Van Brabants bos tot Beverwijkse schrijftafel
Beverwijk voordat iemand van Sion had gehoord
Rond 1377 lag Beverwijk tussen de duinen en het Wijkermeer, aan de wegen naar Haarlem, Heemskerk en de dorpen van Kennemerland. In de Sint-Agathakerk werden kinderen boven de doopvont gehouden, huwelijken ingezegend, missen gelezen en doden begraven. Buiten de huizen strekten akkers, weiden, boomgaarden en rietlanden zich uit. Daar groeiden voedsel en grondstoffen die konden worden gebruikt, verkocht of verpacht. Huizen en land gingen door verkoop, erfenis en schenking van hand tot hand. In 1379 kwamen de heerlijke rechten van Beverwijk rechtstreeks aan de graaf van Holland. Wat van eigenaar wisselde of verschuldigd bleef, legden schrijvers vast in oorkonden en akten die zorgvuldig werden bewaard.
De kerk stond er al
Wie in Beverwijk ter kerke ging, leefde tussen geestelijke instellingen die ouder waren dan Sion. Ten noorden lag de benedictijnenabdij van Egmond, met landerijen en rechten verspreid over Kennemerland. Dichterbij stonden de parochiekerken van Heemskerk en Wijk aan Zee; in Beverwijk zelf vormde de Sint-Agathakerk het middelpunt van doop, huwelijk, mis en begrafenis. In Haarlem lagen weer andere kerken, kloosters en geestelijke huizen. Een stuk land aan een klooster schenken betekende daarom meer dan grond afstaan. Bestaande rechten bleven gelden, renten moesten worden betaald en wie geld naliet voor missen verbond bezit aan gebed. Abten, pastoors en geestelijken waakten over die rechten en inkomsten.
De wortels van Sion waren eeuwen ouder
Lang voordat bij Beverwijk van Sion sprake was, leefden binnen de Kerk geestelijken die gebed, arbeid en bezit met elkaar deelden. Reguliere kanunniken verbonden hun priesterlijke leven aan een gemeenschappelijke regel die aan Augustinus werd toegeschreven. Het voorbeeld lag bij de eerste christenen: niet ieder hield zijn bezit voor zichzelf, maar goederen werden ten dienste van de gemeenschap gebruikt. Zo'n huis kon niet van gebed alleen bestaan. Grond, inkomsten, voedsel en gebouwen waren noodzakelijk. Even onmisbaar waren geschreven teksten. De leefregel werd gelezen, psalmen werden gezongen en voor de mis waren vaste teksten nodig. Landbezit en geschreven woord behoorden daardoor tot dezelfde kloosterlijke huishouding.
In een Brabants bos schreef Ruusbroec
In het veertiende-eeuwse Brabant kreeg dat gemeenschappelijke leven een nieuwe gestalte. Jan van Ruusbroec verliet na jaren als priester bij de Brusselse Sint-Goedelekerk de stad. Met Jan Hinckaert en Vranke van den Coudenberg trok hij naar Groenendaal in het Zoniënwoud. Daar groeide hun kleine gemeenschap uit tot een huis van reguliere kanunniken volgens de regel van Augustinus. Ruusbroec werd prior en schreef in het Middelnederlands over het geestelijke leven. Zijn woorden bleven niet tussen de bomen van Groenendaal. Afschriften gingen van hand tot hand en bezoekers kwamen naar hem toe. Wie daarna huiswaarts reisde, kon niet alleen zijn gedachten meenemen, maar ook een tekst waarin die gedachten waren vastgelegd.
Geert Grote ging Ruusbroec zelf opzoeken
Een van die bezoekers was Geert Grote uit Deventer. Omstreeks 1378 reisde hij naar Groenendaal en sprak daar met de oudere Ruusbroec, wiens geschriften hij kende en bewonderde. Toch volgde Grote hem niet eenvoudig na. Ruusbroec schreef over Gods liefde en de innerlijke vereniging met God; Grote legde in zijn prediking sterker de nadruk op boete, zelfonderzoek en het vermijden van zonde. Wat hij in Groenendaal zag, kreeg bij hem daardoor een andere toon. Wel bleef het voorbeeld van een gemeenschap waarin geloof niet alleen werd verkondigd, maar dagelijks werd geleefd. Vanuit die ontmoeting liep een van de draden die later naar de Moderne Devotie en uiteindelijk naar Sion voerden.
Bij de kartuizers ontmoette Grote een andere wereld
Ook Monnikhuizen bij Arnhem liet sporen bij Grote achter. In dit kartuizerklooster leefden mannen in stilte en afzondering, met lange uren voor gebed, lezing en arbeid. Grote verbleef er na zijn ommekeer enige tijd. Hij zag hoe een geestelijk leven kon worden opgebouwd rond regelmaat, soberheid en het steeds opnieuw lezen van dezelfde woorden. De latere broeders van het gemene leven werden geen kartuizers. Toch keerde iets van die ernst terug in hun dagelijkse bestaan: weinig behoefte aan persoonlijk bezit, veel aandacht voor innerlijke inkeer en een grote waardering voor geschreven geestelijke teksten. Een handschrift was er geen versiering van geleerdheid, maar gereedschap voor het leven.
Handschriften begonnen tussen steden te reizen
In Deventer verzamelde Geert Grote zelf handschriften. Ontbrak hem een tekst, dan schreef hij naar iemand die een exemplaar bezat, leende het en liet een kopiist er een afschrift van maken. Via contacten in Zwolle, Kampen, Zutphen en Amsterdam kwamen zo teksten binnen zijn bereik. Rond 1381 of 1382 bracht Florens Radewijns schrijvende klerken bijeen die gezamenlijk woonden en met kopieerwerk in hun onderhoud voorzagen. Johannes Kessel bracht zijn vermogen in en sloot zich bij hen aan. Op tafel lag soms een geleende codex die na het overschrijven weer terug moest. Daarnaast groeide een nieuwe stapel katernen: dezelfde woorden, maar voortaan in een tweede handschrift aanwezig.
De schrijftafel werd ook een bron van inkomsten
Deventer was tegelijk kerkstad, handelsplaats en bestuurscentrum. Schepenen en raad bestuurden de stad; de bisschop van Utrecht oefende als landsheer gezag uit in het Oversticht. Tussen kapittelkerken, parochies, scholen en geestelijke huizen leefden de mannen rond Geert Grote en Florens Radewijns. Zij deelden bezit, ontvingen schenkingen en verdienden met hun pennen. Geestelijken, scholieren en stedelingen konden teksten laten overschrijven. Over de wegen naar Zwolle, Kampen en Zutphen reisden daarom niet alleen kooplieden en goederen. Een brief verdween in een tas, een geleend handschrift werd zorgvuldig meegenomen en een voltooid afschrift kon langs dezelfde weg zijn volgende lezer bereiken.
De eerste Windesheimers moesten zelf nog leren
Tussen Groenendaal en Windesheim lag nog een huis dat gemakkelijk uit het verhaal verdwijnt. Omstreeks 1382 hielp Geert Grote bij het ontstaan van Eemstein bij Geertruidenberg, waar de Augustijnse levenswijze van Groenendaal werd gevolgd. Toen de eerste mannen van Windesheim in 1387 moesten leren hoe zij als reguliere kanunniken zouden leven, gingen zij naar Eemstein. Hun kloosterorde kwam dus niet alleen uit geschreven regels. Mannen reisden naar een bestaand huis, stonden er op dezelfde uren op, baden mee, aten gezamenlijk en leerden hoe het dagelijkse werk werd ingericht. Daarna namen zij die gewoonten mee terug. Via Groenendaal en Eemstein kreeg Windesheim zijn vorm.
Vanuit Windesheim reisden mensen én teksten
Na de dood van Geert Grote in 1384 zette Florens Radewijns het gemeenschappelijke leven voort. In 1387 ontstond bij Windesheim een klooster voor mannen uit dezelfde kring. Johan Scutken werd er lekebroeder. Hij schreef handschriften over en vertaalde geestelijke teksten in het Nederlands. Vanuit Windesheim vertrokken later kloosterlingen naar andere huizen; soms reisden handschriften met hen mee om elders te worden gelezen of gekopieerd. In 1407 ontstond bij Heerde het Sint-Hiëronymusbergklooster van Hulsbergen. Tussen Deventer, Zwolle, Windesheim en Hulsbergen liepen steeds meer verbindingen. Over die wegen bewogen mensen, brieven en afschriften, totdat hetzelfde netwerk ook Holland begon te bereiken.
Een handschrift kon ouder zijn dan Sion
Een handschrift dat later in Sion lag, hoefde daar niet te zijn ontstaan. Hermannus Galigaen voltooide in 1407 een Collectorium, ontleend aan het Rationale divinorum officiorum van Guillaume Durand. Sion bestond toen nog niet. Toch kwam het handschrift later bij de regulieren van Beverwijk terecht en kreeg het een band die met een Beverwijkse boekbinderij in verband wordt gebracht. De bladen droegen dus al een geschiedenis voordat zij Sion bereikten. Een tekst kon elders worden geschreven, van eigenaar veranderen, tientallen jaren worden gelezen en vervolgens opnieuw worden gebonden. Wat uiteindelijk in een Beverwijkse kloosterkast stond, kon al een lange reis achter zich hebben.
Twee kloosters kwamen steeds dichter bij Beverwijk
Windesheim werd het moederklooster van een groeiende congregatie van reguliere kanunniken die volgens de regel van Augustinus leefden. Bij Zwolle stond Sint-Agnietenberg, eveneens nauw met dit kloosterverband verbonden. Een prior stond er aan het hoofd. Kanunniken kwamen samen voor het koorgebed, lazen geestelijke teksten en verrichtten hun werkzaamheden binnen het huis. Wanneer elders een nieuwe gemeenschap ontstond, konden ervaren mannen worden uitgezonden om haar op weg te helpen. Willem Vornken zou als prior van Windesheim later bij Sion betrokken raken; Dirk van Kleef vervulde die rol vanuit Sint-Agnietenberg. Lang voordat zij in Beverwijk verschenen, bestonden daarmee al de huizen waaruit Sion mensen, kennis en kloostergewoonten kon ontvangen.
Waarom deze mannen zoveel lazen
De mannen van Windesheim vormden geen nieuwe kerk. Zij leefden binnen de katholieke Kerk en zochten daar een strenger gemeenschappelijk bestaan van gebed, gehoorzaamheid, eenvoud en persoonlijke vroomheid. De dag werd mede bepaald door de mis en het koorgebed. Psalmen werden gezongen, geestelijke teksten gelezen en tijdens de maaltijd kon een broeder voorlezen terwijl de anderen luisterden. Handschriften waren daarvoor geen luxe. Een missaal diende aan het altaar; psalmen en gezangen begeleidden het koorgebed; andere teksten werden gelezen voor studie en overdenking. Het geschreven woord moest uiteindelijk doorwerken in het leven van degene die het las.
Een schrijver verliet het grafelijke hof
Aan het grafelijke hof werkte ondertussen Hendrik Mande uit Dordrecht. Hij diende Willem VI en kende een omgeving waarin brieven, rekeningen en andere geschreven stukken dagelijks door handen gingen. Mande verliet het hof en kwam via Deventer bij Windesheim terecht. Daar schreef hij geestelijke werken en werkte hij aan handschriften. Hij verluchtte missalen, bijbels en gezangboeken. Terwijl Mande tussen hof en kloosterleven bewoog, bleven in Holland grafelijke en stedelijke schrijvers grondrechten, inkomsten en voorrechten op perkament vastleggen. Het geschreven woord diende zo verschillende werelden: het bepaalde rechten en betalingen, droeg gebeden en gezangen en kon persoonlijke gedachten generaties lang bewaren.
Haarlem keek mee over de schouder van Beverwijk
Dordrecht, Haarlem en Amsterdam hadden ieder hun stedelijke bestuur, met schout, schepenen, burgemeesters of raad, afhankelijk van plaats en tijd. De graaf liet zijn gezag daarnaast door baljuws en andere dienaren gelden. Voor Kennemerland was Haarlem bijzonder belangrijk. Daar kwamen grafelijk bestuur, stedelijke rechtspraak, handel en kerkelijke instellingen bijeen. Beverwijk lag op de verbinding tussen Haarlem en noordelijk Kennemerland. Wanneer grond werd overgedragen, een voorrecht werd bevestigd of een betaling moest worden afgedwongen, waren gesproken woorden alleen niet voldoende. Getuigen, zegels en geschreven akten maakten zichtbaar wat was afgesproken en wie waarop aanspraak kon maken.
Holland raakte verwikkeld in een machtsstrijd
Toen Willem VI in 1417 stierf, kwam zijn dochter Jacoba van Beieren in een strijd om Holland, Zeeland en Henegouwen terecht. Filips de Goede van Bourgondië vergrootte zijn invloed en ook Kennemerland werd in het conflict getrokken. In 1425 werden Kennemers bij het beleg van Schoonhoven ingezet. Zij weigerden graafwerk te verrichten en wilden evenmin betalen voor mannen die hun plaats konden innemen. Doeve van Riedwijck uit Haarlem schoot het geld voor. In 1426 kozen opstandige Kennemers de zijde van Jacoba. Terwijl soldaten, bestuurders en boodschappers door Holland trokken, bleven bevelen, voorrechten en financiële aanspraken in geschreven stukken worden vastgelegd.
Ook een klooster had toestemming van de macht nodig
Juist in deze onrustige jaren zochten Hughe Buijs en zijn gezellen zekerheid voor hun nieuwe gemeenschap. Jacoba van Beieren streed om haar gezag in Holland, terwijl binnen het bisdom Utrecht de positie van Zweder van Kuilenburg omstreden was. Voor een jonge stichting maakte dat officiële erkenning des te belangrijker. Grond bezitten en samenleven waren niet voldoende wanneer later twijfel kon ontstaan over rechten, kapel of inkomsten. Wereldlijke toestemming moest de stichting tegenover het landsheerlijk gezag beschermen; kerkelijke goedkeuring gaf haar een plaats binnen het bisdom. Daarnaast bleven bestaande parochiale rechten gelden. Sion ontstond daarom niet buiten de politieke strijd van zijn tijd, maar moest er juridisch houvast in vinden.
Vijftien mannen brachten hun bezit bijeen
Voordat er bij Beverwijk een klooster stond, was er een groep mensen. Aan het hoofd stond Hughe Buijs, een priester uit Dordrecht. Om hem heen verzamelden zich negen klerken en vijf leken. Met Hughe waren zij met vijftien. Zij brachten niet alleen hun voornemen mee, maar ook hun persoonlijke bezit. Wat voordien aan afzonderlijke mannen had toebehoord, werd samengebracht voor hun gezamenlijke bestaan in het huis van de Heilige Maagd Maria op Sion. Daarmee kreeg hun geestelijke keuze een stoffelijke grondslag. Zij moesten immers ergens slapen, eten, bidden en werken. Hun gezamenlijke vermogen kon daarvoor het begin vormen. Wat nog ontbrak, was een vaste plaats.
Hughe Buijs zocht grond voor zijn gemeenschap
Hughe Buijs en zijn gezellen stonden niet los van de kloosterwereld die in de voorafgaande tientallen jaren was gegroeid. Via geestelijke huizen konden zij terugvallen op ervaringen uit Deventer, Windesheim en Hulsbergen. Willem Vornken, prior van Windesheim, en Dirk van Kleef, prior van Sint-Agnietenberg, behoorden tot de mannen die bij de jonge gemeenschap betrokken raakten. Daar lagen voorbeelden voor het gemeenschappelijke leven dat Hughe voor ogen stond. Hij had inmiddels zijn gezellen en hun gezamenlijke vermogen bijeen. Maar van gebed en goede bedoelingen alleen kon geen klooster worden gebouwd. In Kennemerland moest grond worden gevonden waarop de vijftien mannen werkelijk konden beginnen.
Hun weg eindigde in Beverwijk
Die grond kwam binnen de vrijheid van Beverwijk beschikbaar. De plaats lag tussen oude parochies en landerijen van de abdij van Egmond, niet ver van Haarlem en verbonden met de wegen door Kennemerland. Hier traden Gherijt de Visscher en zijn moeder Gheertruyt Mathijsdochter naar voren. Zij konden de gemeenschap geven wat Hughe zelf nog niet bezat: een vaste plaats. Daarmee hoefden de vijftien mannen niet langer alleen een groep met gezamenlijk bezit te blijven. Zij konden ergens wonen, een kapel inrichten, samen eten en hun dagen volgens een vaste regel gaan ordenen. Vanaf dat ogenblik raakten hun geschiedenis en die van Beverwijk met elkaar verweven.
Een moeder en zoon maakten Sion mogelijk
Gherijt de Visscher stond bij die stichting niet alleen. Naast hem verschijnt zijn moeder Gheertruyt Mathijsdochter. Samen beschikten zij over het bezit dat voor de nieuwe gemeenschap werd bestemd. Over Gheertruyt weten we veel minder dan over haar zoon, maar in de beslissende akte staat haar naam naast de zijne. Gherijt bleef ook daarna rond het religieuze leven van Beverwijk zichtbaar. Enkele jaren later zou hij optreden voor de vrouwen van Hermon. Achter het begin van Sion stonden daarmee geen naamloze weldoeners. Een moeder en haar zoon stonden land, huizen, bomen, boomgaard, rietland en aanwas af waarop vijftien mannen hun gemeenschap konden bouwen.
Op 20 oktober 1427 kreeg Sion grond onder de voeten
Op 20 oktober 1427 droegen Gherijt de Visscher en Gheertruyt Mathijsdochter ongeveer zes morgen binnen de vrijheid van Beverwijk aan de gemeenschap over. Er stonden twee kleine huizen en bomen; daarnaast lagen een boomgaard, rietland en aanwas, nieuw aangeslibde grond. Een van de huizen werd als kapel ingericht, het andere als slaapruimte. Daarna kwamen een keuken en een refter, waar de mannen gezamenlijk konden eten. De bomen leverden hout, het rietland materiaal en de grond jaarlijks nieuwe opbrengsten. Wat tot dan toe een groep mannen met gezamenlijk bezit was geweest, kreeg nu muren, grond, bomen en een plaats voor het gebed.
Het eerste Sion bestond uit twee kleine huizen
Geen torens, kloostergangen of monumentale muren markeerden het begin. Tussen de zes morgen stonden twee kleine huizen. In het ene werd gebeden, in het andere geslapen. De boomgaard leverde vruchten, bomen konden hout geven en in het rietland werd bruikbaar riet gesneden. De aanwas bestond uit grond die langs het water door aanslibbing was ontstaan. Daarna verschenen een keuken en een refter. Daar kwamen de mannen aan tafel bijeen. Zo begon Sion tussen bestaande huizen, bomen en nat land. Iedere uitbreiding moest worden gebouwd en onderhouden uit wat de gemeenschap bezat, ontving of met haar arbeid en opbrengsten kon betalen.
De grond moest ook de schrijftafel onderhouden
De zes morgen moesten meer dragen dan kapel, slaapruimte en refter. Boomgaard, rietland en overige grond leverden producten die konden worden gebruikt, verkocht of verpacht. Wat Sion zelf voortbracht, hoefde niet elders te worden gekocht; wat geld opleverde, kon andere benodigdheden betalen. Voedsel en kleding stonden vooraan, maar het kloosterlijke leven vroeg ook om geschreven teksten. Voor mis, koorgebed, studie en lezing waren handschriften nodig. Perkament, inkt en schrijfgerei kostten materiaal en arbeid. Ook garen, houten platten, leer en lijm moesten ergens vandaan komen. De schrijftafel stond binnen de kloostermuren, maar de middelen die haar mogelijk maakten lagen voor een belangrijk deel daarbuiten.
Maar Sion kwam niet in een leeg landschap
De schenking plaatste Hughe en zijn gezellen tussen instellingen die er al generaties lang waren. De Sint-Agathakerk bezat parochiale rechten in Beverwijk; de abdij van Egmond behoorde tot de grote grondbezitters van Kennemerland. Een eigen kapel betekende niet dat Sion voortaan buiten die bestaande verhoudingen stond. Ook economisch vormde de eerste schenking slechts het begin. De zes morgen konden rechtstreeks worden gebruikt of opbrengsten leveren, terwijl huizen, bomen, boomgaard en rietland ieder hun eigen waarde hadden. Gherijt en Gheertruyt hadden de gemeenschap een vaste bodem gegeven. Nu moest Sion binnen de kerkelijke, juridische en economische wereld van Kennemerland zijn plaats vinden.
In april 1429 kwamen de beslissende toestemmingen
Op 1 april 1429 gaf Jacoba van Beieren toestemming voor de stichting. Negentien dagen later, op 20 april, volgde de kerkelijke goedkeuring van bisschop Zweder van Kuilenburg. Daarmee verdwenen bestaande rechten niet. Joannes van Eyck, pastoor van Beverwijk, behield wat aan de Sint-Agathaparochie toekwam. Over onder meer begrafenissen en offergaven moesten afspraken worden gemaakt. Tegelijk kwamen vanuit het Windesheimse verband mannen naar Beverwijk die wisten hoe een kloosterleven moest worden ingericht. Johannes Busch en Godfried van Tiel brachten ervaring mee; Willem Vornken en Dirk van Kleef stonden eveneens rond de jonge stichting. Sion kreeg nu zowel toestemming als richting.
De pastoor van Beverwijk had rechten te verdedigen
Met een eigen kapel kwam Sion dicht bij het werkterrein van Joannes van Eyck. Als pastoor van de Sint-Agathakerk stond hij aan het hoofd van de parochie waarin mensen werden gedoopt, trouwden, sacramenten ontvingen en vanuit de kerk werden begraven. Aan die handelingen waren ook rechten en inkomsten verbonden. Daarom werden met Van Eyck afspraken gemaakt over sacramenten, begrafenissen, offergaven en andere parochiale rechten. Achter zulke bepalingen lag meer dan geld. Voor de middeleeuwse gelovige hield de zorg niet bij het graf op. Voor gestorvenen werd gebeden en er konden missen voor hun zielenheil worden opgedragen. Ook daarin moesten parochie en klooster weten wat hun toekwam.
Twee ervaren kloosterlingen kwamen naar Beverwijk
Johannes Busch en Godfried van Tiel kwamen niet toevallig naar Sion. Beiden verbleven in Ludingakerk toen zij naar Beverwijk werden geroepen. Willem Vornken van Windesheim en Dirk van Kleef van Sint-Agnietenberg hadden Hughe en zijn gezellen bezocht en hun voornemen goedgekeurd. Busch en Godfried kregen vervolgens de taak de regel en levenswijze van Windesheim in de jonge gemeenschap in te voeren. Zij brachten meer mee dan hun aanwezigheid. Zij kenden de uren van gebed, het gemeenschappelijke leven, gehoorzaamheid, arbeid en lezing uit bestaande huizen. De vijftien mannen die grond en twee kleine huizen hadden gekregen, leerden nu hoe daarin werkelijk een kloostergemeenschap moest leven.
Met hen kwamen de handschriften dichterbij
De levenswijze die Busch en Godfried invoerden kon niet zonder geschreven teksten. Voor de mis waren liturgische handschriften nodig, voor het koorgebed psalmen en gezangen, voor studie en overdenking geestelijke werken. Sommige konden worden meegebracht of geleend; andere moesten worden overgeschreven. Dan begon het werk met een beschrijfbaar vel. De kopiist trok lijnen, bereidde zijn pen en schreef regel na regel. Na hem moesten de losse bladen tot katernen worden gevouwen, genaaid en beschermd door een band. Garen, houten platten, leer en lijm kregen zo een plaats naast inkt en perkament. De geestelijke regel die naar Beverwijk kwam, bracht daardoor vanzelf een behoefte aan boeken mee.
