Langs de oude wegen tussen Groningen en Münster (800–1165) — Kerken, kloosterhoven, boerderijen, reizigers en de verbindingen van macht
Deel 1 — Voordat bisschoppen en kloosters de oude wegen gingen beheersen
Lang voordat Groningen, Drenthe, Twente en Münster door middeleeuwse bestuurders met elkaar werden verbonden, bestond er een uitgebreid netwerk van nederzettingen, landbouwgronden, paden en oversteekplaatsen. De bewoners gebruikten de hogere zandgronden om zich tussen de uitgestrekte moerassen en beekdalen te verplaatsen. Vooral de Hondsrug en de Rolderrug vormden belangrijke noord-zuidverbindingen. Langs deze routes lagen boerderijen, akkers, grafvelden en nederzettingen die soms al eeuwen werden bewoond. Toen later kerken, kloosterhoven en bisschoppelijke bezittingen ontstonden, kwamen deze nieuwe instellingen terecht in een landschap waarin veel verbindingen en woonplaatsen al lang bestonden.
De oude nederzettingen van Odoorn en het ontstaan van boerenerven
Bij Odoorn hebben archeologische opgravingen resten van een vroegmiddeleeuwse nederzetting uit de zesde tot negende eeuw blootgelegd. De bewoners woonden in houten boerderijen met bijgebouwen, werkplaatsen en omheinde erven. Tussen de erven lagen wegen die elkaar op verschillende plaatsen kruisten. Archeologen onderscheidden verschillende huisvormen, die later bekend werden als de typen Odoorn A, B en C. De bewoning verschoof geleidelijk in de richting van het huidige dorp. Opmerkelijk is dat bepaalde erfgrenzen nog herkenbaar bleken in de negentiende-eeuwse verkaveling. Daarmee ontstond een langdurige verbinding tussen vroegmiddeleeuwse bewoning, latere landbouwgrond en het historische dorpslandschap.
Oude boerderijen en de ontwikkeling van het Drentse landschap
Ook bij Norg, Haren, Balloo en Borger zijn aanwijzingen gevonden voor bewoning die ouder is dan de eerste schriftelijke vermeldingen. Bij Norg werden aan de Esweg boerderijplattegronden ontdekt die teruggaan tot ongeveer de zevende of achtste eeuw. Bij Haren kwamen aan de Nieuwe Stationsweg resten van vroegere agrarische bewoning aan het licht. Rond Balloo en Rolde lagen oude erven op de overgang tussen essen, beekdalen en heidevelden. De boerderijen vormden kleine productiecentra waar graan werd verbouwd, dieren werden gehouden en landbouwproducten werden opgeslagen. Deze oudere landbouwstructuur werd later opgenomen in de bezitsorganisatie van kerken, kloosters, bisschoppen en adellijke families.
Hezingen — Een oudere religieuze plaats bij een wegenkruising
Bij Hezingen in Noordoost-Twente lag in de zevende eeuw een bijzondere plaats waar gouden munten en sieraden werden achtergelaten. Archeologisch onderzoek bracht er aanwijzingen voor rituele handelingen aan het licht, waaronder houten paalsporen en een grote veldkei. De vindplaats lag in een landschap met oude wegen en doorgangen. Eeuwen later kwamen in dezelfde omgeving boerderijen voor die aan de abdij Werden afdrachten verschuldigd waren. De archeologische offerplaats en het latere kloosterbezit mogen niet zonder bewijs rechtstreeks met elkaar worden verbonden. Wel laten zij zien dat bepaalde delen van het landschap gedurende verschillende historische perioden betekenis hielden voor bewoners, reizigers en religieuze gemeenschappen.
Liudger en de christelijke verbinding tussen Friesland en Westfalen
Aan het einde van de achtste eeuw trok de missionaris Liudger door de noordelijke kustgebieden. Hij werkte onder meer in de Friese gebieden die later kerkelijk bij Münster zouden behoren. Volgens zijn levensbeschrijving werd hij bij Helwerd, in de omgeving van Usquert, ontvangen door Meinsuit, een aanzienlijke vrouw die hem en zijn gevolg gastvrijheid verleende. Het verhaal over de blinde zanger Bernlef is eveneens met deze omgeving verbonden. De ontvangst laat zien dat reizende geestelijken afhankelijk waren van de medewerking van plaatselijke families. De eerste christelijke netwerken bestonden daardoor niet alleen uit kerken, maar ook uit persoonlijke relaties en gastvrije huishoudens.
De schenkingen van 797 en 799 in Twente
Op 29 juni 797 schonk Oodhelm, zoon van Oodwerc, bezittingen aan de kerk van Liudger in Wichmond. Tot de genoemde goederen behoorden hoeven in Dulder en Mander. In 799 volgden nieuwe schenkingen, waaronder bezittingen in Mander en Hezingen. Deze overdrachten behoren tot de oudste schriftelijk bekende gegevens over Twente. Boerderijen kwamen daardoor onder het beheer van geestelijke instellingen en bleven soms eeuwenlang herkenbaar in latere goederenregisters. Voor de schenker konden zulke giften samenhangen met godsdienstige overtuigingen, familiebelangen en de wens het eigen aanzien te versterken. Voor de ontvangende kerk betekenden zij blijvende landbouwinkomsten en invloed.
De stichting van Münster en de abdij Werden
Liudger werd in 805 de eerste bisschop van Münster. Daarnaast stichtte hij de abdij Werden, die later uitgroeide tot een belangrijke grootgrondbezitter. Beide instellingen hadden een gemeenschappelijke oorsprong in zijn werkzaamheden, maar ontwikkelden verschillende bestuurlijke functies. Het bisdom Münster kreeg kerkelijke verantwoordelijkheid over uitgestrekte gebieden, terwijl Werden bezittingen en inkomsten uit verspreid gelegen boerderijen ontving. De abdij bezat uiteindelijk goederen in Westfalen, Twente, Drenthe en de noordelijke kustgebieden. Voor het beheer daarvan moesten geestelijken, rentmeesters en vertegenwoordigers grote afstanden afleggen. Wegen, voorraadplaatsen en betrouwbare ontvangstadressen werden daardoor onmisbaar voor het functioneren van het kloosterbezit.
Karel de Grote en de verplichting om reizigers te ontvangen
De vroegmiddeleeuwse overheid en kerk hechtten grote waarde aan gastvrijheid. In voorschriften uit de tijd van Karel de Grote werd aangedrongen op opvang van armen, pelgrims en andere reizigers. Gastvrijheid was niet uitsluitend een zaak van kloosters. Ook plaatselijke gemeenschappen hadden verantwoordelijkheden tegenover vreemdelingen die onderweg hulp nodig hadden. Onderdak kon eenvoudig zijn: een beschutte plaats, vuur, water en stro. Niet iedere reiziger had recht op uitgebreide verzorging of gratis voedsel. Toch ontstond een christelijke opvatting waarin het weigeren van noodzakelijke hulp als een ernstige tekortkoming kon worden beschouwd. Deze voorschriften vormden een achtergrond voor latere kerkelijke opvangverplichtingen.
De Regel van Benedictus en de kloosterlijke gastvrijheid
Voor benedictijnse kloosters had gastvrijheid een bijzondere betekenis. Hoofdstuk 53 van de Regel van Benedictus bepaalde dat gasten met eerbied moesten worden ontvangen. Vooral armen en pelgrims verdienden bijzondere aandacht. Grotere kloosters beschikten daarom over voorzieningen voor bezoekende geestelijken, vertegenwoordigers en andere reizigers. De gasten hoefden niet in de kerk zelf te slapen. Er konden afzonderlijke gebouwen of vertrekken beschikbaar zijn. Ook moesten maaltijden worden bereid en dieren worden verzorgd wanneer bezoekers met paarden of wagens kwamen. De omvang van de voorzieningen verschilde per klooster. Het beginsel van gastvrijheid verklaart mede waarom kloosterhoven en onderhorige boerderijen voor reizigers van belang konden zijn.
De schenking van Theodgrim in 820
In 820 schonk Theodgrim een kerk en bijbehorende bezittingen in Arlo aan de abdij Werden. Deze schenking vormt een belangrijke vroege verbinding tussen Drenthe en het klooster in het Rijnland. De precieze ligging van het genoemde Arlo is onderwerp van historisch onderzoek. Taarlo, Tynaarlo en het gebied rond Vries worden daarbij betrokken. Onder de kerk van Vries zijn resten van oudere houten kerkgebouwen aangetroffen. De schenking laat zien dat kerkelijke grondbezittingen in Drenthe al in de negende eeuw deel konden uitmaken van een veel groter kloosternetwerk. De plaatselijke boerderijen leverden inkomsten aan een instelling die ver buiten Drenthe lag.
De vroegste houten kerken van Drenthe
De kerstening van Drenthe leidde geleidelijk tot het ontstaan van een beperkt aantal belangrijke kerkplaatsen. Onder meer Vries, Anloo, Rolde, Beilen en later Norg ontwikkelden zich tot kerkelijke centra. Verschillende van deze plaatsen hadden houten kerkgebouwen voordat de latere stenen kerken werden gebouwd. Archeologisch onderzoek onder de kerken van Rolde en Norg heeft resten van dergelijke voorgangers aangetoond. Een vroege kerk bediende gewoonlijk een aanzienlijk groter gebied dan het huidige dorp. Bewoners uit omliggende nederzettingen kwamen er voor de eredienst, de doop en begrafenissen. Daardoor ontstonden verbindingen tussen moederkerken en de kleinere boerengemeenschappen die daarvan afhankelijk waren.
Bisschop Radboud en zijn reis door Drenthe in 917
Een vroeg bewijs voor bisschoppelijke reizen door het noorden staat in de levensbeschrijving van Radboud, bisschop van Utrecht van 900 tot 917. Tijdens een verblijf in Drenthe werd hij ernstig ziek. Omdat reizen in de naderende winter moeilijk kon worden, vertrok zijn gevolg naar Ootmarsum, waar de bisschop vaker verbleef. Radboud overleed daar op 29 november 917. De precieze plaats van zijn Drentse verblijf is onbekend. Toch maakt het verhaal duidelijk dat de bisschop al vóór 925 over verblijfsmogelijkheden beschikte tijdens zijn reizen tussen Drenthe en Twente. Ootmarsum verschijnt daarbij als een belangrijk steunpunt van zijn bestuurlijke organisatie.
Rond 900 werden ook gewone priesters verantwoordelijk voor gastvrijheid
In 906 stelde Regino van Prüm een kerkelijk handboek samen waarin onder meer werd gevraagd of priesters zorg droegen voor armen, vreemdelingen en wezen. Aartsbisschop Ruotger van Trier gaf tussen 915 en 929 nog concretere aanwijzingen. Bekende en onbekende reizigers moesten worden ontvangen. Wanneer uitgebreide verzorging niet mogelijk was, moesten ten minste vuur, water en stro beschikbaar zijn. Indien de priester onvoldoende ruimte had, kon hij een parochiaan aanwijzen om de reizigers te helpen. Deze regels golden in hun eigen kerkelijke rechtsgebieden en bewijzen niet automatisch dezelfde uitvoering in ieder Drents dorp. Ze tonen wel dat reizigersopvang tot de verantwoordelijkheden van plaatselijke geestelijken kon behoren.
De Werdense boerderijen in de tiende eeuw
De abdij Werden beschikte in de tiende eeuw over bezittingen die verspreid lagen tussen Westfalen en Groningen. Deze goederen stonden onder plaatselijke beheerders en leverden landbouwproducten, geld en diensten. Niet iedere boerderij had dezelfde functie. Sommige bedrijven waren vooral bronnen van inkomsten, terwijl andere konden dienen als plaats waar reizende vertegenwoordigers voedsel, paardenvoer of onderdak kregen. De goederenregisters maken het mogelijk de afzonderlijke erven en hun verplichtingen te onderzoeken. Langs de verbinding door Drenthe lagen onder meer Werdense goederen bij Loon, Grolloo, Sleen en Dalen. Daarmee ontstond een netwerk dat niet samenviel met de latere parochiegrenzen.
Groningen en de Ommelanden onder twee bisschoppen
Een opmerkelijke bestuurlijke scheiding liep tussen Groningen en de omliggende kustgebieden. De stad Groningen en het Gorecht vielen kerkelijk onder Utrecht, terwijl grote delen van de Ommelanden tot het bisdom Münster behoorden. Deze indeling hing samen met de vroegere werkzaamheden van Liudger. Daardoor konden twee bisschoppen rechten bezitten in gebieden die geografisch dicht bij elkaar lagen. Voor het uitoefenen van die rechten waren bezoeken, inkomsten en plaatselijke vertegenwoordigers noodzakelijk. De kerkelijke grens liep niet langs een onoverbrugbare natuurlijke scheiding. Mensen, goederen en geestelijken bleven zich tussen de verschillende rechtsgebieden verplaatsen.
Baflo — Een bisschoppelijke hof verbonden met Münster
Bij Baflo lag een oude hof die verbonden was met koninklijk en later kerkelijk grondbezit. Historicus P.N. Noomen beschrijft hoe de hof en de kerk in handen van de bisschop van Münster kwamen. In 1040 werden de tienden van de kerk van Baflo geschonken aan het klooster Überwasser in Münster. De bisschoppelijke hof kon gebruikt worden tijdens bezoeken aan de noordelijke kerkelijke gebieden. De combinatie van een kerk, landbouwbezit en een verblijfplaats is hier bijzonder belangrijk. Baflo laat zien hoe de bisschop van Münster zijn rechten in de Ommelanden kon uitoefenen met behulp van plaatselijke domeinen.
