Jong en Willem Zonneberg hebben geld uit een collecteschaal achtergehouden. Hun straf is zwaar. Zij krijgen een week opsluiting met een blok aan het been en daarna huisarrest. Het geld behoort niet aan hen en het bestuur treedt streng op. De twee jongens krijgen voedsel, onderdak en opvoeding binnen dezelfde instelling die hen nu straft. Voor Harmen en Willem wordt het toezicht in november 1840 lichamelijk merkbaar. Achter de gevel van het weeshuis bestaan niet alleen verzorging en godsdienstonderwijs, maar ook tucht en gehoorzaamheid.

Op 29 maart 1841 ontstaat ruzie over geloof

Op 29 maart 1841 verschijnt mevrouw Eshuis opnieuw in de stukken van het weeshuis. Nu ontstaat een conflict met ds. Begeman over haar godsdienstige opvattingen. De predikant is betrokken bij de godsdienstige opvoeding binnen het huis en het meningsverschil bereikt het bestuur. Eshuis verzorgt de wezen dagelijks, terwijl de predikant toeziet op een ander onderdeel van hun opvoeding. Binnen hetzelfde gebouw komen daardoor bestuur, verzorging, geloof en tucht bij elkaar. De kinderen wonen niet alleen onder een dak dat door regenten wordt beheerd; ook hun godsdienstige vorming valt binnen het toezicht van volwassenen die daarover onderling kunnen botsen.

Domela begint zijn eerste gemeente op papier terug te zoeken

Na zijn vertrek verdwijnt Monnickendam niet uit Domela's werk. Vanaf 1839 verschijnen de Bijdragen tot de geschiedenis der Evangelisch-Luthersche Kerk in de Nederlanden, waaraan hij intensief meewerkt. In het vijfde deel, verschenen in 1844, behandelt hij ook Monnickendam, zijn eerste gemeente. Hij schrijft daarnaast over Edam en Purmerend, waarvan de Lutherse geschiedenis met die van Monnickendam verbonden is. De man die hier van 1834 tot 1837 doopboeken, kerkstukken en gemeenteleden voor zijn dagelijkse ambt gebruikte, keert nu als geschiedschrijver naar dezelfde plaats terug. Monnickendam wordt onderwerp van zijn onderzoek naar de Nederlandse Lutherse geschiedenis.

Op 31 december 1846 wordt Ferdinand geboren

Het gezin woont inmiddels in Amsterdam. Daar bevalt Henriette Frances Berry op 31 december 1846 van een zoon: Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Zijn oudere broer Jacob is op 19 februari 1836 in Monnickendam geboren; Ferdinand niet. Wanneer hij ter wereld komt, ligt het Monnickendamse predikantschap van zijn vader bijna tien jaar achter het gezin. Ferdinand Jacob heeft inmiddels Monnickendam en Utrecht als standplaatsen gehad en heeft over de geschiedenis van zijn eerste gemeente gepubliceerd. Voor de pasgeboren Ferdinand begint het leven niet tussen Gouwzee, bokkinghangen en korte straten, maar in Amsterdam. De schaal van zijn wereld is vanaf het begin een andere.

Deel 5 — Amsterdam achter de mooie gevels, 1837–1846

30 april 1837 — de vislucht blijft achter

Op 30 april 1837 neemt F.J. Domela Nieuwenhuis afscheid van Monnickendam. Achter hem blijven de Gouwzee, de vissersvaartuigen, de bokkinghangen en de werven waar scheepstimmerlieden hun hamers laten klinken. Maria Reigers blijft naar bevallingen lopen en Kornelis Bobbeldijk blijft molenmaker. Domela vertrekt met Henriette Frances Berry en hun gezin naar Utrecht. Hun in Monnickendam geboren zoon Jacob is nog maar één jaar oud. Vader gaat naar een grotere Lutherse gemeente. Hij laat een kleine wereld achter waarin kerk, haven, werkplaats en woning dicht bij elkaar liggen. In de negen jaren die volgen wordt niet alleen zijn eigen wereld groter. Nederland begint zelf anders te bewegen, te werken en vooral anders te denken.

20 september 1839 — ineens beweegt iets zonder paard of wind

Aan de rand van Amsterdam ontsnapt stoom. Metaal beweegt en een locomotief trekt rijtuigen richting Haarlem. Op 20 september 1839 wordt de eerste Nederlandse spoorlijn feestelijk geopend. Een paar dagen later kunnen gewone reizigers mee. Voor mensen die gewend zijn aan trekschuit, diligence, paard en zeilschip is het een vreemd gezicht. Op de Zuiderzee blijven vissers ondertussen hun zeilen naar de wind zetten. De oude wereld verdwijnt niet; er komt een nieuwe naast te liggen. Vanaf 1843 zijn ook Amsterdam en Utrecht per spoor verbonden. Afstanden worden korter, nieuws en mensen kunnen sneller reizen. Vooruitgang krijgt het geluid van ontsnappende stoom en ijzeren wielen. Maar niet iedere Nederlander gaat even snel vooruit.

In Hoenderloo zoekt Heldring eerst naar water

In dezelfde jaren loopt predikant Ottho Gerhard Heldring over de Veluwe. In 1839 komt hij in Hoenderloo, waar mensen in armelijke omstandigheden wonen en goed drinkwater ontbreekt. Kinderen moeten voor onderwijs naar Beekbergen en zandverstuivingen kunnen zelfs die tocht bemoeilijken. Heldring schrijft erover en vraagt hulp. Er wordt een put gegraven; later komt er een school. Zijn antwoord komt rechtstreeks uit zijn christelijke overtuiging: geloof moet zichtbaar worden in handelen. Maar tijdens zijn werk dringt een moeilijker vraag zich op. Als een arm gezin vandaag geholpen wordt, hoe voorkomt men dan dat het morgen opnieuw afhankelijk is? In 1844 schrijft Heldring al over het tegengaan van armoede door mensen in staat te stellen hun eigen brood te verdienen.

De regels van het land bewegen veel langzamer

Ook Johan Rudolf Thorbecke vindt dat een bestaande wereld niet vanzelfsprekend moet blijven zoals zij is. Zijn terrein is niet het arme gezin, maar de Nederlandse staat. Op 10 december 1844 dient hij met acht andere Tweede Kamerleden een voorstel tot grondwetsherziening in. Zij willen onder meer ministeriële verantwoordelijkheid en rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer, nog altijd binnen een beperkt kiesstelsel. De weerstand is groot. Sommigen vinden zulke rechtstreekse verkiezingen gevaarlijk; anderen menen dat het initiatief tot verandering bij de koning hoort. Op 30 mei 1845 stemt de Kamer met 34 tegen 21 tegen verdere behandeling. Thorbecke verliest deze ronde. Maar de vraag is eenmaal gesteld: moeten oude regels blijven bestaan alleen omdat men eraan gewend is?

1845 — vader Domela gaat omhoog

Juist in dat jaar verandert het leven van F.J. Domela Nieuwenhuis. Hij verlaat Utrecht en verhuist met zijn gezin naar Amsterdam. Op 25 september 1845 staat hij voor een geleerd gehoor en houdt zijn inaugurele rede als gewoon hoogleraar aan het Evangelisch-Luthers Seminarium. Zijn onderwerp is de verandering die de Lutherse kerk in Nederland door de geschiedenis heeft doorgemaakt. De jonge predikant die in 1834 zijn eerste gemeente tussen de vissers en ambachtslieden van Monnickendam kreeg, is professor geworden. Zijn gezin beschikt over iets wat in de komende maanden van grote betekenis zal blijken: zekerheid. Een ambt, opleiding, maatschappelijke positie en een netwerk beschermen tegen tegenslag. Niet iedere Amsterdammer bezit zo'n bescherming.

Amsterdam komt door oren en neus tegelijk binnen

Buiten ratelen karren over de stenen. Paarden trekken vracht en laten mest achter. Aan de kades worden schepen gelost en sjouwers dragen goederen naar pakhuizen. Er wordt geroepen, gezaagd, getimmerd en verkocht. Uit werkplaatsen komt rook. Huishoudelijk vuil en bedrijfsafval moeten ergens blijven en veel ervan belandt uiteindelijk in een stad die nog geen moderne riolering kent. De grachten zijn tegelijk verkeersaders en verzamelplaatsen van vuil. De vislucht die in Monnickendam zo herkenbaar bij haven en bokkinghangen hoorde, verdwijnt hier tussen tientallen andere geuren. Amsterdam leeft harder, voller en anoniemer. Een man kan hier iedere ochtend honderden gezichten passeren zonder één naam te kennen.

Achter een hoog raam wordt het ontbijt klaargezet

Toch kan dezelfde stad schitteren. Langs de grote grachten staan huizen waarin ruimte zelf een vorm van rijkdom is. Een dienstbode maakt het vuur aan. In de keuken wordt eten klaargezet. Wie ziek wordt, kan een arts laten komen. Wie tijdelijk minder verdient, hoeft niet onmiddellijk zijn laatste brood te kopen. Ook binnen de burgerij bestaan grote verschillen, maar vader Domela bevindt zich duidelijk aan de beschermde kant. Hij is geen schatrijke koopman, maar wel predikant en hoogleraar. In zijn gezin zijn boeken, studie en onderwijs vanzelfsprekend. Zijn kinderen zullen niet iedere ochtend hoeven afwachten of hun vader die dag wordt aangenomen voor werk.

Een paar straten verder slaapt een gezin in één kamer

Daar kan dezelfde ochtend anders beginnen. Vader, moeder en kinderen worden wakker in een vertrek waarin ook wordt gegeten, gekookt en soms gewerkt. Een betere woning kost geld. Brandstof kost geld. Goed voedsel kost geld. Wanneer de kostwinner ziek wordt, kan bovendien het loon verdwijnen. Dan wordt minder eten gekocht. Minder eten maakt het lichaam kwetsbaarder. Ziekte kan vervolgens opnieuw verhinderen dat er gewerkt wordt. De cirkel sluit zich. De Amsterdammer met bezit kan afstand kopen van een deel van deze ellende. De arbeider die vooral zijn arbeidskracht bezit, kan dat nauwelijks. Rijk en arm wonen niet noodzakelijk aan verschillende uiteinden van Nederland. Soms liggen slechts enkele straten tussen hun voordeuren.

Samuel Sarphati gaat door zo'n voordeur naar binnen

Samuel Sarphati kent die andere stad niet alleen van voorbijgaan. Als armenarts komt hij bij behoeftige patiënten. Hij onderzoekt een lichaam, maar ziet tegelijkertijd de kamer eromheen. Wanneer slechte voeding, gebrekkige hygiëne en armoede telkens terugkeren, wordt het moeilijk ziekte alleen als het probleem van één patiënt te behandelen. Sarphati begint daarom op andere terreinen te werken. In 1842 neemt hij het initiatief tot een beroepsvereniging voor apothekers. In 1843 probeert hij een bewaarschool op te richten voor kinderen van ouders die buitenshuis werken. In 1846 sticht hij in de Warmoesstraat de eerste handels- en nijverheidsschool van Amsterdam. De arts probeert niet alleen mensen te genezen. Hij begint ook hun omgeving te veranderen.

Dan wordt de aardappel zwart

In 1845 bereikt een ramp de Nederlandse akkers. De aardappelziekte tast de oogst aan. Het onderwerp beheerst volgens een tijdschrift uit datzelfde jaar maandenlang gesprekken op straat, onderzoek in studeerkamers en overleg bij overheid en gemeentebesturen. Er verschijnen brochures met titels die de angst verraden: over aardappelnood, hongersnood en zelfs mogelijk oproer. In 1846 valt bovendien de roggeoogst slecht uit en stijgen voedselprijzen sterk. Er wordt armenbrood van onder meer boekweit en paardenbonen gebakken. Een rijk gezin betaalt meer voor het avondeten. Een arm gezin legt minder op het bord. Dezelfde crisis komt door twee voordeuren totaal verschillend binnen.

Heldring kijkt nu anders naar de arme

Voor Heldring wordt die nood aanleiding opnieuw te schrijven. In 1845 verschijnt zijn brochure over wat er in de aardappelnood moet gebeuren. In 1846 schrijft hij over armoede, arbeid en de hoge broodprijs. Opvallend is dat hij zich verzet tegen het gemakkelijke verwijt dat armen hun ellende vooral aan drankzucht of gebrek aan zuinigheid zouden danken. Hij ziet gezinnen die hard werken en toch in moeilijkheden raken. Zijn oplossing blijft nadrukkelijk christelijk en verschilt sterk van het socialisme dat later zal ontstaan. Maar zijn blik is belangrijk: niet iedere arme kan eenvoudig verantwoordelijk worden gesteld voor zijn eigen armoede. Wie de nood wil bestrijden, moet ook naar arbeid en bestaansmogelijkheden kijken.

Een aalmoes vult een maag, maar beantwoordt niet iedere vraag

Dat maakt de traditionele armenzorg niet waardeloos. Een brood, turf of geldbedrag kan voor een gezin onmiddellijk noodzakelijk zijn. Vader Domela kent vanuit de Lutherse kerk juist die plicht tegenover behoeftigen. Maar de grote stad maakt iets zichtbaar wat in Monnickendam gemakkelijker persoonlijk kon blijven. Wanneer steeds opnieuw grote groepen mensen ondersteuning nodig hebben, wordt het moeilijker alleen naar afzonderlijke armen te kijken. Waarom staat hetzelfde gezin volgende winter opnieuw aan de deur? Waarom kan een man die werkt toch nauwelijks sparen? Waarom betekent enkele dagen ziekte voor het ene huishouden ongemak en voor het andere honger? Langzaam verschuift de vraag van wie moeten wij helpen? naar waarom hebben zoveel mensen hulp nodig?

Ook het woord arbeider krijgt meer gewicht

Aan de kade staat een sjouwer. Op een werf werkt een timmerman. Elders zoekt een dagloner werk en in een grachtenhuis dient een dienstbode. Zij vormen in 1846 nog niet vanzelfsprekend één politieke beweging en denken niet allemaal hetzelfde. Maar velen delen iets wezenlijks: zij moeten hun arbeid verkopen om inkomen te krijgen. Wanneer het werk stopt, ontbreekt vaak het bezit dat de klap kan opvangen. Daartegenover staat een groeiende burgerlijke wereld van mensen met opleiding, bezit, beroep en maatschappelijke contacten. Het woord arbeider gaat daardoor langzaam meer betekenen dan alleen iemand die werkt. Achter het beroep wordt een maatschappelijke positie zichtbaar.

En wat betekent dan vooruitgang?

De trein rijdt inmiddels tussen Amsterdam en Utrecht. Nieuwe technieken verkorten afstanden. Sarphati denkt over onderwijs en volkswelvaart. Thorbecke wil de politieke regels veranderen. Heldring zoekt naar manieren waarop armen door arbeid minder afhankelijk kunnen worden. Tegelijk woont een gezin nog altijd in één vochtige kamer en kan een mislukte aardappeloogst het dagelijkse bestaan ontwrichten. Dan ontstaat bijna vanzelf een nieuwe vraag: vooruitgang voor wie? Een land kan spoorwegen bouwen zonder dat honger verdwijnt. Een stad kan handel en rijkdom bezitten terwijl bewoners nauwelijks voldoende eten hebben. Technische vooruitgang blijkt niet automatisch maatschappelijke vooruitgang te zijn.

Vader en zoon zullen niet hetzelfde antwoord geven

F.J. Domela Nieuwenhuis staat midden in deze veranderende wereld, maar zijn antwoord komt vanuit zijn geloof. Voor hem horen christelijke verantwoordelijkheid, opvoeding, kerkelijke zorg en persoonlijke plicht bij een goede samenleving. Dat is geen onverschilligheid tegenover armoede. Het verschil met zijn zoon zal later ergens anders liggen. Ferdinand zal zich steeds nadrukkelijker afvragen of hulp voldoende kan zijn wanneer de maatschappelijke verhoudingen zelf ongelijkheid blijven voortbrengen. Vader zoekt verbetering binnen geloof en bestaande instituties. De zoon zal uiteindelijk veel fundamentelere vragen stellen over bezit, arbeid, kerk en macht. In 1846 bestaat die tegenstelling nog niet. Ferdinand moet zelfs nog geboren worden.

31 december 1846 — een kind aan de beschermde kant

Op 31 december 1846 wordt in Amsterdam Ferdinand Domela Nieuwenhuis geboren. Zijn vader is predikant en hoogleraar. Rond zijn wieg staan geen zorgen over dagloon of bedeling, maar een gezin waarin boeken, geloof en onderwijs bij het leven horen. Buiten rijdt een kar door de straat. Een bakker werkt met duur meel. Een sjouwer wacht op vracht. Een armenarts gaat naar zijn volgende patiënt. In Den Haag ligt Thorbeckes hervormingsvoorstel voorlopig verslagen en Heldring schrijft over brood, arbeid en armoede. Ferdinand weet van niets. Hij hoeft ook nog niets te weten. Hij heeft vanaf zijn eerste dag iets wat veel andere Amsterdamse kinderen missen: bescherming tegen de hardste onzekerheden van de stad.

