Ja, er zijn nog enkele stukken die in het complete verhaal niet volledig zijn meegenomen. Ik zou deze aanvulling erachter zetten, zonder het bestaande verhaal in te korten.

Aanvulling — wat nog ontbrak

De Maas als leverancier van steen

De Maas was voor neanderthalers niet alleen een bron van water en een plaats waar dieren kwamen. De rivier verplaatste voortdurend grote hoeveelheden grind en steen uit het achterland. Daardoor konden in rivierafzettingen bruikbare stenen grondstoffen bereikbaar worden. Vuursteen was bijzonder geschikt voor het maken van scherpe werktuigen, maar de beschikbaarheid ervan veranderde wanneer oude grindlagen werden afgedekt door löss of dekzand. Het landschap bepaalde dus mede waar werktuigen konden worden gemaakt. Rivierterrassen en aangesneden beekoevers waren hierdoor niet alleen aantrekkelijke verblijfplaatsen, maar konden tegelijkertijd plekken zijn waar bruikbaar steenmateriaal aan het oppervlak kwam.

De verblijfplaats was maar één moment in een groter gebied

Een kampement zoals Amstenrade of een van de locaties bij Belvédère vertegenwoordigt waarschijnlijk slechts een kort gedeelte van een veel grotere verplaatsing. Mensen kwamen met werktuigen of grondstoffen aan, maakten nieuwe afslagen, repareerden beschadigde voorwerpen, gebruikten vuur en vertrokken vervolgens weer. Sommige voorwerpen werden meegenomen, andere bleven achter. Daardoor geeft een opgegraven kamp nooit de volledige gereedschapsvoorraad van een groep weer. De verspreide stenen in het landschap zijn juist het resultaat van al die afzonderlijke bewegingen. Het veil of stones-model van Belvédère probeert precies die moeilijk zichtbare menselijke aanwezigheid archeologisch herkenbaar te maken.

Een oude verblijfplaats kon opnieuw worden gebruikt

Kesselt-Op de Schans laat zien dat het landschap waarschijnlijk niet na ieder bezoek zijn betekenis verloor. Vuurstenen afslagen uit verschillende kampementen konden aan elkaar worden gepast. Mogelijk keerde dezelfde groep later terug, maar het kan ook zijn dat andere mensen materiaal van een ouder kamp vonden en opnieuw gebruikten. De archeologie kan tussen deze mogelijkheden niet definitief kiezen. Beide scenario's zijn belangrijk. Ze betekenen dat plaatsen binnen het Maaslandschap herhaaldelijk bezocht konden worden. Een geschikte oever, terrasrand of beschutte plek kon dus gedurende verschillende momenten onderdeel blijven van menselijke verplaatsingen door hetzelfde grotere gebied.

Neanderthalers waren niet alleen jagers

Het archeologische beeld wordt sterk bepaald door steen en dierlijke resten, omdat juist die materialen goed kunnen overleven. Dat betekent niet dat het dagelijks bestaan uitsluitend uit jacht en vuursteenbewerking bestond. De catalogus wijst bij de keuze van verblijfplaatsen ook op water, hout en eetbare planten. Amstenrade is daarvan een goed voorbeeld. In het beekdal groeiden berken en waren verschillende natuurlijke hulpbronnen binnen bereik. Veel organisch materiaal dat mensen daar gebruikten, is verdwenen. Houten schachten, planten, huiden en andere vergankelijke materialen kunnen daardoor een veel grotere plaats in het dagelijks leven hebben ingenomen dan het archeologische vondstmateriaal tegenwoordig laat zien.

Hout en steen hoorden bij elkaar

Een vuurstenen spits hoeft geen compleet werktuig te zijn geweest. Steen kon onderdeel vormen van een samengesteld voorwerp waarin ook hout en een kleefmiddel werden gebruikt. De mogelijke sporen van berkenteerproductie bij Amstenrade zijn daarom interessant. Door berkenbast onder gecontroleerde omstandigheden te verhitten kon een kleverige substantie worden verkregen waarmee vuursteen aan een houten onderdeel kon worden bevestigd. De verglaasde houtskool uit Amstenrade vormt hiervoor geen absoluut bewijs, maar volgens de catalogus is berkenteerproductie een mogelijke verklaring. Het laat zien hoeveel technische kennis verborgen kan zitten achter een klein aantal stenen en verkoolde resten.

Rode oker op twee Limburgse vindplaatsen

Hematiet verdient in het Maasdal-verhaal meer aandacht omdat het zowel bij Maastricht-Belvédère als Amstenrade voorkomt. Hematiet kan een rode kleurstof leveren en wordt daarom vaak rode oker genoemd. Wat neanderthalers er op deze Limburgse locaties precies mee deden, is niet vastgesteld. Bij Amstenrade noemt de catalogus onder andere gebruik als kleurstof of toevoeging aan een lijmmengsel als mogelijkheid. We moeten dus niet schrijven dat de bewoners zich ermee beschilderden. Wel is duidelijk dat dit mineraal werd meegenomen of gebruikt en daardoor onderdeel vormde van het materiaal dat op beide vindplaatsen achterbleef.

Niet iedere vondst ligt nog waar hij werd achtergelaten

Een vuistbijl op een akker kan verleidelijk genoeg lijken om daar onmiddellijk een kampement te plaatsen. De onderzoeken bij Colmont en op de Zuid-Limburgse hellingen tonen waarom dat gevaarlijk is. Bodemerosie kan artefacten over een helling verplaatsen. Tegelijkertijd kan erosie een diep begraven oud oppervlak aansnijden en voorwerpen zichtbaar maken die honderdduizenden jaren afgedekt zijn geweest. De vondstplaats van een steen en de oorspronkelijke plaats waar een mens hem achterliet, hoeven dus niet samen te vallen. Daarom moeten bodemopbouw, hellingprocessen, ouderdom van sedimenten en positie van artefacten gezamenlijk worden onderzocht.

Een lege akker betekent niet dat er niets ligt

Sint-Geertruid-De Kaap en Amstenrade maken dit probleem nog duidelijker. Bij De Kaap werden neanderthalerartefacten bijna zes meter onder het huidige oppervlak aangetroffen. Bij Amstenrade lag het relevante niveau eveneens ongeveer zes meter diep. Op het moderne maaiveld hoeft dan vrijwel niets zichtbaar te zijn. Dat betekent dat oppervlakteonderzoek slechts een gedeelte van het paleolithische landschap kan vinden. Een ogenschijnlijk lege akker kan boven een intact oud landschap liggen. Vooral waar löss en dekzand zich gedurende lange perioden hebben opgehoopt, kunnen complete bodemniveaus met menselijke resten diep onder het huidige landschap bewaard zijn gebleven.

Het verschil tussen Zuid-, Midden- en Noord-Limburg is essentieel

Het complete Maasdal mag daarom niet als één uniform landschap worden beschreven. Zuid-Limburg wordt gekenmerkt door oude Maasplateaus, löss, terrassen, hellingen en diep ingesneden beekdalen. Naar het noorden wordt het reliëf vlakker en worden zand, oude rivierafzettingen en beekdalen belangrijker. Tijdens delen van de neanderthalerperiode lag de Maas in Midden- en Noord-Limburg bovendien niet waar zij tegenwoordig stroomt. Daar bestond een uitgestrekt systeem van brede, ondiepe geulen, zand- en grindafzettingen en tussenliggende hogere delen. Het archeologische zoekbeeld moet daarom per gedeelte van Limburg worden aangepast aan de toenmalige landschapsontwikkeling.

De zijbeken horen volledig bij het Maasdal

Een van de belangrijkste aanvullingen is dat het verhaal niet uitsluitend langs de hoofdrivier mag worden opgebouwd. Geul, Gulp, Geleenbeek, Worm en kleinere beekdalen verbonden plateaus en terrassen met het grotere Maaslandschap. Amstenrade bewijst bovendien dat een aantrekkelijke verblijfplaats niet direct aan de Maas hoefde te liggen. Een beschut beekdal kon water, bomen en andere hulpbronnen bieden, terwijl de open hogere gronden dichtbij lagen. Voor het paleolithische verhaal bestaat het Maasdal daarom uit de Maas én het netwerk van zijbeken, droge dalen, plateaus en terrassen dat met de rivier verbonden was.

Het noordelijke Maasdal blijft veel leger in onze bron

Hier zit ook een duidelijke beperking van Expeditie Vuistbijl. De gedetailleerd onderzochte kampementen liggen vooral in het Zuid-Limburgse en aangrenzende Belgische gebied. Voor Midden- en Noord-Limburg geeft de catalogus veel informatie over landschap, beekdalen en archeologische verwachting, maar aanzienlijk minder opgegraven neanderthalerkampen. Milsbeek werd bijvoorbeeld als kansrijk onderzoeksgebied geselecteerd, maar de veldkartering leverde geen overtuigend middenpaleolithisch artefact op. Voor een werkelijk compleet verhaal van het hele Maasdal moeten we het noordelijke traject daarom later met andere publicaties aanvullen en niet doen alsof deze ene catalogus die leemte al vult.

Het Maasdal loopt door over de huidige landsgrens

Ook de huidige grens tussen Nederland en België bestond vanzelfsprekend niet in de neanderthalertijd. Maastricht-Belvédère, Veldwezelt-Hezerwater en Kesselt-Op de Schans moeten archeologisch als onderdelen van hetzelfde grotere landschappelijke systeem worden bekeken. De onderzochte kampementen liggen tegenwoordig in twee landen, maar de mensen die er verbleven bewogen door één landschap van Maas, zijwateren, terrassen en plateaus. Alleen al in deze drie onderzoeksgebieden werden elf, zeven en vier afzonderlijke vindplaatsen onderzocht. De moderne landsgrens zou dit samenhangende paleolithische Maaslandschap daarom kunstmatig in twee verhalen opdelen.

Het oudste hoofdstuk begint mogelijk vóór 400.000 jaar geleden

Ten slotte moet aan het begin van het complete verhaal ruimte blijven voor Kesselt-Op de Schans. Daar kwamen artefacten uit zeer oude zandige afzettingen die volgens de catalogus tussen ongeveer 390.000 en mogelijk 480.000 jaar geleden dateren. De formulering moet voorzichtig blijven, omdat de betekenis afhankelijk is van datering en archeologische samenhang. Maar wanneer deze interpretatie standhoudt, begint de menselijke geschiedenis van het Maasgebied aanzienlijk eerder dan de hoofdtijdspanne van Expeditie Vuistbijl. Het Maasdal was dan al door vroege mensen bezocht voordat de latere neanderthalerkampementen van Belvédère en Amstenrade ontstonden.

