Velsen — Romeinen, Friezen en strijd aan het Oer-IJ

DEEL 1 — HET OER-IJ EN DE MENSEN VÓÓR ROME

Rond 800 v.Chr. — Het Oer-IJ verdeelt land en water

Rond 800 v.Chr. stroomt het Oer-IJ door een landschap van kreken, veen, zandige hoogten en lage oevers. Waar de bodem voldoende droog blijft, kunnen mensen huizen bouwen en akkers aanleggen. Op nattere gronden grazen dieren. Het water maakt vervoer mogelijk, maar bepaalt ook waar bewoning kan blijven bestaan. Een dichtslibbende kreek of stijgende waterstand kan een erf onbruikbaar maken. De bewoners moeten daarom voortdurend rekening houden met het landschap. Eeuwen voordat Romeinse schepen verschijnen, is het Oer-IJ al een gebied waar het water mogelijkheden biedt en grenzen stelt.

De Hofgeest en Velserbroek bewaren sporen van oudere bewoning

Bij De Hofgeest en Velserbroek, in het huidige Velsen, vinden archeologen resten van huizen, greppels, waterputten en akkers uit verschillende perioden. Sommige sporen gaan terug tot de Bronstijd. Andere behoren tot de IJzertijd. De gebouwen hebben niet allemaal tegelijk bestaan. Wanneer een huis wordt vervangen of een erf wordt verlaten, blijven paalgaten en greppels in de bodem achter. Zo ontstaat een geschiedenis van opeenvolgende woonplaatsen. Het gebied rond het latere Romeinse fort is dus geen leeg landschap. Generaties bewoners hebben hier al huizen gebouwd, dieren gehouden en grond bewerkt.

Circa 600 v.Chr. — Een boerderij van achttien meter verrijst bij Assendelft

Omstreeks 600 v.Chr. staat bij het huidige Assendelft een boerderij van ongeveer achttien meter lang en zes meter breed. Twee rijen dragende palen verdelen het gebouw in drie schepen. De bewoners gebruiken hout en vlechtwerk voor de constructie. In 1975 vinden archeologen de resten bij de Genieweg. Door de natte bodem zijn houten onderdelen bewaard gebleven. Het huis toont hoe bewoners met plaatselijke materialen een stevig onderkomen bouwen. Binnen en rond zo'n boerderij worden voedsel bereid, dieren verzorgd en voorraden bewaard. Het erf vormt het middelpunt van het bestaan.

Runderen bepalen het bezit van een boerenhuishouden

Op de erven in het Oer-IJ-gebied worden runderen, schapen, geiten en varkens gehouden. Vooral runderen vertegenwoordigen belangrijk bezit. Zij leveren vlees, huiden, botten en andere grondstoffen. Een kudde vraagt bovendien grasland, water en voortdurende verzorging. Een rund is daardoor niet alleen voedsel voor één maaltijd. Het kan jarenlang deel uitmaken van het huishouden en voor nakomelingen zorgen. De bewoners gebruiken aardewerken potten om voedsel te bereiden en waterputten om grondwater te bereiken. Huis, erf, dieren en omliggende grond vormen samen de middelen waarvan een gezin leeft.

Houten huizen moeten telkens opnieuw worden hersteld

Een boerderij van hout en vlechtwerk blijft niet zonder onderhoud bestaan. Palen kunnen verzwakken, wanden raken beschadigd en dakbedekking moet worden vernieuwd. Bewoners verzamelen hout, takken en klei om hun huizen bruikbaar te houden. Soms wordt een oud gebouw afgebroken en op een andere plaats een nieuw huis opgericht. Archeologen vinden daardoor meerdere plattegronden die niet allemaal gelijktijdig zijn gebruikt. De opeenvolging van huizen vertelt hoe bewoners hun woonplaatsen aanpassen. Niet iedere verandering wijst op een nieuwe bevolkingsgroep. Vaak is het eenvoudigweg noodzakelijk om een versleten gebouw te vervangen.

Rond 400–350 v.Chr. verandert de afwatering bij Assendelft

In de Assendelver Polders veranderen rond 400–350 v.Chr. de waterlopen en de afwatering. Sommige kreken slibben dicht, terwijl andere delen van het landschap natter worden. Voor bewoners kan dat ingrijpende gevolgen hebben. Een akker die jarenlang bruikbaar is geweest, kan moeilijker te bewerken worden. Grasland kan veranderen en een boerderij kan haar gunstige ligging verliezen. Mensen zoeken daarom andere plaatsen of passen hun werkzaamheden aan. Het water verdrijft niet altijd in één plotselinge ramp. Soms verandert het landschap langzaam, totdat wonen op een oude plaats niet langer aantrekkelijk of mogelijk is.

In Velserbroek krijgen oude huisbalken een nieuwe bestemming

In Velserbroek leggen mensen tijdens de IJzertijd meer dan twintig houten balken neer die eerder deel uitmaakten van een boerderijconstructie. De balken zijn opnieuw bewerkt en doelbewust geplaatst. Archeologen interpreteren de vindplaats als een plaats waar rituele handelingen plaatsvonden. Waarom de bewoners juist oude huisbalken gebruikten, is onbekend. Mogelijk speelde hun herkomst een rol, maar daarvoor ontbreekt rechtstreeks bewijs. De vondsten laten wel zien dat hout niet uitsluitend voor gebouwen of werktuigen wordt gebruikt. Sommige voorwerpen krijgen een bijzondere bestemming op plaatsen die kennelijk betekenis hebben voor de betrokken gemeenschap.

Jeneverbessentakken markeren een bijzondere plaats

Op de rituele vindplaats in Velserbroek worden ook jeneverbessentakken in lijnvormige constructies aangebracht. Later ontstaat een verhoogde strook van ongeveer 103 meter lang en zeven tot acht meter breed, begrensd door greppels. Voor de aanleg moet grond worden verplaatst en hout worden verzameld. Dat vraagt arbeid en voorbereiding. De precieze betekenis van de plaats kennen we niet. Er zijn geen geschreven verklaringen van de mensen die haar gebruikten. Toch maken de zorgvuldige aanleg en de herhaalde werkzaamheden duidelijk dat deze plek een andere betekenis had dan een gewoon erf of akker.

Rond 200 v.Chr. verschijnen nieuwe erven bij de Zuiderweg

Vanaf ongeveer 200 v.Chr. wordt opnieuw op verschillende plaatsen bij Assendelft gewoond. Bij de huidige Zuiderweg zijn zeven archeologische vindplaatsen bekend. Koolstofdateringen plaatsen een deel van de bewoning rond 170 v.Chr. Niet alle erven hoeven tegelijkertijd te hebben bestaan. Sommige huizen kunnen oudere woonplaatsen hebben vervangen. De bewoners zoeken geschikte grond tussen natte gebieden en gebruiken het landschap voor veeteelt en landbouw. Wanneer later Romeinse soldaten naar het Oer-IJ komen, treffen zij dus een streek aan waarin mensen al vele eeuwen ervaring hebben met wonen en werken op de grens van land en water.

Een doorboorde kleiplaat bij de haard blijft een raadsel

Bij vindplaats 32 in Assendelft vinden archeologen een doorboorde kleiplaat. Het voorwerp ligt bij een haard. In dezelfde woning worden kleine kleischijfjes aangetroffen. Misschien werden de voorwerpen samen gebruikt, maar hun functie is onbekend. De vondst laat zien hoe moeilijk het soms is om het dagelijks leven volledig te reconstrueren. We kennen de vorm van de kleiplaat en weten waar zij werd gevonden. Maar de handeling waarvoor zij werd gemaakt, is niet overgeleverd. Juist zulke voorwerpen herinneren eraan dat een opgegraven huis slechts een deel van zijn vroegere leven prijsgeeft.

Rond 200 v.Chr. raakt de oude Oer-IJ-monding grotendeels afgesloten

Tegen ongeveer 200 v.Chr. is de oorspronkelijke monding van het Oer-IJ naar de Noordzee grotendeels afgesloten. Strandwallen en duinen hebben de kust veranderd. De oude verbinding met open zee verdwijnt grotendeels, maar het waterlandschap houdt andere routes. Via geulen, meren en rivieren blijven delen van het binnenland bereikbaar. Dat is belangrijk voor de latere Romeinse geschiedenis. De Romeinen treffen geen onveranderde brede riviermond aan. Zij moeten gebruikmaken van waterwegen waarvan de ligging en bevaarbaarheid door eeuwen van kustvorming zijn veranderd.

Het Flevomeer en de Vecht verbinden de kust met het binnenland

Het Flevomeer en de Vecht maken deel uit van een groter netwerk van waterwegen. Via deze routes kunnen mensen en goederen zich tussen het kustgebied en het Rijnsysteem verplaatsen. De mogelijkheden verschillen per plaats en seizoen. Ondiepten, stroming en wind kunnen het varen bemoeilijken. Toch biedt vervoer over water belangrijke voordelen wanneer zware goederen over grotere afstanden moeten worden verplaatst. Deze verbindingen bestaan al voordat Rome het gebied bereikt. De Romeinen kunnen later gebruikmaken van een waterwereld die door plaatselijke bewoners al generaties wordt benut.

58–50 v.Chr. — Caesar brengt de Romeinse legers naar Gallië

Tussen 58 en 50 v.Chr. voert Gaius Julius Caesar oorlog in Gallië. Grote gebieden ten zuiden van de Rijn komen onder Romeinse heerschappij. Caesar verovert Velsen niet. Toch veranderen zijn campagnes de politieke omgeving van het noordelijke kustgebied. Rome beschikt nu over een uitgestrekt machtsgebied van waaruit legers naar de Rijn kunnen worden gebracht. Soldaten hebben voedsel, wapens en vervoer nodig. De rivier wordt daardoor een belangrijke militaire verbinding. De mensen rond het Oer-IJ leven nog buiten rechtstreeks Romeins bestuur, maar de macht van Rome komt steeds dichterbij.

27 v.Chr. — Augustus richt zijn blik op Germania

In 27 v.Chr. krijgt Octavius de erenaam Augustus. Onder zijn bewind probeert Rome zijn macht voorbij de Rijn uit te breiden. Bevelhebbers trekken Germania binnen en zoeken routes waarlangs legers kunnen worden bevoorraad. Een leger bestaat niet alleen uit strijdende soldaten. Er zijn ook schepen, paarden, voedsel, hout en werktuigen nodig. Rivieren en kustwateren kunnen daarbij van groot belang zijn. De noordelijke waterwegen worden daardoor onderdeel van de Romeinse militaire plannen. Wat voor plaatselijke bewoners een route tussen woongebieden is, kan voor Rome een verbinding tussen legerbases worden.

12 v.Chr. — Drusus bereikt de Frisii

In 12 v.Chr. begint Nero Claudius Drusus grote campagnes in Germania. Daarbij gebruikt hij ook schepen. Tijdens deze operaties komen de Romeinen in contact met de Frisii, zoals zij in Romeinse geschriften worden genoemd. Over de precieze grenzen en samenstelling van deze bevolkingsgroep weten we weinig. Wel verandert de verhouding met Rome. De Frisii krijgen te maken met een macht die over legers en een uitgebreid gebied beschikt. De contacten blijven niet beperkt tot ontmoetingen tussen soldaten en plaatselijke bewoners. Rome verlangt ook een bijdrage aan zijn militaire behoeften.

Drusus legt een tribuut in runderhuiden op

Volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus legt Drusus de Frisii een tribuut in runderhuiden op. Aanvankelijk zou de verplichting betrekkelijk gering zijn geweest. Hoeveel huiden ieder huishouden moet leveren, vermeldt Tacitus niet. Toch raakt de maatregel een belangrijk onderdeel van het boerenbestaan. Een rund levert voedsel, huiden en andere grondstoffen en kan jarenlang deel uitmaken van een kudde. Wanneer Rome aanspraak maakt op de huid, wordt een product van het erf onderdeel van een opgelegde verplichting. De gevolgen daarvan zullen tientallen jaren later zichtbaar worden.

De naam Frisii zegt niet alles over de bewoners

Romeinse schrijvers gebruiken de naam Frisii voor een bevolking in het noordelijke kustgebied. Archeologen vinden echter geen geschreven verklaringen waarin de bewoners van afzonderlijke boerderijen hun eigen identiteit beschrijven. Daarom kan niet iedere nederzetting zonder meer als een bewezen Friese woonplaats worden aangeduid. De archeologie toont huizen, aardewerk, waterputten en dierenbotten. Romeinse auteurs beschrijven bevolkingsgroepen en politieke verhoudingen. Beide soorten bronnen vertellen iets over dezelfde wereld, maar niet op dezelfde manier. Dat onderscheid blijft belangrijk wanneer de Romeinen later bij Velsen verschijnen.

9 v.Chr. — Drusus sterft, maar Rome trekt zich niet terug

In 9 v.Chr. sterft Drusus tijdens een campagne in Germania. Zijn dood betekent niet dat Rome zijn noordelijke plannen opgeeft. Andere bevelhebbers zetten de operaties voort. Ook de verplichtingen die onder Drusus zijn ontstaan, verdwijnen niet automatisch. Voor de Frisii blijft de verhouding met Rome daardoor bestaan. Tegelijk is de Romeinse macht in Germania niet onaantastbaar. Legioenen kunnen grote gebieden doorkruisen, maar hebben voorraden en veilige verbindingen nodig. Een militaire overwinning betekent niet dat iedere plaatselijke gemeenschap zich blijvend aan Rome onderwerpt.

Tiberius zet de campagnes in Germania voort

Na Drusus speelt zijn broer Tiberius een belangrijke rol in de Romeinse operaties voorbij de Rijn. Legers trekken door Germania en Rome probeert zijn invloed te versterken. De militaire campagnes vragen veel manschappen en grote hoeveelheden voedsel. Schepen kunnen helpen om die voorraden te vervoeren. Toch blijft het gebied moeilijk te beheersen. De Romeinen moeten rekening houden met plaatselijke tegenstand en met grote afstanden tussen hun versterkingen. De Rijn vormt een belangrijke verbinding, maar de gebieden daarbuiten kunnen niet zonder voortdurende militaire inspanning worden gecontroleerd.

9 n.Chr. — Arminius vernietigt drie legioenen van Varus

In 9 n.Chr. lijdt Rome een zware nederlaag. Een leger onder Publius Quinctilius Varus wordt vernietigd door een coalitie onder leiding van Arminius, een vooraanstaande Cherusc. De legioenen XVII, XVIII en XIX gaan verloren. De strijd vindt niet bij Velsen plaats. Toch verandert de nederlaag de Romeinse positie in Germania. Arminius kent de Romeinse oorlogvoering uit eigen ervaring. Hij heeft in Romeinse dienst gestaan en bezit het Romeinse burgerrecht en de ridderrang. De nederlaag laat zien dat militaire kennis die in Romeinse dienst wordt opgedaan, later ook tegen Rome kan worden gebruikt.

19 augustus 14 n.Chr. — Augustus sterft en Tiberius wordt keizer

Op 19 augustus 14 n.Chr. sterft Augustus in Nola. Tiberius volgt hem op. De nederlaag van Varus ligt nog maar vijf jaar achter Rome. Langs de Rijn staan grote legermachten die opnieuw in Germania kunnen worden ingezet. Germanicus Julius Caesar, zoon van Drusus en geadopteerde zoon van Tiberius, krijgt een belangrijke rol in nieuwe campagnes. Hij beschikt over legioenen en hulptroepen, maar moet die ook kunnen verplaatsen en bevoorraden. Daarmee krijgen de noordelijke rivieren en kustwateren opnieuw militaire betekenis.

14–15 n.Chr. — Germanicus begint nieuwe veldtochten

In 14 en 15 n.Chr. voert Germanicus nieuwe operaties in Germania uit. Rome probeert zijn positie te herstellen na de nederlaag van Varus. Soldaten moeten grote afstanden afleggen en voortdurend voedsel en uitrusting ontvangen. Vervoer over water kan daarbij helpen. Schepen brengen manschappen en voorraden naar plaatsen die over land moeilijker bereikbaar zijn. Voor zulke operaties zijn aanlegplaatsen nodig waar vaartuigen veilig kunnen verblijven. Juist in deze jaren ontstaat bij Velsen een Romeinse militaire basis.

DEEL 2 — GERMANICUS EN DE AANLEG VAN VELSEN 1

Rond 15 n.Chr. — Romeinse soldaten bouwen een versterking aan het Oer-IJ

Rond 15 n.Chr. beginnen Romeinse militairen aan het Oer-IJ met de aanleg van een versterkte basis. Archeologen noemen deze vindplaats Velsen 1. De stichting valt samen met de campagnes van Germanicus. Tacitus noemt Velsen niet, maar de datering en ligging maken een verband met de Romeinse noordelijke operaties aannemelijk. Soldaten graven een verdedigingsgracht, werpen een aarden wal op en plaatsen houten palissaden. Binnen de versterking ontstaat een plaats waar manschappen kunnen verblijven en schepen kunnen worden ontvangen. Voor het eerst krijgt het Oer-IJ hier een blijvende Romeinse militaire aanwezigheid.

De eerste versterking beslaat ongeveer één hectare

De oudste aanleg van Velsen 1, fase 1a, heeft een ongeveer driehoekige vorm en beslaat circa één hectare. Een aarden wal, een V-vormige gracht en houten palissaden beschermen het terrein. De oever vormt een belangrijke zijde van het kamp. Aanvankelijk kunnen schepen op een geschikte plaats aan land worden gebracht. De Romeinen bouwen met materialen die in het gebied beschikbaar zijn of worden aangevoerd. De eerste versterking is betrekkelijk klein, maar biedt bescherming aan de militairen die hier verblijven en aan de werkzaamheden die langs het water plaatsvinden.

De V-vormige gracht maakt een aanval moeilijker

Rond de eerste versterking graven de soldaten een gracht met een V-vormig profiel. De uitgegraven grond kan worden gebruikt voor de wal. Houten palissaden versterken de verdediging. Wie het kamp wil aanvallen, moet eerst door of over de gracht komen en vervolgens de wal en palissade bereiken. De aanleg vraagt veel arbeid, maar maakt het terrein beter verdedigbaar. De Romeinen bouwen dus niet uitsluitend een aanlegplaats voor schepen. Vanaf het begin houden zij rekening met de noodzaak om de basis tegen een aanval te beschermen.

Tentharingen tonen hoe soldaten tijdelijk onderdak vinden

Onder de houten vondsten van Velsen 1 bevinden zich tentharingen. Zij tonen dat tenten op de vindplaats werden gebruikt. Vooral tijdens de aanleg van een militaire basis kunnen tijdelijke onderkomens belangrijk zijn. Niet alle gebouwen hoeven dan al gereed te zijn. De vondsten bewijzen niet hoeveel soldaten in tenten verbleven of hoe lang iedere tent werd gebruikt. Wel laten zij zien dat de Romeinse aanwezigheid uit verschillende soorten onderkomens bestond. Naast blijvende gebouwen konden tentconstructies deel uitmaken van het dagelijks functioneren van het kamp.

15 n.Chr. — Germanicus bezoekt het gebied van de Varusnederlaag

Tijdens zijn veldtocht van 15 n.Chr. bezoekt Germanicus volgens Tacitus het gebied waar het leger van Varus zes jaar eerder is verslagen. De soldaten begraven daar de resten van hun voorgangers. Deze gebeurtenis vindt niet bij Velsen plaats, maar verklaart de omstandigheden waarin de nieuwe haven ontstaat. Rome probeert opnieuw militaire operaties in Germania uit te voeren. De herinnering aan de vernietiging van drie legioenen maakt duidelijk welke risico's daarmee verbonden zijn. Voor het vervoer van manschappen en voorraden zijn veilige verbindingen noodzakelijk.

Circa 16 n.Chr. — Velsen krijgt een grotere haven

Na de eerste aanleg begint een uitbreiding die archeologen fase 1b noemen. Deze ontwikkeling wordt globaal binnen de jaren 16–22 n.Chr. geplaatst. De Romeinen bouwen nieuwe havenwerken en richten de oever opnieuw in. Houten pieren steken het water in en beschoeiingen beschermen de aanlegplaatsen. De werkzaamheden vragen grote hoeveelheden hout en grond. Velsen verandert daarmee van een betrekkelijk klein versterkt kamp in een uitgebreidere militaire haven. Schepen kunnen er aanleggen en goederen kunnen naar het fort worden gebracht.

