Van Haarlem naar de haringmarkten van Schonen — De Schonenvaarders, van zeehandel tot herenverenigin
Deel 1 — Toen Haarlem zijn kooplieden over de noordelijke zeeën stuurde
ca. 1368–1416
Het Spaarne was Haarlems weg naar buiten
In de late veertiende eeuw eindigde Haarlem niet bij zijn muren. Langs het Spaarne lagen schepen, schuiten en handelswaar klaar voor een wereld die ver buiten Kennemerland reikte. Via Spaarndam konden Haarlemse schippers het IJ en de Zuiderzee bereiken en vandaar naar de Noordzee varen. Haring, graan, hout, zout en bier verbonden de stad met andere havens. Brouwers, lakenkooplieden, schippers en kooplieden verdienden aan die beweging. Wie aan het Spaarne woonde of handelde, zag daardoor voortdurend vreemdelingen aankomen en stadgenoten vertrekken. Haarlem was geen zeehaven, maar bezat via zijn waterwegen wel een toegang tot de zee.
In 1391 verschijnt Danzig in de Haarlemse handelswereld
Hoe ver die verbindingen konden reiken, blijkt aan het einde van de veertiende eeuw. Danzig, in het Pruisische Oostzeegebied, verschijnt in 1391 in de handelswereld waarmee Haarlemmers verbonden waren. Dat was geen nabije markt. Wie daarheen voer, moest vanuit Holland de Noordzee op, door de Sont en verder de Oostzee in. Danzig was belangrijk voor de handel in onder meer graan en hout. Daarmee kwam Haarlem terecht in dezelfde noordelijke vaarwereld waarin kooplieden uit Holland, Zeeland en de steden van de Hanze elkaar ontmoetten. De Haarlemse koopman moest buiten zijn eigen stad leren handelen met andere munten, maten, gebruiken en rechtsregels.
Schonen lokte de Haarlemmers nog dichterbij
Tussen Holland en de Oostzee lag Schonen, toen deel van het Deense rijk. Daar vormden Skanör en Falsterbo tijdens het haringseizoen een van de grote handelsplaatsen van het noorden. De vangst bracht er vissers, kuipers, zoutverkopers, schippers en kooplieden bijeen. Langs de kust stonden tijdelijke handelsplaatsen waar verschillende steden hun mensen en goederen bijeenhielden. Voor Haarlemse kooplieden was juist deze wereld aantrekkelijk. Haring kon naar Holland worden meegenomen en andere koopwaar kon op de heenreis worden verkocht. De reis naar Schonen werd daardoor geen afzonderlijke onderneming, maar onderdeel van een groter stelsel van noordelijke handel.
De reis begon niet op zee maar in Haarlem
Voordat een schip kon vertrekken, moest in Haarlem veel worden geregeld. Een koopman had geld, handelswaar en scheepsruimte nodig. Tonnen moesten beschikbaar zijn en afspraken met schippers, knechten, schuldeisers en medekooplieden moesten worden gemaakt. Sommige mannen bezaten zelf een aandeel in een schip of schuit; anderen huurden ruimte. Geld kon worden voorgeschoten en goederen konden voor rekening van een ander worden meegenomen. Daarmee ontstonden verbintenissen die maanden konden voortduren. Een koopman die vanuit Haarlem naar Schonen of Pruisen vertrok, droeg dikwijls niet alleen zijn eigen belangen met zich mee. Ook het geld en de koopwaar van stadgenoten konden met hem reizen.
Op Schonen werd haring koopwaar
Aan de kust van Schonen draaide gedurende het seizoen bijna alles om haring. De vis moest snel worden verwerkt, gezouten, in tonnen gebracht en verkocht. Zout was daardoor even onmisbaar als vis, terwijl kuipers ervoor moesten zorgen dat het vaatwerk geschikt bleef voor de lange terugreis. De Haarlemse koopman stond hier tussen mensen uit talrijke steden. Hij moest prijzen overeenkomen, partijen beoordelen en erop vertrouwen dat gemaakte afspraken werden nagekomen. Een ton haring die later in Haarlem werd verkocht, had zo al een lange reeks handen doorlopen. Visser, arbeider, kuiper, schipper en koopman hadden ieder hun aandeel voordat de haring het Spaarne bereikte.
Simon van Saenden Gheritszoon laat een mens achter de handel zien
Tussen de namen die in de laatmiddeleeuwse handelswereld van Haarlem zichtbaar worden, bevindt zich Simon van Saenden Gheritszoon. Zulke namen zijn belangrijk omdat zij het beeld doorbreken van een anonieme stroom schepen en goederen. Achter iedere reis stonden mannen die in Haarlem familie, bezit, schulden en verplichtingen achterlieten. Zij konden tegelijk koopman, poorter, eigenaar en schuldeiser zijn. Hun zaken werden niet uitsluitend op de kade afgehandeld. Overeenkomsten en betalingen werkten door in het stedelijke leven. Daardoor werd een handelsreis naar Schonen, Lübeck of Pruisen uiteindelijk ook een Haarlemse aangelegenheid, waarvan de gevolgen in huizen, erven, schulden en familiebezit konden terugkeren.
Lübeck bracht Haarlem midden tussen de Oostzeekooplieden
Nog duidelijker wordt die verre wereld in 1413, wanneer Jan Lutgenszoon en Dirc Beyers in verband met Lübeck zichtbaar worden. Daarbij verschijnt ook een schuit. Dat detail is belangrijk: hier hebben we niet alleen een algemene mededeling dat Haarlemmers handel dreven, maar mannen, een vaartuig en een buitenlandse handelsplaats. Lübeck was een machtige stad in de noordelijke koophandel. Een Haarlemmer die daar zaken deed, bewoog zich tussen kooplieden die verbindingen onderhielden met de gehele Oostzee. Jan Lutgenszoon en Dirc Beyers laten daarmee zien dat de noordelijke vaart vóór de formele vastlegging van het Schonenvaardersgilde al een concrete Haarlemse werkelijkheid was.
Niet alleen haring voer over zee
De noordelijke handel bestond bovendien uit meer dan haring. In de overgeleverde handelswereld duikt bijvoorbeeld zeehondenspek op. Zulke goederen laten zien hoe uiteenlopend de lading kon zijn die via noordelijke wateren werd verhandeld. Daarnaast waren graan, hout, zout en andere waren van belang. Een schip hoefde evenmin met dezelfde soort lading terug te keren waarmee het was vertrokken. Een koopman zocht waar verkoop mogelijk was en kocht vervolgens wat elders winst beloofde. Daardoor liep de handelsweg niet eenvoudig van Haarlem naar Schonen en terug. Schonen, Lübeck, Pruisen en andere havens konden schakels vormen binnen één veel grotere vaar- en handelswereld.
De zee maakte vertrouwen kostbaar
Voor Haarlemmers die maandenlang van huis waren, werd vertrouwen een handelsmiddel op zichzelf. Een stadgenoot kon geld meenemen, goederen verkopen, een betaling ontvangen of voor iemand anders optreden. Wie elkaar van eerdere reizen kende, had een voordeel. Een schuld die in Schonen ontstond, kon later in Haarlem worden vereffend. Een overeenkomst uit Haarlem kon juist honderden mijlen verder worden uitgevoerd. Daardoor kregen de mannen die geregeld dezelfde noordelijke route voeren steeds meer gemeenschappelijke belangen. Zij kenden dezelfde aanlegplaatsen, dezelfde gevaren en dikwijls dezelfde handelspartners. Uit die praktische verbondenheid groeide uiteindelijk iets dat verder ging dan gezamenlijk zaken doen.
In 1416 krijgen de Schonenvaarders een eigen stem
Rond 1416 wordt die gemeenschap tastbaar in het Haarlemse gildeboek. Daar verschijnt “den gemenen ghilde van Sconen”: het gemeenschappelijke gilde van de Schonenvaarders. Het boek maakte van losse herinneringen en mondelinge afspraken een blijvend geheel. Namen, betalingen, rechten en verplichtingen konden worden vastgelegd. Het bestuur kende een deken en vinders, functies die de gemeenschap ordenden en toezicht hielden op haar gebruiken. Daarmee begint een nieuwe fase. De mannen die Haarlem via het Spaarne verlieten en elkaar op verre markten ontmoetten, hadden nu ook thuis een instelling waarin hun gezamenlijke verleden, handel, geloof en onderlinge verplichtingen werden bewaard.
Deel 2 — Toen de Schonenvaarders in Haarlem gildebroeders werden
1416–ca. 1450
Dirc Symonszoon deed zaken met Harman Janszoon Pol
Het gildeboek brengt de handel onmiddellijk dichtbij. In 1416 verschijnen Dirc Symonszoon en Harman Janszoon Pol in een overeenkomst die met de noordelijke handel samenhing. Daarbij werd Dragør, in de bronnen ook als Draker herkenbaar, genoemd. Haring moest daar worden geleverd. Het bedrag bedroeg acht gouden Rijnse guldens. Opeens bestaat de Schonenvaart niet meer uit algemene woorden als handel en scheepvaart. Er zijn twee mannen, een overeengekomen som, een partij haring en een plaats honderden kilometers van Haarlem. Wat in Haarlem werd afgesproken, moest aan de Deense zijde van de Sont daadwerkelijk worden uitgevoerd.
Acht gouden Rijnse guldens verbonden Haarlem met Draker
Die acht gouden Rijnse guldens vertellen meer dan hun geldwaarde alleen. De afspraak maakte duidelijk dat Haarlemse handelaren over grote afstand verplichtingen aangingen. Dirc Symonszoon en Harman Janszoon Pol moesten erop kunnen vertrouwen dat goederen en betaling op de afgesproken wijze terechtkwamen. Draker of Dragør was een van de plaatsen waar tijdens de noordelijke haringhandel kooplieden bijeenkwamen. Een Haarlemse overeenkomst kon daardoor een vervolg krijgen op een strand of markt in het Deense rijk. Geld, haring en vertrouwen bewogen tegelijkertijd tussen beide gebieden. Het gilde hielp zulke betrekkingen binnen een kring van bekende mannen te bewaren.
Jan Lutgenszoon en Dirc Beyers kenden Lübeck al
De aanwezigheid van Jan Lutgenszoon en Dirc Beyers in verband met Lübeck in 1413 krijgt tegen deze achtergrond extra betekenis. Hun reis en de genoemde schuit dateren van vóór het gildeboek van 1416. Het gilde ontstond dus niet eerst waarna de verre handel begon; de volgorde was omgekeerd. Haarlemse mannen voeren al, handelden al en kenden de noordelijke havens. Daarna werd hun gemeenschap steviger georganiseerd. Dat maakt het gildeboek tot een weerslag van een bestaande handelspraktijk. De regels kwamen voort uit ervaringen die mannen als Jan en Dirc op zee, aan kaden en tussen buitenlandse kooplieden reeds hadden opgedaan.
Wouter Jans en Heyn Potter behoorden tot een herkenbare kring
Ook Wouter Jans en Heyn Potter behoren tot de namen die in de geschiedenis van de Haarlemse Schonenvaarders zichtbaar worden. Samen met Jan Lutgenszoon, Dirc Beyers, Dirc Symonszoon en Harman Janszoon Pol maken zij duidelijk dat achter de naam Schonenvaarders een concrete groep Haarlemse mannen stond. Zij leefden niet uitsluitend van een jaarlijkse reis. Thuis maakten zij deel uit van de stad en haar maatschappelijke verhoudingen. Bezit, familie, krediet en stedelijke betrekkingen konden zich met hun koophandel verweven. Wie voorspoedig handelde, kon zijn vermogen in Haarlem gebruiken. Zo kon aanzien dat op verre handelsplaatsen was opgebouwd uiteindelijk binnen de eigen stad worden verzilverd.
De deken en vinders bewaakten meer dan handelsbelangen
Aan het hoofd van het gilde stond een deken, bijgestaan door vinders. Zulke functies gaven de broederschap een eigen orde. De leden waren niet eenvoudig mannen die toevallig dezelfde bestemming hadden. Zij moesten zich voegen naar gebruiken en besluiten die binnen de gemeenschap golden. De gildebroeders konden gezamenlijk optreden, betalingen regelen en hun godsdienstige verplichtingen onderhouden. Het gilde bood bovendien een omgeving waarin geschillen en onderlinge afspraken niet onmiddellijk buiten de eigen kring hoefden te worden gebracht. Daarmee stond tussen de individuele koopman en het Haarlemse stadsbestuur nog een andere gemeenschap: die van mannen die elkaar door handel, reizen en gezamenlijk geloof verbonden waren.
Sint-Olaf bracht het verre noorden de Haarlemse kerk binnen
De patroon van de gemeenschap was Sint-Olaf, de heilige Noorse koning. Zijn aanwezigheid gaf de Haarlemse Schonenvaarders een opvallende verbinding met het noorden waarop zij voeren. Sint-Olaf hoorde niet alleen bij verhalen over Scandinavië; zijn naam kreeg een plaats in het godsdienstige leven van Haarlem. Het gilde onderhield een altaar en de broeders droegen gezamenlijk verantwoordelijkheid voor de daarbij behorende diensten en lasten. Zo kwam de wereld van Schonen als het ware binnen de Haarlemse muren terecht. Mannen die aan de Sont handel hadden gedreven, konden thuis voor een heilige knielen die zelf uit de Scandinavische wereld afkomstig was.
Op 12 juni kwamen handel en heiligendag samen
Een belangrijke dag voor de broederschap was 12 juni, de dag die in de Haarlemse gildewereld met Sint-Odulf werd verbonden. Rond zulke vaste dagen kwamen de leden bijeen en werden godsdienstige en gemeenschappelijke gebruiken onderhouden. De kalender bepaalde daarmee niet alleen kerkelijke feesten, maar ook het ritme van de vereniging. Voor mannen die een gedeelte van het jaar onderweg konden zijn, waren zulke bijeenkomsten belangrijk. Op zee en in Schonen waren zij kooplieden en reizigers; thuis stonden zij weer naast elkaar als gildebroeders. De vaste dag hielp de gemeenschap over opeenvolgende jaren bijeen te houden, ook wanneer de samenstelling van de handel veranderde.