Groningen — De bisschoppelijke hof en de reizen over de Hondsrug
De Utrechtse bisschop beschikte in Groningen over een hof die deel uitmaakte van een groter stelsel van bisschoppelijke steunpunten. Ook in Anloo en Emmen lagen hoven die met dit netwerk verbonden waren. Volgens de later opgeschreven Quedam Narracio reisde de bisschop door zijn gebieden om recht te spreken en bestuurlijke zaken te regelen. Tijdens zulke bezoeken moesten onderhorige boeren en hofmeiers bijdragen aan vervoer, voedselvoorziening en andere kosten. Zij leverden onder meer wagens en transportmiddelen. De hof was daarom niet alleen een agrarisch bedrijf. Hij ondersteunde ook de aanwezigheid en de verplaatsingen van het bisschoppelijke bestuur.
Norg — Vroegmiddeleeuwse boerderijen en een kerkelijk centrum
In Norg ontwikkelde zich een vroegmiddeleeuwse nederzetting waarvan resten aan de Esweg zijn onderzocht. De eerste bewoning op dit terrein gaat terug tot ongeveer 700. Later verschoof de nederzetting in de richting van het huidige dorp. Bij restauratiewerkzaamheden aan de Margarethakerk werden resten van twee houten voorgangers aangetroffen. De oudste wordt vermoedelijk in de negende of tiende eeuw geplaatst, de volgende in de elfde eeuw. Norg beschikte daarmee over een kerkelijke geschiedenis die aanzienlijk ouder was dan het bestaande stenen kerkgebouw. De nederzetting vormde een centrum voor boeren uit de omliggende buurtschappen en landbouwgebieden.
De oorkonde van 1139 verbindt Norg met Oldenzaal
In 1139 droeg bisschop Andreas van Cuijk inkomsten van verschillende Drentse kerken over aan de kerk van Oldenzaal. Onder de genoemde kerkplaatsen bevonden zich Anloo, Beilen, Vries, Norg, Roden, Roderwolde en Eelde. De kerkelijke heffing werd aangeduid als debitum altariorum. Anloo en Beilen moesten ieder acht ons zilver opbrengen, Vries vier ons, terwijl Norg, Roden, Roderwolde en Eelde ieder twee schellingen betaalden. De oorkonde bewijst dat deze kerken al vóór het midden van de twaalfde eeuw in een financiële organisatie waren opgenomen. De inkomsten van Drentse kerkplaatsen ondersteunden daarmee een kerkelijk centrum in Twente.
De bisschoppelijke hof van Emmen in 1139
De hof van Emmen wordt in een oorkonde uit 1139 genoemd en bestond waarschijnlijk al eerder. Het bedrijf vormde een centrum voor bisschoppelijke goederen in het dingspel Zuidenveld. Hier konden landbouwproducten van onderhorige boerderijen worden verzameld en opgeslagen. Een hofmeier hield toezicht op het beheer. De oude kerk van Emmen en de hof stonden waarschijnlijk oorspronkelijk in nauwe betrekking tot elkaar. Dit sluit aan bij de situatie in Groningen en Anloo. De bisschop beschikte daarmee langs de Hondsrug over verschillende belangrijke steunpunten. De precieze verblijfsplichten uit deze vroege periode zijn niet voor elk hof afzonderlijk overgeleverd.
Anloo — Moederkerk, bisschoppelijke hof en oude wegen
Anloo was een van de belangrijkste vroegmiddeleeuwse kerkplaatsen in Drenthe. Onder de latere Magnuskerk hebben oudere houten kerkgebouwen gestaan. De stenen kerk ontstond rond 1100. Daarnaast beschikte de bisschop van Utrecht over een hof die het goederenbeheer in Oostermoer ondersteunde. Deze hof wordt pas in 1223 schriftelijk genoemd, maar kan een oudere oorsprong hebben. De precieze ligging binnen het dorp staat niet vast. Kerk, hof, landbouwgrond en doorgaande weg vormden samen een plaatselijk machtscentrum. Bewoners van omliggende nederzettingen waren aanvankelijk voor hun kerkelijke verplichtingen op Anloo aangewezen.
Karel de Grote en de verplichting om reizigers te ontvangen
De vroegmiddeleeuwse overheid en kerk hechtten grote waarde aan gastvrijheid. In voorschriften uit de tijd van Karel de Grote werd aangedrongen op opvang van armen, pelgrims en andere reizigers. Gastvrijheid was niet uitsluitend een zaak van kloosters. Ook plaatselijke gemeenschappen hadden verantwoordelijkheden tegenover vreemdelingen die onderweg hulp nodig hadden. Onderdak kon eenvoudig zijn: een beschutte plaats, vuur, water en stro. Niet iedere reiziger had recht op uitgebreide verzorging of gratis voedsel. Toch ontstond een christelijke opvatting waarin het weigeren van noodzakelijke hulp als een ernstige tekortkoming kon worden beschouwd. Deze voorschriften vormden een achtergrond voor latere kerkelijke opvangverplichtingen.
De Regel van Benedictus en de kloosterlijke gastvrijheid
Voor benedictijnse kloosters had gastvrijheid een bijzondere betekenis. Hoofdstuk 53 van de Regel van Benedictus bepaalde dat gasten met eerbied moesten worden ontvangen. Vooral armen en pelgrims verdienden bijzondere aandacht. Grotere kloosters beschikten daarom over voorzieningen voor bezoekende geestelijken, vertegenwoordigers en andere reizigers. De gasten hoefden niet in de kerk zelf te slapen. Er konden afzonderlijke gebouwen of vertrekken beschikbaar zijn. Ook moesten maaltijden worden bereid en dieren worden verzorgd wanneer bezoekers met paarden of wagens kwamen. De omvang van de voorzieningen verschilde per klooster. Het beginsel van gastvrijheid verklaart mede waarom kloosterhoven en onderhorige boerderijen voor reizigers van belang konden zijn.
De schenking van Theodgrim in 820
In 820 schonk Theodgrim een kerk en bijbehorende bezittingen in Arlo aan de abdij Werden. Deze schenking vormt een belangrijke vroege verbinding tussen Drenthe en het klooster in het Rijnland. De precieze ligging van het genoemde Arlo is onderwerp van historisch onderzoek. Taarlo, Tynaarlo en het gebied rond Vries worden daarbij betrokken. Onder de kerk van Vries zijn resten van oudere houten kerkgebouwen aangetroffen. De schenking laat zien dat kerkelijke grondbezittingen in Drenthe al in de negende eeuw deel konden uitmaken van een veel groter kloosternetwerk. De plaatselijke boerderijen leverden inkomsten aan een instelling die ver buiten Drenthe lag.
De vroegste houten kerken van Drenthe
De kerstening van Drenthe leidde geleidelijk tot het ontstaan van een beperkt aantal belangrijke kerkplaatsen. Onder meer Vries, Anloo, Rolde, Beilen en later Norg ontwikkelden zich tot kerkelijke centra. Verschillende van deze plaatsen hadden houten kerkgebouwen voordat de latere stenen kerken werden gebouwd. Archeologisch onderzoek onder de kerken van Rolde en Norg heeft resten van dergelijke voorgangers aangetoond. Een vroege kerk bediende gewoonlijk een aanzienlijk groter gebied dan het huidige dorp. Bewoners uit omliggende nederzettingen kwamen er voor de eredienst, de doop en begrafenissen. Daardoor ontstonden verbindingen tussen moederkerken en de kleinere boerengemeenschappen die daarvan afhankelijk waren.
Bisschop Radboud en zijn reis door Drenthe in 917
Een vroeg bewijs voor bisschoppelijke reizen door het noorden staat in de levensbeschrijving van Radboud, bisschop van Utrecht van 900 tot 917. Tijdens een verblijf in Drenthe werd hij ernstig ziek. Omdat reizen in de naderende winter moeilijk kon worden, vertrok zijn gevolg naar Ootmarsum, waar de bisschop vaker verbleef. Radboud overleed daar op 29 november 917. De precieze plaats van zijn Drentse verblijf is onbekend. Toch maakt het verhaal duidelijk dat de bisschop al vóór 925 over verblijfsmogelijkheden beschikte tijdens zijn reizen tussen Drenthe en Twente. Ootmarsum verschijnt daarbij als een belangrijk steunpunt van zijn bestuurlijke organisatie.
Rond 900 werden ook gewone priesters verantwoordelijk voor gastvrijheid
In 906 stelde Regino van Prüm een kerkelijk handboek samen waarin onder meer werd gevraagd of priesters zorg droegen voor armen, vreemdelingen en wezen. Aartsbisschop Ruotger van Trier gaf tussen 915 en 929 nog concretere aanwijzingen. Bekende en onbekende reizigers moesten worden ontvangen. Wanneer uitgebreide verzorging niet mogelijk was, moesten ten minste vuur, water en stro beschikbaar zijn. Indien de priester onvoldoende ruimte had, kon hij een parochiaan aanwijzen om de reizigers te helpen. Deze regels golden in hun eigen kerkelijke rechtsgebieden en bewijzen niet automatisch dezelfde uitvoering in ieder Drents dorp. Ze tonen wel dat reizigersopvang tot de verantwoordelijkheden van plaatselijke geestelijken kon behoren.
De Werdense boerderijen in de tiende eeuw
De abdij Werden beschikte in de tiende eeuw over bezittingen die verspreid lagen tussen Westfalen en Groningen. Deze goederen stonden onder plaatselijke beheerders en leverden landbouwproducten, geld en diensten. Niet iedere boerderij had dezelfde functie. Sommige bedrijven waren vooral bronnen van inkomsten, terwijl andere konden dienen als plaats waar reizende vertegenwoordigers voedsel, paardenvoer of onderdak kregen. De goederenregisters maken het mogelijk de afzonderlijke erven en hun verplichtingen te onderzoeken. Langs de verbinding door Drenthe lagen onder meer Werdense goederen bij Loon, Grolloo, Sleen en Dalen. Daarmee ontstond een netwerk dat niet samenviel met de latere parochiegrenzen.
Hier volgen deel 3 en deel 4, aansluitend op deel 2. Alle oorspronkelijke teksten blijven intact, met vette H2-koppen en zeven tekstblokken per deel.
### Deel 3 — Van Hezingen en Balderik tot Groningen in 1040
## **Hezingen — De verplichtingen van boer Liafgeld**
Een Werdens inkomstenregister uit de periode 933–966 noemt in Hezingen een boer met de naam Liafgeld. Hij moest onder meer rogge, haver, honing en geld afdragen. De vermelde hoeveelheden omvatten acht mud rogge, drie mud haver, twee potten honing en zestien denieren heergeld. Deze gegevens geven een zeldzaam rechtstreeks beeld van de lasten die op een afzonderlijk landbouwbedrijf konden rusten. Mogelijk bestond er een verband met een eerder geschonken erf uit 799, maar dat is niet bewezen. De vermelding laat zien hoe de abdij Werden plaatselijke boeren in Twente opnam in haar administratieve en economische organisatie.
## **Balderik en de uitbreiding van de Utrechtse macht**
In de tiende eeuw begon de bisschop van Utrecht zijn wereldlijke en kerkelijke positie in verschillende gebieden te versterken. Bisschop Balderik, die van 918 tot 975 regeerde, speelde daarin een belangrijke rol. In de omgeving van Vollenhove verkreeg hij koninklijke rechten die verband hielden met het gebied Fulnaho. Ook in Twente versterkte hij zijn invloed. De bisschop had voor het beheer van zijn verspreide bezittingen betrouwbare personen en inkomsten nodig. Boerderijen, hoforganisaties en kerken boden daarvoor mogelijkheden. De verbinding tussen Utrecht, Drenthe, Twente en het latere land van Vollenhove kreeg hierdoor een steeds duidelijker bestuurlijke betekenis.
## **Oldenzaal — Het kerkelijke centrum van Balderik in 954**
In 954 verbond bisschop Balderik een kapittel van kanunniken aan de kerk van Oldenzaal. Daarmee werd de plaats een belangrijk kerkelijk centrum in Twente. Oldenzaal lag bovendien op een kruispunt van wegen tussen verschillende gebieden. De kanunniken hadden inkomsten nodig voor hun levensonderhoud en hun religieuze werkzaamheden. Die inkomsten konden afkomstig zijn uit landerijen, kerkelijke rechten en afdrachten van andere kerken. De betekenis van Oldenzaal beperkte zich daardoor niet tot de directe omgeving. Later zouden ook inkomsten uit Drentse kerken aan de kerk van Oldenzaal worden toegewezen. Zo ontstond een financiële verbinding tussen nederzettingen die vele kilometers van elkaar verwijderd lagen.
