DE KLOKBEKERCULTUUR IN GELDERLAND
Tussen grafheuvels, oerbossen en verre verbindingen (ca. 2900–1800 v.Chr.)
DEEL 1 — HET LANDSCHAP EN DE CULTUREN VÓÓR DE KLOKBEKERS
Een land voordat het Gelderland heette
Lang voordat de eerste klokbekers verschenen, was het huidige Gelderland een landschap in voortdurende verandering. De Veluwe, Gelderse Vallei, Achterhoek en het rivierengebied kregen hun karakter door processen die honderdduizenden jaren duurden. IJs drukte oude rivierafzettingen omhoog, wind verplaatste zand en stromend water schiep nieuwe dalen en oevers. Later verschenen bossen en vonden mensen geschikte plaatsen om te leven. De geschiedenis van de klokbekermensen begint daarom niet bij een grafheuvel of een aardewerken beker. Zij begint bij het land dat hun voorgangers al vele generaties hadden gekend, gebruikt en veranderd.
Het landijs bereikt Midden-Nederland
Tijdens het Saalien drong Scandinavisch landijs door tot Midden-Nederland. De enorme ijsmassa's drukten oudere rivierafzettingen van zand en grind omhoog en vormden de stuwwallen van de Veluwe en de omgeving van Nijmegen. Toen het ijs verdween, bleven deze hoogten achter. Daartussen lagen lagere terreinen waarin water zich kon verzamelen. Het reliëf dat tijdens de ijstijd ontstond, bepaalde veel later mede waar mensen konden wonen, akkers aanleggen en hun doden begraven. De grafheuvels van de klokbekercultuur verrezen dus op hoogten die al vele tienduizenden jaren vóór hun bouw waren gevormd.
De Veluwe krijgt haar vorm
De Veluwe was geen gelijkmatige zandvlakte. Hoge stuwwallen, hellingen, dalen en lagere zandgronden vormden een afwisselend landschap. De samenstelling van de bodem verschilde per plaats. Sommige terreinen waren droog en voedselarm, andere hielden meer vocht vast. Deze verschillen werden belangrijk toen landbouwende gemeenschappen de streek gingen gebruiken. De latere grafheuvels bij Epe, Vaassen, Garderen, Ermelo, Stroe, Ede en Bennekom liggen verspreid over dit gevarieerde terrein. Hun aanwezigheid toont waar mensen begraven werden, maar bewijst niet zonder meer dat iedere heuvel naast een woonplaats of akker werd aangelegd.
Nijmegen op de stuwwal
Ook bij Nijmegen liet het landijs diepe sporen achter. De hoge stuwwal kwam boven de lager gelegen riviergebieden uit te liggen. Daardoor ontstond een overgang tussen de droge zandgronden en de veranderlijke landschappen van Rijn en Waal. Op de Hunerberg en in de omgeving van het Kops Plateau werden later sporen gevonden die duizenden jaren ouder zijn dan de Romeinse geschiedenis waarvoor Nijmegen bekendstaat. De natuurlijke ligging maakte de streek tot een bijzonder onderdeel van Gelderland. Toch kan de latere betekenis van Nijmegen niet zonder meer worden teruggeprojecteerd op de mensen van het laat-neolithicum.
De Gelderse Vallei tussen twee hoogten
Tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug bleef een lager gebied achter dat zich tot de Gelderse Vallei ontwikkelde. Beeklopen, vochtige laagten en zandige verhogingen wisselden elkaar af. Rond Ede, Bennekom, Lunteren en Wekerom lagen verschillende terreinvormen dicht bij elkaar. Dat bood uiteenlopende mogelijkheden voor menselijk gebruik. Water en drogere gronden konden beide van betekenis zijn. De latere aanwezigheid van grafheuvels toont dat de overgang tussen Veluwe en Vallei tijdens de prehistorie werd gebruikt, maar de omvang en ligging van afzonderlijke nederzettingen blijven niet overal bekend.
De laatste ijstijd zonder nieuw landijs
Tijdens het Weichselien bereikte het Scandinavische landijs Gelderland niet opnieuw. Het klimaat bleef echter gedurende lange perioden koud. Waar de begroeiing schaars was, kon de wind grote hoeveelheden zand verplaatsen. Daardoor ontstonden dekzandafzettingen die vooral in de Achterhoek en Gelderse Vallei een belangrijk deel van de bodem vormen. Ook smeltwater en afstromend regenwater veranderden het reliëf. Toen het klimaat later warmer werd, bleef dit landschap bestaan. De eerste boeren en hun opvolgers zouden zich vestigen op een ondergrond die door verschillende ijstijden en daaropvolgende veranderingen was gevormd.
De droge dalen van de Veluwe
Tussen de Veluwse hoogten liggen dalen die onder koude klimaatomstandigheden ontstonden. Sommige bleven later grotendeels droog, terwijl andere deel werden van een beekstelsel. Zij vormden natuurlijke overgangen tussen hoogten en lager gelegen gebieden. Bij Stroe, Niersen en Staverden bevinden zich prehistorische vindplaatsen in dergelijke landschappen. Mogelijk maakten mensen gebruik van toegankelijke terreindelen wanneer zij zich verplaatsten. Een dal bewijst echter niet dat hier een vaste prehistorische weg liep. De werkelijke routes kunnen alleen worden onderzocht door de ligging van vondsten met het toenmalige landschap te vergelijken.
De Rijn en de Waal veranderen het zuiden
Terwijl de stuwwallen hun hoofdvorm behielden, veranderde het rivierengebied voortdurend. Oude rivierlopen verplaatsten zich en zetten zand en klei af. Langs sommige waterlopen ontstonden hogere oeverzones; daarachter lagen vochtige kommen. Elders vormden zich rivierduinen. Zulke hoogteverschillen konden tijdens de prehistorie bepalend zijn voor het gebruik van een terrein. De huidige loop van de Rijn of Waal mag niet zonder meer worden gelijkgesteld aan die van vierduizend jaar geleden. De vondsten uit Nijmegen, Wijchen, Tiel en Geldermalsen moeten daarom binnen hun eigen oudere rivierlandschap worden onderzocht.
De rivierduinen van Wijchen
Bij Wijchen liggen zandige verhogingen die deel uitmaken van een oud rivierlandschap. Deze rivierduinen konden droge plekken bieden in een omgeving waarin water en natte gronden een belangrijke rol speelden. Op de flank van zo'n duin bij Wijchen-Bijsterhuizen zouden veel later drie graven uit de klokbekerperiode worden ontdekt. Hun ligging laat zien dat de mensen van deze traditie niet uitsluitend op de Veluwse zandgronden begraven werden. Ook de riviergebieden hadden een plaats binnen hun wereld. De bodemomstandigheden bepaalden bovendien welke resten uiteindelijk bewaard bleven.
De Achterhoek en haar beekdalen
De Achterhoek kende een eigen landschappelijke ontwikkeling. Dekzandruggen, beekdalen, oudere afzettingen en vochtige laagten wisselden elkaar af. Op sommige plaatsen lagen droge verhogingen vlak naast waterrijke terreinen. De vondsten bij Groenlo, Gorssel, Hengelo, Wehl, Didam, Beek en Stokkum tonen later menselijke activiteiten tijdens het laat-neolithicum. Toch is het archeologische bestand hier anders samengesteld dan op de Veluwe. Niet overal zijn herkenbare grafheuvelgroepen aanwezig. Soms vormen een enkele scherf, een vuurstenen werktuig of een bijzondere kuil de belangrijkste aanwijzingen voor een veel grotere, grotendeels verdwenen geschiedenis.
De oostelijke waterlopen
De huidige IJssel en de beekstelsels van Oost-Gelderland mogen niet zonder meer in hun moderne vorm naar het laat-neolithicum worden teruggeplaatst. Rivierlopen veranderden en waterverbindingen ontstonden of verdwenen. Toch waren natte laagten, beekdalen en hogere oevers belangrijke elementen in het landschap. Bij Epe, Hattem, Gorssel en verder oostelijk in de Achterhoek lagen verschillende natuurlijke overgangen. Zulke gebieden konden bruikbare grondstoffen, water en toegankelijke terreindelen bieden. Welke routes mensen daadwerkelijk volgden, moet echter uit archeologische gegevens blijken en mag niet alleen uit de huidige kaart worden afgeleid.
De bossen keren terug
Na de laatste ijstijd werd het klimaat geleidelijk warmer. Bomen verspreidden zich opnieuw en op veel plaatsen groeiden uitgestrekte bossen. De samenstelling daarvan verschilde naar bodem en vochtigheid. Op hogere zandgronden ontstond een andere vegetatie dan langs rivieren en beekdalen. Het Gelderse oerbos was daardoor geen volkomen gelijkvormige wildernis. Natuurlijke open plekken en natte gebieden onderbraken de begroeiing. Later gingen ook mensen het landschap veranderen. Toen de eerste klokbekers verschenen, hadden landbouwende gemeenschappen al eeuwenlang bomen gekapt en terreinen voor voedselproductie gebruikt.
Eiken, hazelaars en andere bomen
Eiken, hazelaars en andere boomsoorten bepaalden een belangrijk deel van het Holocene boslandschap. De bossen leverden hout, vruchten, noten en verschillende bruikbare materialen. Dichte begroeiing kon het verplaatsen bemoeilijken, terwijl beekdalen en open terreindelen andere mogelijkheden boden. De precieze vegetatie rond afzonderlijke prehistorische vindplaatsen moet met pollenonderzoek en andere landschappelijke gegevens worden onderzocht. De huidige Veluwse heidevelden en zandverstuivingen kunnen daarom niet rechtstreeks worden beschouwd als het landschap waarin de klokbekermensen leefden. Ook het bos zelf veranderde gedurende duizenden jaren.
De betekenis van water
Water was belangrijk voor mensen, dieren en de vegetatie. Beekdalen konden verschillende natuurlijke producten leveren, terwijl hogere randen op sommige plaatsen drogere omstandigheden boden. De Leuvenumse en Hierdense Beek, de Houtbeek bij Stroe en de omgeving van Staverden en Niersen behoren tot landschappen waarin prehistorische grafheuvels voorkomen. Het is denkbaar dat natuurlijke overgangen ook voor verplaatsing werden gebruikt. Toch blijft de betekenis van afzonderlijke beekdalen onzeker. De ligging van een grafheuvel bij water vormt op zichzelf geen bewijs voor een vaste handelsroute of een bijzondere rituele functie.
Mensen vóór de landbouw
Duizenden jaren vóór de eerste klokbekers leefden mensen in Gelderland van jacht, visvangst en het verzamelen van natuurlijke producten. Zij gebruikten verschillende terreindelen en vervaardigden werktuigen van vuursteen, hout en andere materialen. Veel organische voorwerpen zijn verdwenen. Daardoor kennen archeologen vooral het duurzame deel van hun uitrusting. De geschiedenis van de eerste bewoners vormt de oudere achtergrond van het neolithicum. De mensen die later grafheuvels aanlegden, waren niet de eersten die de Veluwe, Achterhoek of riviergebieden kenden. Zij maakten deel uit van een veel langere geschiedenis van menselijke aanwezigheid.
Vuursteen als onmisbare grondstof
Vuursteen kon met gecontroleerde slagen worden bewerkt tot messen, schrabbers, pijlpunten en andere werktuigen. Het vervaardigen van zulke voorwerpen vereiste ervaring en kennis van de eigenschappen van het materiaal. Niet iedere vuursteensoort was voor hetzelfde doel geschikt. Sommige grondstoffen waren in de omgeving beschikbaar, andere konden uit verder gelegen gebieden komen. De traditie van vuursteenbewerking bleef tijdens het laat-neolithicum belangrijk. De komst van koper betekende niet dat stenen werktuigen onmiddellijk verdwenen. Juist in Gelderse klokbekergraven komen vuursteen en koper naast elkaar voor.
De overgang naar landbouw
De komst van landbouw veranderde de verhouding tussen mensen en hun omgeving. Gewassen moesten worden verbouwd en dieren verzorgd. Daarvoor waren geschikte gronden, water en een zekere organisatie van werkzaamheden nodig. Toch verdwenen jacht, visvangst en het verzamelen van natuurlijke producten niet overal onmiddellijk. De overgang verliep bovendien niet in iedere Nederlandse streek op hetzelfde moment. Zuid-Limburg kende vroeg landbouwende gemeenschappen, terwijl andere gebieden nog langere tijd verschillende manieren van voedselvoorziening combineerden. De latere klokbekercultuur ontstond binnen een wereld waarin landbouw en veeteelt al eeuwenlang een belangrijke plaats hadden.
De eerste boeren van Zuid-Limburg
De vroegste duidelijk herkenbare landbouwgemeenschappen in Nederland behoren tot de Lineaire Bandkeramiek. Hun belangrijkste Nederlandse vindplaatsen liggen op de vruchtbare lössgronden van Zuid-Limburg, onder andere rond Sittard en Geleen. Zij bouwden lange houten huizen, verbouwden gewassen en hielden vee. Deze gemeenschappen maakten deel uit van een veel grotere landbouwontwikkeling die ook in Midden-Duitsland, België en andere delen van Midden-Europa herkenbaar is. De omstandigheden op de Zuid-Limburgse löss verschilden sterk van die op de Veluwse zandgronden. De komst van landbouw kan daarom niet voor heel Nederland als één gelijktijdige verandering worden beschreven.
Het aardewerk van de Bandkeramiek
De naam Lineaire Bandkeramiek verwijst naar aardewerk met karakteristieke ingekraste of ingedrukte lijnpatronen. De versiering vormt banden en andere geometrische motieven. Juist deze herkenbare kenmerken helpen archeologen om de vindplaatsen van de eerste landbouwers te onderscheiden. Het aardewerk vormt echter slechts één deel van hun materiële cultuur. Ook langhuizen, vuurstenen werktuigen en resten van voedselproductie zijn belangrijk. De mensen zelf gebruikten de moderne cultuurnaam niet. Zij is door archeologen gekozen om samenhangende vondstpatronen te beschrijven in een periode waaruit geen geschreven bronnen bestaan.
De verspreiding van de Bandkeramiek
In Nederland liggen de belangrijkste vindplaatsen van de Bandkeramiek in Zuid-Limburg. Buiten Nederland strekt de grotere traditie zich over verschillende gebieden van Midden- en West-Europa uit. Vooral vruchtbare lössgebieden vormden belangrijke vestigingsplaatsen. De verspreiding maakt duidelijk dat de eerste Nederlandse boeren deel uitmaakten van een internationale ontwikkeling. Toch bestonden plaatselijke verschillen. De landbouwgeschiedenis van de zandgronden en de riviergebieden verliep niet noodzakelijk hetzelfde als die van Zuid-Limburg. Daarom moeten de afzonderlijke Nederlandse regio's vanuit hun eigen archeologische gegevens worden onderzocht.
De Rössen-traditie
Na de vroegste landbouwontwikkelingen verschenen in Midden- en West-Europa andere neolithische tradities. De Rössencultuur vormt daarvan een voorbeeld. Haar belangrijkste verspreidingsgebied lag in delen van het huidige Duitsland en aangrenzende streken. In Nederland zijn de aanwijzingen beperkter en vooral met het zuiden verbonden. Uit de omgeving van Megen is een stenen Breitkeil bekend die met deze traditie wordt vergeleken. Zo'n afzonderlijk werktuig bewijst geen volledige nederzetting of migratie. Wel laat de vondst zien dat de Maasstreek al vóór de klokbekerperiode deel uitmaakte van grotere technische en culturele ontwikkelingen.
De Breitkeil van Megen
Bij Megen werd een stenen Breitkeil gevonden, een werktuigvorm die met de Rössen-traditie in verband wordt gebracht. Het voorwerp behoort tot een veel oudere fase dan de klassieke klokbekers. De oorspronkelijke eigenaar en de omstandigheden waaronder het werd achtergelaten, zijn niet bekend. De vorm toont wel verwantschappen met werktuigen uit andere Europese gebieden. Dat betekent niet noodzakelijk dat het exemplaar rechtstreeks van daar afkomstig was. Het kan ook naar een bekend voorbeeld zijn vervaardigd. De vondst is vooral belangrijk voor de langere geschiedenis van uitwisseling en steenbewerking in het Maasgebied.
De Swifterbantcultuur tussen twee bestaanswijzen
In andere delen van Nederland verliep de overgang naar landbouw anders. De Swifterbantcultuur is vooral bekend uit Flevoland, de Noordoostpolder en delen van het rivierengebied. De bewoners maakten langdurig gebruik van jacht, visvangst en verzamelde voedselbronnen, terwijl landbouw en veeteelt geleidelijk belangrijker werden. Aardewerk kwam binnen deze gemeenschappen voor zonder dat daarmee overal onmiddellijk een volledig agrarisch bestaan ontstond. De cultuur vormt daarom een belangrijk tegenwicht tegen het idee van één uniforme landbouwrevolutie. Nederlandse gemeenschappen pasten zich op verschillende manieren aan hun omgeving aan.
Leven aan de rivieroevers
Vindplaatsen van de Swifterbantcultuur liggen vaak in landschappen waar water een grote rol speelde. Rivieroevers en hogere plaatsen binnen natte gebieden boden mogelijkheden voor verblijf en voedselvoorziening. De bewoners gebruikten vis en andere natuurlijke producten, terwijl landbouw en veeteelt eveneens onderdeel werden van het bestaan. Dit verschilde van de vroege landbouw op de Zuid-Limburgse löss. De vergelijking is belangrijk voor Gelderland, waar de Veluwe en het rivierengebied ook sterk uiteenlopende omstandigheden kenden. Een aardewerken pot bewijst niet automatisch dat mensen overal op dezelfde manier leefden.
De Michelsbergcultuur
De Michelsbergcultuur maakte deel uit van de midden-neolithische geschiedenis van West- en Midden-Europa. In Nederland wordt zij vooral met Limburg en aangrenzende zuidelijke gebieden verbonden. Buiten Nederland liggen belangrijke vindplaatsen in België, Noord-Frankrijk en West-Duitsland. Bij de Vreestraat in het eerder onderzochte Maasgebied werd een vuurstenen bladspits gevonden die met deze traditie wordt vergeleken. De vondst laat zien dat de zuidelijke verbindingen ouder zijn dan de klokbekercultuur. Toch kan uit één werktuig geen vaste route of grootschalige bevolkingsverplaatsing worden afgeleid.
De vuurstenen bladspits van de Vreestraat
De bladspits van de Vreestraat werd op basis van haar vorm met de Michelsbergtraditie verbonden. De vervaardiging vereiste gespecialiseerde vuursteenbewerking. De oorspronkelijke functie en vondstomstandigheden zijn niet volledig bekend. Daardoor kan het voorwerp niet zonder meer als bewijs voor bewoning op de vindplaats worden gebruikt. Toch is het belangrijk voor de chronologie van het Maasgebied. Samen met de Breitkeil van Megen laat de vondst zien dat verschillende neolithische tradities hier al lang vóór de klokbekercultuur vertegenwoordigd waren.
De Vlaardingencultuur
In West-Nederland en aangrenzende delen van het rivierengebied wordt de Vlaardingencultuur herkend. Deze traditie verschilde in aardewerk en andere materiële kenmerken van zowel de vroegste Zuid-Limburgse landbouwculturen als de Trechterbekercultuur in het noorden. De verspreiding laat zien dat Nederland tijdens het neolithicum niet één cultureel geheel vormde. Verschillende tradities bestonden in uiteenlopende streken en konden gedeeltelijk gelijktijdig voorkomen. De moderne archeologische namen helpen om die verschillen te beschrijven, maar betekenen niet dat afzonderlijke gemeenschappen volkomen van elkaar gescheiden waren.
De pot van Herpen-Hertogswetering
Bij Herpen-Hertogswetering werd een complete pot van de Vlaardingengroep gevonden, samen met een transversale vuurstenen pijlpunt. De voorwerpen lagen in een kuil met veenvulling die mogelijk als drenkkuil was gebruikt. In de omgeving werd ook een waterput met een uitgeholde boomstam onderzocht. De afzonderlijke vondsten moeten chronologisch zorgvuldig worden onderscheiden. Zij zijn ouder dan de klassieke klokbekerperiode, maar tonen dat natte terreindelen al gedurende het neolithicum door mensen werden benut. Zo krijgt het landschap van de latere klokbekervondsten een langere menselijke voorgeschiedenis.
Nederland kende geen enkele cultuurlijn
De Bandkeramiek, Rössencultuur, Swifterbantcultuur, Michelsbergcultuur en Vlaardingencultuur kunnen niet eenvoudig achter elkaar worden geplaatst als opeenvolgende bewoners van heel Nederland. Hun verspreidingsgebieden en dateringen verschilden. Sommige tradities bestonden gedeeltelijk gelijktijdig. Ook de natuurlijke omstandigheden waren niet overal gelijk. De lössgebieden van Zuid-Limburg boden andere mogelijkheden dan de noordelijke zandgronden of de waterrijke delta. Het begrip archeologische cultuur beschrijft daarom vooral herkenbare patronen in vondsten. Het is geen rechtstreeks bewijs voor één volk, taal of politieke gemeenschap.
De Trechterbekercultuur verschijnt in het noorden
De Trechterbekercultuur vormde een belangrijke neolithische traditie in Noord-Nederland. Vooral Drenthe en Groningen zijn bekend door aardewerk, stenen werktuigen en monumentale grafplaatsen. Buiten Nederland strekte de grotere traditie zich uit over Noord-Duitsland, Denemarken, Polen en delen van Zuid-Scandinavië. De Nederlandse gemeenschappen stonden daarmee niet los van hun omgeving. Toch bestonden regionale verschillen in aardewerkvormen en begrafenisgebruiken. De Trechterbekercultuur vertegenwoordigde geen volledig uniforme bevolking, maar een groter gebied waarin verwante materiële tradities herkenbaar waren.
Waarom de trechterbeker zo heet
De naam Trechterbekercultuur verwijst naar aardewerk met een opvallende trechtervormige hals. Daarnaast komen andere potvormen en versieringsstijlen voor. De veranderingen in het aardewerk helpen archeologen om verschillende fasen te onderscheiden. De benaming is modern en zegt niets over de naam die de bewoners zelf gebruikten. Toch is het aardewerk een belangrijk middel om gemeenschappen te vergelijken. De trechterbekers behoren tot een materiële cultuur waarin ook landbouw, veeteelt, stenen werktuigen en monumentale grafbouw een plaats hadden.
De streken van de Trechterbekercultuur
In Nederland liggen de bekendste vondstgebieden van de Trechterbekercultuur in Drenthe en Groningen. Ook andere noordelijke en oostelijke zandgebieden leverden materiaal op. Buiten Nederland komen belangrijke vindplaatsen voor in Noord-Duitsland, Denemarken, Polen en Zuid-Scandinavië. De verspreiding vormt geen kaart van één moderne natie. De overeenkomsten wijzen op verwante gebruiken over grote afstanden, terwijl plaatselijke verschillen bleven bestaan. Voor de geschiedenis van Gelderland vormt de Trechterbekercultuur vooral een belangrijke voorgeschiedenis van latere bekervormen en grafrituelen.
De hunebedden als monumentale graven
De Nederlandse hunebedden liggen voornamelijk in Drenthe. Zij werden gebouwd met grote zwerfstenen en vormden grafkamers waarin meerdere personen konden worden bijgezet. De bouw moet aanzienlijke arbeid en organisatie hebben gevraagd. Hunebedden verschillen daarmee van veel latere individuele aarden grafheuvels. Toch is het onderscheid tussen collectieve en individuele graven niet overal absoluut. Ook binnen de oudere traditie bestonden andere grafvormen. Bovendien werden sommige hunebedden eeuwen na hun aanleg opnieuw bezocht en gebruikt. De monumenten hadden daardoor een geschiedenis die langer duurde dan de oorspronkelijke bouwfase.
Zeijen en de oudere graftraditie
Bij Zeijen in Drenthe onderzocht Albert Egges van Giffen Tumulus II. Tijdens opgravingen in 1925, 1927 en 1928 werden vier of mogelijk vijf graven van de Trechterbekercultuur herkend. Daarbij kwamen resten van bijna dertig aardewerken vaten tevoorschijn, waarvan dertien volledig konden worden gereconstrueerd. Verder werden vier vuurstenen bijlen en een dwarspijlpunt gevonden. De vindplaats ligt buiten Gelderland, maar is belangrijk als vergelijking. Zij laat zien dat oudere graftradities verschillende constructies, voorwerpen en handelingen omvatten die alleen door zorgvuldig onderzoek herkenbaar worden.