De kaproen maakte zichtbaar wie erbij hoorde
Tot de gebruiken van het gilde behoorde de kaproen. Dat kledingstuk was geen onbeduidend versiersel. In een middeleeuwse stad kon kleding onmiddellijk duidelijk maken tot welke stand, gemeenschap of gelegenheid iemand behoorde. De kaproen maakte de verbondenheid van de Schonenvaarders zichtbaar wanneer zij gezamenlijk optraden. Het gilde was daardoor niet alleen aanwezig in een boek of bij een altaar; het kon op straat herkenbaar worden. De mannen die maanden eerder tussen schippers en kooplieden in Lübeck, Draker of Schonen hadden gestaan, verschenen thuis als leden van één Haarlemse gemeenschap. Handel werd daarmee ook een vorm van stedelijke identiteit en aanzien.
Gouden haringen herinnerden aan waar het allemaal begon
Zelfs in de aankleding van de gemeenschap bleef de oorsprong in de haringvaart zichtbaar. Gouden haringen behoorden tot de herkenningstekens die de herinnering aan Schonen levend hielden. Dat beeld was veelzeggend. De gewone haring was een handelswaar die in enorme hoeveelheden werd gevangen, gezouten en in tonnen vervoerd. Binnen het gilde werd diezelfde vis een teken van identiteit en eer. Daarmee werd het alledaagse product waaraan kooplieden hun geld verdienden verheven tot symbool. Wie de gouden haringen zag, zag niet alleen vis, maar de verre reizen, het handelsgeld en de gemeenschappelijke geschiedenis waarop het Haarlemse gezelschap zijn plaats in de stad baseerde.
In de morgenspraak werd de gemeenschap bestuurd
Besluiten werden niet uitsluitend tijdens toevallige ontmoetingen genomen. De morgenspraak bood ruimte om gildezaken gezamenlijk te bespreken. Daar konden regels worden bevestigd, verplichtingen worden behandeld en zaken worden geregeld die alle broeders aangingen. Zulke bijeenkomsten tonen hoe ver de Schonenvaarders inmiddels verwijderd waren geraakt van een losse verzameling kooplieden. Zij bezaten eigen gebruiken, bestuurders, bijeenkomsten en een geheugen dat in het gildeboek werd vastgelegd. Tegelijkertijd bleef hun gemeenschap stevig in Haarlem geworteld. Dezelfde mannen die over Lübeck, Schonen of Draker spraken, bewogen zich na afloop weer door de straten van hun eigen stad.
Aan de maaltijd werd de broederschap opnieuw bevestigd
Ook de gezamenlijke maaltijd hoorde bij deze wereld. Eten en drinken waren geen bijkomstigheid, maar bevestigden wie tot de kring behoorde. Aan tafel zaten mannen die elkaar als koopman, reisgenoot, schuldeiser, bestuurder of gildebroeder konden kennen. Daar werden verhalen over reizen opnieuw verteld en konden nieuwe afspraken ontstaan. Dat deze maaltijden later aanzienlijke kosten konden bereiken, blijkt uit de verdere geschiedenis van het gezelschap: in 1546 werd voor een maaltijd 38 gulden en 18 stuivers uitgegeven. Dat bedrag behoort tot een latere tijd, maar toont hoe de gemeenschappelijke maaltijd uitgroeide tot een wezenlijk onderdeel van de Schonenvaardersvereniging.
De zeehandel veranderde langzaam in stedelijk aanzien
Daarmee begon reeds in de eerste helft van de vijftiende eeuw een verandering die later veel duidelijker zou worden. Het gezelschap was voortgekomen uit mannen die werkelijk naar Schonen en andere noordelijke handelsplaatsen voeren. Maar eenmaal georganiseerd bezat het een eigen bestuur, altaar, patroon, herkenningstekens, bijeenkomsten en maaltijden. Vermogen dat met handel was verdiend kon ondertussen in Haarlem worden omgezet in bezit en maatschappelijk aanzien. De naam Schonenvaarder ging daardoor meer betekenen dan iemand die een bepaalde reis maakte. Hij kon ook aangeven dat iemand behoorde tot een oude en herkenbare kring van Haarlemse gildebroeders.
Van de haring van Draker naar een Haarlemse herenvereniging
Rond 1450 was die ontwikkeling nog lang niet voltooid. De noordelijke handel bleef de oorsprong van het gezelschap en mannen bleven varen. Maar de grondslag voor de latere herenvereniging was gelegd. Het begon met schepen die via Spaarne en Spaarndam naar het noorden vertrokken, met Jan Lutgenszoon en Dirc Beyers bij Lübeck, en met afspraken zoals die tussen Dirc Symonszoon en Harman Janszoon Pol over haring te Draker voor acht gouden Rijnse guldens. Daaruit groeiden een gildeboek, deken en vinders, altaar, heiligendagen, kaproenen, gouden haringen en gezamenlijke maaltijden. De verre zeehandel had binnen Haarlem een eigen gemeenschap voortgebracht.
Deel 3 — Wanneer de Schonenvaarder thuiskwam als een vermogend Haarlemmer
Over het Spaarne naar de wereld van Schonen
Wie in de vijftiende eeuw vanuit Haarlem naar Schonen vertrok, begon zijn reis niet aan een verre zeekust. Koopwaar, proviand en handelsgeld gingen eerst over het Spaarne naar Spaarndam en vandaar naar het IJ. Daarna volgden de Zuiderzee, de zeegaten en de lange vaart naar het noorden. Aan het andere einde lagen de haringmarkten van Schonen, bij de Sont. Daar ontmoetten schippers en kooplieden uit verschillende landen elkaar. Zo liep vanuit Haarlem een handelsroute naar de Noord- en Oostzee, terwijl het Spaarne de eerste schakel bleef tussen de Haarlemse koopman en de wereld daarbuiten.
Schonen was geen enkele markt
Met Schonen bedoelden Haarlemmers niet eenvoudig één haven. Aan de zuidwestelijke kust van het toen Deense Schonen lagen verschillende plaatsen waar tijdens het haringseizoen vissers, kooplieden, kuipers, schippers en knechten bijeenkwamen. Skanör en Falsterbo behoorden tot de belangrijkste namen. Haring werd er aangevoerd, gezouten, verpakt en verhandeld. Hollanders kwamen er in aanraking met Denen en kooplieden uit Noord-Duitse steden, waaronder het machtige Lübeck. Een Haarlemmer die hier zaken deed, bevond zich honderden kilometers van huis, maar niet in een wereld zonder regels. Handel berustte op afspraken, privileges, krediet, vertrouwen en relaties die soms jarenlang werden onderhouden.
Achter iedere ton haring stond een wereld van arbeid
Haring betekende veel meer dan vis alleen. Voordat een ton verkoopbaar was, hadden vissers, zoutsjouwers, kuipers, schippers, knechten en kooplieden eraan gewerkt. Zout maakte langdurige bewaring mogelijk; tonnen moesten worden gemaakt, gekeurd en hersteld; schepen moesten bemand en bevoorraad worden. Vervolgens moest de lading veilig over zee naar Holland komen. Een storm, schipbreuk, bedorven partij of verkeerde prijs kon een onderneming zwaar treffen. Wie jarenlang in deze handel standhield, verzamelde daarom niet alleen geld. Hij verwierf kennis van routes en markten, kende betrouwbare schippers en handelspartners en bouwde krediet op. Dat netwerk kon uiteindelijk even waardevol worden als zijn handelswaar.
Het geld van Schonen kwam Haarlem binnen
Wanneer de Schonenvaarder thuiskwam, eindigde zijn handel niet aan de kade van het Spaarne. Verdiend geld kon opnieuw worden geïnvesteerd in handelswaar en reizen, maar ook in huizen, renten, grond of andere bezittingen. Daardoor werd de verre zeehandel zichtbaar in Haarlem zelf. Rond het Spaarne, de Grote Markt, de parochiekerk en de voornaamste woonstraten leefden families wier vermogen mede buiten de stad was opgebouwd. Handel en maatschappelijke positie begonnen elkaar te versterken. Wie in Schonen kredietwaardig moest zijn tegenover buitenlandse handelspartners, kon ook thuis een betrouwbare naam opbouwen bij verwanten, schuldenaren, kooplieden en bestuurders. De zeehandel veranderde zo de maatschappelijke verhoudingen in Haarlem.
Niet iedere Schonenvaarder was een rijke heer
Achter de naam Schonenvaarder ging echter geen uniforme groep schuil. Sommige mannen voeren zelf, anderen financierden ondernemingen of lieten hun goederen door schippers vervoeren. Rond iedere koopman stond bovendien een grotere wereld van arbeid: schippers, knechten, kuipers, sjouwers, leveranciers en tussenpersonen. Ook het huishouden maakte deel uit van dat handelsbedrijf. Wanneer een koopman weken of maanden van huis was, konden betalingen, schulden en voorraden niet wachten. Vrouwen en verwanten konden goederen en geld beheren en contacten onderhouden. De Schonenvaart was daardoor geen afzonderlijk beroep dat alleen op zee bestond. Zij verbond schepen, werkplaatsen, pakhuizen, huizen en families met elkaar.
Ook de rijke koopman moest naar Haarlem luisteren
Wie met geld en buitenlandse contacten naar Haarlem terugkeerde, stond niet boven de stad. Haarlem kende keuren, gebruiken en een eigen stedelijk bestuur. Tijdens de morgenspraak werden bepalingen afgekondigd of opnieuw bevestigd. Kooplieden moesten rekening houden met regels rond handel, markt, maten, vervoer, openbare orde en het gebruik van straten en water. De man die de Sont kende en in Schonen met buitenlandse kooplieden onderhandelde, keerde dus telkens terug naar een stedelijke gemeenschap waarin bestuurders, buren, ambachtslieden en andere kooplieden hem kenden. Zijn wereld was internationaal geworden, maar zijn reputatie bleef uiteindelijk ook afhankelijk van wat mensen in Haarlem van zijn handelen wisten.
Van handelsgenoten naar broeders
Juist daar begon iets te veranderen. Mannen die elkaar aanvankelijk herkenden omdat zij dezelfde handelswereld kenden, konden ook thuis een gemeenschap vormen. Zij deelden meer dan een bestemming. Ze kenden dezelfde risico's, handelsgebruiken en contacten en hadden belangen die elkaar konden raken. Wanneer reizen eindigden, bleven die relaties bestaan. Zo kon een economisch netwerk langzaam een sociale en religieuze vorm aannemen. De naam Schonenvaarder ging daardoor meer betekenen dan iemand die naar een bepaalde streek voer. Achter het woord ontstond een Haarlemse identiteit, gedragen door mannen die hun vermogen en ervaring gedeeltelijk buiten de stad hadden opgebouwd, maar hun plaats uiteindelijk binnen Haarlem moesten vinden.
Sint-Olaf en Sint-Odulf boven de handel
De Schonenvaarders verbonden hun gemeenschap met Sint-Olaf en Sint-Odulf. Vooral Sint-Olaf hield de herinnering aan het noorden levend. Een Scandinavische heilige kreeg zo een plaats in de religieuze wereld van Haarlemse kooplieden. De broederschap kende een jaarlijkse feestdag op 12 juni. Dan stond niet de afzonderlijke handelsreis centraal, maar de gemeenschap. Religieuze verplichtingen, gezamenlijke maaltijd, ontmoeting en herinnering brachten de broeders bijeen. Mannen die door handel, familie en stedelijke betrekkingen met elkaar waren verbonden, herkenden elkaar nu ook binnen een georganiseerd verband. Schonen was daarmee niet langer uitsluitend een bestemming aan de andere kant van de zee. Het kreeg een plaats binnen Haarlem zelf.
Gouden haringen op de kaproen
Zelfs aan de kleding werd de herinnering aan de handel zichtbaar. Bij de Schonenvaarders hoorde een bijzondere kaproen met gouden haringen. Het symbool verwees rechtstreeks naar de koopwaar waaraan de gemeenschap haar oorsprong dankte. Wat ooit in tonnen over zee was vervoerd, verscheen nu als teken van verbondenheid en aanzien op kleding. Daarmee veranderde langzaam ook de betekenis van het woord Schonenvaarder. Aanvankelijk verwees het vooral naar mannen die werkelijk naar Schonen voeren of daar handel dreven. Naarmate de gemeenschap ouder werd, kon de naam eveneens verwijzen naar het behoren tot een Haarlemse kring die haar eigen gebruiken, herinneringen en identiteit begon te bewaren.
De koopman bracht meer mee dan haring
Wanneer een Schonenvaarder na een lange reis opnieuw het Spaarne opvoerde, bracht hij daarom meer mee dan tonnen, geld of handelswaar. Hij keerde terug met contacten, krediet, ervaring en kennis van een wereld die veel groter was dan Haarlem. Een deel daarvan werd opnieuw in handel gestoken; een ander deel vond zijn weg naar huizen, families en stedelijke relaties. Uit die opeenstapeling van reizen ontstond iets blijvends. De mannen die elkaar eerst op verre markten herkenden, gingen elkaar ook thuis als gemeenschap ontmoeten. De haring had hen naar Schonen gebracht. Vermogen, herinnering en onderlinge verbondenheid zouden ervoor zorgen dat de Schonenvaarders uiteindelijk veel langer bleven bestaan dan de handelsreis zelf.
Deel 4 — Wanneer de Schonenvaarders heren van Haarlem werden
De koopman werd broeder
In de zestiende eeuw betekende Schonenvaarder niet meer precies hetzelfde als een eeuw eerder. De oude handelsroute verklaarde nog altijd de naam, maar in Haarlem was uit die handelswereld inmiddels een georganiseerde gemeenschap gegroeid. Wie tot de Schonenvaarders behoorde, trad binnen in een kring met eigen gebruiken, bestuur, bezit en herinneringen. Handel bleef aan de oorsprong staan, maar afkomst, aanzien, familieverbindingen en onderlinge verplichtingen kregen steeds meer betekenis. De zee verdween daardoor langzaam naar de achtergrond zonder werkelijk uit het gezelschap te verdwijnen. De koopman die ooit vanwege zijn reizen Schonenvaarder werd genoemd, maakte plaats voor de broeder die zijn plaats binnen een Haarlemse gemeenschap innam.
Deken en vinders hielden de gemeenschap bijeen
Aan het hoofd van de Schonenvaarders stond een deken, bijgestaan door vinders. Achter zulke oude functienamen ging praktisch werk schuil. Bijeenkomsten moesten worden georganiseerd, inkomsten en uitgaven bijgehouden, bezittingen beheerd en gebruiken gehandhaafd. Iemand moest verantwoordelijkheid dragen wanneer een broeder overleed of wanneer geld moest worden ontvangen of uitgegeven. Zulke functies konden alleen bestaan wanneer binnen het gezelschap voldoende vertrouwen aanwezig was. Wie kas, documenten of gemeenschappelijk bezit beheerde, stond midden in een netwerk waarin reputatie zwaar woog. De Schonenvaarders waren daarmee niet langer slechts mannen met dezelfde handelsbestemming. Zij hadden een instelling geschapen die onafhankelijk van afzonderlijke reizen kon blijven voortbestaan.