## **De oudste kerken als centra van grote parochies**
Rond het jaar 1000 bestond in Drenthe nog geen dicht netwerk van zelfstandige dorpskerken. De oudste moederkerken bedienden uitgestrekte gebieden met meerdere nederzettingen. Anloo was bijvoorbeeld een belangrijk centrum in Oostermoer. Rolde vervulde een vergelijkbare functie voor omliggende dorpen, terwijl Vries een centrale plaats innam voor verschillende nederzettingen in Noord-Drenthe. De bewoners moesten vaak een aanzienlijke afstand afleggen om hun moederkerk te bereiken. Zo ontstonden kerkwegen die soms over heidevelden, door beekdalen en langs oudere landbouwgronden liepen. De ligging van deze wegen werd bepaald door de bereikbaarheid van de kerk en de begaanbaarheid van het landschap.
## **Bronneger — Een watermolen en een aangelegde weg rond het jaar 1000**
Bij Bronneger zijn resten gevonden van een vroegmiddeleeuwse watermolen en een aangelegde keienweg door het dal van het Voorste Diep. De molen wordt rond de tiende of elfde eeuw geplaatst. Bij de opgravingen kwamen houten palen, constructieonderdelen en fragmenten van molenstenen tevoorschijn. De keienweg werd vanaf ongeveer het einde van de tiende eeuw gebruikt en bleef eeuwenlang van betekenis. Hij verbond nederzettingen aan weerszijden van het beekdal. De vondsten laten zien dat plaatselijke bewoners al rond het jaar 1000 investeerden in wegen en waterkracht. De oorspronkelijke eigenaar van de molen is niet bekend.
## **Meerdere watermolens in het Voorste Diepdal**
Later archeologisch onderzoek bracht aanwijzingen voor meerdere middeleeuwse watermolens langs het Voorste Diep aan het licht. Behalve bij Bronneger zijn resten aangetroffen bij Zoutkampen–Moslanden en Kloenveen. De vondsten bestaan onder meer uit houten constructies, molensteenfragmenten en onderdelen die met watermolens in verband worden gebracht. Niet van alle molens is de exacte gebruiksperiode vastgesteld. Evenmin is bewezen dat ze gelijktijdig functioneerden. De concentratie van zulke vindplaatsen maakt duidelijk dat het beekdal economisch belangrijk was voor omliggende boerengemeenschappen. Watermolens waren verbonden met graanproductie, vervoer, waterbeheer en toegangswegen naar de landbouwgebieden.
## **Groningen — Koningsgoed en kerkelijke macht in 1040**
In 1040 schonk koning Hendrik III omvangrijke rechten en bezittingen in Groningen aan de Utrechtse kerk. Deze overdracht vormde een belangrijk onderdeel van de groeiende wereldlijke invloed van de bisschop. Groningen had door zijn ligging op de noordelijke uitloper van de Hondsrug een gunstige positie tussen de zandgronden van Drenthe en het kleigebied van de Ommelanden. Hier kwamen landwegen, waterwegen en landbouwgebieden bij elkaar. De kerkelijke bezittingen werden later beheerd vanuit verschillende hoven. Naast het Utrechtse bezit bestond een afzonderlijk Werdens goederencomplex. Deze instellingen konden daardoor in dezelfde stad aanwezig zijn zonder één gezamenlijk bezit te vormen.
### Deel 4 — De bisschoppelijke hoven van Groningen, Norg, Emmen en Anloo
## **Groningen en de Ommelanden onder twee bisschoppen**
Een opmerkelijke bestuurlijke scheiding liep tussen Groningen en de omliggende kustgebieden. De stad Groningen en het Gorecht vielen kerkelijk onder Utrecht, terwijl grote delen van de Ommelanden tot het bisdom Münster behoorden. Deze indeling hing samen met de vroegere werkzaamheden van Liudger. Daardoor konden twee bisschoppen rechten bezitten in gebieden die geografisch dicht bij elkaar lagen. Voor het uitoefenen van die rechten waren bezoeken, inkomsten en plaatselijke vertegenwoordigers noodzakelijk. De kerkelijke grens liep niet langs een onoverbrugbare natuurlijke scheiding. Mensen, goederen en geestelijken bleven zich tussen de verschillende rechtsgebieden verplaatsen.
## **Baflo — Een bisschoppelijke hof verbonden met Münster**
Bij Baflo lag een oude hof die verbonden was met koninklijk en later kerkelijk grondbezit. Historicus P.N. Noomen beschrijft hoe de hof en de kerk in handen van de bisschop van Münster kwamen. In 1040 werden de tienden van de kerk van Baflo geschonken aan het klooster Überwasser in Münster. De bisschoppelijke hof kon gebruikt worden tijdens bezoeken aan de noordelijke kerkelijke gebieden. De combinatie van een kerk, landbouwbezit en een verblijfplaats is hier bijzonder belangrijk. Baflo laat zien hoe de bisschop van Münster zijn rechten in de Ommelanden kon uitoefenen met behulp van plaatselijke domeinen.
## **Groningen — De bisschoppelijke hof en de reizen over de Hondsrug**
De Utrechtse bisschop beschikte in Groningen over een hof die deel uitmaakte van een groter stelsel van bisschoppelijke steunpunten. Ook in Anloo en Emmen lagen hoven die met dit netwerk verbonden waren. Volgens de later opgeschreven Quedam Narracio reisde de bisschop door zijn gebieden om recht te spreken en bestuurlijke zaken te regelen. Tijdens zulke bezoeken moesten onderhorige boeren en hofmeiers bijdragen aan vervoer, voedselvoorziening en andere kosten. Zij leverden onder meer wagens en transportmiddelen. De hof was daarom niet alleen een agrarisch bedrijf. Hij ondersteunde ook de aanwezigheid en de verplaatsingen van het bisschoppelijke bestuur.
## **Norg — Vroegmiddeleeuwse boerderijen en een kerkelijk centrum**
In Norg ontwikkelde zich een vroegmiddeleeuwse nederzetting waarvan resten aan de Esweg zijn onderzocht. De eerste bewoning op dit terrein gaat terug tot ongeveer 700. Later verschoof de nederzetting in de richting van het huidige dorp. Bij restauratiewerkzaamheden aan de Margarethakerk werden resten van twee houten voorgangers aangetroffen. De oudste wordt vermoedelijk in de negende of tiende eeuw geplaatst, de volgende in de elfde eeuw. Norg beschikte daarmee over een kerkelijke geschiedenis die aanzienlijk ouder was dan het bestaande stenen kerkgebouw. De nederzetting vormde een centrum voor boeren uit de omliggende buurtschappen en landbouwgebieden.
## **De oorkonde van 1139 verbindt Norg met Oldenzaal**
In 1139 droeg bisschop Andreas van Cuijk inkomsten van verschillende Drentse kerken over aan de kerk van Oldenzaal. Onder de genoemde kerkplaatsen bevonden zich Anloo, Beilen, Vries, Norg, Roden, Roderwolde en Eelde. De kerkelijke heffing werd aangeduid als debitum altariorum. Anloo en Beilen moesten ieder acht ons zilver opbrengen, Vries vier ons, terwijl Norg, Roden, Roderwolde en Eelde ieder twee schellingen betaalden. De oorkonde bewijst dat deze kerken al vóór het midden van de twaalfde eeuw in een financiële organisatie waren opgenomen. De inkomsten van Drentse kerkplaatsen ondersteunden daarmee een kerkelijk centrum in Twente.
## **De bisschoppelijke hof van Emmen in 1139**
De hof van Emmen wordt in een oorkonde uit 1139 genoemd en bestond waarschijnlijk al eerder. Het bedrijf vormde een centrum voor bisschoppelijke goederen in het dingspel Zuidenveld. Hier konden landbouwproducten van onderhorige boerderijen worden verzameld en opgeslagen. Een hofmeier hield toezicht op het beheer. De oude kerk van Emmen en de hof stonden waarschijnlijk oorspronkelijk in nauwe betrekking tot elkaar. Dit sluit aan bij de situatie in Groningen en Anloo. De bisschop beschikte daarmee langs de Hondsrug over verschillende belangrijke steunpunten. De precieze verblijfsplichten uit deze vroege periode zijn niet voor elk hof afzonderlijk overgeleverd.
## **Anloo — Moederkerk, bisschoppelijke hof en oude wegen**
Anloo was een van de belangrijkste vroegmiddeleeuwse kerkplaatsen in Drenthe. Onder de latere Magnuskerk hebben oudere houten kerkgebouwen gestaan. De stenen kerk ontstond rond 1100. Daarnaast beschikte de bisschop van Utrecht over een hof die het goederenbeheer in Oostermoer ondersteunde. Deze hof wordt pas in 1223 schriftelijk genoemd, maar kan een oudere oorsprong hebben. De precieze ligging binnen het dorp staat niet vast. Kerk, hof, landbouwgrond en doorgaande weg vormden samen een plaatselijk machtscentrum. Bewoners van omliggende nederzettingen waren aanvankelijk voor hun kerkelijke verplichtingen op Anloo aangewezen.
Het klooster Ruinen vóór 1141
Vóór 1141 ontstond bij Ruinen een kloostergemeenschap die verbonden was met de bisschop van Utrecht en de plaatselijke heer van Ruinen. Het klooster ontwikkelde zich later tot de instelling die in 1325 naar Dickninge verhuisde. Als benedictijnse gemeenschap kende het klooster de voorschriften over gastvrijheid en de verzorging van bezoekers. Het beschikte over bezittingen en onderhorige landbouwbedrijven. De latere uithof bij Drijber had zelfs een vertrek dat als logeerruimte bekendstond. Van dat vertrek is niet aangetoond dat het al vóór 1165 bestond. De kloosterstichting laat wel zien dat naast de oudere moederkerken nieuwe geestelijke centra ontstonden.
Coevorden — De doorgang tussen Drenthe en het zuiden
Coevorden lag bij een van de belangrijkste doorgangen door de veengebieden ten zuiden van Drenthe. Verschillende landverbindingen kwamen hier samen. Reizigers konden verder trekken richting Overijssel, Twente, Bentheim en Westfalen. De strategische ligging maakte het gebied belangrijk voor de bisschop van Utrecht en de plaatselijke machthebbers. Bisschop Hartbert van Bierum, die van 1139 tot 1150 regeerde, wordt in latere kroniekoverlevering met het verblijf in Coevorden verbonden. In 1159 wordt het bisschoppelijke kasteel in een pauselijke bevestiging genoemd. Daarmee wordt zichtbaar hoe een verkeersknooppunt ook een plaats van bestuur, verdediging en machtsuitoefening werd.
De kerkelijke gastvrijheid werd een georganiseerde herbergdienst
De verplichting om reizigers te helpen kon in de middeleeuwen verschillende vormen aannemen. De algemene christelijke gastvrijheid richtte zich op armen, pelgrims en vreemdelingen. Daarnaast bestonden bijzondere verplichtingen tegenover een abt, bisschop of andere heer. Zulke herbergdiensten konden verbonden zijn aan een pastorie, kloosterhof of boerderij. De eigenaar of beheerder moest dan op bepaalde tijden voedsel, onderdak, paardenvoer of andere voorzieningen leveren. Deze rechten waren niet overal gelijk. Ook betekende het bestaan van een kerk niet automatisch dat iedere koopman daar kosteloos kon overnachten. De precieze plicht hing af van de plaatselijke rechtsverhouding.
Winsum — Een twaalfde-eeuwse pastoor met een vaste ontvangstverplichting
In Winsum is een bijzonder gedetailleerde twaalfde-eeuwse regeling bewaard gebleven. De pastoor moest de abt van Werden eens in de drie jaar met zijn gevolg ontvangen. Hij was dan onder meer vijf malder broodrogge, een malder tarwe, vijf rammen, twee varkens, een big, een koe, twaalf kazen, tien kippen en honderd eieren verschuldigd. Daarnaast moesten boter, wijn, bier, haver, hooi, hout, peper, was, vlas en vis beschikbaar zijn. De pastoor moest de paarden van de abt gedurende een dag en een nacht in de weide laten bewaken. De verplichting was verbonden met het Werdense kerkelijke bezit.
Van Winsum verder reizen over het water
De ontvangst in Winsum maakte deel uit van een groter reisprogramma. De abt kwam niet alleen, maar reisde met kapelaans en andere begeleiders. De grote voedselhoeveelheden waren daarom niet uitsluitend voor zijn persoonlijke maaltijd bestemd. Tijdens een bezoek konden ook aanzienlijke personen uit de omgeving worden ontvangen. Bovendien werd geld voor aalmoezen beschikbaar gesteld. Vanuit Winsum kon de abt met zijn gevolg de reis over water voortzetten. Voor het huren van een schip werd 120 penningen genoemd. Daarmee vormt Winsum een rechtstreeks gedocumenteerde plaats waar kerkelijk grondbezit, gastvrijheid, paardenverzorging en scheepvaart samenkwamen.
Garnwerd — Een tweede pastorie met herbergplicht
Ook de pastorie van Garnwerd was aan de abdij Werden verbonden en had een ontvangstverplichting. De regeling kwam in grote lijnen overeen met die van Winsum. Tijdens de driejaarlijkse bezoeken verbleef de abt waarschijnlijk een dag en nacht in Winsum en vervolgens een dag en nacht in Garnwerd. Beide plaatsen hadden bovendien een functie binnen het beheer van de Werdense goederen in de noordelijke kustgebieden. Winsum was vooral verbonden met bezit ten oosten van de Hunze, terwijl Garnwerd betrekking had op goederen ten westen daarvan. De twee kerken vormden daardoor samen een netwerk van bestuurlijke en logistieke steunpunten.