Aanvulling op de slotlijn

Daarmee wordt het beeld nog completer. Het paleolithische Maasdal was geen smalle corridor langs één vaste rivier. Het was een uitgestrekt en veranderlijk systeem waarin de Maas, oude rivierarmen, grindterrassen, zijbeken, droge dalen, hellingen en plateaus gezamenlijk het leefgebied vormden. Sommige plekken boden water en beschutting, andere uitzicht, wild of vuursteen. Mensen verbonden die plekken door zich ertussen te verplaatsen.

Wat daarvan tegenwoordig resteert, is sterk gefilterd. Löss en zand hebben verblijfplaatsen meters diep begraven. Erosie heeft andere locaties opengelegd of verplaatst. De Maas heeft oudere landschappen weggesneden en nieuwe terrassen gevormd. Groeves, wegen en bouwputten hebben vervolgens kleine vensters in deze verdwenen wereld geopend.

Daarom vertellen Belvédère, Veldwezelt, Kesselt, Sint-Geertruid, Colmont, Mechelen en Amstenrade uiteindelijk niet zeven afzonderlijke verhalen. Het zijn zeven zichtbare stukken van een veel groter, grotendeels nog verborgen paleolithisch Maaslandschap.

Het Maasdal in de tijd van de neanderthalers

Ca. 300.000–35.000 jaar geleden — een landschap dat nooit stilstond

Het Limburgse Maasdal waarin neanderthalers leefden, leek niet op het huidige rivierlandschap. Tussen ongeveer 300.000 en 35.000 jaar geleden wisselden koude ijstijden en warmere tussenijstijden elkaar af. Het Scandinavische landijs bereikte Limburg niet, maar tijdens de Saale-ijstijd kwam het tot ongeveer Nijmegen. Rijn en Maas werden daar door het ijs beïnvloed en naar het westen gedwongen. Verder naar het zuiden veranderden klimaat, Maasafvoer, wind en erosie voortdurend het landschap. Riviergeulen ontstonden en verdwenen, terrassen werden opgebouwd en opnieuw aangesneden en dikke sedimentlagen bedekten oudere oppervlakken. Het Maasdal was voortdurend in beweging.

Van loofbos naar open mammoetsteppe

Tijdens warmere perioden groeiden in Limburg bossen met onder andere eik, linde, esdoorn, hazelaar en iep. Wanneer het klimaat afkoelde, veranderde de vegetatie. Naaldbossen, berk en wilg kregen meer ruimte en uiteindelijk ontstond tijdens koude fasen een open mammoetsteppe. Dat landschap was niet overal een kale toendra. Grassen, zeggen en kruiden konden grote grazers voeden. Mammoeten, wolharige neushoorns, rendieren, steppenwisenten en wilde paarden bewogen door deze wereld. Langs de Maas en haar zijbeken konden vochtiger zones met meer vegetatie blijven bestaan. Voor rondtrekkende mensen kwamen verschillende voedselbronnen en landschappen daardoor dicht bij elkaar te liggen.

De koude Maas bestond uit vele geulen

Tijdens koude perioden bleef sneeuw in de winter liggen. Wanneer in het voorjaar dooi intrad, kwam in korte tijd veel smeltwater vrij. De ondergrond kon door permafrost bevroren zijn, waardoor water nauwelijks in de bodem wegzakte. Grote hoeveelheden water bereikten de Maas en namen zand, grind en leem mee. De rivier kon veranderen in een breed vlechtend stelsel van ondiepe geulen. Tussen die geulen lagen zand- en grindbanken en tijdelijk droge eilanden. Een vaste rivierbedding zoals tegenwoordig bestond niet overal. Geulen verlegden zich en oudere beddingen vielen droog. Daardoor veranderden ook plaatsen waar mensen water, wild en stenen grondstoffen konden vinden.

Zuid-Limburg — de Maas bouwt een trap van terrassen

In Zuid-Limburg speelde tegelijkertijd tektonische opheffing een belangrijke rol. Tijdens koude perioden bracht de Maas grote hoeveelheden grind uit de Ardennen mee. In warmere perioden kon de rivier zich opnieuw in haar eigen afzettingen insnijden. Zo bleven oudere rivieroppervlakken steeds hoger boven de jongere rivier liggen. Hierdoor ontstond een landschap van Maasterrassen. Omdat het gebied bovendien tektonisch kantelde, verschoof het Maasdal geleidelijk van oost naar west. Oude Maaslopen kwamen daardoor uiteindelijk hoog boven de moderne rivier te liggen. Het huidige landschap bewaart dus verschillende voormalige posities van de Maas als een trapsgewijs opgebouwd geologisch archief.

Beken snijden door de oude Maaslandschappen

Niet alleen de Maas veranderde het gebied. Geleenbeek, Gulp, Worm en Geul sneden zich in de oudere Maasafzettingen en plateaus. Zo ontstond het Zuid-Limburgse landschap van hogere plateaus, terrasranden, hellingen en diepe beekdalen. Op sommige plaatsen bleven vooruitstekende hoogten of kapen bestaan. Vanaf zulke plekken kon over lagere delen van het landschap worden uitgekeken. Voor neanderthalers konden dergelijke overgangszones interessant zijn, maar de hoogten hadden ook nadelen. Tijdens koude, vrijwel boomloze fasen waren ze sterk aan wind blootgesteld en lag water verder weg. De lager gelegen rivier- en beekdalen boden daartegenover water, beschutting en vegetatie.

Rivier- en beekdalen als voedselrijke linten

De dalen vormden bijzondere zones binnen het grotere landschap. Terwijl hogere gronden droog en tijdens koude perioden vrijwel boomloos konden zijn, was langs water meer vegetatie mogelijk. Mensen konden daar drinkwater, hout en mogelijk eetbare planten vinden. Ook dieren kwamen naar water en voedselrijke dalzones. Tijdens warmere perioden veranderde de dierenwereld ingrijpend. De mammoetsteppe verdween en bossen breidden zich uit. Dieren als ree, wild zwijn, edelhert, bever, eland, bruine beer en oeros konden verschijnen. De Maas veranderde daarmee niet alleen fysiek. Iedere klimaatomslag veranderde tegelijkertijd de planten, dieren en voedselmogelijkheden waarvan menselijke groepen afhankelijk waren.

Stofstormen begraven het oude Maasdal

Tijdens zeer koude en droge perioden bliezen krachtige winden over drooggevallen beddingen van Maas en Rijn. Fijn materiaal werd opgenomen en naar Zuid-Limburg vervoerd. Daar bleef het tussen vegetatie liggen en vormde uiteindelijk dikke pakketten löss. Plaatselijk bereikte deze löss volgens de catalogus ongeveer vijftien meter dikte. Hierdoor werden oudere terrasvormen afgevlakt en bedekt. Tijdens dooiperioden kon materiaal opnieuw naar lagere delen afspoelen. Dit proces is archeologisch van groot belang. Kampementen en loopoppervlakken waarop neanderthalers ooit hadden gestaan, konden onder meters jonger sediment verdwijnen. Wat tegenwoordig een gewone akker lijkt, kan daardoor een veel ouder landschap diep onder zich bewaren.

Midden- en Noord-Limburg — een andere Maas

Ten noorden van Sittard zag het landschap er anders uit. De löss maakte geleidelijk plaats voor zand. Bovendien lag de Maas tijdens delen van de neanderthalerperiode in Midden- en Noord-Limburg nog niet in haar huidige dal. De rivier vormde er een langgerekte zand- en grindwaaier met een uitgebreid netwerk van brede, ondiepe geulen. Tussen die geulen lagen eilanden en hogere resten van oudere afzettingen. In afgesloten natte laagten kon veen ontstaan. Omdat de Maas hier veel sediment afzette en zich minder diep insneed, was het landschap aanzienlijk vlakker dan in Zuid-Limburg. Het huidige Maasdal ontstond hier pas later.

Maas en Rijn ontmoeten het landijs

Tijdens het hoogtepunt van de Saale-ijstijd stroomden Maas en Rijn noordwaarts totdat zij bij Nijmegen met de invloed van het Scandinavische landijs werden geconfronteerd. De rivieren werden naar het westen gedwongen. Het huidige Niersdal bij Gennep bewaart volgens de catalogus nog een spoor van die geschiedenis en hangt samen met een oude Rijntak waarvan de loop door landijs en stuwwallen werd beïnvloed. Tegelijkertijd waaide zand over delen van het rivierlandschap. Brede beddingen, droge geulen, actieve waterlopen en kale zandvlakten wisselden elkaar af. Maaskeien konden door rondstuivend zand worden afgeslepen en veranderen in hoekige zogenaamde windkanters.

Ca. 127.000–116.000 jaar geleden — de warme Eemtijd

Tijdens de Eem-tussenijstijd veranderde het landschap opnieuw volledig. Het klimaat werd ongeveer vergelijkbaar met het huidige en mogelijk iets warmer. Eerst verschenen dennen en berken; later breidden loofbossen zich uit. De open mammoetsteppe verdween. Zandverstuivingen kwamen tot stilstand en rivierduinen raakten begroeid. Ook het gedrag van de Maas veranderde. De brede rivierbeddingen werden grotendeels verlaten en uiteindelijk bleef een belangrijke geul over met een gelijkmatiger waterafvoer. Voor mens en dier ontstond daarmee een geheel andere leefomgeving dan tijdens de koude perioden: dichter begroeid, bosrijker en met een rustiger rivierpatroon.

De laatste ijstijd verandert het landschap opnieuw

Met de Weichsel-ijstijd keerden kou, zandverstuivingen en open landschappen terug. Dekzand bedekte opnieuw oudere Maasafzettingen. Ondiepe voormalige rivierbeddingen verdwenen plaatselijk onder deze jongere lagen. Sommige oude beddingen zijn nog herkenbaar. Tussen Horn en Heythuysen volgt de Haelensebeek volgens de catalogus bijvoorbeeld een oude ijstijdbedding van de Maas. De veranderingen hadden gevolgen voor neanderthalers. Wanneer grindhoudende afzettingen onder zand verdwenen, konden plekken waar vuursteen en andere geschikte steensoorten beschikbaar waren moeilijker bereikbaar worden. Water, grondstoffen, dieren, vegetatie en beschutting veranderden dus gezamenlijk wanneer klimaat en rivierlandschap veranderden.

