Het Bourtanger Moor — De kloosters en de strijd om het grote veen (1200–1600)

Van eeuwenoude boerenrechten en kloosterlijke grondverwervingen tot turfwinning, waterconflicten, handel, de vesting Bourtange en de nieuwe machtsverhoudingen na de Reformatie

Ten oosten van de Hondsrug strekte zich in de middeleeuwen een landschap uit waarin water en veen het leven van mensen bepaalden. Hoge zandgronden gingen over in natte beekdalen, uitgestrekte venen en moeilijk begaanbare doorgangen. Verder naar het oosten lag het Bourtanger Moor, een omvangrijk hoogveencomplex in het gebied dat tegenwoordig door de Nederlands-Duitse grens wordt doorsneden. Voor reizigers kon het moeras een vrijwel ondoordringbare hindernis zijn. Voor de bewoners van de veenranden was het een vertrouwde omgeving waarin zij hun vee lieten grazen, hooi wonnen en brandstof verzamelden. Hun kennis van wegen, waterstanden en bruikbare gronden was onmisbaar voor iedereen die het gebied wilde betreden.

Vanaf de twaalfde en dertiende eeuw traden kloosters als Aduard en Yesse steeds nadrukkelijker op als grondbezitters. Zij verwierven rechten op akkers, weiden, boerderijen en venen, maar kwamen daarmee terecht in een landschap waar boeren en dorpsgemeenschappen al eeuwenlang eigen aanspraken hadden. Het bezit van veengrond betekende niet vanzelf dat een klooster turf mocht winnen, waterlopen mocht veranderen of over aangrenzende gronden mocht rijden. Daarvoor waren overeenkomsten nodig. Zo ontstond een ingewikkelde wereld waarin grondbezit, gebruiksrechten, arbeid en inkomsten voortdurend met elkaar verbonden waren.

Tussen 1200 en 1600 veranderde het veenlandschap ingrijpend. Kloosters organiseerden hun verspreide bezittingen, boeren verdedigden hun rechten en bestuurders kregen steeds meer belangstelling voor de opbrengsten en verbindingen van het achterland. De stad Groningen oefende groeiende invloed uit, terwijl de Nederlandse Opstand de strategische betekenis van de doorgangen door het moeras zichtbaar maakte. Uiteindelijk verdwenen de katholieke kloosters als oude machtsinstellingen, maar hun voormalige gronden bleven inkomsten opleveren. De geschiedenis van het Bourtanger Moor draait daarom om de vraag hoe een eeuwenoud landschap van boerenrechten veranderde in een gebied waar religieuze en wereldlijke machthebbers streden om bezit, brandstof, water en de mensen die daarvan leefden.

De zesduizend turven van Agneza — Kropswolde, 1332

In 1332 werd een aanspraak op brandstof vastgelegd die de economische betekenis van het veen opvallend concreet maakt. Agneza, afkomstig uit een vooraanstaande Groningse familie, had volgens de verzamelde historische onderzoeksgegevens jaarlijks recht op zesduizend turven uit het kerspel Kropswolde. Achter die hoeveelheid lag een keten van werkzaamheden. Het veen moest worden bereikt, de turf gestoken en gedroogd en de brandstof uiteindelijk afgeleverd. Wie daarvoor verantwoordelijk was, staat in de beschikbare vermelding niet vast. Evenmin weten we op welke percelen de turven precies werden gewonnen. Maar de vastgelegde aanspraak toont dat brandstof al in de veertiende eeuw onderdeel was van een economie waarin afzonderlijke personen rechten op de opbrengst konden bezitten.

Kropswolde lag aan de overgang tussen de hogere gronden en het natte landschap van de Hunze. Het behoorde niet tot de kern van het oostelijker gelegen Bourtanger Moor, maar maakte deel uit van een westelijke veenrandwereld die economisch met het grotere veenlandschap verbonden was. Hier ontmoetten de belangen van boeren, kloosters en particuliere rechthebbenden elkaar. Een recht op turf was niet hetzelfde als eigendom van de grond. Wie het veen bezat, hoefde niet zelf de brandstof te winnen. Wie de turven stak, was evenmin noodzakelijk degene die de opbrengst ontving. Daardoor konden verschillende mensen belang hebben bij hetzelfde perceel, zonder dezelfde rechten of verplichtingen te bezitten.

De hoeveelheid van zesduizend turven lijkt nauwkeurig, maar vertelt niet hoeveel brandstof daarmee werkelijk werd geleverd. Onderzoekers Benders en Spek bespreken voor het Zuidlaardermeergebied een kleine turf met afmetingen van ongeveer 32 bij 6 bij 7 centimeter. Dat voorbeeld bewijst niet dat de turven van Agneza dezelfde maat hadden. Zonder kennis van de gebruikte afmetingen kan het aantal niet betrouwbaar worden omgerekend naar gewicht, volume of scheepsladingen. Ook mag haar aanspraak niet zonder bewijs worden toegeschreven aan het klooster Yesse. De historische betekenis ligt in de verdeling van rechten: lang vóór de grote verveningen was het veen al een landschap waarin arbeid, eigendom en opbrengst uiteen konden vallen.

Het landschap vóór de kloosters — Van de prehistorie tot 1200

De geschiedenis van het Bourtanger Moor begon duizenden jaren voordat de eerste middeleeuwse kloosters er economische belangen verwierven. Door langdurige veengroei ontstonden ten oosten van de Hondsrug dikke pakketten organisch materiaal. Op sommige plaatsen verhief het hoogveen zich geleidelijk boven het omringende landschap, terwijl elders zandhoogten, beekdalen en natte laagten herkenbaar bleven. Het resultaat was geen gelijkvormige moerasvlakte, maar een afwisselend gebied waarin de bodem en de waterstand bepaalden waar mensen konden wonen of reizen. Een doorgang die in een droge periode bruikbaar was, kon bij een hogere waterstand moeilijk toegankelijk worden. Zulke verschillen waren bepalend voor de ontwikkeling van nederzettingen en verbindingen.

Het eigenlijke Bourtanger Moor moet geografisch worden onderscheiden van de westelijker gelegen venen rond Kropswolde, Wolfsbarge, Everswolde en het Hunzedal. Deze gebieden waren economisch en landschappelijk met elkaar verbonden, maar vormden niet overal één ononderbroken hoogveen. De Hondsrug bood relatief hoge gronden met oude nederzettingen, akkers en wegen. Oostelijk daarvan lag het Hunzedal, waar de rivier water afvoerde en plaatselijk mogelijkheden voor vervoer bood. Verder naar het oosten begonnen omvangrijke veengebieden die pas veel later door grootschalige kanalen zouden worden ontsloten. De verschillen tussen deze landschappen verklaren waarom sommige gebieden al vroeg intensiever werden gebruikt, terwijl andere delen langdurig moeilijk bereikbaar bleven.

Ook de oostelijke veenranden hadden hun eigen geschiedenis. Westerwolde lag aan de oostelijke zijde van het grote veencomplex, waar nederzettingen en bruikbare doorgangen verbonden waren met hogere gronden en waterlopen. De ligging maakte het gebied anders dan de westelijke veenranden bij de Hunze. Voor de bewoners waren routes door of langs het moeras van betekenis, maar de beschikbare gegevens rechtvaardigen niet dat voor de gehele middeleeuwse periode één vast netwerk van handelswegen wordt aangenomen. Het landschap veranderde, waterstanden wisselden en plaatselijke rechten konden de toegang beperken. Die omstandigheden zouden aan het einde van de zestiende eeuw ook voor de militaire geschiedenis belangrijk blijken.

Dat mensen het veenlandschap al in de prehistorie betraden, blijkt onder meer uit de houten veenwegen bij Valthe en Buinen. Zulke constructies vereisten kennis van de bodem en de bereidheid arbeid te investeren in doorgangen door moeilijk begaanbaar terrein. Zij tonen dat het moeras geen volledig afgesloten wereld was, maar bewijzen niet dat er toen al commerciële turfwinning plaatsvond. Ook de Karolingische muntschat van Roswinkel, die in de negentiende eeuw werd gevonden, behoort tot de oudere geschiedenis van het gebied. De munten getuigen van contacten met een grotere economische wereld. Zonder aanvullende gegevens kunnen zij echter niet rechtstreeks worden verbonden met de middeleeuwse turfhandel die zich eeuwen later ontwikkelde.

Langs de randen van het veen lagen dorpen waarvan de bewoners verschillende soorten grond gebruikten. Hogere zandgronden waren geschikt voor akkers en erven, terwijl lager gelegen terreinen mogelijkheden boden voor beweiding en hooiwinning. Het veen leverde natuurlijke hulpbronnen, waaronder brandstof, maar was niet overal even toegankelijk. De bewoners kenden de doorgangen, waterlopen en plaatsen waar de bodem voldoende draagkracht had. Die kennis werd niet noodzakelijk schriftelijk vastgelegd, maar was van grote betekenis voor het dagelijks bestaan. Toen kloosters later grond verwierven, kwamen zij daarom niet terecht in een onbewoond landschap. Zij werden nieuwe belanghebbenden in een gebied dat al generaties werd gebruikt.

In Drenthe hadden marken een belangrijke functie bij het beheer van gemeenschappelijk gebruikte gronden. De rechten waren niet gelijk verdeeld. Volwaardige markegenoten konden aanspraken bezitten die kleinere boeren, knechten of bewoners zonder aandeel niet hadden. Bovendien bestond verschil tussen eigendom van grond en het recht om er bepaalde producten te winnen. Een gebruiker kon krachtens gewoonte, pacht of overeenkomst toegang hebben tot een veenperceel zonder daarvan eigenaar te zijn. Een ander kon recht hebben op een vaste hoeveelheid turf. Deze verschillen zouden later tot ingewikkelde verhoudingen leiden wanneer kloosters grond kochten of ontvingen waarop andere mensen oudere rechten bleven uitoefenen.

