Geschiedenis van Roermond — Maasvaart, Hanze en de strijd om de handel (1253–1600)

De geschiedenis van een handelsstad aan Maas en Roer

Roermond groeide in de middeleeuwen uit tot een belangrijke handelsstad in het hertogdom Gelre. De ligging aan de samenvloeiing van de Roer en de Maas bood mogelijkheden voor vervoer naar het Rijnland, Dordrecht en andere Europese handelsgebieden. Maar die gunstige ligging bracht niet vanzelf welvaart. Kooplieden moesten tol betalen, schippers waren afhankelijk van veilige vaarwegen en concurrerende steden probeerden dezelfde goederen naar hun markten te trekken. De geschiedenis van Roermond werd daardoor niet alleen bepaald door de rivieren, maar ook door de voortdurende strijd om macht, handelsrechten en de controle over de goederenstroom.

Vanaf 1253 verwierven Roermondse burgers handelsprivileges die hun mogelijkheden buiten de stad vergrootten. In 1342 besloot het stadsbestuur zelfs de loop van de Maas te veranderen om de rivier dichter bij de bebouwing te brengen. In 1372 volgde een stapelrecht waarmee passerende goederen aan de Roermondse markt konden worden verbonden. Later nam de stad deel aan de Hanze en verdedigde zij haar belangen in conflicten met onder meer Venlo en Keulen. Achter deze bestuurlijke besluiten ging een wereld schuil van schippers, kooplieden, lakenmakers, kooldragers en andere inwoners die voor hun bestaan afhankelijk waren van de handel.

De groei bleef kwetsbaar. Tolrechten konden worden ingetrokken, oorlogen bedreigden de veiligheid van handelsroutes en de strijd om de Gelderse macht veranderde de politieke positie van de stad. De grote brand van 1554 vernietigde bovendien een belangrijk deel van het stedelijke archief. Tijdens de Nederlandse Opstand werd Roermond opnieuw rechtstreeks met geweld geconfronteerd. Dit verhaal volgt de ontwikkeling van de stad tussen 1253 en 1600, met de noodzakelijke voorgeschiedenis, en onderzoekt hoe Roermond de handel naar zich toe probeerde te trekken zonder ooit volledige controle over de rivieren en handelsroutes te krijgen.

1342 — Een stad besluit de Maas naar zich toe te halen

In mei 1342 stond het stadsbestuur van Roermond voor een beslissing die de toekomst van de handel moest veranderen. De Maas, waarover voedsel, grondstoffen en handelswaren de stad konden bereiken, liep niet zo dicht langs de bebouwing als de bestuurders wensten. Bij Ooi boog de rivier naar het westen, langs het hoger gelegen kasteel Horn. Wie de handel naar Roermond wilde trekken, moest rekening houden met die afstand. De rivier was immers niet alleen een natuurlijke waterweg, maar ook een verbinding waarlangs kooplieden hun goederen naar markten brachten en waarover verschillende machthebbers rechten uitoefenden.

De magistraat zocht daarom overeenstemming met Willem, heer van Horn en Altena, over het doorgraven van de Maas en de gevolgen voor het betrokken land. Op 23 mei 1342 gaf hertog Reinald toestemming om de rivier door Leverwerd te verleggen. Het stadsbestuur probeerde daarmee de handelsverbinding dichter bij de stad te brengen. Een ingreep in het rivierlandschap moest de bereikbaarheid verbeteren, maar kon niet zonder toestemming van degenen die zeggenschap hadden over het land. Achter de verandering van de rivierloop lag een strijd om economische mogelijkheden, bestuurlijke bevoegdheden en de plaats waar goederen de stad bereikten.

De beslissing maakte zichtbaar hoe Roermond zijn handelspositie probeerde te versterken. De stad wilde niet afhankelijk blijven van de bestaande loop van de Maas, maar greep in om de omstandigheden van het vervoer te verbeteren. Toch zou de verlegging niet alle problemen oplossen. Langs de handelsroutes bleven tolheffers hun rechten opeisen, concurrerende steden probeerden goederen naar hun eigen markten te trekken en oorlogen konden het verkeer ontregelen. Hoe ontwikkelde Roermond zich tussen Maas en Roer tot een handelsstad, en waarom bleef de goederenstroom ondanks alle verworven rechten en stedelijke inspanningen afhankelijk van vorsten, tolbezitters en politieke conflicten?

De voorgeschiedenis — Een nederzetting tussen Maas en Roer

Lang voordat Roermond een stad werd, vormde de samenvloeiing van Maas en Roer een herkenbare plaats in het landschap. De rivieren verbonden het gebied met nederzettingen stroomopwaarts en stroomafwaarts, terwijl wegen naar het Rijnland, Brabant en Vlaanderen de mogelijkheden voor uitwisseling vergrootten. Op hoger gelegen gronden konden mensen wonen en akkers aanleggen; lagere delen waren bruikbaar als weiland. De rivierarmen en overgangen bepaalden waar verkeer mogelijk was. Toch betekende die ligging niet automatisch dat hier al vroeg een omvangrijke scheepvaart bestond. Voor de oudste periode ontbreken concrete gegevens over Roermondse schippers, vaste vaartdiensten en afzonderlijke scheepsladingen.

Ook de loop van de Maas verschilde van de latere situatie. Bij Ooi boog de rivier naar het westen, stroomde langs het hoger gelegen kasteel Horn en bereikte beneden Roermond opnieuw haar latere bedding. Daardoor lag de stedelijke bebouwing anders ten opzichte van de hoofdstroom dan na de rivierverlegging van 1342. De Roer bepaalde ondertussen mede de verbinding met het gebied aan de overzijde en de mogelijkheden om waterkracht te gebruiken. De ligging van Roermond moet daarom worden begrepen als onderdeel van een veranderlijk rivierlandschap, waarin de afstand tot het water, de bereikbaarheid van de markt en de rechten op land en doorgang voortdurend van betekenis waren.

De oudste geschiedenis van Roermond wordt pas in de twaalfde eeuw duidelijker zichtbaar. In de Annales Rodenses verschijnt de naam Ruremonde onder het jaar 1130. Rond 1180 wordt een burchtnederzetting vermeld, gelegen op een hoogte bij de rivieren. In 1189 komt een voogd van Roermond voor, een functionaris die verbonden was met de uitoefening van gezag. De plaats lag in een grensgebied waar de machtsverhoudingen tussen Limburg, Gelre en het bisdom Luik van belang waren. De nederzetting was daarmee niet alleen een geografisch kruispunt, maar ook een plaats waar verschillende politieke aanspraken elkaar konden raken.

In 1204 droeg de graaf van Gelre zijn bezit Roermond als leen op aan de bisschop van Luik. De overeenkomst maakte duidelijk dat het bezit van een nederzetting en het uitoefenen van macht daarover deel konden uitmaken van een groter stelsel van leenverhoudingen. Voor de bewoners waren dergelijke afspraken niet louter aangelegenheden van vorsten. Zij bepaalden mede onder wiens bescherming en rechtsmacht de plaats viel. Juist in een handelsnederzetting waren bestuur, veiligheid en rechtspraak belangrijk. Wie goederen aanvoerde, een huis bezat of een markt bezocht, had belang bij herkenbare regels en een overheid die geschillen kon beslechten.

1213–1244 — Van verwoeste nederzetting tot Gelderse stad

In 1213 werd Roermond tijdens de strijd rond keizer Otto IV verwoest. De nederzetting werd in de overlevering aangeduid als een belangrijke plaats van de graaf van Gelre. De verwoesting betekende een ingrijpende breuk, maar bood de Gelderse graaf ook de mogelijkheid om bij de wederopbouw de inrichting van Roermond te veranderen. De bebouwing werd volgens een regelmatiger stratenplan uitgebreid. Huispercelen werden tegen een lage jaarlijkse erfpacht uitgegeven. Zo ontstond niet uitsluitend een herbouwd dorp, maar een nederzetting waarvan de ruimtelijke ordening en het bestuur sterker op stedelijke ontwikkeling waren gericht.

Graaf Gerard IV van Gelre stichtte in 1218 de Munsterabdij, die aan de rand van de nieuwe stedelijke aanleg kwam te liggen. De stichting had een religieuze en dynastieke betekenis, maar droeg ook bij aan de ontwikkeling van de nederzetting. Een abdij beschikte over bezit, had personeel nodig en trok goederen en diensten aan. Op 16 juni 1224 werd Roermond in een oorkonde aangeduid als oppidum nostrum Ruremonde, onze stad Roermond. Daarmee was de plaats niet langer uitsluitend de landelijke nederzetting die enkele jaren eerder was verwoest. De grafelijke macht had haar een duidelijker stedelijk karakter gegeven.

De traditionele datering van de Roermondse stadsrechten op 1232 is niet zonder problemen. De oorspronkelijke stadsrechtoorkonde is niet bewaard gebleven en de precieze datum van de verlening staat niet vast. De aanwijzingen plaatsen de feitelijke stadswording in de jaren twintig van de dertiende eeuw, onder Gerard IV. In 1244 werd Roermond als civitas aangeduid. Inmiddels beschikte de plaats over een stedelijke rechtspraak met schepenen en een schout. De overgang naar een stad was dus geen gebeurtenis die uitsluitend door één jaartal kan worden verklaard, maar een ontwikkeling waarin bestuur, rechtspraak, bebouwing en handel elkaar versterkten.