Drie houten pieren steken tientallen meters het water in

In archeologische reconstructies worden drie pieren onderscheiden met lengten van ongeveer vijftig, vijfenvijftig en vijfenzestig meter. De houten constructies steken vanuit de oever het water in. Daardoor kunnen vaartuigen op verschillende plaatsen aanleggen. De bouwers moeten zware palen plaatsen en houten onderdelen stevig verbinden. Een beschadigde pier kan het laden en lossen bemoeilijken. De afmetingen laten zien dat de Romeinen rekening houden met regelmatig scheepvaartverkeer. De haven is geen eenvoudige aanlegplaats waar af en toe een boot verschijnt.

Elzenhouten palen dragen de Romeinse haven

Voor de havenconstructies gebruiken de bouwers onder meer elzenhout. Palen worden in de natte bodem geplaatst om de aanlegplaatsen te verstevigen. Takkenbossen, klei, stenen en andere materialen worden gebruikt om delen van de oever op te bouwen. Het werk vraagt timmerlieden en soldaten die hout kunnen bewerken en zware onderdelen kunnen verplaatsen. De natte bodem vormt tijdens de aanleg een probleem, maar zorgt er eeuwen later voor dat veel hout bewaard blijft. Daardoor kunnen archeologen onderzoeken hoe de Romeinen hun haven daadwerkelijk hebben gebouwd.

Een boothuis krijgt een helling naar het water

Bij de haven wordt een boothuis met een helling naar het water aangelegd. Daarmee kunnen vaartuigen uit het water worden gehaald. Dat is belangrijk voor onderhoud. Houten schepen hebben reparaties nodig en beschadigde onderdelen moeten kunnen worden vervangen. Een schip dat voortdurend in het water blijft, is moeilijker aan alle zijden te onderzoeken. De aanwezigheid van een boothuis maakt duidelijk dat Velsen meer doet dan passerende vaartuigen ontvangen. De basis beschikt over voorzieningen om schepen bruikbaar te houden voor nieuwe tochten.

Houten gebouwen vormen het hart van de basis

De gebouwen van Velsen 1 bestaan voornamelijk uit hout, aarde en leem. Bewerkte leemfragmenten wijzen op wanden waarin leem is toegepast. Ook zijn metalen sleutels gevonden die bij afsluitbare constructies passen. Niet ieder gebouw laat duidelijke paalsporen achter. Sommige houten constructies kunnen op liggers hebben gerust. Daardoor is de oorspronkelijke indeling niet overal volledig te reconstrueren. Het ontbreken van duidelijke gebouwsporen betekent niet dat soldaten jarenlang zonder onderkomens verbleven. De vondsten tonen dat binnen de versterking verschillende werkzaamheden en vormen van dagelijks gebruik plaatsvonden.

16 n.Chr. — Germanicus laat ongeveer duizend schepen bouwen

Voor zijn campagne van 16 n.Chr. laat Germanicus volgens Tacitus ongeveer duizend vaartuigen bouwen. De vloot moet manschappen, paarden en voorraden vervoeren. Het aantal is afkomstig uit een antieke bron en kan niet onafhankelijk worden gecontroleerd. De passage maakt wel duidelijk hoe groot de Romeinse inspanning is. Schepen moeten worden gebouwd, bemand en bevoorraad. Zij hebben aanlegplaatsen nodig en moeten na gebruik worden onderhouden. De haven van Velsen past binnen deze maritieme militaire wereld, al schrijft Tacitus niet dat de vloot van Germanicus hier daadwerkelijk heeft gelegen.

De haven maakt het vervoer van zware voorraden mogelijk

Schepen kunnen grote hoeveelheden voedsel, hout, wapens en ander materiaal vervoeren. Wanneer een vaartuig aankomt, moet de lading worden gelost en verder worden gebracht. De pieren en aanlegplaatsen van Velsen maken dat mogelijk. Soldaten en andere aanwezige werklieden kunnen goederen van het schip naar de versterking dragen of vervoeren. De haven verbindt daarmee het water met de militaire basis. Zonder een bruikbare aanlegplaats wordt iedere bevoorrading moeilijker. De houten constructies zijn daarom geen bijkomstigheid, maar een belangrijk onderdeel van het functioneren van Velsen.

Een buitenhaven biedt ruimte aan grotere vaartuigen

Onderzoekers onderscheiden binnen de haven verschillende zones. De ruimte tussen de westelijke en oostelijke havenwerken wordt geïnterpreteerd als een buitenhaven waar grotere schepen of meerdere kleinere vaartuigen konden afmeren. In reconstructies wordt rekening gehouden met vaartuigen van meer dan twintig meter lengte. Zulke schepen zijn niet als complete wrakken in Velsen gevonden. De afmetingen van de havenwerken tonen vooral welke mogelijkheden de aanlegplaats bood. De Romeinen richten een haven in die geschikt is voor meer dan één klein vaartuig.

Een afzonderlijke aanlegplaats kan contacten met bewoners mogelijk maken

Aan de oostelijke zijde van de haven ligt een aanlegvoorziening die in een vroege fase niet rechtstreeks toegang tot het fort geeft. Archeoloog Jaap Morel heeft voorgesteld dat deze plaats mogelijk werd gebruikt voor overslag en contacten met de plaatselijke bevolking. Dat is een interpretatie van de inrichting, geen rechtstreeks bewezen gebruik. De haven kan goederen ontvangen die uit de omgeving komen en goederen afgeven die van elders zijn aangevoerd. De aanlegplaats maakt daarmee zichtbaar hoe dicht de Romeinse militaire wereld en het omliggende boerenland bij elkaar liggen.

16 n.Chr. — Een storm treft de Romeinse vloot

Na de campagne van 16 n.Chr. wordt de terugkerende vloot van Germanicus volgens Tacitus door een zware storm op de Noordzee getroffen. Schepen raken verspreid en sommige vergaan. Soldaten en paarden gaan verloren. De gebeurtenis laat zien hoe gevaarlijk de noordelijke zee kan zijn. Rome beschikt over legioenen, ervaren bevelhebbers en grote aantallen vaartuigen, maar kan wind en golven niet beheersen. Het water dat een leger snel kan vervoeren, kan dezelfde schepen ook vernietigen. Er bestaat geen bewijs dat juist de in Velsen gebruikte vaartuigen bij deze storm verloren gingen.

Na 16 n.Chr. — Tiberius beëindigt de grote offensieven

Na de campagnes van 16 n.Chr. roept keizer Tiberius Germanicus terug. De grootschalige offensieven in Germania worden verminderd. Daarmee verandert de militaire betekenis van de noordelijke waterwegen. Een haven die tijdens grote veldtochten is ontstaan, moet nu binnen een andere Romeinse politiek functioneren. Toch verlaten de soldaten Velsen niet onmiddellijk. De archeologische resten tonen dat de basis nog jarenlang wordt gebruikt en aangepast. De haven blijft bestaan, ook wanneer de omstandigheden waarvoor zij oorspronkelijk is aangelegd veranderen.

De Romeinen blijven hun haven onderhouden

Na de terugkeer van Germanicus blijven soldaten bij Velsen wonen en werken. Houten constructies vragen onderhoud. Palen kunnen verzwakken en beschoeiingen raken beschadigd. De haven moet bruikbaar blijven voor schepen die mensen en goederen vervoeren. Daarom worden bestaande onderdelen hersteld en nieuwe constructies aangebracht. De opeenvolgende bouwfasen tonen dat de Romeinen bereid blijven arbeid en materiaal in Velsen te investeren. De basis is geen kortstondig kamp dat na één veldtocht wordt verlaten.

Houtkap verandert het landschap rond de haven

Voor de aanleg van de haven en versterking zijn grote hoeveelheden hout nodig. Bomen worden gekapt, stammen vervoerd en balken bewerkt. Onderzoek naar de vegetatie wijst op veranderingen in de omgeving tijdens de Romeinse aanwezigheid. Het verdwijnen van begroeiing kan gevolgen hebben voor de bodem en zandverstuiving. De Romeinen veranderen daardoor niet alleen de oever waar zij bouwen. Ook de omgeving wordt beïnvloed door hun behoefte aan hout. De aanleg van een militaire haven vraagt grondstoffen die ergens vandaan moeten komen.

Stromend water tast de beschoeiingen aan

De ligging aan het Oer-IJ maakt de haven bruikbaar, maar veroorzaakt ook problemen. Stromend water kan de oever uithollen en houten constructies beschadigen. In fase 1c wordt de haven daarom aangepast. Beschoeiingen worden hersteld of vervangen en de inrichting van de oever verandert. Ook wordt het boothuis verplaatst. De Romeinen ontdekken dat hun eerste aanleg niet overal tegen het water bestand is. De haven moet voortdurend worden aangepast aan de omstandigheden. Het water biedt toegang tot het gebied, maar stelt tegelijk eisen aan iedere houten constructie die erin wordt gebouwd.

DEEL 3 — HET LEVEN ROND DE ROMEINSE HAVEN, 20–27 N.CHR.

Rond 20 n.Chr. — Velsen wordt een blijvende militaire aanwezigheid

Omstreeks 20 n.Chr. bestaat Velsen 1 al enkele jaren. De grote campagnes van Germanicus zijn voorbij, maar de Romeinen blijven aan het Oer-IJ. Soldaten bewaken de basis, onderhouden de haven en ontvangen voorraden. Binnen de palissaden worden werktuigen gebruikt, voedsel bereid en uitrusting opgeborgen. Buiten de versterking liggen de woongebieden van plaatselijke gemeenschappen. De haven verbindt deze werelden met de Rijn en andere waterwegen. Velsen is niet langer uitsluitend een steunpunt voor grote veldtochten, maar een militaire basis die jarenlang moet blijven functioneren.

Vijf bouwfasen tonen hoe de haven verandert

Archeologen onderscheiden bij Velsen 1 vijf belangrijke bouwfasen: 1a, 1b, 1c, 2a en 2b. In de loop van de ontwikkeling wordt het terrein uitgebreid en verandert de verdediging. Nieuwe grachten, wallen en houten palissaden verschijnen. In de laatste fase worden ook houten torens en een poortconstructie onderscheiden. Niet iedere bouwfase kan aan één exact kalenderjaar worden gekoppeld. De volgorde is wel belangrijk. Een voorwerp uit de oudste aanleg kan jaren ouder zijn dan een vondst uit de laatste bezetting. De bodem bewaart een geschiedenis van opeenvolgende verbouwingen.

Nieuwe grachten en palissaden beschermen een groter terrein

Tijdens de latere ontwikkeling wordt Velsen uitgebreid. Soldaten graven nieuwe verdedigingsgrachten en richten houten palissaden op. De uitgegraven grond kan voor wallen worden gebruikt. Houten torens en een poort versterken de toegang. De werkzaamheden vragen veel arbeid en materiaal. Een groter terrein kan meer ruimte bieden voor gebouwen, opslag en werkzaamheden, maar moet ook worden bewaakt. De Romeinen investeren daarom niet alleen in de haven, maar ook in de bescherming van de basis.

De haven blijft een plaats van voortdurend werk

Ook na de uitbreiding moeten de havenwerken worden onderhouden. Stroming en slijtage beschadigen houten onderdelen. Timmerlieden herstellen palen, beschoeiingen en andere constructies. Schepen moeten kunnen aanleggen en goederen moeten veilig worden gelost. Een beschadigde aanlegplaats kan het vervoer bemoeilijken. De haven is daardoor niet alleen een plaats waar schepen verschijnen en vertrekken. Zij is ook een werkterrein waar voortdurend hout wordt bewerkt, onderdelen worden vervangen en beschadigingen worden hersteld.

Een eikenhouten peddelblad blijft bewaard

Onder de scheepvaartvondsten van Velsen 1 bevindt zich een eikenhouten peddel- of roeiriemblad. Het bewaarde blad is ongeveer 76 centimeter lang, acht tot elf centimeter breed en twee tot vier centimeter dik. Het heeft vondstnummer 3371. In het midden loopt aan beide zijden een verdikking. Het onderste uiteinde is afgebroken. De vondst maakt een onderdeel van de scheepvaart tastbaar. Niet alleen de grote pieren, maar ook de houten voorwerpen waarmee vaartuigen werden voortbewogen, blijven in de natte bodem bewaard. Het precieze jaar waarin het blad verloren ging is onbekend.

Een essenhouten peddelfragment is twaalf centimeter breed

Van een tweede peddel of roeiriem is een fragment van essenhout geregistreerd. Het heeft vondstnummer 1524 en is ongeveer twaalf centimeter breed, 7,5 centimeter lang en 1,5 centimeter dik. Waarschijnlijk gaat het om een deel bij de overgang tussen blad en schacht. Het voorwerp is niet meer beschikbaar voor nieuw onderzoek. Daardoor zijn de oorspronkelijke registratie en beschrijving belangrijk. Zij bewaren informatie die anders verloren zou zijn gegaan. De vondst laat zien dat naast eikenhout ook essenhout voor onderdelen van peddels of roeiriemen werd gebruikt.

Een beukenhouten schachtfragment meet tien centimeter

Een derde scheepvaartvondst is een fragment van een peddel- of roeiriemschacht van beukenhout. Het draagt vondstnummer 1763. Het bewaarde stuk is ongeveer tien centimeter lang en heeft een diameter van 5,5 centimeter. Ook dit voorwerp is niet meer beschikbaar voor nieuw onderzoek. Samen met de eikenhouten en essenhouten fragmenten toont het dat verschillende houtsoorten voor scheepvaartmateriaal werden gebruikt. De vondsten vormen geen complete vloot. Zij geven wel informatie over de materialen en onderdelen waarmee mensen op het water werkten.

Timmerlieden houden fort en vaartuigen bruikbaar

De haven en versterking vragen voortdurend houtbewerking. Palen, balken, planken en beschoeiingen moeten worden vervaardigd en onderhouden. Ook deuren, meubels, kisten en onderdelen van vaartuigen bestaan uit hout. Op veel voorwerpen zijn gereedschapssporen bewaard gebleven. Sommige stukken hout worden opnieuw gebruikt. Dat laat zien dat bruikbaar materiaal niet zonder reden wordt weggegooid. De namen van de timmerlieden kennen we niet. Hun werkzaamheden zijn wel zichtbaar in de onderdelen die zij maakten en die eeuwenlang in de natte bodem bewaard bleven.

Bijna 1.600 houten voorwerpen tonen het leven in Velsen

De opgravingen van Velsen 1 leveren ongeveer 2.500 houten objecten op. Bijna 1.600 daarvan worden onderzocht. Archeologe Silke Lange publiceert in 2021 een uitgebreid onderzoek naar deze verzameling, verschenen als Nederlandse Archeologische Rapporten 69. De vondsten omvatten onderdelen van wapens, meubels, tentharingen, sloten, sleutels en andere gebruiksvoorwerpen. Zij komen uit verschillende gebruiksfasen van de basis. Niet ieder voorwerp kan daarom specifiek tussen 20 en 27 n.Chr. worden gedateerd. Samen laten zij zien hoeveel van het Romeinse dagelijks leven uit hout bestaat.

Houten sloten en sleutels beschermen voorraden

Onder de vondsten bevinden zich onderdelen van houten sloten en sleutels. Daarmee kunnen deuren, kisten of andere afsluitbare voorzieningen worden beveiligd. In een militaire basis liggen voedsel, gereedschap, uitrusting en persoonlijke bezittingen opgeslagen. Niet alles kan voortdurend vrij toegankelijk blijven. De aanwezigheid van sloten toont dat goederen worden bewaard en afgesloten. De precieze bestemming van ieder slot is niet meer vast te stellen. Toch maken deze kleine voorwerpen een belangrijk onderdeel van het dagelijks functioneren zichtbaar: bezittingen en voorraden moeten niet alleen worden aangevoerd, maar ook worden beschermd.

Schrijftafeltjes brengen het Romeinse bestuur dichtbij

Onder de houten vondsten bevinden zich schrijftafeltjes. In de Romeinse wereld kunnen teksten in een waslaag worden aangebracht en later worden uitgewist. Zulke voorwerpen passen bij de administratie van een militaire basis. Voorraden, opdrachten en andere gegevens moeten worden vastgelegd. Niet ieder schrijftafeltje bewaart nog leesbare tekst. Toch tonen de vondsten dat schriftelijke communicatie aanwezig is. Achter de palissaden werken niet alleen soldaten met wapens en timmerlieden met gereedschap. Ook het vastleggen en doorgeven van informatie maakt deel uit van het functioneren van Velsen.

Schrijfwerktuigen maken het mogelijk teksten te veranderen

Naast schrijftafeltjes zijn schrijfwerktuigen onderzocht. Een spits uiteinde kan worden gebruikt om tekens in was aan te brengen. Met een geschikt vlak uiteinde kan de was weer worden gladgestreken. Daardoor kan hetzelfde schrijfoppervlak opnieuw worden gebruikt. De voorwerpen tonen hoe praktisch de Romeinen met schrift omgaan. Een bericht hoeft niet op een kostbaar blijvend materiaal te worden geschreven. De inhoud van de meeste verdwenen teksten kennen we niet. Maar de werktuigen maken duidelijk dat schrijven en wissen tot de werkzaamheden binnen de militaire basis behoren.

Wijnvaten brengen grote hoeveelheden vloeistof naar Velsen

Onder de houten vondsten bevinden zich onderdelen van wijnvaten. Zulke vaten kunnen grote hoeveelheden vloeistof vervoeren en worden in de Romeinse wereld op grote schaal gebruikt. De vondsten tonen dat houten transportcontainers naast aardewerken amforen een rol spelen in de bevoorrading. Op sommige vaten kunnen stempels of ingekraste tekens voorkomen. Zulke markeringen kunnen informatie geven over productie, eigendom of vervoer. De betekenis moet per exemplaar worden onderzocht. De houten onderdelen verbinden Velsen met de aanvoer van goederen over grotere afstanden.

Houten stoppen en pluggen sluiten de vaten af

Bij het onderzoek zijn ook houten stoppen en pluggen onderscheiden. Zulke voorwerpen kunnen openingen in vaten en andere containers afsluiten. Dat is belangrijk tijdens vervoer en opslag. Een vat dat niet goed is afgesloten, kan zijn inhoud verliezen. De vondsten zijn klein, maar hun functie is praktisch. De haven ontvangt goederen die over water worden aangevoerd en mogelijk langere tijd worden bewaard. Ook eenvoudige houten onderdelen zijn daarom noodzakelijk voor het functioneren van de bevoorrading.

Meubelpoten en spijlen tonen het interieur van de basis

De houten vondsten bevatten meubelonderdelen, waaronder gedraaide en gesneden poten, spijlen en sierlijsten. Sommige stukken zijn zorgvuldig vormgegeven. Dat laat zien dat niet ieder houten voorwerp uitsluitend voor zwaar werk wordt gemaakt. Binnen de militaire basis worden ook ruimtes ingericht waarin mensen werken, eten en bezittingen bewaren. De precieze herkomst van ieder meubelstuk moet uit de vondstcontext worden afgeleid. Toch geven de onderdelen een indruk van het interieur van gebouwen die zelf grotendeels verdwenen zijn.

Een mogelijke gevlochten stoel blijft onzeker

In de houtcatalogus wordt een constructie besproken die mogelijk tot de basis van een gevlochten stoel behoort. De interpretatie is niet zeker. Het voorwerp kan alleen worden beoordeeld op grond van de bewaarde vorm en de vondstcontext. Wanneer de uitleg juist is, laat het zien dat gevlochten en houten meubels in de basis werden gebruikt. Wanneer de uitleg onjuist blijkt, blijft het een aanwijzing voor gespecialiseerde houtbewerking. Het is belangrijk deze onzekerheid te behouden. Een herkenbaar meubelstuk maakt het verleden tastbaar, maar de vondst mag niet meer vertellen dan zij werkelijk kan dragen.