De aardewerkchronologie van Zeijen
Van Giffen gebruikte de vondsten van Zeijen om de ontwikkeling van de Trechterbekercultuur te onderzoeken. Daarbij maakte hij onderscheid tussen verschillende aardewerkfasen, waaronder Drouwen en Havelte. Later bleek dat een scherf die aanvankelijk aan een vroege Haveltevorm was toegeschreven, beter bij een Drouwen-trechterbeker paste. De scherf zelf veranderde niet, maar de plaats binnen de chronologie wel. Dit maakt duidelijk hoe archeologische dateringen worden aangescherpt. Ook de latere indeling van Veluwse klokbekers zou herhaaldelijk opnieuw worden onderzocht.
De stenen grafkamer van Diever
Bij Diever onderzocht Van Giffen een grafheuvel met een stenen grafkamer. De heuvel had een diameter van ongeveer 16,5 meter en was circa anderhalve meter hoog. De binnenruimte van de steenkist was ongeveer 3,5 meter lang en negentig centimeter breed. Voor de constructie waren afgeplatte zwerfstenen gebruikt. Verschillende stenen waren ongeveer vijftig tot zestig centimeter hoog. De kamer lag ongeveer westzuidwest-oostnoordoost. De vondst maakte duidelijk dat de oudere grafbouw meer vormen kende dan uitsluitend de grote hunebedden.
Oude monumenten kregen nieuwe bezoekers
Hunebedden bleven in het landschap aanwezig nadat hun oorspronkelijke bouwers waren verdwenen. Later werden in verschillende monumenten voorwerpen uit jongere perioden aangetroffen. Dat betekent dat de geschiedenis van een grafplaats niet noodzakelijk eindigde met de eerste begravingen. Of latere gemeenschappen nog wisten wie er oorspronkelijk begraven lagen, is onbekend. Ook is niet bewezen dat zij deze personen als hun eigen voorouders beschouwden. De archeologische vondsten tonen vooral dat oude monumenten herkenbare plaatsen konden blijven en opnieuw een functie konden krijgen.
Twee klokbekers in hunebed D15
Bij hunebed D15 in Loon werden twee klokbekers aangetroffen. Eén stond rechtop en de andere lag omgekeerd. J.N. Lanting opperde dat zulke voorwerpen mogelijk bewust bij oudere grafmonumenten werden achtergelaten. Misschien speelde een offer of andere rituele handeling een rol. De betekenis blijft echter onzeker. Een omgekeerde beker bewijst op zichzelf geen offerhandeling, en niet iedere latere vondst in een hunebed hoeft bij een nieuwe begrafenis te horen. D15 toont vooral dat klokbekergemeenschappen oude monumenten bleven bezoeken of gebruiken.
Een latere crematie in Exloo
Bij hunebed D30 in Exloo werden gecremeerde menselijke resten aangetroffen die veel jonger waren dan de oorspronkelijke bouw van het monument. Een radiokoolstofmeting leverde 3695 ± 35 BP op. De eerder besproken kalibratie plaatste de resten rond 2200–1972 voor Christus. Daarmee behoren zij tot de klokbekerperiode. Het monument werd dus vele eeuwen na zijn oorspronkelijke aanleg opnieuw gebruikt. De vondst laat zien waarom archeologen de ouderdom van een grafkamer en de datering van latere begravingen zorgvuldig uit elkaar moeten houden.
De Enkelgrafcultuur krijgt vorm
Rond 2900 voor Christus wordt in Nederland de Enkelgrafcultuur herkenbaar. Individuele begravingen onder aarden grafheuvels kregen een opvallende plaats. Daarbij komen standvoetbekers, touwversierd aardewerk, stenen strijdhamers en vuurstenen werktuigen voor. Deze ontwikkeling verschilt van de bekendere collectieve stenen graven van de Trechterbekercultuur. Toch verdwenen oudere tradities niet overal onmiddellijk. Nieuwe grafheuvels konden bovendien later opnieuw worden gebruikt. De Enkelgrafcultuur vertegenwoordigt daarom een belangrijke verandering, maar niet één overal gelijktijdige omslag in alle begrafenissen.
De verspreiding van de Enkelgrafcultuur
In Nederland is de Enkelgrafcultuur vooral bekend uit noordelijke en centrale zandgebieden, waaronder Drenthe en de Veluwe. Buiten Nederland behoort zij tot de grotere Corded Ware-wereld, die zich over aanzienlijke delen van Noord- en Midden-Europa uitstrekte. Noord-Duitsland, Denemarken en Polen vormen belangrijke vergelijkingsgebieden. De verspreiding toont dat de Nederlandse ontwikkelingen onderdeel waren van een groter Europees verschijnsel. Tegelijkertijd bleven regionale verschillen in aardewerkvormen, grafgiften en begrafenisgebruiken bestaan. Niet iedere gemeenschap gebruikte precies dezelfde voorwerpen.
Het aardewerk met touwindrukken
Binnen de bredere Corded Ware-traditie komen bekers voor die met koordindrukken werden versierd. De techniek leverde herkenbare lijnen en patronen op. In Nederland ontstonden eigen vormen, waaronder standvoetbekers. De combinatie van vorm en versiering helpt archeologen om vondsten te vergelijken en chronologisch te ordenen. Toch bewijst dezelfde versiering niet dat twee bekers door dezelfde maker vervaardigd zijn. Pottenbakkers konden technieken overnemen, aanpassen en combineren. Het aardewerk vormt daarmee een aanwijzing voor gedeelde tradities, maar geen rechtstreeks bewijs voor één bevolkingsgroep.
Een grafheuvel voor een overledene
Tijdens de Enkelgrafcultuur kon een overledene in een grafkuil worden geplaatst, waarna een aarden heuvel werd opgeworpen. Soms werden een beker, stenen strijdhamer, bijl of vuurstenen werktuig meegegeven. De inrichting verschilde per graf. Ook konden houten onderdelen aanwezig zijn. Een grafheuvel bleef na de begrafenis herkenbaar in het landschap. Sommige werden later opnieuw gebruikt of vergroot. Daardoor konden meerdere perioden binnen hetzelfde monument vertegenwoordigd zijn. De klokbekergemeenschappen zetten bepaalde elementen van deze oudere graftraditie voort.
De oudere Veluwse enkelgraven
Op de Veluwe zijn grafheuvels bekend die met oudere laat-neolithische bekertradities worden verbonden. Vindplaatsen bij Epe, Niersen, Vaassen, Staverden en Ermelo behoren tot belangrijke onderzoeksgebieden. Niet iedere heuvel dateert uit dezelfde periode. Sommige bevatten standvoetbekers, andere latere klokbekers of bronstijdbegravingen. Daardoor ontstond geleidelijk een landschap waarin oudere en nieuwere monumenten naast elkaar lagen. De eerste klokbekermensen gebruikten dus een omgeving die al een lange geschiedenis van individuele grafheuvels kende.
De standvoetbeker van Staverden
Bij Staverden, tussen Ermelo en Uddel, is een standvoetbeker bekend die ongeveer tussen 2700 en 2400 voor Christus wordt geplaatst. Het aardewerk heeft een slanke vorm, touwindrukken en visgraatmotieven. De beker behoort tot een oudere laat-neolithische traditie. Hij laat zien dat zorgvuldig vervaardigd en versierd aardewerk al vóór de klassieke Veluwse klokbekers een belangrijke rol speelde. De omgeving van Staverden bevat bovendien vindplaatsen uit verschillende perioden. Daarmee vormt de streek een belangrijk onderdeel van de langere geschiedenis van de Veluwse bekertradities.
Epe en Niersen als begraaflandschap
Tussen Epe en Niersen liggen verschillende prehistorische grafheuvels. Sommige behoren tot oudere bekertradities, andere tot de klokbekerperiode of de bronstijd. De afzonderlijke monumenten tonen dat dezelfde omgeving langdurig voor begravingen werd gebruikt. Of latere gemeenschappen bewust naast de graven van hun voorgangers bouwden, kan niet voor iedere heuvel worden vastgesteld. De ruimtelijke samenhang is wel belangrijk. Epe-Niersen laat zien hoe nieuwe graftradities verschenen binnen een landschap waar oudere monumenten al aanwezig waren.
Holwerda onderzoekt Niersen
Jan Hendrik Holwerda onderzocht aan het begin van de twintigste eeuw verschillende grafheuvels bij Niersen. Zijn werkzaamheden trokken belangstelling, onder andere van koningin Wilhelmina. De opgravingen leverden aardewerk, menselijke resten en aanwijzingen voor houten grafconstructies op. Holwerda probeerde niet alleen voorwerpen te verzamelen, maar ook de oorspronkelijke inrichting van de graven te begrijpen. Sommige verklaringen werden later herzien. De veldtekeningen en verslagen bleven echter belangrijk, vooral omdat verschillende monumenten later veranderden of verdwenen.
De houten grafconstructie
Bij Niersen werd een graf onderzocht waarin hout een belangrijke rol had gespeeld. Het oorspronkelijke hout was grotendeels verdwenen, maar donkere bodemsporen maakten delen van de constructie herkenbaar. Mogelijk waren houten wanden of andere onderdelen aanwezig geweest. De volledige vorm is niet met zekerheid te reconstrueren. Toch laat de vondst zien dat de inrichting van een graf ingewikkelder kon zijn dan één kuil met een lichaam. Ook latere klokbekergraven konden houten constructies bevatten waarvan alleen verkleuringen in de bodem bewaard bleven.
Meerdere mensen in één graf
Het door Holwerda onderzochte graf bij Niersen bevatte resten van minstens drie personen. Eén lichaam lag in een herkenbare gebogen houding, terwijl andere menselijke resten anders waren gerangschikt. Mogelijk werd de grafkamer meerdere keren gebruikt of werden beenderen later verplaatst. De volgorde van deze handelingen blijft onzeker. De vondst laat zien dat de naam Enkelgrafcultuur niet betekent dat ieder grafmonument uitsluitend één persoon bevatte. De archeologische werkelijkheid kende uitzonderingen en ingewikkelde gebruiksgeschiedenissen.
Het bodemblok naar Leiden
Bij het onderzoek van Niersen werd een bijzondere grafcontext als samenhangend bodemblok uitgenomen en naar het Rijksmuseum van Oudheden gebracht. Daardoor bleef de onderlinge ligging van menselijke resten en andere vondsten beter behouden. Deze werkwijze maakte later onderzoek mogelijk zonder dat alles tijdens de eerste opgraving volledig uit elkaar gehaald hoefde te worden. De vondst toont hoe belangrijk de oorspronkelijke samenhang van archeologisch materiaal is. Een beker of skeletfragment vertelt meer wanneer ook zijn positie binnen het graf bekend is.
De grafheuvels van Dobbe Gelle en Stadhouderskuil
In de omgeving van Niersen werden verschillende heuvels onderzocht, waaronder monumenten die met de namen Dobbe Gelle en Stadhouderskuil worden verbonden. Daarbij kwamen aardewerk, stenen werktuigen en aanwijzingen voor latere begravingen aan het licht. Sommige heuvels hadden verschillende gebruiksfasen. Daardoor mogen vondsten uit één monument niet zonder meer als één oorspronkelijke grafuitrusting worden behandeld. De bodemlagen en vondstposities bepalen welke onderdelen daadwerkelijk bij elkaar horen. Deze heuvels vormen belangrijke voorbeelden van de lange geschiedenis van Veluwse begraafplaatsen.
De Galgenberg bij Niersen
Ook de Galgenberg kreeg aandacht in oudere archeologische onderzoeken. Bodemverkleuringen werden gedeeltelijk uitgelegd als resten van verdwenen houten onderdelen. Latere onderzoekers beoordeelden sommige interpretaties opnieuw. Niet iedere donkere vlek vertegenwoordigt immers een paalkuil. De vindplaats laat zien hoe afhankelijk archeologische reconstructies zijn van de kwaliteit van de oorspronkelijke documentatie. Wanneer tekeningen en doorsneden ontbreken, kunnen oude verklaringen moeilijk worden gecontroleerd. De geschiedenis van de Galgenberg behoort daarom zowel tot de prehistorie als tot de ontwikkeling van de archeologische onderzoeksmethoden.
Vaassen en de oudere graftraditie
Bij Vaassen werden verschillende laat-neolithische grafheuvels onderzocht. Tumulus I behoort tot een oudere bekertraditie en leverde onder andere een grote vuurstenen bijl en vuurstenen klingen op. De voorwerpen waren bewust in een grafcontext geplaatst. De heuvel ligt in een gebied waar ook jongere klokbekerbegravingen bekend zijn. Daardoor maakt Vaassen verschillende fasen van het laat-neolithicum zichtbaar. Nieuwe aardewerkvormen verschenen in een omgeving waar al oudere grafmonumenten bestonden. De ontwikkeling van de klokbekertraditie kan hier dus niet los van haar voorgeschiedenis worden onderzocht.
De verre vuursteen van Epe 123
Op het Hanendorperveld tussen Epe en Niersen ligt grafheuvel Epe 123. Uit deze oudere laat-neolithische context kwamen een rijk versierde beker en een lange vuurstenen dolk. De dolk is ongeveer tweeëntwintig centimeter lang en wordt verbonden met vuursteen uit het Franse gebied Le Grand-Pressigny. Daarmee verschijnt een materiaal dat van ver buiten Gelderland afkomstig is. De vondst is ouder dan de klassieke klokbekerperiode en maakt duidelijk dat verre contacten niet pas met de verspreiding van koper begonnen. De oorspronkelijke route en het aantal tussenpersonen blijven onbekend.
Epe 123 en Epe 124
Dicht bij Epe 123 ligt grafheuvel Epe 124, waar een klokbeker werd gevonden. De twee monumenten vertegenwoordigen verschillende fasen van het laat-neolithicum. Hun nabijheid laat zien dat aardewerkvormen en grafgiften binnen hetzelfde landschap veranderden. Dat betekent niet noodzakelijk dat de oudere bevolking verdween en een volledig nieuwe groep arriveerde. Tradities konden veranderen terwijl eerdere begraafplaatsen herkenbaar bleven. De twee heuvels vormen daarmee een waardevol vergelijkingspaar voor de overgang van oudere bekertradities naar de klokbekercultuur.
Het graf bij Groenlo
Ook buiten de Veluwe zijn oudere individuele graftradities bekend. Bij Groenlo in de Achterhoek is een graf beschreven dat met de Enkelgrafcultuur wordt verbonden. De vondst is geografisch belangrijk, omdat zij laat zien dat deze traditie niet uitsluitend op de centrale Veluwe voorkwam. De oorspronkelijke grafafmetingen en volledige inventaris zijn in het hier besproken materiaal niet uitgewerkt. Die gegevens kunnen daarom niet worden ingevuld. Groenlo vormt vooral een aanwijzing dat ook Oost-Gelderland betrokken was bij de ontwikkelingen die aan de klassieke klokbekerperiode voorafgingen.
De verschillen tussen de drie bekertradities
De Trechterbekercultuur, Enkelgrafcultuur en Klokbekercultuur worden vaak na elkaar genoemd, maar hun verschillen liggen niet uitsluitend in de aardewerkvorm. De Trechterbekercultuur is onder andere bekend door monumentale stenen grafkamers. De Enkelgrafcultuur wordt verbonden met individuele aarden grafheuvels, standvoetbekers en stenen strijdhamers. De klokbekertraditie kent karakteristiek aardewerk en bepaalde grafgiften, waaronder pijlpunten, polsbeschermers en vroege metalen voorwerpen. Toch zijn deze kenmerken niet absoluut. Oudere gebruiken konden voortbestaan, terwijl nieuwe vormen werden overgenomen.
Waarom archeologen over culturen spreken
De namen van de prehistorische culturen zijn door archeologen bedacht. De bewoners zelf gebruikten deze benamingen niet. Een archeologische cultuur wordt onderscheiden aan de hand van herkenbare patronen in aardewerk, grafgebruiken, werktuigen en andere resten. Zo kunnen vondsten uit verschillende gebieden met elkaar worden vergeleken. Toch betekent een gedeelde aardewerkstijl niet automatisch dat alle gebruikers tot één volk behoorden. Mensen konden vormen en technieken overnemen, ook zonder zelf te verhuizen. Archeologische cultuur, biologische afkomst en maatschappelijke identiteit zijn daarom verschillende begrippen.
Aardewerk als tijdsbepaler
Aardewerk behoort tot de belangrijkste hulpmiddelen waarmee archeologen de prehistorie chronologisch ordenen. Potvormen, randen, bodems en versieringen veranderden gedurende de tijd. Door veel goed gedocumenteerde vondsten te vergelijken, kunnen onderzoekers relatieve dateringen opstellen. Een beker uit een graf kan bijvoorbeeld worden vergeleken met aardewerk uit andere graven of nederzettingen. Zo ontstaat een overzicht van oudere en jongere vormen. Toch geeft een potvorm geen exact kalenderjaar. Daarvoor zijn betrouwbare vondstcontexten en aanvullende dateringsmethoden noodzakelijk.
De vorm van een pot
Bij aardewerkonderzoek worden de rand, hals, schouder, buik en bodem afzonderlijk bekeken. Ook de verhouding tussen hoogte en breedte kan belangrijk zijn. Een trechtervormige hals, standvoet of klokvormige buik helpt om een pot binnen een bepaalde traditie te plaatsen. Toch zijn de grenzen tussen typen niet altijd scherp. Sommige voorwerpen combineren kenmerken van verschillende groepen. De oorspronkelijke makers hielden zich immers niet aan moderne archeologische indelingen. De typologie vormt daarom een hulpmiddel bij de vergelijking, geen onfeilbare kalender.
De versiering als herkenning
Versieringen spelen een belangrijke rol bij het onderscheiden van aardewerktradities. Bandkeramische potten hebben karakteristieke lijnpatronen, terwijl standvoetbekers onder andere touwindrukken kunnen dragen. Veluwse klokbekers zijn vaak versierd met horizontale lijnen, zigzags, driehoeken en andere geometrische motieven. De gebruikte technieken en patronen kunnen aanwijzingen geven over chronologische en regionale verbanden. De oorspronkelijke betekenis van deze decoraties kennen we meestal niet. Ook bewijst een overeenkomstig motief niet dat twee bekers door dezelfde pottenbakker zijn gemaakt.
De bodemlagen en hun volgorde
Aardewerk krijgt vooral betekenis wanneer bekend is waar het oorspronkelijk werd aangetroffen. In een ongestoord bodemprofiel kunnen oudere lagen onder jongere liggen. Grafheuvels vormen echter ingewikkelde monumenten, omdat zij later opnieuw kunnen zijn geopend, vergroot of gebruikt. Daardoor kunnen vondsten uit verschillende perioden dicht bij elkaar terechtkomen. Archeologen moeten daarom vaststellen uit welke grafkuil of bouwfase een voorwerp afkomstig is. Zonder die informatie kan zelfs een fraai bewaard aardewerken voorwerp moeilijk betrouwbaar worden geïnterpreteerd.
Radiokoolstof naast aardewerkonderzoek
Radiokoolstofdatering maakt het mogelijk geschikt organisch materiaal en bepaalde verbrande botresten natuurwetenschappelijk te dateren. De resultaten worden omgezet naar waarschijnlijkheidsintervallen in kalenderjaren. Daarmee kunnen archeologen de typologische ouderdom van aardewerk toetsen. Een graf met zowel een karakteristieke beker als dateerbare menselijke resten is daarom bijzonder waardevol. Toch levert een radiokoolstofmeting geen exact jaar op. Ook moet worden vastgesteld of het onderzochte materiaal werkelijk bij de gebeurtenis hoort die men wil dateren. De combinatie van verschillende methoden geeft het betrouwbaarste beeld.
De klokbekerwereld ontstaat
Rond het midden van het derde millennium voor Christus worden in grote delen van Europa karakteristieke klokbekers herkenbaar. Vergelijkbare aardewerkvormen en grafgiften komen voor op het Iberisch Schiereiland, in Frankrijk, op de Britse eilanden en in delen van Midden- en Noord-Europa. Toch was de klokbekerwereld niet overal hetzelfde. Regionale vormen en begrafenisgebruiken bleven bestaan. De verspreiding van de stijl kan daarom niet eenvoudig worden beschreven als de reis van één volk. Mensen, voorwerpen en ideeën konden zich op verschillende manieren verplaatsen.
Het Iberisch Schiereiland
Het Iberisch Schiereiland behoort tot de belangrijke onderzoeksgebieden voor vroege klokbekervormen. De gevonden aardewerkstijlen spelen een rol in discussies over de oorsprong en verspreiding van de traditie. Toch bewijst het voorkomen van vroege bekers in een bepaald gebied niet dat alle latere gebruikers daarvan afstamden. Een vorm kan worden overgenomen zonder grote volksverhuizingen. Ook kunnen verschillende Europese gebieden hun eigen versies ontwikkelen. Voor Gelderland is vooral belangrijk dat de plaatselijke klokbekers binnen een veel grotere Europese ontwikkeling passen.
Frankrijk en de westelijke verbindingen
Frankrijk vormt een belangrijk vergelijkingsgebied voor het Nederlandse laat-neolithicum. De bijzondere vuursteen uit Le Grand-Pressigny, bekend van de dolk uit Epe 123, maakt duidelijk dat verre materiaalverbindingen al vóór de klassieke klokbekerperiode bestonden. Later werden in verschillende Franse streken klokbekers en verwante grafgiften aangetroffen. De overeenkomsten tonen culturele verbindingen, maar niet noodzakelijk rechtstreekse reizen tussen alle vindplaatsen. Grondstoffen en voorwerpen konden via meerdere tussenpersonen worden verspreid. De exacte routes blijven meestal onbekend.
België en het zuidelijke rivierenlandschap
Ook het huidige België maakte deel uit van de grotere neolithische en klokbekerwereld. Oudere landbouwtradities en latere klokbekervormen komen aan weerszijden van de huidige landsgrens voor. Voor Gelderland zijn vooral de mogelijke verbindingen door het Maas- en Rijngebied van belang. Toch kan een overeenkomstig aardewerkpatroon niet zonder meer als bewijs voor een specifieke route worden gebruikt. Pottenbakkers konden vormen overnemen en plaatselijk vervaardigen. De vergelijking met België maakt vooral duidelijk dat de prehistorische ontwikkelingen niet ophielden bij moderne grenzen.
Duitsland en het Rijnland
In het huidige Duitsland kwamen zowel tradities van de Enkelgrafcultuur als van de Klokbekercultuur voor. Het Rijnland en Midden-Duitsland vormen belangrijke vergelijkingsgebieden voor Gelderland. Aardewerkvormen, grafgiften en begrafenisrituelen vertonen op verschillende plaatsen overeenkomsten. Toch bleven regionale verschillen bestaan. Voor de Liemers, Montferland en het gebied rond Nijmegen is de vergelijking met het Rijnland geografisch bijzonder relevant. De aanwezigheid van verwante voorwerpen bewijst echter niet dat ieder exemplaar rechtstreeks uit Duitsland werd ingevoerd.
Denemarken en Noord-Duitsland
Denemarken en Noord-Duitsland behoren tot de belangrijkste vergelijkingsgebieden voor de Trechterbeker- en Enkelgrafcultuur. Ook tijdens de klokbekerperiode waren noordelijke tradities aanwezig. Vooral de verbinding met de Noordoost-Nederlandse aardewerkvormen is van belang. De verspreiding van vergelijkbare grafgiften en decoraties laat zien dat de Nederlandse zandgronden niet geïsoleerd lagen. Toch kunnen plaatselijke vormen sterk verschillen. De moderne landsgrenzen verdelen tegenwoordig gebieden die tijdens de prehistorie deel uitmaakten van grotere culturele ontwikkelingen.
De Moravische verwantschap van Harskamp
Een bijzondere klokbeker uit Harskamp wordt met Midden-Europese, onder andere Moravische, vormen vergeleken. Onderzoek aan de klei wijst echter op mogelijke plaatselijke vervaardiging. De vondst laat zien waarom stijl en herkomst van elkaar moeten worden onderscheiden. Een pottenbakker kon een buitenlandse vorm navolgen met plaatselijk beschikbare grondstoffen. Daardoor kan een voorwerp internationale verwantschap tonen zonder zelf uit het buitenland afkomstig te zijn. Harskamp vormt een belangrijk voorbeeld van de verspreiding van ideeën naast de verspreiding van voorwerpen.
