DE STRIJD OM HET DROGE LAND — DE GESCHIEDENIS VAN DE POLDER WESTZAAN
Van veenmoeras en middeleeuwse ontginningen tot heerlijke rechten, oorlog, droogmakerijen, molenindustrie en mechanische bemaling (circa 1000–1940)
DEEL 1 — WAAROM WAS EEN POLDER NODIG? (TOT 1400)
Een uitgestrekt veenmoeras tussen Kennemerland en de Zaan
Omstreeks het jaar 1000 lag ten westen van de Zaan een uitgestrekt veenmoeras. Het landschap bestond uit hoge veenkussens, natte laagten, veenmos, struikgewas en natuurlijke waterlopen. Regenwater werd in het veen vastgehouden en stroomde langzaam naar de randen, waar de Zaan, het IJ en kleinere waterverbindingen het afvoerden. Het latere Westzaan bestond nog niet als het langgerekte dorp dat eeuwen later herkenbaar zou worden. De grond was plaatselijk moeilijk toegankelijk en grote delen waren niet geschikt voor regelmatige landbouw. Toch lag hier een gebied dat mensen uiteindelijk gingen veranderen door sloten te graven, grond te ontwateren en nederzettingen te stichten.
Het landschap was niet uitsluitend door regenwater gevormd. De Zaan stond in verbinding met het IJ en via de Zuiderzee met de zee. Bij hoge waterstanden kon zout of brak water het gebied binnendringen. Veenstromen en geulen voerden water af, maar vormden tegelijkertijd toegangswegen waarlangs het buitenwater invloed kon uitoefenen. De bewoners die hier later landbouw wilden bedrijven, moesten daarom rekening houden met twee verschillende problemen: het water dat uit het veen zelf kwam en het water dat van buitenaf het land kon bereiken. Beide zouden van doorslaggevende betekenis worden voor de geschiedenis van Westzaan.
De oudste bewoners leefden lang vóór het middeleeuwse dorp
De menselijke geschiedenis van de omgeving begon veel eerder dan de middeleeuwse ontginningen. In het westelijke deel van de Assendelver polders vonden archeologen in 1975 resten van bewoning uit de ijzertijd. Een houten boerderij uit omstreeks 600 voor Christus toont dat mensen toen al delen van het veenlandschap konden gebruiken. Zij leefden in een omgeving waar de natuurlijke waterstanden en bodemgesteldheid bepaalden welke plaatsen geschikt waren voor bewoning. Uit verschillende archeologische perioden blijkt echter ook dat bewoning kon verdwijnen wanneer de omstandigheden veranderden. Van een onafgebroken nederzetting op de plaats van het latere Westzaan is geen sprake.
Voor Westzaan zelf liggen de oudste overtuigende archeologische aanwijzingen veel later. In 1989 werden onder meer scherven van zogenoemd Paffrath-aardewerk gevonden, enkele tientallen meters ten westen van de huidige bebouwing. Zulke vondsten passen bij bewoning in de middeleeuwen. Een oudere opvatting dat Westzaan al in de tiende eeuw onder de naam Westzegnem bekendstond, is onzeker geworden. Historisch onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat de betreffende naam in oude goederenlijsten mogelijk betrekking had op een ander gebied, namelijk Sassenheim. Het ontstaan van Westzaan moet daarom niet uitsluitend op een overeenkomst tussen oude plaatsnamen worden gebaseerd.
De ontginners begonnen het veen in cultuur te brengen
Vanaf de elfde en twaalfde eeuw werden in de Zaanstreek steeds grotere stukken veen ontgonnen. De bewoners maakten het natte land bruikbaar door sloten en greppels te graven. Het water kon daardoor naar bestaande veenstromen wegvloeien. De bovenste grondlaag werd droger, zodat akkerbouw mogelijk werd. De ontginning verliep in opeenvolgende stroken. Een deel van het landschap werd geschikt gemaakt voor landbouw, waarna verder gelegen grond aan de beurt kwam. Zo ontstond een stelsel van langgerekte percelen dat eeuwenlang herkenbaar zou blijven. De inrichting van het land was daarmee het resultaat van langdurige menselijke arbeid.
De ontginning vereiste samenwerking. Het graven van een sloot kon gevolgen hebben voor het water op aangrenzende percelen. Wanneer een watergang verstopt raakte, kregen ook andere grondgebruikers daarmee te maken. De eerste bewoners moesten daarom afspraken maken over de afwatering en het gebruik van gemeenschappelijke waterlopen. De precieze oudste regelingen zijn niet bewaard gebleven. Wel blijkt uit latere documenten dat het toezicht op sloten, sluizen en dijken uiteindelijk tot de verantwoordelijkheden van plaatselijke bestuurders ging behoren. De bestuurlijke organisatie ontwikkelde zich daardoor vanuit problemen die de bewoners tijdens de ontginning zelf hadden veroorzaakt.
Over de richting van de ontginning bestaat verschil van inzicht
De oorspronkelijke ontginningsrichting van Westzaan is niet met zekerheid vastgesteld. Historica Margaretha A. Verkade reconstrueerde een ontwikkeling waarbij de Reef en de daaropvolgende watergangen een belangrijke rol speelden en de ontginning vanuit het westen verder het gebied in trok. Historisch geograaf J.K. de Cock verdedigde een andere verklaring. Volgens hem begon de ontginning aan de zijde van de Zaan en verliep zij in westelijke richting. Beide reconstructies zijn gebaseerd op de ligging van oude watergangen, percelen en nederzettingssporen. Zij laten zien dat het oorspronkelijke landschap niet volledig uit de huidige kaart kan worden afgeleid.
De onzekerheid betreft vooral de precieze volgorde waarin afzonderlijke stroken werden ontgonnen. Over de grotere ontwikkeling bestaat veel meer overeenstemming. De bewoners groeven watergangen, brachten veen in gebruik en vestigden zich op geschikte plaatsen langs ontginningsassen. Naarmate het veen verder werd ontwaterd, veranderden de mogelijkheden voor landbouw en bewoning. De huidige ligging van Westzaan ontstond daardoor niet noodzakelijk tijdens één ontginningsfase. Archeologische vondsten, historische kaarten en de structuur van het landschap bieden aanwijzingen, maar geen volledig overzicht van iedere verplaatsing van een boerderij of nederzetting.
De Reef, de Watering en de Gouw kregen blijvende betekenis
Tijdens de ontginning ontstond een ingewikkeld netwerk van waterlopen. De Reef, de wegsloot, de Gouw, de Middelwatering en de Nieuwe Watering vormden herkenbare onderdelen van het latere Westzaanse landschap. Niet iedere watergang hoeft volledig door mensen te zijn gegraven. Sommige kunnen voortkomen uit natuurlijke veenkreken die tijdens de ontginning werden verbreed of aangepast. De kleinere sloten werden aangelegd om afzonderlijke stroken landbouwgrond te ontwateren. Daardoor ontstonden smalle, lange percelen die vanuit de nederzettingen het veen in liepen. Deze verkaveling bleef bestaan, ook toen het gebruik van de grond later veranderde.
De watergangen kregen vanaf het begin twee functies. Ze moesten overtollig water verwijderen, maar konden ook worden gebruikt om mensen en goederen te vervoeren. In een landschap waar wegen moeilijk begaanbaar waren, boden kleine vaartuigen een praktische verbinding tussen boerderijen en verder gelegen plaatsen. Dezelfde waterloop kon daardoor van belang zijn voor landbouw, vervoer en later ook industrie. Deze combinatie zou steeds ingewikkelder worden. Wie zijn land voldoende droog wilde houden, had niet altijd hetzelfde belang als iemand die met een geladen schuit voldoende waterdiepte nodig had.
Het veen begon te dalen zodra de ontwatering werkte
De ontginning had een gevolg dat het landschap blijvend veranderde. Veen bestaat grotendeels uit organisch materiaal en water. Wanneer het wordt ontwaterd, klinkt de grond in. Door de toetreding van zuurstof wordt bovendien organisch materiaal afgebroken. Hierdoor daalt het maaiveld. De bewoners hadden de sloten nodig om landbouw mogelijk te maken, maar veroorzaakten daardoor een proces dat de afwatering steeds moeilijker maakte. Gronden die aanvankelijk hoger lagen dan het omringende water, kwamen geleidelijk dichter bij de buitenwaterstanden te liggen. Het probleem nam met iedere volgende ontginningsgeneratie verder toe.
De veranderingen werden zichtbaar in het landbouwgebruik. Op voldoende droog hoogveen kon aanvankelijk graan worden verbouwd. Toen de bodem zakte en het grondwater dichter bij het maaiveld kwam, werd akkerbouw steeds moeilijker. Veel percelen werden daarom grasland of hooiland. De veehouderij kreeg een steeds grotere betekenis. Daarmee veranderde ook de arbeid. De bewoners moesten niet alleen sloten onderhouden en gewassen verbouwen, maar steeds meer rekening houden met hooiwinning, vee en de bereikbaarheid van natte graslanden. De bodemdaling was daarmee niet uitsluitend een waterstaatkundig verschijnsel, maar veranderde het dagelijks bestaan.
Het dorp kreeg de vorm van een langgerekte nederzetting
De ontwikkeling van Westzaan is nog altijd af te lezen aan het dorpslint. De bebouwing ontstond langs een ontginningsas, met woningen en boerderijen aan de weg en de smalle percelen daarachter. De ligging van de nederzetting werd mede bepaald door de voortgang van de ontginning en de veranderende waterhuishouding. Archeologische aanwijzingen maken aannemelijk dat de oudste bewoning niet overal op dezelfde plaats stond als de latere huizen. Het huidige dorpslint moet daarom worden gezien als het resultaat van een langdurige ontwikkeling waarin bewoning zich verplaatste en bepaalde delen van het gebied een blijvende functie kregen.
Binnen het dorp ontstonden buurten die later onder afzonderlijke namen bekendstonden. Het Zuideinde, de latere J.J. Allanstraat, de Kerkbuurt, het Weiver en de Middel vormden onderdelen van het langgerekte bewoningsgebied. In oudere beschrijvingen komt ook de naam Krabbelbuurt voor. De afstand tussen de verschillende buurten was aanzienlijk. Daardoor kregen wegen, sloten en bruggen een belangrijke betekenis voor het dagelijkse verkeer. Het dorp vormde geen dichtbebouwde stad, maar een reeks erven, boerderijen en later bedrijven langs een oude ontginningsas. Het landschap bleef tussen de bebouwing zichtbaar en bereikbaar.
Guisveld, De Reef en Westzijderveld kregen een eigen karakter
Binnen het grotere gebied ontstonden veldnamen die eeuwenlang gebruikt werden. Ten noorden van de verbinding tussen Westzaan en Zaandijk lag het Guisveld, met onder meer de Euverenweg. Ten zuiden van het dorp bevonden zich De Reef en het Westzijderveld. De gebieden hadden eigen watergangen, wegen en verbindingen. Hun latere geschiedenis zou uiteenlopen. In het Westzijderveld verschenen veel industriemolens, terwijl andere delen vooral belangrijk bleven voor grasland en veehouderij. De namen herinneren eraan dat de Polder Westzaan uit verschillende landschappelijke en economische delen bestond.
Toch waren die gebieden niet onafhankelijk van elkaar. Een beschadigde kade, een slecht onderhouden sloot of een te hoog waterpeil kon gevolgen hebben voor percelen buiten de onmiddellijke omgeving. Daarom moest de waterhuishouding als één samenhangend stelsel worden behandeld. Dat werd ingewikkelder naarmate het landschap intensiever werd gebruikt. Landbouwers wilden hun grond droog houden, terwijl bewoners verder van de weg afhankelijk konden zijn van vervoer over water. De gemeenschappelijke bescherming maakte afspraken noodzakelijk over werkzaamheden, onderhoud en de verdeling van kosten.
Dijken werden onmisbaar voor de bescherming van het land
Naarmate de bodem daalde, werd het ontgonnen land steeds gevoeliger voor hoge waterstanden. Langs het IJ, de Zaan en andere waterverbindingen werden daarom kaden en dijken aangelegd of versterkt. Oorspronkelijk konden betrekkelijk lage keringen voldoende bescherming bieden. Door bodemdaling, veranderende buitenwaterstanden en stormen moesten zij later worden verhoogd. De aanleg en het onderhoud vereisten grote hoeveelheden grond en arbeidskracht. Ook moesten de bewoners bepalen wie verantwoordelijk was voor afzonderlijke gedeelten. Een doorbraak kon namelijk gevolgen hebben voor veel meer land dan alleen de grond van de eigenaar naast de beschadiging.
De bescherming tegen buitenwater kon niet worden losgemaakt van de afwatering binnen de dijken. Regenwater bleef in de polder terechtkomen en moest worden afgevoerd. Wanneer het buitenwater laag stond, kon water via sluizen wegstromen. Bij hoge buitenwaterstanden moesten die sluizen gesloten blijven om overstromingen te voorkomen. Daardoor ontstond een afhankelijkheid van het getij, het weer en de toestand van de watergangen. De eerste waterkeringen boden dus bescherming, maar maakten tegelijk een zorgvuldiger beheer van het binnenwater noodzakelijk.
Bij Zaanden ontstond een vroege nederzetting met eigen rechten
Ten zuiden van het latere Westzaan lag bij de Hem een oudere nederzetting die bekendstond als Zaanden. Volgens de middeleeuwse overlevering werd zij in 1155 door Westfriezen verwoest. Hulp uit Haarlem en Osdorp zou de aanvallers hebben teruggedreven. De precieze plaats en omvang van de nederzetting zijn onderwerp van historisch onderzoek. Archeologische vondsten bij de Hem, waaronder begraafsporen en aardewerk, geven aanwijzingen voor vroegere bewoning. Niet iedere vondst kan echter rechtstreeks aan de verwoesting van 1155 worden verbonden. Het verhaal moet daarom onderscheid maken tussen archeologisch aangetoonde bewoning en gebeurtenissen die vooral via historische overlevering bekend zijn.
Zaanden is van betekenis omdat het gebied verbonden was met een familie die de naam Van Zaanden droeg. Deze familie had relaties met aanzienlijke geslachten in Kennemerland. Daarmee kwam de ontwikkeling van de streek binnen het bereik van de Hollandse graven en hun leenmannen. De ontginning en het gebruik van grond waren niet uitsluitend zaken van afzonderlijke boeren. Ook adellijke families en landsheren konden rechten bezitten op grond, inkomsten, visserij en rechtspraak. De geschiedenis van de latere banne Westzaan kreeg daardoor een bestuurlijke voorgeschiedenis die verder reikte dan het eigen dorpslint.
Jan van Zaanden verschijnt op 1 december 1280 in een oorkonde
In een oorkonde van 1 december 1280 wordt Jan van Zaanden genoemd als verwant van Willem van Haarlem, zoon van ridder Symon van Haarlem. De vermelding toont dat personen die met Zaanden verbonden waren, deel uitmaakten van de aanzienlijke families van Kennemerland. Het is verleidelijk om zulke namen rechtstreeks te verbinden met de stichting van Westzaan. Daarvoor ontbreekt echter voldoende bewijs. Uit de familieband volgt niet dat Jan persoonlijk leiding gaf aan de eerste ontginningen of eigenaar was van al het land dat later tot de banne zou behoren.
De oorkonde is vooral belangrijk omdat zij laat zien hoe grondbezit en bestuurlijke rechten onderdeel konden zijn van een groter netwerk van familiebelangen. Adellijke bezitters konden inkomsten ontvangen uit goederen en rechten zonder zelf voortdurend in het gebied te wonen. Voor plaatselijke bewoners betekende dat zij te maken konden krijgen met een heer of vertegenwoordiger die boven het dorpsbestuur stond. De latere geschiedenis van de schout, de baljuw en de ambachtsheerlijkheid laat zien hoe langdurig zulke verhoudingen konden voortbestaan.
Floris V legde in 1292 nieuwe regels voor de rechtspraak vast
Graaf Floris V verleende op 21 maart 1292 een nieuw landrecht aan Kennemerland. Daarmee werd de organisatie van bestuur en rechtspraak duidelijker geregeld. De schout vertegenwoordigde het landsheerlijke gezag en trad op als voorzitter van het plaatselijke gerecht. De schepenen behandelden de zaken waarover zij bevoegd waren. Zwaardere misdrijven vielen onder het gezag van de baljuw en diens gerecht. Bestuur en rechtspraak waren nog niet op de moderne wijze gescheiden. Dezelfde functionarissen konden zich bezighouden met juridische geschillen, bestuurlijke verplichtingen en maatregelen die voor het gebruik van het land noodzakelijk waren.
Het schoutambt kon een belangrijke bron van inkomsten zijn. De graaf kon ambten verpachten of als leen verstrekken, waardoor geld en bestuurlijke bevoegdheid nauw met elkaar verbonden raakten. Een ambachtsheer beschikte over bepaalde rechten, maar mocht niet onbeperkt rechtspreken. Hogere rechtspraak bleef aan andere functionarissen voorbehouden. Voor Westzaan is vooral van belang dat de zorg voor waterwerken zich ontwikkelde binnen deze bestuursvorm. De plaatselijke schepenen kregen later aantoonbaar bevoegdheden over dijken, sluizen en watergangen. Een volledig zelfstandig polderbestuur in de latere betekenis bestond toen nog niet.
De moord op Floris V veranderde het bezit van de familie Van Zaanden
In 1296 werd graaf Floris V vermoord. Willem van Zaanden wordt in historische beschrijvingen genoemd als een van de betrokkenen bij de samenzwering. Hij verloor zijn leven en zijn bezittingen werden verbeurdverklaard. Daarmee kreeg een conflict op het hoogste niveau van het graafschap gevolgen voor de plaatselijke eigendomsverhoudingen. De inwoners van Westzaan hadden niet zelf beslist over de gebeurtenissen, maar konden te maken krijgen met veranderingen in de personen die rechten op grond en inkomsten bezaten. De geschiedenis van het gebied werd daardoor mede gevormd door machtsstrijd buiten de eigen gemeenschap.
Op 21 juni 1308 gaf graaf Willem III goederen die eerder aan Willem van Zaanden hadden toebehoord aan zijn broer Jan van Henegouwen, heer van Beaumont. Deze bezat meerdere heerlijkheden en bracht verschillende bestuurlijke rechten met elkaar in verband. Westzaan en Krommenie kwamen zo binnen het bereik van een hoger gerecht dat in Beverwijk was gevestigd. Daar behandelde de baljuw met zijn leenmannen de zwaardere zaken. De plaatselijke schout en schepenen bleven echter bevoegd voor andere aangelegenheden. De bewoners kregen daardoor te maken met verschillende bestuurslagen die ieder hun eigen rechten en inkomsten hadden.
Barthout van Assendelft verdedigde zijn heerlijke rechten
Aan de westzijde van het toekomstige Westzaanse poldergebied ontwikkelde Assendelft een eigen bestuurlijke verhouding tussen inwoners en ambachtsheer. In 1324 ontstond daar een geschil over de benoeming van schepenen. Barthout van Assendelft verdedigde zijn aanspraak op deze bevoegdheid. Graaf Willem besliste dat de benoeming aan de ambachtsheer toekwam. In 1328 verkreeg Barthout bovendien bezit bij Heemskerk. Daarmee werd zichtbaar hoe aanzienlijke families hun rechten en goederen over verschillende plaatsen konden verdelen. De verschillende personen met de naam Barthout moeten in de genealogie overigens zorgvuldig van elkaar worden onderscheiden.
De gebeurtenis is belangrijk voor Westzaan omdat de waterhuishouding van beide gebieden nauw verbonden was. De boeren gebruikten vergelijkbare veengronden, maar vielen onder verschillende bestuurlijke rechten. Daardoor kon een maatregel in Assendelft gevolgen hebben voor de inwoners van Westzaan zonder dat zij rechtstreeks invloed hadden op het Assendelver bestuur. Dit zou later vooral bij de toelating van buitenwater grote conflicten veroorzaken. De bestuurlijke grenzen van de heerlijkheden vielen niet vanzelf samen met de natuurlijke afwatering. Zo ontstond een blijvende tegenstelling tussen het beheer van afzonderlijke gebieden en de werking van het grotere watersysteem.
Het handvest van 1346 gaf Westzaan en Krommenie nieuwe zekerheid
Jan van Beaumont verleende in 1346 een handvest aan Westzaan en Krommenie. Volgens de akte waren oudere handvesten door brand verloren gegaan. Waar en wanneer deze brand plaatsvond, is niet bekend. Het nieuwe document herstelde of bevestigde bestaande rechten. Daaronder bevond zich de vrijheid om onder bepaalde voorwaarden zonder gebruikelijke tollen door Holland en Zeeland te reizen en goederen te verhandelen. Zulke privileges waren economisch belangrijk. Wie met landbouwproducten of handelswaar naar andere markten voer, kon door vrijstelling van tol aanzienlijke kosten vermijden. De rechten maakten handel aantrekkelijker, maar vormden geen bewijs dat alle bewoners zelf kooplieden waren.
Nog belangrijker voor de latere Polder Westzaan was de bepaling dat de schepenen bevoegdheden hadden over dijken, sluizen en watergangen. De zorg voor het water behoorde daarmee tot het plaatselijke bestuur en de rechtspraak. Er was nog geen afzonderlijk waterschap met de latere bestuurlijke inrichting. Wanneer herstelwerkzaamheden noodzakelijk waren of geschillen ontstonden, konden de schepenen binnen hun bevoegdheden optreden. Het handvest vormt daarom een belangrijk uitgangspunt voor de geschiedenis van het georganiseerde waterbeheer. Het laat zien dat bescherming van de landbouwgrond al vroeg was verbonden met erkende rechten en publieke verplichtingen.
De Nieuwendam sloot in 1357 het Kromme IJ grotendeels af
Aan de noordwestzijde van het gebied vormde het Kromme IJ een verbinding tussen het IJ en de meren richting Alkmaar. Het water was belangrijk voor visserij en scheepvaart, maar kon bij storm ook gevaarlijk worden. Graaf Willem V gaf in 1357 toestemming om de verbinding bij Busch en Dam af te sluiten met de Nieuwendam. Daarbij moest een beperkte opening behouden blijven voor scheepvaart en visserij. De aanleg beschermde aangrenzende gebieden tegen hoge waterstanden. Tegelijkertijd veranderde de waterbeweging in de bestaande geul. Een maatregel die de veiligheid vergrootte, kon daardoor nieuwe problemen voor afwatering en bevaarbaarheid veroorzaken.
Voor het beheer van de dam werd een afzonderlijke organisatie gevormd. De schout van Akersloot trad op als dijkgraaf, met vertegenwoordigers uit andere belanghebbende plaatsen als damheren of heemraden. Daarmee werd zichtbaar dat waterwerken door verschillende gemeenschappen gezamenlijk konden worden beheerd. De dam beschermde immers niet uitsluitend één dorp. De verdeling van de onderhoudskosten moest daarom aansluiten bij een groter gebied. De Nieuwendam vormde een vroege uitdrukking van dezelfde bestuurlijke vraag die later bij de Schermer en de Nauernasche Vaart zou terugkeren: wie profiteerde van een waterwerk en wie was verplicht het te onderhouden?
Gwijde van Châtillon bevestigde in 1396 de plaatselijke rechten
Na Jan van Beaumont kwamen de heerlijke rechten via erfopvolging in handen van de graven van Blois. Gwijde van Châtillon, ook bekend als Guy van Blois, verleende op 31 december 1396 een nieuw handvest aan Westzaan en Krommenie. Daarin werden oudere rechten bevestigd en aangevuld. Een bepaling noemde de plaats waar bepaalde rechtszaken moesten worden behandeld. In Westzaan gebeurde dat bij de kerk op de dingstal, in Krommenie bij de kapel. Deze plaatsen vormden herkenbare centra van de wereldlijke rechtspraak, ook al stonden zij in de onmiddellijke omgeving van kerkelijke gebouwen.
De rechtszittingen maakten duidelijk dat het dorpsbestuur een vaste plaats had gekregen in het maatschappelijke leven. Schout en schepenen behandelden geschillen en stonden onder toezicht van een hoger heerlijk gezag. Voor de bewoners betekende dit dat juridische en bestuurlijke aangelegenheden binnen een vertrouwde gemeenschap konden worden behandeld, maar niet volledig onafhankelijk van de landsheer. De kerk en kapel vormden bovendien plaatsen waar bewoners elkaar ontmoetten en besluiten konden vernemen. Bestuur, geloof en plaatselijke samenleving functioneerden daardoor binnen dezelfde ruimtelijke omgeving, zonder dat hun bevoegdheden volledig samenvielen.
De heerlijke rechten keerden in 1397 terug bij de grafelijkheid
Gwijde van Châtillon overleed in 1397 zonder kinderen die zijn rechten konden erven. Daardoor kwamen Westzaan en Krommenie opnieuw onder het directe gezag van de Hollandse grafelijkheid. Hertog Albrecht van Beieren bevestigde op 13 maart 1398 de bestaande privileges. Hij beperkte echter een deel van de plaatselijke invloed op de benoeming van een onderschout. Voor zo'n benoeming was voortaan toestemming van de hertog of zijn vertegenwoordiger noodzakelijk. De gebeurtenis maakte duidelijk dat een machtswisseling niet alleen de naam van de landsheer veranderde, maar ook gevolgen kon hebben voor de bestuurlijke ruimte van de bewoners.
De bestaande rechten bleven voor de dorpen van belang, omdat zij daarmee aanspraak konden maken op eigen rechtspraak en bepaalde economische vrijheden. Toch stonden deze privileges niet los van de wensen van de landsheer. De graaf of hertog kon bepalingen bevestigen, beperken of opnieuw uitleggen. Daardoor ontstond een voortdurende verhouding tussen plaatselijke zelfstandigheid en hogere macht. Westzaan was inmiddels een landbouwgemeenschap met een herkenbaar bestuur, maar beschikte niet over volledige zeggenschap over alle ambten, belastingen en rechten die binnen het gebied bestonden.
Willem van Oostervant verkocht in 1399 inkomsten uit Westzaan
Op 29 augustus 1399 verkocht Willem, graaf van Oostervant en zoon van hertog Albrecht, verschillende rechten en bezittingen in Westzaan aan vier inwoners van Amsterdam. Daaronder bevonden zich landerijen, inkomsten uit belastingen, tienden, het veer bij Westzaan en een sluis in de Noorddam. De verkoop toont dat plaatselijke rechten een geldwaarde vertegenwoordigden. De koper hoefde niet zelf in Westzaan te wonen of het land te bewerken. Hij kon inkomsten ontvangen uit rechten die door de bewoners en gebruikers werden betaald. Het grondgebied maakte daardoor deel uit van een ruimere markt voor bezittingen en inkomsten.
Voor de plaatselijke gemeenschap was dit van grote betekenis. De opbrengst van een belasting of een gebruiksrecht kwam niet noodzakelijk ten goede aan het eigen bestuur of aan het onderhoud van het betreffende werk. Inkomsten konden aan anderen toebehoren. Daardoor waren eigendom, belastingheffing en bestuurlijke verantwoordelijkheid niet altijd in dezelfde handen. Aan het einde van de veertiende eeuw bestond Westzaan inmiddels uit ontgonnen land, nederzettingen en gemeenschappelijke waterwerken, maar de bewoners bleven afhankelijk van hogere machthebbers en bezitters van heerlijke rechten. De ontwikkeling van het waterbeheer was daardoor onlosmakelijk verbonden geraakt met geld en rechtspraak.
DEEL 2 — HEERLIJKE RECHTEN, GRONDBEZIT EN DE EERSTE HANDELSWERELD (1400–1563)
Het handvest van 1400 beschermde de plaatselijke rechtspraak
Op 30 juni 1400 legde hertog Albrecht van Beieren opnieuw vast hoe de bevoegdheden van de schout van Westzaan en de baljuw van Beverwijk moesten worden toegepast. Wanneer de baljuw een inwoner wilde vervolgen, moest eerst worden vastgesteld of de zaak onder het plaatselijke gerecht viel. Zaken waarvoor schout en schepenen bevoegd waren, mochten zij zelf behandelen. Zwaardere misdrijven konden aan het hogere gerecht worden overgedragen. Daarmee werden grenzen gesteld aan de inmenging van de baljuw. Het handvest vormde geen onafhankelijke grondwet, maar bood de dorpen wel bescherming binnen het bestaande landsheerlijke stelsel.
Bijzonder was de regeling over borgstelling. Wanneer een inwoner werd aangeklaagd, konden dorpsgenoten onder bepaalde omstandigheden borg staan voor zijn verschijning op de rechtsdag. Als de baljuw de borgstelling niet aanvaardde, kon de gemeenschap een rol spelen bij het beschikbaar houden van de verdachte. Daarmee werd de plaatselijke rechtsbescherming niet uitsluitend afhankelijk van de persoonlijke beslissing van een hogere functionaris. Ook stond in het handvest dat inwoners niet ten onrechte via geestelijke rechtspleging mochten worden vervolgd. De verhouding tussen wereldlijke en kerkelijke bevoegdheden was dus eveneens onderwerp van bescherming.
De bede en heervaart legden verplichtingen op aan de dorpen
Het handvest van 1400 bepaalde dat Westzaan en Krommenie gezamenlijk vijftig pond als bede aan de landsheer moesten kunnen betalen. Ook waren de dorpen gehouden samen vijftien mannen te leveren wanneer zij voor een heervaart werden opgeroepen. Daarmee werden financiële en militaire verplichtingen verbonden aan de erkenning van plaatselijke rechten. De bede was oorspronkelijk een bijdrage waarvoor de vorst ondersteuning vroeg, maar ontwikkelde zich steeds meer tot een vaste heffing. De bewoners moesten dus niet alleen middelen beschikbaar stellen voor hun eigen waterwerken en bestuur, maar ook voor de behoeften van het graafschap.
Voor landbouwers en andere inwoners konden deze verplichtingen zwaar wegen. Wie geld moest afdragen, beschikte over minder middelen voor zijn huishouden, bedrijf of aandeel in het onderhoud van gemeenschappelijke voorzieningen. Ook militaire dienst kon gevolgen hebben voor de beschikbare arbeidskracht. De oorspronkelijke documenten geven geen volledig overzicht van de lasten van ieder afzonderlijk gezin. Wel maken zij duidelijk dat de plaatselijke gemeenschap onderdeel was van een groter politiek stelsel waarin geld en menselijke inzet konden worden opgeëist. De verworven bestuurlijke rechten gingen daardoor samen met verplichtingen die buiten Westzaan werden vastgesteld.
De strijd om Holland bracht Westzaan in politieke moeilijkheden
Na de dood van graaf Willem VI in 1417 ontstond een machtsstrijd over Holland en Zeeland. Zijn dochter Jacoba van Beieren probeerde haar positie als gravin te behouden, terwijl Filips de Goede, hertog van Bourgondië, uiteindelijk haar belangrijkste tegenstander werd. De strijd was verbonden met de Hoekse en Kabeljauwse twisten, waarin aanzienlijke families, steden en dorpen verschillende partijen steunden. Westzaan en Krommenie kozen de zijde van Jacoba. Daarmee raakten zij betrokken bij een conflict dat veel verder reikte dan hun eigen gebied. Hun bestaande privileges werden afhankelijk van de politieke uitkomst.
Toen Filips de Goede de overhand kreeg, werden beide dorpen zwaar gestraft. De inwoners verloren hun handvesten en privileges. Het bezit of dragen van wapens en harnassen werd verboden. Bovendien verlangde de hertog dat één man zou worden aangewezen over wiens leven en bezittingen hij naar eigen inzicht kon beschikken. De maatregelen maakten zichtbaar hoe ver de landsheerlijke macht kon reiken wanneer onderdanen politieke tegenstand hadden geboden. Voor Westzaan ging de machtswisseling daardoor niet alleen over de persoon van de graaf, maar over rechtsbescherming, bestaanszekerheid en de mogelijkheid het eigen bestuur volgens oudere afspraken voort te zetten.
In 1427 moesten de dorpen een zware boete betalen
Naast het verlies van privileges werden Westzaan en Krommenie geconfronteerd met financiële straffen. Op 9 januari 1427 werd een kwitantie afgegeven voor een termijn van dertienhonderd gouden Franse kronen. Daarnaast werd haardstedegeld opgelegd, een jaarlijkse heffing die was verbonden aan de huiselijke stookplaats. Daarmee werd een politieke nederlaag omgezet in langdurige financiële verplichtingen. Niet alleen bestuurders, maar uiteindelijk ook de inwoners moesten bijdragen aan de betaling. De bronnen geven geen volledig overzicht van de precieze verdeling over huishoudens, maar laten wel zien dat de opgelegde lasten zwaar waren.
Het haardstedegeld kon ook gezinnen raken die weinig bezit hadden. Een huishouden was afhankelijk van landbouwopbrengsten, vee, kleine handel of loonarbeid, maar kreeg daarnaast te maken met een verplichting die voortkwam uit een politieke beslissing. De boete verkleinde de financiële mogelijkheden van de gemeenschap. Het is niet bewezen dat afzonderlijke waterwerken daardoor rechtstreeks in verval raakten. Wel staat vast dat dergelijke verplichtingen de beschikbare middelen verminderden. De geschiedenis van deze jaren laat zien hoe een strijd tussen landsheren kon doorwerken in de financiën van een landbouwgemeenschap die zelf nauwelijks invloed had op de afloop.
De kerk van Westzaan kreeg in 1430 rechten op de sluis
In 1430 schonk Margaretha van Bourgondië volgens de overgeleverde historische beschrijving rechten op de Westzaner Sluis in de Zaandam aan de kerk van Westzaan. Daartegenover stond de verplichting om het waterwerk te onderhouden. De inkomsten kwamen niet uitsluitend uit betalingen van schepen die de sluis passeerden. Vooral de rechten om bij de sluis te vissen konden geld opleveren. Het werk vormde dus tegelijkertijd een waterstaatkundige voorziening, een doorgang voor het vervoer en een bron van inkomsten. De kerk kreeg daarmee een economische rol die verder ging dan het organiseren van de eredienst.
De regeling laat zien hoe kerkelijk bezit en gemeenschappelijk waterbeheer met elkaar verweven konden raken. Een sluis moest worden onderhouden om zijn functie te behouden, maar de inkomstenrechten konden bij een afzonderlijke instelling berusten. Voor de bewoners was het van belang dat het waterwerk bruikbaar bleef. Voor de kerk waren de inkomsten een onderdeel van haar financiële middelen. Het oorspronkelijke document en de latere veranderingen in deze rechten verdienen afzonderlijke controle, maar de overgeleverde regeling maakt duidelijk dat geloof, bezit en waterstaatkundige verantwoordelijkheid niet vanzelf van elkaar gescheiden waren.
Margaretha van Bourgondië gaf in 1439 privileges terug
Filips de Goede had zijn verwante Margaretha van Bourgondië, de moeder van Jacoba van Beieren, inkomsten en heerlijke rechten beschikbaar gesteld voor haar levensonderhoud. Ook Westzaan en Krommenie vielen gedurende haar leven onder deze regeling. Margaretha beschikte daardoor over mogelijkheden om eerder opgelegde strafmaatregelen te verzachten. Op 19 februari 1439 besloot zij de verbeurdverklaarde privileges terug te geven en de betaling van het haardstedegeld gedurende haar leven op te schorten. Daarmee kregen de dorpen tijdelijk verlichting na jaren van financiële en bestuurlijke onzekerheid.
De dorpen hadden Margaretha bovendien een geldgeschenk aangeboden, een zogenoemde heuschede. In haar besluit werd ook gewezen op de zware lasten en armoede waaronder de inwoners leden. Het herstel kwam dus voort uit een combinatie van onderhandelingen, financiële tegemoetkomingen en de bevoegdheden van de landsvrouwe. Margaretha overleed op 8 maart 1441, waarna de rechten terugkeerden bij Filips de Goede. Daarmee werd opnieuw duidelijk dat een tijdelijke gunst niet noodzakelijk dezelfde zekerheid bood als een duurzaam erkend privilege. De dorpen moesten blijven onderhandelen over de bescherming van hun bestuursrechten.
De benoeming van de schout veroorzaakte een rechtszaak
In de jaren veertig ontstond een geschil doordat twee personen aanspraak maakten op hetzelfde schoutambt. De zaak werd via het Hof van Holland aan een hoger Bourgondisch gerecht voorgelegd. Op 13 maart 1448 werd uitspraak gedaan ten gunste van de persoon die als eerste was benoemd. De tweede benoeming werd ongeldig verklaard. Het conflict maakte duidelijk dat het schoutambt een waardevolle positie was. De schout vertegenwoordigde gezag, had een functie binnen de rechtspraak en was betrokken bij de uitvoering van bestuurlijke besluiten. Ook aan het ambt verbonden inkomsten konden daardoor van betekenis zijn.