Houten kisten bewaren persoonlijke bezittingen

Tot de onderzochte voorwerpen behoren onderdelen van kleine houten kisten en een plank die mogelijk van een grotere kist afkomstig is. Zulke voorwerpen kunnen worden gebruikt om goederen en persoonlijke bezittingen op te bergen. Samen met de gevonden sloten en sleutels ontstaat een concreter beeld van opslag binnen de basis. Een soldaat bezit niet uitsluitend wapens. Ook kleding, gereedschap, voedsel en andere spullen moeten ergens worden bewaard. Welke voorwerpen precies in de gevonden kisten lagen, weten we niet.

Een gladius bewaart een houten deel van het gevest

Onder de militaire vondsten bevindt zich een houten onderdeel van een Romeins gladiusgevest. Het object heeft vondstnummer 3034. De vorm wordt verbonden met het Mainz-type, een zwaardtype dat in de eerste helft van de eerste eeuw n.Chr. wordt gebruikt. Een gladius bestaat niet alleen uit een metalen kling. Ook het gevest bevat houten onderdelen die meestal moeilijk bewaard blijven. De vondst toont hoe militaire uitrusting uit verschillende materialen is samengesteld. Zij bewijst niet dat dit specifieke zwaard tijdens de Friese Opstand van 28 n.Chr. is gebruikt.

Een speerpunt bewaart een stukje essenhouten schacht

Uit Velsen 1 is een ijzeren speer- of werpspeerpunt bekend waarin een restant van de houten schacht bewaard bleef. Het hout is als es geïdentificeerd. Het voorwerp draagt vondstnummer h5383 en komt uit een waterput. Dankzij de natte omstandigheden kon het hout in de metalen schachtkoker behouden blijven. De vondst toont welke houtsoort voor dit wapenonderdeel werd gebruikt. Een speerpunt in een waterput hoeft echter niet tijdens een gevecht verloren te zijn gegaan. Daarvoor moet de vondstcontext afzonderlijk worden onderzocht.

Een ijzeren pijlpunt ligt in een waterput

In waterput 1989-S221 van Velsen 1 is een ijzeren pijlpunt gevonden. Het voorwerp kan worden vergeleken met andere vroeg-Romeinse militaire pijlpunten. De vondst toont dat dergelijke projectielen tot de uitrusting van de basis behoren. De ligging in een waterput maakt een rechtstreekse koppeling aan een aanval onzeker. Een pijl kan op verschillende manieren in een put terechtkomen. Daarom is het voorwerp vooral bewijs voor militaire uitrusting, niet zonder meer voor een specifiek gevecht.

Bewerkt bot kan voor geluid zijn gebruikt

Onderzoek naar botmateriaal uit Velsen heeft voorwerpen opgeleverd die mogelijk als fluitjes of lokinstrumenten werden gebruikt. Een studie uit 2022 bespreekt een bewerkt adelaarsbot en twee doorboorde botbuisjes. Onderzoekers hebben onderzocht of deze voorwerpen geluid konden voortbrengen, bijvoorbeeld om dieren te lokken. De interpretatie is niet volledig zeker. Toch tonen de vondsten dat het leven in Velsen meer omvat dan militaire werkzaamheden. Ook activiteiten rond dieren en het gebruik van eenvoudige instrumenten kunnen archeologische sporen achterlaten.

Een badslipper en strigilis wijzen op lichaamsverzorging

Bij Velsen 1 zijn voorwerpen gevonden die met baden en lichamelijke verzorging in verband worden gebracht. Daaronder bevinden zich een fragment van een houten badslipper, scherven van een flesje dat voor geparfumeerde olie kan zijn gebruikt en een strigilis. Met zo'n schraapinstrument kunnen olie en vuil van de huid worden verwijderd. De vondsten passen bij de interpretatie van een mogelijk badgebouw. Zij bewijzen niet zelfstandig de volledige plattegrond van zo'n gebouw. Wel maken zij duidelijk dat lichaamsverzorging deel uitmaakt van het dagelijks leven in de militaire basis.

Aardewerk reist mee met de Romeinse bevoorrading

Binnen Velsen worden verschillende soorten Romeins aardewerk gebruikt. Potten, kommen, bekers en transportcontainers dienen voor het bereiden, bewaren en gebruiken van voedsel en drank. Sommige producten worden uit andere gebieden aangevoerd. Andere kunnen dichter bij de basis zijn vervaardigd. Archeologen gebruiken de vorm en herkomst van scherven om gebruiksfasen te dateren. Een gebroken pot is daardoor meer dan afval. Hij kan informatie geven over de goederen die Velsen bereiken en over de periode waarin een bepaald deel van de basis wordt gebruikt.

Romeins en plaatselijk aardewerk komen samen

Naast Romeins aardewerk wordt in Velsen ook handgevormd aardewerk van plaatselijke traditie gevonden. Dat kan wijzen op contacten met de omliggende bevolking. Een lokale pot binnen het fort bewijst echter niet dat een Fries gezin daar woonde. Voedsel kan in het vat zijn aangevoerd of de pot kan zijn geruild. Omgekeerd kunnen Romeinse goederen buiten de versterking terechtkomen. De vondsten tonen dat de militaire basis en de plaatselijke woongebieden niet volledig van elkaar gescheiden zijn.

Romeinse munten helpen de bezetting dateren

Romeinse munten uit Velsen helpen archeologen om de gebruiksperiode van de basis te bepalen. Een munt kan echter jarenlang in omloop blijven voordat hij verloren raakt. Het jaar waarin een munt is geslagen, is daarom niet automatisch het jaar waarin hij in de bodem terechtkomt. Archeologen combineren munten met aardewerk, hout, bouwfasen en andere vondsten. Voor de oorspronkelijke gebruikers maken munten deel uit van betalingen en andere vormen van uitwisseling. Wanneer Romeins geld buiten de basis verschijnt, kan dat aanwijzingen geven voor contacten met de plaatselijke bevolking.

Bijna 10.000 dierenbotten vertellen over voedsel

Tijdens de opgravingscampagne van 1982 wordt een grote hoeveelheid dierlijk botmateriaal verzameld. De gegevens van bijna 10.000 botten uit deze campagne worden later opnieuw toegankelijk gemaakt. Archeozoöloge Chiara Cavallo publiceert hierover in 2018 een digitaal onderzoeksbestand. Het materiaal omvat resten van gewone huisdieren en bijzondere diersoorten. Daarmee kunnen onderzoekers vragen beantwoorden over voedsel, veehouderij en contacten met de omgeving. De bijna 10.000 botten vormen een onderzoeksbestand uit één campagne, niet het totale aantal dierenbotten van alle opgravingen in Velsen.

Runderen verbinden de soldaten met het boerenland

Runderen zijn voor zowel de plaatselijke bevolking als de Romeinen belangrijk. Zij leveren vlees, huiden en andere bruikbare materialen. De soldaten moeten dagelijks eten en de militaire uitrusting vraagt verschillende grondstoffen. Juist runderhuiden spelen bovendien een politieke rol, omdat de Frisii volgens Tacitus sinds Drusus huiden als tribuut moeten leveren. Daardoor raken het boerenbedrijf en het Romeinse gezag rechtstreeks aan elkaar. Wat voor een huishouden een waardevol dier is, kan tegelijk onderdeel worden van een verplichting aan Rome.

Bijzondere dierenresten wijzen op een gevarieerd gebruik

Het dierlijk materiaal uit Velsen bevat niet alleen resten van gewone huisdieren, maar ook bijzondere diersoorten. Zulke vondsten kunnen wijzen op andere voedselgewoonten, aanvoer uit de omgeving of verschillen in gebruik. De betekenis moet per bot en vondstcontext worden onderzocht. Een zeldzame diersoort bewijst niet automatisch dat een commandant een bijzondere maaltijd kreeg. Het materiaal laat vooral zien dat de voedselvoorziening en het gebruik van dieren ingewikkelder zijn dan een eenvoudige verdeling tussen runderen, schapen en varkens.

Iedere soldaat moet dagelijks voedsel krijgen

Een militaire basis kan alleen blijven bestaan wanneer voedsel regelmatig wordt aangevoerd. Graan, vlees en andere levensmiddelen moeten worden verzameld, vervoerd, opgeslagen en bereid. Dierenbotten tonen dat dierlijke producten deel uitmaken van de voedselvoorziening. Plantaardige resten kunnen aanvullende informatie leveren. De exacte verhoudingen moeten uit specialistisch onderzoek worden afgeleid. Het belangrijkste is dat de voedselvraag niet verdwijnt wanneer er geen veldtocht plaatsvindt. Ook in rustige jaren moet de bezetting van Velsen iedere dag worden onderhouden.

De Frisii wonen verspreid over het kustlandschap

Buiten Velsen 1 liggen boerderijen en kleine nederzettingen. Er is geen bekende grote Friese hoofdstad bij het Oer-IJ. De plaatselijke bevolking leeft van veeteelt, landbouw en het gebruik van het landschap. Hun politieke organisatie is grotendeels onbekend. Tacitus spreekt over de Frisii als bevolkingsgroep, maar de archeologie toont vooral afzonderlijke erven en woonplaatsen. Niet iedere bewoner hoeft dezelfde verhouding met Rome te hebben gehad. Sommige huishoudens kunnen goederen hebben geleverd of geruild, terwijl andere minder rechtstreeks contact met de militaire basis hadden.

De boerderij blijft het middelpunt van het huishouden

Terwijl Romeinse soldaten binnen de palissaden wonen, blijft voor de plaatselijke bevolking de boerderij het belangrijkste middelpunt. Mensen verzorgen dieren, verwerken voedsel, onderhouden gebouwen en bewerken grond. De komst van de Romeinen verandert deze werkzaamheden niet onmiddellijk. Wel verschijnt in de omgeving een nieuwe afnemer van voedsel en grondstoffen. Daardoor kunnen contacten en uitwisseling ontstaan. Dezelfde runderen die voor het huishouden van belang zijn, kunnen ook worden verlangd voor Romeinse behoeften. De aanwezigheid van de haven brengt daardoor nieuwe mogelijkheden en nieuwe verplichtingen.

Vrouwen en kinderen blijven moeilijk herkenbaar

Zowel binnen als buiten het fort zijn vrouwen en kinderen archeologisch moeilijk afzonderlijk te herkennen. Werkzaamheden rond voedsel, kleding, kinderen en het erf laten slechts gedeeltelijk sporen achter. Ook de aanwezigheid van gezinnen binnen Velsen moet uit concrete vondsten worden afgeleid. Het ontbreken van geschreven namen betekent niet dat vrouwen of kinderen afwezig waren. Het bewijst evenmin dat zij permanent binnen de versterking woonden. De archeologische bronnen laten slechts een deel van hun bestaan zien.

Verschillende talen komen bij de haven samen

De Romeinse militaire wereld bestaat niet uitsluitend uit mannen die uit Italië afkomstig zijn. Legioenen en hulptroepen kunnen soldaten uit verschillende delen van het rijk bevatten. In een haven ontmoeten bemanningen, militairen en leveranciers elkaar. Welke talen precies in Velsen werden gesproken, is niet rechtstreeks overgeleverd. Latijn speelt een rol in het militaire bestuur, maar individuele soldaten kunnen een andere moedertaal hebben gehad. Buiten het fort spreken de plaatselijke bewoners hun eigen taal of dialecten. Daarvan zijn geen geschreven teksten uit Velsen bekend.

De naam van de commandant is onbekend

Voor de jaren 20–27 n.Chr. kennen we geen zekere naam van de commandant van Velsen 1. Germanicus en Tiberius zijn bekende figuren uit de grotere Romeinse geschiedenis, maar de officier die dagelijks verantwoordelijk is voor de basis blijft anoniem. Hetzelfde geldt voor vrijwel alle gewone soldaten. Archeologische vondsten maken hun werkzaamheden zichtbaar, maar geven meestal geen namen. We kunnen een houten peddelblad meten en een havenpier reconstrueren, terwijl de identiteit van de mannen die er bevel voerden grotendeels verloren is gegaan.

Het aantal soldaten in Velsen blijft onzeker

De omvang van Velsen 1 maakt duidelijk dat hier een militaire bezetting aanwezig is, maar een exact aantal soldaten voor ieder jaar tussen 20 en 27 n.Chr. is niet bekend. Schattingen moeten rekening houden met het terrein, de gebouwen, de havenfunctie en de mogelijke aanwezigheid van tijdelijke scheepsbemanningen. Daarom is het beter geen vast garnizoenscijfer als zekerheid te presenteren. Op drukke momenten kan de bezetting groter zijn geweest dan in rustige perioden. De archeologie laat zien dat de basis militair wordt gebruikt, maar geeft geen volledige telling van alle aanwezige mensen.

Rond 25 n.Chr. lijkt het leven betrekkelijk stabiel

Halverwege de jaren twintig bestaat Velsen 1 al ongeveer tien jaar. De haven wordt gebruikt en onderhouden. Soldaten ontvangen voorraden, bewaren hun uitrusting en verrichten werkzaamheden. Er is geen bekende antieke bron die voor 25 n.Chr. een grote crisis bij Velsen beschrijft. Dat betekent niet dat ieder jaar zonder spanningen verloopt. Wel wijst het beschikbare materiaal op een langdurige militaire aanwezigheid. De latere opstand ontstaat niet onmiddellijk na de eerste ontmoeting tussen Romeinen en Frisii. De verhouding heeft dan al tientallen jaren een politieke en economische betekenis.

De huidenbelasting blijft boven de verhouding hangen

De verplichting die volgens Tacitus onder Drusus is ontstaan, blijft in de jaren twintig van betekenis. De Frisii moeten runderhuiden leveren. Tacitus presenteert de oorspronkelijke heffing als draaglijk. Het bestaan van tribuut alleen veroorzaakt volgens zijn verslag niet onmiddellijk een opstand. De problemen ontstaan wanneer de uitvoering verandert. Daarmee krijgt een afspraak uit de tijd van Drusus, tientallen jaren eerder, opnieuw politieke betekenis. Een oude verplichting kan lang blijven bestaan, totdat een nieuwe eis haar voor de betrokken huishoudens ondraaglijk maakt.

DEEL 4 — DE FRIESE OPSTAND EN DE STRIJD OM VELSEN, 28 N.CHR.

Vóór 28 n.Chr. — Olennius verzwaart de huidenbelasting

Aan de vooravond van de crisis verschijnt een naam die voor het vervolg beslissend wordt: Olennius. Tacitus noemt hem een voormalige eerste centurio, een primipilaris, die bij de Frisii met het bestuur en de inning van tribuut is belast. Volgens Tacitus verlangt Olennius runderhuiden van de uitzonderlijke grootte van oerossenhuiden. De plaatselijke runderen leveren zulke grote huiden niet gemakkelijk. Daarmee verandert een oude verplichting in een veel zwaardere last. Het precieze moment waarop Olennius zijn eisen invoert is onbekend, maar de gevolgen worden in 28 n.Chr. zichtbaar.

Eerst verdwijnen runderen, daarna grond en gezinsleden

Tacitus schrijft dat de Frisii eerst hun runderen moeten afstaan om aan de aangescherpte eisen te voldoen. Wanneer dat onvoldoende blijkt, worden volgens hem ook grond en uiteindelijk vrouwen en kinderen aan slavernij prijsgegeven. De beschrijving is afkomstig uit een Romeinse tekst die ongeveer een eeuw later is geschreven. Toch is zij uitzonderlijk concreet. De belasting raakt niet langer alleen een product van het boerenbedrijf. Zij bedreigt kudde, grond, familie en vrijheid. De maat van een huid bepaalt nu hoeveel een huishouden kan verliezen.

De Frisii protesteren, maar krijgen geen verlichting

Volgens Tacitus klagen de Frisii over de nieuwe eisen. Hun protesten leveren echter geen verlichting op. Daarmee verdwijnt de mogelijkheid om het conflict langs vreedzame weg op te lossen. Opmerkelijk is dat Tacitus de oorzaak niet uitsluitend bij de opstandelingen legt. Hij schrijft dat de Frisii vooral door Romeinse hebzucht tot verzet worden gedreven. Dat blijft zijn interpretatie als Romeinse geschiedschrijver, maar laat duidelijk zien dat de belastingheffing in zijn verslag centraal staat. De strijd ontstaat niet zomaar uit vijandschap tegen Rome, maar uit een concrete verplichting die ondraaglijk wordt.

28 n.Chr. — Romeinse belastinginners worden gedood

In 28 n.Chr. breekt het conflict open. Volgens Tacitus grijpen de Frisii de soldaten die met de inning van het tribuut zijn belast. Zij worden aan houten stellages opgehangen en gedood. Daarmee verandert een conflict over belasting in een gewapende opstand. Vertegenwoordigers van het Romeinse gezag worden rechtstreeks aangevallen. Olennius weet aan hetzelfde lot te ontsnappen. Hij vlucht naar een Romeinse versterking die Tacitus Flevum noemt. De Romeinse aanwezigheid in het noordelijke kustgebied wordt nu niet alleen betwist, maar militair bedreigd.

Olennius vlucht naar castellum Flevum

Tacitus schrijft dat Olennius zijn toevlucht zoekt in een versterking met de naam Flevum. Daar bevindt zich een aanzienlijke Romeinse bezetting van burgers en bondgenoten die de kust bewaakt. Velsen 1 is een belangrijke kandidaat voor deze plaats. De datering, ligging en archeologische aanwijzingen voor strijd maken het verband aannemelijk. Toch noemt Tacitus nergens de moderne naam Velsen. Ook ontbreekt een inscriptie die de identificatie rechtstreeks bewijst. Daarom blijft de juiste formulering dat Velsen 1 waarschijnlijk, maar niet met absolute zekerheid, het Flevum uit Tacitus is.

De Frisii belegeren de Romeinse versterking

Volgens Tacitus trekken de opstandige Frisii tegen Flevum op en belegeren zij de versterking. Romeinse soldaten verdedigen de plaats. Voor Velsen is dit het moment waarop geschreven geschiedenis en archeologie mogelijk dicht bij elkaar komen. Tacitus beschrijft een aanval op een noordelijk castellum in 28 n.Chr. In Velsen 1 zijn honderden militaire projectielen gevonden die met gevechten in verband worden gebracht. Toch moet iedere vondst afzonderlijk worden beoordeeld. Een wapen in een militair fort is niet automatisch tijdens de belegering gebruikt.

Grachten en palissaden beschermen de verdedigers

De aanvallers treffen geen open nederzetting. Velsen 1 is door jaren van bouw en verbouwing uitgegroeid tot een versterkte militaire basis. Grachten, wallen en houten palissaden bemoeilijken een directe aanval. Wie het fort wil bereiken, moet eerst de verdedigingszone oversteken. Vanaf de binnenzijde kunnen Romeinse militairen projectielwapens gebruiken. De haven biedt bovendien mogelijkheden voor aanvoer over water. De verdedigingswerken die eerder vooral bescherming en controle boden, krijgen nu een directe militaire functie.

Meer dan 520 loden slingerkogels blijven achter

Een van de belangrijkste vondstgroepen uit Velsen 1 bestaat uit meer dan 520 loden slingerkogels. Archeoloog Arjen Bosman bespreekt deze vondsten uitvoerig in zijn boek Rome aan de Noordzee uit 2016. De projectielen zijn bijzonder omdat hun verspreiding rond de versterking informatie kan geven over het verloop van een aanval. Een slinger kan een compact loden projectiel met grote snelheid afvuren. De vondsten passen bij een krachtige verdediging van het fort. Het verband met de Friese Opstand van 28 n.Chr. is aannemelijk, maar blijft een archeologische interpretatie.

De zwaarste slingerkogels wegen ongeveer vijftig gram

Een deel van de loden slingerkogels uit Velsen weegt ongeveer vijftig gram. Sommige exemplaren zijn met hamers bewerkt om een puntiger vorm te krijgen. Zulke projectielen kunnen ernstige verwondingen veroorzaken. Hun vorm wijst erop dat aandacht is besteed aan de werking van de munitie. Het gaat niet uitsluitend om willekeurige stukken lood. De kogels zijn vervaardigd en bewerkt voor militair gebruik. De vondsten tonen daarmee een onderdeel van de bewapening dat in geschreven beschrijvingen van veldslagen vaak minder aandacht krijgt dan zwaarden en speren.