De Britse eilanden
Ook op de Britse eilanden verschenen tijdens het derde millennium voor Christus klokbekers en bijbehorende graftradities. De vondsten werden belangrijk voor discussies over de verspreiding van aardewerk en mogelijke migratie. Later genetisch onderzoek toonde aan dat in Groot-Brittannië tijdens deze periode ingrijpende bevolkingsveranderingen plaatsvonden. Toch kunnen die resultaten niet automatisch op iedere Nederlandse vindplaats worden toegepast. De Europese klokbekerwereld kende uiteenlopende regionale ontwikkelingen. Aardewerkstijl, menselijke verplaatsing en biologische afkomst moeten daarom afzonderlijk worden onderzocht.
De belangrijkste Nederlandse klokbekerstreken
In Nederland behoren de Veluwe en de noordelijke zandgebieden tot de bekendste verspreidingsgebieden van klokbekervondsten. Vooral Drenthe en verschillende delen van Midden-Nederland leveren belangrijke grafcomplexen op. Ook het rivierengebied, waaronder Nijmegen en Wijchen, bevat bijzondere vondsten. De verspreiding is echter niet gelijkmatig. Sommige streken zijn intensiever onderzocht dan andere. Ook bepalen bodemomstandigheden of graven en menselijke resten bewaard blijven. Een kaart met bekende klokbekers vormt daarom geen rechtstreekse kaart van de oorspronkelijke bevolkingsdichtheid.
De Veluwse klokbekertraditie
Op de Veluwe werden talrijke grafheuvels en karakteristieke klokbekers ontdekt. De omgeving van Epe, Vaassen, Garderen, Ermelo, Stroe, Ede, Bennekom, Lunteren en Wolfheze behoort tot de belangrijkste onderzoeksgebieden. Ook Uddel, Elspeet, Speuld, Nieuw-Milligen en Voorthuizen leverden bijzondere vondsten op. De aardewerkvormen worden vaak tot de Veluwse klokbekertraditie gerekend. Toch betekent die naam niet dat ieder vergelijkbaar exemplaar op de Veluwe werd vervaardigd. De stijl verspreidde zich ook over andere Nederlandse gebieden.
Drenthe en de noordoostelijke groep
Drenthe vormt een ander belangrijk verspreidingsgebied van de klokbekertraditie. Vindplaatsen bij Eext, Diever, Odoorn, Noordbarge, Eelde en Angelslo-Emmerhout leveren bijzondere gegevens over grafrituelen en aardewerk. De Noordoost-Nederlandse groep heeft herkenbare kenmerken die op bepaalde punten van de Veluwse traditie verschillen. Toch zijn de grenzen niet absoluut. Sommige bekers vertonen kenmerken die met beide groepen kunnen worden vergeleken. De vondsten maken duidelijk dat verschillende regionale tradities deel uitmaakten van dezelfde grotere Europese klokbekerwereld.
Het Gelderse rivierengebied
De klokbekercultuur is in Gelderland niet uitsluitend bekend van de Veluwe. Bij Nijmegen en Wijchen werden belangrijke graven gevonden. Ook in andere delen van het rivierengebied zijn laat-neolithische sporen bekend. De vondsten laten zien dat rivierduinen en hogere oevers eveneens werden gebruikt. De natuurlijke omstandigheden verschilden van die op de zandgronden. Daardoor konden andere soorten resten bewaard blijven. Het rivierengebied vormt een belangrijk onderdeel van de Gelderse geschiedenis en verbindt de plaatselijke vondsten met die uit het Maaslandschap.
Oost-Gelderland en de Liemers
In de Achterhoek en Liemers werden verschillende laat-neolithische vondsten aangetroffen. Groenlo leverde een graf van de Enkelgrafcultuur op, terwijl uit Hengelo een bijzonder gereedschapsdepot bekend is. Bij Beek-De Byvanck werden twee Veluwse klokbekers gevonden. Ook Didam, Wehl, Stokkum en Gorssel komen in de archeologische overzichten voor. De vondsten zijn niet overal even volledig gedocumenteerd. Toch tonen zij dat de oostelijke Gelderse gebieden deel uitmaakten van de grotere ontwikkelingen tijdens het laat-neolithicum.
De komst van nieuwe aardewerkvormen
Wanneer de klassieke klokbekers in Gelderland herkenbaar worden, verschijnen zij binnen een landschap dat al lange tijd door landbouwende gemeenschappen was gebruikt. De oudere individuele grafheuvels bestonden nog en vuursteen bleef belangrijk. Nieuwe aardewerkvormen werden overgenomen, terwijl koperen voorwerpen geleidelijk zichtbaarder werden. De overgang vertegenwoordigt daardoor zowel continuïteit als verandering. De verspreiding van het aardewerk laat culturele verbondenheid zien, maar bewijst niet dat overal dezelfde mensen verhuisden of alle oudere bewoners verdwenen.
De eerste klokbekermensen op de Veluwe
De eerste klokbekermensen maakten gebruik van een Veluws landschap waarin oudere grafheuvels, beekdalen en hogere zandgronden al aanwezig waren. Hun archeologische sporen bestaan vooral uit versierde bekers, grafkuilen, vuurstenen werktuigen, stenen polsbeschermers en vroege metalen voorwerpen. De vindplaatsen tonen dat zij deel uitmaakten van een veel grotere Europese ontwikkeling. Toch blijft de plaatselijke geschiedenis herkenbaar. De Veluwse vormen en begrafenisgebruiken behoren tot een regionale traditie die binnen Gelderland, maar ook daarbuiten, belangrijke sporen achterliet.
De klokbeker als herkenbaar voorwerp
De klokbeker dankt zijn naam aan het karakteristieke profiel met een uitstaande rand, een smallere hals en een bredere buik. Toch bestaan verschillende vormen. Sommige zijn hoog en slank, andere breder. De versiering kan bestaan uit horizontale lijnen, zigzags, driehoeken en ingedrukte motieven. Veel Veluwse exemplaren zijn bijzonder zorgvuldig vervaardigd. Het aardewerk vormt een belangrijk hulpmiddel voor de archeologische chronologie, maar vertelt niet het hele verhaal. De makers gebruikten ook vuursteen, hout, leer en andere materialen, terwijl koper geleidelijk een plaats binnen hun wereld kreeg.
Het werk van de pottenbakker
Een klokbeker werd met de hand vervaardigd, zonder een snel draaiende pottenbakkersschijf. De maker bereidde de klei voor en vormde het vat, mogelijk door kleirollen op elkaar te plaatsen. Daarna werden de wanden gladgestreken en de versieringen aangebracht. Getande spatels en andere eenvoudige werktuigen konden regelmatige patronen maken. Het bakken vereiste kennis van vuur en de eigenschappen van de klei. De fraaie Gelderse exemplaren tonen veel technische ervaring. Toch is niet bekend of alle bekers door gespecialiseerde pottenbakkers werden vervaardigd.
Klei, steengruis en het bakproces
De eigenschappen van aardewerk werden mede bepaald door de gebruikte grondstoffen. Aan klei konden zand, steengruis of fijngemaakt oud aardewerk worden toegevoegd. Deze verschraling beïnvloedde het drogen en bakken. De kleur van de pot werd daarnaast bepaald door de omstandigheden tijdens het vuurproces. Sommige bekers kregen bruine of roodachtige oppervlakken, terwijl de kern donker bleef. Materiaalonderzoek kan aanwijzingen geven over de vervaardiging, maar levert niet automatisch een precieze werkplaats op. De technische kenmerken vormen vooral een aanvulling op de vergelijking van vorm en versiering.
Geometrische patronen op de Veluwse bekers
Veel Veluwse klokbekers zijn versierd met horizontale banden, zigzags, driehoeken, kruisarceringen en verticale indrukken. De motieven werden zorgvuldig in zones verdeeld. Sommige bekers zijn vrijwel over het gehele oppervlak versierd, terwijl andere onversierde stroken behouden. De patronen helpen archeologen om regionale verbanden en veranderingen te onderzoeken. Hun oorspronkelijke betekenis is echter onbekend. Ook bewijst een overeenkomstig motief niet dat twee bekers door dezelfde maker werden vervaardigd. De versiering toont vooral technische kennis en gedeelde voorbeelden.
De verschillende Veluwse typen
Archeologen onderscheiden binnen de Veluwse klokbekertraditie verschillende typen, waaronder 2Ic, 2Id, 2Ie en 2If. De indeling berust op vorm, verhoudingen en versiering. Zij helpt om vondsten uit verschillende streken te vergelijken. Toch zijn de grenzen niet altijd scherp. Sommige bekers combineren eigenschappen die bij verschillende typen voorkomen. De mensen die het aardewerk maakten, volgden immers geen moderne classificatie. De typen vormen daarom een wetenschappelijk hulpmiddel, geen bewijs voor afzonderlijke bevolkingsgroepen of precies afgebakende perioden.
Het aardewerk van de levenden
De bekendste klokbekers komen uit graven, maar aardewerk hoorde ook bij het dagelijkse bestaan. Grotere potten en andere vaatvormen konden worden gebruikt voor het bewaren, bereiden of aanbieden van voedsel. De precieze functie van afzonderlijke exemplaren is vaak onbekend. Bij Didam-Kerkwijk kwamen honderden fragmenten van een grote trompetpotbeker tevoorschijn. Ook Gorssel leverde gebroken aardewerk op. Zulke vondsten verbreden het beeld. Niet ieder vat werd als grafgift achtergelaten. Veel potten maakten vermoedelijk deel uit van de wereld van werkzaamheden en voedselvoorziening.
De individuele klokbekergraven
Tijdens de klokbekerperiode bleven individuele begravingen belangrijk. Een overledene kon in een grafkuil worden geplaatst met aardewerk, vuurstenen werktuigen, sieraden of metalen voorwerpen. Soms waren houten constructies aanwezig. Daarna kon de grafkuil met een aarden heuvel worden afgedekt. Toch kreeg niet iedere begraving een herkenbare grafheuvel. Ook vlakgraven kwamen voor. Bovendien werden oudere monumenten opnieuw gebruikt. Daardoor bestaat het huidige grafheuvelbestand uit verschillende perioden en bouwfasen. De oorspronkelijke geschiedenis kan alleen door onderzoek van bodemlagen en vondsten worden gereconstrueerd.
De grafheuvel als herkenbare plaats
Een grafheuvel bleef na de begrafenis vaak lange tijd zichtbaar. Sommige monumenten werden eeuwen later opnieuw gebruikt of vergroot. Mogelijk speelde de herkenbaarheid van oudere grafplaatsen een rol bij die keuzes. Toch is onbekend welke betekenis latere gemeenschappen eraan gaven. Zij hoefden niet te weten wie er oorspronkelijk begraven lag. De archeologische gegevens tonen vooral langdurig gebruik van dezelfde plaatsen. De grafheuvels vormen daarom niet alleen bronnen over individuele overledenen, maar ook over de veranderende verhouding tussen mensen en hun landschap.
De doden met opgetrokken benen
Veel klokbekerdoden werden onverbrand begraven met opgetrokken benen. Het lichaam lag doorgaans op een zijde, maar de richting van hoofd en gezicht verschilde. Op de Veluwse zandgronden zijn skeletten vaak volledig verdwenen. Soms blijft alleen een donkere verkleuring over die als lijksilhouet wordt geïnterpreteerd. Daaruit kan de houding gedeeltelijk worden gereconstrueerd. Leeftijd, biologisch geslacht en verwantschap blijven meestal onbekend. De reconstructie van een graf moet daarom gebaseerd blijven op de werkelijk aangetroffen bodemsporen.
Geen eenvoudige regels voor mannen en vrouwen
Oudere onderzoekers probeerden vaste regels te herkennen tussen het biologische geslacht van een overledene en de houding in het graf. Voor Nederland bleek het bewijsmateriaal beperkt. Veel skeletten zijn verdwenen en sommige oude reconstructies bevatten fouten. Ook de aanwezigheid van een dolk of polsbeschermer bewijst niet dat de overledene een man was. Archeologen moeten daarom onderscheid maken tussen lichaamsresten, grafgiften en veronderstelde sociale betekenissen. De klokbekergraven leveren aanwijzingen voor begrafenisgebruiken, maar niet altijd voor de identiteit van de personen.
De Ketenberg bij Eext
De Ketenberg in Drenthe vormt een belangrijk vergelijkingsvoorbeeld. Albert Egges van Giffen onderzocht het monument in 1927 en H. Halbertsma verrichtte in 1948 aanvullend onderzoek. De heuvel had een diameter van ongeveer twintig tot eenentwintig meter en was circa 1,7 meter hoog. Binnen het monument werden verschillende bouwfasen en begravingen onderscheiden. De oudste tradities werden met de Enkelgrafcultuur verbonden, terwijl latere graven uit de klokbekerperiode stamden. De vondst laat zien dat een grafheuvel verschillende perioden kon overbruggen.
De jonge vrouw en het kind
Een bijzondere grafcontext van De Ketenberg bevatte menselijke resten van minstens twee personen. De volwassen overledene werd geïnterpreteerd als een jonge vrouw van ongeveer achttien tot negentien jaar. Daarnaast waren resten van een kind jonger dan zes jaar aanwezig. Hun onderlinge verwantschap en de precieze volgorde van de begrafenishandelingen zijn onbekend. De vondst toont dat ook binnen tradities van individuele graven ingewikkelde situaties konden voorkomen. Niet ieder monument vertegenwoordigde uitsluitend één overledene.
De gespiegeld afgedrukte röntgenfoto
Bij heronderzoek van De Ketenberg bleek dat oudere röntgenfoto's in spiegelbeeld waren gepubliceerd. Daardoor was de lichaamshouding van de jonge vrouw verkeerd geïnterpreteerd. Op 8 januari 2005 werd vastgesteld dat zij op de linkerzijde had gelegen, niet op de rechterzijde. Deze correctie had gevolgen voor theorieën over de begrafenisregels van mannen en vrouwen. Het voorbeeld toont hoe belangrijk betrouwbare documentatie is. Ook oude opgravingsgegevens kunnen nieuwe informatie opleveren wanneer foto's, tekeningen en beschrijvingen kritisch worden gecontroleerd.
De voorkeur voor de linkerzijde
Een herbeschouwing van Nederlandse klokbekergraven liet zien dat linkszijdige begravingen in het bekende materiaal relatief vaak voorkomen. In een vroeg overzicht lagen zeven van acht personen op de linkerzijde. Een latere inventarisatie uit 2020 onderscheidde zesentwintig linkszijdige en vier rechtszijdige begravingen. Toch waren niet alle menselijke resten even goed bewaard. Sommige reconstructies berusten vooral op lijksilhouetten. Daarom blijft een vaste relatie tussen lichaamshouding en biologisch geslacht onvoldoende bewezen.
De zure zandgrond wist lichamen uit
Op de Veluwe verdwijnen menselijke botten vaak door ongunstige bodemomstandigheden. Aardewerk en vuursteen kunnen duizenden jaren herkenbaar blijven, terwijl een skelet volledig oplost. Soms ontstaat een donkere bodemverkleuring op de plaats van het lichaam. Dergelijke lijksilhouetten vormen bijzondere archeologische bronnen, maar geven minder informatie dan complete skeletten. De conservering bepaalt daardoor mede welke geschiedenis bekend wordt. Het ontbreken van menselijke resten betekent niet dat er oorspronkelijk geen overledene aanwezig was.
Noordbarge en het vlakgraf
Bij Noordbarge in Drenthe werd een klokbekergraf onderzocht dat waarschijnlijk geen herkenbare grafheuvel had. De kuil mat ongeveer 2,05 bij 1,55 meter en had vermoedelijk oorspronkelijk een diepte van vijfenzestig tot vijfenzeventig centimeter. Een donkere verkleuring wees op een lichaam dat waarschijnlijk op de linkerzijde lag. Het hoofd was naar het zuiden gericht en het gezicht vermoedelijk naar het westen. Bij het graf lag een versierde klokbeker. De vondst toont dat vlakgraven een plaats binnen de Nederlandse klokbekertraditie hadden.
Crematie naast lichaamsbegraving
Hoewel onverbrande lichaamsbegravingen lange tijd als kenmerkend voor de klokbekercultuur werden beschouwd, kwamen ook crematies voor. Daarbij kon een lichaam op een brandstapel worden verbrand en konden de resten later worden verzameld en begraven. Soms werden ook grafgiften aan vuur blootgesteld. De handelingen verschilden per graf. In eerdere Nederlandse inventarisaties werden ongeveer vijfentwintig klokbekercrematies onderscheiden, afhankelijk van de gebruikte criteria. Voor Gelderland zijn vooral Hoog Buurlo, Wijchen en de Ginkelse Heide belangrijk.
De crematie van Eelde-Grooteveen
Bij Eelde-Grooteveen in Drenthe werd een graf met gecremeerde menselijke resten gevonden. De volwassen overledene was ongeveer dertig tot veertig jaar oud en werd waarschijnlijk als vrouw geïnterpreteerd. Daarnaast kwamen twee klokbekers, een aardewerken schaal en twee gouden kokervormige ornamenten tevoorschijn. De gouden voorwerpen werden mogelijk als haar- of oorversieringen gebruikt. De vindplaats vormt belangrijk vergelijkingsmateriaal voor Gelderland omdat crematie, bijzonder aardewerk en kostbare materialen hier samen voorkomen. De oorspronkelijke betekenis van deze combinatie blijft onzeker.
Organisch materiaal en dieren bij Eelde
Onderzoek aan een beker uit Eelde-Grooteveen leverde aanwijzingen op voor organisch materiaal, mogelijk afkomstig van voedsel. Tussen de verbrande menselijke resten kwamen bovendien enkele dierlijke botfragmenten voor, waaronder een rib en mogelijk een teenbot van een klein of middelgroot dier. Misschien speelden voedsel of dieren een rol bij de begrafenis, maar dat is niet bewezen. De vondst laat vooral zien dat een crematie uit meer handelingen kon bestaan dan uitsluitend het verbranden en begraven van een lichaam.
Vijftien verbrande pijlpunten
Bij Angelslo-Emmerhout werd een crematiegraf onderzocht met vijftien verbrande vuurstenen pijlpunten. De voorwerpen hadden weerhaken en een schachtangel, waarmee zij aan houten pijlschachten konden worden bevestigd. Radiokoolstofmetingen van 3940 ± 50 BP en 3925 ± 40 BP plaatsen de begraving globaal binnen de klokbekerperiode. De pijlpunten waren aan vuur blootgesteld. Toch bewijst hun aanwezigheid niet dat de overledene een krijger was of met deze pijlen geschoten had. De voorwerpen kunnen tijdens het begrafenisritueel een andere betekenis hebben gehad.
De activiteitenplaats bij Angelslo
In de omgeving van Angelslo-Emmerhout werden ook aardewerkconcentraties en vuurstenen werktuigen gevonden. Sommige concentraties bevatten twintig tot dertig scherven. Daarnaast kwamen messen en andere bewerkte vuurstenen voor. Een activiteitenzone lag ongeveer 880 meter van bekende begravingen. De vondsten kunnen wijzen op bewoning of andere werkzaamheden, maar bewijzen niet automatisch een compleet huis. Zij maken vooral duidelijk dat ook buiten de grafheuvels archeologische sporen van het dagelijkse bestaan bewaard zijn gebleven.
De polsbeschermer van Dalen-Eldijk
Bij Dalen-Eldijk werd een graf onderzocht waarin menselijke resten mogelijk op een vrouw wezen. Toch lag er een stenen polsbeschermer, een voorwerp dat traditioneel met mannelijke boogschutters werd verbonden. De vondst maakt duidelijk dat grafgiften niet rechtstreeks aan het biologische geslacht kunnen worden gekoppeld. Misschien was de geslachtsbepaling onzeker. Ook is mogelijk dat polsbeschermers niet uitsluitend bij mannen voorkwamen. De vondst vormt belangrijk vergelijkingsmateriaal voor Gelderse klokbekergraven met pijlpunten, dolken en polsbeschermers.
De houten grafkamer van Oostwoud
Bij Oostwoud-Tuithoorn in Noord-Holland werden verschillende laat-neolithische begravingen onderzocht. Eén bekende overledene werd later Jan van Oostwoud genoemd. Hij lag in een houten grafconstructie en kreeg twee vuurstenen klingen mee. De vindplaats kende verschillende gebruiksfasen. Boven oudere graven werden later akkers aangelegd en daarna vonden opnieuw begrafenissen plaats. De vondst laat zien dat grafplaatsen een ingewikkelde geschiedenis konden hebben. De houten constructie vormt bovendien een vergelijking met andere laat-neolithische grafkamers waarvan slechts bodemsporen zijn bewaard.
De ontbrekende schedel van Oostwoud
Bij Oostwoud werd een volwassen man aangetroffen van wie de schedel ontbrak. Een mogelijke onderkaak lag op enige afstand. Onderzoekers hebben voorgesteld dat het hoofd misschien tijdens de prehistorie werd verwijderd of elders werd begraven. Deze uitleg blijft onzeker. Ook andere processen kunnen invloed hebben gehad op de ligging van de resten. De vondst toont hoe voorzichtig archeologen moeten zijn bij het interpreteren van afwijkende menselijke begravingen. Een bijzondere positie van botten bewijst niet automatisch een specifiek ritueel.
De grafheuvels van de Veluwe
De Veluwe behoort tot de belangrijkste Gelderse gebieden voor klokbekervondsten. Grafheuvels liggen verspreid over hogere zandgronden, nabij beekdalen en in gebieden waar meerdere monumenten dicht bij elkaar voorkomen. De verschillende heuvels behoren echter niet allemaal tot dezelfde periode. Sommige stammen uit de Enkelgrafcultuur, andere uit de klokbekerperiode of bronstijd. De ligging maakt langdurig gebruik van dezelfde landschappen zichtbaar. Toch kan niet iedere grafheuvel als aanwijzing voor een nabijgelegen permanente nederzetting worden beschouwd.
Garderen en de Hunnenweg
Bij Garderen, aan de Hunnenweg, werd een bijzonder fraaie klokbeker gevonden. De oorspronkelijke grafheuvel is verdwenen, maar het aardewerk bleef bewaard. Het voorwerp valt op door zijn regelmatige vorm en zorgvuldig aangebrachte versiering. Zonder volledige grafdocumentatie blijven de oorspronkelijke ligging van de overledene en eventuele andere voorwerpen onbekend. De vondst toont het vakmanschap van de makers en de beperkingen van oudere ontdekkingen. Een fraai bewaarde beker kan veel vertellen over techniek en stijl, maar niet de volledige grafcontext vervangen.
De beker van de Solse Berg
Een klokbeker uit de omgeving van de Solse Berg bij Garderen heeft versieringsmotieven die met exemplaren uit Wijchen en het Uddelermeer worden vergeleken. Op de schouder komen driehoekige patronen voor en lager op het vat andere decoratievelden. Zulke details zijn belangrijk voor de archeologische typologie. Niet alleen de algemene vorm telt, maar ook de volgorde en uitvoering van de versiering. De overeenkomsten bewijzen niet dat alle bekers door dezelfde maker werden vervaardigd. Wel maken zij gedeelde aardewerktradities zichtbaar.
Voorthuizen en de klokbekers
Uit Voorthuizen is een zorgvuldig vervaardigde klokbeker bekend die ongeveer rond 2300 voor Christus wordt geplaatst. Het aardewerk behoort tot de Veluwse traditie en heeft een karakteristieke vorm en versiering. De omgeving bevat verschillende prehistorische grafheuvels. De nabijheid van Garderen en Stroe maakt het gebied interessant voor onderzoek naar regionale verbanden. Toch kan niet iedere heuvel zonder aanvullend onderzoek aan de klokbekerperiode worden toegeschreven. De afzonderlijke vondsten en grafcontexten blijven bepalend.
De Zeven Bergjes
Bij Voorthuizen ligt het grafheuvelterrein De Zeven Bergjes. De monumenten vertegenwoordigen verschillende fasen van de prehistorie. Hun ligging vormt een herkenbare groep, maar niet alle heuvels hoeven gelijktijdig te zijn aangelegd. Sommige kunnen ouder of jonger zijn dan de klokbekerperiode. De vindplaats laat zien dat dezelfde zandgronden langdurig voor begravingen werden gebruikt. Bovendien vormt het huidige grafheuvelbestand slechts een deel van het oorspronkelijke landschap. Andere monumenten kunnen door landbouw en grondwerkzaamheden verdwenen zijn.