Rond het jonge Sion stonden machtige namen
Rond het jonge klooster stonden mensen met ieder een andere bevoegdheid. Jacoba van Beieren gaf wereldlijke toestemming. Zweder van Kuilenburg verleende kerkelijke goedkeuring. Joannes van Eyck verdedigde de rechten van de bestaande parochie. Hughe Buijs leidde de nieuwe gemeenschap. Willem Vornken en Dirk van Kleef verbonden haar met Windesheim en Sint-Agnietenberg. Johannes Busch en Godfried van Tiel kwamen naar Beverwijk om het kloosterleven daadwerkelijk vorm te geven. Geen van hen kon alleen Sion maken tot wat het werd. De stichting ontstond waar hun verschillende werelden elkaar raakten: landsheerlijk bestuur, bisdom, parochie, kloosterverband en de vijftien mannen die er wilden wonen.
Gherijt de Visscher verscheen opnieuw
Gherijt de Visscher verdween na de schenking van 1427 niet uit beeld. Enkele jaren later stond hij bij een andere religieuze gemeenschap in Beverwijk: de vrouwen van Hermon. Zij leefden aanvankelijk volgens de derde regel van Sint-Franciscus en wilden hun levenswijze veranderen. Gherijt trad voor hen op bij bisschop Zweder van Kuilenburg. Dezelfde man die samen met zijn moeder de eerste grond aan Sion had afgestaan, hielp nu een vrouwengemeenschap haar kerkelijke plaats te vinden. De kring rond het religieuze Beverwijk blijkt daarmee opvallend klein. De naam van één schenker verbindt binnen enkele jaren twee gemeenschappen die ieder hun eigen verdere geschiedenis zouden krijgen.
Ook de vrouwen van Hermon kwamen onder Sions invloed
Op 14 oktober 1430 kregen de vrouwen van Hermon toestemming om volgens de regel van Augustinus te leven. Het huis zou later Nazareth worden genoemd. De vrouwen kwamen onder geestelijk toezicht van de regulieren van Sion. Daardoor konden priesters uit Sion bij hen komen voor hun geestelijke verzorging. Ook daar waren geschreven teksten nodig. Gebed, liturgie en gemeenschappelijke lezing vroegen om woorden die telkens opnieuw konden worden gelezen. De verbinding tussen beide huizen liep dus niet alleen via Gherijt de Visscher of bestuurlijke afspraken. Priesters bewogen tussen de gemeenschappen en met het religieuze leven dat zij deelden, bewogen ook teksten, gebeden en kloostergewoonten mee.
Toen bereikte Hendrik Mande Sion
Rond dezelfde tijd kwam Hendrik Mande naar Sion. Ooit had hij Willem VI aan het grafelijke hof gediend. Daarna was hij via Deventer in Windesheim terechtgekomen, waar hij geestelijke werken schreef en aan handschriften werkte. Hij kende het verluchten van missalen, bijbels en gezangboeken uit eigen hand. Tijdens een reis door Holland verbleef hij in Beverwijk, reisde naar Delft en keerde vervolgens terug. In 1431 stierf hij in Sion. Zijn teksten stierven niet met hem. Ze werden overgeschreven en verder gelezen. Nauwelijks vier jaar na de eerste schenking stierf in het jonge Beverwijkse klooster een man die hof, Moderne Devotie, Windesheim en handschriftproductie persoonlijk met elkaar verbond.
Bij Mande kwamen land en geschreven woord samen
Mande kende de wereld achter het boek van dichtbij. Hij had geschreven en verlucht en wist hoeveel arbeid in een handschrift school. De gemeenschap waarin hij zijn laatste dagen doorbracht had zulke werken nodig voor mis, koorgebed, studie en lezing. Een beschreven blad begon niet bij de pen. Perkament moest worden vervaardigd, inkt bereid of gekocht en een voltooide tekst moest worden samengebonden en beschermd. Voor dat alles waren grondstoffen, vakmanschap en geld nodig. Sions akkers en inkomsten betaalden daarom niet alleen voedsel en gebouwen. Zij droegen een huishouden waarin ook boeken konden worden gemaakt, aangeschaft, hersteld en bewaard.
In 1432 kwamen twaalf goederen van Egmond
Een jaar na Mandes dood werd die economische basis aanzienlijk groter. In 1432 kreeg Sion twaalf goederen van de oude benedictijnenabdij van Egmond. De akte bewaart het landschap bijna perceel voor perceel. Namen als Beecacker, Soier Viertel, Huijsacker, Des Abtsacker, Hoghemade, Den Hoorn en Die Venne verschijnen naast de Heemskerkerweg, Egmonderweg, Hoflanderweg en verschillende beken. Achter het algemene woord kloosterbezit lagen herkenbare stukken Kennemerland. Sommige werden geploegd, andere begraasd of verpacht. Sion kreeg geen onbestemde rijkdom, maar akkers, weiden en rechten die ieder afzonderlijk iets moesten voortbrengen. Het klooster kreeg daarmee een steviger economische bodem onder het dagelijkse leven binnen zijn muren.
Aan het land hing een prijs van 53 Engelse nobels
De goederen waren geen vrije schenking zoals de zes morgen van Gherijt en Gheertruyt. Jaarlijks moest Sion 53 Engelse nobels betalen. Bezit bracht dus meteen een verplichting mee. Een akker moest oogst leveren, een weide kon vee dragen en verpachting kon geld opbrengen. Twee van de beschreven weiden boden samen plaats aan vijftien koeien. Die dieren leverden melk en kalveren en konden uiteindelijk ook huiden nalaten. Ieder jaar keerde ondertussen dezelfde rekening terug. De gemeenschap moest voldoende voortbrengen om Egmond te betalen én haar eigen bestaan te onderhouden. Landbezit betekende niet alleen rijkdom, maar voortdurend werken, rekenen en beheren.
Een dierenhuid kon een beschreven blad worden
Een geschikte huid kon uiteindelijk een heel andere bestemming krijgen. Na de slacht moest zij worden schoongemaakt en onthaard, strak op een raam gespannen en steeds verder geschraapt tot een dun en vlak oppervlak ontstond. Na droging kon het vel worden gesneden. Pas dan kreeg de schrijver materiaal waarop hij lijnen kon trekken en letters zetten. Niet iedere huid was geschikt en niet iedere huid van Sions vee zal in Sion zelf zijn verwerkt. Toch maakt het proces zichtbaar hoeveel arbeid aan één beschreven blad voorafging. Nog voordat de kopiist zijn pen oppakte, hadden veehouder, slachter en perkamentmaker hun werk al gedaan.
Niet iedere koe werd een handschrift
Daarmee moet het verband niet sterker worden gemaakt dan de bronnen toelaten. Niet iedere huid van Sions vee werd perkament en niet ieder handschrift in het klooster was op eigen materiaal geschreven. Wel beschikte Sion over grond, vee en inkomsten, terwijl uit de gemeenschap ook perkament en lijm werden verkocht. Grondstoffen konden worden gebruikt, verkocht of in geld worden omgezet. Daarmee kon vervolgens weer iets anders worden aangeschaft. Er liep dus geen rechte lijn van een bepaalde koe in een bepaalde weide naar een blad op de schrijftafel. Er bestond een kloosterhuishouding waarin landbouw, ambacht, handel, inkomsten en geschreven cultuur elkaar voortdurend konden raken.
Uiteindelijk kwam alles samen op de schrijftafel
Wanneer een vel perkament eenmaal klaar lag, begon een nieuwe reeks handen. De kopiist trok lijnen en schreef blad na blad. De beschreven vellen werden gevouwen tot katernen en in de juiste volgorde gelegd. Daarna volgden garen en naald. Houten platten beschermden het boekblok; leer kon eroverheen worden gespannen en lijm hield onderdelen op hun plaats. Sommige banden kregen metalen sluitingen of beslag. Uit losse grondstoffen ontstond zo een voorwerp dat generaties kon meegaan. De schrijver was belangrijk, maar hij werkte nooit alleen. Achter een voltooid boek stonden de handen van mensen die materiaal vervaardigden, schreven, naaiden, bonden en uiteindelijk de band sloten.
Sion groeide verder
Na 1432 bleef Sion niet het kleine huis dat enkele jaren eerder op de grond van Gherijt en Gheertruyt was begonnen. Bezit en inkomsten namen toe, nieuwe mannen traden toe en priors volgden elkaar op. Iedere generatie moest dezelfde dagelijkse taken voortzetten: bidden, lezen, werken, land beheren en de gemeenschap onderhouden. Ook het geschreven bezit groeide mee. Wat aanvankelijk noodzakelijk was voor mis, koorgebed en gemeenschappelijke lezing werd een blijvend onderdeel van het huis. Uit de latere vijftiende eeuw komen daardoor steeds meer afzonderlijke handen naar voren: mannen die schreven, teksten beoordeelden, banden verzorgden, werken schonken of nieuwe exemplaren aanschaften.
Een schoenmaker ging achter de schrijftafel zitten
Onder die latere schrijvers bevond zich broeder Jan Jans. In een handschrift noemde hij zichzelf niet alleen broeder, maar ook schoenmaker. Toch schreef hij een Middelnederlandse verklaring van het Hooglied over. Het woord kopiist krijgt daardoor een ander gezicht. Dezelfde man die met leer werkte, kon op andere uren achter een lessenaar zitten en een geestelijke tekst letter voor letter overnemen. Binnen een klooster hoefde schrijven geen afzonderlijk beroep te zijn zoals buiten de muren een stedelijk ambacht dat kon zijn. Handwerk en schrijfwerk kwamen in één persoon samen. Jan Jans werkte met materiaal dat onder zijn handen vorm kreeg, of dat nu leer was of een beschreven blad.
Na de schrijver kwam een andere hand
Met de laatste geschreven regel was een handschrift nog niet voltooid. De katernen moesten worden samengebracht, genaaid en tussen houten platten bevestigd. Daarover kon leer worden gespannen. Uit Sion zijn banden bekend waarvan de versiering met een Beverwijkse boekbinder in verband wordt gebracht. Kleine ster- en bloemvormige stempels werden in het leer gedrukt en gaven de band een herkenbaar uiterlijk. Naast de kopiist verschijnt daarmee een tweede vakman. De ene hand zette woorden op het blad, de andere maakte van losse katernen een stevig voorwerp dat kon worden opgeborgen, meegenomen en telkens opnieuw geopend. Pas daarna was de tekst bestand tegen jarenlang gebruik.
De naam in een band vertelde van wie hij was
Een handschrift kon vervolgens een teken van bezit krijgen. In bewaarde exemplaren staan aantekeningen die verklaren dat het werk aan het huis van de regulieren in Sion bij Beverwijk behoorde. Een korte regel veranderde niets aan de tekst, maar vertelde wel waar de band thuishoorde. Dat was belangrijk, want niet ieder werk was in Sion geschreven. Een handschrift kon geschonken, gekocht, geleend, elders vervaardigd of later opnieuw gebonden zijn. Zodra het in de verzameling werd opgenomen, behoorde het tot het gemeenschappelijke bezit. Eeuwen later zijn juist zulke eigendomsnotities van grote waarde. Zij verbinden verspreide handschriften opnieuw met het verdwenen Beverwijkse klooster.
Ook boeken konden Sion weer verlaten
In de vijftiende eeuw werd het geschreven bezit daarom voortdurend beheerd. Onder prior Bero Willemsz. wordt zichtbaar dat boeken konden binnenkomen én verdwijnen. Een ouder handschrift was door Zybold, pastoor van Wijk aan Zee, aan Sion nagelaten. Later werd het verkocht en kwam het bij de prior van Nieuwlicht bij Blokker terecht. Bero liet vervolgens een vervangend exemplaar aanschaffen. Eén boek kon daarmee achtereenvolgens nalatenschap, kloosterbezit, verkoopwaar en bezit van een ander klooster zijn. Een bibliotheek was geen afgesloten kamer waarin alles voor altijd bleef staan. Boeken bewogen tussen mensen en huizen, precies zoals de handschriften een eeuw eerder tussen Groenendaal, Deventer en Windesheim hadden gereisd.
Een prior kon ook teksten beoordelen
Bero Willemsz. was niet alleen beheerder. Een medebroeder stuurde hem een omvangrijke tekst met het verzoek deze te verbeteren. Het werk kreeg zelfs een naam die naar hem verwees: Berologion de correptione pravorum. Daarmee verschijnt nog een hand tussen schrijver en lezer. Een tekst kon eerst worden opgesteld, vervolgens door een ervaren medebroeder worden gelezen, beoordeeld en verbeterd voordat hij verder werd gebruikt of overgeschreven. De prior stond dus niet uitsluitend bovenaan de bestuurlijke orde van het klooster. Hij kon ook gezag hebben als lezer. Schrijven, corrigeren, kopiëren, binden, aanschaffen en bewaren hielden gezamenlijk de geschreven wereld van Sion in leven.
Op 7 juni 1477 legde Zibrandus zijn pen neer
Soms bewaart een handschrift zelfs de dag waarop het schrijven eindigde. Broeder Zibrandus Bartoldi voltooide op 7 juni 1477 in Beverwijk een afschrift van Augustinus' uitleg van de eerste vijftig psalmen. Zijn naam en de datum bleven bij zijn werk staan. Daarmee verdwijnt het algemene woord kopiist. Achter de bladen verschijnt één man. Regel na regel nam hij een omvangrijke Latijnse tekst over, totdat hij op die junidag het laatste gedeelte bereikte en zijn pen kon neerleggen. Daarna kon het werk worden samengevoegd en bewaard. Meer dan vijf eeuwen later kennen we daardoor niet alleen de tekst die in Sion werd gelezen, maar ook degene die haar daar met zijn pen vermenigvuldigde.
In 1498 schreef Gheryt voor een vrouw uit Beverwijk
Eenentwintig jaar later bleef het schrijfwerk van Sion niet binnen de kloostermuren. In 1498 vervaardigde broeder Gheryt van Castrinchem een Nederlandstalig getijdenhandschrift voor Aef van Bolgerien, een vrouw uit Beverwijk. Zo'n handschrift bevatte gebeden voor verschillende uren van de dag en kon thuis worden gebruikt. Gheryt schreef dus niet uitsluitend voor zijn medebroeders. Vanuit Sion werd maandenlang gewerkt aan een tekst die uiteindelijk in handen van een Beverwijkse vrouw kwam. Naast schenker, kanunnik, kopiist, corrector en binder verschijnt daarmee de plaatselijke gebruiker. De geschreven wereld die via Groenendaal, Deventer en Windesheim naar Beverwijk was gekomen, bereikte nu een huis buiten Sions muren.
Een oude schrijver zette zijn bril op
Gheryt van Castrinchem was vierenzestig jaar toen hij eraan werkte en vermeldde zelf dat hij een bril gebruikte. Hij begon rond Maria-Geboorte en voltooide zijn schrijfwerk tegen de Advent van 1498. Maandenlang lag dezelfde tekst voor hem terwijl blad na blad werd gevuld. Daarna konden initialen, versieringen of geschilderde voorstellingen worden toegevoegd en moesten de katernen worden gebonden. Wanneer Aef van Bolgerien het voltooide handschrift in handen kreeg, hield zij veel meer vast dan geschreven woorden. Perkament, inkt, arbeid, vaardigheid en tijd waren erin samengebracht. Achter iedere bladzijde stond een oudere kloosterling uit Sion die zijn ogen met een bril hielp en verder schreef.
Ondertussen veranderde de wereld van het boek
Juist toen Gheryt nog met de hand schreef, veranderde de wereld rondom zijn lessenaar. Gedrukte boeken circuleerden inmiddels naast handschriften. Ook in Sions verzameling kwamen werken terecht die niet meer letter voor letter door een kopiist waren vermenigvuldigd, maar op een drukpers waren vervaardigd. Exemplaren uit plaatsen als Deventer, Keulen en Hagenau bereikten het klooster. Daarmee verdween het handschrift niet onmiddellijk. Oude codices bleven worden gelezen, opnieuw gebonden en bewaard, terwijl nieuwe gedrukte werken daarnaast een plaats kregen. Binnen één verzameling kwamen zo twee werelden naast elkaar te staan: eeuwenoude handschriftcultuur en de nieuwe mogelijkheid om dezelfde tekst in veel meer exemplaren te verspreiden.
Van Brabants bos tot Beverwijkse schrijftafel
Meer dan een eeuw lag tussen Ruusbroecs schrijven in Groenendaal en Gheryt van Castrinchem achter zijn lessenaar in Sion. In die tijd waren teksten van hand tot hand en van klooster tot klooster gereisd. Geert Grote had boeken geleend om ze te laten overschrijven. Windesheim had mensen, regels en geschreven kennis verder gedragen. In Beverwijk hadden schenkers grond gegeven, kloosterlingen boeken geschreven en gebonden, priors teksten laten verbeteren en inwoners handschriften laten vervaardigen. In 1498 boog Gheryt zich nog met zijn bril over ieder afzonderlijk woord. Rond hem verschenen al gedrukte boeken. De pen bleef schrijven, maar naast de schrijftafel was een nieuwe wereld begonnen.
Deel 2 — Sion en de handen achter het geschreven woord
De woorden waren ouder dan Sion
Toen in 1427 bij Beverwijk de eerste mannen van Sion hun gemeenschappelijke leven begonnen, stapten zij een eeuwenoude wereld van geschreven kennis binnen. De teksten die later op hun lessenaars lagen, waren vaak afkomstig van mannen die vele eeuwen eerder hadden geleefd. Augustinus stierf in 430. Gregorius van Nazianze behoorde tot de vierde eeuw, Johannes Damascenus tot de zevende en achtste. Guillaume Durand schreef in de dertiende eeuw over kerk en eredienst. Toch konden hun woorden eeuwen later in Beverwijk worden gelezen. Tussen hun schrijftafels en die van Sion stonden generaties kopiisten die teksten telkens opnieuw met de hand doorgaven.
Duizend jaar kopiëren hield Augustinus levend
Tussen Augustinus en de Beverwijkse kopiisten lag geen leegte van duizend jaar. In kloosters, bisschoppelijke centra, scholen en andere kerkelijke gemeenschappen werden oude teksten bewaard en opnieuw afgeschreven. Een versleten codex kon plaatsmaken voor een nieuw exemplaar; vanuit één verzameling kon een tekst naar een andere worden overgenomen. Schriftsoorten veranderden, talen ontwikkelden zich en politieke grenzen verschoven, maar woorden konden blijven voortbestaan. Iedere kopie droeg tegelijk het risico van nieuwe fouten. Toen eeuwen later in Sion opnieuw Augustinus werd afgeschreven, vormde Beverwijk een late schakel in een lange menselijke keten die tot de christelijke oudheid terugreikte.
De kerk bepaalde welke woorden gewicht kregen
Niet iedere oude schrijver bezat hetzelfde gezag. De Kerk kende een bijzondere plaats toe aan de Bijbel, kerkvaders, theologen, liturgische werken en het kerkelijk recht. Augustinus werd daarom anders gelezen dan een onbekende schrijver van een plaatselijke gebedstekst. Een kanunnik van Sion leerde niet alleen ontcijferen wat er stond, maar ook hoe zulke teksten binnen zijn geloof moesten worden verstaan. Boven de plaatselijke gemeenschap bestond een kerkelijke ordening van priesters, priors en bisschoppen, met uiteindelijk de paus in Rome. Sion lag aan de rand van Beverwijk, maar de geestelijke wereld waarin zijn broeders lazen en schreven strekte zich ver buiten Kennemerland uit.
Rome lag ver weg en toch boven Beverwijk
Een broeder van Sion hoefde nooit in Rome te zijn geweest om met het gezag van Rome te leven. De paus stond aan het hoofd van de Latijnse Kerk. Beverwijk behoorde bij Sions stichting tot het bisdom Utrecht. Bisschop Zweder van Kuilenburg gaf in 1429 kerkelijke goedkeuring aan de jonge gemeenschap en trad eveneens op rond de vrouwen van Hermon, het latere Nazareth. De verbinding tussen Rome en Beverwijk liep niet als een dagelijkse bevelslijn naar iedere schrijftafel. Zij liep via kerkelijk recht, bisschoppelijk gezag, de regel van Augustinus, kloosterlijke gebruiken en uiteindelijk de Windesheimse gemeenschap waarin Sion zijn plaats vond.
Deventer had schrijven al tot levenswerk gemaakt
Lang voordat Sion bestond, verzamelde Geert Grote in Deventer teksten die hij leende, liet overschrijven en weer doorgaf. Rond hem groeide de Moderne Devotie, waarin persoonlijke vroomheid, innerlijke hervorming, lezen en gemeenschappelijk leven centraal stonden. Florens Radewijns bracht schrijvende klerken bijeen die mede met kopieerwerk in hun onderhoud voorzagen. Gerard Zerbolt van Zutphen schreef binnen dezelfde geestelijke omgeving over innerlijke groei en het religieuze leven. Vanuit Deventer, Zwolle en Windesheim verspreidden mensen én teksten zich verder. De schrijfwereld die later in Beverwijk zichtbaar werd, ontstond dus niet uit het niets. Sion erfde een cultuur waarin lezen, overschrijven en bewaren al generaties betekenis hadden.
Windesheim bracht die wereld naar Holland
Windesheim groeide uit tot het moederklooster van een congregatie van reguliere kanunniken die volgens de regel van Augustinus leefden. Sint-Agnietenberg bij Zwolle behoorde tot dezelfde beweging. Willem Vornken, Dirk van Kleef en Johannes Busch bewogen binnen dit netwerk. Toen Busch op 10 augustus 1429 naar Sion werd gezonden, bereikte daarom meer dan één kloosterling Beverwijk. Hij bracht ervaringen uit andere huizen mee, kennis van het gemeenschappelijke leven en vertrouwdheid met teksten die bij gebed en studie werden gebruikt. Een klooster kon pas gesticht zijn, terwijl de kennis waarmee het werd ingericht eeuwenoude wortels had.
De eerste Beverwijkse boeken kwamen misschien van elders
Een jonge gemeenschap beschikte niet onmiddellijk over een volledige bibliotheek en hoefde ook niet ieder boek zelf te vervaardigen. Teksten konden met kloosterlingen meekomen, worden geschonken, gekocht, geleend of later gekopieerd. Een handschrift kon daarom al een lange reis achter zich hebben voordat het op een lessenaar in Beverwijk belandde. Dat onderscheid blijft belangrijk voor alle boeken die later met Sion worden verbonden. Een boek kon er geschreven zijn, er alleen gebonden zijn, er later terechtgekomen zijn of slechts een Beverwijkse eigenaar hebben gehad. De geschiedenis van een codex bestond uit verschillende werkzaamheden, en die hoefden niet allemaal op dezelfde plaats te gebeuren.