Het gildeboek gaf de broeders een geheugen
Een van de belangrijkste dragers van die continuïteit was het gildeboek. Daarin werden de gemeenschap en haar leden niet langer uitsluitend door mondelinge herinnering bijeengehouden. Namen konden worden vastgelegd en bestuurlijke of financiële zaken genoteerd. Daarmee ontstond een institutioneel geheugen. Een schip kon verdwijnen, een koopman overlijden en een zoon een andere loopbaan kiezen, maar een eenmaal geregistreerde naam bleef deel uitmaken van het gezamenlijke verleden. Generaties werden met elkaar verbonden. De Schonenvaarders hoefden hun identiteit daardoor niet telkens opnieuw op zee te verdienen. Zij konden zich beroepen op voorgangers en tradities. Het verre Schonen kreeg daarmee een tweede bestaan, op papier, midden in Haarlem.
In 1546 lagen 38 gulden en 18 stuivers in de kas
In 1546 wordt die gemeenschap opeens opvallend tastbaar. In de kas bevonden zich 38 gulden en 18 stuivers. Het lijkt een klein detail tegenover schepen, verre markten en internationale handel, maar juist zo'n bedrag laat zien hoe werkelijk de organisatie was. Geld moest worden ontvangen, geteld, bewaard en verantwoord. Achter iedere rekening stond iemand die de administratie voerde en broeders die wilden weten wat met hun gezamenlijke bezit gebeurde. Uit de kas konden verplichtingen, bijeenkomsten en andere gemeenschappelijke uitgaven worden betaald. De Schonenvaarders leefden dus niet alleen voort als herinnering aan vroegere reizen. Midden zestiende eeuw functioneerden zij als een georganiseerde Haarlemse gemeenschap met eigen financiële belangen.
De broederschap bestond ook buiten haar vergaderingen
De betekenis van zo'n gemeenschap hield niet op wanneer een bijeenkomst eindigde. Dezelfde mannen leefden binnen de Haarlemse economie, kerkelijke wereld en familieverbanden. Zij konden elkaar tegenkomen bij handelstransacties, huwelijken, nalatenschappen, schulden, aankopen en stedelijke aangelegenheden. Daarmee werd het lidmaatschap onderdeel van een veel groter netwerk. Een broeder kende andere broeders niet alleen door een jaarlijkse maaltijd of religieuze verplichting. Namen konden door families en generaties met elkaar verbonden raken. Vermogen dat ooit door handel was opgebouwd, kon in Haarlem worden vastgelegd en doorgegeven. Zo werd een handelsgemeenschap langzaam verweven met de sociale bovenlaag van de stad.
De gouden haring veranderde van betekenis
Ook de gouden haringen op de kaproen kregen daardoor langzaam een andere lading. Voor de vroegere koopman verwezen zij rechtstreeks naar de handelswaar waarmee geld werd verdiend. Voor latere broeders konden dezelfde haringen ook afkomst, verbondenheid en traditie uitdrukken. De Schonenvaart hoefde niet langer het dagelijkse beroep van ieder lid te zijn om de oude identiteit in stand te houden. Tijdens bijeenkomsten, bij gemeenschappelijke verplichtingen, in het gildeboek en rond de feestdag van Sint-Olaf en Sint-Odulf werd het verleden telkens opnieuw bevestigd. De haring was van handelswaar tot symbool geworden. Het verre Schonen werd voortaan als herinnering binnen Haarlem gedragen.
Handel werd bezit
Daarachter lag een verandering die veel groter was dan het uiterlijk van een kaproen. Handelsgeld kon van vorm veranderen. Een winstgevende onderneming leverde geld op; geld kon worden uitgeleend, opnieuw geïnvesteerd of gebruikt voor bezit. Bezit kon vervolgens worden nagelaten. Daarmee kon vermogen dat oorspronkelijk met reizen naar noordelijke markten samenhing uiteindelijk loskomen van die reizen. Een volgende generatie hoefde niet noodzakelijk dezelfde zee over om van het opgebouwde familiekapitaal te profiteren. Zo kon een handelsfamilie zich steeds steviger in Haarlem verankeren. De oorsprong van het vermogen lag misschien bij haring en scheepvaart, maar de maatschappelijke uitwerking ervan werd zichtbaar in de stad.
Handel werd familiegeschiedenis
Ook huwelijken konden zulke netwerken versterken. Voor koopmansfamilies betekende een huwelijk niet uitsluitend een persoonlijke verbintenis; bezit, verwantschap, reputatie en toekomstige erfgenamen kwamen bij elkaar. Dochters en weduwen waren daarin geen onzichtbare figuren. Via huwelijk, nalatenschap en beheer konden goederen en rechten tussen families bewegen. Een weduwe kon na het overlijden van haar man betrokken blijven bij het beheer van vermogen en openstaande zaken. Daarmee werd de geschiedenis van de Schonenvaarders onvermijdelijk ook een geschiedenis van gezinnen. Achter de namen van broeders stonden vrouwen, kinderen en verwanten die ervoor zorgden dat opgebouwd bezit niet met het overlijden van één koopman verdween.
Van de Sont naar het Haarlemse stadsleven
Rond het midden van de zestiende eeuw was daardoor een opmerkelijke beweging zichtbaar. Ooit liep de belangrijkste route naar buiten: vanuit Haarlem over het Spaarne naar Spaarndam, het IJ en de Zuiderzee, door de zeegaten en verder naar Schonen. Nu liep een andere beweging terug. Skanör, Falsterbo, de Sont en de contacten met Noord-Duitse handelssteden leefden voort in Haarlemse families, gebruiken en herinneringen. Een internationale handelswereld was onderdeel geworden van het plaatselijke stadsleven. De Schonenvaarders hadden het noorden niet letterlijk naar Haarlem gebracht, maar wel geld, kennis, contacten en tradities die tijdens generaties van handel waren opgebouwd.
De Schonenvaarder werd een Haarlemse heer
Daarmee veranderde uiteindelijk de sociale betekenis van de naam. De vroegste Schonenvaarder ontleende zijn identiteit vooral aan wat hij deed: varen, investeren en handelen rond de haringmarkten van Schonen. Voor latere generaties kon het behoren tot de gemeenschap zelf betekenis dragen. Deken, vinders, broeders, gildeboek, kas, feestdag en kaproen hielden gezamenlijk een verleden in stand. Achter de gouden haringen stond inmiddels meer dan een handelsroute. Zij verwezen naar een kring van Haarlemmers waarin bezit, familie, reputatie en stedelijke verbondenheid elkaar konden versterken. Uit de middeleeuwse gemeenschap van handelende en varende burgers was geleidelijk een gezelschap met maatschappelijk aanzien gegroeid.
Haarlem hield Schonen vast
Omstreeks 1550 was die geschiedenis daarom niet voorbij. Juist doordat de Schonenvaarders meer waren geworden dan deelnemers aan één handelsroute, konden zij veranderingen in de handel overleven. Schepen konden andere bestemmingen krijgen, markten konden hun betekenis verliezen en nieuwe handelsstromen konden ontstaan, maar een gemeenschap met bezit, bestuur, gebruiken en een eigen geheugen kon blijven bestaan. Zo bleef in Haarlem een stukje van de oude noordelijke handelswereld bewaard. Wat begonnen was met haring, zout, tonnen, krediet en gevaarlijke reizen over zee, leefde voort tussen Haarlemse burgers. De zee lag ver weg, maar op de kaproen van de Schonenvaarder zwommen de gouden haringen nog altijd mee.
Deel 5 — Wanneer de wereld van de Schonenvaarders brak
Rond 1550 kende Haarlem zijn Schonenvaarders bij naam
Omstreeks 1550 waren de Schonenvaarders geen anonieme groep kooplieden. In de stukken verschijnen Jan van Berkenrode, Claes van Egmont, Cornelis Riken, Pieter Fredericksz, Gerrit Thomasz, Mathijs Gerritsz, Adam Gerritsz Bol, Haije de Schipper en Cornelis IJsbrantsz. Zij woonden verspreid door Haarlem, onder meer rond het Zand, de Zijlstraat, Barteljorisstraat, Kruisstraat en Smedestraat. Schonenvaarder verwees nog naar de oude noordelijke handel, maar de gemeenschap was inmiddels diep in Haarlem geworteld. Achter iedere naam stonden een huishouden, bezit, verwantschappen en een plaats binnen de stad. De verre zeehandel had uiteindelijk een plaatselijke gemeenschap voortgebracht.
Heer Sijmon kreeg veertien gulden
Ook de dagelijkse organisatie komt scherp in beeld. In 1547 nam Jan van Berkenrode heer Sijmon van der Laen voor een jaar aan. Hij zou veertien gulden ontvangen, verdeeld over twee termijnen, naast extra betalingen op drie hoogtijdagen en twintig stuivers gast- of gelaggeld. Meester Gerrit Ramp, Dirck Joest, Engel Pieter en Steffen Dircksz traden als getuigen op. Zulke kleine afspraken laten zien waaruit de broederschap werkelijk bestond. Geld, religieuze verplichtingen en onderling vertrouwen liepen door elkaar. Achter de gouden haringen en plechtige gebruiken stonden contracten, betalingen en Haarlemmers die elkaar persoonlijk kenden en tegenover elkaar verantwoordelijkheid droegen.
Op 27 september 1546 werd gegeten bij de Witte Heren
De Schonenvaarders ontmoetten elkaar niet alleen op papier. Op 27 september 1546 hielden zij een grote maaltijd in het convent van de Witte Heren. Minstens tien tonnen bier werden ingekocht. Er kwamen tarwe, vlees, vermoedelijk ongeveer vierentwintig vogels, ham, boter, kaas, warmoes, roggebrood, zout, mosterd, kruiden en azijn op tafel. Ook kruiken, kannen, kaarsen, turf, hout, servies en personeel kostten geld. Even verdwijnt daardoor de instelling achter echte mensen. Broeders aten, dronken en praatten samen terwijl knechten voedsel, drank en brandstof aanvoerden. Rond een Haarlemse tafel werd de oude handelsgemeenschap telkens opnieuw bevestigd.
Maar boven Haarlem stond Filips II
Buiten die vertrouwde kring veranderde de politieke wereld. Na Karel V kwam zijn zoon Filips II aan het hoofd van de Nederlanden te staan. In 1559 benoemde Filips Willem van Oranje tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Oranje maakte aanvankelijk dus zelf deel uit van het koninklijke bestuursstelsel. De verhouding verslechterde door conflicten over centralisatie, bestuur en religieuze vervolging. Voor mannen die bijeenkwamen rond rekeningen, maaltijden en religieuze verplichtingen kon die grote politiek aanvankelijk ver weg lijken. Toch zou zij uiteindelijk tot binnen Haarlems muren doordringen. De stad van Jan van Berkenrode en zijn broeders zou binnen enkele decennia een strijdtoneel van de Nederlandse Opstand worden.
De oude katholieke wereld stond nog overeind
De Schonenvaarders waren ondertussen onlosmakelijk verbonden met het katholieke Haarlem. Hun religieuze leven draaide om Sint-Olaf en Sint-Odulf, missen, hoogtijdagen en gezamenlijke verplichtingen. Het gilde liep bovendien mee in de Sacramentsprocessie. Namens de Schonenvaarders werd daarbij een voorwerp meegedragen dat in de bron als een orlement wordt aangeduid. Ook hun gezamenlijke kleding maakte zichtbaar wie tot de gemeenschap behoorde. Dat openbare optreden is belangrijk. De broederschap leefde niet verborgen achter gesloten deuren, maar maakte deel uit van een Haarlem dat zijn geloof zichtbaar maakte door kerken, altaren, processies, klokken, kaarsen, beelden en heiligen.
In 1566 begon die zekerheid te breken
Juist deze religieuze wereld werd door de Reformatie omstreden. Lutherse, wederdoperse en gereformeerde denkbeelden hadden zich in de Nederlanden verspreid en in 1566 volgde de Beeldenstorm. Voor een oude katholieke broederschap ging dit verder dan een discussie over geloof. Heiligenverering, missen, altaren en processies behoorden tot de structuur waarin generaties Schonenvaarders hadden geleefd. Sint-Olaf en Sint-Odulf waren geen namen uit een afgesloten verleden, maar onderdelen van een levende religieuze cultuur. Toen die wereld onder druk kwam, werd daarom ook een fundament onder de gemeenschap aangetast. De gouden haring kon blijven bestaan, maar de katholieke wereld waarin hij betekenis had gekregen, werd minder vanzelfsprekend.
Willem van Oranje kwam tegenover zijn koning te staan
Ook politiek werd de oude orde steeds onzekerder. Willem van Oranje, sinds 1559 stadhouder namens Filips II, ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste leiders van het verzet tegen het koninklijke beleid. Daardoor werd ook voor Holland de vraag naar gezag steeds dringender. Koning, landvoogd, stadhouder, Staten en stedelijke magistraten kwamen tegenover elkaar te staan in een conflict waarin religie en politiek nauwelijks te scheiden waren. Haarlem kon zich daaraan niet onttrekken. De stad lag strategisch binnen Holland en was door wegen en water verbonden met andere steden. Dezelfde verbindingen waarlangs kooplieden, goederen en nieuws Haarlem bereikten, kregen tijdens de Opstand een militaire betekenis.
In 1572 werd Haarlem een stad in oorlog
In 1572 koos Haarlem de zijde van de Opstand. Vanaf december werd de stad belegerd door koninklijke troepen. Voor de inwoners kromp de wereld plotseling. De internationale handelsroutes van eerdere generaties maakten plaats voor muren, poorten, voedselvoorraden en de vraag of hulp de stad nog kon bereiken. Willem van Oranje probeerde de opstandige zaak in Holland overeind te houden, terwijl Haarlem een sleutelplaats in het conflict met Filips II werd. Voor Haarlemse families speelde die geschiedenis zich niet aan een ver hof af. Huizen, werkplaatsen, bezit, voedsel en levens kwamen in gevaar. Ook het Spaarne was niet langer uitsluitend handelsroute: water werd onderdeel van oorlog, bevoorrading, belegering en verdediging.