Stroe en de Houtbeek
Bij Stroe liggen prehistorische grafheuvels in de omgeving van de Houtbeek. Hun ligging nabij natuurlijke overgangen heeft geleid tot de gedachte dat zij verband hielden met oude routes. Dat blijft onzeker. Wel zijn uit de streek klokbekers, stenen polsbeschermers en koperen tongdolken bekend. De vondsten maken Stroe belangrijk voor onderzoek naar grafrituelen en vroege metaaltechnologie. De afzonderlijke voorwerpen hoeven echter niet allemaal uit dezelfde grafcontext afkomstig te zijn. De oorspronkelijke bodemlagen zijn daarom noodzakelijk voor een betrouwbare reconstructie.
Stroe-Konijnenkolken
Bij Stroe-Konijnenkolken werden grafcontexten onderzocht waarin onder andere een koperen tongdolk en een stenen polsbeschermer voorkwamen. Een andere begraving wordt met klokbekeraardewerk verbonden. De vondsten tonen dat een grafheuvel meerdere gebruiksfasen kon bevatten. Daardoor kunnen voorwerpen uit hetzelfde monument niet automatisch als één gelijktijdige uitrusting worden behandeld. Het onderscheid tussen de oorspronkelijke begravingen en latere bijzettingen is belangrijk voor de datering en interpretatie.
De polsbeschermer van Stroeerzand
Uit het Stroeerzand is een zorgvuldig gepolijste stenen polsbeschermer bekend van ongeveer 9,7 bij vijf centimeter. Het voorwerp wordt ongeveer rond 2300–2200 voor Christus geplaatst. Het Rijksmuseum van Oudheden verwierf de polsbeschermer in 1929, samen met een klokbeker en koperen tongdolk. Mogelijk kwamen de voorwerpen uit dezelfde grafcontext, maar de oorspronkelijke samenhang is niet volledig zeker. De vondst vormt een belangrijke aanwijzing voor het gebruik van polsbeschermers binnen de Veluwse klokbekertraditie.
De tongdolk van Stroe
De koperen tongdolk die met het Stroeerzand wordt verbonden, is ongeveer 13,2 centimeter lang. Het uitstekende tongvormige gedeelte diende voor bevestiging aan een handvat. De dolk vertegenwoordigt een andere vervaardigingstechniek dan de vuurstenen messen die eveneens in klokbekergraven voorkomen. Toch is de oorspronkelijke samenhang met de bekende polsbeschermer en beker onzeker. De vondst laat vooral zien dat vroege metalen voorwerpen tijdens de klokbekerperiode op de Veluwe beschikbaar waren.
Nieuw-Milligen en De Mottenkuil
Bij Nieuw-Milligen ligt de vindplaats De Mottenkuil. Uit een klokbekercontext zijn een Veluwse klokbeker, koperen tongdolk, vuurstenen werktuigen en barnstenen hanger bekend. De combinatie is bijzonder omdat verschillende grondstoffen samen voorkomen. Vuursteen bleef belangrijk, terwijl koper en barnsteen via bredere contacten beschikbaar konden komen. De grafgiften kunnen praktische en symbolische betekenissen hebben gehad. De aanwezigheid ervan bewijst echter niet dat de overledene een leider, krijger of specialist was. De oorspronkelijke betekenis blijft onbekend.
De grafheuvels rond het Uddelermeer
Rond het Uddelermeer liggen verschillende prehistorische grafheuvels die met letters en nummers werden aangeduid. Sommige bevatten oudere bekertradities, andere klokbekeraardewerk of jongere begravingen. Hun onderlinge ligging maakt de omgeving bijzonder, maar betekent niet dat alle monumenten tegelijkertijd werden aangelegd. Het Uddelermeer vormt een belangrijk vergelijkingsgebied voor de ontwikkeling van aardewerkvormen en grafgiften. De nabijheid van water en hogere zandgronden vormt een landschappelijke achtergrond, zonder dat daarmee de oorspronkelijke keuze voor iedere grafplaats volledig verklaard is.
De vuurstenen messen van Tumulus E
Uit Tumulus E bij het Uddelermeer zijn twee vuurstenen messen, een mogelijke pijlschachtpolijster en klokbekeraardewerk bekend. De voorwerpen tonen verschillende technische vaardigheden. Een pijlschachtpolijster kon worden gebruikt om een houten schacht glad te maken. Toch hoeft de aanwezigheid van zulke werktuigen in een graf niet te betekenen dat de overledene ze tijdens het leven persoonlijk gebruikte. De vondsten laten vooral zien dat praktische voorwerpen bewust als grafgift konden worden geselecteerd.
Tumulus D en Wijchen
Een klokbeker uit Tumulus D bij het Uddelermeer vertoont overeenkomsten met aardewerk uit Wijchen-Bijsterhuizen. Het gaat onder andere om geometrische patronen en de verdeling van versieringszones. De vergelijking laat zien dat de Veluwe en het rivierengebied gedeelde aardewerktradities kenden. Toch bewijst de overeenkomst niet dat de bekers door dezelfde pottenbakker werden gemaakt. De vondsten zijn vooral belangrijk voor onderzoek naar de verspreiding en ontwikkeling van stijlkenmerken binnen Gelderland.
Andere bekers van het Uddelermeer
Ook andere vindplaatsen rond het Uddelermeer leverden klokbekers op. Bij vindplaats III komen verticale indrukken en zigzagmotieven voor. Een beker van vindplaats V heeft versieringsvelden die met Garderen en Wijchen kunnen worden vergeleken. De overeenkomsten en verschillen helpen archeologen om aardewerkvormen te ordenen. Niet iedere gelijkenis vertegenwoordigt dezelfde maker of dezelfde periode. Samen vormen de vondsten wel een waardevol bestand voor het onderzoek naar de regionale klokbekertraditie.
Elspeet en de oude onderzoeken
Op de Elspeetsche Heide en in het Elspeetsche Bosch werden in de vroege twintigste eeuw verschillende grafheuvels onderzocht. Uit drie heuvels zijn klokbekers bekend. In oudere beschrijvingen wordt J. van Burken uit Elspeet genoemd. De oorspronkelijke documentatie is niet overal volledig, waardoor sommige vindstomstandigheden onzeker blijven. Toch maken de vondsten duidelijk dat de klokbekertraditie ook op de noordwestelijke Veluwe aanwezig was. Elspeet vormt een verbinding tussen het grotere gebied rond Uddel, Staverden en Ermelo.
Speuld en de koperresten
Bij Speuld en het Speulderveld zijn bijzondere bekers en stenen voorwerpen gevonden. Een polsbeschermer kreeg aandacht doordat bij materiaalonderzoek koperresten in de doorboringen werden aangetoond. Mogelijk waren metalen bevestigingselementen aanwezig geweest. De oorspronkelijke draagwijze blijft onbekend. De vondst laat wel zien dat steen en koper binnen één voorwerp konden worden gecombineerd. Ook de klokbekers uit de omgeving van Speuld spelen een rol in discussies over aardewerkvormen en chronologie.
De Groevenbeekse Heide
Een klokbeker van de Groevenbeekse Heide werd in oudere studies als type 2If beschreven. Een vergelijkbaar exemplaar uit Speuld kreeg elders het label 2Ie. De hoogte-breedteverhoudingen lagen dicht bij elkaar, waardoor de verschillen tussen de typen ter discussie kwamen. De vondsten tonen hoe een moderne archeologische indeling soms minder scherp is dan de werkelijkheid van het prehistorische aardewerk. De classificatie blijft een hulpmiddel, maar mag niet als absolute datering worden gebruikt.
De Ermelosche Heide
Van de Ermelosche Heide is een zorgvuldig versierde klokbeker bekend die in het Rijksmuseum van Oudheden wordt bewaard. Het aardewerk wordt globaal tussen 2500 en 2000 voor Christus geplaatst. De versiering bestaat uit horizontale zones met regelmatig aangebrachte indrukken. Bij oudere museumvondsten ontbreken echter soms gegevens over de oorspronkelijke grafkuil. Daardoor blijft onzeker welke andere voorwerpen aanwezig waren en hoe de overledene lag. De beker vormt vooral een belangrijke bron over aardewerkvorm en techniek.
De Driese Berg en omgekeerde bekers
Bij de Driese Berg op de Ermelosche Heide werden bijzondere klokbekervondsten gedaan. In oudere onderzoeksbeschrijvingen worden onder andere omgekeerd geplaatste bekers genoemd. Een kleine Veluwse klokbeker werd verbonden met barnstenen voorwerpen en twee kiezen. De oorspronkelijke samenhang moet zorgvuldig worden beoordeeld. De omgekeerde plaatsing van aardewerk heeft geleid tot hypotheses over rituele handelingen, maar bewijst geen specifieke betekenis. De vondsten maken vooral duidelijk dat bekers op verschillende manieren in een grafcontext terecht konden komen.
Epe en de Klokbekerweg
Tijdens bouwwerkzaamheden aan de voormalige Ballastputweg in Epe werd een grafheuvel ontdekt die het nummer Epe 149 kreeg. De heuvel was ongeveer zestien meter breed en nog ruim een meter hoog. Cor A. van Baarle speelde een rol bij de ontdekking. In 1977 en 1978 onderzochten medewerkers van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, onder wie R.S. Hulst en H. ter Schegget, ongeveer de helft van het monument. De latere straatnaam Klokbekerweg houdt de herinnering aan deze archeologische ontdekking levend.
Het lijksilhouet van Epe
Bij het onderzoek aan de Klokbekerweg werd een donkere bodemverkleuring gevonden die als lijksilhouet werd geïnterpreteerd. Het lichaam had vermoedelijk op de zijde gelegen met opgetrokken benen. De botten waren grotendeels verdwenen. De verkleuring werd geconsolideerd om haar te bewaren. Zulke vondsten zijn belangrijk op de Veluwse zandgronden, waar menselijke resten vaak oplossen. Een lijksilhouet kan informatie geven over de lichaamshouding, maar meestal niet over leeftijd of biologisch geslacht.
Vaassen II en de barnstenen hangers
Bij Vaassen werd in Tumulus II een centraal graf onderzocht met een vroege Veluwse klokbeker van het type 2Id. Daarnaast kwamen fragmenten van twee halvemaanvormige barnstenen hangers en een V-doorboorde barnstenen knoop aan het licht. De sieraden tonen dat bijzondere materialen een plaats binnen klokbekerbegravingen konden krijgen. Hun oorspronkelijke draagwijze en precieze herkomst blijven onbekend. De vondst vormt een belangrijk voorbeeld van de combinatie van plaatselijke aardewerktradities en materialen die via grotere contacten beschikbaar konden komen.
Zeven latere graven bij Vaassen
Vaassen Tumulus II werd na de oorspronkelijke aanleg opnieuw gebruikt. In de onderzoeksbeschrijvingen worden zeven secundaire begravingen uit de middenbronstijd genoemd. Daardoor kreeg de heuvel een lange geschiedenis. De oorspronkelijke klokbekerbegraving was toen al vele eeuwen oud. Toch bleef de plaats herkenbaar en geschikt voor nieuwe bijzettingen. Soms worden dergelijke monumenten familieheuvels genoemd, maar biologische verwantschap tussen alle begraven personen is daarmee niet bewezen. De vondst toont vooral het langdurige belang van bestaande grafplaatsen.
Vaassen III en de koperen tongdolk
Ook Vaassen Tumulus III leverde materiaal op dat met de klokbekerperiode wordt verbonden. Een Veluwse klokbeker werd gebruikt voor vergelijkingen met andere aardewerkvormen. Daarnaast wordt een koperen tongdolk met het complex in verband gebracht. De vondsten zijn belangrijk voor het onderzoek naar vroege metaaltechnologie. Toch moet zorgvuldig worden vastgesteld welke voorwerpen daadwerkelijk tot dezelfde begraving behoorden. Grafheuvels konden immers meerdere gebruiksfasen hebben.
Het onderzoek van Bursch bij Vaassen
In juni 1941 onderzocht F.C. Bursch verschillende grafheuvels bij Vaassen. Drie laat-neolithische monumenten werden volledig opgegraven. De oorlogsomstandigheden bemoeilijkten de verdere verwerking van het onderzoek. Later reconstrueerden J.N. Lanting en J.D. van der Waals de resultaten aan de hand van tekeningen, foto's en bewaarde vondsten. Daardoor konden oorspronkelijke grafcontexten opnieuw worden beoordeeld. Vaassen laat zien hoe waardevol een zorgvuldig bewaard archeologisch archief kan zijn, zelfs wanneer een onderzoek pas veel later opnieuw wordt uitgewerkt.
Hoog Buurlo en het verbrande lichaam
Bij Hoog Buurlo op de Veluwe is een klokbekercontext bekend die met crematie wordt verbonden. J.D. van der Waals besteedde hier aandacht aan. De vondst is belangrijk omdat klokbekers lange tijd vooral met onverbrande lichaamsbegravingen werden geassocieerd. Hoog Buurlo toont dat ook verbranding van doden binnen de Gelderse traditie voorkwam. De vindplaats vormt een vergelijking met Wijchen en andere Nederlandse crematiegraven. Toch kan niet worden vastgesteld dat alle klokbekergemeenschappen crematie in dezelfde mate toepasten.
Lunteren tussen Veluwe en Vallei
De omgeving van Lunteren ligt op de overgang tussen de Veluwe en de Gelderse Vallei. Rond de Goudsberg, De Vlooienpol, Hondslog en de Vijfsprongweg zijn prehistorische grafheuvels en bijzondere voorwerpen bekend. Niet alle vindplaatsen dateren uit dezelfde periode. Sommige monumenten zijn ouder dan de klokbekercultuur, terwijl andere later opnieuw werden gebruikt. Lunteren is vooral belangrijk door de combinatie van grafgiften, koperen voorwerpen en mogelijke metaalbewerkingsgereedschappen.
De mogelijke kopersmid van Lunteren
Bij Lunteren werd een bijzondere grafcontext aangetroffen met een koperen priem of els en stenen werktuigen die mogelijk als hamer en aambeeld hadden gediend. Ook klokbekeraardewerk en vuurstenen voorwerpen worden genoemd. De combinatie leidde tot de bekende aanduiding Lunterse kopersmid. Toch is deze interpretatie niet bewezen. Grafgiften hoeven niet rechtstreeks het beroep van de overledene weer te geven. De vondst vormt wel een belangrijke aanwijzing voor de bekendheid van vroege metaaltechnieken op de Veluwe.
Wekerom en de Vijfsprongweg
In de omgeving van Wekerom en de Vijfsprongweg zijn verschillende laat-neolithische vondsten bekend. F.C. Bursch onderzocht in 1939 een klokbekerheuvel bij Wekerom. In de beschrijvingen worden onder andere een Veluwse klokbeker, koperen priem, vuurstenen pijlpunten en stenen polsbeschermer genoemd. De afzonderlijke vindplaatsen moeten zorgvuldig worden onderscheiden. Oudere publicaties gebruiken soms nabijgelegen plaatsnamen voor verschillende complexen. Het gebied is vooral belangrijk voor de combinatie van aardewerk en vroege metalen voorwerpen.
De Vlooienpol en het maken van vuur
Bij De Vlooienpol in Lunteren werd een bijzondere klokbekercontext onderzocht. Tot de genoemde grafgiften behoren een klokbeker, vuurstenen dolk, stenen polsbeschermer, pijlpunten en mogelijke vuurmakersgereedschappen. Onder de voorwerpen bevinden zich een vuurslag en een markasietknol. Daarmee konden vonken worden geproduceerd. De vondst is bijzonder omdat zij ook gereedschap toont dat met dagelijkse werkzaamheden samenhangt. De oorspronkelijke betekenis van de voorwerpen in het graf blijft echter onbekend.
Hondslog en jongere begravingen
Bij Hondslog in de omgeving van Lunteren zijn prehistorische grafheuvels onderzocht die verschillende gebruiksfasen vertegenwoordigen. Sommige monumenten behoren tot het laat-neolithicum en werden later opnieuw gebruikt. Jongere urnenvelden konden oude begraafplaatsen overlappen. Daardoor mogen urnen en andere latere vondsten niet automatisch aan de eerste bouwfase van een heuvel worden toegeschreven. Hondslog toont hoe een grafmonument gedurende lange tijd herkenbaar kon blijven en opnieuw betekenis kreeg.
De Ginkelse Heide bij Ede
De Ginkelse Heide behoort tot de belangrijkste Gelderse gebieden voor klokbekervondsten. Hier kwamen versierde bekers, vuurstenen werktuigen, stenen polsbeschermers en koperen voorwerpen aan het licht. Kapitein Hendrik Joseph Bellen onderzocht in de jaren twintig verschillende grafheuvels. Samen met sergeant H. Westendorp legde hij gegevens vast die later opnieuw werden bestudeerd. Niet iedere heuvel behoort tot de klokbekerperiode. De oorspronkelijke documentatie is daarom belangrijk om oudere en jongere monumenten van elkaar te onderscheiden.
De grafuitrusting van Ede
Een grafcontext van de Ginkelse Heide wordt verbonden met een koperen tongdolk, stenen polsbeschermer, vuurstenen pijlpunten en klokbekeraardewerk. De combinatie maakt duidelijk dat verschillende technische tradities samen voorkwamen. Koper werd gebruikt naast veel oudere vuurstenen werktuigen. De polsbeschermer wordt traditioneel met boogschieten verbonden, maar kan ook een symbolische betekenis hebben gehad. De grafgiften bewijzen niet automatisch dat de overledene een krijger was. Zij tonen vooral welke voorwerpen tijdens de begrafenis belangrijk werden gevonden.
Crematie op de Ginkelse Heide
In een crematiecontext van de Ginkelse Heide worden verbrande resten van een volwassen persoon en een jong kind besproken. De volwassen persoon zou ongeveer vijfendertig jaar oud zijn geweest en het kind ongeveer drie jaar. Bij de resten kwamen pijlpunten voor. Eén daarvan werd mogelijk met een verwonding in verband gebracht. Deze verklaring blijft onzeker, omdat de pijlpunt ook tijdens het begrafenisritueel kan zijn toegevoegd. De onderlinge relatie tussen de overledenen is evenmin bekend.
De verkeerde pijlpunt van Haps
Bij Haps-Laarakker in Noord-Brabant werd een klokbekergraf onderzocht met een beker, vuurstenen kling en acht pijlpunten. Op een gepubliceerde afbeelding leek één pijlpunt ter hoogte van de buik te liggen. Daardoor ontstond de gedachte dat de overledene door een pijl was getroffen. Later onderzoek aan de oorspronkelijke gegevens liet zien dat de pijlpunt niet op die plaats lag. Het belangrijkste argument voor een verwonding verviel daarmee. De vondst vormt een waarschuwing tegen het overnemen van oude reconstructies zonder controle.
De Amber-tumulus en Girheno
In Bellens documentatie komen bijzondere namen voor grafheuvels op de Ginkelse Heide voor, waaronder Girheno en Amber-tumulus. Bij de Amber-tumulus werden twaalf barnstenen kralen beschreven. Zulke aantekeningen zijn belangrijk omdat oude vondsten later in verschillende museumcollecties terecht konden komen. Zonder oorspronkelijke veldgegevens blijft soms onduidelijk welke voorwerpen bij elkaar hoorden. De notities van Bellen maken het mogelijk afzonderlijke grafcontexten opnieuw te herkennen en te beoordelen.
Bennekom-Oostereng en het goud
In 1891 werden bij Bennekom-Oostereng gouden sieraden ontdekt die met het laat-neolithicum en de klokbekerwereld worden verbonden. Aanvankelijk werden zij als onderdelen van een groter hoofd- of halssieraad gereconstrueerd. Later ontstond de gedachte dat het om afzonderlijke haarornamenten ging. De oorspronkelijke draagwijze blijft onbekend. De vondst toont dat goud tijdens deze periode beschikbaar was. De grondstof moet via contacten met andere gebieden zijn verkregen, maar de precieze herkomst en route zijn niet vastgesteld.
De verschillende graven van Oostereng
De omgeving van Bennekom-Oostereng bevat verschillende grafheuvels en bijzondere vondsten. Uit grafheuvel 12 worden onder andere klokbekeraardewerk, vuurstenen pijlpunten en een stenen polsbeschermer genoemd. Grafheuvel 22 leverde een bijzondere beker op. De vondsten moeten worden onderscheiden van de goudvondst van 1891. Eén plaatsnaam vertegenwoordigt niet noodzakelijk één grafcomplex. De afzonderlijke contexten zijn belangrijk voor het reconstrueren van de begrafenisgebruiken en de chronologie.
De bijzondere beker van Oostereng
Een klokbeker uit grafheuvel 22 bij Oostereng is ongeveer negentien centimeter hoog. Het voorwerp combineert kenmerken die in verschillende aardewerktradities herkenbaar zijn. Daardoor is de beker belangrijk voor discussies over typologie en regionale contacten. De makers van het aardewerk konden bestaande motieven combineren en aanpassen. De moderne indeling in typen vormt daarom geen strikte beschrijving van afzonderlijke bevolkingsgroepen. Oostereng laat zien hoe plaatselijke vormgeving en bredere culturele tradities samen konden komen.
Bennekom-Buurtheide en Wijchen
Bij Bennekom-Buurtheide is een Veluwse klokbeker bekend die als type 2If wordt beschreven. Het aardewerk heeft opvallende motieven op het onderste gedeelte, waaronder knopachtige elementen. Onderzoekers vergeleken deze versiering met een beker uit Wijchen-Bijsterhuizen. De overeenkomst verbindt twee verschillende Gelderse landschappen. Toch bewijst zij niet dat beide voorwerpen door dezelfde maker zijn vervaardigd. De verspreiding van overeenkomstige kenmerken kan wijzen op gedeelde voorbeelden en contacten.
De Kraats en de gebroken bekers
Bij De Kraats in Bennekom werden fragmenten van verschillende Veluwse klokbekertypen gevonden op een dekzandrug. In de inventaris worden onder andere 2Id, 2Ie en 2If genoemd. Ook vuurstenen werktuigen kwamen voor. De oorspronkelijke context is niet overal duidelijk. Daardoor kunnen de scherven niet rechtstreeks aan afzonderlijke graven worden gekoppeld. Mogelijk wijzen zij op activiteiten buiten begraafplaatsen. De Kraats laat zien dat ook gebroken aardewerk belangrijk is voor het begrijpen van de wereld van de klokbekermensen.
De meerperiodenheuvel van Bennekom
Albert Egges van Giffen onderzocht bij Bennekom een grafheuvel die verschillende gebruiksfasen vertegenwoordigde. De oorspronkelijke begraving was later gevolgd door nieuwe bijzettingen of veranderingen aan het monument. Daardoor ontstond een ingewikkelde bouwgeschiedenis. De vindplaats laat zien dat een grafheuvel niet noodzakelijk in één keer zijn uiteindelijke vorm kreeg. Oudere monumenten konden gedurende vele generaties herkenbaar blijven en opnieuw gebruikt worden.
Wolfheze als begraaflandschap
Bij Wolfheze liggen verschillende prehistorische grafheuvels op de zuidelijke Veluwe. De omgeving bestaat uit hogere zandgronden, beekdalen en natuurlijke overgangen. Uit oude onderzoeken zijn klokbekers, vuurstenen pijlpunten en koperen voorwerpen bekend. Sommige heuvels liggen in herkenbare groepen, maar vertegenwoordigen niet allemaal dezelfde periode. De ligging langs huidige paden heeft geleid tot hypotheses over prehistorische routes. Die verklaringen blijven onzeker zolang de wegen zelf niet betrouwbaar gedateerd kunnen worden.
De Koningsheuvel van Wolfheze
De Koningsheuvel behoort tot de bekende prehistorische grafheuvels van Wolfheze. In 1910 onderzocht J. Goekoop-de Jongh verschillende monumenten in het gebied. Uit de oudere vondstgeschiedenis zijn onder andere klokbekeraardewerk en koperen voorwerpen bekend. Een koperen dolk ging tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren. De naam Koningsheuvel suggereert een bijzondere overledene, maar vormt geen bewijs voor een koning of politieke leider. De vondst toont vooral dat sommige begravingen bijzondere grafgiften bevatten.
De Doorwerthsche Heide
Op de Doorwerthsche Heide werden aan het begin van de twintigste eeuw prehistorische grafheuvels onderzocht. De oorspronkelijke documentatie is niet altijd volledig. Daardoor blijven de samenhang en precieze plaatsing van sommige voorwerpen onzeker. Ook werden bepaalde botresten als verbrand beschreven, terwijl later werd opgemerkt dat sterk verweerd bot moeilijk van werkelijk verbrand materiaal te onderscheiden kan zijn. De vindplaats maakt duidelijk waarom oude meldingen van crematie kritisch moeten worden beoordeeld.