Aan de andere kant van Beverwijk lazen vrouwen mee
Sion was niet de enige religieuze gemeenschap rond Beverwijk. De vrouwen van Hermon, later Nazareth genoemd, kwamen in 1430 onder geestelijk toezicht van de regulieren van Sion. Ook voor hun gebed en gemeenschappelijke leven waren geschreven teksten nodig. Priesters uit Sion konden geestelijke zorg bieden, maar de vrouwen waren niet slechts ontvangers van wat mannen hun voorlazen. Overgeleverde handschriften laten zien dat binnen hun gemeenschap eveneens werd geschreven. Zo ontstonden in dezelfde plaats twee religieuze huizen waarin boeken deel uitmaakten van het dagelijkse leven. Mannen en vrouwen leefden gescheiden, maar bewogen binnen dezelfde grotere cultuur van gebed, lezing en geschreven overlevering.
In 1446 bereikten Zerbolts woorden Beverwijkse vrouwen
Een vroeg spoor ligt tegenwoordig in Haarlem. Een handschrift uit 1446 bevat een Nederlandse vertaling van Gerard Zerbolt van Zutphens De spiritualibus ascensionibus, een werk over geestelijke opgang en innerlijk religieus leven. Modern onderzoek verbindt het met de Beverwijkse kanunnikessen. Daarmee bereikte de Moderne Devotie Beverwijk niet alleen via mannen als Johannes Busch. Een auteur uit de kring rond Deventer werd in het Nederlands toegankelijk binnen een vrouwengemeenschap in Kennemerland. De keten liep van Zerbolts geleerdheid via vertaling en kopiist naar de lezeres. Nog voordat de bekendste schrijvers van Sion hun namen achterlieten, waren in Beverwijk dus al vrouwen intensief met geestelijke teksten bezig.
Geschreven woorden verdeelden de dag
In beide gemeenschappen lagen boeken niet alleen in kasten. Het kloosterleven zelf maakte ze noodzakelijk. De uren van dag en nacht werden door gebed gemarkeerd. Psalmen, lezingen en gezangen keerden volgens de kerkelijke orde terug, terwijl voor de mis weer andere teksten nodig waren. Een psalter, missaal, brevier of diurnale was daarom gereedschap van het religieuze leven. Een diurnale bevatte teksten voor de gebedsuren overdag. Sommige bladzijden werden telkens opnieuw geopend. Het geschreven woord hielp bepalen wanneer de gemeenschap bijeenkwam, wat werd gelezen en welke woorden door kerk of kapel klonken. Een boek hielp zo zelfs de tijd te ordenen.
Lezen betekende soms luisteren
Niet iedere broeder of zuster hoefde zelf naar een bladzijde te kijken om een tekst te leren kennen. Binnen religieuze gemeenschappen werd ook voorgelezen. Eén stem kon de woorden uit één codex voor verschillende luisteraars toegankelijk maken. Een handschrift bereikte daardoor meer mensen dan het aantal handen dat het tegelijk kon vasthouden. Geschreven en gesproken woord bleven nauw met elkaar verbonden. Een tekst kon eerst zwijgend door een kopiist worden overgenomen en later hardop door iemand anders worden gelezen. De bibliotheek was dus geen stille opslagplaats. Vanuit perkament en papier keerden de woorden telkens terug naar menselijke stemmen.
Iedere schrijver was eerst leerling
Niemand werd kopiist doordat iemand hem eenvoudig een veer in de hand drukte. Een leerling moest letters leren vormen, afkortingen begrijpen en voor Latijnse teksten voldoende kennis van de taal opbouwen. Daarna volgde oefening in regelmaat, bladindeling en nauwkeurigheid. Een beginnende schrijver keek naar ervaren handen en herhaalde hun bewegingen totdat zijn schrift betrouwbaar werd. Welke afzonderlijke leermeesters Zibrandus Bartoldi, Jan Jans, Diewer Pelgrims, Gheryt van Castrinchem, Maritghen of Henrick Havinck onderwezen, weten we niet. Toch staan achter hun letters onbekende voorgangers. Iedere bewaarde hand was ooit zelf leerling. Schrijfkennis reisde daarom niet alleen via boeken, maar ook van mens tot mens.
Latijn opende Europa, Nederlands opende deuren
Taal bepaalde mede wie een tekst kon gebruiken. Latijn verbond geestelijken en geleerden over grote afstanden. Een Latijns werk kon in Deventer, Leuven, Keulen of Rome worden gelezen zonder in iedere streek opnieuw te worden vertaald. Daarnaast groeide een omvangrijke religieuze cultuur in het Nederlands. Daardoor kwamen geestelijke teksten binnen bereik van lezers die niet jarenlang Latijn hadden geleerd. In Beverwijk bleven beide talen naast elkaar bestaan. Zibrandus schreef Augustinus binnen de Latijnse geleerdentraditie; andere werken verschenen in het Nederlands. Bij de vrouwen van Nazareth konden beide talen zelfs binnen één codex samenkomen. De taal van een boek bepaalde mede wie de woorden rechtstreeks kon bereiken.
Op de werkvloer klonk een andere taal
Op een lessenaar kon Latijn liggen, terwijl rond diezelfde tafel waarschijnlijk vooral de plaatselijke volkstaal werd gesproken. Kanunniken lazen liturgische en geleerde teksten veelvuldig in het Latijn, maar dat betekent niet dat zij elkaar tijdens het snijden van veren, verzorgen van vee, bereiden van perkament of bespreken van dagelijks werk voortdurend in die taal aanspraken. In laatmiddeleeuws Holland was Middelnederlands de gewone omgangstaal, met regionale kenmerken. Binnen Sion kon een dagelijkse taalwisseling bestaan: Latijn bij liturgie, studie en veel geschreven geleerdheid, Nederlands in tal van gewone gesprekken en praktische werkzaamheden. De taal van de bladzijde was dus niet noodzakelijk de taal rondom de schrijftafel.
Eén broeder kon op één dag van taal wisselen
Voor een geschoolde kanunnik waren Latijn en Nederlands geen twee afgesloten werelden. Tijdens het koorgebed kon hij Latijn zingen, daarna in het Nederlands met een medebroeder spreken en vervolgens aan zijn lessenaar opnieuw een Latijnse tekst openen. Een opdracht, uitleg of praktisch probleem hoefde niet in dezelfde taal te worden besproken als het boek waaraan werd gewerkt. Juist daardoor wordt de kloostertaal interessanter dan eenvoudig "Latijn of Nederlands". Taalgebruik veranderde met plaats, taak en gesprekspartner. Dezelfde broeder kon zich binnen enkele uren bewegen tussen liturgische formules, geleerd Latijn, Nederlandse uitleg en de woorden van het dagelijkse werk.
Niet iedereen beheerste hetzelfde Latijn
Ook binnen Sion moeten verschillen in taalvaardigheid hebben bestaan. De achttien priesters die de gemeenschap in 1476 telde, hadden voor liturgie en priesterlijke taken kennis van Latijn nodig. Dat betekent niet dat iedere bewoner Latijn even gemakkelijk schreef, sprak of ingewikkelde theologie kon doorgronden. Rond het klooster werkten bovendien mensen voor landbouw, bouw, vervoer en andere praktische taken waarvoor geen geleerde Latijnse scholing nodig was. De gemeenschap bestond dus niet uit mensen met precies dezelfde opleiding. Een theologisch begrip kon voor de ene broeder vertrouwd zijn, terwijl een ander vooral praktische kennis bezat. Ook taal weerspiegelde verschillen in scholing, taak en positie.
Geschreven Nederlands klonk niet precies als gesproken Nederlands
Zelfs wanneer iemand Nederlands schreef, noteerde hij niet noodzakelijk precies wat hij in een gesprek zou zeggen. Middeleeuwse schrijftalen volgden eigen gewoonten, spellingen en voorbeelden. Een kopiist kon taalvormen uit zijn voorbeeld overnemen die verschilden van zijn eigen gesproken Nederlands. Daarom kunnen we uit een handschrift niet eenvoudig het dagelijkse Beverwijkse dialect terughoren. De letters bewaren invloeden van schrijver, voorbeeld en schrijftraditie door elkaar. Juist spelling, woordkeus en correcties kunnen echter aanwijzingen geven over herkomst en opleiding. Achter een keurige Nederlandse tekst stond een levende spreker, maar de stem die op straat of in het klooster klonk laat zich niet letter voor letter uit het perkament terughalen.
Bero bestuurde meer dan land en gebouwen
Vanaf 1449 stond Bero Willemsz. uit Amsterdam langdurig aan het hoofd van Sion. Hij was profes van Sint-Agnietenberg en zou ongeveer zevenentwintig jaar prior blijven. In 1476 telde de gemeenschap 21 kanunniken, van wie achttien priester waren. Bero verschijnt bovendien buiten Beverwijk; in 1467 hielp hij bij de overgang van het Haarlemse Caeciliaconvent naar de regel van Augustinus. Zijn taak was geestelijk, bestuurlijk én economisch. Een prior leidde mensen, beheerde bezit en vertegenwoordigde zijn klooster. Bij Bero kwam daar nog iets bij. Tijdens zijn bestuur wordt steeds duidelijker dat boeken niet aan de rand van Sions bestaan stonden, maar deel uitmaakten van het leven dat hij bestuurde.
Een pastoor schonk geschreven kennis
Zybold, pastoor van Wijk aan Zee, liet een werk van de Engelse theoloog Robert Holcot aan Sion na. Een boek kwam zo door een persoonlijke schenking in de kloosterverzameling terecht. Daar bleef het niet voorgoed. Het exemplaar werd later om goede, maar niet nader verklaarde redenen verkocht aan de prior van Nieuwlicht bij Blokker. Bero zorgde vervolgens voor een vervangend exemplaar. In één boekgeschiedenis ontmoeten we zo een pastoor aan de Noordzeekust, een prior in Beverwijk en een Windesheims klooster in West-Friesland. Boeken werden geschonken, verkocht en vervangen. Een kloosterbibliotheek stond nooit volledig stil.
Eén nobel maakte een keuze zichtbaar
Voor het vervangende exemplaar van Holcot wordt een bedrag van één nobel genoemd. De precieze datering van de aantekening vraagt voorzichtigheid, maar het bedrag vertelt iets wezenlijks: een boek vertegenwoordigde geld. Wanneer een prior besloot een exemplaar te vervangen, zette hij beschikbare middelen om in geschreven kennis. Sions inkomsten kwamen ondertussen uit grond, renten, landbouw en verkochte producten. Geld kon aan voedsel, gebouwen, vee of andere behoeften worden besteed, maar ook aan een tekst. Een bibliotheek groeide daarom niet vanzelf. Achter iedere aankoop stond een beslissing over wat de gemeenschap belangrijk genoeg vond om voor te betalen en vervolgens te bewaren.
Een schrijver maakte Bero zelf tot onderwerp
Bero's betekenis reikte verder dan het kopen van boeken. Een anonieme regulier van Nieuwlicht bij Blokker vervaardigde een omvangrijk werk dat aan de Beverwijkse prior werd opgedragen: het Berologion de correptione pravorum. Bero's naam kwam zelfs in de titel terecht. Het bewaarde handschrift telt 188 folia en bestaat uit papier en perkament. Dat een regulier uit een ander klooster zo'n werk aan hem richtte, maakt Bero tot meer dan beheerder van land en inkomsten. Hij maakte deel uit van een geleerd netwerk waarin teksten werden geschreven, verzonden, gelezen en opgedragen. Bestuur en intellectueel leven kwamen in dezelfde prior samen.
Onder de boeken lag land
De boekcultuur van Sion rustte letterlijk op grond. Het klooster bezat weiden en andere goederen waarvan de opbrengsten de gemeenschap onderhielden. Runderen leverden melk en kalveren en uiteindelijk bleven huiden achter. Een geschikte huid kon tot leer worden verwerkt of tot perkament. Sion verkocht aantoonbaar perkament. Daarmee bestaat een directe verbinding tussen grondbezit en geschreven cultuur, al kunnen we geen afzonderlijke koe aan een bepaald handschrift koppelen. Een boek begon niet pas wanneer een schrijver zijn pen in de inkt doopte. Achter het blad lagen land, vee en arbeid, en mensen die een ruwe huid veranderden in een oppervlak waarop woorden eeuwen konden blijven staan.
In 1476 maakten drie bewoners perkament
In 1476 waren drie bewoners van Sion betrokken bij de vervaardiging van perkament. Zij maakten het niet uitsluitend voor de eigen schrijftafels; een gedeelte werd buiten het klooster verkocht. De verbinding tussen Sions economie en zijn boekcultuur wordt hier uitzonderlijk tastbaar. Huiden moesten worden voorbereid, onthaard, gespannen, geschraapt, gedroogd en afgewerkt voordat een schrijver ermee kon werken. Hetzelfde materiaal kon vervolgens binnen Sion onder een pen terechtkomen of als handelswaar het klooster verlaten. Slechts een jaar later voltooide Zibrandus Bartoldi zijn Augustinus. Zijn bladen kunnen we niet aan deze drie mannen toeschrijven, maar perkamentproductie en schrijven bestonden aantoonbaar vrijwel naast elkaar.
De perkamentmakers hadden hun eigen woorden
Rond de huiden ontstond nog een andere taalwereld: die van het ambacht. Wie perkament maakte moest werkzaamheden, gereedschappen, kwaliteit en stadia van bewerking van elkaar kunnen onderscheiden. Een binder kende weer andere woorden voor katernen, naaien, leer en beslag; een schrijver sprak over regels, marges, initialen en correcties. Welke afzonderlijke vaktermen in Sion werden gebruikt, is niet volledig overgeleverd en die mogen we niet verzinnen. Toch moet zulke vaktaal hebben bestaan. Een gesprek tussen twee perkamentmakers klonk anders dan een bespreking tussen geleerde priesters. Binnen hetzelfde klooster leefden religieuze taal, bestuurstaal en ambachtelijke woorden voortdurend naast elkaar.
Niet iedere huid werd een gaaf blad
Een dierenhuid kon littekens, gaten en dunne plekken bevatten. Tijdens de bereiding moest voortdurend worden beoordeeld hoeveel materiaal veilig kon worden verwijderd. Te weinig schrapen liet een ruw oppervlak achter; te veel kon een zwakke plek openscheuren. Een klein gat maakte een vel niet noodzakelijk waardeloos. De schrijver kon zijn tekst er soms eenvoudig omheen plaatsen. In middeleeuwse handschriften bleven daardoor sporen van het levende dier zichtbaar. Perkament was geen volmaakt wit fabrieksproduct, maar zorgvuldig bewerkt lichaamsmateriaal. Wie in Sion een blad vasthield, hield iets vast dat ooit huid was geweest en door verschillende handen geschikt was gemaakt om woorden te dragen.
Een onbekende knecht hoefde Augustinus niet te begrijpen
Achter een Latijns boek stonden ook mensen die het Latijn van dat boek niet hoefden te kunnen lezen. Dieren moesten worden verzorgd, huiden vervoerd, hout bewerkt en goederen aangevoerd. Handelaren, knechten, boeren, ambachtslieden en vervoerders konden onmisbaar zijn voor de vervaardiging van een boek zonder Augustinus te kunnen ontcijferen. Een bestelling, prijsafspraak of aanwijzing bij praktisch werk moest vooral begrijpelijk zijn voor de betrokken mensen. De taal waarin een theologische tekst op de lessenaar lag, vertelt daarom niet automatisch welke woorden op het erf of in een werkruimte klonken. Geleerde Latijnse boeken konden rusten op arbeid die grotendeels in de volkstaal werd georganiseerd.
Op 7 juni 1477 legde Zibrandus zijn pen neer
Frater Zibrandus Bartoldi voltooide op 7 juni 1477 in Beverwijk een afschrift van Augustinus' commentaar op de eerste vijftig psalmen. Augustinus was toen al meer dan duizend jaar dood. Toch zat in Sion opnieuw een man zijn woorden letter voor letter over te brengen. Welke oudere codex Zibrandus precies voor zich had, is niet vastgesteld. Daarom mogen we geen klooster of eigenaar voor dat voorbeeld bedenken. De menselijke keten is echter zichtbaar: Augustinus schreef, anderen kopieerden, volgende generaties bewaarden en uiteindelijk bereikte een exemplaar Beverwijk, waaruit Zibrandus een nieuwe codex vervaardigde. Een stem uit de oudheid kreeg onder zijn handen opnieuw een lichaam.
Op de lessenaar lag een ander boek open
Zibrandus bedacht Augustinus' woorden niet terwijl hij schreef. Voor hem lag een bestaand voorbeeld, een exemplar. Zijn ogen bewogen steeds tussen voorbeeld en nieuw blad: lezen, onthouden, terugkijken, schrijven, controleren. Zo konden dezelfde teksten eeuwenlang worden vermenigvuldigd, maar zo ontstonden ook fouten. Een woord kon tweemaal verschijnen of een regel verdwijnen wanneer het oog op de verkeerde plaats in het voorbeeld terugkeerde. Juist zulke vergissingen kunnen voor moderne onderzoekers waardevol zijn. Wanneer verschillende handschriften dezelfde bijzondere fout delen, kan dat aanwijzingen geven over hun onderlinge verwantschap. Zelfs een middeleeuwse schrijffout kan eeuwen later nog vertellen langs welke weg een tekst heeft gereisd.
Op tafel lag meer dan een pen
Een kopiist had verschillende werktuigen nodig. De gesneden vogelveer moest scherp blijven. Een klein schrijversmes kon de punt bijwerken en verkeerd geschreven letters van perkament schrapen. Prikgaatjes hielpen bij het bepalen van lijnen en marges. Inkt moest beschikbaar zijn en het schrijfvlak voorbereid. Voor Sion kennen we niet de volledige inventaris van iedere schrijftafel, maar de bewaarde bladen tonen het resultaat van zulke opeenvolgende handelingen. Eerst werd het vel geschikt gemaakt en ingedeeld; daarna kwam de tekst. Correcties konden tijdens of na het schrijven worden aangebracht. Een bladzijde was al het product van verschillende werkzaamheden voordat een lezer de eerste regel kon lezen.
Diewer Pelgrims schreef wanneer de kalender haar tijd gaf
In 1479 voltooide zuster Diewer Pelgrims in Beverwijk een diurnale. Haar eigen slotnotitie vertelt dat zij het werk op het feest van Sint-Willibrord afrondde en een groot gedeelte op zon- en feestdagen had geschreven. Daardoor kennen we niet alleen haar naam en werk, maar zelfs iets van haar beschikbare schrijftijd. Een diurnale bevatte teksten voor de gebedsuren overdag; daarnaast bevat haar handschrift hymnen en hulpmiddelen voor de berekening van de kerkelijke kalender. Diewer vervaardigde geen willekeurig gebedenboek. Zij schreef gereedschap waarmee het ritme van de religieuze dag en het verloop van het kerkelijke jaar konden worden gevolgd.
Ook bij de vrouwen wisselde de taal
Diewer en de andere religieuze vrouwen leefden eveneens tussen Latijn en Nederlands. Liturgische teksten konden Latijns zijn, terwijl volkstalige geestelijke lectuur daarnaast een eigen plaats had. Dat vrouwen Latijn kopieerden bewijst taalvaardigheid, maar niet dat zij hun dagelijkse gesprekken onderling in het Latijn voerden. Bij gebed, lezing en schrijfwerk kon de kerktaal naar voren treden; in het gewone samenleven lag de volkstaal veel meer voor de hand. Nazareth was daardoor evenmin eentalig als Sion. Een zuster kon op dezelfde dag Nederlandse woorden spreken, Latijn lezen en vervolgens een tekst in een van beide talen op perkament zetten.
Aduarie gebruikte wat Diewer had geschreven
Diewers handschrift kreeg vervolgens een ander leven. Een oude bezittersnotitie verbindt het met Aduarie Pauwels, een religieuze in Beverwijk, en noemt eveneens magister Garalacus de Scotere. De precieze verhouding tussen alle personen in die notitie vraagt voorzichtigheid, maar één onderscheid is duidelijk: Diewer maakte het boek, terwijl Aduarie tot de gebruikerswereld ervan behoorde. De kopiist en gebruiker hoefden niet dezelfde persoon te zijn. Binnen de vrouwenwereld van Beverwijk verschijnen zo verschillende rollen: schrijven, bezitten, lezen en bidden. Een handschrift verbond mensen met elkaar zonder dat ieder van hen dezelfde taak uitvoerde.
Misschien bond Sion Diewers werk
De band rond Diewers handschrift is in ouder boekbandonderzoek verbonden met de Beverwijkse binder die bij Sion wordt geplaatst. Er bestaat geen bewaarde rekening waarop staat dat de regulieren haar boek daadwerkelijk bonden; de verbinding blijft daarom een toeschrijving. Als die juist is, ontstaat een bijzonder beeld. Diewer schreef binnen de vrouwengemeenschap, waarna haar werk naar de mannen van Sion kan zijn gegaan om een duurzame band te krijgen. Dan deelden beide religieuze huizen niet alleen geestelijke leiding en dezelfde plaats, maar mogelijk ook werkzaamheden rond boeken. De kloostermuur scheidde de gemeenschappen, maar hoefde niet iedere vorm van ambachtelijke samenwerking tegen te houden.
Het Lam Gods bleef in het leer achter
De Beverwijkse binder is herkenbaar geworden door zijn gereedschap. Naast kleine bloem- of stervormige kersouwkens gebruikte hij volgens klassiek boekbandonderzoek een groot paneel met het Lam Gods, ongeveer 95 bij 57 millimeter. Het komt op verschillende banden voor en werd vaak gecombineerd met groepjes kersouwkens. Het Lam Gods was een vertrouwd christelijk beeld van Christus als offerlam. Voor de boekhistoricus is de stempel tegelijk iets heel praktisch: een spoor van een werkplaats. De naam van de binder kennen we niet en zijn metalen gereedschap is verdwenen. Maar iedere afdruk in het leer kon eeuwen later nog verraden dat dezelfde stempel opnieuw was gebruikt.
Eén bloemetje bewijst nog geen Beverwijk
Die herkenning kent grenzen. Verwante banden en motieven kwamen ook elders voor, onder meer rond Nieuwlicht bij Blokker. Een kersouwke alleen is daarom geen paspoort van Sion. Onderzoekers moeten band, stempels, tekst, eigendomsnotities, schrift, datering en herkomst samen beoordelen. Dat onderscheid geldt voor het hele verhaal. Een boek kan in Utrecht zijn geschreven, in Beverwijk gebonden en later in Haarlem zijn beland. Een ander kan in Sion zijn geschreven maar elders zijn versierd. De vraag waar een boek vandaan komt, kan dus verschillende antwoorden hebben. Juist die verschillende plaatsen onthullen hoeveel handen aan één voorwerp konden werken.
Jan Jans schreef met handen die ook leer kenden
Broeder Jan Jans laat zien hoe weinig een moderne beroepsnaam over een kloosterling zegt. Hij wordt als kopiist van Sion genoemd en verbond zichzelf in een handschrift tevens met het schoenmakersambacht. Bovendien schreef hij een Middelnederlandse verklaring van het Hooglied. Dat Bijbelboek vol liefdesbeelden werd binnen het christendom geestelijk uitgelegd, bijvoorbeeld als verhouding tussen Christus en de Kerk of tussen Christus en de ziel. Dezelfde handen die leer, draad en schoenen kenden, konden dus ingewikkelde religieuze teksten overschrijven. In Jan kwamen ambacht, geloof en schrift samen. De afstand tussen werkbank en lessenaar was in Sion kleiner dan een moderne lezer gemakkelijk veronderstelt.
