Hoe Friese arbeidersgezinnen van Friesland naar Drenthe, Duitsland en de Limburgse mijnen trokken, 1800–1940

Deel 1 — Het landschap dat de arbeiders voortdreef

Waar het veen lag, lag het werk

Rond Appelscha, Haulerwijk en andere Friese veengebieden lagen hoogveen, natte heide, zandgronden en kleine boerenplaatsen. Onder de plantenmassa zat turf, eeuwenlang een belangrijke brandstof. Om die turf te winnen, moest eerst het water verdwijnen. Sloten en wijken werden gegraven, de bovenlaag verwijderd en daarna begon het steken, baggeren, drogen en vervoeren. Zo veranderde het landschap in een arbeidsgebied. Maar iedere turf die werd verkocht, maakte datzelfde arbeidsgebied kleiner. De arbeider verdiende zijn brood dus met het langzaam vernietigen van de plaats waar hij dat brood verdiende. Wanneer het veen opraakte, moest het werk verderop worden gezocht.

De grond was van een ander

De arbeider stond niet als gelijke tegenover de vervener. Grond, turfvoorraad en kapitaal waren in handen van bezitters en ondernemers. Op 29 september 1827 werden bij Appelscha opnieuw veengronden en belangen verkocht. Families als Van der Sluis kregen een belangrijke positie in de vervening. Wytze van der Sluis en later Alle Wytzes van der Sluis hoorden bij een wereld waarin grondbezit mogelijkheden bood die een arbeidersgezin niet had. Een vervener kon wachten op een gunstige prijs of investeren in nieuwe ontginningen. De arbeider had zijn armen, zijn vrouw had haar handen en thuis zaten kinderen die dezelfde avond nog moesten eten.

Het werk vrat aan het lichaam

De werkdag begon vroeg. De bovenlaag moest weg, turf werd uit de natte bodem gestoken en daarna begon het eindeloze verplaatsen. Turven werden uitgelegd, gekeerd, in ringen of hopen gezet, opnieuw verplaatst en uiteindelijk geladen. Regen kon dagen arbeid waardeloos maken; zon betekende uren werken op een open vlakte. Handen scheurden en ruggen werden stijf. Kleding werd nat van regen, modder en zweet. Wie niet kon doorwerken, verdiende minder. Wie ziek werd, verloor loon. Een arbeiderslichaam was geen abstract productiemiddel. Het was het bezit waarvan een compleet huishouden afhankelijk was, dag na dag en seizoen na seizoen.

De vrouwen werkten mee

Veenarbeid was nooit alleen mannenwerk. Vrouwen hielpen bij het drogen, keren, dragen en opstapelen van turf en moesten daarna thuis koken, wassen, herstellen en kinderen verzorgen. Janke van Vondel-Binnema kende die wereld zelf. Toen zij in 1891 over haar bestaan vertelde, sprak daar een vrouw die jarenlang had gewerkt en armoede van binnenuit kende. Zwangerschap betekende niet automatisch dat het werk ophield. Wanneer een vrouw niet kon werken, ontbraken haar handen én soms haar inkomsten. De werkdag eindigde daarom niet wanneer zij van het veen naar huis liep. Daar begon het volgende deel, tussen kinderen, natte kleding, eten en een huishouden zonder reserve.

Kinderen stonden er middenin

Ook kinderen werden in de arbeidswereld opgenomen. Zij konden turf keren, dragen, stapelen, op jongere broertjes en zusjes passen of andere taken uitvoeren terwijl vader en moeder werkten. Naarmate zij groter werden, telden hun handen steeds nadrukkelijker mee. Een groot gezin betekende veel monden, maar later ook extra arbeidskracht. Daardoor lag de grens tussen kindertijd en werk dichtbij. De kinderen zagen bovendien iedere dag wat armoede betekende. Zij wisten wanneer brood schaars werd, wanneer schoenen niet konden worden vervangen en wanneer vader zonder loon thuiskwam. Lang voordat zij zelf een beroep kozen, had de arbeidsmarkt hun jeugd al gevormd.

Armoede zat aan tafel

Een slechte werkweek was dezelfde avond merkbaar. Brood, aardappelen, meel en eenvoudige kost vormden de basis. Vlees was geen vanzelfsprekend dagelijks voedsel. Kleding werd hersteld totdat naden en stof nauwelijks nog hielden. Schoenen en klompen moesten langer mee dan goed was. Wie geen geld meer had, moest lenen, op krediet kopen of ondersteuning zoeken. Zo zag armoede er meestal uit: niet één voortdurend dramatisch ogenblik, maar iedere dag opnieuw rekenen. Hoeveel brood ligt er nog? Wie heeft schoenen nodig? Kan de winkelier wachten? Wat gebeurt er als morgen regen valt en er opnieuw geen loon wordt verdiend?

Ook het huis liet het verschil zien

Arbeiderswoningen waren klein en eenvoudig. Mensen sliepen dicht op elkaar; vocht, rook en vuil waren moeilijk buiten te houden. Een ziek kind lag midden in hetzelfde huishouden waarin werd gekookt, gegeten en gewerkt. Brandstof moest worden geregeld, water gehaald en natte kleding ergens gedroogd. De maatschappelijke verschillen waren daardoor niet alleen zichtbaar op het veen. Zij kwamen iedere avond mee naar huis. Aan de ene kant stonden grondbezitters, verveners en ondernemers. Aan de andere kant zat een gezin waarvan één slechte arbeidsweek onmiddellijk gevolgen had voor eten, kleding en brandstof. Bezit gaf ruimte. Armoede liet nauwelijks ruimte voor één tegenslag.

Deel 2 — Dertig cent, woede en verzet

De Eendracht

In 1888 richtten veenarbeiders in Appelscha De Eendracht op. Alleen stond een arbeider vrijwel machteloos tegenover een vervener die bepaalde wie werk kreeg en tegen welke voorwaarden. Samen konden arbeiders proberen hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen. Maar een bond oprichten betekende nog niet dat de verveners ermee wilden praten. Wanneer onderhandelingen mislukten, bleef staking over. Dan viel het loon onmiddellijk weg. De werkgever kon een conflict langer uitzitten dan een arbeidersgezin. Terwijl mannen vergaderden en onderhandelden, raakte thuis het eten op. Arbeidersstrijd begon daarom nooit alleen bij de werkplek. Zij werd gevoerd in ieder huishouden dat zonder loon kwam te zitten.

Dertig cent

In mei 1890 kwamen vrouwelijke turfdroogsters in verzet. Een vrouw verdiende voor zwaar werk ongeveer 30 cent per dag, tegenover ongeveer 45 cent voor een man. De vrouwen eisten verhoging. Dertig cent was voor hen geen getal uit een loonstaat. Het moest veranderen in aardappelen, brood, kleding en brandstof. Zij wisten precies wat hun arbeid kostte: uren turf dragen, keren en stapelen, en daarna thuis verder werken. Toen de verveners niet wilden toegeven, legden vrouwen het werk neer. Ineens werd zichtbaar hoe afhankelijk de productie van hun arbeid was. Zij stonden niet achter een mannenstaking. Zij waren zelf arbeiders en voerden hun eigen strijd.

Baukje Pool

Baukje Pool stond tussen deze vrouwen. Staken betekende voor haar en haar medearbeidsters dat er die dag niets werd verdiend. De kinderen thuis aten daardoor letterlijk mee uit de inzet van hun moeder. Juist dat maakte het conflict zo hard. De vrouwen eisten geen luxe. Zij eisten meer geld voor werk dat hun lichamen iedere dag voelde. Hun woede kwam uit de keuken en van het turfveld tegelijk. Wie thuis iedere stuiver moest verdelen, wist wat een paar cent loonverschil betekende. Toen zij hun handen stilhielden, bleek bovendien dat het veenbedrijf niet zonder hen kon. Hun lage loon had hun economische betekenis jarenlang verborgen gehouden.

Domela Nieuwenhuis kreeg gehoor

In deze wereld vond Ferdinand Domela Nieuwenhuis een aandachtig publiek. Zijn kritiek op armoede, bezit en maatschappelijke ongelijkheid hoefde aan veenarbeiders nauwelijks theoretisch te worden uitgelegd. Zij zagen de verschillen iedere dag. De vervener bezat grond en voorraad; de arbeider moest telkens opnieuw hopen dat hij werd aangenomen. Vergaderingen, brochures en toespraken gaven woorden aan woede die al lang bestond. Appelscha groeide daardoor uit tot een plaats waar vrije socialisten en andere radicale arbeidersbewegingen veel invloed kregen. De politieke strijd kwam niet van buitenaf over een rustig dorp heen. Zij wortelde in de dagelijkse ervaring van mensen die nauwelijks zekerheid bezaten.

Janke vertelde over de binnenkant van de armoede

Toen Janke van Vondel-Binnema in 1891 over haar leven sprak, kreeg de sociale kwestie een vrouwenstem. Een loon behoorde nooit alleen aan de man die het uitbetaald kreeg. Achter hem stond een huishouden waarin het geld al verdeeld was voordat het binnenkwam. Een slechte week betekende minder eten. Ziekte betekende dat inkomen verdween terwijl kinderen gewoon verder moesten worden gevoed. Vrouwen leenden, stelden aankopen uit, herstelden kleding en probeerden met bijna niets toch een maaltijd op tafel te krijgen. De strijd tussen vervener en arbeider eindigde daarom niet bij het loonbureau. De gevolgen ervan lagen thuis in kasten, pannen en bedden.

Het hongeroproer van 1893

In 1893 liep de spanning in Appelscha opnieuw hoog op. Het hongeroproer ontstond niet plotseling. Jaren van lage lonen, onzeker werk en conflicten hadden gezinnen uitgeput. Wanneer inkomsten wegvielen, werd ondersteuning een levenskwestie. Arbeiders wilden eten en bestaanszekerheid; bestuurders en gezagsdragers wilden voorkomen dat de orde instortte. Daar stonden twee werelden tegenover elkaar. Voor autoriteiten was er onrust. Voor een moeder thuis was er geen brood. Juist in zulke omstandigheden werd duidelijk hoe weinig afstand er lag tussen armoede en openlijk verzet. Wanneer mensen nauwelijks nog iets konden verliezen, werd gehoorzaamheid steeds moeilijker af te dwingen.