De stedelijke inrichting maakte de economische ambities zichtbaar. Er ontstond een groot rechthoekig marktplein, terwijl een waag, een zoutmaat en een lakenhal mogelijkheden boden om goederen te wegen, te meten en te verhandelen. De productie en verkoop van laken werden belangrijke onderdelen van de plaatselijke economie. Op de markt stond een belfort dat later bekendstond als de Grauwe Toren. Ook de eerste ommuring behoorde tot deze periode van stedelijke groei. De oudere kern bij de Christoffelberg kwam buiten de nieuwe aanleg te liggen, waardoor de geschiedenis van Roermond letterlijk zichtbaar werd in de verhouding tussen oude en nieuwe bebouwing.

1253 — Wijnhandel over de wegen van Limburg

In 1253 sloten hertog Walram van Limburg en graaf Otto II van Gelre een overeenkomst die Roermondse burgers een belangrijk handelsvoordeel opleverde. Zij mochten wijn vrij met wagens en karren door het Limburgse gebied vervoeren. Het privilege toont dat kooplieden uit Roermond belang hadden bij verbindingen met het zuiden en dat zij daarvoor toestemming van landsheren nodig hadden. Het ging nadrukkelijk om vervoer over land. De overeenkomst bewijst geen wijnstapelrecht en evenmin dat de betreffende wijn per schip over de Maas werd aangevoerd. Juist dat onderscheid maakt duidelijk hoe verschillende vervoerswegen naast elkaar bestonden.

Een koopman die goederen over langere afstanden wilde vervoeren, moest rekening houden met de mogelijkheden en beperkingen van wegen en rivieren. Wagens konden producten naar een plaats brengen waar verdere verzending per schip mogelijk was, terwijl elders opnieuw overslag nodig kon zijn. De overeenkomst van 1253 laat niet zien hoeveel wijn Roermond bereikte of welke route iedere lading volgde. Zij toont wel dat handelsvrijheid een onderwerp van politieke onderhandelingen was. De kosten van vervoer werden niet alleen bepaald door afstand en arbeid, maar ook door de rechten die verschillende machthebbers onderweg konden opeisen.

1308 — Haring, bokking, koren en zout uit Dordrecht

In 1308 werd de handel over de Maas duidelijker zichtbaar. Door bemiddeling van graaf Reinald I bereikten Willem van Millen en het Roermondse stadsbestuur overeenstemming over de tol die Roermondse burgers in Venlo moesten betalen. De regeling noemt schepen uit Dordrecht die bokking, koren, zout en haring vervoerden. Daarmee verschijnt een concrete verbinding tussen het benedenrivierengebied en Roermond. Het ging om producten die voor de bevoorrading van een stedelijke gemeenschap van betekenis waren. De hoeveelheden en afzonderlijke afnemers zijn niet bekend, maar het vervoer was belangrijk genoeg om er specifieke afspraken over de tolheffing voor te maken.

De schepen moesten onderweg in Woudrichem worden overgeladen. Dat detail laat zien dat een reis over de rivieren niet noodzakelijk met één vaartuig werd afgelegd. Waarom de overslag nodig was en welke schepen de goederen daarna vervoerden, is niet bekend. In de andere richting ging Roermonds laken stroomafwaarts, waarvoor burgers in Venlo geen tol hoefden te betalen. Ook ‘clyp-clapp’, hout dat voor het maken van tonnen werd gebruikt, en ‘wey ende weet’, materialen voor het verven, vielen onder vrijstellingen. Dezelfde handelsverbinding bracht dus levensmiddelen naar Roermond en maakte de afzet van textiel en ambachtelijke producten mogelijk.

Schepen op de Maas — Aken, pontuynen en de kosten van vervoer

De handel over de Maas maakte gebruik van verschillende categorieën vaartuigen. In de gegevens over de tolheffing komen aken van vier ‘boirden’ en pontuynen van drie en twee ‘boirden’ voor. Waar Roermondse burgers geen volledige tolvrijheid bezaten, kon de grootte van het schip bepalend zijn voor het verschuldigde bedrag. Voor een koopman waren de vervoerskosten daardoor niet alleen afhankelijk van de waarde van zijn goederen. Ook het gebruikte vaartuig kon invloed hebben op de prijs van de reis. Het tolstelsel sloot zo rechtstreeks aan op de praktische organisatie van de rivierhandel.

Over de bouw en het gebruik van deze schepen zijn de gegevens beperkt. Afmetingen, laadvermogens, bemanningssterkten en afzonderlijke scheepseigenaren zijn niet bekend. Evenmin staat vast hoe de vaartuigen stroomopwaarts werden voortbewogen of hoeveel reizen zij jaarlijks maakten. De vermelding van aken en pontuynen vormt daarom geen bewijs voor een eigen Roermondse scheepsbouwtraditie. Wel laat zij zien dat de handel over de Maas gebruikmaakte van verschillende soorten vaartuigen en dat de overheid deze bij de tolheffing van elkaar onderscheidde. De keuze van een schip had daarmee niet alleen praktische, maar ook financiële gevolgen.

1316–1327 — Roermond als tolplaats aan de rivier

Roermond probeerde zijn burgers elders zoveel mogelijk van tol te bevrijden, maar de stad had zelf eveneens belang bij de inkomsten uit passerende goederen. Toen Zaltbommel in 1316 tolvrijheid kreeg, golden uitzonderingen voor Lobith en een plaats die werd aangeduid als ‘apud insulam Dei’. In een bevestiging door Reinald II uit 1327 werden die uitzonderingen genoemd als Lobith en Roermond. De vergelijking maakt duidelijk dat Insula Dei, ook Godsweerd genoemd, als benaming voor Roermond werd gebruikt. De stad was daarmee niet alleen een bestemming voor handelaren, maar ook een plaats waar tolrechten een rol speelden.

Deze dubbele positie was kenmerkend voor de middeleeuwse handelspolitiek. Roermond wilde zijn eigen kooplieden beschermen tegen hoge kosten op andere routes, terwijl het zelf rechten op goederenverkeer kon uitoefenen. Een burger uit Roermond en een vreemde koopman konden daardoor op dezelfde rivier met verschillende verplichtingen te maken krijgen. Het belang van de stad viel niet altijd samen met dat van iedere afzonderlijke handelaar. Het stadsbestuur moest voortdurend afwegen welke rechten inkomsten opleverden en welke vrijstellingen nodig waren om de handel naar Roermond te trekken.

1342 — De verlegging van de Maas door Leverwerd

De overeenkomst van mei 1342 met Willem, heer van Horn en Altena, en de toestemming van hertog Reinald op 23 mei maakten het mogelijk de Maas door het land Leverwerd te verleggen. De ingreep bracht de hoofdstroom dichter bij de stad. Het huidige Hatenboer, oorspronkelijk Hombergen genoemd, kwam daardoor aan de linkeroever van de Maas te liggen. Eerder was dit gebied slechts door de Roer van Roermond gescheiden geweest. De verandering had dus gevolgen voor de ligging van landerijen en de verhouding tussen de stad, de Roer en de hoofdstroom van de Maas.

Een nauwkeurige beschrijving van de werkzaamheden, de kosten of de nieuwe aanlegplaatsen is niet bekend. Wel staat vast dat het stadsbestuur de rivier dichter bij de bebouwing wilde brengen om de handel te bevorderen. Daarmee ging Roermond verder dan het verwerven van juridische privileges. De bestuurders probeerden de fysieke omstandigheden van het goederenverkeer te veranderen. De rivier werd onderdeel van een stedelijke economische politiek waarin toegang tot water, rechten op land en toestemming van de landsheer samenkwamen. De verlegging vormde een belangrijke stap, maar maakte de stad niet onafhankelijk van tolheffing en concurrentie elders langs de Maas.

In dezelfde periode veranderde ook het uiterlijk van Roermond. De stad kreeg in de veertiende eeuw een ruimere ommuring, met poorten, torens en grachten. Binnen die uitbreiding kwamen niet alleen huizen en werkplaatsen te liggen, maar ook religieuze instellingen die in de loop van de eeuw ontstonden. De verhouding tussen stad en water bleef daarbij bepalend. De Roer liep langs een gebied waar later schippers, vissers en dragers hun werkterrein hadden, terwijl de Maas een bredere verbinding met andere handelsplaatsen bood. Stadsuitbreiding en rivierverlegging waren verschillende ingrepen, maar zij maakten beide deel uit van een groeiende stedelijke economie.

