GRONINGEN — VAN BOERENERVEN TOT EEN BLOEIENDE STAD (1000–1227)

DEEL 1 VAN 4 — DE VOORGESCHIEDENIS EN DE WORTELS VAN GRONINGEN

De geschiedenis van een oude nederzetting op de Hondsrug, waar generaties boeren, ambachtslieden, bouwmeesters en kooplieden het fundament legden voor een bloeiende stad. Een verhaal over het harde werken op het land, oude handelswegen, de eerste kerken, zilveren munten, ontginningen, de strijd tegen het water en het ontstaan van nieuwe machtsverhoudingen.

Een stad groeit uit het werk van generaties

Rond het jaar 1000 was Groningen nog een bescheiden nederzetting op het noordelijke uiteinde van de Hondsrug. Houten boerderijen stonden tussen akkers, schuren en stallen. De bewoners verbouwden graan, verzorgden hun vee en gebruikten de hogere zandgronden om zich te beschermen tegen het water. Naar het noorden begonnen de vruchtbare kleigebieden van het Friese kustland, terwijl zich aan weerszijden van de Hondsrug uitgestrekte veenmoerassen bevonden. Het leven was zwaar en de opbrengsten waren onzeker. Toch bood juist deze plek bijzondere mogelijkheden. Hier ontmoetten de wegen uit Drenthe de handelsroutes naar de kust.

In de eeuwen die volgden, veranderde Groningen langzaam van karakter. Boeren bleven hun land bewerken, maar naast hen verschenen steeds meer kooplieden, ambachtslieden en geestelijken. Er werden wegen aangelegd en met keien verhard, bruggen over waterlopen gebouwd en marktpleinen ingericht. De eerste monumentale stenen kerken verrezen tussen de houten huizen. Achter een nieuwe aarden stadswal groeide een gemeenschap waarin landbouw, handel en bestuur steeds nauwer met elkaar verbonden raakten. Zilveren munten en aardewerk uit verre streken tonen dat de handelscontacten zich niet langer tot de directe omgeving beperkten. Groningen begon een herkenbare plaats te krijgen binnen de economische wereld van Noord-Europa.

Ook buiten Groningen veranderde het landschap. Bewoners groeven lange sloten om veenmoerassen droog te leggen, maakten nieuwe akkers en bouwden waterkeringen om hun land te beschermen. Langs de kust werden wierden opgehoogd en kwamen steeds grotere gebieden achter dijken te liggen. Kloosters werden gesticht bij Aduard, Thesinge en andere plaatsen. Hun bewoners maakten deel uit van een groeiend netwerk van landbouw, grondbezit en religieuze contacten. Rond 1200 begon bovendien de baksteenbouw aan een nieuwe ontwikkeling. Langzaam veranderde een wereld van houten boerderijen en eenvoudige wegen in een landschap met stenen kerken, handelsplaatsen en georganiseerde waterwerken.

De vooruitgang kwam niet zonder tegenslagen. Stormvloeden vernielden landbouwgrond, branden bedreigden houten gebouwen en ziekten konden mens en dier treffen. Na iedere ramp moesten dijken worden hersteld, akkers opnieuw worden bewerkt en woningen herbouwd. Terwijl Groningen economisch belangrijker werd, groeiden ook de politieke belangen. De Utrechtse bisschop, zijn vertegenwoordigers en invloedrijke families wilden hun rechten behouden of uitbreiden. Toch is de geschiedenis van deze eeuwen bovenal die van mensen die hun dagelijks bestaan vormgaven. Zij veranderden het landschap en legden de basis voor een handelsplaats die in de volgende eeuw steeds belangrijker zou worden.


DE VOORGESCHIEDENIS — HET LAND WAARUIT GRONINGEN ONTSTOND

Het landschap vóór de stad — 600 v.Chr. tot het begin van de jaartelling

Lang voordat Groningen een stad werd, lag het noordelijke uiteinde van de Hondsrug tussen twee sterk verschillende landschappen. Naar het zuiden strekten zich de hogere Drentse zandgronden uit. Naar het noorden begonnen de natte kleigebieden en kwelders langs de Waddenzee. De Hunze, de Drentse Aa en kleinere waterlopen voerden water naar de kust. Vanaf ongeveer de zesde eeuw voor Christus vestigden mensen zich op hoger opgeslibde delen van het kwelderland. Zij hielden runderen en schapen en gebruikten geschikte gronden voor landbouw. Hun woonplaatsen werden geleidelijk opgehoogd. Zo ontstonden de eerste wierden, die eeuwen later zouden uitgroeien tot de karakteristieke dorpen van het Groningse kustgebied.

De eerste boerenerven op de Hondsrug — vanaf circa 300 v.Chr.

Op de plaats van het latere Groningen lagen al in de ijzertijd verspreide boerenerven. De bewoners kozen de hogere zandgronden omdat deze minder gevoelig waren voor overstromingen dan het omliggende lage land. Zij bouwden houten boerderijen en legden akkers aan op geschikte stukken grond. Hun nederzetting had nog geen vaste stadsstructuur. Erven werden verplaatst wanneer gebouwen versleten waren of landbouwgrond opnieuw moest worden ingericht. Daardoor ontstond een patroon van verspreide en soms verschuivende woonplaatsen. Archeologische sporen onder de huidige binnenstad laten zien dat de geschiedenis van Groningen veel verder teruggaat dan haar eerste schriftelijke vermelding in 1040.

Oude nederzettingen langs de Hunze — 600 v.Chr. tot 300 n.Chr.

Langs de Hunze en haar vroegere stroomgeulen ontwikkelden zich woonplaatsen. Aan de westzijde lagen nederzettingen bij Wierum, Oostum en Garnwerd. Aan de oostkant ontstonden bewoningskernen bij Adorp, Sauwerd, Wetsinge, Winsum en Obergum. De bewoners verhoogden hun erven met klei, zoden, mest en nederzettingsafval. Daardoor groeiden sommige woonplaatsen uit tot dorpswierden. De natuurlijke waterlopen boden mogelijkheden voor vervoer en contact met andere gemeenschappen. Over land volgden wegen de hogere oeverwallen. Dit oude netwerk van bewoning en verkeer bleef belangrijk toen Groningen eeuwen later een centrale positie tussen Drenthe en het Friese kustgebied begon in te nemen.

Romeinse voorwerpen bij Adorp — eerste eeuw v.Chr. tot tweede eeuw n.Chr.

Bij archeologisch onderzoek aan de Munnikeweg, tussen Adorp en Sauwerd, kwamen sporen van bewoning uit de ijzertijd en de Romeinse periode aan het licht. Onder de vondsten bevonden zich een onderdeel van Romeins paardentuig en een mantelspeld van het type Alesia. Zulke voorwerpen wijzen op contacten met de Romeinse wereld. Veranderingen in het aardewerk vertonen bovendien overeenkomsten met ontwikkelingen bij de Chauken, die in het huidige Noordwest-Duitsland woonden. Mogelijk speelden migratie, handel en culturele uitwisseling hierbij een rol. De vondsten bewijzen niet dat hier Romeinse soldaten gelegerd waren, maar tonen wel dat het noordelijke kustgebied niet geïsoleerd was.

De raadselachtige vierde eeuw — 300–500

Vanaf het einde van de derde eeuw liep de bewoning in verschillende noordelijke kustgebieden sterk terug. Sommige wierden werden verlaten, terwijl andere mogelijk gedeeltelijk bewoond bleven. Lange tijd gingen onderzoekers ervan uit dat grote delen van het Friese en Groningse kustland tijdelijk vrijwel ontvolkt waren. Nieuw aardewerkonderzoek heeft dit beeld ingewikkelder gemaakt. Bij Jelsum in Friesland wijzen opeenvolgende vondstlagen op mogelijke bewoningscontinuïteit gedurende de vierde eeuw. Dat betekent niet dat alle nederzettingen bewoond bleven. Het laat vooral zien dat de ontwikkeling per plaats verschilde. Veranderingen in bevolkingsomvang, landbouw en landschap konden ingrijpende gevolgen hebben voor het bestaan van de kustbewoners.

De Angelsaksische wereld bereikt Groningen — vijfde en zesde eeuw

Bij de huidige Roodeweeshuisstraat ontdekten archeologen de resten van een vroegmiddeleeuws boerenerf. Er stonden houten gebouwen en een waterput waarvan de schacht was verstevigd met gevlochten elzentakken. In de put werden scherven gevonden van een donkere pot met vijf opvallende uitstulpingen. Dit zogenoemde Buckelurn-aardewerk behoort tot een traditie die in verband wordt gebracht met de Angelsaksische wereld. De pot dateert uit de vijfde of zesde eeuw. Of het voorwerp daadwerkelijk uit Engeland werd ingevoerd, is onbekend. Wel toont het aan dat in Groningen aardewerkvormen voorkwamen die ook elders rond de Noordzee werden gebruikt.

Zes potten onder het Martinikerkhof — vijfde eeuw

Tussen de huidige Kreupelstraat en het Martinikerkhof vonden archeologen zes vrijwel complete aardewerken potten die bij elkaar in de grond waren geplaatst. Zij waren ongeveer even groot, maar hadden verschillende versieringen. De potten dateren vermoedelijk uit de vijfde eeuw. Omdat ze bewust bij elkaar lijken te zijn begraven, denken onderzoekers aan een bijzondere handeling. Mogelijk ging het om een offer of een ander ritueel. Wat de bewoners ermee bedoelden, is niet bekend. De vondst herinnert eraan dat het leven op de Hondsrug niet alleen uit landbouw en huishoudelijk werk bestond. De gemeenschap kende ook gewoonten en overtuigingen waarvan de betekenis verloren is gegaan.

Een dorp van houten boerderijen — zesde tot achtste eeuw

Het vroege Groningen bestond uit verspreide boerenerven op de noordelijke Hondsrug. De huizen en schuren waren grotendeels van hout gebouwd. Archeologen vonden op verschillende plaatsen paalkuilen waarin vroeger de draagconstructies van gebouwen stonden. Ook zijn waterputten, greppels, afvalkuilen en sloten aangetroffen. De bewoners hielden vee, verbouwden graan en gebruikten producten uit hun omgeving. Een regelmatig stratenpatroon bestond nog niet. Wel waren er paden die de nederzetting verbonden met de Drentse zandgronden en de Friese kust. De hogere ligging bood bescherming tegen overstromingen. Groningen was een kleine landbouwgemeenschap op een plaats die voor verkeer en uitwisseling bijzonder gunstig lag.

De eerste graven bij de Martinikerk — zevende en achtste eeuw

Onder en rond de huidige Martinikerk zijn begravingen aangetroffen die ouder zijn dan het bekende stenen kerkgebouw. Sommige graven dateren vermoedelijk uit de zevende en achtste eeuw. Daarmee werd duidelijk dat de plaats al vroeg een bijzondere betekenis had voor de bewoners. De komst van het christendom veranderde geleidelijk de religieuze gebruiken in het noorden. Nieuwe begraafplaatsen en kerkelijke instellingen ontstonden, maar deze ontwikkeling verliep niet overal tegelijk. De graven bij het latere Martinikerkhof laten zien dat Groningen al vóór de eerste schriftelijke vermelding een herkenbaar religieus middelpunt kreeg. De resten van de vroegste generaties liggen tegenwoordig verborgen onder het historische stadscentrum.

De doden onder de Grote Markt — achtste en negende eeuw

Bij archeologisch onderzoek onder de Grote Markt werden twee bijzondere vroegmiddeleeuwse graven ontdekt. Een overledene lag in een uitgeholde boomstam, terwijl een ander in een houten kist was begraven. Beide personen waren volwassen en werden voorlopig in de achtste of negende eeuw geplaatst. Het boomstamgraf is bijzonder omdat deze begraafwijze uit de vroege middeleeuwen in Noord-Nederland maar zelden wordt aangetroffen. Bij de andere overledene lag een houten voorwerp waarvan de oorspronkelijke functie niet onmiddellijk duidelijk was. De vondsten bevestigen dat onder het latere marktplein een begraafplaats lag. De identiteit en herkomst van deze mensen zijn niet vastgesteld.

Rond 800 — Een houten kerk verrijst op de Hondsrug

Waarschijnlijk werd omstreeks 800 bij het oude grafveld een houten kerk gebouwd. Zij geldt als een vroege voorganger van de huidige Martinikerk en werd verbonden met Sint-Maarten, de heilige die later zo belangrijk zou worden voor Groningen. De kerk stond nog tussen houten boerderijen, schuren en akkers. Van een stenen handelsstad was geen sprake. Toch vormde de aanwezigheid van een kerk een belangrijke verandering. De bewoners kregen een vaste plaats voor hun christelijke eredienst en begrafenissen. Groningen werd onderdeel van het kerkelijke netwerk dat zich over de noordelijke Nederlanden uitbreidde. De kerkelijke betekenis van deze plaats zou in de volgende eeuwen steeds groter worden.

Een vroeg christelijk voorwerp bij de Schoolstraat

Bij archeologische werkzaamheden aan de Schoolstraat werd in de omgeving van een oude waterput een klein voorwerp gevonden dat als een vroegmiddeleeuws Jezusbeeldje is beschreven. Het voorwerp wordt in de negende of tiende eeuw geplaatst. De vondst past bij de groeiende betekenis van het christendom in Groningen. Toch is onbekend wie het beeldje bezat, hoe het werd gebruikt en wanneer het precies in de bodem terechtkwam. Het hoeft niet afkomstig te zijn geweest uit een kerk. Ook in particuliere huishoudens konden religieuze voorwerpen aanwezig zijn. Zulke vondsten maken de religieuze ontwikkeling van de nederzetting tastbaar, zonder dat zij ons alle details van het toenmalige geloofsleven vertellen.

De Lauwerszee verandert het westelijke landschap — circa 600–900

Ten westen van Groningen veranderde het kustlandschap door de ontwikkeling van de Lauwerszee en haar getijdengeulen. De zee drong via de monding het land binnen en beïnvloedde de kwelders en aangrenzende veengronden. Humsterland, in oude bronnen Hugumarchi genoemd, raakte door waterlopen afgescheiden van zijn omgeving. Middag, bekend als Middochi, kreeg het karakter van een schiereiland. Tussen deze gebieden ontstonden belangrijke getijdengeulen. De bewoners leefden op verhoogde wierden en pasten hun landbouw aan het veranderende landschap aan. De nieuwe waterverbindingen maakten sommige routes gemakkelijker bevaarbaar, terwijl andere wegen en stukken landbouwgrond verloren gingen. Zo bepaalde de zee mede de toekomstige verbindingen van Groningen.

De Hunze zoekt een andere weg naar zee — negende en tiende eeuw

De Hunze voerde het water uit het Drentse achterland aanvankelijk noordwaarts door het wierdenland. Door natuurlijke aanslibbing en de ontwikkeling van westelijke getijdengeulen veranderden haar benedenloop en afwateringsmogelijkheden. Uiteindelijk kreeg het riviersysteem een sterkere verbinding met de Lauwerszee. Oude mondingen slibden gedeeltelijk dicht en andere geulen werden belangrijker. Hieruit ontstond geleidelijk het waterlandschap dat later met het Reitdiep werd verbonden. Deze ontwikkeling vond niet in één jaar plaats en de precieze datering van alle veranderingen blijft onzeker. Voor Groningen betekende zij dat de toegang tot de zee afhankelijk bleef van een voortdurend veranderend samenspel van rivierwater, getijden en menselijke ingrepen.

Het eerste Winsumerdiep — vermoedelijk tiende eeuw

Bij Winsum ontstond mogelijk al in de tiende eeuw een gegraven waterverbinding die later bekendstond als het Winsumerdiep. De waterloop kon bijdragen aan de afvoer van water uit de lager gelegen gebieden rond Bedum en het oostelijke achterland. Tegelijkertijd bood zij mogelijkheden om goederen over water te vervoeren. Mogelijk bestonden er verbindingen met oudere gegraven waterlopen richting de Fivel. De exacte aanlegdatum en het verloop van de vroegste fasen zijn niet volledig vastgesteld. De ontwikkeling laat echter zien dat de bewoners van het Groningerland al vóór de grote middeleeuwse ontginningen probeerden hun omgeving aan te passen. Waterbeheer en scheepvaart raakten daardoor steeds sterker met elkaar verbonden.

GRONINGEN — VAN BOERENERVEN TOT EEN BLOEIENDE STAD (1000–1227)

DEEL 2 VAN 4 — HET ONTSTAAN VAN EEN HANDELSPLAATS (1000–1100)

Rond 1000 — Groningen op een uitzonderlijke plaats

Omstreeks het jaar 1000 lag Groningen aan het noordelijke uiteinde van de Hondsrug. Hier kwamen de hogere zandgronden van Drenthe samen met het noordelijke kleigebied. Wegen voerden vanuit het zuiden naar de kustnederzettingen, terwijl de Hunze en de Drentse Aa verbindingen over water mogelijk maakten. De bevolking leefde nog grotendeels van landbouw en veeteelt. Toch werd de nederzetting door haar ligging aantrekkelijk voor reizigers, handelaren en bestuurders. Vanuit Groningen waren zowel de Friese kustlanden als het Duitse achterland bereikbaar. De plaats was nog geen grote stad, maar beschikte over geografische voordelen die haar economische en politieke groei zouden bevorderen.

Twee nederzettingen vormen het latere Groningen

Archeologisch onderzoek wijst erop dat op de Hondsrug twee vroegmiddeleeuwse nederzettingskernen lagen. De noordelijke bevond zich bij het huidige Martinikerkhof en de Grote Markt. De zuidelijke lag in de omgeving ten zuiden van het latere Zuiderdiep. Tussen beide lagen akkers, paden en verspreide erven. De noordelijke kern kreeg steeds meer betekenis door de aanwezigheid van de kerk en de latere bestuurlijke functies. Daardoor groeide juist dit gebied uit tot het centrum van Groningen. De zuidelijke nederzetting verloor uiteindelijk haar zelfstandige karakter. Het latere stadsgebied ontstond dus niet door één stichting, maar door eeuwen van bewoning, uitbreiding en herinrichting.

De oude wegen komen bij Groningen samen

De Hondsrug bood vanuit Drenthe een natuurlijke landverbinding met het noorden. Reizigers kwamen langs de omgeving van Zuidlaren, Noordlaren en Haren naar Groningen. Vanuit het Friese wierdenland liepen routes langs Adorp, Sauwerd, Wetsinge en Winsum. Aan de westzijde van de oude Hunze bestonden verbindingen richting Oostum, Garnwerd en Ezinge. Deze wegen volgden zoveel mogelijk hogere gronden en natuurlijke oeverwallen. Niet ieder tracé is archeologisch tot het jaar 1000 terug te voeren, maar de landschappelijke structuur verklaart waarom juist hier verschillende routes samenkwamen. Daardoor kon Groningen uitgroeien tot een ontmoetingsplaats voor mensen uit Drenthe en de kuststreken.