Drinken, vloeken en ruzie

De arbeiders waren geen keurige figuren uit een gedenkboek. Mannen werkten hard, maar er werd ook gedronken, gevloekt en gevochten. Alcohol kon na een zware dag ontspanning en kameraadschap bieden, maar iedere cent die aan drank werd uitgegeven kon thuis ontbreken. Daar ontstond ruzie. Een vrouw die wist dat kinderen schoenen of eten nodig hadden, kon woedend worden wanneer loon niet volledig thuiskwam. Armoede maakte mensen niet automatisch deugdzaam. Zij maakte het bestaan scherper. Liefde, geweld, humor, trots, teleurstelling en drank liepen door elkaar. De volgende ochtend moest dezelfde man ondanks de ruzie weer vroeg opstaan en opnieuw zijn loon op het veen verdienen.

Het veen joeg zijn eigen arbeiders weg

Het grootste probleem kon geen staking oplossen: het veen raakte op. Iedere afgestoken laag betekende dat er minder werk overbleef. Rond Appelscha en Haulerwijk kwamen daardoor steeds meer arbeiders tegenover een kleiner arbeidsgebied te staan. Verder naar het oosten lagen echter nieuwe venen. In Drenthe werd op grote schaal ontgonnen. Daar waren opnieuw handen nodig. Voor gezinnen ontstond dezelfde harde keuze die generaties veenarbeiders telkens opnieuw zouden maken. Blijven betekende armoede en strijd om schaarser werk. Vertrekken betekende familie, buren en vertrouwde grond achterlaten. Zo werd de sociale crisis in Friesland het begin van een veel grotere beweging naar Drenthe.

Deel 3 — Met het veen mee naar Drenthe

De trek begon al vroeg

De beweging naar het oosten was ouder dan de grote uittocht uit Appelscha rond 1900. Stephanus Wittendorp, geboren rond 1809 in Friesland, woonde in 1831 al aan de Vaart bij Ommen en werkte als arbeider. Zijn ouders waren Willem Wittendorp en Corneliske Willems. In 1836 vinden we Stephanus met vrouw en kind in Rheezerveen aan de Dedemsvaart. Later trok hij verder naar Drenthe. Hij overleed in 1880 in Erica. Zijn leven toont hoe arbeiders al in de eerste helft van de negentiende eeuw langs kanalen, ontginningen en veenderijen bewogen. Friesland, Overijssel en Drenthe vormden voor hen één groeiend arbeidsgebied.

Het veenfront schoof langzaam oostwaarts

De verhuizing van Friesland naar Drenthe was lang niet altijd één grote sprong van Appelscha naar Emmer-Compascuum. Het ontginningsfront schoof door het landschap en arbeiders volgden het stap voor stap. Smilde, Odoorn, Valthermond, Tweede Exloërmond, Nieuw-Weerdinge, Weerdingermond en pas daarna de grote Emmer venen vormden schakels in dezelfde beweging. Sommige gezinnen verbleven jaren in één gebied voordat zij verdergingen. Kinderen werden onderweg geboren, trouwden daar en trokken vervolgens zelf opnieuw verder. Daardoor ontstond geen rechte migratielijn maar een waaier van kleine verhuizingen. De plaatsnamen in geboorte-, trouw- en bevolkingsregisters laten zien hoe langzaam een compleet arbeidersmilieu naar het oosten verschoof.

Aafke de Haan ging juist de andere kant op

Niet iedere beweging liep van Friesland naar Drenthe. Aafke Roelofs de Haan, geboren in 1835 in Smilde, trouwde met Hendrik Reinders de Vries, geboren in 1833 in Hemrik. Hun kinderen werden vervolgens in Appelscha en Fochteloo geboren. Hun gezin bewoog dus juist vanuit een Drentse veenomgeving richting Friesland. Dat is belangrijk. Arbeiders volgden geen provinciegrenzen en ook geen vooraf bepaalde oostelijke route. Zij volgden familie, werk en kansen. Wanneer in Friesland tijdelijk meer perspectief lag, kon de beweging teruggaan. Pas later trok een volgende generatie misschien opnieuw naar Drenthe. Zo liepen de migratiestromen voortdurend door elkaar heen.

Aaltjen Kuldert

Aaltjen Kuldert werd rond 1819–1820 in Haskerland geboren als dochter van Marten Johannes Kuldert en Debora Gerrits Bakker. Zij kwam uiteindelijk in Amsterdamscheveld terecht. In 1885 stond zij daar nog als arbeidster geregistreerd. Ze was toen ongeveer 65 jaar. Op 21 april 1885 trouwde de weduwe in Emmen opnieuw, met landbouwer Gerrit Kroezen uit Hoogeveen. Haar leeftijd maakt haar bijzonder. Een vrouw die tientallen jaren arbeid, verhuizingen en waarschijnlijk verlies achter zich had, stond nog steeds tussen de werkende bevolking. Een rustige oude dag was voor arme arbeidersvrouwen geen vanzelfsprekend recht.

Jantje Hof

Ook Jantje Hof, geboren op 6 november 1826 in Ooststellingwerf, kwam in de Drentse veenwereld terecht. Zij was gehuwd met Frederik Sterkenburg en overleed op 4 november 1895 in Emmer-Compascuum. In de officiële registratie stond niet alleen dat zij echtgenote of weduwe was. Haar beroep luidde arbeidster. Dat ene woord is belangrijk. Vrouwen als Jantje verdwenen gemakkelijk achter het beroep van hun man, terwijl hun eigen handen meewerkten aan het gezinsinkomen. Zij droogden, keerden en verplaatsten turf, verzorgden kinderen en hielden daarna thuis het huishouden draaiende. De trek naar Drenthe bestond dus vanaf het begin uit werkende mannen én werkende vrouwen.

Odoorn werd een tussenstation

Voor veel Friese gezinnen werd de gemeente Odoorn een tussenstation op weg naar de nieuwe venen. De oudere ontginningen en de zich ontwikkelende veenkoloniën rond Exloo, Valthe, Tweede Exloërmond en Odoornerveen trokken arbeiders voordat het zwaartepunt verder naar Emmen verschoof. Hier ontmoetten Friese nieuwkomers Drentse arbeiders en andere migranten. Er werd getrouwd en opnieuw verhuisd. Een kind dat in Ooststellingwerf was geboren kon in Odoorn trouwen en later in Emmer-Compascuum sterven. Daardoor werd Odoorn een schakel tussen twee arbeidswerelden. De geschiedenis van de Friese trek naar Drenthe is zonder deze tussenlaag te eenvoudig.

Jacob de Vries en Jipjen Veenstra

Jacob de Vries kwam uit Schoterland en bereikte eveneens deze Drentse tussenwereld. Op 28 maart 1891 trouwde hij in Sleen met Jipjen Veenstra, afkomstig uit Odoornerveen. Hun huwelijk bracht opnieuw een Friese migrant en iemand uit het Drentse ontginningsgebied samen. Zulke huwelijken verankerden migranten sneller dan een arbeidscontract ooit kon doen. Een man kwam misschien aanvankelijk voor werk, maar kreeg daarna schoonfamilie, kinderen en buren in Drenthe. De volgende verhuizing werd vervolgens niet meer door één individuele arbeider gemaakt, maar door een nieuw gezin waarin Friesland en Drenthe al met elkaar waren verweven.

Heine Rozema

Heine Heines Rozema werd op 18 mei 1850 in Ooststellingwerf geboren. Zijn ouders Heine Heines Rozema en Abeltje Huizenga behoorden eveneens tot de arbeidersbevolking. Op 10 juni 1874 trouwde hij in Odoorn met Aaltje Kuik, geboren in Smilde. Bij het huwelijk werd tevens een eerder geboren kind gewettigd. Heine trok later verder richting het ontginningsgebied rond Emmen en overleed op 31 mei 1901 in Oranjedorp. Zijn leven verbindt Ooststellingwerf, Odoorn en de nieuwe veenkoloniën. De route liep dus lang niet altijd rechtstreeks van Appelscha naar Emmen. Gezinnen konden via oudere Drentse ontginningen stap voor stap verder trekken.

Halbe Akker en Trientje van der Lei

Halbe Jacobus Akker, geboren op 14 april 1865 in Haulerwijk, trouwde op 23 juni 1893 in Odoorn met Trientje van der Lei, geboren op 2 februari 1867 in Appelscha. Hun zoon Fokke Akker werd in 1898 in Tweede Exloërmond geboren. Hier liggen Haulerwijk, Appelscha, Odoorn en Tweede Exloërmond binnen één gezin naast elkaar. Halbe en Trientje kwamen uit hetzelfde Friese veengebied, maar bouwden hun gezinsleven op aan de andere kant van de provinciegrens. Hun zoon zou later schipper worden. Daarmee vormt het gezin een mooie overgang van Friese veenarbeid naar Drentse vervening en vervolgens naar een beroep dat juist gebruikmaakte van de kanalen die voor die vervening waren gegraven.

De familie Duursma

Jan Jelles Duursma en Jantje Rinzes van der Schuit hadden al binnen Friesland verschillende woonplaatsen gekend. Hun kinderen werden onder meer in Kollumerland en Nieuwkruisland en Achtkarspelen geboren. Daarna waaierde het gezin verder uit. Zoon Jelle Duursma trouwde op 19 februari 1878 in Emmen met arbeidster Arentje Smit. Dochter Grietje Duursma, zelf arbeidster, trouwde daar op 21 maart 1884 met arbeider Hilbrand Schoonbeek. Broer Rinze Duursma ontmoette in Weerdingermarke de uit Opsterland afkomstige arbeidster Jantje Luik. Zij trouwden op 17 maart 1885 in Emmen. Familie volgde familie.

Friezen vonden elkaar in Drenthe

Bij Rinze en Jantje kwamen twee Friese arbeidersfamilies in Drenthe bij elkaar. Jantjes ouders, Albert Tijmens Luik en Sjoukjen Douwes Duursma, behoorden eveneens tot de arbeidersbevolking. Zulke huwelijken maakten de nieuwe veenkoloniën tot meer dan tijdelijke werkkampen. Er ontstonden gezinnen, verwantschappen en netwerken. Een broer die al werk had gevonden kon een volgende broer helpen. Een zuster kende adressen en buren. Streekgenoten vertelden waar arbeiders werden aangenomen. Zo werkte kettingmigratie. De eerste die vertrok nam het grootste risico; daarna werd de afstand voor familieleden kleiner. Drenthe werd langzaam gevuld met mensen die elkaar soms al uit Friesland of via familie kenden.