Jan bewoog ook tussen twee taalwerelden
Jan Jans maakt nog een ander soort dubbele functie zichtbaar. Aan zijn werkbank kon de praktische woordenschat van leer, draad en gereedschap klinken, terwijl hij aan zijn schrijftafel een Middelnederlandse verklaring van een Bijbelboek vervaardigde en voor zijn religieuze leven met Latijn vertrouwd moest zijn. Vertalen of verklaren betekende bovendien meer dan woorden vervangen. Geleerde en theologische begrippen moesten begrijpelijk worden gemaakt in de volkstaal. Het Nederlands stond daardoor niet tegenover geleerdheid. Het werd juist een middel waarmee kennis uit een Latijnse traditie een ander publiek kon bereiken. In één persoon konden ambachtelijke vaktaal, gesproken Nederlands en kerkelijk Latijn elkaar raken.
Niemand in Sion was maar één ding
Jan Jans is het duidelijkste voorbeeld, maar niet het enige. Bero bestuurde land en mensen, kocht boeken en werd betrokken bij geleerd werk. Gheryt was regulier én kopiist en schreef bovendien voor iemand buiten zijn eigen mannengemeenschap. Sybrant Spierinck was subprior en later prior en wordt mogelijk met een verluchter verbonden, al is die identificatie niet bewezen. Andere broeders konden priesterlijke, bestuurlijke en praktische taken combineren. Een klooster was geen moderne werkplaats waarin iedereen één vast beroep uitoefende. Gebed, bestuur, handenarbeid, schrijven en zorg voor bezit moesten binnen dezelfde muren worden verdeeld. Dezelfde man kon op verschillende uren een andere verantwoordelijkheid dragen.
Rond 1489 verschijnt nog een Beverwijks getijdenboek
Een Nederlands getijdenboek uit omstreeks 1489 wordt in modern onderzoek waarschijnlijk met Beverwijk verbonden. De schrijver is niet geïdentificeerd. Juist daardoor voorkomt het dat de geschiedenis uitsluitend rond bekende namen wordt opgebouwd. Niet iedere kopiist schreef zijn naam of leeftijd achterin. Sommige handen bleven voorgoed anoniem. Schrift, versiering, kalender, band en vergelijking met andere werken kunnen dan helpen de omgeving van vervaardiging te bepalen. Het getijdenboek laat bovendien zien dat Gheryts latere werk uit 1498 niet uit een leegte verscheen. Tegen het einde van de vijftiende eeuw bestond rond Beverwijk al een herkenbare traditie van schrijven, versieren, gebruiken en binden.
In 1492 werd de stilte doorbroken
De boekcultuur groeide niet in voortdurende vrede. In 1492 werd Sion tijdens politieke onlusten geplunderd en werden soldaten in het klooster ingekwartierd. De schade maakte aanzienlijke herstelwerkzaamheden noodzakelijk. Lang vóór de godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw kreeg de gemeenschap dus al te maken met geweld van buitenaf. Voor een huis dat boeken, perkament, gereedschap, vee en voorraden bezat, betekende inkwartiering meer dan ongemak. Mensen, gebouwen en bezit werden kwetsbaar. De gebeurtenis vormt juist daarom een belangrijk breekpunt: de schrijfwereld keerde daarna terug. Sions geschiedenis bestond niet uit één lange bloeiperiode, maar uit opbouw, verstoring en opnieuw beginnen.
Zes jaar later schreef Gheryt weer
Daarom is 1498 zo veelzeggend. Slechts enkele jaren na de plundering zat Gheryt van Castrinchem in Beverwijk aan een omvangrijk nieuw werk. Hij was vierenzestig jaar oud en schreef zelf dat hij een bril gebruikte. Voor het eerst verschijnt achter de letters niet alleen een naam, maar bijna een lichaam. Zijn ogen hadden hulp nodig. Hij begon rond Maria-Geboorte, 8 september, en werkte tot de Advent. Bijna drie maanden uit één mensenleven kunnen zo met één handschrift worden verbonden. De bladzijden bewaren niet alleen woorden, maar verstreken tijd. Tegelijk laten ze zien dat de Beverwijkse boekcultuur zich na de onrust van 1492 opnieuw had opgericht.
Gheryt schreef voor Aef van Bolgerien
De opdracht maakt zijn werk nog persoonlijker. Gheryt vervaardigde het Nederlandstalige getijdenboek voor Aef van Bolgerien, een vrouw uit Beverwijk. Daarmee verliet zijn schrijfwerk de besloten kring van de mannelijke kloosterbibliotheek. Een reguliere kanunnik besteedde maanden aan een religieus boek voor iemand uit de plaats. Het Nederlands maakte de gebeden toegankelijk zonder dat Aef dezelfde Latijnse scholing als een priester hoefde te hebben. Sion stond zo niet alleen in verbinding met Rome, Windesheim en geleerde auteurs, maar ook met individuele inwoners van Beverwijk. Eén boek verbindt kloosterling en leek, oude geloofstraditie en volkstaal, schrijftafel en persoonlijk gebed.
Gheryts bril brengt hem dichtbij
Gheryts bril maakt zichtbaar hoe lichamelijk schrijven was. Een kopiist moest zijn voorbeeld kunnen lezen, kleine letters onderscheiden en correcties herkennen. Goed licht was kostbaar. Middeleeuwse schrijf- en leesplaatsen werden daarom waar mogelijk bij vensters ingericht. Voor Sion kennen we de precieze plaats van Gheryts tafel niet en hoeven we geen groot scriptorium te bedenken waarvoor geen bewijs bestaat. Zijn eigen mededeling is al treffend genoeg. Achter de regelmatige letters zat een ouder wordende man die een hulpmiddel nodig had om scherp te zien. Zijn getijdenboek is daardoor niet alleen een geestelijk voorwerp, maar ook een tastbaar spoor van menselijke ouderdom en volgehouden arbeid.
De klok bepaalde wanneer de pen bewoog
Gheryt kon niet van ochtend tot avond ongestoord doorschrijven. Het leven van een regulier werd onderbroken door gebedsuren, mis, maaltijden en werkzaamheden voor de gemeenschap. Schrijven moest een plaats vinden binnen dat ritme. Dat maakt zijn datering van september tot de Advent des te betekenisvoller. Een handschrift ontstond niet in één lange werksessie, maar groeide blad na blad tussen andere verplichtingen door. Diewer Pelgrims schreef zelfs nadrukkelijk veel op zon- en feestdagen. Bij mannen én vrouwen bepaalde de religieuze kalender dus mede wanneer geschreven arbeid mogelijk was. Tijd was, naast perkament, inkt en vaardigheid, een noodzakelijke grondstof van ieder boek.
Na Gheryts pen kwam het penseel
Toen Gheryt zijn laatste woorden had geschreven, was het boek nog niet voltooid. In 1499 werd geschilderde versiering toegevoegd. Die decoratie wordt verbonden met een kunstenaar die als Spierinck bekendstaat. Opnieuw worden verschillende fasen van het maakproces zichtbaar. Iemand bereidde het materiaal, Gheryt schreef de tekst en daarna bracht een verluchter kleur aan. De aantrekkelijke gedachte dat deze kunstenaar dezelfde persoon was als Sybrant Spierinck van Sion is onderzocht, maar niet bewezen. Die onzekerheid moet blijven staan. De overeenkomst van naam opent een mogelijkheid, maar wordt pas geschiedenis wanneer bronnen beide personen werkelijk met elkaar verbinden.
Sybrant klom ondertussen in het bestuur
De Sionse Sybrant Spierinck verschijnt rond deze periode als subprior en later, in 1511 en 1515, als prior. Een subprior stond direct onder de prior en hielp de gemeenschap besturen. Later droeg Sybrant zelf de hoogste dagelijkse verantwoordelijkheid binnen het huis. Als ooit bewezen wordt dat hij dezelfde man was als de verluchter Spierinck, zouden bestuur en boekkunst in één persoon samenkomen. Zolang dat bewijs ontbreekt, blijven het twee lijnen die misschien samenlopen. Zijn aantoonbare loopbaan is al veelzeggend. Terwijl andere broeders schreven, baden, land beheerden of ambachtelijk werk verrichtten, stond Sybrant dicht bij de beslissingen over de gemeenschap waarin al die werkzaamheden samenkwamen.
Aef bleef niet de laatste bezitster
Gheryts boek kreeg later opnieuw een menselijk gezicht. Op een schutblad verschijnt Cornelisge Claes. Wie het boek vond, werd gevraagd het om Gods wil aan haar terug te brengen. Dat kleine verzoek laat zien dat een kostbaar handschrift ook eenvoudig kon zoekraken. Iemand vond het noodzakelijk duidelijk vast te leggen bij wie het hoorde. Het boek veranderde zo van opdracht in persoonlijk bezit en van schrijfproduct in gebruikt voorwerp. Eeuwen later kwam het in Leiden terecht als BPL 2747. Tussen Gheryts handen en de moderne bibliotheek liggen dus verschillende gebruikers en bezitters. Ieder van hen schreef mee aan het tweede leven van het handschrift.
Zelfs een overlevend boek kon gewond raken
BPL 2747 heeft de eeuwen overleefd, maar niet ongeschonden. Verluchte bladen zijn later uit het werk gesneden. Dat is belangrijk, omdat "bewaard" gemakkelijk klinkt alsof een middeleeuws boek vijf eeuwen onaangeroerd in een kast heeft gelegen. In werkelijkheid konden bladen verdwijnen, banden worden vervangen, aantekeningen worden toegevoegd en onderdelen beschadigd raken. Een codex bleef een voorwerp waarop iedere generatie opnieuw kon ingrijpen. Hetzelfde geldt voor andere Beverwijkse handschriften waarvan bladen ontbreken. Verlies behoort daarom niet alleen tot het verhaal van oorlog en brand. Zelfs een boek dat uiteindelijk veilig in een bibliotheek terechtkwam, kon onderweg een deel van zichzelf verliezen.
Papier veranderde het schrijven vóór de pers
Perkament bleef waardevol, maar papier kreeg een steeds grotere plaats. De techniek had via een lange weg vanuit Azië en de islamitische wereld Europa bereikt. Papier werd al voor handschriften gebruikt voordat drukken met losse metalen letters algemeen werd. Dat onderscheid is belangrijk. Handschrift betekende niet automatisch perkament, net zo min als papier uitsluitend bij drukwerk hoorde. Papierproductie vroeg lompen, water, arbeid, schepvormen, persen en droogruimte. Watermerken konden sporen van makers achterlaten. Met ieder nieuw materiaal verschenen nieuwe, meestal naamloze mensen achter het boek: lompenverzamelaars, papiermakers, handelaren, schippers en voerlieden die nooit konden weten welke woorden uiteindelijk op hun product zouden belanden.
In Mainz veranderde vooral de snelheid
Johannes Gutenberg combineerde rond het midden van de vijftiende eeuw technieken waarmee losse metalen letters herhaaldelijk konden worden gezet en afgedrukt. Zijn beroemde Bijbel liet zien wat dat betekende. Een kopiist vervaardigde één nieuw exemplaar door iedere letter opnieuw te schrijven. Een drukker kon dezelfde gezette bladzijde steeds opnieuw afdrukken. Gutenberg vond papier, inkt, letters en persen niet allemaal afzonderlijk uit. De omwenteling lag in de manier waarop deze technieken samenwerkten. In een wereld waarin boeken één voor één door mensenhanden werden vermenigvuldigd, veranderde vooral de schaal. De schrijftafel verdween echter niet. Beverwijk laat juist zien hoe lang pen en pers naast elkaar bleven bestaan.
Haarlem bracht de pers bijna tot aan Sion
De nieuwe druktechniek verspreidde zich snel. In de Nederlanden verschenen werkplaatsen in onder meer Leuven, Gouda, Haarlem en Deventer. Gheraert Leeu werkte in Gouda en later Antwerpen; Jacob Bellaert in Haarlem. Daarmee kwam de nieuwe kunst dicht bij Beverwijk. Dezelfde verbinding naar Haarlem waarlangs bestuurders, geestelijken, handelaren en goederen reisden, leidde nu naar een stad waar teksten met losse letters konden worden vermenigvuldigd. Een kloosterling hoefde niet naar Mainz te reizen om met de gevolgen van de drukpers in aanraking te komen. Gedrukte werken konden naar Beverwijk reizen, precies zoals handschriften dat eeuwenlang hadden gedaan.
Deventer bracht school en drukpers samen
Johannes Synthen werkte in de intellectuele omgeving van de Moderne Devotie en stelde een commentaar samen op het Doctrinale van Alexander de Villa Dei, een belangrijk Latijns leerwerk. In 1488 drukte Richard Pafraet Synthens tekst in Deventer. Een exemplaar kwam uiteindelijk bij de regulieren van Sion terecht. Achter één Beverwijks boek stonden zo een middeleeuwse grammaticus, een Deventer geleerde, scholieren, een drukker en een kloosterbibliotheek. De pers kwam niet terecht in een wereld zonder behoefte aan teksten. Scholen, kloosters en universiteiten hadden die vraag al eeuwen opgebouwd. De nieuwe techniek kon de bestaande honger naar geschreven kennis alleen veel sneller voeden.
De drukpers kon fouten sneller maken
De nieuwe techniek maakte menselijke nauwkeurigheid niet overbodig. Een verkeerd gezette letter kon juist in vele exemplaren terugkeren. Daarom moesten proefafdrukken worden gelezen en zetfouten hersteld voordat het drukken verderging. Bij Zibrandus kon één vergissing één codex aantasten. Bij Pafraet kon dezelfde fout door een hele oplage reizen. De corrector kreeg zo een nieuwe verantwoordelijkheid. Achter de indrukwekkende pers bleven mensen staan: zetters die letters uit bakken namen, drukkers die de vorm inkten, arbeiders die papier behandelden en lezers die fouten moesten ontdekken. De techniek veranderde het tempo, maar verwijderde de menselijke hand niet uit de overdracht van kennis.
Een gedrukt boek moest nog altijd naar Beverwijk reizen
Een druk uit Deventer, Haarlem of het Duitse Hagenau verscheen niet vanzelf in Sion. Papier en boeken moesten worden vervoerd. Haarlem en Amsterdam verbonden Kennemerland met wegen, binnenwateren en grotere handelsnetwerken. Voor afzonderlijke Sionse drukken kennen we niet altijd de schipper, wagen of tussenhandelaar en die moeten we dus niet bedenken. Juist dat onbekende traject is veelzeggend. Tussen de naam van een drukker en het bezittersmerk van Sion bevindt zich een verdwenen keten van boekverkopers, kooplieden, vervoerders en mogelijk geestelijken. Ook na Gutenberg bleef de verspreiding van kennis afhankelijk van mensen die fysieke pakken papier over werkelijke afstanden verplaatsten.
Hagenau belandde op een Beverwijkse boekenplank
In 1498 drukte Heinrich Gran in Hagenau voor Johannes Rynmann een werk dat later het bezittersmerk van de regulieren van Sion droeg. In precies hetzelfde jaar zat Gheryt in Beverwijk nog met pen en bril aan zijn getijdenboek. Die gelijktijdigheid is belangrijker dan een eenvoudig verhaal waarin drukwerk het handschrift plotseling verving. Terwijl Gheryt iedere bladzijde afzonderlijk schreef, konden honderden kilometers verder meerdere afdrukken uit dezelfde zetvorm ontstaan. Uiteindelijk kwamen beide werelden in Sion samen. Een kanunnik kon een handgeschreven codex openen en daarnaast een gedrukt werk bezitten dat via internationale handel zijn weg naar Kennemerland had gevonden.
In één mensenleven gingen woorden sneller reizen
De afstand tussen Hagenau en Beverwijk werd geografisch niet kleiner. Wat veranderde was hoeveel dezelfde woorden over die afstand konden reizen. Voor Zibrandus betekende een nieuw exemplaar van Augustinus nog dat iemand de tekst regel voor regel moest overschrijven. Een generatie later konden verschillende identieke drukken tegelijk worden vervoerd. Niet de weg veranderde eerst, maar de hoeveelheid tekst die eroverheen kon bewegen. Kennis werd daardoor minder afhankelijk van één afzonderlijke schrijvende hand. Toch verdween die hand niet. Juist in Beverwijk kunnen we beide ontwikkelingen naast elkaar volgen: gedrukte werken bereikten de kloosterbibliotheek terwijl mannen en vrouwen nog tientallen jaren met de pen nieuwe boeken vervaardigden.
In 1516 schreef Maritghen voor de vrouwen van Beverwijk
Een nieuwe vrouwelijke hand verschijnt in 1516. In haar colofon noemt zij zichzelf zuster Maritghen, dochter van Claes. Zij schreef het omvangrijke werk voor de nonnen in Beverwijk en vermeldde dat zij eraan werkte op heilige dagen. Het handschrift telt tegenwoordig 184 perkamenten bladen en bevat zowel Latijn als Nederlands. Opnieuw verschijnt een vrouw niet alleen als lezeres, maar als maker. Diewer Pelgrims had in 1479 geschreven; bijna veertig jaar later zat Maritghen nog steeds met de pen aan het werk. De vrouwelijke schrijftraditie van Beverwijk bestond dus niet uit één uitzonderlijke zuster, maar bleef over verschillende generaties zichtbaar.
Latijn stopte niet bij de deur van Nazareth
Maritghens boek bevat omvangrijke Latijnse gedeelten naast Nederlandse gebeden. Kalender, litanieën en dodenofficie sluiten aan bij liturgische gebruiken van Windesheim. Dat verandert het beeld van de religieuze vrouwen. Zij leefden niet uitsluitend met eenvoudige volkstalige teksten. Voor het vervaardigen en gebruiken van delen van zo'n codex was vertrouwdheid met kerkelijk Latijn nodig. Dezelfde taal die geestelijken in Beverwijk met geleerden en kerkelijke instellingen elders in Europa verbond, werd ook door vrouwen geschreven. Nederlands en Latijn vormden geen twee volledig gescheiden werelden. Binnen één Beverwijkse gemeenschap en zelfs binnen één boek konden beide elkaar ontmoeten.
Eén kalender vertelde waar Beverwijk thuishoorde
Maritghens kalender bevatte meer dan dagen en maanden. De heiligennamen vormden een geestelijke landkaart. Willibrord en Lebuinus verbonden de gemeenschap met de kerkelijke traditie van de noordelijke Nederlanden. Augustinus, wiens regel de vrouwen volgden, kreeg zijn eigen plaats. Meinulfus verwees naar Böddeken binnen het bredere Windesheimse verband, terwijl ook Cyriacus van Hoorn werd herdacht. Een zuster die de kalender gebruikte, keek dus niet alleen naar een datum. Zij zag bij welke grotere gemeenschap haar eigen huis hoorde. Rome bleef het verre centrum van de Latijnse Kerk, Utrecht het bisdom en Windesheim de kloosterfamilie. Op perkament werd die grote wereld plaatselijk gemaakt.
Ook Maritghens boek verloor bladen
Het handschrift van 1516 is bewaard, maar ook hier ontbreken bladen. Twee daarvan droegen waarschijnlijk miniaturen. Niet alleen Gheryts getijdenboek verloor dus onderweg kunst. De geschiedenis van een codex ging na de voltooiing gewoon verder. Een miniatuur kon later aantrekkelijk genoeg worden gevonden om afzonderlijk uit te snijden; een beschadigd blad kon verdwijnen; een nieuwe eigenaar kon iets toevoegen. Het huidige uiterlijk is daarom niet altijd het uiterlijk dat Maritghen of haar medezusters kenden. Wie een middeleeuws boek onderzoekt, probeert voortdurend twee voorwerpen tegelijk te zien: het exemplaar dat nu voor ons ligt en het oorspronkelijke werk waarvan slechts een veranderde vorm de eeuwen heeft overleefd.
In 1519 leefde de oude boekkunst nog
Een ander handschrift, tegenwoordig in Haarlem, wordt rond 1519 met Haarlem of Beverwijk verbonden en de verluchting wordt bij de zogenoemde Spierinck-groep geplaatst. De regionale boekkunst liep dus door tot ver in de tijd waarin drukwerk al gewoon was geworden. Gedrukte bladzijden maakten geschilderde initialen, penwerk en handgeschreven devotionele boeken niet onmiddellijk overbodig. Sommige opdrachtgevers en gemeenschappen bleven waarde hechten aan een afzonderlijk vervaardigd voorwerp. Handschrift en druk dienden bovendien niet altijd hetzelfde doel. Een relatief goedkope druk kon vele lezers bereiken; een persoonlijk getijdenboek kon juist door taal, versiering en bezittersgeschiedenis nauw met één mens verbonden raken.
Luther liet zien wat de pers inmiddels kon
Vanaf 1517 maakte de strijd rond Maarten Luther zichtbaar hoe krachtig gedrukte verspreiding was geworden. Traktaten, preken, pamfletten en vertalingen konden in vele exemplaren worden vervaardigd en over grote afstanden reizen. Een theologisch geschil bereikte daardoor sneller een groot publiek dan in een tijd waarin iedere nieuwe kopie opnieuw geschreven moest worden. Dezelfde techniek die grammatica en oude theologie verspreidde, kon nu kritiek op kerkelijk gezag rondsturen. Voor een klooster als Sion veranderde daarmee de betekenis van het boek. Tekst was niet langer alleen een middel voor gebed en studie. De verspreiding van tekst werd steeds duidelijker een kracht in godsdienst, samenleving en politiek.
En toch schreef Henrick in 1527 nog met de hand
Tien jaar na Luthers optreden verschijnt Henrick Havinck van Amsterdam, regulier in Beverwijk, nog altijd als kopiist. In 1527 schreef hij het Sinte Augustijns hantboecklijn. Dat ene jaartal voorkomt dat we de geschiedenis te eenvoudig vertellen. De drukpers had het handschrift niet vernietigd. Meer dan zeventig jaar na Gutenberg konden in Sion nog teksten met de hand worden overgenomen. Henricks afkomst uit Amsterdam laat bovendien zien dat niet alleen boeken naar Beverwijk reisden. Mensen deden dat eveneens. Een Amsterdammer kon regulier in Sion worden en daar aansluiten bij een schrijftraditie die al lang vóór zijn komst bestond.
Ook stemmen reisden naar Beverwijk
Henricks Amsterdamse afkomst herinnert eraan dat nieuwkomers niet alleen boeken, opleiding en herinneringen meebrachten. Zij kwamen uit streken waar het gesproken Nederlands in uitspraak en woordgebruik kon verschillen. Ook Bero Willemsz. had Amsterdamse wortels, terwijl andere verbindingen naar Zwolle, Windesheim, Haarlem, Nieuwlicht en verder liepen. Een algemeen gesproken Standaardnederlands bestond nog niet. Hoe afzonderlijke broeders precies klonken, kunnen we niet reconstrueren, maar hun verschillende herkomsten maken duidelijk dat achter de kloostermuur verschillende taalervaringen samenkwamen. Sion was ook in dat opzicht een ontmoetingsplaats: niet alleen van teksten en ideeën, maar waarschijnlijk eveneens van regionale stemmen.
Vier mannen laten drie generaties schrijven zien
De kloostergeschiedenis noemt Jan Jans, Zibrandus Bartoldi, Gheryt van Castrinchem en Henrick Havinck van Amsterdam als kopiisten van Sion. Samen laten zij zien waarom losse namen meer betekenen wanneer we ze naast elkaar plaatsen. Zibrandus schreef in 1477, Gheryt in 1498 en Henrick nog in 1527. Jan Jans verbond schrijven met het schoenmakersambacht. Naast hen staan de vrouwen van Nazareth, met het handschrift van 1446, Diewer in 1479 en Maritghen in 1516. Beverwijk bezat dus niet toevallig één vaardige kopiist. Over verschillende generaties bleven mannen én vrouwen er boeken met de hand vervaardigen.