Vanaf de twaalfde eeuw ontwikkelden religieuze instellingen zich tot belangrijke grondbezitters in Groningen en Drenthe. Hun bezit groeide door schenkingen, aankopen, ruiltransacties en rechten op inkomsten. Adellijke families konden grond schenken uit religieuze overtuiging, maar zulke schenkingen hielden ook verband met hun maatschappelijke positie en betrekkingen met kloostergemeenschappen. Het kloosterleven vereiste bovendien een voortdurende aanvoer van voedsel, brandstof en bouwmaterialen. Gebouwen moesten worden onderhouden, bewoners verzorgd en landerijen beheerd. Daardoor functioneerden kloosters niet alleen als religieuze gemeenschappen, maar ook als economische organisaties die op uiteenlopende plaatsen bezittingen en verplichtingen hadden.

Het beheer van deze bezittingen berustte op het werk van verschillende groepen mensen. Lekenbroeders konden werkzaamheden verrichten binnen de religieuze organisatie, maar daarnaast waren pachters, knechten en ingehuurde arbeiders actief. Een pachter gebruikte grond op basis van een overeenkomst en droeg een vergoeding of deel van de opbrengst af. Een knecht kon onder direct toezicht werken, terwijl een lekenbroeder een andere plaats binnen de kloostergemeenschap had. Het beeld van monniken die persoonlijk alle sloten groeven en alle turf staken, doet daarom geen recht aan de werkelijkheid. Achter het kloosterbezit stond een grotere groep mensen die in de schriftelijke bronnen vaak nauwelijks zichtbaar is.

Aduard en Yesse — De kloosters verwerven grond en invloed (1200–1250)

Toen de dertiende eeuw begon, waren de randen van het grote veen al verbonden met een netwerk van dorpen, akkers, weiden en waterlopen. De bewoners beschikten over rechten die vaak ouder waren dan de kloosterlijke aanspraken. Een religieuze instelling die grond verwierf, moest rekening houden met bestaande gebruikers en met de vraag wie toegang had tot wegen, water en gemeenschappelijke gronden. Het verwerven van veenbezit was daarom meer dan een eenvoudige aankoop. Een klooster kon een nieuwe eigenaar worden, terwijl boeren bepaalde gebruiksrechten behielden. Juist die gelijktijdige aanspraken zouden de economische ontwikkeling van het landschap ingewikkeld maken.

Het cisterciënzer klooster Aduard, gesticht in 1192, groeide uit tot een invloedrijke grondbezitter met verspreide goederen. De gemeenschap had landbouwgrond nodig, maar ook gebouwen, opslagmogelijkheden en verbindingen om producten te vervoeren. Voorwerken konden dienen als economische bedrijfseenheden waar werkzaamheden werden georganiseerd en opbrengsten verzameld. Tot de gebieden die in het onderzoek naar Aduard terugkeren, behoren Terheijl en Everswolde. Terheijl lag in de Kop van Drenthe en behoorde niet tot de kern van het Bourtanger Moor. De betekenis ervan ligt vooral in de manier waarop een klooster verspreide bezittingen kon beheren en daarvoor verschillende vormen van arbeid organiseerde.

Ook de bouwactiviteiten van Aduard waren verbonden met de economische betekenis van het landschap. Grote stenen gebouwen vereisten klei, hout, kalk en brandstof. Bakstenen moesten worden gevormd, gedroogd en vervolgens in ovens gebakken. In het eerdere onderzoek worden tichelwerken bij Lagemeeden en Ter Helle genoemd, evenals kleigebieden bij Peize en Foxwolde, waaronder het Kleibosch en de Leemdobben. De afzonderlijke locaties en hun datering verdienen broncontrole. Niet iedere steenoven gebruikte noodzakelijk turf, en de herkomst van de brandstof staat niet steeds vast. Toch maakt de bouwpraktijk duidelijk dat de vraag naar brandstof verder reikte dan het verwarmen van woningen en kloostergebouwen.

In 1215 werd bij Essen, ten zuiden van Groningen, het vrouwenklooster Yesse gesticht. De gemeenschap maakte deel uit van de cisterciënzer traditie en ontwikkelde eigen bezittingen en inkomsten. De abdis had niet alleen een religieuze taak, maar kon ook optreden bij overeenkomsten over grond, waterbeheer en financiële verplichtingen. De ligging nabij de Hondsrug en de verbindingen met de omgeving van de Hunze waren economisch van betekenis. In het eerdere onderzoek wordt een voorwerk bij Waterhuizen genoemd, evenals een molen. Hun precieze functie en datering moeten per locatie worden onderzocht. Het bestaan van zulke goederen bewijst op zichzelf niet dat het klooster grootschalige turfwinning organiseerde.

Volgens de verzamelde projectgegevens had Yesse al vóór 1249 belangen in veengronden bij Kropswolde. Daar kwamen kloosterlijke aanspraken en plaatselijke boerenrechten met elkaar in aanraking. Voor 1249 wordt een geschil tussen Yesse en inwoners van Kropswolde genoemd. De oorspronkelijke akte moet nauwkeurig worden gelezen om vast te stellen welke rechten ter discussie stonden. Een eerdere uitleg waarin sprake was van drie veenstroken kan niet zonder meer worden overgenomen. Wel maakt het geschil zichtbaar dat een religieuze instelling niet automatisch onbeperkte zeggenschap kreeg tegenover een dorp. De bewoners konden oudere rechten hebben die zij wilden behouden, ook wanneer een klooster grond verwierf.

Het handelsprivilege van Aduard en de rechten van Zuidlaren (1250–1264)

In oktober 1250 verkreeg Aduard volgens de eerdere onderzoeksgegevens een privilege van bisschop Hendrik van Vianden. De regeling wordt verbonden met bescherming van handel in turf, hout en vee. Zij laat zien dat de economische activiteiten van het klooster verder reikten dan de eigen gebouwen en landerijen. Het vervoer en de verkoop van goederen vereisten juridische bescherming wanneer verschillende machthebbers en rechtsgebieden betrokken waren. Over de exacte datum bestaat in eerdere uitwerkingen verschil tussen 20 en 25 oktober. Zonder de oorspronkelijke oorkonde kan die tegenstelling niet worden opgelost. Het privilege mag evenmin worden voorgesteld als een onbeperkt recht op vrije vaart over alle waterwegen.

De bewoners van Zuidlaren beschikten in het Oostermoer over rechten op venen en weiden. Volgens een reconstructie van Jan Folkerts verkochten de buren van Zuidlaren in 1262 een omvangrijk pakket rechten aan Aduard. In de eerdere onderzoeksgegevens worden 28 waardelen of weren genoemd, met een waardering van 100 Groninger ponden per aandeel. Wanneer die waardering voor alle aandelen gold, vertegenwoordigde de overeenkomst een berekende waarde van 2.800 Groninger ponden. Dat totaal mag niet zonder meer als bewezen betalingsbedrag worden gepresenteerd. Bovendien komt in eerdere uitwerkingen zowel 1261 als 1262 als datering voor. De oorspronkelijke akte moet uitwijzen hoe de rechten werden omschreven en hoe de betaling plaatsvond.

Bij de overdracht wordt Eneko Helmerchiaman genoemd als een van zeven gevolmachtigden. Zijn naam maakt zichtbaar dat achter de overeenkomst een gemeenschap van rechthebbenden stond. De verkoop was niet eenvoudig een transactie tussen een abt en één afzonderlijke boer. De buren van Zuidlaren lieten hun belangen vertegenwoordigen tegenover een machtige religieuze instelling. Welke bevoegdheden Eneko en de andere gevolmachtigden precies hadden, moet uit de oorspronkelijke akte blijken. Hun optreden wijst echter op een georganiseerde vorm van besluitvorming. Het klooster kon zijn bezit uitbreiden, maar de rechten waarop het aanspraak maakte, waren verbonden met een plaatselijke gemeenschap die zelf aan de onderhandelingen deelnam.

In 1264 werden nadere afspraken gemaakt over de rechten die Aduard in het Oostermoer had verworven. Volgens de eerdere reconstructie hadden deze betrekking op wegen in de richting van Wolfsbarge, het gemeenschappelijke gebruik van de Hunze en toekomstige dalgrond ten noorden van Prumesleke. Ook worden visrechten genoemd. De oorspronkelijke formulering moet worden gecontroleerd om vast te stellen welke bepalingen bij dezelfde overeenkomst hoorden. De betekenis is duidelijk: een klooster kon veen bezitten, maar had daarmee nog geen onbeperkt recht om over aangrenzende gronden te rijden of alle waterwegen te gebruiken. Grondbezit kreeg pas economische waarde wanneer het gebied ook bereikbaar en bruikbaar was.

Abt Geyko en het ontstaan van het voorwerk Everswolde (1264–1285)

De abtenkroniek van Aduard verbindt abt Geyko, die in de periode 1262–1268 wordt geplaatst, met de ontwikkeling van het voorwerk Everswolde. Het klooster kreeg hier een plaats waar zijn bezittingen konden worden beheerd en economische werkzaamheden georganiseerd. Bij Everswolde wordt een kapel genoemd, in eerdere uitwerkingen verbonden met de naam Hortus Sancti Bernardi. De precieze stichting, betekenis van de naam en bouwgeschiedenis moeten aan de oorspronkelijke bronnen worden getoetst. De aanwezigheid van een kapel zou erop wijzen dat de locatie meer was dan een tijdelijk opslagterrein. Het voorwerk kreeg daarmee ook een religieuze en organisatorische betekenis binnen het bezit van Aduard.