De Wageningse Berg
Op de Wageningse Berg liggen verschillende prehistorische grafheuvels. A.E. Remouchamps onderzocht in 1927 vijf monumenten. Niet iedere heuvel leverde rijke vondsten op, maar ook de minder opvallende graven zijn belangrijk voor de chronologie. De ligging boven het rivierengebied maakt de omgeving bijzonder. Hier ligt de overgang tussen de zuidelijke Veluwe en de lagere rivierlandschappen. De vondsten tonen langdurig gebruik van dezelfde streek, zonder dat alle monumenten noodzakelijk tot de klokbekerperiode behoren.
Twee bekers en barnsteen bij Wageningen
Uit een grafheuvel bij de Ritzema Bosweg kwamen een Veluwse klokbeker, fragmenten van een tweede beker en twee barnstenen kralen. De combinatie toont dat een graf meerdere aardewerken voorwerpen kon bevatten. Ook sieraden van bijzondere materialen werden meegegeven. De oorspronkelijke betekenis van de kralen blijft onbekend. Mogelijk maakten zij deel uit van persoonlijke versiering. De vondst vormt een belangrijke vergelijking met andere Gelderse klokbekergraven waarin aardewerk en barnsteen samen voorkomen.
Wageningen-Diedenweg en Geertjesweg
Bij de Diedenweg en Geertjesweg in Wageningen zijn klokbekervondsten bekend. Sommige versieringskenmerken vertonen overeenkomsten met bekers van de Wageningse Berg. De oorspronkelijke context verschilt per vindplaats en is niet overal volledig gedocumenteerd. De overeenkomsten kunnen wijzen op gedeelde plaatselijke pottenbaktradities. Zij bewijzen echter niet dat alle bekers door dezelfde maker werden vervaardigd. De vondsten tonen dat de klokbekerwereld rond Wageningen uitgebreider was dan uitsluitend de bekende grafheuvels.
Hattemerbroek en de Hanzelijn
Bij Hattemerbroek kwamen tijdens archeologisch onderzoek in verband met de Hanzelijn bijzondere laat-neolithische grafgegevens aan het licht. In de grafcontext werden aardewerk, barnstenen sieraden en mogelijke organische resten beschreven. Ook werd aandacht besteed aan een verdwenen houten inrichting. De vondst is belangrijk omdat plantenresten en andere vergankelijke materialen soms informatie kunnen opleveren die bij oudere grafheuvelonderzoeken volledig ontbreekt. De interpretatie van zulke resten vereist echter voorzichtigheid.
De mogelijke plantenmat van Hattemerbroek
Bij een bijzondere begraving uit Hattemerbroek werden barnstenen ornamenten en mogelijke plantaardige resten besproken. In de eerder verzamelde onderzoeksgegevens worden elf barnstenen versieringen bij het hoofd en drie bij het middel genoemd. Daarnaast werd gedacht aan moerasspirea en een mogelijke plantenmat. De oorspronkelijke betekenis blijft onzeker. Pollen en andere organische resten kunnen onder verschillende omstandigheden in een graf terechtkomen. De vondst toont vooral dat de begrafenisinrichting meer kan hebben omvat dan de duurzame voorwerpen die meestal bewaard blijven.
Hattem-Assenrade en het klokbekergraf
In november 2012 werd bij Hattem-Assenrade een bijzonder klokbekergraf ontdekt. Rond de centrale grafkuil lag een kringgreppel. In het graf kwamen een complete Veluwse klokbeker en een zeldzame aardewerken schaal tevoorschijn. De begraving werd voorzichtig als mogelijk kindergraf geïnterpreteerd, maar menselijke resten boden onvoldoende zekerheid. De vondst maakt duidelijk dat de klokbekertraditie ook aan de noordelijke Veluwerand aanwezig was. De kringgreppel wijst bovendien op een oorspronkelijke grafconstructie die uitgebreider kan zijn geweest dan de bewaarde kuil.
De zeldzame schaal van Assenrade
De aardewerken schaal uit Hattem-Assenrade behoort tot een weinig voorkomende vorm binnen de Nederlandse klokbekertraditie. Zij laat zien dat het aardewerkrepertoire niet uitsluitend uit klokvormige bekers bestond. De oorspronkelijke functie is onbekend. Misschien bevatte de schaal voedsel of drank, maar daarvoor ontbreekt rechtstreeks bewijs. De vondst is vooral belangrijk doordat het bijzondere voorwerp samen met een complete klokbeker in één archeologisch onderzochte grafcontext werd aangetroffen.
De kringgreppel rond het graf
De kringgreppel van Hattem-Assenrade vormde een duidelijke afbakening rond de centrale grafkuil. Mogelijk hoorde daarbij oorspronkelijk een aarden heuvel of een andere bovengrondse constructie. Ook werden mogelijke paalsporen besproken, maar de precieze inrichting kon niet worden vastgesteld. Latere landbouw en grondwerkzaamheden kunnen een oorspronkelijk heuvellichaam verwijderen. Daardoor kan een grafheuvel verdwenen zijn terwijl de ondergrondse sporen bewaard bleven. Assenrade vormt daarvan een belangrijk voorbeeld.
De klokbekervondsten van Gorssel
Bij Gorssel zijn klokbekerscherven, potbekeraardewerk en vuurstenen werktuigen bekend. Het materiaal kan wijzen op menselijke activiteiten buiten de bekende grafheuvelcontexten. Dat is belangrijk omdat nederzettingssporen uit de klokbekerperiode moeilijker herkenbaar zijn dan graven. Een concentratie scherven vormt echter niet automatisch bewijs voor een compleet huis. De oorspronkelijke vondstcontext blijft noodzakelijk. Gorssel maakt duidelijk dat ook gewone aardewerkfragmenten en vuurstenen werktuigen waardevolle informatie over het dagelijks leven kunnen leveren.
De vuurstenen bijl van Gorssel
Uit de omgeving van Gorssel is een vuurstenen bijl bekend die met een Deens type wordt vergeleken. De vorm toont overeenkomsten met werktuigen uit een groter Noordwest-Europees gebied. Toch betekent dit niet dat de bijl uit Denemarken afkomstig was. Ook is niet zeker dat zij gelijktijdig werd gebruikt met de klokbekerscherven uit dezelfde streek. De vondst toont hoe verschillende prehistorische perioden op één plaats vertegenwoordigd kunnen zijn en waarom een nauwkeurige datering noodzakelijk blijft.
De vondsten van Wehl
Uit de omgeving van Wehl zijn verschillende laat-neolithische aardewerkfragmenten en vuurstenen werktuigen bekend. Sommige worden met bekertradities verbonden. De oorspronkelijke context is niet overal volledig vastgelegd. Daardoor kan een losse scherf niet zonder meer als bewijs voor een permanente nederzetting worden beschouwd. Toch maakt het materiaal duidelijk dat de streek tussen Doetinchem, Didam en Montferland deel uitmaakte van de prehistorische ontwikkelingen in Oost-Gelderland. De vondsten vullen het beeld aan dat vooral vanuit de Veluwse grafheuvels bekend is.
Didam en de trompetpotbeker
Bij Didam-Kerkwijk werden ongeveer 421 aardewerkscherven aangetroffen die waarschijnlijk afkomstig zijn van één grote trompetpotbeker. De vondst verschilt sterk van de complete grafbekers die de klokbekercultuur haar naam gaven. Hier staat een groter vat centraal dat in vele fragmenten uiteenviel. De oorspronkelijke functie en reden voor depositie zijn onbekend. De scherven maken het wel mogelijk de vorm en vervaardiging nauwkeuriger te onderzoeken. Didam laat zien hoe belangrijk gebruiksaardewerk is voor de geschiedenis van het dagelijks leven.
Beek-De Byvanck en twee klokbekers
Op landgoed De Byvanck bij Beek werden in 1958 twee Veluwse klokbekers gevonden. De vondsten worden ongeveer rond 2300 voor Christus geplaatst. Mogelijk waren zij afkomstig uit een grafheuvel, maar de oorspronkelijke context is onvoldoende bekend om dat met zekerheid vast te stellen. Beek ligt in de Liemers, dicht bij Montferland en de huidige Duitse grens. De ontdekking toont dat de Veluwse klokbekertraditie ook in dit oostelijke Gelderse gebied voorkwam.
Stokkum en de weg naar Elten
Bij Stokkum, langs de weg naar Elten, werd een scherf van klokbekeraardewerk gevonden. De vondst is klein, maar geografisch belangrijk. Stokkum ligt nabij de huidige Duitse grens. Zonder aanvullende gegevens kan niet worden vastgesteld of de scherf uit een graf of nederzetting afkomstig was. Wel vormt zij samen met de vondsten van Beek, Wehl en Didam een aanwijzing voor laat-neolithische activiteiten in de Liemers. De huidige landsgrens bestond in deze periode niet.
Hengelo en de steenschat
Bij Hengelo in de Achterhoek werd in 2007 een bijzondere verzameling van drieëntwintig stenen ontdekt. De voorwerpen lagen samen in een kuil op een dekzandrug nabij de Weppelbeek. Het onderzoek vond plaats voorafgaand aan de bouw van het nieuwe gemeentehuis. De combinatie van verschillende stenen werktuigen leidde tot de gedachte dat hier gereedschap voor metaalbewerking was achtergelaten. De vondst is bijzonder omdat zij niet uit een graf afkomstig is. Daarmee geeft Hengelo informatie over technische activiteiten buiten de bekende begrafenissen.
De drieëntwintig stenen in één kuil
De stenen lagen dicht bij elkaar en vormden een samenhangende verzameling. Mogelijk waren zij oorspronkelijk in leer of textiel verpakt, maar van zo'n verpakking zijn geen herkenbare resten bewaard. Tot de verzameling behoren onder andere een gepolijste stenen bijl, mogelijke hamers, slijpstenen en kussenstenen. De geconcentreerde ligging wijst op een gezamenlijke depositie. Waarom het gereedschap werd achtergelaten, is onbekend. Mogelijk ging het om opslag, verborgen voorwerpen of een bewuste definitieve achterlating.
De kussenstenen van Hengelo
Twee stenen uit de Hengelose verzameling hebben een min of meer kubusvormige gedaante en zorgvuldig bewerkte oppervlakken. Zij worden kussenstenen genoemd en kunnen als kleine aambeelden zijn gebruikt. De vorm alleen bewijst de functie niet. Bij Hengelo leverde aanvullend onderzoek echter aanwijzingen op voor contact met metaal. Daardoor werd de interpretatie als gereedschap voor metaalbewerking sterker. De vondsten maken het mogelijk werkzaamheden te onderzoeken die uit afgewerkte koperen voorwerpen alleen niet herkenbaar zijn.
Sporen van koper en goud
Op twee kussenstenen en een slijpsteen uit Hengelo werden microscopische sporen van koper en goud aangetoond. Dat vormt belangrijk bewijs dat het gereedschap met deze metalen in contact kwam. De vondst ondersteunt de interpretatie dat de verzameling voor metaalbewerking werd gebruikt. Welke voorwerpen precies werden vervaardigd, blijft onbekend. Ook is niet vastgesteld hoeveel personen het gereedschap gebruikten. Toch maakt de ontdekking duidelijk dat de aanwezigheid van metalen voorwerpen in Gelderland niet uitsluitend door het bezit van geïmporteerde eindproducten hoeft te worden verklaard.
De stenen voor pijlschachten
Twee stenen uit Hengelo hebben smalle, afgeronde groeven die als sporen van het gladmaken van houten pijlschachten worden geïnterpreteerd. Dit is bijzonder omdat de houten onderdelen van pijlen meestal verdwenen zijn. In grafheuvels worden vooral de vuurstenen punten teruggevonden. De Hengelose stenen bieden daardoor informatie over een andere fase van de vervaardiging. Zij verbinden steenbewerking en houtbewerking met de bekende boogschuttersuitrusting. Toch kan niet worden vastgesteld wie de schachten maakte of voor wie zij bestemd waren.
De verschillende steensoorten
De verzameling van Hengelo bevat stenen van verschillende gesteenten, waaronder kwartsiet, graniet, diabaas, doleriet, basalt en amfiboliet. De eigenschappen van de materialen kunnen invloed hebben gehad op hun technische gebruik. Sommige zijn geschikt voor slaan, andere voor slijpen of wrijven. De herkomst moet per steensoort worden onderzocht. Niet ieder gesteente dat oorspronkelijk uit een ver gebied komt, is noodzakelijk door menselijke uitwisseling aangevoerd. Sommige stenen kunnen ook als zwerfsteen beschikbaar zijn gekomen.
De herkomst van het gereedschap
Bepaalde steensoorten uit de Hengelose verzameling hebben geologische verwantschappen met gebieden buiten Gelderland. Daarbij worden onder andere Midden-Duitsland, Scandinavië en het Alpengebied genoemd. Dit maakt onderzoek naar grotere verbindingen interessant. Toch is voorzichtigheid nodig. Gesteenten kunnen ook door natuurlijke processen zijn verplaatst. Een bijzondere geologische herkomst bewijst daarom niet automatisch een rechtstreekse handelsreis. De vondst toont vooral dat het gereedschap uit uiteenlopende materialen bestond die zorgvuldig werden geselecteerd.
De datering van het Hengelose depot
Houtskool uit een oudere kuil die door de ingraving met het gereedschap werd doorsneden, leverde een radiokoolstofmeting van 3755 ± 40 BP op. De besproken kalibratie komt ongeveer overeen met 2290–2030 voor Christus. Deze meting dateert de stenen niet rechtstreeks. Zij geeft aan dat de latere depositie jonger moet zijn dan de onderzochte context. De werktuigtypen en andere gegevens ondersteunen een plaatsing in het laat-neolithicum, maar de exacte datering van het depot blijft onzeker.
Geen klokbekerboerderijen bij het depot
Tijdens hetzelfde onderzoek bij Hengelo werden ook vier huisplattegronden uit de midden-ijzertijd aangetroffen. Deze gebouwen zijn veel jonger dan het vermoedelijke laat-neolithische gereedschapsdepot. Zij mogen daarom niet als woonplaatsen van de klokbekermensen worden beschreven. De vindplaats laat zien hoe verschillende prehistorische perioden op één terrein vertegenwoordigd kunnen zijn. Een betrouwbare reconstructie vereist dat oudere en jongere sporen zorgvuldig uit elkaar worden gehouden.
Hengelo en Lunteren vergeleken
De steenschat van Hengelo kan worden vergeleken met de mogelijke smidsuitrusting uit Lunteren. Beide vondstcomplexen bevatten stenen werktuigen die met metaalbewerking in verband zijn gebracht. Het verschil is dat bij Hengelo daadwerkelijk sporen van koper en goud op bepaalde stenen werden vastgesteld. Voor Lunteren leverde onderzoek geen even overtuigende chemische bevestiging op. Beide vondsten zijn belangrijk, maar hun bewijskracht verschilt. De interpretatie moet daarom steeds gebaseerd blijven op wat daadwerkelijk is aangetroffen.
Soesterberg als vergelijkingsgebied
Ook bij Soesterberg is een bijzondere klokbekercontext bekend met stenen werktuigen die mogelijk voor metaalbewerking zijn gebruikt. Daarnaast worden een polsbeschermer en andere grafgiften genoemd. De vergelijking met Lunteren en Hengelo laat zien dat mogelijke smidsgereedschappen op verschillende Nederlandse vindplaatsen voorkomen. Toch bewijst de overeenkomstige vorm niet automatisch dezelfde functie. De aangetoonde gebruikssporen en metaalresten blijven doorslaggevend voor de interpretatie.
Bezit is niet hetzelfde als productie
Een koperen dolk in een graf bewijst dat het voorwerp beschikbaar was, maar niet waar het werd gemaakt. Gereedschap met aangetoonde metaalsporen kan daarentegen aanwijzingen geven voor daadwerkelijke bewerking. Dit onderscheid is belangrijk voor de geschiedenis van Gelderland. Gemeenschappen konden afgewerkte voorwerpen ontvangen, terwijl elders grondstoffen of halffabricaten werden verwerkt. De vondsten uit Hengelo maken plaatselijke metaalbewerking aannemelijk. Toch is onbekend hoe de productie was georganiseerd en hoeveel mensen deze vaardigheden beheersten.
Goud in het laat-neolithicum
De gouden sieraden van Bennekom-Oostereng en de metaalsporen uit Hengelo vormen belangrijke aanwijzingen voor het gebruik van goud in Gelderland. Het materiaal kon worden vervormd en tot kleine sieraden worden verwerkt. De oorspronkelijke herkomst van het goud is niet vastgesteld. Ook kan niet worden bewezen dat alle Gelderse gouden voorwerpen plaatselijk werden gemaakt. De vondsten tonen vooral toegang tot een bijzondere grondstof en mogelijk kennis van de bewerking ervan.
Barnsteen in de Gelderse graven
Barnsteen komt voor in verschillende Gelderse klokbekercontexten, waaronder Vaassen, Nieuw-Milligen en Wageningen. Het materiaal werd verwerkt tot kralen, hangers en knopen. De aanwezigheid ervan wijst op grotere contacten met gebieden waar barnsteen beschikbaar was. De precieze herkomst is niet voor ieder voorwerp vastgesteld. Daarom is het niet mogelijk één noordelijke handelsroute als bewezen te beschrijven. Wel toont de verspreiding dat bijzondere materialen over grotere afstanden konden circuleren.
De V-doorboorde knoop van Vaassen
Uit Vaassen Tumulus II is een barnstenen knoop bekend met een V-vormige doorboring. De bevestigingskanalen lopen schuin door het materiaal en komen aan de achterzijde samen. Vergelijkbare voorwerpen komen binnen de grotere Europese klokbekerwereld voor. De vorm maakt het mogelijk verschillende streken met elkaar te vergelijken. Toch blijft de oorspronkelijke functie van het Gelderse exemplaar onbekend. Het kan onderdeel zijn geweest van kleding of persoonlijke versiering, maar de exacte draagwijze is niet bewezen.
Vuursteen uit verre gebieden
Bijzondere vuursteen circuleerde al vóór de klassieke klokbekerperiode over grote afstanden. De dolk van Epe 123, verbonden met het Franse gebied Le Grand-Pressigny, vormt daarvan een belangrijk voorbeeld. Ook andere vuurstenen werktuigen vertonen vormen die met vondsten buiten Gelderland worden vergeleken. De herkomst van een grondstof kan aanwijzingen geven over contacten, maar niet noodzakelijk over de route. Materialen konden door verschillende gemeenschappen worden doorgegeven voordat zij hun uiteindelijke vindplaats bereikten.
Handel zonder moderne markten
Wanneer over prehistorische handel wordt gesproken, moet niet worden gedacht aan een systeem van winkels, geldprijzen of vaste markten. Voor het laat-neolithicum ontbreken geschreven afspraken over de uitwisseling van voorwerpen. Grondstoffen, gereedschap en sieraden konden op verschillende manieren tussen gemeenschappen circuleren. Rechtstreekse ruil is mogelijk, maar ook geschenken of herhaalde overdracht. De archeologische vondsten tonen vooral dat materialen beschikbaar kwamen buiten hun oorspronkelijke gebied. Hoe iedere afzonderlijke uitwisseling verliep, blijft onbekend.
De handel in kennis
Niet alleen voorwerpen konden worden doorgegeven. Ook vormen, versieringsmotieven en technische kennis konden zich verspreiden. De overeenkomsten tussen Veluwse klokbekers en vondsten uit andere Europese gebieden laten zien dat gedeelde voorbeelden bestonden. Toch hoeft daarvoor niet iedere keer een complete pot te zijn verplaatst. Een pottenbakker kon een vorm overnemen en met plaatselijke klei vervaardigen. Hetzelfde geldt voor bepaalde technieken van metaalbewerking. De verspreiding van kennis is daarmee een belangrijk onderdeel van de prehistorische contacten.
De Moravische verwantschap van Harskamp
Een bijzondere beker uit Harskamp vertoont kenmerken die met Midden-Europese, onder andere Moravische, voorbeelden worden vergeleken. Onderzoek aan de klei wijst echter op mogelijke plaatselijke vervaardiging. Dat onderscheid is belangrijk. Een voorwerp kan een buitenlandse stijl volgen zonder zelf geïmporteerd te zijn. De vondst laat zien hoe ideeën over aardewerkvormen zich konden verspreiden. Zij bewijst geen directe reis tussen Harskamp en Moravië, maar vormt wel een aanwijzing voor bredere culturele verwantschappen.
Het Rijngebied en de oostelijke verbindingen
Oost-Gelderland lag tijdens de prehistorie niet achter een moderne landsgrens. De vondsten uit Beek, Stokkum, Wehl, Didam en Hengelo moeten daarom worden vergeleken met materiaal uit het aangrenzende Rijnland. De aanwezigheid van klokbekers en bijzondere grondstoffen maakt contacten aannemelijk. Toch blijven de exacte routes meestal onbekend. Ook veranderden rivierlopen gedurende de tijd. Het Rijngebied vormt daardoor vooral een belangrijk geografisch en archeologisch vergelijkingsgebied, niet een volledig bewezen netwerk van vaste handelswegen.
De Maas en de zuidelijke verbindingen
Het Maasgebied leverde klokbekervondsten bij Cuijk, Nistelrode, Schaijk en Macharen. De overeenkomst tussen de versiering van bekers uit Cuijk en Nijmegen vormt een belangrijk regionaal verband. De nabijheid van de Maas biedt een mogelijke achtergrond voor contacten, maar bewijst niet dat het aardewerk per boot werd vervoerd. Ook kunnen vergelijkbare bekers plaatselijk zijn gemaakt. De Maasstreek is daarom vooral belangrijk voor het vergelijken van materiële tradities aan weerszijden van de huidige provinciegrens.
De Veluwse dalen als mogelijke routes
De Veluwe heeft verschillende natuurlijke doorgangen tussen hogere en lagere terreindelen. Sommige grafheuvelgroepen liggen in de omgeving van zulke dalen. Dat heeft geleid tot hypotheses over oude wegen. Toch kan niet worden bewezen dat iedere huidige route al tijdens de klokbekerperiode bestond. Ook hoeft een grafheuvelrij niet langs een handelsweg te zijn aangelegd. De ligging van monumenten is belangrijk voor het landschappelijk onderzoek, maar de werkelijke routes blijven slechts gedeeltelijk reconstrueerbaar.
Geen vaste handelswegen bewezen
Het is verleidelijk om vindplaatsen met rechte lijnen te verbinden en die als prehistorische handelsroutes te presenteren. De archeologische gegevens rechtvaardigen dat meestal niet. Een koperen dolk uit Stroe en een vergelijkbaar voorwerp uit een ander gebied bewijzen geen rechtstreekse verbinding tussen beide plaatsen. Grondstoffen en voorwerpen konden via verschillende tussenpersonen reizen. Een betrouwbare reconstructie moet daarom onderscheid maken tussen gevonden materialen, mogelijke herkomstgebieden en daadwerkelijk aangetoonde verbindingen.
De internationale klokbekerwereld
Klokbekeraardewerk en verwante grafgiften komen over grote delen van Europa voor. De herkenbare overeenkomsten omvatten aardewerkvormen, polsbeschermers, vuurstenen pijlpunten en vroege metalen voorwerpen. Toch bestonden belangrijke regionale verschillen. De Veluwse en Noordoost-Nederlandse groepen vormen daarvan voorbeelden. De gedeelde voorwerpen betekenen niet dat alle gebruikers één volk vormden. De Europese klokbekerwereld bestond uit verschillende gemeenschappen waarin voorwerpen en ideeën konden circuleren.
Dezelfde stijl is niet dezelfde afkomst
Twee gemeenschappen kunnen vergelijkbaar aardewerk gebruiken zonder dezelfde biologische afkomst te hebben. Mensen konden bestaande vormen overnemen, terwijl anderen zich daadwerkelijk naar nieuwe gebieden verplaatsten. Daarom moet de verspreiding van klokbekers worden onderscheiden van de migratie van mensen. Het aardewerk vormt een bron voor culturele contacten. Menselijke resten kunnen onder gunstige omstandigheden aanvullende informatie over bevolkingsgeschiedenis leveren. Beide soorten bewijs beantwoorden verschillende vragen.