Voor de inwoners was het belangrijk te weten wie bevoegd was om namens het gezag op te treden. Een schout kon betrokken zijn bij juridische geschillen, de uitvoering van besluiten en het toezicht op plaatselijke verplichtingen. Wanneer twee personen hetzelfde ambt opeisten, kon dat de rechtszekerheid aantasten. De uitspraak laat zien dat Westzaan over een plaatselijk bestuur beschikte, maar niet zelfstandig alle conflicten over benoemingen kon oplossen. Uiteindelijk kon het hogere Bourgondische gezag bepalen wie de bevoegdheden rechtmatig mocht uitoefenen.
In 1450 werd over de kosten van sluizen en bestuur beslist
Het bestuur kreeg niet alleen te maken met geschillen over ambten. Er ontstond ook onenigheid over de aanbesteding van sluizen, de kosten van schepenen en waarschappen en het salaris van de dorpssecretaris. De zaak werd aan het Hof van Holland voorgelegd, dat arbiters aanstelde. Op 4 januari 1450 volgde hun uitspraak. De onderwerpen laten zien hoe ingewikkeld de organisatie van gemeenschappelijke voorzieningen inmiddels was geworden. Niet alleen de uitvoering van waterwerken moest worden geregeld, maar ook de bevoegdheid om opdrachten te geven en de verdeling van de daarbij behorende betalingen.
Voor Westzaan waren zulke besluiten belangrijk omdat dijken en sluizen voortdurend onderhoud vereisten. Wanneer bestuurders van mening verschilden over de rechtmatigheid van kosten, kon dat gevolgen hebben voor de uitvoering van werkzaamheden. De aanwezigheid van waarschappen en andere functionarissen laat zien dat het waterbeheer steeds meer afzonderlijke taken kende. Toch bleef het onderdeel van dezelfde bestuurlijke organisatie waarin de schout en schepenen optraden. De arbitrage was daarmee een poging om de financiële en juridische verhoudingen voldoende duidelijk te maken zodat het gewone beheer kon worden voortgezet.
Filips de Goede regelde in 1452 de bestuursverkiezingen
Op 3 maart 1452 stond Filips de Goede Westzaan en Krommenie toe hun privileges gedurende tien jaar te gebruiken. Daartegenover verbonden de dorpen zich tot betaling van een nieuwe bede. Bij overstromingen of bepaalde militaire verplichtingen kon onder voorwaarden vrijstelling gelden. Ook werd verboden dat de baljuw onrechtmatige betalingen of geschenken voor ambtelijke werkzaamheden verlangde. De regeling maakte duidelijk dat de hertog financiële bijdragen wilde ontvangen, maar tegelijkertijd grenzen stelde aan vormen van ambtsmisbruik. De plaatselijke rechten werden opnieuw bevestigd binnen een overeenkomst waarin geld en gezag nauw verbonden waren.
Een tweede brief van 11 maart 1452 regelde de verkiezing van schepenen, kerkmeesters, belastinginners en andere functionarissen. Westzaan leverde zeven schepenen en Krommenie drie. De verkiezing vond jaarlijks op Goede Vrijdag plaats, na de hoogmis. Aftredende en voormalige schepenen namen eraan deel. Bij staking van stemmen kon de schout beslissende invloed hebben. Wie schepen wilde worden, moest voldoende vermogen bezitten, doorgaans in de vorm van grond. Daarmee bleef politieke invloed voor een belangrijk deel voorbehouden aan inwoners die over bezit en maatschappelijke positie beschikten.
Niet iedere inwoner had toegang tot het bestuur
De regels uit 1452 maken zichtbaar wie aan de besluitvorming kon deelnemen en wie daar grotendeels buiten bleef. Een landarbeider, knecht of kleine gebruiker zonder voldoende bezit kon niet zomaar tot schepen worden gekozen. Toch kon hij wel worden geraakt door besluiten over belastingen, onderhoud en rechtspraak. De bezitters die bestuurlijke functies vervulden, hadden zelf belang bij veilige dijken en bruikbare landbouwgronden. Hun belangen konden daardoor overeenkomen met die van andere inwoners, maar waren niet altijd volledig gelijk. De bestuurlijke organisatie weerspiegelde de ongelijke verdeling van bezit binnen de samenleving.
Ook de kerk had een duidelijk omschreven plaats in de bestuursregeling. De pastoor of zijn plaatsvervanger koos samen met de schepenen en voormalige kerkmeesters de nieuwe kerkmeesters. Zij beheerden kerkelijke goederen en inkomsten. Verder konden schout en schepenen belastinginners aanstellen die de verschuldigde bedragen moesten ontvangen. Zo ontstond een stelsel van functies waarin bezit, religie, rechtspraak en financiële verplichtingen samenkwamen. De bestuursvorm was niet democratisch in de moderne betekenis, maar kende wel regels die moesten voorkomen dat afzonderlijke ambtsdragers volledig naar eigen inzicht handelden.
De verzoening van 1456 beëindigde de oude strafmaatregelen
Op 12 maart 1456 bevestigde Filips de Goede de rechten en privileges van Westzaan en Krommenie opnieuw. De strafmaatregelen die waren voortgekomen uit hun steun aan Jacoba van Beieren werden beëindigd. Ook het haardstedegeld verviel. De hertog beloofde dat de dorpen tot het graafschap Holland zouden blijven behoren en niet opnieuw als leen zouden worden uitgegeven. Daarmee kregen de inwoners een belangrijke bestuurlijke garantie. Na tientallen jaren van boetes, tijdelijke gunsten en onderhandelingen kwam een einde aan de formele bestraffing.
De betekenis van dit handvest reikte veel verder dan de vijftiende eeuw. De dorpen konden zich later opnieuw op de bepalingen beroepen wanneer hogere overheden hun rechten wilden veranderen. De belofte over het behoud binnen het graafschap werd zelfs in de achttiende eeuw opnieuw aangehaald. Het herstel betekende echter niet dat alle financiële en bestuurlijke spanningen verdwenen. De gemeenschap bleef verantwoordelijk voor haar eigen verplichtingen en onderworpen aan een hoger gezag. Het handvest bood vooral een duidelijker juridische basis waarbinnen plaatselijk bestuur en waterbeheer konden blijven functioneren.
Het stedehuis van 1462 gaf de rechtspraak een vaste plaats
Op 20 september 1462 verleende Filips de Goede toestemming om in Westzaan een stedehuis in te richten. Het besluit hield verband met de manier waarop rechtszittingen werden gehouden. Er bestond een gewoonte waarbij de schout in de namiddag bier beschikbaar stelde. De hertog bepaalde dat de zittingen voortaan in de voormiddag moesten plaatsvinden. Daarmee werd geprobeerd de rechtspraak ordelijker te organiseren. Het nieuwe gebouw gaf de bestuurlijke en rechterlijke functies een herkenbare plaats binnen het dorp.
Het stedehuis versterkte de betekenis van Westzaan als bestuurscentrum. De nederzetting was niet alleen een plaats waar boeren woonden en hun grond bewerkten. Hier konden ook besluiten worden genomen die gevolgen hadden voor andere delen van de banne. Deze positie zou in de volgende eeuwen belangrijk blijven. Naarmate nieuwe dorpen aan de Zaan groeiden, ontstond namelijk een verschil tussen het oude centrum van bestuur en de plaatsen waar handel en nijverheid zich ontwikkelden. Het stedehuis vormde daarmee een tastbare uitdrukking van een bestuurlijke organisatie die langer zou blijven bestaan dan de oorspronkelijke economische verhoudingen.
De opstand van het Kaas- en Broodvolk bracht nieuwe onrust
In 1491 en 1492 ontstond in Kennemerland en West-Friesland een opstand die bekend werd als die van het Kaas- en Broodvolk. Zware belastingen, economische moeilijkheden en verzet tegen het landsheerlijke bestuur speelden daarbij een rol. Ook de Zaanstreek werd door de onrust geraakt. De opstand werd met militair geweld onderdrukt. Voor Westzaan is niet van iedere inwoner bekend welke rol hij bij de gebeurtenissen speelde. De opstand laat wel zien dat financiële verplichtingen opnieuw aanleiding konden geven tot openlijke tegenstand tegen hogere machthebbers.
De gebeurtenissen stonden niet los van een langere geschiedenis van belastingdruk en bestuurlijke afhankelijkheid. Westzaan en Krommenie hadden in de voorgaande eeuw al ondervonden hoe politieke tegenstand tot zware boetes kon leiden. De opstand maakte duidelijk dat inwoners zich konden organiseren wanneer zij maatregelen als onrechtvaardig of ondragelijk ervoeren. De betrokken groepen hadden echter niet noodzakelijk allemaal dezelfde belangen. Vermogende bezitters en gezinnen met weinig middelen werden op verschillende manieren geraakt door belastingen en economische tegenslagen. De reactie van het gezag werd bovendien bepaald door diens bereidheid en vermogen om militair geweld te gebruiken.
Zaandijk en Koog groeiden langs de rivier
Aan het einde van de vijftiende eeuw ontstonden nieuwe nederzettingen aan de westelijke oever van de Zaan. Het gehucht de Vijf Broers, later Zaandijk genoemd, wordt in 1494 vermeld. Ook Koog ontwikkelde zich in deze periode. De ligging aan de rivier bood mogelijkheden voor scheepvaart, handel en ambachten. In het oudere Westzaan lagen veel boerderijen op afstand van de Zaan, terwijl de nieuwe nederzettingen rechtstreeks toegang kregen tot een belangrijke vaarweg. Daardoor ontstonden verschillende economische mogelijkheden binnen dezelfde banne.
De groei veranderde niet onmiddellijk de bestuurlijke organisatie. De bewoners van Koog en Zaandijk bleven onder het gezag van Westzaan vallen. Voor rechtspraak, belastingen en bepaalde gemeenschappelijke voorzieningen waren zij daardoor verbonden met het oude dorpscentrum. Tegelijkertijd konden hun economische belangen geleidelijk afwijken van die van landbouwers die verder van de Zaan woonden. De ontwikkeling zou in de zeventiende eeuw grote betekenis krijgen. Voorlopig ontstonden vooral nieuwe nederzettingen die gebruikmaakten van de mogelijkheden van het water, terwijl de bestaande heerlijkheidsrechten bleven bestaan.
Wormerveer kreeg in 1503 een eigen kapel
Noordelijker aan de Zaan ontwikkelde zich eveneens een nederzetting. Het gehucht dat later Wormerveer zou heten, kreeg in 1503 een eigen kapel. Daarmee werd duidelijk dat de bevolking voldoende was gegroeid om een afzonderlijke kerkelijke voorziening te verlangen. De kapel betekende meer dan een ruimte voor eredienst. Zij gaf de gemeenschap een herkenbare plaats en vereiste inkomsten en onderhoud. Het dorp ontwikkelde daardoor geleidelijk eigen instellingen, hoewel het bestuurlijk nog tot de banne Westzaan behoorde.
Ook Westzaandam begon zich langs de rivier uit te breiden. Volgens een oudere historische beschrijving telde de nederzetting aan het begin van de zestiende eeuw slechts zeven huizen. Zo'n exact vroeg aantal moet worden behandeld als een historische opgave en niet als een moderne volkstelling. Het laat in ieder geval zien dat de latere grote plaats aanvankelijk klein was. De aantrekkingskracht lag vooral in de ligging bij de Zaan, de dam en de verbinding met het IJ. Handel en verkeer konden zich daar gemakkelijker ontwikkelen dan op afgelegen percelen in het veen.
De telling van 1514 toont de macht van kerkelijk grondbezit
Een historische opgave over 1514 laat zien dat het grondbezit in de toenmalige banne Westzaan ongelijk was verdeeld. Volgens de beschrijving berustte ongeveer 32 procent van het bezit bij de dorpelingen zelf. De overige 68 procent wordt toegeschreven aan kerken en kloosters. Omdat de banne destijds ook Krommenie omvatte, mogen deze percentages niet zonder meer worden toegepast op het huidige dorp Westzaan. Ook moet de oorspronkelijke telling nog worden onderzocht om vast te stellen welke soorten bezit precies zijn meegeteld. Toch wijst de opgave op een aanzienlijke economische positie van kerkelijke instellingen.
Voor boeren betekende deze eigendomsverdeling dat het gebruik van grond niet noodzakelijk samenviel met eigendom. Wie land pachtte of andere gebruiksrechten had, kon verplicht zijn betalingen of producten af te dragen aan de rechthebbende instelling. De exacte pachtvoorwaarden van afzonderlijke huishoudens zijn niet uit de algemene telling af te leiden. Wel maakt de verhouding duidelijk dat kerkelijke instellingen een rol speelden in de plaatselijke economie die verder ging dan eredienst en armenzorg. Hun inkomsten uit grond en rechten konden gevolgen hebben voor de mogelijkheden van landbouwers om bezit op te bouwen of zelfstandig over hun bedrijf te beschikken.
De waarde van het veenland bleef betrekkelijk laag
In dezelfde historische beschrijving wordt de gemiddelde waarde van grond in Westzaan gesteld op ongeveer veertig Rijnlandse guldens per morgen. Een morgen was hier ongeveer 0,9 hectare groot. Ter vergelijking wordt voor grond bij Alkmaar ongeveer honderd gulden genoemd, terwijl Assendelft op veertig, Oostzaan op drieëndertig en Wormer-Jisp op vijfentwintig gulden per morgen werd geschat. Deze bedragen moeten binnen de eigen tijd worden begrepen. Zij zeggen niet rechtstreeks hoeveel een afzonderlijke boer verdiende of hoeveel een huishouden jaarlijks kon besteden. De bodemgesteldheid en de opbrengstmogelijkheden beïnvloedden de waarde van grond.
De cijfers laten wel zien dat Westzaan economisch niet uitsluitend op hoogwaardige landbouwgrond kon vertrouwen. De bodem was nat en voor verschillende vormen van akkerbouw minder geschikt geworden. Veehouderij, hooiwinning en het gebruik van waterwegen kregen daardoor grote betekenis. Tegelijkertijd kon grondbezit bestuurlijke invloed verschaffen, zelfs wanneer de marktwaarde van het land betrekkelijk laag was. De verhouding tussen landbouwopbrengsten, eigendom en politieke rechten werd daardoor ingewikkeld. Een vermogende bezitter kon invloed hebben op het bestuur terwijl andere inwoners voornamelijk van het gebruik of de bewerking van andermans grond afhankelijk waren.
Karel V gaf in 1526 meer ruimte aan de handel
In 1526 verleende keizer Karel V aan de inwoners van Westzaan, Krommenie en Krommeniedijk toestemming om koren, zaad en zuivel te verkopen waar zij dat wilden. Dit privilege was belangrijk voor de ontwikkeling van de plaatselijke handel. De bewoners hoefden niet uitsluitend afhankelijk te blijven van de verkoop binnen hun eigen dorp. Zij konden producten vervoeren naar markten in andere steden en gewesten. Daarmee ontstonden mogelijkheden om landbouwproducten, handelswaar en het vervoer over water met elkaar te verbinden. De gunstige ligging ten opzichte van Amsterdam en andere Hollandse steden maakte dergelijke handel aantrekkelijk.
De ontwikkeling betekende niet dat alle bewoners zelfstandig handelaren werden. Het bezit van een schip, handelsvoorraad of voldoende kapitaal was niet voor iedereen mogelijk. Sommige inwoners beschikten over middelen om grotere partijen goederen te kopen en te verkopen, terwijl anderen afhankelijk waren van landbouw, vervoer of loonarbeid. De handelsvrijheid maakte nieuwe economische activiteiten mogelijk, maar bepaalde niet automatisch hoe de opbrengsten werden verdeeld. Het privilege vormt daarom een belangrijk onderdeel van de overgang van Westzaan naar een gemeenschap waarin handel geleidelijk naast landbouw en veehouderij kwam te staan.
Het Achtermeer werd vanaf 1532 drooggemaakt
In 1532 kregen Willem en Jan Jansz. van Egmond van de Nijenburg toestemming om het Achtermeer bij Alkmaar droog te maken. De onderneming vormde een belangrijke stap in de ontwikkeling van de Hollandse droogmakerijen. Anders dan bij de middeleeuwse ontginningen van Westzaan ging het om het leegmalen van een bestaand meer. Daarvoor waren ringdijken, watergangen en molens noodzakelijk. Ook moesten de initiatiefnemers voldoende geld beschikbaar stellen om het werk uit te voeren. Rentmeester Adriaen Stalpaert van der Wiele speelde een rol bij de financiële organisatie van de onderneming.
Het Achtermeer had geen aantoonbare rechtstreekse invloed op het waterpeil van Westzaan. De betekenis ligt vooral in de ontwikkeling van nieuwe technieken en organisatievormen in dezelfde regio. Terwijl Westzaan moeite moest blijven doen om bestaand veenland bruikbaar te houden, ontstond bij Alkmaar de mogelijkheid om landbouwgrond te winnen uit een meer. Beide ontwikkelingen waren afhankelijk van molens en gemeenschappelijk onderhoud, maar hadden een andere oorsprong. De droogmakerij was bovendien een investering waarvan de deelnemers toekomstige opbrengsten verwachtten. Daardoor kwamen waterbouw, kapitaal en grondbezit steeds nauwer met elkaar in verband.
De doopsgezinde beweging bereikte Westzaan
In de jaren dertig van de zestiende eeuw verspreidden nieuwe godsdienstige opvattingen zich door de Nederlanden. Ook in de Zaanstreek kreeg de doopsgezinde beweging aanhang. Westzaan wordt in regionale historische beschrijvingen genoemd als een plaats waar al vroeg groepen gelovigen zich bij deze nieuwe richting aansloten. De precieze aantallen en de namen van de eerste betrokken inwoners moeten nader aan oorspronkelijke bronnen worden gecontroleerd. Wel staat vast dat de veranderingen in het geloof al vóór de Nederlandse Opstand betekenis kregen voor de streek. De katholieke kerk behield haar officiële plaats, maar religieuze overtuigingen begonnen uiteen te lopen.
De nieuwe geloofsgemeenschappen hadden eigen opvattingen over doop, kerkelijk gezag en maatschappelijke verplichtingen. Sommige doopsgezinden konden gewetensbezwaren hebben tegen het aanvaarden van bestuurlijke functies die met dwang of geweld verbonden waren. Zulke verschillen zouden later rechtstreeks invloed krijgen op het plaatselijke bestuur. In deze vroege periode waren de religieuze verhoudingen nog sterk in beweging. De aanwezigheid van verschillende overtuigingen betekende niet dat de bewoners ophielden dezelfde dijken, sloten en landbouwgronden te gebruiken. Zij bleven voor hun bestaan afhankelijk van een gemeenschappelijke waterhuishouding, ook wanneer hun geloof uiteenliep.
Jan IJf bracht in 1537 graan uit Dantzig naar Westzaan
In een verklaring uit 1603 herinnerden oudere inwoners van Westzaan zich de graanhandel van eerdere generaties. Zij noemden onder anderen Jan IJf, ook geschreven als Jan IJff, die in 1537 ongeveer 250 last graan uit Dantzig liet aanvoeren. De lading werd bij de Overtoom gelost. Een deel bleef in Westzaan opgeslagen, terwijl andere partijen naar Amsterdam werden vervoerd en daar verkocht. Het voorbeeld toont dat het dorp al vóór de grote bloei van de molenindustrie verbonden was met handelsroutes over de Oostzee. De handel vereiste schepen, opslagruimte, krediet en contacten buiten de eigen streek.
De hoeveelheid was aanzienlijk voor een plaats die nog sterk met landbouw verbonden was. Graanhandelaren konden voorraden opslaan en wachten op gunstiger verkoopomstandigheden. In de winter of bij schaarste konden opgeslagen producten elders worden verkocht. Dit bood mogelijkheden voor winst, maar vereiste ook kapitaal en bracht risico's met zich mee. De schippers die de goederen vervoerden en de arbeiders die schepen losten, hadden een andere positie dan de eigenaren van de handelsvoorraad. Het voorbeeld van Jan IJf maakt daarom niet alleen de internationale verbindingen van Westzaan zichtbaar, maar ook de verschillende economische rollen binnen één handelsbedrijf.
De wateroverlast uit Assendelft leidde in 1544 tot ingrijpen
In 1544 liet keizer Karel V onderzoek doen naar de waterstaatkundige problemen in Noord-Holland. Daarbij kwam een langdurig conflict tussen Assendelft, Westzaan en Krommenie naar voren. De Assendelver boeren hadden de gewoonte in de winter buitenwater over hun weilanden te laten stromen. Het aangevoerde slib bleef op de grond achter en kon de vruchtbaarheid verbeteren. Voor de boeren was dat belangrijk omdat een betere grasgroei hun veehouderij ten goede kwam. Wanneer het water daarna weer werd afgevoerd, konden de aangrenzende gebieden echter te maken krijgen met hogere waterstanden.
Voor Westzaan en Krommenie was de praktijk daarom een bron van overlast. Hun landbouwgronden waren eveneens afhankelijk van goede afwatering, maar zij hadden geen rechtstreeks voordeel van het slib dat in Assendelft werd afgezet. Op 17 december 1544 bepaalde Karel V dat de Assendelver sluisjes gesloten moesten blijven. De maatregel werd echter onvoldoende uitgevoerd. Daarmee bleef het conflict bestaan. De gebeurtenis laat zien hoe ingewikkeld het beheer van water kon worden wanneer afzonderlijke gemeenschappen verschillende economische voordelen uit dezelfde waterbeweging haalden. Een maatregel die voor de ene groep noodzakelijk leek, kon voor een andere groep een aantasting van bestaande landbouwpraktijken betekenen.
De Nieuwendam werd in 1546 opnieuw aangepast
Ook bij de Nieuwendam in het Kromme IJ veranderde het waterbeheer. Karel V wilde de laatste open verbindingen in het Noorderkwartier verder afsluiten om overstromingsgevaar en landverlies te beperken. In 1546 werd bij de Nieuwendam een sluis aangelegd. Het werk moest een afsluitbare verbinding mogelijk maken, maar veranderde de stroming in het Kromme IJ. Daardoor nam de aanslibbing toe. Een waterweg die vroeger deel had uitgemaakt van een belangrijke vaarroute begon steeds verder dicht te slibben. De maatregel vergrootte de bescherming tegen buitenwater, maar kon tegelijkertijd de scheepvaart belemmeren.
De Nieuwendam moet duidelijk worden onderscheiden van de sluizen bij de Dam van Zaandam. De overeenkomstige namen en de verschillende bouwfasen hebben in latere beschrijvingen gemakkelijk tot verwarring geleid. Bij de Nieuwendam ging het om de verbinding tussen het IJ en de wateren richting Alkmaar. Bij Zaandam lagen andere sluizen die de Zaan met het IJ verbonden en die een eigen geschiedenis van scheepvaart, visserij en onderhoud hadden. De verschillen zijn belangrijk omdat ook de bijbehorende rechten, eigenaren en onderhoudsverplichtingen niet vanzelfsprekend dezelfde waren.
De Hondsbossche Sluis veranderde de handelsverbinding bij Zaandam
Rond het midden van de zestiende eeuw werd ook de sluisverbinding bij de Dam van Zaandam aangepast. De aanleg en vervanging van de oude Westzaner Sluis hangen samen met de ontwikkeling van de latere Hondsbossche of Grote Sluis. Historische beschrijvingen noemen hierbij verschillende jaren, waaronder 1544 en 1547. Deze kunnen betrekking hebben op besluiten, bouwfasen of veranderingen in rechten. Zonder de oorspronkelijke rekeningen en akten is het niet verantwoord één jaartal als volledig vaststaande bouwdatum te gebruiken. Wel staat vast dat de verbinding belangrijk was voor zowel de scheepvaart als de afwatering.
De verandering had ook gevolgen voor bestaande inkomstenrechten. De kerk van Westzaan had eerder rechten op de oude sluis verkregen, waaronder inkomsten uit de visserij. Bij vervanging van het waterwerk moesten dergelijke aanspraken opnieuw worden geregeld. Daarmee werd zichtbaar dat het bouwen van een betere sluis meer vereiste dan technisch ontwerp en materiaal. Ook eigenaren van rechten, gebruikers van de doorgang en de betrokken bestuurders moesten worden betrokken. De sluizen vormden daarmee plaatsen waar handel, visserij, kerkelijk bezit en openbaar waterbeheer rechtstreeks met elkaar verbonden waren.
Het dijktoezicht kreeg in 1549 een duidelijkere organisatie
In 1549 werd de rechtspraak in de banne nog steeds uitgevoerd door een schout en tien schepenen: zeven uit Westzaan en drie uit Krommenie. In datzelfde jaar werden twee vermogende inwoners aangewezen om dagelijks toezicht te houden op de toestand van de dijken. In de historische bron werden zij aangeduid als personen van de rijkdom. Zij moesten gebreken signaleren en zo nodig aan het bestuur melden. De schepenen behielden het oppertoezicht en moesten noodzakelijke reparaties goedkeuren. Daarmee werd een onderscheid zichtbaar tussen dagelijks toezicht en de bevoegdheid om besluiten over werkzaamheden te nemen.
De keuze voor gegoede inwoners laat zien dat bezit nog altijd een belangrijke rol speelde bij bestuurlijke functies. De bescherming van de gemeenschap werd mede uitgevoerd door mensen die zelf veel belang hadden bij veilige landerijen. Toch hadden ook kleinere grondgebruikers en bewoners zonder eigen land baat bij het onderhoud van de dijken. Een doorbraak kon immers veel meer treffen dan de grond van afzonderlijke eigenaren. De regeling maakte duidelijk dat het waterbeheer inmiddels een vaste bestuurlijke taak was geworden, waarvoor bepaalde functionarissen verantwoordelijk konden worden gehouden.
Het polderland bleef afhankelijk van de toestand van de omliggende wateren
Omstreeks het midden van de zestiende eeuw was Westzaan uitgegroeid tot een landbouwgebied met lange sloten, dijken, sluizen en herkenbare dorpsbuurten. Het land kon niet worden beheerd zonder rekening te houden met Krommenie, Assendelft, het IJ en de Zaan. Een maatregel in een aangrenzend gebied kon de afwatering beïnvloeden. De bewoners hadden daarom te maken met zowel de besluiten van hun eigen schout en schepenen als de voorschriften van hogere overheden. De waterhuishouding was daarmee onderdeel geworden van een groter bestuurlijk stelsel.
Tegelijkertijd veranderde de economie. Zuivelproductie bleef belangrijk, maar de handel in graan, zaad en andere goederen kreeg een steeds grotere plaats. De nieuwe nederzettingen aan de Zaan boden mogelijkheden voor vervoer en opslag. De oude landbouwgemeenschap werd daardoor verbonden met een ruimere handelswereld. Niet iedere inwoner beschikte over dezelfde middelen om daarvan te profiteren. Grondbezitters, pachters, kooplieden, schippers en arbeiders hadden verschillende posities, terwijl zij afhankelijk bleven van dezelfde waterwerken. Die combinatie van economische groei en waterstaatkundige afhankelijkheid bepaalde de verdere ontwikkeling van Westzaan.
De jaren tot 1563 vormden de basis voor een nieuwe bestuurlijke verhouding
Aan het einde van deze periode waren de tegenstellingen tussen Westzaan en Assendelft nog niet opgelost. De keizerlijke maatregelen uit 1544 hadden onvoldoende voorkomen dat buitenwater via Assendelft invloed kreeg op de omliggende gronden. Tegelijkertijd waren de hogere overheden steeds sterker betrokken geraakt bij de inrichting van het regionale watersysteem. De belangen van afzonderlijke boeren konden niet langer zonder meer worden gevolgd wanneer daardoor andere gemeenschappen wateroverlast ondervonden. De noodzaak van gezamenlijke afspraken was duidelijk, maar de bevoegdheden en verantwoordelijkheden waren nog niet volledig afgebakend.
Ook de bestuurlijke en economische verhoudingen waren veranderd. Westzaan beschikte over eeuwenoude privileges en bleef het centrum van een grote banne, maar nieuwe nederzettingen langs de Zaan begonnen een andere economische positie te krijgen. Kerkelijke instellingen bezaten aanzienlijke rechten en goederen, terwijl kooplieden gebruikmaakten van handelsroutes die tot ver buiten Holland reikten. De boeren bleven afhankelijk van hun veengrond, maar de bodem was door ontwatering sterk veranderd. Omstreeks 1563 bestond daardoor een samenleving waarin de bescherming van het land, de verdeling van bezit en de groei van de handel steeds nauwer met elkaar verbonden waren.
DE STRIJD OM HET DROGE LAND — DE GESCHIEDENIS VAN DE POLDER WESTZAAN
Van middeleeuwse veenontginning tot heerlijkheidsrechten, oorlog, droogmakerijen, molenindustrie, sluizen en mechanische bemaling (circa 1000–1940)
DEEL 3 — GELOOFSVERANDERING, OORLOG EN DE OPKOMST VAN DE MOLENINDUSTRIE (1564–1600)
Egmond en Brederode begonnen aan nieuwe droogmakerijen
In 1564 begonnen Lamoraal van Egmond en Hendrik van Brederode met de droogmaking van het Egmondermeer en de Bergermeer. De ondernemingen lagen buiten Westzaan, maar vormden een nieuwe fase in de waterbouwkundige ontwikkeling van Noord-Holland. Voor de uitvoering waren ringdijken, watermolens, landmeters en aanzienlijke geldbedragen nodig. Anders dan bij de oorspronkelijke veenontginningen ging het om het winnen van land uit bestaande meren. De initiatiefnemers verwachtten dat nieuwe landbouwgronden op termijn inkomsten zouden opleveren. Daarbij moesten zij rekening houden met bestaande rechten van vissers, grondbezitters en andere gebruikers. De aanleg maakte waterbouw steeds meer tot een onderneming waarin kapitaal, bestuur en techniek samenkwamen.
Lamoraal van Egmond was een van de aanzienlijkste edelen in de Nederlanden en bezat grote goederen. Hendrik van Brederode behoorde eveneens tot een machtige adellijke familie. Hun betrokkenheid bij droogmakerijen laat zien dat landwinning niet uitsluitend het werk van boeren en molenmakers was. Ook adellijke families konden grondverbetering gebruiken om hun inkomsten en bezit uit te breiden. De ondernemingen begonnen echter in een periode waarin het gezag van koning Filips II steeds sterker werd betwist. De politieke spanningen zouden voor beide edelen ingrijpende gevolgen krijgen en de omstandigheden waaronder hun waterbouwkundige ondernemingen konden worden voortgezet veranderen.
Het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen kreeg meer gezag
In 1565 werd het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen opgericht om de afwatering in een groter deel van het Noorderkwartier te verbeteren. Een van de belangrijkste problemen was het toelaten van buitenwater door de Assendelver boeren. Zij lieten in bepaalde perioden slibrijk zeewater over hun weilanden stromen, omdat het achtergebleven slib de grasgroei kon bevorderen. Voor Westzaan en Krommenie leverde dit echter wateroverlast op. Het bevel van Karel V uit 1544 om de sluisjes gesloten te houden was onvoldoende nageleefd. De nieuwe instelling moest daarom besluiten uitvoeren die de afzonderlijke dorpsbesturen niet zelfstandig konden afdwingen.
Sebastiaen Craenhals werd de eerste dijkgraaf van het hoogheemraadschap. Zijn taak bestond niet alleen uit toezicht houden op waterwerken, maar ook uit het laten uitvoeren van voorschriften die voor verschillende gemeenschappen uiteenlopende gevolgen hadden. Het gezag van een dijkgraaf was daardoor niet vanzelfsprekend. De Assendelver boeren konden menen dat de hogere overheid hun landbouwbelangen onvoldoende respecteerde, terwijl Westzaan juist bescherming verlangde tegen de gevolgen van het binnengelaten water. De eerste jaren van het hoogheemraadschap maakten duidelijk dat gezamenlijk waterbeheer niet alleen technische kennis vereiste, maar ook de mogelijkheid om besluiten tegen plaatselijke weerstand uit te voeren.
Sebastiaen Craenhals werd op 23 januari 1566 bedreigd
Op woensdag 23 januari 1566 verscheen Sebastiaen Craenhals met gewapende begeleiders en timmerlieden op de Assendelverzeedijk. Hij wilde de sluisjes laten afsluiten waarmee de boeren zeewater op hun land lieten stromen. De timmerlieden begonnen met het versperren van de doorgangen. Daarop verzamelden zich volgens het overgeleverde verslag vijf- tot zeshonderd Assendelvers. Zij waren gewapend met onder meer stokken, pieken, hooivorken, bijlen en ander landbouwgereedschap. Craenhals en zijn gevolg werden bedreigd en enige tijd vastgehouden. De gebeurtenis maakte van een jarenlang waterstaatkundig geschil een openlijke confrontatie tussen een nieuwe regionale bestuurder en de plaatselijke bevolking.
De Assendelvers verdedigden een landbouwpraktijk die voor hun weilanden voordeel kon opleveren. Craenhals handelde vanuit de opdracht de schade aan aangrenzende polders te beperken. Beide partijen beschikten over andere middelen. De boeren konden het werk ter plaatse verhinderen, terwijl de dijkgraaf zich kon beroepen op besluiten van hogere instellingen. Na het incident wendde Craenhals zich tot de overheid. De bedreiging van een dijkgraaf werd streng bestraft en er volgden nieuwe voorschriften. Voor Westzaan was vooral van belang dat het bestuur niet langer uitsluitend op beloften van de Assendelvers hoefde te vertrouwen, maar dat een fysieke afscheiding tussen de gebieden werd voorbereid.
De godsdienstige onrust bereikte Westzaan
In 1566 namen de religieuze spanningen in de Nederlanden sterk toe. De katholieke kerk verloor in verschillende plaatsen haar vanzelfsprekende gezag en predikers van de nieuwe leer kregen meer aanhang. Ook in de Zaanstreek ontstonden hervormde en doopsgezinde gemeenschappen. Bartel Jacobsz., oorspronkelijk katholiek geestelijke in de omgeving van Oostzaan, wordt in de bronnen verbonden met de verspreiding van de hervormde leer. Hij trad ook bij Westzaan als prediker op. Daarmee raakten geloofsverandering en plaatselijke verhoudingen met elkaar verbonden. De kerk was immers niet alleen een plaats van eredienst, maar beheerde goederen en speelde een rol in onderwijs en armenzorg.
Over het precieze verloop van de Beeldenstorm in Westzaan zijn de historische beschrijvingen niet volledig eensluidend. Sommige plaatselijke overleveringen verbinden de prediking van Bartel Jacobsz. met beeldenstormachtige gebeurtenissen bij de kerk. Andere bronnen benadrukken juist dat grootschalige vernielingen in de Zaanstreek grotendeels werden voorkomen. Zonder aanvullende eigentijdse verslagen is niet vast te stellen hoe iedere gebeurtenis precies verliep. Wel is duidelijk dat de nieuwe religieuze overtuigingen de verhouding tussen kerk, inwoners en overheid veranderden. Katholieke, gereformeerde en doopsgezinde bewoners kregen daardoor in de volgende decennia met een andere kerkelijke en maatschappelijke organisatie te maken.
De Geheime Raad verlangde in 1567 een afzonderlijke kade
Na de confrontatie op de Assendelverzeedijk werd de kwestie opnieuw aan de hogere overheid voorgelegd. In september 1567 bepaalde de Geheime Raad in Brussel dat de Assendelver boeren hun sluisjes gesloten moesten houden totdat een afdoende afscheiding was aangelegd. De bedoeling was te voorkomen dat het door Assendelft binnengelaten water vervolgens Westzaan en Krommenie kon bereiken. Daarmee kwam een nieuwe oplossing in beeld. In plaats van iedere plaatselijke beslissing over het inlaten van water afzonderlijk te bestrijden, moest een waterkering de verschillende gebieden fysiek scheiden. Het conflict over landbouwopbrengsten werd zo omgezet in een verandering van de poldergrenzen.
In maart 1568 bepaalde het Hof van Holland hoe de kade moest lopen. De uitvoering betekende dat Assendelft en Westzaan voortaan minder rechtstreeks van hetzelfde binnenwater afhankelijk zouden zijn. Daarmee verdwenen de tegenstellingen niet volledig. De kade moest worden aangelegd en onderhouden, terwijl de Assendelvers hun eigen waterbeheer moesten organiseren. In sommige historische beschrijvingen wordt ook 1576 genoemd als een belangrijk jaar voor de feitelijke afscheiding. Dat hoeft niet in strijd te zijn met de eerdere besluiten: tussen voorschrift, aanleg en voltooiing konden meerdere jaren liggen. De nieuwe waterkering vormde een blijvende verandering in het landschap.
De opstand tegen Filips II veranderde de omstandigheden
De godsdienstige spanningen vielen samen met groeiend politiek verzet tegen het bestuur van Filips II. De Spaanse koning wilde zijn gezag in de Nederlanden handhaven, terwijl verschillende edelen en steden bezwaar maakten tegen de vervolging van andersgelovigen en de wijze waarop het land werd bestuurd. Lamoraal van Egmond en Hendrik van Brederode, die eerder bij de Noord-Hollandse droogmakerijen betrokken waren geweest, namen ieder op hun eigen wijze deel aan deze politieke ontwikkeling. Hun positie werd daardoor onzeker. De belangen van grondbezit, politieke gehoorzaamheid en religieuze overtuiging kwamen steeds sterker met elkaar in aanraking.