De Hondsrug — De weg naar Coevorden en Westfalen

De zuidelijke verbinding liep over de hogere zandgronden in de richting van Drenthe en Coevorden. Van daaruit waren routes mogelijk naar Bentheim, Münster en andere plaatsen in het Duitse achterland. De wegen waren geen aangelegde steenwegen, maar zandpaden waarop karren en paarden diepe sporen achterlieten. Wanneer een spoor onbegaanbaar raakte, weken voerlieden uit naar een droger deel van de weg. Zo ontstonden bundels karrensporen, waarvan bij het Noordlaarderbos nog resten zijn gevonden. De afzonderlijke sporen zijn niet allemaal nauwkeurig gedateerd. Wel maakt het landschap duidelijk waarom de hogere Hondsrug eeuwenlang de belangrijkste zuidelijke toegangsroute naar Groningen bleef.

De oostelijke toegang via Duurswold

Ook ten oosten van Groningen lagen bruikbare verbindingsroutes. Door het gebied van Harkstede, Scharmer en Slochteren liepen hoger gelegen zandige stroken tussen natte veengronden. Naarmate bewoners het veen ontwaterden, ontstonden nieuwe nederzettingen en wegen. Een route richting Slochteren paste binnen deze ontwikkeling, maar het exacte verloop van de vroegste wegen is niet altijd te reconstrueren. Sommige verbindingen veranderden wanneer het omliggende veen inklonk en natter werd. Voor Groningen kreeg het oostelijke achterland steeds meer betekenis als landbouwgebied en als verbinding met andere delen van Fivelgo. De grote kanalen die hier later werden gegraven, bestonden rond 1000 nog niet.

De westelijke toegang over Vredewold

Ten westen van Groningen lag de zandrug van Vredewold. Langs deze hogere strook ontstonden nederzettingen bij Marum, Nuis, Niebert, Tolbert en Midwolde. De bewoners konden er wonen en landbouw bedrijven terwijl zij het aangrenzende veen geleidelijk ontgonnen. Vanuit dit gebied liepen verbindingen naar het oosten, richting Oostwold, Hoogkerk en Groningen. De route werd bemoeilijkt door natte gronden en waterlopen, waaronder de Drentse Aa. Toch vormde Vredewold een belangrijke bewoonbare verbinding door het westelijke landschap. Het gebied zou in de volgende eeuwen steeds nauwer verbonden raken met de economische ontwikkeling van Groningen en de kloosters in het Westerkwartier.

Het voedsel van de eerste Groningers

De bewoners leefden van graan, groenten, peulvruchten, vlees, zuivel en producten uit de natuurlijke omgeving. Archeobotanisch onderzoek aan de Lutkenieuwstraat bracht onder meer aanwijzingen voor gerst, rogge, erwten en duivenbonen aan het licht. Ook resten van wilde vruchten en andere planten zijn teruggevonden. Graan kon worden gebruikt voor brood, pap en drank. Peulvruchten boden een belangrijke aanvulling op de voedselvoorziening. Melk werd verwerkt tot boter en kaas, terwijl vlees afkomstig was van runderen, schapen, geiten en varkens. Niet iedere aangetroffen plant was noodzakelijk voedsel, maar gezamenlijk laten de vondsten zien dat het menu gevarieerder was dan uitsluitend brood en vlees.

Bier uit graan en kruiden

In een agrarische gemeenschap als Groningen was het brouwen van graandrank onderdeel van een bredere Noord-Europese traditie. Gerst en andere graansoorten konden worden gemout en verwerkt tot bier. Voordat hop algemeen werd gebruikt, werden verschillende kruiden toegepast, waaronder in sommige streken gagel. Het is aannemelijk dat ook in het Groningerland bier werd bereid, maar uit de periode rond 1000 kennen we geen afzonderlijk Gronings brouwhuis met naam en recepten. Het beroemde Groningse kluinbier behoort als herkenbare specialiteit vooral tot de latere geschiedenis. Voor deze vroege periode moeten we het houden bij kleinschalige bierbereiding op erven en binnen huishoudens, zonder de latere stedelijke brouwerijcultuur terug te projecteren.

Van wie was Groningen oorspronkelijk?

Groningen maakte deel uit van de Drentse wereld, maar lag op de grens met de Friese kustgebieden. De bewoners waren geen eenvoudige onderdanen van één plaatselijke heer. Een deel van de grond behoorde tot koninklijke goederen, terwijl kerkelijke instellingen en andere grondbezitters eveneens rechten hadden. De abdij Werden in het huidige Duitsland bezat al vroeg goederen in Noord-Nederland. Daarnaast zullen plaatselijke boeren en families grond hebben gebruikt en bezeten. Vanaf de Frankische tijd hadden koningen hun gezag over het noorden uitgebreid. Later kwamen de rechten van de Oost-Frankische en Duitse koningen daarvoor in de plaats. Het bezit en bestuur van Groningen waren daardoor vanaf het begin ingewikkeld verdeeld.

De eerste veenontginningen bij Roderwolde — elfde eeuw

Ten zuidwesten van Groningen begonnen bewoners het uitgestrekte Roderwolder veengebied te ontwateren. Zij groeven lange sloten, waardoor water kon wegstromen en landbouw mogelijk werd. Archeologisch onderzoek bij het latere Hoogeheem, aan de Matsloot, bracht sporen van dergelijke vroege ontginningen aan het licht. Onder de latere kloosterboerderij lag een oude sloot die door het veenpakket was gegraven. Haar richting kwam grotendeels overeen met jongere verkavelingslijnen. Dat wijst erop dat de inrichting van het landschap langdurig herkenbaar bleef. De eerste ontginningen worden in de elfde of twaalfde eeuw geplaatst, al is niet ieder afzonderlijk perceel precies te dateren.

Het veen begint te zakken

De ontginning van het veen leverde nieuwe landbouwgrond op, maar veroorzaakte tegelijkertijd grote problemen. Zolang veen nat bleef, kon het aanzienlijke hoeveelheden water vasthouden. Door het graven van afwateringssloten droogde het uit en kwam zuurstof in de bodem. Daardoor begon het veen langzaam te verteren en zakte het maaiveld. Grond die aanvankelijk geschikt was gemaakt voor akkerbouw, werd na verloop van tijd opnieuw gevoelig voor wateroverlast. De bewoners moesten hun sloten verdiepen, nieuwe afwateringswegen aanleggen of het gebruik van hun land veranderen. Zo leidde iedere ontginning tot nieuwe werkzaamheden. Het landschap werd steeds sterker door menselijk ingrijpen bepaald.

Nieuwe landbouwgrond brengt nieuwe machtsbelangen

Wie veengrond ontgon, kreeg te maken met vragen over bezit, gebruiksrechten en waterafvoer. De nieuwe akkers en weilanden hadden economische waarde. Plaatselijke families, grondbezitters en kerkelijke instellingen konden aanspraken maken op de opbrengsten. In sommige gebieden werden ontginningen georganiseerd vanuit bestaande dorpen op hogere gronden. Elders ontstonden nieuwe bewoningsstroken langs sloten en wegen. De ontwikkeling was niet overal hetzelfde. Daarom kan het gehele Groningse veengebied niet worden beschouwd als één door een bisschop of klooster uitgevoerd ontginningsproject. Juist de verscheidenheid aan plaatselijke initiatieven verklaart waarom het landschap later uit zoveel afzonderlijke verkavelingsblokken en waterstaatkundige gebieden bestond.

1024 — De bisschop van Utrecht krijgt rechten in Drenthe

In 1024 schonk koning Hendrik II grafelijke rechten in Drenthe aan bisschop Adalbold van Utrecht. Daarmee kreeg de bisschop naast zijn geestelijke functie ook wereldlijke bevoegdheden in een belangrijk noordelijk gebied. De schenking was onderdeel van de politieke verhoudingen binnen het Duitse Rijk, waar koningen geregeld op bisschoppen vertrouwden om hun macht uit te oefenen. Het betekende echter niet dat de Utrechtse kerk onmiddellijk alle plaatselijke machthebbers kon onderwerpen. Graven, vrije grondbezitters en andere rechthebbenden behielden hun belangen. De afstand tussen Utrecht en Drenthe maakte rechtstreeks bestuur bovendien moeilijk. Groningen kreeg hierdoor een steeds belangrijkere positie binnen de bisschoppelijke aanspraken.

Na 1034 — Groningen krijgt een aarden verdedigingswal

In de elfde eeuw werd Groningen op grote schaal versterkt. Het archeologische onderzoek plaatst de aanleg van een omvangrijke aarden stadswal na 1034. De wal was ongeveer vier meter hoog en werd aan de buitenzijde beschermd door een brede gracht, die plaatselijk ongeveer twintig meter mat. Binnen de verdediging lagen niet alleen woningen en kerkelijke gebouwen, maar ook akkers, stallen en open erven. Groningen kreeg daardoor het karakter van een versterkte agrarische nederzetting. De belangrijkste wegen liepen via doorgangen door de wal. Van de grote bakstenen stadsmuur met torens die later zou verschijnen, was nog geen sprake. De versterking maakte wel duidelijk dat Groningen een bijzondere betekenis kreeg.

De eerste stadspoorten bewaken de wegen

De omwalling moest bereikbaar blijven voor boeren, handelaren en andere reizigers. Daarom kwamen er doorgangen op de plaatsen waar belangrijke wegen de nederzetting bereikten. Bij de latere Herepoort, Boteringepoort, Ebbingepoort en Oosterpoort waren dergelijke toegangen aanwezig of ontstonden zij tijdens de verdere ontwikkeling. De Poelepoort kreeg vermoedelijk later haar plaats in het verdedigingsstelsel. Niet iedere toegang was al een stenen poortgebouw. De Herepoort heeft mogelijk vroeg een tufstenen bouwfase gekend. Voor gewone inwoners waren de poorten vooral belangrijke doorgangen naar hun landerijen en de omliggende dorpen. Voor machthebbers boden zij mogelijkheden om het verkeer te controleren.

21 mei 1040 — De naam Groningen verschijnt in een oorkonde

Op 21 mei 1040 schonk koning Hendrik III zijn landgoed in villa Cruoninga aan de kerk van Utrecht. De oorkonde vormt de oudste bewaard gebleven schriftelijke vermelding van Groningen. De schenking omvatte koninklijke goederen met bijbehorende inkomsten en rechten. Daarmee kreeg bisschop Bernold een belangrijke machtsbasis in het noorden. De gebeurtenis betekende niet dat Groningen op dat moment werd gesticht. De nederzetting bestond immers al eeuwen. Ook werd niet automatisch alle grond van de latere stad aan Utrecht overgedragen. Wel markeerde de schenking een belangrijke verandering in de politieke betekenis van Groningen. De belangen van de Utrechtse bisschop raakten voortaan rechtstreeks verbonden met de plaats.

De bisschop krijgt niet het hele Groningerland

De koninklijke schenking maakte de Utrechtse bisschop niet tot eigenaar van alle boerderijen, akkers en wierden in het noorden. De Friese kustgebieden hadden hun eigen geschiedenis en rechtsverhoudingen. Ook in Groningen zelf bleven verschillende vormen van grondbezit naast elkaar bestaan. Het koningsgoed vormde slechts een deel van het geheel. De bisschop verwierf belangrijke rechten, maar moest die in de praktijk nog laten erkennen en uitoefenen. Daarvoor had hij vertegenwoordigers nodig. Het verschil tussen formeel gezag en daadwerkelijke macht werd steeds belangrijker. De latere conflicten over de prefectuur hadden hun oorsprong mede in deze ingewikkelde verdeling van rechten en belangen.

1040–1054 — Groningen begint zilveren penningen te slaan

Onder bisschop Bernold werden zilveren penningen geslagen die met Groningen verbonden zijn. Op sommige munten stonden bisschoppelijke tekens, waaronder een kromstaf. Het gebruik van een eigen muntplaats liet zien dat Groningen economisch en bestuurlijk aan betekenis won. Muntslag was een belangrijk privilege dat verbonden was met wereldlijke macht. De penningen konden worden gebruikt voor betalingen, handel en de inning van inkomsten. Hoeveel geld onder gewone inwoners circuleerde, is moeilijk vast te stellen. Goederen, landbouwproducten en diensten bleven naast muntgeld van betekenis. De gevonden munten vormen echter tastbare bewijzen dat de nederzetting betrokken was bij de geldcirculatie binnen het Duitse Rijk.

1046 — Utrecht versterkt zijn gezag over Drenthe

In 1046 werd de wereldlijke positie van de Utrechtse bisschop in Drenthe opnieuw versterkt. De eerdere aanspraken kregen daarmee een steviger politieke basis. Voor Groningen was dat belangrijk omdat de nederzetting aan de noordelijke rand van Drenthe lag en tevens toegang bood tot het Friese kustgebied. De bisschop kon vanuit Utrecht niet voortdurend toezicht houden op zijn noordelijke rechten. Hij moest daarom vertrouwen op plaatselijke bestuurders die recht konden spreken, inkomsten konden innen en zijn belangen konden verdedigen. Deze vertegenwoordigers kregen daardoor aanzienlijke invloed. Hun toenemende zelfstandigheid zou in de twaalfde eeuw een van de belangrijkste oorzaken worden van conflicten tussen Utrecht en Groningen.

1054–1076 — De muntslag blijft bestaan

Na de dood van Bernold in 1054 volgde Willem I hem op als bisschop van Utrecht. Ook onder zijn bestuur zijn zilveren penningen bekend die met Groningen worden verbonden. Daarmee bleef de plaats onderdeel van een groter monetair netwerk. Het gebruik van zilvergeld maakte betalingen mogelijk die niet uitsluitend door ruil van goederen plaatsvonden. De munten droegen bovendien het gezag van hun muntheer uit. Voor het dagelijkse leven bleef de landbouw echter bepalend. Een boer kon zijn verplichtingen deels in producten of arbeid voldoen, terwijl kooplieden vaker geld gebruikten. De economische ontwikkeling van Groningen verliep daardoor geleidelijk, met verschillende betaalvormen naast elkaar.

25 april 1057 — Winsum en Garrelsweer krijgen handelsrechten

Op 25 april 1057 verleende koning Hendrik IV belangrijke rechten in Hunsingo en Fivelgo aan aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen. Daarbij werden Winsum en Garrelsweer genoemd als plaatsen waar markt-, munt- en tolrechten konden worden uitgeoefend. De rechten werden aan de aartsbisschop verleend, niet rechtstreeks aan de bewoners. Toch blijkt hieruit dat beide nederzettingen al een belangrijke economische functie hadden. Zij lagen gunstig aan waterverbindingen en konden goederen uit de omliggende landbouwgebieden aantrekken. Groningen was dus niet de enige handelsplaats van betekenis. De Ommelanden kenden eigen economische centra die in de elfde eeuw volop aan de ontwikkeling van het noordelijke handelsnetwerk deelnamen.

1068–1090 — De munten van Egbert II reizen ver

In de tweede helft van de elfde eeuw werden in de Friese gebieden zilveren penningen geslagen die met graaf Egbert II van Brunswijk worden verbonden. De namen Winsum en Garrelsweer komen op munten uit deze noordelijke muntgebieden voor. Bij sommige typen werden religieuze voorstellingen gebruikt, waaronder afbeeldingen die met de heiligen Simon en Judas in verband worden gebracht. Dergelijke munten zijn ook in schatvondsten rond de Oostzee aangetroffen. Dat toont hoe ver zilvergeld uit Noord-Nederland zich kon verspreiden. Een munt kon echter via vele handelaren reizen. De vondsten bewijzen internationale economische contacten, maar niet dat iedere penning rechtstreeks door een Gronings schip naar Scandinavië werd gebracht.

De jonge handelsplaats groeit

De economische ontwikkeling van Groningen was nauw verbonden met de omliggende landbouwgebieden. Boeren uit Drenthe en de Friese landen brachten producten naar plaatsen waar zij konden worden verkocht of geruild. Runderen, schapen, graan, wol, boter en kaas waren belangrijke goederen. Vanuit het Duitse achterland kwamen andere producten naar het noorden. De ligging aan land- en waterwegen bood Groningen voordelen. Toch betekende dit niet dat de nederzetting alle handel beheerste. Winsum, Garrelsweer en andere kustplaatsen waren eveneens belangrijke markten. Groningen groeide doordat het steeds meer functies verzamelde: handel, bestuur, rechtspraak en kerkelijk gezag kwamen op dezelfde plaats samen.

Houten huizen tussen akkers en stallen

Ondanks de opkomende handel bleef Groningen een nederzetting van houten gebouwen. De woningen hadden draagconstructies van zware balken, terwijl wanden uit hout en andere materialen bestonden. Riet en stro waren bruikbare dakbedekkingen. Op de erven lagen schuren, stallen, opslagplaatsen en tuinen. Zelfs binnen de stadswal waren nog akkers aanwezig. Runderen, schapen, varkens en pluimvee vormden een belangrijk onderdeel van de plaatselijke economie. Het latere stadsbeeld met hoge stenen koopmanshuizen bestond niet. Groningen was een plaats waar het boerenleven nog zichtbaar aanwezig was, terwijl langs de straten en markten langzaam nieuwe stedelijke activiteiten ontstonden.

De eerste stenen kerken veranderen het aanzien

Vanaf de elfde eeuw werd natuursteen steeds belangrijker voor de bouw van kerkelijke gebouwen. Tufsteen werd uit gebieden verder stroomopwaarts langs de Rijn aangevoerd. Het was kostbaar materiaal dat met schepen over grote afstanden moest worden vervoerd. De meeste inwoners konden zich dergelijke bouwwerken niet veroorloven. Daarom ontstond een duidelijk verschil tussen de monumentale stenen kerken en de veel eenvoudigere houten woningen. Het materiaal maakte grote, duurzame gebouwen mogelijk. De aanwezigheid van tufsteen laat bovendien zien dat Groningen over handels- en vervoersverbindingen beschikte waarlangs zware bouwmaterialen konden worden aangevoerd. De eerste monumentale steenbouw maakte de groeiende kerkelijke macht zichtbaar.

De Oude Boteringestraat krijgt een keienweg — na 1050

Onder de huidige Oude Boteringestraat vonden archeologen verschillende oude straatverhardingen. Onder de oudste bestrating lag een voormalige akkerlaag. Dierlijk botmateriaal uit de bodem werd met koolstofonderzoek gedateerd binnen de periode 1050–1220. De eerste bestrating kan daardoor al uit de tweede helft van de elfde eeuw stammen. De weg werd met kleine veldkeien verhard en in latere eeuwen herhaaldelijk opgehoogd. De vondst toont hoe landbouwgrond plaatsmaakte voor een permanente verkeersverbinding. De Oude Boteringestraat groeide uit tot een van de belangrijkste toegangswegen van Groningen. De ontwikkeling van de stad werd dus ook zichtbaar in de aanleg van wegen en pleinen.