De Werdense hof in Groningen als centrale verblijfplaats
De abdij Werden beschikte in Groningen over een belangrijke hof die een centrale functie had voor haar noordelijke goederenbeheer. Hier konden de abt en zijn gevolg tijdens hun bezoeken langer verblijven dan in Winsum of Garnwerd. Volgens de historische reconstructie kon de hof de abt gedurende zes dagen ontvangen. De plaats diende ook om landbouwopbrengsten, geld en andere inkomsten van omliggende bezittingen te verzamelen. Groningen was daardoor een schakel tussen de Werdense boerderijen in Drenthe en Twente en de bezittingen in de Ommelanden. Vanuit deze hof konden verdere bezoeken worden georganiseerd, zowel over land als over water.
Het Balloërveld — Een weg die honderden meters breed werd
Op het Balloërveld liggen nog altijd diepe en brede bundels karrensporen. Plaatselijk beslaan zij bijna vierhonderd meter. Op sommige plaatsen zijn ongeveer vijfentwintig dubbele sporen naast elkaar herkenbaar. De brede verkeerszone ontstond doordat voerlieden uitweken wanneer de bestaande sporen onbegaanbaar werden. De route maakte deel uit van de verbinding tussen Groningen en Coevorden. De huidige zichtbare sporen zijn niet allemaal even oud. Een belangrijk deel kreeg zijn vorm in de latere middeleeuwen en nieuwe tijd. Toch laten ze zien hoe doorgaand verkeer zich door het open heidelandschap bewoog, zonder één permanent vastgelegd wegtracé.
De kerktoren van Rolde als wegwijzer
Vanaf het noordoosten lopen de oude karrensporen op het Balloërveld opvallend in de richting van Rolde. De kerktoren diende in latere eeuwen als herkenningspunt voor reizigers. In het open heidelandschap konden hoge gebouwen helpen om de juiste koers te houden. Voor de zeventiende eeuw is het gebruik van zulke kerktorens als wegwijzer uitdrukkelijk beschreven. Dat bewijst niet dat de bestaande toren in het jaar 1000 al dezelfde functie vervulde. Rolde had echter wel een oudere kerkelijke geschiedenis. De combinatie van kerkplaats, doorgaande weg en omringende boerenerven maakte het dorp tot een belangrijk regionaal centrum.
Rolde en Balloo — Oude boerenerven en bisschoppelijk grondbezit
Rond Rolde en Balloo lagen verschillende belangrijke historische boerderijerven. Tot de bisschoppelijke leengoederen behoorden onder meer Houwinge, Rammeringe en Wernsinge. Deze goederen waren verbonden met plaatselijke families die rechten en verplichtingen tegenover de bisschop van Utrecht hadden. Het erf Houwinge bij Balloo werd later bekend als boerderij Kamps. De geschiedenis ervan kan vanaf de late middeleeuwen in leenregisters worden gevolgd. Bij Wernsinge in Deurze lag een aanzienlijke hofplaats die met de familie Bavinge verbonden was. Deze erven laten zien dat het bisschoppelijke grondbezit verspreid lag over het landschap rond de oude kerk van Rolde.
Balloo — De verdwenen erven en de oude hofgronden
De omgeving van Balloo bevat meerdere aanwijzingen voor oude agrarische bezitsstructuren. Bij boerderij Kamps lag het verdwenen erf Weyteren, dat tot het complex Houwinge behoorde. Ook Rammeringe wordt in historische en archeologische studies genoemd. Bij onderzoek aan Balloo 20 kwamen sporen van vroegmiddeleeuwse bewoning en een mogelijk opslaggebouw tevoorschijn. Of dit rechtstreeks met het later bekende goed Rammeringe verbonden was, blijft onzeker. De boerderijerven lagen in een landschap met essen, waterlopen en oude wegen. Hun ligging maakt het mogelijk de historische ontwikkeling van de nederzetting te vergelijken met de organisatie van bisschoppelijke bezittingen en plaatselijke landbouw.
Het oude kamp bij Rolde en de raadselachtige aardwerken
In oudere historische en monumentale beschrijvingen wordt ten zuidoosten van Rolde een terrein vermeld dat als een zogenoemd Germaans kamp bekendstond. Negentiende-eeuwse onderzoekers beschreven een onregelmatig terrein met aardwallen. Ook bij Balloo werden een schans en landweren genoemd. De benaming Germaans kamp is echter geen betrouwbare archeologische datering. De oorspronkelijke functie en ouderdom van het terrein zijn onvoldoende vastgesteld. Het kan daarom niet zonder nader onderzoek als vroegmiddeleeuwse legerplaats of verdedigingswerk worden opgenomen. Wel vormt het een afzonderlijk onderzoeksobject naast de boerderijerven, karrensporen en oudere grafmonumenten in de omgeving van Rolde.
Norg — De kerk, de hof van het Domkapittel en oude boerderijen
De kerkelijke betekenis van Norg werd versterkt door grondbezit van het Utrechtse Domkapittel. In de latere middeleeuwen bezat het kapittel er een hof die al vóór 1225 in leen was uitgegeven aan de familie Van Norg. Rond de huidige dorpskern zijn bovendien twee oude hoven bekend, Westerhovinge en Oosterhovinge. Hun precieze vroegste geschiedenis moet nog worden vastgesteld. De ligging van de kerk tussen verschillende historische hofplaatsen is opmerkelijk. Daarnaast stonden in en rond Norg landbouwbedrijven met eigen opslagvoorzieningen. De plaats vormde zo een verbinding tussen kerkelijk bestuur, adellijke families, landbouwproductie en de omliggende dorpen.
Gieten — Een wegkruising tussen Anloo, Assen en Borger
Gieten ontwikkelde zich op de oostelijke flank van de Hondsrug, langs de doorgaande verbinding tussen Groningen en Coevorden. Bij het dorp splitsten wegen zich af richting Assen, Eext, Gasselte en andere omliggende nederzettingen. De oorspronkelijke bebouwing bestond uit verschillende kernen rond de latere brink, het Westerend en de wegen naar de omliggende landbouwgronden. Gieten was kerkelijk aanvankelijk afhankelijk van Anloo. De zelfstandige kerk wordt pas in latere middeleeuwse bronnen duidelijk zichtbaar. De eerste bij naam bekende geestelijke wordt in 1302 vermeld. Voor de periode vóór 1165 is een eigen Gieter kerk of herbergplicht nog niet rechtstreeks aangetoond.
De oorspronkelijke oorkonden en archeologische vindplaatsen
De verdere reconstructie steunt op verschillende soorten historische gegevens. Oorkonden uit 797, 799, 820, 1040, 1139 en 1159 geven aanwijzingen voor schenkingen, kerken, rechten en bezittingen. De Werdense goederenregisters beschrijven afdrachten van boeren en verplichtingen tegenover de abdij. Archeologische opgravingen bij Norg, Odoorn, Balloo, Haren, Borger en Bronneger tonen hoe mensen daadwerkelijk woonden, werkten en hun wegen aanlegden. Hoogtekaarten maken oude karrensporen en verdwenen verbindingen zichtbaar. Latere leenregisters en hofadministraties helpen bepaalde bezittingen verder te volgen. Iedere bron geeft een deel van de geschiedenis, maar niet altijd dezelfde periode of functie weer.
Belangrijke bronnen voor het verdere onderzoek
Voor het kerkelijke grondbezit en de bisschoppelijke hoven zijn vooral de onderzoeken van P.N. Noomen van belang, waaronder Het koningsgoed in Groningen, Winsum in de vroege Middeleeuwen en Middeleeuwse ontwikkelingen in Rolder dingspel. De reconstructie van de Werdense weg door André Kamsma staat in De Kloetschup van december 2008. Rik van Heumen onderzocht in 2018 de historische karrensporen en routenetwerken op de Hondsrug en Rolderrug. Voor het vroege boerenlandschap zijn de opgravingspublicaties van H.T. Waterbolk en de archeologische rapporten over Norg, Odoorn, Borger, Bronneger en het Voorste Diepdal bijzonder belangrijk.
Norg en Halen — Een juridisch vastgelegde herbergplicht
Via de familie Van Norch komen we opnieuw bij een concrete verplichting om onderdak te geven. In de jaren 1370 ontstond een geschil over de herbergplicht van een hof in Halen bij Beilen. Het klooster Dickninge had recht op ontvangst op bepaalde tijden. De verplichting werd nader omschreven en had betrekking op de abt, begeleiders en paarden. Wanneer de vereiste gastvrijheid werd geweigerd, konden financiële gevolgen ontstaan. Tegen het einde van de veertiende eeuw werd de ontvangstverplichting vervangen door een vaste levering van rogge. Dit toont hoe een oorspronkelijk persoonlijke dienst later in een landbouwafdracht kon veranderen.
Houwinge bij Balloo werd een borgleen van Vollenhove
Een opmerkelijke latere verbinding tussen Drenthe en Vollenhove verschijnt in 1411. In dat jaar werd het goed Houwinge bij Balloo, later bekend als Kamps, aangeduid als een borgleen van Vollenhove. De leenman moest oorspronkelijk bijdragen aan de verdediging van het bisschoppelijke kasteel. Hiermee wordt duidelijk dat een boerderij bij Rolde verbonden kon zijn met militaire verplichtingen op aanzienlijke afstand. De bisschop van Utrecht gebruikte het leenstelsel om plaatselijke families aan zijn gezag te verbinden. De oudere oorsprong van Houwinge is aannemelijk, maar de specifieke borgleenverplichting is pas in de late middeleeuwen schriftelijk aantoonbaar.
De kerkwegen moesten volgens latere voorschriften begaanbaar blijven
Een Drentse kerkelijke regeling uit het midden van de vijftiende eeuw beschrijft verplichtingen voor het onderhoud van reewegen en kerkwegen. De dorpsgemeenschappen moesten ervoor zorgen dat hun kerk bereikbaar bleef. Dat gold ook voor het vervoer van overledenen. Wanneer een weg door water moeilijk begaanbaar was, moest een droog pad beschikbaar zijn dat voldoende breed was voor de dragers van een baar. Deze voorschriften laten zien hoe belangrijk de verbinding tussen nederzetting en moederkerk bleef. De regels zijn jonger dan 1165 en mogen niet zonder aanvullend bewijs aan de eerste Drentse kerken worden toegeschreven.
Het klooster Yesse verbond Haren later met Borger
In 1215 werd bij Haren het vrouwenklooster Yesse gesticht. Het klooster verwierf later bezittingen op verschillende plaatsen in Groningen en Drenthe. In 1462 wordt de Eesermolen genoemd, een watermolen in het gebied van Ees en Borger die eerder aan het klooster had toebehoord. Daarmee ontstaat een rechtstreeks gedocumenteerde verbinding tussen het kloosterlandschap bij Haren en de watermolens in het zuidelijke Hondsruggebied. Het klooster beheerste hierdoor landbouwinkomsten op aanzienlijke afstand van zijn hoofdgebouw. De overdracht vond na 1165 plaats, maar maakt duidelijk hoe later opnieuw kerkelijke instellingen gebruikmaakten van bestaande agrarische en verkeerskundige verbindingen.
Gieten ontwikkelde zich later tot een belangrijk herbergdorp
In de zeventiende eeuw was Gieten een bekende plaats voor reizigers. Aan de Brink lag een herberg die later bekend werd als Hotel Braams. De geschiedenis van dit bedrijf wordt vanaf de zeventiende eeuw gevolgd. Volgens het historische onderzoek begon men er rond 1617 met het schenken van drank en het verhuren van kamers. Aan het begin van de negentiende eeuw telde Gieten volgens dezelfde overlevering ongeveer vijftien herbergen. Die opmerkelijke concentratie past bij de ligging van het dorp aan een doorgaande weg en verschillende regionale verbindingen. Een rechtstreeks verband met een herberg uit de elfde eeuw is niet aangetoond.
De Hof te Hemmen bij Haren als latere bisschoppelijke verblijfplaats
Bij Haren lag de Hof te Hemmen, een voormalig leengoed van de bisschop van Utrecht. De geschiedenis van het goed is vanaf de late middeleeuwen in leenregisters te volgen. Tijdens het beleg van Groningen in 1672 verbleef bisschop Bernhard von Galen van Münster op deze hof. Een historische belegeringskaart vermeldt het landgoed als zijn logement. Daarmee bestaat een rechtstreeks gedocumenteerd voorbeeld van een bisschop van Münster die bij Haren onderdak vond. De gebeurtenis is veel jonger dan onze hoofdperiode. Zij laat wel zien dat aanzienlijke historische hoven later geschikt waren om een bisschop en zijn gevolg te ontvangen.
De wegen, kerken en hoven als afzonderlijke maar verbonden netwerken
De onderzochte gegevens laten verschillende organisaties zien die niet volledig met elkaar samenvielen. De doorgaande wegen verbonden handelsplaatsen, nederzettingen en oversteekplaatsen. De kerkwegen verbonden kleinere dorpen met hun moederkerken. De abdij Werden beschikte over boerderijen die inkomsten en soms reisvoorzieningen leverden. De bisschop van Utrecht beheerde hoven en kastelen van waaruit bestuur en rechtspraak mogelijk waren. Münster had kerkelijke rechten in de Ommelanden en bezittingen elders in het noorden. Op sommige plaatsen kwamen deze functies samen. Op andere plaatsen lag alleen een boerderij, een kerk, een molen of een oude voorde.