Het onderzoek naar oud DNA
Uit botten en tanden kan onder gunstige omstandigheden oud DNA worden gewonnen. Daarmee kunnen onderzoekers genetische overeenkomsten tussen prehistorische populaties onderzoeken. Niet iedere vindplaats levert echter bruikbaar materiaal. Op de zure Veluwse zandgronden zijn veel menselijke resten verdwenen. Daardoor is het moeilijk om de Gelderse klokbekergraven op dezelfde manier te onderzoeken als goed bewaarde skeletten uit andere gebieden. De internationale genetische resultaten vormen een belangrijke achtergrond, maar kunnen niet zonder meer op iedere Gelderse gemeenschap worden toegepast.
Oostwoud en het internationale DNA-onderzoek
Bij Oostwoud in West-Friesland werden menselijke resten uit prehistorische grafcontexten onderzocht. De vindplaats was al lang bekend en zorgvuldig gedocumenteerd. Daardoor konden skeletten worden gebruikt in internationaal genetisch onderzoek naar de klokbekerperiode. De resultaten bleken belangrijk voor vergelijkingen met oude menselijke resten uit Groot-Brittannië. Oostwoud ligt buiten Gelderland, maar vormt een belangrijk voorbeeld van wat DNA-onderzoek kan toevoegen aan de studie van een archeologische cultuur die lange tijd vooral aan de hand van aardewerk werd onderzocht.
De internationale studie uit 2018
In 2018 verscheen in Nature een omvangrijk onderzoek naar de genetische geschiedenis van de klokbekerperiode. Honderden prehistorische personen werden vergeleken, waaronder 226 personen die met de klokbekertraditie werden verbonden. De studie maakte duidelijk dat de verspreiding van klokbekeraardewerk niet overal met dezelfde bevolkingsverandering gepaard ging. Op sommige plaatsen was culturele overdracht belangrijk, terwijl in andere gebieden grootschalige migratie zichtbaar werd. Daarmee werd een eenvoudige verklaring van één klokbekervolk dat zich overal op dezelfde manier verspreidde onvoldoende.
Het genetische beeld van het vasteland
De vergelijking tussen klokbekergerelateerde personen van het Iberisch Schiereiland en Midden-Europa leverde beperkte genetische verwantschap op. Dat maakte duidelijk dat de verspreiding van de aardewerkstijl niet zonder meer door één bevolkingsbeweging vanuit het zuidwesten kan worden verklaard. Dit betekent niet dat op het Europese vasteland nergens migratie plaatsvond. Het onderzoek laat vooral zien dat de geschiedenis per regio verschilde. Aardewerkvormen en genetische afkomst verspreidden zich niet noodzakelijk volgens hetzelfde patroon.
De verandering in Groot-Brittannië
In Groot-Brittannië viel de verspreiding van de klokbekertraditie samen met een ingrijpende verandering in de genetische afkomst van de bevolking. Het onderzoek uit 2018 wees op grootschalige migratie vanaf het Europese vasteland. Binnen enkele eeuwen veranderde het genetische profiel sterk. De onderzoekers schatten dat op langere termijn een groot deel van de eerdere genetische afkomst werd vervangen. Dit is geen rechtstreeks bewijs voor één gewelddadige gebeurtenis of een enkele invasie. De bevinding toont vooral een belangrijke bevolkingsverandering gedurende de klokbekerperiode.
De overeenkomst tussen Oostwoud en Engeland
De onderzochte personen uit Oostwoud vertoonden opvallende genetische overeenkomsten met klokbekergerelateerde personen uit Groot-Brittannië. Daardoor werd de West-Friese vindplaats een belangrijk vergelijkingspunt. Toch kan niet worden vastgesteld dat de Britse migranten rechtstreeks uit Oostwoud of uit het huidige Nederland afkomstig waren. Vergelijkbare bevolkingen kunnen ook in Duitsland, België of Frankrijk hebben geleefd. De genetische overeenkomst laat vooral zien dat groepen op het Europese vasteland en de Britse eilanden in deze periode nauw verwante afkomst konden delen.
Geen bewijs voor uitsluitend Nederlandse migranten
Harry Fokkens benadrukte dat de resultaten uit Oostwoud voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd. De onderzochte West-Friese skeletten vormden slechts een deel van het beschikbare Europese vergelijkingsmateriaal. De genetische overeenkomsten bewijzen daarom niet dat alle migranten naar Groot-Brittannië uit Nederland kwamen. De bevindingen zijn belangrijk voor de bevolkingsgeschiedenis, maar geven geen volledige kaart van afzonderlijke vertrekplaatsen en routes. Voor Gelderland ontbreken bovendien bij veel graven bruikbare menselijke resten om vergelijkbaar onderzoek uit te voeren.
De klokbekercultuur was geen afzonderlijk volk
De term Klokbekercultuur beschrijft een archeologisch herkenbare verzameling van aardewerkvormen, grafgebruiken en andere voorwerpen. Zij is geen rechtstreekse benaming voor één biologisch uniforme bevolking. De genetische gegevens uit Europa laten zien dat migratie en culturele overdracht in verschillende regio's een uiteenlopende rol speelden. Voor Gelderland betekent dit dat de aanwezigheid van Veluwse klokbekers niet automatisch bewijst dat alle gebruikers dezelfde afkomst hadden. De geschiedenis moet daarom worden opgebouwd uit aardewerk, grafcontexten, menselijke resten en andere afzonderlijke bronnen.
De boerderijen achter de grafheuvels
De bekendste klokbekervondsten komen uit graven, maar de mensen hadden ook woonplaatsen nodig. Zij verbouwden voedsel, hielden dieren, maakten werktuigen en gebruikten hout, steen en klei. Van hun gebouwen bleef vaak weinig over. Houten palen en wanden verdwijnen meestal, terwijl vloeroppervlakken later kunnen zijn verstoord. Soms blijven alleen paalkuilen of andere verkleuringen in de bodem herkenbaar. Daardoor is de kennis van klokbekernederzettingen veel beperkter dan die van grafheuvels.
De mogelijke huizen van Geldermalsen
Bij Geldermalsen-De Bogen werden paalsporen onderzocht waaruit mogelijke gebouwplattegronden werden gereconstrueerd. De voorgestelde afmetingen bedroegen ongeveer zestien bij vier meter en vijftien bij drieënhalve meter. De datering van deze gebouwen in de klokbekerperiode is echter omstreden. Daarom mogen zij niet zonder voorbehoud als bewezen klokbekerboerderijen worden beschreven. Toch vormt Geldermalsen een belangrijke vindplaats. Zij laat zien hoe moeilijk het is houten gebouwen te herkennen en betrouwbaar aan een prehistorische periode toe te schrijven.
Het voedsel van de klokbekermensen
Landbouw en veeteelt vormden belangrijke onderdelen van de neolithische voedselvoorziening. Graan moest worden verbouwd, geoogst en verwerkt. Runderen, schapen, geiten en varkens werden gehouden. Daarnaast konden jacht, visvangst en het verzamelen van natuurlijke producten een rol blijven spelen. De precieze verhouding tussen deze activiteiten is voor afzonderlijke Gelderse vindplaatsen niet altijd bekend. De bodemomstandigheden bepalen welke dierlijke en plantaardige resten bewaard zijn gebleven. Daardoor is de voedselgeschiedenis ongelijk gedocumenteerd.
Het verkoolde graan van Tiel-Medel
Bij Tiel-Medel werd onder een grafheuvel een ouder bodemniveau uit de klokbekerperiode onderzocht. Daarin bevonden zich verkoolde graanresten. Onderzoekers herkenden emmertarwe, gerst en mogelijk eenkoorn. De vondst is bijzonder omdat zij concrete informatie geeft over voedselgewassen die in het Gelderse landschap van die tijd aanwezig waren. De oudere bodem werd later door de grafheuvel afgedekt en daardoor deels beschermd. Tiel-Medel vormt zo een belangrijke verbinding tussen het bekende landschap van grafmonumenten en de minder zichtbare wereld van landbouw en voedsel.
Emmertarwe en gerst
Emmertarwe en gerst behoorden tot de graansoorten die binnen de neolithische landbouw werden gebruikt. Hun aanwezigheid bij Tiel-Medel biedt een tastbaar aanknopingspunt voor de Gelderse klokbekerperiode. Toch vertellen de gevonden korrels niet hoe groot de akkers waren, hoeveel graan werd geoogst of welke gerechten werden bereid. Daarvoor ontbreken aanvullende gegevens. Wel maken zij duidelijk dat naast de bekende grafrituelen ook voedselgewassen onderdeel van de plaatselijke samenleving waren. Kleine verkoolde resten kunnen daarmee waardevolle informatie bieden over het dagelijkse bestaan.
Het gebruik van dieren
Runderen, schapen, geiten en varkens maakten deel uit van de landbouwsamenlevingen tijdens het neolithicum. Hun verzorging vereiste water, voedsel en dagelijkse arbeid. De natuurlijke mogelijkheden verschilden tussen de droge Veluwse zandgronden en het waterrijke rivierengebied. Op veel Gelderse zandvindplaatsen zijn dierlijke botten slecht bewaard. Daardoor is niet bekend hoeveel dieren afzonderlijke gemeenschappen bezaten. Toch vormt veeteelt een onmisbare achtergrond voor de klokbekerwereld. De archeologische graven vertellen immers weinig over de dagelijkse verzorging van dieren.
Keinsmerbrug en het oudere nederzettingsleven
Bij Keinsmerbrug in Noord-Holland werden sporen uit het laat-neolithicum onderzocht die globaal rond 2580–2450 voor Christus worden geplaatst. De vindplaats leverde aanwijzingen voor tijdelijke gebouwen, afzonderlijke activiteitenzones en voedselvoorziening. Ook kwamen resten van graan en aanwijzingen voor veehouderij, visvangst en vogeljacht voor. Keinsmerbrug vertegenwoordigt niet automatisch een klassieke klokbekernederzetting. De vindplaats is vooral belangrijk als vergelijking voor het soort dagelijkse activiteiten dat in graven nauwelijks zichtbaar wordt.
Molenaarsgraaf en het tamme varken
Bij Molenaarsgraaf in Zuid-Holland werden dierlijke resten aangetroffen die informatie geven over prehistorische voedselvoorziening. Daaronder bevindt zich een schedel van een tam varken. Ook andere dieren, waaronder runderen, komen in het onderzochte materiaal voor. De verschillende bewoningsfasen moeten zorgvuldig worden onderscheiden en mogen niet allemaal aan de klokbekerperiode worden toegeschreven. Toch laat Molenaarsgraaf zien welke informatie bewaard kan blijven in gebieden waar de conserveringsomstandigheden gunstiger zijn dan op de zure Veluwse zandgronden.
De verborgen woonplaatsen van Gelderland
Het aantal oorspronkelijke klokbekernederzettingen in Gelderland is niet bekend. Veel houten gebouwen zijn verdwenen en andere vindplaatsen liggen mogelijk onder jongere bodemlagen of moderne bebouwing. Ook zijn niet alle terreinen archeologisch onderzocht. Daardoor kan het aantal grafheuvels niet rechtstreeks worden vertaald naar het aantal boerderijen of bewoners. De vondsten bij Geldermalsen, Gorssel, Tiel en andere plaatsen vormen slechts onderdelen van een groter beeld. Het dagelijks leven blijft minder volledig bekend dan de begrafenisrituelen.
Gorssel en de activiteiten buiten het graf
Bij Gorssel kwamen scherven van bekeraardewerk en vuurstenen werktuigen tevoorschijn. De vondsten kunnen wijzen op menselijke activiteiten buiten een directe grafcontext. Toch vormt een concentratie scherven niet automatisch bewijs voor een permanent woonerf. Het materiaal maakt wel duidelijk dat aardewerk en vuursteen een plaats hadden binnen het gewone bestaan. Zulke vondsten zijn belangrijk omdat de geschiedenis van de klokbekercultuur anders te sterk op complete grafbekers en bijzondere grafgiften zou steunen.
De riviergebieden en het voedsel
Het rivierengebied bood andere mogelijkheden voor voedselvoorziening dan de hogere Veluwse zandgronden. Rivieroevers, vochtige gebieden en droge verhogingen vormden verschillende terreindelen. In Nederlandse neolithische contexten zijn naast landbouw en veeteelt ook aanwijzingen voor visvangst en het gebruik van wilde dieren bekend. Voor afzonderlijke Gelderse klokbekernederzettingen blijft de precieze verhouding tussen deze activiteiten echter vaak onbekend. De natuurlijke verschillen maken het noodzakelijk de voedselgeschiedenis per streek te onderzoeken.
De oude nederzettingslagen van Macharen
Bij Macharen in Noord-Brabant werden onder moderne bebouwing resten uit het laat-neolithicum aangetroffen. De vondsten bestonden uit klokbekeraardewerk, vuurstenen werktuigen en mogelijke paalsporen. De oude bodem lag ongeveer 1,70 meter onder het huidige maaiveld. Het terrein vormt belangrijk vergelijkingsmateriaal voor Gelderland omdat een activiteitenplaats hier gedeeltelijk bewaard bleef. Toch kon geen volledige huisplattegrond worden vastgesteld. De vindplaats toont vooral hoe moeilijk het is het dagelijkse leven buiten de graven archeologisch te reconstrueren.
De proefboringen bij Macharen
In 2006 werden bij Macharen zes proefboringen gezet tot maximaal twee meter diepte. Slechts één boring leverde duidelijke archeologische indicatoren op. De bovenste bodemlagen bevatten moderne materialen. Daardoor leek het terrein aanvankelijk sterk verstoord. Toch bleek onder de jongere lagen een oud gebruiksniveau aanwezig. Uiteindelijk konden slechts twee van drie geplande proefsleuven worden aangelegd. De beperkte onderzoeksruimte leverde desondanks waardevolle laat-neolithische vondsten op.
De mogelijke paalsporen van Macharen
In een proefsleuf bij Macharen werden zesenzestig mogelijke grondsporen geregistreerd. Zes werden gedeeltelijk onderzocht. Sommige verkleuringen konden natuurlijke oorzaken hebben, andere mogelijk menselijke. De bewaarde diepte bedroeg maximaal ongeveer veertien centimeter. Een mogelijke paalrij werd herkend, maar een volledig gebouw kon niet worden gereconstrueerd. Het hoge grondwater beperkte het onderzoek bovendien. De vindplaats vormt daarmee een aanwijzing voor activiteiten, geen onbetwist bewijs voor een complete klokbekerboerderij.
De vijfenzestig scherven van Macharen
Het onderzoek bij Macharen leverde vijfenzestig neolithische aardewerkscherven op. Een belangrijk deel kwam uit grondsporen of uit lagen direct daarboven. Het materiaal werd op basis van technische en decoratieve kenmerken met de klokbekerperiode verbonden. Sommige scherven bevatten grof zand en kwartssteengruis als verschraling. Ook werden lijnen en spatelindrukken herkend. Complete potvormen konden niet worden gereconstrueerd. Toch maakt de vondst duidelijk dat ook gebroken gebruiksaardewerk een belangrijke bron voor de klokbekerperiode vormt.
De vuurstenen werktuigen van Macharen
Naast aardewerk werden vier vuurstenen voorwerpen bij Macharen aangetroffen. Eén fragment was verbrand en een ander werd als schrabberachtig werktuig geïnterpreteerd. De precieze werkzaamheden blijven onbekend. De combinatie met aardewerk en mogelijke grondsporen maakt de vindplaats echter belangrijk voor onderzoek naar dagelijks gebruik van het landschap. Macharen laat zien dat de wereld van de klokbekermensen niet uitsluitend uit zorgvuldig ingerichte graven bestond.
De oudere vondsten van de Maasstreek
Het gebied rond Oss en Macharen leverde ook oudere neolithische vondsten op. Bij Megen werd een Breitkeil gevonden en bij de Vreestraat een bladspits die met de Michelsbergcultuur wordt verbonden. Herpen-Hertogswetering leverde aardewerk van de Vlaardingengroep op. Deze vondsten horen niet allemaal bij de klokbekercultuur. Zij vormen de oudere achtergrond van het Maaslandschap. De ontwikkeling van de klokbekerperiode moet daarom worden gezien binnen een veel langere geschiedenis van menselijke activiteiten.
Nistelrode-Menzelsch Veld
Bij Nistelrode werd een rechthoekige grafkuil onderzocht die waarschijnlijk tot de klokbekercultuur behoort. De kuil mat ongeveer 1,80 bij 0,90 meter en was noordoost-zuidwest georiënteerd. De bodem was nog ongeveer twintig centimeter diep bewaard. In de kuil stond een complete klokbeker. Menselijke resten werden niet herkend. Ook duidelijke resten van een grafheuvel ontbraken. De mogelijkheid van een vlakgraf werd daarom besproken, hoewel een oorspronkelijk verdwenen heuvel niet kon worden uitgesloten.
De kleine beker van Nistelrode
De klokbeker uit Nistelrode is ongeveer elf centimeter hoog. De maximale diameter bedraagt ongeveer 10,6 centimeter, de hals 9,5 centimeter en de bodem zes centimeter. De buitenzijde is bruin tot beige en de kern donker. De buik draagt zes rijen verticale spatelindrukken. Hoger komen horizontale lijnen en andere patronen voor. De vorm werd met verschillende Nederlandse klokbekers vergeleken. Het aardewerk vormt de belangrijkste aanwijzing voor de chronologische plaatsing van de grafkuil.
De tweede mogelijke kuil
Bij Nistelrode werd op korte afstand een tweede rechthoekige kuil gevonden. Deze mat ongeveer 1,60 bij 0,90 meter en had eveneens een vlakke bodem. De vulling leek op die van het graf met de klokbeker. Grafgiften en menselijke resten ontbraken echter. Daardoor kon niet worden bewezen dat het om een tweede graf ging. Ook nabijgelegen paalsporen konden niet met zekerheid aan de begrafenis worden gekoppeld. De vondst toont de grenzen van archeologische interpretatie wanneer direct bewijs ontbreekt.
Schaijk en de vierperiodenheuvel
Bij Schaijk werd een grafheuvel onderzocht die gedurende verschillende perioden was gebruikt. F.C. Bursch verrichtte in 1935 onderzoek in de omgeving en Albert Egges van Giffen onderzocht in 1937 een monument uitgebreider. De oudste fase bevatte een klokbekerbegraving. Later werd de heuvel veranderd en opnieuw gebruikt. Daardoor ontstond een meerperiodenheuvel. De vondst vormt belangrijk vergelijkingsmateriaal voor de Veluwse grafheuvels, waar eveneens verschillende bouwfasen voorkomen.
De overledene van Schaijk
In het primaire graf van Schaijk werd een lijksilhouet aangetroffen. Het lichaam lag in een vergane rechthoekige kist met opgetrokken benen. Het hoofd was naar het noordoosten gericht en het gezicht naar het zuidoosten. Vóór het hoofd lagen een klokbekerschaal en twee vuurstenen pijlpunten. De vondst toont dat de plaats van grafgiften kon verschillen. Niet iedere klokbekerbegrafenis volgde dezelfde inrichting. De oorspronkelijke ligging van de voorwerpen vormt daarom belangrijke informatie over het begrafenisritueel.
De kringgreppels van Schaijk
Rond de grafheuvel van Schaijk werden verschillende kringgreppels herkend. Zij behoorden tot opeenvolgende bouwfasen en sommige hadden onderbrekingen. De oorspronkelijke functie is niet volledig duidelijk. Mogelijk markeerden zij verschillende fasen of maakten zij deel uit van een grotere constructie. De vondst laat zien dat een grafheuvel niet noodzakelijk in één keer zijn uiteindelijke vorm kreeg. Zij vormt daarmee een belangrijke vergelijking voor Gelderse monumenten die eveneens langdurig werden gebruikt.
Cuijk en het mogelijke kindergraf
Bij Cuijk werd in 1967 een graf met een kleine klokbeker gevonden. De kuil mat ongeveer anderhalve meter bij één meter. Vanwege de afmetingen werd gedacht aan een kinderbegraving. Menselijke resten waren echter niet voldoende bewaard om de leeftijd van de overledene te bevestigen. Daarom blijft deze interpretatie onzeker. De vondst is belangrijk voor het onderzoek naar verschillen in grafvormen, maar bewijst niet dat kleine grafkuilen altijd voor kinderen werden aangelegd.
De overeenkomsten tussen Cuijk en Nijmegen
Een klokbeker uit Cuijk vertoont opvallende overeenkomsten met het exemplaar van Nijmegen-Koekoekstraat. Toch bestaan verschillen in de versiering. De Cuijkse beker heeft staande driehoeken, terwijl de Nijmeegse hangende driehoeken draagt. De vindplaatsen liggen ongeveer tien kilometer van elkaar. De vergelijking maakt duidelijk dat verwante aardewerkvormen binnen het Maas- en Waalgebied voorkwamen. Zij bewijst echter niet dat beide bekers door dezelfde pottenbakker zijn gemaakt.
Nijmegen vóór de Romeinen
Op de Hunerberg en andere plaatsen in Nijmegen werden prehistorische graven en aardewerk aangetroffen die duizenden jaren ouder zijn dan de Romeinse aanwezigheid. De hogere gronden boven het rivierengebied werden tijdens verschillende perioden gebruikt. Niet alle monumenten behoren tot de klokbekerperiode. Sommige zijn jonger en stammen uit de bronstijd. Toch maken de vondsten duidelijk dat Nijmegen een langere geschiedenis heeft dan uitsluitend de Romeinse tijd. De klokbekervondsten vormen daarin een belangrijke fase.
De grafheuvels op de Hunerberg
Op de Hunerberg werden tijdens archeologisch onderzoek negen prehistorische graven en grafmonumenten uit verschillende perioden genoemd. Sommige behoren tot het laat-neolithicum en andere tot de bronstijd. De vondsten leveren gegevens over individuele begravingen en aardewerkvormen. De oorspronkelijke bodemlagen moeten zorgvuldig worden onderzocht om verschillende perioden te onderscheiden. De Hunerberg vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de Gelderse klokbekergeschiedenis, maar niet ieder graf kan automatisch tot deze traditie worden gerekend.
Tumulus V en de klokbeker
Uit het centrale graf van Tumulus V op de Hunerberg is een klokbeker bekend die als type 2Ic werd geclassificeerd. De vondst wordt gebruikt voor vergelijkingen met aardewerk van de Veluwe en uit Wijchen. De versiering en vorm maken het voorwerp belangrijk voor de chronologie. Toch hangt de precieze plaatsing binnen de typologie af van de gebruikte indeling. Het graf toont vooral dat de Nijmeegse stuwwal deel uitmaakte van dezelfde grotere bekerwereld als andere Gelderse streken.
Kuil 99 en de halspotbeker
In kuil 99 op de Hunerberg werden fragmenten van een Veluwse klokbeker samen met resten van een halspotbeker aangetroffen. De combinatie is belangrijk omdat niet al het laat-neolithische aardewerk de bekende klokvorm had. Ook grotere en anders gevormde vaten kwamen voor. De oorspronkelijke betekenis van de depositie blijft onbekend. Wel vormt de vondst een aanknopingspunt voor onderzoek naar de verhouding tussen verschillende aardewerktradities.
Het graf aan de Koekoekstraat
In 2010 werd tijdens archeologisch onderzoek aan de Koekoekstraat in Nijmegen-West een klokbekergraf ontdekt. Het terrein bevatte ook jongere archeologische sporen. De vondst van een versierde beker maakte duidelijk dat de grafkuil tot het laat-neolithicum behoorde. Erik Drenth en Carmen Harmsen publiceerden het onderzoek in 2013. De vondst is belangrijk omdat de oorspronkelijke grafkuil zorgvuldig werd onderzocht. Daardoor bleef informatie over de vorm, diepte en positie van het aardewerk beschikbaar.
De zeven onderzoeksvlakken
De grafkuil van de Koekoekstraat werd in zeven onderzoeksvlakken bestudeerd. Het hoogste vlak lag ongeveer 9,55 meter boven NAP. De klokbeker kwam ongeveer twintig centimeter lager tevoorschijn, rond 9,35 meter boven NAP. Het laagste punt van de kuil lag ongeveer 9,21 meter boven NAP. De beker werd als samenhangend bodemblok gelicht en later in het restauratieatelier onderzocht. Deze werkwijze maakte een nauwkeurige documentatie mogelijk.
De afmetingen van de grafkuil
Op het hoogste gedocumenteerde niveau mat de Nijmeegse grafkuil ongeveer 1,8 bij 1,4 meter. De lengteas liep noordoost-zuidwest. Op diepere niveaus werd het spoor kleiner en kreeg het een afgerond rechthoekige vorm. Onderaan resteerde ongeveer 0,95 bij 0,60 meter. De oorspronkelijke diepte werd geschat op ongeveer vijfenzestig tot vijfennegentig centimeter. De verschillende afmetingen horen bij afzonderlijke vlakken van dezelfde kuil en mogen niet rechtstreeks als lichaamsafmetingen worden gebruikt.