1347 — Tolvoordelen op Rijn en Waal

In 1347 verleende Reinald III de Roermondse burgers vrijstelling van de helft van zijn tollen in Lobith en Tiel. Daarnaast bestonden tolvrijheden in Nijmegen, Tiel en Zaltbommel. Deze plaatsen lagen buiten de onmiddellijke omgeving van Roermond, maar waren belangrijk voor goederen die via de Rijn en Waal naar de Maas konden worden vervoerd. De handel van de stad was daardoor verbonden met een veel groter riviergebied. Een koopman moest onderweg rekening houden met verschillende tolplaatsen, waar de kosten afhankelijk waren van zijn rechten, de herkomst van zijn goederen en de voorwaarden van de verleende privileges.

Het voordeel van 1347 laat zien dat Roermond zijn handelsbelangen niet alleen binnen de eigen stad verdedigde. Ook op verder gelegen rivieren probeerden burgers en bestuurders gunstige voorwaarden te verkrijgen. De verlegging van de Maas kon de bereikbaarheid van Roermond verbeteren, maar zonder betaalbare doorgang elders bleef het vervoer kostbaar. De betekenis van deze verbinding werd in 1367 nog duidelijker, toen een regeling de route via Rijn, Waal en Maas uitdrukkelijk beschreef. De verschillende privileges vormden samen een poging om het goederenverkeer over grotere afstanden aantrekkelijker te maken.

1351 — Bescherming voor bezoekers van de jaarmarkten

Een handelsstad moest kooplieden niet alleen kunnen ontvangen, maar hun ook voldoende veiligheid bieden om zaken te doen. In de stedelijke rechtsgewoonten die op 1 november 1351 werden vastgelegd, kregen bezoekers van de Roermondse jaarmarkten bescherming tijdens hun komst en vertrek. Die bescherming gold gedurende bepaalde marktdagen en de dagen daaromheen. Zij was niet onbeperkt. Onder anderen moordenaars, dieven en personen die tegen de landsheer of de stad hadden gehandeld, waren van de regeling uitgesloten. De stedelijke overheid probeerde daarmee handel mogelijk te maken zonder haar rechtspraak en politieke belangen volledig terzijde te stellen.

De regeling noemt geen afzonderlijke scheepsroute, maar was wel van betekenis voor de afzet van goederen die over water werden aangevoerd. Een koopman moest erop kunnen vertrouwen dat hij de markt kon bereiken, zijn producten kon verkopen en daarna weer kon vertrekken. Rechtsbescherming, tolvrijheid en bereikbaarheid vormden daarom onderdelen van dezelfde economische politiek. De aantrekkingskracht van een markt werd niet alleen bepaald door het aanbod van goederen. Ook de mogelijkheid om zonder onverwachte aanhouding of verlies van bezit handel te drijven, was voor kooplieden van groot belang.

1360–1367 — Keulen, Zwolle, Kampen en Deventer

Roermond kreeg niet overal dezelfde handelsrechten als andere Gelderse steden. In 1360 bleef de stad buiten de verzoening tussen Keulen en verschillende andere steden. Daardoor verkreeg zij niet hetzelfde recht om handel te drijven op Keulen en verder stroomopwaarts. De betrekkingen tussen steden konden dus rechtstreeks bepalen waar kooplieden hun goederen mochten vervoeren en verkopen. Om de veiligheid van het verkeer te verbeteren, werden afzonderlijke overeenkomsten gesloten. Zwolle verleende in 1365 een stedenvrede aan Roermondse bestuurders en burgers, waarmee de onderlinge verhouding juridisch werd geregeld.

In 1367 sloot Kampen, na eerdere onenigheid, een bestand met Roermond. De partijen beloofden elkaar geen schade toe te brengen zonder veertien dagen tevoren schriftelijk te waarschuwen. Ook met Deventer bestond een soortgelijke overeenkomst. Zulke afspraken tonen hoe kwetsbaar handelaren waren wanneer steden onderling conflicten hadden. Een koopman kon worden getroffen door maatregelen die voortkwamen uit een geschil waarbij hij zelf niet betrokken was. Het stadsbestuur moest daarom niet alleen tolvoordelen verkrijgen, maar ook voorkomen dat zijn burgers onderweg slachtoffer werden van vergelding tussen stedelijke overheden.

1367 — Een handelsroute over Rijn, Waal en Maas

In hetzelfde jaar gaf Reinald III toestemming om wijn en andere goederen, ongeacht het land van herkomst, over de Rijn en Waal stroomafwaarts en vervolgens over de Maas stroomopwaarts te vervoeren. Daarbij moest in Lobith de halve tol worden betaald. De regeling beschrijft een concrete verbinding tussen verschillende rivieren. Roermond was daarmee niet uitsluitend op de directe Maasroute aangewezen, maar kon deel uitmaken van een handelsverkeer dat goederen uit verder gelegen gebieden samenbracht. De herkomst van de koopwaar vormde onder deze voorwaarden geen belemmering voor het gebruik van de verleende vrijheid.

Het privilege maakte duidelijk waarom de rechten bij Lobith zo belangrijk waren. Een koopman die goederen uit het Rijngebied naar Roermond wilde brengen, moest verschillende waterwegen gebruiken en onderweg tolplaatsen passeren. Iedere vrijstelling kon de kosten van die reis verminderen. Tegelijk bleef de handelsroute afhankelijk van de machthebbers die over de doorgang beschikten. De toestemming van 1367 was daarom meer dan een afzonderlijk voordeel voor enkele kooplieden. Zij maakte deel uit van het bredere streven om Roermond bereikbaar te houden voor goederen uit verschillende delen van het rivierengebied.

1372 — Een nieuwe landsheer en uitgebreide handelsvrijheden

Toen Roermond in 1372 de jonge Willem van Gulik als heer erkende, kreeg die politieke keuze onmiddellijk economische betekenis. Zijn vader, de hertog van Gulik, en diens echtgenote Maria van Gelre bevestigden en verruimden de stedelijke rechten. Roermondse burgers werden vrijgesteld van tollen en geleidegelden in Gelre en Gulik, zowel over land als over water. De vrijstelling gold voor hun eigen goederen. Daarmee werd het burgerschap een financieel voordeel dat tijdens een handelsreis rechtstreeks van betekenis kon zijn. Politieke steun aan een landsheer en economische begunstiging waren nauw met elkaar verbonden.

De regeling leidde vrijwel onmiddellijk tot misbruik. In december 1372 klaagde Maria van Gelre dat goederen die niet onder de vrijstelling vielen toch als Roermonds werden aangegeven. Ook personen die geen recht op de voordelen van het burgerschap hadden, maakten er aanspraak op. Voortaan moesten de goederen het stadsmerk dragen. Voorbeelden daarvan moesten naar Maria worden gestuurd, zodat haar tolbeambten konden controleren of de lading werkelijk onder de vrijstelling viel. Het privilege maakte daarmee ook toezicht noodzakelijk. De vraag wie eigenaar van de goederen was en wie zich op stedelijke rechten mocht beroepen, kreeg directe financiële betekenis.

1372 — Acht dagen stapel en vier jaarmarkten

In hetzelfde jaar verkreeg Roermond een stapelrecht dat rechtstreeks ingreep in het goederenverkeer over de Maas. Goederen die de stad stroomopwaarts of stroomafwaarts bereikten, moesten er acht dagen blijven liggen en op de markt worden aangeboden. Voor personen die in Gelre en Gulik gevestigd waren, gold een uitzondering. Daarnaast mocht Roermond voortaan vier in plaats van drie jaarmarkten houden. De stad kreeg daarmee meer mogelijkheden om passerende goederen aan de eigen markt te verbinden. Het bestuur wilde niet dat handelaren Roermond uitsluitend voorbijvoeren, maar dat zij er ook kopers en afzetmogelijkheden zochten.

De lijst van goederen waarop stedelijke rechten betrekking hadden, toont de veelzijdigheid van de handel. Koren, zaad, zout, haring, gezouten en verse vis, wijn, wol, laken, smout, honing, boter, kaas, huiden en fruit kwamen erin voor. Daarnaast werden koper, lood, staal, ijzer, landbouwgereedschappen, hout, twijgen of wilgenhout voor manden, kolen, kalk en stenen genoemd. Fruit, honing en boter waren onder meer van bepaalde rechten vrijgesteld. Voor laken gold een uitzondering wanneer kooplieden het onverkocht en voor eigen rekening stroomafwaarts vervoerden. Goederen die over land of water naar Roermond kwamen om te worden verkocht, konden met stedelijke accijns worden belast; bij zout werd een vat zout genoemd.

Het stapelrecht veranderde de verhouding tussen de stad en de kooplieden die de Maas gebruikten. Voor het stadsbestuur bood het een middel om handel naar de eigen markt te trekken. Voor een schipper die zijn reis wilde voortzetten, kon het een verplicht oponthoud betekenen. De stad probeerde daardoor waarde te ontlenen aan de goederen die haar bereikten, ook wanneer die oorspronkelijk voor een andere bestemming waren bedoeld. Het recht was niet alleen een economische gunst, maar ook een bevoegdheid om het gedrag van handelaren te beïnvloeden. Juist daarom zou het later tot conflicten met andere steden leiden.