Buiten worden de vragen al gesteld

Amsterdam kan die avond nog altijd mooi zijn. Licht brandt achter de ramen van grachtenhuizen, schepen liggen aan de kades en kerktorens steken boven de daken uit. Maar achter andere ramen wordt gerekend hoeveel brood er morgen gekocht kan worden. De stad kent rijkdom én verloedering, geleerdheid én ongeletterdheid, liefdadigheid én afhankelijkheid. Intussen beginnen mensen op verschillende plaatsen dezelfde vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen. Een arts vraagt waarom ziekte telkens terugkeert. Een predikant vraagt hoe armoede kan worden bestreden. Een hoogleraar vraagt hoe het land bestuurd moet worden. De jongen die later zijn eigen antwoorden zal geven, wordt geboren terwijl Nederland de vragen al begint te veranderen.

Deel 6 — De zoon van de professor, 1846–1869

31 december 1846 — Ferdinand komt ter wereld

Op 31 december 1846 wordt in Amsterdam Ferdinand Domela Nieuwenhuis geboren. Zijn vader Ferdinand Jacob Domela Nieuwenhuis is Evangelisch-Luthers predikant en hoogleraar aan het seminarium; zijn moeder is Henriette Frances Berry. Ferdinand groeit op in een groot gezin waarin studie, boeken en kerk vanzelfsprekend aanwezig zijn. Grootvader Jacobus Nieuwenhuis was eveneens hoogleraar. Zijn broer Jacob, op 19 februari 1836 in Monnickendam geboren, zal later hoogleraar strafrecht worden. Ferdinand noemt deze familiekring later zelf een ‘geestelijke aristokratie’. Hij wordt dus niet geboren in de arbeiderswereld waarvoor hij later zal spreken, maar in een geleerd en beschermd Amsterdams gezin.

Een gestorven broertje draagt zijn naam al

De naam Ferdinand is op 31 december 1846 niet nieuw binnen het gezin. Een eerder geboren zoontje heeft eveneens Ferdinand geheten, maar is jong overleden. De pasgeboren jongen krijgt opnieuw die voornaam. Vader Ferdinand Jacob heeft op dat moment al een lange weg achter zich sinds zijn eerste predikantsplaats in Monnickendam. Via Utrecht is het gezin in Amsterdam terechtgekomen. De oudste kinderen hebben daardoor verschillende geboorteplaatsen. Jacob is in Monnickendam geboren; Ferdinand groeit op in Amsterdam. De familiegeschiedenis die aan de Gouwzee begon, speelt zich voor deze zoon voortaan af in een veel grotere stedelijke en academische omgeving.

In huis heet vader gewoon vader, buiten ‘de professor’

Ferdinand groeit op met een vader die in het Amsterdamse Lutherse leven aanzien geniet. Wanneer Ferdinand Jacob preekt, trekt hij veel toehoorders. Buiten het gezin wordt hij als ‘de professor’ aangesproken. Thuis geeft hij zijn kinderen zelf catechisatie. Ferdinand wil aanvankelijk dezelfde richting uit: ook hij wil predikant worden. Vader en zoon zitten bovendien samen achter het schaakbord. Kerkelijk gezag en huiselijk leven komen daardoor voor Ferdinand in dezelfde persoon bijeen. De man die toekomstige Lutherse predikanten opleidt, zit 's avonds tegenover hem aan tafel. Lang voordat Ferdinand zelf een kansel beklimt, ziet hij thuis hoe studie, geloof en spreken voor publiek één beroep kunnen vormen.

Amsterdam ligt direct buiten de voordeur

Buiten het huis van de professor ziet Amsterdam er anders uit. Aan kades en in pakhuizen wordt zwaar werk verricht. Dienstboden gaan naar werkgevers, ambachtslieden openen hun werkplaatsen en sjouwers wachten op vracht. Ferdinand hoeft als kind niet mee te verdienen. Hij kan naar school, lezen, paardrijden en schaken. De zomers brengt het gezin geregeld in Zeist door. Die vrijheid onderscheidt zijn jeugd van die van veel kinderen uit arbeidersgezinnen, waar een ouder kind inkomen kan gaan bijdragen. Ferdinand beschikt over boeken en opleiding, maar vooral over tijd: uren die gebruikt kunnen worden om te lezen en te leren in plaats van loon te verdienen.

In 1853 zit Ferdinand achter het schaakbord

Rond zijn zevende jaar kent Ferdinand de schaakstukken goed genoeg om zelf problemen te proberen op te lossen. Daarbij gebruikt hij opgaven van François-André Danican Philidor, de beroemde Franse schaker uit de achttiende eeuw. Nog belangrijker zijn de partijen tegen zijn vader. Het bord bestaat uit vierenzestig velden, tweeëndertig stukken en vaste regels, maar binnen die regels moet iedere zet worden afgewogen. Ferdinand houdt het schaken zijn leven lang vol. In het professorengezin is het geen kostbaar pronkstuk maar een vorm van intellectueel tijdverdrijf. Vader en zoon ontmoeten elkaar hier niet als hoogleraar en leerling, maar als twee spelers tegenover hetzelfde bord.

In 1857 sterft Henriette Frances Berry

Ferdinand is tien jaar wanneer zijn moeder in 1857 overlijdt. Henriette Frances Berry, die in 1834 met Ferdinand Jacob naar Monnickendam was gekomen en daar in 1836 zoon Jacob kreeg, sterft nu in Amsterdam. Voor Ferdinand wordt zijn vader daarna nog belangrijker. Een jaar later, in 1858, hertrouwt Ferdinand Jacob. De tweede vrouw van zijn vader neemt huishoudelijke en opvoedkundige taken op zich. De jongen blijft ondertussen sterk op zijn vader gericht. De man die hem catechisatie geeft, met hem schaakt en als professor buitenshuis aanzien geniet, wordt na het overlijden van Henriette de belangrijkste ouder tijdens Ferdinands verdere jeugd.

In 1858 krijgt hij achttien delen wereldgeschiedenis

Omstreeks zijn twaalfde krijgt Ferdinand de achttiendelige wereldgeschiedenis van Friedrich Christoph Schlosser. De gebonden delen verdwijnen niet ongeopend in een kast. Hij leest ze en maakt samenvattingen. Daarna volgen de Romeinse geschiedenis en de levensbeschrijvingen van Plutarchus. Vanuit een Amsterdamse kamer komt zo een veel grotere wereld binnen: Griekse en Romeinse staten, vorsten, oorlogen, revoluties en godsdienstige conflicten. Ferdinand leest geschiedenis nog niet als socialist of politiek activist. Hij is een schooljongen uit een geleerd gezin. Maar naast Bijbel en catechisatie liggen nu boeken waarin menselijke samenlevingen voortdurend veranderen, opkomen, botsen en verdwijnen.

Johannes Kappeyne van de Coppello staat voor de klas

Na de Franse school gaat Ferdinand naar het Amsterdamse gymnasium. Een van de leraren die hij zich later herinnert is Johannes Kappeyne van de Coppello. Bij hem krijgen Griekse schrijvers een andere toon dan in een droge grammaticale les. Bij de behandeling van Aristophanes wordt in de klas gelachen. Kappeyne zal later een belangrijk liberaal politicus en minister-president worden, maar voor Ferdinand is hij eerst de man voor de klas. Naast het geleerdencircuit van zijn vader verschijnt daarmee een tweede intellectuele omgeving: school. Grieks, Latijn, geschiedenis en literatuur komen naast het Lutherse geloof te staan waarmee hij thuis wordt opgevoed.

Lazarus brengt vader en zoon aan het praten

Tijdens zijn jeugd denkt Ferdinand na over de opwekking van Lazarus uit het Johannesevangelie. Lazarus sterft en wordt volgens het Bijbelverhaal door Jezus weer tot leven gewekt. Ferdinand vraagt zijn vader waar Lazarus tussen dood en opwekking is geweest. Het antwoord luidt: in de hemel. Daaruit volgt voor de jongen een volgende vraag. Wanneer Lazarus werkelijk in de hemel is geweest, waarom vertelt hij na zijn terugkeer dan niet wat hij daar heeft gezien? Vader waardeert die verdere redenering niet. Ferdinand blijft gelovig en zijn bewondering voor zijn vader verdwijnt niet, maar de Bijbel is voor hem kennelijk ook een tekst waaraan vragen gesteld kunnen worden.

In 1864 kiest Ferdinand voor de godgeleerdheid

In 1864 voltooit Ferdinand het gymnasium. Hij is zeventien jaar en schrijft zich in voor de studie godgeleerdheid. De beroepskeuze sluit rechtstreeks aan op de familie. Grootvader Jacobus was hoogleraar, vader Ferdinand Jacob is predikant en hoogleraar en de zoon bereidt zich nu eveneens op het predikantschap voor. In de collegezalen wordt echter een christendom besproken dat sterk in beweging is. Bijbelkritiek en moderne theologie stellen vragen bij wonderen, historische betrouwbaarheid en traditionele leerstukken. Ferdinand leest Conrad Busken Huet, Allard Pierson en Albert Réville. De boeken die hij nodig heeft om predikant te worden, brengen hem tegelijk bij nieuwe vragen over het geloof.

David Friedrich Strauss legt Jezus onder het vergrootglas

Onder de Duitse auteurs die Ferdinand leest bevindt zich David Friedrich Strauss. Diens Das Leben Jesu behandelt de evangelieverhalen met historische en kritische methoden. Voor een theologiestudent die is opgegroeid met Bijbel, catechisatie en een predikant als vader, raakt zo'n boek rechtstreeks aan zijn toekomstige beroep. Wonderverhalen kunnen niet meer eenvoudig buiten historische kritiek worden gehouden. Ferdinand legt Strauss niet terzijde en keert evenmin onmiddellijk de kerk de rug toe. Hij blijft studeren. De twijfel groeit binnen dezelfde opleiding die hem naar de kansel moet brengen. De vraag van het kind over Lazarus keert daarmee in volwassen vorm terug aan de studeertafel.

Ludwig Feuerbach gaat nog verder

Daarna leest Ferdinand Ludwig Feuerbach. Feuerbach behandelt religie niet vanuit openbaring, maar vanuit de mens zelf. Ferdinand leest hem gretig. Eerst verdwijnen voor hem wonderen uit het Oude Testament, daarna komen ook wonderen uit het Nieuwe Testament onder druk te staan. Toch houdt hij voorlopig vast aan God en Jezus. Zijn ontwikkeling verloopt dus niet in één sprong van gelovige naar ongelovige. Bovendien weet hij wat openlijke geloofstwijfel thuis kan veroorzaken. Een oudere broer heeft vlak voor zijn proponentsexamen verklaard zijn geloof verloren te hebben en ziet daarom af van het predikantschap. Ferdinand heeft gezien hoeveel verdriet dat zijn vader doet.

28 april 1869 — de professor sterft in Diepenveen

Op 28 april 1869 overlijdt Ferdinand Jacob Domela Nieuwenhuis in Diepenveen. Hij is zestig jaar oud. Enkele dagen later wordt hij in Muiderberg begraven. Daarmee verdwijnt de man die het verhaal in 1834 als jonge predikant in Monnickendam binnenkwam. Sindsdien is hij predikant, geleerde en opleider van Lutherse voorgangers geworden. Voor Ferdinand verdwijnt tegelijk zijn belangrijkste voorbeeld uit zijn jeugd. Vader maakt niet meer mee dat zijn zoon zelf predikant wordt. De familielijn breekt echter nog niet. Ferdinand heeft zijn theologiestudie vrijwel voltooid en gaat door met de voorbereiding op het ambt waarvoor zijn vader hem jarenlang als voorbeeld heeft gediend.

5 oktober 1869 — Ferdinand legt zijn examen af

Nog geen halfjaar na de dood van zijn vader verschijnt Ferdinand op 5 oktober 1869 voor het examen voor de heilige dienst. Een oude vriend van zijn vader helpt bij het afnemen ervan. Ferdinand is tweeëntwintig jaar en wordt bevoegd om als Evangelisch-Luthers predikant beroepen te worden. Achter hem liggen het Amsterdamse gymnasium, jaren theologische studie, Strauss, Feuerbach en groeiende twijfel aan verschillende traditionele geloofsvoorstellingen. Toch kiest hij nog steeds voor de kansel. Binnen enkele maanden komt uit Friesland een beroep. De plaats is Harlingen, een havenstad aan zee. Daar moet de professorenzoon voor het eerst zonder zijn vader een eigen gemeente leiden.

Deel 7 — Van de kansel naar de arbeidersbeweging, 1870–1879

Johanna Lulofs gaat met Ferdinand naar Harlingen

Ferdinand Domela Nieuwenhuis is drieëntwintig wanneer hij met Johanna Lulofs trouwt. Voor hij zijn eerste gemeente betrekt, maken zij samen een reis naar Italië. Daarna gaat de reis noordwaarts, naar Harlingen. Daar wacht Ferdinand een beroep als Evangelisch-Luthers predikant. Voor het eerst woont hij niet meer als zoon in het huishouden van professor Ferdinand Jacob Domela Nieuwenhuis, die in april 1869 is overleden. Ferdinand en Johanna beginnen nu een eigen huishouden. De jonge theoloog neemt boeken en preken mee naar Friesland. Op zondag 22 mei 1870 moet hij voor het eerst als vaste predikant van een eigen gemeente de kansel beklimmen.

22 mei 1870 — de jonge dominee staat in Harlingen

Op 22 mei houdt Ferdinand zijn intreerede in Harlingen. De stad waarin hij terechtkomt leeft van haven, scheepvaart, handel en ambacht. Op zondag spreekt hij in de Lutherse kerk; daarbuiten ontmoet hij inwoners die hun inkomen op een heel andere manier verdienen dan hijzelf. Op de pastorie komen na de preek gemeenteleden langs. Ferdinand raakt er volgens latere biografische gegevens tijdens gesprekken op zondagochtend bekend met sociale problemen. Hij is nog geen socialist. Hij is een jonge Lutherse predikant die uit een Amsterdams professorengezin komt en voor het eerst zelfstandig tussen gemeenteleden leeft die voor hun bestaan van loon en arbeid afhankelijk kunnen zijn.

In juli staat Europa in de kranten

Op 19 juli 1870 verklaart Frankrijk de oorlog aan Pruisen. Nederlandse kranten vullen hun kolommen met telegrammen, legerberichten en berichten uit Frankrijk en Duitsland. De oorlog blijft daardoor niet aan de andere kant van de grens. Ook in Harlingen kunnen inwoners volgen hoe legers oprukken en veldslagen worden geleverd. Ferdinand leest het nieuws terwijl hij pas enkele maanden predikant is. De oorlog raakt bovendien aan een onderwerp dat hem steeds sterker bezighoudt: vrede. In plaats van alleen vanaf zijn Lutherse kansel over christelijke beginselen te spreken, besluit hij de inwoners van Harlingen rechtstreeks bijeen te roepen. Daarvoor kiest hij een opvallend middel: grote rode biljetten.

In september hangen rode biljetten in Harlingen

In september 1870 verschijnen op verschillende plaatsen in Harlingen grote biljetten op rood papier. Bovenaan is een wit kruis aangebracht. Ferdinand Domela Nieuwenhuis roept zijn medeburgers daarin op een Vredesbond te stichten. De bijeenkomst wordt vastgesteld op donderdag 29 september om acht uur 's avonds in de Doopsgezinde kerk. Er moet worden gesproken over een adres aan koning Willem III. Daarin willen de initiatiefnemers vragen het recht om oorlog te verklaren niet langer uitsluitend bij de koning te laten, maar bij de volksvertegenwoordiging te leggen. Ferdinands naam staat onder de oproep. Voor het eerst roept de jonge predikant buiten zijn eigen kerk een openbaar publiek bijeen.

29 september 1870 — hij stapt buiten zijn eigen kerk

Donderdagavond 29 september gaat de deur van de Doopsgezinde kerk open. Ferdinand staat daar niet als Lutherse predikant voor zijn eigen gemeente. De rode biljetten hebben inwoners van Harlingen uitgenodigd om over oorlog en vrede te spreken. Ferdinand stelt de oprichting van een Vredesbond voor. Ook het adres aan Willem III komt ter sprake. De Frans-Duitse Oorlog heeft daarmee binnen twee maanden een plaatselijke politieke bijeenkomst aan de Waddenzee veroorzaakt. Ferdinand gebruikt voor het eerst zijn vaardigheid als spreker buiten de kerk waarvoor hij is beroepen. Hij blijft predikant, maar zijn stem klinkt vanaf deze avond ook in een openbare maatschappelijke vergadering.

Een kleermaker vertelt hem over de Internationale

Onder Ferdinands Harlinger gemeenteleden bevindt zich een kleermaker die sympathiseert met de Internationale Arbeiders-Associatie. Ferdinand spreekt veel met hem. De Internationale is in 1864 opgericht en probeert arbeiders uit verschillende landen met elkaar te verbinden. Wat Ferdinand over de arbeidersbeweging hoort, komt daardoor niet uitsluitend uit boeken of kranten. Tegenover hem zit een ambachtsman die zelf met arbeid zijn inkomen verdient en belangstelling heeft voor internationale arbeidersorganisatie. Bij een werkstaking in Harlingen treedt Ferdinand bovendien als arbiter op. De predikant die in mei naar Friesland kwam om een kerkelijke gemeente te leiden, krijgt zo ook met een arbeidsconflict te maken.