Twee kloosters vormden samen een kleine boekenwereld
Wanneer Sion en Nazareth naast elkaar worden gezet, verschijnt een opmerkelijk plaatselijk netwerk. Mannen vervaardigden perkament, schreven teksten, bestuurden een bibliotheek en waren mogelijk betrokken bij het binden van boeken. Vrouwen kopieerden Latijnse en Nederlandse werken, gebruikten diurnalen en getijdenboeken en lieten hun namen in handschriften achter. Een Beverwijkse leek als Aef van Bolgerien kon eveneens een persoonlijk boek ontvangen. Daaromheen bewogen pastoors, binders, verluchters, handelaren en drukkers. Niet iedereen kende elkaar en niet ieder boek passeerde alle handen. Toch ontstond binnen één kleine plaats een wereld waarin vervaardigen, kopen, lezen, versieren, bewaren en doorgeven van geschreven kennis voortdurend in elkaar grepen.
Woorden werden steeds gevaarlijker
In de zestiende eeuw gingen kerkelijke en wereldlijke overheden scherper letten op wat werd gedrukt, verkocht en gelezen. Onder Karel V en later Filips II kreeg de bestrijding van verboden religieuze literatuur in de Nederlanden steeds grotere betekenis. Daarmee veranderde opnieuw de plaats van het boek. Een tekst kon niet alleen vroom, geleerd of kostbaar zijn; zijn inhoud kon ook verdacht worden. De vraag wie de Schrift mocht uitleggen, welke plaats Rome behield en welke geloofspraktijken geoorloofd waren, werd onderdeel van een steeds groter conflict. De geschreven wereld waarin Sion was opgegroeid raakte zo tegen het midden van de zestiende eeuw steeds nauwer verstrengeld met politieke macht.
In 1566 werden beelden zelf strijdpunten
De Beeldenstorm maakte in 1566 zichtbaar hoe diep de godsdienstige tegenstelling inmiddels was geworden. Kerken en kloosters werden op verschillende plaatsen getroffen; beelden en kerkelijke inrichtingen werden vernield. Voor Sion moeten we nauwkeurig blijven. De afzonderlijk gedocumenteerde aanval op het Beverwijkse klooster behoort tot 1567 en mag niet zonder bewijs eenvoudig als onderdeel van de Beeldenstorm worden beschreven. Juist dat onderscheid maakt het verhaal sterker. In 1566 trok een bredere golf van religieuze vernieling door de Nederlanden. Eind april 1567 bereikten gewapende geuzen Sion zelf. Voor de Beverwijkse gemeenschap veranderde de crisis toen van dreiging in werkelijkheid.
Jan Suermondt zag de oorlog Sion bereiken
In deze laatste fase verschijnt Jan Allertsz. Suermondt als prior van Sion. Eind april 1567 werd het klooster door geuzen getroffen. Over de precieze dag bestaat in de geraadpleegde overlevering enige onzekerheid, zodat voorzichtigheid nodig blijft. Naast Suermondt verschijnt de Beverwijkse verver en wachter Adriaan Jansz. Bosch als getuige. De aanval krijgt daarmee plaatselijke gezichten. De mannen die in de vijftiende eeuw perkament maakten en boeken schreven waren verdwenen; een nieuwe generatie stond tegenover gewapende groepen en politieke strijd. De geschiedenis van het geschreven woord werd nu onderdeel van een geschiedenis van oorlog, vlucht en verlies.
Dezelfde wegen brachten nu soldaten
De gewapende mannen verschenen niet uit het niets. Na het uiteenvallen van de positie van Hendrik van Brederode bewogen groepen door Noord-Holland. Beverwijk lag aan verbindingen waarlangs ook andere religieuze instellingen bereikbaar waren. Dezelfde wegen en waterlopen die eeuwenlang geestelijken, goederen, brieven en boeken naar Sion hadden gebracht, konden in oorlogstijd soldaten voeren. Daarin lag een kwetsbaarheid van Sions ligging. Verbondenheid bracht mensen, materiaal en kennis binnen bereik, maar maakte het klooster eveneens bereikbaar voor geweld. Een weg heeft geen voorkeur voor een kopiist of soldaat. Het zijn de mensen die bepalen wat eroverheen reist.
Niet één dag maakte een einde aan Sion
De aanval van 1567 betekende niet dat het klooster juridisch en institutioneel onmiddellijk verdween. In 1573 besloot het generaal kapittel van Windesheim nog over kanunniken uit Beverwijk. Twee moesten naar het regulierenklooster in Amersfoort worden overgebracht en over een andere broeder werd afzonderlijk beschikt. Ook daarna bleven rechten en bezittingen vragen oproepen. Dat is belangrijk voor het einde van het verhaal. Een klooster kon als bewoonde plaats worden beschadigd of verlaten terwijl de gemeenschap op papier nog bestond. Sion verdween daarom niet op één datum. Mensen, goederen, rechten en geschreven stukken raakten in verschillende jaren van elkaar los.
De prior keerde terug naar een leeggehaald huis
In januari 1573 vertelde Jan Suermondt aan Wouter Jacobsz. wat hij in zijn klooster had aangetroffen. Altaren, beelden, orgels en glas waren vernield. Uit andere gebouwen waren beschotten, kozijnen, vensters, deuren en banken verdwenen. Lood was van daken en ramen gehaald. Zelfs muurankers en ander ijzerwerk waren uitgebroken. De plaats waar generaties hadden gebeden, geschreven en bezit beheerd, werd als voorraadplaats van herbruikbaar materiaal behandeld. De economische beweging keerde om. Eeuwenlang waren hout, ijzer, leer, perkament en andere grondstoffen naar Sion gebracht om een gemeenschap op te bouwen. Nu werden bruikbare materialen juist uit het klooster weggevoerd.
Papier en perkament konden niet vluchten
Een bibliotheek was bijzonder kwetsbaar zodra haar vaste huis verdween. Papier en perkament konden nat worden, verbranden, verscheurd raken, worden meegenomen of eenvoudig zoekraken. Houten platten en leren banden beschermden tegen dagelijks gebruik, maar niet tegen plundering en langdurige oorlog. Een klein getijdenboek kon iemand meenemen; een omvangrijke kloosterbibliotheek niet. We weten niet welk afzonderlijk boek tijdens welke vlucht werd gered, geroofd of verloren en hoeven daar geen reddingsscènes voor te bedenken. De materiële werkelijkheid is indringend genoeg. Zodra de gemeenschap uiteenviel, kon ook de samenhang van haar geschreven verzameling niet langer vanzelfsprekend worden beschermd.
Met één boek kon een hele verbinding verdwijnen
Een verloren handschrift betekende soms meer dan het verlies van een tekst die elders eveneens bestond. Een voorbeeldcodex kon correcties, plaatselijke aantekeningen of bezittersnamen bevatten die nergens anders waren vastgelegd. Een kloosterrekening kon vertellen wie perkament leverde. Een band kon de stempel van een onbekende ambachtsman bewaren. Een archiefstuk kon aantonen wie grond schonk of een schuld betaalde. Wanneer zulke stukken verdwenen, verdwenen ook verbindingen tussen mensen. Veel vragen die wij tegenwoordig over Sion stellen zijn juist moeilijk omdat documenten die ze ooit eenvoudig hadden kunnen beantwoorden niet meer bestaan. De gaten in onze kennis behoren daarom zelf tot de geschiedenis.
Wat overbleef is niet de oorspronkelijke bibliotheek
De bekende Sionse boeken vormen geen verkleinde kopie van wat ooit in het klooster stond. Zij zijn het resultaat van vijf eeuwen gebruik, verplaatsing, oorlog, verkoop, schenking, verzameling en toeval. Misschien verdwenen juist eenvoudige dagelijks gebruikte teksten omdat niemand ze later bijzonder vond. Kostbare of opvallende werken hadden soms betere kansen om bewaard te blijven. Daarom mogen we uit de overlevende exemplaren niet zonder meer afleiden wat ooit het belangrijkste deel van Sions bibliotheek was. De boeken die we nu kunnen aanwijzen delen vooral één uitzonderlijke eigenschap: zij verdwenen niet. De verloren verzameling was vrijwel zeker groter en gevarieerder dan wat wij tegenwoordig kunnen reconstrueren.
Zelfs na de vlucht hield papier macht
Toen kloosterlingen verdwenen, hield land niet op te bestaan en verdwenen oude rechten niet vanzelf. Iemand moest vastleggen wie aanspraak op goederen, renten en andere bezittingen behield. Het geschreven woord keerde zo terug naar een functie die het al bij Sions stichting had gehad. Oorkonden en administratieve stukken beschermden geen gebedstekst, maar juridische aanspraken. Daarmee maakt de geschiedenis bijna een cirkel. In de vijftiende eeuw hielp schrijven Sion bezit opbouwen en bewaren. Tijdens het uiteenvallen waren documenten opnieuw noodzakelijk om vast te stellen wat nog van de gemeenschap was. De gebouwen verdwenen eerder dan alle rechten die eraan verbonden waren.
De overlevende boeken begonnen nieuwe reizen
Wat de ondergang overleefde, bleef zelden in Beverwijk. Handschriften en banden kwamen uiteindelijk in bibliotheken en verzamelingen in onder meer Haarlem, Leiden en Tilburg terecht en reisden soms nog veel verder. Andere werken worden op grond van hun band of stijl met Beverwijk verbonden zonder dat bewezen is dat zij ooit bezit van Sion waren. Dat onderscheid blijft essentieel. Een Beverwijkse band is niet automatisch een Sions boek. Juist door die voorzichtigheid wordt zichtbaar hoe mobiel geschreven voorwerpen waren. Een codex kon in één plaats worden geschreven, elders worden versierd, in Beverwijk worden gebonden en eeuwen later in een moderne bibliotheek eindigen.
Ieder boek kreeg meer dan één leven
Een handschrift was nooit werkelijk af. Het kon worden aangevuld, gecorrigeerd, opnieuw ingebonden, verkocht, geschonken of door een nieuwe eigenaar van aantekeningen worden voorzien. Gheryts getijdenboek laat dat prachtig zien. Hij schreef het voor Aef van Bolgerien; later verschijnt Cornelisge Claes; vervolgens verdwenen verluchte bladen en uiteindelijk kwam het werk in Leiden terecht. Hetzelfde voorwerp vervulde zo verschillende rollen: opdracht, gebedsboek, persoonlijk bezit, oud boek, verzamelobject en historische bron. De vervaardiging was slechts het eerste hoofdstuk. Zodra de schrijver zijn pen neerlegde, begon de geschiedenis van wat andere mensen met zijn werk zouden doen.
Zibrandus verdween eerder dan zijn letters
Van Zibrandus Bartoldi bleef uiteindelijk iets bestaan wat hij zelf niet kon hebben voorzien. Zijn lichaam verdween, zijn klooster verdween en de wereld waarin hij schreef veranderde, maar de letters die hij op 7 juni 1477 voltooide konden hem overleven. Hetzelfde gebeurde met Diewer, Gheryt en Maritghen. Hun tafels, pennen en dagelijkse stemmen zijn verdwenen; hun handen bleven in schrift herkenbaar. Zij schreven niet om vijf eeuwen later in bibliotheekcatalogi te verschijnen. Zij maakten teksten bruikbaar voor hun eigen gemeenschap en hun eigen tijd. Juist doordat zij dat zorgvuldig deden, veranderde hun dagelijkse arbeid uiteindelijk in een historische getuigenis.
Namen brengen het verdwenen Beverwijk terug
Geert Grote, Florens Radewijns en Gerard Zerbolt vormen de geestelijke voorgeschiedenis. Johannes Busch bracht Windesheim dichterbij. Bero Willemsz. bestuurde, kocht en beoordeelde. Zybold schonk. Zibrandus Bartoldi, Jan Jans, Gheryt van Castrinchem en Henrick Havinck schreven in Sion. Diewer Pelgrims en Maritghen schreven bij de vrouwen. Aduarie Pauwels en Aef van Bolgerien gebruikten boeken. Cornelisge Claes bezat er een. Sybrant Spierinck bestuurde en was mogelijk verbonden met verluchting. Gutenberg, Leeu, Bellaert, Pafraet en Gran veranderden ondertussen de wereld waarin zij werkten. Jan Suermondt zag uiteindelijk hoe die wereld in Beverwijk uiteenviel.
Achter iedere naam stonden naamloze handen
Zelfs die lange rij blijft onvolledig. De meeste mensen achter een boek bleven naamloos. We kennen niet iedere koeherder, perkamentmaker, knecht, corrector, binder, timmerman, metaalbewerker, papiermaker, handelaar, voerman of schipper die nodig was voordat een boek op een Beverwijkse lessenaar kon liggen. Middeleeuwse bronnen bewaren maatschappelijke verschillen. Een prior of schenker werd gemakkelijker genoemd dan iemand die dagelijks huiden schraapte of pakken papier vervoerde. Een historische reconstructie moet daarom ruimte laten voor onbekende mensen. Hun namen verdwenen, maar hun arbeid zit nog altijd in perkament, papier, leer, hout, metaal en inkt.
Ook hun stemmen zijn verdwenen
Van die naamloze mensen kennen we meestal evenmin de woorden. Geen perkamentmaker uit Sion liet een gesprek bij zijn spanraam achter en geen knecht noteerde hoe hij tegen een broeder sprak. Juist daarom moeten we onderscheid maken tussen wat een handschrift letterlijk bewaart en wat taalgeschiedenis waarschijnlijk maakt. Latijn bleef de taal van veel liturgie en geleerdheid; Middelnederlands droeg een groot deel van het dagelijkse verkeer. Daartussen bestonden vakwoorden, regionale uitspraak en verschillen in scholing. De bladzijden zijn stil geworden. Toch herinnert hun vervaardiging eraan dat rondom iedere geschreven tekst ooit stemmen klonken die het perkament zelf niet heeft bewaard.
Eén schrijftafel laat een revolutie zien
Sion begon in een wereld waarin kennis vooral verder reisde wanneer iemand een bestaand boek meenam, uitleende of opnieuw overschreef. Papier werd algemener, stedelijke en geleerde netwerken groeiden en vervolgens maakte de drukpers het mogelijk dezelfde tekst in vele exemplaren te vermenigvuldigen. Toch schreef Henrick Havinck in 1527 nog met de hand. Daarin ligt misschien de belangrijkste les van het verhaal. Grote veranderingen gebeuren zelden op één dag. Oud en nieuw bestaan naast elkaar. De pen verdween niet toen de pers verscheen. Zij kreeg een andere plaats in een wereld waarin steeds meer woorden steeds sneller konden reizen.
Kennis had een lichaam nodig
Een gedachte alleen kon de eeuwen niet oversteken. Zij had materiaal en mensen nodig. Een dier leverde huid. Een perkamentmaker bereidde het oppervlak. Een leermeester leerde een leerling schrijven. Een kopiist nam de woorden over. Een corrector vond fouten. Een verluchter bracht kleur. Een binder gebruikte hout, leer, lijm en metaal. Een prior betaalde, kocht en beschermde. Een gebruiker las en bad. Later zetten drukkers woorden in metaal en drukten ze op papier. Handelaren vervoerden de exemplaren. Uiteindelijk beschermden bibliotheken wat oorlog en tijd hadden overgelaten. De geschiedenis van kennis blijkt daardoor ook een geschiedenis van handen, dieren, grondstoffen, geld en wegen.
De woorden overleefden hun huis
Sions gebouwen konden worden geplunderd. Deuren, vensters, lood, hout en ijzer konden verdwijnen. De kloosterlingen konden worden verspreid en de bibliotheek uiteenvallen. Toch kreeg de vernietiging niet het laatste woord. Zibrandus liet zijn naam en datum achter. Diewer vertelde wanneer zij schreef. Gheryt noteerde zijn leeftijd en bril. Maritghen noemde zichzelf en haar gemeenschap. Een onbekende binder drukte het Lam Gods en kleine kersouwkens in leer. Iemand schreef dat een gevonden boek aan Cornelisge moest worden teruggegeven. Zulke kleine sporen waren nooit bedoeld als berichten aan de eenentwintigste eeuw. Juist daarom brengen ze de verdwenen mensen zo dichtbij.
De laatste bladzijde is nog niet geschreven
De geschiedenis van het geschreven woord in Beverwijk eindigt daarom niet bij de verwoesting van Sion. De resten liggen verspreid over bibliotheken, archieven en banden waarvan de herkomst soms nog moet worden vastgesteld. Iedere correctie, bezittersnotitie, kalender, watermerk, beschadiging, sierlijst of onbekende naam kan een nieuwe verbinding openen. De bekende of vermoedelijk in Beverwijk vervaardigde handschriften vormen waarschijnlijk nog niet het laatste woord. Achter één band kan een onbekende binder schuilgaan, achter één colofon een vergeten vrouw, achter een afwijkende letter misschien een leermeester. Sion en Nazareth verdwenen. Hun schrijftafels niet helemaal. Wat daarop werd gemaakt, spreekt nog steeds.
Deel 3 — Het boek dat de wereld veranderde
Lang voordat Sion bestond
Toen bij Beverwijk in 1427 de gemeenschap ontstond waaruit klooster Sion zou groeien, was het Europese boek al het eindproduct van eeuwen aan kennis en vakmanschap. Een boek begon niet bij de schrijver. Er waren dierenhuiden nodig voor perkament, lompen voor papier, hout voor banden, metaal voor beslag, veren voor pennen en planten, mineralen en chemische verbindingen voor inkten en kleuren. Daarna kwamen de gespecialiseerde handen. De perkamentmaker bereidde de huid, de kopiist schreef, de rubricator bracht rode tekens aan, de verluchter schilderde en de binder naaide de katernen bijeen. Een groot boek was tegelijk tekst, kunstwerk, werktuig, handelswaar en kostbaar bezit.
Van dierenhuid naar perkament
Voor perkament werden vooral huiden van kalveren, schapen en geiten gebruikt. Na reiniging en behandeling met kalk konden haren en vleesresten worden verwijderd. De natte huid werd strak op een raam gespannen en tijdens het drogen steeds verder geschraapt. Zo ontstond een dun en stevig schrijfoppervlak. Niet ieder vel was gelijk. Littekens, haarzakjes, kleurverschillen en kleine gaten konden zichtbaar blijven. Voor luxeboeken werd het fijnste materiaal geselecteerd. Een omvangrijke codex kon tientallen of zelfs honderden huiden vergen. Nog voordat de kopiist zijn eerste letter schreef, vertegenwoordigde zo'n boek daarom dieren, grondstoffen, arbeid en geld.
Een huid werd niet vanzelf een bladzijde
Tussen dier en schrijftafel lag gespecialiseerd vakmanschap. De perkamentmaker moest voortdurend opletten. Te hard schrapen veroorzaakte een gat; onvoldoende spanning leverde een ongelijk oppervlak op. Haarzijde en vleeszijde konden van elkaar verschillen. Een beschadiging maakte een huid niet onmiddellijk waardeloos. Middeleeuwse handschriften bewaren gaten, littekens en reparaties die tegenwoordig juist iets over hun vervaardiging vertellen. Het boek begon letterlijk als levend materiaal. De schrijver die uiteindelijk zijn pen op een gladde bladzijde zette, was afhankelijk van vakmensen die waarschijnlijk nooit één regel van zijn uiteindelijke tekst zouden lezen.
Papier begon bij afgedragen kleding
De grote concurrent van perkament kwam aanvankelijk evenmin uit een bos. De techniek van het papiermaken was eeuwen eerder in China ontstaan en bereikte via Azië en de islamitische wereld Europa. Plaatsen als Fabriano in Italië ontwikkelden zich tot belangrijke productiecentra. Europees papier werd eeuwenlang hoofdzakelijk van linnen en andere textiellompen gemaakt. Lompen werden verzameld, gesorteerd, gereinigd en tot vezelpulp verwerkt. Met een fijn draadwerk schepte de papiermaker uit een kuip een dunne laag pulp. Na persen, drogen en lijmen ontstond een beschrijfbaar vel. Een versleten hemd kon uiteindelijk drager worden van theologie, wetenschap, muziek of verboden gedachten.
Het watermerk bleef achter
In het schepraam konden figuren van dikker draad worden aangebracht. Op die plaats bleef het papier dunner en verscheen een watermerk: bijvoorbeeld een kroon, ossekop, letter, dier of ander herkenningsteken. Wat ooit een nauwelijks opvallend spoor van de papierproductie was, is voor onderzoekers een belangrijk dateringsmiddel geworden. De KB-database WILC bevat tegenwoordig meer dan 16.000 afbeeldingen van watermerken uit boeken die vóór 1501 in de Lage Landen werden gedrukt. Door zulke tekens met elkaar te vergelijken, kunnen onderzoekers ongedateerde drukken soms veel nauwkeuriger plaatsen.
Eerst werd de bladzijde ontworpen
De middeleeuwse schrijver begon niet zomaar linksboven. Eerst werden marges bepaald en regels aangebracht. Prikgaatjes konden helpen verschillende bladen gelijk te liniëren. Met een droge punt, loodstift of ander gereedschap ontstond het raamwerk waarbinnen de tekst moest komen. Een theologisch werk kon twee dichtbeschreven kolommen krijgen; een kostbaar gebedenboek juist brede marges voor decoratie. Daarna werd de ganzenveer gesneden. Tijdens het schrijven moest de punt geregeld opnieuw worden aangescherpt. Een mes kon bovendien worden gebruikt om fouten voorzichtig van het perkament te schrapen. Zelfs de lege ruimte op een bladzijde was ontworpen en kostte materiaal.
Inkt was techniek
Voor zwarte teksten werd onder meer ijzergallusinkt gebruikt, vervaardigd uit stoffen uit galappels en ijzerverbindingen. Recepten verschilden. Goede inkt kon eeuwenlang leesbaar blijven; een ongelukkige samenstelling kon verbleken of uiteindelijk door papier heen vreten. Rode pigmenten werden gebruikt voor opschriften, begintekens en aanwijzingen: het rubriceren. Andere kleuren vroegen weer om andere grondstoffen. Luxeboeken konden blauw, groen, rood en goud bevatten. De boekwerkplaats verenigde daarmee kennis die tegenwoordig over verschillende beroepen en wetenschappen verdeeld is. De vakman kende uit ervaring de eigenschappen van huid, papier, metaal, lijm, pigment, vocht en inkt.
De kopiist maakte geen perfecte kopie
Daarna begon het langdurigste werk. De kopiist schreef regel voor regel vanuit een voorbeeld. Daarbij konden woorden wegvallen, regels tweemaal verschijnen en afkortingen verkeerd worden gelezen. Correctoren controleerden de teksten en brachten verbeteringen aan. Soms werd een fout weggekrabd, soms verscheen de correctie boven de regel of in de marge. Zo ontstonden verschillende tekstfamilies van hetzelfde werk. Kennis werd niet mechanisch vermenigvuldigd, maar telkens opnieuw door menselijke ogen en handen geleid. Wanneer in Sion Augustinus of Robert Holcot werd gelezen, hield een kanunnik daarom niet noodzakelijk exact dezelfde tekst vast als een lezer elders in Europa.