In het onderzoek naar Everswolde komt bovendien de oudere hoeve Floxis voor. Deze wordt verbonden met bewoning die al bestond voordat Aduard zijn positie in het gebied verder uitbreidde. De precieze ligging van Floxis moet nog worden vastgesteld, maar de vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat het klooster niet uitsluitend met onbewerkte natuur te maken kreeg. Er bestonden erven, gebruikers en plaatselijke verhoudingen waarop de nieuwe grondbezitter moest aansluiten. Het ontstaan van een kloostervoorwerk betekende dus niet dat het gebied voor het eerst door mensen werd gebruikt. Het was een nieuwe fase in de organisatie van een landschap dat al langer deel uitmaakte van het bestaan van de bewoners.

Het voorwerk Everswolde werd een schakel tussen Aduard en de verspreide gronden in het Oostermoer. De werkzaamheden konden landbouw, veeteelt, onderhoud en mogelijk brandstofwinning omvatten. Lekenbroeders, pachters, knechten en andere arbeiders hadden daarin verschillende posities. Het middeleeuwse voorwerk mag niet zonder bewijs volledig worden vereenzelvigd met het latere Aduarderhof, omdat gebouwen, namen en percelen in de loop van de eeuwen konden veranderen. De continuïteit tussen de oorspronkelijke kloosterlijke bedrijfseenheid en latere hoeven moet uit overeenkomsten, goederenregisters en andere bronnen blijken. Juist die veranderingen kunnen laten zien hoe het economisch gebruik van het gebied zich ontwikkelde.

Voor 1283 wordt in het eerdere onderzoek een levering van tweeduizend bakstenen door Aduard genoemd, in verband gebracht met Noordlaren en Wolfsbarge. De oorspronkelijke bron moet worden gecontroleerd voordat bestemming en omstandigheden vaststaan. De vermelding biedt wel een concreet aanknopingspunt voor de relatie tussen kloosterbouw, productie en vervoer. Bakstenen moesten ergens worden vervaardigd, waarvoor grondstoffen en brandstof nodig waren. Vervolgens moesten zij naar hun bestemming worden gebracht. Zonder aanvullende gegevens kan niet worden vastgesteld welke arbeiders betrokken waren, welke route werd gebruikt of uit welk veengebied eventuele brandstof afkomstig was. De kloostereconomie bestond uit zulke onderling afhankelijke werkzaamheden.

In 1285 wordt een regeling genoemd over waterbeheer bij Everswolde en De Groeve. De oorspronkelijke akte moet uitwijzen welke watergang of voorziening centraal stond. Het conflict past binnen een landschap waarin ontwatering en het gebruik van natte gronden verschillende belangen met elkaar in aanraking brachten. Wanneer een watergang werd gegraven of aangepast, konden sommige percelen droger worden terwijl andere gebruikers nadelige gevolgen ondervonden. Aanleg en onderhoud vereisten daarom afspraken tussen rechthebbenden. Voor Aduard was een bruikbare waterhuishouding belangrijk, maar het klooster kon de belangen van zijn buren niet zonder meer negeren. De economische ontwikkeling bleef afhankelijk van samenwerking en overeenstemming.

Yesse, Rottum en de betekenis van vrije vaart (1291)

Op 5 juli 1291 wordt in het eerdere onderzoek een overeenkomst genoemd tussen Yesse en Rottum over grond in Crepeswolde, verbonden met Kropswolde. Daarbij worden een bedrag van 72 mark sterling en een bepaling over vrije vaart vermeld. De oorspronkelijke Latijnse akte moet worden gecontroleerd om vast te stellen welke grond werd overgedragen, hoe het bedrag werd omschreven en wat het vaarrecht precies inhield. De overeenkomst is belangrijk omdat grondbezit en bereikbaarheid hier met elkaar verbonden lijken te zijn. Voor turf en andere producten had een perceel immers meer economische betekenis wanneer de opbrengsten naar afnemers konden worden vervoerd.

Ook het klooster Rottum moet daarom in de geschiedenis van de veenrechten worden betrokken. Religieuze instellingen konden goederen bezitten die ver van hun eigen gebouwen lagen. Door verkoop, schenking of ruil ontstonden betrekkingen tussen kloosters die geografisch van elkaar gescheiden waren. Een afzonderlijke grondtransactie bewijst echter niet dat Rottum gedurende eeuwen een eigen turfbedrijf exploiteerde. Daarvoor zouden gegevens nodig zijn over percelen, pachters, leveringen en opbrengsten. Wel maakt de mogelijke betrokkenheid van Rottum bij Kropswolde duidelijk dat de geschiedenis van het veen niet uitsluitend door Aduard en Yesse werd bepaald. Verschillende instellingen konden rechten bezitten binnen dezelfde regionale economie.

De bepaling over vrije vaart verdient bijzondere aandacht, omdat waterverbindingen voor de economische betekenis van het veen van groot belang waren. Turf was omvangrijk in verhouding tot de waarde van afzonderlijke stukken. Vervoer over water kon daarom aantrekkelijk zijn wanneer een bruikbare route beschikbaar was. Maar een recht op vrije vaart betekende niet noodzakelijk dat alle watergangen zonder beperking konden worden gebruikt. De precieze betekenis hing af van de formulering van de overeenkomst en de plaatselijke omstandigheden. Een middeleeuwse afspraak mag niet worden uitgelegd vanuit het veel uitgebreidere kanalennet dat pas in latere eeuwen zou ontstaan. De economische mogelijkheden werden bepaald door het bestaande landschap.

De vernielde knijpe en het conflict over waterbeheer (1309)

In 1309 ontstond volgens de eerdere onderzoeksgegevens een conflict over een vernielde knijpe. De namen Altinga, Oldinfokkinga en Thicboldinga worden verbonden met herstelverplichtingen. Daarbij wordt een boete van 100 mark sterling genoemd. De oorspronkelijke akte moet worden gecontroleerd om vast te stellen welke personen of gemeenschappen aansprakelijk waren en welke werkzaamheden zij moesten uitvoeren. De gebeurtenis laat zien hoe belangrijk waterwerken konden zijn voor de verhoudingen tussen grondgebruikers. Een beschadigde voorziening kon gevolgen hebben voor afwatering en bereikbaarheid. Het herstel was daardoor niet alleen een technische kwestie, maar ook een juridische verplichting waarbij verschillende belangen tegenover elkaar stonden.

Waterbeheer was in het veenlandschap nooit uitsluitend een zaak van degene die een sloot of voorziening aanlegde. Het afvoeren van water kon gevolgen hebben voor aangrenzende gronden en voor gebruikers die van een bepaalde waterstand afhankelijk waren. Daardoor moesten rechthebbenden afspraken maken over aanleg, onderhoud en herstel. Wanneer zulke afspraken werden geschonden, kon een conflict ontstaan waarin schade, aansprakelijkheid en geldboeten een rol speelden. Het geschil van 1309 maakt zichtbaar dat het landschap niet zonder meer door één machtige grondbezitter kon worden ingericht. Zelfs een klooster met omvangrijke bezittingen bleef afhankelijk van de juridische verhoudingen met zijn omgeving.

Abdis Jutta en de waterwerken van Yesse (1323–1332)

In 1323 trad abdis Jutta van Yesse op bij werkzaamheden die verband hielden met de waterhuishouding van kloostergoederen. Volgens een eerder aangehaalde reconstructie van Annemiek Bos waren zeven vermogende grondbezitters betrokken bij het stellen van financiële zekerheid. De oorspronkelijke overeenkomst moet nog worden gecontroleerd om vast te stellen welke werkzaamheden werden uitgevoerd en welke verplichtingen de betrokkenen aangingen. De gebeurtenis toont dat het bestuur van een vrouwenklooster verder reikte dan de kloostermuren. Waterbeheer vereiste overleg, geld en samenwerking met andere rechthebbenden. Een abdis kon daardoor een bestuurlijke en economische rol spelen die rechtstreeks ingreep in het gebruik van het omliggende landschap.

Voor 1332 worden ook zijlen bij Gronenburg en Mude genoemd. Een zijl regelde de afvoer van water en kon daarmee grote invloed hebben op de bruikbaarheid van landbouwgronden en veenpercelen. Het bestaan van een zijl bewijst echter niet dat schepen erdoorheen konden varen. Afwateringssluizen en schutsluizen hadden verschillende functies. Voor iedere voorziening moet daarom afzonderlijk worden onderzocht of zij uitsluitend voor waterbeheer diende of ook voor vervoer werd gebruikt. Dat onderscheid is noodzakelijk om te voorkomen dat latere vaarwegen ten onrechte naar de vroege veertiende eeuw worden teruggeprojecteerd.

In hetzelfde jaar verschijnt de aanspraak van Agneza op zesduizend turven uit het kerspel Kropswolde. Samen laten deze gegevens zien dat waterbeheer en brandstofrechten in de vroege veertiende eeuw belangrijke onderdelen van de regionale economie waren. Toch gaat het om verschillende soorten bewijs. De waterwerken zeggen iets over het beheer van gronden en waterstanden, terwijl de aanspraak van Agneza een vaste hoeveelheid brandstof betreft. De gegevens mogen niet zonder meer worden samengevoegd tot één kloosterlijk turfbedrijf. Juist door de rechten afzonderlijk te onderzoeken, wordt zichtbaar hoe uiteenlopende economische belangen naast elkaar konden bestaan en hoe afhankelijk de betrokkenen van elkaar waren.

De Hunze, Kropswolde en Wolfsbarge als verbinding met Groningen (1332–1392)

Na 1332 bleven de kloosters belangrijke belanghebbenden in het landschap, maar zij waren niet de enige partijen die rechten konden uitoefenen. Boeren, particuliere grondbezitters en dorpsgemeenschappen beschikten over aanspraken die naast het kloosterbezit bestonden. Voor de economische betekenis van turf was vooral de bereikbaarheid van belang. Brandstof kon plaatselijk worden gebruikt, maar vervoer naar verder gelegen afnemers vereiste bruikbare wegen of waterverbindingen. Kropswolde en Wolfsbarge lagen in een overgangszone tussen de veenranden en het Hunzedal. Hun ligging bood mogelijkheden voor vervoer, al moet voor iedere periode afzonderlijk worden vastgesteld welke routes daadwerkelijk werden gebruikt.