Eite Homan en Antje Wagt

Bij Eite Homan, geboren op 16 september 1864 in Appelscha, en Antje Wagt kan de verhuizing bijna tussen twee wiegen worden geplaatst. Zij trouwden op 22 maart 1889 in Ooststellingwerf. Dochter Willemke werd op 7 januari 1890 nog in Appelscha geboren en zoon Jan op 10 december 1891 in Ooststellingwerf. Dochter Foktje kwam op 1 maart 1894 in Oranjedorp ter wereld. Tussen december 1891 en maart 1894 was het gezin dus naar Drenthe vertrokken. Eite bleef daar en overleed in 1936 in Emmen. Geboorteplaatsen worden zo kilometerpalen van een familieroute.

Fokke de Vries vertrok met het hele gezin

Bij Fokke Reinders de Vries, geboren in 1839 in Hemrik, is zelfs de verhuisdag bekend. Op 8 mei 1895 vertrok hij vanuit Appelscha naar Nieuw-Weerdinge. Hij ging niet alleen. Akke, Hiltje, Hendrik, Oebele, Fimke en Harmen de Vries gingen mee. Op papier is het één regel in een bevolkingsregister. In werkelijkheid moest een compleet huishouden worden opgebroken. Kinderen verlieten hun vertrouwde omgeving en alles wat mee kon moest naar het nieuwe adres. Later duikt de familie verder op in de omgeving van Emmer-Compascuum. De registratie van 8 mei vangt daarom precies het moment waarop één Friese familie onderdeel werd van de Drentse veenbevolking.

De Herders gingen elkaar achterna

Rond Appelscha is kettingmigratie bijna gezin voor gezin zichtbaar. Aaltje Binnes Herder vertrok in maart 1892 met Hendrik Sierts de Vries en hun kinderen naar Emmer-Compascuum. In 1894 volgde haar broer Sijtze Binnes Herder met Grietje Hendriks Leffring en zes kinderen. Ook gezinnen als Korneliske Zwart en Rinse Bruinsma, Ebel Bos en Grietje Iedema, leden van de familie Stoker en het gezin van Janke Hoogeveen en Hendrik Bloemsma verschenen in de nieuwe veengebieden. Een verhuizing werd minder blind wanneer broer, zuster, zwager of buurman al wist waar werk en woonruimte te vinden waren.

Fokke en Klaas Scheper

Ook vanuit Drachten gingen familieleden dezelfde kant op. Fokke Scheper, geboren op 21 augustus 1858 in Drachten, werkte als arbeider en veenarbeider. Zijn broer Klaas Scheper, geboren op 17 april 1861, verschijnt eveneens als arbeider en veenarbeider in de Drentse omgeving. Hun ouders waren Egbert Schepers en Nienke, ook Ninke, van der Veen. Dat twee broers dezelfde arbeidsroute volgden is geen onbeduidend genealogisch detail. Het laat zien hoe migratie zichzelf versterkte. Wanneer één broer wist bij welke vervener werk lag, hoe de reis verliep en waar onderdak mogelijk was, hoefde de tweede niet meer volledig in het onbekende te springen.

Uit veel meer delen van Friesland

De migranten kwamen niet uitsluitend uit Appelscha en Haulerwijk. Jan Damhuis, geboren in 1847 in Franeker, eindigde zijn leven in Barger-Compascuum. Andere arbeiders kwamen uit Schoterland, Opsterland, Achtkarspelen, Smallingerland, Haskerland, Kollumerland en de Stellingwerven. Daarmee wordt duidelijk hoe groot het aantrekkingsgebied van de Drentse vervening uiteindelijk was. Appelscha is belangrijk omdat daar de sociale strijd en de trek goed zichtbaar zijn, maar het was geen afgesloten brongebied. Naarmate de Drentse ontginningen groter werden, trokken zij arbeiders uit een groot deel van Friesland. De nieuwe veenkoloniën werden daardoor ontmoetingsplaatsen van verschillende Friese arbeidersmilieus.

Ook de verveners gingen naar Drenthe

Niet alleen arme arbeiders volgden het veen. Families uit de Appelschaster veenwereld, waaronder Herder, Van der Duin en Van Houten, kregen belangen rond Emmer-Compascuum. Alle Wytzes van der Sluis was verbonden met de N.V. Friesche Veenmaatschappij en woonde later in Erica. Daarmee verhuisde de maatschappelijke tegenstelling mee. De ene Fries kwam met kapitaal, grondbelangen en mogelijkheden om te investeren. De andere arriveerde met vrouw, kinderen en een lichaam dat iedere dag loon moest verdienen. De provinciegrens veranderde niets aan die verhouding. In Drenthe stonden dezelfde groepen opnieuw tegenover elkaar: bezitters die de vervening organiseerden en arbeidersgezinnen die de productie met hun handen uitvoerden.

Deel 4 — Een compleet gezin werd arbeidskracht

Pieter van Vondel en Korneliske de Jong

Pieter van Vondel, geboren op 6 augustus 1863 in Appelscha, trouwde op 18 april 1884 met Korneliske de Jong, geboren daar op 8 januari 1862. Hun kinderen Willem, Tjipkje, Wietze, Abel en Rense kwamen tussen 1885 en 1896 nog in Ooststellingwerf ter wereld. Dochter Antje van Vondel werd op 16 april 1899 in Emmer-Compascuum geboren. De verhuizing ligt dus tussen de geboorte van Rense en Antje. Het waren niet twee volwassenen die een koffer pakten. Vijf kinderen gingen mee. Pieter bleef uiteindelijk in de gemeente Emmen en overleed daar in 1945.

De kinderen werden Drenten

Voor Pieter en Korneliske was Drenthe een nieuwe bestemming. Voor hun jongste kinderen werd het thuis. Tjipkje trouwde er in 1907, Wietze in 1913, Abel in 1916 en Rense in 1917. Antje, die na de verhuizing in Emmer-Compascuum was geboren, trouwde daar in 1920 met arbeider Jakob Breider uit Odoorn. Binnen één generatie veranderde migratie daardoor van een gebeurtenis in gewone familiegeschiedenis. De ouders konden nog vertellen over Appelscha. Hun kinderen gingen naar school, werkten en trouwden in Drenthe. De reis van vader en moeder werd de geboortegrond van de volgende generatie.

Grietje Wildschut en Andries Beijert bleven

Grietje Koenes Wildschut werd op 15 februari 1853 in Haulerwijk geboren. Met Andries Beijert kwam zij op 30 mei 1901 in Nieuw-Weerdinge wonen. Niet ieder gezin trok daarna opnieuw verder. Andries bleef in Nieuw-Weerdinge en overleed daar in 1939. Hun geschiedenis is juist daarom belangrijk. Migratie wordt gemakkelijk verteld als een eindeloze stoet mensen die steeds opnieuw vertrekt, maar voor veel gezinnen was de Drentse veenkolonie uiteindelijk de plaats waar de reis ophield. Zij kwamen als Friezen binnen en werden door tientallen jaren wonen, werken, trouwen en begraven onderdeel van de plaatselijke bevolking. Het tijdelijke arbeidsgebied werd hun thuis.

Neeltje Zwart

Neeltje Zwart, geboren op 5 april 1872 in Appelscha, stond zelf als arbeidster geregistreerd. In 1894 trouwde zij met Jannes Witvoet. Het echtpaar vestigde zich uiteindelijk in Emmer-Compascuum, waar Neeltje op 4 augustus 1933 overleed. Haar leven hoort naast dat van Jantje Hof, Grietje Duursma en Jantje Luik te staan. Samen laten zij zien dat de migratie niet bestond uit mannen die hun vrouwen meenamen. Vrouwen verdienden mee, kregen kinderen, bouwden contacten op en bleven soms de rest van hun leven in de nieuwe streek. Hun arbeid vormde een deel van de economische basis waarop de veenkoloniën draaiden.

Antje van der Heide bleef binnen het veen bewegen

Antje van der Heide, geboren in 1866 in Achtkarspelen, werkte als arbeidster. In 1890 trouwde zij in Odoorn met Harmans de Jonge. Daarna volgde geen rustig bestaan op één adres. Haar levensroute liep door Barger-Compascuum, Emmer-Compascuum, Emmer-Erfscheidenveen en Barger-Oosterveen. Zij overleed in 1941. Antje hoefde geen provinciegrens meer over om migrant te blijven. Binnen enkele tientallen kilometers kon een gezin telkens opnieuw verhuizen wanneer werk, woning of vervening verschoof. Voor vrouwen betekende iedere verhuizing opnieuw een huis bewoonbaar maken, kinderen meenemen en buren achterlaten. Het veenfront bewoog en hun huishouden bewoog mee.

Trijntje Harder en Gepke Westerhof

Trijntje Harder, geboren in 1884 in Ooststellingwerf, verschijnt als arbeidster in Zwartemeer. Gepke Westerhof, geboren in 1892 in Appelscha, was eveneens arbeidster. Gepke trouwde in 1914 in Emmen met Hendrik Neef en woonde daarna in Barger-Compascuum, Emmer-Compascuum en Emmer-Erfscheidenveen. Zij keerde niet terug naar Friesland. Gepke overleed in 1977 en werd in Emmer-Compascuum begraven. Haar leven overspant bijna de volledige verandering van het gebied: zij kwam voort uit de Friese veenarbeiderswereld, groeide in Drenthe verder en leefde lang genoeg om de oude turfmaatschappij grotendeels te zien verdwijnen.

Rink Hof en Metje Beekman

Ook gezinnen als dat van Rink Rinks Hof en Metje Beekman behoren tot deze bredere migratiegeschiedenis. Hun aanwezigheid tussen de Friese arbeiders die in de Drentse venen terechtkwamen laat zien hoe dicht familieverbanden, huwelijken en arbeidsmigratie op elkaar lagen. Een gezin stond nooit volledig los van andere migranten. Broers, zusters, schoonfamilie en streekgenoten vormden een netwerk waarlangs informatie over werk en woonruimte reisde. Daardoor kon een familienaam op verschillende plaatsen langs hetzelfde veenfront terugkeren. Wie alleen afzonderlijke verhuizingen bekijkt, ziet toevallige beweging. Wie de gezinnen naast elkaar legt, ziet een gemeenschap die zich langzaam over Drenthe verspreidde.