In 1568 werd Lamoraal van Egmond in Brussel terechtgesteld. Hendrik van Brederode was eerder dat jaar overleden. De ondernemers die aan de droogmaking van het Egmondermeer en de Bergermeer waren begonnen, konden hun werkzaamheden daardoor niet meer op de oorspronkelijke manier voortzetten. De grote politieke gebeurtenissen werkten zo door in economische projecten buiten de plaatsen waar werd gevochten. Landwinningen vergden jarenlang beheer en financiering. Wanneer belangrijke initiatiefnemers verdwenen of hun bezittingen onder druk kwamen te staan, moesten anderen besluiten nemen over de voortzetting en het herstel van de waterwerken.
De Allerheiligenvloed van 1570 bracht nieuw verlies
Op 1 november 1570 werd de Noord-Hollandse kust getroffen door een zware stormvloed. Grote delen van de Nederlanden kregen met overstromingen en beschadigde waterkeringen te maken. Ook de pas gewonnen gronden van het Egmondermeer en de Bergermeer liepen opnieuw onder water. De gebeurtenis liet zien dat een droogmakerij niet veilig was zodra de eerste bemaling was voltooid. Dijken en molens moesten daarna voortdurend functioneren. Een doorbraak kon de eerdere investeringen ernstig aantasten en nieuw geld voor herstel noodzakelijk maken. Voor de betrokken grondbezitters betekende de storm dat de verwachte opbrengsten opnieuw onzeker werden.
De gevolgen waren des te moeilijker omdat de politieke omstandigheden verslechterden. De eerste jaren van de Nederlandse Opstand brachten onzekerheid over bezit, bestuur en veiligheid. De droogmakerijen waren niet rechtstreeks onderdeel van het militaire conflict, maar hun financiering en beheer konden er wel door worden geraakt. In de volgende jaren moesten herstelwerkzaamheden opnieuw worden georganiseerd. Voor de geschiedenis van Westzaan is vooral van belang dat zulke ondernemingen het regionale waterbeheer ingewikkelder maakten. Het winnen van nieuw land was mogelijk geworden, maar iedere droogmakerij creëerde tegelijk een blijvende verplichting om overtollig water af te voeren.
De Zaanstreek werd vanaf 1572 oorlogsgebied
In april 1572 namen de watergeuzen Den Briel in. De Nederlandse Opstand breidde zich daarna verder uit. Ook de Zaanstreek raakte betrokken bij de strijd tussen de aanhangers van Willem van Oranje en de troepen die trouw bleven aan Filips II. De ligging aan het IJ en de Zaan maakte het gebied militair belangrijk. Via het water konden soldaten, levensmiddelen en andere voorraden worden vervoerd. De nederzettingen lagen bovendien tussen Haarlem, Amsterdam en het Noorderkwartier, waar verschillende partijen hun macht probeerden te handhaven. Daardoor kreeg een waterrijk landbouw- en handelsgebied een nieuwe militaire betekenis.
De bevolking werd geconfronteerd met bevelen en eisen van verschillende kanten. Staatse bestuurders verboden dat Spaanse troepen werden bevoorraad, terwijl Spaanse bevelhebbers verlangden dat hun gezag werd erkend. Bewoners die voedsel verkochten of goederen vervoerden, konden daardoor door de tegenpartij als vijandelijke helpers worden beschouwd. Voor een schipper of koopman was het bovendien moeilijk de bestaande handelsverbindingen zonder verlies te beëindigen. De oorlog veranderde niet alleen de veiligheid op de wegen en wateren, maar ook de mogelijkheden om inkomen te verdienen. De plaatselijke bestuurders moesten proberen de gemeenschap te beschermen zonder over voldoende militaire macht te beschikken.
De vrijbuiters gebruikten het Westzaanse waterland
Onder leiding van Govert 't Hoen, ook bekend als Het Oude Hoen, opereerden vanaf 1572 Staatse vrijbuiters in de Zaanstreek. Verschillende strijders waren van oorsprong schipper, visser of landbouwer. Zij maakten gebruik van hun kennis van sloten, vaarten, dijken en het IJ. Kleine vaartuigen boden mogelijkheden om onverwacht op te treden en daarna terug te trekken. De Westzaner Overtoom werd een belangrijke verzamelplaats. De hoge toren van de Sint-Joriskerk kon worden gebruikt om de bewegingen van Spaanse schepen op het IJ waar te nemen. Daarmee werd een kerkgebouw dat oorspronkelijk voor de plaatselijke gemeenschap was gebouwd een militaire uitkijkpost.
Onder de vrijbuiters worden Joachim Kleinsorg, Engel Lastpenning uit Krommenie, Pieter Klaasz. van Yperen uit Oostzaan, Jan Walichsz., Jan Cornelis Gerritsz., Cornelis Goesinnen en Jan Dieuwis genoemd. Ook Albert 't Hoen, de zoon van Govert, trad als aanvoerder op. Deze namen komen vooral voor in latere historische beschrijvingen en verdienen waar mogelijk vergelijking met eigentijdse documenten. Zij maken niettemin zichtbaar dat de strijd geen zaak van uitsluitend grote legeraanvoerders was. Plaatselijke mannen met praktische kennis van het water werden bij de oorlog betrokken, soms als strijders en soms als vervoerders of leveranciers.
De strijd rond Haarlem bepaalde het belang van Westzaan
Tijdens het Spaanse beleg van Haarlem in 1572 en 1573 werd het IJ gebruikt voor bevoorrading en militaire verplaatsingen. De vrijbuiters probeerden deze verbindingen te verstoren. Volgens de regionale overlevering voerde Govert 't Hoen met een kleine groep aanvallen uit op Spaanse eenheden die langs de Spaarndammerdijk trokken. Een bekend verhaal beschrijft een hinderlaag in maart 1573 tegen een groep ruiters. De overgeleverde aantallen en het precieze verloop van het gevecht zijn niet onafhankelijk bevestigd. De beschrijving moet daarom niet zonder voorbehoud als een volledig betrouwbare militaire reconstructie worden behandeld.
De ligging van Westzaan verklaart wel waarom vrijbuiters hier actief konden zijn. Het IJ bood verbindingen naar Haarlem en Amsterdam, terwijl de binnensloten mogelijkheden gaven om kleine vaartuigen te verbergen of te verplaatsen. Dezelfde omstandigheden die handel mogelijk maakten, werden nu gebruikt voor militaire acties. Voor de bewoners betekende dit dat hun dorp onderdeel werd van een conflict dat zich over een veel groter gebied uitstrekte. De aanwezigheid van strijders kon bescherming bieden, maar maakte Westzaan ook tot een doelwit voor de Spaanse troepen.
De dorpsbestuurders kwamen tussen twee machtsblokken te staan
In september 1573 kregen de bestuurders van Westzaan van de Staten van Holland en West-Friesland opdracht om de bevoorrading van Spaanse troepen tegen te gaan. Tegelijkertijd eiste de graaf van Bossu dat de inwoners de vrijbuiters uit hun dorp zouden verwijderen. Hij dreigde Westzaan te laten platbranden wanneer dat niet gebeurde. De bestuurders moesten dus rekening houden met twee partijen die allebei gehoorzaamheid verlangden. Wie de ene zijde tegemoetkwam, kon de andere tegen zich krijgen. De oude privileges van de banne boden onvoldoende bescherming tegen de bevelen van strijdende legers.
De situatie maakte duidelijk hoe beperkt de feitelijke macht van plaatselijke bestuurders was. Zij konden belastingen innen, rechtspreken en onderhoud laten uitvoeren, maar beschikten niet over een leger waarmee zij hun dorp zelfstandig konden verdedigen. Bovendien hadden de bewoners voedsel en handelswaar nodig om te overleven. Handel met een door de tegenpartij gecontroleerd gebied kon economisch noodzakelijk zijn, maar politiek worden verboden. De oorlog bracht daarmee niet alleen gevaar voor woningen en landbouwgrond, maar ook een conflict tussen de plaatselijke bestaansmiddelen en de eisen van de hogere overheid.
Westzaan werd in februari 1574 geplunderd en verwoest
In februari 1574 trokken Spaanse troepen vanuit Assendelft en Uitgeest door de Zaanstreek. Zij vielen Krommeniedijk aan en trokken vervolgens over het ijs naar Krommenie en Westzaan. In Krommenie ontstond brand en werden gebouwen verwoest. Daarna werd ook Westzaan geplunderd en voor een groot deel in brand gestoken. De Sint-Joriskerk ging grotendeels verloren. De stenen toren bleef overeind, maar raakte zwaar beschadigd. Veel inwoners vluchtten uit het dorp. De gebeurtenis maakte de militaire dreiging tot een directe aantasting van woningen, bezittingen en bestaansmiddelen.
De schade beperkte zich niet tot kerkelijke gebouwen. Ook boerderijen, woningen en bedrijfsruimten konden verloren gaan. De omvang van de schade aan afzonderlijke huishoudens is niet volledig te reconstrueren. Wie zijn voorraad, gereedschap of vee kwijtraakte, moest opnieuw middelen vinden om het werk voort te zetten. Voor gezinnen zonder grote reserves kon dat bijzonder moeilijk zijn. De oorlog werkte daardoor langer door dan de militaire bezetting zelf. Het herstel van woningen en voorzieningen kostte geld en arbeid, terwijl het gevaar van nieuwe aanvallen voorlopig bleef bestaan.
Lambert Melisz werd het bekendste gezicht van de vlucht
Aan de Spaanse inval van februari 1574 is de overlevering over Lambert Melisz verbonden. Volgens het verhaal bracht hij zijn oude moeder op een slee over het ijs in veiligheid. Het verhaal kreeg later een vaste plaats in de Zaanse geschiedschrijving en werd in afbeeldingen en herdenkingen bekend. De afzonderlijke bijzonderheden van deze vertelling zijn echter niet allemaal met eigentijdse bronnen bevestigd. Daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen de aantoonbare plundering van Westzaan en de manier waarop latere generaties de vlucht van één inwoner beschreven.
De gebeurtenis maakt wel zichtbaar welke omstandigheden tijdens de oorlog belangrijk waren. De watergangen en het ijs konden verbindingen bieden waarmee bewoners probeerden gevaar te ontlopen. Tegelijkertijd waren die routes ook toegankelijk voor soldaten. De ligging in een waterrijk gebied bood dus niet uitsluitend bescherming. Zij bepaalde mede hoe troepen zich verplaatsten en hoe inwoners konden vluchten. De gevolgen verschilden bovendien per huishouden. Niet iedereen had dezelfde middelen, vervoersmogelijkheden of familiecontacten om zich buiten het bedreigde gebied in veiligheid te brengen.
Govert 't Hoen sneuvelde op 31 mei 1574
Na de verwoesting van Westzaan bleef Govert 't Hoen betrokken bij de strijd tegen de Spaanse troepen. Op 31 mei 1574 sneuvelde hij bij Ilpendam tijdens gevechten in Waterland. Zijn dood betekende het verlies van een bekende aanvoerder van de Zaanse vrijbuiters. De latere verhalen over zijn optreden bevatten veel bijzondere militaire details, maar de aantallen slachtoffers en de precieze gebeurtenissen zijn niet in alle gevallen onafhankelijk bevestigd. Voor de geschiedenis van Westzaan is vooral van belang dat de plaatselijke strijders hun activiteiten niet beperkten tot het eigen dorp. Zij opereerden op de waterwegen en dijken van een groot deel van het Noorderkwartier.
De vrijbuiters vormden geen regulier leger met dezelfde organisatie als de Spaanse troepen. Zij maakten gebruik van kleine vaartuigen, snelle verplaatsingen en hun kennis van het landschap. Hun acties konden de tegenstander schade berokkenen, maar boden geen garantie dat een dorp tegen vergelding beschermd bleef. Westzaan had dat in februari 1574 ondervonden. De strijd laat daardoor een dubbele werkelijkheid zien. De vrijbuiters speelden een rol in het verzet tegen de Spaanse macht, terwijl de aanwezigheid van hun uitvalsbasis tegelijkertijd de veiligheid van de gewone bevolking kon aantasten.
De oorlog bleef het handelsverkeer verstoren
Na de inval van 1574 bleven verschillende plaatsen in de Zaanstreek onder militaire druk staan. Spaanse troepen gebruikten Zaandam en Assendelft als belangrijke steunpunten, terwijl andere gebieden zich onder Staatse invloed bevonden. Het verkeer tussen de verschillende plaatsen bleef daardoor onzeker. Schippers moesten rekening houden met controles, inbeslagneming en veranderende bevelen. Boeren konden moeilijkheden ondervinden bij de verkoop van hun producten. Ook de aanvoer van bouwmaterialen voor het herstel van verwoeste gebouwen kon worden bemoeilijkt. De oorlog raakte zo voortdurend aan het gewone economische verkeer.
De plaatselijke bestuurders konden proberen de gevolgen te beperken, maar hun mogelijkheden waren gering. Zij waren afhankelijk van militaire bevelhebbers en hogere bestuursinstellingen. De bestaande waterverbindingen waren tegelijk handelsroutes en mogelijke militaire toegangen. Daardoor kon een besluit om een vaarweg open te houden economisch wenselijk zijn, maar vanuit de oorlogvoering risico's opleveren. Het conflict versterkte de betekenis van bestuurlijke onderhandelingen. Niet alleen de inzet van soldaten bepaalde de toestand van de dorpen, maar ook de voorwaarden waaronder inwoners mochten blijven handelen, reizen en goederen vervoeren.
Westzaan betaalde in 1576 voor bescherming
Om nieuwe plunderingen te voorkomen, probeerden verschillende Zaanse dorpen een vrijgeleide of sauvegarde te verkrijgen. Zo'n verklaring moest bescherming bieden tegen aanvallen van de partij die haar verleende. De regeling werd doorgaans niet kosteloos verstrekt. Eind 1575 kregen onder meer Krommenie, Krommeniedijk, Oostzaan en Knollendam bescherming onder voorwaarden. Westzaan verkreeg in mei 1576 eveneens een regeling, waarbij zowel aan Spaanse als aan Staatse zijde werd betaald. De dubbele betaling laat zien dat de inwoners niet op één machthebber konden vertrouwen.
De kosten kwamen boven op andere verplichtingen die door de oorlog waren ontstaan. De gemeenschap had al schade geleden door de plundering en moest tegelijk middelen vinden voor herstel. Betaling voor bescherming was geen bewijs dat werkelijk veiligheid was gegarandeerd. Wel bood zij de bestuurders een mogelijkheid om de kans op nieuwe aanvallen te verminderen. In het najaar van 1576 verlieten de Spaanse troepen geleidelijk verschillende posities in de Zaanstreek. Daarmee verbeterde de veiligheid, maar het herstel van de economische en maatschappelijke verhoudingen vergde veel meer tijd.
De Staten van Holland kregen opnieuw invloed op het bestuur
Toen het Spaanse militaire gezag zich terugtrok, veranderde de verhouding tussen de Zaanse dorpen en de hogere overheid. De Staten van Holland kregen binnen de opstandige gewesten een steeds belangrijkere positie. De oude heerlijke en grafelijke rechten verdwenen niet onmiddellijk, maar de politieke omgeving waarin zij werden uitgeoefend veranderde. Voor Westzaan betekende dit dat het plaatselijke bestuur zijn werkzaamheden moest voortzetten binnen een ander machtsverband. Schout en schepenen bleven nodig voor rechtspraak, belastingen en het beheer van gemeenschappelijke voorzieningen.
De oorlog had laten zien dat de formele rechten van de banne onvoldoende bescherming boden wanneer militaire bevelhebbers andere eisen stelden. Na het verdwijnen van de directe dreiging ontstond ruimte om de dagelijkse bestuurlijke taken opnieuw uit te voeren. Dijken, sluizen, wegen en watergangen moesten worden onderhouden. Ook konden geschillen tussen bewoners niet onbeperkt blijven liggen. Daarmee kwam de oudere bestuurlijke organisatie opnieuw naar voren, zij het in een omgeving waarin de verhouding tussen kerk, overheid en bevolking ingrijpend was veranderd.
Bartel Jacobsz. keerde in 1578 uit Engeland terug
Bartel Jacobsz., die eerder in de Zaanstreek hervormde opvattingen had verkondigd, was tijdens de godsdienstige vervolgingen naar Engeland uitgeweken. In 1578 keerde hij terug. Oostzaan en Oostzaandam deden een beroep op hem als predikant. Daarmee kreeg de gereformeerde kerk in de streek een duidelijker plaats. De ontwikkeling maakte deel uit van een bredere verandering waarin het katholieke kerkelijke gezag in de opstandige gewesten werd teruggedrongen. De overgang verliep echter niet overal op dezelfde manier en betekende niet dat alle inwoners hun eerdere geloof opgaven.
Westzaan kende verschillende geloofsgemeenschappen. Naast gereformeerden waren doopsgezinden aanwezig en bleven er katholieken wonen. De groepen hadden verschillende opvattingen over kerkelijk gezag en maatschappelijke verplichtingen. Toch maakten zij gebruik van dezelfde wegen, bruggen en waterwerken. De religieuze veranderingen konden wel gevolgen hebben voor de organisatie van onderwijs, armenzorg en bestuurlijke functies. Daarmee werd het dorp maatschappelijk ingewikkelder dan een gemeenschap waarin één kerkelijke instelling vanzelfsprekend een centrale plaats had ingenomen.
De eerste scheepswerven aan de Hoge Horn waren al in gebruik
Omstreeks 1580 waren aan de Hoge Horn en Hogendijk in Zaandam scheepshellingen in gebruik. Archeologisch onderzoek uit 1998 en 1999 bracht resten van vijf hellingen aan het licht die ongeveer tussen 1580 en 1650 functioneerden. De vondsten zijn belangrijk omdat lang werd aangenomen dat de grote scheepsbouw op het buitendijkse land pas veel later begon. De opgegraven hellingen waren ongeveer 21 tot 30 meter lang en 6 tot 9 meter breed. Zij waren opgebouwd uit nieuw en hergebruikt hout, waaronder eiken- en naaldhout. Op dergelijke hellingen konden ook zeewaardige schepen worden gebouwd.
De vondsten liggen bij Zaandam en niet binnen het oude dorp Westzaan. Toch zijn zij voor de geschiedenis van de banne van betekenis. De verschillende nederzettingen ten westen van de Zaan waren bestuurlijk en economisch met elkaar verbonden. Scheepsbouw vroeg bovendien om hout, ijzerwerk, touw, zeilen, transport en gespecialiseerde ambachtslieden. Daarmee ontstond een productiegebied dat verder reikte dan één werf. De archeologische resten maken zichtbaar dat de Zaanse scheepsbouw niet uitsluitend uit latere schriftelijke beschrijvingen bekend hoeft te zijn. Zij tonen ook hoe bedrijven in werkelijkheid waren ingericht en welke materialen de scheepsbouwers gebruikten.
De banne verdeelde in 1583 opnieuw haar juridische kosten
Op 24 juli 1583 maakten Westzaan en Krommenie afspraken over de kosten van geschillen met de baljuw. Westzaan zou twee derde van de uitgaven dragen en Krommenie één derde. De regeling was nodig omdat beide plaatsen nog onder een gemeenschappelijk bestuurlijk verband vielen, maar niet steeds dezelfde belangen hadden. Wanneer de baljuw bevoegdheden opeiste die de dorpen betwistten, moesten zij gezamenlijk optreden. Dat kon aanzienlijke juridische kosten veroorzaken. De overeenkomst maakte daarom duidelijk welk aandeel iedere gemeenschap moest betalen. Daarmee kreeg de langdurige verhouding tussen Westzaan en Krommenie een nauwkeuriger financiële basis.
In 1587 ontstond opnieuw onenigheid over de verdeling van lasten. Arbiters deden op 29 april uitspraak. Zulke geschillen tonen dat de bestuurlijke eenheid niet vanzelf tot overeenstemming leidde. De betrokken dorpen verschilden in omvang, inkomsten en economische mogelijkheden. Bovendien konden veranderingen in het landschap gevolgen hebben voor de verplichtingen van afzonderlijke gemeenschappen. De problemen rond kostenverdeling zouden in de volgende eeuw groter worden toen nieuwe nederzettingen langs de Zaan groeiden. De banne bleef bestaan, maar de onderlinge verhoudingen veranderden.
Westzaan kreeg in 1586 een eigen gereformeerde predikant
In 1586 kreeg Westzaan een eigen gereformeerde predikant. Daarmee kreeg de nieuwe kerkelijke organisatie een vaste plaats in het dorp. De beschadigde Sint-Joriskerk kon echter niet eenvoudig in haar vroegere vorm worden gebruikt. Na de verwoesting van 1574 werd geleidelijk herstel uitgevoerd en kwam er uiteindelijk een voorlopige houten kerkvoorziening bij de oude toren. De plaatselijke gemeenschap moest dus jarenlang omgaan met een gebouw dat tegelijk herinnerde aan de oorlog en aan de verandering van de religieuze organisatie. De volledige vernieuwing van de kerk zou pas veel later plaatsvinden.
De kerkelijke veranderingen hadden ook maatschappelijke gevolgen. Gereformeerde kerkenraden kregen taken op het gebied van eredienst en armenzorg. Andere geloofsgemeenschappen organiseerden hun eigen bijeenkomsten. Daardoor ontstonden binnen één dorp verschillende netwerken waarin families, bezit en maatschappelijke steun een rol konden spelen. Toch bleef de wereldlijke overheid verantwoordelijk voor de gemeenschappelijke voorzieningen die alle bewoners gebruikten. De verhouding tussen geloof en bestuurlijke deelname zou later opnieuw onderwerp van discussie worden, vooral wanneer doopsgezinden werden benoemd voor functies die zij vanuit hun overtuiging niet wilden aanvaarden.
Het herstel van de handel kreeg na 1585 meer ruimte
In de jaren na de zwaarste oorlogshandelingen begon de economie van de Zaanstreek zich te herstellen. De handel over het IJ en de Zaan kreeg opnieuw meer betekenis. Vooral de groei van Amsterdam als handelscentrum bood kansen. De stad had behoefte aan schepen, hout, voedsel, verpakkingsmaterialen en allerlei producten die in de omgeving konden worden vervaardigd. De Zaanstreek beschikte over waterwegen, ruimte voor bedrijven en een bevolking die vertrouwd was met scheepvaart en ambachten. Daardoor konden bestaande vaardigheden worden gebruikt om nieuwe economische activiteiten te ontwikkelen.
De groei betekende niet dat het oude landbouwlandschap zijn betekenis verloor. Westzaan bleef in belangrijke mate afhankelijk van veehouderij en grasland. Tegelijkertijd kregen handelaren, schippers en ambachtslieden meer mogelijkheden om buiten de landbouw inkomsten te verdienen. Deze ontwikkeling bracht ook verschillen in bezit met zich mee. Wie kon investeren in schepen, handelsvoorraden of bedrijfsgebouwen, beschikte over andere economische mogelijkheden dan iemand die alleen zijn arbeid kon verkopen. De toenemende handel veranderde daarmee niet alleen de omvang van de bedrijvigheid, maar ook de maatschappelijke verhoudingen.
Cornelis Cornelisz. van Uitgeest ontwikkelde een nieuwe zaagtechniek
Omstreeks 1592 ontwikkelde Cornelis Cornelisz. van Uitgeest een mechanisme waarmee de draaiende beweging van een windmolen kon worden omgezet in de op- en neergaande beweging van een zaagraam. In december 1593 kreeg hij octrooi voor zijn uitvinding. Daarmee werd het mogelijk hout op grotere schaal met windkracht te zagen. Het werk van handzagers werd niet onmiddellijk overbodig, maar de productiecapaciteit van een windgedreven zaagmolen kon aanzienlijk groter zijn. De techniek bood vooral kansen in een gebied waar voldoende windvang, beschikbare bedrijfsgrond en aanvoer over water aanwezig waren.
De nieuwe methode vereiste kapitaal. Een ondernemer moest een molen bouwen of verwerven, gereedschappen aanschaffen en hout inkopen voordat er inkomsten uit de verkoop konden ontstaan. Ook had hij arbeiders nodig voor de bediening, het onderhoud en het vervoer. De uitvinding betekende daardoor niet dat houtproductie vanzelf eenvoudiger werd. Zij maakte een andere organisatie van het werk mogelijk, waarin moleneigenaren en handelaren een grotere rol kregen. De Zaanstreek bood daarvoor gunstige omstandigheden. De nabijheid van Amsterdam en het uitgebreide netwerk van watergangen maakten aanvoer en afzet over grotere afstanden mogelijk.
De Zaanstreek profiteerde van het ontbreken van sterke gildedwang
In Amsterdam verdedigden handhoutzagers hun positie tegen de invoering van mechanisch zagen. De bestaande stedelijke ambachtsorganisatie maakte het voor nieuwe technieken moeilijker om onbelemmerd te worden toegepast. In de Zaanstreek bestonden andere verhoudingen. De windgedreven zaagmolens konden daar gemakkelijker worden opgericht. Het verschil in regels vormde een van de omstandigheden waardoor de nieuwe industrie langs de Zaan kon groeien. Daarbij speelden ook beschikbare grond, wind, waterverbindingen en handelscontacten een belangrijke rol. Het succes van de Zaanse zaagmolens kan daarom niet uitsluitend aan het conflict met Amsterdamse ambachtslieden worden toegeschreven.
De ontwikkeling maakte duidelijk hoe wettelijke en plaatselijke regels economische gevolgen konden hebben. Een ondernemer had niet alleen een bruikbare techniek nodig, maar moest die ook mogen toepassen. De mogelijkheid om een molen te bouwen en windkracht te gebruiken hing samen met vergunningen en bestaande rechten. Tegelijkertijd konden scheepsbouwers en handelaren profiteren van een grotere aanvoer van gezaagd hout. De groei van de houtzagerijen versterkte daardoor andere bedrijfstakken. Het vroegere veenland werd steeds aantrekkelijker voor ondernemingen die ruimte en toegang tot water nodig hadden.
Het Juffertje kwam in 1596 naar Zaandam
In 1596 werd de vroege houtzaagmolen Het Juffertje naar Zaandam overgebracht. Ondernemer Dirck Sybrandsz. speelde daarbij een rol. De verplaatsing toont dat molens niet uitsluitend op één oorspronkelijke standplaats werden gebruikt. Ondernemers zochten locaties waar windvang, vervoer en de beschikbaarheid van grond gunstig waren. De Zaan bood toegang tot het IJ en de handel van Amsterdam. Daardoor konden boomstammen worden aangevoerd en gezaagde planken verder worden vervoerd. Voor de houtindustrie was dat van groot belang, omdat het materiaal zwaar was en vervoer over slechte landwegen kostbaar kon zijn.
Een zaagmolen vormde bovendien een verbinding tussen verschillende vormen van arbeid. Hout moest uit bossen en havens worden aangevoerd, in het water worden opgeslagen en naar de molen worden gebracht. Daar werd het gezaagd en voor verdere verwerking gereedgemaakt. Vervolgens konden planken terechtkomen bij scheepswerven, timmerbedrijven of bouwplaatsen. De molen was dus geen losstaand werktuig in het landschap. Hij maakte deel uit van een economische keten waarin kooplieden, schippers, molenaars, knechten en ambachtslieden gezamenlijk betrokken waren.
De verklaring van 1599 legde de vierendelen vast
Op 1 september 1599 verklaarden tien oudere inwoners hoe de banne Westzaan in vier delen was georganiseerd. De betrokken mannen waren tussen 53 en 84 jaar oud. Hun herinneringen werden gebruikt om oudere bestuurlijke gewoonten vast te leggen. De verschillende delen omvatten het oude Westzaan en de groeiende nederzettingen aan de Zaan. De verklaring was belangrijk voor de verdeling van bestuurlijke taken en gemeenschappelijke lasten. De banne bestond nog steeds als één rechtsgebied, maar de bevolking en de economische bedrijvigheid waren inmiddels over verschillende plaatsen verspreid.
De groeiende nederzettingen ontwikkelden belangen die niet volledig overeenkwamen met die van het oude dorp. De bewoners van Westzaan waren voor een belangrijk deel afhankelijk van landbouw, terwijl Westzaandam, Koog, Zaandijk en Wormerveer steeds meer mogelijkheden kregen voor handel en ambachten. Toch moesten zij gezamenlijk bijdragen aan voorzieningen en bleef de rechtspraak sterk met het moederdorp verbonden. Daarmee ontstond een tegenstelling die in de volgende eeuw steeds zichtbaarder zou worden. De bestuurlijke grenzen waren voortgekomen uit oudere verhoudingen, maar de economische wereld waarbinnen zij functioneerden veranderde.
DEEL 4 — DROOGMAKERIJEN, SLUIZEN EN GROEIENDE ZAANDORPEN (1600–1650)
De eerste oliemolens verbreedden de Zaanse bedrijvigheid
Rond 1600 kwam de industriële ontwikkeling in de Zaanstreek steeds sterker op gang. Naast houtzaagmolens verschenen bedrijven die oliehoudende zaden verwerkten. In 1601 werd bij het Kalf aan de Zaan een vroege oliemolen gebouwd. Een oliemolen gebruikte windkracht om grondstoffen te kneuzen en de olie eruit te persen. Het bedrijf vroeg om een regelmatige aanvoer van zaden, opslagruimte en mogelijkheden om olie en andere producten te verkopen. Daarmee ontstond een nauwe verbinding tussen landbouw, scheepvaart en nijverheid. De molenindustrie bood nieuwe werkgelegenheid en maakte het gebruik van het open polderland economisch aantrekkelijker.
Het bezit van een molen vereiste doorgaans meer financiële middelen dan het uitoefenen van een klein ambacht. De eigenaar moest investeren in een gebouw, werktuigen en grondstoffen. Vervolgens moest hij zorgen dat het bedrijf voldoende opdrachten of afzet had. Arbeiders ontvingen loon voor werkzaamheden die nodig waren om de molen draaiende te houden. De opbrengsten waren afhankelijk van de prijzen van zaden en olie en van de beschikbaarheid van wind. Daarmee kreeg de Zaanstreek een economie waarin internationale handel en de natuurlijke omstandigheden gezamenlijk invloed hadden op de inkomsten van ondernemers en werknemers.
Westzaan kende in 1603 al een grote verscheidenheid aan beroepen
Een beschrijving uit 1603 vermeldt dat in Westzaan graankopers, bierhandelaren, zuivelkopers en lakenhandelaren werkzaam waren. Daarnaast worden schoenmakers, kleermakers, kuipers, wevers, scheepstimmerlieden, huistimmerlieden en brouwers genoemd. Ook scheepshellingen maakten deel uit van de plaatselijke bedrijvigheid. Het overzicht toont dat Westzaan al vóór de grote bloei van de molens meer was dan een landbouwdorp. De economische ontwikkeling ontstond vanuit bestaande ambachten en handelscontacten. De bewoners waren niet uitsluitend afhankelijk van de opbrengsten van grasland en vee, maar konden hun inkomen ook verdienen met productie, vervoer en handel.
De aanwezigheid van verschillende beroepen maakte verdere groei mogelijk. Scheepsbouwers hadden hout, ijzerwerk, touw, zeilen en andere materialen nodig. Handelaren konden goederen opslaan en verkopen. Kuipers vervaardigden vaten voor vervoer en opslag. Timmerlieden werkten aan huizen, molens en schepen. Het ging om afzonderlijke beroepen die in de praktijk nauw met elkaar verbonden waren. Daarmee ontstond een samenleving waarin sommige inwoners kapitaal en bedrijfsgebouwen bezaten, terwijl anderen hun inkomen uit ambachtelijke arbeid verdienden. De sociale verschillen werden daardoor niet uitsluitend bepaald door de omvang van iemands landbouwgrond.
De houtindustrie gebruikte het water als opslagplaats
De Zaanse houtbedrijven profiteerden van het uitgebreide netwerk van sloten, vaarten en grotere wateren. Boomstammen konden per schip of vlot worden aangevoerd en vervolgens in het water worden opgeslagen. Het zogenaamde wateren van hout maakte deel uit van de voorbereiding op verdere verwerking. Daarbij werden stoffen uit het hout uitgespoeld en kon het materiaal geleidelijk veranderen voordat het werd gezaagd of gebruikt. De beschikbaarheid van water was daardoor niet uitsluitend van betekenis voor vervoer. Ook de wijze waarop hout werd opgeslagen en behandeld maakte gebruik van het landschap.
Dezelfde omstandigheden konden echter tot tegenstrijdige belangen leiden. Voor de houtkoper was voldoende waterdiepte belangrijk om stammen te vervoeren en op te slaan. Voor de landbouwer kon een lager peil wenselijk zijn om zijn grasland beter bruikbaar te houden. Bovendien konden grote houtvlotten en zwaar beladen schuiten schade veroorzaken aan oevers of smalle watergangen. Het polderbestuur moest daardoor steeds vaker rekening houden met economische activiteiten die niet direct op landbouw waren gericht. De oude sloten waren aangelegd om het veen te ontwateren, maar kregen inmiddels een nieuwe plaats binnen de industriële productie.
Amsterdam werd tegelijk klant en concurrent
De groei van Amsterdam als handelscentrum had grote gevolgen voor de Zaanstreek. De stad had behoefte aan schepen, hout, olie, voedsel en allerlei andere producten. Tegelijkertijd bezat Amsterdam eigen handelaren en ambachtsorganisaties die hun belangen verdedigden. De Zaanstreek werd daardoor zowel leverancier als concurrent. Ondernemers konden profiteren van opdrachten uit Amsterdam, maar kregen ook te maken met regels en handelsmaatregelen die de stedelijke positie moesten beschermen. De economische verhouding was dus niet uitsluitend een eenvoudige afhankelijkheid van de hoofdstad.
Voor Westzaan en de andere Zaandorpen betekende dit dat hun bedrijvigheid steeds sterker werd verbonden met markten buiten de eigen omgeving. Hout kon uit Duitsland of het Oostzeegebied worden aangevoerd, terwijl afgewerkte producten via Amsterdam verder werden verkocht. De plaatselijke watergangen maakten deel uit van die handelsketen. Daardoor groeide de betekenis van bruggen, sluizen en vaarwegen. Het behoud van een bruikbare verbinding kon voor een ondernemer rechtstreeks invloed hebben op de kosten van aanvoer en verkoop. Waterstaatkundige voorzieningen werden zo steeds belangrijker voor de concurrentiepositie van bedrijven.
Hugo de Groot beperkte in 1608 het financiële misbruik van de schout
Op 1 augustus 1608 stelde Hugo de Groot negen bepalingen vast over de inkomsten van de schout van Westzaan. De regeling hield verband met klachten over de uitoefening van het ambt. Sommige schouten traden bij rechtszaken op als woordvoerder van een van de partijen en ontvingen daarvoor betalingen. De Staten verboden deze praktijk op straffe van een boete van honderd pond. Daarmee werd een grens gesteld aan de mogelijkheid om persoonlijke inkomsten uit bestuurlijke bevoegdheden te verkrijgen. De schout bleef een belangrijke vertegenwoordiger van het landsheerlijke gezag, maar mocht zijn positie niet onbeperkt gebruiken voor eigen financieel voordeel.
De gebeurtenis laat zien dat het bestuur van Westzaan sterk verweven was met geld en krediet. Het schoutambt kon als onderpand dienen voor leningen aan de overheid. Wie het ambt verkreeg, beschikte daardoor over bevoegdheden die tevens inkomsten konden opleveren. Voor de inwoners bestond het risico dat officiële handelingen onnodig duur werden. De regeling van Hugo de Groot moest zulke misbruiken beperken. Zij veranderde echter niet onmiddellijk het hele bestuurlijke systeem. De bestaande functies bleven bestaan en de verhouding tussen de schout, de schepenen en de hogere overheid zou in de volgende decennia opnieuw tot conflicten leiden.
De Beemster werd een onderneming van kooplieden en financiers
Vanaf 1607 werd de droogmaking van het Beemstermeer voorbereid. Amsterdamse kooplieden, onder wie Dirck en Hendrik van Oss, behoorden tot de initiatiefnemers. Zij verwachtten inkomsten uit de toekomstige landbouwgronden en waren bereid daarvoor grote bedragen te investeren. De uitvoering vereiste deskundigheid van landmeters, molenmakers, aannemers en arbeiders. Jan Adriaansz. Leeghwater werd als waterbouwkundige bij het project betrokken. De onderneming verschilde van de vroegste Westzaanse ontginningen doordat hier een bestaande waterplas door een samenhangend technisch en financieel plan in landbouwgrond moest worden veranderd.
De investeerders moesten geld bijeenbrengen voordat de nieuwe grond opbrengsten kon leveren. Er waren ringdijken nodig, watermolens moesten worden gebouwd en de toekomstige kavels moesten worden ingedeeld. Ook moesten rechten van bestaande gebruikers worden geregeld. Daarmee werd de droogmaking een onderneming waarin de verdeling van risico en toekomstig bezit een belangrijke rol speelde. De deelnemers konden financieel voordeel verwachten wanneer het project slaagde, maar bij mislukking kon een groot deel van het geïnvesteerde geld verloren gaan. De Beemster maakte duidelijk dat de inrichting van het landschap inmiddels sterk verbonden was met particuliere kapitaalverschaffing.