De Hunze vormde een belangrijke natuurlijke waterloop in het gebied ten oosten van de Hondsrug. De rivier en haar verbindingen boden mogelijkheden om producten uit het achterland naar noordelijker gelegen plaatsen te brengen. Toch mag de latere situatie met verbeterde vaarwegen niet zonder meer op de middeleeuwen worden toegepast. Waterstanden, ondiepten en plaatselijke rechten konden het vervoer beperken. Ook was niet iedere afwateringsvoorziening geschikt voor scheepvaart. Voor de geschiedenis van de turfhandel is daarom onderscheid nodig tussen de aanwezigheid van water, de feitelijke bevaarbaarheid en het juridische recht om een route te gebruiken. Die drie voorwaarden vielen niet vanzelf samen.

De stad Groningen had belang bij de aanvoer van goederen uit het omliggende land. Voedsel, brandstof en bouwmaterialen waren noodzakelijk voor een stedelijke samenleving. Naarmate stedelijke bestuurders meer invloed kregen op het omliggende gebied, konden ook de verbindingen met de veenranden van grotere betekenis worden. De verhouding tussen stad en achterland was echter niet uitsluitend economisch. Zij raakte aan rechtspraak, bestuur en de vraag wie regels mocht opleggen. Voor boeren en kloosters kon stedelijke invloed bescherming bieden, maar ook nieuwe verplichtingen meebrengen. De geschiedenis van het veen werd daarmee onderdeel van bredere machtsverhoudingen in Groningen en Drenthe.

Groningen, het Gorecht en het Landrecht (1392–1412)

In de jaren 1392–1405 veranderden de bestuurlijke verhoudingen rond Groningen en het Gorecht. Deze ontwikkeling is van belang voor de verbindingen tussen de stad en haar zuidelijke achterland. Het Gorecht moet daarbij niet worden gelijkgesteld met het gehele Bourtanger Moor. Het betrof een ander gebied, met eigen rechten en bestuurlijke verhoudingen. De betekenis voor het verhaal ligt vooral in de groeiende stedelijke betrokkenheid bij wegen, waterlopen en economische contacten. Kloosters bleven grondbezitters, maar moesten hun belangen behartigen binnen een politieke omgeving waarin ook wereldlijke machthebbers steeds nadrukkelijker optraden.

Aan het begin van de vijftiende eeuw bleef de verhouding tussen eigendom en gebruik bepalend voor het leven langs de veenranden. Een klooster kon inkomsten ontvangen uit een perceel dat door een pachter werd gebruikt, terwijl andere bewoners rechten konden hebben op aangrenzende gemeenschappelijke gronden. Zulke verhoudingen waren niet altijd eenvoudig vast te leggen. Plaatselijke gewoonten, overeenkomsten en uitspraken konden naast elkaar bestaan. Wie turf wilde winnen, moest daarom niet alleen weten waar het veen lag, maar ook wie toestemming kon geven en welke verplichtingen daartegenover stonden. Het landschap was juridisch minstens zo ingewikkeld als het fysiek moeilijk toegankelijk was.

Het Landrecht van 1412 behoort tot de bestuurlijke achtergrond van deze periode. Voor een nauwkeurige toepassing op afzonderlijke veenpercelen moet worden vastgesteld welke bepalingen betrekking hadden op de betrokken gemeenschappen en rechten. Het bestaan van een rechtsregeling betekent niet dat alle plaatselijke gebruiken onmiddellijk verdwenen. In de praktijk bleven bezit, gebruik en gemeenschappelijke aanspraken vaak afhankelijk van oudere afspraken. Voor boeren kon dat bescherming bieden tegen nieuwe aanspraken, maar het kon ook aanleiding geven tot geschillen wanneer verschillende partijen dezelfde grond of opbrengst opeisten. Rechtspraak en bestuur waren daardoor onlosmakelijk verbonden met de economische geschiedenis van het veen.

De kloostergoederen en het dagelijkse werk in het veen (1412–1500)

Gedurende de vijftiende eeuw bleven de kloosters hun verspreide bezittingen beheren. Voorwerken, boerderijen en pachthoeven konden landbouwproducten, vee, geld of brandstof opleveren. Niet alle veengrond werd op dezelfde manier gebruikt. Sommige percelen waren geschikt voor hooiwinning of beweiding, andere konden turf leveren, terwijl natte of afgelegen delen voorlopig weinig intensief werden benut. Het bestaan van een kloosterlijk landgoed is daarom geen bewijs dat het gehele bezit werd afgegraven. Juist de verschillen tussen percelen zijn belangrijk. Zij laten zien dat het economische gebruik van het landschap zich geleidelijk ontwikkelde en afhankelijk bleef van bereikbaarheid, arbeidskracht en plaatselijke afspraken.

Ook de sociale verschillen onder de gebruikers bleven bestaan. Een vermogende pachter kon over meer middelen en arbeidskracht beschikken dan een kleine boer. Knechten en ingehuurde arbeiders verrichtten werkzaamheden zonder noodzakelijk zelf rechten op de grond te bezitten. Wie de opbrengsten ontving, was niet altijd degene die de zwaarste arbeid verrichtte. In de geschreven bronnen komen vooral eigenaren, bestuurders en personen die overeenkomsten sloten naar voren. De mensen die turf staken, sloten onderhielden of goederen vervoerden, blijven veel vaker naamloos. Toch rustte de economische betekenis van het veen op hun dagelijkse arbeid.

Voor de geschiedenis van Everswolde is het belangrijk onderscheid te blijven maken tussen de oorspronkelijke kloosterlijke bedrijfseenheid en latere namen, gebouwen en pachthoeven. Het bestaan van een voorwerk in de dertiende eeuw bewijst niet dat dezelfde gebouwen en percelen gedurende de gehele vijftiende eeuw ongewijzigd bleven. Ook de verhouding tussen landbouw en eventuele turfwinning kon veranderen. De goederenregisters en latere rekeningen moeten daarom niet alleen worden gebruikt om bezit vast te stellen, maar ook om veranderingen in gebruik te volgen. Daarmee wordt zichtbaar hoe een kloosterlijk bezit zich kon aanpassen aan economische omstandigheden zonder zijn oorspronkelijke religieuze functie volledig te verliezen.

Turf, baksteen en kloosterlijke inkomsten (1500–1568)

In de eerste helft van de zestiende eeuw bleven de kloosters belangrijke economische instellingen. Hun goederen leverden inkomsten op uit landbouw, pacht en andere rechten. De behoefte aan brandstof beperkte zich niet tot de kloostergemeenschappen zelf. Ook huishoudens, bakkers, brouwers en ambachtelijke bedrijven hadden brandstof nodig. Daardoor kon turf een product zijn waarvoor afnemers buiten het directe winningsgebied bestonden. Toch mag de groeiende betekenis van turf niet worden verward met de grootschalige verveningen van latere eeuwen. Grote delen van het Bourtanger Moor waren nog moeilijk bereikbaar en zouden pas veel later door een uitgebreid stelsel van kanalen worden ontsloten.

Voor de economische positie van Aduard wordt in eerdere projectuitwerkingen een laat grondbezit van ongeveer 5.510 hectare genoemd. Dit cijfer moet aan de oorspronkelijke berekening worden getoetst. Het bewijst niet dat Aduard vanaf zijn stichting over die oppervlakte beschikte, en evenmin dat al deze gronden uit veen bestonden. Het maakt vooral duidelijk hoe belangrijk een nauwkeurige reconstructie van verspreid kloosterbezit is. Een instelling kon op verschillende plaatsen akkers, weiden, bossen en veenrechten hebben. De economische betekenis daarvan verschilde per gebied en veranderde in de loop van de tijd.

De verbinding tussen turfwinning en vervoer bleef een belangrijke voorwaarde voor verdere ontwikkeling. Een hoeveelheid turf had slechts een beperkte handelswaarde wanneer zij niet tegen aanvaardbare kosten naar afnemers kon worden gebracht. Wegen door het veen waren kwetsbaar en waterverbindingen waren niet overal beschikbaar. Bovendien konden rechten op vaart, oevers en doorgangen afzonderlijk zijn geregeld. Voor het Hunzedal en de omgeving van Kropswolde moet daarom worden onderzocht welke routes in deze periode werkelijk werden gebruikt. Het bestaan van latere kanalen of schuitverbindingen mag niet als bewijs dienen voor een even omvangrijk vervoersnet in de vroege zestiende eeuw.

De positie van de kloosters was ondertussen afhankelijk van een bredere politieke en godsdienstige wereld. Hun grondbezit berustte op rechten die binnen bestaande bestuursverhoudingen werden erkend. Wanneer die verhoudingen veranderden, kon ook de zekerheid over inkomsten en goederen onder druk komen te staan. De Reformatie bracht kritiek op de katholieke kerk en haar instellingen, terwijl de politieke spanningen in de Nederlanden toenamen. Voor de bewoners van de veenranden betekenden zulke ontwikkelingen niet onmiddellijk dat hun dagelijkse werkzaamheden veranderden. Maar de instellingen aan wie zij pacht betaalden of leveringen verschuldigd waren, kwamen in een steeds onzekerder positie terecht.

De Nederlandse Opstand en de doorgangen door het Bourtanger Moor (1568–1593)

Met het uitbreken van de Nederlandse Opstand kreeg het Bourtanger Moor een nieuwe betekenis. Het uitgestrekte, moeilijk toegankelijke landschap was niet alleen een gebied waar grond en brandstof economische waarde hadden, maar ook een hindernis voor militaire bewegingen. Legers waren afhankelijk van bruikbare wegen en doorgangen. Waar natte venen het reizen bemoeilijkten, konden relatief smalle verbindingen van grote strategische betekenis worden. Daarmee veranderde de manier waarop wereldlijke machthebbers naar het landschap keken. Een route door het moeras was niet langer alleen belangrijk voor boeren, reizigers en handelaren, maar kon ook beslissend zijn voor de toegang tot een gebied.