Sleen — Een oud kerkelijk centrum op de Rolderrug
Sleen ontwikkelde zich op de hoge zandgronden van de Rug van Sleen, de zuidelijke voortzetting van de Rolderrug. De plaats behoorde tot de oudste kerkelijke centra van Drenthe. In een document uit 1160 komt de plaatsnaam voor als Sle. Dat is belangrijk, omdat hiermee de nederzetting nog binnen onze onderzoeksperiode schriftelijk wordt genoemd. Sleen groeide later uit tot een centrum van het dingspel Zuidenveld. De kerk bediende een omvangrijk landbouwgebied met verschillende omliggende nederzettingen. De bestaande hoge kerktoren ontstond veel later en mag daarom niet als herkenningspunt voor reizigers uit de elfde eeuw worden beschouwd.
Twee oude zandruggen verbonden het noorden met Zuidenveld
In het zuiden van Drenthe liepen twee belangrijke hogere landschapszones naast elkaar. Aan de oostzijde lag de Hondsrug met nederzettingen als Borger, Odoorn, Valthe en Emmen. Meer naar het westen liep de Rolderrug via Rolde en Sleen naar het zuiden. Daartussen lagen plaatselijk natte laagten, heidevelden en veengebieden. Het verschil in ondergrond had gevolgen voor het verkeer. Reizigers konden lange afstanden over de hogere gronden afleggen, maar moesten bij de verbindingen tussen beide ruggen geschikte overgangen vinden. Zo ontstond een netwerk van doorgaande routes en dwarsverbindingen tussen de verschillende nederzettingen.
Sleen, Emmen en de ontwikkeling van de kerkelijke moederparochies
De kerkelijke geschiedenis van Zuidenveld begon met een beperkt aantal oudere parochies. Sleen en Emmen kregen daarin een belangrijke plaats. Vanuit de vroegste kerkelijke organisatie ontstonden later zelfstandige parochies in onder meer Zweeloo, Oosterhesselen en andere nederzettingen. De bewoners van kleine esgehuchten beschikten aanvankelijk niet vanzelfsprekend over een eigen kerk. Zij moesten zich richten op het kerkelijke centrum waartoe hun nederzetting behoorde. Daardoor ontstonden lange verbindingen tussen boerderijen en kerkplaatsen. De wegen volgden niet noodzakelijk de kortste afstand, maar moesten aansluiten op bestaande paden, begaanbare gronden en oversteekplaatsen in de beekdalen.
Weerdinge — De bewoners gingen naar Zweeloo in plaats van Emmen
Een opmerkelijke bijzonderheid in de historische kerkelijke indeling van Zuidenveld betreft Weerdinge. Hoewel deze nederzetting dicht bij Emmen lag, behoorden de bewoners volgens de overgeleverde kerkelijke organisatie tot de kerk van Zweeloo. Zij reisden dus niet vanzelfsprekend naar de dichtstbijzijnde kerk. Voor hun religieuze verplichtingen waren de historische parochiegrenzen doorslaggevend. Dit gegeven is belangrijk wanneer oude wegen worden gereconstrueerd. Een kerkweg kon een richting volgen die op een moderne kaart onlogisch lijkt. De route was dan niet uitsluitend het gevolg van afstand of terrein, maar ook van eeuwenoude kerkelijke rechten en verplichtingen.
Noord-Sleen en het Zweeler Kerkpad
Ook bij Noord-Sleen is een bijzondere kerkelijke verbinding bekend. De bewoners gebruikten het zogenoemde Zweeler Kerkpad om de kerk van Zweeloo te bereiken. Dat is opmerkelijk, omdat Sleen zelf een oud kerkelijk centrum was. De ligging van zulke paden maakt duidelijk dat naburige dorpen niet altijd tot dezelfde parochie behoorden. De historische organisatie kon bepalen welke kerk bezocht moest worden en waar de doden begraven werden. Voor de reconstructie van middeleeuwse verbindingen zijn oude kerkpadnamen daarom belangrijke aanwijzingen. De naam alleen is echter onvoldoende om de volledige route al vóór 1165 te dateren.
Zweeloo — Een rijke familie in het Drentse landschap
Dat in Zuidenveld al vóór de kerstening aanzienlijke families woonden, blijkt uit de beroemde vondst van de Prinses van Zweeloo. In 1952 ontdekten archeologen een rijk vrouwengraf uit de vijfde eeuw. De overledene droeg een verfijnd linnen gewaad en bezat sieraden van onder meer glas, brons, barnsteen en zilver. De grafvondst wijst op welvaart en contacten met een wereld buiten de eigen nederzetting. Dat betekent niet dat er toen al een bisschoppelijke hof of kerkelijke reisroute bestond. Wel laat de vondst zien dat sociale verschillen, bijzondere bezittingen en contacten tussen gebieden ouder waren dan de middeleeuwse kerkelijke organisatie.
Dalen en Coevorden — Waar de wegen naar het zuiden samenkwamen
Ten zuiden van de agrarische nederzettingen van Zuidenveld kwamen verschillende verbindingen samen in de omgeving van Dalen en Coevorden. Dalen lag aan een historische doorgangsroute, terwijl Coevorden ontstond op een hogere zandopduiking tussen waterlopen en moerassige gronden. De ligging maakte het mogelijk een beperkt aantal toegangen naar Drenthe te beheersen. Voor reizigers uit Groningen, Rolde, Sleen en Emmen werd dit gebied daardoor een belangrijk knooppunt. Vanuit Coevorden konden zij verder reizen naar Overijssel, Twente en de gebieden richting Bentheim en Münster. In de twaalfde eeuw kreeg de doorgang ook steeds meer betekenis voor het bisschoppelijke bestuur.
Sleen — Een oud kerkelijk centrum op de Rolderrug
Sleen ontwikkelde zich op de hoge zandgronden van de Rug van Sleen, de zuidelijke voortzetting van de Rolderrug. De plaats behoorde tot de oudste kerkelijke centra van Drenthe. In een document uit 1160 komt de plaatsnaam voor als Sle. Dat is belangrijk, omdat hiermee de nederzetting nog binnen onze onderzoeksperiode schriftelijk wordt genoemd. Sleen groeide later uit tot een centrum van het dingspel Zuidenveld. De kerk bediende een omvangrijk landbouwgebied met verschillende omliggende nederzettingen. De bestaande hoge kerktoren ontstond veel later en mag daarom niet als herkenningspunt voor reizigers uit de elfde eeuw worden beschouwd.
Twee oude zandruggen verbonden het noorden met Zuidenveld
In het zuiden van Drenthe liepen twee belangrijke hogere landschapszones naast elkaar. Aan de oostzijde lag de Hondsrug met nederzettingen als Borger, Odoorn, Valthe en Emmen. Meer naar het westen liep de Rolderrug via Rolde en Sleen naar het zuiden. Daartussen lagen plaatselijk natte laagten, heidevelden en veengebieden. Het verschil in ondergrond had gevolgen voor het verkeer. Reizigers konden lange afstanden over de hogere gronden afleggen, maar moesten bij de verbindingen tussen beide ruggen geschikte overgangen vinden. Zo ontstond een netwerk van doorgaande routes en dwarsverbindingen tussen de verschillende nederzettingen.
Sleen, Emmen en de ontwikkeling van de kerkelijke moederparochies
De kerkelijke geschiedenis van Zuidenveld begon met een beperkt aantal oudere parochies. Sleen en Emmen kregen daarin een belangrijke plaats. Vanuit de vroegste kerkelijke organisatie ontstonden later zelfstandige parochies in onder meer Zweeloo, Oosterhesselen en andere nederzettingen. De bewoners van kleine esgehuchten beschikten aanvankelijk niet vanzelfsprekend over een eigen kerk. Zij moesten zich richten op het kerkelijke centrum waartoe hun nederzetting behoorde. Daardoor ontstonden lange verbindingen tussen boerderijen en kerkplaatsen. De wegen volgden niet noodzakelijk de kortste afstand, maar moesten aansluiten op bestaande paden, begaanbare gronden en oversteekplaatsen in de beekdalen.
Weerdinge — De bewoners gingen naar Zweeloo in plaats van Emmen
Een opmerkelijke bijzonderheid in de historische kerkelijke indeling van Zuidenveld betreft Weerdinge. Hoewel deze nederzetting dicht bij Emmen lag, behoorden de bewoners volgens de overgeleverde kerkelijke organisatie tot de kerk van Zweeloo. Zij reisden dus niet vanzelfsprekend naar de dichtstbijzijnde kerk. Voor hun religieuze verplichtingen waren de historische parochiegrenzen doorslaggevend. Dit gegeven is belangrijk wanneer oude wegen worden gereconstrueerd. Een kerkweg kon een richting volgen die op een moderne kaart onlogisch lijkt. De route was dan niet uitsluitend het gevolg van afstand of terrein, maar ook van eeuwenoude kerkelijke rechten en verplichtingen.
Noord-Sleen en het Zweeler Kerkpad
Ook bij Noord-Sleen is een bijzondere kerkelijke verbinding bekend. De bewoners gebruikten het zogenoemde Zweeler Kerkpad om de kerk van Zweeloo te bereiken. Dat is opmerkelijk, omdat Sleen zelf een oud kerkelijk centrum was. De ligging van zulke paden maakt duidelijk dat naburige dorpen niet altijd tot dezelfde parochie behoorden. De historische organisatie kon bepalen welke kerk bezocht moest worden en waar de doden begraven werden. Voor de reconstructie van middeleeuwse verbindingen zijn oude kerkpadnamen daarom belangrijke aanwijzingen. De naam alleen is echter onvoldoende om de volledige route al vóór 1165 te dateren.
Zweeloo — Een rijke familie in het Drentse landschap
Dat in Zuidenveld al vóór de kerstening aanzienlijke families woonden, blijkt uit de beroemde vondst van de Prinses van Zweeloo. In 1952 ontdekten archeologen een rijk vrouwengraf uit de vijfde eeuw. De overledene droeg een verfijnd linnen gewaad en bezat sieraden van onder meer glas, brons, barnsteen en zilver. De grafvondst wijst op welvaart en contacten met een wereld buiten de eigen nederzetting. Dat betekent niet dat er toen al een bisschoppelijke hof of kerkelijke reisroute bestond. Wel laat de vondst zien dat sociale verschillen, bijzondere bezittingen en contacten tussen gebieden ouder waren dan de middeleeuwse kerkelijke organisatie.
Dalen en Coevorden — Waar de wegen naar het zuiden samenkwamen
Ten zuiden van de agrarische nederzettingen van Zuidenveld kwamen verschillende verbindingen samen in de omgeving van Dalen en Coevorden. Dalen lag aan een historische doorgangsroute, terwijl Coevorden ontstond op een hogere zandopduiking tussen waterlopen en moerassige gronden. De ligging maakte het mogelijk een beperkt aantal toegangen naar Drenthe te beheersen. Voor reizigers uit Groningen, Rolde, Sleen en Emmen werd dit gebied daardoor een belangrijk knooppunt. Vanuit Coevorden konden zij verder reizen naar Overijssel, Twente en de gebieden richting Bentheim en Münster. In de twaalfde eeuw kreeg de doorgang ook steeds meer betekenis voor het bisschoppelijke bestuur.
Vries — Een kerkplaats uit de tijd van Karel de Grote
Vries behoort tot de oudste bekende kerkplaatsen van Drenthe. Onder de bestaande kerk zijn resten van houten voorgangers aangetroffen. De oudste kerk wordt gewoonlijk rond 775 geplaatst, toen de kerstening van Drenthe nog maar kort op gang was gekomen. Vries ontwikkelde zich tot de moederparochie van het dingspel Noordenveld. Bewoners uit verschillende omliggende nederzettingen waren voor de kerkelijke diensten op deze plaats aangewezen. De ligging op een hogere zandrug maakte het dorp bovendien bereikbaar vanuit verschillende richtingen. Zo werd een vroeg religieus centrum tevens een belangrijk ontmoetingspunt voor boerenfamilies uit een uitgestrekt gebied.
De kerk van Vries was verbonden met de Werdense schenking van 820
In de geschiedenis van Vries speelt de schenking van Theodgrim uit 820 een belangrijke rol. Het geschonken kerkelijke bezit lag in Arlo of Arlon, een naam die historici met het gebied rond Vries in verband brengen. Volgens deze reconstructie kwam de plaatselijke kerk onder invloed van de abdij Werden. De schenking betekende dat een kerk met bijbehorende landbouwgoederen onderdeel werd van een kloosterbezit dat zich tot ver buiten Drenthe uitstrekte. De precieze identificatie van Arlo blijft belangrijk. Wanneer de schenking daadwerkelijk op Vries betrekking had, behoort zij tot de oudste geschreven bewijzen voor kerkelijk grootgrondbezit in Noord-Drenthe.