1379 — Een landsheer trekt de tolvrijheid in Mook in

De handelsrechten van Roermond waren niet onaantastbaar. In 1379 trok Willem van Gulik, inmiddels hertog van Gelre, de volledige tolvrijheid in Mook in. Roermondse burgers moesten daar voortaan betalen zoals andere steden. De beslissing liet zien hoe afhankelijk stedelijke voordelen bleven van de houding van de landsheer. Een privilege dat eerder was verleend, kon later worden beperkt of ingetrokken. Voor kooplieden betekende dat onzekerheid over de kosten van hun reizen. De route bleef bestaan, maar de voorwaarden waaronder zij goederen konden vervoeren, veranderden door een politiek besluit.

De stad bleef proberen haar positie te verbeteren, maar de volledige vrijstelling werd niet onmiddellijk hersteld. Reinald IV vernieuwde haar bij zijn opvolging in 1402 niet, en Arnold van Egmond deed dat in 1423 evenmin. Wel kwam in 1394 een afzonderlijke regeling voor halve tolvrijheid voor bepaalde goederen tot stand. De opeenvolging van besluiten toont dat het tolstelsel voortdurend onderwerp van onderhandelingen bleef. Stedelijke belangen stonden tegenover landsheerlijke inkomsten, terwijl kooplieden afhankelijk waren van de uitkomst. Het bezit van een geschreven recht bood geen garantie dat dit onder iedere volgende machthebber behouden bleef.

1392 — Roermonds laken in Dortmund

In 1392 ontstond een geschil over laken van de Roermondenaar Johan van Brakel dat in Dortmund was achtergehouden. Hertog Willem vroeg om vergoeding, maar Dortmund antwoordde dat Van Brakel zijn goederen aan Johannes Ederlo in commissie had gegeven. Volgens het stadsbestuur moest hij daarom Ederlo aanspreken. De zaak laat zien hoe handelaren hun goederen ook buiten de eigen stad door tussenpersonen konden laten verkopen of beheren. De eigenaar bleef belang houden bij de opbrengst, maar was voor de afwikkeling afhankelijk van degene aan wie hij de goederen had toevertrouwd.

Het geschil bewijst niet dat Van Brakel zelf met een schip naar Dortmund reisde of dat de volledige route over water werd afgelegd. Wel toont het hoe ver de belangen rond Roermonds laken konden reiken. De handel beperkte zich niet tot het afleveren van goederen aan de dichtstbijzijnde markt. Kooplieden konden gebruikmaken van persoonlijke contacten en afspraken met tussenpersonen in andere steden. Wanneer daarbij problemen ontstonden, kon zelfs de landsheer worden ingeschakeld. De uiteindelijke afloop van het geschil is niet bekend, maar de briefwisseling maakt duidelijk dat handelsbescherming ook buiten het Maasgebied noodzakelijk was.

1394 — Halve tolvrijheid in Mook en Ravenstein

In 1394 verkregen Roermondse burgers voor bepaalde goederen halve tolvrijheid in Mook en Ravenstein. De regeling noemt winter- en zomerkoren, wijn, haring, bokking, ‘calmus’, boter, kaas, zout, verschillende soorten hout, kalk, kolen, wede, laken en metalen. De tarieven verschilden naar product en maat. Voor wijn, haring en bokking werden telkens acht groot genoemd, voor een pak laken drie groot en voor een wagen kaas één groot. Het overzicht maakt duidelijk hoe nauwkeurig het tolstelsel onderscheid maakte tussen verschillende soorten koopwaar. Niet iedere lading werd op dezelfde manier belast.

Ook de gebruikte hoeveelheidsmaten waren van betekenis. Winterkoren en zomerkoren werden per ‘hondert’ berekend, wijn per ‘voeder’, haring en bokking per last en wede per kar. Voor andere goederen golden weer andere maatstaven. De lijst geeft geen jaarlijkse vervoershoeveelheden en laat evenmin zien hoeveel schepen daadwerkelijk passeerden. Zij toont wel welke goederen bij de onderhandelingen over de tolrechten belangrijk waren. De verschillende tarieven maakten de kosten van doorgang tot een wezenlijk onderdeel van de handelspraktijk. Een koopman moest weten welke rechten op zijn lading van toepassing waren voordat hij zijn opbrengst kon berekenen.

1394 — De afkoop van de tol bij Hanssum

In hetzelfde jaar kocht Roermond de tol te Haempsem, ook Hanssum genoemd, af voor 440 pond in de vermelde Franse muntrekening, waarbij een grote Tournooise voor zestien penningen werd gerekend. Het was een aanzienlijke financiële ingreep waarmee de stad een belemmering in het goederenverkeer probeerde te verminderen. Het stadsbestuur beperkte zich dus niet tot het vragen van vrijstellingen. Wanneer een recht niet werd geschonken, kon het bereid zijn geld uit te geven om de positie van Roermondse handelaren te verbeteren. De kosten van doorgang waren belangrijk genoeg om stedelijke middelen voor vrij te maken.

Niet iedere tol behoorde rechtstreeks aan de landsheer toe. Reinald van Brederode bezat als beleende het tolrecht te Gennep, al is voor deze vermelding geen afzonderlijk jaartal bekend. De stad moest daardoor rekening houden met verschillende rechthebbenden langs dezelfde rivier. Een overeenkomst met de landsheer kon niet automatisch alle andere aanspraken opheffen. De afkoop van Hanssum laat zien hoe ingewikkeld het stelsel van rechten was. Iedere plaats waar goederen passeerden, kon nieuwe kosten met zich meebrengen. Wie het vervoer goedkoper wilde maken, moest daarom niet één, maar verschillende juridische en financiële hindernissen overwinnen.

Tegen het einde van de veertiende eeuw was Roermond uitgegroeid tot een aanzienlijke stad binnen het Gelderse Overkwartier. Vanaf ongeveer het midden van die eeuw vervulde zij er een bestuurlijke centrumfunctie. Voor 1396 wordt een inwonertal van ruim zevenduizend genoemd, zonder de geestelijken en kloosterlingen. Zo'n omvang vergrootte de behoefte aan voedsel, brandstof en bouwmaterialen, maar bood tegelijk afzetmogelijkheden voor kooplieden en ambachtslieden. De stedelijke markt was dus niet uitsluitend een plaats waar goederen werden doorgevoerd. Zij voorzag ook een bevolking die afhankelijk was van de aanvoer van producten uit de omgeving en van verder gelegen handelsgebieden.

1398 — Vijftig gulden en een pelsmantel in Reval

In 1398 schreef het Roermondse stadsbestuur naar Reval, het huidige Tallinn, namens Hendrik van der Feilen, een lid van het stadsbestuur. Hij maakte aanspraak op vijftig gulden en een beloofde pelsmantel uit de nalatenschap van zijn daar overleden neef Johan van Duiken. De brief toont een persoonlijke en financiële verbinding tussen Roermond en een stad aan de Oostzee. Het ging niet om een algemene vermelding van verre handel, maar om een concrete zaak waarin familiebanden, bezit en stedelijke belangenbehartiging samenkwamen.

De brief bewijst niet dat Johan van Duiken met een eigen Roermonds schip naar Reval was gereisd. Evenmin kan uit deze enkele vermelding worden afgeleid dat Roermond in de veertiende eeuw al formeel tot de Hanze behoorde. Contacten met verre handelssteden en aantoonbare deelname aan een stedelijk handelsverbond zijn verschillende zaken. De gebeurtenis laat wel zien dat inwoners van Roermond belangen konden hebben die ver buiten het Maasgebied lagen. De stedelijke overheid trad daarbij op om aanspraken van een burger te ondersteunen, ook wanneer de betrokken goederen en personen zich op grote afstand bevonden.

1404 — De Lanck, bouwmaterialen en een conflict over grond

Tussen de Maas en het oude Christoffelkerkhof buiten de Inopspoort lag een terrein dat de Lanck werd genoemd. Inwoners legden er tijdelijk kalk, hout en stenen neer. Vreemde kooplieden mochten er 's nachts vee laten weiden en er werd ook dood vee begraven. Het terrein kende daarmee verschillende functies. De aanwezigheid van bouwmaterialen dicht bij de rivier maakt duidelijk dat de ruimte buiten de stadsmuren belangrijk was voor het dagelijkse economische leven. Toch is niet vastgesteld dat deze materialen op de Lanck rechtstreeks uit schepen werden gelost.

In 1404 ontstond een conflict toen voogd Gadert van Vlodrop aanspraken maakte op een gedeelte van het terrein. Het stadsbestuur legde de zaak voor aan hertog Reinald IV. Uiteindelijk mocht de voogd een gedeelte omheinen als weiland, terwijl de rest voor de burgerij beschikbaar bleef. De beslissing laat zien dat ook de ruimte rond de rivier onderwerp van strijd was. Grond die voor opslag en andere gemeenschappelijke doeleinden werd gebruikt, kon aantrekkelijk zijn voor afzonderlijke rechthebbenden. De uitkomst bepaalde welke delen beschikbaar bleven voor de inwoners en welke onder particulier gebruik kwamen.