Jacob Aardema en Bontje Nuismer

Hetzelfde geldt voor Jacob Aardema en Bontje Nuismer. Zij maken zichtbaar dat de grote geschiedenis niet uitsluitend wordt gedragen door enkele opvallende families waarover veel gegevens bewaard bleven. Achter Van Houten, Van Vondel en Posma stonden tientallen minder bekende huishoudens die dezelfde beslissingen moesten nemen: blijven of vertrekken, werk aannemen of verder zoeken, kinderen meenemen en ergens opnieuw beginnen. Hun namen verdienen daarom een plaats in het verhaal. De Drentse veenkoloniën werden niet gebouwd door een paar uitzonderlijke migranten, maar door een massa gezinnen waarvan de afzonderlijke levens vaak slechts in geboorte-, huwelijks-, overlijdens- en bevolkingsregisters zijn terug te vinden.

Eelze Poede en Antje Wiltschut

Ook Eelze Poede en Antje Wiltschut horen bij die minder zichtbare stroom. Hun betekenis zit juist in het gewone karakter van hun geschiedenis. De veenarbeidersmigratie bestond voor het grootste deel uit mensen die geen memoires schreven, geen vakbondsleider werden en geen uitvinding deden. Zij werkten, kregen kinderen, verhuisden en verdwenen uiteindelijk in registers. Toch veranderden al die kleine levens samen het bevolkingsbeeld van Zuidoost-Drenthe. Dorpen groeiden, scholen kregen kinderen en nieuwe familieverbanden ontstonden. Iedere arbeider die kwam, bracht ook een huishouden en een verleden mee. Daardoor verhuisde met de arbeidskracht een stuk Friese samenleving naar het Drentse veen.

Een arbeidershuis kon zelf tijdelijk zijn

Niet iedere migrant kreeg een behoorlijk huis. Seizoenarbeiders sliepen soms in eenvoudige keten en in arme veenkoloniën bleven primitieve woningen en plaggenhutten lang bestaan. Wie zich blijvend aan een vervener verbond kon een arbeiderswoning huren. Dat bood onderdak, maar maakte het gezin ook afhankelijk. Werk en woning konden aan dezelfde economische macht vastzitten. Ruzie met een werkgever betekende dan meer dan een verloren arbeidsdag. Ook het dak boven vrouw en kinderen kon onzeker worden. De verhuizing naar Drenthe was daarom geen bevrijding uit de Friese armoede. Gezinnen kwamen naar een nieuw arbeidsgebied, maar namen hun kwetsbaarheid gewoon mee.

Harmen van Houten werd in het veen geboren

Harmen van Houten werd op 11 september 1900 in Emmer-Compascuum geboren. Zijn vader kwam uit Haulerwijk, waar de beste jaren van de vervening voorbij waren. Zijn ouders waren naar Drenthe gegaan omdat daar nog volop turf werd gewonnen. Harmens moeder werkte mee bij het drogen en opstapelen. Op de dag dat Harmen werd geboren waren zijn ouders bezig met het bijeenbrengen van gedroogde turf. Zijn vader ging na het turfseizoen gewoonlijk naar Duitsland om verder te verdienen, maar bleef dat jaar vanwege de zwangerschap thuis. In één geboorte komen zo vrouwenarbeid, seizoenwerk, Duitslandgang en gezinsleven samen.

Harmen ging na de zesde klas werken

Harmen groeide niet naast het veen op, maar erin. Kleine kinderen gingen met hun moeder mee wanneer zij werkte. Oudere kinderen konden zelf worden ingezet. Harmen verliet na de zesde klas de school en werkte vanaf ongeveer zijn twaalfde mee. Vanaf 1912 behoorde hij dus zelf tot de arbeidsploeg van het gezin. Daarmee veranderde de zoon van Friese migranten in een Drentse veenarbeider. Zijn ouders waren vertrokken om werk te vinden; hun kind groeide op in een samenleving waarin hetzelfde werk vanzelfsprekend onderdeel van zijn jeugd werd. De arbeidsmigratie had binnen één generatie een nieuwe plaatselijke arbeidersklasse voortgebracht.

Zelfs hun huis moest voor turf wijken

In 1917 werkte het gezin Van Houten aan het Scholtenskanaal voor de verveners Herder en Van der Duin. Het gezin woonde in een oude keet of boerderij. Maar ook onder die woning zat winbare turf. De vervening kwam steeds dichterbij en uiteindelijk moest het gezin vertrekken omdat de grond onder hun eigen huis moest worden afgegraven. Zij verhuisden naar een stenen arbeiderswoning die nog nauwelijks gereed was. Hier wordt „met het veen mee” bijna letterlijk. De turf bepaalde niet alleen waar vader werkte. Zij bepaalde zelfs hoe lang zijn vrouw en kinderen op dezelfde plek mochten blijven wonen.

Winkelnering hield arbeiders vast

De afhankelijkheid kon verder gaan dan loon en woning. Van Houten herinnerde zich vervener Smit in Emmer-Erfscheidenveen, bij wiens winkel zijn ouders boodschappen deden. Werkgever, winkelier en plaatselijke ondernemer konden zo dicht bij elkaar liggen. Het loon dat op het veen was verdiend, vloeide voor dagelijkse boodschappen gedeeltelijk terug naar dezelfde economische kring. Rond winkelnering ontstond daarom veel verzet. Volgens Van Houtens herinneringen kwamen winkelnering en zelfs zondagsarbeid rond 1910 in Emmer-Compascuum nog voor. Wie schuld had bij de winkel en voor dezelfde vervener werkte, kon moeilijk eenvoudig zijn spullen pakken en een conflict aangaan.

Drank stond soms bij dezelfde ondernemer

Van Houten herinnerde zich bij Smit bovendien de combinatie van winkel en drankverkoop. Mannen konden er drinken terwijl hun gezinnen voor dagelijkse levensmiddelen eveneens op dezelfde omgeving waren aangewezen. Zo kwamen loon, boodschappen, schuld en drank gevaarlijk dicht bij elkaar. Een man kon de hele dag hard werken en toch met minder geld thuiskomen dan zijn vrouw nodig had. Dan volgde thuis de rekening: eten, kleding en kinderen wachtten niet. De maatschappelijke macht van de vervener zat daardoor niet alleen in een kantoor of op een turfveld. Zij kon voelbaar zijn wanneer een vrouw boodschappen deed en wanneer haar man na het werk nog geld uitgaf.

Deel 5 — Vuur, organisatie en de laatste grote turfstrijd

Een Friese arbeiderscultuur groeide in Drenthe

De migranten namen meer mee dan arbeidskracht. In Emmer-Compascuum ontstond een arbeiderscultuur met liederen, lectuur, toneel, bijeenkomsten, geheelonthouding, vrijdenken en politieke discussie. De Friese aanwezigheid was zo sterk dat in herinneringen zelfs de naam „Friesch Compascuum” voorkwam. Mensen uit Appelscha en Haulerwijk brachten ervaringen met sociale strijd mee. Er werd gelezen en gediscussieerd; in vrije socialistische kringen ging het niet alleen over loon maar ook over opvoeding en maatschappelijke verandering. Harmen van Houten herinnerde zich zelfs belangstelling voor sterrenkunde. De veenkolonie bestond dus niet alleen uit ellende. Tussen de turf ontstond ook een eigen arbeiderscultuur.

Zuster-trouw

Vrouwen organiseerden zich eveneens. In Emmer-Compascuum ontstond de vrouwenorganisatie Zuster-trouw. Dat is belangrijk omdat vrouwen in deze wereld geen toeschouwers waren. Zij werkten, verzorgden kinderen, beheerden schaarse huishoudbudgetten en voelden een loonsverlaging of staking direct in hun keuken. Hun organisatie gaf hen een eigen plaats in de arbeidersbeweging. De lijn loopt rechtstreeks terug naar de vrouwen die in Appelscha in 1890 voor hoger loon hadden gestaakt. De plaats was veranderd, maar vrouwen bleven deel van arbeid én strijd. De Friese migranten brachten niet alleen kennis van turf mee naar Drenthe. Ook ervaring met organisatie en verzet reisde mee.

VIOS

Daarnaast organiseerden veenarbeiders zich in Vooruitgang is ons Streven — VIOS. De vereniging telde op een gegeven moment 82 leden en stond onder voorzitterschap van de vrije socialist Simon Smit. VIOS stelde concrete loontarieven voor aan de verveners. Wanneer werkgevers die afwezen, kon het conflict uitgroeien tot een staking waarbij honderden en soms ongeveer duizend arbeiders betrokken waren. De strijd uit Appelscha kreeg zo in Drenthe een nieuwe vorm. Mannen die waren verhuisd om werk te vinden, accepteerden niet automatisch iedere voorwaarde van hun nieuwe werkgever. Zij namen hun ervaring met solidariteit, stakingen en vrije socialistische ideeën mee.

Mei 1917 — het veen vloog in brand

Na ongeveer twee droge weken joeg in mei 1917 een krachtige wind het vuur door de venen rond Valthermond, Weerdingermond, Emmer-Compascuum en Emmer-Erfscheidenveen. Harmen van Houten maakte de ramp mee. Uiteindelijk kwamen zestien mensen om en raakten vele gezinnen dakloos. Woningen, keten en enorme hoeveelheden gewonnen turf gingen verloren. Militairen werden ingezet om hulp te bieden. Voor arbeiders was het een ramp op alle fronten tegelijk. Hun huis kon verbranden, hun bezit verdwijnen en de turf waarmee zij loon moesten verdienen eveneens in vlammen opgaan. Jaren opbouwen kon in enkele uren eindigen in rook.

Jan Herder en de kinderen van Derk van der Ley

Onder de zestien dodelijke slachtoffers bevond zich veenarbeider Jan Herder. Ook twee kinderen van veenarbeider Derk van der Ley kwamen om. Een compleet schippersgezin werd getroffen. Daarmee verandert een rampengetal in gezinnen die 's morgens nog bestonden en 's avonds iemand misten. Latere opgaven noemen onder andere 72 verloren woningen in Valthermond, één in Nieuw-Weerdinge en vijf in Emmer-Erfscheidenveen. Veel bewoners waren migranten of kinderen van migranten die juist naar deze streek waren gekomen om iets op te bouwen. De brand liet zien hoe broos dat nieuwe bestaan was. Huis, werk en familie konden in dezelfde vuurzee worden getroffen.