De oorlog raakte aan de bestuurlijke en godsdienstige verhoudingen waarin de kloosters eeuwenlang hadden gefunctioneerd. Hun bezit en inkomsten waren verbonden met de katholieke kerk en met de machtsstructuren die haar positie beschermden. Naarmate de strijd tussen de opstandelingen en het Spaanse gezag voortduurde, kwamen die verhoudingen onder druk te staan. Toch betekende oorlog niet dat het dagelijkse gebruik van de gronden onmiddellijk ophield. Boeren moesten blijven werken en pachters bleven afhankelijk van hun inkomsten. Juist daardoor ontstond een tegenstelling tussen de ingrijpende politieke veranderingen en de continuïteit van het gewone bestaan langs de veenranden.

Voor Westerwolde en de oostelijke veenranden had de ligging aan doorgangen door het grote moeras bijzondere betekenis. Het gebied vormde geen eenvoudig open landschap waarin troepen zich ongehinderd konden verplaatsen. De mogelijkheden voor beweging werden mede bepaald door de plaatselijke bodem, waterstanden en beschikbare routes. Die omstandigheden konden door militaire bevelhebbers worden benut. De geschiedenis van het eigenlijke Bourtanger Moor kreeg daarmee een andere nadruk dan die van de westelijke kloostervenen bij de Hunze. Waar in het Oostermoer vooral grondrechten en economische verbindingen zichtbaar worden, trad in de oorlogsjaren de beheersing van doorgangen nadrukkelijk op de voorgrond.

De aanleg van de vesting Bourtange (1593)

In 1593 werd begonnen met de aanleg van de vesting Bourtange, op een strategische doorgang door het veen. De militaire betekenis van de plaats lag in de mogelijkheid een route te beheersen die door het omringende moeras moeilijk te omzeilen was. De vesting behoort daarmee rechtstreeks tot de geschiedenis van het eigenlijke Bourtanger Moor, in tegenstelling tot veel westelijker gelegen kloostergoederen die in dit verhaal eveneens worden behandeld. De aanleg maakt duidelijk dat de natuurlijke omstandigheden van het landschap rechtstreeks invloed konden uitoefenen op militaire keuzes. Wat voor reizigers en boeren eeuwenlang een moeilijk begaanbare omgeving was geweest, kon in oorlogstijd een verdedigingsmiddel worden.

De vesting vormde een ingreep in een landschap waarvan de bruikbare routes al lang van betekenis waren voor de omliggende bewoners. Een doorgang kon voor boeren en handelaren noodzakelijk zijn om andere gebieden te bereiken, terwijl dezelfde route voor een leger een strategisch doel werd. Daarmee kwamen verschillende belangen op één plaats samen. De militaire beheersing van een route had een andere betekenis dan het bezit van een veenperceel of het recht op turfwinning. Toch waren al deze vormen van macht afhankelijk van dezelfde geografische omstandigheden. De geschiedenis van het grote veen laat daardoor zien hoe landschap, economie en oorlog elkaar konden beïnvloeden.

De Reductie van Groningen en het einde van de oude kloostermacht (1594)

Op 22 juli 1594 kwam Groningen onder het gezag van de Republiek. De Reductie veranderde de bestuurlijke en godsdienstige verhoudingen ingrijpend. De katholieke kloosters verloren hun oude positie en hun goederen kwamen onder nieuw beheer. Daarmee verdween niet het landschap dat zij eeuwenlang hadden gebruikt, noch de bevolking die van dat landschap afhankelijk was. Boerderijen bleven bestaan, pachters bleven grond bewerken en oudere verplichtingen konden doorlopen. De verandering lag vooral bij de instellingen die rechten uitoefenden en inkomsten ontvingen. De overgang van kloosterlijk naar wereldlijk beheer betekende daarom een nieuwe fase in een veel langere geschiedenis van grondbezit en gebruik.

Voor de voormalige kloostergoederen was het noodzakelijk vast te stellen welke bezittingen aanwezig waren en welke inkomsten daaruit konden worden verkregen. Grond die eerder door een religieuze instelling werd beheerd, kon onder nieuwe bestuurders dezelfde economische betekenis behouden. Ook de rechten op turf, landbouwproducten en andere opbrengsten verdwenen niet vanzelf. De nieuwe machthebbers moesten rekening houden met bestaande gebruikers, pachtverplichtingen en plaatselijke verhoudingen. De Reductie maakte daarmee een einde aan de oude katholieke bestuursstructuur, maar niet aan de economische wereld die in de voorafgaande eeuwen rond de kloostergoederen was ontstaan.

Taeko Haringius, Johan Clant en het onderzoek naar de kloostervenen (1595)

Volgens de eerdere projectdocumentatie kregen Taeko Haringius en Johan Clant op 11 april 1595 opdracht om voormalige kloostervenen en bossen te onderzoeken. De oorspronkelijke opdracht moet nog worden gecontroleerd om de precieze formulering en omvang vast te stellen. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat het nieuwe bestuur inzicht wilde verkrijgen in de bezittingen die onder zijn verantwoordelijkheid waren gekomen. Daarbij ging het niet alleen om de ligging van grond, maar ook om gebruikers, pachters en opbrengsten. De administratie kon daardoor gegevens bevatten over mensen die in oudere kloosterbronnen nauwelijks zichtbaar waren.

Een onderzoek naar voormalige kloostergoederen had praktische gevolgen. De nieuwe beheerders moesten weten welke percelen inkomsten opleverden, welke verplichtingen nog golden en wie daarvoor aansprakelijk was. Sommige goederen konden landbouwgrond zijn, andere bos of veen. Het was daarom noodzakelijk de verschillende soorten bezit van elkaar te onderscheiden. Voor de geschiedenis van de turfwinning zijn zulke registers bijzonder waardevol, omdat zij een overgang zichtbaar maken tussen twee bestuursvormen. De grond bleef bestaan, maar de instantie die haar opbrengsten ontving, veranderde. Daarmee werd het beheer van voormalige kloostervenen onderdeel van een nieuwe wereldlijke administratie.

De veenmeiers van Wolfsbarge en de turfopbrengsten van Everswolde (1595–1596)

In de eerdere projectdocumentatie worden voor Wolfsbarge vier personen genoemd die betrokken waren bij het gebruik van voormalige kloostergronden en turfleveringen: Albert Alberts, Hindrick Harmens, Johan Lens en Evert Reiners. Hun namen geven de geschiedenis van het veen een menselijk gezicht. Het waren niet langer uitsluitend abten, abdissen en bestuurders die in de bronnen naar voren kwamen. Ook personen die bij het dagelijkse beheer en de levering van turf betrokken waren, werden zichtbaar. De oorspronkelijke rekeningen moeten nog worden onderzocht om vast te stellen welke grond ieder van hen gebruikte en welke verplichtingen daartegenover stonden.

Voor deze veenmeiers is het belangrijk onderscheid te maken tussen pacht, arbeid en levering. Een gebruiker kon grond pachten en daarvoor geld verschuldigd zijn, maar ook verplicht worden een bepaalde hoeveelheid turf af te dragen. Zonder de oorspronkelijke administratie kan niet worden vastgesteld hoeveel iedere persoon moest leveren, welke bedragen werden betaald en of er achterstanden bestonden. Juist zulke gegevens kunnen laten zien hoe de economische verhoudingen in de praktijk functioneerden. De namen uit Wolfsbarge maken duidelijk dat de overgang naar wereldlijk beheer niet alleen een bestuurlijke verandering was, maar ook gevolgen had voor concrete gebruikers van de voormalige kloostergronden.

Ook Everswolde verschijnt in het eerdere onderzoek opnieuw bij de voormalige kloostergoederen. Voor de jaren 1595 en 1596 worden administratieve gegevens over turf en opbrengsten genoemd. De betekenis daarvan ligt in de mogelijkheid om de overgang van kloosterlijk naar wereldlijk beheer te volgen. Dezelfde gronden konden inkomsten blijven opleveren terwijl de rechthebbende instelling veranderde. De oorspronkelijke bedragen en hoeveelheden moeten worden gecontroleerd voordat zij als exacte cijfers kunnen worden opgenomen. Wel laten de vermeldingen zien dat de geschiedenis van Everswolde niet ophield bij het verdwijnen van de kloosterlijke bestuursstructuur.

Voor Kropswolde betekende de Reductie eveneens dat voormalige kloosterlijke belangen opnieuw moesten worden beheerd. Het dorp bleef bestaan en de bewoners bleven afhankelijk van hun grond, arbeid en inkomsten. Het is niet aangetoond dat alle voormalige kloostergronden onmiddellijk werden verkocht of dat de turfwinning direct veranderde in een volledig commerciële onderneming. De overgang kon geleidelijk verlopen. Bestaande pachters konden blijven werken en oudere verplichtingen konden worden aangepast. Om deze veranderingen nauwkeurig te reconstrueren, moeten de registers van voormalige kloostergoederen, pachtcontracten en rekeningen uit de jaren na 1594 gezamenlijk worden onderzocht.

Drenthe, de Reformatie en het grote veen rond 1600 (1598–1600)

Ook in Drenthe veranderden de kerkelijke en bestuurlijke verhoudingen tijdens de laatste jaren van de zestiende eeuw. De hervorming van de kerkelijke organisatie kreeg rond 1598 een nieuwe vorm. Voor de geschiedenis van het veen is vooral van belang hoe deze veranderingen doorwerkten in het beheer van kerkelijke goederen en de positie van plaatselijke gemeenschappen. De Drentse situatie moet worden onderscheiden van die in Groningen. Niet alle gebieden hadden dezelfde bestuurlijke geschiedenis en niet alle kloostergoederen kwamen op hetzelfde moment onder dezelfde beheerders. De plaatselijke rechten van boeren en marken bleven bovendien van betekenis.