Op 25 juni 1871 begint Beverwijk

Harlingen blijft maar kort zijn standplaats. Op 25 juni 1871 doet Ferdinand intrede als predikant in Beverwijk. Johanna Lulofs verhuist mee. De havenstad aan de Waddenzee maakt plaats voor een Noord-Hollandse gemeente dichter bij Amsterdam en Leiden. Ferdinand blijft preken, gemeenteleden bezoeken en catechisatie geven, maar zijn studie houdt niet op. De Bijbel waaruit hij op zondag spreekt, ligt door de week opnieuw op tafel als onderwerp van onderzoek. De twijfel die tijdens zijn theologiestudie door het lezen van David Friedrich Strauss en Ludwig Feuerbach is gegroeid, verdwijnt niet wanneer hij zelf predikant wordt. Zijn ambt en zijn onderzoek beginnen steeds moeilijker naast elkaar te bestaan.

Van Manen en Kuenen onderzoeken dezelfde Bijbel

Ferdinand komt in contact met Willem Christiaan van Manen, predikant in Winkel. Zij maken plannen voor een nieuwe vertaling en verklaring van het Nieuwe Testament. Daarvoor zoeken zij ook contact met Abraham Kuenen, hoogleraar in Leiden en een belangrijke vertegenwoordiger van de moderne bijbelkritiek. Kuenen zegt advies toe. Voor Ferdinand krijgt het onderzoek daarmee namen en adressen. De Bijbel is niet alleen het boek dat op zondag op de lessenaar ligt. Teksten worden vergeleken, historische vragen gesteld en traditionele verklaringen opnieuw onderzocht. De zoon van een Lutherse hoogleraar blijft voorlopig zelf predikant, maar werkt tegelijkertijd met mannen voor wie wetenschappelijk onderzoek van de Bijbel vanzelfsprekend is.

In 1872 sterft Johanna Lulofs

In 1872 wordt Johanna zwanger. De bevalling eindigt voor haar fataal. Zij sterft in het kraambed. Ferdinand is vijfentwintig jaar en blijft achter met zijn kind en zijn predikantswerk in Beverwijk. De vrouw met wie hij naar Italië reisde, die met hem in Harlingen woonde en vervolgens naar Beverwijk verhuisde, verdwijnt binnen twee jaar na het begin van zijn predikantschap uit zijn leven. Ferdinand blijft diensten leiden en studeren. De dood van Johanna komt bovendien terecht in een periode waarin zijn traditionele geloof al onder druk staat. De predikant die anderen bij ziekte en overlijden moet bijstaan, krijgt het sterven nu in zijn eigen huis.

In 1874 trouwt Ferdinand opnieuw

Twee jaar na Johanna's overlijden trouwt Ferdinand opnieuw. Zijn tweede vrouw is Johanna Adriana Verhagen. Het gezin krijgt opnieuw een vrouw des huizes en Ferdinand zet zijn predikantswerk voort. Niet lang daarna verandert ook zijn standplaats. In 1875 verlaat hij Beverwijk en wordt Den Haag zijn derde gemeente. Daar komt hij terecht in een stad waar hof, regering en parlement zich bevinden, maar ook werkliedenverenigingen, vergaderzalen en een groeiende politieke pers. Het huwelijk duurt opnieuw kort. In 1876 overlijdt Johanna Adriana. Binnen enkele jaren heeft Ferdinand twee echtgenotes verloren, terwijl zijn predikantschap en zijn vragen over geloof en samenleving doorgaan.

De krant brengt iedere ochtend een grotere wereld binnen

In Den Haag hoeft Ferdinand niet naar een politieke vergadering om te weten wat buiten zijn gemeente gebeurt. Kranten brengen parlementaire debatten, buitenlandse berichten, stakingen en politieke conflicten bij de lezer thuis. Tijdschriften voeren discussies over godsdienst, economie en maatschappij. Ook arbeidersorganisaties beschikken steeds vaker over eigen bladen. Een krant is daarbij meer dan papier met nieuws. Een artikel kan in Amsterdam worden geschreven, in Den Haag worden gelezen en enkele dagen later onderwerp van een vergadering worden. Ferdinand gebruikt die wereld steeds intensiever. Eerst leest hij wat anderen schrijven. Vervolgens stuurt hij zelf bijdragen in. De predikant begint naast zijn kansel een tweede spreekplaats te ontdekken: de gedrukte kolom.

De Werkmansbode ligt tussen de arbeidersbladen

In 1877 verschijnt De Werkmansbode als voortzetting van De Werkman. Het blad is verbonden aan het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond. Voorzitter Bernardus Hermanus Heldt is meubelmaker en een van de bekendste vertegenwoordigers van de georganiseerde werkliedenbeweging. Het blad brengt berichten, beschouwingen en discussies bij lezers die de landelijke politiek niet alleen via de grote burgerlijke kranten willen volgen. Ferdinand begint er in 1877 eveneens te schrijven. Daarmee verandert zijn verhouding tot de pers. De krant is niet langer alleen een bron waaruit hij nieuws haalt. Zijn eigen woorden worden gezet, gedrukt en verspreid onder lezers die hij nooit persoonlijk hoeft te ontmoeten.

Goeman Borgesius krijgt antwoord in druk

Een artikel van Hendrik Goeman Borgesius over de Duitse sociaaldemocratie trekt Ferdinands aandacht. Hij antwoordt in De Werkmansbode met stukken onder de titel Zwijgen soms beter dan spreken. Het meningsverschil wordt niet in een huiskamer of na een kerkdienst uitgevochten, maar in druk. Lezers kunnen het betoog zelf volgen. Ferdinand richt zich daarmee steeds minder uitsluitend tot Lutherse gemeenteleden. De krant geeft hem toegang tot een publiek van werklieden, hervormers en politiek geïnteresseerden verspreid over verschillende plaatsen. Zijn opleiding als predikant heeft hem geleerd een betoog op te bouwen; in de kolommen van De Werkmansbode gebruikt hij die vaardigheid nu voor maatschappelijke onderwerpen.

Marx, Lassalle en Liebknecht liggen op tafel

Ferdinands lectuur verschuift eveneens. Naast theologische werken leest hij socialistische auteurs. Karl Marx, Ferdinand Lassalle en Wilhelm Liebknecht komen op zijn schrijftafel terecht. Zij schrijven over kapitaal, loonarbeid, bezit, politieke organisatie en de positie van arbeiders. Ferdinand leest niet langer alleen om zijn geloof te onderzoeken of een preek voor te bereiden. Hij probeert te begrijpen waarom rijkdom en armoede naast elkaar bestaan en welke rol eigendom en arbeid daarin spelen. In mei 1877 schrijft hij daarover aan zijn broer Adriaan Domela Nieuwenhuis. De nieuwe boeken blijven dus niet stil op zijn bureau liggen. Hij bespreekt wat hij leest ook binnen zijn eigen familiekring.

Het nieuws uit Duitsland krijgt een socialistische stem

De Duitse sociaaldemocratie bevindt zich vlak over de Nederlandse grens en verschijnt regelmatig in Nederlandse kranten en tijdschriften. Namen als August Bebel en Wilhelm Liebknecht worden verbonden aan een politieke beweging die arbeiders probeert te organiseren. Ferdinand volgt die ontwikkeling terwijl hij zelf nog predikant is. Via kranten kunnen redevoeringen, verkiezingsuitslagen en conflicten met de Duitse overheid binnen enkele dagen in Nederland bekend zijn. Tegelijk leest hij Duitse socialistische geschriften rechtstreeks. De afstand tussen Den Haag en Berlijn of Leipzig wordt daardoor op papier veel kleiner. Buitenlandse politiek levert hem niet alleen nieuws, maar ook voorbeelden van arbeiders die zich als zelfstandige politieke beweging organiseren.

In Den Haag komen werklieden naar de pastorie

Ferdinand spreekt ondertussen niet alleen met schrijvers en predikanten. Werklieden komen bij hem thuis en maatschappelijke onderwerpen worden besproken rond dezelfde tafel waaraan hij leest en schrijft. Een groep van ongeveer twintig mannen behoort tot de bezoekers die met hem over sociale vraagstukken spreken. Hier is geen kerkbank en geen kansel. De predikant zit tegenover mensen die zelf van loonarbeid leven. Uit zulke contacten ontstaan plannen voor praktische samenwerking. Ook de gedachte aan een coöperatieve bakkerij komt ter sprake. Brood is een dagelijks product; wie gezamenlijk inkoopt en produceert, kan proberen een deel van de winst die anders bij een ondernemer terechtkomt binnen de vereniging te houden.

Hendrik Gerhard heeft het socialisme al georganiseerd

Wanneer Ferdinand dichter bij de arbeidersbeweging komt, treft hij daar Hendrik Gerhard. Gerhard is kleermaker, vrijdenker en een van de vroegste Nederlandse socialisten. Hij is betrokken geweest bij de Nederlandse sectie van de Eerste Internationale. Zijn weg verschilt sterk van die van Ferdinand. Gerhard kent handenarbeid uit zijn eigen beroep; Ferdinand is universitair geschoold en zoon van een professor. Gerhard organiseert en spreekt al over socialisme wanneer Ferdinand nog op de Lutherse kansel staat. Hun ontmoeting maakt duidelijk dat de Nederlandse arbeidersbeweging niet met Domela begint. Hij sluit zich aan bij een kleine beweging waarin ambachtslieden en vrijdenkers al eerder verenigingen en contacten hebben opgebouwd.

6 juli 1878 — de eerste Sociale Brief krijgt een datum

Op 6 juli 1878 dateert Ferdinand de eerste van zijn Sociale Brieven. Uiteindelijk verschijnen er tweeënveertig in De Werkmansbode. De stukken brengen sociale en economische onderwerpen naar lezers van het Werklieden-Verbond. Ferdinand hoeft daarvoor niet iedere avond naar een andere zaal te reizen. De drukpers doet een deel van dat werk. Eén tekst kan in meerdere plaatsen worden gelezen en vervolgens worden doorgegeven of besproken. Heldt neemt de brieven in zijn blad op, hoewel redacteur en schrijver politiek niet steeds dezelfde richting kiezen. Juist daardoor wordt De Werkmansbode een plaats waar verschillende opvattingen binnen de jonge arbeidersbeweging naast elkaar zichtbaar worden.

Op 9 februari 1878 leest Nederland over algemeen stemrecht

Ferdinand spreekt inmiddels ook buiten Den Haag. Hij houdt voordrachten in onder meer Rotterdam en Amsterdam. Een daarvan gaat over algemeen stemrecht. De Werkmansbode van 9 februari 1878 bespreekt de voordracht en meldt dat Ferdinand het onderwerp op een weinig gebruikelijke manier heeft behandeld. De krant verlengt daarmee het leven van de bijeenkomst. Wie niet in de zaal aanwezig was, kan er toch over lezen. Algemeen stemrecht is op dat moment nog geen werkelijkheid: een groot deel van de volwassen mannen en alle vrouwen staan buiten het kiesrecht. Ferdinand gebruikt vergadering én krant om het onderwerp onder de aandacht te brengen.

In 1878 verandert ook zijn dagelijkse eten

In hetzelfde jaar verandert Ferdinand iets heel concreets in zijn eigen huishouden. Vanaf 1878 eet hij vegetarisch. Hij noemt later hygiënische, morele en economische redenen voor die keuze. Een arts waarschuwt hem dat hij en zijn gezin daarmee hun gezondheid kunnen schaden, maar Ferdinand zet door. Zijn kinderen eten eveneens vegetarisch. Het detail staat ver van parlement, kerk en arbeidersvereniging, maar hoort bij dezelfde jaren waarin hij steeds meer onderdelen van het gewone leven opnieuw onderzoekt. Wat wordt gegeten, hoe wordt geleefd en hoeveel een huishouden nodig heeft, zijn voor hem niet geheel los te maken van de maatschappelijke vragen waarover hij ondertussen schrijft en spreekt.

Op 9 januari 1879 spreekt hij over grond en bodem

Op 9 januari 1879 houdt Ferdinand in Amsterdam zijn voordracht Grond en Bodem in gemeenschappelijk bezit. Op 17 februari spreekt hij er opnieuw. De tekst verschijnt eerst in De Werkmansbode en vervolgens afzonderlijk in druk. Een voordracht kan daardoor verschillende levens krijgen: eerst uitgesproken voor een zaal, daarna afgedrukt in een arbeidersblad en vervolgens als afzonderlijke publicatie verkocht of doorgegeven. Op 15 juni zal Ferdinand dezelfde voordracht ook in Gent houden. De drukpers brengt zijn woorden al over de stadsgrenzen voordat hij zelf de trein neemt. Zijn positie binnen de jonge socialistische beweging wordt daarmee steeds zichtbaarder.

Heldt en Ferdinand schrijven niet meer dezelfde krant

De samenwerking met De Werkmansbode begint ondertussen te wringen. Bernardus Hermanus Heldt en Ferdinand staan niet voortdurend tegenover elkaar, maar hun politieke opvattingen lopen uiteen. Ferdinand merkt zelfs dat een hoofdartikel van het blad soms een heel andere richting heeft dan zijn eigen Sociale Brief die ernaast staat. Ook andere geldschieters hebben invloed op de positie van het blad. Ferdinand wil een krant waarin hij vrijer kan schrijven en waarin radicalere medewerkers ruimte krijgen. Daarmee ontstaat een praktisch probleem. Voor een eigen blad zijn een uitgever, geld, kopij, drukwerk en verspreiding nodig. In Haarlem vindt hij uiteindelijk een uitgever die het aandurft: Willem Cornelis de Graaff.

Zeven mannen betalen mee aan een nieuw weekblad

Willem Cornelis de Graaff kent Ferdinand al. In 1877 heeft hij diens bewerking van een werk van Leberecht Uhlich uitgegeven. Twee jaar later wordt hun samenwerking belangrijker. Ferdinand wil een nieuw weekblad beginnen en De Graaff is bereid het uit te geven. Ferdinand staat er financieel niet alleen voor. Zeven mannen verbinden zich eraan gedurende het eerste jaar de kosten te dragen. Daarmee wordt een politieke wens een materieel product. Er moet papier worden gekocht, tekst gezet, gedrukt en verspreid. Zonder geld verschijnt er geen nummer. De mannen nemen dat risico en bepalen een datum. Op zaterdag 1 maart 1879 moet het eerste exemplaar verschijnen.

1 maart 1879 — Recht voor Allen verschijnt

Op 1 maart 1879 ligt het eerste nummer van Recht voor Allen klaar. Het is aanvankelijk een weekblad. Ferdinand is officieel nog Evangelisch-Luthers predikant, maar beschikt nu over een eigen gedrukt podium. Het blad bevat politieke en maatschappelijke beschouwingen en krijgt ook een buitenlands staatkundig overzicht, verzorgd door uitgever en vrijdenker F. Günst. Via dezelfde pers die Ferdinand jarenlang nieuws uit binnen- en buitenland heeft gebracht, kan hij voortaan zelf berichten, argumenten en oproepen verspreiden. De kring van zes medefinanciers zal uiteenvallen; na ongeveer een jaar blijft Ferdinand financieel alleen over. Maar het blad zelf blijft bestaan.

Twee bladen liggen nog even naast elkaar

Na de oprichting van Recht voor Allen verdwijnen Ferdinands Sociale Brieven niet onmiddellijk uit De Werkmansbode. Een tijdlang schrijft hij nog voor beide bladen. Daardoor kunnen lezers zijn naam in twee verschillende periodieken aantreffen. Langzaam worden zijn bijdragen aan De Werkmansbode minder en uiteindelijk stoppen ze. De twee kranten zijn concurrenten geworden. De Werkmansbode blijft verbonden aan Heldt en het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond; Recht voor Allen beweegt met Ferdinand in een radicalere richting. De krant is daarmee niet langer alleen nieuwsbrenger in zijn leven. De keuze voor een blad wordt ook een keuze tussen verschillende richtingen binnen de Nederlandse arbeidersbeweging.

Op 1 september 1879 verlaat hij de kansel

Een halfjaar na het eerste nummer van Recht voor Allen legt Ferdinand zijn predikantsambt neer. Op 1 september 1879 eindigt zijn kerkelijke loopbaan. Negen jaar eerder was hij in Harlingen begonnen als jonge Lutherse predikant. Sindsdien zijn de rode vredesbiljetten verschenen, heeft een Harlinger kleermaker hem over de Internationale verteld, heeft hij twee echtgenotes verloren, moderne theologen gelezen, met werklieden gesproken en voor De Werkmansbode geschreven. Nu beschikt hij over Recht voor Allen. De verandering is zichtbaar aan zijn werktafel: de preek die voor zondag moet worden geschreven maakt plaats voor kopij die naar drukker en lezers moet.