De oorlog gaf turf nog één opleving

De Eerste Wereldoorlog veranderde vanaf 1914 de brandstofmarkt. Nederland bleef neutraal, maar internationale aanvoer werd verstoord en brandstoffen werden schaars. Daardoor kreeg turf tijdelijk opnieuw betekenis. Voor veenarbeiders betekende dat meer vraag en voor Zuidoost-Drenthe kwamen opnieuw gezinnen naar het gebied. Maar de opleving maskeerde het fundamentele probleem. Hoogveen groeide niet terug in het tempo waarin het werd afgegraven. Iedere succesvolle turfdag maakte de voorraad kleiner. Na de oorlog kwam de terugslag. Gezinnen die juist tijdens de betere jaren 1914–1920 naar Drenthe waren getrokken, ontdekten dat hun nieuwe arbeidsgebied veel minder toekomst bood dan zij enkele jaren eerder hadden gedacht.

1921 — de staking werd een strijd om eten

In 1921 bereikte de sociale strijd opnieuw een hoogtepunt. Harmen van Houten herinnerde zich hoe gezinnen steeds verder werden uitgeput. Wanneer arbeiders staakten, kwam geen loon binnen, terwijl zes of zeven kinderen thuis gewoon moesten eten. Volgens zijn herinneringen werd doorgevochten totdat bij sommige gezinnen vrijwel het laatste brood op was. Politieoptreden en honger maakten verder verzet steeds moeilijker. Hier wordt zichtbaar waarom een staking niet alleen op het veen moet worden beschreven. De werkelijke druk lag ook thuis. Iedere extra stakingsdag betekende opnieuw een maaltijd waarvoor nauwelijks geld bestond. Uiteindelijk kon honger sterker worden dan solidariteit.

Werkverschaffing in plaats van turf

Toen de turfwinning na de Eerste Wereldoorlog terugliep, kwamen arbeiders in de werkverschaffing terecht. Werkloze mannen werden onder meer ingezet bij ontginningen en werkzaamheden op de Drentse heide. Dat was geen comfortabele reddingsboei. Van Houten herinnerde zich een protestvergadering van het NAS in april 1922, waar Van der Wal vertelde dat hij in veertien weken nog geen 150 gulden had verdiend. Voor mannen die jarenlang in het veen hadden gewerkt, veranderde het soort werk, maar niet de noodzaak om met zwaar handwerk een gezin te onderhouden. De vraag werd steeds dringender: blijven wachten op werk in Drenthe, of opnieuw vertrekken?

Deel 6 — De kinderen van de migranten zoeken ander werk

Lourens Bosma werd in Drenthe geboren

Lourens Bosma, geboren in 1892 in Weerdingermond, behoorde al tot een volgende generatie. Zijn ouders én grootouders waren vanuit Ooststellingwerf gekomen. Friesland was dus familiegeschiedenis; zijn eigen geboortegrond was Drenthe. In 1964 schreef hij herinneringen aan het veenleven op. Daarmee staat hij precies op het kantelpunt. Grootouders hadden de migratie gemaakt, ouders hadden zich gevestigd en het kleinkind kon tientallen jaren later terugkijken op een wereld die inmiddels grotendeels verdwenen was. Arbeidsmigratie was bevolkingsgeschiedenis geworden. De Friezen hadden niet alleen turf gestoken. Hun kinderen en kleinkinderen waren Drentse dorpen gaan bevolken.

Binnen Drenthe bleef iedereen bewegen

Aankomst in Drenthe betekende niet dat een gezin voortaan op één adres bleef. Jan Tjibbes Visser, geboren in Idzard in Weststellingwerf, vertrok in 1903 vanuit Ooststellingwerf naar Emmer-Erfscheidenveen en kwam later in Emmer-Compascuum terecht. Jan Moes en Tjitske Beuving verhuisden in hetzelfde jaar vanuit Ooststellingwerf naar Emmer-Compascuum, vervolgens naar Emmer-Erfscheidenveen en in 1913 naar Assen. De provinciegrens was slechts één stap. Ook daarna bleef het gezin zoeken naar de plek waar woning en werk nog samen konden worden gevonden. Het veenfront schoof en de arbeiders schoven mee.

Jan Moes veranderde telkens van beroep

Jan Moes verschijnt achtereenvolgens als schipper, landarbeider en groentenhandelaar. Zijn loopbaan laat zien hoe de wereld na de turf langzaam breder werd. Als schipper gebruikte hij het water dat voor de vervening was aangelegd. Als landarbeider verdiende hij opnieuw met zijn lichaam. Als groentenhandelaar moest hij goederen inkopen, vervoeren en verkopen. Geen van die beroepen garandeerde rijkdom, maar samen tonen ze dat een voormalige veenarbeider niet noodzakelijk opnieuw hoefde te migreren zodra de turf verdween. Een gezin kon blijven terwijl de kostwinner van beroep veranderde. Zo werd een tijdelijke veenkolonie langzaam een gewone samenleving met uiteenlopende vormen van arbeid.

Keimpe Pijpstra pakte een andere schop

Keimpe Pijpstra, geboren op 9 september 1889 in Ooststellingwerf, trouwde op 29 augustus 1911 in Emmen met Sietske de Jong. Hij werkte als veenarbeider of arbeider. In februari 1927 verhuisde het gezin van Emmer-Compascuum naar Emmer-Erfscheidenveen. In 1929 werd Keimpe als grondwerker geregistreerd. Het was geen grote maatschappelijke sprong. Nog steeds groef, droeg en verplaatste hij grond. Maar zijn loon kwam niet langer rechtstreeks uit turf. Dezelfde rug en armen kregen ander werk. Voor veel voormalige veenarbeiders verliep de overgang naar de twintigste eeuw precies zo: niet via een opleiding of kantoor, maar via een andere schop.

Fokke Akker koos het water

Fokke Akker, geboren in 1898 in Tweede Exloërmond, was zoon van Halbe Jacobus Akker uit Haulerwijk en Trientje van der Lei uit Appelscha. Fokke werd later schipper. Zijn ouders hadden hun bestaan opgebouwd in een streek die dankzij de vervening groeide; de zoon gebruikte de infrastructuur die dat veenbedrijf had achtergelaten. Kanalen die waren gegraven om turf af te voeren bleven bestaan toen de turf minder belangrijk werd. Zij konden nu andere goederen en andere beroepen dragen. Zo veranderde de verhouding van één familie tot het landschap binnen één generatie. Vader werkte in het ontginningsgebied. Zoon verdiende op het water dat de ontginning mogelijk had gemaakt.

Abel van Vondel ging langs de deuren

Abel van Vondel, zoon van Pieter van Vondel en Korneliske de Jong, werd onder meer melkventer. Dat eenvoudige beroep vertelt veel over de ontwikkeling van de veenkolonie. Een melkventer heeft straten en klanten nodig. De nederzetting waarin zijn ouders waren aangekomen om turf te winnen, was inmiddels groot genoeg geworden voor handel en dienstverlening. Abel hoefde niet automatisch dezelfde turfgraver te worden als de generatie vóór hem. Zijn zus Tjipkje zou via haar huwelijk uiteindelijk met Heerlen verbonden raken. Eén gezin begon zich zo over verschillende arbeidswerelden te verspreiden: de ene tak bleef in Drenthe, een andere ging opnieuw honderden kilometers verder.

Tjibbe Tuik ging de fabriek in

Tjibbe Tuik, geboren op 30 juni 1896 in Appelscha, was drie jaar oud toen zijn ouders Melle Tuik en Sijke Bruinsma in december 1899 naar Zwartemeer verhuisden. Hij werd later arbeider, veenarbeider en fabrieksarbeider en trouwde in 1918 met Annigje Jagt. Tjibbe stond daarmee met één been in de oude veenwereld en met het andere in de industriële twintigste eeuw. In een fabriek bepaalde niet het weer maar de klok het arbeidsritme. De machine wachtte niet op de arbeider. Er kwam meer regelmaat, maar ook andere discipline. De zoon van veenmigranten leerde zo een nieuwe vorm van loonarbeid kennen.

Henderkien Schokker bleef nergens lang

Henderkien Schokker, geboren op 26 augustus 1892 in Nij Beets, was zelf arbeidster. Op 23 oktober 1913 trouwde zij in Emmen met Geert de Jong. Haar levensroute liep langs Duitsland, Zwartemeer, Weerdinge, Barger-Oosterveen, Linde, opnieuw Zwartemeer, Barger-Compascuum en vanaf 1933 Veenoord. Haar zoontje Ate Wiebe de Jong stierf op 7 augustus 1917, twee jaar oud. Henderkiens leven laat zien hoe misleidend één pijl Friesland–Drenthe is. Een vrouw kon meerdere provinciegrenzen én de landsgrens passeren, kinderen krijgen en verliezen en telkens opnieuw een huishouden opbouwen.

Deel 7 — Duitsland werd de volgende arbeidsmarkt

Drenthe en Duitsland konden één arbeidsjaar vormen

Voor sommige mannen hield het arbeidsjaar op het Drentse veen niet op. Harmen van Houtens vader vertrok na het turfseizoen gewoonlijk naar Duitsland om daar verder te verdienen. Het gezin bleef in Emmer-Compascuum achter. Daarna kwam vader weer terug. Zijn ooms uit Haulerwijk deden iets vergelijkbaars richting Drenthe: zij kwamen tijdens het graafseizoen, sliepen eenvoudig in een machineloods en fietsten rond feestdagen naar huis. Zo bestond naast permanente migratie een voortdurende stroom seizoenarbeiders. Friesland, Drenthe en Duitsland waren voor zulke mannen geen drie afzonderlijke werelden. Het waren plaatsen binnen hetzelfde jaarlijkse gevecht om voldoende loon.