Een mogelijke houten bekisting
Langs de oostelijke en zuidelijke zijde van het Nijmeegse graf werden donkere verkleuringen gevonden die mogelijk op houten onderdelen wijzen. Ook kwamen vijf kleine verkleuringen langs de rand voor, met een diameter van ongeveer zeven tot negen centimeter. Zij konden paalsporen zijn, maar hun functie bleef onbekend. Hout was niet bewaard. De klokbeker lag ongeveer tien centimeter boven de bodem. Misschien stond hij oorspronkelijk op een houten onderdeel, maar deze reconstructie is niet bewezen.
De verdwenen overledene van Nijmegen
In het graf van de Koekoekstraat werden geen menselijke botten aangetroffen. Ook een aanvankelijk vermoed lijksilhouet kon niet worden bevestigd. De bodemomstandigheden kunnen het verdwijnen van de resten verklaren. Een onverbrande lichaamsbegraving wordt waarschijnlijk geacht, maar de oorspronkelijke houding is onbekend. Leeftijd, biologisch geslacht en verwantschap konden niet worden vastgesteld. De vondst toont hoe een zorgvuldig aangelegd graf archeologisch zichtbaar kan blijven terwijl de persoon voor wie het werd gemaakt vrijwel volledig verdwenen is.
Het aardewerk van de Koekoekstraat
De Nijmeegse klokbeker heeft een enigszins bolle hals en een holle bodem zonder afzonderlijke standvoet. De wand is ongeveer zes tot acht millimeter dik. In de klei werden chamotte en grind als verschraling herkend. De buitenzijde heeft geelbruine en oranje zones, terwijl de kern donkergrijs is. Deze kenmerken geven informatie over de vervaardiging en het bakproces. Zij bewijzen echter niet waar de pottenbakker werkte of uit welke precieze streek de klei afkomstig was.
De vier ribben rond de hals
Rond de hals van de Nijmeegse klokbeker bevinden zich vier horizontale ribben. Daarnaast komen lijnen, zigzagmotieven, verticale indrukken en hangende driehoeken voor. De versiering werd met verschillende getande spatels aangebracht. Door de onderlinge oversnijdingen konden onderzoekers de volgorde van het versieren gedeeltelijk reconstrueren. De vondst laat zien hoe kleine details op aardewerk informatie kunnen geven over de technieken die prehistorische pottenbakkers gebruikten.
De hangende driehoeken
De hangende driehoeken van de Koekoekstraatbeker werden vergeleken met versieringen op andere Veluwse klokbekers. Sommige exemplaren hebben staande driehoeken, waaronder een beker uit Cuijk. Het verschil is belangrijk voor de typologie. De oorspronkelijke betekenis van de patronen blijft onbekend. Ook kan niet worden aangenomen dat alle bekers met hetzelfde motief in één werkplaats zijn gemaakt. De vergelijking toont vooral gedeelde decoratieve tradities binnen een groter gebied.
De hoogte en breedte als dateringsmiddel
Drenth en Harmsen onderzochten de hoogte-breedteverhoudingen van eenenvijftig eerder gepubliceerde Veluwse klokbekers. Zij wilden nagaan of de bestaande subtypen duidelijk van elkaar konden worden onderscheiden. Vooral de typen 2Ie en 2If bleken in elkaar over te lopen. De Nijmeegse beker had een verhouding van ongeveer 1,06. Daarmee lag het voorwerp rond een overgangsgebied. De vondst maakt duidelijk dat een archeologische classificatie niet altijd één scherp afgebakende periode vertegenwoordigt.
Wijchen-Bijsterhuizen en het rivierduin
Bij Wijchen-Bijsterhuizen werden in 2008 drie overtuigende klokbekergraven ontdekt. Mogelijk behoorde een vierde kuil eveneens tot het complex. De graven lagen op de flank van een rivierduin en vormden ongeveer een noordnoordwest-zuidoostelijke rij. Twee graven werden als vermoedelijke lichaamsbegravingen geïnterpreteerd. Het derde bevatte gecremeerde menselijke resten. De vindplaats is bijzonder omdat verschillende begrafeniswijzen binnen één klein grafveld voorkwamen. Of alle overledenen familieleden waren, is onbekend.
Het eerste graf van Wijchen
Graf 1 had een langwerpige kuil en werd als vermoedelijke lichaamsbegraving geïnterpreteerd. De klokbeker lag in het noordwestelijke gedeelte. Menselijke resten waren niet herkenbaar bewaard. Daardoor kon de lichaamshouding niet worden vastgesteld. De vorm van de kuil en de plaats van het aardewerk geven aanwijzingen voor de begrafenis, maar vertellen weinig over de persoon. De vondst is belangrijk doordat de oorspronkelijke ligging van het aardewerk zorgvuldig werd gedocumenteerd.
Het tweede graf van Wijchen
Graf 2 bevatte een Veluwse klokbeker van ongeveer 12,7 centimeter hoog, die als type 2If wordt beschreven. De versiering vertoont opvallende kenmerken die met een beker uit Bennekom-Buurtheide werden vergeleken. Deze overeenkomst maakt de verbinding tussen de Veluwe en het rivierengebied zichtbaar. Menselijke resten waren onvoldoende bewaard om de overledene te reconstrueren. De vondst toont vooral dat verschillende bekervormen binnen hetzelfde grafveld voorkwamen.
Het crematiegraf van Wijchen
Graf 3 bevatte gecremeerde menselijke resten, een versierde klokbeker en een klein vuurstenen mes. De beker was ongeveer 17,4 centimeter hoog. De botten lagen vooral in het noordoostelijke gedeelte van de kuil. Er was relatief weinig houtskool aanwezig. Mogelijk waren de resten na de crematie zorgvuldig verzameld. De vondst vormt een belangrijk voorbeeld van crematie binnen de Gelderse klokbekerwereld en toont dat niet iedere overledene op dezelfde manier werd begraven.
De 886 gram menselijke resten
Het crematiegraf bevatte ongeveer 886 gram menselijke botfragmenten. Fysisch-antropologisch onderzoek wees op een volwassen persoon van ongeveer twintig tot veertig jaar. Het biologische geslacht kon niet betrouwbaar worden vastgesteld. De hoeveelheid bot laat zien dat een aanzienlijk deel van de verbrande resten werd verzameld. Toch weten we niet of alle resten van de brandstapel werden meegenomen. Mogelijk waren zij in organisch materiaal verpakt, maar dat is niet bewaard.
Het vuurstenen mes van Wijchen
Bij het crematiegraf lag een klein geretoucheerd vuurstenen mes van ongeveer 4,2 centimeter. Het voorwerp lag horizontaal, ongeveer acht centimeter boven de bodem van de grafkuil. De punt wees ongeveer naar het zuidoosten. De positie werd nauwkeurig vastgelegd. Daardoor kunnen onderzoekers proberen de volgorde van de begrafenishandelingen te reconstrueren. De betekenis van het mes blijft echter onbekend. Het kan een gebruiksvoorwerp of een bewust geselecteerde grafgift zijn geweest.
De radiokoolstofdatering van Wijchen
Een dijbeenfragment uit het crematiegraf werd met de radiokoolstofmethode gedateerd. De meting leverde 3840 ± 35 BP op. De besproken gekalibreerde intervallen liggen rond 2457–2415 en 2408–2200 voor Christus. Een dergelijke datering geeft geen exact kalenderjaar, maar een waarschijnlijkheidsverdeling. De combinatie van menselijke resten en karakteristiek aardewerk maakt de vondst bijzonder belangrijk voor de chronologie van de Nederlandse klokbekerperiode.
Het mogelijke vierde graf
Naast de drie overtuigende graven werd bij Wijchen-Bijsterhuizen nog een kuil onderzocht die mogelijk eveneens een graf was. De aanwijzingen waren echter minder duidelijk. Daarom mag het complex niet zonder voorbehoud als een grafveld met vier bewezen klokbekergraven worden beschreven. De mogelijke vierde kuil blijft wel relevant voor de reconstructie van de oorspronkelijke begraafplaats. De onderlinge verhouding tussen alle sporen moet zorgvuldig worden beoordeeld.
De verbinding tussen Wijchen en de Veluwe
De klokbekers van Wijchen vertonen overeenkomsten met aardewerk uit Garderen, Uddel, Ermelo, Vaassen, Bennekom en Wageningen. Horizontale lijnen, zigzags en geometrische versieringsvelden komen in verschillende combinaties terug. De overeenkomst wijst op gedeelde aardewerktradities tussen de Veluwe en het rivierengebied. Zij bewijst echter niet dat de bekers uit één werkplaats kwamen. De verspreiding van stijlen vormt een aanwijzing voor culturele contacten, maar niet voor één vaststaande handelsroute.
De Maasstreek als vergelijking
Ten zuiden van Nijmegen ligt het Maasgebied, waar eveneens klokbekergraven en laat-neolithische activiteitenplaatsen werden gevonden. Vindplaatsen bij Macharen, Nistelrode, Schaijk, Haps en Cuijk leveren belangrijke vergelijkingen. Het landschap bestond uit oude rivierlopen, zandige verhogingen en vochtige laagten. Sommige vondsten bestaan uit complete grafbekers, andere vooral uit scherven en vuurstenen werktuigen. De Brabantse vindplaatsen moeten duidelijk van de Gelderse ontdekkingen worden onderscheiden, maar vormen waardevol materiaal voor het onderzoek naar regionale contacten.
Macharen onder het moderne dorp
Bij Macharen werden onder moderne bebouwing laat-neolithische resten aangetroffen. Het onderzoek leverde klokbekeraardewerk, vuurstenen werktuigen en mogelijke paalsporen op. De oude bodem lag ongeveer 1,70 meter onder het maaiveld. De oorspronkelijke omvang van de activiteitenplaats kon niet worden vastgesteld. De vondst is belangrijk omdat veel bekende klokbekervondsten uit graven afkomstig zijn. Macharen biedt juist aanwijzingen voor werkzaamheden buiten een begraafplaats.
De boringen van Macharen
In 2006 werden bij Macharen zes proefboringen gezet tot maximaal twee meter diepte. Slechts één boring leverde duidelijke archeologische indicatoren op. De bovenste bodemlagen bevatten moderne materialen en puin. Toch bleek dieper een oud gebruiksniveau aanwezig. Uiteindelijk konden slechts twee van de drie geplande proefsleuven worden aangelegd. De vondst laat zien dat kleine prehistorische activiteitenplaatsen onder moderne bebouwing verborgen kunnen liggen en moeilijk met boringen zijn op te sporen.
De zesenzestig mogelijke grondsporen
In een proefsleuf van Macharen werden zesenzestig mogelijke grondsporen geregistreerd. Zes daarvan werden gedeeltelijk onderzocht. De bewaarde diepte bedroeg maximaal ongeveer veertien centimeter. Sommige verkleuringen konden natuurlijke oorzaken hebben, terwijl andere mogelijk paalsporen waren. Een volledige huisplattegrond kon niet worden vastgesteld. De vindplaats vormt daarom geen onbetwist bewijs voor een complete klokbekerboerderij, maar wel een belangrijke aanwijzing voor menselijke activiteiten.
De vijfenzestig scherven
Het onderzoek bij Macharen leverde vijfenzestig neolithische aardewerkscherven op. Een belangrijk deel kwam uit grondsporen of de bodemlagen direct daarboven. De scherven werden op grond van hun technische en decoratieve kenmerken met de klokbekerperiode verbonden. Sommige bevatten grof zand en kwartssteengruis als verschraling. De complete potvormen konden niet worden gereconstrueerd. Toch maakte het materiaal vergelijkingen met andere Nederlandse klokbekervondsten mogelijk.
De vuurstenen werktuigen
Naast aardewerk werden vier vuurstenen voorwerpen bij Macharen gevonden. Eén fragment was verbrand en een ander werd als schrabberachtig werktuig geïnterpreteerd. De oorspronkelijke functies zijn niet volledig bekend. De combinatie van vuursteen, aardewerk en mogelijke paalsporen maakt de vindplaats belangrijk voor onderzoek naar het dagelijkse bestaan. Zij toont dat ook buiten de bekende grafheuvels resten van werkzaamheden bewaard konden blijven.
Nistelrode en het vlakgraf
Bij Nistelrode-Menzelsch Veld werd een rechthoekige grafkuil onderzocht die waarschijnlijk tot de klokbekercultuur behoort. De kuil mat ongeveer 1,80 bij 0,90 meter en was noordoost-zuidwest georiënteerd. De bodem was nog ongeveer twintig centimeter diep bewaard. In de kuil stond een complete klokbeker. Menselijke resten werden niet gevonden. Ook duidelijke resten van een grafheuvel ontbraken. De mogelijkheid van een vlakgraf werd daarom besproken.
De kleine beker van Nistelrode
De klokbeker uit Nistelrode is ongeveer elf centimeter hoog. De maximale diameter bedraagt 10,6 centimeter, de hals ongeveer 9,5 centimeter en de bodem zes centimeter. De buitenzijde is bruin tot beige en de kern donker. Op de buik bevinden zich zes rijen verticale spatelindrukken. De versiering en vorm maakten vergelijkingen met andere Nederlandse klokbekers mogelijk. Het aardewerk vormt de belangrijkste aanwijzing voor de datering van de grafkuil.
Een tweede mogelijke begraving
Bij Nistelrode werd op korte afstand een tweede rechthoekige kuil gevonden. Deze mat ongeveer 1,60 bij 0,90 meter en had een vlakke bodem. De vulling leek op die van het klokbekergraf. Menselijke resten en grafgiften ontbraken echter. Daardoor kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat het om een tweede graf ging. Ook nabijgelegen paalsporen konden niet overtuigend met de begraving worden verbonden. De vindplaats toont de grenzen van archeologische reconstructies.
Schaijk en de vierperiodenheuvel
Bij Schaijk werd een grafheuvel onderzocht die gedurende verschillende perioden was gebruikt. F.C. Bursch verrichtte in 1935 onderzoek in de omgeving, waarna Albert Egges van Giffen in 1937 een monument uitgebreider onderzocht. De oudste fase bevatte een klokbekerbegraving. Later werd de heuvel veranderd en opnieuw gebruikt. Daardoor ontstond een meerperiodenheuvel. De vondst vormt belangrijk vergelijkingsmateriaal voor de Veluwse grafheuvels met verschillende bouwfasen.
De overledene van Schaijk
In het primaire graf van Schaijk werd een lijksilhouet aangetroffen. De overledene lag in een vergane rechthoekige kist met opgetrokken benen. Het hoofd was naar het noordoosten gericht en het gezicht naar het zuidoosten. Voor het hoofd lagen een klokbekerschaal en twee kleine vuurstenen pijlpunten. De vondst maakt duidelijk dat grafgiften op verschillende plaatsen rond een lichaam konden worden neergelegd. Niet iedere klokbekerbegrafenis kende dezelfde inrichting.
De kringgreppels van Schaijk
Rond de grafheuvel van Schaijk werden verschillende kringgreppels herkend. Zij behoorden tot opeenvolgende bouwfasen en sommige hadden onderbrekingen. De oorspronkelijke functie bleef onzeker. Mogelijk markeerden de greppels de grenzen van verschillende fasen of maakten zij deel uit van grotere constructies. De vondst toont dat grafheuvels tijdens de prehistorie konden worden veranderd en uitgebreid. Daarmee vormt Schaijk een belangrijke vergelijking voor Gelderse meerperiodenheuvels.
Cuijk en het mogelijke kindergraf
Bij Cuijk werd in 1967 een klokbekergraf ontdekt met een kleine beker. De kuil mat ongeveer anderhalve meter bij één meter. Vanwege de afmetingen werd gedacht aan een kindergraf, maar menselijke resten boden onvoldoende zekerheid voor deze verklaring. De vondst toont dat de leeftijd van een overledene niet uitsluitend uit de grootte van de grafkuil of het aardewerk kan worden afgeleid. De oorspronkelijke context blijft bepalend.
Cuijk en Nijmegen delen een traditie
Een klokbeker uit Cuijk heeft opvallende overeenkomsten met het exemplaar uit Nijmegen-Koekoekstraat. Toch verschillen de versieringen. Bij Cuijk komen staande driehoeken voor, terwijl de Nijmeegse beker hangende driehoeken draagt. De vindplaatsen liggen ongeveer tien kilometer van elkaar. De vergelijking toont gedeelde decoratieve tradities in het Maas- en Waalgebied, maar bewijst niet dat beide bekers in dezelfde werkplaats werden vervaardigd.
De vroege metalen voorwerpen
Tijdens de klokbekerperiode verschenen koperen dolken en priemen naast traditionele vuurstenen werktuigen. Koper vereiste een andere manier van bewerken dan steen. Het kon worden gehamerd en gevormd, terwijl vuursteen door gecontroleerde afslagen werd bewerkt. Toch verving koper de oudere grondstoffen niet onmiddellijk. Beide technische tradities bleven naast elkaar bestaan. De vondsten uit Stroe, Ede, Lunteren en Nieuw-Milligen vormen belangrijke voorbeelden van deze overgang.
De koperen tongdolk
Koperen tongdolken behoren tot de opvallendste metalen grafgiften van de klokbekerperiode. Het tongvormige gedeelte kon worden gebruikt om het lemmet aan een handvat te bevestigen. Verschillende exemplaren zijn uit Gelderland bekend. De aanwezigheid van zo'n dolk bewijst niet dat de begraven persoon een krijger was. Het voorwerp kon ook een symbolische of maatschappelijke betekenis hebben gehad. De grafcontext blijft noodzakelijk om de betekenis zorgvuldig te onderzoeken.
De stenen polsbeschermer
Stenen polsbeschermers komen in verschillende klokbekergraven voor. Zij worden traditioneel verbonden met boogschieten, omdat het platte voorwerp de onderarm tegen de pees zou kunnen beschermen. Sommige exemplaren zijn zorgvuldig gepolijst en voorzien van bevestigingsgaten. Toch bestaat discussie over de oorspronkelijke functie. Niet iedere polsbeschermer hoeft daadwerkelijk tijdens het schieten te zijn gebruikt. Ook de associatie met uitsluitend mannelijke krijgers is niet bewezen.
De wereld van de boogschutter
De vuurstenen pijlpunten die uit graven bekend zijn, vormden slechts één onderdeel van een volledige uitrusting. Ook houten schachten, bevestigingsmateriaal en bogen waren nodig. Deze vergankelijke onderdelen zijn meestal verdwenen. De stenen met groeven uit Hengelo maken het mogelijk een deel van de vervaardiging van houten pijlschachten te herkennen. Daardoor wordt zichtbaar dat de technische wereld achter de grafgiften uitgebreider was dan de voorwerpen die uiteindelijk in de graven bewaard bleven.
Barnsteen en verre verbindingen
Barnsteen is bekend uit verschillende Gelderse klokbekergraven. Bij Vaassen, Wageningen, Nieuw-Milligen en andere vindplaatsen kwamen kralen en hangers tevoorschijn. Het materiaal wijst op toegang tot grondstoffen die niet overal plaatselijk beschikbaar waren. Toch is de exacte herkomst niet voor ieder voorwerp vastgesteld. Daarom kan geen vaste noordelijke handelsroute als bewezen worden gepresenteerd. De vondsten maken wel duidelijk dat bijzondere materialen over grotere afstanden konden circuleren.
Goud in Gelderland
De gouden sieraden uit Bennekom-Oostereng vormen belangrijke aanwijzingen voor edelmetaalgebruik tijdens het laat-neolithicum. Ook de steenschat van Hengelo leverde sporen op die met goudbewerking worden verbonden. Het materiaal moet via contacten met andere gebieden beschikbaar zijn gekomen. De precieze herkomst van het goud is onbekend. Evenmin is bewezen dat alle gouden sieraden plaatselijk werden vervaardigd. De vondsten tonen vooral dat toegang tot bijzondere materialen en technische kennis aanwezig was.
Koper zonder Gelderse mijnen
Voor de klokbekerperiode zijn in Gelderland geen kopermijnen aangetoond. De aanwezigheid van koperen dolken en priemen wijst daarom op contacten met gebieden waar de grondstof beschikbaar was. Toch is onbekend welke routes het materiaal volgde. Ook kunnen afgewerkte voorwerpen en grondstoffen op verschillende manieren zijn verspreid. De steenschat van Hengelo maakt het aannemelijk dat koper plaatselijk werd bewerkt. Het bezit van een metalen voorwerp en het daadwerkelijk vervaardigen ervan blijven echter verschillende archeologische aanwijzingen.
De handel vóór het geld
De verspreiding van bijzondere grondstoffen en voorwerpen wordt vaak als prehistorische handel beschreven. Daarmee wordt echter niet noodzakelijk een systeem van vaste markten, prijzen of kooplieden bedoeld. Voor het laat-neolithicum ontbreken geschreven afspraken. Materialen konden door ruil, geschenken of herhaalde overdracht tussen gemeenschappen circuleren. De archeologische vondsten tonen verbindingen, maar vertellen meestal niet hoe afzonderlijke transacties verliepen. Het is daarom noodzakelijk onderscheid te maken tussen bewezen herkomst en veronderstelde uitwisselingsroutes.
De vuursteen van Le Grand-Pressigny
De lange vuurstenen dolk uit Epe 123 wordt verbonden met het Franse gebied Le Grand-Pressigny. De vondst is ouder dan de klassieke klokbekerperiode. Zij maakt duidelijk dat verre contacten al bestonden voordat koperen voorwerpen een grotere plaats kregen. Of de grondstof als onbewerkt materiaal of als afgewerkte dolk werd aangevoerd, moet afzonderlijk worden onderzocht. De oorspronkelijke route is niet bekend. De vondst toont vooral dat bijzondere materialen over grote afstanden beschikbaar konden komen.
De stenen bijl van Gorssel
Uit de omgeving van Gorssel is een vuurstenen bijl bekend die met een Deens type wordt vergeleken. De vorm toont verwantschap met werktuigen uit Noordwest-Europa. Toch bewijst deze overeenkomst niet dat de bijl uit Denemarken afkomstig was. Ook kon zij ouder zijn dan andere laat-neolithische vondsten uit dezelfde omgeving. De vergelijking is belangrijk voor de geschiedenis van technische tradities, maar mag niet worden gebruikt als rechtstreeks bewijs voor een specifieke handelsroute.
De Moravische stijl van Harskamp
Een klokbeker uit Harskamp vertoont overeenkomsten met Midden-Europese, onder andere Moravische, vormen. Onderzoek aan de klei wijst echter op mogelijke plaatselijke vervaardiging. De vondst maakt duidelijk dat een buitenlandse stijl niet noodzakelijk een geïmporteerd voorwerp betekent. Pottenbakkers konden vormen en motieven overnemen en aanpassen. De archeologische verspreiding van ideeën en de daadwerkelijke verplaatsing van voorwerpen zijn daarom twee afzonderlijke onderzoeksvragen.
De routes door het Rijngebied
Het Rijngebied vormt een belangrijk geografisch vergelijkingsgebied voor Oost-Gelderland. De vondsten uit Beek, Stokkum, Hengelo en andere plaatsen moeten in samenhang met aangrenzende Duitse gebieden worden onderzocht. Rivieren, oevers en hogere terreindelen konden mogelijkheden voor verplaatsing bieden. Toch is niet bekend welke routes de klokbekergemeenschappen precies volgden. De huidige rivierlopen mogen bovendien niet zonder meer naar de prehistorie worden teruggeprojecteerd. De verspreiding van voorwerpen toont contacten, maar geen volledig wegennet.
De Maas als zuidelijke verbinding
De Maasstreek leverde klokbekervondsten bij Cuijk, Nistelrode, Schaijk en Macharen. De overeenkomsten tussen bekers uit Cuijk en Nijmegen vormen een belangrijk voorbeeld van gedeelde aardewerktradities. De ligging in hetzelfde grotere riviergebied maakt contacten aannemelijk. Toch bewijst dit niet dat de bekers per boot werden vervoerd of rechtstreeks tussen de twee plaatsen werden uitgewisseld. De oorspronkelijke omstandigheden moeten per vindplaats worden onderzocht.