Een houten huis aan de Hoge der A — einde elfde eeuw

Bij archeologisch onderzoek aan Hoge der A 9 werden resten van houten gebouwen uit de elfde en twaalfde eeuw ontdekt. Onder een latere keldervloer lagen paalkuilen en een houten waterput. De put was opgebouwd uit verticale planken en verstevigd met balken. Een van die balken bleek afkomstig van een ouder gebouw. Onderzoek van de jaarringen wees uit dat het hout oorspronkelijk aan het einde van de elfde eeuw was gekapt. De vondst geeft een zeldzame indruk van de houten bouwconstructies die langs de rivier stonden. De ligging aan de A was gunstig voor vervoer en bewoning, maar de precieze functie van de gebouwen blijft onzeker.

GRONINGEN — VAN BOERENERVEN TOT EEN BLOEIENDE STAD (1000–1227)

DEEL 3 VAN 4 — DE GROEI VAN EEN HANDELSPLAATS (1100–1200)

DE VERANDERING VAN GRONINGEN — 1100–1175

Rond 1100 — De Sint-Walburgkerk verrijst

Ten noorden van de Martinikerk werd omstreeks 1100 de indrukwekkende Sint-Walburgkerk gebouwd. Het tufstenen gebouw had een uitzonderlijke twintigzijdige plattegrond en behoorde tot het bisschoppelijke complex. De kerk vormde een zichtbaar teken van de macht van Utrecht in Groningen. Mogelijk speelde zij tijdens politieke onrust ook een verdedigende rol. De bouw vereiste gespecialiseerde vaklieden en kostbaar materiaal dat over grote afstanden moest worden aangevoerd. Tussen de lage houten huizen moet het monumentale gebouw sterk zijn opgevallen. Groningen kreeg hiermee een kerkelijk en bestuurlijk middelpunt dat de bijzondere positie van de bisschop in het noorden onderstreepte.

De Martinikerk blijft het middelpunt van de gemeenschap

De Martinikerk stond op de plaats waar eeuwen eerder een houten kerk en een begraafplaats waren ontstaan. In de elfde eeuw had het gebouw een belangrijke stenen bouwfase doorgemaakt. De kerk van Sint-Maarten bleef het religieuze middelpunt van de plaatselijke bevolking. De Sint-Walburgkerk had een sterkere verbinding met het bisschoppelijke gezag. Daarmee kregen de twee belangrijkste kerkgebouwen verschillende functies binnen de groeiende nederzetting. Rondom het Martinikerkhof lagen graven, erven en toegangswegen. Het gebouw dat hier tegenwoordig staat, heeft later ingrijpende veranderingen ondergaan. In de twaalfde eeuw moet het kerkelijke landschap veel eenvoudiger zijn geweest, maar de betekenis voor de inwoners was al groot.

Groningen krijgt een opmerkelijk regelmatig stratenplan

In de elfde en twaalfde eeuw werd het gebied binnen de stadswal opnieuw ingericht. De oude verbinding over de Hondsrug, van de Herestraat naar de Oude Boteringestraat, bleef de belangrijkste noord-zuidroute. Daarnaast ontstonden straten die gedeeltelijk haaks op deze weg werden aangelegd. De wegen verdeelden het terrein in langgerekte bouwblokken. Langs verschillende straten lagen bermsloten die het water moesten afvoeren. Sommige wegen kregen keienverhardingen. Het regelmatige patroon wijst op bewuste organisatie en waarschijnlijk op invloed vanuit de bisschoppelijke bestuurssfeer. De indeling zou eeuwenlang herkenbaar blijven. Zelfs tegenwoordig zijn delen van het elfde- en twaalfde-eeuwse stratenstelsel nog in de Groningse binnenstad terug te vinden.

De Vismarkt en de Grote Markt krijgen vorm

Bij de aanleg van het nieuwe stratenpatroon ontstonden open ruimten die als marktplaats konden worden gebruikt. De Vismarkt en de Grote Markt ontwikkelden zich gedurende de elfde en twaalfde eeuw tot belangrijke centra van het handelsverkeer. Hier konden boeren, kooplieden en andere bezoekers hun producten aanbieden. De inrichting verliep niet in één keer en de pleinen hadden aanvankelijk niet precies hun huidige omvang. Rond de open ruimten lagen houten woningen, boerenerven en terreinen die nog agrarisch werden gebruikt. De markten veranderden het karakter van Groningen. De nederzetting werd steeds meer een plaats waar mensen uit verschillende gebieden bijeenkwamen om goederen uit te wisselen.

Onder de Grote Markt liggen de resten van akkers

Archeologisch onderzoek onder de Grote Markt bracht sporen van vroegere landbouw en bewoning aan het licht. Onder jongere lagen werden resten gevonden van akkergebruik, houten constructies en andere menselijke activiteiten. Daarmee werd duidelijk dat het gebied niet altijd een open handelsplein was geweest. De verandering van boerenland naar marktgebied vond geleidelijk plaats. Grondmonsters bevatten bovendien resten van graan en andere planten. Niet iedere vondst betekent dat op exact dezelfde plaats een akker lag, maar gezamenlijk wijzen de resultaten op een nederzetting waarin landbouw een belangrijke rol bleef spelen. De ontwikkeling van de markt betekende dat steeds meer grond een nieuwe stedelijke bestemming kreeg.

De dieren van middeleeuws Groningen

Bij archeologische onderzoeken aan de Grote Markt zijn grote hoeveelheden dierenbotten gevonden. Daaronder bevinden zich resten van runderen, schapen, geiten en varkens. Verschillende botten vertonen sporen van slachten en het verwijderen van vlees. De vondsten tonen hoe belangrijk de veeteelt voor de bevolking was. Runderen leverden melk, vlees, mest en trekkracht. Schapen konden wol en vlees opleveren, terwijl varkens een belangrijke bron van voedsel vormden. Niet alle aangetroffen botten stammen uit dezelfde periode en de aantallen geven geen rechtstreeks beeld van het volledige menu. Wel maken de vondsten het dagelijkse boeren- en huishoudelijke leven van middeleeuws Groningen tastbaar.

Gerst, rogge, erwten en bonen op het menu

Bij opgravingen in de binnenstad werden plantenresten ontdekt die inzicht geven in de voedselvoorziening. Zesrijige gerst en rogge behoorden tot de gebruikte graansoorten. Gerst kon worden verwerkt tot pap en bier, terwijl rogge belangrijk was voor brood. Ook erwten en duivenbonen vormden een bruikbare aanvulling op het voedsel. Daarnaast werden wilde vruchten en andere planten verzameld. De gevonden zaden en graanresten laten zien dat de bewoners verschillende producten uit de omliggende landbouwgebieden gebruikten. Niet alles werd op dezelfde wijze gegeten. Veel voedsel werd gekookt, gedroogd of opgeslagen om moeilijke perioden te kunnen overbruggen. De samenstelling van de maaltijden verschilde waarschijnlijk per huishouden.

Vis uit de Aa, de Hunze en de kust

Naast vlees en graan maakte ook vis deel uit van de voedselvoorziening. Bij archeologisch onderzoek zijn visresten gevonden die in verband worden gebracht met middeleeuwse bewoningslagen. Kleine botjes werden vooral ontdekt toen grondmonsters nauwkeurig werden gezeefd. De Drentse Aa, de Hunze en de noordelijke kustwateren boden mogelijkheden voor visvangst en vervoer. Ook gedroogde en gezouten vis kon via handelsverbindingen worden aangevoerd. De gevonden resten vertellen niet hoeveel vis de bewoners gemiddeld aten. Zij laten wel zien dat de voedselvoorziening van Groningen afhankelijk was van verschillende landschappen. Rivieren, kustgebieden, akkers en weilanden leverden ieder een eigen bijdrage.

De kogelpot staat op het vuur

Een van de meest voorkomende voorwerpen in de middeleeuwse huishoudens was de kogelpot. Deze aardewerken pot had een bolle vorm en een afgeronde bodem. Hij werd gebruikt voor koken en mogelijk ook voor andere huishoudelijke werkzaamheden. Bij opgravingen aan de Grote Markt, de Hoge der A en verschillende straten zijn grote aantallen kogelpotfragmenten gevonden. Sommige potten waren plaatselijk vervaardigd, terwijl andere aardewerksoorten van elders kwamen. Vanaf de late elfde eeuw verschenen ook tuitpotten en andere vormen. De vele scherven laten zien hoe algemeen aardewerk in het dagelijkse bestaan was. De voorwerpen vertellen over koken, bewaren, weggooien en de geleidelijke verandering van huishoudelijke gewoonten.

Pingsdorfaardewerk uit het Rijnland

Niet al het aardewerk dat in Groningen werd gebruikt, kwam uit de directe omgeving. Bij verschillende opgravingen zijn scherven aangetroffen van aardewerktypen die in het Duitse Rijnland werden vervaardigd. Pingsdorfaardewerk behoort tot de bekendste voorbeelden. Het werd over grote afstanden verspreid en kwam ook in Noord-Nederland terecht. Bij Poelestraat 36 werden vijf fragmenten van dit type gevonden. Zulke vondsten passen bij de handelscontacten tussen Groningen en het Duitse achterland. Het is echter niet bekend welke handelaar het aardewerk vervoerde of via welke tussenplaatsen het de stad bereikte. De scherven laten zien dat producten van buiten het Groningerland uiteindelijk op gewone erven terechtkwamen.

De overgang naar nieuw aardewerk begint

Tijdens de twaalfde en vroege dertiende eeuw veranderden de aardewerkvormen die in Groningen werden gebruikt. De handgevormde kogelpot bleef algemeen, maar daarnaast kwamen nieuwe pottypen beschikbaar. De ontwikkeling van gespecialiseerd gedraaid aardewerk en vroeg steengoed veranderde geleidelijk het aanbod. Bij opgravingen aan de Grote Markt en de Hoge der A zijn vondsten gedaan die deze veranderingen zichtbaar maken. Niet iedere scherf uit een breed gedateerde laag kan zonder meer vóór 1227 worden geplaatst. Vooral de bijzondere geglazuurde kogelpotten behoren grotendeels tot de latere dertiende eeuw. Voor de vroege geschiedenis zijn de gewone kogelpotten en de eerste nieuwe importproducten daarom het belangrijkst.

De eerste grote markt kan niet zonder boeren

De groei van de handel betekende niet dat Groningen zijn agrarische karakter onmiddellijk verloor. De markten waren juist afhankelijk van landbouwproducten uit Drenthe en de Ommelanden. Boeren konden runderen, schapen, graan, zuivel en andere producten aanbieden. Handelaren brachten goederen mee die de plaatselijke bevolking niet zelf vervaardigde. De markt was daardoor een ontmoetingsplaats tussen verschillende economische werelden. Sommige inwoners verdienden hun bestaan steeds meer met handel of ambacht, terwijl anderen landbouw bleven bedrijven. Achter de houten woningen lagen nog erven en opslagplaatsen. De geleidelijke groei van Groningen was alleen mogelijk doordat de omliggende dorpen voldoende voedsel en grondstoffen konden leveren.

Het leven van een middeleeuwse ambachtsman

Met de groei van de markten werd ook het werk van ambachtslieden belangrijker. Houtbewerkers bouwden huizen, maakten wagens en herstelden bruggen. Smeden vervaardigden en repareerden metalen voorwerpen die boeren en kooplieden nodig hadden. Leerbewerkers konden huiden verwerken, terwijl mensen die met wol werkten kleding en andere textielproducten maakten. De precieze organisatie van deze ambachten in het Groningen van de twaalfde eeuw is nauwelijks bekend. De latere stedelijke gilden bestonden nog niet in hun bekende vorm. Toch moeten dergelijke werkzaamheden voortdurend zijn uitgevoerd. Een nederzetting met huizen, bruggen, karren en gereedschappen kon immers niet functioneren zonder mensen die materialen bewerkten en voorwerpen herstelden.

1112–1128 — De Groningers verzetten zich tegen Utrecht

Tijdens het bestuur van bisschop Godebald ontstonden in Groningen spanningen over het bisschoppelijke gezag. De overlevering beschrijft verzet tegen zijn vertegenwoordigers en hun rechten. De precieze aanleiding en samenstelling van de betrokken partijen zijn niet volledig bekend. Mogelijk speelden tegenstellingen tussen plaatselijke families en de bisschoppelijke bestuurders een belangrijke rol. In ieder geval blijkt dat de inwoners niet zonder meer bereid waren hun landsheer te gehoorzamen. Het conflict is een vroeg voorbeeld van de strijd om zeggenschap die later steeds opnieuw zou oplaaien. Groningen was economisch aantrekkelijker geworden, maar juist daardoor nam de betekenis van rechten, inkomsten en bestuurlijke macht toe.

De Sint-Walburgkerk wordt een machtscentrum

De Sint-Walburgkerk was meer dan een plaats voor religieuze bijeenkomsten. Het gebouw stond in het gebied dat nauw verbonden was met de bisschoppelijke macht. Tijdens onrust in de twaalfde eeuw werd de kerk volgens de overlevering ook bij de verdediging van het bisschoppelijke gezag betrokken. De stevige stenen bouw maakte haar daarvoor geschikter dan de gewone houten woningen. De kerk symboliseerde daardoor de aanwezigheid van een verre landsheer in een nederzetting waar plaatselijke machthebbers steeds meer zelfstandigheid verlangden. Wie het bestuurlijke gebied rond de kerk beheerste, had een belangrijke positie binnen Groningen. Religie, grondbezit en wereldlijke macht waren hier nauw met elkaar verweven.

1139 — Roderwolde verschijnt in de geschiedenis

In 1139 wordt Roderwolde onder de naam Roterwolde vermeld. De nederzetting had inmiddels een kerkelijke gemeenschap en behoorde tot het landschap dat vanuit oudere bewoningsplaatsen op grotere schaal werd ontgonnen. De oorspronkelijke kerk stond noordelijker dan het latere kerkgebouw. Het omliggende veenland was gevoelig voor wateroverlast en bodemdaling. De aanwezigheid van een kerk wijst op een gemeenschap die voldoende betekenis had gekregen om een eigen religieus middelpunt te onderhouden. Roderwolde is daarmee een belangrijk voorbeeld van de vroege bewoning van het westelijke veengebied. De verdere ontwikkeling zou sterk worden bepaald door de afwatering en het voortdurend veranderende landschap.

1139 — Hartbert wordt bisschop van Utrecht

In 1139 werd Hartbert, ook Hardbert genoemd, bisschop van Utrecht. Hij kwam uit het noordelijke gebied en kende de plaatselijke verhoudingen beter dan veel van zijn voorgangers. Zijn benoeming bood mogelijkheden om het bisschoppelijke gezag in Groningen en Drenthe te versterken. De omstandigheden waren echter moeilijk. Grote afstanden, plaatselijke machthebbers en verschillende rechtsgebieden beperkten de directe invloed vanuit Utrecht. Hartbert moest daarom vertrouwen op bestuurders die namens hem konden optreden. Hij koos voor een oplossing die aanvankelijk betrouwbaar leek: belangrijke functies werden aan familieleden gegeven. Die beslissing zou grote gevolgen krijgen voor de verhouding tussen Groningen, Coevorden en de bisschoppen die hem opvolgden.

Rond 1140 — Twee broers krijgen Groningen en Coevorden

Hartbert gaf zijn broer Leffard de prefectuur van Groningen en zijn broer Ludolf de positie van burggraaf bij Coevorden, met belangrijke rechten in Drenthe. Daardoor kwamen twee strategische plaatsen onder invloed van dezelfde familie. Groningen beheerste de toegang tot het Friese handelsgebied, terwijl Coevorden een belangrijke zuidelijke doorgang vormde. De bisschop verwachtte vermoedelijk dat zijn broers zijn belangen zouden verdedigen. Maar hun functies brachten inkomsten, militaire mogelijkheden en plaatselijke invloed met zich mee. In latere generaties gingen hun nakomelingen deze posities steeds meer als erfelijk familiebezit beschouwen. Daarmee was de basis gelegd voor de conflicten die uiteindelijk bij Ane tot een gewelddadige uitbarsting zouden komen.

De prefect krijgt zijn eigen machtsbasis

De prefect van Groningen vertegenwoordigde formeel de bisschop van Utrecht. Hij oefende bestuurs- en rechtsmacht uit en kon inkomsten ontvangen die met het ambt verbonden waren. Zijn positie maakte hem tot een van de machtigste personen in de nederzetting. Maar de prefect woonde dichter bij de Groningers dan de bisschop en beschikte over eigen familiebelangen. Naarmate de functie een erfelijk karakter kreeg, ontstond het gevaar dat de vertegenwoordiger zelfstandiger werd dan zijn landsheer wenste. Ook andere plaatselijke families wilden voorkomen dat alle macht in één hand terechtkwam. Zo ontstond een ingewikkelde strijd tussen bisschoppelijke rechten, persoonlijke aanspraken en stedelijke belangen.

1148 — Anloo en Coevorden verschijnen in kerkelijke afspraken

In 1148 speelde Anloo in Drenthe een rol bij een overeenkomst waarbij abt Wibald van Corvey betrokken was. De abdij Corvey, gelegen aan de Weser, bezat rechten en goederen in verschillende gebieden van het Duitse Rijk. Ook in Noord-Nederland waren zulke buitenlandse kerkelijke instellingen actief. In de overeenkomst werd Coevorden als plaats van betaling genoemd. De gebeurtenis toont hoe grondbezit, inkomsten en bestuur over grote afstanden met elkaar verbonden waren. Niet alleen Utrecht had belangen in het noorden. Ook andere kloosters en bisschoppelijke instellingen bezaten rechten die zij moesten laten beheren. De plaatselijke bevolking leefde daardoor binnen een ingewikkeld netwerk van wereldlijke en kerkelijke verplichtingen.

1150 — Hartbert sterft en laat een gevaarlijke erfenis achter

Op 12 november 1150 overleed bisschop Hartbert. Zijn beleid had belangrijke functies in Groningen en Coevorden aan leden van zijn familie verbonden. Aanvankelijk moest dit het bisschoppelijke bestuur versterken. Op langere termijn ontstonden echter machtige plaatselijke geslachten die zich steeds zelfstandiger gingen gedragen. De prefecten van Groningen en de burggraven van Coevorden konden aanspraak maken op inkomsten en rechten die oorspronkelijk namens Utrecht werden uitgeoefend. Voor opvolgende bisschoppen werd het steeds moeilijker hun gezag zonder tegenstand te handhaven. In de volgende generaties zouden de verschillende families elkaar bovendien regelmatig bestrijden. De politieke spanningen die Groningen later verscheurden, hadden hier een belangrijke oorsprong.