Op 13 juli 1573 capituleerde de stad
Na maanden van strijd, honger en uitputting capituleerde Haarlem op 13 juli 1573. Daarmee werd ook de wereld van de Schonenvaarders opnieuw opgeschud. De stad kwam weer onder koninklijk gezag, terwijl de Opstand elders doorging. Wie in Haarlem familie, bezit, een werkplaats of zakelijke betrekkingen had, moest verder in een samenleving die in enkele jaren ingrijpend was veranderd. Juist hier krijgt de geschiedenis van de eeuwenoude broederschap betekenis. Haar leden hadden continuïteit opgebouwd uit namen, geld, gebruiken, symbolen en gemeenschappelijke herinneringen. Nu veranderden echter niet alleen handelsroutes. Zowel het bestuur van Haarlem als de religieuze orde waarin de Schonenvaarders waren gevormd, was onzeker geworden.
In 1577 zaten Haarlemmers tegenover Willem van Oranje
Vier jaar later krijgen de grote gebeurtenissen opnieuw menselijke gezichten. Op 21 januari 1577 verschenen de Haarlemse schout Sebastiaen Craenhals en burgemeester Ghysbrecht van Nesse als gezanten bij Willem van Oranje. Ook Godefridus van Mierlo, bisschop van Haarlem, was bij de onderhandelingen betrokken. De gesprekken leidden tot de Satisfactie van Haarlem. Achter woorden als verzoening, overgang en gezag stonden dus mensen die daadwerkelijk tegenover elkaar zaten. Craenhals en Van Nesse reisden namens hun stad en probeerden voorwaarden vast te leggen waaronder Haarlem verder kon. Daarmee kwam de strijd tussen koning en Opstand opnieuw rechtstreeks terecht in dezelfde stedelijke bestuurswereld waarin ook de Schonenvaarders hun plaats hadden.
Haarlem kreeg een andere plaats in Holland
Willem van Oranje was niet langer alleen de vroegere vertegenwoordiger van Filips II, maar de centrale politieke figuur van de opstandige gewesten. In 1579 volgde de Unie van Utrecht. In 1581 verklaarden de opstandige gewesten met het Plakkaat van Verlatinghe dat zij Filips II niet langer als landsheer erkenden. Op 10 juli 1584 werd Willem van Oranje in Delft vermoord. Voor Haarlem betekenden deze gebeurtenissen dat de stad uiteindelijk terechtkwam in een politieke wereld die sterk verschilde van die waarin de zestiende eeuw was begonnen. Koning, kerk, stadhouder, Staten en stadsbestuur stonden anders tegenover elkaar. Toch bleef binnen Haarlem één oude naam opmerkelijk hardnekkig bestaan: die van de Schonenvaarders.
De broederschap overleefde haar middeleeuwse wereld
Daarin lag de kracht van de Schonenvaarders. Hun gemeenschap was ontstaan uit handel op Schonen en had eeuwenlang gefunctioneerd binnen katholiek Haarlem. Nu waren zowel die handelswereld als die religieuze orde veranderd. Toch verdween de naam niet. Het gildeboek, de onderlinge relaties, gebruiken en symbolen boden een continuïteit die verder reikte dan de oorspronkelijke functie. De gouden haring hoefde niet langer uitsluitend naar koopwaar te verwijzen. Hij kon ook vertellen over voorgangers, families en een gezamenlijk verleden. Zo eindigde de zestiende eeuw met een merkwaardige omkering: Haarlem had een groot deel van zijn oude wereld verloren, maar de Schonenvaarders hadden geleerd juist die verdwenen wereld te bewaren.
Deel 6 — Wanneer de Schonenvaarders heren van Haarlem werden
Maurits stond boven een nieuwe Republiek
Toen de zeventiende eeuw begon, was de politieke kaart opnieuw veranderd. Na de dood van Willem van Oranje was zijn zoon Maurits vanaf 1585 stadhouder van Holland en Zeeland en groeide hij uit tot de belangrijkste militaire leider van de Republiek. Onder zijn leiding werden belangrijke successen tegen Spanje geboekt. Voor Haarlemmers verdween Filips II steeds verder uit de dagelijkse bestuurlijke werkelijkheid. Holland functioneerde binnen de Republiek, waarin de Staten van Holland, de stedelijke besturen en de stadhouder ieder macht bezaten. De Schonenvaarders gingen daarmee een eeuw binnen onder een staatsbestel dat hun middeleeuwse voorgangers nauwelijks zouden hebben herkend.
De naam was inmiddels ouder dan het beroep
Ook binnen de broederschap was de afstand tot het oorspronkelijke verleden groter geworden. Ooit beschreef Schonenvaarder werkelijk wat een man deed. Hij voer naar het noorden, investeerde in die handel of verkocht goederen die via Schonen naar Haarlem kwamen. Rond 1600 hoefde de naam niet langer zo letterlijk te worden opgevat. De gemeenschap bezat inmiddels haar eigen geschiedenis. Lidmaatschap verbond een man met voorgangers, gebruiken, symbolen en een Haarlemse traditie. Schonen lag nog altijd aan de overzijde van de zee, maar de betekenis van de naam werd steeds sterker in Haarlem bepaald. De reis werd herinnering. De herinnering werd een nieuwe reden om bij elkaar te blijven.
Maurits en Johan van Oldenbarnevelt botsten
Ook de Republiek kende geen politieke rust. Tijdens het Twaalfjarig Bestand kwam Maurits tegenover Johan van Oldenbarnevelt te staan, landsadvocaat van Holland en een van de machtigste bestuurders van de Republiek. Politieke en godsdienstige conflicten raakten met elkaar verweven. Uiteindelijk werd Van Oldenbarnevelt na een uitzonderlijk politiek proces in 1619 onthoofd. Zulke conflicten raakten juist Hollandse steden, omdat hun bestuurders gezamenlijk een belangrijk deel van de politieke macht van het gewest vormden. Dat maakt de ontwikkeling van de Schonenvaarders des te opmerkelijker. Hun kring schoof zelf steeds dichter naar die bestuurlijke bovenlaag waarin stedelijk ambt, familie, vermogen, beroep en persoonlijke netwerken elkaar ontmoetten.
In 1625 kwam Frederik Hendrik
Na Maurits' dood in 1625 volgde zijn halfbroer Frederik Hendrik hem als stadhouder op. De oorlog met Spanje ging verder, terwijl de Republiek economisch en internationaal steeds machtiger werd. Voor Haarlemse ondernemers was de handelswereld ondertussen veel groter geworden dan de noordelijke markten waaraan de naam Schonenvaarders herinnerde. Amsterdam ontwikkelde zich tot een internationaal handelscentrum en Nederlandse handelsnetwerken reikten tot ver buiten Europa. Tegen die achtergrond kreeg het voortbestaan van de Haarlemse Schonenvaarders iets bijzonders. Hun naam verwees naar een oudere fase van Hollandse expansie, toen een reis naar de haringmarkten van Schonen nog tot de grote commerciële ondernemingen van Haarlem had behoord.
Op 14 januari 1639 verschijnen de heren zelf
Op 14 januari 1639 wordt zichtbaar wat er van de oude handelsbroederschap was geworden. Bovenaan een ledenlijst staat burgemeester Pieter Jacobsz Schout. Naast hem verschijnen Cornelis Claesz Peetoom, Jacob Adriaensz Clantsius, schilder Frans Pietersz de Grebber, Pieter Lenertsz, Huijbert Thonisz, burgemeester Backer, Philips Adriaensz Bruijn, Claes Gerritsz Pinck, Pieter Cornelisz Leijenaer en Louis Dircksz Kool. Verderop staat Andries Dammisz van der Horn, die als schepen wordt aangeduid. Hier krijgt de verandering namen en gezichten. De eeuwenoude handelsgemeenschap was een kring geworden waarin Haarlemse bestuurders, kunstenaars, ondernemers en andere vooraanstaande burgers elkaar ontmoetten.
Frans de Grebber zat tussen de broeders
De aanwezigheid van Frans Pietersz de Grebber maakt die kring bijzonder tastbaar. Haarlem was in de zeventiende eeuw niet alleen handels- en bestuursstad, maar ook een belangrijk centrum van schilderkunst en cultuur. Nu zat een schilder tussen mannen die een naam droegen die oorspronkelijk naar middeleeuwse haringhandel verwees. De lijst noemt verder Pieter Claesz Soutman, Dirck Willemsz Abas, Jan Hendrick Braber, Jan Claesz Sanger, Jop Bastensz, Egbert Warmont en Sijvert Warmont. De Schonenvaarders waren dus geen versteend overblijfsel uit de middeleeuwen. Nieuwe Haarlemmers traden toe en werden opgenomen in een gemeenschap waarvan de herinnering inmiddels honderden jaren terugreikte.
Burgemeesters droegen een naam uit de haringhandel
Met Pieter Jacobsz Schout en burgemeester Backer komen het Haarlemse stadsbestuur en de Schonenvaarders rechtstreeks bij elkaar. Daardoor hoeven we niet alleen te veronderstellen dat de broederschap maatschappelijk aanzien had gekregen: de ledenlijst maakt die ontwikkeling zichtbaar. Een naam die ooit verbonden was geweest met schippers, haring, tonnen en de markten van Skanör en Falsterbo werd nu gedragen binnen een kring waarin bestuurders van Haarlem bijeenkwamen. De ontwikkeling van koopman naar heer was daarmee werkelijk in de samenstelling van het gezelschap terug te vinden. De gouden haringen waren gebleven. De maatschappelijke wereld van de mannen die eronder bijeenkwamen, was fundamenteel veranderd.
Het oude gildeboek verbond hen met Jan van Berkenrode
Tussen Jan van Berkenrode en Pieter Jacobsz Schout lagen bijna honderd jaar van Reformatie, belegering, oorlog en bestuurlijke verandering. Toch behoorden zij tot dezelfde geschiedenis. Het gildeboek maakte die verbinding mogelijk. De burgemeester van 1639 hoefde niet dezelfde reis naar Schonen te maken als vroegere generaties om deel van hun gemeenschap te worden. Hij trad een bestaand geheugen binnen. Namen, gebruiken en symbolen hadden de oorspronkelijke handelsfunctie overleefd. Daardoor kon een gemeenschap die rond noordelijke zeehandel was ontstaan zich aanpassen aan een Haarlem waarin regenten, kunstenaars en ondernemers een nieuwe maatschappelijke bovenlaag vormden. Het verleden verdween niet. Het kreeg binnen Haarlem een nieuwe functie.
Frederik Hendrik regeerde niet over hen als een koning
Boven deze Haarlemse wereld stond ondertussen geen nieuwe koning van Holland. Frederik Hendrik was stadhouder en een buitengewoon invloedrijke militaire en politieke figuur, maar de Republiek kende geen koning en geen eenvoudig centraal gezag. Gewesten en Staten behielden grote invloed en binnen Holland waren de steden belangrijke machtscentra. Dat maakte het Haarlemse burgemeestersambt betekenisvol. Wanneer burgemeesters tegelijkertijd in de kring van de Schonenvaarders verschenen, kwamen lokaal bestuur en stedelijke sociabiliteit dicht bij elkaar. De maatschappelijke bovenlaag van Haarlem bestond uit overlappende netwerken van familie, bezit, ambt, handel, beroep en gezelschap. De Schonenvaarders vormden inmiddels één van de plaatsen waar zulke netwerken elkaar raakten.
In 1647 kwam Willem II
Toen Frederik Hendrik in 1647 stierf, volgde zijn zoon Willem II hem als stadhouder op. Een jaar later maakte de Vrede van Münster in 1648 een einde aan de oorlog met Spanje en werd de onafhankelijkheid van de Republiek internationaal erkend. Willem II raakte vervolgens met Holland in conflict, onder meer over de omvang van het leger. Zijn onverwachte dood in 1650 leidde tot het Eerste Stadhouderloze Tijdperk. Binnen nauwelijks een eeuw hadden de Schonenvaarders Filips II, Willem van Oranje, Maurits, Frederik Hendrik en Willem II voorbij zien komen. Hun eigen gemeenschap bezat ondertussen een opvallend andere vorm van continuïteit: machthebbers verdwenen, staatsvormen veranderden, maar de oude Haarlemse naam bleef bestaan.
De gouden haring vertelde nu drie eeuwen geschiedenis
Daarmee was ook de betekenis van het oude symbool veranderd. Voor de eerste Schonenvaarders was haring in de eerste plaats koopwaar geweest. Voor latere broeders werd de gouden haring daarnaast een teken van onderlinge verbondenheid. Voor de Haarlemse heren van 1639 kon hij inmiddels verwijzen naar generaties die vóór hen hadden geleefd. Achter het symbool lagen de reizen naar Schonen, katholieke missen, maaltijden bij de Witte Heren, Jan van Berkenrode, de Reformatie, het beleg van Haarlem, Willem van Oranje en uiteindelijk de regentenstad van de zeventiende eeuw. Eén kleine gouden haring droeg zo een geschiedenis die veel groter was geworden dan de handelswaar waarmee alles was begonnen.
Schonen lag voortaan in Haarlem
Rond het midden van de zeventiende eeuw hoefde een Schonenvaarder niet meer naar Schonen te varen om Schonenvaarder te zijn. De oude bestemming was een Haarlemse herinneringsplaats geworden. Zij leefde voort in het gildeboek, in namen, gezamenlijke gebruiken, maaltijden en symbolen. De route over het Spaarne naar Spaarndam, het IJ en de noordelijke zeeën bleef het begin van het verhaal, maar bepaalde niet langer het dagelijkse bestaan van de broeders. Jan van Berkenrode had plaatsgemaakt voor Pieter Jacobsz Schout en Frans de Grebber; Filips II voor Oranje, Maurits en Frederik Hendrik. Alleen de oude naam bleef. Schonen lag niet langer alleen aan de overzijde van de zee. Schonen lag voortaan in Haarlem.
Deel 7 — 1573–1640 — Een gilde dat het beleg overleeft
Wanneer het gewone leven instort
In 1572 leek de wereld van de Haarlemse Schonenvaarders nog herkenbaar. Arent Hendricksz was deken, Steffen Dircksz behoorde tot de vinders en pachten en renten werden geboekt zoals generaties vóór hen hadden gedaan. Daarna sloot het Spaanse leger Haarlem in. Het beleg veranderde niet alleen muren, straten en voedselvoorziening. Ook de kleine economische wereld van de broeders viel uiteen. Pachters konden niet betalen, huizen brachten geen normale inkomsten op en mannen die jarenlang aan dezelfde tafel hadden gezeten verdwenen. Het gildeboek wordt juist daardoor aangrijpend: de oorlog verschijnt er niet als veldslag, maar als gaten in een rekening.