Lammert Oosting probeerde Fehndorf

Lammert Oosting, geboren op 12 oktober 1900 in Emmen, was zoon van Tjalling Oosting, geboren op 23 april 1873 in Ooststellingwerf. Lammert werkte als veenarbeider. Op 21 april 1922 vertrok hij naar Fehndorf in Duitsland. Op 16 juni was hij alweer terug. Nog geen twee maanden lagen tussen beide data. Juist daarom is zijn reis belangrijk. Een grenspassage betekende niet noodzakelijk emigratie. Een arbeider kon Duitsland proberen, terugkomen en enkele jaren later opnieuw een totaal andere richting kiezen. Lammerts Duitse episode was kort. Zijn volgende vertrek zou hem veel verder van de Drentse turf brengen.

Barteld Stuiver ging met een gezin

Barteld Stuiver, geboren op 3 november 1876 in Ooststellingwerf, was al als zesjarige naar Zwartemeer gekomen. Hij trouwde op 11 april 1899 met Roelofje Posthuma en kreeg onder anderen Aaltje, Jacob, Molle, Rense, Remkien, Hendrik en Wietske. Op 14 maart 1918 trouwde hij opnieuw, met Hillichje Moes; uit dat huwelijk kwamen onder anderen Hilligje, Geert en Derk. Toen Barteld en Hillichje op 29 mei 1922 naar Fehndorf vertrokken, verhuisde dus een huishouden met een lang familieverleden. Arbeidsmigratie betekende voor kinderen opnieuw een ander huis, andere buren en een andere omgeving.

Elf maanden later waren ze terug

Op 16 april 1923 stonden Barteld en Hillichje alweer in Zwartemeer geregistreerd. Duitsland was geen eindpunt geworden. Daarna werd Barteld grondwerker. Op 16 juli 1927 vertrok hij opnieuw, nu naar Enschede, waar hij textielarbeider werd. Hij overleed daar op 25 maart 1944. Zijn arbeidsleven liep daarmee van Friesland via het Drentse veen naar Duitsland, terug naar Drenthe en uiteindelijk naar de Twentse industrie. Geen enkel beroep en geen enkele plaats hield hem voorgoed vast. Toen turf geen zekerheid meer bood, ging hij niet naar de Limburgse mijn maar naar textiel. Dezelfde arbeidsmigratie kon dus totaal verschillende eindpunten krijgen.

Gerardus Pieter Mietus verloor zijn bestaan op het water

Niet iedere Duitslandganger kwam uit het veen. Gerardus Pieter Mietus, geboren in 1858 in Drachten, was schipper. Met zijn zeilvrachtschip vervoerde hij onder meer turf en aardappelen. Zijn vrouw Fokje van der Veen, geboren in Makkum, en hun kinderen leefden mee aan boord. Nadat bevroren aardappelladingen en schade aan het schip het bestaan hadden ondermijnd, koos het gezin een radicale uitweg. Rond 1897–1898 vertrokken zij naar Recklinghausen. Een Fries schippersgezin werd zo onderdeel van de Duitse industriële arbeidswereld. Niet het veen zelf, maar de instorting van een bestaan dat ermee verbonden was, zette hen in beweging.

Familie en bekenden volgden

Rond de Mietus-familie ontstond een migrantenkring. Namen als Van der Veen, Bouwhuis, De Jong, Betzema, Buist, Van der Hooft, Jeninga, Van den Brink, Walthuis en Lammersma duiken in dezelfde bredere beweging op. Het patroon lijkt sterk op de trek naar Drenthe. Eerst ging iemand die werk of een adres vond. Daarna werd Duitsland voor verwanten en bekenden minder onbekend. Men wist waar mijnen en fabrieken lagen, bij wie men tijdelijk terechtkon en hoe de reis verliep. Kettingmigratie stopte dus niet bij de Nederlandse grens. De sociale netwerken die Appelscha met Emmer-Compascuum hadden verbonden, konden later Friesland met het Ruhrgebied verbinden.

Albert Huisman en Akke Melchers

In 1901 vertrokken Albert Huisman en Akke Melchers met vijf zoons en twee dochters vanuit Friesland naar Iserlohn. Bekenden waren hun al voorgegaan. Albert vond werk in een staalfabriek. Verschillende zoons gingen later eveneens in de staalindustrie werken; zoon Sjoerd Huisman werd mijnwerker. Hier verhuisde dus in één keer een compleet gezin naar de Duitse industrie. De kinderen groeiden niet langer tussen turfvelden op, maar tussen fabrieken, mijnen en arbeiderswijken. In 1917 keerde het gezin naar Nederland terug. Daarna trokken verschillende zoons verder richting Treebeek en de Limburgse mijnstreek. Duitsland werd zo een tussenstation.

Jan Jeninga bouwde in Duitsland een gezin op

Jan Jeninga, geboren op 13 januari 1892 in Tijnje, werd mijnwerker in Recklinghausen en trouwde met Maike Mietus, geboren op 1 december 1892 in Menaldumadeel. Dochter Albertje werd op 15 september 1913 in Recklinghausen geboren. Fokje volgde op 9 oktober 1915, maar stierf daar op 23 januari 1916, nog geen vier maanden oud. Duitsland was voor Jan en Maike dus geen tijdelijke werkplek. Zij kregen er kinderen en begroeven er een kind. De arbeidsmigratie had zich in hun gezinsleven genesteld. Toen zij later vertrokken, namen zij niet alleen Duitse werkervaring maar ook herinneringen aan geboorte en verlies mee.

In 1918 waren de Jeninga's terug

Dochter Namkje Jeninga werd op 7 september 1918 in Bolsward geboren. Het gezin was dus naar Nederland teruggekeerd. Maar ook Friesland werd geen definitieve bestemming. Zoon Geert Jan kwam in 1924 in Heerlen ter wereld. Binnen elf jaar werden kinderen van dezelfde ouders geboren in Recklinghausen, Bolsward en Heerlen. Hun geboorteplaatsen vormen bijna een kaart van de arbeidsmarkt. Duitsland trok vader naar de mijn. Oorlog en veranderende omstandigheden brachten het gezin terug naar Nederland. Vervolgens bood Limburg opnieuw werk in de steenkool. De kinderen reisden mee totdat een nieuwe generatie uiteindelijk op de plaats van aankomst werd geboren.

De Eerste Wereldoorlog brak oude routes open

De jaren 1914–1918 vormden voor veel Nederlanders in Duitsland een breuk. Duitsland was oorlogvoerend; Nederland bleef neutraal. Voedseltekorten, mobilisatie, grenscontroles en economische ontregeling veranderden het dagelijkse leven. Sommige gezinnen bleven, andere keerden terug. Tegelijkertijd groeide in Zuid-Limburg een Nederlandse mijnindustrie die ervaren arbeidskrachten nodig had. Een Fries die in Westfalen mijnwerker was geworden, hoefde na terugkeer dus niet opnieuw landarbeider of turfgraver te worden. Zijn Duitse ervaring was bruikbaar bij Wilhelmina, Emma, Hendrik of Maurits. Zo schoof een deel van de arbeidsstroom vanuit Duitsland rechtstreeks door naar de Nederlandse steenkool.

Deel 8 — Van Duitsland naar de Limburgse mijnen

Jan Zuidema

Jan Zuidema vertrok vanuit Zwaagwesteinde naar Recklinghausen en deed daar ervaring op in de mijnbouw. In 1916 kwam hij naar Zuid-Limburg en ging bij Staatsmijn Emma werken. Hij klom op tot opzichter. Maar ook de mijn werd niet zijn enige economische wereld. In 1938 begon hij in Heerlen een viswinkel. Zijn leven omvat daardoor verschillende stappen: Friesland, Duitse mijnbouw, Limburgse Staatsmijnen en uiteindelijk zelfstandig winkelbedrijf. Het is precies de ontwikkeling die in de tweede generatie steeds vaker zichtbaar wordt. Arbeidsmigratie bracht niet alleen een nieuwe woonplaats. Zij kon kennis, contacten en soms mogelijkheden opleveren om later een ander bestaan op te bouwen.

Jakob Buist en Jantje Mietus

Jakob Buist, geboren op 1 juni 1887 in Haulerwijk, trok eveneens naar Duitsland en trouwde in Recklinghausen met Jantje Mietus. Uiteindelijk kwamen zij in Treebeek terecht. Jakob werd spoorwegwachter en Jantje winkelhoudster. Hun leven is belangrijk omdat de Limburgse mijnstreek veel meer werk bood dan alleen ondergrondse mijnarbeid. Rond de schachten ontstonden spoorlijnen, winkels, bouwbedrijven, werkplaatsen en diensten. Een migrant kon dus door de mijnindustrie worden aangetrokken zonder zijn hele leven mijnwerker te blijven. Jantje stond achter een toonbank, Jakob werkte aan het spoor. De steenkool schiep een complete stedelijke economie waarin ook andere beroepen konden groeien.

Pieter Jorritsma deed bijna alles

Pieter Jorritsma uit Sneek had een arbeidsleven dat nauwelijks in één beroepsnaam past. Hij werkte als boodschappenjongen, tabakszakkenbinder, tabaksstripper en schippersknecht. Op negentienjarige leeftijd vertrok hij na een arbeidsconflict naar Duitsland en ging in een kolenmijn werken. Daar werkte hij zich op tot houwer. Maar hij bleef niet. Jorritsma keerde terug naar de scheepvaart, voer met een palingaak tussen Friesland en Londen, werkte in een fabriek en ging later als zeeman naar buitenlandse havens. Waar werk lag, ging Pieter. Zijn arbeidsleven was één lange beweging.

En daarna opnieuw onder de grond

Na al die omzwervingen kwam Pieter Jorritsma uiteindelijk opnieuw in de mijnbouw terecht, ditmaal in Zuid-Limburg. Daarmee breekt zijn leven ieder eenvoudig schema. Hij werd niet van landarbeider mijnwerker en bleef dat vervolgens veertig jaar. Hij ging van winkelwerk naar tabak, scheepvaart, Duitse steenkool, opnieuw scheepvaart, fabriek, zeevaart en uiteindelijk Limburgse mijnbouw. Zo leefden arbeiders werkelijk wanneer zekerheid ontbrak. Zij grepen wat beschikbaar was. Een beroep was niet altijd een identiteit voor het leven, maar iets waarmee die maand of dat jaar geld kon worden verdiend. Jorritsma maakt die beweeglijkheid uitzonderlijk duidelijk.