Mensen in het veranderende Maaslandschap

Vuursteen was een belangrijke grondstof

Neanderthalers beschikten over een uitgebreide stenen gereedschapskist. De vuistbijl is tegenwoordig het bekendste voorwerp, maar was slechts één type werktuig. Limburgse vuistbijlen zijn volgens de catalogus meestal betrekkelijk klein, gemiddeld ongeveer tien tot twaalf centimeter, en vaak druppelvormig. Daarnaast werden afslagen, spitsen en andere werktuigen gemaakt. Bij de Levalloistechniek werd een vuursteenkern zorgvuldig voorbereid, zodat afslagen met een vooraf min of meer bepaalde vorm konden worden losgeslagen. Het vinden van bruikbare vuursteen was daarom belangrijk. De verspreiding van grondstoffen werd onderdeel van de manier waarop menselijke groepen zich door plateaus, terrassen, beekdalen en rivierlandschappen bewogen.

Een vuistbijl was geen bijl

De moderne naam kan misleidend zijn. Een vuistbijl was geen gewone bijl waarmee bomen werden geveld. Het was een bifaciaal werktuig: een steen die aan beide zijden zorgvuldig was bewerkt. Gebruikssporen laten zien dat dergelijke werktuigen voor verschillende activiteiten konden dienen. Hout, bot en huid konden ermee worden bewerkt en botten konden worden opengebroken om bij het voedzame beenmerg te komen. Onderzoek wijst er eveneens op dat het oppervlak van vuistbijlen bij het maken van vuur gebruikt kon worden. De catalogus benadrukt dat waarschijnlijk geen enkele functie alle vuistbijlen verklaart. Het waren veelzijdige werktuigen, mogelijk met daarnaast ook een symbolische betekenis.

Het landschap als een grote gereedschapskist

Op basis van onder andere Maastricht-Belvédère ontstond een model waarin verschillende landschapszones verschillende functies hadden. Vuursteen zou op plateau- en terrasranden zijn verzameld en vervolgens naar rivier- en beekdalen zijn gebracht. Daar werden werktuigen vervaardigd, gebruikt, onderhouden en uiteindelijk achtergelaten. De onderzoekers waarschuwen echter dat zo'n model waarschijnlijk te netjes is. Ook in rivier- en beekdalen konden grondstoffen worden verzameld en op de plateaus werd eveneens gewoond en gewerkt. Het belangrijkste inzicht is daarom niet een strikte taakverdeling, maar dat neanderthalers verschillende delen van het landschap kenden en tijdens hun verplaatsingen met elkaar verbonden.

De oudste vondsten en vindplaatsen

1887 — De Kaap bij Sint-Geertruid

De archeologische ontdekking van het Limburgse neanderthalerlandschap begon lang vóór de grote opgravingen van de twintigste eeuw. In 1887 beschreef de Waalse archeoloog Marcel de Puydt stenen spitsen die op De Kaap bij Sint-Geertruid waren gevonden. Hij herkende overeenkomsten met Mousterien-werktuigen uit Frankrijk. De Puydt was bovendien betrokken bij het onderzoek in de Grot van Spy, waar resten van neanderthalers waren ontdekt. Daarmee behoort De Kaap tot de vroeg herkende middenpaleolithische vindplaatsen van Limburg. De vondsten maakten al in de negentiende eeuw duidelijk dat ook het Limburgse landschap een zeer oude menselijke bewoningsgeschiedenis bezat.

Eugène Dubois zoekt rond Eijsden

In dezelfde omgeving groeide Eugène Dubois op. Lang voordat zijn zoektocht naar menselijke evolutie hem naar Java bracht, trok hij als jongen door de omgeving van Eijsden. Hij zocht op plateaus en in dalen naar sporen die iets over de vroege mens konden vertellen. De fossiele mens die hij zocht vond hij niet in Limburg, maar de catalogus verbindt deze vroege belangstelling met zijn latere onderzoek. In 1923 beschreven Josef Hamal Nadrin en Jean Servais opnieuw paleolithische vondsten bij Sint-Geertruid. Hun belangrijkste aandacht ging weliswaar uit naar de neolithische vuursteenmijnen, maar ook de oudere menselijke aanwezigheid bleef daardoor in beeld.

Amateurarcheologen houden het verhaal levend

Gedurende lange tijd waren het vooral amateur- en vrijetijdarcheologen die middenpaleolithische vondsten verzamelden en locaties doorgaven. Na de Tweede Wereldoorlog nam deze activiteit sterk toe. In 1963 ontstond de Archeologische Werkgemeenschap Limburg en in 1975 de Archeologische Vereniging Limburg. Vanaf 1977 verscheen Archeologie in Limburg. De betekenis hiervan bleek later groot. Professioneel onderzoek naar het Midden-Paleolithicum bleef lange tijd beperkt, terwijl lokale verzamelaars vuurstenen werktuigen bleven vinden. Hun collecties, publicaties en meldingen werden uiteindelijk belangrijke gegevensbronnen voor het reconstrueren van de verspreiding van neanderthalers door Limburg. Zonder die waarnemingen zou een aanzienlijk deel van het huidige verspreidingsbeeld ontbreken.

Limburg domineert de eerste Nederlandse inventarisaties

Toen in 1954 de eerste landelijke inventarisatie van vroeg- en middenpaleolithische vondsten verscheen, werden voor heel Nederland slechts twintig artefacten opgenomen. Zestien daarvan kwamen uit Limburg. Een afzonderlijk Limburgs overzicht uit 1968 bevatte inmiddels 45 artefacten. Binnen ongeveer veertien jaar waren dus minstens dertig aanvullende vondsten bekend geworden. Limburg kreeg daarmee een uitzonderlijke positie binnen het Nederlandse onderzoek naar de oudste menselijke bewoning. Dat betekent niet automatisch dat nergens anders neanderthalers leefden. De geologische omstandigheden in Limburg, de aanwezigheid van vuursteen en de activiteit van lokale zoekers hebben eveneens sterk bepaald wat uiteindelijk werd gevonden.

Minstens vijftig vergeten vindplaatsen keren terug

Tijdens Expeditie Vuistbijl werden gegevens uit de landelijke archeologische database Archis vergeleken met oude publicaties en persoonlijke meldingen. Niet alle oudere vondsten bleken in het digitale bestand te zijn opgenomen. Door verschillende informatiebronnen opnieuw naast elkaar te leggen, konden volgens de catalogus minstens vijftig aanvullende vindplaatsen worden teruggevonden. Oude tijdschriften, notities en particuliere collecties bleken daardoor onmisbaar. Het verspreidingsbeeld van de neanderthaler veranderde niet alleen door nieuwe opgravingen, maar ook doordat oude informatie opnieuw werd verzameld. Voor de reconstructie van het Maasdal betekent dit dat historische vondstregistratie zelf een belangrijk onderdeel van het archeologische bronnenbestand vormt.

Maastricht-Belvédère

1980 — een vuistbijl verandert het onderzoek

Een keerpunt kwam in 1980. Geoloog en amateurarcheoloog Werner Felder had in de Belvédère-groeve bij Maastricht een vuistbijl gevonden. Daarna begon grootschalig archeologisch onderzoek onder leiding van de Limburgse archeoloog Wil Roebroeks van de Universiteit Leiden. De omstandigheden waren moeilijk. De leemwinning ging ondertussen door en archeologen moesten soms vlak vóór de graafmachines werken. Zelfs de enige vuistbijl die tijdens de eigenlijke opgraving werd ontdekt, werd door een oplettende archeoloog van een vrachtwagen met afgegraven leem gehaald. De industriële groeve vernietigde oude afzettingen, maar opende tegelijkertijd een uitzonderlijk venster naar diep begraven neanderthalerlandschappen.

De Maas stroomde tientallen meters hoger

Belvédère bewaart resten van menselijke aanwezigheid aan een vroegere Maasoever. De rivier bevond zich destijds tientallen meters hoger in het landschap dan tegenwoordig. Dat is essentieel voor het begrijpen van de vindplaats. Wie alleen naar de huidige Maas kijkt, zou de relatie tussen kampement en rivier nauwelijks herkennen. Door de langdurige insnijding van de Maas bleef het oude oppervlak uiteindelijk als een terras hoog boven de moderne rivier achter. Water, dieren, planten, hout en vuursteen maakten dergelijke rivieromgevingen aantrekkelijk. Belvédère laat daardoor rechtstreeks zien waarom het paleolithische Maasdal vanuit zijn eigen geologische periode moet worden gereconstrueerd en niet vanuit de huidige topografie.

Niet één vindplaats maar elf

Maastricht-Belvédère wordt gemakkelijk als één neanderthalervindplaats beschreven, maar binnen ongeveer vijf hectare groeve werden elf afzonderlijke vindplaatsen onderzocht. Dat is een fundamenteel verschil. Het betekent dat we niet naar één toevallig kampement kijken, maar naar herhaald menselijk gebruik van hetzelfde grotere landschap. Vergelijkbare patronen zijn gevonden in Veldwezelt-Hezerwater, waar zeven vindplaatsen binnen ongeveer 7,5 hectare werden onderzocht, en Kesselt-Op de Schans, waar vier vindplaatsen binnen ongeveer 4,6 hectare lagen. Alleen deze drie groevegebieden leverden samen dus 22 afzonderlijke middenpaleolithische locaties op.

Neushoorns, werktuigen, vuur en rode oker

De afzonderlijke Belvédère-vindplaatsen dateren volgens de catalogus van ongeveer 80.000 tot meer dan 250.000 jaar geleden. Er zijn aanwijzingen gevonden voor het vervaardigen en onderhouden van stenen werktuigen en voor het jagen op, of ten minste slachten van, neushoorns. Daarnaast werden sporen van vuur aangetroffen. Een bijzondere vondst is hematiet, een mineraal dat als rode oker kan worden gebruikt. Het onderzoek naar dit materiaal werd pas in 2011 gepubliceerd, meer dan twintig jaar nadat het veldwerk was beëindigd. Belvédère bleef daardoor lang na de opgraving nieuwe informatie opleveren over gedrag en technologie van vroege bewoners.

Niet alleen de rijke kampementen tellen

Belvédère veranderde ook de onderzoeksmethode. Archeologen richtten zich niet uitsluitend op grote concentraties vuurstenen artefacten. Het zogenaamde veil of stones-model ging ervan uit dat rondtrekkende jagers-verzamelaars overal kleine hoeveelheden materiaal verliezen en achterlaten. Over lange tijd ontstaat daardoor als het ware een dunne sluier van stenen voorwerpen over het landschap. Waar mensen langer verbleven of regelmatig terugkeerden, konden dichtere concentraties ontstaan. Daarom werden ook zones tussen duidelijke kampementen onderzocht. Volgens de catalogus behoorde Belvédère tot de eerste Europese onderzoeken waarin deze benadering systematisch werd toegepast. Het landschap zelf werd daarmee het onderzoeksobject.