Deel 8 — Wanneer Nederland naar Domela komt luisteren, 1879–1891

1 september 1879 — de toga verdwijnt, de spreker blijft

Op 1 september 1879 is Ferdinand Domela Nieuwenhuis geen predikant meer. Maar hij heeft jarenlang geleerd hoe je een zaal toespreekt. Hij weet wanneer hij langzaam moet spreken, wanneer een stilte werkt en hoe een ingewikkeld idee begrijpelijk wordt voor mensen die geen universiteit hebben bezocht. Vanaf nu reist hij niet meer als Lutherse voorganger, maar als socialist. In arbeiderslokalen zitten timmerlieden, kleermakers, metaalbewerkers, sjouwers en ambachtslieden op hem te wachten. Soms zijn het enkele tientallen mensen. Later worden het honderden en duizenden. Zijn krant Recht voor Allen, die sinds 1 maart 1879 verschijnt, reist met hem mee. Wie Ferdinand niet zelf kan horen, kan hem lezen.

Amsterdam — socialisme groeit rond werkbanken en snijtafels

In Amsterdam komt Ferdinand terecht tussen mensen die een totaal ander leven hebben geleid dan hijzelf. Socialisten ontmoeten elkaar niet alleen in grote zalen. Ze zitten in werkplaatsen, cafés en huiskamers. Metaalbewerkers, kleermakers en typografen praten na hun werk verder over loon, kiesrecht en bezit. Hendrik Gerhard, afkomstig uit de kring van de Eerste Internationale, behoort tot de oudere socialisten die Ferdinand leert kennen. Het is belangrijk wie hier van wie leert. De professorenzoon brengt opleiding, schrijftalent en ervaring als spreker mee. De arbeiders brengen iets wat hij niet uit boeken kan halen: hun dagelijkse ervaring met loonarbeid, werkloosheid en afhankelijkheid. Ferdinand wordt hun leider, maar de arbeidersbeweging bestond al voordat hij binnenkwam.

1881 — de trein brengt hem naar Noord-Nederland

Vanaf 1881 maakt Ferdinand propagandatochten door Noord-Nederland. Het socialisme slaat daar niet onmiddellijk aan. Hij moet reizen, spreken en terugkomen voordat plaatselijke groepen werkelijk groeien. De spoorweg die bij zijn geboorte nog een teken van technische vernieuwing was, krijgt zo een politieke functie. Ferdinand stapt met kranten en papieren uit op stations, reist verder naar dorpen en staat 's avonds voor arbeiders. Na afloop gaat hij weg, maar de mensen blijven achter. Dan begint vaak het belangrijkste werk: iemand organiseert een volgende vergadering, een ander verkoopt bladen, een derde probeert zijn buurman mee te krijgen. Zo groeit een landelijke beweging niet in Den Haag, maar plaats voor plaats.

In Friesland hoeft niemand uit te leggen wat onzeker werk betekent

In de Friese veengebieden krijgt Ferdinands verhaal een andere betekenis dan in Amsterdam. Hier staan geen grote fabrieksmuren tussen arbeider en eigenaar. De tegenstelling ligt letterlijk in het landschap. Turfmakers graven, baggeren en drogen turf op grond die hun niet toebehoort. Het loon kan dalen terwijl voedsel en huur betaald moeten blijven worden. Rond Nij Beets daalt het gemiddelde loon tussen 1865 en 1880 met ongeveer twintig procent; tussen 1870 en 1890 vinden in dit gebied elf stakingen plaats. Sommige turfmakers wonen in kleine éénkamerwoningen met bedsteden, soms gebouwd op een fundering van turf. Hier is de sociale kwestie geen woord uit een boek. Zij staat 's morgens op en trekt werkkleren aan.

1886 — in Amsterdam blijkt dat ‘het volk’ niet één volk is

Op 25 en 26 juli 1886 breekt in de Amsterdamse Jordaan het Palingoproer uit. Het begint rond het verboden volksspel palingtrekken en mondt na politie- en militair optreden uit in bloedig straatgeweld. Ferdinand en de socialisten worden met de onrust in verband gebracht, hoewel het oproer geen georganiseerde socialistische opstand is. Dat is belangrijk. De Amsterdamse volksmassa bestaat niet uit één politieke groep. Een arbeider kan tegen politieoptreden zijn zonder socialist te worden. Hij kan Oranjegezind zijn, gelovig blijven of helemaal niets van Ferdinand willen weten. Voor Domela wordt duidelijk hoe moeilijk het woord volk eigenlijk is. Duizenden arme Nederlanders delen maatschappelijke problemen, maar daarmee denken zij nog niet hetzelfde.

1887 — een gevangenis maakt hem buiten alleen maar groter

Na het omstreden artikel ‘De Koning komt’ in Recht voor Allen wordt Ferdinand wegens majesteitsschennis veroordeeld. In januari 1887 begint zijn gevangenisstraf. Terwijl de deur achter hem sluit, blijft zijn naam buiten circuleren. Voor tegenstanders is de veroordeling bewijs dat de socialist te ver gaat. Voor veel aanhangers gebeurt het tegenovergestelde: de gevangene wordt een symbool. De man die tegen koning en maatschappelijke ongelijkheid spreekt, wordt door dezelfde staat opgesloten die hij bekritiseert. Wanneer hij later dat jaar vrijkomt, hoeft hij zijn bekendheid niet opnieuw op te bouwen. De gevangenisstraf heeft van de voormalige predikant een landelijke politieke figuur gemaakt.

April 1888 — langs het Tjongerkanaal wordt het menens

In april 1888 leggen polderwerkers aan het Tjongerkanaal het werk neer. De Sociaal-Democratische Bond stuurt Adrianus van Emmenes naar de stakers. Zijn optreden helpt de actie slagen. Daarna vragen arbeiders uit Hoornsterzwaag, Terwispel en Weststellingwerf hem eveneens te komen. Van Emmenes schrijft de misstanden die hij ziet op. Die aantekeningen verdwijnen niet in een lade: Ferdinand gebruikt ze later in de Tweede Kamer om over de toestanden in de venen te spreken. Zo loopt een keten door het land: een arbeider vertelt wat er gebeurt, Van Emmenes schrijft het op, Domela neemt het mee naar Den Haag. De stem van een veenarbeider kan daardoor uiteindelijk in de Tweede Kamer terechtkomen.

1888 — Schoterland stuurt hem naar Den Haag

Bij de Kamerverkiezingen van 1888 staat Ferdinands naam niet alleen in Friesland op het stembiljet. In Amsterdam krijgt hij in de eerste ronde 1.064 stemmen, in Groningen 726 en in Schoterland 769. Alleen in Schoterland bereikt hij de herstemming — en daar wint hij. Opvallend is wie hem daar kiest. Niet alleen loonarbeiders, maar ook mannelijke winkeliers, kleine boeren, pachters en zelfstandige ambachtslieden dragen bij aan zijn overwinning. In datzelfde jaar telt de SDB-afdeling Gorredijk ongeveer vijftig leden en is daarmee de grootste van vier Friese afdelingen. De beweging is dus breder geworden dan de fabrieksarbeider alleen.

1 mei 1888 — één socialist tussen honderd Kamerleden

Op 1 mei 1888 betreedt Ferdinand de Tweede Kamer. Hij is er de enige sociaal-democraat. Bij zijn intrede geeft volgens zijn biografische gegevens alleen Levinus Keuchenius hem een hand. De eenzaamheid is bijna zichtbaar. Buiten kunnen honderden arbeiders hem toejuichen; binnen moet één man proberen hun eisen in parlementaire taal om te zetten. Hij spreekt over gedwongen winkelnering, veenarbeiders en arbeidsomstandigheden. De berichten die mensen als Van Emmenes in het noorden verzamelen, krijgen hier betekenis. Maar Ferdinand ontdekt ook iets anders: een volle arbeiderszaal kan luid applaudisseren; in het parlement telt uiteindelijk alleen hoeveel Kamerleden vóór of tegen stemmen.

30 maart 1889 — Appelscha past niet meer in Café Zwart

Op zaterdag 30 maart 1889 komt Ferdinand naar Appelscha. Hij spreekt ten huize van K. Zwart, in Café Zwart. De belangstelling is massaal. Onder de aanwezigen bevinden zich Baukje en Jacob de Jong en Jacobs vader Roel de Jong. Jacob is socialist en drankbestrijder. Voor een andere toespraak van Ferdinand lopen Baukje en Jacob zelfs op klompen naar Heerenveen, een tocht die zeven uur duurt. Dat zegt meer over Ferdinands invloed dan een verkiezingsuitslag. Mensen die weinig vrije tijd en geld hebben, geven een volledige dag en hun voeten prijs om hem te horen spreken.

De burgemeester zit gewoon tussen het publiek

In Café Zwart zitten niet alleen aanhangers. Burgemeester Van der Loeff is eveneens aanwezig. Hij wil weten wat Domela tegen de arbeiders zegt. Op zijn verzoek maakt meester Rijpkema, hoofd van de school in Oosterwolde, een uitgebreid verslag. Dat rapport gaat naar de Commissaris van de Koning. Terwijl Ferdinand spreekt, luistert de overheid dus mee. Voor Baukje en Jacob gaat de avond over hun toekomst en overtuigingen. Voor de burgemeester gaat dezelfde avond ook over orde en mogelijke onrust. Eén zaal bevat daarmee twee totaal verschillende verwachtingen: voor de een staat er een bevrijder, voor de ander mogelijk een man die een veengebied in beweging kan brengen.

21 april 1890 — ‘Ús ferlosser komt’

Een jaar later gebeurt in Nij Beets precies waar bestuurders bang voor zijn. De turfmakers staken. Op maandag 21 april 1890 gaat het bericht door het veen dat Domela komt. Arbeiders trekken massaal naar de appèlplaats bij het café van Evert Dam. Ferdinand arriveert rond twaalf uur met zijn zoon en Tjeerd Stienstra. Ook de overheid is voorbereid: infanteristen en marechaussees bewaken de orde. Uiteindelijk verzamelen zich ongeveer 2.000 tot 2.500 stakers. Hier betekent ús ferlosser ineens iets concreets. Het is geen bijnaam uit een geschiedenisboek. Duizenden mensen laten hun werk liggen en lopen naar dezelfde plek omdat één man is aangekomen.

De massa begint te lopen

Ferdinand blijft niet bij Evert Dam staan. Samen met de stakende turfmakers trekt hij richting de herberg van De Wit, waar meer ruimte is. Aan de muur hangt een boodschap: ‘Leve Domela Nieuwenhuis, Recht en Brood voor Allen!’ De volgende dag verschijnt Ferdinand opnieuw. Appèlmeester Wiebe Hankel uit Noordwolde vraagt de stakers of zij nog dezelfde mannen zijn als gisteren. Uit de massa klinkt instemming. Het woord massa krijgt hier voeten en stemmen. Het zijn mannen die normaal verspreid in het veen werken en nu ontdekken hoe het voelt om met duizenden tegelijk te staan.

28 april — nu wordt er brood uitgedeeld

Een week later zijn bij het café van Evert Dam opnieuw ongeveer 2.000 stakers bijeen. Wiebe Hankel leidt het appèl. De groep trekt weer naar De Wit. Terwijl vijftien veenbazen over de eisen onderhandelen, houden militairen op de achtergrond toezicht. Na afloop delen Ferdinand en Stienstra voedselbonnen voor brood uit aan de allerarmsten. Daarna trekken stakers verder richting Tijnje, waar eveneens onrust bestaat. Dit is de andere kant van een grote staking. Tweeduizend mensen kunnen gezamenlijk indrukwekkend ogen, maar tussen hen staan gezinnen die ondertussen eten nodig hebben. Politieke strijd en honger bevinden zich op dezelfde appèlplaats.

Daarna begint de eenheid te breken

Een massa blijft nooit vanzelf een massa. Sommige veenbazen geven toe, andere niet. Sommige arbeiders willen doorstaken, anderen kunnen het verlies aan loon steeds moeilijker dragen. Werkwilligen gaan terug. Marechaussees beschermen het laden van turf. Christelijke arbeiders kunnen anders naar de staking kijken dan socialistische collega's. Op 5 mei 1890 vindt op De Hoek opnieuw een stakersappèl plaats. De grote eensgezindheid van april staat onder druk. Daarmee wordt zichtbaar hoe zwaar een staking voor arme mensen is. Een veenbaas kan wachten. Een arbeidersgezin moet iedere avond opnieuw eten. Solidariteit is krachtig, maar honger stelt haar iedere dag op de proef.

Domela kan de massa bijeenbrengen, maar niet bezitten

Dat is misschien Ferdinands belangrijkste les in het veen. Mensen noemen hem ‘ús Ferlosser’, maar zij blijven individuen met gezinnen, geloof, schulden en verschillende grenzen aan wat zij kunnen verdragen. De socialist kan een toespraak houden en geld of broodbonnen helpen organiseren. Hij kan niet bepalen hoe lang een vader zonder loon kan blijven. Hij kan evenmin voorkomen dat een buurman morgen besluit weer te gaan werken. Juist daarom legt Ferdinand steeds meer nadruk op zelforganisatie. Een arbeidersbeweging die alleen bestaat zolang één beroemde spreker aanwezig is, is volgens die gedachte niet sterk genoeg. De mensen die hem hun verlosser noemen, moeten uiteindelijk leren zichzelf te organiseren.

17 augustus 1890 — heel Friesland lijkt onderweg

En dan komt de grote demonstratie bij Het Meer, bij Heerenveen. Op 17 augustus 1890 trekken mensen uit verschillende delen van Friesland naar een massale kiesrechtbijeenkomst. Er komen naar schatting 12.000 tot 15.000 mensen; ook uit Amsterdam reizen deelnemers naar Friesland. Acht sprekers treden op, onder wie Wilhelmina Drucker. Zij worden over verschillende spreekplaatsen verdeeld zodat de enorme menigte hen kan horen. Burgemeester De Blocq van Scheltinga komt persoonlijk kijken, bezorgd over mogelijke onrust. Wat enkele jaren eerder begon met kleine socialistische groepen is nu een mensenzee die een burgemeester niet meer vanuit zijn werkkamer durft te beoordelen.

Vrouwen staan nu ook tussen de mensen

Dat Wilhelmina Drucker daar spreekt, is belangrijk. De strijd gaat niet alleen over mannelijke arbeiders. Vrouwen werken, onderhouden gezinnen en dragen de gevolgen van lage lonen en stakingen mee, maar bezitten geen kiesrecht. In de veengebieden organiseren ook zij zich. Daarmee wordt de sociale beweging breder. Het gezin dat vroeger als één huishouden in een armenregister verscheen, valt politiek uiteen in mensen met eigen belangen: de man als arbeider, de vrouw als arbeidster en moeder, kinderen die soms moeten meewerken. Wanneer Ferdinand over algemeen kiesrecht en maatschappelijke verandering spreekt, groeit naast hem een vrouwenbeweging die terecht vraagt waarom ‘algemeen’ vooralsnog vooral mannen betekent.

1890 — de arbeider wordt thuis opnieuw buurman

Na iedere grote vergadering gebeurt iets waar de kranten minder gemakkelijk over schrijven. De mensen gaan naar huis. De ene man vertelt enthousiast wat Domela heeft gezegd. Zijn buurman vindt hem een godloochenaar. Een vrouw vraagt hoe lang de staking nog duurt omdat het eten opraakt. Een winkelier heeft klanten die niet meer kunnen betalen. Een predikant waarschuwt tegen het socialisme. Een plaatselijke socialist probeert voor volgende week opnieuw een zaal te regelen. Zo verandert een politieke beweging een dorp. Niet iedereen wordt socialist, maar bijna iedereen moet er een mening over vormen. Domela vertrekt met de trein; het gesprek blijft achter.

1891 — de Kamer blijkt kleiner dan het veld bij Heerenveen

Na drie jaar parlementaire ervaring wordt Ferdinand in 1891 niet herkozen. Zijn teleurstelling in de parlementaire weg groeit. In de Tweede Kamer was hij vrijwel voortdurend een eenling; zijn biografie beschrijft hoe hij daar noodgedwongen alleen opereerde. Buiten had hij duizenden mensen bij elkaar gezien. In Nij Beets zag hij stakers gezamenlijk door het dorp trekken. Bij Heerenveen stonden tienduizenden bijeen. Binnen de Kamer kon een voorstel toch met een grote meerderheid worden verworpen. Voor Ferdinand wordt dat verschil beslissend. Hij begint meer vertrouwen te krijgen in mensen die zichzelf organiseren dan in vertegenwoordigers die namens hen stemmen.

Deel 9 — Wanneer de massa zonder verlosser verder moet, 1891–1919

Na 1891 — Domela keert terug naar de zalen

Het verlies van zijn Kamerzetel betekent niet dat Ferdinand uit het openbare leven verdwijnt. Integendeel. Hij keert terug naar de wereld waarin hij zich steeds meer thuis voelt: kranten, arbeidersverenigingen, vergaderingen en stakingen. Maar de mensen die hij ontmoet zijn veranderd. In Friesland bestaan inmiddels socialistische afdelingen en plaatselijke leiders. Mannen als Adrianus van Emmenes, Tjeerd Stienstra en anderen kunnen zelf arbeiders organiseren. Ferdinand heeft dus te maken met het succes én het probleem van zijn eigen beweging. Hoe groter zij wordt, hoe minder één leider haar kan beheersen. Dat past bij zijn groeiende overtuiging dat arbeiders juist niet afhankelijk moeten worden van een nieuwe politieke elite.