Jouke Bonnes Posma

Jouke Bonnes Posma, geboren op 20 december 1855 in Oldeholtwolde, kwam uit de Friese turfwereld. In juli 1898 verhuisde hij met zijn gezin naar Wanne en ging werken bij steenkolenmijn General Blumenthal. Zijn zoons Bonne, Jacob en Abele groeiden daardoor op met een heel andere industrie dan hun vader uit Friesland kende. Bonne was op 11 oktober 1879 in Beets geboren, Jacob in 1882 en Abele in 1886. De Duitse mijnstreek werd hun technische leerschool. Toen de Nederlandse mijnbouw uitbreidde, beschikten zij over kennis die in Zuid-Limburg bijzonder waardevol was.

Bonne Posma

Bonne Posma trad op 5 juni 1905 in dienst bij Staatsmijnen. Hij werkte bij Staatsmijn Wilhelmina, behaalde in 1909 zijn opzichtersdiploma en werd uiteindelijk chef van het ondergrondse bedrijf van Staatsmijn Hendrik. Zijn broers volgden eveneens technische en leidinggevende loopbanen. In 1927 waren Bonne, Jacob en Abele bij verschillende mijnzetels in belangrijke functies werkzaam. Uiteindelijk kwamen ook de andere twee zoons van Jouke Posma en een schoonzoon bij Staatsmijnen terecht. Daarmee was vrijwel een complete familietak vanuit de Friese turf via Duitse steenkool in de Nederlandse mijnindustrie beland.

Jacob Posma kwam van het turfschip

Jacob Posma had als jongen nog op de turfschepen van zijn familie gevaren. Later werd hij bedrijfsingenieur bij Staatsmijn Maurits. Daar ontwikkelde hij een ijzeren ondersteuning voor mijngangen die bekend werd als de Jacob-stijl en waarvoor octrooi werd verkregen. Binnen één mensenleven veranderde de wereld volledig. Als jongen voer hij met turf die vlak onder de Friese bodem was gewonnen. Als volwassen ingenieur hield hij zich bezig met de veiligheid van gangen diep onder Limburg. De jongen van het turfschip was onderdeel geworden van de technische leiding van een moderne steenkoolindustrie. Bij weinig personen is de overgang tussen beide energiewerelden zo scherp.

Maar de Posma's waren uitzonderlijk

De meeste Friese migranten werden geen ingenieur of chef. Zij kwamen als houwer, sleper, grondwerker, spoorwegman, machinebankwerker of bovengrondse arbeider terecht. Industrialisatie schafte de maatschappelijke verschillen niet af. Een chef van het ondergrondse bedrijf woonde en leefde anders dan een gewone houwer. De Posma's tonen wat binnen een uitzonderlijke familielijn mogelijk was, maar niet wat de gemiddelde migrant bereikte. Voor duizenden mannen veranderde vooral de plaats waar zij zwaar werk verrichtten. In Friesland en Drenthe lag de brandstof onder een open veenveld. In Limburg moest de arbeider honderden meters onder de grond. De rug bleef werken; alleen de wereld eromheen werd moderner.

Deel 9 — Onder de schachtbok

Lammert Oosting ging naar Nieuwenhagen

Na zijn korte verblijf in Fehndorf bleef Lammert Oosting nog enkele jaren in het noorden. Op 2 november 1925 vertrok hij naar Kerkstraat 31c in Nieuwenhagen. Daar werd hij mijnwerker en ondergronds houwer. Zijn levensloop omvat bijna de hele beweging. Zijn vader Tjalling was in Ooststellingwerf geboren. Lammert zelf kwam in Emmen ter wereld, werkte in het Drentse veen, probeerde Duitsland en eindigde vervolgens in de Limburgse steenkool. Hij bleef in Zuid-Limburg en overleed op 6 maart 1987 in Brunssum. Voor hem was de mijn geen kort tussenstation. De jongen uit het veen bouwde er uiteindelijk zijn volwassen leven op.

Andries en Willem Hoogeveen

Andries Hoogeveen, geboren op 25 januari 1890 in Appelscha, kwam op 21 maart 1902 als twaalfjarige naar Barger-Compascuum. Hij werd arbeider en veenarbeider en trouwde in 1911 in Emmen met Geertje Klement. In 1923 woonde hij in Wijster. Later werd hij mijnwerker en kwam hij in Kerkrade terecht, waar hij in 1955 overleed. Zijn broer Willem Hoogeveen, geboren op 16 oktober 1893 in Appelscha, volgde eveneens de route door de Drentse veenwereld naar Kerkrade en overleed daar in 1952. Twee broers legden samen de weg af van Friese turf naar Limburgse steenkool.

Siemen Spinder ging eerst alleen

Een arbeider die Limburg probeerde, kon niet vanzelfsprekend vrouw en kinderen meenemen. Siemen Spinder verbleef daarom aanvankelijk in een gezellenhuis en vond bovengronds werk als machinebankwerker bij Staatsmijn Emma. Pas daarna kon zijn gezin volgen. Zelfs toen was de onzekerheid niet voorbij. Door woningnood kwam het gezin uiteindelijk in een noodwoning op de Steenberg terecht. Het vaste mijnloon loste dus niet onmiddellijk alle problemen op. Eerst moest werk worden gevonden, daarna woonruimte. De mijnstreek groeide razendsnel en duizenden nieuwkomers wilden ergens wonen. Achter iedere nieuwe arbeider stond opnieuw een vrouw die een huishouden in een vreemde streek moest beginnen.

De mijn ging mee naar huis

In Heerlen, Kerkrade, Brunssum, Treebeek en Nieuwenhagen was de mijn overal. Schachtbokken stonden boven de huizen en bij ploegwisseling liepen mannen door dezelfde straten naar dezelfde poorten. Kolentreinen reden door het gebied. Het loon dat beneden werd verdiend bepaalde wat boven gegeten en gekocht kon worden. Voor voormalige veenarbeiders was die afhankelijkheid bekend. Ook in Drenthe had het hele huishouden geleefd van het lichaam dat kon werken. Maar de schaal was veranderd. Niet één vervener beheerste een kleine kolonie. Grote mijnondernemingen bepaalden het ritme van complete steden waarin duizenden huishoudens tegelijk van dezelfde industrie afhankelijk waren.

Beneden verdween de hemel

De mijnwerker kleedde zich om, ging met zijn ploeg naar de schacht en daalde in de kooi af. Daarna verdween het daglicht. Een houwer werkte aan het kolenfront; andere mannen vervoerden materiaal, timmerden, repareerden of brachten ondersteuning aan. Voor een voormalige turfgraver was het verschil enorm. Op het veen had hij regen, wind en horizon gekend. In de mijn lag gesteente boven zijn hoofd. Toch bleef één ding hetzelfde: het lichaam moest iedere dienst opnieuw presteren. Armen, rug en longen verdienden het loon. Een moderne mijn beschikte over techniek en organisatie, maar onderaan de arbeidsketen stond nog steeds een man die na zijn ploeg uitgeput naar boven kwam.

De mijn kwam zwart mee naar huis

Steenkoolstof bleef aan huid, haar en kleding zitten. Wassen en omkleden hoorden bij de werkdag. Kinderen zagen aan hun vader welk werk hij deed. Vermoeidheid verdween niet bij de mijnpoort. De man die later aan tafel zat, had enkele uren eerder diep onder de aarde gestaan. Voor zijn vrouw was dat een wereld die zij nooit zag. In het veen had zij soms naast hem gewerkt. In Limburg verdween hij achter een poort en vervolgens honderden meters naar beneden. Daardoor ontstond een harde scheiding tussen het gevaar onder de grond en het huishouden erboven. Toch waren beide volledig van elkaar afhankelijk.

Een ongeluk trof een straat

Wanneer ondergronds iets gebeurde, verspreidde het nieuws zich razendsnel. Gesteente kon vallen, een machine kon iemand raken of een andere storing kon levensgevaarlijk worden. Vrouwen wilden weten welke ploeg getroffen was. Buren stonden bij elkaar omdat hun mannen, zoons of broers in dezelfde mijn werkten. Een bedrijfsongeval bleef nooit een technisch incident. Het kon betekenen dat vader gewond thuiskwam, maanden geen volledig loon verdiende of helemaal niet meer terugkeerde. Het vaste mijnloon bood meer regelmaat dan het veenseizoen, maar zekerheid bestond niet. Iedere werkdag bleef afhankelijk van een lichaam dat diep onder de grond heel moest blijven.

Vrouwen bouwden boven de grond verder

Vrouwen verzorgden kinderen, kookten, wasten mijnkleding en verdeelden het loon over huur, eten en kleding. Sommigen werkten zelf. Jantje Mietus werd winkelhoudster. Andere vrouwen namen werk aan wanneer dat nodig en mogelijk was. De overgang naar een mijnwerkersgezin betekende daarom niet dat de vrouw uit de arbeidsgeschiedenis verdween. Zij stond alleen minder vaak naast haar man op dezelfde werkplek. Wanneer hij ziek werd of gewond raakte, kwam het probleem onmiddellijk bij haar terecht. Veel noordelijke vrouwen hadden bovendien al meerdere verhuizingen meegemaakt. Limburg betekende opnieuw vreemde buren, een nieuw huis en een huishouden dat vanaf nul moest worden opgebouwd.

Drank verhuisde mee

Ook onder de schachtbok werd gedronken. Na een zware ploeg zochten mannen elkaar op. Alcohol hoorde in delen van het arbeidersmilieu bij kameraadschap en ontspanning. Niet iedere mijnwerker dronk zwaar, maar wanneer geld aan drank verdween, merkte het gezin dat. Een vrouw die huur, voedsel en kinderschoenen moest betalen kon razend worden wanneer minder loon thuiskwam dan verwacht. De verhuizing naar Limburg veranderde menselijke zwakheden niet. Mannen konden trots zijn op hun vak, hard werken, drinken, vloeken en ruzie maken. De volgende ochtend liepen zij opnieuw naar de mijn. Arbeidersgeschiedenis bestaat niet alleen uit arbeid en armoede, maar ook uit de manier waarop mensen onder die druk leefden.