Andere slingerkogels zijn eenvoudiger afgewerkt

Naast de zwaar bewerkte exemplaren zijn slingerkogels gevonden die minder zorgvuldig zijn afgewerkt. Hun vorm lijkt op die van de eerste groep, maar de afwerking is eenvoudiger. Onderzoekers hebben voorgesteld dat sommige projectielen mogelijk onder tijdsdruk zijn vervaardigd of aangepast. Dat is een interpretatie, geen rechtstreeks vastgestelde gebeurtenis. Toch is het verschil tussen de typen belangrijk. Het kan wijzen op verschillende productiemethoden of omstandigheden waarin munitie werd voorbereid. De vondsten maken zichtbaar hoe soldaten hun afstandswapens van projectielen voorzien.

De lichtste projectielen wegen ongeveer vijftien gram

Een derde groep bestaat uit veel lichtere loden projectielen van ongeveer vijftien gram. Sommige zijn op eenvoudige wijze gegoten, mogelijk door een opening in de grond te maken en daar gesmolten lood in te gieten. Deze methode kan snel een bruikbaar projectiel opleveren zonder uitgebreide afwerking. Ook een licht projectiel kan gevaarlijk zijn wanneer het met grote snelheid wordt afgeschoten. Onderzoekers verbinden de eenvoudige vervaardiging mogelijk met een dringende behoefte aan extra munitie. De vondstgroep kan daardoor informatie geven over de omstandigheden waarin de verdedigers hun wapens gebruikten.

De verspreiding van slingerkogels helpt het gevecht reconstrueren

Wanneer de verschillende typen slingerkogels op een plattegrond worden ingetekend, ontstaat een patroon. De ligging van projectielen ten opzichte van grachten, palissaden en andere verdedigingswerken kan aanwijzingen geven voor de plaatsen waar werd geschoten. Arjen Bosman heeft op basis van deze verspreiding een reconstructie van het gevecht voorgesteld. Daarmee behoort Velsen tot de vindplaatsen waar archeologen niet alleen mogelijke strijdsporen vinden, maar ook iets kunnen zeggen over het verloop ervan. De reconstructie blijft afhankelijk van de bewaarde vondsten en hun geregistreerde ligging.

De slingerkogels wijzen op een krachtige verdediging

De grote hoeveelheid projectielen past bij een situatie waarin Romeinse soldaten herhaaldelijk op naderende tegenstanders schieten. De kogels kunnen vanaf de verdedigingswerken zijn afgevuurd. Dat betekent niet dat iedere kogel tijdens één enkele aanval is gebruikt. Ook is niet bekend hoeveel aanvallers door de projectielen werden getroffen. De archeologische betekenis ligt vooral in de combinatie van aantal, vorm en verspreiding. Meer dan vijfhonderd loden projectielen vormen een sterke aanwijzing dat rond Velsen 1 militair geweld heeft plaatsgevonden.

Niet ieder wapen uit Velsen hoort bij de opstand

In Velsen zijn ook andere militaire voorwerpen aangetroffen, waaronder onderdelen van zwaarden, speren en pijlen. Zij tonen welke uitrusting de soldaten gebruikten. Toch mogen zij niet automatisch aan de opstand van 28 n.Chr. worden toegeschreven. Een speerpunt uit een waterput kan bijvoorbeeld eerder zijn verloren of weggegooid. Hetzelfde geldt voor een pijlpunt zonder duidelijke gevechtscontext. Juist daarom zijn de slingerkogels zo belangrijk. Hun grote aantal en verspreiding geven meer informatie over mogelijke strijd dan een afzonderlijk militair voorwerp zonder duidelijke context.

Lucius Apronius hoort van de opstand

Wanneer het nieuws van de opstand de Romeinse autoriteiten bereikt, moet Lucius Apronius reageren. Hij is de Romeinse bestuurder van het Neder-Germaanse militaire gebied. Tacitus noemt hem bij naam. Apronius beschikt over de mogelijkheid om legioensoldaten en hulptroepen bijeen te brengen. Daarmee verandert een plaatselijk conflict over belasting in een zaak voor het Romeinse militaire gezag. Een aanval op belastinginners en een castellum vormt immers een rechtstreekse uitdaging. Apronius besluit een grotere strijdmacht tegen de Frisii in te zetten.

Apronius haalt versterkingen uit Germania Superior

Tacitus schrijft dat Apronius detachementen van legioenen uit Germania Superior laat komen. Daarnaast verzamelt hij geselecteerde eenheden van de hulptroepen, zowel infanterie als cavalerie. De versterkingen worden over de Rijn naar het gebied van de Frisii gebracht. Daarmee wordt zichtbaar hoe Rome zijn militaire netwerk gebruikt. Een plaatselijke crisis kan leiden tot het verplaatsen van troepen uit andere gebieden. De operatie vraagt schepen, voedsel, paarden en uitrusting. De rivier die voor bevoorrading wordt gebruikt, wordt opnieuw een route voor een militaire campagne.

De belegering van Flevum is al opgeheven

Tacitus vermeldt een belangrijk detail: wanneer Apronius verder tegen de Frisii optrekt, is de belegering van Flevum al opgeheven. De opstandelingen zijn teruggekeerd om hun eigen bezittingen te verdedigen. Dat betekent dat de Romeinse tegenaanval niet eenvoudig kan worden beschreven als één rechtstreekse bestorming om het fort te ontzetten. De gebeurtenissen verlopen in verschillende fasen. Eerst is er de belastingcrisis en de aanval op Flevum. Daarna volgt een Romeinse veldtocht in het gebied van de Frisii.

Romeinse soldaten bouwen wegen en bruggen door het natte gebied

Apronius stuit op het moeilijke landschap van het noordelijke kustgebied. Waterlopen en natte grond bemoeilijken de verplaatsing van zware troepen. Daarom laat hij volgens Tacitus dammen, wegen en bruggen aanleggen. Daarmee probeert hij zijn manschappen veilig door het terrein te brengen. Romeinse soldaten zijn niet alleen strijders, maar ook bouwers. Zij kunnen wegen aanleggen en hindernissen overbruggen wanneer dat voor een militaire operatie noodzakelijk is. De campagne tegen de Frisii wordt daardoor ook een strijd tegen het landschap.

De ruiters van de Cananefaten worden ingezet

Tacitus noemt een specifieke eenheid: de cavalerie van de Cananefaten. Deze bevolkingsgroep woont in het westelijke kustgebied ten zuiden van de Rijn en levert ruiters aan het Romeinse leger. Apronius laat hen samen met Germaanse infanteristen in Romeinse dienst een omtrekkende beweging uitvoeren. Zij moeten de tegenstander van achteren aanvallen. Daarmee verschijnen de Cananefaten rechtstreeks in het verhaal van de Friese Opstand. Niet alle bevolkingsgroepen uit het kustgebied staan tegenover Rome. Sommige leveren juist militairen die aan Romeinse zijde vechten.

Germaanse infanteristen vechten aan Romeinse zijde

Naast de Cananefatische ruiters noemt Tacitus Germaanse infanteristen in Romeinse dienst. Hun aanwezigheid maakt de politieke situatie ingewikkelder dan een eenvoudige tegenstelling tussen Romeinen en Germanen. Soldaten uit Germaanse bevolkingsgroepen kunnen deel uitmaken van het Romeinse leger en tegen andere Germaanse groepen vechten. De militaire grens loopt daardoor niet altijd langs de grenzen van bevolkingsgroepen. Rome gebruikt bondgenoten en hulptroepen uit verschillende gebieden. Voor de Frisii betekent dit dat zij tijdens de tegenaanval niet alleen tegenover legionairs staan, maar ook tegenover mannen uit andere noordelijke gemeenschappen.

De eerste Romeinse aanval loopt vast

De Frisii staan volgens Tacitus in slagorde wanneer de Romeinse eenheden hen aanvallen. De Cananefatische cavalerie en Germaanse infanterie krijgen zware tegenstand. Ook Romeinse ruiters die te hulp worden gestuurd, worden teruggedreven. Daarmee begint de veldslag voor Apronius slecht. De opstandelingen blijken in staat georganiseerde Romeinse eenheden te weerstaan. Tacitus beschrijft geen tegenstander die onmiddellijk uiteenvalt zodra de legioenen verschijnen. De Frisii kunnen hun positie verdedigen en de Romeinse aanval ontregelen.

Apronius stuurt drie lichte cohorten naar voren

Wanneer de eerste eenheden in moeilijkheden komen, stuurt Apronius volgens Tacitus drie lichte cohorten naar voren. Een cohort is een militaire eenheid die uit meerdere honderden manschappen kan bestaan, afhankelijk van type en organisatie. De precieze sterkte van deze drie cohorten vermeldt Tacitus niet. Hun inzet moet de bedreigde Romeinse troepen ondersteunen. Maar de tegenstand blijft groot. De versterkingen bereiken het gevecht niet als één gezamenlijk leger. Zij worden achtereenvolgens ingezet, waardoor de aanvallers telkens afzonderlijke groepen kunnen treffen.

Daarna volgen nog twee cohorten

Na de eerste drie cohorten stuurt Apronius nog twee cohorten naar voren. Daarmee probeert hij de druk op de bedreigde eenheden te verminderen. Tacitus benadrukt echter dat de troepen niet gelijktijdig worden ingezet. Dat blijkt een ernstig probleem. In plaats van gezamenlijk een sterke aanval te vormen, bereiken de versterkingen het slagveld in afzonderlijke groepen. De wanorde van terugtrekkende soldaten kan daardoor ook nieuwe eenheden meeslepen. De Romeinse bevelvoering slaagt er niet in haar kracht onmiddellijk effectief te gebruiken.

De cavalerie raakt meegesleurd in de wanorde

Later worden volgens Tacitus ook de overige ruiters ingezet. Maar de situatie is inmiddels verslechterd. Terugtrekkende eenheden veroorzaken verwarring en de nieuwe versterkingen kunnen de orde niet herstellen. Tacitus schrijft dat de Romeinse troepen sterk genoeg zouden zijn geweest wanneer zij gezamenlijk hadden aangevallen. Omdat zij afzonderlijk verschijnen, raken ook nieuwe eenheden in moeilijkheden. Daarmee geeft hij een militaire verklaring voor het verloop van het gevecht. De nederlaag ontstaat volgens hem niet uitsluitend door de kracht van de Frisii, maar ook door de manier waarop Apronius zijn troepen inzet.

Cethegus Labeo krijgt de resterende hulptroepen

Wanneer de situatie kritiek wordt, geeft Apronius de resterende hulptroepen aan Cethegus Labeo. Tacitus noemt hem een legaat van het Vijfde Legioen. Labeo moet proberen de bedreigde Romeinse eenheden te ondersteunen. Ook hij komt echter in moeilijkheden. De toestand wordt zo gevaarlijk dat hij boodschappers stuurt om hulp van de legioenen te vragen. Daarmee bereikt de Romeinse tegenaanval een kritiek moment. De hulptroepen en cavalerie kunnen de situatie niet zelfstandig herstellen.

Het Vijfde Legioen grijpt in

De soldaten van het Vijfde Legioen, Legio V, komen volgens Tacitus als eersten naar voren. Zij vallen de Frisii aan en weten de tegenstander in een hevig gevecht terug te drijven. Daardoor kunnen de gewonde en uitgeputte hulptroepen en ruiters worden teruggehaald. Het optreden van het Vijfde Legioen voorkomt dat de Romeinse situatie verder verslechtert. Toch is dit geen volledige overwinning waarmee de opstand onmiddellijk wordt beëindigd. Tacitus beschrijft vooral hoe een bedreigde Romeinse strijdmacht wordt gered.

Romeinse officieren sneuvelen tijdens de gevechten

Tacitus schrijft dat bij de gevechten verschillende hoge Romeinse officieren omkomen. Hij noemt tribunen, prefecten en vooraanstaande centurio's. Hun individuele namen zijn niet overgeleverd. Het verlies van zulke officieren is belangrijk omdat zij een rol spelen in de bevelvoering en organisatie van het leger. Wanneer meerdere ervaren bevelhebbers sneuvelen, kan dat de werking van een militaire eenheid ernstig verstoren. Tacitus gebruikt hun dood om de ernst van de Romeinse verliezen duidelijk te maken.

Apronius laat zijn doden onbegraven achter

Na het gevecht onderneemt Apronius volgens Tacitus geen nieuwe wraakactie. Hij laat zelfs de gesneuvelde Romeinse militairen onbegraven. Voor Romeinse soldaten is dat een bijzonder ernstig gegeven. De verzorging en begrafenis van gesneuvelden maken normaal gesproken deel uit van militaire en religieuze verplichtingen. Tacitus presenteert het achterlaten van de doden als een teken van de ernst van de nederlaag. Het betekent dat Apronius kennelijk niet in staat of niet bereid is het terrein opnieuw veilig te stellen om zijn mannen te begraven.

Het Baduhenna-woud wordt een plaats van zware verliezen

Tacitus noemt vervolgens een bos dat hij Baduhenna noemt. Daar vindt volgens zijn verslag een zwaar gevecht plaats. De exacte ligging van het Baduhenna-woud is onbekend. Pogingen om het bos zonder aanvullend bewijs op één moderne locatie vast te leggen gaan verder dan de bron toelaat. De naam is niettemin uitzonderlijk belangrijk omdat het een van de weinige plaatsnamen is die rechtstreeks met de Friese Opstand van 28 n.Chr. verbonden wordt.

Volgens Tacitus sneuvelen 900 Romeinen bij Baduhenna

In het Baduhenna-woud worden volgens Tacitus 900 Romeinen gedood. Hij schrijft dat de strijd tot de volgende dag voortduurt. Het aantal kan niet onafhankelijk worden gecontroleerd. Antieke geschiedschrijvers kunnen aantallen op literaire wijze gebruiken. Daarom moet steeds duidelijk blijven dat dit het getal van Tacitus is. Toch laat zijn verslag weinig twijfel over de ernst van de nederlaag. De Romeinse strijdmacht lijdt zware verliezen. De Frisii blijken in staat Romeinse troepen langdurig weerstand te bieden.

Nog 400 Romeinen sterven bij Cruptorix

Tacitus beschrijft een tweede dramatische gebeurtenis. Een groep van 400 Romeinse militairen zoekt onderdak in het huis of landgoed van Cruptorix. Volgens Tacitus raken de mannen ervan overtuigd dat zij verraden zullen worden. Uiteindelijk doden zij elkaar. Ook dit getal en de gang van zaken zijn uitsluitend uit zijn verslag bekend. De episode laat zien hoe ernstig de angst en verwarring onder Romeinse troepen volgens de schrijver zijn geworden. Het verhaal vormt een van de opvallendste passages uit zijn beschrijving van de Friese Opstand.

Cruptorix heeft eerder voor Rome gevochten

Tacitus vermeldt dat Cruptorix vroeger in Romeinse dienst is geweest. Dat is een belangrijk detail. Cruptorix is niet eenvoudig als vijand van Rome te beschrijven. Zijn verleden toont dat sommige mensen uit de noordelijke gebieden nauwe banden met het Romeinse leger hebben. Hij kan militaire ervaring en contacten hebben opgedaan. Welke positie hij tijdens de opstand precies inneemt, is onbekend. De aanwezigheid van Romeinse militairen in zijn huis maakt duidelijk dat de politieke verhoudingen ingewikkelder zijn dan een eenvoudige tegenstelling tussen alle Frisii en alle Romeinen.

De Frisii vormen geen volledig eensgezind geheel

Tacitus spreekt over de Frisii als groep, maar dat betekent niet dat iedere nederzetting, familie of volwassen man aan de opstand deelneemt. Sommige gemeenschappen kunnen actief hebben gevochten, andere steun hebben geleverd en weer andere kunnen geprobeerd hebben buiten het conflict te blijven. Ook economische belangen kunnen verschillen. Een huishouden dat zwaar door de belasting wordt getroffen kan andere redenen hebben om in opstand te komen dan iemand die voordeel haalt uit contacten met Rome. De bronnen zijn niet nauwkeurig genoeg om deze verschillen per nederzetting te reconstrueren.

Vrouwen en kinderen worden rechtstreeks door de crisis getroffen

Tacitus noemt vrouwen en kinderen bij de oorzaak van de opstand. Volgens hem worden zij uiteindelijk getroffen wanneer gezinnen niet meer aan de huidenbelasting kunnen voldoen. Daarmee verschijnen zij op een zeldzaam moment rechtstreeks in het geschreven verhaal. Tijdens de daaropvolgende gevechten verdwijnen zij weer uit beeld. Toch blijven zij onderdeel van de getroffen huishoudens. Wanneer mannen vechten, dieren worden meegenomen of nederzettingen gevaar lopen, raakt dat het hele gezin. Hoe vrouwen en kinderen de gebeurtenissen precies meemaken weten we niet.

De Friese verliezen blijven onbekend

Tacitus noemt aantallen Romeinse slachtoffers, maar geeft geen vergelijkbaar totaal voor de Frisii. Daardoor ontstaat een eenzijdig beeld van het geweld. De opstandelingen zullen eveneens verliezen hebben geleden, maar hoeveel weten we niet. Misschien raakten ook lokale nederzettingen beschadigd of werden voorraden vernietigd. Zonder archeologische of geschreven gegevens mogen zulke gevolgen niet voor afzonderlijke plaatsen worden ingevuld. Het ontbreken van een getal is betekenisvol. Romeinse geschiedschrijving registreert vooral het verlies dat voor Rome politiek en militair van belang is.

Tiberius probeert de nederlaag te verbergen

Tacitus schrijft dat keizer Tiberius de Romeinse verliezen niet openlijk onder de aandacht brengt. Hij wil volgens de geschiedschrijver voorkomen dat opnieuw een grote oorlog tegen de Frisii moet worden gevoerd. De gebeurtenissen passen niet bij het beeld van onaantastbare Romeinse macht. Het Romeinse rijk als geheel wordt niet ernstig bedreigd, maar aan de noordelijke rand van zijn invloedssfeer is duidelijk geworden dat het afdwingen van belasting veel militaire middelen kan kosten.

De naam van de Frisii wordt beroemd

Volgens Tacitus wordt de naam van de Frisii door hun verzet beroemd onder de Germanen. Dat is een opmerkelijke erkenning uit een Romeinse bron. Een bevolking die eerder vooral voorkomt als leverancier van runderhuiden heeft Romeinse troepen zware verliezen toegebracht. We weten niet hoe naburige gemeenschappen zelf over de gebeurtenissen spraken. Toch suggereert Tacitus dat de nederlaag van Rome niet onopgemerkt bleef. Een conflict dat begon met de maat van een runderhuid krijgt daardoor een veel grotere politieke betekenis.

De archeologie van Velsen vertelt een tweede verhaal

De archeologie van Velsen 1 vertelt geen verhaal in geschreven zinnen. Zij bewaart grachten, hout, wapens, projectielen, aardewerk en beschadigde constructies. Daardoor vormt zij een belangrijke aanvulling op Tacitus. De schrijver vertelt waarom de Frisii volgens hem in opstand kwamen en welke Romeinse bevelhebbers reageerden. De bodem kan laten zien wat er op één concrete militaire vindplaats gebeurde. Wanneer beide bronnen elkaar raken, wordt het verhaal sterker. Maar zij mogen niet zonder bewijs samenvallen. Tacitus noemt Flevum; archeologen onderzoeken Velsen 1.

De aanval op Velsen is waarschijnlijk, maar niet volledig bewezen

De combinatie van de datering van Velsen 1, de ligging aan het water en de grote hoeveelheid slingerkogels maakt een verband met de Friese Opstand van 28 n.Chr. aannemelijk. Toch ontbreekt een inscriptie die Velsen rechtstreeks als Flevum identificeert. Ook kunnen archeologische vondsten niet altijd tot één kalenderjaar worden teruggebracht. Daarom is het beter te spreken van een waarschijnlijke identificatie en een aannemelijke reconstructie van de strijd. De archeologie maakt de aanval tastbaar, maar neemt niet iedere onzekerheid weg.