Veldwezelt en Kesselt

Veldwezelt-Hezerwater — werken langs een beek

Net over de huidige Belgische grens bij Maastricht liggen de vindplaatsen van Veldwezelt-Hezerwater. Hier zijn verschillende kleine neanderthalerkampementen onderzocht bij de oevers van het toenmalige Hezerwater. Mensen maakten, gebruikten en repareerden er vuurstenen werktuigen en er werden prooidieren verwerkt. De overeenkomsten met Maastricht-Belvédère maken duidelijk dat menselijke activiteiten zich niet uitsluitend direct langs de grote Maas concentreerden. Ook kleinere waterlopen vormden aantrekkelijke verblijfplaatsen. Een groep kon langs zo'n beek tijdelijk verblijven, dieren verwerken, gereedschap onderhouden en vervolgens weer verder trekken. Het Maasdal moet daarom samen met zijn zijwateren en aangrenzende plateaus worden bekeken.

Mensen deelden het landschap met hyena's

Bij Veldwezelt-Hezerwater werd eveneens een hyenahol uit het begin van de laatste ijstijd aangetroffen. Neanderthalers waren dus niet de enige grote vleeseters in deze wereld. Hyena's, leeuwen en mensen gebruikten deels hetzelfde landschap en waren afhankelijk van dezelfde grote dieren. De catalogus houdt rekening met de mogelijkheid dat mensen soms vlees van reeds gestorven dieren benutten, maar vermeldt ook duidelijke aanwijzingen voor actieve jacht. Rivier- en beekdalen waren daardoor ontmoetingszones van grote grazers, roofdieren en mensen. Water en vegetatie trokken prooidieren aan; die dieren maakten dezelfde zones vervolgens aantrekkelijk voor vleeseters, waaronder de neanderthaler.

Kesselt-Op de Schans — terugkeren naar dezelfde plaats

Bij Kesselt-Op de Schans zijn eveneens verschillende kleine kampementen onderzocht. Vuurstenen afslagen uit twee afzonderlijke locaties konden weer aan elkaar worden gepast. Dat maakt een verbinding tussen twee verschillende verblijfsmomenten zichtbaar. Volgens de onderzoekers is het mogelijk dat dezelfde groep beide plaatsen gebruikte. Een andere mogelijkheid is dat een latere groep een ouder kamp aantrof en daar achtergelaten vuursteen opnieuw gebruikte. Beide verklaringen laten zien dat het landschap een geheugen kon bezitten. Plaatsen werden niet noodzakelijk slechts eenmaal bezocht. Resten van een eerder verblijf konden bij een later bezoek nog aanwezig zijn en opnieuw onderdeel worden van menselijke activiteiten.

Mogelijk veel ouder dan de neanderthalers

Kesselt-Op de Schans leverde nog een veel oudere aanwijzing op. In zandige lagen onder het lösspakket kwamen artefacten tevoorschijn uit afzettingen die volgens de catalogus ongeveer 390.000 tot mogelijk 480.000 jaar oud zijn. Wanneer de datering en archeologische samenhang daarvan standhouden, behoren deze voorwerpen tot de oudste menselijke sporen in de regio. Daarmee begint de menselijke geschiedenis van het Maasgebied mogelijk aanzienlijk vóór de periode waarop Expeditie Vuistbijl zich voornamelijk richt. Het landschap rond de Maas kan dus al door eerdere menselijke populaties zijn bezocht voordat de klassieke neanderthaler zijn herkenbare archeologische sporen achterliet.

Andere Limburgse vindplaatsen

1989 — Mechelen en de brandweerkazerne

Na Belvédère bleef grootschalig onderzoek naar Nederlandse neanderthalervindplaatsen beperkt. In 1989 kreeg amateurarcheoloog Jan Janssens uit Gulpen korte tijd gelegenheid onderzoek te verrichten in Mechelen. Tijdens grondwerk voor een nieuwe brandweerkazerne waren neanderthalerartefacten gevonden. Janssens kon waarnemingen uitvoeren en publiceerde daarover in Archeologie in Limburg. Vervolgens werd op de locatie gebouwd. Mechelen laat zien hoe kwetsbaar diep begraven paleolithische vindplaatsen zijn. Ze kunnen duizenden generaties onzichtbaar onder jongere sedimenten blijven liggen en vervolgens tijdens moderne bouwwerkzaamheden plotseling worden aangesneden, waarbij slechts korte tijd beschikbaar is om hun betekenis te herkennen en vast te leggen.

Colmont-Ponderosa — erosie verplaatst het bewijs

Bij Colmont-Ponderosa werd in 2001 opnieuw onderzoek uitgevoerd nadat Werner Felder op een akker artefacten had gevonden. Studenten en promovendi van Wil Roebroeks onderzochten of onder de oppervlaktevondsten nog een intacte vindplaats aanwezig was. Dat bleek gedeeltelijk zo te zijn. Een deel van het materiaal aan het oppervlak was afkomstig uit een geërodeerd gebied. Hoger op de helling bevonden zich nog artefacten in de bodem, maar ook die waren door langdurige hellingprocessen verplaatst. Tijdens aanvullend onderzoek werd bovendien een vuistbijl gevonden. Colmont laat daarmee zien dat een gevonden artefact niet automatisch op de oorspronkelijke verblijfplaats van een neanderthaler ligt.

De Kaap — zes meter onder het moderne landschap

Bij Sint-Geertruid-De Kaap werd vanaf 2003 onderzocht hoe diep het paleolithische landschap verborgen lag. Vanaf 2008 volgde groter onderzoek door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Uiteindelijk werd een proefsleuf bijna zes meter diep aangelegd. Helemaal onderin, in afzettingen uit het begin van de laatste ijstijd, kwamen enkele neanderthalerartefacten aan het licht. De betekenis daarvan is groter dan het geringe aantal vondsten doet vermoeden. Het toont dat een locatie aan het huidige oppervlak vrijwel leeg kan lijken terwijl vele meters lager een oud bewoningsniveau aanwezig is. Het moderne maaiveld vertelt dus maar een klein gedeelte van de geschiedenis.

Amstenrade

Ca. 80.000 jaar geleden — een kamp in een beekdal

Amstenrade geeft een uitzonderlijk concreet beeld van een tijdelijk verblijf. Ongeveer 80.000 jaar geleden bevonden mensen zich in een klein beekdal, op aanzienlijke afstand van de Maas. Daar waren water, hout, eetbare planten en wild beschikbaar. Houtskool toont volgens de catalogus aan dat er berken groeiden. Vanuit het beschutte dal konden de bewoners snel naar de omliggende plateaus trekken, waar grotere dieren van de mammoetsteppe konden voorkomen. Veel later werd de verblijfplaats onder meer dan vijf meter sediment begraven. Pas tijdens werkzaamheden voor de N300, de Buitenring Parkstad, werd dit oude landschap opnieuw toegankelijk.

2014 — archeologen voorspellen waar het kamp ligt

Amstenrade werd niet simpelweg toevallig op een akker gevonden. Voor de aanleg van de Buitenring Parkstad werd onder de Allée tussen Amstenrade en Brunssum met boringen een oude bodem vastgesteld boven afzettingen uit de Eemtijd. Het relevante niveau lag bijna zes meter onder het huidige maaiveld. Aannemers verwijderden ongeveer vijf meter grond voordat archeologen onderzoek konden uitvoeren. In het voorjaar van 2014 begonnen Rob Paulussen en Yannick Raczynski-Henk samen met het Archeologisch Diensten Centrum proefsleuven te graven. Na enkele meters verscheen een discoïde vuursteenafslag. Tijdens het vooronderzoek werden uiteindelijk meer dan dertig artefacten gevonden.

Twee afzonderlijke verblijfsmomenten

Tijdens de verdere opgraving kwamen langs de rand van een klein droogdal twee concentraties vuursteen tevoorschijn. Sommige stenen konden opnieuw aan elkaar worden gepast. Daardoor kon worden vastgesteld dat mensen hier vuursteen hadden bewerkt en werktuigen hadden gerepareerd. Gebroken voorwerpen waren waarschijnlijk weggegooid. Rond de concentraties lag houtskool en er werden verhitte of verbrande vuurstenen gevonden. Volgens de onderzoekers vertegenwoordigen de twee clusters minstens twee afzonderlijke bezoeken. Kleine groepen kunnen hier tijdelijk hebben verbleven en mogelijk hebben overnacht. Rond het vuur werden verschillende werkzaamheden uitgevoerd voordat de bewoners opnieuw door het landschap verder trokken.

Mogelijke productie van berkenteer

Een deel van de houtskool uit Amstenrade bleek verglaasd en chemisch veranderd. Volgens de catalogus kan een dergelijke verandering ontstaan bij de productie van berkenteer. Deze kleverige stof kon als lijm worden gebruikt om bijvoorbeeld een vuurstenen spits aan een houten schacht te bevestigen. Het bewijs is indirect en daarom moet dit als mogelijkheid worden beschreven, niet als zekerheid. Bij het kamp werd ook een klein stukje hematiet aangetroffen. De functie daarvan is onbekend. Gebruik als kleurstof of als bestanddeel van een lijmmengsel wordt genoemd als mogelijkheid. Daarmee levert Amstenrade aanwijzingen voor technische handelingen die nauwelijks zichtbare archeologische resten achterlaten.

Honderd stenen vertellen een verblijfsgeschiedenis

De reconstructie van Amstenrade berustte uiteindelijk op slechts ongeveer honderd stenen en enkele andere resten. Toch konden archeologen daaruit twee verblijfplaatsen, vuur, vuursteenbewerking, reparatie van werktuigen en mogelijke productie van berkenteer afleiden. Volgens de catalogus was Amstenrade bovendien de eerste en destijds enige Nederlandse neanderthalervindplaats die binnen de reguliere Archeologische Monumentenzorg gericht werd opgespoord en opgegraven. Dat maakt de vindplaats methodologisch belangrijk. Archeologen hadden op basis van bodem en landschap voorspeld waar diep begraven paleolithische resten konden voorkomen, groeven vervolgens op dat niveau en vonden daadwerkelijk een neanderthalerkamp.