Geloof maakte de noordeling zichtbaar

Veel Friese, Groningse en Drentse migranten kwamen uit een protestantse omgeving en belandden in overwegend rooms-katholiek Zuid-Limburg. Het verschil was zichtbaar in kerk, school, verenigingen en feestdagen. De eerste generatie kon zich daardoor duidelijk buitenstaander voelen. Tegelijk vormden protestantse migranten eigen gemeenschappen. Hun kinderen pasten zich sneller aan. Zij speelden met Limburgse kinderen, gingen er naar school en namen taal en gewoonten over. Voor vader en moeder kon Appelscha, Haulerwijk of Tijnje nog thuis betekenen. Voor een kind dat in Heerlen werd geboren was Limburg de gewone wereld. Friesland werd een plaats uit verhalen en familiebezoek.

Deel 10 — Toen de kinderen niet meer met het veen mee hoefden

Harmen van Houten ging opnieuw verder

Voor Harmen van Houten eindigde de geschiedenis niet in Emmer-Compascuum. Toen de toekomst van het veen verslechterde, zocht hij opnieuw werk. In 1925 zag hij steeds minder mogelijkheden in de streek. Zijn vrienden Rense Holtjer en Ale van Veen waren hem naar Wieringen voorgegaan. Harmen fietste naar Noord-Holland en vond werk bij de grote grond- en waterbouwkundige projecten rond de Zuiderzee. Hij verbleef aanvankelijk in een arbeiderskeet. In zijn verdere arbeidsleven werkte hij ook als mijnwerker in Limburg. Zijn ouders waren achter turf aangegaan; Harmen trok achter steenkool en waterbouw aan. Het patroon bleef, alleen het werk veranderde.

De Spinders werden een mijnwerkersfamilie

Voor Siemen Spinder was Limburg een verre arbeidsbestemming waarvoor hij eerst alleen moest vertrekken. Voor zijn kinderen was dat anders. Uiteindelijk werden drie van zijn zoons mijnwerker. Zij hoefden niet meer van Friesland of Drenthe naar Limburg te migreren om de mijn te bereiken. De schacht stond in hun eigen omgeving. Zo kon één generatie migratie een nieuwe plaatselijke beroepstraditie voortbrengen. Grootvader kende misschien turf, vader had de reis naar het zuiden gemaakt en de zoon liep vanuit zijn ouderlijk huis naar de mijn. Niet omdat mijnwerk erfelijk was, maar omdat de economische wereld waarin het kind opgroeide volledig was veranderd.

School bood een andere mogelijkheid

De mijnstreek had behalve sterke armen ook monteurs, technici, administrateurs en geschoolde vaklieden nodig. Scholen en technische opleidingen konden daardoor deuren openen die voor grootouders in het veen vrijwel gesloten waren geweest. De Posma's vormen het opvallendste voorbeeld, maar ook andere kinderen konden spoorwegman, monteur, winkelier of vakarbeider worden. Het verschil tussen arbeiders- en hogere milieus bleef groot. Toch hoefde een kind niet meer automatisch dezelfde schop vast te pakken als zijn vader. De moderne economie bood meer richtingen. Dat was misschien de grootste verandering die de migratie uiteindelijk veroorzaakte: kinderen kregen meer beroepswerelden om uit te kiezen.

Friesland verdween langzaam uit de dagelijkse taal

De eerste generatie kon thuis nog Fries spreken. Buiten klonken Nederlands, Duits of Limburgse dialecten. Kinderen namen de taal van school en straat mee naar binnen. Daardoor kon het Fries in één of twee generaties naar de achtergrond verdwijnen. Brieven en familiebezoek hielden plaatsen als Appelscha, Beets, Haulerwijk, Tijnje, Drachten en Oldeholtwolde levend. Maar hun betekenis veranderde. Voor vader was Appelscha een dorp waarin hij zelf had gewerkt en honger gekend. Voor zijn Limburgse kleinkind was het een naam waar opa vandaan kwam. Migratie veranderde dus niet alleen beroep en woonplaats. Zij veranderde uiteindelijk ook taal, herinnering en de betekenis van thuis.

De familie Van Vondel splitste zich

Bij de kinderen van Pieter van Vondel en Korneliske de Jong is dat uiteenvallen goed zichtbaar. Dochter Tjipkje van Vondel, geboren in 1887 in Ooststellingwerf, trouwde in 1907 in Emmen met Fedde van Vondel, eveneens uit Ooststellingwerf. Fedde overleed in 1926 in Heerlen. Haar broer Abel bleef dichter bij Drenthe en werd melkventer. Wietze bleef arbeider. Eén gezin dat gezamenlijk van Friesland naar Drenthe was verhuisd, viel in de volgende generatie uiteen over verschillende beroepen en plaatsen. De eerste verhuizing had de familie samengebracht in een nieuw gebied; de moderne arbeidsmarkt trok de kinderen daarna opnieuw verschillende kanten op.

De geboorteplaatsen van de Jeninga's werden een landkaart

Bij Jan Jeninga en Maike Mietus werd de beweging letterlijk zichtbaar in hun kinderen. Albertje werd in 1913 in Recklinghausen geboren, Fokje in 1915 eveneens daar, Namkje in 1918 in Bolsward en Geert Jan in 1924 in Heerlen. Vier kinderen van dezelfde ouders dragen drie arbeidsgebieden in hun geboorteplaatsen. Voor Jan en Maike waren Duitsland en Limburg bestemmingen waarvoor zij moesten reizen. Voor Geert Jan was Heerlen gewoon zijn geboorteplaats. Dat verschil vormt de kern van de hele migratiegeschiedenis. De eerste generatie trok achter het werk aan. De volgende generatie werd geboren op de plaats waar het werk de ouders uiteindelijk had gebracht.

De Posma's veranderden ook van maatschappelijke laag

De familie Posma ging verder dan geografische migratie. Jouke Bonnes Posma kwam uit een Friese turfwereld. Zijn zoons kregen via Duitsland toegang tot moderne mijnbouwkennis. Bonne werd chef, Jacob bedrijfsingenieur en Abele bereikte eveneens een hoge positie binnen Staatsmijnen. Andere zoons en een schoonzoon gingen eveneens bij het bedrijf werken. Binnen één generatie veranderde daardoor niet alleen het landschap waarin de familie werkte, maar ook haar maatschappelijke positie. Dat bleef uitzonderlijk. De meeste Friese arbeiderskinderen werden geen ingenieur. Juist daarom is de Posma-lijn belangrijk: zij laat zien dat migratie soms ook een weg omhoog kon openen, al gold dat zeker niet voor iedereen.

De crisis van 1929 bracht de angst terug

Na 1929 werd duidelijk dat ook moderne industrie geen volledige zekerheid bood. De economische crisis raakte bedrijven en arbeidsmarkt. Voor gezinnen die Friesland, Drenthe en soms Duitsland al hadden verlaten, was opnieuw vertrekken moeilijk. Kinderen zaten op school, families hadden woningen en buren en het oude veen bood in het noorden nauwelijks een uitweg. De eerste migranten hadden nog achter een nieuw turfveld kunnen aangaan. Hun kinderen leefden inmiddels in een ingewikkelder stedelijke economie. Werkloosheid betekende nog steeds armoede, maar terugkeren naar de geboortegrond van vader loste niets op. De wereld van voortdurend achter het veen aantrekken was definitief aan het verdwijnen.

Rond 1940 lagen drie generaties naast elkaar

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog kon één familie drie verschillende arbeidswerelden bevatten. Grootvader had turf gestoken in Friesland. Vader had hetzelfde in Drenthe gedaan of was naar Duitsland gegaan. Een zoon werkte inmiddels in een Limburgse mijn, een Twentse textielfabriek, op het spoor, als schipper, grondwerker, winkelier of melkventer. Andere familieleden konden nog altijd in de turf werken. De negentiende eeuw verdween dus niet op 1 januari 1900. Oude en nieuwe arbeid bestonden tientallen jaren naast elkaar. Daardoor werd de familie zelf een soort geschiedenisboek waarin turf, steenkool, fabrieken, scheepvaart en handel tegelijkertijd zichtbaar waren.

Op 10 mei 1940 veranderde de grens

Op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. Voor families die tientallen jaren de Nederlands-Duitse grens voor arbeid hadden gepasseerd, kreeg die grens in één ochtend een andere betekenis. Recklinghausen, Wanne, Iserlohn en Fehndorf waren plaatsen waar Nederlanders hadden gewerkt, gewoond, getrouwd en kinderen gekregen. Nu kwam uit hetzelfde land een bezettingsleger. Ook de Limburgse mijnen kregen door oorlog en bezetting een nieuwe betekenis. Vanaf dat moment begint een andere geschiedenis: bezetting, oorlogseconomie en arbeid onder nieuwe omstandigheden. Daarom vormt 1940 een logisch eindpunt. De arbeidsmigratie stopte niet, maar de wereld waarin zij plaatsvond was fundamenteel veranderd.

Een eeuw achter het werk aan

Van Stephanus Wittendorp en Aaltjen Kuldert tot Harmen van Houten, Lammert Oosting, Barteld Stuiver, Pieter Jorritsma en de families Duursma, Van Vondel, Hoogeveen, Huisman, Mietus, Jeninga en Posma liep geen rechte lijn. Mannen, vrouwen en kinderen trokken van Friesland naar Overijssel en Drenthe, van Drenthe naar Duitsland en van Duitsland of het noorden naar Limburg en Twente. Sommigen keerden terug. Anderen vertrokken opnieuw. Kinderen werden onderweg geboren en soms jong begraven. Een enkeling werd chef of ingenieur. De meesten bleven gewone arbeiders. Hun gezamenlijke geschiedenis is niet die van één migratie, maar van generaties die bleven bewegen.

Toen er geen veen meer was om te volgen

Aan het begin bepaalde het landschap de route. Waar nieuw veen werd aangesneden, verschenen verveners en arbeiders. Daarna raakte het veen uitgeput. De mensen verdwenen niet. Zij werden grondwerker, schipper, handelaar, fabrieksarbeider of mijnwerker. Zij trokken naar Drenthe, Duitsland, Twente, Limburg en zelfs naar de Zuiderzeewerken. Hun kinderen hoefden niet meer allemaal dezelfde weg te gaan. Sommigen bleven waar hun ouders waren aangekomen en bouwden daar een nieuw thuis. Zo veranderde een geschiedenis van turf uiteindelijk in een geschiedenis van arbeid, gezin en migratie.

Toen er geen veen meer was om te volgen, volgden zij het werk.