Rubricator, verluchter en bladgoud
Na de hoofdtekst konden andere vakmensen volgen. Een rubricator vulde rode opschriften, paragraaftekens en beginletters in. Een verluchter schilderde initialen, randdecoraties en miniaturen. Bladgoud kon op een voorbereide ondergrond worden aangebracht en gepolijst totdat het licht ving. De beroemde Getijden van Catharina van Kleef, rond 1440 vervaardigd in Utrecht, tonen hoe ver die kunst kon gaan. Zo'n luxehandschrift stond financieel ver af van een eenvoudig studieboek. Beide waren boeken, maar daarmee hield de vergelijking vrijwel op. Materiaal, formaat, schrijfwerk, illustraties, goud, band en opdrachtgever bepaalden mede de waarde.
De binder bouwde het boek
Beschreven bladen werden gevouwen tot katernen, in de juiste volgorde gelegd en aan stevige bindingen genaaid. Houten platten vormden voor- en achterzijde. Daarover kwam leer. Sluitingen hielden het boek dicht; metalen hoekstukken, knoppen en voeten konden zware banden beschermen. Met verwarmde stempels werden patronen in het leer gedrukt. Een boek werd dus letterlijk gebouwd. De binder bepaalde mede hoe lang het tegen dagelijks gebruik bestand bleef. Sommige vijftiende-eeuwse banden bestaan na meer dan vijf eeuwen nog. Juist in Beverwijk heeft dat ambacht herkenbare sporen nagelaten.
De kersouwkens van Beverwijk
Onderzoek naar Noord-Hollandse boekbanden bracht ten minste zeven boeken met Beverwijkse banden in beeld. Kenmerkend zijn kleine ster- en bloemvormige stempeltjes, door boekhistorici kersouwkens genoemd, die in groepjes in het leer werden gedrukt. De Stadsbibliotheek van Haarlem bezat handschriften en incunabelen met het ex libris van Sion en Nazareth. De oude studie verbindt die karakteristieke bindwijze uitdrukkelijk met de Beverwijkse regulieren. Het klooster verkocht bovendien perkament. Boekproductie was er dus niet alleen geestelijke arbeid, maar waarschijnlijk ook onderdeel van een bredere ambachtelijke economie.
Sion en zijn boeken
1427 — een klooster in een wereld van schrift
Op 20 oktober 1427 schonken Gherijt de Visscher en zijn moeder Gheertruyt Mathijsdochter ongeveer zes morgen grond voor de religieuze gemeenschap waaruit Sion groeide. Het huis kwam terecht in de wereld van de reguliere kanunniken en de Congregatie van Windesheim. Lezen, studie, devotie en het kopiëren van teksten hadden daar een belangrijke plaats. Sion produceerde en verkocht bovendien boter, honing, was, lijm en perkament. Landbouw, ambacht, handel, gebed en geschreven kennis bestonden niet als afzonderlijke werelden. De schrijftafel was uiteindelijk afhankelijk van dezelfde kloostereconomie die koeien hield, grond beheerde en producten verkocht.
Achter Beverwijk lag een Europees netwerk
Sion hoefde zijn boekcultuur niet zelf uit te vinden. Geert Grote, geboren in Deventer in 1340 en gestorven in 1384, had handschriften verzameld, geleend en laten overschrijven. Florens Radewijns bracht schrijvende klerken samen. Via Deventer, Zwolle, Windesheim, Sint-Agnietenberg, Hulsbergen en andere gemeenschappen verspreidden mensen, teksten en kloostergewoonten zich verder. In de eerste Beverwijkse jaren werkten bekende Windesheimers als Godfried van Tiel en Johannes Busch in Sion. Ook Hendrik Mande, mystiek schrijver en verluchter, verbleef er en stierf in 1431. Achter de Beverwijkse muren liep een netwerk dat veel verder reikte dan Kennemerland.
Thomas a Kempis en een Europese tekst
Uit diezelfde religieuze wereld kwam Thomas a Kempis, rond 1380 geboren en in 1471 gestorven op de Agnietenberg bij Zwolle. Vooral De imitatione Christi, De navolging van Christus, werd met zijn naam verbonden. De tekst circuleerde eerst in handschriften en kreeg na de komst van de drukpers een veel groter bereik. Daarmee vormt het werk bijna vanzelf een overgang tussen twee tijdperken. Wat aanvankelijk door afzonderlijke kopiisten moest worden overgeschreven, kon later in grote aantallen worden gedrukt. De inhoud bleef herkenbaar; het potentiële publiek veranderde radicaal.
Bero Willemsz. van Amsterdam
Van 1449 tot 1476 stond Bero Willemsz. van Amsterdam als prior aan het hoofd van Sion. Hij was profes van Sint-Agnietenberg en leidde het klooster zevenentwintig jaar. Onder zijn bestuur kwam het huis tot aanzienlijke bloei. Bero verschijnt bovendien rechtstreeks in de geschiedenis van Sions boeken. Een medebroeder stuurde hem een omvangrijke tekst met het verzoek die te verbeteren. Het werk kreeg zelfs een naam die naar hem verwees: Berologion de correptione pravorum. De prior was dus niet alleen bestuurder. Hij kon eveneens optreden als ervaren lezer en corrector.
Sion zette zijn naam in zijn boeken
Op bewaard gebleven exemplaren staat de bezittersformule Liber domus Regularium in Syon prope Beverwyck: boek van het huis der regulieren in Sion bij Beverwijk. Boeken van Nazareth dragen onder meer de woorden dit boeck hoert toe die nonnen in die beverwijck. Zulke korte regels zijn voor onderzoekers onschatbaar. Bibliotheken kunnen uiteenvallen, banden kunnen worden vervangen en catalogi verdwijnen, maar een eigendomsnotitie kan eeuwen later vertellen waar een boek ooit stond. De oude Haarlemse collectie bewaart zo tastbare fragmenten van twee verdwenen Beverwijkse kloosterbibliotheken.
Zybold schonk zijn Holcot aan Sion
Een exemplaar van een werk van de Engelse dominicaan Robert Holcot bewaart een opmerkelijke geschiedenis. Zybold, pastoor van Wijk aan Zee, liet een Holcot-exemplaar na aan Sion. Het klooster hield het niet. Om redenen die de oude aantekening niet volledig verklaart, werd het verkocht aan de prior van Nieuwlicht bij Blokker, nabij Hoorn. Bero liet vervolgens een vervangend exemplaar aanschaffen. De oude boekbandenstudie bevestigt deze opeenvolging, maar koppelt daar geen betrouwbaar aankoopjaar 1477 aan. Dat jaartal moet daarom niet als zekerheid worden gebruikt, zeker omdat Bero in 1476 overleed.
Een boek kon kloosters verbinden
Het Holcot-exemplaar maakt zichtbaar hoe beweeglijk een kloosterbibliotheek kon zijn. Eerst was er een persoonlijke eigenaar in Wijk aan Zee. Na zijn dood werd het boek kloosterbezit in Beverwijk. Vervolgens verhuisde het naar Nieuwlicht bij Hoorn en kocht Sion een vervanging. Eén tekst verbond daarmee een pastoor, twee kloosters en verschillende lezers. Boeken waren geestelijke instrumenten, maar ook bezit dat geschonken, verkocht en vervangen kon worden. Een bibliotheek was geen kamer waarin ieder boek voor altijd op dezelfde plank bleef staan.
Op 7 juni 1477 legde Zibrandus zijn pen neer
Soms bewaart een handschrift zelfs de dag waarop het schrijfwerk eindigde. Zibrandus Bartoldi voltooide op 7 juni 1477 in Beverwijk een afschrift van Augustinus' uitleg van de eerste vijftig psalmen. Zijn naam en datum bleven bij het werk staan. Achter het algemene woord kopiist verschijnt daardoor één mens. Regel na regel had Zibrandus een omvangrijke Latijnse tekst overgenomen, totdat hij op die junidag zijn laatste woorden kon schrijven. Meer dan vijf eeuwen later kennen we niet alleen de tekst die in Sion werd gelezen, maar ook de man die haar daar met zijn pen vermenigvuldigde.
Jan Jans was schoenmaker én schrijver
Een andere broeder, Jan Jans, noemde zichzelf niet alleen kloosterling maar ook schoenmaker. Toch schreef hij een Middelnederlandse verklaring van het Hooglied over. Zijn handen konden dus leer bewerken én letters vormen. Dat verandert het beeld van de kloosterlijke werkvloer. Schrijven was niet noodzakelijk een levenslang afgescheiden beroep. Praktische en geestelijke arbeid konden in één persoon samenkomen. Dezelfde broeder kon repareren, vervaardigen, lezen en kopiëren. Het boek was het resultaat van een gemeenschap waarin de grenzen tussen ambachtsman, lezer en schrijver minder scherp waren dan moderne beroepsnamen suggereren.
Vier kopiisten krijgen een naam
Uit de bronnen komen uiteindelijk vier mannen expliciet als Beverwijkse kopiisten naar voren: Jan Jans, Zibrandus Bartoldi, Henrick Havinck van Amsterdam en Gheryt van Castrinchem. Zij werkten niet allemaal tegelijk. Juist daardoor is hun betekenis groter. Zibrandus verschijnt in 1477, Gheryt in 1498 en Henrick Havinck nog in 1527. De schriftcultuur van Sion was geen toevallig moment, maar liep over verschillende generaties. Rond dezelfde Beverwijkse kloosterwereld verschijnen bovendien vrouwelijke kopiisten, waardoor een breder landschap van religieuze boekproductie zichtbaar wordt.
Diewer Pelgrims schreef in 1479
Een bijzondere naam uit het vrouwelijke religieuze milieu is Diewer Pelgrims. Een winterdeel van een brevier werd in 1479 door haar op perkament geschreven, volgens de overgeleverde beschrijving vooral op zon- en feestdagen. De band vertoont kenmerken die met de Beverwijkse boekbinderij in verband zijn gebracht. Haar naam herinnert eraan dat de middeleeuwse boekenwereld niet uitsluitend door mannen werd gemaakt. Vrouwen lazen, bezaten, schonken en schreven boeken. De oude bandstudie noemt Diewer uitdrukkelijk als schrijfster van het handschrift.
1498 — Gheryt schreef voor Aef van Bolgerien
Eenentwintig jaar na Zibrandus vervaardigde Gheryt van Castrinchem een Nederlandstalig getijdenhandschrift voor Aef van Bolgerien, een vrouw uit Beverwijk. Gheryt was vierenzestig jaar oud en vermeldde dat hij tijdens het schrijven een bril gebruikte. Hij begon rond Maria-Geboorte, 8 september 1498, en voltooide zijn schrijfwerk tegen de Advent. Maandenlang boog een oudere broeder van Sion zich dus over een tekst die uiteindelijk niet in de kloosterbibliotheek zou blijven, maar in handen van een vrouw uit de plaatselijke gemeenschap terechtkwam.
Een boek kreeg na Aef opnieuw een eigenaar
Het getijdenboek bleef niet bij zijn eerste opdrachtgeefster. Een latere eigendomsnotitie noemt Cornelisge Claes en vraagt degene die het boek vindt het om Gods wil aan haar terug te bezorgen. Daarmee krijgt één Beverwijks handschrift een kleine biografie. Gheryt vervaardigde het voor Aef van Bolgerien; later behoorde het aan Cornelisge Claes. De tekst bleef dezelfde, maar de menselijke omgeving veranderde. Precies zulke namen maken provenance mogelijk: het reconstrueren van de opeenvolgende levens van één voorwerp.
De verluchting vraagt voorzichtigheid
Bij Gheryts getijdenboek moet onderscheid worden gemaakt tussen schrijven en versieren. Zijn schrijfwerk is stevig met Sion verbonden, maar de illuminering die in 1499 volgde, werd volgens de wetenschappelijke inventaris niet in het klooster uitgevoerd. Een mogelijke toeschrijving van de versiering moet daarom als mogelijkheid worden gepresenteerd, niet als vaststaand bewijs voor een Sionse verluchter. Juist die nuance maakt het verhaal sterker. Een boek kon op verschillende plaatsen en door verschillende handen worden voltooid. Kopiist, verluchter en binder hoefden niet in dezelfde werkplaats te zitten.
Henrick Havinck schreef nog in 1527
Henrick Havinck van Amsterdam verschijnt nog in 1527 als kopiist. Dat is belangrijk, omdat de drukpers toen allang bestond. Het handschrift verdween dus niet zodra metalen letters begonnen te drukken. Binnen dezelfde cultuur konden oude en nieuwe productiewijzen tientallen jaren naast elkaar voortleven. Sommige teksten bleven geschikt om met de hand te kopiëren; persoonlijke opdrachten konden handschriftelijk blijven; bestaande codices werden hersteld en opnieuw gebonden. De overgang van manuscript naar druk was geen deur die in één jaar dichtviel. Het was een lange overlap.
De drukpers bereikt Sions wereld
Houtsneden leerden beelden vermenigvuldigen
Nog voordat losse metalen letters het boek veranderden, konden afbeeldingen in grotere aantallen worden geproduceerd. Een houtsnijder verwijderde uit een blok alles wat niet moest drukken. De verhoogde lijnen werden geïnkt en op papier afgedrukt. Devotieprenten, speelkaarten en boekillustraties konden zo worden vermenigvuldigd. Bij blokboeken werden tekst en afbeelding grotendeels uit complete houtblokken gedrukt. Iedere nieuwe bladzijde vereiste echter een nieuw blok. De fundamentele verandering kwam toen tekst werd opgebroken in afzonderlijke letters die telkens opnieuw konden worden gecombineerd.
Omstreeks 1450 — Gutenberg
Johannes Gutenberg ontwikkelde in Mainz in het midden van de vijftiende eeuw een systeem waarin losse metalen letters efficiënt konden worden gegoten, gezet, gedrukt en hergebruikt. De kracht lag in de combinatie van technieken. Een stalen pons leverde een lettervorm, een matrijs maakte herhaald gieten mogelijk en de zetter combineerde afzonderlijke typen tot woorden en regels. Na het drukken werd de tekst fysiek weer uit elkaar gehaald. Dezelfde metalen letters konden vervolgens een heel ander boek vormen. De woorden verdwenen uit het zetsel; het alfabet bleef als voorraad bestaan.
De letter begon bij staal
Een lettersnijder sneed het teken spiegelbeeldig in een stalen pons. Daarmee werd een afdruk in zachter materiaal gemaakt: de matrijs. Die kwam in een handgietinstrument terecht. Vervolgens konden tientallen vrijwel gelijke a's, e's en n's worden gegoten. Daarin lag een wezenlijk verschil met het handschrift. Een kopiist moest iedere letter opnieuw vormen. Een drukker bezat een voorraad letters. Dezelfde metalen a waarmee vandaag Augustinus werd gedrukt, kon morgen voorkomen in een medisch recept, liefdesgedicht, politiek pamflet of erotische vertelling.
De zetter bouwde taal achterstevoren
De zetter nam de letters uit afzonderlijke vakken en plaatste ze in een zethaak. Wat uiteindelijk normaal op papier moest verschijnen, stond in het metaal spiegelbeeldig. Ook spaties waren fysieke onderdelen. Een verkeerde letter betekende dat de regel moest worden hersteld. De voltooide regels gingen naar een galei en werden uiteindelijk tot drukvorm samengevoegd. De kopiist liet zijn pen over een blad bewegen; de zetter bouwde taal uit honderden piepkleine metalen onderdelen. Lezen, handvaardigheid en snelheid kwamen in zijn werk samen.
Drukinkt was geen schrijfinkt
Gewone schrijfinkt werkte slecht op metaal. Drukkers gebruikten daarom een dikkere, olieachtige inkt die aan de letters bleef hechten. Die werd over het zetsel verdeeld, waarna papier tegen de geïnkte letters werd gedrukt. Het drukken van ieder vel bleef arbeid, maar de voorbereide pagina kon steeds opnieuw worden gebruikt. De economische logica veranderde daarmee. De kopiist moest voor ieder nieuw exemplaar vrijwel opnieuw beginnen. De drukker investeerde veel arbeid vóór de eerste afdruk, maar kon daarna tientallen of honderden exemplaren produceren.
1454–1455 — de Gutenberg-bijbel
Omstreeks 1454–1455 verscheen de beroemde 42-regelige Gutenberg-bijbel. De vormgeving sloot nog sterk aan bij het handschrift. Initialen en rubricering konden na het drukken met de hand worden toegevoegd. De revolutie was voor de eerste koper daardoor minder zichtbaar dan wij achteraf zouden verwachten. Zij zat vooral in de productiemethode. Een omvangrijke Bijbel hoefde niet meer volledig opnieuw te worden geschreven om een tweede exemplaar te verkrijgen. Toch werd het boek niet plotseling goedkoop. Papier, perkament, letters, personeel, inkt, correctie, versiering en binding bleven aanzienlijke kosten veroorzaken.
Zelfs dezelfde oplage kon verschillen
Ook de drukpers leverde geen volkomen identieke exemplaren op. Tijdens het drukken kon een corrector een fout ontdekken. De pers werd stilgezet, een letter of regel veranderd en daarna ging het werk verder. De reeds gedrukte vellen bleven bestaan. Daardoor kunnen exemplaren uit dezelfde oplage verschillende tekstvarianten bevatten. Andere fouten werden later met de pen verbeterd. Twee ogenschijnlijk identieke boeken kunnen zo verschillende momenten uit dezelfde werkdag bewaren.
Papier werd kapitaal
Voor honderden exemplaren van een omvangrijk boek waren enorme hoeveelheden papier nodig. Die voorraad moest worden aangeschaft voordat de laatste koper bekend was. Papierhandelaren, krediet en planning werden daarom cruciaal. Een slecht verkopende titel betekende stapels onverkochte katernen waarin geld vastzat. De drukker was ambachtsman én ondernemer. Hij moest niet alleen weten hoe een tekst technisch werd vervaardigd, maar ook hoeveel exemplaren een markt waarschijnlijk kon opnemen.
1477 — Deventer wordt drukstad
In 1477 begon Richard Pafraet in Deventer te drukken. De stad bezat scholen, geestelijken, handel en de erfenis van de Moderne Devotie. Pafraet zag een markt voor Latijnse school- en studieboeken. Later werkte ook Jacob van Breda er. Goedkope schoolboeken werden intensief gebruikt en dikwijls weggegooid. Daardoor kan een eenvoudige druk die destijds weinig kostte tegenwoordig veel zeldzamer zijn dan een luxeboek dat zorgvuldig werd bewaard. Wat ooit financieel gering was, kan door zijn geringe overlevingskans grote historische waarde krijgen.
Duizenden vroege drukken
De ontwikkeling ging razendsnel. In de Lage Landen werden in de vijftiende eeuw ongeveer 2.200 verschillende incunabeledities gedrukt. De KB bezit ruim negenhonderd daarvan en daarnaast ongeveer dertienhonderd incunabelen uit andere Europese landen. Keulen, Venetië, Straatsburg, Parijs, Bazel en Neurenberg zijn sterk vertegenwoordigd. Rond 1500 stond Sion daardoor midden in een internationale omwenteling die in slechts enkele tientallen jaren duizenden verschillende drukken had voortgebracht.
Sion stapte de gedrukte wereld binnen
Gedrukte werken bereikten ook Sions verzameling. Terwijl broeders nog met de hand schreven, verschenen daarnaast boeken die op persen waren vervaardigd. Zo kwamen twee werelden op dezelfde plank terecht. Een oud perkamenten handschrift kon naast een recente druk staan. De nieuwe techniek maakte de oude niet onmiddellijk waardeloos. Handschriften bleven gelezen, hersteld en opnieuw gebonden. De pen bleef schrijven terwijl metalen letters steeds sneller terrein wonnen.
Incunabelen leken nog op handschriften
Vroege drukkers namen vertrouwde vormgeving over: gotische letters, brede marges en lege ruimten voor initialen die later met de hand konden worden ingevuld. Pas geleidelijk ontwikkelden titelpagina, colofon, paginanummering en andere kenmerken zich verder. In de periode 1501–1540, vaak die van de postincunabelen genoemd, werden die veranderingen duidelijker. In de Nederlanden verschenen in die periode meer dan 4.500 verschillende postincunabeledities. De KB bezit ongeveer duizend Nederlandse uitgaven uit deze groep.
Een boek reisde als papier
Gedrukte boeken hoefden niet volledig gebonden te zijn voordat zij werden verkocht. Katernen konden los of voorlopig samengevoegd worden vervoerd. De koper bepaalde daarna hoeveel hij aan de band wilde besteden. Een student kon kiezen voor eenvoudige bescherming; een rijke koopman voor fijn leer, goudstempeling en kostbare afwerking. Twee exemplaren van exact dezelfde druk konden daardoor onmiddellijk verschillende voorwerpen worden. De tekst was gelijk, de materiële waarde niet.
De Europese boekenwereld wordt groter
Leuven maakte boeken tot studiegereedschap
Met universiteiten als Leuven, gesticht in 1425, bestond een voortdurend publiek voor grammatica, logica, theologie, rechten, geneeskunde en klassieke auteurs. Studenten gebruikten boeken intensief. Zij onderstreepten, schreven in marges en verkochten gebruikte exemplaren weer door. Een boek hoefde geen pronkstuk te zijn; het kon eenvoudig gereedschap zijn. Juist zulke boeken werden vaak versleten. De geschiedenis bewaart daardoor een merkwaardige tegenstelling: een kostbaar boek dat nauwelijks werd geopend kon uitstekend overleven, terwijl een invloedrijk studieboek letterlijk werd stukgelezen.
Erasmus werd een Europese auteur
Desiderius Erasmus, geboren rond 1466–1469 en gestorven in 1536, leefde in een wereld van Rotterdam, Deventer, Parijs, Engeland, Italië, Leuven, Freiburg en Bazel. Zijn Lof der Zotheid verscheen in 1511. In 1516 publiceerde Johann Froben in Bazel zijn beroemde uitgave van het Griekse Nieuwe Testament met Latijnse vertaling en toelichtingen. De drukpers maakte van Erasmus een schrijver die vrijwel gelijktijdig op verschillende plaatsen kon worden gelezen. Hij wist bovendien dat de kwaliteit van drukker, corrector en editie rechtstreeks invloed had op zijn reputatie.
Thomas More bouwde in 1516 een eiland van papier
In 1516 verscheen in Leuven Thomas Mores Utopia. Een fictief eiland werd gebruikt om over bestuur, bezit, religie en samenleving na te denken. Dat een Engelse auteur zijn werk in de Nederlanden liet verschijnen, toont hoe internationaal de boekenwereld was geworden. Auteur, drukker en lezer hoefden niet meer in hetzelfde land te wonen. Een plaats die nooit had bestaan kon dankzij papier invloedrijker worden dan menige werkelijke stad.
Venetië maakte het boek draagbaar
In Venetië bouwde Aldus Manutius vanaf de jaren 1490 een beroemde drukkerij op. Met vakmensen als Francesco Griffo hielp hij elegante lettervormen verspreiden en gaf hij klassieke Griekse en Latijnse auteurs uit. Kleinere boekformaten maakten sommige teksten gemakkelijker mee te nemen. Een groot koorboek behoorde bij een lessenaar; een compact klassiek werk kon met zijn eigenaar reizen. Het formaat van een boek veranderde daardoor ook de lichamelijke manier waarop mensen lazen.