Rond 28 n.Chr. — De eerste Romeinse bezetting van Velsen eindigt

De bezetting van Velsen 1 wordt doorgaans rond 28 n.Chr. beëindigd. De opstand biedt daarvoor een aannemelijke historische verklaring. Toch is het mogelijk dat de overgang ingewikkelder verliep dan één onmiddellijke ontruiming. Archeologische dateringen en de latere Romeinse aanwezigheid in het gebied moeten daarbij worden meegewogen. Het einde van Velsen 1 betekent in ieder geval een grote verandering. Een haven die jarenlang voor Romeinse militaire operaties en contacten met de omgeving is gebruikt, verliest haar oorspronkelijke functie.

Na 28 n.Chr. — De Romeinen verdwijnen niet voorgoed uit het Oer-IJ-gebied

Na 28 n.Chr. wordt de geschiedenis van Velsen minder duidelijk. De geschreven bronnen geven geen doorlopend verslag van de jaren onmiddellijk na de opstand. Toch eindigt de Romeinse belangstelling voor het gebied niet. Later ontstaat bij Velsen een tweede militaire basis, Velsen 2. De verhouding tussen de twee forten en de precieze ontwikkeling in de tussenliggende jaren vormen belangrijke onderzoeksvragen. De gebeurtenissen van 28 n.Chr. sluiten daarmee de eerste grote fase van het Romeinse Velsen af, maar niet de volledige Romeinse geschiedenis van het Oer-IJ.

Deel 5 — Na de Friese Opstand: het einde van Velsen 1 (28–39 n.Chr.)

28 n.Chr. — Een belasting op runderhuiden ontketent de Friese Opstand

In 28 n.Chr. komen de Frisii in opstand tegen het Romeinse gezag. Volgens de geschiedschrijver Tacitus is de directe aanleiding een belasting in runderhuiden. De Romeinse bestuurder Olennius eist huiden van een omvang die de plaatselijke runderen nauwelijks kunnen leveren. Gezinnen raken daardoor in moeilijkheden. Wanneer de Romeinen steeds harder optreden, groeit het verzet. De opstand gaat niet alleen over een belasting, maar ook over de verhouding tussen de plaatselijke bevolking en een vreemde militaire macht. Voor de Romeinen vormt het gebied rond het Oer-IJ een belangrijke toegang tot de noordelijke kust. De gebeurtenissen brengen hun positie in gevaar.

28 n.Chr. — Olennius vlucht naar het fort Flevum

Wanneer het verzet uitbreekt, vlucht Olennius naar een Romeinse versterking die Tacitus Flevum noemt. De Frisii belegeren het fort, waarna de Romeinen proberen de situatie te herstellen. Veel onderzoekers beschouwen Velsen 1 als een mogelijke locatie van Flevum. De ligging aan het Oer-IJ en de militaire vondsten passen bij die verklaring. Toch is de identificatie niet bewezen. Er is geen inscriptie gevonden waarin de basis bij Velsen Flevum wordt genoemd. Tacitus beschrijft de belegering, maar vertelt niet hoe de gebeurtenissen zich binnen het fort afspeelden. De archeologische vondsten bieden aanvullende aanwijzingen, zonder iedere gebeurtenis afzonderlijk te kunnen verklaren.

28 n.Chr. — Lucius Apronius probeert de opstand neer te slaan

De Romeinse bevelhebber Lucius Apronius trekt met troepen tegen de Frisii op. Volgens Tacitus worden verschillende eenheden ingezet, waaronder legionairs en hulptroepen. De Romeinen ondervinden zware tegenstand. Bij de gevechten verliezen zij veel manschappen. Het verslag laat zien dat de Frisii in staat zijn georganiseerd weerstand te bieden. De Romeinse overwinning die Apronius probeert te bereiken, blijft uit. Voor het leger is dit een ernstige tegenslag. De opstand toont dat de aanwezigheid van forten en soldaten niet automatisch betekent dat het achterland volledig wordt beheerst. De plaatselijke bevolking kent het terrein en kan de Romeinse operaties bemoeilijken.

28 n.Chr. — Tiberius ziet af van een nieuwe grote veldtocht

Keizer Tiberius besluit volgens Tacitus geen nieuwe grote militaire onderneming tegen de Frisii te beginnen. Het Romeinse leger heeft verliezen geleden en een langdurige strijd in het noordelijke kustgebied zou veel middelen vergen. Daarmee verandert de positie van Velsen 1. De basis was aangelegd voor militaire operaties langs het Oer-IJ en de Noordzee. Nu ontbreekt de politieke steun voor verdere uitbreiding. De beslissing betekent niet noodzakelijk dat alle Romeinse soldaten onmiddellijk vertrekken. Wel wordt duidelijk dat het leger zijn aanwezigheid opnieuw moet beoordelen. Voor de plaatselijke bewoners is de uitkomst eveneens onzeker: Tacitus vertelt niet welke verplichtingen na de opstand bleven bestaan.

28 n.Chr. — Honderden slingerkogels bewaren de sporen van strijd

Bij Velsen 1 zijn honderden loden slingerkogels gevonden. Deze kleine projectielen werden met een slinger weggeschoten en konden op afstand ernstige verwondingen veroorzaken. Hun verspreiding over het terrein helpt archeologen onderzoeken waar militaire activiteiten plaatsvonden. De vondsten passen bij de gewelddadige gebeurtenissen rond de Friese Opstand van 28 n.Chr. Toch vertelt iedere slingerkogel afzonderlijk niet wie hem afschoot of wie werd geraakt. Sommige projectielen kunnen bovendien tijdens oefeningen zijn gebruikt. Juist de combinatie van grote aantallen, verspreiding en historische context maakt het materiaal belangrijk. De strijd is daardoor niet alleen bekend uit Tacitus, maar heeft ook tastbare sporen achtergelaten.

28–30 n.Chr. — De laatste bouwfase van Velsen 1

De Romeinse basis bij Velsen was geen onveranderlijk fort. Tijdens haar bestaan werden wallen, torens, aanlegplaatsen en andere voorzieningen herhaaldelijk aangepast. Archeologen onderscheiden verschillende bouwfasen, waaronder een late fase die als 2b wordt aangeduid. Sommige houten constructies kunnen nog uit de laatste jaren van de bezetting stammen. Daardoor is het einde ingewikkelder dan een verhaal waarin het hele fort in 28 n.Chr. plotseling wordt vernietigd. Nieuwe werkzaamheden kunnen wijzen op herstel, voortgezet gebruik of voorbereiding op vertrek. De exacte volgorde is niet overal duidelijk. De archeologische gegevens moeten daarom afzonderlijk worden beoordeeld.

De 28 waterputten vertellen over het leven in Velsen 1

Bij Velsen 1 zijn 28 waterputten onderscheiden. Ze waren noodzakelijk voor de watervoorziening van de soldaten en andere aanwezigen. Sommige schachten waren verstevigd met houten tonnen. Wanneer een put buiten gebruik raakte, kon deze worden gevuld met afval, stenen, hout of andere materialen. De opvullingen bevatten daardoor belangrijke informatie over het dagelijks leven en het einde van de basis. Onderzoekers als Jaap Morel en Arjen Bosman hebben de vondsten bestudeerd. Vooral de putten met menselijke resten zijn opmerkelijk. Zij laten zien dat het laatste gebruik van de basis niet uitsluitend uit gewone opruimwerkzaamheden bestond.

In 1977 wordt een Romeinse man in waterput II gevonden

In 1977 ontdekken leden van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland een vrijwel volledig menselijk skelet in waterput II. De man is ongeveer 1,90 meter lang en ligt met gebogen knieën in de schacht. Bij hem worden een Romeinse dolk, gordelbeslagen, mantelspelden, een ring en resten van schoenen gevonden. De put was verstevigd met grote houten tonnen. Van een bewaard exemplaar worden een diameter van ongeveer 96 centimeter en een hoogte van 1,98 meter vermeld. De vondst is uitzonderlijk omdat de persoonlijke uitrusting samen met het lichaam bewaard bleef. De identiteit van de man is onbekend.

De man uit de waterput was waarschijnlijk ongeveer twintig jaar oud

Later onderzoek heeft de man uit waterput II een persoonlijker gezicht gegeven. Volgens Huis van Hilde was hij ongeveer twintig jaar oud. Isotopenonderzoek maakt een herkomst uit het mediterrane gebied aannemelijk, mogelijk Italië, de Balkan of West-Turkije. Onderzoek aan zijn skelet wees bovendien op verwondingen door steken met een scherp voorwerp. Daarmee wordt duidelijk dat de man waarschijnlijk een gewelddadige dood stierf. Toch is niet bewezen dat hij tijdens de belegering van Flevum werd gedood. De datering en historische omstandigheden maken een verband met de gebeurtenissen rond 28 n.Chr. mogelijk, maar zijn persoonlijke levensgeschiedenis blijft grotendeels onbekend.

De pugio uit waterput II is rijk versierd

Bij het skelet lag een Romeinse pugio, een militaire dolk. Het bewaarde lemmet meet ongeveer 23,05 centimeter in lengte en maximaal 6,3 centimeter in breedte. De schede bevat zilveren versieringen en gekleurde inleg. Onderzoekers herkennen onder meer rozetten, bladmotieven en een tempelachtige voorstelling. Het voorwerp moet waarde hebben gehad voor zijn eigenaar. Dat het bij het lichaam achterbleef, is daarom bijzonder. De dolk maakt aannemelijk dat de man nauw verbonden was met het Romeinse leger. Zijn precieze rang of functie is niet bekend. Ook kan de vondst niet zelfstandig bewijzen hoe hij om het leven kwam.

Gordel, schoenen en mantelspelden bewaren zijn uitrusting

Bij de man werden acht gordelbeslagen aangetroffen. Ook kwamen resten van gespijkerde schoenen tevoorschijn, waaronder 21 spijkers van één schoen. Mantelspelden tonen hoe kleding werd vastgemaakt. De stoffen zelf zijn grotendeels verdwenen, maar de metalen onderdelen laten zien dat de man gekleed en uitgerust in de put terechtkwam. Bij veel militaire vindplaatsen worden zulke voorwerpen afzonderlijk gevonden. Hier liggen zij samen met een menselijk skelet. Daardoor kunnen archeologen een deel van de uitrusting van één persoon reconstrueren. Zijn naam kennen we niet. Toch vormt deze vondst een van de meest persoonlijke verhalen uit de Romeinse geschiedenis van Velsen.

Een zegelring en een plaatselijke pot liggen bij het lichaam

Bij het skelet lag een ijzeren zegelring met een geelgroene glazen steen. Daarin is een gehelmde mannenkop afgebeeld, mogelijk Mars of Alexander. De identificatie is onzeker. Ook werd een handgevormde pot gevonden die aansluit bij plaatselijke aardewerktradities. Onderzoekers hebben geopperd dat deze bewust bij het lichaam is geplaatst. Dat zou op een bijzondere behandeling van de dode kunnen wijzen, maar een grafritueel is niet bewezen. De combinatie van Romeinse militaire uitrusting en plaatselijk aardewerk is opvallend. Zij laat zien dat voorwerpen uit verschillende culturele werelden binnen dezelfde archeologische context konden samenkomen.

De waterput wordt afgesloten met stenen en maalstenen

Boven het lichaam bevond zich een zware opvulling. Onderzoekers vermelden ongeveer twintig kilogram stenen en zestig kilogram gebroken maalstenen. Daarnaast kwamen houtskool, aardewerk en ander materiaal voor. De maalstenen waren oorspronkelijk gebruikt om graan te verwerken. Hun fragmenten werden later in de put gegooid. De schacht was daarna niet langer geschikt als waterbron. Het lijkt erop dat de opvulling bewust is aangebracht. Waarom dit gebeurde, weten we niet. Het kan verband houden met het buiten gebruik stellen van de put, opruimwerkzaamheden of bijzondere gebeurtenissen. De combinatie met een menselijk lichaam maakt de vondst uitzonderlijk.

Verbrande scherven wijzen op vuur in de laatste gebruiksfase

Veel aardewerk uit de opvulling van waterput II vertoont sporen van verhitting. In het onderzoek is voor het onderzochte materiaal een aandeel van ongeveer zeventig procent genoemd. Ook werden houtskool en andere door vuur aangetaste resten gevonden. Dat laat zien dat verbrand materiaal in de put terechtkwam. Het bewijst echter niet dat het hele fort tijdens één aanval in brand werd gestoken. Afval kon van verschillende plaatsen afkomstig zijn. Voor archeologen is daarom belangrijk welke scherven bij elkaar horen en waar zij oorspronkelijk lagen. De vondsten ondersteunen een bewogen laatste gebruiksfase, maar geven geen volledig verslag van de gebeurtenissen.

Een passende scherf verbindt de put met de westelijke aanlegsteiger

Een scherf uit waterput II bleek te passen aan een fragment dat bij het uiteinde van de westelijke aanlegsteiger was gevonden. Beide stukken hoorden oorspronkelijk bij dezelfde kruik. Dat is een bijzonder archeologisch verband. Het toont dat materiaal uit verschillende delen van de basis met elkaar samenhing. Mogelijk werd afval uit het havengebied naar de put gebracht. Een andere verplaatsing is eveneens denkbaar. De vondst vertelt niet wanneer de kruik brak, maar maakt duidelijk dat de haven en de waterput niet los van elkaar kunnen worden onderzocht. Het is een klein voorwerp dat een groter deel van het terrein met elkaar verbindt.

Heronderzoek levert nieuwe onderdelen van dezelfde vondst op

Arjen Bosman heeft het materiaal uit waterput II later opnieuw onderzocht. Daarbij werden aanvullende menselijke botten herkend, waaronder een staartbeen en een handwortelbeentje. Ook kwamen onderdelen van de dolk en de schede aan het licht. Deze voorwerpen waren al tijdens de oorspronkelijke opgraving geborgen, maar kregen pas later hun juiste plaats binnen het geheel. Het onderzoek laat zien dat oude collecties nieuwe informatie kunnen opleveren. Niet iedere ontdekking vereist een nieuwe opgraving. Soms zijn zorgvuldig bewaarde vondsten en documentatie voldoende om het beeld van een gebeurtenis te veranderen. De waterput blijft daardoor een belangrijk onderzoekscomplex.

Jaap Morel en Arjen Bosman reconstrueren de vondst

De waterput met het menselijke skelet werd een belangrijk onderwerp van archeologisch onderzoek. Jaap Morel en Arjen Bosman publiceerden gezamenlijk over de vondst in An Early Roman Burial in Velsen I. Daarbij onderzochten zij de ligging van het lichaam, de militaire uitrusting en de betekenis van de opvulling. Ook eerder onderzoek naar het skelet, onder meer door T.S. Constandse-Westermann, leverde belangrijke gegevens op. De verschillende studies tonen hoe één vondst vanuit meerdere vakgebieden kan worden bekeken. Menselijke botten vertellen iets anders dan wapens of aardewerk. Pas door die gegevens samen te brengen ontstaat een vollediger beeld van de man en zijn laatste omstandigheden.

Ook andere waterputten bevatten menselijke resten

Waterput II is niet de enige schacht van Velsen 1 waarin menselijke botten zijn aangetroffen. Ook uit andere putten zijn resten bekend. Sommige vondsten bestaan uit afzonderlijke fragmenten, andere uit grotere delen van een lichaam. Daardoor ontstaat het beeld van een bijzondere en mogelijk gewelddadige laatste fase. Toch kunnen de resten niet zonder meer aan de Friese Opstand van 28 n.Chr. worden toegeschreven. Putten raakten op verschillende momenten buiten gebruik. De datering van iedere opvulling moet afzonderlijk worden onderzocht. Alleen dan kan worden vastgesteld of de menselijke resten bij dezelfde gebeurtenissen horen of uit verschillende perioden stammen.

Een mogelijk badgebouw toont de dagelijkse verzorging

Bij Velsen 1 zijn voorwerpen gevonden die mogelijk verband houden met een badvoorziening. Daaronder bevinden zich een fragment van een houten badslipper, scherven van een flesje voor geparfumeerde olie en een strigilis, een schraapijzer waarmee olie en vuil van de huid konden worden verwijderd. Deze voorwerpen passen bij Romeinse gewoonten rond lichaamsverzorging. Het bestaan en de precieze inrichting van een badgebouw moeten echter op basis van de bouwsporen worden beoordeeld. De vondsten laten wel zien dat het dagelijkse soldatenleven meer omvatte dan wachtlopen en vechten. Persoonlijke verzorging en het onderhouden van kleding en uitrusting hoorden eveneens bij het bestaan in een legerkamp.

Rond 30 n.Chr. — Velsen 1 verliest zijn militaire functie

De combinatie van aardewerk, munten, houten constructies en afgesloten waterputten wijst op het einde van de oorspronkelijke militaire bezetting rond 28–30 n.Chr. Een exact vertrekbevel is niet bewaard gebleven. Soldaten kunnen bruikbare wapens, gereedschappen en voorraden hebben meegenomen. Andere voorwerpen bleven achter. Sommige gebouwen werden mogelijk afgebroken, terwijl houten palen en andere constructies nog enige tijd bleven staan. Het einde van Velsen 1 moet daarom waarschijnlijk als een proces worden gezien. Niet ieder onderdeel van de basis hoefde op dezelfde dag buiten gebruik te raken. De archeologie bewaart sporen van meerdere handelingen.

Na 30 n.Chr. — De Friese boeren blijven wonen

Het vertrek van een Romeins garnizoen betekent niet dat de plaatselijke bevolking eveneens verdwijnt. Buiten de versterking liggen boerderijen waar gezinnen hun dieren verzorgen en hun huizen onderhouden. Runderen blijven belangrijk voor voedsel, huiden en bezit. Ook de akkers en waterwegen blijven noodzakelijk voor het dagelijks bestaan. Tacitus vertelt nauwelijks hoe de Frisii in de jaren na de opstand leefden. Daarom zijn archeologische resten van huizen, erven en gebruiksvoorwerpen belangrijk. Zij laten zien dat de plaatselijke samenleving een eigen geschiedenis had. De Romeinse militaire aanwezigheid vormde daarin een ingrijpende, maar tijdelijke gebeurtenis.

De huidenbelasting verdwijnt uit de geschreven bronnen

Volgens Tacitus veroorzaakte de belastingheffing van Olennius de Friese Opstand. De gevraagde huiden waren groter dan de plaatselijke runderen doorgaans konden leveren. Daardoor kwamen gezinnen onder druk te staan. Na de Romeinse verliezen vertelt Tacitus niet of de belasting werd afgeschaft, verminderd of later opnieuw ingevoerd. Het is daarom niet mogelijk om de precieze economische gevolgen van de opstand vast te stellen. Wel maakt het verhaal duidelijk dat Romeinse militaire macht direct invloed kon hebben op het bezit van boerengezinnen. Het conflict draaide niet uitsluitend om legers en forten, maar ook om dieren, goederen en bestaanszekerheid.

De jaren dertig — Handel kan doorgaan zonder legerkamp

Het verdwijnen van een groot Romeins garnizoen hoeft niet te betekenen dat alle contacten met het Rijngebied ophouden. Kleine vaartuigen kunnen de waterwegen blijven gebruiken. Aardewerk, metalen voorwerpen en munten kunnen via handel of persoonlijke contacten bij de Frisii terechtkomen. Ook producten uit het kustgebied kunnen elders worden gebruikt. Zulke vondsten moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd. Een Romeinse munt op een boerenerf bewijst niet dat daar soldaten waren gelegerd. De plaatselijke samenleving beschikte over meerdere mogelijkheden om goederen en informatie uit te wisselen. Het militaire vertrek veranderde de verhoudingen, maar hoefde niet iedere verbinding te verbreken.