Halverwege de twaalfde eeuw — Groningen wordt herkenbaar als handelsplaats

Rond 1150 was Groningen aanzienlijk veranderd ten opzichte van twee eeuwen eerder. Het had stenen kerken, aarden verdedigingswerken, aangelegde straten en marktpleinen. Landbouw bleef belangrijk, maar daarnaast namen handel en ambacht een steeds grotere plaats in. De stad lag gunstig voor verkeer tussen Drenthe, Friesland en het Duitse achterland. De bevolking was niet overal even welvarend. Sommige families hadden grond, rechten en handelsinkomsten, terwijl anderen afhankelijk waren van boerenarbeid of eenvoudige ambachten. De groei bracht nieuwe mogelijkheden, maar ook tegenstellingen. Juist de toenemende economische betekenis maakte het bezit van bestuurlijke rechten en de controle over de markt aantrekkelijker.

De oude waterwegen brengen buitenlandse goederen

Via de noordelijke kustwateren konden goederen uit verschillende gebieden naar Groningen en de omliggende handelsplaatsen komen. De Rijnstreek leverde onder andere aardewerk en wijn. Vanuit Westfalen konden hout, graan, steen en andere producten worden aangevoerd. De Friese kust bood verbindingen met Engeland en andere Noordzeehavens. Voor de verder gelegen Oostzeegebieden werden handelscontacten eveneens belangrijk. Het vervoer verliep waarschijnlijk via meerdere tussenplaatsen. Niet iedere koopman legde zelf de volledige afstand af. De vondsten van zilveren munten en geïmporteerd aardewerk tonen dat Noord-Nederland onderdeel was van een uitgebreid handelsnetwerk. De precieze omvang van de Groningse handel is echter niet bekend.

De kerken van Marum en Midwolde verrijzen

In Vredewold verschenen gedurende de twaalfde eeuw stenen kerkgebouwen. De kerken van Marum en Midwolde bewaren bouwfasen uit deze vroege periode. Zij vormden herkenbare bakens in een landschap dat verder vooral uit houten boerderijen, landbouwgrond en veen bestond. De stichting en bouw van zulke kerken vereisten voldoende middelen en een georganiseerde gemeenschap. Ook maakten zij duidelijk dat de kerkelijke inrichting van het westelijke achterland steeds verder was gevorderd. De grote Groningse borgen die later het landschap zouden bepalen, bestonden toen nog niet in hun bekende vorm. De kerken waren daardoor vaak de meest opvallende stenen gebouwen buiten de stad.

De kerksloot van Roderwolde volgt het oude landschap

Bij archeologisch onderzoek aan het Hoogeheem kwamen oude sloten aan het licht waarvan de richting overeenkwam met latere verkavelingslijnen. Een bijzondere verbinding vormt de kerksloot, die in verband wordt gebracht met het vroegere kerkterrein van Roderwolde. Wanneer de richting noordwaarts wordt gevolgd, sluit deze aan op het landschap bij Lagemeeden. Dat kan wijzen op een zorgvuldig ingericht ontginningsgebied waarin watergangen en herkenbare punten werden gebruikt om percelen uit te zetten. De oorspronkelijke aanlegmethode is niet bewezen. Wel toont de overeenkomst dat de inrichting van het gebied een langdurige geschiedenis had. De middeleeuwse ontginningen bleven nog eeuwenlang zichtbaar in de ligging van sloten en wegen.

1164 — De Sint-Julianavloed treft het kustgebied

In februari 1164 werd het Noordzeekustgebied getroffen door een zware stormvloed die bekendstaat als de Sint-Julianavloed. Ook voor het Groningerland vormde hoogwater een voortdurende bedreiging. De wierden boden bescherming aan woningen en bewoners, maar niet alle landbouwgrond lag hoog genoeg. Wanneer het zoute zeewater over de kwelders stroomde, konden akkers en weilanden beschadigd raken. Boeren moesten hun dieren naar veiligere plaatsen brengen en voedselvoorraden beschermen. De precieze omvang van de schade in Groningen is niet bekend. De overstroming toont wel waarom verhoogde woonplaatsen, dijken en afwateringsvoorzieningen zo belangrijk waren voor het bestaan van de kustbewoners.

1169 — De grond bij Selwerd krijgt een nieuwe bestemming

De verwerving van grond bij Selwerd door de abdij van Ruinen in 1169 vormde een belangrijk moment in de religieuze ontwikkeling ten noordwesten van Groningen. De kerkelijke instelling verkreeg daarmee een positie in een gebied waar landbouw en verkeer samenkwamen. Het land kon worden gebruikt voor inkomsten, pacht of toekomstige religieuze activiteiten. De latere kloostergemeenschap van Selwerd ontstond niet noodzakelijk onmiddellijk na deze aankoop. Wel maakt de gebeurtenis duidelijk dat er al vóór 1200 kerkelijke belangen in het gebied bestonden. De aanwezigheid van dergelijke instellingen zou in de volgende eeuwen een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van landbouw en waterbeheer rondom Groningen.

1 november 1170 — De Allerheiligenvloed

Op 1 november 1170 werd het Noordzeekustgebied opnieuw getroffen door een zware stormvloed. De Allerheiligenvloed behoort tot de belangrijke overstromingen uit de twaalfde eeuw. De hoge waterstand kon dijken en lage woonplaatsen bedreigen en landbouwgronden onder zout water zetten. Voor de kustbewoners was het verlies van een oogst of een deel van hun veestapel een zware economische tegenslag. Tegelijkertijd veranderden de overstromingen het landschap. Waterlopen konden worden uitgesleten, geulen verbreed en lage gronden opnieuw met klei bedekt. De bewoners moesten hun waterkeringen en afwatering daarop aanpassen. Het leven aan de noordelijke kust bleef daardoor nauw verbonden met het gevaar van de zee.

Het Hogeland krijgt nieuwe kwelderwallen

In de elfde en twaalfde eeuw ontstonden langs de Noord-Groningse kust nieuwe kwelderwallen. In de omgeving van Hornhuizen, Kloosterburen, Pieterburen en Westernieland ontstonden hogere stroken grond die op termijn mogelijkheden voor bewoning en landbouw boden. De ontwikkeling verliep geleidelijk door aanslibbing vanuit zee. Oude wierdedorpen kwamen steeds verder van de kust te liggen, terwijl op jongere kwelders nieuwe nederzettingen konden ontstaan. Niet alle huidige dorpen bestonden al in hun latere vorm. De nieuwe gronden bleven bovendien kwetsbaar voor hoogwater. Door hun erven te verhogen en waterkeringen aan te leggen, konden bewoners het land steeds beter gebruiken.

De eerste dijken beschermen hele landbouwgebieden

Vanaf de elfde en vooral de twaalfde eeuw werden steeds grotere delen van het kustland bedijkt. Aanvankelijk ging het om afzonderlijke lage dijken en beschermde gebieden. Later ontstonden verbindingen tussen verschillende waterkeringen, waardoor grotere stukken land gezamenlijk beschermd konden worden. De wierden bleven belangrijk omdat een dijk nooit volledige zekerheid bood. Een doorbraak kon het achterliggende land zwaar beschadigen. Dijkbouw vereiste daarom samenwerking tussen bewoners en grondbezitters. Zij moesten afspraken maken over het onderhoud en het herstel van zwakke plekken. Het waterbeheer kreeg daarmee niet alleen een technische, maar ook een bestuurlijke betekenis. De bescherming van landbouwgrond werd steeds meer een gemeenschappelijk belang.

De eerste zijlen laten het water naar zee

Door het aanleggen van dijken ontstond een nieuw probleem. Het regenwater en het water uit de afwateringssloten konden niet langer overal vrij naar zee stromen. Daarom werden uitwateringssluizen aangelegd, die in Groningen zijlen werden genoemd. Eenvoudige houten constructies konden bij eb water doorlaten en bij vloed het binnendringen van zeewater tegengaan. De precieze aanlegdatum van afzonderlijke vroege zijlen is vaak onzeker. Wel maakte deze techniek het mogelijk om bedijkte gebieden beter te ontwateren. Het onderhoud vereiste gezamenlijke arbeid en afspraken tussen verschillende gebruikers. Daardoor groeide naast het landbezit ook de betekenis van waterstaatkundige samenwerking.

Een gevaarlijke verandering onder de akkers

De aanleg van dijken en ontwateringssloten maakte nieuwe landbouwgronden bruikbaar, maar veranderde tegelijkertijd de natuurlijke waterhuishouding. Ontwaterd veen begon in te klinken en het maaiveld zakte. Daardoor kon land dat eerst veilig leek, opnieuw onder water komen te staan. Na een stormvloed kon het water bovendien achter de dijken blijven staan, omdat het niet vanzelf meer terug naar zee stroomde. Bewoners moesten nieuwe sloten graven, oude waterlopen verbeteren en beschadigde dijken herstellen. Het Groningerland werd zo een landschap dat voortdurend onderhoud nodig had. De groeiende landbouw was afhankelijk geworden van menselijke ingrepen in de natuurlijke afwatering.


KLOOSTERS EN HANDEL IN DE LAATSTE DECENNIA VAN DE TWAALFDE EEUW — 1175–1199

De kloosters krijgen steeds meer invloed

In de tweede helft van de twaalfde eeuw breidde het kloosterleven zich over het Groningerland uit. Verschillende religieuze orden kregen bezittingen in de omgeving van de stad en in de Ommelanden. Zij leefden van schenkingen, landbouwinkomsten en het beheer van landerijen. Kloosters waren in de eerste plaats religieuze gemeenschappen, maar vormden tegelijkertijd belangrijke economische instellingen. Zij hadden gebouwen nodig, moesten voedsel verbouwen of aankopen en konden grond laten ontginnen. In de volgende eeuwen zouden sommige kloosters grote invloed krijgen op de waterstaat en de landbouw. Die ontwikkeling begon bescheiden, maar veranderde geleidelijk de verhouding tussen kerkelijke instellingen en de bewoners van het platteland.

1185 — De waarde van een koe

In historische beschrijvingen worden voor het jaar 1185 geldwaarden van landbouwdieren genoemd. H.A. Wijnne vermeldde in zijn boek uit 1865 een waardebepaling waarbij een koe enkele schellingen vertegenwoordigde en een trekos een hogere waarde had. De precieze bedragen mogen niet zonder verder onderzoek als vaste Groningse marktprijzen worden beschouwd. Wel laten dergelijke gegevens zien dat dieren een belangrijke economische waarde hadden. Een rund leverde melk, vlees en mest, terwijl een trekos nodig kon zijn voor het bewerken van akkers en het vervoeren van goederen. Het verlies van een dier betekende daarom meer dan het verlies van bezit. Een boerengezin kon er een belangrijk deel van zijn bestaanszekerheid door verliezen.

De handel over de Hondsrug groeit verder

De wegen over de Hondsrug bleven de belangrijkste landverbindingen met het zuiden. Via Drenthe en Coevorden konden kooplieden verder trekken naar Bentheim, Münster en de Rijnstreek. Het transport vond plaats met paarden, lastdieren en karren. Slechte zandwegen en natte beekdalen maakten lange reizen moeilijk. Handelaren vervoerden goederen die in andere streken gevraagd werden. Boter, kaas, wol, huiden en vis waren voor het noorden belangrijke producten. Uit het Duitse achterland konden graan, hout, steen en geweven stoffen komen. De exacte omvang van deze handel in de twaalfde eeuw is niet bekend. De geografische verbindingen vormden echter de basis voor het latere intensieve handelsverkeer.

Bentheimer zandsteen en andere buitenlandse producten

In de latere middeleeuwen werd Bentheimer zandsteen een bekend bouwmateriaal dat via de zuidelijke handelsroutes naar Noord-Nederland kon komen. Ook hout, rogge en andere producten uit Westfalen werden in historische handelsbeschrijvingen genoemd. Voor de twaalfde eeuw is niet van ieder product vast te stellen hoeveel ervan Groningen bereikte. Wel werd voor de kerkelijke steenbouw al materiaal uit verder gelegen gebieden aangevoerd. De aanwezigheid van buitenlandse bouwmaterialen en aardewerk toont dat Groningen niet uitsluitend van zijn directe omgeving afhankelijk was. Naast de landbouwproducten van de Ommelanden waren ook de handelsverbindingen met het Duitse achterland van belang voor de verdere ontwikkeling van de nederzetting.

De kooplieden zoeken bescherming

Reizen met goederen was in de middeleeuwen niet zonder gevaar. Koopvaarders moesten rekening houden met slecht weer, ondiepe waterwegen, tolheffingen en plaatselijke machthebbers. Over land konden karren op slechte wegen vastlopen of door gewapende groepen worden overvallen. Kooplieden hadden daarom belang bij afspraken over veiligheid en gezamenlijke bescherming. In de latere Groningse bronnen verschijnen handelsverenigingen die hensen of broederschappen werden genoemd. Zij organiseerden de belangen van handelaren die naar verschillende steden reisden. De precieze ouderdom van deze verenigingen is echter niet altijd vast te stellen. Zij mogen daarom niet zonder meer als volledig ontwikkelde handelsgilden van het jaar 1100 worden voorgesteld.

Groningen en de vroege handelsverenigingen

In het latere Oldermansboek worden verschillende vormen van koopmansverenigingen onderscheiden. Sommige richtten zich op handel met één stad, zoals Keulen of Utrecht, terwijl andere een ruimer handelsgebied bestreken. De regels geven inzicht in de organisatie van Groningse kooplieden, maar zijn in hun overgeleverde vorm grotendeels jonger dan 1227. Zij kunnen daarom niet rechtstreeks bewijzen hoe de handel in de twaalfde eeuw was georganiseerd. Wel passen zulke verenigingen bij een plaats waar handelaren steeds vaker gezamenlijk grote afstanden aflegden. De latere ontwikkeling van gilden en broederschappen bouwde waarschijnlijk voort op oudere contacten, maar de precieze continuïteit blijft onzeker.

Groningen staat nog buiten de latere Hanzeorganisatie

De handelsverbindingen van Groningen met de Noordzee en de Oostzee ontstonden vóór de volledige ontwikkeling van de latere Hanze. Kooplieden uit verschillende steden werkten samen en gebruikten dezelfde handelsroutes, maar dat betekende niet dat Groningen rond 1150 al lid was van een vaste Hanzeorganisatie zoals die in de veertiende eeuw bestond. De oudere handelscontacten moeten daarom worden onderscheiden van de latere politieke en economische samenwerkingsverbanden. De aanwezigheid van Noord-Nederlandse munten in Scandinavië en het Oostzeegebied laat wel zien dat het noorden deel uitmaakte van verre handelsnetwerken. De groeiende plaats kon daarvan profiteren zonder reeds een grote internationale handelsstad te zijn.

Engeland en de Noordzeekust

De Friese kuststreken hadden al eeuwenlang verbindingen met de overzijde van de Noordzee. Vanuit havens aan de kust konden goederen naar Engeland en andere Noordzeelanden worden vervoerd. Wol en geweven stoffen speelden binnen deze handelswereld een belangrijke rol. Voor de periode vóór 1227 zijn niet alle goederenstromen rechtstreeks aan Groningen te verbinden. Wel blijkt uit de verspreiding van aardewerkvormen en andere vondsten dat Noord-Nederland deel uitmaakte van bredere economische en culturele contacten. Handelswaar kon via verschillende havens en tussenhandelaren reizen. De band met Engeland was daarmee een onderdeel van een grotere Noordzeewereld, waarin ook de Friese kustplaatsen een eigen positie hadden.

Scandinavië en het Oostzeegebied

Ook de verre gebieden rond de Oostzee maakten deel uit van het handelsnetwerk waarin Noord-Nederlandse goederen en munten circuleerden. Zilveren penningen uit Groningen en de omliggende muntplaatsen zijn aangetroffen in Scandinavische en Oost-Europese schatvondsten. Zulke vondsten zijn bijzonder omdat zij het internationale bereik van de geldcirculatie zichtbaar maken. Het vervoer verliep waarschijnlijk via handelsplaatsen aan de Noordzee en de Oostzee. Niet iedere munt hoeft rechtstreeks vanuit Groningen te zijn verscheept. De vondsten tonen vooral dat de economie van het Groningerland niet geïsoleerd was. Geld, goederen en contacten konden vele honderden kilometers afleggen voordat zij hun uiteindelijke bestemming bereikten.

Het klooster Germania bij Thesinge — einde twaalfde eeuw

Bij Thesinge ontstond tegen het einde van de twaalfde eeuw het benedictijnse klooster Germania, gewijd aan Sint-Felicitas. De gemeenschap vestigde zich in een gebied dat al lang werd bewoond. Thesinge lag tussen oude wierden en landbouwgronden en had verbindingen met het omliggende kustland. De stichting bracht een nieuwe religieuze instelling naar het gebied. Het klooster moest beschikken over gebouwen, inkomsten en grond om de gemeenschap te onderhouden. De grote kloosterkerk waarvan tegenwoordig nog een deel bestaat, kreeg haar bekende vorm vooral in latere bouwfasen. De oorsprong van Germania behoort echter tot de periode waarin ook Groningen steeds meer religieuze en economische betekenis kreeg.

Rond 1190 — Het prefectambt veroorzaakt nieuwe conflicten

Aan het einde van de twaalfde eeuw namen de spanningen rondom het bestuur van Groningen opnieuw toe. De prefectuur was inmiddels een belangrijke functie geworden, waarop verschillende personen en families aanspraken maakten. De bisschop van Utrecht beschouwde het ambt als een bevoegdheid die namens hem werd uitgeoefend. Plaatselijke machthebbers zagen het steeds sterker als een erfelijk recht. Daardoor ontstonden conflicten over benoemingen, inkomsten en bestuursmacht. De bronnen beschrijven geweld tussen rivaliserende vertegenwoordigers en hun aanhangers. Ook de politieke verhoudingen in Coevorden en Drenthe speelden een rol. Groningen werd steeds meer een plaats waar de machtsstrijd tussen Utrecht en de noordelijke elites zichtbaar werd.