Gerrit Arentsz verdwijnt
Een van die gaten kreeg een naam. Gerrit Arentsz had geld ontvangen dat aan het gilde toebehoorde, maar was volgens de rekening na het beleg “wechghetrocken sonder rekening te doen”. Waarheen hij vertrok en waarom weten we niet. Enkele jaren eerder was al genoteerd dat hij wegens zijn armoede tien gulden niet kon terugbetalen. Een deel van zijn schuld werd later met verdiend loon verrekend. Nu verdween hij uit Haarlem terwijl nog geld moest worden verantwoord. Achter één administratieve regel verschijnt zo een man die eerst arm werd en vervolgens uit het sociale netwerk van het gilde verdween.
De generatie van vóór het beleg verdwijnt
Ook onder de broeders vielen gaten. Cornelis IJsbrantsz Olij, Pieter Coenen, Jacob Bartelomeusz Pellecaen en Arent Hendricksz kregen rond 1573 overlijdensnotities. Bij andere mannen uit de ledenlijst van 1570 verschijnt eveneens opvallend vaak dat jaar. De boeken vertellen meestal niet waaraan zij stierven. Honger, ziekte en geweld beheersten Haarlem, maar het zou te ver gaan ieder overlijden rechtstreeks aan het beleg toe te schrijven. Zeker is iets anders: in korte tijd verdwenen mannen die jarenlang samen zaken hadden gedaan, gegeten, bestuurd en geld uitgeleend. Met hen verdwenen ook handelskennis, familieverbindingen, kredietrelaties en herinneringen.
Het altaar wordt afgebroken
In de zomer van 1573 trof de ontwrichting ook de plaats waar generaties Schonenvaarders hun religieuze identiteit hadden bewaard. Het altaar werd afgebroken. Daarna moest de muur worden hersteld. Voor kalk, metselwerk en het wegdragen van puin werd ongeveer drie gulden betaald. Waarom het altaar precies verdween, vermeldt de rekening niet. Dat maakt voorzichtigheid noodzakelijk. Wel weten we wat verloren ging: de plaats waar missen waren gelezen, kaarsen hadden gebrand en overleden broeders waren herdacht. Hier hadden de haringen, de kleuren en het scheepsmodel herinnerd aan de verre noordelijke zeevaart waarmee de gemeenschap ooit was begonnen.
In oktober begint de wederopbouw
Nog in oktober 1573 begon het herstel. Met toestemming van de bisschop werd het altaar opnieuw ingericht in wat in de bron de Romeinse kapel wordt genoemd. Ornamenten werden teruggebracht, de pastoor kreeg betaald en twee nieuwe doeken kwamen voor de voet van het altaar. Daarna volgden kleine uitgaven die samen laten zien hoe een gemeenschap na een ramp opnieuw vorm kreeg. Ongeveer 10½ el laken werd aangeschaft, vier kandelaars werden schoongemaakt en oude panelen en lijsten opnieuw gebruikt. Niet één grote wederopbouwpost, maar stof, hout, metaal, sloten en handen brachten het gildealtaar stukje bij beetje terug.
Frans Franssen en het kerkgoed
Een van de mensen achter dat herstel was Frans Franssen, de koster. Hij werkte aan een kazuifel en ander kerkelijk textiel. Er kwam een corporalezak en in de sacristie werd een kastje met slot en hengsels geplaatst. Op 4 maart 1574 kreeg het gilde een missaal. Voor de misgewaden kwam een afzonderlijk kistje en een ijzeren roede maakte het mogelijk een gordijn op te hangen. De rekening bewaart daarmee niet alleen voorwerpen, maar ook handelingen: textiel moest worden hersteld, opgeborgen en beschermd. De broeders herstelden een ruimte waarin hun voorgangers waren herdacht en waarin het verleden van de gemeenschap zichtbaar was gebleven.
28 november 1574 — Wie nog in Haarlem was
Op 28 november 1574 kwamen de broeders bijeen in de Gulden Boom, het huis van waard Cornelis Lourisz. De formulering van de rekening is veelzeggend: het ging om de broeders die zich toen nog in Haarlem bevonden. Dirck Simonsz werd deken. Quirijn Willemsz, Pieter Cornelisz Ban en Dirck Steffensz Soutman werden vinders. Het waren dezelfde oude functies die al in 1416 voorkwamen. Na dood, vertrek en economische ontwrichting werden dus opnieuw een deken en drie vinders aangewezen. De mannen veranderden; het bestuurlijke geraamte van de broederschap bleef staan.
De oorlog verdwijnt niet in 1573
Het beleg was afgelopen, maar in de rekeningen bleef het jarenlang voortbestaan. Jan de Witte betaalde nog enkele halve rentetermijnen tussen Jacobi 1573 en Lichtmis 1575. Daarna werden termijnen kwijtgescholden omdat het onderpand niet bruikbaar was. De huurder van Robbetgens Horn kreeg wegens oorlogsschade 1 gulden en 12½ stuiver vermindering. Pachters uit Uitgeest hoefden over de zes slechte jaren 1572–1577 uiteindelijk slechts twee jaren volledig te betalen. Bij verschillende Haarlemse huizen werden inkomsten uit 1573–1578 alleen nog pro memoria genoteerd. Het juridische recht bestond; werkelijk geld kwam niet binnen.
Dertien mannen aan tafel
Ook aan tafel was de schade zichtbaar. Op 26 december 1576 vinden we onder anderen Dirck Simonsz, Quirijn Willemsz, Pieter Cornelisz Ban, Arent Heyndericksz, Jan Lou Staelsz, Jan Berkelmansz, Frans van Rijcken, Niek Gerritsz, Jan Pietersz Deijman, Claes Aelbertsz Voicht, Jan Gerritsz Wildeman en Claes Dircksz. Een andere post noemt slechts dertien betalende broeders. Vóór het beleg konden tientallen mannen samenkomen. Nu zat een veel kleinere kring bijeen. Toch werd gegeten, betaald en rekening gedaan. Juist het voortzetten van zulke gewone handelingen hield de gemeenschap overeind.
Bier, turf en een gebroken kruik
In 1578 werd een ton Engels bier gekocht voor 6 gulden en 6 stuivers. Daar kwamen accijns, vracht en het binnenbrengen van het vat nog bovenop. Turf, boter, kaas en brood werden eveneens aangeschaft. Een gebroken kruik kostte twaalf stuivers en toen de drank onvoldoende bleek, moest voor nog eens 1 gulden en 15 stuivers bier worden gehaald. Op 1 januari aten ongeveer tien broeders bij Pieter Ban in de Doelen. Het zijn bijna huiselijke bijzonderheden, maar juist daardoor zien we herstel: niet alleen bestuur en vermogen keerden terug, maar ook de kleine organisatie rond een gezamenlijke maaltijd.
De oude religieuze wereld verdwijnt
Op 17 maart 1579 kwamen de broeders opnieuw in de Kloveniersdoelen bijeen. Rond altaar en kandelaars werden nog betalingen gedaan, maar de religieuze functie die eeuwenlang met de broederschap verbonden was geweest, begon uit de administratie te verdwijnen. Voor de Schonenvaarders betekende dit een tweede breuk binnen nauwelijks tien jaar. Eerst was de georganiseerde handel op Schonen uit hun dagelijkse bestaan verdwenen. Nu verloor ook het altaar met zijn missen, kaarsen en kerkelijke voorwerpen zijn centrale functie. Wat overbleef waren de broeders zelf, hun bezit, hun bestuur en hun onderlinge verplichtingen.
Toch blijft het schip
Waarschijnlijk ontstond rond 1580 nog een tweede scheepsmodel, de driemaster D’Beschermer, tegenwoordig verbonden met de collectie van het Frans Hals Museum. De datering en oorspronkelijke toestand vragen voorzichtigheid omdat het model later ingrijpend werd gerestaureerd. Maar het bestaan ervan past bij een opvallende ontwikkeling. Terwijl de werkelijke vaart op Schonen uit het dagelijkse leven van het gilde verdween, bleef het schip als beeld bestaan. De zee werd herinnering. Het vaartuig dat ooit koopwaar, risico en inkomen had betekend, werd een voorwerp waarmee een Haarlemse gemeenschap naar haar eigen verleden kon kijken.
25 januari 1581 — De Waag
Op 25, 26 en 27 januari 1581 aten zeventien personen in De Waag. Onder hen waren heer Adriaen Schorel, Cornelis Rijcken, Jan Deijman, Dirck Sijmonsz, Dirck Steffensz Soutman, Jan Lou Staets, Aelbert Gerritsz, Claes Dircksz Sampsen, Jan Gerritsz Wildeman, Jan Bartelmeusz, meester Huijg Bol, Adriaen Gael en Pieter Oom. Twee tonnen bier kostten tien gulden; de accijns bedroeg anderhalve gulden. Drie maaltijden kostten ruim dertien gulden. Vuur en licht werden apart betaald. Een jonge vrouw ontving negen stuivers en een knecht vijftien. Achter zeventien heren stonden opnieuw betaalde handen.
Het eten wordt weer overvloediger
Op 27 december 1583 zaten in de Doelen onder anderen kapitein Jacob Anthonisz, Jacob Florisz, Jan Gerritsz Olij, Floris Thonisz, Adriaen Cornelisz Blauw, Willem Arentsz Bol, Pieter Jansz Droogvoet, Borrit Jelisz, Wouter Auwelsz Steltman en Claes Steffensz Soutman. Drie tonnen bier kostten vijftien gulden, nog zonder alle bijkomende lasten. Rundvlees, ham, schapenvlees, schapenpoten en -koppen, konijnen en vis kwamen binnen. Tien jaar na het beleg kon het gilde weer een wintertafel vullen waarvan niet alleen de broeders, maar ook leveranciers, bereiders en bedienden deel uitmaakten.
Vier winterdagen in 1586
Van 5 tot en met 8 januari 1586 werd vier dagen in de Kloveniersdoelen gegeten. Claes Aelbertsz Voicht leverde vier tonnen bier. Vervolgens kwamen 44 pond rundvlees, twee hammen van samen 22 pond, een schapenschouder en een bout van eveneens samen 22 pond, veertig schapenpoten, zeven paar konijnen en 24 pond boter. Pos, braadspiering en kabeljauw wisselden elkaar af. Kaas, brood, azijn, mosterd en kaarsen completeerden de tafel. De rekening is bijna een boodschappenlijst waarmee vier eeuwen later nog kan worden gezien wat de broeders midden in de winter voor hun bijeenkomst lieten aanvoeren.
Honderden stukken hout
Warmte was bijna even belangrijk als voedsel. Voor de vier dagen werden 32 manden turf aangeschaft, daarna tweehonderd stukken hout en vervolgens nog honderd. Pieter Ban kreeg drie gulden voor het gebruik van de Doelen. Een jong meisje en een jongen ontvingen samen achttien stuivers. De heren konden urenlang eten en drinken omdat anderen brandstof sleepten, vuren onderhielden, voedsel bereidden en vaatwerk verplaatsten. De gildeboeken bewaren daardoor niet alleen de namen van de broeders, maar ook zeldzame flarden van het werk van mensen die slechts eenmaal en soms helemaal niet bij naam werden opgeschreven.
De dood blijft onderdeel van het gilde
Op 31 januari 1586 beloofde kapitein Jacob Anthonisz dat na zijn overlijden twaalf Carolusgulden naar het gilde zouden gaan. Adriaen Jansz Gael beloofde zes gulden plus twintig stuivers voor de armen en Dirck Sijmonsz alias Lip drie gulden. Alle broeders moesten een begrafenis bijwonen en bij de daaropvolgende vertering blijven. Wie zonder geldige reden eerder vertrok, betaalde drie stuivers boete. De missen mochten uit het openbare gildeleven verdwijnen, maar de oudere gedachte van broederschap tegenover de doden bleef bestaan: een tafelgenoot werd niet eenvoudig na zijn overlijden uit de gemeenschap geschrapt.
Kapitaal wordt belangrijker dan schepen
Ondertussen werkte het geld verder. Een lening of hypotheek had een hoofdsom van 400 gulden. Toen een deel van het verbonden land werd verkocht, ontving het gilde in april 1588 tweehonderd Carolusgulden aflossing plus rente. IJsbrant Borritsz regelde een oude schuld van zijn vader en betaalde eerst 35 gulden. Jan Pietersz Deijman legde vijftien gulden bij om te voorkomen dat de “boom van het gilde” kleiner werd. Die beeldspraak is treffend: het kapitaal was de boom, de rente de vrucht waarvan gegeten mocht worden. De broeders probeerden dus het vermogen zelf intact te houden.
Vijf dagen feest, daarna weer uitlenen
Van 10 tot en met 14 januari 1588 duurde de maaltijd zelfs vijf dagen. Alleen voor bier werd ongeveer 27 gulden uitgegeven. Pieter Sweer leverde drie grote stukken rundvlees en een afzonderlijk braadstuk van 20½ pond. Twee hammen, vijftig paar schapenpoten, schapenschouders, twee bouten van samen 38½ pond, pos, braadspiering, kabeljauw, olijven, kaas en brood volgden. Toch werd het vermogen niet eenvoudig verteerd. Op 18 februari leende het gilde alweer vijftig gulden aan metselaar Pieter Mouweringsz; op 27 april volgde tweehonderd Carolusgulden aan Jelis van Huessen Jacobsz.
Vierenveertig broeders
Rond 1589–1591 zijn betalingen van ongeveer 44 broeders terug te vinden. Daarmee naderde de gemeenschap numeriek opnieuw de omvang van vóór het beleg. Vier tonnen bier, konijnen, roggebrood, witbrood, boter, kaas, brasem, baars, zout, mosterd en kaarsen werden aangeschaft. Voor de warmte waren 34 manden turf nodig. De waardin kreeg vier gulden; een jong meisje vijftien stuivers. Het zijn juist die twee laatste betalingen die laten zien hoeveel mensen buiten het eigenlijke ledenregister nodig waren om het gildeleven mogelijk te maken. De vereniging had de catastrofe van 1573 werkelijk overleefd.