Muziek moest eveneens drukbaar worden
Muziek stelde drukkers voor een ander technisch probleem. Notenbalken, noten en woorden moesten nauwkeurig ten opzichte van elkaar worden geplaatst. In 1501 verscheen in Venetië Ottaviano Petrucci's beroemde Harmonice Musices Odhecaton. In Antwerpen werd Tielman Susato later een belangrijke muziekdrukker. Gedrukte muziek kon over grote afstanden reizen. Een vel papier bevatte tekens waarmee mensen honderden kilometers verder dezelfde compositie opnieuw hoorbaar maakten. Het boek droeg niet alleen woorden en beelden over, maar ook klank.
Luther ontdekte de snelheid van papier
Vanaf 1517 verspreidden de teksten van Maarten Luther zich door een reeds dicht netwerk van drukkers en handelaren. Zijn Duitse Nieuwe Testament verscheen in 1522, de volledige Lutherbijbel in 1534. De drukpers veroorzaakte de Reformatie niet, maar gaf religieuze polemiek een ongekende snelheid. Een preek werd op één plaats gehoord; een gedrukt geschrift kon in vele steden tegelijk circuleren. Hervormers én overheden begrepen hoe krachtig goedkoop papier kon zijn.
Plantijn bouwde een boekenfabriek
Christoffel Plantijn vestigde zich in Antwerpen en werd vanaf 1555 een van Europa's belangrijkste drukkers. Zijn bedrijf bracht lettergieters, zetters, drukkers, correctoren, graveurs, boekhouders, geleerden en verkopers samen. Het boek was nu georganiseerde arbeidsdeling. Plantijn moest papier inkopen, letters onderhouden, personeel betalen, teksten corrigeren en afzetmarkten vinden. Achter ieder intellectueel meesterwerk stonden rekeningen en lonen. Een gedachte kon Europa pas rondreizen nadat iemand haar productie had gefinancierd.
1568–1572 — de Biblia Regia
Plantijns monumentale Biblia Regia, de Antwerpse Polyglotbijbel, verscheen tussen 1568 en 1572. Verschillende Bijbelse talen en geleerde hulpmiddelen kwamen in één project bijeen. Daarvoor waren gespecialiseerde lettertypen nodig. De drukpers betekende dus niet dat ieder boek goedkoop werd. Dezelfde techniek kon een eenvoudig pamflet van enkele vellen én een kostbare meerdelige wetenschappelijke onderneming voortbrengen.
Nieuwe kennis vroeg nieuwe letters
Gotische letters, romein, cursief, Grieks en Hebreeuws vereisten verschillende typen. Muziek, wiskundige tekens en vreemde alfabetten brachten weer andere problemen mee. Een handschriftschrijver kon in beginsel ieder teken tekenen dat hij kende. De drukker moest beschikken over reproduceerbare vormen. De geschiedenis van kennis werd daarmee mede bepaald door wat technisch gezet kon worden. Nieuwe geleerdheid vroeg soms letterlijk om nieuwe letters.
Wetenschap, kaarten, kunst en techniek
1543 — Vesalius opende het lichaam
In 1543 verscheen in Bazel Andreas Vesalius' De humani corporis fabrica. De spectaculaire anatomische afbeeldingen waren geen versiering, maar kennisdragers. Een dissectie die slechts door aanwezigen kon worden bekeken, kreeg via het boek een veel groter publiek. Vesalius liet bovendien zien dat oude autoriteiten door nieuwe waarneming konden worden tegengesproken. Het boek werd een plaats waar kennis niet alleen werd bewaard, maar ook gecorrigeerd.
1543 — Copernicus verplaatste de aarde
In hetzelfde jaar verscheen in Neurenberg Nicolaus Copernicus' De revolutionibus orbium coelestium. Tabellen, diagrammen en wiskundige redeneringen maakten duidelijk hoe nauwkeurig wetenschappelijk drukwerk moest zijn. Een verkeerd cijfer kon een berekening beschadigen. De drukpers verspreidde inmiddels systemen van meten en rekenen. Later zouden Johannes Kepler en Galileo Galilei de discussie verder veranderen. Een ingewikkeld model kon op verschillende plaatsen worden bestudeerd, bekritiseerd en verbeterd.
1554 — Dodoens zette planten op papier
De Mechelse arts Rembert Dodoens publiceerde in 1554 zijn Cruydeboeck. Beschrijvingen en afbeeldingen hielpen planten herkennen en hun toepassingen begrijpen. Voor artsen en apothekers had een goede afbeelding praktische betekenis. Maar de nieuwe techniek had ook een keerzijde: een fout kon eveneens honderden malen worden afgedrukt. De pers verspreidde waarheid en vergissing met dezelfde efficiëntie.
1570 — Ortelius vouwde de wereld open
In Antwerpen verscheen in 1570 Abraham Ortelius' Theatrum Orbis Terrarum. Voor de lezer werd de wereld letterlijk omslaanbaar. Cartografie had wetenschappelijke, economische en politieke betekenis. Kooplieden, bestuurders en zeevaarders hadden belang bij geografische informatie. Kopergravure maakte fijne lijnen mogelijk en afdrukken konden vervolgens met de hand worden ingekleurd. Een atlas was wetenschap, handelswaar, kunstwerk en statussymbool tegelijk.
De koperplaat gaf het beeld scherpte
Bij een houtsnede drukten de verhoogde delen. Bij een kopergravure werden lijnen in metaal gesneden, met inkt gevuld en onder druk op vochtig papier overgebracht. Later kwamen ets en mezzotint erbij. Kaarten, anatomische afbeeldingen, planten en kunstwerken konden veel verfijnder worden weergegeven. In één boek konden daardoor verschillende technische werelden samenkomen: zetwerk voor de woorden, koperdruk voor afbeeldingen en handwerk voor kleur en band.
Kunstenaars ontdekten de reproduceerbare prent
Albrecht Dürer liet rond 1500 zien hoe krachtig een gedrukte prent als zelfstandig kunstwerk kon functioneren. In de zeventiende-eeuwse Republiek gebruikte Rembrandt van Rijn de ets om afbeeldingen in meerdere afdrukken te verspreiden. Een koperplaat kon bovendien opnieuw worden bewerkt, waardoor verschillende staten van dezelfde voorstelling ontstonden. Een schilderij was in beginsel uniek; een ets kon tientallen bezitters bereiken. De logica waarmee tekst was vermenigvuldigd veranderde nu ook de beeldende kunst.
Techniek werd zelf onderwerp van boeken
Boeken begonnen steeds vaker uit te leggen hoe iets moest worden gemaakt. Een uitgebreide editie van The Excellency of the Pen and Pencil verscheen in 1688 in Londen en behandelde tekenen, etsen, graveren, miniatuurschilderen, olieverf, kaartkleuring en het reinigen van schilderijen. Ook gereedschappen konden worden afgebeeld. Ambachtelijke kennis die vroeger vooral van meester op leerling ging, werd gedeeltelijk overdraagbaar via papier. Het boek kon naast de vakman op de werkbank komen te liggen.
Architectuur en machines gingen op reis
Gedrukte handleidingen behandelden architectuur, vestingbouw, waterbouw, landmeten, molens, navigatie en machines. Oude auteurs als Vitruvius kregen nieuwe gedrukte levens. Afbeeldingen maakten het mogelijk een constructie te bestuderen zonder het oorspronkelijke object te zien. Veel vakkennis bleef vanzelfsprekend afhankelijk van ervaring, maar tekst en tekening maakten overdracht over grotere afstand eenvoudiger. Een werkplaats hoefde de auteur niet meer te kennen om iets van zijn kennis te gebruiken.
De goedkope wereld van het papier
Het pamflet was gemaakt voor snelheid
Een pamflet kon uit slechts enkele bedrukte vellen bestaan. Dat maakte het goedkoop en snel. Nieuws, religieuze polemiek, politieke strijd, satire, liederen, gedichten, misdaad en wonderverhalen konden vrijwel onmiddellijk in druk verschijnen. Veel exemplaren verdwenen omdat niemand verwachtte dat zo'n vel eeuwenlang bewaard moest worden. Wat financieel nauwelijks waarde bezat, kon maatschappelijk buitengewoon invloedrijk zijn. Een gouden boek kon in één bibliotheek blijven; een goedkoop pamflet kon door een hele stad gaan.
De boekwinkel werd nieuwsstation
Een vroegmoderne boekwinkel was daarom niet alleen een ruimte vol dikke banden. Nieuwe pamfletten, liederen en berichten konden er worden bekeken en besproken. Marskramers brachten goedkoop drukwerk naar straten en markten. De boekenwereld kreeg verschillende verdiepingen: de geleerde handelaar met buitenlandse Latijnse werken, de kaartverkoper, de prenthandelaar en de straatverkoper met een sensationeel verhaal. De drukpers had geschreven informatie uit klooster en studeerkamer naar het stadsrumoer gebracht.
Eén exemplaar kreeg tientallen luisteraars
Niet iedereen hoefde zelf te kunnen lezen om door drukwerk te worden bereikt. Een tekst kon thuis, in een werkplaats of herberg worden voorgelezen. Liederen werden gezongen; nieuws werd naverteld. Eén exemplaar had daardoor meer dan één lezer. De pers vermenigvuldigde het papier, mensen vermenigvuldigden de inhoud opnieuw met hun stem. Een oplage vertelt daarom nooit precies hoeveel mensen een tekst werkelijk bereikte.
De prent hing boven het bier
Gedrukte afbeeldingen leefden eveneens buiten boeken. Een prent van Jacob Gole toont mannen die in een herberg triktrak spelen. Aan de muur hangt een gedrukt Droevig verhaal met een afbeelding van een galg. Zo'n detail laat zien hoe diep drukwerk het dagelijkse leven was binnengedrongen. Wie nooit een kostbare atlas kon betalen, ontmoette toch papier. Nieuws, vermaak en waarschuwingen hingen aan muren terwijl mensen dronken en speelden.
Censuur, verboden gedachten en boekverbranding
De overheid ontdekte de macht van papier
Vanaf de zestiende eeuw probeerden kerkelijke en wereldlijke autoriteiten ongewenst drukwerk te controleren. Karel V en later Filips II gebruikten plakkaten en censuur tegen bepaalde religieuze teksten. De katholieke wereld kende indices van verboden boeken. Wat gelezen mocht worden, verschilde per tijd en plaats. De bibliotheek werd daarmee een politieke ruimte. Een boek op een plank kon iets zeggen over de overtuiging van de eigenaar, maar ook over het risico dat hij bereid was te nemen.
1569 — Plantijn drukte de verbodenlijst
In 1568 kreeg de geleerde Benito Arias Montano van de hertog van Alva opdracht samen met de Leuvense theoloog Judocus Tiletanus een nieuwe lijst van verboden boeken samen te stellen. Begin 1569 werd de Index bij Christoffel Plantijn gedrukt. De paradox is treffend: dezelfde techniek die ideeën verspreidde, produceerde de officiële lijst waarop stond welke ideeën niet gelezen mochten worden.
Boekverbranding vernietigde niet noodzakelijk de tekst
Het verbranden van boeken had een sterke symbolische betekenis. De autoriteit vernietigde niet alleen papier, maar verklaarde bepaalde woorden onaanvaardbaar. De drukpers maakte volledige uitroeiing echter steeds moeilijker. Wanneer honderden exemplaren al over verschillende steden waren verspreid, betekende het verbranden van enkele tientallen niet dat de tekst verdween. Een verbod kon zelfs nieuwsgierigheid oproepen. De poging een gedachte onleesbaar te maken kon juist bekendmaken dat er iets gevaarlijks te lezen viel.
De titelpagina leerde liegen
Een clandestiene drukker kon namen weglaten, een valse drukplaats opgeven of een fictieve uitgever vermelden. Ornamenten, initialen en lettertypen kunnen zulke vermommingen eeuwen later soms alsnog verraden. De titelpagina werd onderdeel van het spel tussen schrijver, drukker en gezag. Een boek kon een pleidooi voor waarheid bevatten en tegelijk over zijn eigen geboorteplaats liegen.
1608 — papier werd een staatszaak
Tijdens de onderhandelingen over het Twaalfjarig Bestand traden de Staten-Generaal in 1608 op tegen politieke teksten rond Den Nederlandtschen Bye-corf. Exemplaren moesten worden ingeleverd of vernietigd en overtreders riskeerden straf. Diplomaten konden maandenlang over vrede onderhandelen, terwijl een drukker in korte tijd een tekst kon verspreiden die volgens bestuurders diezelfde onderhandelingen kon beïnvloeden. Het goedkope vel was een politieke factor geworden.
Willem Breeckevelt betaalde een hoge prijs
Omstreeks 1650 ondervond drukker Willem Breeckevelt hoe gevaarlijk politiek drukwerk kon zijn. Zijn betrokkenheid bij vertrouwelijke stukken en verboden anti-Bickerse pamfletten leidde tot een zware Amsterdamse straf: geseling, tepronkstelling en vijfentwintig jaar verbanning uit Holland, naast proceskosten. Een pamflet kon voor weinig geld worden verkocht, terwijl degene die het drukte zijn vrijheid en lichamelijke veiligheid riskeerde. De prijs op de toonbank vertelde weinig over de werkelijke kosten van een verboden tekst.
1670 — Spinoza verdween achter anonimiteit
Baruch Spinoza's Tractatus Theologico-Politicus verscheen in 1670 zonder zijn naam en met misleidende drukgegevens. Het werk behandelde Bijbelkritiek, religie en politieke vrijheid en werd in 1674 door het Hof van Holland verboden. De Amsterdamse uitgever Jan Rieuwertsz speelde een belangrijke rol in de kring waarin zulke teksten circuleerden. Het boek had geleerd zich te vermommen. Een lezer kon precies weten welke ideeën hij kocht en toch niet kunnen zien waar het exemplaar werkelijk was geboren.
Verbieden kon waarde creëren
Een verbod vernietigde niet noodzakelijk een tekst. Boeken konden onder de toonbank worden verkocht, in andere banden verdwijnen of achter misleidende titelbladen schuilgaan. Eeuwen later werkte het verbod nog op een andere manier. Wanneer veel exemplaren waren vernietigd, werden overlevende drukken zeldzaam. Wat ooit gevaarlijk afval moest worden, kon een kostbaar verzamelobject worden. Waarde veranderde terwijl de woorden op het papier dezelfde bleven.
Seksualiteit, moraal en de markt
Ook verlangen werd handelswaar
De Nederlandse boekenmarkt bood ruimte aan teksten die elders moeilijk verkrijgbaar waren. Medische en huwelijksboeken behandelden voortplanting vanuit verschillende kaders, maar daarnaast circuleerde explicieter en clandestien erotisch proza. De Amsterdamse boekverkoper Timotheus ten Hoorn was vanaf de jaren 1680 betrokken bij een markt voor seksueel openhartige werken. Dezelfde stedelijke boekenwereld die Bijbels, kaarten en filosofie verkocht, maakte ook lichamelijk verlangen tot handelswaar.
D'Openhertige Juffrouw
Een bijzonder voorbeeld is D'Openhertige Juffrouw of d'Ontdekte Geveinsdheid uit 1680. Het werk vertelt in de ik-vorm over het leven en de seksuele avonturen van een Amsterdamse prostituee. Het boekje was klein en goedkoop uitgevoerd, terwijl auteur en werkelijke productieomgeving zich gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Het werd herdrukt en vond via vertalingen ook lezers buiten de Republiek. Een bescheiden Hollands boekje kon daardoor een internationale levensloop krijgen.
De grens tussen kennis en obsceniteit verschoof
Wat als geneeskunde, kunst, obsceniteit of zonde gold, veranderde per tijd en samenleving. Een anatomische afbeelding kon in een medisch boek noodzakelijk zijn en elders als aanstootgevend worden ervaren. Klassieke auteurs bevatten passages die latere generaties verschillend beoordeelden. Clandestiene seksuele literatuur kon later juist vanwege haar zeldzaamheid aantrekkelijk worden voor verzamelaars. De bibliotheek bewaart daardoor niet alleen wat een samenleving openlijk bewonderde, maar soms ook wat zij probeerde te verbergen.
Literatuur, filosofie en muziek
Gedichten en toneel kregen een langer leven
Drukwerk veranderde de overlevingskansen van literatuur. Dante, Petrarca, Chaucer en klassieke auteurs kregen nieuwe gedrukte levens. Miguel de Cervantes publiceerde het eerste deel van Don Quichot in 1605 en het tweede in 1615. In Londen verscheen in 1623, zeven jaar na de dood van William Shakespeare, de beroemde First Folio. In de Republiek publiceerde Joost van den Vondel onder meer Lucifer in 1654. Een toneelavond verdween; een gedrukte tekst kon eeuwen later opnieuw worden uitgevoerd.
Leiden werd kennisstad
Na de stichting van de Universiteit Leiden in 1575 groeide daar een omgeving waarin professoren, studenten, drukkers en boekverkopers elkaar voortdurend nodig hadden. Hoogleraren bouwden bibliotheken op, studenten kochten en verkochten boeken en uitgevers vonden een geconcentreerde markt voor geleerd drukwerk. Een theorie had papier nodig; een student een betaalbaar exemplaar; een boekhandelaar informatie over wat het volgende collegejaar gevraagd zou worden. Kennis kreeg een stedelijke infrastructuur.
Descartes drukte zijn methode in Leiden
René Descartes verbleef lange tijd in de Republiek. Zijn Discours de la méthode verscheen in 1637 in Leiden, samen met wetenschappelijke essays. Internationale geleerden konden profiteren van Nederlandse drukkers, handelsverbindingen en intellectuele netwerken. Toch was de Republiek geen onbeperkt vrijhaven. Juist de spanning tussen commerciële mogelijkheden, lokale bevoegdheden en censuur maakte de Nederlandse boekenmarkt bijzonder.
Newton zette natuurwetten in druk
In 1687 verscheen in Londen Isaac Newtons Philosophiae Naturalis Principia Mathematica. Het werk vereiste Latijnse tekst, geometrische figuren, wiskundige redeneringen en grote nauwkeurigheid. Het lezerspubliek was veel kleiner dan dat van een populair pamflet, maar invloed hing niet alleen van oplage af. Een relatief klein aantal exemplaren in handen van geleerden kon enorme gevolgen hebben. Niet alleen hoeveel mensen een boek lazen was belangrijk, maar ook wie het las.
Nederland als boekenmarkt
Frankfurt verbond Europa
Boeken reisden via handelsroutes en jaarmarkten. Vooral Frankfurt groeide uit tot een belangrijk knooppunt waar uitgevers, boekverkopers en tussenpersonen elkaar ontmoetten. Nederlandse handelaren konden er buitenlandse titels inkopen, eigen uitgaven aanbieden en zien wat elders verscheen. Een Latijns werk uit Leiden kon in Duitsland worden verkocht; een Franse tekst kon in Amsterdam worden gedrukt. De taal van een boek vertelde niet noodzakelijk waar zijn koper woonde.
De Elzeviers maakten geleerdheid internationaal
De familie Elsevier/Elzevier groeide vanuit Leiden uit tot een beroemde dynastie van boekverkopers en drukkers. Compacte, verzorgde uitgaven vonden een internationaal publiek. De boekverkoper werd meer dan winkelier. Hij moest weten welke geleerde een nieuwe tekst schreef, welke buitenlandse markt belangstelling had en welke bibliotheek beschikbaar kwam. Informatie over boeken werd bijna even belangrijk als de voorraad zelf.
Leiden vond een bestemming voor dode bibliotheken
Wanneer een geleerde of verzamelaar stierf, hoefde zijn bibliotheek niet als geheel te blijven bestaan. In Leiden ontwikkelde de boekveiling zich tot een belangrijk verkoopinstrument. De oudste bewaard gebleven Nederlandse veilingcatalogus behoort bij de bibliotheek van Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, die op 6 juli 1599 in Leiden werd geveild. Een verzameling die gedurende tientallen jaren was opgebouwd, kon in korte tijd onder nieuwe eigenaren worden verspreid.
De catalogus overleefde de bibliotheek
Voorafgaand aan een veiling konden potentiële kopers in een gedrukte catalogus zien welke boeken beschikbaar kwamen. Daarmee ontstond een papieren dubbelganger van de bibliotheek, vlak voordat die uiteenviel. Voor historici is zo'n catalogus soms het enige overzicht dat van een verzameling resteert. De KB bewaart tegenwoordig grote aantallen Nederlandse boekhandels- en veilingcatalogi. De handel die ooit bibliotheken uit elkaar trok, leverde zo onbedoeld bronnen waarmee ze eeuwen later weer gedeeltelijk kunnen worden gereconstrueerd.
Vrouwen stonden achter de toonbank
Ook de vroegmoderne boekenhandel was niet uitsluitend mannelijk. Weduwen konden na het overlijden van hun echtgenoot een drukkerij of boekwinkel voortzetten. Zij namen voorraad, zakelijke contacten, personeel en soms persen over. Een naam op een titelblad vertelt daarom niet altijd het hele verhaal van de onderneming. Zoals Aef van Bolgerien en Cornelisge Claes vrouwelijke lezers zichtbaar maken, zo verschijnen elders vrouwen aan de productiekant van het boek.
Blaeu en de wereld in een kast
Willem en Joan Blaeu verkochten de wereld
Willem Jansz. Blaeu, geboren in 1571, bouwde in Amsterdam een belangrijke kaarten- en uitgeverij op. Zijn zoon Joan Blaeu zette het bedrijf voort. Hun atlassen verenigden geografie, kopergravure, typografie, handmatige inkleuring en boekbinding. Het hoogtepunt werd de Atlas Maior, die vanaf 1662 in verschillende taaluitgaven verscheen. Voor rijke kopers was zo'n verzameling niet alleen geografische kennis, maar ook een zichtbaar bewijs van vermogen en geleerdheid. De wereld kon in een boekenkast worden gezet.
Seriewerk bleef handwerk
Tekst werd typografisch gedrukt en kaarten kwamen van koperplaten, maar luxueuze exemplaren konden daarna met de hand worden ingekleurd. Vervolgens bepaalde de binder opnieuw de uitvoering. Twee sets van dezelfde atlas konden daardoor sterk verschillen. De pers produceerde dezelfde basis; menselijke handen bepaalden hoeveel luxe eraan werd toegevoegd. De middeleeuwse verluchter was niet volledig verdwenen. Zijn opvolgers kleurden nu gedrukte kaarten.
Een atlas en een pamflet leefden in verschillende economieën
De prijsverschillen waren enorm. Een eenvoudig pamflet kon voor weinig geld circuleren, terwijl een grote atlas of wetenschappelijke reeks voor veel huishoudens onbereikbaar bleef. Daarom bestaat er geen zinvol antwoord op de algemene vraag wat 'een boek' kostte. Titel, jaar, formaat, papier, band, illustraties, handkleuring, staat en plaats van verkoop deden ertoe. Voor de ene koper was het boek noodzakelijk gereedschap; voor een andere een statussymbool.
Boeken steken de oceaan over
Boeken voeren mee met Nederlandse schepen
VOC- en WIC-netwerken vervoerden niet alleen handelswaar, wapens en mensen. Administratieve stukken, kaarten, Bijbels, psalmboeken, catechismussen, schoolmateriaal en andere lectuur gingen eveneens aan boord. Predikanten en bestuurders hadden teksten nodig; zeevaarders gebruikten navigatiekennis; overzeese gemeenschappen bouwden kerkelijke en bestuurlijke verzamelingen op. Het boek werd daarmee onderdeel van koloniale structuren. Europese kennis reisde mee met handel, missie, bestuur en overheersing.