In de elfde eeuw kreeg Vries een tufstenen kerk
De vroegste houten kerkgebouwen van Vries werden uiteindelijk vervangen door stenen gebouwen. De oudste tufstenen bouwfase wordt in de negende eeuw geplaatst, terwijl grote delen van het bestaande romaanse schip uit de elfde eeuw dateren. De muren zijn ongeveer 1,20 meter dik en bevatten karakteristieke rondboogvensters. De toren werd in de tweede helft van de twaalfde eeuw gebouwd, met een tufstenen onderbouw en later ook baksteen. Dit is belangrijk voor de geschiedenis van de oude wegen. De toren werd een opvallend herkenningspunt, maar zijn huidige vorm mag
Sleen — Een oud kerkelijk centrum op de Rolderrug
Sleen ontwikkelde zich op de hoge zandgronden van de Rug van Sleen, de zuidelijke voortzetting van de Rolderrug. De plaats behoorde tot de oudste kerkelijke centra van Drenthe. In een document uit 1160 komt de plaatsnaam voor als Sle. Dat is belangrijk, omdat hiermee de nederzetting nog binnen onze onderzoeksperiode schriftelijk wordt genoemd. Sleen groeide later uit tot een centrum van het dingspel Zuidenveld. De kerk bediende een omvangrijk landbouwgebied met verschillende omliggende nederzettingen. De bestaande hoge kerktoren ontstond veel later en mag daarom niet als herkenningspunt voor reizigers uit de elfde eeuw worden beschouwd.
Twee oude zandruggen verbonden het noorden met Zuidenveld
In het zuiden van Drenthe liepen twee belangrijke hogere landschapszones naast elkaar. Aan de oostzijde lag de Hondsrug met nederzettingen als Borger, Odoorn, Valthe en Emmen. Meer naar het westen liep de Rolderrug via Rolde en Sleen naar het zuiden. Daartussen lagen plaatselijk natte laagten, heidevelden en veengebieden. Het verschil in ondergrond had gevolgen voor het verkeer. Reizigers konden lange afstanden over de hogere gronden afleggen, maar moesten bij de verbindingen tussen beide ruggen geschikte overgangen vinden. Zo ontstond een netwerk van doorgaande routes en dwarsverbindingen tussen de verschillende nederzettingen.
Sleen, Emmen en de ontwikkeling van de kerkelijke moederparochies
De kerkelijke geschiedenis van Zuidenveld begon met een beperkt aantal oudere parochies. Sleen en Emmen kregen daarin een belangrijke plaats. Vanuit de vroegste kerkelijke organisatie ontstonden later zelfstandige parochies in onder meer Zweeloo, Oosterhesselen en andere nederzettingen. De bewoners van kleine esgehuchten beschikten aanvankelijk niet vanzelfsprekend over een eigen kerk. Zij moesten zich richten op het kerkelijke centrum waartoe hun nederzetting behoorde. Daardoor ontstonden lange verbindingen tussen boerderijen en kerkplaatsen. De wegen volgden niet noodzakelijk de kortste afstand, maar moesten aansluiten op bestaande paden, begaanbare gronden en oversteekplaatsen in de beekdalen.
Weerdinge — De bewoners gingen naar Zweeloo in plaats van Emmen
Een opmerkelijke bijzonderheid in de historische kerkelijke indeling van Zuidenveld betreft Weerdinge. Hoewel deze nederzetting dicht bij Emmen lag, behoorden de bewoners volgens de overgeleverde kerkelijke organisatie tot de kerk van Zweeloo. Zij reisden dus niet vanzelfsprekend naar de dichtstbijzijnde kerk. Voor hun religieuze verplichtingen waren de historische parochiegrenzen doorslaggevend. Dit gegeven is belangrijk wanneer oude wegen worden gereconstrueerd. Een kerkweg kon een richting volgen die op een moderne kaart onlogisch lijkt. De route was dan niet uitsluitend het gevolg van afstand of terrein, maar ook van eeuwenoude kerkelijke rechten en verplichtingen.
Noord-Sleen en het Zweeler Kerkpad
Ook bij Noord-Sleen is een bijzondere kerkelijke verbinding bekend. De bewoners gebruikten het zogenoemde Zweeler Kerkpad om de kerk van Zweeloo te bereiken. Dat is opmerkelijk, omdat Sleen zelf een oud kerkelijk centrum was. De ligging van zulke paden maakt duidelijk dat naburige dorpen niet altijd tot dezelfde parochie behoorden. De historische organisatie kon bepalen welke kerk bezocht moest worden en waar de doden begraven werden. Voor de reconstructie van middeleeuwse verbindingen zijn oude kerkpadnamen daarom belangrijke aanwijzingen. De naam alleen is echter onvoldoende om de volledige route al vóór 1165 te dateren.
Zweeloo — Een rijke familie in het Drentse landschap
Dat in Zuidenveld al vóór de kerstening aanzienlijke families woonden, blijkt uit de beroemde vondst van de Prinses van Zweeloo. In 1952 ontdekten archeologen een rijk vrouwengraf uit de vijfde eeuw. De overledene droeg een verfijnd linnen gewaad en bezat sieraden van onder meer glas, brons, barnsteen en zilver. De grafvondst wijst op welvaart en contacten met een wereld buiten de eigen nederzetting. Dat betekent niet dat er toen al een bisschoppelijke hof of kerkelijke reisroute bestond. Wel laat de vondst zien dat sociale verschillen, bijzondere bezittingen en contacten tussen gebieden ouder waren dan de middeleeuwse kerkelijke organisatie.
Dalen en Coevorden — Waar de wegen naar het zuiden samenkwamen
Ten zuiden van de agrarische nederzettingen van Zuidenveld kwamen verschillende verbindingen samen in de omgeving van Dalen en Coevorden. Dalen lag aan een historische doorgangsSleen — Een oud kerkelijk centrum op de Rolderrug
Sleen ontwikkelde zich op de hoge zandgronden van de Rug van Sleen, de zuidelijke voortzetting van de Rolderrug. De plaats behoorde tot de oudste kerkelijke centra van Drenthe. In een document uit 1160 komt de plaatsnaam voor als Sle. Dat is belangrijk, omdat hiermee de nederzetting nog binnen onze onderzoeksperiode schriftelijk wordt genoemd. Sleen groeide later uit tot een centrum van het dingspel Zuidenveld. De kerk bediende een omvangrijk landbouwgebied met verschillende omliggende nederzettingen. De bestaande hoge kerktoren ontstond veel later en mag daarom niet als herkenningspunt voor reizigers uit de elfde eeuw worden beschouwd.
Twee oude zandruggen verbonden het noorden met Zuidenveld
In het zuiden van Drenthe liepen twee belangrijke hogere landschapszones naast elkaar. Aan de oostzijde lag de Hondsrug met nederzettingen als Borger, Odoorn, Valthe en Emmen. Meer naar het westen liep de Rolderrug via Rolde en Sleen naar het zuiden. Daartussen lagen plaatselijk natte laagten, heidevelden en veengebieden. Het verschil in ondergrond had gevolgen voor het verkeer. Reizigers konden lange afstanden over de hogere gronden afleggen, maar moesten bij de verbindingen tussen beide ruggen geschikte overgangen vinden. Zo ontstond een netwerk van doorgaande routes en dwarsverbindingen tussen de verschillende nederzettingen.
Sleen, Emmen en de ontwikkeling van de kerkelijke moederparochies
De kerkelijke geschiedenis van Zuidenveld begon met een beperkt aantal oudere parochies. Sleen en Emmen kregen daarin een belangrijke plaats. Vanuit de vroegste kerkelijke organisatie ontstonden later zelfstandige parochies in onder meer Zweeloo, Oosterhesselen en andere nederzettingen. De bewoners van kleine esgehuchten beschikten aanvankelijk niet vanzelfsprekend over een eigen kerk. Zij moesten zich richten op het kerkelijke centrum waartoe hun nederzetting behoorde. Daardoor ontstonden lange verbindingen tussen boerderijen en kerkplaatsen. De wegen volgden niet noodzakelijk de kortste afstand, maar moesten aansluiten op bestaande paden, begaanbare gronden en oversteekplaatsen in de beekdalen.
Weerdinge — De bewoners gingen naar Zweeloo in plaats van Emmen
Een opmerkelijke bijzonderheid in de historische kerkelijke indeling van Zuidenveld betreft Weerdinge. Hoewel deze nederzetting dicht bij Emmen lag, behoorden de bewoners volgens de overgeleverde kerkelijke organisatie tot de kerk van Zweeloo. Zij reisden dus niet vanzelfsprekend naar de dichtstbijzijnde kerk. Voor hun religieuze verplichtingen waren de historische parochiegrenzen doorslaggevend. Dit gegeven is belangrijk wanneer oude wegen worden gereconstrueerd. Een kerkweg kon een richting volgen die op een moderne kaart onlogisch lijkt. De route was dan niet uitsluitend het gevolg van afstand of terrein, maar ook van eeuwenoude kerkelijke rechten en verplichtingen.
Noord-Sleen en het Zweeler Kerkpad
Ook bij Noord-Sleen is een bijzondere kerkelijke verbinding bekend. De bewoners gebruikten het zogenoemde Zweeler Kerkpad om de kerk van Zweeloo te bereiken. Dat is opmerkelijk, omdat Sleen zelf een oud kerkelijk centrum was. De ligging van zulke paden maakt duidelijk dat naburige dorpen niet altijd tot dezelfde parochie behoorden. De historische organisatie kon bepalen welke kerk bezocht moest worden en waar de doden begraven werden. Voor de reconstructie van middeleeuwse verbindingen zijn oude kerkpadnamen daarom belangrijke aanwijzingen. De naam alleen is echter onvoldoende om de volledige route al vóór 1165 te dateren.
Zweeloo — Een rijke familie in het Drentse landschap
Dat in Zuidenveld al vóór de kerstening aanzienlijke families woonden, blijkt uit de beroemde vondst van de Prinses van Zweeloo. In 1952 ontdekten archeologen een rijk vrouwengraf uit de vijfde eeuw. De overledene droeg een verfijnd linnen gewaad en bezat sieraden van onder meer glas, brons, barnsteen en zilver. De grafvondst wijst op welvaart en contacten met een wereld buiten de eigen nederzetting. Dat betekent niet dat er toen al een bisschoppelijke hof of kerkelijke reisroute bestond. Wel laat de vondst zien dat sociale verschillen, bijzondere bezittingen en contacten tussen gebieden ouder waren dan de middeleeuwse kerkelijke organisatie.
Dalen en Coevorden — Waar de wegen naar het zuiden samenkwamen
Ten zuiden van de agrarische nederzettingen van Zuidenveld kwamen verschillende verbindingen samen in de omgeving van Dalen en Coevorden. Dalen lag aan een historische doorgangsroute, terwijl Coevorden ontstond op een hogere zandopduiking tussen waterlopen en moerassige gronden. De ligging maakte het mogelijk een beperkt aantal toegangen naar Drenthe te beheersen. Voor reizigers uit Groningen, Rolde, Sleen en Emmen werd dit gebied daardoor een belangrijk knooppunt. Vanuit Coevorden konden zij verder reizen naar Overijssel, Twente en de gebieden richting Bentheim en Münster. In de twaalfde eeuw kreeg de doorgang ook steeds meer betekenis voor het bisschoppelijke bestuur.route, terwijl Coevorden ontstond op een hogere zandopduiking tussen waterlopen en moerassige gronden. De ligging maakte het mogelijk een beperkt aantal toegangen naar Drenthe te beheersen. Voor reizigers uit Groningen, Rolde, Sleen en Emmen werd dit gebied daardoor een belangrijk knooppunt. Vanuit Coevorden konden zij verder reizen naar Overijssel, Twente en de gebieden richting Bentheim en Münster. In de twaalfde eeuw kreeg de doorgang ook steeds meer betekenis voor het bisschoppelijke bestuur.
De doorgang bij Coevorden werd een bron van inkomsten
De ligging van Coevorden bij de samenkomst van verschillende waterlopen maakte de plaats bijzonder belangrijk. Het Drostendiep, het Loodiep en het Schoonebeekerdiep kwamen hier samen in de richting van de Kleine Vecht. Tussen de uitgestrekte moerasgebieden bestond slechts een beperkt aantal goed bruikbare overgangen. Reizigers die vanuit Groningen naar het zuiden trokken, konden daardoor niet zomaar overal de grens van het Drentse plateau passeren. De bisschop van Utrecht had belang bij het beheersen van deze doorgang. Wie de wegen en oversteekplaatsen controleerde, kon ook invloed uitoefenen op het verkeer en de goederen die werden vervoerd.
In 1141 verschijnt Fredericus van Coevorden als getuige
Een oorkonde uit 1141 noemt een man met de naam Fredericus van Cuvorde. Hij was getuige bij een schenking van bisschop Hartbert van Utrecht aan het klooster Ruinen. Daarbij waren onder meer de kerk van Steenwijk en goederen in Ruinen, Meppel, Anreep, Pesse en Bunne betrokken. De naam Fredericus is belangrijk omdat hij laat zien dat personen die met Coevorden verbonden waren al rond het midden van de twaalfde eeuw bij bisschoppelijke rechtshandelingen betrokken konden zijn. Zijn precieze functie en familieverband zijn niet bekend. Daarom mogen we hem niet zonder aanvullend bewijs als burggraaf of eigenaar van het kasteel aanduiden.