Zelfs watermolens worden gildezaken
De bezittingen buiten Haarlem brachten nieuwe verplichtingen mee. Omdat het gilde landbelangen bij Akersloot, Limmen en Laeckom bezat, moest het bijdragen aan nieuwe watermolens. Dat is een merkwaardige omkering van het oude verhaal. De eerste Schonenvaarders hadden water nodig om hun schepen naar Scandinavië te brengen. Hun opvolgers betaalden nu mee aan molens die juist water uit het land moesten verwijderen. De naam bleef die van zeevaarders, maar een deel van hun vermogen was inmiddels zo diep in Kennemerlandse grond verankerd dat het onderhoud van de waterhuishouding rechtstreeks een financiële zaak van de Schonenvaarders werd.
1594 — Een nieuwe generatie begint
Het latere ledenregister vult vanaf 1594 een belangrijke leemte. In dat jaar verschijnen Dirck Steffens Soutman, lakeman; Pieter Jacobsz, schipper; IJsbrant Cornelisz Geltsack; Cornelis Leendertsz; Balten Joffse en nog een Pieter Jacobsz, smid. De beroepen zijn veelzeggend. De schipper was niet verdwenen, maar stond nu naast een lakeman en een smid. De vereniging vertegenwoordigde steeds minder één beroep. De oude naam bracht mannen bijeen die in de Haarlemse economie zeer verschillende plaatsen innamen. Juist daardoor kon het gilde blijven voortbestaan nadat zijn oorspronkelijke handelsfunctie was verdwenen.
Van bakker tot burgemeester
In 1599 volgen Floris Philipse, Hendrick Cornelisz Backer en Christiaen Franse Bosman. In 1601 verschijnen Pieter Jacobsz Schout, burgemeester, Cornelis Claesz Peetoom, Cors Dirckse, Jan Pietersz Stoel, Dirck Hendrikse en Teunis Arentsz. In 1609 werd Jan Cornelisz Smit opgenomen. In 1611 volgen Jacob Arentsz Plantius, Cornelis Dirckse, Philip Arentsz en Claes Adriaensz. Het register laat zien hoe de broederschap telkens werd aangevuld. Haarlemse bestuurders gingen steeds vanzelfsprekender naast ambachtslieden en mannen uit de scheepvaart aan dezelfde tafel zitten. Lidmaatschap was een stedelijke band geworden.
1614–1624 — De namen blijven komen
Voor 1614 worden Cornelis Claesz Roobol, Cornelis Krijnse, Willem Arentsz en Cornelis Egbertsz genoemd. Dirck Dircksz Brouwer, burgemeester, verschijnt in 1616 en overleed in 1619. Claes Jansz volgde in 1617; Jan Auwelse en Jop Baltense in 1619. In 1620 kwamen Laurens Dircksz Kool en Pieter Cornelisz Leijenaer, in 1621 Jacob Jacobsz Stuurman en in 1624 Dirck Cornelisz. De oude zeevaardersgemeenschap veranderde zonder dat iemand op één bepaald moment besloot haar karakter te veranderen. Iedere toetreding bracht nieuwe beroepen, families en relaties binnen en verschoof het evenwicht opnieuw.
8 januari 1628 — Twee burgemeesters
Op 8 januari 1628 zaten ongeveer 28 mannen bijeen. Bovenaan stonden burgemeester Pieter Jacobsz Schout en burgemeester Pieter Adriaensz Verbeeck. Phulps Arentsz de Bruijn was deken; Pieter Cornelisz Leijenaer oud-vinder; Huijbert Thuenisz en Jacob Cornelisz waren vinders. De aanwezigheid van twee burgemeesters laat zien hoeveel aanzien de oude broederschap inmiddels bezat. Wie hier lid werd, trad niet alleen toe tot een herinnering aan zeevaart. Hij kwam terecht in een netwerk waarin Haarlemse handel, bestuur, ambacht en persoonlijk aanzien elkaar ontmoetten, terwijl de oude functies van deken en vinder onveranderd bleven.
Schilders tussen de Schonenvaarders
De lijst van 1628 maakt die verbreding nog duidelijker. Dirck Steffensz Laeckeman, Cornelis Adriaensz Backer, Andries Dominusz Houtcoper, Jacob Arentsz Houtcoper en Willem Pietersz Catoers, kuiper, werden genoemd. Daarnaast traden Frans Pietersz de Grebber en Pieter Claesz Soutman toe, beiden schilder. Daarmee kwamen kunstenaars terecht in een gemeenschap die haar naam ontleende aan middeleeuwse haringhandel. Hun aanwezigheid is geen los kunsthistorisch uitstapje: zij behoorden werkelijk tot dezelfde broederschap en zaten tussen kooplieden, bestuurders, schippers en ambachtslieden die gezamenlijk de oude naam Schonenvaarders bleven dragen.
Heel Haarlem aan één tafel
De lijst van 1629 leest bijna als een doorsnede van de stedelijke economie. Phulps Arentsz de Bruijn was schipper, Huijbert Theunisz en Pieter Lenaertsz waren kooplieden, Willem Pietersz Catoers kuiper. Pieter Willemsz was voormalig brouwer, Cornelis Claesz van Wieringen scheepsschilder, Henderick Gerretsz Claver bakker en Louwerens Dircksz Cool kaaskoper. Jop Baltensz was houtkoper, Jan Gerritsz Luijtten olieslager, Dirck Willemsz Abas moutmaker en Hans Mathijsz factor in granen. De beroepen tonen precies wat het gilde geworden was: geen beroepsorganisatie meer, maar een netwerk waarin uiteenlopende Haarlemse mannen elkaar als broeders ontmoetten.
Ook aanzien beschermde niet tegen uitsluiting
Jacob Adriaensz Calantius overleed op 15 augustus 1632; Cornelis Claesz van Wieringen, scheepsschilder, op 5 december. Pieter Willemsz stierf op 29 december 1633. Maar op 31 december van datzelfde jaar gebeurde iets anders: Hans Mathijsz, factor in granen, werd met algemene stemmen uit het gilde gezet, eenvoudigweg “om redenen”. De reden werd niet genoteerd. Kennelijk wist de toenmalige kring precies wat er speelde. Vier eeuwen later resteert alleen de harde uitkomst. Het is een van de zeldzame momenten waarop achter de ordelijke administratie een conflict zichtbaar wordt: ook een economisch aanzienlijke broeder kon zijn plaats aan tafel verliezen.
14 januari 1639 — Een Haarlemse bovenlaag
Op 14 januari 1639 stond burgemeester Pieter Jacobsz Schout bovenaan. Daarna kwamen Cornelis Claesz Peetoom, Jacob Adriaensz Clantsius, Frans Pietersz de Grebber, Pieter Lenertsz, Huijbert Thonisz, burgemeester Backer, Philips Adriaensz Bruijn, Claes Gerritsz Pinck, Pieter Cornelisz Leijenaer en Louis Dircksz Kool. Ook schepen Andries Dammisz van der Horn en schilder Pieter Claesz Soutman behoorden tot de kring. Wie deze tafel naast die van 1416 legt, ziet hoeveel er veranderd was. De Schonenvaarder was van zeehandelaar een Haarlemse broeder geworden. Alleen de naam droeg de herinnering aan Schonen nog altijd verder.
Deel 8 — 1640–1700 — Wanneer Schonen alleen nog in de naam leeft
1640 — De oude naam, nieuwe mannen
Vanaf 1640 bleef het ledenregister zich vullen. Dieloff Jansz, Gerrit Jansz en landdrost Pieter Schatter werden genoemd. In 1642 volgden Jan Florisz van Schooten, Jan Pietersz Barbier en Willem Jansz. Daarna kwamen Arent Sijmensz van Deurs, Adriaen Muijltiens, Jacob van de Water, Willem Corstaensz, Abraham van Mekeren en Matheuwis Hoflant. De mannen leefden niet meer in de wereld waarin een Haarlemse koopman naar Schonen vertrok om haringhandel te drijven. Toch traden zij onder precies die oude naam toe. Daarmee werd het verleden zelf een onderdeel van de identiteit van de gemeenschap.
1649 — Een boek eindigt met wijnkoop
Het oudste gildeboek loopt volgens de archiefbeschrijving tot 1646, maar bevat nog aantekeningen uit januari 1649. Op 5 januari verschijnen Cornelis Cornelisz en landdrost Pieter Schatter in een moeilijk leesbare zakelijke notitie. Op Driekoningen, 6 januari, werd voor 7 gulden en 3 stuivers wijnkoop afgerekend. Daarna houdt deze boekreeks op. Het contrast met het begin is bijna volmaakt. In 1416 ging het over kaproenen, schuiten en goederen voor Schonen; ruim twee eeuwen later eindigt dezelfde administratieve wereld met een betaling voor wijnkoop tussen Haarlemse heren.
Kapiteins en burgemeesters
Nieuwe leden bleven komen. Hendrick Viss en Gillis ver Meulen werden in 1650 genoemd. In 1653 volgden Gerbrant Schatter, kapitein, Aram van Hasevelt en Coenraet Huijskens. Dirck Damius verscheen in 1655. In 1656 kwamen IJsbrant Schatter, schepen en later burgemeester, Gillis de Waele, Pieter van der Hoog, Cornelis van der Mersch en Pieter de Vos. In 1657 volgden kapitein Adriaen van den Boss, Johan de Jong, eerst luitenant en later kapitein, en Govert Luijcas Hamberg. Militaire en bestuurlijke titels werden steeds gewoner tussen de namen van de Schonenvaarders.
1659 — Een admiraal wordt broeder
In 1659 verschijnt Jacob van Wassenaer, heer van Obdam, luitenant-admiraal-generaal. Naast hem werd Adriaen Trip genoteerd, die later weer vertrok. De aanwezigheid van Van Wassenaer laat zien hoe ver het prestige van de broederschap inmiddels reikte. Niemand hoefde nog een lading haring uit Skanör te hebben gehaald om Schonenvaarder te kunnen worden. De herinnering aan eeuwen zeevaart was zelf een vorm van aanzien geworden. De titel Schonenvaarder verwees steeds minder naar een reis die iemand maakte en steeds meer naar de kring waartoe iemand behoorde.
1660 — De Ruyter aan de Haarlemse tafel
Een jaar later verschijnen twee nog opvallender namen: Michiel Adriaensz de Ruyter en Egbert Meeuwesz Cortenaer, beiden admiraal. Ook Dammis van der Horn en Andries de Vos worden genoemd. Daaruit volgt niet dat De Ruyter ooit volgens het oude Haarlemse patroon handel op Schonen dreef. Daarvoor bestaat geen bewijs. Zijn lidmaatschap vertelt iets anders: een middeleeuwse handelsbroederschap was een gezelschap geworden waarin maritieme reputatie, stedelijk aanzien en persoonlijke relaties belangrijker waren dan de oorspronkelijke handelsbestemming. De naam Schonenvaarders had een nieuwe sociale betekenis gekregen.
Van Schonen naar Indië
Voor 1661 noemt het register Pieter de Clerck, Johan BosseBaert en Anthonij Verbrugge. In 1665 volgen Eduwart van Crale, Pieter Buttinga en Sijbrant Cameij. In 1666 verschijnen burgemeester Cornelis Duijvese, Joost Weijns, Francoijs Snellings, Noach Smaltius, Pieter Nolte en Joost Hooftman. Bij Joost Weijns werd de opmerkelijke aantekening “Naer Indien” geplaatst. Meer zegt het register daar niet over. Juist daarom is die korte toevoeging zo bijzonder: tussen alle Haarlemse namen opent zich plotseling een bestemming duizenden kilometers verderop, genoteerd in hetzelfde boek dat zijn oorsprong dankte aan de vaart naar Schonen.
1669 — Geld in kas
In 1669 was Dirck Damius deken. Johan van Schooten wordt als oud-vinder genoemd en Cornelis van der Mersch en Govert Luijcas Hambeg waren vinders. Uit de vorige rekening stond 166 gulden, 2 stuivers en 8 penningen in kas. Daar kwamen rente, intreegelden, overlijdensgelden en nagelag bij. Het gilde hoefde al lang geen schip meer naar Schonen te sturen om geld te ontvangen. Bezittingen, schuldbekentenissen en kapitaal brachten inkomsten voort. De oude koopmansgemeenschap was daarmee ook een vermogensgemeenschap geworden, waarin zorgvuldig rekeningbeheer een van de belangrijkste voorwaarden voor voortbestaan was.
Zelfs De Ruyter betaalde
Onder de betalende broeders stonden burgemeester Van der Horn, Hendrick Coning, Nicolaes van Lijnhove, Jan Florisz van Schooten, Arent Sijmensz van Deurs, Dirck Damius, schepen IJsbrant Schatter, Cornelis van der Mersch, Pieter de Vos, Anthonij Verbrugge en Govert Luijcas Hambeg. Ook Michiel de Ruyter betaalde 3 gulden en 3 stuivers nagelag. Dat kleine bedrag is historisch misschien interessanter dan zijn beroemde naam alleen. Hij stond niet uitsluitend als erefiguur tussen de leden genoteerd: zijn naam verschijnt midden in dezelfde financiële administratie waarin de bijdragen van de andere broeders werden verantwoord.
Kaviaar naast bokking
De tafel van 1669 laat een andere wereld zien. Er kwamen citroenen en kaviaar, riviervis, zeevis, zalm, bokking en haring. Boter, sla, peterselie en specerijen werden gekocht. Cornelia Evers Dijck leverde specerijen en kaarsen; Claes Buijs verhuurde messen en Hendrick Stevens zorgde voor brood. Westfaalse ham, kastanjes en kaas volgden. Een slager leverde tongen en ingrediënten voor olipodrigo. De namen van deze leveranciers zijn belangrijk: zij laten zien dat achter de herenmaaltijd een netwerk van mensen stond dat voedsel, licht, gerei en andere benodigdheden leverde.
Zeventig stopen wijn
Dirck Damius leverde bier en tabak. Een rekening noemt daarnaast maar liefst zeventig stopen wijn. De Doelmeester kreeg ruim vijftig gulden voor twee dagen en voorschotten. Frans Olivers, hoofdmeester, werd betaald, evenals gildeknecht Belten en diens zoon. Gebroken glazen kwamen afzonderlijk op de rekening. De bijeenkomst vereiste dus veel meer dan voedsel alleen. Iemand moest inkopen, dragen, schenken, opruimen en beschadigd vaatwerk vervangen. Naast de namen van admiraals en burgemeesters bewaart de rekening daardoor ook een tweede gezelschap: de mensen die ervoor zorgden dat de Schonenvaarders daadwerkelijk aan tafel konden zitten.