Nieuw-Nederland las Nederlands
In Nieuw-Nederland, met Nieuw-Amsterdam op Manhattan als bestuurlijk centrum, reisden Nederlandse religieuze en bestuurlijke teksten mee met kolonisten en predikanten. Bijbels, catechismussen en schoolmateriaal hielpen taal en geloof over de Atlantische Oceaan te reproduceren. Maar informatie bewoog ook terug. Reizigers, bestuurders en natuuronderzoekers stuurden beschrijvingen, woorden, kaarten en waarnemingen naar Europa. Zo vulden Europese bibliotheken zich geleidelijk met kennis die duizenden kilometers verderop was verzameld.
1624 — Batavia kreeg een bibliotheek
In 1624 richtte de kerkeraad van Batavia een bibliotheek voor predikanten op. Enkele jaren later werd de VOC gevraagd de verzameling met geschikte boeken uit te breiden. Boeken werden dus doelbewust vanuit de Republiek naar Azië gestuurd om daar een institutionele bibliotheek op te bouwen. De kenniswereld die rond Sion nog tussen Hollandse kloosters reisde, had inmiddels een oceaan overgestoken.
De tropen aten boeken op
De nieuwe omgeving was zwaar voor Europees papier en leer. De Bataviase verzameling raakte in de zeventiende eeuw vervuild en beschadigd door slecht beheer, stof en ongedierte. Er werd een bibliothecaris aangesteld en de toestand verbeterde. Het verhaal van kennisoverdracht was daarmee ook een strijd tegen klimaat, insecten en vocht. Een boek dat de lange zeereis had overleefd, kon alsnog verdwijnen omdat een kever zijn weg door de katernen vond.
Jacobus Bontius en zijn boeken
De arts Jacobus Bontius werkte in Batavia en beschikte volgens historische beschrijvingen over een omvangrijke particuliere bibliotheek. Europese medische teksten reisden met hem mee, maar zijn dagelijkse omgeving confronteerde hem met ziekten, planten en omstandigheden die Europese auteurs nauwelijks kenden. Kennis begon daardoor in twee richtingen te bewegen. Boeken brachten Europa naar Java; ervaringen uit Azië konden later in Europese boeken terechtkomen.
De koloniale bibliotheek had een blinde vlek
Europese natuuronderzoekers begonnen hun kennis in Azië, Afrika en Amerika lang niet altijd zelf. Lokale genezers, gidsen, tolken, bedienden, inheemse bewoners en tot slaaf gemaakte mensen konden namen, toepassingen en vindplaatsen leveren. Toch verscheen meestal de naam van de Europese auteur op het titelblad. Het boek kon kennis bewaren en tegelijk haar oorsprong verhullen. Wie de titelpagina leest zonder naar de mensen erachter te zoeken, ziet daarom slechts een deel van de kennisoverdracht.
Merian en de wereld van planten en insecten
1699 — Maria Sibylla Merian ging zelf kijken
Maria Sibylla Merian, geboren in 1647, reisde in 1699 vanuit Amsterdam met haar dochter Dorothea Maria Graff naar Suriname om insecten en hun waardplanten te bestuderen. Zij combineerde waarneming, kunst en natuuronderzoek. Inheemse en tot slaaf gemaakte mensen hielpen bij kennis over lokale planten en dieren, terwijl hun individuele namen veel minder goed zijn overgeleverd. Haar werk toont daardoor tegelijk de kracht en de ongelijkheid van vroegmoderne kennisoverdracht.
1705 — Suriname werd een monumentaal boek
In 1705 verscheen in Amsterdam Metamorphosis insectorum Surinamensium. Het grote werk bevatte zestig platen die in luxueuze exemplaren met de hand konden worden gekleurd. Nederlandse en Latijnse tekst maakten verschillende lezersmarkten mogelijk. Eén boek verenigde waarnemer, tekenaar, graveurs, drukker, inkleurders, uitgever en binder. De mechanische drukpers had het handwerk dus niet afgeschaft. Zij had het een nieuwe plaats gegeven.
Kwaliteit bleef verschil maken
Papier, afdrukkwaliteit, handkleuring en band konden verschillende exemplaren van dezelfde titel sterk van elkaar doen verschillen. De koper kocht niet alleen de tekst of afbeelding, maar een uitvoering. Dat principe liep als een draad door de hele boekgeschiedenis. Het perkamenten getijdenboek van een rijke vijftiende-eeuwse opdrachtgever en de handgekleurde natuurhistorische druk van een achttiende-eeuwse verzamelaar waren technisch totaal verschillend, maar beide gebruikten materiële kwaliteit om waarde zichtbaar te maken.
Peter de Grote kocht Merians werk
In 1716 en 1717 kocht tsaar Peter de Grote werk via Merians dochter Dorothea Maria Graff en haar echtgenoot Georg Gsell. Daarmee kan een uitzonderlijke kennisroute worden gevolgd: waarneming in Suriname, uitwerking en publicatie in Amsterdam en vervolgens verzameling in Sint-Petersburg. Een insect dat ooit op een plant in Zuid-Amerika zat, kon via een tekening en druk uiteindelijk onderdeel worden van een Russische wetenschappelijke verzameling.
Albertus Seba verzamelde de wereld
De Amsterdamse apotheker Albertus Seba, geboren in 1665, bouwde dankzij de internationale scheepvaart een enorme natuurhistorische verzameling op. Schelpen, dieren en andere objecten bereikten zijn kabinet; vanaf 1734 verscheen zijn geïllustreerde Thesaurus. Amsterdam maakte zo een kringloop mogelijk. Schepen brachten objecten uit verre gebieden, verzamelaars ordenden ze, kunstenaars tekenden ze en drukkers veranderden de verzameling in boeken die opnieuw over de wereld konden reizen.
Wat een bibliotheek werkelijk bewaarde
Niet alle oude kennis was waar
Astrologie kon naast sterrenkunde staan, alchemie naast vroege scheikunde en achterhaalde medische theorieën naast waarnemingen die later standhielden. Kaarten bevatten fouten; dieren konden op basis van reizigersverhalen verkeerd worden weergegeven. De drukpers verspreidde betrouwbare kennis en vergissingen met dezelfde snelheid. Dat maakt een achterhaald boek historisch niet waardeloos. Het vertelt wat mensen op een bepaald moment aannemelijk vonden. Een bibliotheek bewaart daarom ook de geschiedenis van vergissingen.
Oude ideologie bleef op papier leven
Hetzelfde geldt voor politieke, religieuze en koloniale ideeën. Een overtuiging kon haar maatschappelijke gezag verliezen terwijl het boek bleef bestaan. Wat ooit als waarheid werd gepresenteerd, kan later worden verworpen of moreel onaanvaardbaar worden gevonden. Dan verandert de functie van het boek. Het wordt bron voor onderzoek naar de samenleving die het voortbracht. Bewaren betekent niet onderschrijven. Juist doordat zulke boeken blijven bestaan, kan worden onderzocht hoe ideeën ontstonden, verspreid raakten en uiteindelijk werden bestreden of verlaten.
De lezer maakte ieder exemplaar uniek
De drukpers produceerde overeenkomstige exemplaren; lezers maakten ze opnieuw verschillend. Zij onderstreepten woorden, plaatsten tekens in marges, verbeterden drukfouten en schreven recepten, eigendomsnamen, geboortegegevens en commentaar. Vocht veroorzaakte vlekken, kaarsen verschroeiden papier en insecten boorden gangen door katernen. Wat ooit als beschadiging werd gezien, kan tegenwoordig historisch bewijs zijn. Een gebruikt boek draagt naast de tekst van zijn auteur ook sporen van zijn lezers.
De waarde van het boek
De rijke verzamelaar kocht meer dan woorden
Voor kooplieden, regenten, vorsten en geleerden kon de privébibliotheek een intellectueel zelfportret worden. De keuze van boeken liet talen, interesses, beroep, religie en vermogen zien. Wapens op banden en ex librissen maakten bezit zichtbaar. Een kostbare atlas kon kennis bieden én status tonen. De bibliotheek werd daarmee een ruimte waarin geld en geleerdheid elkaar ontmoetten.
De antiquaar gaf het oude boek een tweede prijs
Naarmate drukken ouder werden, ontstond een markt voor zeldzame exemplaren. Niet alleen inhoud telde. Eerste druk, papier, compleetheid, band, handtekening, marginalia en eerdere eigenaars konden de prijs beïnvloeden. Een inhoudelijk verbeterde latere editie kon voor een verzamelaar minder aantrekkelijk zijn dan een gebrekkige eerste druk. Het boek kreeg een tweede economisch leven waarin ouderdom en geschiedenis zelf handelswaar werden.
Provenance gaf het boek een biografie
Eigendomsnotities, ex librissen, bibliotheekstempels, banden, veilingnummers en handgeschreven namen vormen samen de provenance. Daarmee kan één exemplaar soms eeuwen worden gevolgd. Een kloosterboek kon na het verdwijnen van zijn gemeenschap stadsbezit worden, vervolgens in een particuliere collectie terechtkomen en uiteindelijk een universiteitsbibliotheek bereiken. Voor Sion is precies dat van doorslaggevend belang. De oorspronkelijke bibliotheek bestaat niet meer als geheel. Haar boeken kunnen echter nog steeds bestaan.
Haarlem bewaarde wat Beverwijk verloor
De oude boekbandenstudie merkt op dat Haarlem in de zestiende eeuw een deel van de Beverwijkse kloostergoederen verwierf. In de Haarlemse bibliotheek bleven handschriften en incunabelen met de eigendomsmerken van Sion en Nazareth bewaard. Een bestuurlijke overdracht werd daardoor onbedoeld een vorm van conservering. De kloosters verdwenen, maar draagbare voorwerpen ontsnapten. Eeuwen later konden onderzoekers de oude banden, stempels en opschriften opnieuw bestuderen.
Wat was een boek waard?
Na eeuwen boekgeschiedenis blijkt dat die vraag geen enkel antwoord heeft. Een boek bezat materiaalwaarde door perkament, papier, leer, hout, metaal en pigment. Het bezat arbeidswaarde door kopiist, zetter, illustrator, drukker en binder. Op de markt kreeg het handelswaarde. Voor een gelovige kon het religieuze waarde hebben, voor een geleerde kenniswaarde, voor een vorst statuswaarde, voor een censor politieke dreiging en voor een antiquaar zeldzaamheidswaarde. Hetzelfde voorwerp kon in één mensenleven al verschillende van die betekenissen krijgen.
Een goedkoop vel kon belangrijker zijn dan een gouden boek
Daarin schuilt de grote paradox. Een verlucht handschrift kon honderden uren arbeid en kostbare materialen bevatten en door weinig mensen worden gezien. Een goedkoop pamflet kon haastig worden gedrukt en binnen enkele dagen honderden lezers en luisteraars bereiken. Een verboden boek kon worden verbrand en daardoor beroemd worden. Een schoolboek dat niemand belangrijk genoeg vond om te bewaren, kon eeuwen later uiterst zeldzaam blijken. Een peperdure atlas kon rijkdom tonen, terwijl een klein wetenschappelijk werk een wereldbeeld veranderde. Prijs, schoonheid, zeldzaamheid en historische invloed liepen nooit gelijk.
Terug naar de schrijftafel van Sion
Eén junidag in 1477
En zo keren we terug naar Beverwijk. Op 7 juni 1477 zat Zibrandus Bartoldi daar nog met een pen. Om hem heen bestond de oude materiële wereld van perkament, liniëring, inkt, houten platten, leer en metalen beslag. Hij schreef Augustinus over de psalmen. Op datzelfde moment draaiden elders in Europa al drukpersen. In Deventer begon Richard Pafraet datzelfde jaar te drukken. De oude en nieuwe wereld bestonden naast elkaar.
Gheryt zag de verandering gebeuren
In 1498 zette de vierenzestigjarige Gheryt van Castrinchem zijn bril op en schreef maandenlang voor Aef van Bolgerien. Terwijl hij ieder woord afzonderlijk vormde, circuleerden inmiddels duizenden verschillende gedrukte boeken door Europa. Het handschrift stierf niet; het kreeg gezelschap. Binnen één generatie konden een kopiist, drukker, boekbinder, boekverkoper en lezer allemaal aan dezelfde tekstcultuur deelnemen.
Vanuit Beverwijk liep de lijn steeds verder
Daarna werd de wereld van het boek steeds groter. Erasmus, Luther, Plantijn, Vesalius, Copernicus, Dodoens en Ortelius volgden. Leiden werd universiteitsstad. Amsterdam werd centrum van kaarten, prenten en internationale boekhandel. Blaeu vouwde de wereld in atlassen. Spinoza verstopte zijn naam. Newton zette natuurwetten in druk. Erotische boekjes reisden clandestien. Pamfletten kwamen in herbergen terecht. Bibliotheken werden geveild. Boeken voeren naar Nieuw-Nederland en Batavia. Merian bracht kennis uit Suriname naar Amsterdam. Peter de Grote liet werk naar Rusland brengen.
Maar Sion stond niet aan de zijlijn
In Sion zelf waren boeken geschreven, gecorrigeerd, gekocht, geschonken, gebonden, verkocht en vervangen. Bero Willemsz. las als prior kritisch mee. Zybold van Wijk aan Zee liet een boek na. Zibrandus Bartoldi schreef Augustinus. Jan Jans combineerde schoenmakerswerk met kopiëren. Gheryt van Castrinchem schreef voor Aef van Bolgerien. Cornelisge Claes bezat dat boek later. Henrick Havinck van Amsterdam schreef nog in 1527. Vrouwen als Diewer Pelgrims tonen dat ook buiten de mannenwereld handen aan boeken werkten.
De boeken zelf gingen verder toen hun makers verdwenen.
De gebouwen konden verdwijnen. Bibliotheken konden uiteenvallen. Een tekst kon worden verboden, een overtuiging achterhaald, een boek verbrand, verkocht, gestolen of vergeten. Toch hoefde slechts één exemplaar te ontsnappen om eeuwen later opnieuw geopend te kunnen worden.
Daarom zijn die paar woorden in een oud boek zo belangrijk:
Liber domus Regularium in Syon prope Beverwyck.
Het boek van het huis der regulieren in Sion bij Beverwijk.
Zonder die woorden zien we een oud voorwerp. Met die woorden keert een verdwenen kamer terug. We zien de plank waarop het stond, de binder die het leer bewerkte, de broeder die het opensloeg en de gemeenschap die besloot het te bewaren.
Daarin lag uiteindelijk een waarde die geen nobel, stuiver of gulden volledig kon uitdrukken.
Het boek kon zijn schrijver overleven. Het kon zijn eigenaar overleven. Het kon de ideeën waarvoor het was gemaakt overleven. En uiteindelijk kon het zelfs het klooster overleven waarin het ooit werd gelezen.
De mannen kwamen in de nacht
Eind april 1567 verschenen gewapende geuzen rond Beverwijk. Timon van Wou, onderpastoor van de plaats, zag mannen in de nacht voorbijtrekken. Zij kwamen uit de richting van Vianen en trokken verder naar Egmond. Daar werd Otto van Myerop, prior van het convent, gevangengenomen. Dit waren tegenstanders van het gezag van Filips II en van de bestaande katholieke orde. Maar „de Geuzen” vormden geen keurig leger met één commandant die overal aanwezig was. Voor de mensen langs de weg telde iets anders: er kwamen gewapende mannen aan.
De poort hield hen niet tegen
Op 29 april 1567 bereikte het geweld Sion. Prior Jan Allertsz. Suermondt moest vluchten. Adriaan Jansz. Bosch, verver en wachter van Beverwijk, zou later samen met Jan over de aanval getuigen. Sion was katholiek en behoorde daarmee tot de kerkelijke wereld waartegen delen van de opstandige beweging zich keerden. Wie precies iedere man voor de kloosterpoort aanvoerde, weten we niet. Dat maakt Jans positie niet minder duidelijk. Hij zag gewapende tegenstanders van de bestaande orde verschijnen en moest zijn eigen klooster achterlaten.
Aan de ene kant stond Filips
Boven de koninklijke partij stond Filips II, landsheer van de Nederlanden en koning van Spanje. In 1567 stuurde hij Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva, naar de Nederlanden. Alva moest het koninklijke gezag herstellen en het verzet breken. Onder dat gezag vochten koninklijke troepen waarin naast Spaanse ook andere soldaten uit de Habsburgse gebieden dienden. Voor Sion leek deze partij op papier de natuurlijke beschermer: zij verdedigde de katholieke orde. Later zou blijken hoe weinig zo'n verwachting in oorlog betekende.
Aan de andere kant stond Oranje
Willem van Oranje werd de belangrijkste politieke leider van de Opstand tegen het bestuur van Filips II. Onder die opstandige zijde vielen verschillende groepen die lang niet altijd hetzelfde wilden. Daaronder bevonden zich de Geuzen die in Holland een steeds grotere militaire rol kregen. Zij streden tegen het koninklijke gezag, maar religieuze tegenstellingen liepen daar dwars doorheen. Voor een katholiek klooster als Sion kon hun komst daarom angst betekenen. Oranje vocht tegen Filips. Jan Suermondt probeerde ondertussen vooral zijn gemeenschap overeind te houden.
In het noorden verscheen Sonoy
Toen de Opstand in Holland in 1572 doorzette, kreeg Diederik Sonoy een belangrijke rol in het Noorderkwartier aan de zijde van Willem van Oranje. Zijn naam raakte verbonden met de opstandige oorlogvoering ten noorden van het IJ. Daarmee kreeg de strijd rondom Beverwijk een herkenbaarder gezicht. Aan de ene kant stonden de aanhangers en troepen van Oranje, met Sonoy als belangrijke militaire bestuurder in Noord-Holland. Aan de andere kant stonden de koninklijke troepen die namens Filips II probeerden het gebied terug te brengen onder koninklijk gezag.
Haarlem werd de poort naar het noorden
In december 1572 sloot het koninklijke leger Haarlem in. De stad hield de zijde van Oranje. Het beleg maakte Kennemerland tot oorlogsgebied. Ten zuiden en rondom Haarlem lagen koninklijke troepen; ten noorden probeerde de Opstand stand te houden. Beverwijk en Sion lagen op de verbinding richting Alkmaar en het Noorderkwartier. Daardoor kwamen de broeders tussen twee militaire werelden terecht. Wie vanuit Haarlem noordwaarts trok, kwam hun kant op. Wie vanuit het noorden richting Haarlem wilde, gebruikte hetzelfde gebied. De oorlog liep letterlijk langs Sion.
Niemand bracht zekerheid
Voor Jan Suermondt ontstond daardoor een wrange situatie. De Geuzen behoorden tot de opstandige zijde en hadden zijn katholieke klooster al aangevallen. De koninklijke soldaten vochten namens Filips II en verdedigden formeel de oude katholieke orde. Maar ook zij hadden voedsel, paarden, onderdak en materiaal nodig. Een uniform of vaandel vertelde Jan daarom wel aan welke zijde een soldaat stond, maar niet wat die man bij Sion zou doen. Voor de broeders kon zowel een geuzenafdeling als een koninklijke eenheid gevaar betekenen.
Jan begon zijn huis leeg te halen
Terwijl het koninklijke leger Haarlem belegerde en de opstandige zijde onder Oranje en zijn bestuurders probeerde Noord-Holland vast te houden, begon Jan bezit uit Sion naar Amsterdam over te brengen. De grote strijd kreeg daarmee een kleine, tastbare vorm. Kisten verlieten het klooster. Huisraad ging mee. Broeders vertrokken. Mogelijk reisden ook boeken tussen het draagbare bezit, al kunnen we niet per band bewijzen wanneer die Sion verliet. Jan wachtte niet tot een leger hem vertelde dat het te laat was. Hij probeerde te redden wat nog gered kon worden.
Daarna kwamen de plunderaars
Wat achterbleef werd zwaar getroffen. Geuzen hadden Sion volgens Wouter Jacobsz. geplunderd en gedemolieerd voordat de latere brand plaatsvond. Deuren, banken, kozijnen, beschotten, lood en ijzer verdwenen. Daarmee kreeg één zijde van de oorlog een zeer concrete plaats in de ondergang van het klooster: mannen van de opstandige kant hadden het katholieke Sion opengebroken. Maar dit wordt geen eenvoudig verhaal waarin de Geuzen alles vernietigden en de koninklijke troepen het klooster redden. Het tweede deel van die geschiedenis moest nog komen.
Bossu vocht voor Filips
Aan de koninklijke zijde was Maximilien de Hénin-Liétard, graaf van Bossu, een van de belangrijkste namen in Holland. Hij was stadhouder namens Filips II en voerde in 1573 koninklijke troepen aan in de strijd in Noord-Holland. Aan de andere zijde stond de opstandige oorlogvoering van Diederik Sonoy. Hun strijd draaide om steden, dijken, waterwegen en verbindingen. Voor Beverwijk betekende dat dat de plaats niet aan de rand van de oorlog lag. Zij lag in het gebied waar beide partijen doorgang, voedsel, waterwegen en militaire posities nodig hadden.
Na Haarlem kwam Alkmaar
Haarlem capituleerde in juli 1573. Daarmee was de oorlog rond Beverwijk niet voorbij. Het koninklijke leger trok verder noordwaarts en in augustus begon het beleg van Alkmaar. Aan de opstandige kant speelde Sonoy een belangrijke rol in het Noorderkwartier. Aan koninklijke zijde werd geprobeerd de opstandige steden opnieuw onder Filips II te brengen. Beverwijk lag opnieuw tussen het gebied waaruit de aanval kwam en het gebied dat zich verdedigde. Sion stond precies in die corridor. Daarom verdwenen de soldaten niet toen Haarlem gevallen was.
Zes dagen later
In november 1573 waren het ditmaal koninklijke soldaten die in het beschadigde Sion verbleven. Deze mannen vochten dus aan de kant van Filips II, niet aan de zijde van Oranje en de Geuzen. Zij maakten vuur bij houten delen van kerk en gebouwen. Het ging mis. Het vuur sloeg over. De achterkerk brandde en andere gebouwen werden getroffen. Daarmee kreeg Sion de oorlog van beide kanten over zich heen: eerst plundering door Geuzen, daarna nieuwe verwoesting terwijl koninklijke militairen het complex gebruikten.
De twee kampen waren nu zichtbaar
Aan de ene zijde stonden Filips II en zijn koninklijke bestuur, met mannen als Alva en Bossu en met koninklijke troepen in en rond Beverwijk. Aan de andere zijde stond Willem van Oranje, met de Geuzen en in het Noorderkwartier Diederik Sonoy als belangrijke militaire bestuurder. Maar tussen die namen leefden Jan Suermondt, Adriaan Bosch, Timon van Wou, Martinus en de inwoners van Beverwijk. Voor hen was de oorlog geen schema met twee kleuren. Beide partijen konden voedsel eisen, gebouwen gebruiken, mensen gevangen nemen en vernietiging achterlaten.
Sion stond precies tussen hen
Dat is de politieke kern die het verhaal nodig heeft. Sion werd niet vernietigd doordat één buitenlandse vijand naar Beverwijk kwam. Het klooster raakte vermalen in de Nederlandse Opstand. Geuzen aan de opstandige zijde plunderden het. Koninklijke troepen van Filips II gebruikten het complex en veroorzaakten later brandschade. Vervolgens kreeg het terrein een militaire functie. De grote namen waren Filips II en Willem van Oranje; in Noord-Holland herkennen we onder anderen Bossu en Sonoy. Daartussen probeerden de broeders hun mensen, bezit en boeken uit de oorlog weg te krijgen.