Omstreeks 1600 was het Bourtanger Moor nog grotendeels een uitgestrekt veenlandschap. De grootschalige ontginningen en kanalen die later het aanzien van Groningen en Drenthe zouden veranderen, moesten voor een belangrijk deel nog ontstaan. Toch was het gebied niet zonder geschiedenis. Langs de randen bestonden al eeuwenlang dorpen, grondrechten en economische betrekkingen. De kloosters hadden daarin een belangrijke rol gespeeld door grond te verwerven, inkomsten te ontvangen en overeenkomsten te sluiten over water en vervoer. Maar zij waren nooit de enige machthebbers geweest. Boeren, marken, particuliere grondbezitters en stedelijke bestuurders hadden eveneens belangen.

De oorlog had inmiddels ook de strategische betekenis van het landschap zichtbaar gemaakt. De aanleg van Bourtange liet zien dat een moeilijk toegankelijke doorgang door het moeras van militair belang kon zijn. Tegelijk veranderde de Reformatie de instellingen die over de voormalige kloostergoederen beschikten. Deze ontwikkelingen vonden plaats in verschillende delen van een uitgestrekt gebied en mogen niet worden voorgesteld als één gelijktijdige verandering. Het eigenlijke Bourtanger Moor, het Hunzedal en het Oostermoer hadden ieder hun eigen geografische en bestuurlijke geschiedenis. Hun onderlinge verbindingen verklaren waarom zij toch gezamenlijk van betekenis waren voor de ontwikkeling van het Noord-Nederlandse veenlandschap.

Vier eeuwen strijd om grond, water en macht — De betekenis van het Bourtanger Moor

Tussen 1200 en 1600 veranderde de verhouding tussen mensen en het grote veen ingrijpend. Aan het begin van deze periode waren de randen van het landschap al onderdeel van het bestaan van boeren en dorpsgemeenschappen. Zij gebruikten akkers, weiden en veengronden volgens rechten en gewoonten die niet door de kloosters waren geschapen. Toen religieuze instellingen als Aduard en Yesse hun bezittingen uitbreidden, traden zij toe tot deze bestaande wereld. Hun economische macht groeide door aankopen, schenkingen en overeenkomsten, maar bleef afhankelijk van de rechten van andere gebruikers. De geschiedenis van het veen was daardoor vanaf het begin een geschiedenis van onderhandelen, samenwerken en conflicten.

De overeenkomsten uit de dertiende eeuw maken duidelijk hoe ingewikkeld grondbezit kon zijn. De verkoop van rechten door de buren van Zuidlaren, de aanvullende afspraken over wegen en water en de betrokkenheid van verschillende kloosters bij de onderzochte veengebieden laten zien dat een perceel niet los van zijn omgeving kon worden gebruikt. Wie grond verwierf, had nog niet automatisch toegang tot iedere doorgang of waterloop. De conflicten over waterbeheer tonen bovendien dat veranderingen in afwatering gevolgen konden hebben voor meerdere rechthebbenden. Een bruikbare sloot, zijl of andere voorziening was niet alleen een technische oplossing, maar ook een onderdeel van de plaatselijke machtsverhoudingen.

De turfwinning maakte deel uit van een bredere economie waarin brandstof, landbouwproducten, bouwmaterialen en vervoer met elkaar verbonden waren. De aanspraak van Agneza op zesduizend turven in 1332 toont hoe afzonderlijke personen rechten op de opbrengst van het veen konden bezitten. De latere vermeldingen van veenmeiers bij Wolfsbarge laten zien dat achter zulke opbrengsten concrete gebruikers en arbeiders stonden. Toch blijven veel van deze mensen buiten beeld. De geschreven bronnen noemen vooral degenen die rechten bezaten, overeenkomsten sloten of inkomsten ontvingen. Het dagelijkse werk van turfstekers, knechten, pachters en vervoerders vormde de basis van de economie, maar werd veel minder uitvoerig vastgelegd.

De stad Groningen kreeg in de loop van de eeuwen steeds meer belang bij het achterland en de verbindingen waarlangs goederen konden worden aangevoerd. Tegelijk bleven de verschillen tussen het eigenlijke Bourtanger Moor en de westelijker gelegen venen van het Hunzedal en het Oostermoer bestaan. Die geografische afbakening is belangrijk. De aanwezigheid van kloosterlijke turfbelangen bij Kropswolde of Everswolde bewijst niet dat het gehele Bourtanger Moor in dezelfde periode op dezelfde wijze werd geëxploiteerd. Het verhaal van het grote veen bestaat uit verschillende regionale ontwikkelingen die door handel, rechten en bestuur met elkaar verbonden raakten.

De Nederlandse Opstand en de Reformatie brachten uiteindelijk een nieuwe machtsorde. De aanleg van Bourtange in 1593 maakte de militaire betekenis van het moeras zichtbaar. De Reductie van Groningen in 1594 beëindigde de oude positie van de katholieke kloosters, waarna hun goederen onder nieuw beheer kwamen. De onderzoeken en rekeningen uit 1595 en 1596 laten zien dat de nieuwe bestuurders de bestaande bezittingen en opbrengsten wilden vaststellen. Daarmee eindigde een periode van eeuwenlange kloosterlijke invloed, maar niet de geschiedenis van het veen. Boeren, pachters en arbeiders bleven afhankelijk van hetzelfde landschap. De grootschalige verveningen die later zouden volgen, bouwden voort op een wereld waarin grond, water en brandstof al eeuwenlang onderwerp waren geweest van bezit, arbeid en macht.

Lees verder — De geschiedenis van het Bourtanger Moor in acht delen

1. Het landschap vóór de kloosters — De eerste bewoners, veenwegen en boerenrechten

Van de vorming van het hoogveen en de prehistorische doorgangen bij Valthe en Buinen tot de oude nederzettingen langs de Hondsrug en de veenranden. Over gemeenschappelijke gronden, boerenrechten en het landschap voordat de kloosters hun bezittingen uitbreidden.

2. Aduard en Yesse — De kloosters verwerven grond en macht (1200–1250)

De opkomst van Aduard en Yesse als religieuze en economische grondbezitters, hun voorwerken en bouwactiviteiten en de eerste spanningen rond Kropswolde. Over schenkingen, grondverwervingen en de verhouding tussen kloosterlijke belangen en oudere boerenrechten.

3. Het Oostermoer en Everswolde — De grote kloosterlijke grondverwervingen (1250–1285)

Het handelsprivilege van Aduard, de overeenkomsten met de buren van Zuidlaren, de 28 waardelen, de afspraken over wegen en de Hunze en de ontwikkeling van het voorwerk Everswolde onder abt Geyko.

4. De strijd om het water — Kropswolde, Rottum en de kloostergoederen (1285–1332)

De waterconflicten bij Everswolde en De Groeve, de overeenkomst tussen Yesse en Rottum, de vernielde knijpe, abdis Jutta en de zesduizend turven waarop Agneza in 1332 aanspraak maakte.

5. Groningen en het veenland — Handel, boerenrechten en veranderend bestuur (1332–1500)

De economische verbindingen via de Hunze, de betekenis van Kropswolde en Wolfsbarge, de groeiende invloed van Groningen en het Gorecht en de juridische verhoudingen tussen kloosters, pachters en dorpsgemeenschappen.

6. Turf, arbeid en kloosterbezit — De economie van het veen (1500–1568)

De kloosters als grondbezitters en beheerders van verspreide goederen, het werk van pachters en arbeiders, de behoefte aan brandstof en bouwmaterialen en de mogelijkheden en beperkingen van het vervoer naar stedelijke afnemers.

7. Oorlog in het grote veen — De Nederlandse Opstand en de vesting Bourtange (1568–1594)

De militaire betekenis van moeilijk begaanbare veengebieden, de strategische doorgangen door het Bourtanger Moor, de aanleg van Bourtange in 1593 en de gevolgen van de oorlog voor het oude katholieke gezag.

8. De voormalige kloostervenen — Reformatie, veenmeiers en nieuwe machthebbers (1594–1600)

De Reductie van Groningen, het onderzoek van Taeko Haringius en Johan Clant, de veenmeiers van Wolfsbarge, de turfopbrengsten van Everswolde en de overgang van kloosterlijk naar wereldlijk beheer.

Het Bourtanger Moor — De kloosters en de strijd om het grote veen (1200–1600)

Van boerenrechten en kloosterbezit tot turfwinning, handel, oorlog en de nieuwe machtsverhoudingen na de Reformatie

Het landschap vóór de kloosters

De geschiedenis van het Bourtanger Moor begint duizenden jaren voordat de eerste middeleeuwse kloosters grond verwierven. Ten oosten van de Hondsrug en langs de huidige Nederlands-Duitse grens ontwikkelden zich uitgestrekte hoogveencomplexen. Door langdurige veengroei ontstonden dikke pakketten organisch materiaal, die op sommige plaatsen boven het omringende landschap uitgroeiden. Het gebied was geen gelijkvormig moeras. Er lagen zandhoogten, beekdalen, natte laagten en doorgangen die voor mensen en dieren bereikbaar bleven. Die verschillen bepaalden waar nederzettingen konden ontstaan, waar boeren hun vee hielden en langs welke routes goederen konden worden vervoerd.