De strijd breidt zich uit naar Drenthe

De conflicten rond het Groningse prefectambt bleven niet beperkt tot de nederzetting zelf. In Drenthe hadden de heren van Coevorden eveneens een sterke positie opgebouwd. Zij beheersten belangrijke rechten en verkeerden regelmatig op gespannen voet met de Utrechtse bisschop. De plaatselijke machthebbers hadden eigen aanhangers en militaire mogelijkheden. Daardoor konden geschillen over functies en grondbezit uitgroeien tot gewapende strijd. Voor de bisschop werd het steeds moeilijker om zijn gezag over beide gebieden te handhaven. Dezelfde bestuurlijke constructie die bedoeld was geweest om het noorden vanuit Utrecht te regeren, leverde inmiddels families op die hun eigen zelfstandigheid wilden verdedigen.

1192 — Het klooster Aduard wordt gesticht

In 1192 werd ten westen van Groningen de cisterciënzer abdij Aduard gesticht als dochterklooster van Klaarkamp in Friesland. De nieuwe gemeenschap vestigde zich in een agrarisch landschap waar waterbeheer en landbouw een grote rol speelden. De stichting begon bescheiden. De kloosterlingen moesten hun gebouwen oprichten, grond beheren en voldoende inkomsten verkrijgen om het dagelijks bestaan mogelijk te maken. Aduard zou later uitgroeien tot een van de machtigste religieuze instellingen van Noord-Nederland. De latere uitgestrekte bezittingen, steenbakkerijen en handelsactiviteiten mogen echter niet allemaal al aan het stichtingsjaar worden toegeschreven. Wel begon hier een ontwikkeling die het landschap ten westen van Groningen ingrijpend zou beïnvloeden.

De eerste jaren van Aduard — 1192–1210

De kloosterlingen van Aduard leefden volgens de regels van de cisterciënzer orde. Gebed, gemeenschappelijk leven en arbeid vormden de basis van de gemeenschap. De instelling was afhankelijk van schenkingen, landbouwinkomsten en het beheer van haar bezittingen. Naarmate de gemeenschap groeide, kon zij ook meer land in gebruik nemen of laten ontginnen. Het klooster zou later een belangrijke rol krijgen in het organiseren van landbouw en waterstaatkundige werkzaamheden. In de eerste jaren was daarvan nog slechts het begin zichtbaar. De abdij moest eerst voldoende middelen verzamelen om te kunnen bestaan. De stichting laat zien hoe religieuze instellingen steeds sterker deel gingen uitmaken van het economische leven in het Groningerland.

De monniken brengen landbouwproducten naar verre markten

In latere historische beschrijvingen wordt vermeld dat Aduard landbouwproducten naar Bremen uitvoerde. Ook de steenbakkerij wordt genoemd als een belangrijke kloosterlijke activiteit. Deze berichten tonen hoe groot de economische betekenis van de abdij uiteindelijk werd. Voor de jaren 1192–1227 is echter niet nauwkeurig bewezen wanneer zulke verre handelsactiviteiten en grootschalige steenproductie begonnen. Daarom kan de export naar Bremen niet zonder meer aan de eerste generatie monniken worden toegeschreven. Wel werd vanaf de stichting de basis gelegd voor een instelling die landbouw, grondbezit en uiteindelijk ook handel met elkaar kon verbinden. De latere rijkdom ontstond geleidelijk, gedurende verschillende generaties.

December 1196 — De Sint-Nicolaasvloed

In december 1196 kreeg het Noordzeekustgebied opnieuw te maken met een zware overstroming, bekend als de Sint-Nicolaasvloed. Het water bedreigde de wierden, de lage landerijen en de jonge bedijkte gebieden. Voor boeren kon een stormvloed een groot deel van hun bestaanszekerheid vernietigen. Akkerland raakte verzilt, voedselvoorraden konden verloren gaan en dieren verdronken of moesten worden verplaatst. Beschadigde dijken vereisten onmiddellijk herstel. De precieze schade in Groningen is niet bekend. Wel maken de opeenvolgende stormvloeden duidelijk dat de uitbreiding van landbouwgrond in de kuststreken gepaard ging met voortdurend gevaar. Iedere generatie moest opnieuw leren leven met de zee.

1196 — Groningse kooplieden en de Oostzee

H.A. Wijnne schreef in 1865 dat Groningse kooplieden in 1196 samen met Denen en handelaren uit Lübeck en Bremen betrokken waren bij een vloot voor een onderneming richting het oosten. Het bericht wordt in oudere literatuur gebruikt om het internationale bereik van Groningen te benadrukken. De precieze deelname van Groningse kooplieden en de aard van deze onderneming vragen echter om controle in oudere primaire bronnen. Daarom is het voor deze periode veiliger om vast te stellen dat Noord-Nederland contact had met de Oostzeehandel, zonder een volledige Groningse vloot als bewezen feit te presenteren. De vondsten van munten bieden hiervoor sterker tastbaar bewijs.

Aan de vooravond van een nieuwe eeuw

Tegen het einde van de twaalfde eeuw was Groningen niet langer uitsluitend een nederzetting van boeren. De markten, straten, kerken en verdedigingswal hadden het karakter van de plaats veranderd. Boeren uit het omliggende land zorgden voor voedsel en grondstoffen. Kooplieden verbonden de nederzetting met verder gelegen gebieden. Ambachtslieden maakten de bouw van huizen, wagens, bruggen en gereedschappen mogelijk. Buiten de stad veranderden ontginningen en dijken het landschap. De stichting van kloosters bracht nieuwe instellingen en contacten met zich mee. Toch bleef veel onzeker. Overstromingen bedreigden het land en de groeiende macht van plaatselijke families maakte het bestuur ingewikkelder. Een nieuwe eeuw stond voor de deur, waarin Groningen zijn ontwikkeling zou voortzetten, maar ook met steeds grotere tegenslagen te maken zou krijgen.

GRONINGEN — VAN BOERENERVEN TOT EEN BLOEIENDE STAD (1000–1227)

DEEL 4 VAN 4 — EEN BLOEIENDE STAD TUSSEN WELVAART EN TEGENSLAG (1200–1227)

De geschiedenis van Groningen aan het begin van de dertiende eeuw. Terwijl boeren nieuwe grond ontginnen, kooplieden hun handelsverbindingen uitbreiden en ambachtslieden aan kerken, wegen en woningen bouwen, krijgt de stad steeds meer betekenis. Kloosters worden gesticht, baksteen verandert het bouwen en het landschap wordt opnieuw ingericht. Maar overstromingen, branden en politieke conflicten bedreigen de vooruitgang. De periode eindigt op 28 juli 1227 met de Slag bij Ane.

EEN NIEUWE EEUW VAN HANDEL, LANDBOUW EN STADSONTWIKKELING — 1200–1215

Rond 1200 — De bevolking van de stad verandert

De groeiende handel en bestuurlijke betekenis van Groningen maakten de nederzetting aantrekkelijk voor mensen uit verschillende gebieden. Boeren uit de omgeving kwamen naar de markten, terwijl geestelijken, kooplieden en ambachtslieden in de stad werkzaam waren. De meeste gebouwen bleven van hout, maar het aantal stedelijke functies nam toe. De markten vormden belangrijke ontmoetingsplaatsen en de kerkelijke instellingen kregen steeds meer betekenis. Binnen de wal lagen nog open erven en landbouwgrond. Daardoor bleef het dagelijks leven nauw verbonden met het boerenland. Groningen ontwikkelde zich tot een gemengde samenleving, waarin handel en bestuur belangrijker werden zonder dat landbouw en veeteelt verdwenen.

De houten brug over de A — twaalfde eeuw

Aan de westzijde van Groningen werd in de twaalfde eeuw een houten brug over de Drentse Aa aangelegd. Deze verbinding lag bij de huidige Brugstraat en maakte het verkeer naar het westelijke achterland gemakkelijker. Voordien waren reizigers mogelijk afhankelijk van een doorwaadbare plaats of andere eenvoudige oversteekvoorzieningen. De brug bood voordelen voor mensen met karren, lastdieren en handelswaar. Producten uit Vredewold en de westelijke kleigebieden konden gemakkelijker naar Groningen worden gebracht. Ook voor reizigers die de stad wilden verlaten, werd de route betrouwbaarder. De brug vormde daarmee een belangrijke stap in de ontwikkeling van het middeleeuwse verkeersnetwerk.

De Drentse Aa wordt gedeeltelijk verlegd

Aan de westelijke rand van Groningen veranderde de loop van de Drentse Aa door menselijk ingrijpen. Volgens de cultuurhistorische verkenning werd de rivier ten zuiden van de Brugstraat vanaf de elfde eeuw geleidelijk westwaarts verlegd. Oude delen van de bedding werden gedempt met grond en afval. Daardoor kwam nieuwe ruimte beschikbaar voor wegen en bebouwing. De ontwikkeling verliep niet in één keer. De inwoners pasten het landschap steeds opnieuw aan hun behoeften aan. De ligging van de rivier bij de latere stad was daardoor het resultaat van zowel natuurlijke processen als menselijke werkzaamheden. Het huidige waterlandschap mag niet zonder meer worden gebruikt om de situatie rond 1100 te reconstrueren.

De Hunze blijft buiten de stad stromen

Terwijl de Drentse Aa dicht langs de westelijke stadsrand liep, stroomde de Hunze oostelijk van de nederzetting. De rivier kwam vanuit Drenthe en liep via het lage landschap verder naar het noorden. De grote omleiding waarbij Hunzewater rechtstreeks via het Schuitendiep naar de stad werd gevoerd, behoort volgens nieuwer waterstaatkundig onderzoek pas tot de periode rond 1400. Het oudere jaartal 1259 voor deze ingreep is daarom niet geschikt als vaststaand gegeven. Rond 1200 moeten we uitgaan van een landschap met afzonderlijke rivierlopen, sloten en gegraven verbindingen. Groningen had nog niet het volledig ontwikkelde kanalenstelsel dat in latere eeuwen de handel en turfvaart zou ondersteunen.

De eerste kanalen veranderen het verkeer

Naast natuurlijke rivieren kende het Groningerland al vóór 1227 gegraven watergangen. Het Winsumerdiep en delen van het oude netwerk rond de Delf worden in verband gebracht met vroege ontwatering en scheepvaart. In het veengebied werden bovendien talloze sloten gegraven. Niet alle watergangen waren breed genoeg voor handelsvaart. Sommige dienden uitsluitend om het land droog te houden. Toch ontstond geleidelijk een netwerk waarin waterbeheer en vervoer elkaar aanvulden. De grote latere kanalen, zoals het Slochterdiep en de waterwegen van de zeventiende-eeuwse Veenkoloniën, bestonden nog niet. Het middeleeuwse landschap kende vooral natuurlijke rivieren, kleinere gegraven waterlopen en plaatselijke afwateringsstelsels.

De Oude Provinciale Dijk — omstreeks 1200

Rond 1200 kwam de bedijking van het Noord-Groningse kustgebied in een nieuwe fase. De Oude Provinciale Dijk wordt verbonden met de ontwikkeling van een doorlopende zeewering langs delen van het Hogeland. Daardoor konden grotere landbouwgebieden gezamenlijk worden beschermd. De aanleg vergde veel arbeid. Bewoners moesten grond verzamelen, het dijklichaam opwerpen en zwakke gedeelten onderhouden. Achter de dijk veranderde de afwatering, omdat regenwater en rivierwater niet meer overal vrij naar zee konden stromen. Daardoor werden sloten en zijlen steeds belangrijker. De ontwikkeling vormde een belangrijke stap van afzonderlijke beschermde erven naar grotere gebieden waarin de waterstaat gezamenlijk werd beheerd.

Humsterland en Middag worden sterker bedijkt

Ten westen van Groningen hadden Humsterland en Middag een eigen landschappelijke geschiedenis. Oude getijdengeulen hadden de gebieden van elkaar gescheiden en grote delen van de omgeving onder invloed van de zee gebracht. In de twaalfde eeuw werden dijken aangelegd om de landbouwgronden beter te beschermen. Humsterland kreeg een eigen ringdijk en delen van Middag werden verbonden met grotere waterkeringen. De bescherming maakte het mogelijk om lagere gronden intensiever te gebruiken. Tegelijkertijd veranderde de waterhuishouding. De bewoners moesten rekening houden met de afvoer van binnenwater en de gevolgen van stormvloeden. Zo groeide het belang van gezamenlijke waterstaatkundige afspraken.

Het Hoogeheem verdwijnt onder de klei

Bij archeologisch onderzoek aan het Hoogeheem, ten westen van Hoogkerk, werd een oude ontginningssloot ontdekt die later door een kleilaag was afgedekt. De laag was plaatselijk ongeveer dertig centimeter dik. Zij werd waarschijnlijk in de twaalfde of vroege dertiende eeuw afgezet. De vondst toont dat een gebied dat eerder door boeren was ontwaterd, opnieuw onder invloed van overstromingen kwam te staan. De klei bedekte vroegere sporen van landbouw en veranderde de eigenschappen van de bodem. Voor de bewoners betekende dit dat eerder uitgevoerd werk verloren kon gaan. De ontwikkeling maakte duidelijk hoe kwetsbaar de nieuwe veenontginningen waren tegenover bodemdaling en hoogwater.

De boeren beginnen opnieuw na het hoogwater

Na de afzetting van de nieuwe kleilaag werd het land bij het Hoogeheem opnieuw ingericht. Archeologen vonden jongere sloten die grotendeels dezelfde richting volgden als de oudere watergangen. Tussen de sloten kwamen bovendien ploegsporen aan het licht. Dat wijst erop dat de grond na de overstromingen opnieuw voor landbouw werd gebruikt. De tweede ontginningsfase wordt ruim rond de overgang van de twaalfde naar de dertiende eeuw geplaatst. De precieze datering is onzeker. Wel toont het onderzoek dat de bewoners niet zonder meer vertrokken wanneer hun land overstroomde. Zij probeerden de gronden opnieuw bruikbaar te maken en gebruikten daarbij vaak de bestaande inrichting als uitgangspunt.

De Marne krijgt nieuwe woonplaatsen

In het noordwesten van Groningen ontstonden door aanslibbing nieuwe kwelderwallen. De omgeving van Hornhuizen en Kloosterburen werd tijdens de elfde en twaalfde eeuw verder in gebruik genomen. Ook richting Pieterburen en Westernieland ontwikkelden zich nieuwe mogelijkheden voor bewoning. De hogere kwelderwallen boden een betere basis voor huizen en landbouw dan het omliggende lage land. Toch bleef de zee een bedreiging. Nieuwe gronden waren niet onmiddellijk veilig en moesten soms worden verhoogd of bedijkt. Oudere wierdedorpen kwamen daardoor steeds verder landinwaarts te liggen. De kustlijn schoof geleidelijk op, terwijl bewoners zich aan de veranderende omstandigheden probeerden aan te passen.

Middelbert en Engelbert aan de rand van het veen

Ten oosten van Groningen lagen Middelbert en Engelbert op relatief hogere zandige gronden. Daarachter begonnen natte veengebieden die vanaf de middeleeuwen steeds verder werden ontgonnen. Bewoners groeven sloten en richtten lange percelen in, waardoor nieuwe landbouwgrond ontstond. De nederzettingen vormden belangrijke uitgangspunten voor deze werkzaamheden. De latere Borgsloot en Borgwal zouden een rol krijgen bij de waterstaatkundige en bestuurlijke inrichting van het gebied. De eerste schriftelijke vermelding van de Borgsloot dateert echter van na 1227. Daarom kan de latere vorm van deze watergang niet zonder meer naar de twaalfde eeuw worden teruggebracht. Wel ontstonden de problemen die zulke voorzieningen noodzakelijk maakten al tijdens de vroegere ontginningen.

De huiswierde bij het Koerspad — circa 1050–1250

Bij het huidige Koerspad, in de omgeving van Beijum, lag een middeleeuwse huiswierde. De kunstmatig verhoogde woonplaats was aangelegd in een laaggelegen landschap van klei, veen en oude waterlopen. Tijdens archeologisch onderzoek werden 63 boringen verricht. In twee boringen kwamen scherven van kogelpotaardewerk aan het licht die tussen ongeveer 1050 en 1250 werden gedateerd. Het onderzoek bevestigt dat hier in de middeleeuwen menselijke activiteiten plaatsvonden. Het bewijst niet dat de woonplaats gedurende die hele periode onafgebroken bewoond was. Wel vormt de huiswierde een concreet voorbeeld van de manier waarop mensen buiten Groningen ook in natte gebieden verhoogde erven aanlegden.

Een mysterieuze brandlaag onder Beijum

In de huiswierde bij het Koerspad ontdekten archeologen een opvallende laag met verbrande grond en houtskool. Zij strekte zich uit over ongeveer twintig bij vijfentwintig meter en was plaatselijk enkele tientallen centimeters dik. Mogelijk houdt de laag verband met een brand, maar het onderzoek kon niet vaststellen wat er precies was gebeurd. Ook de datering bleef onzeker. De verbrande resten mogen daarom niet aan een bekende stadsbrand of oorlog worden gekoppeld. De vondst laat vooral zien hoeveel onbekende gebeurtenissen verborgen kunnen liggen onder oude erven. Soms bewaren archeologische lagen sporen van menselijk handelen zonder dat er ooit een geschreven verslag van heeft bestaan.

Waarom er maar enkele aardewerkscherven werden gevonden

Bij het Koerspad werden slechts kleine hoeveelheden aardewerk ontdekt. Dat betekent niet dat de vroegere bewoners nauwelijks potten gebruikten. Het onderzoek bestond grotendeels uit smalle grondboringen, waarmee slechts een klein deel van de bodem werd bemonsterd. Grote opgravingen in de Groningse binnenstad leverden duizenden aardewerkscherven op. De verschillen in aantallen worden daarom mede veroorzaakt door de onderzoeksmethode. Een boring kan aantonen dat er een middeleeuwse laag aanwezig is, maar geeft zelden een volledig beeld van alle gebruiksvoorwerpen die op een erf werden gebruikt. De gevonden scherven vormen slechts een kleine afspiegeling van het vroegere dagelijkse bestaan.

Het verdwenen wierdedorp Verswerd

Ten noorden van Groningen lag aan een vroegere waterloop de wierde Verswerd. De nederzetting kende een lange bewoningsgeschiedenis en ontwikkelde zich in de loop der eeuwen verder. Bij archeologisch onderzoek werden negentien waterputten ontdekt. Verschillende putten bevatten vrijwel complete aardewerken kookpotten uit de elfde en twaalfde eeuw. De putten hadden geen houten beschoeiing zoals sommige waterputten in Groningen zelf. De vondsten geven inzicht in het dagelijkse leven van de bewoners van het wierdenland. Zij moesten beschikken over drinkwater, kookgerei en bruikbare erven. Verswerd toont dat de omgeving van Groningen uit veel afzonderlijke landbouwgemeenschappen bestond, elk met een eigen bewoningsgeschiedenis.