Vuur, voedsel en verblijf

Het vuur als middelpunt

Vuur speelde bij een verblijf veel meer rollen dan alleen verwarming. Rond een haard kon voedsel worden bereid en konden werktuigen worden gemaakt en onderhouden. Berkenbast kon worden verhit om teer te produceren waarmee stenen onderdelen aan houten voorwerpen konden worden bevestigd. Voor grotten beschrijft de catalogus de haard als een waarschijnlijk middelpunt van activiteiten. Nederlandse vindplaatsen zijn vooral openluchtlocaties. Hoe onderkomens daar precies werden gebouwd weten we niet. Tentachtige constructies van takken, vegetatie en dierenhuiden worden als vergelijking of mogelijkheid genoemd, maar zijn niet als Nederlandse constructies aangetroffen. Dat onderscheid tussen archeologisch bewijs en reconstructie blijft belangrijk.

Het verborgen landschap

Plateauranden in het zuiden, beekdalen in het noorden

Toen steeds meer vindplaatsen bekend werden, verscheen een geografisch patroon. In het Zuid-Limburgse lössgebied liggen middenpaleolithische vondsten relatief vaak bij plateauranden en hellingen. Verder naar het noorden, waar het landschap vlakker en zandiger wordt, bestaat vaker een relatie met beekdalranden. Rond Sittard en Geleen liggen vondsten onder andere op flauwere hellingen en langs beekdalen. Vanaf de Limburgse flessenhals noordwaarts wordt de relatie met beekdalranden duidelijker, hoewel sommige vondsten tot ongeveer vijfhonderd meter daarvan verwijderd liggen. Het patroon is dus geen eenvoudige regel, maar wel een belangrijke aanwijzing voor verder onderzoek.

Gradiëntzones — tussen hoog, droog, laag en nat

Plateauranden, terrasranden en beekdalranden zijn zogenaamde gradiëntzones: plaatsen waar het landschap binnen korte afstand verandert. Een hogere droge plek gaat daar over in een lager en vochtiger gebied. Volgens de catalogus zijn dergelijke zones aantrekkelijk voor jagers-verzamelaars. Vanaf hogere delen kon zicht op wild bestaan, terwijl water dichtbij beschikbaar was. In oevers van rivieren en beken kon bovendien vuursteen of ander bruikbaar steenmateriaal worden gevonden. Zo hoefde één kamp niet midden in alle hulpbronnen te liggen. Door zich bij een landschappelijke overgang te vestigen, konden verschillende bronnen binnen relatief korte afstand bereikbaar zijn.

Maar erosie kan ons misleiden

Het huidige verspreidingsbeeld mag niet rechtstreeks worden vertaald naar neanderthalergedrag. Een concentratie stenen aan een plateaurand kan verschillende oorzaken hebben. Mensen kunnen de locatie daadwerkelijk hebben gekozen. Artefacten kunnen later door erosie vanaf het plateau naar beneden zijn verplaatst. Ook kan een jongere afdeklaag juist langs een helling zijn weggeërodeerd, waardoor een oorspronkelijk begraven vindplaats daar zichtbaar werd. De catalogus acht het waarschijnlijk dat alle drie processen een rol hebben gespeeld. Archeologen moeten daarom steeds onderscheid maken tussen de plaats waar een voorwerp tegenwoordig wordt gevonden en de plek waar een neanderthaler het oorspronkelijk achterliet.

De huidige Maas kan zelfs misleidend zijn

Bij het maken van de verwachtingskaart verwijderden onderzoekers het huidige Maasdal en Maasafzettingen die jonger zijn dan 35.000 jaar uit delen van hun model. Zulke jonge oppervlakken bestonden immers nog niet toen neanderthalers in Limburg leefden. Dat betekent niet dat er langs deze jonge terrassen nergens oudere resten kunnen voorkomen. Waar jongere Maaslopen zich in oudere afzettingen hebben ingesneden, kunnen oude bewoningslagen juist aan de terrasrand worden blootgelegd. Dit is voor een geschiedenis van het Maasdal essentieel: iedere archeologische periode moet worden verbonden met de rivierloop en het landschap van die specifieke tijd, niet automatisch met de moderne Maas.

Ongeveer driehonderd bekende Limburgse locaties

Voor Expeditie Vuistbijl werden de nationale archeologische database Archis en vondstmeldingen van vrijetijdarcheologen gecombineerd. Daardoor beschikten de onderzoekers over ongeveer driehonderd Limburgse locaties met middenpaleolithische vondsten. Daaronder bevinden zich losse artefacten en grotere concentraties. De locaties werden in een GIS vergeleken met paleogeografie, geomorfologie en bodem. De onderzoekers waarschuwen dat het bestand verre van volledig is. Niet iedere vondst werd ooit aangemeld en grote delen van het oude landschap zijn ontoegankelijk. Toch was het materiaal voldoende om patronen te herkennen en een experimentele verwachtingskaart voor neanderthalervindplaatsen in Limburg te maken.

Een kaart voor een wereld die onder de grond ligt

De verwachtingskaart wijkt af van gewone archeologische kaarten omdat het middenpaleolithische landschap grotendeels begraven is. Het doel was daarom niet het volledige landschap van de neanderthalers exact te reconstrueren. De onderzoekers probeerden te voorspellen waar middenpaleolithische resten tegenwoordig aan of nabij het oppervlak kunnen verschijnen. Daarvoor werden bekende vindplaatsen, oude Maasafzettingen, bodemtypen, beekdalen, erosiezones en reliëf gecombineerd. De kaart heeft volgens de catalogus een experimenteel en wetenschappelijk karakter. Juist doordat middenpaleolithische resten op conventionele verwachtingskaarten vaak nauwelijks aandacht krijgen, kunnen diep gelegen vindplaatsen tijdens moderne bodemingrepen ongemerkt verloren gaan.

Zuid-Limburg — zoek waar oude lagen worden aangesneden

In het heuvelachtige Zuid-Limburg werd vooral gekeken naar steile natuurlijke hellingen. Daar kunnen jongere afdekkende sedimenten door erosie verdwijnen, waardoor middenpaleolithische oppervlakken en stenen werktuigen opnieuw zichtbaar worden. Voor het model werden hellingen van ongeveer vijftien procent gebruikt. Ook grote groeves werden opgenomen, omdat diepe ontgrondingen oude sedimentlagen doorsnijden. Dat verklaart waarom groeves zo belangrijk zijn geweest voor het paleolithische onderzoek. Moderne winning kan een vindplaats vernietigen, maar kan tegelijkertijd een oud landschap zichtbaar maken dat zonder zo'n diepe doorsnijding onbereikbaar zou blijven. Maastricht-Belvédère vormt daarvan het duidelijkste Limburgse voorbeeld.

Milsbeek brengt het onderzoek naar het noordelijke Maasdal

Om het verwachtingsmodel te testen selecteerden de onderzoekers acht gebieden waar nauwelijks of geen vindplaatsen bekend waren: Wittem, Raar, Spaubeek, Bingelrade, de Meinweg bij Herkenbosch, Leveroy, Castenray en Milsbeek. Samen met vrijetijdarcheologen werden akkers systematisch onderzocht. Na tien dagen zoeken op vele hectaren werden geen overtuigende middenpaleolithische artefacten gevonden. Dat negatieve resultaat is belangrijk. Vooral Milsbeek trekt het onderzoeksgebied naar het noordelijke Maasdal bij Gennep. De selectie betekent dat het landschap daar volgens het model kansrijk was; zij bewijst nadrukkelijk niet dat in Milsbeek daadwerkelijk een neanderthalerkamp aanwezig was.

Hoeveel vindplaatsen liggen nog verborgen?

Elf, zeven en vier vindplaatsen veranderen de rekensom

De onderzoekers gebruikten Maastricht-Belvédère, Veldwezelt-Hezerwater en Kesselt-Op de Schans voor een opvallend gedachte-experiment. In plaats van iedere groeve als één vindplaats te tellen, telden zij de afzonderlijke onderzochte locaties: elf, zeven en vier. Wanneer de gezamenlijke oppervlakte van deze groeves wordt gedeeld door het aantal locaties, ontstaat gemiddeld ongeveer 1,3 vindplaats per hectare. Wanneer dat cijfer rechtstreeks over ongeveer 56.000 hectare Limburgs lössgebied wordt geëxtrapoleerd, zou een theoretisch aantal van circa 72.800 neanderthalervindplaatsen ontstaan. De catalogus benadrukt onmiddellijk dat dit geen werkelijke telling is, maar een theoretische berekening.

Zelfs een voorzichtige berekening blijft enorm

Veel oude vindplaatsen zullen door erosie zijn verdwenen en er bestaan ook groeves waarin geen middenpaleolithische vondsten bekend zijn. Daarom zal het werkelijke aantal veel lager zijn dan 72.800. De auteur maakt vervolgens bewust een veel voorzichtiger berekening. Wanneer slechts één vindplaats per vier hectare zou voorkomen, blijven voor het Zuid-Limburgse lössgebied theoretisch nog ongeveer 14.000 potentiële locaties over. Het getal is geen bewijs dat die vindplaatsen werkelijk allemaal bestaan. De betekenis ligt ergens anders: de bekende vindplaatsen hoeven niet de zeldzame uitzonderingen te zijn waarvoor ze lange tijd zijn gehouden. Een groot onbekend bestand kan nog begraven liggen.

Misschien zoeken we eenvoudig te weinig

Volgens de auteur ontstaat hierdoor een probleem binnen de archeologische monumentenzorg. Omdat middenpaleolithische vindplaatsen weinig worden aangetroffen, worden ze als zeldzaam beschouwd. Omdat ze als zeldzaam gelden en moeilijk op te sporen zijn, wordt er vervolgens weinig gericht onderzoek naar gedaan. Daardoor blijven er weinig bekend. De onderzoeken bij De Kaap en Amstenrade laten zien dat andere methoden wel degelijk diep begraven niveaus kunnen vinden. Nu diepe bouw- en graafwerkzaamheden steeds vaker oude lagen bereiken, is het volgens de catalogus belangrijk dat archeologisch onderzoek rekening houdt met zulke vindplaatsen voordat ze worden verstoord.

Limburg is bijzonder, maar niet omdat alleen daar neanderthalers leefden

De catalogus wijst ook op vondsten buiten Limburg: Krijn uit materiaal uit de Noordzee, een neanderthalerwerktuig met berkenteer uit dezelfde verdronken wereld, diep gevonden artefacten bij Den Bosch, materiaal uit een grindgat bij Woerden, onderzoek bij Peest en een vindplaats bij Esbeek. Limburg is vooral uitzonderlijk doordat geologie, erosie, lösshellingen, beekdalen, groeves én een lange traditie van vrijetijdarcheologie oude resten relatief vaak zichtbaar hebben gemaakt. Het verschil tussen Limburg en andere gebieden is daarom gedeeltelijk een verschil in zichtbaarheid en onderzoek, niet noodzakelijk een eenvoudige afspiegeling van het aantal neanderthalers dat er ooit leefde.