37 n.Chr. — Caligula wordt keizer

Op 16 maart 37 n.Chr. sterft Tiberius. Zijn opvolger is Gaius Caesar Germanicus, beter bekend als Caligula. Hij is de zoon van Germanicus, onder wiens noordelijke campagnes Velsen 1 was ontstaan. Daarmee bestaat een opvallende familieband tussen twee perioden van Romeinse belangstelling voor het kustgebied. Caligula richt zijn aandacht opnieuw op de noordwestelijke grens en de Noordzee. Er bestaat echter geen bewijs dat hij onmiddellijk opdracht gaf om de oude basis bij Velsen opnieuw te bezetten. Wel verandert onder zijn regering de militaire situatie. De Romeinen beginnen opnieuw plannen te ontwikkelen voor grootschalige activiteiten in het noordwesten.

Rond 39 n.Chr. — De oude basis wordt mogelijk kort hergebruikt

Voor de laatste jaren van de jaren dertig zijn aanwijzingen besproken die op hernieuwde activiteiten bij Velsen 1 kunnen wijzen. Daarbij is onder meer het mogelijke herstel van een waterput genoemd. Zo'n ingreep zou passen bij mensen die opnieuw gebruikmaakten van de oude voorzieningen. De precieze datering en betekenis blijven onzeker. Een gerepareerde waterput bewijst niet dat er opnieuw een groot garnizoen verbleef. Het kan ook om tijdelijk gebruik gaan. De aanwijzingen zijn belangrijk omdat zij een overgang mogelijk maken tussen het verlaten van Velsen 1 en de stichting van Velsen 2. Rome keert terug naar hetzelfde waterlandschap.

Deel 6 — De terugkeer van Rome: Velsen 2 (39–43 n.Chr.)

39 n.Chr. — Rome bouwt een nieuwe basis aan het Oer-IJ

Rond 39 n.Chr. beginnen Romeinse militairen een nieuwe versterking bij Velsen. De plaats ligt ongeveer zeshonderd meter van Velsen 1, in de omgeving van de huidige Velsertunnel. Het leger kiest opnieuw voor het Oer-IJ, maar gebruikt niet eenvoudig het oude fort. De soldaten moeten grachten graven, hout aanvoeren en het terrein inrichten. De nieuwe basis wordt Velsen 2 genoemd. Zij ontstaat tijdens de regering van Caligula. Een rechtstreeks bouwbevel van de keizer is niet bewaard gebleven. De datering berust op archeologische vondsten. Het leger keert daarmee terug naar een waterverbinding die het eerder voor militaire operaties had gebruikt.

39 n.Chr. — Ook Valkenburg krijgt een Romeinse versterking

Vrijwel gelijktijdig met Velsen 2 ontstaat bij Valkenburg in Zuid-Holland een Romeinse militaire basis. De overeenkomst in datering maakt het aannemelijk dat beide plaatsen onderdeel waren van een bredere militaire ontwikkeling. Mogelijk waren verwante bouwploegen betrokken bij de aanleg. Dat is niet rechtstreeks bewezen. De bases lagen aan verschillende waterverbindingen en hoefden niet dezelfde opdracht te hebben. Wel tonen zij dat Rome opnieuw investeerde in het kustgebied. De aanleg van zulke versterkingen vroeg om soldaten, bouwmateriaal, transport en voorraden. De gebeurtenissen passen bij een periode waarin Caligula de noordwestelijke militaire organisatie opnieuw aandacht gaf.

Velsen 2 kan ongeveer elf hectare groot zijn geweest

Velsen 2 werd aanvankelijk beschouwd als een betrekkelijk klein castellum. Heronderzoek door Arjen Bosman heeft een andere mogelijkheid naar voren gebracht. De verspreiding van verdedigingssporen en vondsten kan wijzen op een terrein van ongeveer elf hectare. Dat is groot genoeg voor een omvangrijke militaire eenheid. Toch betekent een groot oppervlak niet dat het kamp voortdurend volledig bezet was. Een deel kan zijn gebruikt voor opslag, werkzaamheden of tijdelijke troepen. Ook is de volledige omtrek niet overal opgegraven. De interpretatie als groot legerkamp maakt Velsen 2 belangrijk binnen de Romeinse militaire geschiedenis, maar het exacte aantal aanwezige soldaten blijft onbekend.

Houten wallen en grachten beschermen de nieuwe basis

Bij Velsen 2 zijn sporen gevonden van een hout-aardewal en verschillende grachten. De soldaten konden uitgegraven grond gebruiken om de wal op te werpen. Houten onderdelen verstevigden de constructie. Zulke verdedigingswerken maakten een rechtstreekse aanval moeilijker. De archeologische sporen tonen bovendien dat niet alle grachten gelijktijdig zijn aangelegd. Onderzoekers onderscheiden minstens drie bouwfasen. Sommige structuren werden vervangen of aangepast. Daardoor ontstaat het beeld van een basis die tijdens haar korte bestaan veranderde. Niet alle verdedigingswerken zijn volledig onderzocht. De oorspronkelijke inrichting blijft daarom gedeeltelijk onzeker, maar de militaire functie staat vast.

De bouw van Velsen 2 vraagt om een grote organisatie

Voor een omvangrijk legerkamp zijn veel materialen nodig. Bomen moeten worden gekapt, stammen vervoerd en onderdelen passend gemaakt. Tegelijkertijd graven soldaten grachten en verplaatsen zij grote hoeveelheden grond. Daarvoor zijn gereedschappen, voedsel en een duidelijke verdeling van werkzaamheden noodzakelijk. Het Oer-IJ biedt mogelijkheden om zware materialen per vaartuig aan te voeren. Welke bossen het hout leverden, is niet voor iedere constructie bekend. Ook kennen we geen complete lijst van de bouwploegen. De bewaarde houten resten laten wel zien dat de aanleg van een militaire basis niet alleen een zaak van soldaten was, maar ook van transport, planning en vakmanschap.

Het Oer-IJ vormt de toegang tot de Noordzee

De ligging van Velsen 2 is nauw verbonden met de waterwegen. Het Oer-IJ bood toegang tot het kustgebied en de Noordzee. Daardoor konden schepen goederen en mensen vervoeren zonder alle vrachten over land te verplaatsen. De vaargeul was echter geen rechte, overal even diepe waterweg. De bevaarbaarheid hing af van waterstand, stroming, bodemvorm en het gebruikte vaartuig. Een zwaar beladen schip had andere mogelijkheden dan een kleine roeiboot. Daarom waren geschikte aanlegplaatsen en ervaren schippers belangrijk. De Romeinen konden de waterweg benutten, maar moesten zich aanpassen aan de natuurlijke omstandigheden.

De haven van Velsen 2 is nog niet volledig teruggevonden

Bij Velsen 2 zijn Romeinse vondstlagen in de voormalige watergeul aangetroffen. Ook zijn houten resten bekend die mogelijk met activiteiten langs de oever samenhangen. Een volledig havenplan ontbreekt echter. Daardoor weten we niet hoeveel aanlegplaatsen er waren of waar schepen precies werden vastgemaakt. De haven van Velsen 1 is veel duidelijker archeologisch zichtbaar. Dat verschil hoeft niet te betekenen dat Velsen 2 geen belangrijke scheepvaartfunctie had. De onderzochte terreinen zijn niet gelijk. Een deel van de oorspronkelijke oever kan buiten de opgravingen liggen of later zijn verdwenen. De maritieme betekenis moet daarom uit verschillende soorten vondsten worden gereconstrueerd.

De Rijn vormt het grote transportnetwerk van het leger

Voor de Romeinen was de Rijn een belangrijke militaire verkeersader. Langs de rivier lagen versterkingen, aanlegplaatsen en nederzettingen waar goederen konden worden verzameld of verder vervoerd. Vanuit het achterland bereikten voedsel, bouwmaterialen en militaire voorwerpen de grensgebieden. Velsen lag niet rechtstreeks aan de hoofdloop van de Rijn, maar maakte deel uit van een kustlandschap met verbindingen richting het zuiden. De precieze route van iedere vracht naar Velsen is onbekend. Toch helpt het Rijnnetwerk verklaren hoe Rome omvangrijke bases kon onderhouden. Een fort was afhankelijk van veel meer plaatsen dan alleen de nederzettingen in zijn onmiddellijke omgeving.

Mainz en Velsen behoren tot dezelfde militaire wereld

Mogontiacum, het huidige Mainz, was een belangrijk Romeins militair centrum aan de Rijn. Verder stroomafwaarts lagen andere versterkingen en overslagplaatsen. Goederen en berichten konden langs deze reeks steunpunten worden vervoerd. Niet iedere vracht hoefde de volledige afstand tussen Mainz en Velsen af te leggen. Veel voorraden werden onderweg verzameld of verdeeld. De route naar het Oer-IJ vergde bovendien een overgang naar noordelijke waterwegen. Zo functioneerde het Romeinse transportnetwerk als een keten van plaatsen met verschillende taken. Velsen vormde daarvan een vooruitgeschoven noordelijke schakel, niet een rechtstreeks bewezen eindstation van iedere Rijnreis.

Een vracht kan onderweg verschillende keren worden overgeladen

Een groot transportschip kon geschikt zijn voor een brede rivier, maar minder goed voor een ondiepe geul. Daarom konden goederen onderweg worden overgeladen op kleinere vaartuigen. Ook konden vrachten tijdelijk worden opgeslagen wanneer de wind, waterstand of beschikbare schepen verder vervoer verhinderden. Voor Velsen kennen we geen volledige lijst van zulke overslagplaatsen. Toch maakt het landschap duidelijk waarom verschillende soorten vaartuigen nuttig waren. De Romeinen hoefden niet overal hetzelfde schip te gebruiken. Het transportnetwerk bestond juist uit de verbinding tussen grote rivieren, kleinere waterwegen, aanlegplaatsen en wegen over land.

Eb en vloed bepalen het vertrek van schepen

Bij de toegang tot het Oer-IJ hadden de getijden invloed op de waterstand en de stroming. Voor een schipper maakte het verschil of hij bij opkomend of afgaand water vertrok. Een gunstige stroming kon helpen, terwijl tegenstroom de reis vertraagde. Bij laagwater konden ondiepten gevaarlijk worden voor zwaar beladen vaartuigen. De omstandigheden van de eerste eeuw zijn niet gelijk aan die van het huidige Noordzeekanaal. De oorspronkelijke kustlijn en vaargeulen waren anders. Wel is duidelijk dat ervaren schippers rekening moesten houden met het ritme van het water wanneer zij een haven bereikten of verlieten.

Wind en stroming bepalen samen de vaarsnelheid

Een schip dat het Oer-IJ verliet, kreeg niet alleen met de getijden te maken. Ook de windrichting was belangrijk. Een gunstige wind kon een zeilschip sneller laten varen, terwijl tegenwind de reis vertraagde of een andere koers noodzakelijk maakte. Roeiers konden onafhankelijker van de wind manoeuvreren, maar hun arbeid was zwaar. In nauwe geulen konden stroming en beschikbare ruimte de mogelijkheden verder beperken. Daardoor bestond er geen vaste reistijd tussen Velsen en andere havens. De duur van een tocht hing af van schip, lading, route en omstandigheden. Het vertrek moest zorgvuldig worden gekozen.

Een militair bericht reist anders dan een voorraadschip

Een bevel hoefde niet dezelfde route en snelheid te hebben als een zware vracht. Een koerier met een klein vaartuig of een ruiter over geschikte wegen kon soms sneller reizen dan een schip vol graan. Een bericht moest bovendien worden ontvangen, begrepen en doorgegeven. Daardoor waren communicatie en bevoorrading twee verschillende onderdelen van dezelfde organisatie. Voor Velsen zijn geen bewaarde berichten met exacte verzend- en aankomstdatums bekend. Het is daarom niet verantwoord één vaste reistijd voor het hele Rijnnetwerk te noemen. Wel konden Romeinse bevelhebbers verschillende vervoermiddelen gebruiken om belangrijke opdrachten sneller te verspreiden.

Soldaten, timmerlieden en leveranciers houden het kamp draaiende

Een grote militaire basis had meer nodig dan gewapende soldaten. Er waren mensen nodig die voedsel bereidden, hout bewerkten, uitrusting herstelden en transport organiseerden. Sommige werkzaamheden konden door militairen zelf worden uitgevoerd. Voor andere taken waren gespecialiseerde ambachtslieden of leveranciers nodig. Ook moesten voorraden worden geteld en opdrachten worden doorgegeven. De houten gereedschappen, aardewerkvondsten en andere gebruiksvoorwerpen uit Velsen 2 maken deze praktische wereld zichtbaar. Zij bewijzen niet hoeveel burgers permanent in het kamp verbleven. Wel laten zij zien dat militaire macht afhankelijk was van veel dagelijkse arbeid buiten de gevechten.

Een houten tentharing laat het tijdelijke soldatenleven zien

Onder de houten vondsten uit Velsen 2 bevindt zich een tentharing. Het voorwerp kon worden gebruikt om tentdoek of touwen stevig vast te zetten. Tenten waren nuttig tijdens de aanleg van een kamp, bij tijdelijke troepenverplaatsingen of tijdens oefeningen. De vondst bewijst niet dat het hele garnizoen voortdurend in tenten woonde. Daarvoor kennen we de inrichting van het terrein onvoldoende. Toch vormt de haring een bijzonder spoor van het dagelijkse militaire bestaan. Grote wallen en grachten tonen de organisatie van het leger, maar een klein houten voorwerp laat zien hoe mensen beschutting maakten en hun uitrusting vastzetten.

Een schrijftafeltje toont het belang van administratie

Bij Velsen 2 is een houten schrijftafeltje aangetroffen. Zulke voorwerpen konden worden gebruikt voor korte berichten, aantekeningen of het registreren van voorraden. Het Romeinse leger moest weten hoeveel voedsel beschikbaar was, welke materialen werden gebruikt en welke opdrachten moesten worden uitgevoerd. Van dit exemplaar is geen volledig leesbare tekst bekend. Daardoor kennen we geen naam van de gebruiker of de inhoud van zijn bericht. De vondst laat wel zien dat een militaire basis niet uitsluitend uit fysieke arbeid en bewapening bestond. Schriftelijke communicatie maakte deel uit van het functioneren van een leger dat over grote afstanden werd aangestuurd.

Een houten sluitpen bewaart een klein onderdeel van het werk

Een houten sluitpen met een verdikt middendeel behoort eveneens tot de vondsten uit Velsen 2. Dergelijke voorwerpen konden worden gebruikt om touwen of andere onderdelen van uitrusting vast te zetten. De precieze toepassing van dit exemplaar is niet bekend. Het kan met tenten, transportmateriaal of een andere praktische constructie hebben samengehangen. Zulke voorwerpen tonen hoe belangrijk kleine hulpmiddelen waren. Mensen moesten voortdurend iets vastmaken, loshalen, verplaatsen of herstellen. Het natte bodemmilieu bij Velsen heeft hout bewaard dat op veel andere Romeinse vindplaatsen volledig is verdwenen. Daardoor zijn werkzaamheden zichtbaar geworden die zelden in geschreven bronnen voorkomen.

40 n.Chr. — Caligula richt zijn aandacht op de Noordzeekust

In 40 n.Chr. bevindt Caligula zich volgens antieke schrijvers in het noordwestelijke kustgebied. Suetonius beschrijft later een merkwaardige gebeurtenis waarbij soldaten schelpen zouden hebben verzameld. De betekenis en betrouwbaarheid van dat verhaal worden betwist. Mogelijk waren er serieuze plannen voor een militaire onderneming tegen Brittannië. Velsen 2 was inmiddels aangelegd en lag gunstig voor kustbewaking en transport. Toch is geen geschreven bevel bekend waarin Caligula de bouw van de basis rechtstreeks met een invasie verbindt. De historische samenhang is aannemelijk, maar de archeologische vondsten kunnen de precieze bedoelingen van de keizer niet vaststellen.

41 n.Chr. — Gabinius Secundus treedt op tegen de Chauken

In 41 n.Chr. voert de Romeinse bevelhebber Gabinius Secundus een succesvolle actie tegen de Chauken uit. Deze campagne laat zien dat Rome al vóór Corbulo militair actief was in het noordelijke kustgebied. Velsen 2 was in deze periode waarschijnlijk operationeel. De basis kan een rol hebben gespeeld bij transport, kustbewaking of ondersteuning van troepenbewegingen. Een rechtstreeks verslag van soldaten die vanuit Velsen aan de campagne deelnamen, ontbreekt echter. De gebeurtenis is belangrijk omdat zij de stichting van Velsen 2 in een bredere militaire ontwikkeling plaatst. De Romeinen wilden hun positie aan de Noordzee veiligstellen.

41 n.Chr. — Claudius volgt Caligula op

Op 24 januari 41 n.Chr. wordt Caligula in Rome vermoord. Zijn oom Claudius wordt de nieuwe keizer. Daarmee verandert de hoogste leiding van het Romeinse leger, maar de militaire voorzieningen aan het Oer-IJ blijven bestaan. Claudius zet de belangstelling voor het noordwesten voort. Twee jaar later begint onder zijn regering de verovering van Brittannië. Of hij onmiddellijk na zijn aantreden nieuwe opdrachten naar Velsen stuurde, weten we niet. De archeologie laat wel zien dat de basis gedurende deze periode werd gebruikt en aangepast. De werkzaamheden passen bij een leger dat zijn posities langs belangrijke waterverbindingen bleef onderhouden.

Romeins en plaatselijk aardewerk komen samen

Bij Velsen 2 zijn verschillende soorten Romeins aardewerk gevonden, waaronder vaatwerk voor opslag, voedselbereiding en het opdienen van maaltijden. Daarnaast is plaatselijk handgevormd aardewerk aanwezig. Ook aardewerk dat met de Chauken in verband wordt gebracht, is herkend. Dat materiaal komt uit een gebied waarmee Rome militair in conflict kon zijn. Het bewijst echter niet dat Chaukische gevangenen in Velsen verbleven. Voorwerpen konden door handel, persoonlijke contacten of andere omstandigheden worden verplaatst. De vondsten tonen vooral dat verschillende groepen en netwerken elkaar rond de militaire basis konden raken.

Velsen 2 levert honderden scherven van luxe Romeins aardewerk

In het onderzoek naar Velsen 2 zijn 675 scherven van terra sigillata beschreven. Dit fijne Romeinse tafelgoed werd in gespecialiseerde werkplaatsen vervaardigd en over grote afstanden verspreid. Opvallend is dat slechts twee scherven van Italische herkomst waren. Het materiaal verschilt daarmee duidelijk van dat van het oudere Velsen 1, waar Italische terra sigillata een veel groter aandeel had. Het verschil helpt archeologen de beide legerplaatsen chronologisch te onderscheiden. Aardewerk is daardoor niet alleen een spoor van eten en drinken. Het kan ook laten zien hoe productiegebieden, handelsroutes en de samenstelling van aangevoerde goederen in enkele tientallen jaren veranderden.

Zeventien naamstempels verbinden Velsen 2 met Zuid-Gallië

Arjen Bosman beschrijft in zijn vondstencatalogus zeventien naamstempels en twee stempelresten op terra sigillata uit Velsen 2. Alle bekende exemplaren behoren tot Zuid-Gallisch aardewerk. Onder de namen bevinden zich Aquitanus en andere pottenbakkers die via hun producten met het Romeinse leger verbonden waren. De stempels geven geen namen van soldaten, maar van mensen of werkplaatsen die betrokken waren bij de productie. Sommige scherven werden in oudere opgravingen gevonden, waaronder materiaal uit de tunnelput. Niet alle vondsten hebben een even betrouwbare oorspronkelijke context. Daarom moet ieder stempel afzonderlijk worden gedateerd en beoordeeld.

Namen van pottenbakkers verschijnen op Romeins aardewerk

Op Romeins aardewerk uit Velsen 2 zijn stempels bekend met namen zoals Capito, Bassus, Fronto, Iucundus, Aquitanus en Tertius. Het gaat om namen die met de productie van aardewerk verbonden zijn, niet om bewezen bewoners van Velsen. Zij tonen hoe de basis via handels- en bevoorradingsnetwerken verbonden was met werkplaatsen buiten het kustgebied. Sommige stempels zijn afkomstig uit verspoelde vondstlagen. Daardoor is niet altijd duidelijk wanneer het betreffende voorwerp precies in de basis werd gebruikt. De namen maken de economische wereld achter het leger concreter. Zelfs een gebroken kom kan informatie geven over productie, transport en gebruik.