De wierden vormen het hart van het kustland

In Hunsingo, Fivelgo, Middag en Humsterland lagen talrijke wierden verspreid over het landschap. Sommige waren uitgegroeid tot dorpen met een kerk, terwijl andere slechts één of enkele boerenerven droegen. De bewoners leefden van landbouw en veeteelt en waren afhankelijk van de waterstanden. Op de lichtere kwelderwallen konden bepaalde akkergewassen worden verbouwd, terwijl zware kleigronden vaak geschikt waren voor grasland. Oude geulen bepaalden de ligging van wegen en percelen. Via het water stonden de nederzettingen met elkaar in verbinding. De wierden vormden daardoor geen geïsoleerde heuvels, maar onderdelen van een dicht bewoond en economisch gebruikt kustlandschap dat voor Groningen van groot belang was.

De kerken bepalen het landschap

In steeds meer dorpen verrezen kerken die het middelpunt van de plaatselijke gemeenschap vormden. Sommige stonden op oude wierden, andere in jonge ontginningsgebieden op hogere zandige stroken. De kerk was de plaats voor erediensten en begrafenissen, maar ook een centrum van bezit en plaatselijke organisatie. De bouw van stenen kerken vereiste middelen die niet iedere gemeenschap gemakkelijk kon opbrengen. Daardoor waren het vaak de opvallendste gebouwen van het dorp. De meeste inwoners bleven in houten boerderijen wonen. In de open Groningse landschappen tekenden de kerken zich steeds duidelijker af als herkenningspunten tussen akkers, weiden, sloten en verspreide erven.

Rond 1200 — De eerste bakstenen worden gebakken

Aan het einde van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw kwam baksteen in Groningen steeds meer in gebruik. De kleigronden leverden geschikte grondstof en turf kon worden gebruikt als brandstof voor ovens. Daardoor werd het mogelijk om grote hoeveelheden bouwsteen dichter bij de bouwplaatsen te vervaardigen. Eerder waren belangrijke stenen gebouwen vooral afhankelijk geweest van aangevoerde natuursteen zoals tufsteen. De introductie van baksteen betekende niet dat alle houten woningen onmiddellijk verdwenen. De eerste grote toepassingen waren vooral te vinden bij kostbare kerkelijke en andere belangrijke bouwwerken. Pas in volgende generaties zou baksteen het uiterlijk van Groningen steeds sterker bepalen.

De eerste versterkte steenhuizen verschijnen

Rond het begin van de dertiende eeuw ontstonden in Groningen en zijn omgeving de eerste vormen van versterkte bakstenen woonbouw. Deze gebouwen waren kostbaar en konden alleen door vermogende personen of instellingen worden opgericht. Sommige stonden op verhoogde erven of werden omgeven door grachten. De precieze oudste bouwjaren zijn vaak onzeker. Het bekende Calmershuis dateert van rond 1250, het Hinckaertshuis van kort na 1294 en het Iwema Steenhuis van omstreeks 1400. Die gebouwen mogen dus niet in het stadsbeeld van 1200 worden geplaatst. Wel begon in deze periode de overgang naar een landschap waarin rijke families hun bezit en macht ook door stenen gebouwen zichtbaar konden maken.

Het versterkte terrein bij de Zernikelaan

Ten noordwesten van Groningen lag bij het huidige Zernikegebied een vroeg versterkt terrein. Archeologisch onderzoek bracht omgrachte woonplaatsen en resten van een bakstenen steenhuis aan het licht. Het steenhuis was ongeveer tien bij elf meter groot en lag op een verhoogd terrein dat door grachten werd beschermd. De bouw wordt in het begin van de dertiende eeuw geplaatst. Het exacte jaar is niet bekend. Daardoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het gebouw al vóór de Slag bij Ane bestond. Toch is de vondst belangrijk. Zij laat zien dat buiten de stad de ontwikkeling van versterkte stenen woonplaatsen eerder begon dan de later bekend geworden Groningse borgen doen vermoeden.

De stad krijgt een nieuwe stenen toekomst

De overgang van hout naar baksteen veranderde het aanzien van Groningen geleidelijk. Voor kerkelijke instellingen en rijke families bood baksteen de mogelijkheid om stevigere en hogere gebouwen op te richten. Gewone inwoners bleven voorlopig in houten huizen wonen. In de loop van de dertiende eeuw verrezen tientallen stedelijke steenhuizen, maar het grootste deel van deze bouwgolf behoort tot de tijd na 1227. Rond 1200 was de ontwikkeling nog beperkt. De stenen kerken bleven het stadsbeeld domineren, terwijl binnen de omwalling vooral lage houten daken zichtbaar waren. Het Groningse landschap stond daarmee aan het begin van een bouwkundige verandering die in de volgende eeuwen grote gevolgen zou krijgen.


DE NIEUWE KLOOSTERWERELD — 1200–1215

De macht van de kloosters groeit

Rond het begin van de dertiende eeuw ontstonden in het Groningerland steeds meer religieuze gemeenschappen. De kloosters van Aduard, Thesinge en andere plaatsen maakten deel uit van een groter kerkelijk netwerk. Nieuwe instellingen werden gesticht en bestaande gemeenschappen kregen meer bezittingen. Kloosters konden landbouwgrond beheren, inkomsten ontvangen en gebouwen laten oprichten. Zij stonden bovendien in verbinding met andere Europese kloosters en geestelijke machthebbers. Hun invloed bleef niet beperkt tot godsdienstige zaken. Bezit van land en rechten kon leiden tot conflicten met plaatselijke families of andere kerkelijke instellingen. De groei van het kloosterleven veranderde daarmee ook de economische en bestuurlijke verhoudingen in het Groningerland.

1204 — Het klooster Schildwolde wordt gesticht

In 1204 ontstond in Schildwolde een kloostergemeenschap die verbonden was met de premonstratenzer orde. De stichting wordt in verband gebracht met een geestelijke uit de Marne, Henricus. Het klooster werd gewijd aan Maria en stond bekend onder de naam Gratia Sanctae Mariae. De gemeenschap vestigde zich in het agrarische landschap van Duurswold, waar nederzettingen en ontginningen steeds belangrijker werden. De kloosterlingen moesten hun bestaan opbouwen uit schenkingen, landerijen en inkomsten. Schildwolde werd daardoor een nieuw religieus centrum ten oosten van Groningen. De gemeenschap zou later betrokken raken bij conflicten over kerkelijke rechten en de positie van andere kloosters in de omgeving.

Rond 1206 — Egbert wordt een belangrijke prefect

In het begin van de dertiende eeuw groeide Egbert uit tot een van de belangrijkste machthebbers van Groningen. Hij behoorde tot het geslacht dat aanspraken op het erfelijke prefectambt bezat. Zijn positie gaf hem invloed op bestuur, rechtspraak en inkomsten. Formeel trad hij op binnen het gezag van de Utrechtse bisschop, maar in de praktijk beschikte hij over aanzienlijke zelfstandigheid. Ook andere aanzienlijke families wilden hun plaats binnen het stedelijke bestuur behouden. De economische groei van Groningen maakte de strijd om de prefectuur steeds belangrijker. Wie dit ambt beheerste, had immers grote invloed op een nederzetting waar handel en bestuurlijke rechten steeds meer waarde kregen.

De machtige Groningse families raken verdeeld

Binnen Groningen groeiden tegenstellingen tussen verschillende aanzienlijke geslachten. De prefect en zijn aanhangers wilden de bestaande bestuursrechten handhaven. Daartegenover stonden families die zich tegen zijn overheersende positie verzetten. De Gelkingen zouden een belangrijke rol krijgen binnen deze tegenpartij. De strijd ging niet alleen om persoonlijke rivaliteit. Achter de conflicten lagen belangen bij rechtspraak, grondbezit, inkomsten en invloed op het bestuur. Ook de verhouding met Utrecht speelde mee. De bisschop beschouwde de prefect als zijn vertegenwoordiger, terwijl de plaatselijke families steeds zelfstandiger wilden optreden. De politieke verdeeldheid ontwikkelde zich geleidelijk tot een gevaarlijke tegenstelling die ook het omliggende Drenthe zou meeslepen.

De Friese landen hebben hun eigen rechten

Ten noorden en oosten van Groningen lagen de Friese landen Hunsingo en Fivelgo. Hun bewoners kenden eigen bestuurstradities en rechtsgewoonten. Vrije grondbezitters en plaatselijke rechtsgemeenschappen speelden daarin een belangrijke rol. Kerkelijk vielen grote delen van deze gebieden onder het bisdom Münster. Groningen zelf was verbonden met Utrecht. Daardoor liep in de directe omgeving van de stad een belangrijke bestuurlijke en kerkelijke grens. De Friese landen stonden economisch in nauw contact met Groningen, maar waren niet eenvoudig ondergeschikt aan de stad. De verschillende rechten en machtsverhoudingen maakten samenwerking mogelijk, maar konden ook tot conflicten leiden wanneer de belangen van families, geestelijken en gemeenschappen uiteenliepen.

Selwerd groeit uit tot een kloostergemeenschap

Ten noordwesten van Groningen ontwikkelde Selwerd zich verder als religieus centrum. De vroegere bezittingen van de abdij Ruinen vormden een belangrijk uitgangspunt. De zelfstandige benedictijnse gemeenschap wordt in de bronnen en historisch onderzoek niet altijd op dezelfde wijze gedateerd. Haar organisatie wordt doorgaans aan het begin van de dertiende eeuw verbonden. Archeologen ontdekten in het gebied onder meer greppels, waterputten, houten leidingen en delen van kloostergrachten. Niet alle resten stammen uit de oudste kloosterfase. Wel maken zij duidelijk dat het terrein langdurig werd gebruikt en aangepast. Selwerd lag gunstig bij Groningen en de wegen naar het noordelijke wierdengebied.

1211 — Kerkelijke bezittingen bij Baflo en Maarhuizen

In de omgeving van Baflo en Maarhuizen bestonden kerkelijke goederen waarvan de eigendom en inkomsten met instellingen buiten het Groningerland verbonden waren. Documenten uit het begin van de dertiende eeuw bieden inzicht in deze verhoudingen. Ook Menold van Baflo behoort tot de personen die daarbij worden genoemd. De bezittingen laten zien dat het Groningse landschap niet uitsluitend werd beheerd door plaatselijke boeren en aanzienlijke families. Kerken en kloosters konden van grote afstand rechten op land en opbrengsten bezitten. Zulke rechten moesten soms worden bevestigd of verdedigd. Daardoor ontstonden contacten tussen Groningse gemeenschappen en kerkelijke machthebbers uit andere delen van het Duitse Rijk.

1212 — Emo reist naar Rome

Een van de opmerkelijkste geestelijken uit het vroeg-dertiende-eeuwse Groningerland was Emo. Hij was betrokken bij een jonge religieuze gemeenschap en raakte verwikkeld in een conflict over kerkelijke rechten. Om steun te verkrijgen, ondernam hij een lange reis naar Rome. De onderneming bracht hem ver buiten het vertrouwde landschap van Friesland en Groningen. Bij de pauselijke autoriteiten probeerde hij erkenning voor zijn aanspraken te verkrijgen. De reis toont hoe nauw de plaatselijke kloosterwereld verbonden was met de internationale organisatie van de kerk. Een geschil over een kerk in het Groningerland kon uiteindelijk worden voorgelegd aan de hoogste geestelijke macht van het westerse christendom.

Emo wordt een uitzonderlijke kroniekschrijver

Emo schreef niet uitsluitend over zijn eigen klooster. Hij legde ook gebeurtenissen vast die het gehele Groningerland en de omliggende gebieden raakten. Zijn kroniek bevat berichten over overstromingen, oorlogen, kerkelijke geschillen, ziekten en bijzondere natuurverschijnselen. Daardoor weten we over sommige jaren aan het begin van de dertiende eeuw veel meer dan over de voorgaande eeuwen. De beschrijvingen zijn echter geschreven vanuit zijn religieuze wereldbeeld. Emo zag in gebeurtenissen vaak een verband met goddelijke waarschuwingen of straffen. Zijn kroniek is daarom bijzonder waardevol, maar moet kritisch worden gelezen. Zij biedt een zeldzame blik op een samenleving waarin geloof, politiek en dagelijks leven nauw verbonden waren.

Rond 1213 — Het klooster Bloemhof ontstaat

Bij Wittewierum ontwikkelde zich een kloostergemeenschap die bekend zou worden als Bloemhof. De mannen van de religieuze gemeenschap kregen hier hun eigen klooster, terwijl de vrouwen verbonden bleven met Rozenkamp. Beide instellingen maakten deel uit van de premonstratenzer wereld. De stichting verliep niet zonder moeilijkheden. Er waren geschillen over rechten, bezit en de erkenning van de gemeenschap. Ook moesten gebouwen worden opgericht en voldoende middelen worden verzameld om het kloosterleven mogelijk te maken. Dankzij de geschriften van Emo kennen we de eerste ontwikkeling van Wittewierum bijzonder goed. Het klooster werd een belangrijke plaats voor de geschiedschrijving van het dertiende-eeuwse Groningerland.

De kloosters verbinden Groningen met Europa

De nieuwe kloostergemeenschappen stonden niet op zichzelf. Zij behoorden tot religieuze orden die zich over grote delen van Europa uitstrekten. Kloosterlingen konden contact onderhouden met instellingen in Friesland, Duitsland en verder gelegen gebieden. Kerkelijke regels, handschriften en ideeën werden over grote afstanden verspreid. Ook het bezoeken van andere kloosters hoorde bij deze wereld. Voor het Groningerland betekende dit dat de plaatselijke religieuze ontwikkeling nauw verbonden was met internationale veranderingen binnen de kerk. Tegelijkertijd bleven de kloosters afhankelijk van hun directe omgeving. Zij hadden landbouwgrond, voedsel, bouwmaterialen en ondersteuning van weldoeners nodig. Daardoor kwamen internationale kerkelijke netwerken en plaatselijke economische belangen bij elkaar.

1215 — Het vrouwenklooster Yesse wordt gesticht

In 1215 werd bij Essen, ten zuiden van Groningen, het cisterciënzer vrouwenklooster Yesse gesticht. De gemeenschap ontstond in een gebied waar de hogere gronden van de Hondsrug overgingen in het natte landschap van het Hunzedal. Volgens de latere geschiedschrijver Ubbo Emmius speelde een priester uit Groningen, Theodoricus, een rol bij de stichting. De vrouwen kozen voor een religieus leven volgens de regels van de cisterciënzer orde. Aanvankelijk was de gemeenschap bescheiden. Zij was afhankelijk van schenkingen en inkomsten uit landerijen. Yesse vormde een nieuwe verbinding tussen de kerkelijke wereld van Groningen en de agrarische gemeenschappen in het zuidelijke achterland.

Yesse krijgt bezoek uit Heisterbach — 1218–1220

Het jonge vrouwenklooster Yesse stond in verbinding met andere cisterciënzer instellingen. In 1218 en 1220 vonden bezoeken plaats vanuit het Duitse Heisterbach. De abt en de monnik Caesarius van Heisterbach waren bij deze contacten betrokken. Caesarius zou bekend worden door zijn verzameling religieuze verhalen en wondervertellingen. Zijn geschriften bevatten vroege vermeldingen van het klooster Yesse. De bezoeken tonen dat de nieuwe gemeenschap onderdeel was van een internationaal kloosternetwerk. Ook blijkt eruit dat de naleving van kloosterregels en de organisatie van het religieuze leven van buitenaf werden gevolgd. Het toezicht op Yesse werd waarschijnlijk in deze periode sterker verbonden met de abdij Aduard.


HET LEVEN IN EEN BLOEIENDE STAD — 1215–1225

1217 — Friese kruisvaarders trekken naar het zuiden

In 1217 namen ook mannen uit de Friese landen deel aan de kruistochtbeweging. Zij vertrokken over zee en maakten deel uit van een grotere Europese onderneming. Emo beschreef de gebeurtenissen in zijn kroniek. De organisatie van een dergelijke reis vereiste schepen, voedselvoorraden en samenwerking tussen verschillende groepen. De onderneming laat zien dat de bewoners van het noordelijke kustgebied contacten hadden die veel verder reikten dan hun eigen land. De kruisvaarders kwamen onderweg in aanraking met andere Europese gemeenschappen en handelsplaatsen. De deelname had daarnaast een sterke religieuze betekenis. Zij verbond de plaatselijke samenleving met de internationale politiek en geloofsstrijd van het christendom.

1218 — Een brand verwoest gebouwen van Bloemhof

In 1218 werd het jonge klooster Bloemhof in Wittewierum door een zware brand getroffen. Emo beschreef de gebeurtenis in zijn kroniek. Een deel van de gebouwen ging verloren, terwijl andere delen gespaard bleven. Voor de gemeenschap was de brand een ernstige tegenslag. Zij moest haar gebouwen herstellen terwijl het dagelijkse kloosterleven doorging. De gebeurtenis laat zien hoe kwetsbaar middeleeuwse bebouwing was voor vuur. Veel gebouwen waren grotendeels van hout opgetrokken en hadden brandbare dakbedekking. Ook in Groningen zelf vormde brand een voortdurend gevaar. De ramp in Wittewierum mag echter niet zonder bewijs worden verbonden met een gelijktijdige brand in de stad.

16–17 januari 1219 — De Marcellusvloed treft het Groningerland

In de nacht van 16 op 17 januari 1219 brak een van de zwaarste watersnoodrampen van de Groningse middeleeuwen uit. Een krachtige storm joeg het zeewater over de kust en door de zeearmen het land binnen. Dijken werden beschadigd of doorbroken en grote delen van het lage kustland overstroomden. Boeren verloren hun land, dieren en voorraden. Ook religieuze gemeenschappen werden getroffen. Emo beschreef de ramp uitvoerig en gaf een indringend beeld van het gevaar waarin de bewoners verkeerden. Zijn verslag behoort tot de belangrijkste getuigenissen van een middeleeuwse overstroming in Noord-Nederland. De Marcellusvloed maakte duidelijk dat de bescherming van het kustland nog uiterst kwetsbaar was.

De nonnen van Rozenkamp zoeken bescherming op het dak

Tijdens de Marcellusvloed werd ook het vrouwenklooster Rozenkamp door het water bedreigd. Volgens de kroniek van Emo moesten de nonnen hun toevlucht zoeken op het dak van een gebouw. Het water stond zo hoog dat hun leven in gevaar was. De beschrijving maakt de ramp bijzonder tastbaar. Waar gewoonlijk gebed en dagelijks werk plaatsvonden, moesten de bewoners nu proberen het binnendringende water te overleven. Het verslag toont hoe weinig bescherming zelfs kloostergebouwen soms boden. De gevolgen van de overstroming waren bovendien niet voorbij toen het water terugtrok. Gebouwen moesten worden hersteld en de voedselvoorziening opnieuw georganiseerd.