Burgerwetenschap en het Maasdal

Zonder vrijetijdarcheologen zou de kaart veel leger zijn

Expeditie Vuistbijl benadrukt sterk de bijdrage van niet-professionele archeologen. Burgerwetenschap betekent daarbij meer dan voorwerpen verzamelen. Vondsten moeten worden geregistreerd, geordend, onderzocht en beschikbaar gemaakt zodat anderen de gegevens kunnen gebruiken. Veel middenpaleolithische vindplaatsen in Limburg werden door vrijetijdarcheologen ontdekt. Ook het beroemde Belvédère-onderzoek stond onder leiding van Wil Roebroeks, die zelf als vrijetijdarcheoloog was begonnen, en werd mede uitgevoerd met vrijwilligers. Volgens de catalogus zouden zonder hun langdurige speurwerk aanzienlijk minder Limburgse vindplaatsen bekend zijn en zou onze kennis over de vroegste bewoning veel beperkter zijn.

Expeditie Vuistbijl brengt beide werelden samen

Het project werd bewust opgezet als samenwerking tussen professionele onderzoekers en vrijetijdarcheologen. Hun gegevens waren nodig om de verwachtingskaart samen te stellen en vrijwilligers hielpen bij het veldonderzoek. De catalogus benadrukt dat wetenschappelijke bruikbaarheid afhankelijk is van goede documentatie, communicatie en controle. Vrijetijdarcheologen hebben bovendien vaak langdurige contacten met boeren en kennen akkers waarop jarenlang vondsten zijn verzameld. Daardoor vormen zij een verbinding tussen wetenschappelijk onderzoek, lokaal landschap en samenleving. Expeditie Vuistbijl laat zo zien dat het reconstrueren van honderdduizenden jaren oude bewoning niet alleen in universiteiten en opgravingsputten gebeurt, maar ook door langdurige lokale waarneming.

Het Maasdal als één groot paleolithisch landschap

Geen reeks losse stippen

Wanneer alle informatie uit Expeditie Vuistbijl wordt samengebracht, verandert het beeld fundamenteel. Maastricht-Belvédère, Sint-Geertruid, Veldwezelt, Kesselt, Colmont, Mechelen en Amstenrade moeten niet uitsluitend als afzonderlijke stippen worden bekeken. Ze zijn openingen in een veel groter landschap. Daartussen lagen Maasarmen, oude terrassen, plateaus, hellingen, beekdalen, droge dalen en plekken waar vuursteen beschikbaar was. Mensen verplaatsten zich tussen deze landschappen. Soms verbleven zij langs een rivier, soms langs een beek en soms op hoger terrein. De archeologische vindplaats is slechts het kleine gedeelte van zo'n bewegend bestaan dat door toevallige omstandigheden bewaard en later teruggevonden werd.

Een landschap dat telkens opnieuw werd begraven

Na het vertrek van een groep ging de landschapsvorming gewoon verder. Wind bracht löss en zand. Water verplaatste sediment. Beken sneden zich in. De Maas veranderde haar loop. Hellingen erodeerden en nieuwe bodems ontstonden boven oudere oppervlakken. Een kamp kon daardoor onder meerdere meters sediment verdwijnen. Elders werd juist de afdekking verwijderd en kwamen honderdduizenden jaren oude stenen opnieuw aan de oppervlakte. Sommige artefacten werden daarbij verplaatst. Daarom is het huidige verspreidingspatroon geen eenvoudige kaart van plaatsen waar neanderthalers verbleven. Het is het eindresultaat van menselijk gedrag én een zeer lange geologische geschiedenis.

Ca. 43.000–39.000 jaar geleden — een steeds koudere wereld

Tegen het einde van de neanderthalerperiode werd het klimaat opnieuw bijzonder koud. Volgens de catalogus kende Limburg tussen ongeveer 43.000 en 39.000 jaar geleden zelfs een poolwoestijnfase. Toch stellen de auteurs dat er geen aanwijzing is dat juist deze landschappelijke verandering rechtstreeks het verdwijnen van de neanderthalers veroorzaakte. Zij verdwenen bovendien voordat het Laatste Glaciale Maximum, de koudste fase van de laatste ijstijd, werd bereikt. Daarna werd Homo sapiens de menselijke bewoner van deze streken. Daarmee eindigde een geschiedenis waarin neanderthalers gedurende een enorme tijdspanne met sterk wisselende landschappen en klimaten hadden geleefd.

Het Maasdal dat onder onze voeten ligt

Het belangrijkste beeld dat uit Expeditie Vuistbijl naar voren komt, is daarom niet dat van één rivier met enkele kampementen ernaast. Het is een compleet en voortdurend veranderend rivierenlandschap. De Maas verplaatste zich, bouwde terrassen op en sneed ze opnieuw aan. Beken groeven dalen door oude afzettingen. Tijdens ijstijden lagen open steppen langs vlechtende riviergeulen; tijdens warmere perioden keerden bossen en rustiger waterlopen terug. Neanderthalers bewogen door deze wereld en gebruikten water, vuursteen, hout, planten en dieren die op verschillende plaatsen beschikbaar waren.

Van die menselijke aanwezigheid kennen we inmiddels honderden Limburgse vondstlocaties, maar zelfs dat beeld is waarschijnlijk slechts een fragment. Sommige kampementen verdwenen door erosie. Andere liggen mogelijk nog meters onder löss, dekzand, akkers, wegen en bebouwing. Moderne groeves en infrastructuur hebben vindplaatsen vernietigd, maar brachten tegelijkertijd Belvédère, Mechelen en Amstenrade aan het licht. De ongeveer driehonderd bekende locaties vormen daarom geen volledige bewoningskaart. Ze zijn de plekken waar geologie, menselijke ontdekking en archeologisch onderzoek ons toevallig toegang hebben gegeven tot een veel grotere verdwenen wereld.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom het Maasdal voor de vroegste geschiedenis niet als de huidige blauwe rivier op een kaart mag worden behandeld. De Maas van 250.000 jaar geleden lag niet noodzakelijk waar de Maas vandaag stroomt. Een neanderthalerkamp dat nu hoog op een terras ligt, kon oorspronkelijk vlak bij het water hebben gelegen. Een huidige beek kan door een oude Maasbedding lopen. Een moderne akker kan zes meter boven een oud kampement liggen. En een plek waar tegenwoordig niets wordt gevonden, kan eenvoudig nog volledig zijn afgedekt.

Het verhaal van de neanderthaler in het Maasdal is daarom uiteindelijk ook het verhaal van het landschap zelf: een rivier die voortdurend veranderde en tegelijkertijd de sporen van haar vroegste menselijke bezoekers begroef, verplaatste, vernietigde én bewaarde.

Van vuistbijl tot ijzeren bijl — mensen in het landschap rond de Maas

Hoog boven de oude Maas

Lang voordat langs de Maas dorpen, akkers en wegen verschijnen, bewegen mensen door het Zuid-Limburgse landschap. Een van de plaatsen waar hun aanwezigheid bewaard bleef, is de Vrakelberg bij Colmont. Deze ongeveer een halve kilometer brede hoogte ligt bij Ubachsberg, tussen vroegere stroomgebieden van de Maas. De top bereikt ongeveer 175 meter NAP en ligt vijftig meter boven het aangrenzende droogdal, dat verder westelijk aansluit op het Geuldal. Op het plateau zelf ontbreken Maasafzettingen. Het is daarom geen vindplaats in de eigenlijke riviervlakte, maar een hooggelegen deel van het ruimere landschap rond de Maas.

Kalksteen, kleefaarde en löss

De ondergrond verklaart voor een belangrijk deel waarom juist hier zulke oude werktuigen worden gevonden. Onder het plateau ligt kalksteen uit het Laat-Krijt. Daarboven bevinden zich plaatselijk oudere sedimenten en verweringsleem, de zogenaamde kleefaarde. Tijdens het Laat-Weichsel werd hierover een soms metersdikke laag löss afgezet. Langs de randen van het plateau verdween die bedekking plaatselijk door erosie. Waar de kleefaarde weer dicht aan het oppervlak kwam, konden zeer oude stenen werktuigen uiteindelijk op de akkers verschijnen. De huidige vondstkaart weerspiegelt daardoor zowel menselijk gedrag als tienduizenden jaren erosie en landschapsvorming.

Colmont-Ponderosa — sporen uit het Midden-Paleolithicum

Op de zuidflank van de Vrakelberg ligt Colmont-Ponderosa. Lambert Blezer ontdekte hier in 1989 een concentratie Mousterien-artefacten uit het Midden-Paleolithicum. In september 2001 keerden archeologen terug. De Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden voerde samen met de toenmalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek vier weken veldwerk uit. Niet alleen de bekende vindplaats werd onderzocht. De archeologen liepen ook over omliggende akkers om te ontdekken of Colmont-Ponderosa een geïsoleerde plek was of onderdeel vormde van een veel groter paleolithisch landschap.

11,4 hectare voet voor voet bekeken

Het plateau werd vooraf verdeeld in gebieden met hogere en lagere archeologische verwachtingen. Daarbij speelden geologie, lössdikte, eerdere vondsten en landgebruik een rol. Slechts een deel bleek toegankelijk; uiteindelijk werd 11,4 hectare daadwerkelijk onderzocht. Groepen van vier of vijf mensen liepen in banen over de akkers met ongeveer vijf meter tussenruimte. Iedere vondst werd ingemeten en meegenomen. Dat is belangrijk voor de interpretatie. Een gebied zonder vondsten hoeft niet werkelijk leeg te zijn geweest: grote stukken van het plateau konden helemaal niet worden onderzocht en elders kunnen werktuigen nog diep onder de löss verborgen liggen.

10 september 2001 — een vuistbijl verschijnt

Op 10 september vindt Isolde Toet het opvallendste voorwerp van de veldverkenning: een hartvormige vuistbijl, een biface cordiforme. Hij is vervaardigd uit bruingrijze, middelmatig fijne vuursteen met grove insluitsels. Het werktuig meet 96 millimeter in lengte, maximaal 76 millimeter in breedte en 29 millimeter in dikte. Een zware witgrijze porseleinachtige patina bedekt het oppervlak. De basis is door vorstsplijting beschadigd. Het voorwerp draagt daardoor twee geschiedenissen: die van de mens die de vuursteen bewerkte en die van de lange periode waarin het daarna in het landschap lag.