1427 — Roermond koopt een aandeel in de tol van Kessel

In 1427 kocht Roermond een aandeel in de tol te Kessel. Vullinck van Holtmolen en zijn vrouw Guedele Herkenbosch verkochten hun aandeel aan de stad. Zij bezaten de tol samen met Willem van Kessel. Roermond betaalde daarvoor 450 Overlandse Rijnse gulden. Net als bij de eerdere afkoop van Hanssum ging het om een aanzienlijke investering in de voorwaarden van het goederenverkeer. De stad verwierf daarmee een positie binnen het tolstelsel langs de Maas. Het besluit toont dat het stadsbestuur bereid was financiële middelen in te zetten om zijn economische belangen op de rivier te versterken.

Over de handel stroomopwaarts zijn minder vermeldingen bekend dan over het verkeer in de andere richting. Daaruit kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat deze handel onbelangrijk was. Zonder aantallen schepen en ladingen blijft de verhouding tussen beide richtingen onzeker. De aankoop van 1427 laat in ieder geval zien dat Roermond belang hechtte aan rechten bij een plaats stroomopwaarts van de stad. Het tolstelsel was daarmee niet alleen een verzameling belemmeringen die kooplieden onderweg tegenkwamen, maar ook een terrein waarop steden zelf rechten konden verwerven en inkomsten of voordelen konden veiligstellen.

1431 — Rijksban en oorlog bedreigen de handel

In 1431 wees keizer Sigismund de aanspraken van Arnold van Egmond op Gelre af en sprak hij de rijksban uit over Arnold en zijn onderdanen. Het Overkwartier was door zijn ligging naast het gebied van tegenstanders bijzonder kwetsbaar. Voortdurende oorlogen, onveiligheid en de rijksban belemmerden de handel. Daarmee kwamen niet alleen afzonderlijke kooplieden onder druk te staan, maar ook de verbindingen waarop de stedelijke markt afhankelijk was. Een koopman kon over gunstige tolrechten beschikken en toch grote risico's lopen wanneer politieke conflicten de veiligheid van zijn route aantastten.

De gevolgen zijn niet voor iedere afzonderlijke scheepsreis bekend. Er bestaat geen volledige opsomming van stilgevallen transporten of verloren ladingen. Toch maakt de gebeurtenis duidelijk hoe kwetsbaar de handelspositie van Roermond bleef. De stad had in de voorafgaande eeuwen veel moeite gedaan om de kosten van vervoer te verminderen, maar kon de politieke omstandigheden buiten haar eigen gebied niet beheersen. Oorlog en uitsluiting konden de waarde van eerder verworven privileges ernstig aantasten. De bescherming van handel was daardoor onlosmakelijk verbonden met de strijd om landsheerlijke macht en de veiligheid van het omliggende gebied.

1441 — Roermond op de Hanzedag in Lübeck

In 1441 vertegenwoordigde burgemeester Arnold Drosdal Roermond op de Hanzedag in Lübeck. De afgevaardigden van Roermond en Arnhem moesten samen met Nijmegen en Zutphen de verkeerswegen naar vermogen beschermen. De stad nam daarmee aantoonbaar deel aan een overlegverband waarin handelsbelangen en de veiligheid van routes gezamenlijk werden besproken. Voor een plaats aan de Maas betekende dit dat de verdediging van handelsverbindingen niet uitsluitend een lokale aangelegenheid was. Problemen op verder gelegen wegen en rivieren konden gevolgen hebben voor kooplieden die uiteindelijk Roermond wilden bereiken.

De deelname aan de Hanze gaf Roermond een plaats binnen een groter netwerk van handelssteden. Dat betekende niet dat de stad automatisch over een eigen zeevloot beschikte of dat haar inwoners alle overzeese bestemmingen met Roermondse schepen bereikten. De betekenis lag ook in overleg, wederzijdse bescherming en gezamenlijke verplichtingen. De opdracht om verkeerswegen te beschermen sluit aan bij de problemen waarmee Roermond al langer te maken had. Tolheffing, stedelijke conflicten en politieke onveiligheid maakten samenwerking noodzakelijk. De stad probeerde haar handelsbelangen daardoor niet alleen zelfstandig, maar ook samen met andere steden te verdedigen.

1448–1450 — Roermond krijgt een vaste plaats binnen de Hanze

In 1448 stuurde Deventer een bode naar Roermond over een Hanzeaangelegenheid betreffende de brug bij Kampen. Het volgende jaar werd Roermond uitgenodigd voor overleg in Zwolle en verscheen de stad op de Hanzedag in Bremen. In 1450 volgden bijeenkomsten in Kampen en Apeldoorn over de afvaardiging naar Lübeck. Daar trad burgemeester Johannes van Osen namens Roermond op. De opeenvolgende vergaderingen tonen dat de stad niet slechts incidenteel met andere handelsplaatsen correspondeerde, maar daadwerkelijk deelnam aan het overleg tussen Hanzesteden.

Roermond werd ingedeeld bij het Keulse Drittel, een regionale groepering binnen de Hanze. Het contingent gewapenden dat de stad moest leveren, werd vastgesteld op vijf man. De verplichting maakt duidelijk dat deelname niet alleen voordelen bood, maar ook bijdragen verlangde. Steden moesten meewerken aan de bescherming van gemeenschappelijke belangen. Voor Roermond betekende dit een verdere verbinding met een handelsnetwerk dat veel groter was dan het eigen Maasgebied. Tegelijk bleef de stad een relatief kleine deelnemer, waarvan de bekende gegevens vooral bestuurlijke vertegenwoordiging en gezamenlijke verplichtingen laten zien.

1449 — Tolvrij varen bij Asselt

In 1449 sloten de magistraat en vertegenwoordigers van de ambachten een overeenkomst waarin onder meer het vervoer bij Asselt werd geregeld. Roermondse burgers mochten daar tolvrij varen voor zover het ging om de tol die aan de stad toekwam. Vreemdelingen moesten die tol wel betalen. De bepaling maakte het verschil tussen burgers en niet-burgers rechtstreeks zichtbaar in de kosten van het vervoer. Het stadsbestuur gebruikte zijn rechten om de eigen inwoners een voordeel te geven tegenover handelaren van buiten de stad.

De vrijstelling gold uitsluitend voor het stedelijke aandeel in de tol en bewijst niet dat Roermondse burgers bij Asselt van alle mogelijke rechten waren vrijgesteld. De overeenkomst laat bovendien zien dat handelsbelangen samenhingen met de interne bestuurlijke verhoudingen. De ambachten waren betrokken bij afspraken over bestuur en financiën, terwijl de magistraat bevoegdheden behield. De regeling over Asselt stond daardoor niet los van de vraag wie binnen Roermond invloed had op stedelijke besluiten. Tolrechten waren niet alleen belangrijk voor kooplieden op de rivier, maar ook voor de verdeling van voordelen en bevoegdheden binnen de stad.

1457–1465 — Een conflict met Keulen treft Gelderse kooplieden

In 1457 eiste Keulen vergoeding voor een benadeelde koopman. Wanneer die uitbleef, dreigde de stad tegenmaatregelen tegen Gelderse onderdanen te nemen. Een geschil over de schade van één handelaar kon daarmee gevolgen krijgen voor anderen die zelf niet bij het oorspronkelijke conflict betrokken waren. De veiligheid van goederen en personen hing niet alleen af van hun eigen gedrag, maar ook van de verhouding tussen steden en landsheren. Voor Roermondse kooplieden vormde dat een voortdurend risico wanneer zij buiten hun eigen rechtsgebied handel dreven.

In 1465 vroeg Roermond Keulen dringend om het aanhouden van Gelderse onderdanen te beëindigen. Het stadsbestuur wees erop dat Keulse burgers in Roermond vrijheid van verkeer genoten en verlangde dezelfde behandeling voor zijn eigen burgers. De klacht maakte duidelijk dat wederkerigheid een belangrijk argument was bij de bescherming van handelaren. Afzonderlijke aangehouden schepen of ladingen zijn niet bekend, maar het conflict laat zien hoe stedelijke vergelding het goederenverkeer kon bedreigen. Een koopman kon over geldige handelsrechten beschikken en toch worden getroffen door een geschil tussen overheden.

1463–1474 — Roermondse kooplieden getroffen door een conflict op zee

Een uitnodiging uit 1463 voor overleg in Wesel over kooplieden in Londen toont dat Roermondse belangen ook Engeland bereikten. Enkele jaren later raakten handelaren uit de stad betrokken bij de gevolgen van een conflict dat ver buiten het Maasgebied was ontstaan. In 1467 visten Engelse zeelieden bij IJsland in strijd met bestaande afspraken en plunderden zij na hun landing. Het volgende jaar nam de Deense koning Christiaan I vier Engelse schepen in de Sont in beslag. De strijd om rechten op zee werkte vervolgens door in de behandeling van buitenlandse kooplieden.