Een graffito kan de naam Gaius Bilius bewaren

In het onderzoek naar Velsen 2 wordt een graffito besproken waaruit mogelijk de naam Gaius Bilius kan worden gereconstrueerd. Dat is bijzonder omdat persoonlijke namen uit de basis schaars zijn. De lezing moet echter voorzichtig worden behandeld. Een ingekraste naam kan de eigenaar van een voorwerp aanduiden, maar ook een andere betekenis hebben. Bovendien is niet automatisch bewezen dat de genoemde persoon soldaat was of langdurig in Velsen verbleef. Toch vormt het opschrift een belangrijk aanknopingspunt. Het herinnert eraan dat achter de archeologische vondsten individuele mensen stonden, van wie de namen meestal volledig verloren zijn gegaan.

Twee gordelhangers tonen een adelaar en een leeuw

Bij Velsen 2 zijn twee bijzondere hangers van Romeinse militaire gordels gevonden. Op de ene staat een adelaar afgebeeld, op de andere een leeuw. Beide voorwerpen hebben een reliëfversiering met een parelrand. Zulke hangers maakten deel uit van de persoonlijke militaire uitrusting. Ze konden de kleding en gordel van een soldaat een herkenbaar uiterlijk geven. De afbeeldingen tonen ook het belang van dierenmotieven binnen de Romeinse beeldwereld. De oorspronkelijke eigenaars zijn onbekend. Toch brengen de vondsten het uiterlijk van de soldaten dichterbij dan een algemene beschrijving van wapens en uniformen.

Winter 42–43 n.Chr. — Een eiken plank levert een nauwkeurige bouwdatum

Tijdens onderzoek in 1997 werd bij Velsen 2 een eiken plank aangetroffen die met jaarringonderzoek kon worden gedateerd. De boom was in de winter van 42 op 43 n.Chr. gekapt. Het hout lag met andere planken in een kuil en kan deel hebben uitgemaakt van een zwaar gefundeerde constructie. Onderzoekers hebben gedacht aan een poort, toren of ander belangrijk bouwwerk. De functie staat niet vast. De kapdatum toont wel dat het leger enkele jaren na de eerste aanleg opnieuw investeerde in de basis. Het tijdstip valt vlak vóór de Romeinse invasie van Brittannië en maakt de vondst historisch bijzonder.

De bouwwerkzaamheden vallen samen met nieuwe militaire plannen

Het eikenhout uit de winter van 42 op 43 n.Chr. bewijst dat Velsen 2 in deze periode niet eenvoudig was opgegeven. Er werd opnieuw hout gebruikt voor een belangrijke constructie. Dat vergde voorbereiding, arbeidskrachten en transport. Mogelijk hielden de werkzaamheden verband met nieuwe militaire opdrachten onder Claudius. De naderende invasie van Brittannië vormt daarvoor een aannemelijke achtergrond. Toch noemt het hout geen opdrachtgever en is geen bevelschrift gevonden. De datering bewijst het moment van houtkap, niet het doel van de werkzaamheden. Juist dit onderscheid is belangrijk wanneer archeologische vondsten met grote historische gebeurtenissen worden verbonden.

Deel 7 — Velsen, Brittannië en de Noordzee (43–47 n.Chr.)

43 n.Chr. — Vier Romeinse legioenen beginnen aan de verovering van Brittannië

Onder leiding van Aulus Plautius begint in 43 n.Chr. een groot Romeins leger aan de verovering van Brittannië. Tot de strijdmacht behoren de legioenen II Augusta, IX Hispana, XIV Gemina en XX, aangevuld met hulptroepen. De oversteek vraagt om transport van soldaten, paarden, wapens en voedsel. De belangrijkste vertrekplaatsen worden verder naar het zuiden gezocht. Velsen 2 hoeft daarom geen inschepingshaven van de invasievloot te zijn geweest. Wel kon een versterking aan het Oer-IJ helpen de noordelijke kustverbindingen te bewaken. Een oorlog overzee maakte immers ook de veiligheid van het vasteland belangrijk.

De Noordzee verbindt verschillende militaire gebieden

De Noordzee vormt voor het Romeinse leger niet uitsluitend een hindernis. Zij biedt ook mogelijkheden om manschappen en goederen tussen kustgebieden te vervoeren. Schepen kunnen grote vrachten meenemen die over land moeilijker te verplaatsen zijn. Daar staat tegenover dat wind, stroming en slecht weer reizen kunnen vertragen. Havens en veilige aanlegplaatsen zijn daarom noodzakelijk. Velsen 2 ligt aan een waterweg die toegang geeft tot het noordelijke kustgebied. De basis kan scheepvaart hebben ondersteund en gecontroleerd. Hoeveel vaartuigen hier regelmatig kwamen, is onbekend. De archeologie toont maritieme activiteiten, maar geen volledig overzicht van de scheepsbewegingen.

De Chauken vormen een mogelijke bedreiging voor de noordelijke flank

Terwijl de Romeinse legioenen in Brittannië vechten, blijven de kustgebieden ten noordoosten van de Rijn een aandachtspunt. Daar wonen onder meer de Chauken, die in Romeinse bronnen met militaire acties en scheepvaart in verband worden gebracht. Een grote Romeinse basis bij Velsen kan hebben geholpen om aanvallen op de noordelijke flank te voorkomen. Arjen Bosman beschouwt die taak als een aannemelijke verklaring voor de omvang van Velsen 2. Het blijft een historische reconstructie. Er is geen verslag bewaard waarin een commandant van Velsen een aanval van de Chauken afslaat. Ook de archeologische wapenvondsten bewijzen niet vanzelf dat hier daadwerkelijk werd gevochten.

Een roeiriemfragment bewaart een spoor van scheepvaart

Bij Velsen 2 zijn voorwerpen gevonden die met vaartuigen in verband worden gebracht, waaronder een fragment van een roeiriem. Zo'n vondst laat zien dat scheepsmateriaal in de omgeving van de basis terechtkwam. De oorspronkelijke lengte van de riem en het type schip kunnen niet zonder meer worden vastgesteld. Het fragment kan afkomstig zijn van een militair vaartuig, maar ook van een kleiner transportschip. Zonder een complete scheepsromp blijven veel bijzonderheden onbekend. Toch is het materiaal belangrijk. Het ondersteunt het beeld van een plaats waar watervervoer daadwerkelijk deel uitmaakte van het dagelijkse functioneren van de Romeinse militaire aanwezigheid.

Katrollen en touw tonen het laden en manoeuvreren

Onder de houten en organische vondsten van Velsen 2 bevinden zich onderdelen van katrollen en een streng touw. Zulke materialen konden worden gebruikt bij tuigage, het verplaatsen van lasten of andere werkzaamheden aan boord en langs de oever. Een katrol maakt het mogelijk de richting van een trekkracht te veranderen. Dat kan nuttig zijn wanneer zware goederen worden gehesen of vastgezet. De precieze toepassing van ieder gevonden onderdeel blijft afhankelijk van de vondstcontext. Samen tonen de voorwerpen hoe belangrijk eenvoudige technische hulpmiddelen waren. Scheepvaart bestond niet alleen uit varen, maar ook uit laden, lossen, vastmaken en repareren.

Een zwaar henneptouw blijft bewaard in de natte bodem

Een opmerkelijke vondst uit het Romeinse havengebied is een stuk henneptouw van bijna dertig centimeter lang en ongeveer drie centimeter dik. Het gaat om een zwaar kabeltouw dat bij scheepvaart of andere werkzaamheden met grote trekkrachten kon worden gebruikt. Het voorwerp werd tijdens archeologisch onderzoek in de jaren zestig gevonden en bleef door de natte bodem bewaard. Het draagt tegenwoordig het inventarisnummer 6026-05 bij Huis van Hilde. De precieze handeling waarbij het touw verloren ging, is onbekend. Het materiaal vormt wel een tastbare herinnering aan mensen die schepen vastmaakten en zware lasten verplaatsten.

In 1970 wordt een complete houten blokschaaf gevonden

In 1970 werd in de voormalige havenzone van Velsen 2 een complete houten blokschaaf gevonden. Het gereedschap werd gebruikt om houten oppervlakken glad te maken en onderdelen passend te bewerken. Zulke werkzaamheden waren nodig bij gebouwen, kisten, wagens en scheepsonderdelen. De vondst bewijst niet dat op deze plaats een compleet schip werd gebouwd. Wel maakt zij zichtbaar dat vakbekwame houtbewerking bij de basis plaatsvond. Een timmerman kon beschadigde onderdelen herstellen of nieuw materiaal vervaardigen. De natte bodem heeft het gereedschap bewaard, terwijl vergelijkbare houten voorwerpen op drogere vindplaatsen vaak verdwijnen.

Duizenden houtschilfers vertellen over het werk aan de haven

In de vondstlagen bij de Romeinse waterweg zijn duizenden houtschilfers van bewerkt hout aangetroffen. Daarbij kwamen ook een houten katrol en materiaal dat als pek is herkend tevoorschijn. De combinatie past bij een omgeving waar hout werd bewerkt en constructies werden onderhouden. Dat kunnen gebouwen, kisten, aanlegvoorzieningen of onderdelen van vaartuigen zijn geweest. Het is niet bewezen dat iedere houtschilfer afkomstig is van scheepsbouw. Wel vormt de hoeveelheid een aanwijzing voor omvangrijke praktische werkzaamheden. De vondsten geven het verhaal over de Romeinse haven een menselijk gezicht: ergens werkten mensen met gereedschap, maakten onderdelen passend en ruimden materiaal op.

Pek en houten onderdelen passen bij onderhoudswerk

Bij Velsen 2 zijn bewerkt hout en materiaal dat als pek is beschreven aangetroffen. Pek kon worden gebruikt om naden of verbindingen tegen water te beschermen. Dat was nuttig bij houten vaartuigen en bepaalde constructies langs de oever. Toch is niet ieder stuk pek automatisch afkomstig van een scheepsreparatie. Het kan ook voor andere doeleinden zijn gebruikt. De betekenis wordt sterker wanneer het materiaal samen met scheepsonderdelen, touw of gereedschap wordt onderzocht. De vondsten passen bij een omgeving waar onderhoud belangrijk was. Een leger dat afhankelijk was van houten constructies en vaartuigen moest voortdurend onderdelen controleren en herstellen.

Het leger heeft voedsel nodig uit een groot achterland

Een militaire basis die ruimte kan bieden aan duizenden soldaten vraagt om veel voedsel. Graan moet worden opgeslagen en gemalen, vlees moet worden aangevoerd en water moet beschikbaar blijven. Het vervoer van alle dagelijkse benodigdheden over grote afstanden zou veel arbeid kosten. Daarom kunnen zowel het Rijngebied als nabijgelegen nederzettingen een rol hebben gespeeld bij de bevoorrading. Welke hoeveelheden daadwerkelijk uit het Friese achterland kwamen, is onbekend. Daarvoor ontbreken nauwkeurige plaatselijke leveringslijsten. Dierenbotten, plantenresten en transportaardewerk kunnen meer duidelijkheid geven. Zij moeten per vondstcontext worden onderzocht voordat een bepaald voedselproduct aan een specifieke handelsroute wordt verbonden.

Een vracht kan onderweg verschillende stations passeren

Wanneer een transport vanuit het achterland naar een militaire basis reist, kan het onderweg verschillende plaatsen aandoen. Daar kunnen goederen worden opgeslagen, gecontroleerd of overgeladen. Ook kunnen schippers wachten op gunstige omstandigheden of een andere route kiezen. Voor Velsen is geen volledige lijst van zulke tussenstations overgeleverd. Het is daarom niet mogelijk een vaste reeks aanlegplaatsen voor iedere vracht te reconstrueren. Wel laat de organisatie van het Romeinse leger zien waarom verschillende steunpunten nuttig waren. Zij konden de aanvoer verdelen en de kwetsbaarheid van lange transporten verminderen. Een vertraging op één plaats hoefde niet ieder ander vervoer stil te leggen.

Berichten kunnen sneller reizen dan zware voorraden

Een bevel van een commandant hoeft niet dezelfde reis af te leggen als een schip vol graan. Een koerier kan gebruikmaken van een kleiner vaartuig, een paard of een combinatie van vervoermiddelen. De snelheid hangt af van route, omstandigheden en beschikbare ondersteuning. Voor Velsen zijn geen berichten bewaard waarin zowel verzenddatum als aankomstdatum staan. Daarom kan niet worden bewezen dat ieder bevel binnen een vast aantal dagen vanuit Mainz arriveerde. Wel maakte het netwerk van wegen en waterwegen snelle communicatie in gunstige omstandigheden mogelijk. Dat gaf Romeinse bevelhebbers de mogelijkheid om verschillende militaire gebieden op afstand met elkaar te verbinden.

Een militair bericht kan een keten van opdrachten veroorzaken

Wanneer een bevel een legerkamp bereikt, moeten de verantwoordelijke officieren bepalen welke werkzaamheden volgen. Misschien moeten soldaten worden verplaatst, voorraden klaargezet of schepen voorbereid. Vervolgens moeten de opdrachten aan de juiste mensen worden doorgegeven. Het houten schrijftafeltje uit Velsen 2 past bij een militaire wereld waarin schriftelijke communicatie belangrijk was. Van het exemplaar is geen leesbare opdracht bekend. Toch toont het voorwerp hoe het bestuur van een legerkamp kon functioneren. De Romeinse organisatie berustte niet alleen op bevelen van hoge officieren, maar ook op mensen die informatie vastlegden, doorgaven en omzetten in praktische werkzaamheden.

De twee legerplaatsen verschillen sterk in schrijftabletten

Velsen 1 heeft een omvangrijke verzameling houten schrijftabletten en fragmenten opgeleverd. Uit Velsen 2 zijn daarentegen slechts twee wastabletten bekend. Dat verschil hoeft niet te betekenen dat het tweede garnizoen minder administratie voerde. De omvang van de opgravingen en de omstandigheden waarin het hout bewaard bleef, verschilden. Toch is het contrast belangrijk. Het laat zien hoe ongelijk de archeologische informatie over beide bases is. Schrijftabletten kunnen verband houden met berichten, aantekeningen en administratieve werkzaamheden. Zonder bewaarde leesbare tekst weten we niet welke opdrachten of namen erop stonden. De vondsten tonen vooral dat schrift onderdeel was van het militaire leven.

Ballistamunitie toont de zware bewapening van Velsen 2

Onder de militaire vondsten uit Velsen 2 bevinden zich projectielen die met Romeins geschut in verband worden gebracht. Een ballista kon zware projectielen met grote kracht afschieten. Zulke wapens waren bruikbaar bij de verdediging van versterkingen en tijdens militaire operaties. Sommige soorten geschut konden ook op vaartuigen worden ingezet. De vondsten ondersteunen het beeld van een goed bewapende basis. Zij bewijzen echter niet dat het geschut vanaf de oever op vijandelijke schepen heeft geschoten. Er is geen beschreven zeeslag bij Velsen uit deze jaren bekend. De projectielen tonen aanwezige militaire middelen, niet automatisch een daadwerkelijk gevecht.

Pijlpunten en wapenonderdelen raken verspreid over het terrein

Bij Velsen 2 zijn verschillende soorten militaire uitrusting aangetroffen. Sommige onderdelen kunnen tijdens oefeningen verloren zijn geraakt. Andere werden mogelijk weggegooid nadat zij beschadigd waren. De verspreiding van zulke vondsten kan onderzoekers helpen plaatsen van militaire activiteiten te herkennen. Toch moeten zij rekening houden met latere verstoring. Waterwerking, grondverzet en hergebruik van materiaal kunnen voorwerpen verplaatsen. Een concentratie van projectielen is daarom niet automatisch het bewijs van een aanval. De vondsten maken vooral duidelijk dat wapens in het dagelijkse functioneren van het kamp aanwezig waren. Zij kunnen ook iets vertellen over onderhoud, opslag en training.

De Friese bewoners kunnen contact hebben met het garnizoen

Buiten het Romeinse legerkamp blijven plaatselijke gemeenschappen wonen. Hun boerderijen, vee en akkers vormen een belangrijk onderdeel van het kustlandschap. Een groot garnizoen kan behoefte hebben gehad aan voedsel, hout en andere producten uit de omgeving. Dat bood mogelijkheden voor handel, maar kon ook spanningen veroorzaken. Over concrete leveringen door Friese gezinnen aan Velsen 2 bestaan geen volledige lijsten. Evenmin weten we of de oude huidenbelasting opnieuw werd ingevoerd. De vondsten tonen contacten tussen verschillende materiële tradities, maar niet de precieze afspraken tussen Romeinse militairen en plaatselijke bewoners. Daarvoor blijft aanvullend nederzettingsonderzoek noodzakelijk.

Vrouwen en kinderen blijven moeilijk herkenbaar

Een militaire basis was in de eerste plaats ingericht voor soldaten, maar dat betekent niet dat er uitsluitend mannen verbleven. Rond Romeinse legerkampen konden ook handelaren, ambachtslieden, partners en kinderen aanwezig zijn. Voor Velsen 2 moet hun aanwezigheid echter met concrete vondsten worden onderbouwd. Een pot of sieraad is niet automatisch aan een vrouw toe te schrijven. Evenmin bewijst een klein gebruiksvoorwerp zonder duidelijke context de aanwezigheid van een kind. Het onderzoek naar burgers binnen de basis is daarom belangrijk. Het kan helpen bepalen welke mensen naast de militairen deel uitmaakten van het dagelijks leven aan het Oer-IJ.

Munten wijzen mogelijk op afnemende militaire activiteit

Bij Velsen 2 zijn munten uit de tijd van Caligula gevonden. Munten van Claudius zijn opvallend schaars. Dat patroon kan betekenen dat de grootste militaire activiteit vooral in de eerste gebruiksjaren plaatsvond. Toch is het geen sluitend bewijs dat de basis kort na 43 werd verlaten. Munten bleven vaak lang in omloop en werden niet onder iedere keizer in dezelfde aantallen geproduceerd. Ook kan een kleiner garnizoen minder geld en voorwerpen verliezen. Het muntmateriaal ondersteunt daarom de mogelijkheid dat de bezetting veranderde. Een exacte datum waarop het laatste grote contingent soldaten vertrok, levert het niet op.

De omvang van het kamp zegt niet hoeveel soldaten er nog zijn

Een legerkamp van ongeveer elf hectare kon een grote troepenmacht ontvangen. Dat betekent echter niet dat het gedurende zijn hele bestaan met dezelfde sterkte bezet bleef. Wanneer militaire opdrachten veranderden, konden eenheden worden verplaatst. Een kleinere groep kon achterblijven voor bewaking, onderhoud of transport. Voor Velsen 2 is zo'n ontwikkeling mogelijk, maar niet rechtstreeks bewezen. Het beperkte aantal volledig onderzochte gebouwen maakt het moeilijk om veranderingen in de bezettingssterkte vast te stellen. De verspreiding van vondsten en de muntreeksen bieden aanwijzingen, maar geen complete personeelslijst. De laatste gebruiksjaren blijven daardoor gedeeltelijk onduidelijk.

47 n.Chr. — Gannascus leidt aanvallen vanuit het Chaukische gebied

In 47 n.Chr. beschrijft Tacitus aanvallen onder leiding van Gannascus. Hij was van Cananefaatse afkomst en had eerder in Romeinse militaire dienst gestaan. Daarna trad hij op als leider van Chaukische aanvallers. Zijn achtergrond maakt duidelijk hoe ingewikkeld de verhoudingen tussen Rome en de kustbewoners konden zijn. Een man kon ervaring opdoen in het Romeinse leger en later tegenover zijn voormalige werkgevers komen te staan. Voor de militaire steunpunten langs de kust was zulke kennis van belang. Gannascus kende mogelijk Romeinse werkwijzen, maar zijn persoonlijke betrokkenheid bij Velsen is niet aangetoond.