Een werktuig uit de wereld van de Neanderthalers

Een vuistbijl moet niet worden voorgesteld als een moderne bijlkop die vanzelfsprekend op een houten steel zat. Zulke paleolithische werktuigen werden rechtstreeks in de hand gebruikt en konden verschillende werkzaamheden dienen. De vorm van de Vrakelbergvuistbijl levert bovendien geen exacte ouderdom. Hartvormige vuistbijlen komen gedurende een lange periode voor. De onderzoekers merken wel op dat dit type veelvuldig voorkomt in het Moustérien de Tradition Acheuléenne, traditioneel in het Vroeg-Weichsel geplaatst. De vondst past daarmee in het middenpaleolithische landschap dat we in deze streek met Neanderthalers verbinden.

Wijlre — aan de overkant van het droogdal

De Vrakelbergvuistbijl blijkt geen alleenstaande vondst. Binnen het ongeveer 55 vierkante kilometer grote onderzoeksgebied waren vijf andere losse vuistbijlen bekend. De dichtstbijzijnde was door Lambert Blezer bij Wijlre gevonden: een fraaie driehoekige vuistbijl, slechts ongeveer 1,25 kilometer verwijderd van de nieuwe vondst en aan de andere kant van het droogdal. Alle bekende vuistbijlen van het plateau van Ubachsberg zijn aangetroffen op plaatsen waar de kleefaarde dicht bij het oppervlak ligt. Daarmee wordt zichtbaar hoe sterk het huidige archeologische beeld door de geologische omstandigheden wordt bepaald.

Schaaf, afslagen en een krabber

Tijdens de veldverkenning worden in totaal 108 vuurstenen artefacten verzameld. Zes daarvan kunnen op grond van vorm of patina aan het Paleolithicum worden toegeschreven. Naast de vuistbijl vinden de onderzoekers drie afslagen, een schaaf en een eindkrabber. De schaaf, een racloir droit simple, vormt samen met de vuistbijl het duidelijkst herkenbare middenpaleolithische materiaal. Twee afslagen lagen bij de schaaf. Een derde werd ongeveer 350 meter ten noordwesten van Colmont-Ponderosa gevonden, vlak bij de plaats waar de vuistbijl tevoorschijn kwam. Het landschap levert zo meer op dan één spectaculair object.

Fromberg — ruim een kilometer verder

Ook verder van de Vrakelberg verschijnt paleolithisch materiaal. Op de Schaapsdries, aan de noordflank van de Fromberg, wordt ruim een kilometer verderop een forse eindkrabber gevonden. Het werktuig is gemaakt op een zware, klingvormige afslag en bezit een steil geretoucheerde kop. Die raakte later beschadigd; bij de afbeelding wordt ploegschade vermeld. Vorst, erosie en landbouw veranderden de voorwerpen nadat hun oorspronkelijke gebruikers verdwenen waren. Tegelijk laat de vondst zien dat paleolithische sporen over een groter gebied rond Vrakelberg, Colmont, Wijlre en Fromberg verspreid voorkomen.

Dezelfde vuursteen — een onverwacht patroon

Onderzoek van de grondstof levert vervolgens een opvallend resultaat op. Alle paleolithische artefacten uit de veldverkenning, zelfs de Vrakelbergvuistbijl en de ruim een kilometer verder gevonden krabber van de Fromberg, blijken van dezelfde vuursteensoort gemaakt. Dat is onverwacht bij oppervlaktevondsten die materiaal uit verschillende perioden kunnen bevatten. De opgegraven vondsten van Colmont-Ponderosa laten juist een grotere verscheidenheid aan grondstoffen zien. De onderzoekers blijven die vindplaats daarom als een bijzonder verschijnsel binnen het plateau van Ubachsberg beschouwen. We zien een verspreid paleolithisch landschap, maar daarbinnen springt Colmont-Ponderosa eruit.

Van vuistbijl naar bijl met steel

Veel later verandert de bijl fundamenteel. De vuistbijl uit het Paleolithicum was een veelzijdig stenen werktuig dat rechtstreeks werd vastgehouden. Tegen het einde van de oude steentijd verschijnen andere constructies. Rendierjagers van de Ahrensburgcultuur gebruikten bijvoorbeeld Lyngby-bijlen van rendiergewei. Uit Nederland zijn volgens het door jou aangeleverde overzicht nog geen exemplaren bekend, zodat we die niet als Maasvondst mogen opvoeren. Ze laten wel een technische ontwikkeling zien die uiteindelijk grote gevolgen krijgt: afzonderlijke werktuigkoppen kunnen zo worden gevormd dat kracht veel gerichter wordt overgebracht.

De eerste boeren keren terug naar de Vrakelberg

Duizenden jaren na de paleolithische bezoekers wordt dezelfde Vrakelberg opnieuw intensief gebruikt. Tijdens de survey worden maar liefst 84 neolithische artefacten verzameld. Ze liggen binnen een concentratie met een doorsnede van ongeveer 230 meter. Een eerder door Lambert Blezer gevonden Schuhleistenkeil kwam uit hetzelfde gedeelte van de Vrakelberg. We mogen daaruit geen ononderbroken bewoning afleiden. Tussen beide archeologische werelden liggen enorme perioden. Maar juist dat maakt de plaats bijzonder: verschillende menselijke gemeenschappen keerden in ver uiteenliggende perioden terug naar hetzelfde hooggelegen landschap.

Michelsbergspits en gepolijste stenen bijl

Onder het neolithische materiaal bevinden zich twee typologisch herkenbare vondsten: een fragment van een Michelsbergspits en het steelgedeelte van een gepolijste stenen bijl van het type Dunnackig S2. Daarnaast vonden archeologen acht krabbers, vijf kernen, twee klopstenen, een boortje, een afslag met een restant van een bijlsnede, twee outrepassé-klingen en 63 ongemodificeerde afslagen en klingen. Daarmee is sprake van een aanzienlijke hoeveelheid bewerkt vuursteen. Het verschil met de enkele paleolithische oppervlaktevondsten is opvallend en vormt een volgend hoofdstuk in het gebruik van de Vrakelberg.

De bijl wordt gereedschap voor een boerenlandschap

In het Neolithicum verandert ook de betekenis van de bijl. Vuurstenen bijlen worden zorgvuldig geslepen en in houten stelen bevestigd. Met bijlen en dissels kan hout veel doelgerichter worden bewerkt. Dat past bij een wereld waarin huizen, omheiningen en andere houten constructies een steeds grotere rol spelen. Maar neolithische bijlen zijn niet uitsluitend gebruiksvoorwerpen. In het door jou aangeleverde overzicht wordt erop gewezen dat sommige exemplaren nauwelijks gebruikssporen bezitten, terwijl andere in graven of natte landschappen terechtkwamen. Daarom moet bij iedere afzonderlijke Maasvondst worden onderzocht of we werkelijk met verloren gereedschap, grafgift, voorraad of bewuste depositie te maken hebben.

De Enkelgrafcultuur — hamerbijlen en strijdhamers

Later verschijnen hamerbijlen van natuursteen. Gabbro, diabaas, dioriet, basalt en amfiboliet konden worden geslepen tot zorgvuldig gevormde werktuigen met een doorboring voor een rechte houten steel. Zulke voorwerpen waren al bekend bij de Trechterbekercultuur, maar worden bijzonder kenmerkend voor de Enkelgrafcultuur. Ze worden daarom ook strijdhamers genoemd. Sommige zijn specifiek in mannengraven meegegeven. Daarmee wordt opnieuw duidelijk dat een bijl meer kan vertegenwoordigen dan alleen houtbewerking: vorm, grondstof, vervaardiging en archeologische context kunnen wijzen op sociale of rituele betekenissen die we niet zonder verdere vondstcontext precies kunnen reconstrueren.

Brons verandert alles

Vanaf de bronstijd verschijnt een nieuwe productietechniek. Een stenen bijl wordt geslagen en geslepen; een bronzen bijl wordt gegoten. De eenvoudigste vroege vormen zijn vlakbijlen. Wanneer de kennis van het gieten toeneemt, veranderen de vormen snel. Verhoogde randen zorgen ervoor dat een randbijl beter in de houten bevestiging blijft zitten. Daarna verschijnen hielbijlen, vleugelbijlen en uiteindelijk kokerbijlen. Bij die laatste is de achterkant van de metalen kop hol en kan de houten steel daarin worden bevestigd. De geschiedenis van de bijl wordt daarmee ook een geschiedenis van steeds veranderende oplossingen voor hetzelfde probleem: metaal en hout stevig met elkaar verbinden.

De Maas bewaart bronzen voorwerpen

Voor het Maasdal wordt vervolgens vooral de vondstcontext belangrijk. Bronzen bijlen en andere metalen voorwerpen worden regelmatig in natte landschappen aangetroffen. Sommige zijn losse vondsten, andere maken deel uit van omvangrijke depots. Het eerder in ons onderzoek naar voren gekomen Heppeneert, waar een depot van 42 bronzen bijlen bekend is, verdient daarom een eigen plaats in het grotere verhaal. Zo'n hoeveelheid kan niet op dezelfde manier worden behandeld als één verloren werktuig. Per depot moeten aantal, typen, datering, toestand en oorspronkelijke landschappelijke positie worden vastgesteld voordat handel, metaalvoorraad of rituele depositie als verklaring kan worden besproken.

Steen verdwijnt niet wanneer brons verschijnt

De komst van metaal betekent bovendien niet dat mensen onmiddellijk ophouden stenen bijlen te vervaardigen. Natuurstenen hamerbijlen blijven gedurende de bronstijd in gebruik. Sommige exemplaren uit het late Neolithicum en de vroege Bronstijd hebben zelfs een zogenaamde pseudonaad: een vormkenmerk dat lijkt op de gietnaad van een metalen voorwerp uit een tweedelige mal. Tot in de late Bronstijd en IJzertijd blijven natuurstenen hamerbijlen bestaan. Technologieën volgen elkaar dus niet keurig op alsof het ene materiaal op één moment door het andere wordt vervangen. Steen, brons en later ijzer kunnen gedurende lange perioden naast elkaar voorkomen.