Eduard IV liet vreemde kooplieden gevangennemen en hun waren verbeurd verklaren. Onder de gevangenen bevonden zich Roermondenaars. Hertog Adolf van Gelre vroeg om vrijlating van kooplieden uit Roermond en Nijmegen, omdat zij volgens hem niet voor daden van anderen mochten worden gestraft. De gebeurtenissen hielden verband met de vrede tussen Engeland en de Hanze die in 1474 te Utrecht werd gesloten. De namen van de getroffen Roermondenaars en hun afzonderlijke ladingen zijn niet bekend. Wel blijkt hoe een internationaal conflict handelaren kon treffen die zelf geen aandeel hadden gehad in de aanleiding.

Onder Karel de Stoute — Hout om de tol van Lith heen

Tijdens het bewind van Karel de Stoute werd een opmerkelijke manier beschreven waarop kooplieden de tol bij Lith probeerden te vermijden. In een brief aan Wouter Godschalk, tolgaarder te Lith, kwam naar voren dat Roermond en Venlo hadden afgesproken geen hout langs deze tolplaats te vervoeren. In plaats daarvan brachten zij het naar Grave, Megen of Ravenstein. Daar werd het hout gekocht door kooplieden uit 's-Hertogenbosch, die het vervolgens verder vervoerden en zich bij Lith op hun eigen tolvrijheid beriepen. De exacte datum van de brief is niet bekend.

De constructie toont hoe belangrijk de juridische positie van de eigenaar voor de kosten van vervoer kon zijn. Het hout bleef dezelfde koopwaar, maar de rechten die bij de tol konden worden ingeroepen veranderden wanneer de lading in andere handen kwam. Niet alleen de route, maar ook de plaats van verkoop en de identiteit van de koopman konden daardoor bepalend zijn. De aantallen houtladingen en de namen van de betrokken schippers zijn niet bekend. De beschreven werkwijze maakt wel duidelijk dat handelaren actief naar mogelijkheden zochten om tolheffing te beperken en hun goederen onder gunstiger voorwaarden verder te vervoeren.

1476–1494 — Roermond als kleinere Hanzestad

Roermond bleef in de laatste decennia van de vijftiende eeuw vertegenwoordigd binnen de Hanze. De stad nam deel aan de Hanzedagen in Lübeck van 1476, 1484 en 1494. Bij de bijeenkomst van 1494 werd haar financiële aandeel vastgesteld op twintig Rijnse gulden. Samen met de eerdere vertegenwoordiging, de indeling bij het Keulse Drittel en de verplichting om vijf gewapende mannen te leveren, tonen deze gegevens dat Roermond tot de kleinere Hanzesteden behoorde. De stad maakte deel uit van een groter overlegverband waarin handelsbelangen en gemeenschappelijke verplichtingen werden besproken.

Die positie bewijst niet dat Roermond een eigen zeevloot bezat. De bekende gegevens betreffen vertegenwoordiging, bijdragen en samenwerking, niet de aantallen schepen waarmee inwoners naar Engeland of de Oostzee voeren. Het onderscheid is belangrijk omdat verre handelscontacten op verschillende manieren tot stand konden komen. Goederen konden door tussenpersonen worden verkocht en tijdens een reis van eigenaar of vervoerder veranderen. Roermond kon daardoor internationale economische belangen hebben zonder dat iedere verbinding door eigen schepen werd onderhouden. De Hanze bood vooral een kader waarbinnen de stad haar handelsbelangen samen met andere steden kon verdedigen.

1523 — Venlo wint de strijd om het stapelrecht

Het stapelrecht dat Roermond in 1372 had verworven, bleef een bron van spanning met andere steden. In 1523 maakte Venlo aanspraak op het recht om goederen aan de eigen markt te verbinden. Hertog Karel van Egmond besliste ten gunste van Venlo. Daarbij speelde de succesvolle verdediging van die stad in 1510 een rol. Venlo had daarmee bijgedragen aan het behoud van het Overkwartier en verwierf een sterke positie tegenover de landsheer. De beslissing maakte duidelijk hoe militaire verdiensten en economische privileges met elkaar verbonden konden raken.

Roermond moest van de stapel afzien, tenzij het later betere bewijzen voor zijn aanspraken kon overleggen. Daarmee kwam een recht onder druk te staan dat eerder bedoeld was geweest om passerende goederen acht dagen aan de Roermondse markt te binden. De Maas bleef als handelsverbinding bestaan, maar de bevoegdheid om goederen naar een bepaalde stedelijke markt te trekken verschoof. Het conflict laat zien dat concurrerende steden niet alleen om kooplieden en ladingen streden, maar ook om de juridische middelen waarmee zij het handelsverkeer konden beïnvloeden. Een eeuwenoud privilege kon door een nieuwe landsheerlijke beslissing zijn betekenis verliezen.

1543 — Roermond komt onder het gezag van Karel V

In 1543 veranderde de politieke positie van Roermond ingrijpend. De strijd om Gelre, waarin de hertogen van Gelre en hun opvolgers zich langdurig tegen de Habsburgse machtsuitbreiding hadden verzet, liep ten einde. Het leger van Karel V veroverde op 24 augustus Düren, waar plundering en brandstichting volgden. De keizerlijke troepen trokken vervolgens verder door het gebied van Gulik en het Gelderse Overkwartier. Roermond besloot zijn poorten te openen. Op 2 september 1543 hield Karel V zijn intocht in de stad. Venlo bleef zich op dat moment nog tegen de erkenning van zijn gezag verzetten.

Met het Verdrag van Venlo kwam het hertogdom Gelre onder Habsburgs gezag. Voor Roermond betekende dit dat de stad deel ging uitmaken van een groter vorstelijk verband, terwijl haar plaatselijke rechten, instellingen en handelsbelangen bleven bestaan. Een verandering van landsheer betekende niet dat de Maasvaart plotseling een andere rivier volgde of dat de bestaande tolplaatsen verdwenen. Wel veranderde de politieke omgeving waarin de stad haar privileges moest verdedigen. Het bestuur moest voortaan rekening houden met de belangen van de Habsburgse landsheer, die niet alleen over Gelre, maar ook over andere delen van de Nederlanden regeerde.

1554 — Brand, archiefverlies en het schippersambt

De grote brand van 1554 vernietigde veel stedelijke documenten en een aanzienlijk deel van de bebouwing. Daardoor werd het moeilijker om de geschiedenis van rechten, ambachten en handelsregelingen volledig te reconstrueren. Voor bewoners betekende een stadsbrand verlies van huizen, werkplaatsen, voorraden en bezittingen. Voor het stadsbestuur kwam daar het verlies van schriftelijke bewijsstukken bij. Dat kon later gevolgen hebben wanneer oude privileges opnieuw moesten worden aangetoond. In een stad waar handelaren en ambachten voortdurend een beroep deden op rechten, was het verdwijnen van archieven meer dan een administratieve tegenslag.

Later verleende gildebrieven vernieuwden vermoedelijk oudere bepalingen. In de overgeleverde regelingen behoorde het schippersambt tot de vijf grote ambachten van Roermond. Ook kramers en ververs vielen onder dit ambacht. Toetreding vereiste het Roermondse burgerschap, verkregen door geboorte, huwelijk of aankoop. Het beroep van schipper was daarmee niet alleen een vorm van arbeid, maar ook onderdeel van de stedelijke organisatie waarin burgerschap en beroepsrechten nauw met elkaar verbonden waren. De regeling maakte verschil tussen mensen die tot de stedelijke gemeenschap behoorden en anderen die er wel goederen kwamen vervoeren of verkopen.

Voor schippers gold honderd gulden toetredingsgeld en twaalf kwarten wijn voor de meesters. Meesterszonen betaalden de helft. De algemene gildeverplichtingen omvatten daarnaast één of twee aam bier voor de gezellen, wijn of bier voor de gaffelknecht, was voor het altaar en brandemmers voor de stad en soms het gilde. Niet ieder bedrag kan afzonderlijk aan de schippers worden toegeschreven. De bepalingen tonen wel dat beroepsuitoefening, onderlinge verplichtingen, religie en stedelijke veiligheid samenhingen. Omdat de overgeleverde regelingen van na 1554 dateren, kunnen zij niet zonder voorbehoud op eerdere eeuwen worden toegepast.

Schippers, kooldragers en de Roerkant

De arbeid rond het water beperkte zich niet tot de schippers die de goederen vervoerden. Kooldragers losten de schepen en maakten daarmee deel uit van de praktische organisatie van de handel. Hun verenigingslokaal lag volgens een latere vermelding bij de brug over de Roer. Het gebied langs de rivier werd de Roerkant genoemd en stond ook bekend als ‘achter den muur’. Vanuit de stad was het bereikbaar via onder meer het Vissersstraatje, later Sint-Nicolaasstraat, het in 1434 vermelde Koolstraatje en de Brugstraat. De verbindingen tussen rivier en stad waren daarmee ook werkplaatsen en doorgangen voor mensen die van het goederenverkeer leefden.

Over de brug lag het stadsdeel ‘over de Brug’, later Voorstad Sint-Jacob genoemd, waar ook een vismarkt was. Waarschijnlijk bevonden de lokalen van schippers en vissers zich dicht bij hun werkterrein, al is dat niet voor alle gevallen rechtstreeks aangetoond. Een besluit uit 1588 over de verwoeste Sint-Jacobskapel heeft bovendien aanleiding gegeven tot het vermoeden dat een losse brug door een vaste was vervangen. De precieze bouwgeschiedenis van de brug en de ligging van vaste scheepsplaatsen blijven onzeker. Wel wordt zichtbaar hoe de Roer, de brug, de voorstad en de stedelijke beroepen met elkaar verbonden waren.