In Nij Beets krijgt zelfs de kerk een politieke betekenis

De strijd loopt inmiddels dwars door dorpen en gezinnen. In Nij Beets wordt in 1891 een eenvoudig houten evangelisatiekerkje in gebruik genomen. Socialistische turfmakers begroeten de komst volgens de lokale geschiedenis door modderkluiten naar binnen te gooien. Predikant Van der Brugghen trekt op donderdag en zondag door de drassige polder, neemt uit angst voor ziekte zijn eigen drinkwater mee en probeert bewoners naar zijn diensten te krijgen. Wanneer hij na afloop snert gaat uitdelen, neemt de belangstelling toe. Vanaf de kansel zegt hij dat turfmakers hun uitzichtloze toestand wellicht alleen door emigratie kunnen ontlopen. Socialistische leiders, onder wie Ferdinand, roepen juist op tot staking. Vader Domela's oude wereld van kerkelijke zorg en Ferdinands arbeidersstrijd staan hier bijna letterlijk tegenover elkaar.

Dezelfde arbeider hoort zondag de dominee en maandag de socialist

Daarmee moeten we oppassen om Nij Beets rood te kleuren alsof iedereen socialist is. De turfmaker kan naar de kerk gaan én ontevreden zijn over zijn loon. Een andere arbeider kan Domela bewonderen maar tegen staking zijn. Weer een ander kan zowel kerk als socialisme afwijzen. De tegenstelling loopt soms zelfs door families. Wanneer een staking uitbreekt, krijgt zo'n overtuiging praktische gevolgen. Wie doorwerkt kan door stakers als verrader worden gezien. Wie staakt verliest loon. Wie socialist wordt kan botsen met predikant, werkgever of familie. Politieke verandering bestaat hier niet alleen uit congressen. Zij komt aan de keukentafel te zitten.

Appelscha wordt eveneens een politiek dorp

Ook in Appelscha verdwijnt Ferdinands bezoek van 1889 niet wanneer hij weer vertrekt. Mensen als Baukje en Jacob de Jong blijven achter. Jacob blijft socialist en drankbestrijder. De plaatselijke sociale strijd verbindt daardoor verschillende zaken die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben: loon, turf, alcohol, militaire dienst en kiesrecht. In Friesland gaan de rode beweging van socialisten en de blauwe beweging van drankbestrijders soms naast elkaar op. Socialistische stakingsleiders waarschuwen arbeiders voortdurend voor drankmisbruik. Verheffing betekent dus niet alleen meer loon. Een arbeider moet volgens deze beweging ook kennis vergaren, zich organiseren en voorkomen dat zijn schaarse loon in het café verdwijnt.

De beweging krijgt eigen mensen en eigen meningsverschillen

Dat maakt Ferdinand uiteindelijk minder onmisbaar. Arbeiders lezen zelf, richten afdelingen op en kiezen eigen bestuurders. En precies dan ontstaat discussie over de volgende stap. Moet een socialist proberen in de Tweede Kamer te komen, zoals Ferdinand zelf in 1888 heeft gedaan? Of bewijst zijn teleurstelling juist dat het parlement de beweging onschadelijk maakt? Binnen de SDB groeien parlementaire en antiparlementaire stromingen uit elkaar. Ferdinand behoort inmiddels tot de laatste richting, maar zelfs hij aarzelt wanneer op het congres van 1893 een scherpe antiparlementaire motie wordt aangenomen. Hij wil aanvankelijk niet dat beide groepen uiteenvallen. De man die duizenden arbeiders bijeen kon brengen, kan de eigen socialistische beweging niet bij elkaar houden.

1894 — Troelstra kiest het parlement

In 1894 wordt de breuk organisatorisch zichtbaar met de oprichting van de SDAP. Pieter Jelles Troelstra, W.H. Vliegen, J.H.A. Schaper en W.P.G. Helsdingen behoren tot de mensen die de parlementaire sociaaldemocratie verder willen opbouwen. Ferdinand probeert arbeiderspropagandisten zelfs ervan te weerhouden aan deze nieuwe partij mee te werken. Maar zij kiezen anders. Dat is belangrijk voor ons verhaal. Domela is niet langer vanzelfsprekend de richting waarin iedere socialist loopt. De arbeidersbeweging die mede dankzij hem groot is geworden, begint zelf keuzes te maken waar hij het niet mee eens is.

De verlosser krijgt concurrentie van organisaties

Dat is uiteindelijk precies wat volwassenwording van een massabeweging betekent. In de jaren tachtig kon een dorp urenlang uitlopen omdat Domela kwam. In de jaren negentig bestaan vakorganisaties, socialistische verenigingen, plaatselijke propagandisten en uiteindelijk verschillende politieke richtingen. Een arbeider hoeft niet langer uitsluitend naar Ferdinand te kijken om te weten wat socialisme is. Hij kan een krant lezen, een afdelingsvergadering bezoeken of naar een andere spreker luisteren. Voor Domela zelf is dat soms pijnlijk, maar het past ook bij zijn overtuiging dat mensen geen nieuwe meesters nodig hebben. ‘Ús Ferlosser’ wordt minder noodzakelijk zodra mensen zichzelf leren organiseren.

1897 — De Vrije Socialist verschijnt

Ferdinand trekt ondertussen verder richting anarchisme. In 1897 begint De Vrije Socialist te verschijnen. De naam is veelzeggend. Het gaat hem niet meer alleen om gemeenschappelijk bezit of betere arbeidswetten, maar steeds nadrukkelijker om vrijheid tegenover opgelegd gezag. Parlement, staat, kerk en leger kunnen volgens hem allemaal vormen van overheersing worden. De ervaringen van de afgelopen twintig jaar liggen onder die gedachte. Hij heeft een kerk verlaten, in een gevangenis gezeten, in het parlement gewerkt en gezien hoe een arbeidersmassa zich kan vormen én weer uiteenvallen. Steeds opnieuw komt hij bij dezelfde overtuiging uit: mensen moeten uiteindelijk zelf handelen in plaats van wachten op iemand boven hen.

Ook de vredespredikant van Harlingen keert terug

Zijn strijd tegen militarisme sluit daar rechtstreeks op aan. Al op 29 september 1870 had Ferdinand in Harlingen burgers bijeen geroepen vanwege de Frans-Duitse Oorlog. Meer dan dertig jaar later staat dezelfde kwestie opnieuw centraal. In 1904 behoort hij tot de oprichters van de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging. De gedachte is eenvoudig maar radicaal: waarom zouden arbeiders uit verschillende landen elkaar doden omdat staten ruzie maken? De jonge predikant van Harlingen en de oude anarchist staan daarmee dichter bij elkaar dan het op het eerste gezicht lijkt. Zijn geloof is verdwenen; zijn wantrouwen tegenover oorlog niet.

1914 — nu vertrekken miljoenen tegelijk

Wanneer in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, krijgt Ferdinands oude angst een omvang die hij in Harlingen onmogelijk kon voorzien. Nederland blijft neutraal, maar aan alle kanten trekken legers naar de fronten. De moderne wereld die sinds zijn geboorte is ontstaan — spoorwegen, massaproductie, moderne industrie en bureaucratische staten — blijkt ook buitengewoon geschikt om oorlog te voeren. Treinen vervoeren niet alleen arbeiders naar een kiesrechtmeeting. Ze vervoeren ook soldaten naar het front. Fabrieken maken niet alleen consumptiegoederen, maar wapens en munitie. De vraag uit zijn jeugd keert in een grimmige vorm terug: wanneer techniek vooruitgaat, betekent dat nog niet dat mensen maatschappelijk of moreel dezelfde richting volgen.

1917–1919 — Nederland verandert zonder zijn revolutie

Aan het einde van Ferdinands leven verandert het politieke stelsel ingrijpend. Het algemeen mannenkiesrecht wordt ingevoerd en daarna volgt ook het vrouwenkiesrecht. De parlementaire weg die Ferdinand steeds sterker was gaan wantrouwen, heeft ondertussen een vaste socialistische partij voortgebracht. Vakverenigingen zijn eveneens veel groter geworden. Het Nederland van zijn ouderdom is daardoor niet het Nederland waarvoor hijzelf uiteindelijk pleitte. De staat is niet verdwenen en het parlement evenmin. Maar de arbeider van 1919 beschikt over politieke en organisatorische mogelijkheden die de sjouwer uit het Amsterdam van 1846 niet bezat. Ferdinand heeft die ontwikkeling niet alleen veroorzaakt en vaak zelfs een andere weg voorgestaan, maar hij heeft er wel tientallen jaren middenin gestaan.

18 november 1919 — Ferdinand sterft

Op 18 november 1919 sterft Ferdinand Domela Nieuwenhuis in Hilversum. De man die ooit als beschermde professorenzoon ter wereld kwam, heeft dan bijna drie kwart eeuw Nederlandse verandering meegemaakt. Hij was predikant, vrijdenker, socialist, gevangene, Tweede Kamerlid, anarchist en antimilitarist. Maar die opsomming vertelt niet wat onderweg gebeurde. Belangrijker zijn de mensen die hem hoorden: Baukje en Jacob die uren liepen, de turfmakers die in Nij Beets samenstroomden, de arbeiders die broodbonnen nodig hadden, de burgemeester die vanuit de zaal meeluisterde en de socialisten die uiteindelijk besloten een andere weg te kiezen.

22 november 1919 — opnieuw wordt een mens een massa

Vier dagen na zijn dood wordt Ferdinand begraven. Opnieuw komen grote aantallen mensen op de been. Maar nu hoeft hij niets meer te zeggen. Onder hen bevinden zich mensen uit een arbeidersbeweging die allang groter is geworden dan Ferdinand zelf. Sommigen zien in hem nog altijd ús Ferlosser. Anderen zijn sociaaldemocraat geworden en verschillen fundamenteel van hem over parlement en staat. Weer anderen delen vooral zijn antimilitarisme of vrijdenken. De massa bij zijn afscheid is daardoor geen eensgezinde politieke partij. Dat maakt het beeld juist sterker. De mensen komen niet omdat zij allemaal hetzelfde denken, maar omdat Ferdinand deel van hun geschiedenis is geworden.

Van Monnickendam naar Nij Beets

Dan kunnen we terugkijken naar 6 juli 1834. F.J. Domela Nieuwenhuis staat als jonge predikant in Monnickendam tussen een kleine Lutherse gemeente. Hij kent zijn mensen bij naam, bezoekt gezinnen en ziet armenzorg als christelijke verantwoordelijkheid. Een halve eeuw later staat zijn zoon bij Nij Beets tegenover duizenden stakende turfmakers terwijl infanteristen en marechaussees toekijken. De schaal is veranderd, maar vooral het antwoord. Vader vraagt hoe een gemeenschap haar armen behoort te helpen. Ferdinand vraagt waarom arbeiders afhankelijk blijven van mensen die grond, werk en kapitaal bezitten. En de arbeiders stellen uiteindelijk nog een derde vraag: wat kunnen wij zelf doen?

Daar ligt uiteindelijk de grootste verandering

Niet Ferdinand is daarom het eindpunt van dit verhaal. Dat zijn de mensen die na hem blijven staan wanneer zijn rijtuig of trein alweer vertrokken is. Wiebe Hankel roept de stakers bijeen. Baukje en Jacob de Jong lopen uren om een spreker te horen en dragen hun overtuiging daarna zelf verder. Van Emmenes noteert misstanden zodat ze in Den Haag kunnen worden besproken. Wilhelmina Drucker staat tussen duizenden mensen en maakt duidelijk dat maatschappelijke rechten niet alleen mannen aangaan. Andere socialisten kiezen later tegen Ferdinands wens voor de parlementaire weg. De massa die ooit riep dat haar verlosser kwam, leert uiteindelijk zonder hem verder te gaan.

En heel ver weg ligt nog de haven

Daarmee eindigt de reis veel verder van Monnickendam dan de kaart doet vermoeden. In 1834 rook vader Domela bij de Gouwzee vis, teer en hout en kende hij een wereld van vissers, ambachtslieden, kerk en plaatselijke armenzorg. Zijn zoon groeit op tussen spoorwegen, massakranten, stakingen, verkiezingen en politieke organisaties. Hij ziet arbeiders met duizenden tegelijk bijeenkomen, maar ook hoe zo'n massa weer uiteenvalt zodra honger, geloof en persoonlijke belangen gaan wegen. Tussen vader en zoon veranderde niet alleen het antwoord op armoede. De arme zelf veranderde van iemand die geholpen moest worden in iemand die zich begon af te vragen hoeveel macht hij gezamenlijk kon uitoefenen.

Deel 8 — Wanneer Nederland naar Domela komt luisteren, 1879–1891

1 september 1879 — de toga verdwijnt, de spreker blijft

Op 1 september 1879 is Ferdinand Domela Nieuwenhuis geen predikant meer. De kansel verdwijnt uit zijn dagelijks werk, maar spreken en schrijven niet. Sinds 1 maart verschijnt Recht voor Allen. Daarnaast reist hij naar vergaderingen waar arbeiders, ambachtslieden en politieke hervormers bijeenkomen. In Amsterdam treedt hij op voor de Sociaal-Democratische Vereeniging en behandelt de vraag wat socialisme is. Ferdinand hoeft zijn nieuwe publiek niet meer op zondag in één kerkgebouw te bereiken. Een toespraak kan in druk verschijnen, een krant kan met de trein naar een andere stad reizen en een plaatselijke vereniging kan hem uitnodigen om daar opnieuw te spreken.

Hendrik Gerhard heeft de weg al voorbereid

In Amsterdam treft Ferdinand een socialistische kring aan die ouder is dan zijn eigen politieke optreden. Kleermaker Hendrik Gerhard behoort ertoe. Ook Klaas Ris, Willem Ansing, P.J. Penning en andere arbeiders en vrijdenkers zijn actief. Op 7 juli 1878 was in Amsterdam al een sociaaldemocratische vereniging opgericht. Ferdinand stond daar aanvankelijk buiten. Na zijn vertrek uit de kerk schuiven zijn eigen activiteiten en die van deze groep snel naar elkaar toe. Op 7 september 1879 spreekt hij voor de Amsterdamse vereniging over socialisme. De professorenzoon stapt daarmee een beweging binnen waarin kleermakers, ambachtslieden en voormalige leden van de Internationale al eerder hebben vergaderd en georganiseerd.

Recht voor Allen brengt het socialisme met de post

Iedere week worden exemplaren van Recht voor Allen gedrukt en verspreid. Daarin staan niet alleen Ferdinands beschouwingen. Lezers krijgen berichten over politieke gebeurtenissen, arbeidersorganisaties en ontwikkelingen buiten Nederland. Een arbeider hoeft daardoor niet in Amsterdam of Den Haag te wonen om dezelfde discussie te kunnen volgen. Een exemplaar kan in een lokaal worden gelezen, worden doorgegeven of aanleiding geven tot een nieuwe vergadering. Het blad groeit uit tot het belangrijkste gedrukte middel rond Ferdinand en de jonge socialistische beweging. Het aantal lezers blijft naar latere maatstaven bescheiden; het blad bereikt nooit meer dan ongeveer 2.100 abonnees. Maar één abonnement kan door meer dan één persoon worden gelezen.

In 1880 krijgt Domela vijf stemmen

In 1880 proberen verschillende organisaties het beperkte kiesrecht zelf tot onderwerp van een verkiezing te maken. Onder voorzitterschap van Bernardus Hermanus Heldt werken het Werkliedenverbond, sociaaldemocraten en voorstanders van algemeen kiesrecht samen. Hendrik Gerhard wordt protestkandidaat voor de Amsterdamse gemeenteraad. Ferdinand wordt naar voren geschoven voor een tussentijds vrijgekomen zetel in de Tweede Kamer. Niemand verwacht dat hij werkelijk wordt gekozen. Gerhard krijgt twaalf stemmen, Ferdinand vijf. De aantallen zijn klein. De publiciteit is groter. Kranten schrijven over de kandidaturen en daarmee ook over de eis die erachter staat: uitbreiding van het kiesrecht tot mensen die zelf nog niet mogen stemmen.

In 1881 worden plaatselijke groepen één bond

Amsterdam staat niet meer alleen. Ook in Den Haag, Haarlem en Rotterdam ontstaan sociaaldemocratische verenigingen. In 1881 verbinden bestaande groepen zich in het Sociaal-Demokratisch Verbond, de eerste landelijke organisatie in Nederland met een socialistisch programma. Ferdinand wordt de bekendste leider en Recht voor Allen raakt steeds nauwer met de organisatie verbonden. Een vergadering in Amsterdam is daarmee niet langer uitsluitend een Amsterdamse zaak. Besluiten en berichten kunnen via de krant naar andere afdelingen gaan. Plaatselijke propagandisten organiseren daarna hun eigen bijeenkomsten. Het socialisme krijgt langzaam een netwerk van mensen, adressen, vergaderlokalen en bladen. De beweging begint een landelijke organisatie te worden.