IJzer in de Maas bij Lith

Met de introductie van ijzer begint opnieuw een nieuw hoofdstuk. Aanvankelijk worden vormen gemaakt die nog aansluiten bij laat-bronstijdtradities, waaronder ijzeren kokerbijlen. Een voor ons Maasverhaal belangrijke vondst uit het door jou aangeleverde overzicht is een ijzeren kokerbijl uit de Maas bij Lith. Daarna verschijnen onder andere lappenbijlen, waarbij delen van de bijlkop rond de houten bevestiging worden gevormd. IJzer heeft echter een archeologisch nadeel: het corrodeert veel gemakkelijker dan vuursteen of brons. Daardoor vertegenwoordigt het aantal teruggevonden ijzeren bijlen waarschijnlijk maar een deel van wat ooit daadwerkelijk in gebruik was.

Rond het begin van onze jaartelling — de herkenbare bijl

In de eerste eeuw na het begin van onze jaartelling worden lappenbijlen volgens het aangeleverde overzicht zeldzamer. IJzeren bijlen met een opening waarin een houten steel wordt gestoken komen ervoor in de plaats. Daarmee verschijnt uiteindelijk het constructieprincipe dat tegenwoordig nog onmiddellijk als een bijl wordt herkend. Achter die ogenschijnlijk eenvoudige vorm ligt een ontwikkeling van vele duizenden jaren: van een stenen werktuig in de hand, via geslepen stenen koppen en bronzen vlak-, rand-, hiel-, vleugel- en kokerbijlen naar een gesmede ijzeren kop met steelgat.

De Maas als bewaarplaats van een lange geschiedenis

Zo ontstaat vanuit één vuistbijl op de Vrakelberg een veel groter verhaal. De oudste stenen werktuigen vertellen over paleolithische mensen in het hooggelegen achterland van vroegere Maasstroomgebieden. De neolithische vondsten laten zien dat hetzelfde landschap duizenden jaren later opnieuw werd gebruikt. Vervolgens verschijnen gepolijste stenen bijlen, hamerbijlen, bronzen bijltypen en uiteindelijk ijzeren exemplaren. In en rond de Maas blijven delen van die ontwikkeling achter. Soms als losse vondst, soms in een concentratie en soms als depot. Samen maken ze zichtbaar hoe mensen gedurende een enorme tijdspanne steeds opnieuw hetzelfde landschap betraden, gebruikten en veranderden.

 

Aanvulling — de Vrakelberg en het paleolithische landschap rond de Maas

De moderne ontdekking van het paleolithische landschap rond de Vrakelberg begint in 1989. Lambert Blezer ontdekt bij Colmont-Ponderosa een oppervlakteconcentratie met Mousterien-artefacten uit het Midden-Paleolithicum. In september 2001 keren archeologen van de Universiteit Leiden terug. Vier weken lang onderzoeken zij de vindplaats en de omliggende akkers. Hun vraag is groter dan Colmont-Ponderosa alleen: ligt hier één bijzondere vindplaats, of bevinden zich over het plateau meer sporen van paleolithische mensen?

De Vrakelberg ligt op het ongeveer 55 vierkante kilometer grote plateau van Ubachsberg. Dit hooggelegen gebied vormt als het ware een eiland tussen vroegere stroomgebieden van de Maas. Op het plateau zelf ontbreken Maasafzettingen. De ondergrond bestaat uit kalksteen uit het Laat-Krijt, met plaatselijk resten van oudere mariene zanden, grinden en kwartsitische zandsteen. Daarboven ontstond door verwering kleefaarde, die tijdens het Laat-Weichsel op veel plaatsen onder een metersdikke laag löss verdween.

Juist die geologie bepaalt waar de oudste menselijke sporen tegenwoordig zichtbaar worden. Langs de randen van het plateau heeft erosie de löss gedeeltelijk verwijderd. Daar komt de oude kleefaarde dicht bij het oppervlak en verschijnen middenpaleolithische artefacten op de akkers. Alle bekende vuistbijlen van het plateau van Ubachsberg zijn gevonden op plaatsen waar deze kleefaarde dicht aan het oppervlak ligt. De archeologische verspreidingskaart laat daardoor niet alleen zien waar mensen kwamen, maar ook waar erosie hun werktuigen opnieuw bereikbaar heeft gemaakt.

Tijdens de veldverkenning van 2001 kon slechts 11,4 hectare daadwerkelijk worden onderzocht. Teams van vier of vijf mensen liepen in banen over de akkers, met ongeveer vijf meter tussen de zoekers. De vondsten werden direct ingemeten en meegenomen. In totaal verzamelden de onderzoekers 108 vuurstenen artefacten. Slechts zes daarvan konden op basis van vorm en/of patina aan het Paleolithicum worden toegeschreven. Op één uitzondering na kwamen deze paleolithische vondsten van de Vrakelberg.

De opvallendste ontdekking volgde op 10 september 2001. Isolde Toet vond een hartvormige vuistbijl, een zogenoemde biface cordiforme. Het werktuig is 96 millimeter lang, maximaal 76 millimeter breed en 29 millimeter dik. Het werd gemaakt van bruingrijze, middelmatig fijne vuursteen met grove insluitsels. Over het oppervlak ligt een zware witgrijze porseleinachtige patina. De basis is door vorstsplijting beschadigd. Het voorwerp draagt daardoor niet alleen sporen van menselijke bewerking, maar ook van de lange tijd die het daarna in het landschap heeft doorgebracht.

De vorm van de vuistbijl levert geen exacte datering. Hartvormige vuistbijlen komen gedurende een lange periode voor. De onderzoekers wijzen er wel op dat dit type veel voorkomt binnen het Moustérien de Tradition Acheuléenne, dat traditioneel in het Vroeg-Weichsel wordt geplaatst. De vondst past daarmee in het middenpaleolithische landschap dat met Neanderthalers wordt verbonden, maar de vorm van de vuistbijl alleen is onvoldoende om het voorwerp zeer nauwkeurig te dateren.

De vuistbijl van de Vrakelberg staat bovendien niet alleen. Binnen het ongeveer 55 vierkante kilometer grote onderzoeksgebied waren vijf andere losse vuistbijlvondsten bekend. Dat komt neer op ongeveer één teruggevonden vuistbijl per negen vierkante kilometer. De onderzoekers beschouwen het daarom als een relatief zeldzaam type artefact op het plateau. De dichtstbijzijnde andere vondst is een fraaie driehoekige vuistbijl die Lambert Blezer bij Wijlre vond, ongeveer 1,25 kilometer van de Vrakelberg en aan de tegenoverliggende zijde van het droogdal.

Naast de vuistbijl kwamen tijdens de veldverkenning drie paleolithische afslagen, een schaaf en een eindkrabber tevoorschijn. De schaaf is een racloir droit simple en vormt samen met de vuistbijl het duidelijkst typologisch middenpaleolithische materiaal. Twee afslagen lagen in de omgeving van deze schaaf. Een derde kleine afslag werd ongeveer 350 meter ten noordwesten van Colmont-Ponderosa gevonden, vlak bij de plaats waar ook de vuistbijl werd aangetroffen.

Nog verder weg lag een forse eindkrabber. Deze werd gevonden op de Schaapsdries, aan de noordflank van de Fromberg, ruim een kilometer van de Vrakelberg. Het werktuig is vervaardigd op een zware, klingvormige afslag en heeft een steil geretoucheerde kop. Die kop werd na de prehistorie beschadigd; bij de vondst wordt onder andere ploegschade vermeld. Ook andere artefacten vertonen sporen van vorst en langdurige blootstelling. De vondsten hebben dus duizenden jaren van landschappelijke verandering, erosie en uiteindelijk moderne landbouw doorstaan.

Bijzonder is dat alle paleolithische artefacten uit de veldverkenning van dezelfde vuursteensoort blijken te zijn gemaakt. Dat geldt zelfs voor de vuistbijl van de Vrakelberg en de meer dan een kilometer verder gevonden krabber van de Fromberg. De onderzoekers hadden juist een grotere verscheidenheid aan grondstoffen verwacht, omdat oppervlaktevondsten materiaal uit verschillende perioden kunnen samenbrengen. Colmont-Ponderosa zelf bevat wél een bredere variatie aan grondstoffen. Ook na de survey bleef deze oppervlakteconcentratie daarom een uitzonderlijk verschijnsel op het plateau van Ubachsberg.

Duizenden jaren later werd dezelfde Vrakelberg opnieuw intensief gebruikt. Tijdens de veldverkenning werden 84 neolithische artefacten van de Vrakelberg verzameld. Zij vormen een concentratie met een diameter van ongeveer 230 meter. Uit hetzelfde gedeelte was eerder al een Schuhleistenkeil bekend. Twee nieuwe vondsten konden typologisch nader worden bepaald: een fragment van een Michelsbergspits en het steelgedeelte van een gepolijste stenen bijl van het type Dunnackig S2.

De overige neolithische vondsten maken duidelijk dat het niet om enkele toevallig verloren voorwerpen gaat. De onderzoekers verzamelden acht krabbers, vijf kernen, twee klopstenen, een boortje, een afslag met een restant van een bijlsnede, twee outrepassé-klingen en 63 ongemodificeerde afslagen en klingen. Vooral de combinatie van kernen, klopstenen en grote aantallen afslagen laat zien dat op de Vrakelberg vuursteen werd bewerkt, al kan op basis van de oppervlaktevondsten niet precies worden vastgesteld hoe die activiteiten waren georganiseerd.

Daarmee bewaart de Vrakelberg twee totaal verschillende archeologische werelden. Uit het Midden-Paleolithicum stammen verspreide werktuigen die horen bij mensen die door een veel groter landschap trokken. Duizenden jaren later verschijnt een omvangrijke neolithische concentratie met gepolijste bijlen, spitsen, krabbers, kernen en productieafval. Van ononderbroken bewoning is geen sprake. Juist de enorme tijd tussen beide perioden maakt de plaats bijzonder: dezelfde hoogte in het landschap werd in ver uiteenliggende tijden opnieuw door mensen gebruikt.

De vondsten rond Colmont, Wijlre, Vrakelberg en Fromberg maken bovendien duidelijk dat we niet naar één geïsoleerde vindplaats moeten kijken. Colmont-Ponderosa vormt een bijzondere concentratie, maar daaromheen liggen afzonderlijke vuistbijlen, afslagen, een schaaf en een krabber. Samen tonen zij een veel groter paleolithisch landschap in het hooggelegen achterland van vroegere Maasstroomgebieden. De Maas zelf stroomde hier niet over het plateau, maar haar oude stroomgebieden vormden mede het landschap waarin deze zeer vroege menselijke aanwezigheid bewaard is gebleven.