De Beemster liep in januari 1610 opnieuw vol
Tijdens de droogmaking van de Beemster ontstond in januari 1610 grote schade door een storm. Het vrijwel drooggevallen meer liep opnieuw onder water. Daarmee werd duidelijk hoe kwetsbaar de onderneming tijdens de uitvoering was. De bestaande waterkeringen boden nog onvoldoende bescherming tegen uitzonderlijke omstandigheden. Voor de investeerders betekende het verlies dat opnieuw geld en arbeid nodig waren. De werkzaamheden werden echter voortgezet. De beslissing laat zien dat de betrokken ondernemers bereid waren grote risico's te dragen omdat zij verwachtten dat het toekomstige land voldoende inkomsten kon opleveren.
De gevolgen van een droogmakerij bleven niet beperkt tot de grond binnen de ringdijk. Het water dat uit de Beemster werd opgevoerd, moest via bestaande boezems en sluizen verder worden afgevoerd. Daardoor kregen ook oudere gebieden te maken met veranderingen in de regionale waterhuishouding. Dezelfde wateren waarop Westzaan afhankelijk was voor zijn afwatering, moesten voortaan ook water uit nieuwe polders verwerken. Dat maakte de capaciteit van sluizen en lozingsverbindingen steeds belangrijker.
In 1610 werd de Zaandijkersluis voorbereid
In 1610 werd een bestek opgesteld voor een houten schutsluis bij Zaandijk. De verbinding moest schepen toegang geven tussen de Zaan en de achterliggende polderwateren. Voor de groeiende molenindustrie was dit van groot belang. Hout, zaden en andere grondstoffen konden per schip naar bedrijven in het veld worden gebracht. Afgewerkte producten konden via dezelfde route worden afgevoerd. De sluis moest echter ook de waterstand van de polder beschermen. Daardoor kreeg één bouwwerk verschillende functies die elk eisen stelden aan de uitvoering en het onderhoud.
De bouw maakte zichtbaar hoe sterk handel en waterbeheer inmiddels met elkaar verbonden waren. Een te smalle sluis kon het vervoer van grotere ladingen belemmeren. Een slecht sluitende sluis kon daarentegen de veiligheid van het land in gevaar brengen. Het bestuur moest daarom beoordelen welke afmetingen verantwoord waren en wie aan de kosten moest bijdragen. De voordelen van een goede vaarverbinding kwamen niet noodzakelijk in dezelfde mate toe aan alle bewoners. De aanleg van een sluis bracht daardoor ook vragen over de verdeling van financiële verplichtingen met zich mee.
De Beemstersluis werd in 1611 in de Hogedam aangelegd
In 1611 werd in de Hogedam te Zaandam een nieuwe duikersluis aangelegd die bekend werd als de Beemstersluis. Het werk was bestemd voor de afvoer van water uit de Schermerboezem en niet voor de passage van schepen. Dit onderscheid is belangrijk, omdat meerdere sluizen in en bij de Dam verschillende functies vervulden. Een duikersluis moest water kunnen lozen wanneer de buitenwaterstand daarvoor geschikt was. Een schutsluis moest vaartuigen tussen verschillende waterstanden kunnen laten passeren. Beide soorten waterwerken waren noodzakelijk, maar hun bouw en bediening dienden andere doeleinden.
De aanleg van de Beemstersluis vormde een onderdeel van de aanpassingen die nodig waren door de grote droogmakerij. Het nieuwe land moest voortdurend worden bemalen en het opgevoerde water moest ergens naartoe. Daardoor werden oudere uitwateringsverbindingen aangepast. Voor Westzaan was dit van betekenis omdat de polder voor zijn eigen afwatering met hetzelfde grotere watersysteem verbonden bleef. Een verbetering bij Zaandam kon de afvoermogelijkheden van de boezem vergroten, maar betekende niet dat iedere plaatselijke sloot daardoor zonder problemen kon lozen.
De Beemster viel op 19 mei 1612 definitief droog
Op 19 mei 1612 viel de Beemster definitief droog. Daarmee werd een groot meer omgezet in landbouwgrond. De nieuwe polder kreeg een stelsel van molens dat het water naar de ringvaart en verder naar de boezem moest opvoeren. De investeerders konden de gronden verkavelen en voor landbouw beschikbaar stellen. Toch bleef de onderneming afhankelijk van voortdurend onderhoud. Een droogmakerij was geen eenmalig werk waarbij alle kosten na het droogvallen verdwenen. De dijken en molens moesten blijven functioneren om het nieuwe land bruikbaar te houden.
Voor de Polder Westzaan had de ontwikkeling een blijvende betekenis. De natuurlijke waterberging in het Noorderkwartier werd door de droogmaking kleiner. De Beemster, die vroeger water kon opvangen, was nu een polder die zelf bemaling nodig had. Daardoor werden de waterstanden van de gezamenlijke boezem belangrijker voor oudere veenpolders. Wanneer de Zaan en andere boezemwateren hoog stonden, kon de natuurlijke afwatering vanuit Westzaan worden bemoeilijkt. De droogmaking bracht daarom nieuwe mogelijkheden voor landbouw, maar maakte het regionale waterbeheer ook ingewikkelder.
De Zaanse scheepsbouw kreeg vanaf 1613 nieuwe opdrachten
De groei van de handel bracht een toenemende vraag naar schepen met zich mee. Aan de Zaan werden vrachtschepen gebouwd en gerepareerd, terwijl ook de walvisvaart nieuwe mogelijkheden bood. In 1613 voeren al Zaanse schepen naar de wateren rond Spitsbergen, die destijds vaak Groenland werden genoemd. Voor de scheepsbouwers betekende dit een markt waarvoor stevige vaartuigen, goede uitrusting en gespecialiseerd vakmanschap noodzakelijk waren. De werven maakten deel uit van een groter productiegebied waarin houtzagerijen, smederijen, touwslagerijen en andere bedrijven gezamenlijk leverden.
De betrokkenheid bij de walvisvaart veranderde niet onmiddellijk de gehele economie van Westzaan. De grootste bedrijvigheid concentreerde zich op verschillende plaatsen langs de Zaan en het IJ. Toch konden ook ondernemers en arbeiders uit de banne van de groei profiteren. Scheepsbouw vroeg om grote hoeveelheden hout, terwijl de uitrusting van schepen nieuwe werkzaamheden opleverde. De verbinding tussen de Zaanse industrie en de noordelijke zeevaart zou na 1642 verder groeien, toen de positie van de Noordse Compagnie veranderde.
De schout weigerde in 1616 de dijkschouw uit te voeren
In 1616 ontstond een bestuurlijk conflict doordat de Westzaanse schout weigerde de schouw van dijken en watergangen uit te voeren. Op 19 november droegen de Staten hem op zijn verplichtingen na te komen. Wanneer hij bleef weigeren, moest de oudste schepen de werkzaamheden overnemen. Boeten die daarbij werden geïnd, moesten in dat geval aan de armenkas worden afgedragen. De regeling laat zien hoe belangrijk het toezicht op de waterwerken werd geacht. Een noodzakelijke schouw mocht niet geheel afhankelijk blijven van de persoonlijke bereidheid van een afzonderlijke ambtsdrager.
De schouw was bedoeld om gebreken aan dijken en watergangen tijdig vast te stellen. Wanneer een onderhoudsplichtige zijn verplichtingen verwaarloosde, konden maatregelen worden genomen. De weigering van de schout bracht daarom meer in gevaar dan uitsluitend het gezag van de schepenen. Zonder toezicht konden kleine beschadigingen uitgroeien tot grotere problemen. De ingreep van de Staten maakte duidelijk dat de zorg voor de gemeenschappelijke veiligheid grenzen stelde aan de vrijheid van ambtsdragers. Het waterbeheer kreeg daarmee opnieuw een plaats binnen het grotere conflict over bestuurlijke bevoegdheden.
Koog en Zaandijk verlangden in 1617 betere verbindingen
In 1617 ontstond onenigheid over de kosten van verbetering van de Westzaanse regel. Bewoners van Koog en Zaandijk vonden dat zij onvoldoende voordeel hadden van bepaalde werkzaamheden waarvoor zij moesten meebetalen. Tegelijkertijd waren de bestaande voetpaden tussen de dorpen moeilijk begaanbaar. De bevolking van de oeverdorpen was gegroeid en had behoefte aan betere verbindingen met het oude bestuurscentrum. Het conflict maakte duidelijk dat de bestaande financiële verdeling niet meer vanzelfsprekend aansloot bij de werkelijke verkeersbehoeften.
Voor Westzaan was het onderhoud van de oude regel belangrijk omdat de weg de verschillende buurten met elkaar verbond. Voor de groeiende dorpen langs de Zaan konden andere routes urgenter zijn. Het bestuur moest daarom besluiten welke verbeteringen noodzakelijk waren en wie de kosten droeg. De tegenstelling was niet uitsluitend een verschil tussen landbouwers en kooplieden. Ook binnen de banne waren nieuwe gemeenschappen ontstaan die hun eigen belangen gingen verdedigen. De vraag naar een betere weg werd daarmee onderdeel van een groter debat over de verdeling van zeggenschap.
De Purmer werd in 1622 drooggelegd
In 1622 kwam de droogmaking van de Purmer tot voltooiing. Opnieuw verdween een groot wateroppervlak uit het Noord-Hollandse landschap en ontstond nieuw landbouwgebied. De onderneming maakte gebruik van ringdijken, molens en een georganiseerd beheer. Net als bij de Beemster moest het overtollige water na de droogmaking voortdurend worden afgevoerd. Daarmee nam de afhankelijkheid van de gezamenlijke boezem verder toe. Voor de oudere veenpolders betekende dit dat de mogelijkheden om op natuurlijke wijze te lozen onder druk konden komen te staan wanneer het buitenwater langdurig hoog bleef.
De nieuwe droogmakerij leverde ook economische mogelijkheden op. Het gewonnen land kon worden verkocht, verpacht of rechtstreeks gebruikt. De opbrengsten van de landbouw konden terechtkomen bij eigenaren die zelf niet op de grond werkten. Daardoor werden grondbezit en financiële investering belangrijke onderdelen van de onderneming. Tegelijkertijd waren arbeiders nodig voor de aanleg en het onderhoud van de waterwerken. De droogmaking maakte daardoor zichtbaar dat het winnen van land verschillende groepen met elkaar verbond: financiers, bestuurders, landmeters, aannemers, molenmakers en toekomstige landbouwers.
Overbodige koopakten brachten in 1623 extra kosten mee
Op 25 september 1623 werd juridisch advies uitgebracht over de gewoonte van bepaalde schouten om bij de overdracht van grond en gebouwen meer akten te laten opmaken dan noodzakelijk was. Voor de betrokken kopers en verkopers betekende dit extra betalingen. Het geschil maakte duidelijk dat het schoutambt nog altijd mogelijkheden bood om persoonlijke inkomsten te verkrijgen uit officiële handelingen. De inwoners konden niet eenvoudig buiten het bevoegd gezag om eigendom overdragen. Daardoor waren zij afhankelijk van dezelfde functionarissen die de regels moesten uitvoeren.
De klachten stonden niet op zichzelf. Eerder was al geprobeerd misbruik bij rechtszaken te beperken. Nu ging het om de kosten van onroerendgoedtransacties. Het conflict was van betekenis in een streek waarin grond, molenplaatsen en bedrijfsgebouwen steeds vaker van eigenaar konden veranderen. De groei van de bedrijvigheid maakte betrouwbare eigendomsoverdrachten belangrijker. Wanneer ambtsdragers onnodige documenten verlangden, verhoogde dat de kosten van ondernemingen en particuliere transacties. Het geschil zou uiteindelijk in 1631 door het Hof van Holland worden behandeld.
Het Guispad kreeg in 1624 toestemming van de Staten
De bewoners van Koog en Zaandijk wendden zich uiteindelijk tot de Staten van Holland om een betere verbinding met Westzaan te verkrijgen. Op 25 maart 1624 kregen zij toestemming voor de aanleg van een pad tussen de Middel en Zaandijk. Deze verbinding ontwikkelde zich tot het Guispad. Daarmee werd de oude afhankelijkheid van moeilijk begaanbare voetpaden verminderd. De aanleg was belangrijk voor bewoners die voor rechtspraak, bestuur, kerkelijke aangelegenheden of handel naar Westzaan moesten reizen.
Het besluit laat zien dat nieuwe voorzieningen niet altijd door de plaatselijke besturen onderling konden worden geregeld. Wanneer belangen en kosten uiteenliepen, kon de hogere overheid toestemming geven voor een oplossing. Het Guispad werd zo een herkenbare verbinding tussen het oude moederdorp en de groeiende nederzettingen langs de Zaan. De aanleg veranderde de onderlinge afstand niet, maar maakte verplaatsing eenvoudiger. Tegelijkertijd bleef het onderhoud noodzakelijk. Een weg op een slappe veenbodem vergde voortdurend aandacht, vooral wanneer de intensiteit van het verkeer toenam.
De Wijde Wormer werd in 1626 een nieuwe polder
In 1626 kwam de droogmaking van de Wijde Wormer tot voltooiing. Daarmee werd opnieuw een groot meer omgezet in landbouwgrond. De onderneming leverde land op dat voor verschillende gewassen en voor veehouderij kon worden gebruikt. Ook konden producten uit de droogmakerij als grondstof voor de Zaanse industrie dienen. Oliehoudende zaden waren bijvoorbeeld belangrijk voor de oliemolens. Zo ontstond een economische verbinding tussen de nieuwe landbouwgebieden en de bedrijven langs de Zaan. De droogmakerijen vergrootten daardoor niet alleen het beschikbare land, maar droegen ook bij aan de ontwikkeling van een regionale productie- en handelswereld.
Voor de waterhuishouding betekende de drooglegging opnieuw een verandering. Het vroegere meer kon geen water meer bergen en moest voortaan zelf worden bemalen. De belangen van de verschillende droogmakerijen en oude veenpolders kwamen daardoor samen in het beheer van de boezem. Bestuurders moesten rekening houden met de afvoercapaciteit van sluizen en watergangen. Een gunstige waterstand voor de ene polder was niet altijd direct te realiseren wanneer de grotere boezem vol stond. Daarmee nam de behoefte aan aanvullende bemaling en betere uitwateringen toe.
Twee doopsgezinden weigerden in 1628 een bestuursfunctie
Op 8 augustus 1628 ontstond een geschil over twee doopsgezinden die hun benoeming tot een bestuurlijke functie niet wilden aanvaarden. De schepenen vroegen of de betrokken inwoners konden worden gedwongen toch zitting te nemen. Het verzoek werd afgewezen. Daarmee werd erkend dat gewetensbezwaren een reden konden vormen om een benoeming te weigeren. De gebeurtenis maakt duidelijk dat doopsgezinden niet eenvoudigweg altijd van het bestuur waren uitgesloten. Sommige leden van deze geloofsgemeenschap werden daadwerkelijk aangewezen voor functies, maar wilden die niet vervullen.
De zaak laat zien hoe religieuze overtuiging gevolgen kon hebben voor het functioneren van de banne. Sommige doopsgezinden hadden bezwaren tegen ambten die verbonden waren met dwang of geweld. Het bestuur had daarentegen belang bij voldoende personen die bereid waren publieke taken uit te voeren. De weigering maakte een grens zichtbaar tussen de verplichtingen die de overheid kon verlangen en de overtuigingen van afzonderlijke inwoners. Tegelijkertijd bleef de gemeenschap afhankelijk van dezelfde waterwerken en wegen. De religieuze verscheidenheid veranderde dus niet de noodzaak van gezamenlijk bestuur, maar beïnvloedde wel de manier waarop functies konden worden vervuld.
De Schermer werd een nieuwe grote onderneming
In 1631 werd octrooi verleend voor de droogmaking van het Schermermeer. De stad Alkmaar speelde een belangrijke rol bij de onderneming. De nieuwe polder moest een groot landbouwgebied opleveren, maar de aanleg vereiste omvangrijke investeringen. Niet alleen de ringdijk en molens moesten worden gebouwd. Ook moest worden vastgesteld hoe het opgevoerde water uit de nieuwe polder verder kon worden afgevoerd. Het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen stelde daarom aanvullende voorwaarden. De droogmakers moesten bijdragen aan nieuwe verbindingen die het regionale waterbeheer voldoende capaciteit zouden geven.
De plannen hadden grote gevolgen voor de bestaande veenpolders. Westzaan, Assendelft en Krommenie beschikten over oude afwateringsverbindingen die niet waren aangelegd voor de nieuwe hoeveelheden boezemwater. De droogmaking van de Schermer kon daarom niet uitsluitend binnen het toekomstige poldergebied worden voorbereid. Landmeters moesten ook de omliggende watergangen in kaart brengen. Bestuurders moesten onderhandelen over grondverwerving, onderhoud en schadevergoeding. Daarmee werd duidelijk dat de onderneming nieuw land kon opleveren voor de investeerders, maar tegelijk ingrijpende veranderingen veroorzaakte in gebieden die zelf geen nieuwe kavels zouden verkrijgen.
Het Hof van Holland verbood in 1631 misbruik bij koopakten
Op 11 september 1631 verbood het Hof van Holland de praktijk waarbij de schout van Westzaan onnodige akten liet opmaken bij de overdracht van onroerend goed. De uitspraak volgde op een langdurig geschil tussen de schout en de plaatselijke bestuurders. Daarmee werd opnieuw een grens gesteld aan het gebruik van een ambt voor persoonlijk financieel voordeel. De schout bleef betrokken bij officiële handelingen, maar mocht niet zonder noodzaak extra betalingen verlangen. De beslissing was belangrijk voor inwoners die grond, woningen of bedrijfsgebouwen wilden kopen of verkopen.
De kwestie kreeg bovendien een politieke betekenis. Toen de tegenstelling tussen Westzaan en Westzaandam scherper werd, koos de schout de zijde van Westzaandam en begon hij daar akten te passeren. Het bansbestuur verzette zich hiertegen. Uiteindelijk schreven de Staten voor dat bepaalde handelingen in het Rechthuis te Westzaan moesten plaatsvinden. Daarmee werd zelfs de plaats waar documenten werden opgesteld onderdeel van de strijd om bestuurlijke invloed. De groeiende handelsplaats Westzaandam wilde meer zelfstandigheid, terwijl het oude moederdorp vasthield aan zijn formele rechten.
De waterstand van de Schermerboezem werd een probleem
Door de droogmaking van grote meren was de beschikbare waterberging in Noord-Holland sterk verminderd. De Zaan maakte deel uit van de Schermerboezem en kon bij langdurige neerslag of ongunstige buitenwaterstanden hoog staan. Daardoor werd het voor Westzaan moeilijker overtollig polderwater vanzelf door sluizen af te voeren. De bestaande uitwateringsmogelijkheden waren niet onder alle omstandigheden voldoende. De oplossing werd steeds vaker gezocht in bemaling met windmolens. Daarmee kon water actief naar een hoger gelegen boezem worden opgevoerd, ook wanneer natuurlijke afstroming niet mogelijk was.
Deze verandering bracht nieuwe afhankelijkheden met zich mee. Een watermolen moest worden gebouwd, onderhouden en bediend. Bovendien bleef zijn werking afhankelijk van wind. Ook kon het opgevoerde water alleen worden afgevoerd wanneer de boezem daarvoor voldoende capaciteit had. De invoering van bemaling loste dus een deel van het probleem op, maar maakte het waterbeheer technisch en financieel ingewikkelder. De polder had voortaan niet alleen sloten, sluizen en dijken nodig, maar ook kostbare werktuigen en mensen die daarvoor verantwoordelijk waren.
Watermolen Het Leven kwam omstreeks 1632 bij Zaandijk te staan
Omstreeks 1632 werd aan de noordzijde van Zaandijk, bij de grens met Wormerveer, watermolen Het Leven gebouwd. Sommige latere molenbeschrijvingen noemen 1633 als bouwjaar. De molen moest het overtollige water uit de Polder Westzaan naar de Zaan opvoeren. Daarmee werd de afwatering minder afhankelijk van een gunstige buitenwaterstand. De naam Het Leven kreeg later een plaats in de plaatselijke overlevering, mede door de nabijheid van korenmolen De Dood. Voor het polderbestuur was echter vooral belangrijk dat het nieuwe werktuig bijdroeg aan de bescherming van het land.
De bouw betekende een grote verandering ten opzichte van de oorspronkelijke veenontginning. De eerste bewoners hadden sloten gegraven om water te laten wegstromen. Nu moest de polder investeren in een molen die water actief omhoogbracht. De molenaar kreeg een belangrijke taak bij de dagelijkse bediening. Ook moesten onderdelen worden gerepareerd en de waterloop vrij worden gehouden. De kosten kwamen terecht bij de gemeenschap die van de bemaling afhankelijk was. Daarmee werd een technische verbetering ook een blijvende financiële verplichting.
De Guit kreeg een plaats aan de westelijke uitwatering
In dezelfde periode ontstond aan de westelijke zijde van de Polder Westzaan de watermolen De Guit. De molen werd gebouwd bij de latere Nauernasche Vaart, ten zuiden van het Watermolenpad. Hij werkte aanvankelijk met een scheprad en moest bijdragen aan het afvoeren van water uit het lagergelegen land. De ligging liet zien dat de polder niet vanuit één punt voldoende kon worden bemalen. De afstand tussen de verschillende veldgebieden en hun afwateringsverbindingen maakte meerdere voorzieningen noodzakelijk.
De Guit kreeg daarmee een langdurige plaats in de geschiedenis van het polderbestuur. Het werktuig moest worden onderhouden en bij voldoende wind in gebruik worden genomen. De molenaar was verantwoordelijk voor de dagelijkse bediening binnen de voorschriften van het bestuur. De bouw maakte duidelijk dat de oude watergangen steeds meer werden opgenomen in een georganiseerd bemalingsstelsel. De polder werd beter beschermd tegen langdurige wateroverlast, maar bleef afhankelijk van de toestand van de molens en de grotere wateren waarop zij uitsloegen.
Anthonis Metius telde in 1632 honderden afwateringssloten
Landmeter Anthonis Metius onderzocht in 1632 het gebied langs het Twiske, de oude waterloop die tot een nieuwe uitwatering voor de Schermer zou worden verbreed. Aan de zijde van Westzaan telde hij maar liefst 301 sloten die op het Twiske uitkwamen. Zijn telling maakte zichtbaar hoe ingewikkeld de bestaande afwatering was. Een nieuwe kade langs de verbrede waterweg zou de rechtstreekse verbinding van deze sloten met het Twiske afsluiten. Daardoor moest worden bepaald hoe de landbouwgronden hun overtollige water voortaan konden afvoeren.
De meting had grote betekenis voor de onderhandelingen. De droogmakers van de Schermer verlangden een betrouwbare uitwatering, maar de bewoners van Westzaan wilden niet dat hun eigen land daardoor natter werd. De kaart van Metius maakte het probleem concreet. Het ging niet uitsluitend om enkele aangrenzende percelen, maar om een groot aantal bestaande watergangen. De aanleg van de nieuwe vaart zou daarom aanvullende sluizen en mogelijk extra bemaling noodzakelijk maken. Het onderzoek liet zien dat een waterbouwkundige verbetering voor het ene gebied grote gevolgen kon hebben voor de voorzieningen van een ander.
De droogmakers wilden het Twiske tot een brede vaart maken
Het oorspronkelijke Twiske was een betrekkelijk bescheiden waterloop die bij Nauerna in het IJ uitmondde. Voor de afwatering van de Schermer moest deze verbinding worden vergroot en aangesloten op watergangen verder naar het noorden. De plannen voorzagen in een brede uitwatering die op verschillende plaatsen een doorsnede van elf roeden moest krijgen. Daarmee werd een bestaande lokale waterloop veranderd in een regionale afwateringsverbinding. De werkzaamheden vereisten het afgraven van land, de aanleg van nieuwe kaden en het bouwen van sluizen.
De ingreep maakte duidelijk dat het landschap niet uitsluitend door natuurlijke omstandigheden veranderde. Ook besluiten van bestuurders en investeerders konden de richting en capaciteit van waterlopen ingrijpend wijzigen. Voor de droogmakers was het werk noodzakelijk om hun nieuwe landbouwgebied te kunnen exploiteren. Voor de bewoners van Westzaan betekende het dat oude watergangen werden afgesloten of anders moesten worden gebruikt. De nieuwe vaart zou daardoor invloed krijgen op landbouw, vervoer en het onderhoud van bestaande percelen.
De Schermersluis bij Nauerna werd een omvangrijk bouwwerk
Bij Nauerna moest een grote stenen sluis komen om de nieuwe uitwatering met het IJ te verbinden. Het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen had een doorgang voorgeschreven die aanzienlijk groter was dan de bestaande duikersluis. De nieuwe constructie moest zowel water kunnen lozen als de waterstand van de boezem beheersen. De opdracht vereiste gespecialiseerde kennis van sluizenbouw. Willem Jansz. Benningh, die eerder bij grote waterwerken betrokken was geweest, speelde een belangrijke rol bij de voorbereiding en uitvoering. Zijn expertise werd hoog gewaardeerd en afzonderlijk betaald.
De bouw vergde werkzaamheden van metselaars, timmerlieden en andere vakmensen. Ook was een voorziening nodig om de bouwput tijdens de werkzaamheden droog te houden. De sluis moest bestand zijn tegen verschillen in waterstand en tegelijk voldoende capaciteit bieden voor de afvoer. Volgens de bewaarde rekeningen beliepen de kosten ongeveer 27.000 gulden, zonder alle bijkomende uitgaven. Daarmee vormde de Schermersluis een kostbaar onderdeel van het nieuwe waterstelsel. De omvang van het werk laat zien hoe groot de technische en financiële organisatie van een droogmakerij inmiddels was geworden.
Pieter Wils bracht in 1633 de verbindingen in kaart
In 1633 maakte landmeter Pieter Wils een kaart van de gebieden rond de Schermer, het Lange Meer en de Starnmeer. Daarop kwamen ook de voorgenomen verbindingen met het Twiske en het IJ naar voren. Zulke kaarten waren noodzakelijk om werkzaamheden voor te bereiden en de betrokken gebieden met elkaar te vergelijken. Zij maakten zichtbaar welke watergangen moesten worden verbreed, waar nieuwe sluizen nodig waren en welke percelen door de aanleg werden geraakt. De kaart was daardoor niet uitsluitend een hulpmiddel voor de landmeter, maar ook voor bestuurders en investeerders.
Een grootschalig waterwerk bracht verschillende soorten kennis samen. Landmeters bepaalden afstanden en hoogten, aannemers berekenden de uitvoering en bestuurders onderhandelden over rechten en betalingen. De bewoners van het omliggende gebied hadden belang bij betrouwbare gegevens over de gevolgen voor hun grond. Het werk van Pieter Wils laat zien dat de droogmaking van de Schermer niet uitsluitend binnen de ringdijk werd ontworpen. De gevolgen voor de afwatering en het verkeer buiten de nieuwe polder moesten eveneens worden onderzocht.
De aanleg van de Nauernasche Vaart begon in 1633
In 1633 begonnen de werkzaamheden aan de nieuwe uitwatering richting Nauerna. Voor het graafwerk werden afzonderlijke gedeelten aanbesteed. Arbeiders moesten de bestaande waterlopen verbreden en nieuwe verbindingen graven. Aannemers organiseerden de werkzaamheden en waren verantwoordelijk voor de uitvoering volgens de afgesproken voorwaarden. De aanleg veranderde de ligging van landbouwpercelen en bestaande waterverbindingen. Op verschillende plaatsen moesten gronden worden verworven of onteigend om de vaart voldoende breed te kunnen maken. Daarmee kwamen de belangen van de droogmakers rechtstreeks tegenover die van plaatselijke eigenaars en gebruikers te staan.
De bedragen uit de rekeningen maken de omvang van de onderneming zichtbaar. Het graafwerk kostte ruim 57.000 gulden. Daarbij kwamen kosten voor kaden, beschoeiingen, sluizen en aanvullende voorzieningen. De uitgaven waren daarmee veel groter dan de prijs van een afzonderlijke plaatselijke sluis. De aanleg van de Nauernasche Vaart vormde een groot regionaal project dat noodzakelijk werd geacht om de droogmaking van de Schermer mogelijk te maken. Voor Westzaan betekende dit dat een waterstaatkundige onderneming buiten het eigen gebied nieuwe verplichtingen binnen de polder veroorzaakte.
Westzaanse aannemers verdienden aan het nieuwe waterwerk
Voor de bescherming van de kaden moesten grote hoeveelheden hout en ander materiaal worden gebruikt. De oevers werden voorzien van beschoeiingen om afslag tegen te gaan. De Westzaanse aannemers Jan Sijmonsz. Decker en Cornelis Cornelisz. kregen samen een opdracht ter waarde van ongeveer 21.000 gulden voor een deel van deze werkzaamheden. De bouwmaterialen werden gedeeltelijk door de droogmakers geleverd. Daarmee verschenen plaatselijke ondernemers als uitvoerders van een onderneming die vooral vanuit Alkmaar en de belangen van de Schermer was georganiseerd.
De aanwezigheid van Westzaanse aannemers laat zien dat de aanleg niet uitsluitend lasten voor het gebied veroorzaakte. Sommige ondernemers kregen belangrijke opdrachten en inkomsten. Tegelijkertijd konden boeren en andere grondgebruikers schade of ongemak ondervinden doordat hun percelen werden doorsneden. Dezelfde onderneming had dus uiteenlopende gevolgen voor verschillende inwoners. De financiële voordelen voor aannemers betekenden niet dat de gemeenschap als geheel automatisch profiteerde. Het project maakte zichtbaar hoe waterbouw, plaatselijke arbeid en particuliere winst naast nieuwe publieke onderhoudsverplichtingen konden bestaan.
De nieuwe kaden bleken niet onmiddellijk sterk genoeg
Na de eerste werkzaamheden bleven op verschillende plaatsen zwakke gedeelten in de kaden bestaan. Deze moesten worden hersteld en versterkt. Volgens de financiële reconstructie vergde dat nog eens bijna drieduizend gulden. De aanleg was daardoor duurder dan het oorspronkelijke graafwerk alleen. De beschoeiingen moesten de oevers beschermen, maar de nieuwe watergang had nog tijd en onderhoud nodig voordat zij betrouwbaar functioneerde. Een grote vaart was dus niet voltooid zodra het kanaal was uitgegraven. Ook de kaden, sluizen en aansluitende waterwerken moesten aan de eisen voldoen.
Voor Westzaan was deze toestand van belang omdat een zwakke kade langs een hogere boezem gevaar kon opleveren voor het achterliggende land. Het polderbestuur moest daarom niet alleen onderhandelen over de oorspronkelijke aanleg, maar ook rekening houden met latere reparaties. De vraag wie daarvoor moest betalen, zou gedurende eeuwen terugkeren. Daarmee kreeg de nieuwe vaart een blijvende plaats in de bestuurlijke en financiële geschiedenis van de polder.
De bedijkers moesten vijf extra sluizen bouwen
Omdat Westzaan en Krommenie niet langer op de oude manier in het Twiske konden lozen, moesten aanvullende voorzieningen worden gebouwd. Volgens de rekeningen kwamen er vijf sluizen in de nieuwe kaden: vier binnen de banne van Krommenie en één bij Westzaan. Ook werd bij Krommenie een watermolen voorzien. De vijf sluizen kostten samen bijna 18.000 gulden en de molen ongeveer 6.000 gulden. Daarnaast waren er uitgaven voor onder meer een voetpad tussen Krommenie en Wormerveer en een bijdrage aan de verbinding met de Starnmeer.
Deze bedragen laten zien dat de kosten van de nieuwe uitwatering veel verder reikten dan het graven van één kanaal. Bestaande functies moesten worden vervangen of aangepast. Boeren hadden nog steeds waterafvoer nodig en bewoners moesten zich kunnen verplaatsen. De droogmakers van de Schermer moesten daarom voorzieningen betalen die nodig waren om de gevolgen voor de omliggende gemeenschappen te beperken. De totale uitgaven voor de zuidelijke uitwatering, exclusief verschillende bijkomende kosten, liepen volgens de reconstructie op tot meer dan honderdduizend gulden. Het project was daarmee een omvangrijke publieke en particuliere financiële onderneming.
De doorgang bij Nauerna kreeg nieuwe scheepvaartmogelijkheden
De nieuwe Schermersluis was niet uitsluitend belangrijk voor de afwatering. De verbinding met het IJ kon ook de scheepvaart naar het achterland verbeteren. Voor Alkmaar bood de nieuwe route mogelijkheden om goederen eenvoudiger naar het zuiden te vervoeren. Daarmee kreeg de aanleg een economische betekenis die verder ging dan het drooghouden van de Schermer. De vaarverbinding kon vooral voor kooplieden en schippers aantrekkelijk zijn. Tegelijkertijd waren de bestaande handelsroutes onderwerp van concurrentie tussen verschillende Hollandse steden.
De technische mogelijkheid om schepen door een sluis te laten varen betekende echter niet dat iedere vorm van scheepvaart automatisch werd toegestaan. Amsterdam en Haarlem hadden eigen belangen bij het behoud van bestaande verbindingen. Zij konden zich daarom tegen onbeperkte toegang via de nieuwe route verzetten. De plannen voor de Schermersluis maakten duidelijk dat waterbouwkundige werken niet uitsluitend door de natuurlijke omstandigheden werden bepaald. Ook de machtsverhoudingen tussen steden konden invloed hebben op de manier waarop een kanaal werd gebruikt.
De nieuwe vaart veranderde het verkeer tussen de dorpen
De aanleg van de Nauernasche Vaart doorsneed bestaande verbindingen tussen Krommenie, Wormerveer, Westzaan en de omliggende landerijen. Waar bewoners vroeger gebruik konden maken van kleinere watergangen of vaste routes, ontstond nu een bredere vaarweg met kaden. Daardoor waren nieuwe sluizen, overzetplaatsen en andere verbindingen nodig. Een landbouwer die grond aan de overzijde gebruikte, kon voortaan afhankelijk worden van een sluis of veer. Ook het vervoer van vee en landbouwproducten moest aan de nieuwe situatie worden aangepast.
De verandering laat zien dat de aanleg van een regionaal kanaal voor het ene gebied een verbetering kon betekenen en voor een ander gebied een belemmering. Het voordeel van betere uitwatering voor de Schermer stond tegenover verlies van oude verbindingen en nieuwe onderhoudskosten voor Westzaan en Krommenie. De betrokken bestuurders moesten daarom onderhandelen over voorzieningen die de dagelijkse bereikbaarheid konden herstellen. Het waterwerk veranderde niet uitsluitend het landschap, maar ook de manier waarop bewoners hun grond en bedrijven konden bereiken.
Westzaan kreeg tienduizend gulden schadevergoeding
De bedijkers van de Schermer moesten afspraken maken met de gemeenschappen die door de nieuwe uitwatering werden geraakt. Westzaan ontving een vergoeding van tienduizend gulden. Assendelft kreeg tweeduizend gulden. Daarnaast waren er afzonderlijke betalingen aan rechthebbenden die inkomsten verloren door de verandering van het waterstelsel. Nicolaas van Renesse, heer van Assendelft, verdedigde zijn aanspraken op onder meer visserij- en schouwrechten langs het Twiske en wist een eigen financiële tegemoetkoming te verkrijgen.
De vergoedingen tonen dat een kanaal meer kon veranderen dan de fysieke ligging van percelen. Ook rechten op inkomsten konden verdwijnen of minder waard worden. Wie over een juridisch erkende aanspraak beschikte, kon proberen daarvoor compensatie te verkrijgen. De bedragen werden daardoor mede bepaald door de formele positie van de betrokkenen. Voor Westzaan betekende de vergoeding dat de gemeenschap geld ontving, maar daarmee waren niet alle toekomstige kosten opgelost. De nieuwe vaart en de bijbehorende kaden zouden blijvend onderhoud vergen.
De Vaartdijk veroorzaakte een langdurig conflict
Langs de nieuwe Nauernasche Vaart werd een kade aangelegd die later bekendstond als de Vaartdijk of Twiskdijk. Zij moest voorkomen dat het hogere water van de Schermerboezem het lagergelegen land binnenstroomde. Over de verantwoordelijkheid voor het onderhoud ontstond al tijdens de aanleg onenigheid. Westzaan en Assendelft wilden voorkomen dat zij blijvend de kosten moesten dragen van een voorziening die in de eerste plaats voor de Schermer was aangelegd. De droogmakers hadden daarentegen belang bij duidelijke afspraken over hun toekomstige verplichtingen.
Op 31 mei 1634 werd een overeenkomst over de wederzijdse rechten en verplichtingen bevestigd. Daarmee werd het geschil tijdelijk geregeld, maar niet definitief beëindigd. De kaden bleven kwetsbaar en moesten regelmatig worden gecontroleerd en hersteld. Wanneer grote uitgaven noodzakelijk waren, ontstond opnieuw discussie over wie daarvoor verantwoordelijk was. De geschiedenis van de Vaartdijk zou daardoor tot ver in de negentiende eeuw blijven doorwerken. Een besluit uit de tijd van de grote droogmakerijen kon eeuwen later nog invloed hebben op de financiële verplichtingen van de Polder Westzaan.