Het Bourtanger Moor moet geografisch worden onderscheiden van de westelijker gelegen venen rond Kropswolde en het Hunzedal. Deze gebieden waren economisch en landschappelijk met elkaar verbonden, maar vormden niet overal één ononderbroken hoogveen. Voor dit verhaal worden daarom zowel het eigenlijke Bourtanger Moor als de aangrenzende veengebieden van Westerwolde, Oostermoer en het Hunzedal onderzocht. Die bredere afbakening is nodig om te begrijpen hoe kloosters, boeren en de stad Groningen in verschillende delen van het veenlandschap rechten verwierven en gebruikten.

De Hondsrug vormde aan de westzijde een reeks relatief hoge gronden. Hier lagen oude nederzettingen met akkers, erven en wegen. Oostelijk daarvan bevond zich het Hunzedal, waar de rivier water afvoerde en plaatselijk mogelijkheden voor vervoer bood. Verder naar het oosten lagen uitgestrekte veengebieden die pas veel later door grootschalige kanalen werden ontsloten. De bewoners van de veenranden waren afhankelijk van hun kennis van het terrein. Zij wisten waar de grond stevig genoeg was, welke delen in natte perioden onbegaanbaar werden en waar het veen voor brandstof kon worden gebruikt.

De eerste bewoners en de oude doorgangen

Het gebruik van het veenlandschap begon lang vóór de kloosterperiode. De prehistorische veenwegen bij Valthe en Buinen laten zien dat mensen houten constructies aanlegden om moeilijk begaanbare terreinen te kunnen oversteken. Zulke vondsten bewijzen dat de venen geen volledig afgesloten wereld waren. Zij tonen echter niet aan dat er toen al commerciële turfwinning plaatsvond. De betekenis ervan ligt vooral in de menselijke kennis van het landschap en de bereidheid om arbeid te investeren in de aanleg van doorgangen.

Ook de Karolingische muntschat van Roswinkel, die in de negentiende eeuw werd gevonden, behoort tot de oudere geschiedenis van het gebied. De munten tonen contacten met een grotere economische wereld, maar mogen niet rechtstreeks worden verbonden met turfhandel. Voor de periode tussen 1200 en 1600 zijn andere soorten bewijs nodig: oorkonden, goederenregisters, pachtcontracten, rekeningen en vermeldingen van leveringen. Pas zulke bronnen kunnen duidelijk maken wanneer turf van een plaatselijk gebruikte brandstof veranderde in een product waarvoor rechten werden vastgelegd en inkomsten werden ontvangen.

De boeren en hun rechten

Toen de kloosters hun bezittingen uitbreidden, waren de randen van het veen al onderdeel van het bestaan van boeren en dorpsgemeenschappen. In Drenthe hadden marken een belangrijke functie bij het gebruik en beheer van gemeenschappelijke gronden. Boeren beschikten over akkers en erven, maar konden daarnaast rechten hebben op weiden, bossen, heide en veen. Niet iedere bewoner had dezelfde positie. Volwaardige markegenoten konden andere rechten bezitten dan kleinere boeren, knechten of mensen zonder aandeel in de gemeenschappelijke gronden.

Het recht om turf te steken was niet noodzakelijk hetzelfde als het eigendom van de grond. Een gebruiker kon krachtens gewoonte, overeenkomst of pacht toegang hebben tot een veenperceel. Ook konden afzonderlijke personen recht hebben op een vaste hoeveelheid turf. Daardoor ontstond een ingewikkelde verhouding tussen eigendom, gebruik en opbrengst. Wie het veen bezat, hoefde niet zelf de turf te winnen. Wie de turf won, hoefde niet degene te zijn die uiteindelijk de opbrengst ontving. Deze verdeling van rechten vormt een van de belangrijkste uitgangspunten voor het onderzoek.

De opkomst van de kloosters

In de twaalfde en dertiende eeuw ontwikkelden kloosters zich tot belangrijke grondbezitters in Groningen en Drenthe. Hun economische macht berustte op schenkingen, aankopen, ruiltransacties en rechten op inkomsten. Adellijke families konden grond schenken uit religieuze overtuiging, ter ondersteuning van een kloostergemeenschap of in samenhang met hun maatschappelijke positie. De ontvangen goederen lagen niet noodzakelijk naast het klooster. Een instelling kon boerderijen, akkers, hooilanden en veenrechten in verschillende dorpen bezitten.

Het kloosterleven vereiste een voortdurende aanvoer van voedsel, brandstof en bouwmaterialen. Gebouwen moesten worden onderhouden en bewoners moesten worden verzorgd. Daardoor waren kloosters ook economische organisaties. Hun bezit werd beheerd door bestuurders, lekenbroeders, pachters en andere arbeidskrachten. De inkomsten konden bestaan uit geld, landbouwproducten of vaste leveringen. Voor de geschiedenis van het veen is het belangrijk te bepalen of een klooster daadwerkelijk turf liet winnen of slechts inkomsten ontving uit een gebied waar ook veengrond aanwezig was.

Aduard — Stichting en uitbreiding vanaf 1192

In 1192 werd het cisterciënzer klooster Aduard gesticht. Het groeide uit tot een invloedrijke instelling met verspreide bezittingen in het Groninger landschap en daarbuiten. De cisterciënzers combineerden een religieus bestaan met een georganiseerde economische huishouding. Het klooster had landbouwgronden nodig, maar ook gebouwen, opslagplaatsen en mogelijkheden om goederen te vervoeren. De omvang van zijn bezittingen maakte Aduard tot een belangrijke partij in plaatselijke verhoudingen rond grond, water en arbeid.

In eerdere projectuitwerkingen wordt voor een late fase van de kloostergeschiedenis een grondbezit van ongeveer 5.510 hectare genoemd. Dit cijfer moet aan de oorspronkelijke berekening worden getoetst. Het is geen bewijs dat Aduard vanaf de stichting zoveel grond bezat en evenmin dat het gehele bezit uit veen bestond. Wel maakt de vermelding duidelijk dat de verspreiding en omvang van de kloostergoederen afzonderlijk moeten worden onderzocht. Alleen met een chronologisch overzicht van verwervingen en overdrachten kan worden vastgesteld hoe de economische macht van Aduard zich ontwikkelde.

Voorwerken en kloosterarbeid

Aduard beschikte over voorwerken en andere goederen waar landbouw en beheer konden worden georganiseerd. Een voorwerk was niet eenvoudig een klooster in het klein. Het kon functioneren als een economisch bedrijf waarin mensen werkten onder toezicht van de kloosterorganisatie. Lekenbroeders speelden in de cisterciënzer traditie een belangrijke rol, maar het werk werd niet uitsluitend door hen verricht. Ook pachters, knechten en ingehuurde arbeiders konden betrokken zijn bij de exploitatie van de gronden.

De verhouding tussen klooster en arbeider kon verschillen. Een pachter gebruikte grond op basis van een overeenkomst en was verplicht een vergoeding of deel van de opbrengst af te dragen. Een knecht kon onder direct toezicht werken. Een lekenbroeder maakte deel uit van de religieuze organisatie, maar verrichtte andere werkzaamheden dan de koormonniken. Deze verschillen zijn belangrijk, omdat het beeld van monniken die zelf alle sloten groeven en alle turf staken, de werkelijkheid versimpelt. Achter het kloosterbezit stond een grotere groep mensen die in de schriftelijke bronnen vaak nauwelijks zichtbaar is.

Aduard, Terheijl en Everswolde

Tot de gebieden die in het eerdere onderzoek naar Aduard terugkeren, behoren Terheijl en Everswolde. Terheijl lag in de Kop van Drenthe en behoort niet tot de kern van het Bourtanger Moor. Het is wel van betekenis voor de manier waarop een klooster verspreide bezittingen kon beheren. Everswolde is belangrijker voor de geschiedenis van de noordelijke veenrand, omdat het later opnieuw verschijnt in het onderzoek naar de voormalige kloostergoederen en hun opbrengsten.

Voor beide plaatsen moet worden vastgesteld welke percelen tot het kloosterbezit behoorden en welke werkzaamheden daar plaatsvonden. Het bestaan van een kloosterlijk voorwerk of landgoed bewijst niet dat alle grond voor turfwinning werd gebruikt. Sommige delen konden landbouwgrond zijn, andere hooi- of weideland. De geschiedenis van een kloosterbezit moet daarom per plaats worden opgebouwd uit de verwervingsakten, latere pachtgegevens en eventuele rekeningen. Juist de veranderingen in het gebruik van de grond kunnen laten zien hoe de economische betekenis van het landschap verschoof.

Klei, bakstenen en turf

De kloosters waren niet alleen gebruikers van grond, maar ook opdrachtgevers voor bouwactiviteiten. Grote stenen gebouwen vereisten bakstenen, hout, kalk en andere materialen. Klei moest worden gewonnen, stenen moesten worden gevormd en gedroogd en vervolgens in ovens worden gebakken. Voor het stoken van zulke ovens was brandstof noodzakelijk. Daarmee ontstond een economische verbinding tussen kleiputten, steenbakkerijen, turfwinning en vervoer.

In het eerdere onderzoek worden tichelwerken van Aduard bij Lagemeeden en Ter Helle genoemd. Ook de kleigebieden bij Peize en Foxwolde, waaronder het Kleibosch en de Leemdobben, komen naar voren. De afzonderlijke locaties moeten nog aan historische en archeologische bronnen worden getoetst. Het is niet vanzelfsprekend dat iedere oven turf gebruikte of dat de brandstof uit één bepaald veengebied kwam. Toch is de relatie tussen kloosterbouw en brandstofvoorziening belangrijk. Zij maakt zichtbaar dat turf niet uitsluitend werd gebruikt voor het verwarmen van woningen.

Een eerdere onderzoeksvermelding noemt voor 1283 een levering van tweeduizend bakstenen door Aduard, in verband gebracht met Noordlaren en Wolfsbarge. De oorspronkelijke bron moet worden gecontroleerd voordat de bestemming en de omstandigheden vaststaan. De vermelding laat wel zien welke concrete vragen het onderzoek kan beantwoorden wanneer rekeningen of oorkonden bewaard zijn gebleven. Wie bestelde de stenen, wie maakte ze, waar werden zij gebakken en hoe kwamen zij op hun bestemming? Zulke gegevens brengen de arbeiders en vervoerders achter de kloosterlijke economie dichterbij.