Een begrafenis kon nog altijd geld kosten
Toen Pieter Wiebout overleed, ontving het gilde 63 gulden. Vijf broeders betaalden bovendien een boete omdat zij zijn begrafenis hadden gemist. Na het overlijden van Nicolaes van Lijnhove kwam 31 gulden en 10 stuivers binnen. Onder de afwezige broeders bij begrafenissen worden IJsbrant Schatter, Pieter de Vos en Joost Weijns genoemd. De oude verplichting was dus geen lege formulering geworden. Afwezigheid had een prijs. Eeuwen nadat missen en altaardiensten het middelpunt hadden gevormd, bleef de dood een moment waarop zichtbaar werd wie werkelijk aan zijn verplichtingen tegenover de broederschap voldeed.
De Houten Gevel en de Beurs van Amsterdam
Oude financiële rechten bleven eveneens bestaan. In de Zijlstraat rustte een aanspraak op De Houten Gevel. Sinds 1651 was daar niet meer voor betaald; juffrouw Wijnants wordt als laatste betaler genoemd. Een ander recht rustte op De Beurs van Amsterdam in de Grote Houtstraat. Ook daar waren betalingen langdurig achterstallig. Zulke posten laten zien hoe hardnekkig oude rechten konden zijn. Een eigenaar kon verdwijnen en een huis van functie veranderen, maar zolang een aanspraak niet formeel was verdwenen, bleef zij als openstaande post in het geheugen van de gildeadministratie voortleven.
Naar Amsterdam om De Ruyter te halen
Rond 1670 werd 4 gulden en 2 stuivers betaald voor een reis naar Amsterdam om De Ruyter samen met Pieter de Vos uit te nodigen. De gildeknecht of boodschapper moest daarvoor werkelijk op pad. Daarnaast verschijnen betalingen voor tabak en een visdraagster. Alleen al een maaltijd in de Basterpijp kostte honderd gulden. Achter de aanwezigheid van een beroemde broeder ging dus heel praktisch werk schuil: iemand moest hem bereiken, de uitnodiging overbrengen en vervolgens terugkeren. Het netwerk van de Schonenvaarders bestond niet alleen op papier; mensen reisden ervoor tussen Haarlem en Amsterdam.
1672 — Feesten in het Rampjaar
Tijdens het Rampjaar kwamen de Schonenvaarders onder meer bijeen in ’t Vlieg en de Basterpijp. Voor hun tafel werden twee hammen en tong, veertien hoenders, vlees, brood, citroenen, appels en haring gekocht. Foelie, selderij en spinazie kwamen erbij. Tarbot, kabeljauw, zalm, ansjovis en kappertjes werden eveneens geboekt. De rekening vertelt niets over wat de afzonderlijke broeders van de gebeurtenissen van 1672 vonden. Daarom hoeft daar niets aan te worden toegevoegd. Wat de eigen bron wél laat zien, is concreter: de broederschap bleef bijeenkomen en haar leveranciers bleven goederen voor de tafel aanvoeren.
Nieuwe kapiteins
In 1674 verschenen Jacobus Bronsveldt en Wouter de Graaf. Voor 1677 worden Frans Marcelis, heer van Callenburgh, commandeur Jan Craemer en Jan Baltose Barnhoeck genoemd. Eind dat jaar was burgemeester Cornelis Duivese deken. Kapitein Johan de Jongh en Pieter de Vos waren vinders; Anthonij van Brugge oud-vinder. Nieuwe broeders waren Carolus Dixer, Jacobus Vroom en Andries van Dalen. De opeenvolging van titels is opvallend. Burgemeesters, kapiteins en commandeurs kwamen binnen, maar eenmaal binnen bewogen zij zich binnen dezelfde oude structuur van deken, vinders, bijdragen, maaltijden en begrafenisplichten.
1678 — De dood van De Ruyter bereikt Haarlem
Op 4 januari 1678 ontving het gilde wegens het overlijden van Michiel Adriaensz de Ruyter 110 gulden en 5 stuivers. Schuitvracht en andere kosten rond zijn begrafenis bedroegen 12 gulden, 13 stuivers en 8 penningen. Een latere vertering in De Zwaan te Amsterdam hield eveneens verband met zijn afscheid. Daarmee werd de oude begrafenisplicht zeer concreet. Voor de Schonenvaarders betekende zijn dood niet alleen een naam in een landelijke geschiedenis, maar ontvangsten, uitgaven, vervoer en een gezamenlijke vertering die allemaal in hun eigen administratie terechtkwamen.
Engel de Ruyter
Nieuwe namen bleven ondertussen verschijnen: Govert van Leent, Arent van Deurs, Elias Marehant en Balthasar Groen; later Johan Vermeulen, Adriaen du Quenoij, Theodorus Eeckhout, Gerard Kloppenburgh, Martinus van Vaeken, Pieter van Gendt, Pieter Roijens en Jaques de Vos. In 1684 bracht het overlijden van Engel de Ruyter vijftig gulden in de kas. De verbinding met de familie De Ruyter eindigde dus niet onmiddellijk met Michiels dood. Ook de volgende generatie bleef via de financiële administratie van de broederschap zichtbaar.
De knecht had eveneens schulden
In hetzelfde jaar werd een oude schuld van gildeknecht Gerrit Basuijck afgewikkeld. Een restant werd tegen zijn verdiende loon weggestreept. De heren hielden hun financiën nauwkeurig bij, maar dezelfde boekhouding maakt zichtbaar hoe verschillend hun economische positie was. Een broeder kon honderden guldens beleggen; een knecht kon met een veel kleinere schuld in dezelfde administratie blijven staan en die door arbeid aflossen. Gerrit Basuijck is daardoor meer dan een naam onder een rekening: zijn loon en schuld tonen de afstand tussen degenen aan tafel en degene die voor hen werkte.
1685 — Muziek in ’t Vlies
In 1685 kreeg Jacobus Kapoen in ’t Vlies 180 gulden voor de vertering. Maarten Vermeulen leverde voor ruim 83 gulden wijn. Een ander anker wijn met proeverij kostte nog eens 14 gulden en 10 stuivers, zonder belasting en binnenbrengen. Teunis Pietersen leverde tabak. Meester Paulus en Van Son, speellieden, kregen twaalf gulden. Eeuwen eerder waren pijpers betaald; nu begeleidden opnieuw betaalde muzikanten de bijeenkomst. Hun namen maken duidelijk dat muziek geen veronderstelde sfeertekening is, maar werkelijk als uitgave in de rekening van de Schonenvaarders terechtkwam.
Knechten onderweg
Personeel bediende niet alleen aan tafel. Er werd betaald voor een reis naar Amsterdam om broeders uit te nodigen, voor nog twee reizen in verband met het sterfhuis van De Ruyter en voor een reis naar Noordwijk naar een heer Dirickx. De knecht was dus veel meer dan degene die wijn schonk. Hij was bode, geldloper en verbindingsman. De heren konden een netwerk onderhouden omdat anderen daadwerkelijk over land en water reisden, boodschappen overbrachten en geld inden. Hun kilometers staan niet in het ledenregister, maar hun loon staat wel degelijk in de rekening.
Juli 1686 — Een tafel vol verre goederen
Een rekening uit juli 1686 noemt twee kleine speenvarkens, citroenen of limoenen en sinaasappelen. Vier pond kraakamandelen kwamen erbij. Daarna volgden vier kalkoenen, zes hoenders, zes konijnen en twaalf duiven. Ook vlees, kersen, aalbessen, vis, tabak en pasteiwerk werden aangeschaft. Voor de wijn werden 64 stopen belast. Assuerus Beuns leverde een belangrijk deel. De hoeveelheid en verscheidenheid worden in de rekening zelf zichtbaar: niet alleen vlees en vis, maar gevogelte, fruit, noten, gebak, tabak en wijn moesten voor één bijeenkomst worden verzameld en betaald.
Wie de rijkdom bediende
Willem Soeterlant, kastelein, ontving ruim 76 gulden. Samuel, de gildeknecht, en Hendrick van der Gou kregen samen achttien gulden. De meisjes van de kastelein ontvingen 2 gulden en 10 stuivers. Zulke posten geven het feest zijn menselijke achterkant. De namen van burgemeesters en admiraals bleven bovenaan registers staan, maar de rekening bewaart daarnaast Samuel, Hendrick en de niet bij naam genoemde meisjes. Zij droegen, schonken, ruimden en bedienden. Zonder hen bestond de luisterrijke maaltijd alleen als een lijst ongeopende vaten, ongebraden vlees en ongedekte tafels.
Het vermogen wordt niet opgegeten
Ondanks de kostbare maaltijden bleef de vereniging investeren. Joost Hoofman kreeg 250 gulden op interest. Daarnaast werd een rentebrief van 300 gulden gekocht, gevestigd op een huis in de Lakenstraat dat met Salomon du Bois verbonden was. Belastingen en secretariekosten werden apart geboekt. Dat verklaart waarom de Schonenvaarders zulke bedragen konden blijven verteren. De broeders aten het oude vermogen niet eenvoudig op. Geld werd opnieuw uitgezet en rente moest nieuw geld voortbrengen. De maaltijd was kostbaar, maar daarachter stond een financiële administratie die ervoor moest zorgen dat ook volgende generaties konden blijven bijeenkomen.
1687 — Vierentwintig watersnippen
Een volgende rekening noemt ribstuk, een achterboutje en kalfsvlees. Daarna kwamen vier kalkoenen, twee hazen, 24 watersnippen en 36 limoenen voor 18 gulden en 7 stuivers. Vis werd afzonderlijk geleverd en schoongemaakt. Een halve aam Franse wijn alleen al kostte 46 gulden en 12 stuivers. Assuerus Beuns leverde nog meer wijn. De Oude Doelen ontving 86 gulden en 4 stuivers. De vierentwintig watersnippen zijn zo'n detail dat geen algemene beschrijving kan vervangen: ze lagen werkelijk op de rekening van de Schonenvaarders en brachten hun zeventiende-eeuwse tafel letterlijk tot op het bord terug.
Van kaproen naar gedekte tafel
In 1416 maakte eenzelfde kaproen zichtbaar wie tot de Schonenvaarders behoorde. Tegen het einde van de zeventiende eeuw was die herkenbaarheid naar een andere omgeving verschoven. De heren onderscheidden zich door de kring waarin zij verkeerden, de zaal waarin zij bijeenkwamen, de wijn die zij dronken, de gerechten die werden opgediend en de contacten die zij onderhielden. De uiterlijke vorm was veranderd, maar de sociale functie niet helemaal. Ook nu bevestigde gezamenlijk eten wie tot de gemeenschap behoorde — en de begrafenisboeten toonden wat er gebeurde wanneer een broeder zijn verplichtingen tegenover die gemeenschap niet nakwam.
1690 — Het oude gilde is rijk geworden
Rond 1690 bezat de broederschap een obligatie van 400 gulden, een rentebrief van 600 gulden en het kapitaal van 300 gulden op het huis in de Lakenstraat. Daarnaast waren er oude rechten, voorwerpen en personeel. Samuel Pietersz en Hendrick van der Gon kregen 6 gulden en 10 stuivers voor diensten uit het voorafgaande jaar. De financiële basis was sterk. Van de middeleeuwse handel op Schonen was nauwelijks iets over, maar juist het vermogen dat mede uit eeuwen van handel, rente en zorgvuldig beheer was ontstaan maakte het mogelijk dat de naam Schonenvaarders bleef voortbestaan.
1691 — Joost Hoofman wordt deken
In 1691 was Joost Hoofman deken; kapitein Johan de Jongh wordt als oud-deken genoemd en Jacobus Bronsveldt speelde een rol in het geldbeheer. Na het overlijden van Balthasar Groen, Johan van Schooten, Pieter de Vos en Gerard Cloppenburgh kwamen gelden binnen. Mattheus Steijn betaalde bij zijn toetreding twintig gulden. Barent van der Honden, Jacob Maseijk en Jacob van Rixtel betaalden ieder 12 gulden en 12 stuivers. Toetreding en overlijden waren daardoor niet alleen momenten in het leven van de gemeenschap. Beide verschenen als concrete ontvangsten in de rekening waarmee het volgende gildejaar werd gefinancierd.
Een pond tabak van vijf gulden
Voor één pond tabak werd in 1691 5 gulden en 10 stuivers betaald. Twee kalkoenen, twee hazen, limoenen, stokvis, spiering, botervis, twee hammen, een gans, vlees en acht hoenders kwamen eveneens binnen. Marten Vermeulen leverde 51 stopen Rijnse en zestien stopen Franse wijn. Alleen de wijn kostte meer dan honderd gulden; de belastingen daarop bijna 35. De rekening maakt duidelijk waar het gilde inmiddels zichtbaar werd. Niet op een schip naar Schonen, maar tijdens de bijeenkomst waar eten, wijn en tabak de broeders rond dezelfde tafel brachten.
Wandtapijten voor een maaltijd
In 1692 kostte de vis ruim twintig gulden en ontving de Oude Doelen ongeveer 94 gulden. Franse wijn werd gekocht en een halve aam wijn uit Amsterdam gehaald. Voor drie gulden werden wandtapijten gehuurd. Dat detail zegt bijna alles over de verandering. In 1416 was de gemeenschappelijke kaproen voldoende geweest om de groep zichtbaar te maken. Nu werd zelfs de ruimte tijdelijk aangekleed om de bijeenkomst de gewenste waardigheid te geven. Het gilde presenteerde zichzelf niet langer aan boord of bij het altaar, maar in de zorgvuldig ingerichte ruimte rond zijn eigen tafel.
Dezelfde oude ruzie over betalen
Toch bleef één probleem wonderlijk onveranderd. In april 1692 kwamen bestuurders in De Oijevaar bijeen omdat verschillende broeders hun afgesproken aandeel niet wilden betalen. Er werd zelfs over juridische stappen gesproken. Bijna drie eeuwen eerder hadden de regels al bepaald wat er moest gebeuren wanneer een broeder zijn bijdrage weigerde. De gerechten waren rijker geworden, de wijn duurder en de leden aanzienlijker, maar uiteindelijk bleef een broederschap afhankelijk van iets heel eenvoudigs: iedere deelnemer moest betalen wat hij verschuldigd was. Ook aan een deftige tafel kon onenigheid over geld ontstaan.