Krommenie werd in 1634 een zelfstandige banne
De aanleg van de Nauernasche Vaart had ook bestuurlijke gevolgen. In 1634 werden Krommenie en Krommeniedijk als afzonderlijke banne van Westzaan losgemaakt. Daarmee veranderde een bestuurlijk verband dat sinds de middeleeuwen had bestaan. De afscheiding betekende echter niet dat alle gemeenschappelijke functies onmiddellijk verdwenen. Westzaan en Krommenie behielden nog lange tijd dezelfde schout. Daardoor bleef een deel van het oude rechtsverband bestaan, terwijl de afzonderlijke gemeenschappen voor andere zaken zelfstandiger werden.
De nieuwe bestuurlijke grens sloot niet overal eenvoudig aan bij de bestaande eigendomsverhoudingen. Sommige gronden lagen door de aanleg van de vaart aan een andere zijde van de waterstaatkundige scheiding dan voorheen. Daardoor ontstonden vragen over belastingen en onderhoudsplichten. Een perceel kon historisch bij de ene gemeenschap horen, maar voor zijn afwatering afhankelijk zijn van voorzieningen van een andere polder. De afscheiding maakte daarmee duidelijk dat bestuurlijke veranderingen niet automatisch een einde maakten aan oude financiële en waterstaatkundige verplichtingen.
Het Molletjesveer herstelde een oude verbinding
De nieuwe vaart maakte op verschillende plaatsen overzetvoorzieningen noodzakelijk. Bij Knollendam werd een veer ingericht dat bekend zou worden als het Molletjesveer. Vanaf 1637 bood het vervoer voor voetgangers en vee. De naam wordt in historische beschrijvingen verbonden met een veerman uit de familie Mol. Het veer maakte het mogelijk om een watergang over te steken die door de aanleg van de nieuwe uitwatering een grotere belemmering was geworden. Daarmee kreeg een eenvoudige overzetplaats een belangrijke functie voor het dagelijkse verkeer.
Voor de gebruikers betekende het veer dat zij niet volledig van de andere oever waren afgesneden. Tegelijkertijd werden zij afhankelijk van bediening, beschikbaarheid en eventuele betalingen. De verandering maakt duidelijk hoe groot de gevolgen van een kanaal voor afzonderlijke bewoners konden zijn. Een boer die zijn vee naar een perceel aan de overzijde moest brengen, had andere behoeften dan een schipper die de vaart over grotere afstand gebruikte. De aanleg van een regionale vaarweg vereiste daarom voorzieningen die de plaatselijke bereikbaarheid zo goed mogelijk herstelden.
De Mallegatsluis kreeg een nieuwe plaats in het vaarwegennet
Omstreeks 1634 werd ook de Mallegatsluis bij de Breedweersloot, op de latere grens van Koog en Zaandam, onderdeel van de veranderende vaarverbindingen. Het werk maakte toegang mogelijk tussen het polderwater en de grotere vaarwegen. Daardoor kon de groeiende bedrijvigheid beter worden bereikt. De sluis vormde een voorbeeld van een voorziening die tegelijk waterkering en verkeersverbinding was. Voor schippers en ondernemers waren de afmetingen en bediening van direct belang. Het polderbestuur moest er daarentegen voor zorgen dat de doorgang geen ongewenste veranderingen van het waterpeil veroorzaakte.
De aanleg en latere vernieuwingen vergden aanzienlijke uitgaven. In historische rekeningen worden voor een bouwfase van de Mallegatsluis bedragen van ruim zeventienduizend gulden genoemd. Het precieze verband tussen deze rekening en de afzonderlijke bouwfasen moet nog aan de oorspronkelijke stukken worden gecontroleerd. Wel maken de bedragen duidelijk dat het bouwen en onderhouden van sluizen een kostbare aangelegenheid was. De uitgaven vormden een terugkerend onderwerp van bestuurlijke onderhandelingen, vooral wanneer niet alle inwoners in dezelfde mate van de scheepvaart profiteerden.
Alkmaar wilde de nieuwe uitwatering als handelsroute gebruiken
De bestuurders van Alkmaar zagen in de Nauernasche Vaart een mogelijkheid om de stad beter met het IJ te verbinden. De droogmaking van de Schermer had nieuw landbouwgebied opgeleverd dat producten naar de markt moest kunnen vervoeren. Een kortere vaarroute kon de kosten van transport verminderen. Voor Alkmaar was de uitwatering daarom niet alleen een waterstaatkundige voorziening, maar ook een mogelijke handelsverbinding. De stad had belang bij een doorgang die voor zoveel mogelijk schepen bruikbaar was.
Amsterdam en Haarlem wilden echter niet zonder meer toestaan dat Alkmaar via de nieuwe vaart een gunstige handelspositie verkreeg. Zij verdedigden hun bestaande routes en economische belangen. Uiteindelijk werd de doorgang voor bepaalde grotere schepen beperkt, onder meer door een balkconstructie die het passeren van vaartuigen met vaste masten bemoeilijkte. Daarmee werd zichtbaar hoe stedelijke macht de mogelijkheden van een waterwerk kon begrenzen. Een kanaal kon technisch geschikt zijn voor scheepvaart, maar de werkelijke toegang bleef afhankelijk van politieke afspraken.
Westzaandam weigerde in 1633 voor nieuwe voorzieningen te betalen
Terwijl de Schermer werd drooggelegd, nam binnen de banne Westzaan de spanning tussen het oude moederdorp en Westzaandam toe. Het bansbestuur wilde in Westzaandam een nieuw kerkhof met toren en een schoolgebouw laten aanleggen. Een deel van de inwoners vond de uitgaven buitensporig. Volgens hun opvatting was voor het kerkhof een te hoge prijs betaald. Zij weigerden daarom mee te betalen aan de opgelegde lasten. Het bestuur reageerde door aanslagen op te leggen en goederen van weigeraars in beslag te nemen en te verkopen.
De inwoners van Westzaandam waren inmiddels economisch belangrijk geworden, maar hadden nog niet de bestuurlijke zelfstandigheid die zij bij hun groeiende positie vonden passen. De uitgaven voor nieuwe voorzieningen raakten daardoor aan een groter probleem. Wie mocht bepalen welke werkzaamheden noodzakelijk waren? En wie moest de kosten dragen? De tegenstelling werd scherper omdat het oude bestuur in Westzaan formeel bevoegd bleef, terwijl Westzaandam steeds meer eigen middelen en economische belangen bezat. De weigering om te betalen groeide daardoor uit tot een conflict over het gezag binnen de banne.
Het oproer van november 1633 leidde tot gewapend optreden
Toen het innen van de lasten onvoldoende resultaat opleverde, werd de drost van Haarlem met zijn dienaren naar Westzaandam geroepen. Volgens de historische beschrijving werd hij bedreigd en ontstond oproer. Ook de baljuw kreeg met bedreigingen te maken. In november 1633 werden uiteindelijk tachtig gewapende mannen gestuurd om het gezag te herstellen. De betrokkenen werden vervolgd en verzoeken om pardon werden niet zonder meer ingewilligd. Daarmee werd een financieel geschil over plaatselijke voorzieningen een openlijke confrontatie tussen bewoners en bestuur.
De gebeurtenissen maakten duidelijk dat het bansbestuur niet uitsluitend op overeenstemming met de inwoners berustte. Wanneer betaling werd geweigerd, konden bestuurlijke en juridische dwangmiddelen worden ingezet. Tegelijkertijd was de weerstand in Westzaandam een teken van veranderende machtsverhoudingen. De groeiende plaats wilde niet langer zonder meer aanvaarden dat het oude moederdorp over belangrijke uitgaven besliste. Het conflict maakte daardoor de behoefte aan een nieuwe bestuurlijke verhouding zichtbaar. Die zou in de volgende jaren onderwerp van onderhandelingen worden.
Westzaandam begon in 1634 een eigen resolutieboek
Op 7 oktober 1634 begonnen de bestuurders van Westzaandam hun besluiten in een eigen resolutieboek vast te leggen. Dat was een belangrijke stap in de ontwikkeling van plaatselijke zelfstandigheid. Het dorp bleef formeel onder de banne Westzaan vallen, maar beschikte over een eigen administratie waarin besluiten en afspraken konden worden geregistreerd. De groeiende handelsplaats had behoefte aan een bestuur dat rekening hield met haar eigen voorzieningen, belastingen en economische belangen. Het resolutieboek maakte deze plaatselijke besluitvorming herkenbaarder.
De nieuwe administratie betekende niet dat de oude rechtsmacht onmiddellijk werd afgeschaft. Westzaandam bleef voor verschillende aangelegenheden afhankelijk van schout en schepenen van de banne. De ontwikkeling laat zien hoe bestuurlijke verandering geleidelijk kon verlopen. Een plaats kon eigen besluiten vastleggen en bepaalde zaken zelf regelen, terwijl andere bevoegdheden bij een ouder bestuur bleven. Daardoor ontstonden overlappingen die later opnieuw tot conflicten konden leiden.
De Schermer werd in 1635 definitief drooggelegd
In 1635 kwam de droogmaking van de Schermer tot voltooiing. Daarmee was een groot meer veranderd in landbouwgrond. Het werk had een omvangrijke organisatie van financiers, bestuurders, landmeters, aannemers, molenmakers en arbeiders vereist. De nieuwe polder werd verkaveld, maar bleef afhankelijk van voortdurend beheer. De watermolens moesten overtollig water naar de boezem opvoeren. De nieuwe uitwatering richting Nauerna moest vervolgens bijdragen aan de verdere afvoer. Daarmee kreeg het regionale watersysteem een inrichting die veel ingewikkelder was dan vóór de grote droogmakerijen.
Voor Westzaan betekende de voltooiing niet dat de veranderingen voorbij waren. De Nauernasche Vaart bleef bestaan en de nieuwe kaden moesten worden onderhouden. Ook de aanvullende sluizen en molens bleven deel uitmaken van de afwatering. De oorspronkelijke onderhandelingen over schadevergoeding en kosten werkten daardoor voort in de dagelijkse praktijk. De droogmaking van de Schermer vormde een beslissend keerpunt omdat zij de waterhuishouding van Westzaan blijvend verbond met een groot regionaal stelsel.
Westzaandam kreeg in 1635 en 1636 meer kerkelijke zelfstandigheid
Ook de kerkelijke organisatie veranderde. De gereformeerde inwoners van Westzaandam verlangden een eigen gemeente, los van Oostzaandam. Op 25 juni 1635 volgde een uitspraak van het Hof van Holland die deze ontwikkeling mogelijk maakte. Op 4 april 1636 werd de regeling door de Hoge Raad bevestigd. Daarmee kregen de inwoners van Westzaandam meer ruimte om hun eigen kerkelijke voorzieningen te organiseren. De ontwikkeling liep gedeeltelijk gelijk met het streven naar bestuurlijke zelfstandigheid, maar beide veranderingen moeten van elkaar worden onderscheiden.
Een afzonderlijke kerkelijke organisatie betekende niet dat Westzaandam ook zelfstandig over alle wereldlijke aangelegenheden mocht beslissen. De plaats bleef verbonden met de banne Westzaan. De kerkelijke verandering maakte vooral zichtbaar dat de bevolking en maatschappelijke organisatie langs de Zaan inmiddels groot genoeg waren geworden om eigen instellingen te dragen. Daarbij bleven religieuze verschillen bestaan. Naast gereformeerden waren in de streek doopsgezinden en katholieken aanwezig, die hun eigen vormen van gemeenschap en ondersteuning ontwikkelden.
De Starnmeer werd onderdeel van nieuwe waterbouwkundige plannen
De droogmaking van de Starnmeer werd in de jaren dertig voorbereid en kreeg in de eerste helft van de jaren veertig haar definitieve inrichting. De onderneming was kleiner dan de Schermer, maar vereiste eveneens nieuwe waterwerken en afspraken over de afwatering. Vooral de aansluiting op bestaande verbindingen bracht onderhandelingen met de bestuurders van andere polders met zich mee. De partijen moesten bepalen welke werkzaamheden noodzakelijk waren en wie de kosten daarvan zou dragen. Een kleine droogmakerij kon daarbij financieel afhankelijk worden van afspraken met een grotere onderneming.
De bedijkers van de Schermer en de Starnmeer bereikten uiteindelijk regelingen over verbindingswerken en financiële bijdragen. De uitwatering naar Nauerna kreeg daardoor nieuwe aansluitingen. Voor de geschiedenis van Westzaan is vooral van belang dat het regionale watersysteem in deze jaren voortdurend werd uitgebreid. De aanleg van één droogmakerij kon aanpassingen noodzakelijk maken bij andere watergangen en sluizen. De oorspronkelijke veenpolder werd daardoor steeds sterker onderdeel van een netwerk waarin besluiten buiten de eigen grenzen invloed hadden op de dagelijkse afwatering.
De scheepsbouw breidde zich in de jaren dertig verder uit
In de eerste helft van de zeventiende eeuw groeide de Zaanse scheepsbouw sterk. Langs de Binnenzaan en bij de Dam waren verschillende scheepswerven gevestigd. Tegelijkertijd maakten ondernemers gebruik van buitendijkse terreinen langs de Voorzaan en het IJ. De groei van de scheepsgrootte stelde steeds hogere eisen aan de beschikbare hellingen en doorgangen. Sommige schepen konden niet meer eenvoudig via bestaande sluizen worden verplaatst. Daarom kregen overtomen en buitendijkse werven een grotere betekenis. De ontwikkeling maakte de ligging van het industrieterrein steeds belangrijker voor de mogelijkheden van afzonderlijke ondernemers.
De werkzaamheden vereisten grote hoeveelheden hout en gespecialiseerde arbeid. Scheepsbouwers hadden timmerlieden, smeden, blokmakers, zeilenmakers en andere vakmensen nodig. Houtzagerijen leverden planken en balken, terwijl schippers het materiaal over water vervoerden. De verschillende bedrijfstakken waren daardoor afhankelijk van elkaars productie. Ook de bewoners van Westzaan konden op meerdere manieren betrokken raken bij deze bedrijvigheid. Sommige families bezaten bedrijven of leverden kapitaal, terwijl anderen als arbeider of ambachtsman hun inkomen verdienden.
De scheepsbouw aan de Westzaner Overtoom kreeg meer betekenis
Aan het Zuideinde van Westzaan ontstonden scheepswerven bij de Overtoom, waar de verbinding met het IJ gunstig was. Hier konden vaartuigen worden gebouwd en via de overhaalvoorziening of aangrenzende waterwegen worden verplaatst. De bedrijvigheid werd verbonden met de vrachtvaart en later ook de walvisvaart. Voor het bouwen van grote schepen waren geschikte hellingen en voldoende ruimte noodzakelijk. Het gebied langs het IJ bood daarvoor mogelijkheden die niet overal in het achterliggende veenland aanwezig waren.
De ontwikkeling veranderde ook het karakter van het Zuideinde. Ondernemers bouwden woningen in de nabijheid van hun bedrijf, terwijl arbeiders vaak in kleinere huizen langs de achterliggende paden woonden. Wonen en werken waren niet ruimtelijk van elkaar gescheiden. De nabijheid van water maakte het mogelijk goederen direct bij het bedrijf af te leveren. Daarmee kreeg de oude ontginningsdijk een nieuwe betekenis. Zij bleef een woon- en verkeersas, maar werd daarnaast een plaats waar industriële ondernemingen zich concentreerden.
Het nieuwe Rechthuis van 1641 bevestigde Westzaans gezag
In 1641 kreeg het oude dorp Westzaan een nieuw Rechthuis. Het gebouw kwam in de plaats van de oudere voorziening uit de vijftiende eeuw. Hier konden bestuurlijke vergaderingen en rechtszittingen plaatsvinden. De bouw was van betekenis omdat Westzaan zijn positie als centrum van de banne wilde behouden. Het moederdorp bezat nog altijd belangrijke rechten, maar de economische bedrijvigheid was steeds meer naar de Zaanoever verschoven. Daardoor had het nieuwe Rechthuis niet uitsluitend een praktische functie. Het maakte ook zichtbaar waar de formele macht binnen de oude bestuurlijke organisatie gevestigd bleef.
De bouw viel samen met onderhandelingen over de zelfstandigheid van Westzaandam. Daardoor ontstond een tegenstelling tussen het bestaande juridische gezag en de veranderende economische werkelijkheid. Voor de bestuurders van Westzaan was het behoud van hun bevoegdheden belangrijk. De groeiende handelsplaats wilde daarentegen meer zeggenschap over haar eigen middelen. Het nieuwe Rechthuis stond daarmee binnen een bestuurlijke ontwikkeling die in de volgende jaren tot nieuwe overeenkomsten en conflicten zou leiden.
Westzaandam en Westzaan bereikten in 1641 een akkoord
Na de gebeurtenissen van 1633 bleef Westzaandam streven naar grotere zelfstandigheid. De bestuurders probeerden aanvankelijk steun te krijgen van Koog, Zaandijk en Wormerveer. Deze plaatsen aarzelden, omdat zelfstandigheid niet alleen voordelen maar ook nieuwe kosten met zich mee kon brengen. Uiteindelijk gingen Westzaandam en Westzaan rechtstreeks onderhandelen. In september 1641 bereikten zij overeenstemming over belangrijke onderdelen van hun verhouding. Daarmee leek een oplossing mogelijk voor een conflict dat al jarenlang had voortgeduurd.
De onderhandelingen maakten duidelijk dat beide plaatsen belang hadden bij een werkbare regeling. Westzaandam wilde meer invloed op plaatselijke uitgaven en instellingen, terwijl Westzaan zijn historische rechten niet volledig wilde verliezen. Ook moesten de financiële verplichtingen van de banne blijven worden uitgevoerd. Een volledige bestuurlijke scheiding kon daarom moeilijk zijn. Het akkoord vormde een compromis waarin de veranderde economische positie van Westzaandam werd erkend zonder dat de oude samenhang onmiddellijk verdween.
De overeenkomst van 1642 bracht de rechtspraak ter discussie
Op 22 maart 1642 volgde een aanvullende overeenkomst waarin ook de mogelijkheid van een eigen rechtbank voor Westzaandam aan de orde kwam. Een afzonderlijk gerecht zou de afhankelijkheid van het oude Rechthuis in Westzaan aanzienlijk verminderen. Daarmee ging het conflict niet langer alleen over belastingen en plaatselijke voorzieningen. Ook de bevoegdheid om recht te spreken kwam ter discussie te staan. Voor Westzaan betekende dit dat een deel van zijn historische bestuursmacht kon verdwijnen. Voor Westzaandam bood het juist de mogelijkheid om de eigen economische en maatschappelijke ontwikkeling met meer juridische zelfstandigheid te verbinden.
De regeling vereiste goedkeuring van de hogere overheid. Dat maakte duidelijk dat de betrokken dorpen niet volledig zelf over de grenzen van hun rechtsmacht konden beslissen. De Staten van Holland moesten beoordelen of een verandering van de bestaande organisatie werd toegestaan. Daarmee kwam de eeuwenoude verhouding tussen plaatselijk en hoger gezag opnieuw naar voren. De dorpen konden onderhandelen en afspraken maken, maar voor ingrijpende veranderingen in de rechtspraak bleef toestemming van bovenaf noodzakelijk.
De Noordse Compagnie verloor in 1642 haar monopolie
In 1642 kwam een einde aan het monopolie van de Noordse Compagnie op de Nederlandse walvisvaart. Daardoor kregen ook andere reders meer mogelijkheden om schepen voor de vangst uit te rusten. Voor de Zaanstreek bood dit kansen. De bestaande scheepsbouw, houthandel en maritieme ambachten konden bijdragen aan de bouw en uitrusting van walvisvaarders. De ontwikkeling had ook betekenis voor het Zuideinde van Westzaan, waar scheepswerven bij de Overtoom waren gevestigd. De mogelijke opbrengsten van de walvisvaart trokken ondernemers aan die bereid waren in schepen, uitrusting en voorraden te investeren.
De walvisvaart vergde echter veel kapitaal en bracht aanzienlijke risico's met zich mee. Schepen moesten worden gebouwd of gekocht, bemanningen aangenomen en voorraden ingeslagen. De opbrengst was afhankelijk van de vangst en de omstandigheden op zee. Daarom konden ondernemingen worden gefinancierd via meerdere aandeelhouders die ieder een deel van de kosten en risico's droegen. De ontwikkeling verbond de Zaanse economie met verre noordelijke wateren, zonder dat de plaatselijke afhankelijkheid van sloten, sluizen en binnenvaart daardoor verdween.
De Starnmeer werd in 1643 verkaveld
In 1643 kwam de inrichting van de Starnmeer als droogmakerij verder tot voltooiing. Het gewonnen land kon worden verdeeld in kavels en voor landbouw beschikbaar worden gesteld. Ook hier hadden bestuurders en investeerders grote bedragen moeten besteden aan dijken, molens en afwatering. De werkzaamheden brachten bovendien nieuwe verplichtingen voor aansluiting op bestaande watergangen met zich mee. Daarmee vormde de Starnmeer een volgende stap in de ontwikkeling van het Noorderkwartier tot een landschap met meerdere kunstmatig bemalen polders.
Voor Westzaan was vooral belangrijk dat iedere nieuwe droogmakerij invloed kon hebben op de hoeveelheid water die via de gezamenlijke boezem moest worden afgevoerd. De natuurlijke waterberging werd kleiner, terwijl het aantal polders dat bemaling nodig had toenam. Daardoor bleef de hoogte van het boezemwater een belangrijk vraagstuk. De molens van Westzaan konden alleen voldoende functioneren wanneer het opgevoerde water verder kon worden afgevoerd. De regionale veranderingen maakten het plaatselijke waterbeheer daardoor steeds sterker afhankelijk van gezamenlijke afspraken.
De scheepvaart beschadigde steeds vaker kleinere watergangen
De uitbreiding van handel en industrie bracht meer schepen op de binnensloten en vaarten binnen de Polder Westzaan. Sommige watergangen waren oorspronkelijk vooral aangelegd voor afwatering en konden zwaar beladen vaartuigen moeilijk verwerken. Schepen konden oevers beschadigen of doorgangen versmallen. Voor landbouwers en andere grondgebruikers betekende dit dat de toestand van de sloten kon verslechteren. Het polderbestuur moest daarom bepalen welke vaarbewegingen konden worden toegestaan en welke beperkingen noodzakelijk waren om het waterstelsel bruikbaar te houden.
In de jaren 1642 en 1644 werden maatregelen genomen om bepaalde waterverbindingen met dammen af te sluiten. Daarmee probeerden de bestuurders schade te beperken. Voor schippers en moleneigenaren konden zulke afsluitingen echter economische problemen veroorzaken. Zij moesten omvaren of goederen overladen. De kwestie maakte zichtbaar dat watergangen inmiddels verschillende belangen moesten dienen. Een sloot kon tegelijk belangrijk zijn voor afwatering en transport, maar het gebruik voor de ene functie kon de andere bedreigen.
De Staten weigerden in 1644 een eigen rechtbank voor Westzaandam
Op 2 mei 1644 weigerden de Staten van Holland toestemming te geven voor de volledige scheiding van de rechtspraak tussen Westzaan en Westzaandam. Daarmee bleef het oude moederdorp op een belangrijk terrein zijn bevoegdheden behouden. De overige onderdelen van de overeenkomsten werden niet allemaal ongeldig verklaard. Zo ontstond een bestuurlijke situatie waarin Westzaandam voor bepaalde zaken meer zelfstandigheid had gekregen, maar voor de rechtspraak nog afhankelijk bleef van de banne Westzaan.
De beslissing maakte duidelijk hoe moeilijk het was de oude bestuursvorm aan de nieuwe economische verhoudingen aan te passen. Westzaandam was sterk gegroeid en verlangde meer invloed, maar de bestaande rechtsmacht was historisch met Westzaan verbonden. De Staten wilden deze niet zonder meer wijzigen. Voor de inwoners betekende dit dat verschillende bestuurslagen naast elkaar bleven bestaan. Sommige plaatselijke aangelegenheden konden zelfstandig worden geregeld, terwijl andere nog via het oude gerecht moesten worden behandeld. De spanning bleef daardoor bestaan en zou later opnieuw aanleiding geven tot pogingen om de verhouding te veranderen.
Koog kreeg in 1645 een eigen college van vermogende inwoners
Ook Koog wilde meer invloed op de plaatselijke financiën. In 1645 keurden de Staten van Holland goed dat een college werd gevormd van zeven of acht van de rijkste inwoners. Zij kregen toezicht op de omslagen en andere lasten die de bevolking van Koog moest betalen. Daarmee ontstond een nieuwe plaatselijke bestuurlijke organisatie. De regeling maakte duidelijk dat economische groei kon leiden tot nieuwe vormen van zeggenschap, maar niet noodzakelijk tot een bredere politieke deelname van de gehele bevolking.
Het college werd samengesteld uit vermogende bewoners. Daarmee bleef politieke invloed sterk verbonden aan bezit. De betrokkenen konden toezicht houden op financiële aangelegenheden, maar de oude banne behield nog altijd belangrijke bevoegdheden. De ontwikkeling laat zien hoe de groeiende dorpen aan de Zaan geleidelijk eigen instellingen opbouwden zonder onmiddellijk volledig zelfstandig te worden. Koog, Zaandijk en Wormerveer verschilden in omvang en economische betekenis, maar deelden het verlangen om plaatselijke belangen beter binnen de bestaande bestuurlijke verhoudingen te kunnen verdedigen.
De Starnmeer kreeg in 1647 aanvullende verbindingen
De waterstaatkundige veranderingen rond de Starnmeer en de Schermer bleven na de eerste droogleggingen doorwerken. In de jaren veertig werden aanvullende verbindingen en afspraken gemaakt over de afwatering. Daarbij ging het onder meer om de aansluiting op het Twiske en de kosten die de verschillende bedijkers moesten dragen. De grotere droogmakerijen beschikten niet altijd over dezelfde financiële middelen of dezelfde invloed. Daardoor konden onderhandelingen over relatief kleine verbindingswerken langdurig zijn.
Voor de Polder Westzaan betekende dit dat de nieuwe regionale inrichting nog niet volledig was afgerond. De Nauernasche Vaart maakte inmiddels deel uit van het bestaande watersysteem, maar de aansluitingen en de verdeling van kosten bleven onderwerp van bestuur. De geschiedenis maakt duidelijk dat een droogmakerij geen afgesloten project was zodra het land droogviel. De nieuwe polder moest worden verbonden met andere waterstaatkundige instellingen en bleef afhankelijk van de toestand van gezamenlijke uitwateringen.
Molenmeesters kregen vanaf 1647 een gespecialiseerde taak
De uitbreiding van het Westzaanse bemalingsstelsel maakte een duidelijkere organisatie van het toezicht noodzakelijk. Vanaf 1647 worden binnen de polderadministratie molenmeesters vermeld. Zij hielden zich bezig met het toezicht op watermolens en de voorbereiding of uitvoering van onderhoud. Het bestuur bleef verantwoordelijk voor de algemene besluiten en de financiële verplichtingen, maar de dagelijkse technische zorg vereiste afzonderlijke aandacht. Een beschadigd scheprad, versleten onderdelen of onvoldoende sterke molenconstructie kon de bemaling rechtstreeks belemmeren.
De functie van molenmeester toont hoe het waterbeheer geleidelijk gespecialiseerder werd. Bij de eerste ontginningen hadden bewoners vooral sloten en kaden onderhouden. Inmiddels beschikte de polder over kostbare werktuigen waarvoor vakkennis noodzakelijk was. De werkzaamheden moesten worden uitgevoerd door molenmakers en andere gespecialiseerde arbeiders. Het bestuur moest bovendien geld beschikbaar stellen voor reparaties en controleren of het werk behoorlijk was uitgevoerd. Daarmee ontstond een organisatie waarin technische deskundigheid en bestuurlijke verantwoordelijkheid steeds nauwer met elkaar verbonden raakten.
Claes Claesz. Ris bouwde in 1649 een oliemolen aan het Zuideinde
Op 14 mei 1649 kreeg Claes Claesz. Ris een windbrief voor de bouw van oliemolen De Ruijgeneel aan het Zuideinde van Westzaan. De molen werd later bekend als De Oude Ruijgeneel. Hij stond aan een sloot die de wegsloot met de Gouw verbond. Die ligging was gunstig voor de aanvoer van grondstoffen en het vervoer van olie en andere producten. De onderneming vormde een voorbeeld van de uitbreiding van de molenindustrie naar terreinen achter de bebouwing langs de oude ontginningsdijk.
De bouw vereiste grond, kapitaal en toestemming om windkracht te gebruiken. Ook moest de molen voldoende bereikbaar zijn voor kleine vrachtschepen. Voor de eigenaar bood het bedrijf mogelijkheden om inkomsten te verkrijgen uit de verwerking van zaden. De molen had echter arbeiders nodig die het werktuig bedienden, grondstoffen verplaatsten en het onderhoud verzorgden. De nieuwe industrie bracht daardoor verschillende groepen met elkaar in verband. Het inkomen van de eigenaar hing samen met handel en productie, terwijl knechten afhankelijk waren van de beschikbaarheid van werk.
Molens werden steeds vaker gezamenlijk gefinancierd
De ontwikkeling van de oliemolens laat zien dat een industriële onderneming niet altijd één afzonderlijke eigenaar had. Molenbezit kon worden verdeeld in parten of aandelen. Personen konden een gedeelte van een molen verwerven en zo deelnemen aan de inkomsten en risico's zonder het gehele bedrijf te financieren. Deze vorm van gedeeld eigendom kwam in de Zaanse economie op verschillende terreinen voor. Zij was vooral belangrijk wanneer de aanschaf van gebouwen, werktuigen en voorraden veel geld vergde. Door gezamenlijk te investeren konden ondernemers grotere bedragen bijeenbrengen.
De eigendomsvorm maakte tegelijk nieuwe afspraken noodzakelijk. De deelnemers moesten besluiten hoe kosten voor reparaties werden verdeeld en welke opbrengsten aan ieder aandeel verbonden waren. Ook konden parten worden verkocht of geërfd. Daardoor ontstonden zakelijke verbanden die soms meerdere generaties bleven bestaan. Voor arbeiders veranderde de verdeling van het eigendom niet noodzakelijk het dagelijkse werk. Zij bleven afhankelijk van de bedrijfsvoering en van de vraag of voldoende grondstoffen en opdrachten beschikbaar waren. De groei van de industrie bracht dus zowel nieuwe mogelijkheden voor kapitaalbezitters als nieuwe vormen van afhankelijkheid voor loonarbeiders met zich mee.
Het Zuideinde kreeg een zichtbaar onderscheid tussen rijk en arm
De groei van de houtindustrie, scheepsbouw en andere bedrijvigheid veranderde de bebouwing langs het Zuideinde. Vermogende ondernemers konden grotere woningen laten bouwen op gunstig gelegen plaatsen aan de dijk. Daar stonden ook pakhuizen, werkplaatsen en toegangspaden naar de achterliggende molens. Arbeiders woonden vaak in kleinere huizen langs paden achter de hoofdweg. Daardoor ontstond een herkenbaar verschil in woonruimte en bezit. De sociale verhoudingen werden zichtbaar in de inrichting van het dorp, zonder dat iedere bewoner eenvoudig als rijk of arm kan worden ingedeeld.
De nabijheid van wonen en werken was belangrijk voor de bedrijfsvoering. Een moleneigenaar kon dicht bij zijn onderneming wonen en toezicht houden op de aanvoer of verwerking van grondstoffen. Arbeiders moesten hun werkplaats kunnen bereiken via de smalle paden en bruggen. Dezelfde omgeving bevatte boerderijen, woningen en industrie. Daardoor bleef het dorpslint een mengeling van agrarische en stedelijke functies. De inrichting van het landschap weerspiegelde de economische veranderingen die sinds de middeleeuwse ontginningen waren ontstaan.
De schout koos omstreeks 1650 steeds meer voor Westzaandam
Omstreeks 1650 werd de schout van Westzaan ertoe gebracht zich in Westzaandam te vestigen. Volgens de historische beschrijving stond daar een aanzienlijke financiële tegemoetkoming tegenover. Ook verschillende opvolgers kozen later voor deze woonplaats. De verandering had politieke betekenis. Westzaandam was economisch sterk gegroeid en beschikte over meer middelen dan in de tijd waarin Westzaan het vanzelfsprekende bestuurscentrum was geweest. Door de schout dichter bij zich te krijgen, vergrootte de handelsplaats haar toegang tot een belangrijke vertegenwoordiger van het gezag.
Voor Westzaan betekende de verhuizing een verdere verschuiving van invloed. Het oude dorp behield zijn formele bestuurlijke rechten en beschikte sinds 1641 over een nieuw Rechthuis. Toch werd duidelijk dat politieke macht niet uitsluitend uit officiële bevoegdheden bestond. De plaats waar een bestuurder woonde en de financiële middelen waarmee zijn positie werd beïnvloed, konden eveneens belangrijk zijn. Daarmee kwam de tegenstelling tussen het oude bestuurlijke centrum en de nieuwe economische machtsplaatsen opnieuw naar voren.
Rond 1650 moesten boeren en ondernemers dezelfde polder delen
Omstreeks 1650 was Westzaan veranderd van een voornamelijk agrarisch veengebied in een samenleving met uiteenlopende vormen van arbeid en bezit. Boeren gebruikten graslanden die door eeuwenlange bodemdaling steeds sterker afhankelijk waren van bemaling. Tegelijkertijd stonden er industriemolens en waren langs het Zuideinde en de Zaan scheepsbouw en handel gegroeid. Grondbezitters, pachters, moleneigenaren, schippers, arbeiders en bestuurders maakten gebruik van dezelfde wegen en watergangen. Hun belangen vielen niet altijd samen, maar zij konden ook niet volledig zonder elkaar functioneren.
De bestuurlijke organisatie was ondertussen slechts gedeeltelijk veranderd. Westzaan bleef het moederdorp van de banne, terwijl Westzaandam, Koog, Zaandijk en Wormerveer meer zeggenschap verlangden. De grote droogmakerijen hadden de regionale waterhuishouding veranderd en de Nauernasche Vaart had nieuwe verplichtingen geschapen. De bestaande watermolens boden betere afwatering, maar vergden blijvende uitgaven. Daarmee was een nieuwe uitgangssituatie ontstaan voor de volgende periode. De vraag wie het water beheerde, wie de kosten betaalde en wie over de opbrengsten beschikte, zou in de volgende anderhalve eeuw steeds opnieuw terugkeren.
DE STRIJD OM HET DROGE LAND — DE GESCHIEDENIS VAN DE POLDER WESTZAAN
Van middeleeuwse veenontginning tot heerlijkheidsrechten, oorlog, droogmakerijen, molenindustrie, sluizen en mechanische bemaling (circa 1000–1940)
DEEL 5 — MOLENINDUSTRIE, SLUIZEN, GELD EN BESTUURLIJKE MACHT (1650–1800)
De polder werd steeds meer een gebied van boeren en industriëlen
Omstreeks 1650 was het landschap van Westzaan sterk veranderd. De oorspronkelijke veenontginners hadden plaatsgemaakt voor generaties boeren die hun graslanden alleen met behulp van sloten, dijken en watermolens bruikbaar konden houden. Tegelijkertijd stonden in het veld steeds meer industriemolens. Langs het Zuideinde groeiden scheepswerven en houtbedrijven, terwijl de dorpen aan de Zaan profiteerden van handel en scheepvaart. Dezelfde watergangen moesten voortaan verschillende belangen dienen. Boeren verlangden voldoende droog land, schippers hadden bevaarbaar water nodig en ondernemers wilden hun bedrijven gemakkelijk kunnen bereiken. Het polderbestuur moest deze belangen combineren zonder dat alle betrokkenen evenveel invloed hadden.
Het oude Westzaan verloor invloed aan de Zaanoever
De bestuurlijke positie van het dorp Westzaan was nog altijd gebaseerd op oude heerlijke rechten. Het Rechthuis vormde het centrum waar schout en schepenen hun werkzaamheden uitvoerden. Economisch verschoof het zwaartepunt echter naar Westzaandam, Koog, Zaandijk en Wormerveer. De handel langs de Zaan bood meer mogelijkheden voor scheepsbouw, nijverheid en het vervoer van goederen. Omstreeks 1650 wist Westzaandam de schout ertoe te bewegen zich daar te vestigen. Daarmee veranderde niet onmiddellijk de formele rechtsmacht, maar wel de plaats waar een belangrijke bestuurder woonde en zijn contacten onderhield.
De verhuizing had betekenis voor de machtsverhoudingen. Het oude Westzaan behield invloed op de benoeming van functionarissen en de uitvoering van bestuurlijke taken, terwijl Westzaandam over toenemende economische middelen beschikte. Ondernemers konden hun belangen verdedigen via persoonlijke contacten, krediet en bestuurlijke functies. Een schout die in de handelsplaats woonde, stond dichter bij deze nieuwe economische wereld. De groeiende dorpen kregen echter nog altijd niet de vertegenwoordiging die zij wensten. Daardoor bleef de tegenstelling tussen historische privileges en veranderde economische verhoudingen bestaan.