In 1148 verschijnt een bijzondere vrouw in de geschiedenis van Coevorden
Een oorkonde die op 1148 wordt gedateerd, levert een opmerkelijke nieuwe naam op: vrouwe Sigardis. In deze akte regelde Wibald, abt van het klooster Corvey, de verpachting van een bezitting aan Conradus de Orio. De jaarlijkse pacht bedroeg vier zilveren marken. Het bedrag moest op Sint-Jacobsdag, 25 juli, worden betaald aan de rentmeester van het klooster, bij het huis van Sigardis in Coevorden. Dit is een uitzonderlijk concreet gegeven. We kennen niet alleen de plaats waar de betaling moest plaatsvinden, maar ook de naam van een vrouw wier huis daarbij als ontvangstpunt werd gebruikt.
Het huis van Sigardis was een vaste plaats voor een kloosterbetaling
De oorkonde maakt duidelijk dat een particulier huis in Coevorden een functie had binnen het beheer van kloosterbezit. De rentmeester van Corvey moest er op een vastgestelde dag de jaarlijkse pacht ontvangen. Of Sigardis zelf de betaling beheerde, is niet bekend. Evenmin weten we of haar woning ook als herberg functioneerde. Toch is de vermelding van bijzonder belang voor onze zoektocht naar historische ontvangstadressen. De organisatie van kloostergoederen steunde kennelijk niet uitsluitend op grote abdijen en centrale hoven. Ook woningen van afzonderlijke personen konden dienen als herkenbare plaatsen waar bestuurders, pachters en vertegenwoordigers elkaar ontmoetten.
De oorkonde werd uitgevaardigd in Anloo, bij bisschop Hartbert
Nog opvallender is dat dezelfde oorkonde in Anloo werd uitgevaardigd, in aanwezigheid van bisschop Hartbert van Utrecht. Daarmee verschijnt Anloo niet alleen als moederkerk en bestuurscentrum, maar ook als plaats waar een belangrijke kloosterlijke rechtshandeling werd vastgelegd. Abt Wibald van Corvey was een invloedrijke geestelijke die meerdere abdijen bestuurde en contacten onderhield met het koninklijke hof. Zijn aanwezigheid bij Anloo bewijst dat deze plaats binnen een netwerk van hooggeplaatste geestelijken functioneerde. Of Wibald bij de bisschoppelijke hof overnachtte, staat niet in de oorkonde. Wel maakt de bijeenkomst de bestuurlijke betekenis van Anloo bijzonder duidelijk.
Niet alleen Werden, maar ook Corvey was met het noorden verbonden
Tot nu toe kwamen in ons onderzoek vooral de goederen en reizigers van de abdij Werden naar voren. De oorkonde van 1148 toont dat daarnaast de abdij Corvey een eigen netwerk in Noord-Nederland bezat. Corvey was in 822 bij Höxter aan de Weser gesticht en beschikte later over bezittingen in Friesland en andere noordelijke gebieden. Abt Wibald moest die verspreide goederen laten beheren en de inkomsten veiligstellen. De afspraak over de betaling bij Sigardis in Coevorden laat zien hoe een klooster op grote afstand gebruik kon maken van plaatselijke personen en ontvangstadressen. Beide kloosters hadden eigen bezittingen en afzonderlijke organisaties.
Hartbert maakte van Groningen en Coevorden erfelijke machtscentra
Rond het midden van de twaalfde eeuw gaf bisschop Hartbert van Bierum belangrijke bestuursfuncties aan zijn broers. Leffard verkreeg de prefectuur van Groningen en het Gorecht, terwijl Ludolf het kasteleinschap van Coevorden kreeg. Hierdoor kwamen twee strategische plaatsen aan de noordelijke en zuidelijke uiteinden van de Drentse verkeersverbinding onder invloed van dezelfde familie. Het erfelijk maken van de functies had grote gevolgen. Opvolgende generaties konden hun eigen machtspositie versterken, waardoor later conflicten met de bisschoppen van Utrecht ontstonden. De doorgangswegen, de lokale bezittingen en de inkomsten uit het verkeer werden daarmee onderdeel van een langdurige machtsstrijd.
Hier staan deel 21, 22, 23 en 24 samen in één schrijfblok, met alle 28 oorspronkelijke tekstblokken, zonder inkorting of herschrijving en met vette H2-koppen.
## **Roderwolde — Boeren vestigden zich rond 1100 in het moerasbos**
Ten noorden van Roden lag een uitgestrekt gebied van veen, moerasbossen en natte graslanden. Vanaf ongeveer de elfde eeuw begonnen bewoners delen van dit landschap te ontginnen. Zij groeven afwateringssloten en maakten nieuwe akkers en weilanden. Zo ontstond Roderwolde, een nederzetting waarvan de naam verwijst naar het wold, het moerassige boslandschap. De boeren vestigden zich aanvankelijk veel noordelijker dan het huidige dorp. Hun huizen stonden langs een langgerekte bewoningsas die aansloot op de ontgonnen kavels. Deze vorm van nederzetting verschilde sterk van de oudere esdorpen op de hogere Drentse zandgronden.
## **In 1139 had Roderwolde al een zelfstandige kerk**
De oudste schriftelijke vermelding van Roderwolde dateert uit 1139. In dat jaar noemde bisschop Andreas van Cuijk de kerk van Roterwolde bij de overdracht van kerkelijke inkomsten aan Oldenzaal. Het dorp beschikte toen al over een eigen parochie. Dat is opmerkelijk voor een nederzetting die waarschijnlijk pas enkele generaties eerder was ontstaan. De kerk was afgesplitst van de oudere kerkelijke organisatie van Roden, die zelf uit Vries was voortgekomen. De ontginning van het veenlandschap ging dus samen met de stichting van nieuwe kerken. Daardoor werden ook de noordelijke randgebieden van Drenthe opgenomen in het kerkelijke bestuur.
## **De bisschop kon verdienen aan nieuwe landbouwgrond**
Nieuwe ontginningen hadden niet alleen betekenis voor de boeren die er gingen wonen. Ook de kerkelijke overheid kon er inkomsten aan ontlenen. Wanneer woeste grond geschikt werd gemaakt voor landbouw, ontstonden nieuwe akkers waarop tienden konden worden geheven. Deze werden novale tienden genoemd. Historisch-geograaf B. Michel onderzocht of de ontwikkeling van Roderwolde mede samenhing met de belangen van de Utrechtse kerk. De grens met het Groningse Lieuwerderwolde maakte het gebied daarbij bijzonder. Het bezit en de ontginning van de grond konden ook bijdragen aan het afbakenen van de invloedssfeer tussen Groningen en het graafschap Drenthe.
## **Lange smalle kavels bepaalden de ligging van de boerderijen**
Bij de aanleg van het ontginningsgebied werden lange, smalle stroken grond uitgezet. Iedere boerderij had toegang tot een eigen kavel die zich vanaf de nederzetting verder het veen in uitstrekte. Sloten zorgden voor afwatering en vormden tegelijk herkenbare grenzen tussen de verschillende boerenbedrijven. Hierdoor ontstond een regelmatig patroon dat op historische kaarten nog goed zichtbaar is. De boerderijen lagen langs dezelfde bewoningsas, maar niet noodzakelijk dicht bij elkaar. Zo ontwikkelde Roderwolde zich tot een streekdorp. De oorspronkelijke perceelsindeling is belangrijk, omdat deze kan helpen om verdwenen woonplaatsen en oude toegangswegen te reconstrueren.
## **Veenterpen bewaren de plaatsen van verdwenen boerenerven**
In het gebied tussen Roderwolde, de Matsloot en het Peizerdiep liggen oude veenterpen. Dit zijn kleine verhogingen waarop in het verleden boerderijen stonden. Sommige huisplaatsen gaan volgens de provinciale landschapsinventarisatie terug tot de tiende eeuw. Door herhaaldelijke ophoging konden bewoners hun gebouwen langer beschermen tegen wateroverlast. De terpen lagen niet willekeurig verspreid, maar maakten deel uit van verschillende ontginningsassen. Daarmee zijn ze belangrijke aanwijzingen voor de vroegere ligging van wegen, boerderijen en landbouwgrond. Wanneer een terp later werd verlaten, kon de verhoging in het landschap blijven bestaan terwijl de gebouwen zelf verdwenen.
## **Het ontwateren van de grond veroorzaakte nieuwe waterproblemen**
De boeren groeven sloten om het veen geschikt te maken voor landbouw. Daardoor kwam lucht bij het veen, dat langzaam begon te oxideren en in te klinken. Het maaiveld daalde en de wateroverlast nam opnieuw toe. Akkers die eerst bruikbaar waren geweest, veranderden uiteindelijk in grasland of werden verlaten. Sommige bewoners trokken met hun boerderijen verder naar het zuiden, waar de grond hoger lag. Dit proces herhaalde zich gedurende verschillende eeuwen. De geschiedenis van Roderwolde laat daarmee zien dat de aanleg van een nederzetting niet betekende dat haar ligging voorgoed vaststond. Ook kerkwegen moesten zich aan deze veranderingen aanpassen.
## **Sandebuur en het oude kerkhof tonen waar Roderwolde vroeger lag**
De oorspronkelijke dorpskern van Roderwolde lag tussen het huidige Sandebuur en het bosperceel Het Waal. Daar bevond zich ook de oude kerk. Door de toenemende wateroverlast verhuisden de bewoners geleidelijk naar hogere gronden, ongeveer een kilometer zuidelijker. De oude kerk werd rond 1830 afgebroken en in 1831 kwam er een nieuwe kerk in het verplaatste dorp. De oorspronkelijke begraafplaats bleef echter bestaan. Daardoor ligt het oude kerkhof tegenwoordig buiten de dorpskern. Sandebuur bleef op zijn hogere zandrug liggen. Zo zijn in het landschap nog verschillende fasen van één middeleeuwse nederzetting te herkennen.
## **Uffelte — Een koninklijk landgoed werd in 1040 bisschoppelijk bezit**
Uffelte was al vóór 1040 een landbouwdorp met verschillende boerderijen op de hogere zandgronden van Zuidwest-Drenthe. Op 21 mei 1040 veranderde de bestuurlijke positie van het dorp. Koning Hendrik III schonk de bezittingen die eerder aan Uffo en zijn broers hadden toebehoord aan bisschop Bernold van Utrecht. In de oorkonde werd Uffelte aangeduid als Uphelte. De nieuwe eigenaar kreeg daardoor de beschikking over landbouwgrond en bijbehorende rechten. Deze overdracht maakte deel uit van een grotere machtsuitbreiding, waarbij ook Peelo en Wittelte onder het gezag van de Utrechtse kerk kwamen.
## **In 1048 schonk Bernold de hof aan het kapittel van Sint-Pieter**
Acht jaar na de koninklijke overdracht kwam Uffelte onder het beheer van een nieuwe kerkelijke instelling. Bisschop Bernold had in Utrecht het kapittel van Sint-Pieter gesticht. In 1048 schonk hij de hof van Uffelte aan dit kapittel. De kanunniken kregen daarmee een belangrijke inkomstenbron buiten Utrecht. De boerderijen die bij het goederencomplex hoorden, moesten landbouwproducten of andere afdrachten leveren. De hof ontwikkelde zich tot een administratief centrum waar plaatselijke beheerders de verplichtingen van de onderhorige boeren controleerden. Zo werd een klein Drents landbouwdorp opgenomen in een kerkelijk netwerk dat ver buiten de provincie reikte.
## **De hoofdhof had voorraadschuren voor de landbouwopbrengsten**
Het bezit van Sint-Pieter werd niet vanuit Utrecht zelf dagelijks bestuurd. De plaatselijke hoforganisatie zorgde ervoor dat graan en andere opbrengsten werden ingezameld. Bij de hoofdhof van Uffelte stonden voorraadschuren waarin landbouwproducten tijdelijk bewaard konden worden. Een hof was daardoor meer dan een aanzienlijke boerderij. Hij vormde een centrum waar de verplichtingen van onderhorige erven samenkwamen. Vanuit zo'n plaats konden inkomsten worden gecontroleerd, opgeslagen en verder vervoerd. De precieze indeling van het hofcomplex in de elfde eeuw is niet volledig bekend. Latere administratieve gegevens maken zijn economische betekenis echter duidelijk zichtbaar.
## **Horige boeren moesten de proost voorzien van paard en proviand**
Een bijzonder gegeven over Uffelte sluit rechtstreeks aan op onze zoektocht naar verzorgingsplaatsen voor reizende geestelijken. Wanneer de proost van het kapittel van Sint-Pieter het goederencomplex bezocht, moesten de horige boeren zorgen voor paard en proviand. Deze verplichting wordt beschreven in de latere administratie van het kapittel. Zij laat zien hoe een kerkelijke vertegenwoordiger tijdens zijn reizen op onderhorige landbouwbedrijven kon steunen. Het ging niet noodzakelijk om een gewone herberg, maar om een dienst die verbonden was aan het grondbezit. De overgeleverde verplichting mag niet zonder afzonderlijk bewijs volledig naar 1048 worden teruggeplaatst.