Na de storm begint het moeilijke herstel

Toen het water van de Marcellusvloed wegtrok, bleven de bewoners achter met beschadigde landerijen en waterkeringen. Op sommige plaatsen lag zout water in laagten en sloten. Akkergrond moest opnieuw worden voorbereid voordat er gezaaid kon worden. Voedselvoorraden waren verloren gegaan en boeren moesten hun veestapel herstellen. De kloosters werden eveneens getroffen, omdat hun inkomsten grotendeels afhankelijk waren van landbouwgrond en de opbrengsten daarvan. De dijken moesten worden gerepareerd om nieuwe overstromingen te voorkomen. Dat vereiste gezamenlijke arbeid. De ramp maakte duidelijk hoe sterk de bestaanszekerheid van het Groningerland afhankelijk was van onderhoud, samenwerking en het beheersen van water.

1220–1221 — Nieuwe stormvloeden volgen elkaar op

De kustbewoners kregen nauwelijks gelegenheid om de schade van 1219 volledig te herstellen. Ook in 1220 en 1221 werden delen van het Noordzeekustgebied opnieuw door overstromingen getroffen. Beschadigde dijken en laaggelegen landbouwgronden bleven kwetsbaar. Wanneer het zeewater opnieuw binnendrong, konden akkers en weilanden langere tijd onbruikbaar worden. De bewoners moesten zich blijven inspannen om hun woonplaatsen en landerijen te beschermen. Opeenvolgende overstromingen konden voedselgebrek veroorzaken, vooral wanneer meerdere oogsten verloren gingen. De waterstaat werd daardoor een steeds belangrijker onderdeel van het maatschappelijke leven. Zonder een betrouwbare afwatering was duurzame landbouw in veel kustgebieden nauwelijks mogelijk.

De bewoners vechten tegen honger en ziekte

Voor middeleeuwse boeren kon het verlies van een oogst grote gevolgen hebben. Een gemeenschap moest voldoende voedsel bewaren om de periode tot de volgende oogst te overbruggen. Overstromingen, dierziekten en andere rampen konden deze voorraden ernstig aantasten. Honger en ondervoeding maakten mensen kwetsbaarder voor ziekten. Uit de periode 1000–1227 kennen we echter geen betrouwbaar gedateerde grote menselijke pestepidemie in Groningen die gelijkgesteld kan worden met de latere Zwarte Dood. Die grote epidemie bereikte het noorden pas in de veertiende eeuw. Voor deze periode moeten we daarom spreken over het algemene gevaar van ziekten en voedseltekorten, zonder een niet-aangetoonde pestuitbraak te beschrijven.

De Poelestraat bewaart de resten van een agrarische stad

Bij archeologisch onderzoek aan Poelestraat 36 zijn resten van een oude perceelsloot, paalkuilen en andere middeleeuwse sporen gevonden. De sloot was ongeveer 1,8 meter diep en werd in een brede periode tussen de twaalfde en veertiende eeuw gebruikt. Ook kwamen scherven van kogelpotten en Pingsdorfaardewerk aan het licht. De vondsten laten zien dat aan de oostelijke rand van Groningen nog terreinen lagen met een agrarisch karakter. Houten constructies en watergangen maakten deel uit van de inrichting. Niet iedere aangetroffen kuil of constructie dateert zeker van vóór 1227. Wel bevestigt het onderzoek dat Groningen in deze periode nog lang niet volledig met stedelijke huizen was bebouwd.

De Valkenvlucht en de bisschoppelijke bezittingen

In de omgeving van de Poelestraat lag het gebied dat met de bisschoppelijke hof De Valkenvlucht in verband wordt gebracht. Deze hof maakte deel uit van het complex van rechten en bezittingen waarop de Utrechtse bisschop aanspraak maakte. De omgeving had niet uitsluitend een stedelijk karakter. Er lagen erven, landbouwgrond en afwateringssloten. De nabijheid van de oostelijke stadswal maakte het gebied bovendien bijzonder. Het bestuur van Groningen was daarmee verbonden met grondbezit dat nog sterk agrarisch werd gebruikt. De hof laat zien hoe de bisschoppelijke macht in de stad niet alleen bestond uit kerken en rechten, maar ook uit daadwerkelijk bezit van land en gebouwen.

Houten huizen verdwijnen, hun sporen blijven

Veel houten gebouwen uit de elfde en twaalfde eeuw zijn volledig verdwenen. Hun aanwezigheid wordt tegenwoordig vooral zichtbaar door paalkuilen, funderingssporen en verkleuringen in de bodem. Archeologen hebben dergelijke resten op verschillende plaatsen in Groningen aangetroffen, waaronder de Poelestraat en de Hoge der A. Soms kunnen zij de plattegrond van een gebouw reconstrueren. In andere gevallen blijven slechts enkele losse paalsporen over. Daardoor is niet altijd vast te stellen of een constructie tot een woonhuis, schuur of ander gebouw behoorde. De vondsten bevestigen wel dat het vroege stadsbeeld voornamelijk door houtbouw werd bepaald. De grote stenen woningen kwamen pas geleidelijk in gebruik.

De verdedigingswal omsluit nog steeds boerenerven

Aan het begin van de dertiende eeuw lag Groningen binnen een aarden verdedigingswal met een brede gracht. De omwalling beschermde een gebied dat inmiddels markten, kerken en woonstraten omvatte. Toch lagen binnen de verdediging nog open percelen en agrarisch gebruikte erven. Het was dus geen dichtbebouwde stenen stad. De lagere houten gebouwen bepaalden het grootste deel van het aanzien. De grote kerkgebouwen staken daarboven uit. De toegangspoorten verbonden de stad met het omliggende boerenland. Mensen trokken dagelijks naar hun akkers of kwamen met dieren en goederen naar de markt. De grens tussen stedelijk en agrarisch leven was daardoor nog niet scherp.

1222 — Een bijzondere verschijning aan de hemel

Emo beschreef in zijn kroniek ook bijzondere natuurverschijnselen. In 1222 maakte hij melding van een maansverduistering en een opvallende verschijning aan de hemel die als een komeet werd opgevat. Dergelijke gebeurtenissen konden grote indruk maken op middeleeuwse waarnemers. Geestelijken probeerden de verschijnselen vaak te begrijpen binnen hun religieuze wereldbeeld. Zij konden worden beschouwd als waarschuwingen of tekenen die betekenis hadden voor het lot van de mensen. De beschrijving laat zien dat de belangstelling van Emo verder reikte dan kloosterzaken en plaatselijke oorlogen. Zijn kroniek biedt daardoor ook inzicht in de manier waarop mensen in het Groningerland de natuur en het hemelgewelf waarnamen.

1223 — Een conflict tussen de kloosters

In 1223 raakte Emo betrokken bij een conflict met abt Herderik van Schildwolde. Het geschil had betrekking op kerkelijke rechten en de positie van de betrokken gemeenschappen. Zulke conflicten konden langdurig voortduren, omdat verschillende instellingen aanspraak maakten op inkomsten en bevoegdheden. De partijen zochten steun bij hogere kerkelijke machthebbers om hun standpunten te verdedigen. De gebeurtenis toont dat het kloosterleven niet uitsluitend uit gebed en afzondering bestond. Grondbezit en rechten maakten deel uit van de dagelijkse werkelijkheid. Ook religieuze instellingen moesten hun belangen verdedigen in een samenleving waarin juridische en bestuurlijke bevoegdheden ingewikkeld verdeeld waren.

De handel blijft groeien ondanks de onrust

De ontwikkeling van Groningen ging door, ondanks politieke spanningen en de voortdurende dreiging van overstromingen. Boeren uit Drenthe en de Ommelanden bleven afhankelijk van plaatsen waar zij hun producten konden aanbieden. Kooplieden maakten gebruik van de verbindingen met Westfalen, de Rijnstreek en de noordelijke kustgebieden. Het verkeer over water bleef belangrijk omdat zware goederen daarmee gemakkelijker konden worden vervoerd dan over slechte landwegen. De stad had tegelijkertijd voordelen door haar ligging op de Hondsrug. Toch was de economische groei kwetsbaar. Een grote brand, oorlog of beschadigde verkeersverbinding kon de handel ernstig verstoren. De komende jaren zouden laten zien hoe groot dat gevaar was.

De eerste bakstenen woonhuizen laten nog op zich wachten

Rond 1225 waren bakstenen gebouwen in Groningen nog bijzonder. De belangrijkste toepassingen lagen bij kerkelijke bouw en mogelijk enkele vroege versterkte woonplaatsen. De grote stenen huizen van de Groningse stedelijke elite ontstonden vooral gedurende de rest van de dertiende eeuw. Het Calmershuis, Hinckaertshuis en andere bewaarde voorbeelden horen daarom grotendeels bij de geschiedenis na 1227. De gewone inwoners woonden nog in houten huizen met bijgebouwen en erven. Ook op het platteland stonden vooral boerderijen. Het Groninger landschap met talrijke hoge steenhuizen en later borgen was nog niet ontstaan. De overgang naar baksteen was begonnen, maar zou nog vele generaties duren.

Rond 1225 — De Martinikerk krijgt een nieuwe bouwfase

Rond 1225 werd begonnen met een belangrijke vernieuwing van de Martinikerk. Bij deze bouwfase kwam baksteen steeds nadrukkelijker in gebruik. De kerk stond op een plaats met een eeuwenoude religieuze geschiedenis en was inmiddels het belangrijkste kerkgebouw voor de bewoners van Groningen. De werkzaamheden vereisten materialen, vaklieden en aanzienlijke financiële middelen. De nieuwe bouwvormen maakten duidelijk dat de gemeenschap in omvang en betekenis was gegroeid. Het latere grote gotische gebouw bestond nog niet, maar de ontwikkeling was begonnen. De Martinikerk zou in de komende eeuwen steeds verder worden vergroot en vernieuwd, terwijl zij haar centrale plaats in het leven van Groningen behield.

De kerk bij de A krijgt meer betekenis

Aan de westzijde van Groningen ontwikkelde zich bij de Vismarkt een tweede kerkelijk centrum. Hier lag de voorgeschiedenis van de latere Der Aa-kerk. De ligging nabij de rivier en de handelsroutes maakte het gebied steeds aantrekkelijker voor bewoning. De kerk begon als kapel en kreeg in het begin van de dertiende eeuw een belangrijkere plaats binnen de kerkelijke organisatie. Rond 1227 wordt haar zelfstandige parochiale positie geplaatst. De groei weerspiegelde de uitbreiding van de bevolking en de stedelijke bebouwing. Groningen had niet langer uitsluitend de omgeving van de Martinikerk als religieus middelpunt. De verdere ontwikkeling van de Der Aa-kerk zou vooral in de latere middeleeuwen plaatsvinden.

De stad staat aan de vooravond van een politieke crisis

Omstreeks 1225 was Groningen uitgegroeid tot een belangrijke plaats met markten, kerken, verdedigingswerken en handelscontacten. Maar achter deze ontwikkeling ging een groeiende bestuurlijke verdeeldheid schuil. De Utrechtse bisschop beschouwde de stad als onderdeel van zijn wereldlijke gezag. De prefect trad namens hem op, maar had eigen familiebelangen. Andere aanzienlijke Groningse families wilden hun invloed behouden of vergroten. In Drenthe was Rudolf van Coevorden uitgegroeid tot een machtige figuur die niet zonder meer bereid was zijn zelfstandigheid op te geven. De verschillende tegenstellingen raakten steeds sterker met elkaar verbonden. Een plaatselijk conflict dreigde daardoor uit te groeien tot een regionale oorlog.


DE STRIJD OM GRONINGEN — 1226–1227

1226 — Het klooster Rottum bestaat al

Op de wierde van Rottum stond aan het begin van de dertiende eeuw een benedictijnse kloostergemeenschap die aan Sint-Juliana was gewijd. Het klooster wordt in 1226 in de bronnen genoemd en was vermoedelijk al eerder gesticht. De gemeenschap lag in het noordelijke wierdenland, waar landbouw en veeteelt het dagelijks bestaan bepaalden. De kloosterlingen leefden van grondbezit en de inkomsten die daarmee verbonden waren. De verhoogde ligging bood bescherming tegen wateroverlast. Rottum was onderdeel van de groeiende kloosterwereld die zich over het Groningerland verspreidde. De stichting laat zien dat het religieuze leven zich niet beperkte tot Groningen, Aduard en Wittewierum, maar ook de kleinere gemeenschappen in het kustgebied bereikte.

Najaar 1226 — Een besmettelijke ziekte treft het vee

In de herfst van 1226 beschreef Emo een ernstige ziekte onder dieren. Zijn kroniek vermeldt verschijnselen aan tongen en hoeven. Latere onderzoekers hebben geprobeerd de ziekte te vergelijken met bekende dierziekten, maar de precieze oorzaak kan niet worden vastgesteld. Voor de boeren vormde een dergelijke uitbraak een grote bedreiging. Runderen leverden melk, vlees, mest en trekkracht, terwijl paarden nodig waren voor vervoer. Het verlies van dieren kon een gezin economisch zwaar treffen. De ziekte kwam bovendien na jaren waarin het kustgebied herhaaldelijk door overstromingen was getroffen. De bewoners moesten daardoor niet alleen rekening houden met wateroverlast en misoogsten, maar ook met de kwetsbaarheid van hun veestapel.

1226 — De Gelkingen keren zich tegen prefect Egbert

De al langer bestaande tegenstellingen in Groningen liepen in 1226 uit op openlijke strijd. De partij van de Gelkingen verzette zich tegen prefect Egbert, die aanspraak maakte op het bestuur namens de Utrechtse bisschop. Achter het conflict lagen oude familiebelangen, bestuurlijke rechten en de vraag wie de macht over Groningen mocht uitoefenen. De Gelkingen zochten steun bij Rudolf van Coevorden en zijn Drentse bondgenoten. Egbert kon op zijn beurt rekenen op andere aanhangers en later op Friese steun. Daarmee veranderde een plaatselijk conflict in een strijd tussen verschillende machtsgroepen. De stad werd het middelpunt van een tegenstelling die al generaties tussen Utrecht en Drenthe bestond.

Rudolf van Coevorden wordt een machtige tegenstander

Rudolf van Coevorden behoorde tot een familie die al generaties lang belangrijke rechten in Drenthe bezat. De positie van zijn geslacht was ontstaan uit functies die oorspronkelijk namens de Utrechtse bisschop werden uitgeoefend. In de loop der tijd waren deze functies steeds sterker verbonden geraakt met de zelfstandige macht van de familie. Rudolf beschikte over aanhangers en militaire mogelijkheden. Hij wilde zijn positie niet zonder meer laten beperken door het bisschoppelijke gezag. Door de Gelkingen te ondersteunen, raakte hij rechtstreeks betrokken bij de strijd om Groningen. Voor prefect Egbert werd zijn optreden een ernstige bedreiging, omdat de tegenstanders binnen de stad nu konden rekenen op steun vanuit Drenthe.

De versterking bij Glimmen wordt verwoest

Tijdens het conflict liet prefect Egbert een versterking bij Glimmen oprichten. De plaats lag ten zuiden van Groningen, bij de belangrijke verbinding over de Hondsrug. Een versterkt steunpunt kon worden gebruikt om toegangswegen te beheersen en de positie van de prefect te beschermen. Rudolf van Coevorden en zijn bondgenoten vielen de versterking aan en vernietigden haar. De gebeurtenis maakte duidelijk dat Egbert niet langer overal zijn gezag kon uitoefenen. De strijd had zich inmiddels uitgebreid naar het gebied tussen Groningen en Drenthe. Wegen die gewoonlijk werden gebruikt door boeren en kooplieden, kregen nu een militaire betekenis. De toegang tot de stad werd onderdeel van de machtsstrijd.

Egbert wordt uit Groningen verdreven

De strijd ontwikkelde zich voor Egbert aanvankelijk ongunstig. Zijn tegenstanders wisten de macht in Groningen over te nemen, waardoor de prefect uit de stad werd verdreven. Zonder Groningen verloor hij het belangrijkste centrum van zijn bestuurlijke positie. Egbert zocht daarom steun buiten de stad. Vooral de Friese gebieden konden voor hem van belang zijn, omdat daar gemeenschappen en machthebbers woonden die eigen belangen hadden bij de uitkomst van het conflict. De strijd werd daardoor steeds ingewikkelder. De Gelkingen en hun Drentse bondgenoten stonden tegenover een prefect die zich niet bij zijn nederlaag wilde neerleggen. Groningen werd het toneel van herhaalde machtswisselingen en gewapende confrontaties.

Egbert keert met Friese hulp terug

Met steun van Friese bondgenoten wist Egbert opnieuw tegen Groningen op te trekken. Zijn aanhangers heroverden de stad, maar de strijd bracht grote verwoestingen met zich mee. Volgens de middeleeuwse berichten werden gebouwen in brand gestoken en moesten veel inwoners hun woonplaats verlaten. De houten bebouwing was bijzonder kwetsbaar voor vuur. Wanneer de vlammen zich eenmaal verspreidden, konden woningen, schuren en voorraden in korte tijd verloren gaan. Voor Egbert betekende de herovering een herstel van zijn bestuurlijke positie. Voor de bewoners was de prijs hoog. De economische en stedelijke ontwikkeling van de voorgaande eeuwen werd door de gevechten rechtstreeks getroffen.

Groningen brandt en de bewoners vluchten

De Narracio de Groninghe, een Utrechtse kroniek over de strijd, beschrijft Groningen als zwaar beschadigd en grotendeels verlaten. Veel inwoners waren voor het geweld gevlucht. De precieze omvang van de verwoesting is niet archeologisch voor ieder stadsdeel vastgesteld, maar de beschrijving maakt duidelijk hoe ernstig de gebeurtenissen waren. In een nederzetting waar houten woningen overheersten, kon brand zich snel verspreiden. Gezinnen konden hun huis, voedselvoorraden en gereedschappen verliezen. Ook de handel werd ontwricht doordat wegen en markten niet meer veilig waren. Groningen was daarmee niet alleen het onderwerp van een bestuurlijk conflict, maar werd zelf het slachtoffer van de strijd tussen de machthebbers.

De Gelkingen zoeken opnieuw steun bij Rudolf

Na de herovering door Egbert gaven de Gelkingen de strijd niet op. Zij verbonden zich opnieuw met Rudolf van Coevorden en zijn Drentse aanhangers. Rudolf zag in de situatie een mogelijkheid om zijn invloed in Groningen te vergroten en tegelijkertijd het bisschoppelijke gezag te verzwakken. De tegenstanders van Egbert verzamelden daarom een grotere strijdmacht. Het conflict was inmiddels niet meer te beschouwen als een ruzie tussen twee families. De bisschoppelijke macht in Drenthe stond eveneens op het spel. Wie Groningen beheerste, kon beschikken over een belangrijk bestuurlijk en economisch centrum. Daardoor kregen de gebeurtenissen ook buiten de stad grote politieke betekenis.