De Schermersluis werd in 1651 opnieuw vergroot
De Nauernasche Vaart was in de jaren dertig aangelegd om het water van de Schermerboezem naar het IJ af te voeren. De nieuwe verbinding bleek ook van belang voor de scheepvaart. Bij Nauerna was daarom een sluis nodig die zowel waterstaatkundige als verkeersfuncties vervulde. Volgens latere sluisbeschrijvingen werd de Schermersluis in 1651 opnieuw vergroot, nadat in 1633 al een belangrijke uitbreiding had plaatsgevonden. Daarbij werden de afmetingen aangepast en werd de waterafvoer verder verbeterd. De afzonderlijke bouwfasen moeten aan de oorspronkelijke rekeningen worden getoetst, omdat niet iedere historische beschrijving dezelfde maten vermeldt.
Voor de Polder Westzaan bleef de toestand van deze uitwatering belangrijk. Het polderwater werd door de eigen molens naar de boezem opgevoerd, maar moest vervolgens verder kunnen worden afgevoerd. Wanneer het IJ hoog stond of de sluis niet kon lozen, bleef het water langer in het regionale stelsel aanwezig. De vergroting van de Schermersluis verbeterde de beschikbare capaciteit, maar maakte Westzaan niet onafhankelijk van de waterstanden buiten de polder. Daarmee bleef het oude probleem bestaan dat een afzonderlijke gemeenschap haar eigen land niet volledig zonder medewerking van andere waterstaatkundige instellingen kon beschermen.
De Bleeke Dood veroorzaakte in 1653 een bestuurlijk conflict
De groeiende bevolking van de Zaandorpen had niet alleen behoefte aan industriemolens. Ook de beschikbaarheid van gemalen graan was belangrijk. In 1653 besloten de bestuurders van de banne Westzaan een nieuwe korenmolen te laten bouwen. De keuze voor de standplaats leidde tot onderhandelingen en bezwaren van omliggende gemeenschappen. Uiteindelijk werd de plaats gekozen waar eerder oliemolen De Ooievaar had gestaan. De windbrief voor deze voorganger dateerde van 14 juni 1631. De nieuwe korenmolen zou bekend worden als De Bleeke Dood, of kortweg De Dood.
De bouw kwam niet zonder tegenstand tot stand. Vooral vanuit Wormer en Oostzaandam bestond bezwaar tegen de nieuwe maalgelegenheid. Dat had te maken met de rechten en inkomsten van bestaande korenmolens. De banne Westzaan verdedigde haar besluit en won uiteindelijk het juridische geschil. In 1656 was de molen gereed. De gebeurtenis toont hoe industriële en ambachtelijke ondernemingen aan privileges gebonden konden zijn. De behoefte aan voldoende productie stond niet los van bestaande maalrechten. Een nieuwe molen kon voordelen opleveren voor gebruikers, maar tegelijk de inkomsten van ondernemers in aangrenzende rechtsgebieden bedreigen.
Het IJzeren Varken werd een nieuwe watermolen
In 1653 werd volgens de molenhistorische documentatie watermolen Het IJzeren Varken gebouwd. Hij stond bekend als De Noorder Watermolen of De Middelinger en kreeg een plaats in het bemalingsstelsel aan de westelijke zijde van het gebied, bij de Nauernasche Vaart. Daarmee werd de capaciteit van de polderbemaling uitgebreid. De aanleg van nieuwe watermolens was noodzakelijk geworden doordat het veenland gedurende eeuwen was gedaald. De oorspronkelijke ontwateringssloten konden het regenwater steeds moeilijker zonder hulp afvoeren. Windmolens maakten het mogelijk water actief naar een hoger gelegen boezem op te voeren.
Het nieuwe werktuig bracht blijvende verplichtingen met zich mee. De molen moest worden onderhouden en had een molenaar nodig die op geschikte momenten de bemaling verzorgde. Wanneer onderdelen versleten of beschadigd raakten, moest het bestuur reparaties laten uitvoeren. Ook kon bij langdurige windstilte niet voldoende worden gemalen. De polder was daarmee minder afhankelijk geworden van natuurlijke afwatering, maar afhankelijker van techniek en organisatie. Het IJzeren Varken zou ruim twee eeuwen onderdeel blijven van de Westzaanse waterhuishouding, totdat brand in 1872 een einde aan het bestaan van de molen maakte.
Het conflict met Assendelft bleef tot 1663 voortduren
Ondanks de eerdere aanleg van een scheidingskade bleven Assendelver boeren in bepaalde omstandigheden buitenwater gebruiken om hun weilanden te bevloeien. Zij verwachtten voordeel van het slib dat na het wegstromen van het water achterbleef. Andere boeren konden juist last krijgen van wateroverlast. Volgens de bestuurlijke geschiedenis van Assendelft trokken landbouwers uit het Noordeinde in 1655 naar slot Assumburg om bij de vrijheer steun te zoeken. De kwestie maakte duidelijk dat ook binnen Assendelft verschillende belangen bestonden. Niet iedere grondeigenaar profiteerde in dezelfde mate van het gebruik van buitenwater.
In 1663 verboden de Staten van Holland opnieuw het gebruik van de Assendelver sluisjes voor bevloeiing. Daarmee kreeg het conflict een duidelijke juridische beperking. De uitvoering verliep echter niet noodzakelijk overal onmiddellijk volgens het voorschrift. Latere beschrijvingen verbinden het uiteindelijke verdwijnen van de praktijk met een langere ontwikkeling. Voor Westzaan was vooral belangrijk dat het ongewenste water vanuit de aangrenzende gronden steeds verder werd teruggedrongen. De beslissing vormde daarmee een vervolg op het conflict dat al in 1544 tot ingrijpen door Karel V had geleid.
Poldermeesters kregen in de jaren zestig meer betekenis
De aanwezigheid van meerdere watermolens en sluizen maakte het dagelijks waterbeheer ingewikkelder. Naast de schout, schepenen en molenmeesters kwamen functionarissen voor die specifiek met polderzaken waren belast. In de bestuurlijke ontwikkeling van deze periode krijgen poldermeesters en andere toezichthouders een duidelijker plaats. Zij moesten aandacht besteden aan onderhoud, bemaling en de toestand van het waterstelsel. Een molen kon immers niet afzonderlijk worden beoordeeld. De hoeveelheid water die hij moest opvoeren, hing samen met de toestand van sloten, andere molens en de beschikbare uitwatering.
De organisatie bleef onderdeel van het grotere bansbestuur. Een modern onafhankelijk waterschap met een volledig eigen bestuursstructuur bestond nog niet. Dezelfde plaatselijke gezagsdragers konden verschillende functies vervullen en besluiten nemen over onderwerpen die zowel landbouw als rechtspraak betroffen. Daardoor was het onderscheid tussen algemeen bestuur en polderbeheer beperkt. Naarmate de kosten toenamen, werd het echter belangrijker de afzonderlijke uitgaven nauwkeurig te registreren. Het onderhoud van watermolens, sluizen en dijken vereiste immers geld dat door belastingen, omslagen en andere inkomsten moest worden bijeengebracht.
De twee molens Ruijgeneel kwamen in gedeeld eigendom
De oliemolen De Oude Ruijgeneel, die Claes Claesz. Ris in 1649 aan het Zuideinde had gesticht, kreeg in de volgende decennia gezelschap van De Jonge Ruijgeneel. De eigendomsgeschiedenis toont hoe kapitaal in de Zaanse industrie werd georganiseerd. In 1668 verkocht Arijaen Sijmonsz. een kwart van De Jonge Ruijgeneel aan Claes Cornelisz. Twillingh. In 1670 verwierf Hendrik Claesz. Ris eveneens een kwart van de molen, voor 792 gulden en 10 stuivers. Zulke transacties laten zien dat industriële bedrijven konden worden verdeeld in aandelen die werden gekocht, verkocht of geërfd.
De eigenaars waren daardoor niet noodzakelijk dezelfde personen als degenen die het dagelijkse werk uitvoerden. Een deelnemer kon kapitaal beschikbaar stellen en delen in opbrengsten of verliezen. De molenaar en zijn knechten zorgden ondertussen voor de verwerking van de grondstoffen. Reparaties moesten door de betrokken eigenaars worden betaald volgens hun onderlinge afspraken. De constructie bood mogelijkheden om een kostbare onderneming te financieren zonder dat één persoon alle risico's droeg. Zij maakte de Zaanse industrie tegelijkertijd afhankelijk van krediet, betrouwbare handelscontacten en de bereidheid van investeerders om geld in molenbedrijven vast te leggen.
De familie Twillingh verbond oliemolens met scheepsbouw
Cornelis Claesz. Twillingh was niet uitsluitend bij oliemolens betrokken. Samen met zijn broer Jan Claesz. Twillingh bezat hij volgens een onderzoek naar het Westzaanse Zuideinde ook een scheepswerf aan de buitendijkse zijde van de Westzaner Overtoom. Daarmee wordt een concrete verbinding zichtbaar tussen verschillende onderdelen van de plaatselijke economie. Een ondernemer kon belangen hebben in de verwerking van oliehoudende zaden en tegelijkertijd investeren in scheepsbouw. De bedrijven gebruikten verschillende grondstoffen en arbeidskrachten, maar waren allebei sterk afhankelijk van het vervoer over water.
De combinatie maakte het mogelijk risico's en inkomsten over verschillende ondernemingen te verdelen. Een terugloop in de ene bedrijfstak hoefde niet onmiddellijk het einde van alle activiteiten te betekenen. Ook konden ondernemers via hun handelscontacten gemakkelijker toegang krijgen tot krediet en afzetmarkten. Het voorbeeld van de familie Twillingh laat zien dat de economische ontwikkeling van Westzaan niet uitsluitend uit afzonderlijke molengeschiedenissen bestond. Achter de bedrijven stonden personen en families die bezit, handel en investeringen met elkaar verbonden.
De thesauriers kregen in 1673 nauwkeuriger voorschriften
Op 28 december 1673 werd geregeld hoe de thesauriers binnen de banne moesten worden benoemd. Deze functionarissen beheerden de inkomsten en uitgaven. Zij inden onder meer verpondingen, omslagen, erfpachten, dijkgelden, huren, windpachten en andere betalingen. Uitgaven mochten niet zonder toestemming van de bevoegde schepenen worden gedaan. Daarmee werd geprobeerd de financiële administratie beter te controleren. De thesauriers stonden op een belangrijke plaats binnen het bestuur, omdat vrijwel iedere publieke voorziening uiteindelijk betaling vergde.
De werkzaamheden maakten duidelijk hoe uiteenlopend de geldstromen binnen de banne waren geworden. Niet alle inkomsten hielden rechtstreeks verband met de polder. Sommige kwamen voort uit grondbezit of heerlijke rechten, andere uit de verplichtingen voor onderhoud van dijken en molens. De vermenging van deze geldstromen kon voor inwoners moeilijk te doorgronden zijn. Wie een omslag moest betalen, wilde kunnen begrijpen waarvoor het geld werd gebruikt. De vraag of de middelen van het algemene bestuur en die van het waterbeheer voldoende gescheiden waren, zou in de volgende eeuw steeds belangrijker worden.
De Zaanse scheepsbouw bereikte haar grootste omvang
In de tweede helft van de zeventiende eeuw groeide de Zaanse scheepsbouw uit tot een van de belangrijkste bedrijfstakken van de streek. Historische reconstructies schatten dat tegen het einde van die periode minstens vijftig grotere scheepswerven actief waren. De gezamenlijke productie wordt voor de bloeitijd geraamd op ongeveer 120 tot 150 zeewaardige schepen per jaar. Deze cijfers hebben betrekking op de gehele Zaanstreek en mogen niet aan Westzaan alleen worden toegeschreven. Wel profiteerden het Westzaanse Zuideinde, de houtzagerijen en verschillende aanverwante bedrijven van de grote vraag naar schepen en materialen.
De bedrijvigheid vroeg om vele gespecialiseerde arbeidskrachten. Scheepstimmerlieden bouwden rompen, smeden maakten ijzeren onderdelen en andere vaklieden verzorgden touwen, zeilen en uitrusting. De aanvoer van hout vormde een belangrijke schakel. Schepen moesten bovendien worden gefinancierd voordat zij konden worden verkocht of in de vaart gebracht. Daardoor waren scheepsbouwers niet uitsluitend ambachtslieden, maar ook ondernemers die grote financiële risico's konden dragen. De bloei bracht werkgelegenheid en handelsinkomsten, maar de opbrengsten werden ongelijk verdeeld tussen eigenaars, leveranciers en loonarbeiders.
De overtoom bij Zaandam werd intensief gebruikt
De groeiende scheepsbouw maakte de passage van grote schepen door de Dam van Zaandam steeds moeilijker. Daarom bleef de overtoom daar belangrijk. Tussen het najaar van 1678 en het voorjaar van 1680 werden volgens de archieven minstens 54 schepen overgehaald. Het overbrengen vereiste veel arbeidskracht. Schepen werden met kabels en kaapstanders over een met hout beklede en ingevette helling getrokken. Bij grotere vaartuigen konden twintig tot dertig mannen nodig zijn. De eigenaar moest de arbeidskosten en een vergoeding aan de exploitanten van de overtoom betalen.
De onderneming werd beheerd via gedeeld eigendom in 64 parten. Daarmee was zelfs een verkeersvoorziening onderdeel van een particuliere investeringsstructuur. De overtoom van Zaandam moet worden onderscheiden van de Westzaner Overtoom aan het IJ. Beide maakten gebruik van het principe dat een schip over een waterkering kon worden verplaatst, maar hadden een eigen ligging en geschiedenis. Voor de hele Zaanstreek was van belang dat zulke voorzieningen beperkingen van sluizen konden opvangen. Naarmate schepen groter werden, werd het gebruik echter kostbaarder en moeilijker.
De Papenpadsluis werd in 1681 vernieuwd
De groeiende bedrijvigheid vergde ook betere verbindingen tussen de Zaan en het Westzijderveld. De Papenpadsluis was een van de doorgangen waarlangs goederen naar bedrijven en landbouwpercelen konden worden vervoerd. In 1681 werd de sluis vernieuwd. Volgens historische beschrijvingen had de doorgang toen een breedte van veertien voet. Voor de betrokken ondernemers was vooral van belang welke schuiten de sluis konden passeren. Een grotere lading kon immers alleen worden vervoerd wanneer die ook door de beschikbare doorgangen paste.
Voor het polderbestuur bleef de waterkerende functie even belangrijk. Een schutsluis moest voorkomen dat het hogere Zaanwater zonder controle de polder binnendrong. Bediening, onderhoud en eventuele reparaties waren daarom noodzakelijke onderdelen van het beheer. De sluizen vormden plaatsen waar de belangen van industrie en landbouw elkaar rechtstreeks ontmoetten. Een betere vaarverbinding kon de aanvoer van grondstoffen vergemakkelijken, maar bracht ook kosten en risico's voor de waterhuishouding met zich mee.
Gerrit Cornelisz. Bleauw liet in 1683 De Huismusch bouwen
In 1682 kreeg Gerrit Cornelisz. Bleauw toestemming voor een houtzaagmolen aan het Zuideinde. Omstreeks 1683 werd de molen De Huismusch gebouwd, dicht bij de Westzaner Overtoom. De ligging was gunstig voor de aanvoer van hout. De stammen konden via het water worden vervoerd en in de omgeving van de werf worden opgeslagen. De molen paste bij de groeiende vraag naar gezaagd hout voor scheepsbouw en andere bouwwerkzaamheden. Het bedrijf zou gedurende lange tijd deel blijven uitmaken van de Westzaanse houtindustrie.
De familie Bleauw beschikte over een onderneming waarvoor zowel handelskapitaal als technische voorzieningen nodig waren. De molen zelf vertegenwoordigde een aanzienlijke investering. Daarnaast moesten voorraden worden gekocht en arbeiders betaald. De zoon van Gerrit, Cornelis Bleauw, nam later een rol in het bedrijf over. Daarmee wordt zichtbaar hoe industriële bezittingen binnen families konden worden voortgezet. De overdracht van een molen betekende niet uitsluitend het erven van een gebouw, maar ook van handelscontacten, bedrijfsrechten en verplichtingen.
Een terrein langs de Overtoom werd steeds waardevoller
De ontwikkeling van scheepswerven en houtzagerijen maakte grond aan het Zuideinde aantrekkelijk voor ondernemers. De waarde van een erf werd niet uitsluitend bepaald door de oppervlakte. Ook de ligging aan een sloot, de bereikbaarheid vanuit het IJ en de aanwezigheid van opslagruimte waren belangrijk. Een terrein dat rechtstreeks met bevaarbaar water verbonden was, kon voordelen bieden die een verder landinwaarts gelegen perceel niet had. Daardoor konden oude agrarische erven een andere economische betekenis krijgen.
Bij het gebruik van zulke terreinen bleven historische eigendomsrechten bestaan. Grond kon worden gepacht, geërfd of in gedeelten verkocht. Ook konden doorgangsrechten over aangrenzende erven noodzakelijk zijn om molens te bereiken. De industriële ontwikkeling veranderde daarmee niet onmiddellijk het volledige eigendomsstelsel. Zij gaf bestaande rechten nieuwe betekenis en kon hun geldwaarde verhogen. De geschiedenis van afzonderlijke molenerven laat zien hoe langdurig zulke verplichtingen konden blijven bestaan.
De Schoolmeester begon in 1692 papier te maken
In september 1692 begon papiermolen De Schoolmeester aan de Watering in Westzaan met produceren. De windbrief werd pas in juni 1695 verleend. De onderneming stond onder leiding van Simon Stoffels Veen, afkomstig uit een papiermakersfamilie. Zijn grootmoeder verschafte een belangrijk gedeelte van het kapitaal. Een kleinere deelnemer was Maarten Jan Lunius, die schoolmeester was en aan wiens beroep de molen zijn naam ontleende. De onderneming laat zien dat familievermogen en gedeeld eigendom een belangrijke rol speelden bij de stichting van industriemolens.
Papierproductie vereiste andere werkzaamheden dan het zagen van hout of het slaan van olie. Lompen en vezelhoudend materiaal moesten worden verzameld, gesorteerd, gereinigd en verwerkt. Vervolgens werd papier vervaardigd dat aan verschillende kwaliteitseisen moest voldoen. De molen bood daardoor werk aan meerdere personen met uiteenlopende taken. Ook was een betrouwbare aanvoer van grondstoffen noodzakelijk. De Schoolmeester kreeg een plaats in de internationaal bekende Zaanse papierindustrie, waarvan bepaalde producten vanwege hun kwaliteit ver buiten Holland werden verkocht.
De doopsgezinden kregen in 1694 een nieuw kerkgebouw
In 1694 werd de eerste bekende doopsgezinde vermaning in Westzaan vervangen door een nieuw gebouw. Daarmee kreeg deze geloofsgemeenschap een herkenbare plaats binnen het dorp. De doopsgezinden vormden geen enkele bestuurlijk of theologisch volledig uniforme groep. Verschillende richtingen ontwikkelden eigen opvattingen en organisaties. Hun leden waren werkzaam in landbouw, handel en nijverheid. De aanwezigheid van doopsgezinde ondernemers betekende niet dat hun economische activiteiten uitsluitend vanuit hun geloof konden worden verklaard. Wel speelden onderlinge familiebanden en gemeenschapscontacten een rol in het maatschappelijke leven.
De positie van de doopsgezinden laat zien dat de religieuze geschiedenis van Westzaan ingewikkelder was dan een eenvoudige overgang van katholiek naar gereformeerd. Verschillende overtuigingen bleven naast elkaar bestaan. Kerkelijke instellingen verzorgden eigen bijeenkomsten en ondersteuning. Tegelijkertijd bleef de wereldlijke overheid verantwoordelijk voor rechtspraak, belastingen en waterwerken. Daardoor konden inwoners die religieus van elkaar verschilden toch afhankelijk zijn van dezelfde gemeenschappelijke voorzieningen.
De molens werden onderdeel van een uitgebreid handelsnetwerk
Tegen het einde van de zeventiende eeuw stonden in de Zaanstreek honderden industriemolens. Zij verwerkten hout, oliehoudende zaden, graan, lompen, hennep en andere grondstoffen. De bedrijven waren afhankelijk van aanvoer over water en van markten buiten de eigen streek. Amsterdam bleef belangrijk als handelscentrum, maar producten konden ook via andere Nederlandse havens worden verkocht. De molens vormden daardoor geen afgesloten plaatselijke economie. Zij maakten deel uit van handelsverbindingen die zich tot in het Oostzeegebied en daarbuiten uitstrekten.
Voor Westzaan had deze ontwikkeling een dubbele betekenis. De industrie bracht werkgelegenheid en nieuwe vormen van bezit, maar vergrootte ook de belasting van het bestaande waterstelsel. Schuiten gebruikten sloten die oorspronkelijk vooral voor afwatering waren aangelegd. Pakhuizen en molens namen grond in beslag die eerder een agrarische functie had gehad. Het polderbestuur moest daardoor steeds vaker besluiten nemen over het gebruik van waterwegen en de verdeling van onderhoudskosten. De belangen van de nieuwe industrie konden niet zonder meer boven die van de landbouw worden geplaatst.
De stormvloed van 1717 bedreigde het Noorderkwartier
In december 1717 werd het kustgebied rond de Zuiderzee en de Noordzee getroffen door een zware stormvloed. Vooral de waterkeringen van verschillende Noord-Hollandse gebieden kregen grote schade. Assendelft werd zwaar getroffen. Volgens de historische bestuurlijke beschrijving bedroegen de herstelkosten daar meer dan tweehonderdduizend gulden. De gemeenschap kon zo'n bedrag niet zelfstandig opbrengen en kreeg tijdelijk verlichting van belastingverplichtingen. De gevolgen laten zien hoe een overstroming niet alleen landbouwgrond en gebouwen beschadigde, maar ook de financiële positie van plaatselijke besturen kon ondermijnen.
Voor de Polder Westzaan bevestigde de gebeurtenis het belang van betrouwbare waterkeringen en uitwateringssluizen. De polder kon bij hoge buitenwaterstanden alleen beschermd blijven wanneer de dijken voldoende sterk waren. Ook moest het bestuur rekening houden met noodherstel en onverwachte uitgaven. De ramp maakte duidelijk dat de bescherming van het land niet uitsluitend afhankelijk was van de eigen watermolens. Een beschadiging van de zeedijk kon gevolgen hebben die niet door normale bemaling konden worden opgevangen.
De Westzaner Overtoomsluis werd in 1719 vernieuwd
Aan de zuidzijde van Westzaan lag de Overtoomsluis, een belangrijke doorgang tussen het polderwater en het IJ. In 1719 werd het sluiscomplex ingrijpend vernieuwd. In de sluiswand kwam een gedenksteen met de naam van meestertimmerman P.C. Zeeman en het jaartal 1719. De overgeleverde beschrijvingen vermelden een sluis van ongeveer 66 voet lang en 15 voet breed. De renovatie verbeterde een toegang die voor de scheepvaart en de plaatselijke bedrijven van groot belang bleef.
Het werk bracht aanzienlijke kosten met zich mee. De uitgaven werden niet zonder discussie over de betrokken gemeenschappen verdeeld. In 1722 werd besloten dat de kosten voor rekening van de gehele banne kwamen. Daartegen maakten de Zaandorpen bezwaar, maar zij kregen geen gelijk. De gebeurtenis toont opnieuw hoe onderhoud van een plaatselijke voorziening een conflict kon worden wanneer inwoners buiten de onmiddellijke omgeving moesten bijdragen. Voor de ondernemers bij de Overtoom was de sluis direct van belang, terwijl andere bewoners minder gebruik van de doorgang maakten.
De vernieuwing van de sluizen bracht nieuwe schulden en belastingen
De groeiende scheepvaart maakte grotere en betrouwbaardere sluizen noodzakelijk. De kosten van de bouw waren echter hoog. Niet alleen hout, steen en ijzer moesten worden betaald, maar ook de arbeid van timmerlieden, metselaars en andere vakmensen. Bovendien vergden de voorzieningen voortdurend onderhoud. Wanneer een sluis werd vernieuwd, moest worden vastgesteld of de kosten door de directe gebruikers, de plaatselijke gemeenschap of de gehele banne werden gedragen. Daarover ontstonden regelmatig geschillen.
De situatie maakte duidelijk dat economische groei niet automatisch voldoende publieke inkomsten opleverde. Industriëlen konden profiteren van betere vaarverbindingen, maar dat betekende niet dat zij rechtstreeks alle aanlegkosten betaalden. Het bestuur gebruikte omslagen en andere heffingen om gemeenschappelijke verplichtingen te financieren. Daardoor konden ook landbouwers bijdragen aan waterwerken waarvan het belangrijkste commerciële voordeel elders lag. De verdeling van deze lasten vormde een terugkerende bron van spanning.
De Westzanersluis bij de Nauernasche Vaart werd in 1722 aangepakt
Aan de westzijde van de polder verkeerde de Westzanersluis bij de Nauernasche Vaart in slechte staat. De doorgang was noodzakelijk voor scheepvaart en het vervoer van goederen tussen het polderwater en de grotere vaart. In 1722 werd de bouw van een nieuwe sluis aanbesteed. Vermoedelijk werd een bestaande houten voorziening vervangen door een stenen sluis. De exacte vorm van de oudere constructie is niet volledig bekend. Deze Westzanersluis moet nadrukkelijk worden onderscheiden van de Overtoomsluis en de oude Westzaner Sluis in de Dam van Zaandam.
De vernieuwing paste binnen een bredere ontwikkeling waarin houten sluizen geleidelijk door duurzamere stenen constructies werden vervangen. Dat betekende niet dat alle houten sluizen uitsluitend door ouderdom werden gesloopt. Ook veranderende scheepsafmetingen en onderhoudskosten konden een rol spelen. De nieuwe doorgang bij de Nauernasche Vaart maakte het mogelijk het vervoer te blijven organiseren, terwijl het bestuur de waterstand moest beschermen. Daarmee bleef de oorspronkelijke tegenstelling tussen scheepvaart en afwatering bestaan.
De Grote Sluis bij Zaandam kreeg in 1722 een nieuwe vorm
In hetzelfde jaar werd ook de Grote of Hondsbossche Sluis in de Dam van Zaandam ingrijpend vernieuwd. De oudere Grote Sluis dateerde uit 1544 en was verbonden met het vervoer van materialen voor de Hondsbossche zeewering. In 1722 werd de sluis opnieuw opgebouwd. De werkzaamheden maakten deel uit van de voortdurende aanpassing van de Zaanse vaarverbindingen aan grotere schepen en veranderende waterstaatkundige eisen. Ook deze sluis had een eigen geschiedenis van eigendom, onderhoud en inkomstenrechten.
De bouw maakte duidelijk dat de Zaanstreek niet uitsluitend van de kleine binnensloten afhankelijk was. De toegang tot het IJ vormde een belangrijke verbinding met Amsterdam en andere havens. Voor de scheepsbouw en handel was de capaciteit van de sluizen daarom van groot belang. Wanneer grotere zeeschepen de doorgangen niet konden gebruiken, moesten andere routes of buitendijkse werven worden gekozen. De verandering van de sluizen droeg daardoor bij aan de verschuiving van bepaalde scheepsbouwactiviteiten naar de Voorzaan en het IJ.
De Papenpadsluis werd in 1726 vervangen door een stenen sluis
De Papenpadsluis bleef van belang voor het vervoer tussen de Zaan en het Westzijderveld. Na eerdere vernieuwingen werd in 1726 een stenen sluis aangelegd. Volgens de historische beschrijving kreeg het fundament een lengte van 132 voet en de doorgang een breedte van zestien voet. Daarmee werd de voorziening geschikt gemaakt voor het veranderende scheepvaartverkeer. De bouw bracht nieuwe kosten met zich mee, maar kon ook het gebruik van de achterliggende watergangen verbeteren.
Voor de polder bleef van belang dat de sluis de waterstand moest kunnen afsluiten. Een ruimere doorgang mocht niet betekenen dat buitenwater ongecontroleerd het land binnendrong. Daardoor waren stevige deuren, degelijk metselwerk en goed onderhoud noodzakelijk. De sluis vormde een schakel tussen het industriële gebruik van het water en de bescherming van het landbouwgebied. De noodzaak beide functies te combineren zou ook in de volgende eeuwen blijven bestaan.
Drie moleneigenaren telden in 1726 de Zaanse molens
In de winter van 1726 trokken Jacob van Sante, Cornelis Pietersz. Mens en Jan Pouwelsz. Bont op schaatsen door de Zaanstreek om molens en hun eigenaars te registreren. Zij kwamen tot een lijst van 514 molens. De drie waren zelf bij de molenindustrie betrokken en beschikten daardoor over praktische kennis van de bedrijven. De inventarisatie is bijzonder omdat zij een groot deel van het industriële landschap op één moment zichtbaar probeert te maken. De lijst was geen volledige moderne statistische telling, maar vormt een waardevolle historische bron.
De namen van de eigenaars laten zien hoe breed het molenbezit inmiddels was verspreid. Sommige ondernemers bezaten één molen, terwijl anderen bij meerdere bedrijven betrokken konden zijn. De molens verwerkten verschillende grondstoffen en hadden uiteenlopende aantallen werknemers. De telling geeft daarmee niet rechtstreeks het totale aantal arbeidsplaatsen. Wel maakt zij duidelijk hoe sterk het oude veenlandschap was veranderd. Waar de eerste bewoners sloten en landbouwpercelen hadden aangelegd, stonden nu overal industriële werktuigen die met windkracht goederen produceerden.
De Zaandijkersluis werd in 1727 van steen gebouwd
Ook de Zaandijkersluis kreeg in deze periode een duurzamere uitvoering. De oudere houten sluis werd in 1727 door een stenen constructie vervangen. Daarmee werd een belangrijke doorgang tussen de Zaan en de achterliggende polderwateren verbeterd. De ontwikkeling paste bij de groei van de industrie in het veld. Grondstoffen en producten moesten regelmatig per schuit worden vervoerd en een betrouwbare sluis kon vertragingen beperken. Tegelijkertijd bleef de waterkerende functie noodzakelijk.
De vernieuwde sluis maakte deel uit van een groter stelsel. Het polderwater stond via verschillende doorgangen in verbinding met de Zaan, het IJ en de Nauernasche Vaart. De capaciteit van iedere sluis bepaalde mede hoe het verkeer kon worden georganiseerd. Voor ondernemers waren de afmetingen belangrijk, maar voor de boeren gold dat een goed afsluitbare doorgang noodzakelijk was om schade door te hoge waterstanden te voorkomen. De vernieuwing vormde daarmee opnieuw een kostbaar compromis tussen vervoer en waterbeheer.
De Staten van Holland wilden de heerlijkheid verkopen
In 1721 besloten de Staten van Holland verschillende ambachtsheerlijkheden te verkopen. De overheid had geld nodig en beschouwde heerlijke rechten als bezittingen die inkomsten konden opleveren. Voor Westzaan bracht dit een ernstig bestuurlijk probleem met zich mee. Het handvest van 1456 had beloofd dat de banne niet opnieuw van het graafschap Holland zou worden gescheiden. De inwoners en bestuurders beriepen zich daarom op hun oude rechten en verzetten zich tegen de voorgenomen verkoop.
De Staten wilden echter aan hun besluit vasthouden. Zij lieten blijken dat de banne de heerlijkheid zelf kon kopen wanneer zij wilde voorkomen dat een andere partij de rechten verwierf. Daarmee ontstond een uitzonderlijke situatie. Een gemeenschap die eeuwenlang had geprobeerd haar privileges tegenover de landsheer te verdedigen, moest nu geld bijeenbrengen om het eigen heerlijke gezag te kopen. De kwestie maakte duidelijk dat historische beloften niet altijd voldoende bescherming boden wanneer de hogere overheid financiële belangen zwaarder liet wegen.
Westzaan kocht op 1 juni 1729 de heerlijkheid voor 300.000 gulden
Op 1 juni 1729 werd de ambachtsheerlijkheid Westzaan voor 300.000 gulden gekocht. De kopende partij was de banne zelf, niet één afzonderlijke particuliere heer. Daarmee kreeg de bestuurlijke gemeenschap heerlijke rechten in bezit die eerder bij de Staten van Holland hadden berust. Het ging om een uitzonderlijk groot bedrag voor een plaatselijk bestuursverband. De voorwaarden werden vastgelegd in negentien artikelen. Het oude privilege van 1456 had de verkoop niet kunnen voorkomen.
Ook Krommenie werd afzonderlijk verkocht, voor 25.000 gulden. Daarmee eindigde de laatste belangrijke bestuurlijke verbinding die beide bannen nog via het gezamenlijke schoutambt hadden behouden. De verkoop betekende dus niet uitsluitend een nieuwe geldelijke verplichting, maar ook een wijziging van de bestuurlijke verhoudingen. De afzonderlijke gemeenschappen kregen meer zeggenschap over hun heerlijke rechten, terwijl zij voor de aankoop aanzienlijke middelen moesten opbrengen.
Westzaandam kreeg niet de invloed die het verlangde
Westzaandam wilde bij de aankoop van de heerlijkheid betrokken worden en verlangde een verandering van de bestuursverhoudingen. De handelsplaats was inmiddels veel groter en economisch belangrijker geworden dan het oude Westzaan. Toch bleef het moederdorp over een sterke positie binnen het bestuur beschikken. De Staten van Holland weigerden de door Westzaandam verlangde veranderingen als voorwaarde voor de verkoop op te nemen. Daarmee werd een bestaande tegenstelling opnieuw bevestigd.
De aankoop bood Westzaandam dus niet de bestuurlijke zelfstandigheid waarop het had gehoopt. De inwoners en ondernemers van de groeiende plaats moesten blijven samenwerken met een bestuur waarin het oude Westzaan een groot aandeel bezat. De kwestie maakte duidelijk dat economische betekenis en politieke invloed niet vanzelf in dezelfde verhouding groeiden. Wie beschikte over historische rechten, kon zijn positie behouden, ook wanneer andere dorpen inmiddels meer handelskapitaal en inwoners telden.
De nieuwe ambachtsheer moest door een sterfman worden vertegenwoordigd
Omdat de heerlijkheid eigendom was geworden van de banne als gemeenschap, kon niet één natuurlijke persoon eenvoudig als eigenaar optreden. Daarom werd een vertegenwoordiger aangewezen die als sterfman namens de banne de heerlijke rechten hield. Bij zijn overlijden moest een nieuwe sterfman worden benoemd en moest het leen volgens de geldende regels opnieuw worden verheven. Deze constructie liet zien hoe sterk het oude leenrecht nog doorwerkte in de bestuurlijke organisatie.
De aankoop had daardoor niet onmiddellijk een moderne bestuursvorm opgeleverd. De gemeenschap bezat wel rechten, maar moest deze volgens traditionele juridische procedures uitoefenen. De schout, schepenen en andere functionarissen bleven bestaan. Bovendien bleven bepaalde bevoegdheden van de baljuw voorbehouden. Daarmee ontstond een bestuurlijke organisatie waarin collectief eigendom, oude heerlijke rechten en plaatselijke instellingen samenkwamen.
De Staten moesten in 1730 de koopvoorwaarden uitleggen
Na de aankoop ontstond onenigheid tussen de verschillende dorpen over de nieuwe rechten en verplichtingen. Vooral de samenstelling van het bestuur was omstreden. De vraag of het aantal schepenen moest worden verhoogd van zeven naar negen leidde tot discussie. Ook over de verdeling van de financiële lasten en de benoeming van functionarissen bestonden verschillen van mening. Op 26 april 1730 gaven de Staten van Holland daarom een nadere uitleg van de koopvoorwaarden.
De gebeurtenis toont dat het verwerven van een heerlijkheid niet automatisch overeenstemming bracht tussen de inwoners. De economische en bestuurlijke belangen van Westzaan, Westzaandam, Koog, Zaandijk en Wormerveer bleven uiteenlopen. Het oude Westzaan verdedigde zijn positie, terwijl de groeiende Zaandorpen meer invloed verlangden. De aankoop maakte hen gezamenlijk eigenaar van heerlijke rechten, maar loste de ongelijke verdeling van bestuurlijke macht niet op.
De eerste grote molentelling van 1731 toont het industriële Westzaan
In 1731 stonden in het dorp Westzaan volgens de historische opgave 33 paltrok-zaagmolens. Daarnaast waren er zeven oliemolens, twee pelmolens, vijf papiermolens, één meelmolen, drie snuifmolens, zes tabaksstampers en een hennepklopper. Ook waren er een traankokerij, twee vleethuizen, twee potasbranderijen, een stijfselhuis en een blauwselhuis. Verder werden 27 pakhuizen geteld. Deze cijfers hebben betrekking op het dorp Westzaan en niet op de gehele Zaanstreek.