Zilver aan tafel
Rond 1695–1697 verschijnen zilveren bekers of vergelijkbaar zilveren drinkgerei, geschonken door voormalige vinders. De precieze oude benaming is niet overal zeker. Toch is de ontwikkeling duidelijk. In de vroegere kerkelijke wereld waren altaar, kandelaars, gewaden en scheepsmodel belangrijke gemeenschappelijke voorwerpen geweest. Nu verschoof de representatieve materiële cultuur naar de maaltijd. Zilver en glaswerk behoorden tot een gemeenschap waarin de tafel steeds nadrukkelijker de plaats innam die vroeger mede door kapel en altaar was vervuld.
Een knecht als geldinner
Hendrick van der Gon werd tweemaal naar Amsterdam gestuurd om in totaal dertig gulden te innen. Zijn reis- en bijkomende kosten werden vergoed. Ook hier blijkt hoeveel praktische arbeid achter de deftige gemeenschap schuilging. De broeders konden geld uitzetten en renten bezitten, maar iemand moest daadwerkelijk naar een schuldenaar reizen en het geld ophalen. Hendrick verschijnt daardoor niet alleen als bediende. Hij was een noodzakelijk onderdeel van het financiële netwerk. Waar vroeger schippers goederen vervoerden, vervoerde een gildeknecht nu berichten en geïnde gelden tussen de plaatsen waar de broederschap belangen had.
Tabak en gezamenlijke pijpen
In 1696 kostte een pond tabak vijf gulden. Een mandje pijpen kostte 2 gulden en 2 stuivers. Daarmee werd zelfs het rookgerei uit de gemeenschappelijke kas betaald. Het is een klein maar veelzeggend detail. Rond dezelfde tafel werd gegeten, wijn gedronken, gesproken en gerookt, en zelfs de pijpen werden als gezamenlijke uitgave geboekt. De materiële wereld van het gilde was daarmee volledig veranderd. Kaproenen, scheepsuitrusting en altaartextiel hadden plaatsgemaakt voor wijnvaten, glazen, zilver, tabak en aardewerken pijpen.
1697 — Nog zes nieuwe broeders
Van uitsterven was in 1697 nog niets te merken. Cornelis de Wit, commandeur; Jacobus Hooft uit Westzaan; Jacob Killiaen; Willem van Hoijningh; Jan de Givrij en Pieter Killiaen traden toe. Ieder betaalde twaalf gulden. Het gilde trok dus nog mannen van buiten Haarlem en uit aanzienlijke kringen aan. Het oude woord Schonenvaarder was blijkbaar nog aantrekkelijk genoeg om nieuwe mannen geld voor toetreding te laten betalen. Niemand die bij deze inschrijvingen aanwezig was hoefde te vermoeden dat de instroom enkele tientallen jaren later vrijwel zou opdrogen.
Dertienhonderd gulden zonder schip
De financiële bezittingen omvatten inmiddels een obligatie van 400 gulden, een rentebrief van 600 gulden en het kapitaal van 300 gulden op een huis in de Lakenstraat: samen 1.300 gulden. Dat bedrag is misschien de duidelijkste maat voor de volledige verandering. In 1416 draaide de gemeenschap om mannen die hun geld in schepen, haring en verre handel riskeerden. Tegen 1700 kon het gilde inkomsten ontvangen zonder dat ook maar één broeder daarvoor de Sont hoefde te passeren. Het vermogen reisde niet meer naar Schonen. Het stond uit en bracht rente op.
Het einde van de zeventiende eeuw
Rond 1700 was de naam Schonenvaarders bijna een historisch overblijfsel geworden. Toch was de vereniging allesbehalve leeg. Zij bezat kapitaal, trok nieuwe leden, betaalde personeel, hield begrafenisplichten in stand en organiseerde kostbare maaltijden. Burgemeesters, kunstenaars, kapiteins, commandeurs en admiraals hadden de plaats ingenomen van de mannen die ooit een aandeel in een schuit kochten of goederen “tot Sconen opt lant” lieten afleveren.
Het opmerkelijke is daarom niet dat de Schonenvaart verdween.
Het opmerkelijke is dat het gilde bleef bestaan.
De schepen verdwenen uit de dagelijkse rekening. Schonen verdween uit de handel. Sint-Olaf verdween uit de eredienst. De oude broeders verdwenen generatie na generatie.
Maar de rekening bleef open.
Nieuwe mannen betaalden hun intreegeld. Een knecht reisde naar Amsterdam om geld te innen. Een waardin ontving haar vergoeding. Een meisje kreeg enkele stuivers. Speellieden werden betaald. Een overleden broeder bracht nagelag in de kas. Wijn werd belast. Een gebroken glas kwam op de rekening. Geld werd opnieuw tegen rente uitgezet.
En telkens kwamen de broeders weer aan tafel.
Zo bleef van de middeleeuwse reis naar Schonen uiteindelijk iets onverwachts over: geen handelsroute, maar een gemeenschap die haar oorsprong eeuwen langer overleefde.
Geld, naam, tafel en herinnering hielden de Schonenvaarders bijeen.
Deel 9 — 1700–heden — Van broederschap naar Haarlems erfgoed
De naam overleeft de handel
Aan het begin van de achttiende eeuw lag de werkelijke Schonenvaart al eeuwen achter de broeders. De naam was echter blijven bestaan. Dat alleen al vertelt hoe ingrijpend de vereniging sinds haar middeleeuwse oorsprong was veranderd. De eerste Schonenvaarders hadden hun gemeenschap gevormd rond schepen, handel en de markten aan de Sont. Hun opvolgers erfden vooral een organisatie: bezittingen, geld, gebruiken, gezamenlijke maaltijden en een naam waaraan inmiddels eeuwen Haarlemse geschiedenis waren verbonden. Schonen was niet langer een bestemming waarheen de broeders vertrokken. Het was het verleden waaraan zij hun identiteit ontleenden.
Geld hield de gemeenschap bijeen
Het vermogen dat in de zeventiende eeuw zo zorgvuldig was beheerd, vormde een belangrijke basis voor het voortbestaan. Tegen 1700 bestonden de bezittingen onder meer uit obligaties, rentebrieven en kapitaal dat op onroerend goed was gevestigd. Daarmee was een ontwikkeling voltooid die al veel eerder was begonnen. De middeleeuwse broeders hadden geld verdiend en geriskeerd in handel en scheepvaart. Hun opvolgers ontvingen rente zonder daarvoor zelf naar zee te hoeven. Uit die inkomsten konden bijeenkomsten, personeel en andere uitgaven worden betaald. Het kapitaal dat ooit rondom handel was opgebouwd, hielp zo een gemeenschap voortbestaan nadat die handel zelf verdwenen was.
De tafel had het schip vervangen
De gezamenlijke maaltijd was ondertussen steeds belangrijker geworden. Dat blijkt al uit de uitvoerige zeventiende-eeuwse rekeningen voor wijn, bier, vlees, vis, gevogelte, tabak, personeel en zaalhuur. De verandering was opmerkelijk. In de vroegste eeuwen hoorde de maaltijd bij een gemeenschap van mannen die door handel en onderlinge belangen met elkaar verbonden waren. Later werd juist het bijeenkomen zelf een van de belangrijkste manieren waarop de broederschap zichtbaar bleef. Rond de tafel werden leden ontvangen, betalingen geregeld en overleden broeders herdacht. Waar het schip ooit de mannen met elkaar had verbonden, deed uiteindelijk de bijeenkomst dat.
De oude gebruiken bleven herkenbaar
Niet alles veranderde daarbij even snel. De Schonenvaarders bleven waarde hechten aan regels die generaties eerder al herkenbaar waren geweest. Een broeder hoorde zijn verplichtingen tegenover de gemeenschap na te komen. Betalingen moesten worden voldaan en bij overlijden bestonden bijzondere gebruiken en financiële regelingen. Juist die continuïteit maakt de geschiedenis van het gilde bijzonder. De religieuze wereld rond Sint-Olaf en het altaar was verdwenen en de reis naar Schonen was geschiedenis geworden, maar de gedachte dat lidmaatschap wederzijdse verplichtingen meebracht bleef veel langer bestaan. De vorm veranderde; het besef tot een afzonderlijke gemeenschap te behoren bleef.
De voorwerpen kregen een ander leven
Ook de gemeenschappelijke voorwerpen veranderden van betekenis. In de katholieke periode hadden altaar, kandelaars, gewaden en andere kerkelijke bezittingen een centrale plaats ingenomen. Later verschoof die materiële wereld naar de bijeenkomst zelf. Zilveren drinkgerei, glaswerk en andere tafelvoorwerpen werden zichtbare tekens van de broederschap. Sommige stukken waren verbonden met schenkingen van leden of voormalige bestuurders. Een voorwerp kon daardoor veel langer meegaan dan degene die het had geschonken. Terwijl generaties broeders verdwenen, bleven zulke bezittingen een tastbare verbinding vormen tussen degenen die op verschillende momenten tot dezelfde Haarlemse gemeenschap hadden behoord.
De boeken kregen eveneens een nieuwe betekenis
Hetzelfde gebeurde uiteindelijk met de administratie. De gildeboeken waren niet geschreven om geschiedenis te bewaren. Een deken of vinder moest kunnen zien wie geld verschuldigd was, hoeveel rente was ontvangen, welke goederen waren aangeschaft en wat een bijeenkomst had gekost. Daardoor werden juist bijzonderheden opgeschreven die in officiële stadsgeschiedenissen zelden terechtkwamen. Een gebroken kruik, een hoeveelheid turf, een reis van een knecht, een levering vis, achterstallige rente of een boete wegens het missen van een begrafenis kon belangrijk genoeg zijn om enkele woorden in een rekening te krijgen. Eeuwen later zijn juist die woorden van onschatbare waarde.
Gewone Haarlemmers bleven tussen de regels staan
De administratie bewaart daardoor veel meer dan de geschiedenis van de broeders alleen. Achter de namen van burgemeesters, schilders, kapiteins en admiraals verschijnen waardinnen, knechten, meisjes, boodschappers, visverkopers, slagers, bakkers, wijnleveranciers en andere Haarlemmers. Sommigen komen slechts één keer voor omdat zij enkele stuivers ontvingen. Anderen duiken jarenlang in de rekeningen op. Zonder het gildeboek zouden velen vrijwel onzichtbaar zijn gebleven. De geschiedenis van de Schonenvaarders is daardoor tegelijkertijd een geschiedenis van de mensen die hun bijeenkomsten mogelijk maakten en van het stedelijke netwerk waarbinnen geld, voedsel, arbeid en diensten circuleerden.
Ook het schip bleef bestaan
Bijzonder is dat ook een tastbare herinnering aan de oorspronkelijke zeevaart werd bewaard. Het scheepsmodel dat bekendstaat als D’Beschermer wordt met de Haarlemse Schonenvaarders verbonden en bevindt zich tegenwoordig in de collectie van het Frans Hals Museum. Bij de interpretatie is voorzichtigheid nodig, omdat het model in latere tijd ingrijpend is gerestaureerd en de oorspronkelijke toestand daardoor niet zonder meer uit ieder zichtbaar onderdeel kan worden afgeleid. Toch bleef juist een schip verbonden met de herinnering aan een gemeenschap waarvan de werkelijke scheepvaart allang verdwenen was. Het symbool overleefde de economische activiteit waarvoor het ooit had gestaan.
Haring werd geschiedenis
Hetzelfde gold voor de andere oude verwijzingen naar zeevaart. Haringen, schepen en de herinnering aan Sint-Olaf konden uiteindelijk alleen nog worden begrepen wanneer men wist waar de naam Schonenvaarders vandaan kwam. Achter die naam lag de zuidwestelijke Oostzee, met de middeleeuwse haringhandel en de markten waar kooplieden uit verschillende steden elkaar ontmoetten. Voor de oudste Haarlemse broeders was dat onderdeel van hun eigen economische werkelijkheid geweest. Voor latere generaties werd het familie- en stadsgeschiedenis. Uiteindelijk veranderde Schonen van een plaats waarheen men reisde in een plaats waarover men vertelde.
De grote namen bleven niet alleen
Daardoor kunnen tegenwoordig mannen als Arent Hendricksz, Dirck Simonsz, Pieter Cornelisz Ban, Frans Pietersz de Grebber en Pieter Claesz Soutman naast Jacob van Wassenaer van Obdam en Michiel Adriaensz de Ruyter worden teruggevonden. Maar de waarde van de bronnen ligt juist niet uitsluitend in zulke bekende namen. Gerrit Arentsz, die na het beleg vertrok zonder rekening te doen, de knechten die naar Amsterdam werden gestuurd, de meisjes die tijdens maaltijden bedienden en de leveranciers die vlees, vis, wijn, turf of tabak brachten, behoren evenzeer tot het verhaal. Samen maken zij zichtbaar hoeveel mensen rondom één Haarlemse broederschap bewogen.
Van handelsgeschiedenis naar stadsgeschiedenis
Daarmee is de betekenis van de Schonenvaarders uiteindelijk veel groter dan de geschiedenis van één verdwenen handelsorganisatie. In hun boeken volgen we Haarlem door verschillende werelden. We zien de laatmiddeleeuwse internationale handel, katholieke broederschap, het beleg van 1572–1573, de gevolgen van de Reformatie, de opkomst van een stedelijke bestuurlijke elite, de zeventiende-eeuwse consumptiecultuur en het langdurige beheer van opgebouwd vermogen. Steeds bleef dezelfde naam boven een gemeenschap staan die ondertussen ingrijpend veranderde. Juist daardoor vormen de Schonenvaarders een uitzonderlijke verbinding tussen de middeleeuwse handelsstad en het Haarlem van veel latere generaties.
Wat werkelijk overleefde
Het belangrijkste overblijfsel is daarom niet één beroemde broeder, één kostbare maaltijd of zelfs één scheepsmodel. Het is de combinatie van voorwerpen, administratie en namen. Samen maken zij het mogelijk een gemeenschap over vele eeuwen te volgen, tot op het niveau van enkele stuivers voor een knecht of een paar gulden voor bier, turf en vis. Daardoor bleef niet alleen de geschiedenis van de Schonenvaarders bewaard, maar ook iets van het Haarlem waarin zij leefden. De schepen naar Schonen verdwenen, het altaar verdween en de samenstelling van de broederschap veranderde volledig. Wat bleef, was een uitzonderlijk spoor van mensen die eeuwenlang onder dezelfde naam met elkaar verbonden waren.