De stad Groningen wordt belegerd

Rudolf van Coevorden en zijn bondgenoten trokken opnieuw tegen Groningen op. De strijdmacht omsingelde de stad, waar prefect Egbert met zijn aanhangers standhield. De verdedigingswal en de grachten vormden de belangrijkste bescherming. Veel inwoners waren al gevlucht en de nederzetting had zware schade geleden. De belegering bemoeilijkte de aanvoer van voedsel en goederen. Voor de prefect werd de situatie steeds gevaarlijker, omdat hij niet over voldoende macht beschikte om zijn tegenstanders definitief te verslaan. Hij had daarom militaire steun nodig van zijn landsheer, de bisschop van Utrecht. Daarmee werd de strijd om Groningen rechtstreeks verbonden met een groter bisschoppelijk leger.

De Utrechtse bisschop probeert zijn gezag te herstellen

Otto II van Lippe was sinds 1216 bisschop van Utrecht. Als geestelijk leider bekleedde hij een belangrijke kerkelijke positie, maar daarnaast had hij wereldlijke rechten in verschillende gebieden, waaronder Groningen en Drenthe. De opstand van Rudolf van Coevorden en de strijd tegen prefect Egbert vormden voor hem een ernstige aantasting van zijn gezag. Otto kon niet zonder gevolgen accepteren dat zijn vertegenwoordigers werden verdreven en hun rechten werden bestreden. Hij besloot daarom militair op te treden. Zijn doel was het herstellen van de bisschoppelijke macht en het ondersteunen van Egbert. De onderneming zou uitgroeien tot een van de grootste militaire confrontaties in de geschiedenis van middeleeuws Noord-Nederland.

Rudolf van Coevorden valt Ommen aan

De bisschoppelijke partij bracht bij Ommen een strijdmacht bijeen om de tegenstanders in Drenthe tegemoet te treden. Rudolf van Coevorden wist deze troepen volgens de kroniek te verslaan en plunderde Ommen. De overwinning versterkte zijn militaire positie en vergrootte zijn aanzien onder de bondgenoten. De berichten noemen aanhangers uit verschillende gebieden, waaronder Steinfurt, Dalen, Lohn en Goor. Ook Friese strijders en leden van de Groningse tegenpartij worden genoemd. Daardoor werd duidelijk dat Rudolf over steun beschikte die veel verder reikte dan zijn eigen machtsgebied rond Coevorden. De bisschop stond inmiddels tegenover een uitgebreide coalitie van plaatselijke en regionale tegenstanders.

Otto II roept een groot leger bijeen

Na de gebeurtenissen bij Ommen besloot Otto II persoonlijk de leiding te nemen over een grotere militaire onderneming. Hij riep edelen, ridders, ministerialen en andere gewapende volgelingen bijeen. Zijn bondgenoten kwamen uit verschillende gebieden. Graaf Gerard van Gelre behoorde tot de belangrijke deelnemers. Ook vanuit Holland, Kleef en andere delen van het Duitse Rijk werd steun verleend. De bisschop verwachtte met deze omvangrijke strijdmacht zijn gezag te kunnen herstellen. Het leger moest de tegenstanders in Drenthe onderwerpen en daarmee ook de positie van prefect Egbert in Groningen veiligstellen. Voor de deelnemers stond veel op het spel: hun eer, hun bezittingen en hun verhouding met de bisschoppelijke landsheer.

Ridders, paarden en belegeringswerktuigen trekken noordwaarts

Het bisschoppelijke leger verzamelde zich bij Ommen en trok vervolgens richting Hardenberg en Gramsbergen. De tocht werd ondersteund door schepen die over de Vecht voorraden en oorlogsmateriaal aanvoerden. De middeleeuwse kroniek noemt onder andere kruisbogen en belegeringswerktuigen. De organisatie van zo'n leger was ingewikkeld. Paarden hadden voedsel nodig en de strijders moesten onderweg worden bevoorraad. Ook de toestand van de wegen speelde een rol. Het leger bestond niet uitsluitend uit mannen die voortdurend oorlog voerden. De bisschop beschikte wel over aanzienlijke militaire macht, maar zijn strijdmacht moest zich verplaatsen door een landschap waarin natte gronden en waterlopen grote hindernissen vormden.

Rudolf breekt het beleg van Groningen op

Toen Rudolf van Coevorden bericht kreeg dat het grote bisschoppelijke leger naderde, besloot hij het beleg van Groningen op te heffen. Met zijn aanhangers trok hij terug in de richting van Coevorden. Daar kon hij gebruikmaken van zijn plaatselijke machtsbasis en de kennis van het omliggende landschap. De bisschop volgde hem met zijn leger. Daarmee verplaatste het zwaartepunt van de oorlog zich van Groningen naar het zuidelijke Drentse gebied. De stad bleef zwaar beschadigd achter, terwijl haar toekomst afhankelijk werd van een militaire confrontatie elders. De strijd om het bezit van Groningen had de bisschop en Rudolf naar een gebied gebracht waar het terrein een beslissende rol zou spelen.

De Drentse wegen leiden naar het slagveld

De oude handelswegen tussen Groningen, Coevorden en Westfalen kregen nu een militaire betekenis. Waar gewoonlijk boeren, reizigers en kooplieden hun weg zochten, trokken gewapende groepen met paarden en voorraden door het landschap. De hogere zandgronden waren doorgaans beter begaanbaar dan de beekdalen en veenmoerassen. Toch moesten ook belangrijke wegen op verschillende plaatsen waterlopen en natte gebieden passeren. Voor een groot leger konden zulke hindernissen gevaarlijk zijn. Rudolf en zijn plaatselijke bondgenoten waren beter bekend met deze omstandigheden. De bisschop vertrouwde op zijn talrijke strijders en hun uitrusting. De naderende confrontatie zou laten zien hoe belangrijk de kennis van het terrein kon zijn.

De twee legers ontmoeten elkaar bij Ane

In juli 1227 kwamen de strijdkrachten tegenover elkaar te staan in de omgeving van Ane, ten zuiden van Coevorden. Het landschap kende hogere stukken grond, natte laagten en moerassige gebieden. Volgens de kronieken bevond zich tussen de legers een uitgestrekt drassig terrein. Voor zwaarbewapende ridders was dit een groot gevaar. Hun paarden konden zich op stevige grond snel bewegen, maar in moerassen hadden zij weinig voordeel van hun uitrusting. Rudolf van Coevorden en zijn bondgenoten waren beter bekend met de plaatselijke omstandigheden. De bisschop beschikte daarentegen over een grote militaire coalitie. Beide partijen waren bereid de strijd aan te gaan.

Een laatste poging om vrede te sluiten

Voordat de strijd begon, werd volgens de Utrechtse kroniek nog geprobeerd een overeenkomst te bereiken. Die poging mislukte. Rudolf van Coevorden en verschillende van zijn bondgenoten werden vogelvrij verklaard en hun bezittingen werden formeel aan hen ontnomen. Het betekende dat de bisschop zijn tegenstanders niet langer slechts als ongehoorzame bestuurders beschouwde, maar als vijanden tegen wie militair kon worden opgetreden. Rudolf liet zich niet afschrikken. Ook zijn bondgenoten bleven hem steunen. Beide partijen hadden inmiddels zoveel macht en aanzien in het conflict geïnvesteerd dat een vreedzame uitkomst moeilijk was geworden. De beslissende confrontatie kwam steeds dichterbij.

28 juli 1227 — De bisschop trekt ten strijde

Op 28 juli 1227, de feestdag van Sint-Pantaleon, bereidde het bisschoppelijke leger zich voor op de strijd. Volgens de kroniek sprak Otto II zijn mannen toe en herinnerde hij hen aan de rechten van de kerk. Hij gaf zijn strijders de zegen en de banier van Sint-Maarten werd meegedragen. Het leger beschikte over ridders met zware bewapening en paarden. Tegenover hen stonden Rudolf van Coevorden en zijn bondgenoten. De bisschoppelijke strijdmacht verwachtte haar tegenstanders te kunnen verslaan. Maar tussen beide legers lag een moeilijk begaanbaar moeras. De omstandigheden op het slagveld waren aanzienlijk ongunstiger voor zwaarbewapende ruiters dan de bisschop had gehoopt.

De ridders komen vast te zitten in het moeras

Toen het bisschoppelijke leger het natte terrein betrad, ontstonden volgens de kroniek ernstige moeilijkheden. Paarden zakten weg en zwaarbewapende strijders verloren hun bewegingsvrijheid. De samenhang van de voorste gelederen werd verstoord. Ridders die normaal gesproken konden vertrouwen op de snelheid en kracht van hun paarden, konden zich op deze bodem moeilijk verdedigen. Rudolf van Coevorden en zijn bondgenoten maakten gebruik van de omstandigheden. De strijd kreeg daardoor een verloop dat sterk afweek van wat de bisschoppelijke leiders hadden verwacht. Het overwicht in uitrusting en aanzien bood geen garantie op een overwinning. Het moerassige landschap werd een belangrijke factor in de nederlaag.

28 juli 1227 — De Slag bij Ane

De strijd bij Ane ontaardde in een zware nederlaag voor het bisschoppelijke leger. Terwijl ridders en andere strijders zich moeilijk door de natte bodem konden bewegen, werden zij door de tegenstanders aangevallen. De kroniek noemt pijlen, speren en zwaarden als wapens die tijdens het gevecht werden gebruikt. Sommige mannen probeerden te vluchten, maar ook dat was op het drassige terrein moeilijk. De bisschoppelijke strijdmacht verloor haar samenhang en raakte steeds verder in het nadeel. Het verloop van de slag wordt vooral beschreven door schrijvers die de Utrechtse partij steunden. Toch staat vast dat Otto II en zijn leger een vernietigende nederlaag leden.

De machtige ridders verliezen hun overwicht

De zwaarbewapende ridders waren gewend aan een manier van oorlogvoeren waarbij paarden en stevige uitrusting belangrijke voordelen boden. Bij Ane werkten de omstandigheden juist tegen hen. Paarden konden wegzakken en eenmaal gevallen was het voor een ridder moeilijk om in zijn zware uitrusting weer overeind te komen. De tegenstanders maakten gebruik van de verwarring. Het bisschoppelijke leger kon daardoor zijn militaire kracht niet goed inzetten. De middeleeuwse verhalen over de strijd zijn later aangevuld met dramatische bijzonderheden, maar de betekenis van het terrein wordt in de overlevering duidelijk benadrukt. De nederlaag liet zien dat een groot ridderleger kwetsbaar bleef wanneer het op ongeschikte grond moest vechten.

Bisschop Otto II van Lippe wordt gedood

Tijdens de veldslag kwam bisschop Otto II van Lippe om het leven. De Utrechtse kroniekschrijver beschreef zijn dood met grote verontwaardiging en stelde hem voor als een martelaar. Volgens het verslag werd de bisschop gevangengenomen, mishandeld en uiteindelijk gedood. De precieze omstandigheden van zijn dood kunnen niet onafhankelijk worden vastgesteld. Wel staat vast dat de bisschop op 28 juli 1227 bij Ane sneuvelde. Voor Utrecht betekende dit een enorme politieke nederlaag. De landsheer was tijdens een poging om zijn eigen gezag te herstellen omgekomen. Zijn dood maakte duidelijk dat de macht van de Utrechtse kerk in het noorden ernstig werd betwist.

De graven en edelen lijden zware verliezen

Niet alleen de bisschop kwam tijdens de veldslag om het leven. Ook verschillende edelen, ridders en andere strijders werden gedood of gevangengenomen. Graaf Gerard van Gelre behoorde tot de gevangenen. De nederlaag trof daardoor meerdere adellijke families en machtsgebieden. Voor sommige deelnemers betekende gevangenschap dat hun verwanten grote bedragen moesten betalen of politieke afspraken moesten maken om hen vrij te krijgen. De verliezen maakten de slag tot een gebeurtenis die ver buiten Drenthe en Groningen gevolgen had. De militaire coalitie die Otto II had verzameld, was uiteengeslagen. Voor Rudolf van Coevorden en zijn bondgenoten betekende de overwinning een ongekende versterking van hun positie.

De vlucht langs de Vecht

Na de nederlaag probeerden overlevende strijders te ontkomen. Volgens de kroniek werden vluchtende mannen langs de Vecht achtervolgd. Ook de schepen die eerder voor de aanvoer van voorraden en oorlogsmateriaal waren gebruikt, raakten bij de gebeurtenissen betrokken. De achtervolging duurde volgens het verslag tot in de avond. Veel mannen verloren hun uitrusting en bezittingen. Sommigen werden gevangengenomen. De Utrechtse schrijver beschuldigde zelfs plaatselijke vrouwen van deelname aan het geweld. Zijn beschrijving moet voorzichtig worden gelezen, omdat hij duidelijk aan de kant van de bisschop stond. Wel laat het verhaal zien dat de gevolgen van de nederlaag zich niet tot het eigenlijke slagveld beperkten.

Rudolf van Coevorden behaalt een grote overwinning

De overwinning bij Ane versterkte de positie van Rudolf van Coevorden en zijn bondgenoten. Zij hadden een groot leger verslagen en de bisschop van Utrecht was omgekomen. Daarmee werd duidelijk dat de Utrechtse landsheer zijn gezag in Drenthe niet zonder meer met militaire macht kon afdwingen. Toch betekende de overwinning niet dat alle politieke problemen onmiddellijk waren opgelost. De bisschoppelijke rechten bleven formeel bestaan en de plaatselijke machtsverhoudingen waren nog steeds ingewikkeld. Ook de strijd binnen Groningen was niet definitief beëindigd. Maar de nederlaag veranderde wel de verhoudingen tussen Utrecht, Drenthe en de stad Groningen. De positie van de noordelijke machthebbers was aanzienlijk versterkt.

Groningen blijft achter na een verwoestende oorlog

Terwijl Rudolf zijn overwinning behaalde, lag Groningen zwaar beschadigd achter. De gevechten tussen de prefect en zijn tegenstanders hadden een deel van de houten bebouwing verwoest. Veel inwoners waren gevlucht en het gewone handelsverkeer was ontwricht. De stad die in de voorgaande twee eeuwen was gegroeid door landbouw, handel en kerkelijke bouwactiviteiten, had de kwetsbaarheid van haar positie ondervonden. De versterkte wal had niet kunnen voorkomen dat de strijd uiteindelijk binnen de nederzetting werd uitgevochten. Groningen was inmiddels belangrijk genoeg om door verschillende machthebbers te worden begeerd, maar nog niet sterk genoeg om hun oorlogen buiten haar eigen gebied te houden.

De overwinning betekent nog geen onafhankelijkheid

De dood van Otto II betekende niet dat Groningen of Drenthe onmiddellijk volledig onafhankelijk werd. De Utrechtse kerk behield haar aanspraken en latere bisschoppen zouden opnieuw proberen hun gezag te herstellen. Ook binnen Groningen bleven verschillende families en politieke groepen actief. De verhouding tussen stad, Drenthe en de Friese Ommelanden moest opnieuw worden bepaald. De overwinning bij Ane betekende vooral dat de bestaande machtsverhoudingen ingrijpend waren verstoord. De noordelijke machthebbers hadden aangetoond dat zij een grote bisschoppelijke strijdmacht konden verslaan. Daarmee werd de verdere ontwikkeling van Groningen niet beslist, maar wel in een nieuwe richting gedwongen.

28 juli 1227 — Het einde van een tijdperk

Ruim twee eeuwen eerder was Groningen nog een nederzetting van houten boerenerven op het noordelijke uiteinde van de Hondsrug. Inmiddels waren marktpleinen, kerken, straten en verdedigingswerken ontstaan. Zilveren munten hadden de plaats verbonden met verre handelsgebieden. Kloosters hadden zich gevestigd in de stad en haar omgeving. Het platteland was veranderd door veenontginningen, dijken en gegraven watergangen. Tegelijkertijd hadden de groeiende economische en bestuurlijke belangen tot steeds heviger conflicten geleid. Grondbezit, rechtspraak, handel en de macht van de bisschop waren voortdurend omstreden. Bij Ane kwamen deze tegenstellingen op 28 juli 1227 tot een gewelddadige uitbarsting.

Een handelsstad tussen Drenthe en Friesland

Groningen was in 1227 geen onbetekenend dorp meer, maar ook nog niet de grote stenen stad van de latere middeleeuwen. Achter de aarden wal stonden vooral houten woningen, boerderijen, schuren en kerkelijke gebouwen. Open erven en landbouwgrond maakten nog deel uit van het stadsgebied. Buiten de wallen begonnen de zandgronden van de Hondsrug, de veenontginningen van Duurswold en Vredewold, de wierden van de Friese kuststreken en de waterlopen die het landschap doorsneden. De groeiende handel verbond Groningen met het Duitse achterland, de Noordzee en het Oostzeegebied. Juist deze ligging had de stad belangrijk gemaakt, maar haar ook betrokken bij de machtsstrijd tussen verschillende gebieden.

Het Groningerland verandert voorgoed

De geschiedenis van Groningen tussen 1000 en 1227 was niet uitsluitend een verhaal van bisschoppen, oorlogen en handelaren. Zij werd evenzeer bepaald door boeren die nieuwe akkers aanlegden, gezinnen die hun woningen op verhoogde erven bouwden, kloosterlingen die land beheerden en gemeenschappen die dijken en sloten onderhielden. Overstromingen konden het werk van generaties vernietigen. Brand en ziekte bedreigden het dagelijks leven. Tegelijkertijd groeiden de mogelijkheden van handel, werden nieuwe kerken gebouwd en kwamen technieken als baksteenbouw steeds meer in gebruik. De ontwikkeling van Groningen was daarmee het resultaat van menselijke arbeid, economische veranderingen en voortdurende aanpassing aan het landschap.

28 juli 1227 — Een nieuwe toekomst begint

De Slag bij Ane vormde het dramatische einde van de eerste grote ontwikkelingsperiode van Groningen. De nederlaag van bisschop Otto II van Lippe liet zien dat de macht in het noorden niet uitsluitend vanuit Utrecht kon worden bepaald. De plaatselijke families en machthebbers hadden hun zelfstandige positie met geweld verdedigd. Voor de stad Groningen betekende de uitkomst geen onmiddellijke vrede. Het bestuur bleef omstreden en de politieke toekomst was onzeker. Toch begon een nieuwe fase. De groeiende handelsplaats zou in de volgende eeuwen steeds sterker proberen haar eigen belangen te beschermen en haar invloed over het omliggende land uit te breiden.