Gildeleven — Processies, begrafenissen en onderlinge verplichtingen

Het schippersambt regelde niet alleen de toegang tot het beroep. De leden waren ook verbonden door religieuze en sociale verplichtingen. Zij moesten deelnemen aan processies, missen en begrafenissen. Afwezigheid bij de processies op Pinksterkermis, verbonden met Heilige Drievuldigheid, en op Sacramentsdag kon een geldboete opleveren. Wie zonder geldige reden wegbleef bij de begrafenis van een gildebroeder of diens vrouw, of bij de mis op patroonsdag, kon met was worden beboet. De verplichtingen tonen dat het ambacht meer was dan een organisatie van mensen die hetzelfde werk verrichtten.

Ook het gedrag binnen de gaffel, het gildehuis, werd geregeld. Voor vloeken, twisten en vechten waren boeten in bier of wijn voorzien. Daarmee probeerde het ambacht onderlinge orde en verbondenheid te bewaren. Tegelijk bleef de magistraat bevoegd om de regels te wijzigen of af te schaffen. De ambachten beschikten dus over eigen gebruiken en verplichtingen, maar stonden niet buiten het stedelijke bestuur. De schipper die over de Maas voer, maakte deel uit van een gemeenschap waarin arbeid, burgerschap, geloof en onderlinge verantwoordelijkheid nauw met elkaar verweven waren.

1556 — Graanschaarste en de verplichting Roermond aan te doen

In 1556 werd de afhankelijkheid van Roermond van zijn handelsverbindingen opnieuw zichtbaar. Tijdens graanschaarste klaagde de stad dat koren uit het Gulikse over land naar Maaseik werd gebracht en vandaar per schip over de Maas stroomopwaarts verderging. De vervoersketen verbond wagens en schepen, maar liet de Roermondse markt buiten beschouwing. Voor een stad die zelf met een tekort kampte, was dat een ernstig probleem. De aanwezigheid van handelsroutes betekende niet automatisch dat de goederen terechtkwamen waar de behoefte het grootst was. Kooplieden konden hun producten ook langs Roermond heen vervoeren.

Kort daarna kregen schepen die met graan de Maas opvoeren het bevel Roermond aan te doen vanwege het korentekort. De overheid greep daarmee rechtstreeks in de bestemming van scheepsladingen in. Het ging niet uitsluitend om de vrijheid van kooplieden om hun goederen te verkopen waar zij wilden, maar ook om de bevoorrading van de stedelijke bevolking. Hoeveel graan door de maatregel beschikbaar kwam en welke schippers eraan moesten voldoen, is niet bekend. De gebeurtenis maakt wel duidelijk waarom de controle over goederenstromen voor het stadsbestuur een zaak van onmiddellijk maatschappelijk belang kon zijn.

1559 — Roermond wordt bisschopsstad

In 1559 kreeg Roermond een nieuwe plaats binnen de kerkelijke organisatie van de Nederlanden. Bij de herindeling van de bisdommen werd de stad aangewezen als zetel van een eigen bisschop. Daarmee werd haar betekenis als bestuurlijk en religieus centrum versterkt. Het bisschoppelijk gezag kwam naast de bestaande stedelijke en landsheerlijke instellingen te staan. De nieuwe positie betekende niet dat de handelsrechten van de stad veranderden, maar voegde wel een belangrijk element toe aan het stedelijke leven. Kerkelijke instellingen beschikten over gebouwen, bezittingen en personeel en waren nauw verbonden met de economie van de stad.

De oprichting van het bisdom viel bovendien in een tijd waarin de religieuze verhoudingen in de Nederlanden steeds meer onder spanning kwamen te staan. De katholieke kerkelijke organisatie werd versterkt, terwijl de Reformatie en de reactie daarop politieke en maatschappelijke tegenstellingen verscherpten. Voor Roermond zouden die ontwikkelingen niet beperkt blijven tot discussies over geloof en kerkbestuur. In de daaropvolgende oorlog werd het bezit van kerken en kloosters rechtstreeks bedreigd. De stad die in de voorafgaande eeuwen had geprobeerd haar handelsroutes veilig te stellen, kreeg nu te maken met een conflict waarin landsheerlijk gezag en godsdienst elkaar steeds sterker beïnvloedden.

1568 — De Nederlandse Opstand bereikt het Maasgebied

Toen in 1568 de gewapende opstand tegen Filips II uitbrak, lag Roermond in een gebied dat voor de strijdende partijen van groot belang was. De Maas vormde een verbinding tussen verschillende delen van de Nederlanden en het aangrenzende Duitse gebied. Wegen en rivierovergangen waren bruikbaar voor de verplaatsing van soldaten, voorraden en handelsgoederen. Daardoor konden militaire en economische belangen elkaar op dezelfde plaatsen raken. Voor de stad was het niet langer voldoende om over gunstige tolrechten te beschikken. Ook de vraag welke troepen het omliggende gebied beheersten, werd van belang voor de veiligheid van het vervoer.

Het begin van de Opstand betekende niet dat alle Roermondse handel onmiddellijk stilviel. Daarvoor ontbreken concrete gegevens over de jaarlijkse aantallen schepen, de vervoerde goederen en de opbrengsten van de handel. Wel veranderden de omstandigheden waaronder kooplieden en schippers moesten werken. Militaire aanwezigheid, wisselende machtsverhoudingen en het gevaar van plundering konden gevolgen hebben voor de routes die zij gebruikten. De tegenstelling tussen stedelijke handel en oorlog was niet nieuw, maar kreeg nu een grotere omvang. Het conflict zou tientallen jaren duren en de plaats van Roermond binnen de Nederlanden ingrijpend beïnvloeden.

1572 — De inname van Roermond door Willem van Oranje

Op 23 juli 1572 werd Roermond ingenomen door de troepen van Willem van Oranje. De gebeurtenis maakte deel uit van de militaire campagne waarmee Oranje het Habsburgse gezag in de Nederlanden probeerde te doorbreken. Voor de stad betekende de komst van het leger een directe confrontatie met de oorlog. Soldaten drongen de stad binnen en gingen over tot plundering en geweld. De inname was daarmee niet alleen een verandering van militair gezag. Zij trof ook de stedelijke bevolking en de instellingen die in de voorgaande eeuwen een vaste plaats binnen Roermond hadden gekregen.

Bijzonder zwaar werd het kartuizerklooster Bethlehem aan de Swalmerstraat getroffen. Soldaten drongen het klooster binnen en zochten naar geld en kostbaarheden. Twaalf kartuizers, onder wie negen koormonniken en drie lekenbroeders, werden gedood. Ook de secretaris van de bisschop, die in het klooster bescherming had gezocht, kwam om het leven. Andere kloosterlingen werden mishandeld. De moorden veroorzaakten grote verontwaardiging en werden later in geschriften en afbeeldingen uitvoerig beschreven. De gebeurtenissen tonen hoe een militair conflict zich kon richten tegen mensen die zelf geen gewapende tegenstanders waren.

De verhalen over het geweld werden in de daaropvolgende jaren onderdeel van de religieuze en politieke strijd. Katholieke schrijvers legden nadruk op het lijden van de vermoorde kloosterlingen, terwijl de inname van Roermond ook werd opgenomen in voorstellingen van de veldtocht van Oranje. Zulke bronnen zijn waardevol, maar moeten met aandacht voor hun doel en achtergrond worden gelezen. Over de moorden op de kartuizers bestaat geen twijfel; de manier waarop afzonderlijke gebeurtenissen later werden uitgebeeld, kon wel door religieuze en politieke overtuigingen worden beïnvloed. Voor Roermond bleef 1572 een ingrijpende gebeurtenis in de geschiedenis van de stad.

1572–1577 — Een handelsstad tussen oorlog en herstel

De inname van 1572 maakte zichtbaar hoe beperkt de bescherming van stedelijke muren en privileges kon zijn wanneer een leger de stad binnendrong. Roermond had gedurende eeuwen gewerkt aan de voorwaarden voor een bloeiende markt: betere bereikbaarheid, gunstige tolrechten, handelsvrijheid en bescherming van kooplieden. Tijdens oorlog werden andere belangen doorslaggevend. Soldaten hadden voedsel, onderdak en geld nodig, terwijl stedelijke bestuurders probeerden de bevolking en het bezit van de stad te beschermen. Het geweld tegen de kloosters liet bovendien zien dat religieuze instellingen niet buiten de militaire strijd bleven.