De trein brengt krant en spreker naar het noorden

Vanaf 1881 maakt Ferdinand propagandatochten door Noord-Nederland. Hij reist per spoor naar plaatsen waar socialistische groepen nog klein zijn of helemaal niet bestaan. In zijn bagage kunnen kranten, brochures en aantekeningen mee. Na aankomst volgt een vergadering. Daarna reist Ferdinand verder, maar gedrukte teksten blijven achter. Iemand verkoopt Recht voor Allen, een ander probeert een volgende bijeenkomst te organiseren. Zo krijgen spoorlijn en drukpers samen een politieke functie. De trein brengt de spreker in enkele uren naar een andere provincie; de krant houdt zijn woorden daar langer aanwezig. Vooral in Friesland zal die combinatie belangrijk worden, wanneer plaatselijke arbeiders Ferdinands naam steeds beter leren kennen.

In Utrecht botsen Heldt en Domela

In 1882 wordt in Utrecht de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht gevormd. Bernardus Hermanus Heldt wil samenwerking mogelijk houden met mensen die het bestaande kiesrecht alleen willen uitbreiden. Ferdinand verlangt dat de nieuwe organisatie ondubbelzinnig voor algemeen kiesrecht kiest. Tijdens het congres wordt over beide richtingen gestemd. Ferdinands formulering krijgt 25 stemmen, die van de andere richting 23. Twee stemmen beslissen daarmee de koers. Het kiesrecht wordt een van de belangrijkste onderwerpen waarmee socialisten buiten het parlement campagne voeren. De tegenstelling tussen Heldt en Ferdinand is bovendien opvallend: enkele jaren eerder publiceerde Domela nog in Heldts Werkmansbode. Nu staan beiden tegenover elkaar over de politieke richting van de beweging.

In september 1883 verschijnt het protest langs de koninklijke route

Wanneer koning Willem III in september 1883 in Den Haag naar de opening van de Staten-Generaal rijdt, staan langs de route ook voorstanders van algemeen kiesrecht. Zij dragen opgerolde stroken papier. Zodra de koninklijke stoet passeert, worden die zichtbaar. In grote letters staat daarop: Algemeen Stemrecht. Elders proberen actievoerders toegang te krijgen tot de publieke tribune van de Tweede Kamer. Ferdinand beschrijft later hoe de kiesrechtbeweging in deze jaren snel groeit. De residentie waar hij kort daarvoor nog Lutherse predikant was, is nu het toneel van een politieke campagne die zich rechtstreeks richt tot koning, regering en parlement.

Recht voor Allen wordt steeds strijdbaarder

Ook de toon van Recht voor Allen verandert. Het blad was in 1879 begonnen als democratisch weekblad, maar beweegt met Ferdinand en de sociaaldemocratische beweging mee. Artikelen vallen bestaande machtsverhoudingen steeds scherper aan. Tegelijk brengt het blad berichten die in socialistische kring belangrijk zijn: vergaderingen, stakingen, kiesrechtacties en gebeurtenissen in het buitenland. Rond Recht voor Allen ontstaat een netwerk van medewerkers en lezers. Cornelis Croll behoort tot de mensen die nauw met Ferdinand samenwerken. De krant is daarmee tegelijk nieuwsblad, discussieplaats en organisatiemiddel. Wie een plaatselijke actie begint, kan erover berichten; wanneer het bericht wordt gedrukt, kunnen socialisten elders lezen wat er is gebeurd.

Op 25 juli 1886 loopt het in de Jordaan uit de hand

Op zondag 25 juli 1886 wordt in de Amsterdamse Jordaan palinggetrokken. De politie grijpt in tegen het verboden volksspel. Er ontstaan gevechten en barricades. De volgende dag worden militairen ingezet. Bij het Palingoproer vallen doden en gewonden. Ferdinand en andere socialisten worden met de onrust in verband gebracht, maar het oproer is geen georganiseerde socialistische opstand. De Jordaanbewoners vormen geen politieke eenheid. Onder hen bevinden zich socialisten, maar ook Oranjegezinde en gelovige arbeiders en mensen zonder politieke organisatie. Voor Ferdinand is dat onderscheid belangrijk: armoede en woede maken iemand niet automatisch socialist. De straat kan in opstand komen zonder dat een socialistische organisatie haar leidt.

In april verschijnt ‘De koning komt’

Enkele maanden vóór het Palingoproer heeft Recht voor Allen al een ander conflict veroorzaakt. Op 24 april 1886 verschijnt het artikel De koning komt. Koning Willem III wordt daarin scherp aangevallen. Het stuk is geschreven door Adriaan Boelens, die het pseudoniem Jansen gebruikt. Ferdinand is verantwoordelijk redacteur. Justitie vervolgt hem wegens majesteitsschennis. De zaak gaat daarmee niet alleen over een gedrukt artikel, maar ook over verantwoordelijkheid voor wat een krant publiceert. Een tekst die in een zetterij uit losse letters is samengesteld, brengt de redacteur uiteindelijk voor de rechter. Recht voor Allen blijkt niet alleen een middel om nieuws te verspreiden; wat erin staat kan ook tot gevangenisstraf leiden.

De rechtbank veroordeelt de redacteur

Tijdens de rechtsgang komt naar voren dat Adriaan Boelens het gewraakte artikel heeft geschreven. Toch wordt Ferdinand als verantwoordelijk redacteur veroordeeld. De straf bedraagt één jaar gevangenisstraf. Het gerechtshof bevestigt het vonnis. Ferdinand gaat vervolgens in cassatie. Op 10 januari 1887 verwerpt de Hoge Raad zijn verzoek. Die avond neemt hij in het Haagse gebouw Walhalla afscheid van zijn aanhangers. Een dag later volgt in Amsterdam een bijeenkomst in het Volkspark. De krant die hem tot landelijke socialistische woordvoerder heeft gemaakt, heeft hem nu ook voor de rechter gebracht. Negen dagen later moet hij zich melden om zijn straf te ondergaan.

Op 19 januari 1887 sluit de gevangenisdeur

Op 19 januari 1887 begint Ferdinand zijn gevangenisstraf. Hij krijgt gevangeniskleding en wordt volgens het regime van de inrichting behandeld. Buiten gaat de beweging door. Recht voor Allen blijft verschijnen en Cornelis Croll speelt daarbij een belangrijke rol. Familieleden en medestanders volgen Ferdinands behandeling nauwlettend. De gevangene kan zelf niet meer door Nederland reizen om vergaderingen toe te spreken, maar zijn naam verdwijnt niet uit de kranten. Integendeel. Voor tegenstanders bevestigt de veroordeling dat hij te ver gaat; onder veel aanhangers groeit zijn aanzien. Op 31 augustus 1887 komt hij door gratie vrij. De gevangenis heeft zijn politieke bekendheid niet gebroken.

In Friesland krijgt zijn naam een ander gewicht

Na zijn vrijlating trekt Ferdinand opnieuw naar vergaderingen. Vooral in Friesland krijgt hij een groot gehoor. Daar liggen veengebieden waar arbeiders voor hun inkomen afhankelijk zijn van zwaar seizoenswerk. Rond Nij Beets, Appelscha en andere plaatsen wonen gezinnen dicht bij de veenderijen. Werkloosheid of een lager loon raakt onmiddellijk het huishouden. Recht voor Allen brengt berichten over zulke arbeidsconflicten en socialistische propagandisten reizen naar het gebied. Ferdinands afkomst uit een professorengezin is hier geen voordeel dat hij kan verbergen; juist het verschil is opvallend. De voormalige predikant spreekt voor mensen wier huizen, werk en inkomen ver verwijderd zijn van de wereld waarin hij zelf is opgegroeid.

In april 1888 leggen polderwerkers het werk neer

In april 1888 staken arbeiders bij werkzaamheden aan het Tjongerkanaal. De Sociaal-Democratische Bond stuurt Adrianus van Emmenes naar de stakers. Hij spreekt met arbeiders en verzamelt gegevens over hun omstandigheden. Na het conflict vragen ook arbeiders uit Hoornsterzwaag, Terwispel en Weststellingwerf om zijn komst. Van Emmenes schrijft op wat hij aantreft. Daardoor krijgt Ferdinand materiaal dat niet uit een theoretisch boek komt. Een plaatselijke propagandist spreekt met arbeiders, noteert hun klachten en brengt die informatie verder. Wanneer Ferdinand kort daarna in de Tweede Kamer terechtkomt, kan hij zulke gegevens gebruiken om de omstandigheden van Friese arbeiders in Den Haag ter sprake te brengen.

Schoterland zet zijn naam op het stembiljet

Bij de verkiezingen van 1888 is Ferdinand kandidaat in Amsterdam, Groningen en het Friese Schoterland. In Amsterdam krijgt hij in de eerste ronde 1.064 stemmen, in Groningen 726 en in Schoterland 769. In Schoterland bereikt hij de herstemming. Daar staat hij tegenover Bernardus Hermanus Heldt, de man in wiens Werkmansbode tien jaar eerder zijn Sociale Brieven verschenen. Antirevolutionaire kiezers krijgen van Abraham Kuyper het advies niet de liberale kandidaat te steunen. Bij de herstemming wordt Ferdinand gekozen. Zijn overwinning komt daarmee niet uitsluitend van socialistische arbeiders, maar ook van kiezers uit andere maatschappelijke en politieke groepen.

1 mei 1888 — Keuchenius steekt zijn hand uit

Op 1 mei 1888 begint Ferdinands Kamerlidmaatschap. Hij is de enige sociaal-democraat in de Tweede Kamer. Bij zijn binnenkomst komt volgens de overlevering één Kamerlid hem de hand reiken: Levinus Wilhelmus Christiaan Keuchenius, antirevolutionair en bepaald geen socialist. Ferdinand krijgt een plaats tussen mannen die via andere politieke stromingen en maatschappelijke milieus naar het Binnenhof zijn gekomen. Buiten de Kamer kan hij een volle zaal toespreken. Hier bepalen reglementen, commissies en stemmingen wat er gebeurt. Hij brengt onderwerpen als arbeidsomstandigheden, gedwongen winkelnering en de positie van veenarbeiders ter sprake. De socialistische spreker moet nu leren werken in een parlement waarin hij alleen staat.

Adrianus van Emmenes reist op papier mee naar Den Haag

De aantekeningen van Adrianus van Emmenes krijgen nu een tweede leven. Wat hij tijdens zijn reizen door Friesland van arbeiders heeft gehoord en opgeschreven, kan Ferdinand in de Tweede Kamer gebruiken. De afstand tussen een veenarbeider en het Binnenhof wordt daardoor in enkele stappen overbrugd. Eerst vertelt een arbeider over loon of werkomstandigheden. Van Emmenes noteert het. De informatie bereikt Ferdinand. Vervolgens kan zij in een Kamerrede terechtkomen en daarna opnieuw door kranten worden afgedrukt. De pers werkt in twee richtingen: nieuws uit Den Haag bereikt de arbeider, maar informatie uit een Fries veendorp kan via dezelfde gedrukte wereld terugkeren naar de landelijke politiek.

Op 30 maart 1889 zit Café Zwart vol

Op zaterdag 30 maart 1889 spreekt Ferdinand in Appelscha ten huize van K. Zwart, in Café Zwart. Onder de aanwezigen bevinden zich Jacob de Jong, zijn vrouw Baukje en Jacobs vader Roel de Jong. Jacob is socialist en drankbestrijder. Voor een andere toespraak van Ferdinand lopen Jacob en Baukje op klompen naar Heerenveen, een tocht van ongeveer zeven uur. Zij betalen geen treinreis om een beroemd politicus te zien; zij gebruiken hun eigen voeten. Ferdinands Kamerzetel heeft hem ondertussen niet uit de vergaderzalen gehaald. Juist in dorpen als Appelscha krijgt zijn politieke optreden een publiek dat bereid is grote afstanden af te leggen.

Burgemeester Van der Loeff laat ieder woord noteren

Niet iedereen in Café Zwart komt om Ferdinand te steunen. Burgemeester Van der Loeff is eveneens aanwezig. Hij wil weten wat de socialist tegen de arbeiders zegt. Op zijn verzoek maakt meester Rijpkema, hoofd van de school in Oosterwolde, een uitgebreid verslag van de bijeenkomst. Dat rapport gaat naar de Commissaris van de Koning. Terwijl Jacob en Baukje de toespraak als medestanders horen, luistert het plaatselijke bestuur vanuit een heel andere positie. Dezelfde woorden komen daardoor in twee archieven terecht: in de herinnering van socialisten en in de stukken van de overheid. Ferdinands bijeenkomsten worden niet alleen bezocht. Ze worden ook gevolgd, beschreven en gerapporteerd.

Op 21 april 1890 trekt Nij Beets naar één plaats

In het voorjaar van 1890 staken de turfmakers rond Nij Beets. Op maandag 21 april verspreidt zich het bericht dat Ferdinand komt. Arbeiders trekken naar de appèlplaats bij het café van Evert Dam. Rond het middaguur arriveert Domela met zijn zoon en Tjeerd Stienstra. De overheid heeft eveneens mensen gestuurd: infanteristen en marechaussees houden toezicht. Ongeveer 2.000 tot 2.500 stakers verzamelen zich. Ferdinand is inmiddels geen onbekende Haagse spreker meer. Onder de Friese arbeiders wordt hij ús Ferlosser genoemd. De bijnaam krijgt deze middag een zichtbaar lichaam: duizenden mensen laten hun werk liggen en lopen naar dezelfde plek omdat Domela is aangekomen.

Wiebe Hankel roept de stakers bijeen

Ferdinand trekt met de stakers verder naar de herberg van De Wit, waar meer ruimte is. Een opschrift begroet hem met de woorden Recht en Brood voor Allen. De volgende dag verzamelt de groep zich opnieuw. Appèlmeester Wiebe Hankel uit Noordwolde spreekt de arbeiders toe en vraagt of zij nog achter hun eerdere besluit staan. Ferdinand is de beroemde naam, maar Hankel vervult ter plaatse een andere noodzakelijke taak. Een staking van duizenden mensen kan niet iedere ochtend door één landelijke leider worden georganiseerd. Er zijn appèlmeesters, plaatselijke contactpersonen en arbeiders nodig die afspraken doorgeven. De beweging krijgt daardoor naast Ferdinand steeds meer eigen gezichten.

Op 28 april worden broodbonnen uitgedeeld

Een week later staan opnieuw ongeveer 2.000 stakers bij het café van Evert Dam. Wiebe Hankel leidt het appèl en de groep trekt weer naar De Wit. Vijftien veenbazen onderhandelen over de eisen. Militairen blijven in de omgeving. Ondertussen ontstaat een ander probleem: wie niet werkt, ontvangt geen loon. Voor de armste gezinnen wordt iedere extra stakingsdag moeilijker. Ferdinand en Tjeerd Stienstra delen na afloop voedselbonnen voor brood uit. De grote politieke woorden krijgen daarmee een klein formaat van papier dat bij een bakker tegen voedsel kan worden ingewisseld. De staking draait om loon en macht, maar aan het einde van de dag moet er ook gegeten worden.

Op 17 augustus 1890 komen duizenden naar Het Meer

Op 17 augustus 1890 vindt bij Het Meer, bij Heerenveen, een massale bijeenkomst voor algemeen kiesrecht plaats. Naar schatting 12.000 tot 15.000 mensen komen bijeen. De menigte is zo groot dat verschillende spreekplaatsen nodig zijn. Acht sprekers treden op. Ook Wilhelmina Drucker staat er voor het publiek. Burgemeester De Blocq van Scheltinga komt persoonlijk kijken vanwege zorgen over mogelijke onrust. Ferdinand ziet hier iets wat tien jaar eerder nauwelijks voorstelbaar was. In 1880 kreeg hij als protestkandidaat voor de Tweede Kamer vijf stemmen. Nu reizen duizenden mensen naar Friesland om naar sprekers over politieke en maatschappelijke verandering te luisteren.

De kranten maken van één bijeenkomst een landelijk bericht

Wanneer de mensen bij Het Meer naar huis gaan, is de bijeenkomst nog niet voorbij. Kranten kunnen de aantallen, toespraken en reacties van bestuurders afdrukken. Socialistische bladen leggen andere accenten dan burgerlijke of confessionele kranten. Wie niet aanwezig was, krijgt daardoor verschillende versies van dezelfde gebeurtenis te lezen. Ferdinand kent inmiddels beide kanten van dat proces. Hij is onderwerp van nieuws én maakt met Recht voor Allen zelf nieuws. Een rede kan de volgende dag worden samengevat, aangevallen of verdedigd. De drukpers die in Harlingen ooit berichten over de Frans-Duitse Oorlog bij hem bracht, is twintig jaar later een van de belangrijkste wapens van zijn eigen beweging.

In 1891 verliest hij zijn Kamerzetel

Na drie jaar eindigt Ferdinands Kamerlidmaatschap. In 1891 wordt hij niet herkozen. Daarmee verdwijnt de enige sociaal-democraat uit de Tweede Kamer. Buiten het Binnenhof is zijn beweging ondertussen veel groter dan bij zijn aantreden. Hij heeft in Friesland duizenden stakers en demonstranten gezien, terwijl hij in Den Haag als één man tussen honderd Kamerleden zat. Zijn vertrouwen in parlementaire arbeid neemt af. De verkiezingsnederlaag betekent daarom niet dat hij zich uit de politiek terugtrekt. Hij keert juist sterker terug naar kranten, vergaderingen en arbeidersorganisaties. De vraag verandert: niet alleen wie namens arbeiders in het parlement spreekt, maar hoeveel zij zelf buiten dat parlement kunnen organiseren.