De Veluwse dalen en de oude paden
Op de Veluwe liggen verschillende natuurlijke doorgangen tussen hogere en lagere gronden. Sommige grafheuvelgroepen bevinden zich in de omgeving van zulke dalen. Hierdoor ontstonden hypotheses over prehistorische wegen. Toch is niet iedere huidige route aantoonbaar vierduizend jaar oud. Ook hoeft een grafheuvelrij niet noodzakelijk langs een vaste handelsweg te hebben gelegen. De ligging van monumenten vormt belangrijk landschappelijk bewijs, maar geen volledige reconstructie van verplaatsing en uitwisseling.
Geen vaste handelswegen bewezen
Het verbinden van archeologische vindplaatsen met lijnen kan een verleidelijk beeld van prehistorische routes opleveren. Toch zou daarmee vaak meer zekerheid worden gesuggereerd dan de vondsten toelaten. Een koperen dolk uit Stroe en een vergelijkbaar voorwerp uit Duitsland bewijzen niet dat er een rechtstreekse handelsweg tussen beide plaatsen bestond. Grondstoffen en voorwerpen konden via meerdere gemeenschappen worden verspreid. Een verantwoorde reconstructie maakt daarom onderscheid tussen herkomst, verspreiding en werkelijk aangetoonde reisroutes.
Uitwisseling van kennis
Niet alleen materialen konden zich verspreiden. Ook technieken, versieringsmotieven en aardewerkvormen konden worden overgenomen. Een pottenbakker kon een voorbeeld navolgen zonder dat het oorspronkelijke vat zelf naar Gelderland werd gebracht. Ook kennis van metaalbewerking kon tussen gemeenschappen circuleren. Hoe die overdracht precies gebeurde, blijft onbekend. De vondsten maken vooral duidelijk dat de klokbekerwereld bestond uit regio's waarin gedeelde ideeën naast plaatselijke tradities voorkwamen.
Een wereld zonder moderne grenzen
Tijdens de klokbekerperiode bestonden de huidige grenzen tussen Nederland, Duitsland, België en Frankrijk niet. De verspreiding van aardewerk, vuursteen, barnsteen en metaal moet daarom binnen grotere geografische gebieden worden onderzocht. Toch betekent dit niet dat alle gemeenschappen dezelfde identiteit hadden. Regionale verschillen in potvormen, grafgiften en begrafenisgebruiken bleven bestaan. De Gelderse vondsten tonen vooral dat plaatselijke ontwikkelingen onderdeel waren van een grotere Europese wereld.
Het onderzoek naar oud DNA
Uit goed bewaarde menselijke botten en tanden kan soms oud DNA worden gewonnen. Hiermee kunnen onderzoekers genetische verwantschappen tussen prehistorische populaties vergelijken. De methode vormt een belangrijke aanvulling op aardewerkonderzoek. Toch zijn er beperkingen. Niet ieder skelet bewaart bruikbaar DNA en de onderzochte personen vertegenwoordigen slechts een deel van de oorspronkelijke bevolking. Op de zure Veluwse zandgronden zijn veel menselijke resten verdwenen. Daardoor kunnen internationale genetische resultaten niet automatisch op iedere Gelderse vindplaats worden toegepast.
De West-Friese skeletten van Oostwoud
Bij Oostwoud in West-Friesland werden menselijke resten uit prehistorische grafcontexten onderzocht. De vindplaats was al lang bekend en goed gedocumenteerd. Daardoor konden skeletten worden gebruikt in internationaal genetisch onderzoek naar de klokbekerperiode. De resultaten bleken bijzonder waardevol voor vergelijkingen met menselijke resten uit Groot-Brittannië. Oostwoud ligt buiten Gelderland, maar vormt een belangrijk voorbeeld van wat DNA-onderzoek kan toevoegen aan de geschiedenis die eerder vooral uit aardewerk en grafgiften werd gereconstrueerd.
De internationale studie uit 2018
In 2018 verscheen in Nature een omvangrijke studie naar de genetische geschiedenis van de klokbekerperiode. Honderden prehistorische personen werden vergeleken, waaronder 226 personen die met de klokbekertraditie werden verbonden. Het onderzoek maakte duidelijk dat de verspreiding van klokbekeraardewerk niet overal met dezelfde bevolkingsverandering samenging. In sommige gebieden lijkt culturele overdracht belangrijk te zijn geweest, terwijl elders grootschalige migratie zichtbaar werd. Daarmee bleek één eenvoudige verklaring voor heel Europa onvoldoende.
Het genetische beeld op het vasteland
De vergelijking tussen klokbekergerelateerde personen van het Iberisch Schiereiland en Midden-Europa toonde beperkte genetische verwantschap. Daardoor kon een eenvoudige verklaring waarin één bevolking zich vanuit het zuidwesten over heel Europa verspreidde, niet worden bevestigd. Dit betekent niet dat op het Europese vasteland nergens migratie plaatsvond. Het laat vooral zien dat de verspreiding van aardewerk en de verspreiding van mensen niet altijd hetzelfde patroon volgden.
De verandering in Groot-Brittannië
In Groot-Brittannië viel de komst van de klokbekertraditie samen met een ingrijpende verandering in de genetische afkomst van de bevolking. Het onderzoek uit 2018 wees op grootschalige migratie vanaf het Europese vasteland. Binnen enkele eeuwen veranderde het genetische profiel sterk. De onderzoekers schatten dat op langere termijn ongeveer negentig procent van de eerdere genetische afkomst werd vervangen. Dit vormt geen rechtstreeks bewijs voor één gewelddadige gebeurtenis, maar wel voor een belangrijke bevolkingsverandering.
De overeenkomst met Oostwoud
De onderzochte personen uit Oostwoud vertoonden opvallende genetische overeenkomsten met klokbekergerelateerde personen uit Groot-Brittannië. Daardoor werd de West-Friese vindplaats een belangrijk vergelijkingspunt. Toch betekent de overeenkomst niet dat de Britse migranten noodzakelijk uit Oostwoud of uit het huidige Nederland afkomstig waren. Vergelijkbare populaties kunnen ook in Duitsland, België of Frankrijk hebben geleefd. De precieze vertrekplaatsen en migratieroutes bleven onbekend.
De waarschuwing van Harry Fokkens
Harry Fokkens benadrukte dat de genetische resultaten niet te snel als bewijs voor Nederlandse migranten naar Groot-Brittannië mogen worden uitgelegd. Oostwoud vormde slechts één van de beschikbare vergelijkingsgebieden. De onderzochte skeletten kunnen genetisch verwant zijn geweest aan bevolkingen uit een veel groter gebied. De studie is belangrijk voor de Europese prehistorie, maar vertelt niet rechtstreeks uit welke afzonderlijke plaatsen alle migranten vertrokken. Voor Gelderland ontbreekt bovendien bij veel graven bruikbaar DNA.
De klokbekercultuur was geen afzonderlijk volk
De klokbekercultuur is een moderne archeologische benaming voor herkenbare aardewerkvormen, grafgebruiken en andere voorwerpen. Zij vormt geen bewijs voor één biologisch uniforme bevolking. Mensen konden stijlen overnemen zonder zelf te migreren, terwijl migranten plaatselijke tradities konden aanpassen. Het genetische onderzoek uit Europa ondersteunt deze ingewikkelde werkelijkheid. Voor Gelderland betekent dit dat een Veluwse klokbeker niet rechtstreeks de afkomst of identiteit van de gebruiker bewijst.
De overgang naar de vroege bronstijd
Rond 2000 voor Christus veranderden aardewerkvormen, metalen voorwerpen en begrafenisgebruiken geleidelijk. De klassieke klokbekers maakten plaats voor andere tradities. Toch verdwenen bestaande gemeenschappen niet noodzakelijk. Dezelfde landschappen bleven gebruikt en oude grafheuvels werden soms opnieuw geopend of vergroot. Vuursteen bleef naast metaal belangrijk. De overgang naar de vroege bronstijd vormt daardoor geen eenvoudige breuk, maar een periode waarin verschillende oudere en nieuwe ontwikkelingen naast elkaar voorkwamen.
Het wikkeldraadaardewerk
Tijdens de overgang naar de vroege bronstijd werd wikkeldraadaardewerk een belangrijk herkenningsmiddel. De versiering ontstond door indrukken van een met draad of koord omwikkeld voorwerp. Ook andere potvormen kregen een plaats binnen de veranderende aardewerktradities. Vindplaatsen in het Maasgebied en Gelderland leveren vergelijkingsmateriaal. Niet ieder exemplaar behoort echter tot de klassieke klokbekerperiode. De verandering in aardewerk toont een ontwikkeling in de materiële cultuur, maar bewijst niet automatisch een volledige vervanging van de bevolking.
Van koper naar brons
Tijdens de klokbekerperiode was koper al bekend in Gelderland. In de vroege bronstijd werden legeringen belangrijker waarin koper doorgaans met tin werd gecombineerd. Brons bood nieuwe mogelijkheden voor werktuigen en wapens. De verspreiding verliep geleidelijk. Stenen werktuigen verdwenen niet onmiddellijk en bestaande vaardigheden bleven belangrijk. De koperen dolken, priemen en mogelijke metaalbewerkingsgereedschappen uit Gelderland vormen daardoor een belangrijke voorgeschiedenis van de bronstijd.
De grafheuvels blijven in gebruik
Ook na de klassieke klokbekerperiode bleven oudere grafheuvels in het landschap aanwezig. Bij Vaassen en andere Gelderse vindplaatsen werden monumenten opnieuw gebruikt of vergroot. Nieuwe bijzettingen konden naast oudere worden aangelegd. De oorspronkelijke bouwers waren toen al vele generaties verdwenen. Toch bleven de heuvels herkenbare plaatsen. Hun lange geschiedenis toont hoe verschillende gemeenschappen dezelfde delen van de Veluwe bleven gebruiken, terwijl aardewerk, metalen voorwerpen en begrafenisrituelen veranderden.
De Veluwe blijft een begraaflandschap
Tijdens de vroege bronstijd bleven de hogere zandgronden van Gelderland in gebruik. Oude grafheuvels werden uitgebreid en nieuwe monumenten verschenen. De gebieden rond Ede, Lunteren, Vaassen, Garderen, Ermelo en Stroe behielden daardoor hun archeologische betekenis. De opeenvolgende begravingen tonen dat dezelfde landschappen gedurende vele eeuwen gebruikt werden. Tegelijkertijd veranderden de materiële tradities. De klokbekerperiode vormde daarmee een belangrijke fase in een langere geschiedenis van landbouwende gemeenschappen, grafheuvels, ambachten en verbindingen tussen verschillende gebieden.
AANVULLINGEN OP DEEL 1 — HET LANDSCHAP EN DE EERSTE KLOKBEKERMENSEN
De vroegste klokbekers op het Iberisch Schiereiland
Op het Iberisch Schiereiland zijn enkele van de vroegste klokbekervondsten van Europa bekend. Vooral Portugal en Spanje spelen daardoor een belangrijke rol in het onderzoek naar het ontstaan van deze aardewerktraditie. Tijdens het derde millennium voor Christus verschenen vergelijkbare bekers in andere delen van Europa. De verspreiding ging niet overal gepaard met dezelfde bevolkingsveranderingen. Uit archeologisch en genetisch onderzoek blijkt dat nieuwe aardewerkvormen door bestaande gemeenschappen konden worden overgenomen, terwijl elders mensen zich over grote afstanden verplaatsten. De vroege Iberische vondsten maken het schiereiland belangrijk voor de chronologie, zonder dat daarmee de herkomst van alle klokbekermensen vaststaat.
De verspreiding naar Noordwest-Europa
Gedurende het derde millennium voor Christus raakte klokbekeraardewerk verspreid over grote delen van West- en Midden-Europa. Vondsten zijn bekend uit Frankrijk, België, Nederland, Duitsland, Groot-Brittannië en verschillende andere gebieden. De bekers vertonen overeenkomsten in vorm en versiering, maar ontwikkelden ook regionale kenmerken. De Veluwse klokbekergroep behoort tot deze plaatselijke tradities. De verspreiding maakt duidelijk dat Gelderland deel uitmaakte van een veel grotere Europese ontwikkeling. Overeenkomstig aardewerk betekent echter niet dat alle gebruikers dezelfde afkomst hadden. Contacten tussen gemeenschappen, uitwisseling van voorwerpen en verplaatsingen van mensen droegen op verschillende plaatsen aan de verspreiding bij.
De klokbekertraditie was geen afzonderlijk Europees volk
De benaming klokbekercultuur verwijst naar archeologische overeenkomsten tussen aardewerk, grafgiften en bepaalde begrafenisgebruiken. Lange tijd werd onderzocht of deze overeenkomsten ontstonden door de verspreiding van één bevolkingsgroep of door overname van gebruiken. Genetisch onderzoek laat zien dat beide processen voorkwamen. Op delen van het Europese vasteland verschenen klokbekers zonder een even grote gelijktijdige verandering in de genetische samenstelling van de bevolking. In Groot-Brittannië ging hun verspreiding juist samen met omvangrijke migratie. Daarom kan een klokbeker in een Gelders graf niet zelfstandig aantonen waar de begraven persoon of diens voorouders vandaan kwamen.
Oostwoud — menselijke resten uit twee grafheuvels
Bij Oostwoud in West-Friesland liggen twee prehistorische grafheuvels waarin menselijke resten werden aangetroffen. De graven zijn sinds de twintigste eeuw archeologisch onderzocht en gedocumenteerd. Daardoor bleef skeletmateriaal beschikbaar voor later natuurwetenschappelijk onderzoek. De vindplaats kreeg internationale betekenis toen DNA uit de menselijke resten werd opgenomen in een grootschalig onderzoek naar de bevolkingsgeschiedenis van Europa. De gegevens uit Oostwoud vormden een belangrijk vergelijkingspunt voor menselijke resten uit Groot-Brittannië. Daarmee leverden twee Nederlandse grafheuvels informatie op die niet alleen voor Noord-Holland van belang was, maar ook voor het begrijpen van bevolkingsveranderingen rond de Noordzee.
DNA-onderzoek onthult verschillende Europese ontwikkelingen
Een internationaal onderzoek, gepubliceerd in 2018, onderzocht genetische gegevens van honderden prehistorische mensen uit de periode tussen ongeveer 4700 en 1200 voor Christus. De resultaten lieten zien dat de verspreiding van de klokbekertraditie niet overal dezelfde gevolgen had voor de bevolking. In verschillende continentale gebieden werd overeenkomstig aardewerk gebruikt zonder een even omvangrijke genetische verandering. Op de Britse eilanden veranderde de samenstelling van de bevolking juist sterk. De menselijke resten uit Oostwoud leverden daarbij belangrijke vergelijkingsgegevens. Het onderzoek maakte het mogelijk om archeologische overeenkomsten tussen voorwerpen te onderscheiden van daadwerkelijke veranderingen in de afkomst van bevolkingsgroepen.
Groot-Brittannië verandert rond 2300 voor Christus
Rond 2300 voor Christus veranderde de genetische samenstelling van de Britse bevolking ingrijpend. Menselijke resten uit de daaropvolgende eeuwen vertonen sterke overeenkomsten met bevolkingsgroepen van het Europese vasteland. De verandering viel samen met de verspreiding van klokbekeraardewerk naar Groot-Brittannië. Genetisch onderzoek wijst op omvangrijke migratie waarbij mensen het Kanaal overstaken. Gedurende de daaropvolgende eeuwen werd een groot deel van de eerdere genetische afkomst van de Britse bevolking vervangen door afkomst die met continentale groepen samenhing. De verspreiding van de klokbekertraditie was daar dus meer dan het overnemen van een nieuwe aardewerkvorm.
De oudere bevolking van de Britse eilanden
Voordat de klokbekertraditie op de Britse eilanden verscheen, leefden daar neolithische gemeenschappen met eigen aardewerkvormen, grafmonumenten en nederzettingen. Ook de oudste bouwfasen van Stonehenge behoren tot deze vroegere geschiedenis. DNA-onderzoek heeft aangetoond dat de genetische samenstelling van de Britse bevolking tijdens de klokbekerperiode sterk veranderde. De genetische bijdrage van de oudere neolithische bevolking nam aanzienlijk af. Daarmee vormt Groot-Brittannië een belangrijk voorbeeld van de manier waarop migratie het bevolkingsbeeld in de prehistorie kon veranderen. Deze ontwikkeling verschilde van gebieden waar klokbekeraardewerk vooral door reeds aanwezige gemeenschappen werd overgenomen.
Waar kwamen de migranten naar Groot-Brittannië vandaan?
De genetische overeenkomsten tussen mensen uit Oostwoud en latere Britse bevolkingsgroepen wijzen op nauwe verbindingen met het Europese vasteland. Toch kan daaruit niet worden geconcludeerd dat alle migranten uit het huidige Nederland afkomstig waren. Ook gebieden die tegenwoordig tot België, Frankrijk en Duitsland behoren, maakten deel uit van de continentale vergelijkingswereld. Het DNA-onderzoek uit 2018 beschikte niet over evenveel menselijke resten uit al deze gebieden. Daardoor kon de exacte geografische herkomst van de migranten niet tot één modern land worden beperkt. Het onderzoek toont vooral een belangrijke bevolkingsverplaatsing tussen continentaal Europa en Groot-Brittannië.
Gelderland binnen de Europese bevolkingsgeschiedenis
De genetische ontdekkingen uit Oostwoud en Groot-Brittannië veranderen ook de manier waarop de klokbekervondsten uit Gelderland kunnen worden bekeken. De Veluwse bekers behoren tot een Europese aardewerktraditie die zich over zeer grote afstanden verspreidde. Tegelijkertijd blijkt uit DNA-onderzoek dat het gebruik van vergelijkbare bekers niet overal dezelfde bevolkingsachtergrond vertegenwoordigde. Voor Gelderland moeten vondsten van aardewerk daarom worden onderscheiden van aanwijzingen voor daadwerkelijke migratie. De grafheuvels tonen de aanwezigheid van bepaalde begrafenisgebruiken en voorwerpen, maar leveren zonder onderzoek van menselijke resten geen volledig beeld van de afkomst van de overledenen.
Coevorden — klokbekervondsten in het noordoosten
Het Coevorder Cahier 3 beschrijft verschillende prehistorische vondsten uit de omgeving van Coevorden, waaronder materiaal dat aan de klokbekercultuur wordt toegeschreven. De publicatie vermeldt dat de klokbekervondsten niet wijzen op omvangrijke nederzettingen, maar eerder de indruk geven van kleine kampementen. Deze beschrijving biedt een vergelijking met de Gelderse vindplaatsen, waar grafheuvels en bijzondere grafgiften een belangrijk deel van het archeologische materiaal vormen. De vondsten uit Coevorden laten zien dat de klokbekertraditie ook in het noordoosten van Nederland aanwezig was. Daarmee wordt de verspreiding over verschillende Nederlandse landschappen zichtbaar, van de Veluwe tot de Drentse zandgronden.
Een oudere theorie over migratie en ertsgebieden
In oudere beschrijvingen van de klokbekercultuur werd geregeld een verband gelegd tussen migratie en de zoektocht naar nieuwe gebieden met metaalhoudende ertsen. Ook het Coevorder Cahier noemt deze gedachte. De theorie ontstond mede doordat klokbekervondsten in verschillende Europese gebieden samengaan met vroege metalen voorwerpen. Inmiddels wordt de verspreiding van de klokbekertraditie vanuit meerdere soorten archeologische gegevens onderzocht, waaronder aardewerk, grafgebruiken en menselijke resten. De aanwezigheid van metaal en overeenkomstige bekers vormt op zichzelf geen bewijs dat mensen specifiek op zoek gingen naar erts. Het vroegere migratiemodel behoort daarmee tot de onderzoeksgeschiedenis van de klokbekercultuur.
Europese contacten zonder moderne landsgrenzen
Tijdens de klokbekerperiode bestonden de huidige grenzen tussen Nederland, Duitsland, België en Frankrijk niet. De verspreiding van vergelijkbare aardewerkvormen en grafgebruiken laat zien dat de gemeenschappen binnen deze gebieden niet volledig los van elkaar stonden. Rivierdalen, kustgebieden en hogere zandgronden vormden onderdelen van het landschap waarlangs mensen zich konden verplaatsen. De Gelderse klokbekervondsten behoren tot deze grotere Europese verspreiding. Daarbij hoeft niet ieder bijzonder voorwerp rechtstreeks vanuit een ver land te zijn meegebracht. Voorwerpen en gebruiken konden ook via opeenvolgende contacten tussen verschillende gemeenschappen worden doorgegeven. Zo ontstonden verbindingen tussen gebieden die geografisch ver uiteenlagen.
De Veluwe lag niet buiten de bewoonde wereld
De hoge zandgronden van de Veluwe lagen op afstand van verschillende belangrijke Europese productiegebieden. Toch betekende deze geografische ligging niet dat de bewoners geïsoleerd leefden. De klokbekervondsten tonen overeenkomsten met aardewerk en grafgebruiken uit andere delen van Europa. Daarnaast waren bijzondere materialen en voorwerpen uit ruimere contactnetwerken bekend. De Gelderse gemeenschappen maakten daardoor deel uit van ontwikkelingen die zich over grote delen van het continent uitstrekten. De afstand tot bepaalde productiegebieden verklaart niet automatisch verschillen in cultuur of kennis. De Veluwe vormde een eigen landschap binnen een veel grotere Europese wereld van contacten en bevolkingsverplaatsingen.
Verschillende grafgebruiken binnen één traditie
De Europese klokbekerwereld kende verschillende manieren om overledenen te begraven. Individuele begravingen met opgetrokken knieën komen in meerdere gebieden voor. Ook de oriëntatie van het lichaam en de plaats van grafgiften konden volgens regionale gebruiken verschillen. Daarnaast zijn crematiegraven bekend. De vondsten uit Wijchen-Bijsterhuizen laten zien dat deze variatie eveneens in Gelderland aanwezig was. De grafrituelen waren dus niet overal identiek, ondanks overeenkomsten in het gebruikte aardewerk. Het onderscheid tussen verschillende begrafenisvormen is belangrijk om plaatselijke tradities te herkennen en de Gelderse grafvelden met andere Europese vindplaatsen te vergelijken.
De geografische verspreiding van de Veluwse bekers
De karakteristieke Veluwse klokbekers vormen een regionale groep binnen de Nederlandse klokbekertraditie. Hun vorm en versiering maken vergelijking met andere bekers mogelijk. Vondsten uit het Gelderse rivierengebied tonen dat aardewerk met Veluwse kenmerken niet uitsluitend op de hoge Veluwe voorkwam. Ook bij Wijchen zijn dergelijke bekers aangetroffen. Daardoor kan de verspreiding van deze aardewerkvormen worden onderzocht in verschillende landschappen. De overeenkomsten wijzen op gedeelde vormen en versieringstradities. Zij bewijzen niet automatisch dat alle voorwerpen op dezelfde plaats werden gemaakt of dat de gebruikers tot één afzonderlijke bevolkingsgroep behoorden.
Grafheuvels verbinden verschillende generaties
Verschillende prehistorische grafheuvels werden gedurende langere tijd gebruikt. Een monument kon oorspronkelijk boven één overledene worden aangelegd en later nieuwe begravingen bevatten. Soms werd een heuvel vergroot of veranderde de inrichting ervan. Daardoor kunnen binnen hetzelfde monument verschillende archeologische perioden vertegenwoordigd zijn. Op de Veluwe is dit bijzonder belangrijk, omdat graven uit de Enkelgrafcultuur, klokbekerperiode en bronstijd in hetzelfde landschap voorkomen. De grafheuvels vormden zichtbare herinneringen aan oudere menselijke activiteiten. Hun langdurige aanwezigheid toont dat bepaalde plaatsen generaties achtereen herkenbaar bleven, ook wanneer de begrafenisgebruiken veranderden.
De klokbekerperiode als onderdeel van een langere geschiedenis
De klokbekerperiode volgde op eeuwen waarin landbouw, veeteelt, aardewerkproductie en individuele begravingen al in Nederland voorkwamen. De komst van nieuwe bekervormen betekende daarom geen plotseling begin van een geheel nieuwe samenleving. Ook na het verdwijnen van het karakteristieke klokbekeraardewerk bleven bestaande landschappen en verschillende gebruiken een rol spelen. De overgang naar de vroege bronstijd verliep geleidelijk. Voor Gelderland betekent dit dat grafheuvels, aardewerk en menselijke resten binnen een lange chronologische ontwikkeling moeten worden geplaatst. De klokbekercultuur vormt daarin een herkenbare fase, verbonden met zowel oudere Nederlandse tradities als bredere Europese veranderingen.