Corbulo grijpt in tegen de Chauken

Gnaeus Domitius Corbulo krijgt in 47 n.Chr. het bevel over Romeinse troepen in het noordelijke grensgebied. Volgens Tacitus treedt hij op tegen de Chauken en laat hij schepen inzetten. Daarmee wordt duidelijk dat de noordelijke kust nog altijd een militair strijdtoneel vormt. Velsen 2 ligt in een gebied dat voor dergelijke operaties van betekenis kan zijn geweest. Toch is niet bekend of schepen of soldaten uit Velsen rechtstreeks aan Corbulo's campagne deelnamen. De geschreven bronnen noemen de basis niet bij naam. De overeenkomst tussen de militaire gebeurtenissen en de gebruiksperiode van Velsen is belangrijk, maar bewijst geen afzonderlijke deelname.

Deel 8 — Het Romeinse vertrek en het leven na Velsen (47–50 n.Chr.)

47 n.Chr. — Corbulo probeert het Romeinse gezag onder de Frisii te herstellen

Na zijn optreden tegen de Chauken richt Corbulo zich volgens Tacitus op de Frisii. Hij regelt plaatselijke bestuursverhoudingen, verlangt gijzelaars en wijst grond aan waarop mensen zich moeten vestigen. Ook laat hij een versterking bouwen om het Romeinse gezag te ondersteunen. De precieze plaats van dat fort wordt niet genoemd. Daarom kan het niet zonder meer met Velsen 2 worden gelijkgesteld. Het verslag laat wel zien dat Rome opnieuw rechtstreeks invloed probeert uit te oefenen op de Friese samenleving. Bijna twintig jaar na de opstand van 28 n.Chr. zijn de verhoudingen tussen de Frisii en het Romeinse leger nog altijd niet definitief geregeld.

Claudius beveelt de terugtocht naar de Rijn

Tijdens zijn noordelijke campagne krijgt Corbulo volgens Tacitus opdracht van keizer Claudius om zijn troepen terug te trekken naar de Romeinse zijde van de Rijn. Daarmee verandert de militaire strategie. De Romeinen concentreren hun permanente aanwezigheid sterker langs de rivier, in plaats van grote vooruitgeschoven bases in het Friese gebied te onderhouden. Voor Velsen 2 kan dit bevel beslissend zijn geweest. De basis lag buiten de latere hoofdgrens en verloor mogelijk haar oorspronkelijke functie. Toch noemt Tacitus Velsen niet. Het bevel verklaart waarom het kamp rond deze tijd kon worden opgegeven, maar bewijst niet op welke dag de soldaten vertrokken.

Een laatste bouwproject kan onafgemaakt zijn gebleven

Arjen Bosman heeft de mogelijkheid besproken dat een laatste bouwfase van Velsen 2 werd onderbroken toen de Romeinse plannen veranderden. Wanneer Corbulo nieuwe versterkingen liet aanleggen en vervolgens opdracht kreeg zich terug te trekken, konden werkzaamheden hun militaire noodzaak verliezen. Voor Velsen is echter geen duidelijk half voltooid bouwwerk vastgesteld dat rechtstreeks aan 47 n.Chr. kan worden gekoppeld. De verschillende bouwfasen zijn niet allemaal even nauwkeurig gedateerd. Daarom blijft het een hypothese. Zij laat wel zien hoe sterk een legerkamp afhankelijk was van beslissingen op afstand. Een keizerlijk bevel kon de betekenis van een kostbare versterking veranderen.

Het vertrek van het leger vraagt om voorbereiding

Een Romeins legerkamp kan niet zonder werkzaamheden worden verlaten. Soldaten moeten wapens, voedsel, gereedschap en persoonlijke bezittingen verzamelen. Bruikbare voorraden kunnen naar andere versterkingen worden vervoerd. Houten gebouwen en verdedigingswerken kunnen gedeeltelijk worden afgebroken of achtergelaten. Voor Velsen 2 is niet vastgesteld hoe deze werkzaamheden precies verliepen. Er is geen opgravingslaag die het vertrek van alle soldaten op één dag vastlegt. Wel past de relatief korte gebruiksperiode bij een militaire basis die haar oorspronkelijke functie verloor. Het is denkbaar dat verschillende eenheden op verschillende momenten vertrokken, terwijl een kleinere groep nog tijdelijk werkzaamheden uitvoerde.

Schepen kunnen soldaten en voorraden afvoeren

Velsen 2 lag aan de hoofdgeul van het Oer-IJ. Die ligging had de aanvoer van bouwmateriaal, voedsel en uitrusting mogelijk gemaakt. Bij een terugtrekking kon dezelfde waterweg worden gebruikt om goederen weg te voeren. Een schip kon zware vrachten vervoeren die over land veel transportmiddelen zouden vereisen. Toch kennen we geen verslag van een afzonderlijke Romeinse evacuatievloot bij Velsen. Evenmin is bekend hoeveel vaartuigen beschikbaar waren. De vondsten van touw, katrollen, houten gereedschap en ander scheepvaartmateriaal tonen wel dat werkzaamheden aan het water deel uitmaakten van de militaire aanwezigheid. De precieze vertrekroute blijft onbekend.

Rond 47 n.Chr. — Velsen 2 verliest zijn militaire functie

Velsen 2 wordt doorgaans tot ongeveer 47 n.Chr. gedateerd. Dat past bij de terugtrekking van Corbulo, maar de archeologie levert geen exact vertrekjaar. Er is geen inscriptie gevonden die de ontruiming vastlegt. Ook ontbreekt een duidelijk gedateerde vernietigingslaag die het einde van het volledige kamp markeert. Het is mogelijk dat de belangrijkste militaire activiteiten al eerder afnamen. Een kleinere bezetting kan daarna nog enige tijd zijn gebleven. De veiligste conclusie is dat Velsen 2 in de jaren veertig zijn grote militaire betekenis verloor en rond het midden van de eerste eeuw werd opgegeven.

Niet alle gebouwen hoeven te zijn afgebroken

Wanneer de Romeinen Velsen 2 verlieten, konden houten gebouwen, wallen en andere voorzieningen gedeeltelijk blijven staan. Bruikbaar hout was waardevol en kon worden meegenomen, maar het verwijderen van iedere paal zou veel arbeid hebben gekost. Sommige constructies konden langzaam vervallen. Andere raakten door waterwerking of latere grondverplaatsing beschadigd. De opgravingen laten niet toe om voor ieder gebouw te bepalen wat ermee gebeurde. Het ontbreken van een constructie kan bovendien het gevolg zijn van slechte bewaring of beperkte opgravingen. Daarom mag de huidige archeologische plattegrond niet worden beschouwd als een volledig overzicht van wat de soldaten achterlieten.

De Rijn wordt de vaste militaire hoofdlinie

Het bevel van Claudius heeft grote gevolgen voor de Romeinse aanwezigheid in het huidige Nederland. De Rijn krijgt een centrale plaats in de organisatie van de grensverdediging. Langs de rivier kunnen forten, wegen en aanlegplaatsen elkaar ondersteunen. Velsen ligt ten noorden van deze hoofdlinie. De basis was nuttig geweest tijdens de Romeinse ondernemingen in het noordelijke kustgebied, maar past minder goed bij een strategie die zich op de rivier concentreert. De Rijn wordt daarmee niet alleen een verdedigingslijn. Hij blijft ook een belangrijke verkeersader voor schepen, goederen, soldaten en berichten tussen verschillende militaire steunpunten.

De Rijn vormt geen ondoordringbare grens

De Romeinse grens langs de Rijn was geen muur die alle verkeer tussen beide oevers onmogelijk maakte. De rivier vormde een militaire hoofdlinie, maar mensen, goederen en berichten konden haar nog steeds oversteken. Handel, diplomatie en contacten met plaatselijke gemeenschappen bleven belangrijk. Rome kon bovendien buiten de riviergrens optreden wanneer de omstandigheden daarom vroegen. Voor de Frisii betekende het terugtrekkingsbevel dus niet dat Rome volledig uit hun wereld verdween. Het betekende vooral dat het leger zijn permanente militaire aanwezigheid anders organiseerde. Het onderscheid tussen een bewaakte grens, een politieke invloedssfeer en een gesloten landsgrens is daarom belangrijk.

47–48 n.Chr. — De Friese boeren blijven op hun erven wonen

Buiten de Romeinse versterking blijven plaatselijke gezinnen hun dagelijkse werkzaamheden uitvoeren. Zij verzorgen runderen, onderhouden huizen en gebruiken de akkers en waterwegen. Het vertrek van de soldaten hoeft niet te betekenen dat de nederzettingen eveneens verdwijnen. De Friese samenleving bestond immers al vóór de Romeinse komst. Voor het onderzoek zijn plaatselijke boerderijplattegronden, aardewerk en dierenbotten daarom minstens zo belangrijk als de militaire vondsten. Zij maken duidelijk dat de geschiedenis van het Oer-IJ niet ophoudt bij de poorten van het fort. De Romeinse aanwezigheid was een belangrijke episode binnen een veel langere geschiedenis van bewoning.

De nederzetting aan de Staalstraat toont plaatselijke continuïteit

Op het voormalige Hoogoventerrein in Velsen werden tussen 1962 en 1968 resten van een inheemse nederzetting onderzocht. Aan de Staalstraat kwamen zes huisplattegronden aan het licht, verdeeld over twee boerenerven en drie opeenvolgende bewoningsfasen. Het onderzochte terrein besloeg ongeveer 7.260 vierkante meter. De bewoning begon vermoedelijk al vóór de komst van de Romeinen en liep door tot ongeveer het midden van de eerste eeuw. Daarmee biedt deze vindplaats een belangrijk tegenwicht tegen de militaire geschiedenis. Terwijl de Romeinen hun bases bouwden en verlieten, kende de plaatselijke bevolking een eigen ontwikkeling van huizen, erven en dagelijks werk.

Huizen worden vervangen terwijl gezinnen blijven

De verschillende huisplattegronden aan de Staalstraat laten zien dat de nederzetting niet uit één onveranderlijk erf bestond. Gebouwen werden in opeenvolgende fasen opgericht en vervangen. Dat kan samenhangen met slijtage, veranderingen binnen huishoudens of een andere inrichting van het erf. De exacte redenen zijn niet bekend. Wel toont de bewoningsgeschiedenis dat plaatselijke gemeenschappen hun huizen bleven onderhouden en vernieuwen. Voor zulke werkzaamheden waren hout, riet of ander dakmateriaal en arbeidskrachten nodig. De bewoners organiseerden hun eigen leefomgeving, ongeacht de wisselende aanwezigheid van Romeinse soldaten verderop aan het Oer-IJ.

Het vee blijft belangrijk voor voedsel en bezit

Runderen vormden een belangrijk onderdeel van de bestaansmiddelen van de Frisii. Zij leverden vlees, huiden en andere bruikbare producten. Ook konden dieren worden ingezet bij werkzaamheden op en rond het erf. De huidenbelasting van Olennius had eerder laten zien hoe kwetsbaar gezinnen konden worden wanneer Rome hoge eisen stelde aan hun veestapel. Na 47 n.Chr. is niet bekend welke belastingen of leveringsverplichtingen nog golden. Het vertrek van het garnizoen betekende daarom niet automatisch dat alle economische druk verdween. De plaatselijke boeren moesten hun dieren blijven verzorgen en hun voorraden beheren, terwijl de politieke verhouding met Rome onzeker bleef.

Het Oer-IJ blijft een verbinding zonder Romeins garnizoen

Het Oer-IJ verdwijnt niet wanneer de Romeinen hun militaire basis verlaten. De geulen blijven onderdeel van het landschap en kunnen door plaatselijke bewoners worden gebruikt voor vervoer en contact met andere nederzettingen. Kleine vaartuigen konden geschikt zijn voor de ondiepere wateren, terwijl grotere schepen meer diepgang nodig hadden. Welke typen boten de Frisii hier precies gebruikten, is niet voor iedere nederzetting bekend. Wel is duidelijk dat het water voor hen al vóór de Romeinse komst belangrijk was. Het einde van Velsen 2 veranderde de militaire organisatie, maar niet onmiddellijk de natuurlijke verbindingen waarvan de bewoners afhankelijk waren.

De Oude Duinen bieden een tweede verbinding

Naast de waterwegen waren ook routes over hoger en droger terrein belangrijk. De Oude Duinen vormden een landschap waarin plaatselijke verbindingen mogelijk waren tussen nederzettingen en kustgebieden. In de omgeving van Velsen lag een noord-zuidroute over deze hogere gronden. Voor de Romeinen kon de combinatie van land- en waterverbindingen strategisch aantrekkelijk zijn geweest. Na hun vertrek bleven de hogere terreinen bruikbaar voor de plaatselijke bevolking. Hoe de route in 48 n.Chr. precies liep, is niet volledig bekend. Er is geen reden om haar als een overal aangelegde Romeinse steenweg voor te stellen. Het ging om verbindingen die aan het landschap waren aangepast.

De offerplaats van Velserbroek blijft een afzonderlijk verhaal

In Velserbroek is een belangrijke inheemse offerplaats onderzocht. De vindplaats laat zien dat het gebied rond Velsen ook een religieuze betekenis had voor de plaatselijke bevolking. Voorwerpen konden er gedurende een lange periode als offer worden achtergelaten. De Romeinse militaire aanwezigheid moet daarom worden gezien binnen een landschap dat al eigen rituelen en bijzondere plaatsen kende. Het is mogelijk dat Romeinse bevelhebbers rekening hielden met zulke plaatselijke betekenissen. Een rechtstreeks verband tussen een bepaald offer en het vertrek van Velsen 2 is echter niet bewezen. De offerplaats verdient aandacht als onderdeel van de eigen geschiedenis van de Frisii.

Romeinse voorwerpen kunnen in Friese handen blijven

Het vertrek van een garnizoen betekent niet dat alle Romeinse voorwerpen uit het gebied verdwijnen. Aardewerk, munten, metalen gebruiksvoorwerpen en andere goederen kunnen bij plaatselijke bewoners in bezit blijven. Sommige voorwerpen waren mogelijk via handel verkregen, andere door persoonlijke contacten of hergebruik. De aanwezigheid van een Romeins object op een Friese nederzetting bewijst daarom niet dat daar een Romeinse soldaat woonde. Ook zegt het voorwerp op zichzelf weinig over de politieke verhouding met het rijk. Archeologen moeten steeds kijken naar de vindplaats en de andere materialen die erbij zijn aangetroffen. Zo worden contacten zichtbaar zonder de plaatselijke samenleving haar eigen karakter te ontnemen.

Het Kanaal van Corbulo past bij de nieuwe waterstrategie

Tacitus vertelt dat Corbulo na het beëindigen van zijn noordelijke veldtocht soldaten een kanaal laat graven tussen het Rijn- en Maasgebied. De waterverbinding moest het vervoer vergemakkelijken en de gevaren van de open kust verminderen. De aanleg wordt doorgaans rond 47 n.Chr. geplaatst, terwijl archeologisch gedateerde beschoeiingen uit de jaren rond 50 bekend zijn. Het kanaal toont hoe belangrijk waterbouw bleef, ook nadat Rome zijn troepen achter de Rijn had teruggetrokken. De nieuwe verbinding maakte het mogelijk goederen binnen de militaire hoofdzone te vervoeren. Zij verving niet rechtstreeks de haven van Velsen, maar hoorde bij een andere inrichting van het transportnetwerk.

49 n.Chr. — De Romeinen blijven afhankelijk van hout en arbeid

De aanleg van kanalen, forten en wegen langs de Rijn vraagt om veel arbeidskrachten en bouwmateriaal. Soldaten kunnen worden ingezet voor graafwerk, het plaatsen van houten beschoeiingen en het onderhouden van militaire voorzieningen. Het werk lijkt in sommige opzichten op de aanleg van de eerdere versterkingen bij Velsen. Ook daar waren houtbewerking, grondverzet en transport noodzakelijk. De belangrijkste werkzaamheden verplaatsen zich nu echter naar andere plaatsen. Dat maakt zichtbaar dat Romeinse militaire infrastructuur voortdurend veranderde. Een verlaten kamp betekende niet dat het leger ophield met bouwen. Het betekende dat de beschikbare mensen en middelen elders werden ingezet.

De Friese samenleving blijft verbonden met andere gebieden

De Frisii leefden niet volledig geïsoleerd van hun omgeving. Waterwegen, landroutes en contacten met naburige gemeenschappen boden mogelijkheden voor de uitwisseling van goederen en informatie. Ook zonder Romeins garnizoen konden voorwerpen uit het Rijngebied of andere kuststreken het Oer-IJ bereiken. De precieze omvang van deze contacten is moeilijk vast te stellen. Archeologen kunnen handelsverbindingen onderzoeken aan de hand van aardewerk, metalen voorwerpen en andere materialen met herkenbare herkomst. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen langdurige uitwisseling en een enkele bijzondere vondst. De plaatselijke bevolking bleef onderdeel van een groter netwerk, ook nadat Rome zijn militaire aanwezigheid had teruggeschroefd.

Rond 50 n.Chr. — De verlaten militaire terreinen veranderen langzaam

Enkele jaren na het vermoedelijke vertrek van de soldaten kunnen delen van Velsen 1 en Velsen 2 nog herkenbaar zijn geweest. Houten palen, grachten en andere resten verdwijnen niet onmiddellijk. Sommige constructies kunnen zijn vergaan of door waterwerking beschadigd. Andere zijn mogelijk als bron van bruikbaar materiaal bezocht. Voor zulke afzonderlijke handelingen ontbreekt meestal direct bewijs. De latere geschiedenis van de terreinen is bovendien sterk beïnvloed door veranderingen in het landschap en moderne grondwerkzaamheden. Daardoor kunnen archeologen niet eenvoudig reconstrueren hoe de verlaten bases er in 50 n.Chr. uitzagen. De bodem bewaart slechts een deel van wat ooit aanwezig was.

De haven verdwijnt uit de militaire bronnen

Na het einde van Velsen 2 noemen de bewaard gebleven Romeinse geschiedschrijvers geen nieuwe grote militaire haven aan het Oer-IJ. Dat betekent niet dat het water onmiddellijk onbruikbaar werd of dat iedere vorm van scheepvaart ophield. Wel ontbreekt bewijs voor een derde grote Romeinse basis die direct op Velsen 2 volgde. De militaire aandacht concentreerde zich inmiddels op andere plaatsen. Voor de bewoners van het kustgebied bleven de waterwegen belangrijk voor hun eigen bestaan. Het verschil tussen het einde van een Romeins legerkamp en het einde van een bewoond landschap is daarom essentieel. De militaire geschiedenis sluit af, maar de plaatselijke geschiedenis gaat door.

De archeologie laat zien wat de geschiedschrijvers oversloegen

Tacitus beschrijft de grote politieke en militaire gebeurtenissen, maar noemt nauwelijks het dagelijks leven van de mensen rond Velsen. De opgravingen vullen een deel van die stilte op. Waterputten, houten gereedschap, scheepstouw, aardewerk, wapens en menselijke resten vertellen over afzonderlijke werkzaamheden en gebeurtenissen. De inheemse huizen aan de Staalstraat laten bovendien zien dat de plaatselijke bewoning een eigen ontwikkeling kende. Toch kan ook de archeologie niet iedere vraag beantwoorden. De namen van de meeste bewoners zijn onbekend. Hun persoonlijke gedachten, onderlinge afspraken en precieze ervaringen tijdens het Romeinse vertrek zijn niet overgeleverd.

Rond 50 n.Chr. — De Friezen blijven, de Romeinse soldaten zijn vertrokken

Rond het midden van de eerste eeuw is de grote Romeinse militaire aanwezigheid bij Velsen waarschijnlijk beëindigd. De plaatselijke gemeenschappen blijven echter wonen langs het Oer-IJ. Hun huizen, akkers, vee en waterwegen vormen het voortgaande leven in het kustgebied. De Romeinen hebben het landschap veranderd met grachten, wallen, aanlegplaatsen en gebouwen. Zij hebben voorwerpen achtergelaten die eeuwen later door archeologen worden teruggevonden. De Frisii behouden ondertussen hun eigen nederzettingen en materiële tradities. De geschiedenis van Velsen tussen 15 en 50 n.Chr. bestaat daardoor uit twee verweven verhalen: een tijdelijk Romeins militair project en een plaatselijke samenleving die ervoor bestond en erna bleef voortleven.