Deel 9 — De beweging kiest verschillende wegen, 1891–1898

In september 1891 loopt Domela het Binnenhof uit

Op 15 september 1891 eindigt het Kamerlidmaatschap van Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Drie jaar heeft hij voor Schoterland in de Tweede Kamer gezeten. Nu keert hij terug naar de wereld waarin hij vóór zijn verkiezing zijn grootste publiek vond: vergaderzalen, arbeidersverenigingen en de drukpers. Recht voor Allen blijft verschijnen. Berichten uit Friesland, Groningen, Amsterdam en het buitenland komen op de redactietafel terecht en vertrekken opnieuw als gedrukte krant naar de lezers. Domela heeft het parlement van binnen gezien en verwacht steeds minder van verkiezingen en Kamerwerk. Binnen de socialistische beweging denken andere mannen daar juist anders over. Daarmee begint een conflict dat de beweging uiteindelijk zal splitsen.

Pieter Jelles Troelstra kiest juist voor politieke actie

In Friesland verschijnt ondertussen Pieter Jelles Troelstra steeds nadrukkelijker in de socialistische beweging. Hij is advocaat, Fries schrijver en journalist. Vanaf 1892 werkt hij binnen de Sociaal-Democratische Bond. Waar Domela na zijn Kamerjaren steeds minder vertrouwen krijgt in parlementaire politiek, wil Troelstra verkiezingen juist blijven gebruiken. Frank van der Goes en Henri van Kol behoren eveneens tot de socialisten die politieke actie niet willen opgeven. De tegenstelling gaat daarmee niet over het bestaan van armoede of de wens de maatschappelijke verhoudingen te veranderen. Het verschil zit in de weg ernaartoe. Moeten arbeiders Kamerzetels veroveren, of moeten zij hun macht vooral buiten het parlement opbouwen?

Wilhelmina Drucker — vrouwen eisen hun eigen plaats

Wilhelmina Drucker wacht niet af tot socialistische mannen de positie van vrouwen voor haar regelen. In oktober 1889 heeft zij met onder anderen Grietje en Henriëtte Cohen, Theodora van Campen-Doesburg, Feitje Acronius-Duinker en Maria Mater-Vonk de Vrije Vrouwenvereeniging opgericht. In 1890 stond Drucker al op de grote kiesrechtbijeenkomst bij Het Meer. Nu bouwt zij verder aan een zelfstandige vrouwenbeweging. Vrouwen werken in fabrieken, werkplaatsen, huishoudens en winkels, maar hebben geen kiesrecht. Sinds de grondwetsherziening van 1887 staat bovendien uitdrukkelijk vast dat kiezers mannen zijn. De strijd om algemeen kiesrecht krijgt daarmee een vraag die niet meer kan worden ontweken: geldt ‘algemeen’ ook voor vrouwen?

Aletta Jacobs heeft de kieswet al op de proef gesteld

Die vraag is niet nieuw. In maart 1883 heeft arts Aletta Jacobs de Amsterdamse gemeenteraad gevraagd haar op de kiezerslijst te plaatsen. Zij voldoet volgens haar verzoek aan de wettelijke eisen die voor belastingbetalende kiezers gelden. De gemeente weigert. Jacobs gaat naar de rechtbank en vervolgens naar de Hoge Raad, maar krijgt geen kiesrecht. Bij de grondwetsherziening van 1887 wordt iedere mogelijke twijfel weggenomen: de Grondwet spreekt voortaan over mannelijke ingezetenen. Wanneer Drucker enkele jaren later voor vrouwenkiesrecht strijdt, begint zij dus niet bij een theoretisch probleem. De Nederlandse wet sluit vrouwen inmiddels uitdrukkelijk van de landelijke verkiezingen uit.

Recht voor Allen brengt de ruzie bij de lezers thuis

Binnen de Sociaal-Democratische Bond wordt ondertussen steeds feller over de politieke koers geschreven. Recht voor Allen is daarbij niet alleen verslaggever. Het blad kiest positie. Artikelen over verkiezingen, parlementen, stakingen en buitenlandse socialistische partijen geven lezers argumenten voor de ene of andere richting. Ook tegenstanders beschikken over bladen, brochures en vergaderingen. Daardoor hoeft een conflict niet meer binnen één congreszaal te blijven. Een toespraak wordt samengevat, een artikel krijgt antwoord en daarop volgt weer een ingezonden stuk of brochure. De drukpers die de socialistische beweging heeft helpen verbinden, maakt nu ook zichtbaar hoe diep de verschillen binnen diezelfde beweging zijn geworden.

De algemene werkstaking komt tegenover het stembiljet te staan

Domela verwacht steeds meer van rechtstreekse actie door arbeiders zelf. De algemene werkstaking krijgt daarbij een belangrijke plaats. Wanneer arbeiders gezamenlijk weigeren te werken, raakt dat rechtstreeks de productie en het vervoer. Daarvoor is geen Kamerzetel nodig. Duitse socialisten als August Bebel en Wilhelm Liebknecht denken daar anders over en hechten veel sterker aan partijorganisatie en verkiezingen. Ook in Nederland groeit die tegenstelling. Troelstra en Van der Goes willen politieke macht niet aan tegenstanders overlaten. Christiaan Cornelissen blijft dichter bij Domela en verdedigt een revolutionairder koers. De mannen die enkele jaren eerder nog onder dezelfde socialistische naam optraden, beginnen zich rondom twee verschillende strategieën te groeperen.

In 1893 wordt ook het vrouwenkiesrecht zelfstandig georganiseerd

Wilhelmina Drucker trekt ondertussen haar eigen conclusie uit de kiesrechtstrijd. Vrouwen zijn welkom geweest in verenigingen die uitbreiding van het kiesrecht verlangen, maar wanneer nieuwe voorstellen worden besproken blijkt vrouwenkiesrecht voor veel mannen geen voorwaarde. In 1893 neemt Drucker daarom met onder anderen Theodore Haver en D.G. Stokvis het initiatief tot een afzonderlijke organisatie. Op 5 februari 1894 wordt de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgericht. Aletta Jacobs zal zich eveneens bij de beweging aansluiten. Daarmee krijgt het vrouwenkiesrecht een eigen organisatie. Vrouwen hoeven niet langer te wachten tot liberalen, socialisten of andere kiesrechtverenigingen hun politieke rechten meenemen in een breder programma.

Tak van Poortvliet legt een nieuwe kieswet op tafel

In 1892 treedt Johannes Tak van Poortvliet aan als minister van Binnenlandse Zaken. Hij werkt aan een sterke uitbreiding van het mannenkiesrecht. Zijn voorstel maakt de vraag naar deelname aan verkiezingen binnen de socialistische beweging nog dringender. Wanneer veel meer arbeiders straks kunnen stemmen, willen Troelstra, Van der Goes en hun medestanders dat middel gebruiken. Voor Domela verandert uitbreiding van het kiesrecht zijn bezwaren tegen het parlementaire stelsel niet. Zo krijgt een wetsvoorstel uit Den Haag gevolgen tot diep in socialistische vergaderzalen. Terwijl de Kamer over kiesrecht praat, moet de Sociaal-Democratische Bond beslissen of hij straks überhaupt nog kandidaten naar diezelfde Kamer wil sturen.

In Zürich staat Domela tegenover Bebel en Liebknecht

In augustus 1893 komen socialisten uit verschillende landen bijeen op het internationale congres in Zürich. Domela verdedigt er zijn opvattingen tegenover leiders van de Duitse sociaaldemocratie. August Bebel en Wilhelm Liebknecht vertrouwen juist op een sterke politieke partij, verkiezingen en vertegenwoordiging in het parlement. De Duitse beweging beschikt inmiddels over een grote organisatie en veel kiezers. Domela legt meer nadruk op de algemene werkstaking en wantrouwt een socialistische beweging die haar kracht steeds meer aan parlementaire zetels ontleent. Het conflict dat in Nederlandse vergaderzalen speelt, blijkt daarmee onderdeel van een veel bredere discussie binnen het Europese socialisme.

Met Kerstmis 1893 wordt in Groningen gestemd

Tijdens het kerstcongres van de Sociaal-Democratische Bond in Groningen ligt de tegenstelling op tafel. De afdeling Hoogezand-Sappemeer heeft een duidelijke motie ingediend: de Bond moet onder geen enkele voorwaarde, ook niet als agitatiemiddel, aan verkiezingen deelnemen. Een voorstel uit Maastricht kiest juist voor politieke strijd en het veroveren van staatsmacht. De stemming valt uit in het voordeel van Hoogezand-Sappemeer: 47 stemmen vóór, 40 tegen en 14 onthoudingen. Domela probeert nog een referendum onder de leden over de motie te laten houden. Dat voorkomt de breuk niet. De parlementaire minderheid staat na Groningen voor de vraag of zij nog binnen dezelfde organisatie kan blijven.

De krant kan de twee richtingen niet meer bijeenhouden

Na Groningen staan dezelfde woorden op papier, maar zij betekenen niet meer voor iedereen hetzelfde. Socialisten die verkiezingen willen gebruiken, weigeren zich neer te leggen bij een organisatie die deelname verbiedt. Domela en zijn medestanders vrezen juist dat verkiezingen arbeiders afhankelijk maken van beroepspolitici en parlementen. In Recht voor Allen wordt het conflict verder uitgevochten. Brochures, ingezonden stukken en andere socialistische bladen doen hetzelfde. De drukpers kan berichten sneller verspreiden dan ooit, maar kan geen overeenstemming afdwingen. Mannen die jarenlang op dezelfde vergaderingen hebben gesproken, bereiden nu afzonderlijke organisaties voor. Het Nederlandse socialisme staat in 1894 voor zijn eerste grote blijvende scheuring.

Op 26 augustus 1894 wordt in Zwolle de SDAP opgericht

Op 26 augustus 1894 komen twaalf mannen in Zwolle bijeen om een nieuwe partij op te richten: de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Onder hen bevinden zich Pieter Jelles Troelstra, Willem Vliegen, Frank van der Goes en Henri van Kol. Zij kiezen uitdrukkelijk voor deelname aan verkiezingen en parlementaire politiek. De nieuwe partij neemt een programma dat sterk is beïnvloed door de Duitse sociaaldemocratie. De oprichters worden later de ‘twaalf apostelen’ genoemd. Domela gaat niet mee. De man die jarenlang de bekendste naam van het Nederlandse socialisme is geweest, staat voortaan tegenover een tweede socialistische organisatie die eveneens arbeiders wil vertegenwoordigen, maar daarvoor juist het stembiljet en het parlement wil gebruiken.

Op 3 december 1894 spreekt de Hoge Raad

Ook de oude organisatie krijgt een zware slag. Op 3 december 1894 doet de Hoge Raad uitspraak in een zaak tegen drie bestuurders van de Sociaal-Democratische Bond: A. Rot, S.W. Coltof en Christiaan Cornelissen. De Bond wordt beschouwd als een vereniging die strijdig is met de openbare orde, omdat zij ook onwettige middelen aanvaardt om de bestaande maatschappelijke orde omver te werpen. De organisatie kan daardoor niet onder haar oude vorm verder. Op 4 december verschijnt Recht voor Allen zonder de ondertitel waarin het blad zich orgaan van de Sociaal-Democratische Partij noemt. De beweging gaat verder onder de naam Socialistenbond.

Drucker zet naast de politieke strijd een eigen drukpers

Wilhelmina Drucker vertrouwt evenmin uitsluitend op vergaderingen. Samen met Dora Schook-Haver begint zij in 1893 het weekblad Evolutie. Daarin kunnen vrouwen zelf schrijven over kiesrecht, arbeid, huwelijk, onderwijs en hun maatschappelijke positie. De werkwijze lijkt op een middel dat Domela al jaren gebruikt: een eigen blad maakt het mogelijk rechtstreeks tot lezers te spreken zonder afhankelijk te zijn van de redactie van een ander. Maar Drucker bouwt daarmee een zelfstandige beweging op. Vrouwenemancipatie hoeft niet als onderdeel van een socialistisch, liberaal of confessioneel programma te wachten. Naast Recht voor Allen ligt nu een blad waarin vrouwen zelf bepalen welke onderwerpen voor hen op de voorgrond staan.

In 1896 krijgen meer mannen een stembiljet

De kiesrechtstrijd levert ondertussen een nieuwe wet op. De Kieswet van Samuel van Houten uit 1896 vergroot het aantal mannelijke kiezers aanzienlijk. Algemeen mannenkiesrecht is het nog niet en vrouwen blijven geheel uitgesloten. Voor de SDAP biedt de uitbreiding nieuwe mogelijkheden om kandidaten te stellen en kiezers te organiseren. Voor Domela bewijst een groter electoraat niet dat parlementaire politiek de juiste weg is. Het verschil tussen beide socialistische richtingen wordt daardoor juist concreter. Troelstra kan nieuwe kiezers proberen te bereiken; Domela blijft waarschuwen voor vertrouwen in vertegenwoordigers en staatsinstellingen. Wat enkele jaren eerder een discussie op congressen was, wordt nu zichtbaar in twee verschillende manieren van politieke organisatie.

In Londen wordt de breuk internationaal zichtbaar

Op het internationale socialistische congres in Londen in 1896 botsen dezelfde richtingen opnieuw. De parlementaire sociaaldemocratie krijgt binnen de internationale beweging de sterkste positie. De SDAP wordt als Nederlandse vertegenwoordiger van die richting erkend. Domela staat steeds verder buiten het socialisme dat zich rondom politieke partijen en verkiezingen organiseert. Wanneer de Nederlandse SDAP-delegatie later in Amsterdam verslag doet van het congres, wordt hij volgens een contemporaine beschrijving zelfs uitgefloten. De man die enkele jaren eerder vrijwel het gezicht van het Nederlandse socialisme was, krijgt nu openlijk tegenstand van andere socialisten. Het conflict gaat niet meer over één motie. Er bestaan inmiddels afzonderlijke organisaties, kranten en internationale contacten.

Ook de Socialistenbond kan de tegenstelling niet oplossen

Op het congres van de Socialistenbond in Rotterdam in 1897 komt de verkiezingskwestie opnieuw terug. De organisatie is officieel antiparlementair, maar besluit leden individueel vrij te laten om aan verkiezingen deel te nemen en zich zelfs kandidaat te stellen. Daarmee probeert de Bond twee richtingen binnen één organisatie te houden. Voor Domela gaat die ruimte te ver. Zijn ontwikkeling heeft hem juist verder van partijpolitiek en parlement gebracht. Hij noemt zijn richting steeds vaker vrij socialisme en beweegt naar het anarchisme. Binnen de Bond wordt daardoor opnieuw zichtbaar wat sinds Groningen niet is opgelost: sommige leden willen het stembiljet gebruiken, terwijl anderen politieke vertegenwoordiging zelf als onderdeel van het probleem beschouwen.

Recht voor Allen en Domela gaan uit elkaar

Sinds 1 maart 1879 heeft Recht voor Allen bijna twintig jaar naast Ferdinand gestaan. Het blad bracht stakingen, verkiezingen, processen, buitenlandse berichten en discussies binnen de beweging bij zijn lezers. Ferdinand schreef er zelf ontelbare kolommen voor. Aan het einde van 1897 legt hij de redactie neer. Ook de Socialistenbond verlaat hij. De krant waarmee hij van voormalig predikant tot de bekendste socialistische voorman van Nederland is uitgegroeid, gaat zonder hem verder. Ferdinand kiest nu voor een beweging zonder parlementaire partijdiscipline en zonder centraal politiek gezag. De breuk met de kansel uit 1879 krijgt daarmee bijna twintig jaar later een tweede breuk: nu met de georganiseerde sociaaldemocratie.

In april 1898 verschijnt De Vrije Socialist

Op 2 april 1898 verschijnt Ferdinands nieuwe blad, De Vrije Socialist. De titel zegt al welke richting hij kiest. Geen kerkelijke autoriteit, maar ook geen partijbestuur of parlement moet volgens deze opvatting de samenleving van bovenaf ordenen. Domela werkt voortaan binnen het vrije socialisme en anarchisme. Rond hem staan nog steeds arbeiders en medestanders, maar de grootste socialistische partijorganisatie ontwikkelt zich inmiddels elders, bij Troelstra en de SDAP. De drukpers blijft Ferdinands belangrijkste middel. In 1870 had een krant hem berichten over de Frans-Duitse Oorlog gebracht. Achtentwintig jaar later laat hij opnieuw papier bedrukken, nu voor een beweging die zonder parlementaire partij verder wil.