## **Rond 1300 droegen zeventien boerderijen bij aan de hoforganisatie**
Een beschrijving van het goederencomplex uit omstreeks 1300 vermeldt ongeveer zeventien boerderijen die bijdragen leverden aan het kapittel van Sint-Pieter. Zij waren verbonden met het stelsel van schuldmudden en waardelen. De waardelen vertegenwoordigen rechten binnen de plaatselijke landbouwgemeenschap. De hof, de molen en de proost bezaten eveneens belangen in dit stelsel. Daardoor ontstond een ingewikkelde organisatie waarin kerkelijk bezit, particuliere boerenbedrijven en gemeenschappelijke gronden samenkwamen. De aantallen geven een beeld van Uffelte in de latere middeleeuwen. Zij mogen niet rechtstreeks worden beschouwd als een betrouwbare telling van de nederzetting in de elfde eeuw.
## **De rogge uit Uffelte werd per schip naar Meppel vervoerd**
Een van de opvallendste verbindingen ontstond tussen Uffelte en Meppel. De landbouwopbrengsten van het kapittel, vooral rogge, werden met kleine vaartuigen over de Oude Vaart afgevoerd. In Meppel werd het graan tijdelijk opgeslagen voordat het verder naar Utrecht kon worden vervoerd. Soms kochten handelaren een groot gedeelte van de voorraad ter plaatse op. Bij de overslag en de sluis ontstond werk voor plaatselijke bewoners. De kerkelijke bezittingen waren daardoor verbonden met een economisch netwerk van landbouwers, schippers, kooplieden en opslagplaatsen. De beschreven organisatie is vooral uit latere middeleeuwse bronnen bekend.
## **Het Spijker en het Leemhuis werden latere centra van opslag**
In de vijftiende eeuw werd bij de Oude Vaart in Uffelte een Spijker gebruikt als opslagplaats voor de verplichte graanleveringen. Het gebouw wordt in 1439 genoemd als gebouwd of herbouwd. Verderop lag het Leemhuis, met een werf bij de waterverbinding. De familie Ten Hove beheerde in deze periode het Spijker en organiseerde de afvoer van rogge naar Meppel. Dit is een concreet voorbeeld van de verschuiving van een oude hoforganisatie naar een systeem van pachters, opslagplaatsen en handel. In 1844 moest een inwoner van Uffelte zelfs nog vier mud rogge aan het Utrechtse kapittel voldoen.
## **Wittelte — Een tweede landgoed uit de schenking van 1040**
Wittelte behoort tot de Drentse nederzettingen die op 21 mei 1040 in een koninklijke oorkonde werden genoemd. Koning Hendrik III schonk goederen in Wittelte, Uffelte en Peelo aan bisschop Bernold van Utrecht. De bezittingen waren eerder in handen geweest van Uffo en zijn broers. Het dorp Wittelte ontstond op de hogere zandgronden van Zuidwest-Drenthe, in een landschap van akkers, bossen en natte laagten. De schenking maakt duidelijk dat zich hier in de elfde eeuw al waardevol grondbezit bevond. Hoeveel boerderijen bij het oorspronkelijke landgoed hoorden, is uit de oorkonde niet op te maken.
## **De Wittesheuvel — Een mogelijk middeleeuws kasteel bij Wittelte**
Ten oosten van Wittelte ligt bij de Meester Broerweg een opvallende kunstmatige heuvel. Deze staat bekend als de Wittesheuvel of De Berg. Kastelenonderzoekers beschouwen hem als een mogelijk restant van een mottekasteel, een versterking die uit een opgehoogde heuvel met een gebouw en een omringende gracht kon bestaan. De huidige heuvel is ongeveer anderhalve meter hoog en heeft aan de voet een diameter van circa twintig meter. De omringende gracht is grotendeels verdwenen. In oudere beschrijvingen was de heuvel aanzienlijk hoger. De plaatselijke overlevering verbond hem met een vroegmiddeleeuwse machthebber, maar voor die identificatie ontbreekt rechtstreeks bewijs.
## **De schenking van 1040 bewijst nog geen kasteel**
Het bestaan van een versterking bij Wittelte is verleidelijk om te verbinden met de broers die hun bezittingen in 1040 verloren. Toch waarschuwt het Nederlandse Kastelenlexicon nadrukkelijk voor deze conclusie. De oorkonde noemt goederen, maar geen kasteel. Bovendien is niet bewezen dat de motteheuvel in die tijd al bestond. Ter vergelijking verwijst het Kastelenlexicon naar de opgegraven bisschoppelijke hof van Peelo, die geen versterkt kasteel bleek te zijn. Mogelijk werd de heuvel bij Wittelte pas aangelegd nadat het bezit aan de Utrechtse kerk was gekomen. De precieze bouwdatum en oorspronkelijke bewoner blijven onbekend.
## **Diever — Onder de kerk lag een nog ouder grafveld**
Bij de restauratie van de Sint-Pancratiuskerk in Diever zijn resten van oudere houten kerkgebouwen ontdekt. Archeologe Dorien te Kiefte onderzocht de opgravingsgegevens opnieuw en stelde vast dat de eerste houten kerk op een ouder grafveld was gebouwd. Dat is belangrijk voor de geschiedenis van de kerstening. Een plaats waar eerder mensen waren begraven, kreeg opnieuw een religieuze betekenis, maar nu binnen een christelijke gemeenschap. De oudste houten kerk kan volgens de archeologische reconstructie uit de periode 950–1050 stammen. De precieze datering blijft onzeker. Toch behoort Diever hiermee tot de vroegste aantoonbare kerkplaatsen van Zuidwest-Drenthe.
## **De eerste houten kerk van Diever had een bijzondere bouwvorm**
Het oudste opgegraven kerkgebouw van Diever was vermoedelijk ongeveer twintig meter lang en bijna acht meter breed. De constructie had drie schepen en zware houten stijlen die het dak droegen. Daarmee leek de plattegrond in bepaalde opzichten op de grote woonstalhuizen uit dezelfde periode. In het oostelijke gedeelte lag de lemen vloer iets hoger dan in het westen. Mogelijk werd daarmee een onderscheid gemaakt tussen het koor en de ruimte voor de gelovigen. De vondst laat zien dat vroege kerkbouwers gebruikmaakten van plaatselijke bouwtradities. Er bestond nog geen overal toegepaste standaardvorm voor houten dorpskerken.
## **Bij Diever lag de bisschoppelijke hof Calthorne**
Ongeveer achthonderd meter ten noordwesten van de kerk lag de middeleeuwse hof Calthorne bij Kalteren. Archeologen onderzochten hier in 2005 een omvangrijk boerenerf. Ze vonden onder meer een bijzonder groot woonstalhuis van het type Gasselte B', verschillende bijgebouwen, schuren, spiekers en een moestuin. De hof behoorde in de twaalfde eeuw tot het bezit van de bisschop van Utrecht. Het was geen gewone kleine boerenhoeve, maar een aanzienlijk bedrijf dat voor het beheer van landbouwgrond en inkomsten werd gebruikt. Een rechtstreekse functie als overnachtingsplaats voor bisschoppelijke reizigers is niet aangetoond.
## **Hugo Storm beheerde de hof Calthorne als bisschoppelijk leen**
In 1209 wordt de hof Calthorne genoemd in een oorkonde over de ruil van inkomsten tussen een boerderij bij Diever en het klooster Ruinen. Het goed was door de bisschop van Utrecht in leen gegeven aan Hugo Storm. Daardoor kunnen we de archeologische resten verbinden met een historische naam en een concrete rechtsverhouding. De hof lag dicht bij de oude kerk, waardoor onderzoekers vermoeden dat beide instellingen oorspronkelijk met hetzelfde bisschoppelijke goederencomplex verbonden waren. Het is niet bekend of de bisschop zelf op Calthorne verbleef. De combinatie van een kerk, groot landbouwbedrijf en leenman is niettemin bijzonder betekenisvol.
## **Steenwijk — Een belangrijke doorgang tussen Drenthe en Overijssel**
Steenwijk ontstond op de overgang tussen de hogere zandgronden van Zuidwest-Drenthe en het lage veenlandschap van Noordwest-Overijssel. Hier lag een doorgang bij de Steenwijker Aa, waar oude wegen vanuit het zuiden naar Drenthe en Friesland konden lopen. De omliggende keileemruggen en natte laagten bepaalden waar reizigers gemakkelijk konden passeren. In de omgeving ontstonden verschillende kleine nederzettingen, waaronder Oostwijk en Westwijk. Steenwijk ontwikkelde zich uiteindelijk tot het belangrijkste centrum bij deze doorgang. Daarmee vormde de plaats een westelijke toegang tot Drenthe, naast de doorgang bij Coevorden aan de zuidoostzijde van het gewest.
## **Rond het jaar 1000 stond in Steenwijk al een stenen kerk**
Onder de huidige Grote of Sint-Clemenskerk zijn resten aangetroffen van een veel ouder kerkgebouw. Rond het jaar 1000 stond hier al een stenen zaalkerk met een afzonderlijk koorgedeelte. Omstreeks 1050 werd het gebouw naar het oosten uitgebreid. Rond 1100 volgde opnieuw een verlenging. Tijdens de twaalfde eeuw werden verdere onderdelen toegevoegd, waaronder dwarspanden waarbij tufsteen werd gebruikt. Deze bouwgeschiedenis is bijzonder belangrijk. Terwijl verschillende Drentse moederkerken nog houten gebouwen gebruikten, beschikte Steenwijk al over een aanzienlijke stenen kerk. De plaats bezat daardoor vroeg een herkenbaar religieus en bestuurlijk centrum.
## **In 1141 kwamen de inkomsten van Steenwijk bij het klooster Ruinen**
De vroegste vermelding van Steenwijk staat in een oorkonde die op 13 maart 1141 is gedateerd. Daarin schonk bisschop Hartbert van Utrecht op verzoek van Otto van Ruinen de kerk van Steenwijk met haar tienden aan het Mariaklooster in Ruinen. Otto had de kerk eerder van de bisschop in leen gehouden. De schenking moest het voortbestaan van de kloostergemeenschap ondersteunen. Daarmee ontstaat een bijzondere verbinding tussen een belangrijke kerkplaats in Overijssel en een klooster in Drenthe. De akte is via latere overlevering bekend en de authenticiteit ervan verdient bronkritische aandacht, maar de beschreven rechtsverhouding speelt een centrale rol in het historische onderzoek.
## **Otto van Ruinen schonk ook boerderijen en landbouwrechten**
De schenking van 1141 beperkte zich niet tot de kerk van Steenwijk. Het klooster kreeg ook twee huizen in Ruinen met bijbehorende tienden, landbouwgronden en andere inkomsten. Verder werden rechten vermeld in Gijsselte en Anreep. Ook kwamen twee huizen met onderhorige bewoners voor in Pesse en een plaats die als Buun werd aangeduid. De precieze identificatie van Buun is niet zeker; Bunne bij Donderen wordt waarschijnlijk geacht, maar Bonnen en Buinen zijn eveneens genoemd. Deze opsomming laat zien dat het klooster beschikte over een goederencomplex dat zich over verschillende delen van Drenthe en de omgeving van Steenwijk uitstrekte.
## **Fredericus van Coevorden verschijnt tussen de getuigen**
De oorkonde van 1141 is ook belangrijk vanwege de personen die erbij betrokken waren. Naast bisschop Hartbert en Otto van Ruinen wordt onder de getuigen een Fredericus van Coevorden genoemd. Ook Arnoldus, de zoon van Otto, verschijnt in de overgeleverde getuigenlijst. Hierdoor kunnen we verschillende historische families en plaatsen met elkaar verbinden. Otto was als ministeriaal verbonden aan de Utrechtse kerk en beschikte over rechten in Ruinen en Steenwijk. Fredericus droeg een naam die hem met Coevorden verbond. De akte bewijst niet dat alle betrokkenen dezelfde route hadden afgelegd, maar laat wel zien dat hun bestuurlijke netwerken elkaar raakten.
## **Het veengebied tussen Ruinen en Meppel behoorde tot de schenking**
Een bijzonder onderdeel van de schenking was het moeras- of veengebied tussen Ruinen en Meppel, met de bijbehorende tienden. Daarmee kwam ook een uitgestrekt nat landschap binnen de inkomstenorganisatie van het klooster. De betekenis van dit bezit lag niet noodzakelijk uitsluitend in de turfwinning. Veengronden konden in verschillende fasen worden gebruikt voor beweiding, hooiland en latere ontginningen. Tegelijkertijd vormden de waterlopen belangrijke verbindingen naar Meppel en verder richting het westen. Voor onze onderzoeksperiode is niet vastgesteld hoe het volledige terrein werd geëxploiteerd. De schenking bewijst wel dat rechten op natte gronden economisch waardevol werden gevonden.
## **In 1309 werd een nieuwe kerk tussen Uffelte en Hesselte toegestaan**
De kerk van Steenwijk bleef eeuwenlang van betekenis voor bewoners uit het aangrenzende deel van Drenthe. Vooral vanuit Uffelte en Hesselte was de afstand naar deze moederkerk aanzienlijk. Daarom machtigde bisschop Guido van Utrecht in 1309 de dekens van Steenwijk en Drenthe om toestemming te geven voor een nieuwe kerk. In 1310 begon de bouw tussen de betrokken nederzettingen, op de plaats van de latere Sint-Clemenskerk van Havelte. Ook Hesselterveen werd bij deze nieuwe kerkelijke voorziening betrokken. Dit gebeurde ruim na 1165, maar laat zien hoe de oudere kerkelijke afhankelijkheid van Steenwijk uiteindelijk veranderde door de behoefte aan beter bereikbare kerken.