De verscheidenheid maakt duidelijk hoe groot de economische verandering sinds de middeleeuwse ontginningen was geweest. Het landschap bood plaats aan vele verschillende bedrijven. Zij waren niet allemaal even groot en vereisten uiteenlopende aantallen arbeiders. De papierindustrie kon bijvoorbeeld meer werknemers nodig hebben dan bepaalde kleinere molenbedrijven. De molentelling laat daarom vooral de verscheidenheid van de productie zien. Daarnaast bleef de landbouw een belangrijke plaats innemen. Westzaan was tegelijk een agrarische gemeenschap en een onderdeel van het grote industriële landschap van de Zaanstreek.
De arbeiders achter de molens blijven vaak naamloos
De historische bronnen noemen vooral eigenaars, windbrieven, verkoopakten en bedrijfsgebouwen. De mensen die dagelijks het werk uitvoerden, zijn veel minder volledig gedocumenteerd. Toch waren zij onmisbaar voor de productie. Bij zaagmolens moesten boomstammen worden aangevoerd en planken worden verplaatst. In oliemolens werden zaden opgeslagen, verwerkt en tot olie geperst. Papiermolens vereisten uitgebreide voorbereiding van grondstoffen en verdere bewerking van het papier. Scheepswerven hadden meerdere soorten gespecialiseerde arbeiders nodig.
Het inkomen van de werknemers was afhankelijk van de hoeveelheid beschikbaar werk en de positie van het bedrijf. Een eigenaar beschikte mogelijk over molen, grond, voorraad en handelscontacten. De knecht bezat vooral zijn arbeidskracht en eventuele gereedschappen. Dat betekende niet dat alle knechten onder dezelfde omstandigheden leefden. Hun positie verschilde naar vakkennis en afspraken. De bronnen laten echter zien dat de industriële bloei niet uitsluitend door bezitters en financiers werd gedragen. Zij berustte ook op het dagelijkse werk van vele arbeiders.
De kerk van Westzaan werd in 1740 opnieuw gebouwd
De oude kerk van Westzaan was tijdens de Spaanse oorlogshandelingen van 1574 zwaar beschadigd. De herbouw was lange tijd beperkt gebleven. In 1740 begon de aanleg van een nieuwe kerk, waarbij de bestaande toren behouden bleef. Onder het nieuwe gebouw werden honderden heipalen aangebracht om voldoende draagkracht te verkrijgen op de slappe ondergrond. Volgens de historische beschrijving kwamen er 476 palen onder de kerk en 28 onder de consistorie. In 1741 was de nieuwe kerk gereed.
De bouw maakte duidelijk hoe moeilijk het was grote stenen gebouwen op veengrond te plaatsen. De slappe bodem vereiste een zorgvuldige fundering. De kosten van de werkzaamheden waren aanzienlijk en moesten door de kerkelijke gemeenschap en andere betrokkenen worden gedragen. De kerk kreeg een nieuwe verschijningsvorm, terwijl de oude toren bleef herinneren aan de geschiedenis vóór de Spaanse verwoesting. De combinatie zou ruim een eeuw later tragische gevolgen krijgen.
De bevolking bereikte in 1742 een voorlopig hoogtepunt
In 1742 telde het dorp Westzaan volgens een historische telling 2.669 inwoners. Het was voor lange tijd een hoogtepunt. De molenindustrie, handel en landbouw hadden werkgelegenheid geboden, maar de economische omstandigheden begonnen te veranderen. Sommige bedrijfstakken kregen te maken met concurrentie en een verminderde vraag. De omvang van de bevolking volgde daardoor niet automatisch dezelfde ontwikkeling als die van de grotere Zaandorpen.
Het inwonertal zegt niet rechtstreeks hoeveel mensen rijk of arm waren. Een dorp met veel bedrijven kon tegelijkertijd gezinnen kennen die afhankelijk waren van wisselende arbeidsinkomsten. Bovendien bestond de bevolking uit kinderen, ouderen en personen die niet zelfstandig inkomsten verdienden. De telling maakt wel duidelijk dat Westzaan in de eerste helft van de achttiende eeuw een aanzienlijke gemeenschap was geworden. De latere afname van het aantal inwoners zou samenhangen met een bredere economische teruggang.
De thesauriers moesten vanaf 1748 zekerheid stellen
In 1748 werden de financiële voorschriften voor de thesauriers opnieuw aangescherpt. Zij moesten bij het aanvaarden van hun functie een waarborg stellen. Daarmee wilde het bestuur zich beschermen tegen financiële schade wanneer de administratie onvoldoende betrouwbaar werd gevoerd. Ook werd geregeld hoe de drie thesauriers over de verschillende delen van de banne waren verdeeld. Eén functionaris was verbonden aan Westzaan, één aan Westzaandam en een derde aan Koog, Zaandijk en Wormerveer.
De regeling laat zien dat de financiële organisatie inmiddels omvangrijk was geworden. De bestuurders beheerden niet alleen geld voor wegen en openbare voorzieningen, maar ook inkomsten en uitgaven die met dijken, sluizen en molens samenhingen. Het onderscheid tussen algemene bestuursfinanciën en poldergelden was nog niet volledig doorgevoerd. Daardoor bleef toezicht op de administratie belangrijk. Wie geld inde namens de gemeenschap, moest kunnen verantwoorden hoe het werd gebruikt.
Teunis Cornelisz. Bon begon in 1752 een oliefactorij
Op 16 januari 1752 richtte Teunis Cornelisz. Bon een oliefactorij op. Zijn onderneming hield zich bezig met het verzamelen, opslaan en verkopen van olie uit Zaanse molens. De olie kon per schip naar Amsterdam worden vervoerd, waar zij aan afnemers werd aangeboden. Wanneer de marktprijs ongunstig was, kon de koopman ervoor kiezen de voorraad voorlopig op te slaan. Daarmee werd duidelijk hoe handelaren probeerden invloed uit te oefenen op het moment waarop zij hun goederen verkochten.
Een oliefactorij verschilde van een oliemolen. De molen verwerkte grondstoffen, terwijl de factorij zich richtte op handel, opslag en distributie. Beide ondernemingen waren van elkaar afhankelijk. De moleneigenaar had afzetmogelijkheden nodig en de handelaar moest over voldoende producten kunnen beschikken. Voor schippers ontstond werk door het vervoer tussen de molens, opslagplaatsen en Amsterdam. Het voorbeeld laat zien hoe de Zaanse industrie deel uitmaakte van een groter commercieel netwerk waarin productie en handel afzonderlijke activiteiten konden zijn.
Relk en Tip begonnen in 1765 een gezamenlijke onderneming
Willem Bruijgom Tip, geboren in 1734, ontwikkelde zich tot een belangrijke Westzaanse ondernemer. In 1765 begon hij samen met Cornelis Relk een bedrijf dat bekend werd als Relk & Tip. De onderneming was verbonden met de handel en verwerking van oliehoudende producten. Tip bezat bovendien belangen in verschillende molens. Daarmee behoorde hij tot een groep ondernemers die via bezit en zakelijke contacten een belangrijke positie binnen de Zaanse economie konden verwerven.
De activiteiten van Tip tonen hoe familiekapitaal en ondernemerschap met elkaar verweven raakten. Een molen was niet uitsluitend een werkplaats, maar kon deel uitmaken van een groter bezit dat uit verschillende ondernemingen en rechten bestond. Via samenwerking met andere kooplieden konden risico's worden gespreid en handelsmogelijkheden worden uitgebreid. De zakelijke positie van Tip kreeg later ook betekenis voor zijn maatschappelijke en politieke rol.
Simon Jongewaard werd in 1772 schout van Westzaan
In 1772 werd Simon Jongewaard tot schout van Westzaan benoemd. Hij woonde in het oude dorp, hoewel Westzaandam daartegen bezwaar maakte. Sinds ongeveer 1650 hadden schouten zich juist in de groeiende handelsplaats gevestigd. De keuze van Jongewaard vormde daarom meer dan een persoonlijke woonplaatsbeslissing. Zij raakte aan de verhouding tussen het oude moederdorp en Westzaandam.
Jongewaard vervulde verschillende functies. Hij was niet alleen schout, maar ook dijkgraaf, gerechtsbode, vendumeester en betrokken bij de registratie van huwelijksgeboden van inwoners die niet tot de gereformeerde kerk behoorden. De combinatie maakte hem tot een invloedrijke functionaris. Verschillende bestuurlijke en financiële taken kwamen bij één persoon samen. Dat bood mogelijkheden om besluiten op elkaar af te stemmen, maar versterkte ook de afhankelijkheid van inwoners van een beperkte groep bestuurders.
Willem Bruijgom Tip werd in 1773 vertegenwoordiger van de heerlijkheid
In 1773 vervulde Willem Bruijgom Tip de functie van sterfman van Westzaan. Daarmee trad hij op als vertegenwoordiger van de gemeenschap die sinds 1729 de ambachtsheerlijkheid bezat. Zijn positie laat zien hoe ondernemingsvermogen en bestuurlijke invloed elkaar konden ontmoeten. Tip was betrokken bij de molenindustrie en handel, maar kreeg daarnaast een formele plaats binnen het heerlijke bestuur.
Dat betekent niet dat zijn economische belangen automatisch iedere bestuurlijke beslissing bepaalden. Daarvoor moet per besluit worden onderzocht welke rol hij speelde. Wel maakt zijn loopbaan duidelijk dat de bestuurlijke elite niet losstond van de ondernemerswereld. Personen die over handelskapitaal en maatschappelijke contacten beschikten, konden ook invloedrijke functies vervullen. De geschiedenis van Tip zou later doorlopen tot de landelijke politiek van de Bataafse Republiek.
De storm van 1775 liet de kwetsbaarheid van de waterkeringen zien
In 1775 kreeg de Zaanstreek opnieuw te maken met zwaar weer en hoge waterstanden. Zulke gebeurtenissen maakten duidelijk dat de bescherming van het veenland voortdurend onderhoud vereiste. Dijken en sluizen konden beschadigd raken, terwijl watermolens niet onder alle omstandigheden voldoende konden functioneren. Het bestuur moest daarom geld beschikbaar houden voor reparaties en onverwachte werkzaamheden. De toestand van de buitenwaterkeringen was bovendien van belang voor de veiligheid van een veel groter gebied.
De gevolgen verschilden per plaats. Een stormvloed kon sommige dijken zwaar beschadigen zonder dat iedere aangrenzende polder volledig overstroomde. Daarom moeten de afzonderlijke waterstanden en schademeldingen zorgvuldig worden onderscheiden. Voor Westzaan bleef de noodzaak bestaan de dijken te inspecteren en voldoende afvoercapaciteit te behouden. De gebeurtenissen bevestigden dat een eeuwenoud waterstelsel slechts bruikbaar bleef door voortdurend menselijk beheer.
Het nieuwe Rechthuis moest de positie van Westzaan bevestigen
In de jaren rond 1781 werd begonnen met de vervanging van het oudere Rechthuis. Het nieuwe gebouw werd ontworpen door Johannes Samuel Creutz. Antonij Ziesenis verzorgde het beeldhouwwerk en J.B. Crivelli het stucwerk. Daarmee kreeg het bestuurscentrum een rijkere en representatievere vorm. De bouw vond plaats in een periode waarin Westzaan economisch niet langer het belangrijkste dorp van de banne was. Juist daarom kreeg het gebouw betekenis als uitdrukking van de bestaande bestuurlijke positie.
Het Rechthuis moest ruimte bieden aan vergaderingen, rechtspraak en officiële ontvangsten. De kosten en de vormgeving maakten duidelijk dat het bestuur waarde hechtte aan zijn zichtbare gezag. De architectuur weerspiegelde niet noodzakelijk de welvaart van alle inwoners. Een rijk uitgevoerd openbaar gebouw kon bestaan in een samenleving waarin de economische omstandigheden van afzonderlijke huishoudens sterk verschilden. De bouw vormde daarmee een tastbare uitdrukking van de ongelijkheid tussen bestuurlijke representatie en de bestaansmiddelen van de bevolking.
Het Rechthuis werd op 13 februari 1783 geopend
Op 13 februari 1783 werd het nieuwe Rechthuis van Westzaan officieel geopend. Simon Simonides Jongewaard hield bij de gelegenheid een toespraak waarin hij de bestuurders opriep hun werkzaamheden zorgvuldig en zonder partijdigheid te verrichten. Het gebouw kreeg een centrale plaats in de Kerkbuurt en bleef een herkenbaar symbool van het oude bansbestuur. De fraaie uitvoering maakte indruk, maar de politieke werkelijkheid waarin het bestuur functioneerde was inmiddels sterk veranderd.
Westzaandam en de andere Zaandorpen waren economisch gegroeid en bleven bezwaar houden tegen hun beperkte invloed. Het nieuwe Rechthuis veranderde die verhoudingen niet. Schout, schepenen en vroedschappen bleven functioneren binnen een systeem waarin historische privileges veel gewicht hadden. Voor de inwoners betekende de opening vooral dat het bestuur over een nieuw gebouw beschikte. De vraag wie namens de gehele gemeenschap besluiten mocht nemen, bleef daarmee onopgelost.
De familie Jongewaard beheerste verschillende bestuursfuncties
De familie Jongewaard speelde gedurende meerdere generaties een belangrijke rol binnen het bestuur van de banne. Simon Jongewaard had in 1730 het secretariaat verkregen en werd later door zijn zoon opgevolgd. Die zoon kreeg in 1772 het schoutambt. In 1786 wist hij te bereiken dat zijn eigen zoon Simon Simonides Jongewaard tot secretaris werd benoemd. Daardoor kwamen verschillende belangrijke functies binnen één familie terecht.
De opeenvolging laat zien hoe ambten, kennis en maatschappelijke invloed via families konden worden overgedragen. Het secretariaat gaf toegang tot de administratie en de voorbereiding van besluiten. Het schoutambt was verbonden met rechtspraak en bestuurlijk gezag. De combinatie kon een familie een sterke positie geven, ook zonder dat zij formeel alle besluiten zelfstandig nam. De ontwikkeling paste bij een bestuursvorm waarin persoonlijke relaties en bestaande rechten vaak even belangrijk waren als de economische omvang van de afzonderlijke dorpen.
De politieke omwenteling van 1787 bereikte het Westzaanse bestuur
In de jaren tachtig namen de politieke spanningen tussen patriotten en aanhangers van de stadhouder toe. Ook binnen de Zaanstreek waren de opvattingen verdeeld. De bestaande bestuurlijke verhoudingen kwamen onder druk te staan, omdat patriotten meer invloed voor burgers en een andere inrichting van het bestuur verlangden. Simon Jongewaard legde in deze periode zijn schoutambt neer. Zijn zoon Simon Simonides trok zich eveneens uit bepaalde bestuurlijke functies terug.
De gebeurtenissen laten zien dat landelijke politieke conflicten gevolgen konden hebben voor plaatselijke ambten. De discussie ging niet uitsluitend over de persoon van Willem V. Ook de manier waarop regenten hun positie verkregen en behielden stond ter discussie. Voor Westzaan was vooral belangrijk dat de oude bestuursvorm steeds moeilijker te verdedigen werd. De economische ongelijkheid tussen de dorpen en de beperkte politieke deelname bleven bestaan, terwijl nieuwe opvattingen over vertegenwoordiging en bestuur sterker werden.
De economische achteruitgang werd zichtbaar in lege molenerven
Tegen het einde van de achttiende eeuw verloor een deel van de Zaanse industrie haar vroegere positie. Sommige bedrijfstakken kregen te maken met veranderde handelsstromen, buitenlandse concurrentie en afnemende vraag. Vooral de scheepsbouw en houtzagerij ondervonden moeilijkheden. Volgens een historische opgave waren in Westzaan in 1731 nog 33 paltrok-zaagmolens aanwezig, maar in 1795 nog twintig. Niet iedere molen werd onmiddellijk afgebroken wanneer de productie daalde. Sommige bleven tijdelijk stilstaan of werden voor andere doeleinden gebruikt.
De achteruitgang had gevolgen voor eigenaars en werknemers. Een ondernemer kon zijn handelsvoorraad moeilijker verkopen of onvoldoende opdrachten krijgen om de molen rendabel te houden. Arbeiders konden hun inkomsten verliezen wanneer het werk afnam. Ook konden gebouwen hun vroegere waarde verliezen. De verandering betekende niet dat alle bedrijvigheid verdween, maar wel dat de economische verhoudingen binnen het dorp opnieuw verschoven. De bevolking zou in de volgende decennia sterk teruglopen.
De rekenmeesters moesten vanaf 1794 de administratie controleren
Op 6 februari 1794 werd besloten drie rekenmeesters aan te stellen. De maatregel volgde op problemen met het financiële beheer, waaronder wanbeheer dat aan secretaris Zwaanhals werd toegeschreven. De nieuwe functionarissen moesten de rekeningen van schout, secretarissen en thesauriers onderzoeken. Zij werden verdeeld over Westzaan, Westzaandam en de overige Zaandorpen. Daarmee kwam een duidelijker controlemechanisme tot stand voor de omvangrijke geldstromen binnen de banne.
Het besluit maakte zichtbaar dat het beheer van gemeenschappelijke middelen ingewikkeld was geworden. Belastinginkomsten, pachten en andere ontvangsten moesten worden onderscheiden van de kosten voor bestuur, wegen, sluizen en watermolens. Een foutieve of onduidelijke administratie kon tot wantrouwen leiden. De instelling van rekenmeesters vormde daarom een belangrijke stap naar meer financiële controle. De bestuurlijke macht bleef echter nog altijd sterk verbonden met de bestaande regenten.
De Bataafse omwenteling veranderde in 1795 het bestuur
In januari 1795 kwam een einde aan het stadhouderlijke bewind en ontstond de Bataafse Republiek. De politieke veranderingen bereikten ook Westzaan en de andere Zaandorpen. De oude bestuurlijke verhoudingen, die eeuwenlang op privileges en heerlijke rechten hadden berust, kwamen opnieuw ter discussie te staan. Nieuwe ideeën over burgerlijke gelijkheid en vertegenwoordiging boden vooral de groeiende dorpen aan de Zaan mogelijkheden om hun positie te verbeteren.
De omwenteling betekende niet dat alle bestaande functionarissen onmiddellijk verdwenen. Personen uit de oude bestuurlijke elite konden ook onder nieuwe omstandigheden een rol blijven spelen. Wel veranderde de grondslag waarop zij hun bevoegdheden uitoefenden. Het gezag van de Staten en de oude heerlijke rechten werd opnieuw beoordeeld. Daarmee ontstond ruimte voor een verdere scheiding van bestuurstaken die binnen de banne lange tijd met elkaar verweven waren geweest.
De dorpen kregen in 1796 een andere vertegenwoordiging
In 1796 werd de vertegenwoordiging binnen het bansbestuur aangepast. De rechtspraak werd voortaan uitgeoefend door negen schepenen. Westzaandam leverde er drie, Westzaan met Westknollendam twee, Wormerveer eveneens twee en Koog en Zaandijk ieder één. Daarmee kregen de groeiende dorpen aan de Zaan meer invloed dan voorheen. Het oude Westzaan verloor een deel van zijn historische overwicht.
De verandering ging echter niet zo ver als sommige inwoners en bestuurders hadden gehoopt. Het bansbestuur bleef bevoegd keuren en andere regels vast te stellen die voor de verschillende dorpen golden. Ook behield het oudere instellingen die nog niet volledig van het nieuwe plaatselijke bestuur waren gescheiden. Daardoor bleef onenigheid ontstaan. De hervorming was een belangrijke stap, maar niet het einde van de discussie over de verdeling van gezag.
Simon Jongewaard beschreef in 1796 het oude bestuur
In 1796 verscheen het boek Iets over de constitutie en het bestuur van de banne en de ambachtsheerlijkheid Westzaanen vóór de omwenteling in den jaare 1795, geschreven door Simon Jongewaard. Het werk biedt een uitvoerige beschrijving van de ambten, inkomsten en bevoegdheden binnen de oude organisatie. Het is belangrijk omdat Jongewaard zelf tot de bestuurlijke elite had behoord en daardoor veel kennis van de praktische werking bezat.
Die betrokkenheid betekent tegelijkertijd dat zijn beschrijving als een bron vanuit een bepaalde positie moet worden gelezen. Jongewaard kende de regels en gebruiken, maar zijn beoordeling ervan was niet noodzakelijk dezelfde als die van inwoners die weinig invloed hadden. Het boek maakt vooral zichtbaar hoe ingewikkeld de oude bestuursvorm was geworden. Rechtspraak, financiën en waterbeheer waren langdurig binnen dezelfde organisatie ondergebracht.
Willem Bruijgom Tip werd lid van de Nationale Vergadering
Op 1 maart 1796 trad Willem Bruijgom Tip toe tot de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek. Daarmee kreeg een Westzaanse ondernemer die eerder bij de ambachtsheerlijkheid betrokken was geweest een plaats in de landelijke politiek. Zijn loopbaan verbond handel, molenbezit en bestuurlijke functies. De gebeurtenis laat zien dat de Bataafse omwenteling niet uitsluitend nieuwe personen zonder eerdere invloed naar voren bracht. Ook leden van bestaande economische en bestuurlijke netwerken konden binnen de nieuwe staatsinrichting een rol vervullen.
De politieke verandering betekende daarom niet dat bezit en maatschappelijke invloed hun betekenis verloren. Ondernemers beschikten over contacten, ervaring en middelen die ook onder een ander bewind waardevol konden zijn. Tegelijkertijd ontstonden nieuwe mogelijkheden om de inrichting van bestuur en rechtspraak ter discussie te stellen. Voor Westzaan zou vooral de scheiding tussen het algemene bansbestuur en de eigenlijke polderzaken een belangrijk gevolg worden.
Het polderbeheer werd in 1798–1799 afgescheiden
Na enkele jaren onderhandelen werd besloten het beheer van de Polder Westzaan los te maken van de overige taken van de banne. De voorbereiding vond plaats in de jaren na de Bataafse omwenteling. Volgens een latere reconstructie werd de bestuurlijke en financiële afscheiding in mei 1799 voltooid. Andere historische beschrijvingen noemen besluiten uit 1798. Deze jaartallen kunnen betrekking hebben op verschillende fasen van dezelfde hervorming.
De verandering was ingrijpend. De waterhuishouding, dijken, sluizen en watermolens kwamen onder een afzonderlijk beheer, met een eigen financiële administratie. Daarmee werd een onderscheid aangebracht dat eeuwenlang nauwelijks had bestaan. Het algemene bestuur kon zich verder ontwikkelen richting nieuwe gemeentelijke instellingen, terwijl de polder zijn eigen technische en financiële verantwoordelijkheden kreeg. De hervorming was daarmee een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van het georganiseerde Westzaanse waterbeheer.
Het afzonderlijke polderbestuur erfde eeuwenoude verplichtingen
De afscheiding betekende niet dat de onderhoudskosten plotseling verdwenen. De nieuwe organisatie kreeg bestaande dijken, sluizen en molens onder haar beheer. Daaronder bevonden zich voorzieningen waarvan de geschiedenis terugging tot de middeleeuwse ontginningen en de grote droogmakerijen. Ook oude afspraken over kosten en rechten bleven van betekenis. De nieuwe bestuurlijke vorm moest dus werken met een landschap dat in vele eeuwen was ontstaan.
Het afzonderlijke beheer bracht wel meer duidelijkheid over de bestemming van inkomsten en uitgaven. Geld dat voor dijken of bemaling werd geïnd, kon afzonderlijk worden verantwoord. Voor de ingelanden bleef echter de vraag bestaan of de lasten rechtvaardig waren verdeeld. De eigenaars van landbouwgrond en de gebruikers van industriële vaarwegen hadden verschillende belangen. De nieuwe organisatie bood mogelijkheden om deze beter te onderscheiden, maar nam hun onderlinge tegenstelling niet weg.
De peilbemaling werd rond 1800 strenger georganiseerd
Aan het einde van de achttiende eeuw en rond 1800 kwamen binnen de Schermerboezem duidelijkere afspraken over het gezamenlijke waterpeil tot stand. Wanneer de boezem te hoog stond, moesten de watermolens van de omliggende polders stoppen met uitslaan. De molen bij Spijkerboor gaf daarvoor een zichtbaar teken. Bij daglicht kon een blauwe vlag in de hoogste wiek worden gehangen en in het donker een lamp.
Andere molenaars moesten dit teken overnemen. Daarmee kon worden voorkomen dat afzonderlijke polders onbeperkt water bleven toevoegen aan een boezem die al hoog stond. De regeling vereiste samenwerking tussen verschillende waterstaatkundige gebieden. Voor Westzaan betekende dit dat de eigen bemaling niet altijd uitsluitend volgens de behoeften van de landbouwers kon plaatsvinden. Het regionale belang kon verlangen dat tijdelijk werd gestopt, ook wanneer de polder zelf nog te nat was.
DEEL 6 — BESTUURLIJKE HERVORMINGEN, WATEROVERLAST EN BOERENVERZET (1800–1853)
Westzaan begon de nieuwe eeuw met gescheiden bestuursverantwoordelijkheden
Omstreeks 1800 functioneerde de Polder Westzaan als een afzonderlijk beheerd waterstaatkundig gebied. Het oude bansbestuur was nog niet volledig verdwenen, maar de waterhuishouding kreeg een eigen organisatorische plaats. Daarmee veranderde de verhouding tussen polderbestuur, dorpsbesturen en ingelanden. De onderhoudskosten van dijken, molens en sluizen moesten apart worden verantwoord. De landbouw bleef echter afhankelijk van dezelfde natuurlijke omstandigheden die al sinds de middeleeuwse ontginningen problemen hadden veroorzaakt.
De bodem was verder gedaald en veel graslanden lagen laag ten opzichte van de omliggende wateren. De bemaling met windmolens kon het waterpeil verbeteren, maar was afhankelijk van voldoende wind. Ook moest het polderwater daarna via de boezem verder kunnen worden afgevoerd. Het nieuwe bestuur kreeg daarmee een moeilijke taak. Het moest een oud waterstelsel beheren binnen een omgeving waarin de industrie, de scheepvaart en het algemene bestuur ingrijpend veranderden.
De peilafspraken beperkten het uitslaan van water
De invoering van peilbemaling rond 1800 had belangrijke gevolgen voor de dagelijkse werkzaamheden van molenaars. Wanneer de Schermerboezem een gevaarlijk hoge stand bereikte, moesten de molens hun bemaling onderbreken. De waarschuwing werd via vlaggen en lampen verspreid. De molenaars van verschillende polders konden daardoor op elkaar reageren zonder dat iedere instructie afzonderlijk moest worden overgebracht.
Voor de boeren kon deze regeling tegenstrijdige gevolgen hebben. Het voorkomen van overbelasting van de boezem verminderde het risico van wateroverlast op regionale schaal. Tegelijkertijd kon een Westzaanse boer zijn land nat zien blijven terwijl de molen tijdelijk niet mocht malen. De beslissing maakte duidelijk dat het algemeen waterstaatkundige belang niet altijd samenviel met het directe belang van afzonderlijke percelen.
Het bansbestuur werd in 1805 opnieuw hervormd
De eerste bestuurlijke veranderingen na 1795 hadden de onenigheid binnen de banne niet volledig beëindigd. Vooral de dorpen langs de Zaan vonden dat zij nog te weinig invloed hadden op bepaalde besluiten. In 1805 volgde daarom een verdere herziening van de bestuurlijke organisatie. Daarmee werd geprobeerd de bevoegdheden beter aan te passen aan de nieuwe omstandigheden.
De hervorming vond plaats binnen een periode van grote politieke veranderingen in Nederland. De Bataafse staatsinrichting werd herhaaldelijk aangepast en het bestuur kwam steeds sterker onder centrale invloed te staan. Voor Westzaan betekende dit dat de oude heerlijke rechten niet meer vanzelfsprekend konden worden gebruikt om de plaatselijke verhoudingen te handhaven. De overgang naar een nieuwe gemeentelijke organisatie was begonnen, al zou het nog enkele jaren duren voordat de oude banne definitief verdween.
De polderkeur van 1806 stelde regels aan bagger en slootdemping
In 1806 golden voorschriften voor het gebruik van bagger en het dempen van sloten binnen de polder. Landbouwers konden modder uit watergangen gebruiken om hun percelen op te hogen of vruchtbaarder te maken. Deze werkwijze stond plaatselijk bekend als florsen. De keur bevatte regels voor de hoeveelheid bagger en de voorwaarden waaronder sloten mochten worden gedempt. Ook moesten bepaalde werkzaamheden vooraf aan het bestuur worden gemeld.
De voorschriften waren bedoeld om te voorkomen dat afzonderlijke grondgebruikers de afwatering of bevaarbaarheid van het gebied zonder toestemming veranderden. Tegelijkertijd konden landbouwers het ophogen van hun percelen als noodzakelijk beschouwen. De regels raakten daarom aan een blijvend verschil in belangen. Een boer wilde grond terugwinnen die door afkalving verloren was gegaan, terwijl het bestuur de samenhang van het waterstelsel moest beschermen. Dit verschil zou na 1849 tot een ernstig conflict leiden.
De oliemolens Ruijgeneel kwamen in 1806 stil te staan
In 1806 werden De Oude en De Jonge Ruijgeneel stilgezet. Volgens de bewaarde bedrijfsgegevens was er onvoldoende handelswaar beschikbaar om de productie voort te zetten. De brandverzekering van de aanwezige lading werd beëindigd. De stilstand vond plaats in een periode waarin de internationale handel sterk werd beïnvloed door oorlog en handelsbeperkingen. Het Continentaal Stelsel en de conflicten tussen Frankrijk en Groot-Brittannië bemoeilijkten de aanvoer van verschillende goederen.
Voor de eigenaars betekende het ontbreken van voldoende grondstoffen dat een kostbaar bedrijf geen normale opbrengsten meer kon leveren. Werknemers konden daardoor eveneens worden getroffen. De afzonderlijke gegevens over de lonen en het aantal arbeiders van deze twee molens zijn niet volledig bekend. Wel toont de stilstand hoe internationale gebeurtenissen uiteindelijk gevolgen hadden voor bedrijven die diep in het Westzaanse polderland stonden.
Het Koninkrijk Holland bracht nieuwe bestuurlijke veranderingen
In 1806 werd Lodewijk Napoleon koning van Holland. De nieuwe staatsinrichting veranderde opnieuw de verhouding tussen plaatselijke besturen en de centrale overheid. De bestuurlijke hervormingen gingen gepaard met veranderingen in wetgeving, belastingen en organisatie van de rechtspraak. Westzaan bleef in deze periode een gebied met verschillende bestuurlijke verantwoordelijkheden. De oude banne functioneerde nog, terwijl het waterbeheer inmiddels afzonderlijk was georganiseerd.
De veranderingen beperkten de zelfstandigheid van de vroegere heerlijke instellingen. Rechtspraak en bestuur moesten steeds meer worden aangepast aan algemene landelijke voorschriften. Voor de inwoners betekende dit dat de oude privileges geleidelijk minder betekenis kregen. De veranderingen waren echter niet uitsluitend het gevolg van nieuwe politieke denkbeelden. Ook de ingewikkelde bestaande bestuursorganisatie maakte hervorming noodzakelijk.
De oude molen De Ruijgeneel werd in 1809 afgebroken
Na de langdurige stilstand van de oliemolens Ruijgeneel werd besloten een deel van de bedrijfsgebouwen te verwijderen. Molenmaker Gerbrand Kruijver noteerde in augustus 1809 de afbraak van De Oude Ruijgeneel. Het werk vormde een zichtbaar gevolg van de economische moeilijkheden. Een molen die decennialang had gefunctioneerd als productiemiddel en bezit, verloor zijn oorspronkelijke functie.
De afbraak betekende niet dat ieder onderdeel onmiddellijk verdween. Materialen konden worden hergebruikt of later worden verkocht. Daardoor behield zelfs een stilgevallen bedrijf nog een bepaalde waarde. De gebeurtenis laat zien hoe ondernemers probeerden het verlies te beperken wanneer een onderneming niet langer rendabel was. Voor het landschap betekende de sloop dat een markant industrieel werktuig verdween. Het terrein bleef bestaan, maar kreeg een andere economische betekenis.
De Franse inlijving bracht in 1810 nieuwe wetgeving
In 1810 werd het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk ingelijfd. Daarmee werd ook in de Zaanstreek de Franse bestuurlijke en juridische organisatie ingevoerd. Het oude systeem waarin schout en schepenen zowel bestuurlijke als rechterlijke taken vervulden, kwam onder druk te staan. De rechtspraak werd opnieuw ingedeeld en de gemeenten kregen een andere plaats binnen de bestuurlijke hiërarchie.
Voor Westzaan was deze ontwikkeling ingrijpend. De banne had eeuwenlang haar bevoegdheden verdedigd tegenover graven, hertogen en Staten. Nu werd de oude organisatie door een algemene staatkundige hervorming steeds verder vervangen. De polder bleef echter bestaan als waterstaatkundig gebied. Daarmee werd het onderscheid tussen het bestuur van inwoners en het beheer van water steeds duidelijker.
De oude banne had aanzienlijke financiële verplichtingen
Bij de bestuurlijke veranderingen kwamen ook de schulden en bezittingen van de oude banne ter discussie te staan. Volgens de historische polderbeschrijving bedroegen de schulden rond 1810 ongeveer honderdduizend gulden. De precieze samenstelling van dit bedrag moet aan de oorspronkelijke rekeningen worden getoetst. Het is belangrijk onderscheid te maken tussen algemene bestuursschulden en verplichtingen die rechtstreeks met de polder samenhingen.
De schuldpositie maakte de bestuurlijke overgang ingewikkeld. Wanneer een instelling werd opgeheven of haar taken verloor, moesten haar bezittingen en verplichtingen ergens worden ondergebracht. Ook waren er gebouwen, rechten en lopende onderhoudskosten. De nieuwe gemeenten konden niet eenvoudig alle vroegere uitgaven aan de polder overlaten. De financiële afwikkeling van de banne zou daarom nog jarenlang bestuurlijke aandacht vereisen.
Zaandam werd in oktober 1811 één stad
Bij keizerlijk decreet van 21 oktober 1811 werden Oostzaandam en Westzaandam verenigd tot de stad Zaandam. Daarmee verdween de eeuwenoude bestuurlijke scheiding tussen de beide plaatsen. De samenvoeging was een belangrijke stap in de Franse reorganisatie van het plaatselijke bestuur. Westzaandam maakte voortaan geen onderdeel meer uit van de oude banne in de vroegere betekenis.
Voor de Polder Westzaan betekende de verandering niet dat de waterstaatkundige grenzen verdwenen. De polder bleef zich uitstrekken over gronden die nu binnen verschillende gemeenten lagen. Daarmee ontstond een situatie waarin het gemeentebestuur en het polderbestuur ieder hun eigen taken hadden. De bestuurlijke grenzen veranderden, maar de afwatering bleef afhankelijk van het bestaande landschap.
Westzaan kreeg in 1811 een eigen gemeentebestuur
Ook Westzaan werd in 1811 een zelfstandige gemeente. Simon Simonides Jongewaard, afkomstig uit de familie die verschillende generaties bestuurlijke functies had vervuld, werd de eerste maire. Daarmee kreeg een lid van de oude bestuurlijke elite een plaats binnen de nieuwe organisatie. De verandering maakte duidelijk dat een nieuwe staatsinrichting niet noodzakelijk betekende dat alle invloedrijke families verdwenen.
De gemeentelijke bestuurders kregen verantwoordelijkheden die volgens de nieuwe wetgeving waren vastgesteld. Zij hielden zich bezig met plaatselijke administratie en algemene bestuurszaken. De zorg voor dijken, sluizen en molens bleef echter verbonden aan het afzonderlijke polderbeheer. Daarmee was de organisatorische scheiding tussen de belangen van inwoners als gemeenteburgers en die van grondeigenaars als ingelanden verder ontwikkeld.
De beroepsbevolking van 1811 laat veel gewone arbeiders zien
Een telling uit 1811 geeft een bijzonder beeld van de inwoners van Westzaan. Van ruim vijfhonderd getelde volwassen mannen noemden ongeveer 250 zichzelf arbeider. Daarnaast waren 41 personen werkzaam in de handel, 32 in de landbouw, 29 in de bouw en 23 in de houtbewerking. De overige inwoners waren verdeeld over verschillende kleinere beroepsgroepen. De cijfers maken duidelijk dat Westzaan niet uitsluitend uit boeren en moleneigenaren bestond.
Het grote aantal arbeiders laat zien dat veel huishoudens afhankelijk waren van inkomsten uit loonarbeid. Hun werk kon plaatsvinden in molens, bij bouwbedrijven, in het vervoer of bij andere plaatselijke ondernemingen. De beroepsaanduiding vertelt niet hoeveel iemand verdiende en evenmin of hij het gehele jaar voldoende werk had. Wel maakt zij zichtbaar dat het dorp een samenleving kende waarin een aanzienlijk deel van de bewoners niet als zelfstandig ondernemer of landbouwer werd geregistreerd.