Deel 10 — De oude strijder ziet Nederland veranderen, 1898–1919

Op 2 april 1898 ligt De Vrije Socialist bij de lezers

Op 2 april 1898 verschijnt Ferdinands nieuwe blad, De Vrije Socialist. Na zijn breuk met de Socialistenbond heeft hij opnieuw een eigen drukwerk nodig om zijn ideeën te verspreiden. De krant brengt berichten over stakingen, vakorganisaties, militarisme en de internationale arbeidersbeweging. Ferdinand schrijft er zelf voor en gebruikt het blad om het parlementaire socialisme van de SDAP te bestrijden. Pieter Jelles Troelstra en zijn medestanders kiezen verkiezingen en Kamerzetels; Ferdinand verwacht meer van arbeiders die zichzelf organiseren en rechtstreeks handelen. De twee richtingen beschikken nu ieder over vergaderingen, organisaties en gedrukte woorden waarmee zij arbeiders proberen te bereiken.

Het Nationaal Arbeids-Secretariaat kiest een andere weg

Naast de politieke partijen groeit een vakbeweging die niet op het parlement wil wachten. Het Nationaal Arbeids-Secretariaat, opgericht in 1893, brengt verschillende vakorganisaties bijeen. Rond het NAS bestaan nauwe contacten met revolutionaire socialisten en anarchisten. Ferdinand ziet in zulke zelfstandige arbeidersorganisaties een middel dat beter bij zijn ideeën past dan een Kamerfractie. Een staking grijpt immers rechtstreeks in op het bedrijf: machines blijven staan, goederen worden niet vervoerd en werkgevers moeten reageren. De arbeiders beschikken daarmee over iets wat een verkiezing niet geeft: onmiddellijke economische macht. Rond de eeuwwisseling bewegen Ferdinand, het NAS en delen van de vrije socialistische beweging steeds dichter naar elkaar toe.

Een portret van Domela hangt in arbeiderswoningen

Ferdinand heeft geen Kamerzetel meer en leidt geen grote politieke partij, maar zijn naam verdwijnt niet. Vooral onder oudere socialisten en in delen van Friesland blijft zijn aanzien groot. Zijn portret hangt in arbeiderswoningen. De bijnaam ús Ferlosser, die hij onder Friese veenarbeiders heeft gekregen, blijft aan hem verbonden. Nieuwe socialistische leiders staan ondertussen naast hem. Troelstra bouwt de SDAP uit tot een parlementaire partij. Vakbondsbestuurders ontwikkelen eigen organisaties. Jongere arbeiders kennen daardoor meerdere leiders, kranten en richtingen. De tijd waarin vrijwel iedere Nederlandse socialist uiteindelijk bij Domela terechtkwam, is voorbij. Zijn persoonlijke aanzien blijft echter veel groter dan de omvang van zijn anarchistische organisatie.

Op 31 januari 1903 staan de treinen stil

Op zaterdag 31 januari 1903 leggen spoorwegarbeiders het werk neer. De staking begint na een conflict rond haven- en transportarbeiders in Amsterdam en grijpt snel om zich heen. Treinen vallen uit en goederen blijven staan. De spoorwegen verbinden havens, fabrieken en steden; juist daardoor heeft het stilleggen ervan onmiddellijk gevolgen. Werkgevers geven aanvankelijk toe. Voor Ferdinand is de gebeurtenis bijzonder. Jarenlang heeft hij geschreven dat arbeiders door rechtstreekse economische actie macht kunnen uitoefenen. Nu ziet hij spoorwegpersoneel zonder verkiezing of Kamerzetel het vervoer ontregelen en concessies afdwingen. De gebeurtenissen brengen zijn oude verwachting van directe arbeidersmacht plotseling dichtbij.

De kranten liggen vol met de spoorwegstaking

Binnen enkele uren wordt de staking landelijk nieuws. Kranten melden stilstaande treinen, onderhandelingen en de gevolgen voor het vervoer. Socialistische en anarchistische bladen bekijken dezelfde gebeurtenis vanuit hun eigen politieke richting. Ferdinand volgt de ontwikkelingen niet alleen als lezer. Hij reist opnieuw langs bijeenkomsten en mengt zich in de agitatie. Ook Troelstra, Henriette Roland Holst en andere sociaaldemocraten spreken over de staking. Mannen en vrouwen die enkele jaren eerder over parlement of directe actie tegenover elkaar stonden, bevinden zich nu rond hetzelfde arbeidsconflict. Maar hun oude meningsverschillen zijn niet verdwenen. Zodra de vraag komt wat na de eerste overwinning moet gebeuren, worden die opnieuw belangrijk.

Abraham Kuyper antwoordt vanuit Den Haag

Minister-president Abraham Kuyper laat het niet bij de gebeurtenissen van januari. Zijn regering werkt aan wetten die stakingen van spoorwegpersoneel strafbaar moeten maken. Op 18 februari 1903 worden de wetsontwerpen ingediend. Tegenstanders spreken al snel van de worgwetten. Twee dagen later wordt een Comité van Verweer gevormd. Daarin werken verschillende vakorganisaties, het Nationaal Arbeids-Secretariaat, de SDAP en de Vrije Socialistische Vereeniging samen. Ferdinand bevindt zich daarmee opnieuw in een breed arbeidersfront waarin ook zijn politieke tegenstanders zitten. De regering bereidt zich ondertussen veel beter voor dan in januari. Spoorwegen zijn niet alleen bedrijven; zij zijn inmiddels onmisbaar voor het functioneren van het land.

Op 5 april begint de tweede spoorwegstaking

Op 5 april 1903 breekt opnieuw een spoorwegstaking uit. Ditmaal staat de regering klaar. Militairen worden ingezet om spoorlijnen en stations te bewaken en het vervoer gaande te houden. De gehoopte uitbreiding naar andere bedrijfstakken blijft beperkt. Protestantse en katholieke arbeidersorganisaties doen niet mee. Binnen de socialistische en vakbeweging bestaat bovendien verschil over de leiding van de strijd. Wat in januari als een snelle overwinning begon, wordt in april een veel moeilijker confrontatie. Op 9 april nemen beide Kamers de spoorwegwetten aan. Diezelfde dag loopt de staking vast. Voor veel betrokken arbeiders volgen ontslag, uitsluiting of andere gevolgen.

Op 1 mei staat Ferdinand in het Paleis voor Volksvlijt

Drie weken na het mislukken van de staking gaat Ferdinand op 1 mei 1903 naar het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. De bijeenkomst vindt plaats onder de indruk van wat in april is gebeurd. Ferdinand beschrijft later hoe zwaar hij tegen deze vergadering opziet. De arbeidersbeweging telt slachtoffers van de nederlaag en de regering heeft de nieuwe wetten aangenomen. De eerste staking had laten zien hoe sterk gezamenlijk optreden kon zijn; de tweede hoe kwetsbaar een beweging werd wanneer organisaties verdeeld waren en de overheid voorbereid reageerde. De spoorwegstaking wordt daarmee een breukpunt. De tegenstelling tussen vrije socialisten, syndicalisten en parlementaire sociaaldemocraten wordt na 1903 nog scherper.

In 1904 richt Domela een antimilitaristische vereniging op

Een jaar later richt Ferdinand zijn aandacht opnieuw op het leger en oorlog. In 1904 behoort hij tot de oprichters van de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging. Het uitgangspunt sluit aan bij ideeën die hij al veel eerder heeft verdedigd: arbeiders uit verschillende landen moeten niet tegenover elkaar in legers worden geplaatst. Dienstweigering en internationale arbeidersactie moeten oorlog tegengaan. Daarmee keert een onderwerp uit Harlingen terug. In september 1870 had de jonge Lutherse predikant rode biljetten laten ophangen voor een vredesbijeenkomst. Vierendertig jaar later is hij geen predikant meer en spreekt hij niet meer over een adres aan de koning. Hij organiseert nu antimilitaristen buiten kerk en parlement.

De Vrije Socialist blijft iedere week verschijnen

Terwijl politieke partijen verkiezingen voorbereiden en vakbonden leden organiseren, blijft Ferdinand schrijven. De Vrije Socialist brengt zijn artikelen naar lezers die niet met de SDAP of confessionele arbeidersorganisaties meegaan. De krant behandelt stakingen, militarisme, koningschap en buitenlandse gebeurtenissen. De productie blijft tastbaar werk: kopij moet worden geschreven, gezet, gedrukt en verspreid. Andere arbeidersbladen concurreren om dezelfde lezers. De SDAP beschikt vanaf 1900 over Het Volk. Daarnaast bestaan vakbladen en andere socialistische kranten. Een arbeider die rond 1905 politiek nieuws wil lezen, kan daardoor uit verschillende bladen kiezen. De socialistische pers is niet langer één kleine kring rond Recht voor Allen.

Het Volksdagblad verdwijnt in 1908

Naast Ferdinands eigen blad bestaat Het Volksdagblad, dat nauw verbonden raakt met sociaal-anarchistische kringen en het NAS. Na de spoorwegstakingen van 1903 krijgt de krant het financieel steeds moeilijker. Het aantal abonnees daalt en concurrenten trekken lezers weg. Ferdinand probeert het blad nog overeind te houden en helpt bij het zoeken naar een nieuwe hoofdredacteur. In 1908 houdt het uiteindelijk op te bestaan. In De Vrije Socialist schrijft Ferdinand daarna waarderend over uitgever Van Hall, die de redactie volgens hem vrijheid had gegeven. Ook dit hoort bij de arbeidersbeweging: ideeën kunnen alleen dagelijks of wekelijks op papier verschijnen zolang iemand drukker, personeel en papier kan betalen.

In augustus 1914 staan de oorlogsberichten weer bovenaan

In de zomer van 1914 verandert het Europese nieuws binnen enkele weken. Oostenrijk-Hongarije verklaart Servië de oorlog, Duitsland en Rusland mobiliseren en vervolgens raken steeds meer landen betrokken. Nederland blijft neutraal, maar mobiliseert zijn leger. Treinen vervoeren militairen en paarden, grenzen worden bewaakt en kranten verschijnen met berichten over veldslagen en vluchtelingen. Voor Ferdinand is oorlog al tientallen jaren een hoofdonderwerp. In 1891 heeft hij op een internationaal congres gepleit voor werkstaking en dienstweigering wanneer oorlog dreigt. Nu begint daadwerkelijk een Europese oorlog. De internationale arbeidersbeweging blijkt niet in staat de mobilisaties tegen te houden.

Socialistische partijen kiezen niet overal dezelfde kant

De oorlog maakt oude internationale beloften moeilijk uitvoerbaar. Socialistische partijen in verschillende oorlogvoerende landen steunen uiteindelijk hun eigen regeringen of oorlogskredieten. Voor antimilitaristen is dat een zware tegenstelling met de gedachte dat arbeiders over landsgrenzen heen gezamenlijke belangen hebben. Ferdinand blijft tegen militarisme en oorlog schrijven. Nederland vecht zelf niet mee, maar de gevolgen zijn overal merkbaar. Honderdduizenden Nederlandse militairen blijven gemobiliseerd, handel wordt bemoeilijkt en voedsel en brandstoffen worden schaarser. De krant brengt iedere dag berichten uit landen waar socialisten die vóór 1914 op internationale congressen naast elkaar stonden, nu onder verschillende nationale vlaggen leven en oorlog voeren.

In 1917 verandert de Grondwet

Terwijl de oorlog voortduurt, wordt in Nederland de Grondwet gewijzigd. In 1917 wordt het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. Het districtenstelsel waarin Ferdinand in 1888 voor Schoterland werd gekozen, maakt plaats voor evenredige vertegenwoordiging. Voor vrouwen wordt het passieve kiesrecht geopend: zij kunnen voortaan gekozen worden, maar mogen zelf nog niet allemaal stemmen. De verandering raakt rechtstreeks aan een strijd die Ferdinand tientallen jaren eerder heeft gevoerd. In 1880 kreeg hij vijf stemmen als protestkandidaat voor een Tweede Kamer die slechts door een beperkt mannelijk electoraat werd gekozen. Nu krijgt iedere volwassen man volgens de nieuwe regels toegang tot het stembiljet.

Suze Groeneweg gaat in 1918 door de Kamerdeur

Bij de verkiezingen van 3 juli 1918 kunnen mannen voor het eerst volgens het nieuwe algemene mannenkiesrecht stemmen. De uitslag brengt ook de eerste vrouw in de Tweede Kamer. Suze Groeneweg wordt namens de SDAP gekozen. Zij mag Kamerlid worden terwijl vrouwen als groep zelf nog geen actief kiesrecht hebben. Voor Wilhelmina Drucker, Aletta Jacobs en de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht is de strijd daarom nog niet voltooid. Voor Ferdinand ligt er bovendien een andere tegenstelling. De partij die in 1894 zonder hem werd opgericht, beschikt nu over een omvangrijke Kamerfractie. Hijzelf blijft buiten het parlement en schrijft vanuit de vrije socialistische beweging verder tegen parlementarisme en staatsmacht.

In 1919 krijgen vrouwen het actieve kiesrecht

In 1919 wordt ook het vrouwenkiesrecht wettelijk geregeld. Het initiatiefvoorstel van Henri Marchant opent het actieve kiesrecht voor vrouwen. Daarmee is een strijd die Aletta Jacobs in 1883 met haar verzoek aan de Amsterdamse gemeenteraad zichtbaar maakte en die Wilhelmina Drucker vanaf 1889 organiseerde, wettelijk een beslissende stap verder. Nederland heeft nu een kiesrecht dat veel breder is dan in de jaren waarin Ferdinand zijn eerste campagnes voor algemeen stemrecht voerde. Hij heeft die verandering niet via zijn eigen antiparlementaire richting tot stand gebracht. Parlementaire hervormers, vrouwenorganisaties en politieke partijen hebben andere wegen gevolgd. De oude strijd om het woord algemeen heeft daardoor een andere uitkomst gekregen dan Domela zelf voor ogen stond.

In Hilversum wordt Ferdinand ziek

Ferdinand is inmiddels ruim zeventig. De man die jarenlang per trein naar vergaderingen reisde, gevangen zat, door Friesland trok en vrijwel voortdurend schreef, kan steeds minder doen. Zijn gezondheid gaat achteruit. De Vrije Socialist blijft bestaan, maar zijn actieve rol wordt kleiner. De politieke wereld om hem heen ziet er intussen anders uit dan toen hij in 1879 de kerk verliet. De SDAP is een landelijke partij, vakbonden hebben grote organisaties opgebouwd en mannen beschikken over algemeen kiesrecht. Ook vrouwen hebben in 1919 het actieve kiesrecht gekregen. Het anarchisme waaraan Ferdinand zijn laatste politieke decennia heeft verbonden, vormt daarentegen nog maar een betrekkelijk kleine stroming binnen de Nederlandse arbeidersbeweging.

Op 18 november 1919 sterft Ferdinand Domela Nieuwenhuis

Op dinsdag 18 november 1919 overlijdt Ferdinand Domela Nieuwenhuis in Hilversum. Hij is tweeënzeventig jaar. Het nieuws verspreidt zich snel via de kranten. De voormalige Lutherse predikant, redacteur van Recht voor Allen, gevangene, Kamerlid voor Schoterland en later anarchist heeft bijna een halve eeuw in het openbare leven gestaan. Zijn politieke organisatie is inmiddels kleiner geworden, maar zijn naam is nog bekend tot ver buiten de vrije socialistische beweging. Vooral onder oudere arbeiders en in Friesland leeft de herinnering aan ús Ferlosser. Vier dagen later wordt zijn lichaam naar Amsterdam gebracht. Daar blijkt hoeveel mensen hem ondanks alle breuken binnen de arbeidersbeweging nog altijd willen uitgeleide doen.

Op 22 november loopt Amsterdam uit

Op zaterdag 22 november 1919 vindt de uitvaart plaats. Tienduizenden mensen komen naar Amsterdam. Arbeiders lopen mee en langs de route staan belangstellenden. Politieke verschillen die de socialistische beweging jarenlang hebben verdeeld, veranderen niets aan de omvang van de belangstelling. De man die sinds 1897 buiten de parlementaire sociaaldemocratie stond, wordt door veel meer mensen herdacht dan alleen zijn eigen anarchistische kring. Zijn lichaam wordt naar begraafplaats Westerveld gebracht. De uitvaart behoort tot de grootste die Nederland voor een arbeidersleider heeft gezien. De kranten die Ferdinand zijn hele leven heeft gebruikt om nieuws te ontvangen en ideeën te verspreiden, berichten nu over zijn eigen dood.

Van Monnickendam naar de rouwstoet

Het verhaal begon niet bij Ferdinand, maar bij zijn vader. Op 6 juli 1834 stond Ferdinand Jacob Domela Nieuwenhuis als jonge Lutherse predikant in Monnickendam. Rond hem lagen de haven, bokkinghangen, scheepswerven en de kleine Lutherse gemeente. Twaalf jaar later werd in Amsterdam zijn zoon Ferdinand geboren. Die zoon beklom zelf de kansel, verliet in 1879 de kerk, richtte kranten op, sprak voor arbeiders, zat gevangen, kwam in de Tweede Kamer en brak vervolgens ook met de parlementaire sociaaldemocratie. Op 22 november 1919 eindigt die levenslijn tussen duizenden mensen. De kleine kerkelijke wereld van zijn vader en de massale arbeidersbeweging van zijn zoon liggen nu binnen één familiegeschiedenis.