In de jaren daarna bleef de oorlog in de Nederlanden voortduren. Voor het Maasgebied betekende dit dat de veiligheid van routes afhankelijk was van de wisselende militaire en politieke omstandigheden. Een koopman kon zijn goederen niet uitsluitend op basis van een oud privilege vervoeren wanneer de weg of rivier door vijandige troepen werd bedreigd. Toch moet voorzichtig worden omgegaan met uitspraken over de omvang van de economische schade. Zonder doorlopende gegevens over scheepsladingen, marktopbrengsten en tolontvangsten kan niet worden vastgesteld hoeveel handel in afzonderlijke jaren verloren ging. De kwetsbaarheid van de verbindingen staat vast; de precieze economische gevolgen zijn minder goed bekend.

1577 — Soldaten van Pollweiler en de beroving van korenschepen

In 1577 werd opnieuw duidelijk hoe de oorlog het goederenverkeer over de Maas kon treffen. Tijdens de onrust rond de bezetting van Roermond door soldaten onder Pollweiler werden korenschepen op de rivier beroofd. Het ging om een directe bedreiging van het vervoer van een product dat voor de voedselvoorziening van de bevolking van groot belang was. De Maas bleef bevaarbaar, maar dat betekende niet dat een schipper zijn lading veilig kon afleveren. Militairen konden de goederenstroom gebruiken om zichzelf te bevoorraden of om druk uit te oefenen op de omgeving.

Voor Roermond was dit een ingrijpend probleem. De stad had gedurende eeuwen geprobeerd de kosten van het handelsverkeer te verminderen en de aanvoer van goederen veilig te stellen. Tijdens de oorlog werd zichtbaar dat juridische privileges weinig bescherming boden wanneer gewapende mannen schepen konden beroven. De gebeurtenissen van 1577 horen daarom niet alleen thuis in de militaire geschiedenis van Roermond, maar ook in het verhaal over de Maasvaart. Zij tonen hoe de strijd om het gezag rechtstreeks ingreep in het dagelijks bestaan van schippers, kooplieden en inwoners.

1579–1588 — Bestuur, rechtspraak en de verbinding over de Roer

De strijd om het gezag in de Nederlanden duurde voort, terwijl Roermond als stad bleef functioneren. De inwoners hadden nog altijd voedsel, brandstof, bouwmaterialen en andere goederen nodig. Ook de stedelijke beroepen en de ambachten verdwenen niet eenvoudigweg doordat er oorlog werd gevoerd. Schippers, dragers, vissers en kooplieden bleven afhankelijk van toegang tot de rivier en de verbindingen tussen de Roerkant en de stad. De brug over de Roer was daarbij van belang voor het verkeer tussen de binnenstad en de Voorstad Sint-Jacob. De geschiedenis van het goederenverkeer bleef dus ook een geschiedenis van de dagelijkse inrichting van Roermond.

Een besluit uit 1588 over de verwoeste Sint-Jacobskapel heeft later aanleiding gegeven tot vragen over de brugverbinding. Mogelijk was een eerdere losse brug door een vaste constructie vervangen, maar de beschikbare vermelding bewijst niet wanneer dat precies gebeurde. Evenmin kan uit het besluit een volledig beeld van de schade aan de handelsinfrastructuur worden afgeleid. Het is belangrijk zulke onzekerheden te behouden. Een verwoeste kapel is een concreet gegeven, maar de gevolgen voor alle schippers en kooplieden kunnen niet zonder aanvullende bronnen worden vastgesteld. De geschiedenis van de rivierhandel bestaat zowel uit gedocumenteerde besluiten als uit vragen die openblijven.

1588–1600 — De Maasvaart onder druk van een langdurige oorlog

Aan het einde van de zestiende eeuw was de oorlog geen kortstondige verstoring meer. De strijd had de politieke verhoudingen in de Nederlanden blijvend veranderd en maakte het goederenverkeer afhankelijk van de veiligheid van een uitgestrekt gebied. Voor Roermond bleef de Maas een belangrijke verbinding, maar een bevaarbare rivier bood geen garantie op onbelemmerde handel. Schippers konden onderweg te maken krijgen met militaire aanwezigheid, onveiligheid en veranderende bevoegdheden. Kooplieden moesten rekening houden met de vraag of zij hun goederen op de beoogde markt konden afleveren en of de reis financieel verantwoord bleef.

De stad stond daarmee voor een probleem dat al in de veertiende eeuw herkenbaar was geweest, maar nu onder veel zwaardere politieke omstandigheden terugkeerde. De privileges bij Lobith, Mook, Ravenstein en andere tolplaatsen hadden geprobeerd de kosten van handel te beperken. De deelname aan de Hanze had mogelijkheden voor samenwerking en bescherming geboden. De verlegging van de Maas had de bereikbaarheid van Roermond verbeterd. Geen van die maatregelen kon echter zelfstandig de veiligheid van een hele handelsroute waarborgen. De macht over de goederenstroom lag verspreid over steden, landsheren, tolbezitters en uiteindelijk ook militaire bevelhebbers.

Voor de jaren tot 1600 ontbreken doorlopende reeksen scheepsregisters, handelsopbrengsten en vrachtcijfers waarmee een volledige ontwikkeling van de Roermondse Maasvaart kan worden gereconstrueerd. Daarom kan niet worden berekend hoeveel schepen minder voeren, hoeveel laken verloren ging of hoe sterk de inkomsten van schippers en kooplieden terugliepen. Ook mag niet worden aangenomen dat iedere handelsverbinding volledig werd onderbroken. De bronnen tonen wel dat de omstandigheden waaronder de stad haar handel moest beschermen ingrijpend waren veranderd. De vraag was niet langer alleen welke rechten Roermond bezat, maar ook of het politieke en militaire gezag die rechten in de praktijk kon beschermen.

De strijd om de goederenstroom — Roermonds plaats aan Maas en Roer

De geschiedenis van Roermond laat zien dat een gunstige ligging aan twee rivieren op zichzelf onvoldoende was om een handelsstad te laten groeien. De burgers hadden wegen nodig waarover wijn kon worden vervoerd, schepen die goederen uit Dordrecht brachten, vrijstellingen bij tolplaatsen en bescherming op de markten. Het stadsbestuur liet de Maas dichter bij de stad brengen, onderhandelde over privileges, kocht belangen in tollen en verdedigde zijn burgers wanneer zij elders werden benadeeld. Iedere maatregel moest een deel van het goederenverkeer goedkoper, veiliger of aantrekkelijker maken.

Daartegenover stonden voortdurend andere belangen. Landsheren wilden inkomsten en politieke gehoorzaamheid, tolbezitters verdedigden hun rechten, concurrerende steden probeerden dezelfde goederen naar hun markten te trekken en oorlog kon de veiligheid van handelsroutes aantasten. Roermond kon rechten verwerven, maar ook verliezen. De stapel van 1372 werd in 1523 door de beslissing ten gunste van Venlo onder druk gezet. Zelfs internationale samenwerking binnen de Hanze bood geen volledige bescherming tegen gevangenneming of verbeurdverklaring. De stad was onderdeel van een groter handelsgebied waarin economische vrijheid telkens opnieuw moest worden bevochten.

De handel was bovendien meer dan een aangelegenheid van kooplieden en bestuurders. Achter de scheepsladingen stonden mensen die laken maakten, tonnen vervaardigden, goederen wogen, schepen losten en producten op de markt verkochten. Koren en zout waren nodig voor de bevoorrading, hout en steen voor het bouwen, kolen voor brandstof en laken voor de stedelijke economie. De rivier verbond hun arbeid met gebieden buiten Roermond. Wanneer de handel werd gehinderd, konden de gevolgen daarom verder reiken dan de winst van één koopman. De goederenstroom was verbonden met het bestaan van een hele stedelijke gemeenschap.

Roermond was geen passieve plaats waar goederen toevallig voorbijvoeren. Het stadsbestuur en de burgers probeerden actief invloed uit te oefenen op de routes, kosten en markten waarvan hun bestaan afhankelijk was. De stad gebruikte daarvoor politieke onderhandelingen, juridische privileges, financiële investeringen en zelfs een ingreep in de loop van de Maas. Toch bleef de goederenstroom nooit volledig onder haar controle. Tegen 1600 had Roermond eeuwen ervaring opgedaan met de mogelijkheden en grenzen van stedelijke macht. De rivier bracht handel en welvaart, maar verbond de stad tegelijkertijd met conflicten die zij niet zelfstandig kon beheersen.

Lees verder — De geschiedenis van Roermond in acht delen

Wil je verder lezen over de geschiedenis van Roermond, de Maasvaart, de Hanze en de strijd om de handel tussen 1253 en 1600? Ontdek hieronder de acht verdiepende delen.

Deel 1 — De opkomst van Roermond als handelsstad (1253–1327)

Deel 2 — De Maas dichter bij de stad (1342–1367)

Deel 3 — De strijd om de stapel en de handelsrechten (1372–1394)

Deel 4 — Handel, tolrechten en verre contacten (1398–1431)

Deel 5 — Roermond binnen het handelsnetwerk van de Hanze (1441–1450)

Deel 6 — Internationale conflicten en de strijd om de Maasvaart (1457–1494)

Deel 7 — Venlo, de schippers en de stedelijke economie (1523–1556)

Deel 8 — Oorlog en de kwetsbaarheid van de handel (1568–1600)