De laatste materialen van De Ruijgeneel werden in 1813 verkocht
Op 15 april 1813 werden de resterende materialen van De Oude en De Jonge Ruijgeneel openbaar verkocht. Adriaan Tip was bij de verkoop betrokken. Daarmee werd een langdurige bedrijfsgeschiedenis afgesloten die in 1649 met de stichting van De Oude Ruijgeneel was begonnen. De verkoop van de materialen liet zien dat zelfs na de sloop van een molen nog waarde aanwezig kon zijn in hout, ijzerwerk en andere onderdelen.
De gebeurtenis vormde een onderdeel van de bredere economische achteruitgang van de Zaanse molenindustrie. Niet alle bedrijven verdwenen tegelijkertijd en sommige molens bleven nog vele jaren functioneren. Toch werd duidelijk dat de vroegere bloei niet vanzelf zou terugkeren. Voor het Westzaanse landschap betekenden dergelijke verkopingen dat industriële erven hun functie verloren. Voor de betrokken arbeiders betekende het verdwijnen van bedrijven dat zij andere inkomsten moesten zoeken.
Na Napoleon bleef het waterbeheer afzonderlijk bestaan
In 1813 kwam een einde aan het Franse bestuur. Willem I werd de nieuwe vorst en de bestuurlijke organisatie van Nederland werd opnieuw ingericht. Zaandam behield zijn positie als stad en Westzaan bleef een afzonderlijke gemeente. Het polderbeheer bleef eveneens bestaan. Daarmee werd de scheiding tussen de algemene gemeentelijke taken en de waterstaatkundige verantwoordelijkheden bestendigd.
De nieuwe politieke verhoudingen veranderden de toestand van het landschap niet. Dezelfde veengronden moesten worden bemalen en de oude dijken en sluizen bleven onderhoud vereisen. De polder was bovendien afhankelijk van de toestand van de Schermerboezem. Daardoor bleef samenwerking met andere waterstaatkundige instellingen noodzakelijk. De overgang naar een nieuwe staat bracht dus verandering in het bestuur, maar maakte geen einde aan de verplichtingen die uit de eeuwenlange ontginning waren voortgekomen.
De bevolking van Westzaan bereikte in 1815 een dieptepunt
In 1815 telde Westzaan volgens de historische opgave nog ongeveer 1.839 inwoners. Dat was aanzienlijk minder dan de 2.669 bewoners die in 1742 waren geregistreerd. De afname weerspiegelde de economische moeilijkheden die de streek in de tussenliggende periode had doorgemaakt. Molens waren verdwenen, handelsactiviteiten waren teruggelopen en de scheepsbouw had haar vroegere omvang verloren.
De daling van het inwonertal betekent niet dat iedere inwoner het dorp vanwege armoede verliet. Sterfte, geboorte, migratie en veranderende economische mogelijkheden konden gezamenlijk van invloed zijn. De cijfers tonen wel dat Westzaan een periode van achteruitgang had doorgemaakt. Het oude moederdorp was economisch minder sterk dan tijdens het hoogtepunt van de molenindustrie. Tegelijkertijd bleef het afhankelijk van kostbare waterstaatkundige voorzieningen.
De oude bangemeenschap werd in 1816 opgeheven
In 1816 kwam een einde aan de resterende bestuurlijke organisatie van de oude banne. Daarmee verdween een rechtsverband dat zijn oorsprong in de middeleeuwse heerlijkheidsrechten had. De afzonderlijke gemeenten beschikten inmiddels over eigen bestuursinstellingen. De oude gemeenschappelijke rechtspraak was vervangen door de nieuwe rechterlijke organisatie.
Voor de Polder Westzaan betekende dit dat het waterbeheer nog duidelijker als een afzonderlijke taak overbleef. De eeuwenoude band tussen rechtspraak, belastingen en polderzaken was verbroken. Toch bleven oude afspraken en financiële verplichtingen doorwerken. De dijken, sluizen en molens waren immers in eerdere eeuwen aangelegd binnen het oude bestuurlijke stelsel. Het nieuwe polderbestuur moest die voorzieningen blijven onderhouden zonder dat de oorspronkelijke banne nog bestond.
Teunis Slagter werd in 1817 burgemeester
In 1817 trad Teunis Slagter aan als burgemeester van Westzaan. Hij was afkomstig uit Zwaag en had al eerder als secretaris van de banne gewerkt. Daarnaast was hij actief als notaris, makelaar en gemeenteontvanger. Zijn loopbaan laat zien hoe bestuurlijke ervaring uit de oude organisatie kon worden voortgezet binnen de nieuwe gemeente. Slagter zou gedurende vele jaren een belangrijke plaats in het plaatselijke bestuur innemen.
De combinatie van verschillende functies was niet ongebruikelijk, maar kon vragen oproepen over de onafhankelijkheid van bestuur en administratie. Juist in een samenleving waar grondbezit, geldleningen en publieke besluiten belangrijk waren, had een notaris veel kennis van bezittingen en financiële relaties. De langdurige aanwezigheid van Slagter in het bestuur maakte duidelijk dat de overgang van heerlijke rechten naar gemeentelijke instellingen niet onmiddellijk alle persoonlijke machtsverhoudingen veranderde.
Het Rechthuis verloor zijn vroegere bestuurlijke betekenis
Door de nieuwe rechterlijke en gemeentelijke organisatie verloor het in 1783 geopende Rechthuis een belangrijk deel van zijn oorspronkelijke functie. Het gebouw was ontworpen als een indrukwekkend centrum van de oude banne. Nu bestonden de instellingen waarvoor het was gebouwd niet langer in dezelfde vorm. Daarmee ontstond de vraag hoe het kostbare gebouw moest worden gebruikt en wie verantwoordelijk was voor de lasten.
De situatie maakte zichtbaar hoe bestuurlijke hervormingen financiële gevolgen konden hebben. Een gebouw bleef bestaan nadat de instelling die het gebruikte was verdwenen. Het moest worden onderhouden of verkocht, terwijl oude schulden en verplichtingen moesten worden afgewikkeld. Uiteindelijk kwam het Rechthuis in handen van de gemeente Westzaan. Volgens de historische polderbeschrijving werd daarvoor een bedrag van 2.541 gulden betaald. De overdracht maakte deel uit van de langere financiële afwikkeling van de oude banne.
De schulden van de oude banne werden verminderd
Na de opheffing van de bangemeenschap moesten de openstaande verplichtingen verder worden afgewikkeld. De historische polderbeschrijving noemt voor omstreeks 1820 nog ongeveer 45.000 gulden aan schulden, tegenover ongeveer honderdduizend gulden tien jaar eerder. De bedragen verdienen controle aan de oorspronkelijke rekeningen, maar wijzen op een aanzienlijke vermindering van de schuldpositie.
De financiële afwikkeling stond niet los van de verdeling van voormalige bezittingen. Gebouwen, rechten en inkomsten moesten onder nieuwe instellingen worden ondergebracht. Tegelijkertijd bleven er uitgaven voor gemeenschappelijke voorzieningen bestaan. Daardoor was de beëindiging van het oude bestuur geen eenvoudig administratief besluit. De schulden moesten worden betaald en de overblijvende verantwoordelijkheden moesten worden toegewezen.
De watersnood van 1825 bedreigde opnieuw het Noorderkwartier
In februari 1825 werd Nederland getroffen door een grote overstromingsramp. Ook Noord-Holland kreeg met hoge waterstanden en beschadigde waterkeringen te maken. De Wijde Wormer liep onder water en moest vervolgens opnieuw worden drooggemalen. Daarbij werden verplaatsbare stoompompen ingezet. De gebeurtenis vormde een belangrijk voorbeeld van de nieuwe mogelijkheden die stoomkracht voor het waterbeheer bood.
Voor Westzaan moet onderscheid worden gemaakt tussen directe overstroming en de gevolgen van hoge buitenwaterstanden in de omgeving. Het beschikbare onderzoek biedt geen grond om de gehele Polder Westzaan als rechtstreeks overstroomd gebied te beschrijven. Wel maakte de ramp opnieuw duidelijk hoe kwetsbaar de regionale waterhuishouding was. Een beschadiging elders kon grote gevolgen hebben voor de veiligheid en afvoermogelijkheden van omliggende polders.
De eerste stoompompen toonden een alternatief voor windbemaling
Het gebruik van stoompompen na de overstroming van 1825 was een belangrijke technische ontwikkeling. Water kon voortaan ook worden verplaatst wanneer onvoldoende wind beschikbaar was. Dat betekende niet dat de bestaande watermolens onmiddellijk werden vervangen. Stoommachines waren kostbaar en vereisten brandstof, onderhoud en gespecialiseerde bediening. Voor veel polders bleven windmolens voorlopig de gebruikelijke werktuigen.
De toepassing maakte wel zichtbaar dat het waterbeheer op langere termijn minder afhankelijk van windkracht kon worden. Voor Westzaan zou deze mogelijkheid pas later op grotere schaal worden benut. Het polderbestuur moest immers afwegen of de voordelen van een nieuwe machine opwogen tegen de aanleg- en exploitatiekosten. De waterstaatkundige geschiedenis werd daarmee steeds sterker verbonden met de ontwikkeling van industriële techniek.
Cornelis Avis verwierf in 1824 de Westzaanse blauwselfabriek
In 1824 werd de Sociëteit van de Blauwselfabriek en Negotie in Westzaan geliquideerd. Het bedrijf kwam in handen van Cornelis Avis senior, een stijfselfabrikant uit Oostzaan. Hij stelde zijn zoon Cornelis Avis aan als beheerder. Later werd ook diens broer Jacob Avis bij het bedrijf betrokken. Daarmee kreeg Westzaan een nieuwe ondernemersfamilie die in de volgende decennia een belangrijke plaats zou innemen.
De blauwselfabriek vervaardigde een product dat onder meer werd gebruikt voor het kleuren en optisch verbeteren van textiel. De onderneming maakte deel uit van een industrie die niet uitsluitend op hout of olie was gebaseerd. De familie Avis bracht nieuwe bedrijfsmethoden en investeringen mee. De ontwikkeling laat zien dat de industriële mogelijkheden van Westzaan ondanks de afname van het aantal traditionele windmolens niet volledig waren verdwenen.
De kaart van 1827 toont een landschap vol bedrijven en water
Een historische kaart uit 1827 laat aan het Zuideinde de aanwezigheid zien van molenerven, houtopslagplaatsen en waterverbindingen. De inrichting maakt duidelijk hoe sterk het industriële gebruik van grond met het water verbonden bleef. Hout kon in havens en sloten worden opgeslagen, terwijl molens en werkplaatsen via paden en kleine bruggen bereikbaar waren. De aanwezigheid van zulke voorzieningen vormde een erfenis van de industriële ontwikkeling uit de voorgaande eeuwen.
Het landschap was nog altijd geen aaneengesloten fabrieksterrein. Woningen, landbouwgronden, sloten en bedrijven lagen naast elkaar. Daardoor bleef het oorspronkelijke langgerekte karakter van Westzaan herkenbaar. Tegelijkertijd waren sommige percelen inmiddels volledig op industrie gericht. De ontwikkeling laat zien hoe het oude veenland verschillende economische functies kon opnemen zonder dat de middeleeuwse verkaveling volledig verdween.
De eerste stoombootdiensten veranderden het vervoer
Vanaf 1827 werd een regelmatige stoombootverbinding tussen Amsterdam en Zaandam onderhouden met de Mercurius. Daarmee ontstond een nieuwe vorm van vervoer die minder afhankelijk was van wind en getij dan traditionele zeilschepen. De ontwikkeling maakte snellere en meer voorspelbare verbindingen mogelijk. Voor handelaren en reizigers kon dat aanzienlijke voordelen bieden.
De familie Avis speelde later een rol bij de organisatie van een stoombootdienst tussen Zaandam en Alkmaar. Daarmee werd de bereikbaarheid van de Zaanstreek verder verbeterd. De verandering betekende echter niet dat de kleinere schuiten uit de polder verdwenen. Voor vervoer naar molens en weilanden bleven de oude sloten en vaarten belangrijk. De nieuwe stoomvaart kwam daardoor naast bestaande vervoersvormen te staan.
De familie Avis introduceerde in 1833 de eerste Zaanse fabrieksstoommachine
In 1833 liet de familie Avis bij de Westzaanse blauwselfabriek een stoommachine installeren. Volgens de industriële geschiedschrijving was dit de eerste stoommachine die in een fabriek in de Zaanstreek werd toegepast. Daarmee kreeg Westzaan een opvallende plaats in de overgang van windkracht naar mechanische aandrijving. De onderneming probeerde haar productie minder afhankelijk te maken van de beschikbaarheid van voldoende wind.
De toepassing was echter niet onmiddellijk een volledig succes. Stoomkracht vereiste investeringen, brandstof en onderhoud. Bovendien moesten de voordelen worden afgewogen tegen de kosten van bestaande windmolens. De blauwselfabriek zou later opnieuw gebruikmaken van windkracht. De gebeurtenis maakt duidelijk dat technologische verandering niet altijd in één richting verliep. Ondernemers konden experimenteren met nieuwe technieken en daarna terugkeren naar oudere werkwijzen wanneer dat economisch gunstiger bleek.
De aanleg van nieuwe wegen bleef door sloten worden gehinderd
In de eerste helft van de negentiende eeuw nam de behoefte aan betere wegen toe. De groeiende handel verlangde verbindingen met Beverwijk, Haarlem en de grote rijkswegen. Het Westzaanse landschap was echter doorsneden door sloten en vaarten. Daardoor kon de aanleg van een doorgaande rijweg niet plaatsvinden zonder bruggen, dempingen en andere aanpassingen. Het polderbestuur moest beoordelen of dergelijke ingrepen de afwatering zouden belemmeren.
De ontwikkeling bracht twee vormen van bereikbaarheid tegenover elkaar. Eeuwenlang was vervoer over water de belangrijkste mogelijkheid geweest om goederen te verplaatsen. Nu werd vervoer over land steeds aantrekkelijker. Voor ondernemers konden betere wegen de handelskosten verminderen. Voor landbouwers en het polderbestuur bleef echter van belang dat de oude sloten hun waterstaatkundige functie behielden.
De bouw van de Zaanlandse Communicatieweg werd voorbereid
In 1846 richtten Zaanse fabrikanten en kooplieden een commissie op die de aanleg van een rijweg richting Beverwijk onderzocht. Het plan moest de Zaanstreek beter verbinden met de grote wegen naar Haarlem en Alkmaar. De kosten werden begroot op 135.000 gulden. Het benodigde kapitaal moest afkomstig zijn uit subsidies, aandelen en leningen. Ook verschillende gemeentebesturen en het polderbestuur werden bij de financiering betrokken.
De onderneming maakte duidelijk hoe sterk de regionale economie inmiddels afhankelijk was van bereikbaarheid. Hout, olie en andere goederen werden nog altijd over water vervoerd, maar ondernemers wilden aanvullende mogelijkheden. De nieuwe weg kon bovendien het personenverkeer verbeteren. De aanleg vereiste samenwerking tussen meerdere gemeenten en particuliere financiers. Daarmee ontstond een infrastructuurproject dat in organisatorisch opzicht herinnerde aan de vroegere grote waterwerken.
De toren van de Westzaanse kerk stortte in 1843 in
Op 1 januari 1843, vroeg in de ochtend, stortte de oude toren van de hervormde kerk in Westzaan in. De toren was afkomstig uit de oudere kerk en was na de Spaanse verwoesting van 1574 blijven staan. Al jarenlang bestonden zorgen over de toestand van het bouwwerk. De noodzakelijke restauratie was onderwerp geweest van onenigheid tussen gemeente en kerkbestuur, vooral over de vraag wie de kosten moest dragen.
De instorting verpletterde een nabijgelegen woning. Engel Henneman, zijn vrouw Bregje Kat, hun vijf kinderen en de knecht Jan Smak kwamen om het leven. De ramp maakte diepe indruk. De gebeurtenis liet zien welke gevolgen uitstel van kostbaar onderhoud kon hebben. De slappe bodem en de ouderdom van het gebouw maakten zorgvuldig toezicht noodzakelijk, maar bestuurlijke overeenstemming over de financiële verantwoordelijkheid was te lang uitgebleven.
De slachtoffers van de torenramp kregen een plaats in de bronnen
De namen Engel Henneman en Bregje Kat zijn terug te vinden in de overlijdensregisters van de gemeente Westzaan. Daarmee is de ramp niet uitsluitend bekend uit latere dorpsverhalen. De registers geven een concrete verbinding met de betrokken personen en hun families. De omstandigheden waaronder de slachtoffers werden aangetroffen, zijn ook in de plaatselijke overlevering beschreven. Niet ieder detail van zulke verhalen kan onafhankelijk worden bevestigd.
De gebeurtenis verdient binnen de geschiedenis van Westzaan een afzonderlijke plaats omdat zij het verband toont tussen gebouwen, bestuur en menselijke gevolgen. Onderhoud aan een openbare voorziening was niet alleen een financiële kwestie. Wanneer noodzakelijke werkzaamheden werden uitgesteld, kon dat gevolgen hebben voor bewoners die zelf geen invloed hadden op de besluitvorming over de kosten.
De Communicatieweg werd in 1848 geopend
Op 1 april 1848 werd de Maatschappij van den Zaanlandschen Communicatieweg opgericht. De onderneming kreeg financiële steun via subsidies, aandelen en een renteloze lening. Op 9 december 1848 werd de nieuwe rijweg feestelijk geopend. De verbinding was ruim dertien kilometer lang en liep van de omgeving van Beverwijk via Assendelft naar Westzaan en Zaandijk. Volgens de historische beschrijving namen 29 rijtuigen aan de opening deel.
De weg was bij de plechtigheid nog niet overal volledig afgewerkt. Toch vormde de ingebruikneming een belangrijk moment voor het verkeer in de streek. De verbinding maakte het gemakkelijker om goederen en personen over land te vervoeren. Voor Westzaan betekende dit een nieuwe fase naast het eeuwenoude verkeer over sloten en vaarten. De aanleg toonde opnieuw dat grote infrastructuurprojecten afhankelijk waren van samenwerking tussen bestuurders, ondernemers en financiers.
Krommenie en Wormerveer wilden in 1849 een betere rijweg
In 1849 ontstond een plan om een wegverbinding tussen Krommenie en Wormerveer te verbeteren. Daarvoor moest een sloot tussen het Kikkerspad en het Meelmolenpad worden gedempt. Het polderbestuur maakte bezwaar omdat de demping de waterafvoer kon belemmeren. De kwestie maakte duidelijk dat de nieuwe behoefte aan wegen botste met het oude afwateringsstelsel.
Een sloot was niet uitsluitend een hindernis voor het wegverkeer. Zij kon ook noodzakelijk zijn om overtollig water van landbouwgrond af te voeren. Wanneer zij werd gedempt, moest worden onderzocht of een andere verbinding voldoende capaciteit bood. De aanleg van wegen kon daarom niet zonder waterstaatkundige toestemming plaatsvinden. Het conflict liet zien dat de groei van het landverkeer nieuwe onderhandelingen over de inrichting van het polderland noodzakelijk maakte.
De boeren klaagden al in 1842 over het hoge waterpeil
De landbouwers van Westzaan hadden gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw steeds meer moeite met de waterstand in hun landerijen. In 1842 vroegen verschillende ingelanden het polderbestuur om op vaste momenten beter te bemalen. Zij vonden dat het peil te hoog bleef en dat onvoldoende maatregelen werden genomen om de afwatering te verbeteren. Het bestuur beloofde aandacht aan de klachten te besteden, maar volgens de latere beschrijving van de landbouwers kwam er onvoldoende verandering.
De klachten betroffen niet uitsluitend de hoogte van het water. Ook de toestand van sluizen, dijken en molens werd bekritiseerd. De boeren waren afhankelijk van het functioneren van deze voorzieningen voor de opbrengst van hun weilanden. Wanneer de grond langdurig nat bleef, kon de kwaliteit van het gras achteruitgaan. De landbouwers verlangden daarom niet alleen nieuwe technische maatregelen, maar ook een bestuur dat hun belangen voldoende serieus nam.
Dijkgraaf J.C. van Wessem vertegenwoordigde een machtig netwerk
De dijkgraaf in deze periode was J.C. van Wessem, geboren in 1799 te Tiel. Hij was houtkoper en oliefabrikant en vervulde daarnaast belangrijke bestuurlijke functies. Van Wessem was wethouder van Zaandam, lid van Provinciale Staten van Noord-Holland en lid van de Eerste Kamer. Hij was gehuwd met Maartje Corver. Zijn loopbaan laat zien hoe economische macht en bestuurlijke invloed in één persoon konden samenkomen.
Dat betekende niet automatisch dat iedere beslissing van Van Wessem vanuit zijn zakelijke belangen werd genomen. Daarvoor moeten de afzonderlijke besluiten worden onderzocht. Wel bevond hij zich in een andere maatschappelijke positie dan de boeren die klaagden over de toestand van hun weilanden. Zijn bestuurlijke functies gaven hem toegang tot instellingen waarover de meeste inwoners niet rechtstreeks beschikten. Deze ongelijkheid speelde een rol in de groeiende tegenstellingen binnen de polder.
De storm van 8 oktober 1849 maakte de problemen zichtbaar
In de nacht van 8 oktober 1849 ontstond zwaar weer. Het water van de Binnenzaan werd hoog opgestuwd en stroomde op verschillende plaatsen over lage kaden het polderland binnen. Volgens de beschrijving van de landbouwers moesten dieren naar veiligere plaatsen worden gebracht. Ook werd melding gemaakt van schade aan erven en bestrating. De gebeurtenis bevestigde hun zorgen over het onvoldoende onderhoud van waterkeringen.
De landeigenaren richtten zich opnieuw tot het polderbestuur. Zij wezen op de toestand van de Vaartdijk langs de Nauernasche Vaart en de problemen met de afwatering. Het bestuur achtte zijn eigen toezicht echter voldoende en gaf niet de door de boeren verlangde reactie. Daardoor werd het verschil van inzicht scherper. De landbouwers vonden dat hun bezit en inkomsten in gevaar waren, terwijl het bestuur bleef vasthouden aan zijn eigen beoordeling van de toestand van het watersysteem.
Negenenzeventig landeigenaren kwamen tegen het bestuur in verzet
Na de gebeurtenissen van 1849 verenigden zich volgens de historische reconstructie 79 landeigenaren die samen ongeveer 800 hectare grond vertegenwoordigden. Zij verlangden verandering in de manier waarop de polder werd bestuurd. De klachten betroffen het hoge waterpeil, het onderhoud van de waterwerken en de beperkte invloed die ingelanden op de besluitvorming hadden. De landbouwers wilden meer zeggenschap bij de keuze van bestuurders.
De omvang van de groep maakte duidelijk dat het niet uitsluitend ging om één ontevreden boer. De betrokkenen beschikten gezamenlijk over een aanzienlijk deel van het land. Toch vertegenwoordigden zij niet noodzakelijk alle inwoners. Het waren landeigenaren en ingelanden, terwijl arbeiders zonder grondbezit geen vergelijkbare bestuurlijke positie hadden. Het verzet moet daarom worden begrepen als een conflict tussen verschillende groepen bezitters en bestuurders, niet als een algemene volksopstand.
Jan Pietersz. de Boer en Jan Waal namen zelf maatregelen
Twee van de bekendste betrokken landeigenaren waren Jan Pietersz. de Boer en Jan Waal. Zij probeerden de problemen op hun eigen grond te verminderen. Daarvoor werden kleine molentjes aangeschaft, die ongeveer vijftig tot tachtig gulden per stuk konden kosten. Ook werden slootkanten versterkt en dammetjes aangelegd. Met opgebaggerde modder kon verloren gegaan land gedeeltelijk worden teruggewonnen.
Deze werkzaamheden sloten aan bij een oudere landbouwpraktijk die florsen werd genoemd. De modder werd gebruikt om percelen op te hogen of te verbeteren. Voor de boeren was dit een praktische manier om de gevolgen van natte grond en afkalving te beperken. Het polderbestuur zag echter ook risico's. Wanneer sloten zonder toestemming werden gedempt of afgesloten, kon dat volgens het bestuur gevolgen hebben voor de algemene afwatering en het vervoer.
De Veerzagersloot werd het middelpunt van een juridisch conflict
Jan Pietersz. de Boer had dammen aangelegd in de Veerzagersloot, in de omgeving van de Zuidervermaning. Het polderbestuur verlangde dat deze werden verwijderd. Volgens de bestuurders was bij de werkzaamheden onvoldoende rekening gehouden met de voorschriften van de polderkeur. De Boer verdedigde zijn maatregelen met het argument dat de betreffende watergang al zeer ondiep en nauwelijks bevaarbaar was.
De zaak ging daardoor niet alleen over het recht om bagger op het land te gebruiken. Ook stond ter discussie wanneer een sloot als openbare vaarverbinding moest worden beschermd. De Boer vond dat hij zijn landbouwgrond verbeterde zonder de gemeenschap wezenlijk te benadelen. Het bestuur stelde daar tegenover dat een ingeland niet zelfstandig mocht beslissen welke watergangen konden worden afgesloten.
De polderkeur stelde voorwaarden aan het florsen
Artikel 46 van de polderkeur stond toe dat ingelanden bagger gebruikten voor het ophogen van grond en het dempen van sloten. Daaraan waren echter voorwaarden verbonden. Volgens de voorschriften moesten bepaalde werkzaamheden vooraf worden gemeld, met informatie over de ligging en afmetingen van de betrokken sloot. Het bestuur beriep zich op deze bepalingen om de maatregelen van De Boer en Waal aan te vechten.
De kwestie maakte duidelijk dat het recht op gebruik van eigen grond binnen een polder beperkt kon worden door gemeenschappelijke voorschriften. Een sloot maakte deel uit van een groter waterstelsel. Wanneer een eigenaar haar veranderde, kon dat gevolgen hebben voor anderen. Tegelijkertijd vonden de landbouwers dat het bestuur hun pogingen om schade te beperken onvoldoende waardeerde. Daarmee werd de uitleg van één keurartikel onderdeel van een veel groter conflict over het functioneren van het polderbestuur.
Jan Pietersz. de Boer moest in 1851 voor de rechter verschijnen
Op 30 augustus 1851 werd Jan Pietersz. de Boer voor het kantongerecht in Zaandam gedaagd. Het polderbestuur stelde dat hij door het aanleggen van de dammen voorschriften had overtreden. Tijdens de behandeling kwamen getuigen aan het woord die verklaarden dat de betrokken sloot zo ondiep was dat zelfs kleine vaartuigen haar nauwelijks konden gebruiken. De verdediging stelde daarom dat de dammen geen werkelijke belemmering van de publieke vaart vormden.
De zaak trok belangstelling van andere landbouwers. Voor hen was de uitspraak belangrijk omdat zij eveneens maatregelen wilden kunnen nemen om hun gronden te verbeteren. De rechter oordeelde uiteindelijk dat de aanleg van de dammen geen strafbare overtreding opleverde. De Boer werd daarom van verdere rechtsvervolging ontslagen. Daarmee kreeg hij in deze procedure gelijk tegenover het polderbestuur.
De vrijspraak maakte geen einde aan het conflict
De uitspraak van de kantonrechter bracht geen definitieve oplossing. Het polderbestuur bleef van mening dat de dammen moesten verdwijnen. De betrokken bestuurders beschouwden hun bevoegdheid om de watergangen te beschermen als een afzonderlijke verantwoordelijkheid. De vrijspraak in de strafzaak betekende volgens hen niet dat de werken zonder meer mochten blijven bestaan.
Voor De Boer en andere landbouwers was de situatie moeilijk te aanvaarden. Zij hadden geprobeerd schade aan hun land te beperken en beschikten inmiddels over een rechterlijke uitspraak die hun handelwijze niet strafbaar achtte. Het bestuur hield echter vast aan de verwijdering van de dammen. Daarmee verschoof het conflict van de uitleg van een keurartikel naar de vraag hoe ver het bestuurlijke gezag kon gaan wanneer een rechter geen strafbare overtreding had vastgesteld.
Het polderbestuur liet op 5 augustus 1852 opnieuw graven
Op 5 augustus 1852 merkte Jan Pietersz. de Boer dat drie mannen op zijn grond een sloot begonnen uit te graven. Zij handelden in opdracht van het polderbestuur. De Boer maakte bezwaar en verlangde dat zij zijn land verlieten. De werklieden legden hun werkzaamheden daarop tijdelijk stil. Het bestuur wilde echter niet van zijn besluit afzien en bereidde een nieuwe uitvoering voor.
De gebeurtenis toont hoe het verschil tussen juridische en bestuurlijke bevoegdheden in de praktijk tot conflict kon leiden. De Boer had in de eerdere strafzaak gelijk gekregen, maar het bestuur beschikte nog steeds over middelen om de volgens hem noodzakelijke toestand van het waterstelsel te herstellen. De vraag was niet langer uitsluitend wie gelijk had over de bevaarbaarheid van de sloot. Ook stond de verhouding tussen individuele eigendom en openbaar gezag ter discussie.
Militairen beschermden de verwijdering van de dammen
Het polderbestuur liet vervolgens werklieden onder militaire bescherming terugkeren. Volgens de beschrijving waren twee batterijen infanterie bij het optreden betrokken. De soldaten moesten voorkomen dat de werkzaamheden werden verhinderd. De werklieden begonnen dammen en grond weg te nemen. Voor de aanwezige boeren maakte het optreden de indruk van een buitengewoon zwaar machtsmiddel tegen een plaatselijk landbouwgeschil.
De inzet van militairen toont hoe ver de tegenstelling tussen bestuur en landeigenaren was opgelopen. Het ging niet om een buitenlandse oorlog, maar om de uitvoering van een besluit binnen een polder. De aanwezigheid van soldaten gaf het bestuur de mogelijkheid zijn opdracht daadwerkelijk te laten uitvoeren. Voor de landbouwers bevestigde het optreden echter hun overtuiging dat zij onvoldoende invloed hadden op een bestuur dat over hun eigendommen en bestaansmiddelen besliste.
Jan Waal koos uiteindelijk voor een andere oplossing
Ook Jan Waal had een sloot gedempt en kreeg te maken met het polderbestuur. Volgens het verslag uit 1853 schreef hij uiteindelijk een verzoek waarin hij erkende zonder voldoende toestemming te hebben gehandeld. Hij vroeg het bestuur hem de overtreding te vergeven. Het bestuur besloot daarop de zaak niet verder door te zetten. Zijn handelwijze verschilde daarmee van die van De Boer, die zich juist tegen de verwijdering van zijn dammen had verzet.
Het verschil tussen beide mannen maakt zichtbaar welke mogelijkheden individuele landeigenaren hadden. Zij konden een conflict voortzetten, juridische middelen gebruiken of proberen tot een schikking te komen. Niet iedere eigenaar beschikte over dezelfde financiële ruimte of bereidheid om een langdurige strijd te voeren. Het verloop van het geschil laat daarom niet alleen de macht van het bestuur zien, maar ook de verschillende keuzes die betrokken landbouwers maakten.
P. Wakker publiceerde in 1853 De kwijnende landbouw
In 1853 verscheen het boek De kwijnende landbouw in den Polder Westzaan van P. Wakker, lid van de Hollandse Maatschappij van Landbouw. Het werk behandelde de klachten van de landbouwers, de slechte toestand van de polder en de verwijdering van dammen onder militaire bescherming. Wakker schreef duidelijk vanuit het standpunt van de kritische ingelanden. Zijn boek is daardoor een belangrijke bron voor hun bezwaren, maar geen neutraal verslag van alle betrokken partijen.
De publicatie maakte het plaatselijke conflict bekend bij een groter publiek. Waterbeheer werd daarmee onderwerp van een bredere discussie over bestuurlijke verantwoordelijkheid, eigendomsrechten en landbouwbelangen. De klachten betroffen uiteindelijk niet slechts één sloot. Zij gingen over de vraag of het polderbestuur zijn verplichtingen tegenover de ingelanden voldoende nakwam en of degenen die de lasten droegen ook voldoende invloed hadden op het beleid.
De landbouwers verlangden een nieuw gekozen bestuur
De onenigheid bracht de landbouwers ertoe zich tot Gedeputeerde Staten van Noord-Holland te wenden. Zij verlangden een andere inrichting van het polderbestuur, waarbij ingelanden meer invloed op de keuze van bestuurders kregen. Deze eis sloot aan bij de bredere bestuurlijke hervormingen van de negentiende eeuw. De grondwetswijziging van 1848 had nieuwe uitgangspunten voor het openbaar bestuur gebracht, maar niet onmiddellijk alle oude polderreglementen veranderd.
De landeigenaren wilden dat hun belangen duidelijker werden vertegenwoordigd. Zij vonden dat het bestuur onvoldoende aandacht besteedde aan het peil, de onderhoudstoestand van de molens en de veiligheid van de dijken. Daarbij speelde ook de wijze waarop besluiten werden genomen een rol. De strijd ging dus over water en grond, maar tegelijk over de verdeling van bestuurlijke macht.
Het provinciale reglement van 1853 veranderde de organisatie
In 1853 werd een nieuw reglement voor de Polder Westzaan vastgesteld. Provinciale Staten namen op 22 juni een besluit over de nieuwe inrichting, waarna op 6 augustus verdere goedkeuring volgde. De regeling trad op 1 september in werking. Daarmee kwam een belangrijke verandering tot stand in de bestuurlijke organisatie van de polder. De oude inrichting, waarin functies en bevoegdheden lange tijd waren voortgekomen uit historische regelingen, werd vervangen door een duidelijker omschreven reglement.
De polder werd ingedeeld in vier districten. In totaal kregen tien hoofdingelanden een plaats binnen de nieuwe bestuursstructuur. Daarmee kwam er een vertegenwoordiging die nauwer was verbonden met de grondeigenaren en de verdeling van het poldergebied. De verandering betekende niet dat iedere inwoner stemrecht kreeg. Het waterschapsbestuur bleef verbonden met het bezit en de belangen van ingelanden. Wel veranderde de wijze waarop het gezag werd samengesteld en gecontroleerd.
De eerste verkiezingen vonden op 1 december 1853 plaats
Op 1 december 1853 vonden volgens Verkades reconstructie de eerste verkiezingen onder het nieuwe reglement plaats. In de vier districten namen respectievelijk 51, 40, 35 en 31 stemgerechtigden deel. De aantallen tonen dat het nieuwe bestuur niet door de gehele bevolking werd gekozen. Het ging om een beperkte kring van personen met een erkende positie als ingeland. Toch betekende de verkiezing een belangrijke verandering ten opzichte van de vroegere bestuurlijke verhoudingen.
De nieuwe vertegenwoordiging moest toezicht houden op een waterstelsel dat inmiddels eeuwenoud was. Dijken, sluizen, watermolens en de Nauernasche Vaart bleven bepalend voor de landbouw en de plaatselijke economie. De verkiezingen veranderden daarom niet de technische problemen, maar wel de manier waarop besluiten daarover konden worden genomen. Daarmee kreeg het conflict tussen boeren en bestuurders een institutionele uitkomst.
De oude bestuursmacht verloor haar vanzelfsprekende positie
Aan het einde van 1853 was de bestuurlijke verandering nog niet volledig in het dagelijks functioneren doorgevoerd. De nieuwe regeling was vastgesteld en de eerste verkiezingen hadden plaatsgevonden, maar de overgang naar de nieuwe bestuurssamenstelling moest verder worden afgehandeld. De laatste bijeenkomst van het oude bestuur zou op 2 maart 1854 plaatsvinden. Daarmee lag de afronding van de hervorming net voorbij het eindpunt van dit deel.
De ontwikkeling had een lange voorgeschiedenis. Sinds de eerste middeleeuwse ontginningen was het beheer van het land verbonden geweest met grondbezit, heerlijke rechten en bestuurlijke functies. De macht van schouten, schepenen en later polderbestuurders was voortdurend onderwerp van onderhandelingen geweest. Het conflict van 1849–1852 maakte duidelijk dat de bestaande verhoudingen niet langer zonder aanpassing konden blijven functioneren.
Westzaan stond in 1853 voor een nieuwe periode van waterbeheer
In 1853 beschikte de Polder Westzaan over een afzonderlijke bestuursorganisatie, een uitgebreid stelsel van sloten en sluizen en verschillende windgedreven watermolens. De landbouwers bleven afhankelijk van een voldoende laag waterpeil, terwijl bedrijven en schippers belang hadden bij bruikbare vaarverbindingen. De grote droogmakerijen in de omgeving hadden de regionale waterhuishouding veranderd en de bodem van het oude veenland was verder gedaald. Daardoor bleef voortdurend onderhoud noodzakelijk.
De bestuurlijke hervorming betekende niet dat deze problemen verdwenen. Zij veranderde vooral wie namens de ingelanden mocht besluiten over de maatregelen en hun financiering. Het komende tijdvak zou nieuwe technische mogelijkheden brengen, waaronder verbeterde windbemaling, stoomgemalen en later elektrische aandrijving. Ook zouden spoorwegen, het Noordzeekanaal en nieuwe droogmakerijen langs het IJ het landschap veranderen. De Polder Westzaan begon die ontwikkeling met een oud waterstelsel en een vernieuwd bestuur.