Yesse — Het vrouwenklooster bij Essen vanaf 1215

In 1215 werd bij Essen, ten zuiden van Groningen, het vrouwenklooster Yesse gesticht. Het klooster maakte deel uit van de cisterciënzer traditie en groeide uit tot een instelling met eigen bezittingen en inkomsten. De gemeenschap werd bestuurd door een abdis. Zij was niet alleen verantwoordelijk voor het religieuze leven, maar kon ook optreden bij overeenkomsten over grond, waterbeheer en financiële verplichtingen.

De ligging van Yesse was belangrijk. Het klooster bevond zich nabij de Hondsrug en had verbindingen met de omgeving van de Hunze. In het eerdere onderzoek wordt een voorwerk bij Waterhuizen genoemd. Ook zijn een molen en andere economische activiteiten met het klooster verbonden. Deze gegevens moeten per locatie worden onderzocht. Het bezit van een molen of voorwerk kon invloed hebben op de organisatie van landbouw en waterbeheer, maar zegt op zichzelf nog niets over de omvang van de turfwinning.

Yesse en Kropswolde vóór 1249

Volgens de eerdere projectdocumentatie had Yesse al vóór 1249 belangen in veengronden bij Kropswolde. Deze vroege vermelding is belangrijk, omdat zij de kloostergeschiedenis verbindt met een gebied waar later concrete turfleveringen worden aangetroffen. De oorspronkelijke oorkonden moeten echter nauwkeurig worden gelezen. Het is noodzakelijk vast te stellen of het om eigendom, een gebruiksrecht, pachtinkomsten of een andere aanspraak ging.

Kropswolde lag aan de overgang tussen de hogere gronden en het natte landschap van de Hunze. Boeren gebruikten het gebied al voordat Yesse er rechten verwierf. Het klooster trad dus toe tot bestaande plaatselijke verhoudingen. Wanneer grond werd verkocht of geschonken, konden andere rechten blijven bestaan. De geschiedenis van Kropswolde moet daarom worden geschreven vanuit zowel het klooster als de bewoners van het dorp. Hun belangen konden samenvallen, maar ook aanleiding geven tot conflicten.

Het geschil van 1249

In het eerdere onderzoek wordt een geschil uit 1249 tussen Yesse en inwoners van Kropswolde genoemd. Het bestaan en de precieze inhoud van deze kwestie moeten aan de oorspronkelijke akte worden getoetst. Vooral de betekenis van de daarin gebruikte grondbenamingen is van belang. Een eerdere uitleg waarin sprake was van drie veenstroken kan niet zonder meer worden overgenomen.

Het geschil is belangrijk omdat het laat zien hoe kloosterlijke aanspraken en plaatselijke rechten elkaar konden raken. Een religieuze instelling beschikte niet automatisch over onbeperkte bevoegdheden tegenover een dorp. Bewoners konden rechten bezitten die zij wilden behouden of verdedigen. Wanneer een conflict schriftelijk werd vastgelegd, ontstond een bron die inzicht kan geven in de verhouding tussen grondbezit, gebruik en plaatselijke macht. Juist zulke stukken zijn nodig om de ontwikkeling van de veeneconomie nauwkeurig te reconstrueren.

Yesse, Rottum en de akte van 1291

Een tweede belangrijke vermelding betreft 5 juli 1291. In het eerdere projectonderzoek wordt een overeenkomst genoemd tussen Yesse en Rottum over grond in Crepeswolde, verbonden met Kropswolde. Daarbij worden een bedrag van 72 mark sterling en een bepaling over vrije vaart genoemd. De oorspronkelijke Latijnse akte moet worden gecontroleerd om vast te stellen welke partijen betrokken waren, welke grond werd overgedragen en wat het vaarrecht precies inhield.

Wanneer grondtransacties ook afspraken over vervoer bevatten, toont dat het belang van bereikbaarheid. Turf of andere producten hadden slechts economische waarde buiten het eigen gebied wanneer zij naar afnemers konden worden gebracht. Een recht op vrije vaart kon daarom een belangrijke voorwaarde zijn voor het gebruik van grond. Maar het is niet aangetoond dat de bepaling uit 1291 een algemeen recht op onbeperkte turfvaart vastlegde. De juridische betekenis moet worden afgeleid uit de oorspronkelijke formulering en de plaatselijke omstandigheden.

Rottum als grondbezitter

Het klooster Rottum had bezittingen die niet noodzakelijk tot de directe omgeving van de kloostergebouwen beperkt waren. De mogelijke betrokkenheid bij Kropswolde maakt het belangrijk om ook dit klooster in het onderzoek op te nemen. Grond kon door verkoop, schenking of ruil van eigenaar veranderen. Daardoor ontstonden relaties tussen instellingen die geografisch op afstand van elkaar lagen.

Voor Rottum moet worden onderzocht welke rechten het klooster daadwerkelijk in het veengebied bezat en hoe die werden beheerd. Een afzonderlijke grondtransactie bewijst niet dat de instelling gedurende eeuwen een eigen turfbedrijf exploiteerde. Wel kan een dergelijke overeenkomst inzicht geven in de waarde van veengrond, de betekenis van waterverbindingen en de onderlinge verhoudingen tussen kloosters. Rottum behoort daarom tot de geschiedenis van het grote veen, maar zijn rol moet uit concrete bronnen worden opgebouwd.

Abdis Jutta en de waterwerken van 1323

In 1323 trad abdis Jutta van Yesse op bij werkzaamheden die verband hielden met de waterhuishouding van kloostergoederen. Volgens een eerder aangehaalde reconstructie van Annemiek Bos waren zeven vermogende grondbezitters betrokken bij het stellen van financiële zekerheid. De oorspronkelijke overeenkomst moet nog worden gecontroleerd om vast te stellen welke werkzaamheden werden uitgevoerd en welke verplichtingen de betrokken personen op zich namen.

Deze gebeurtenis laat zien dat het bestuur van een vrouwenklooster verder reikte dan de kloostermuren. Waterbeheer kon noodzakelijk zijn voor het gebruik van landbouwgronden en veenpercelen. Het vereiste bovendien samenwerking met andere rechthebbenden. Wanneer een watergang werd verbeterd of een afwateringsvoorziening werd aangelegd, konden meerdere eigenaren voordeel hebben, maar ook lasten moeten dragen. De betrokkenheid van Jutta toont daarmee de bestuurlijke en economische positie van een abdis in het middeleeuwse landschap.

Zijlen bij Gronenburg en Mude in 1332

In de eerdere geschiedenis van Yesse worden voor 1332 zijlen bij Gronenburg en Mude genoemd. Een zijl was een waterwerk dat de afvoer van water regelde. Zulke voorzieningen konden invloed hebben op de bruikbaarheid van landbouwgronden en op de waterstanden in de omgeving. Voor de geschiedenis van de veenranden zijn zij belangrijk omdat ontwatering veranderingen in het landschap veroorzaakte.

Het bestaan van een zijl bewijst echter niet dat schepen erdoorheen konden varen. Afwateringssluizen en schutsluizen hadden verschillende functies. Daarom moet voor iedere genoemde voorziening worden onderzocht of zij uitsluitend diende voor waterbeheer of ook een rol speelde in het vervoer. Dit onderscheid is noodzakelijk om te voorkomen dat latere vaarwegen ten onrechte naar de vroege veertiende eeuw worden teruggeprojecteerd.

Agneza en de zesduizend turven van 1332

In 1332 had Agneza, afkomstig uit een vooraanstaande Groningse familie, volgens de eerdere projectdocumentatie jaarlijks recht op zesduizend turven uit het kerspel Kropswolde. Dit is een van de meest concrete gegevens over de vroege turfwinning. Het gaat niet om een algemene vermelding van brandstofgebruik, maar om een vaste hoeveelheid waarop een persoon aanspraak maakte.

Het recht van Agneza moet worden onderscheiden van de bezittingen van Yesse. Uit de vermelding volgt niet dat het klooster deze turf ontving. Evenmin is bekend wie de turven stak, waar de betrokken veengrond lag en hoe de levering werd georganiseerd. Toch toont het gegeven dat turf al in de veertiende eeuw een product was waarop afzonderlijke personen rechten konden bezitten. Het veen maakte daarmee deel uit van een economie waarin grondgebruik en vaste leveringsverplichtingen met elkaar verbonden waren.

De omvang van zesduizend turven is alleen goed te begrijpen wanneer ook de afmetingen bekend zijn. In het onderzoek van Benders en Spek wordt een kleine turf uit het Zuidlaardermeergebied besproken met afmetingen van ongeveer 32 bij 6 bij 7 centimeter. Dit voorbeeld bewijst niet dat alle middeleeuwse turven dezelfde afmetingen hadden. Het laat vooral zien dat een aantal turven niet zonder meer kan worden omgerekend naar gewicht of scheepsladingen. Voor de geschiedenis van de handel moeten aantallen daarom zoveel mogelijk worden verbonden met gegevens over de gebruikte turfmaten.

Kropswolde en Wolfsbarge als economische overgangszone

Kropswolde en Wolfsbarge lagen op een overgang tussen de veenranden en de waterverbindingen van het Hunzedal. Hun ligging maakte het mogelijk dat producten uit de omgeving naar verder gelegen afnemers werden vervoerd. Voor turf was dit belangrijk, omdat vervoer over land arbeidsintensief kon zijn. Wanneer een bevaarbare watergang bereikbaar was, konden grotere hoeveelheden brandstof tegen lagere vervoerskosten worden verplaatst.

De precieze routes moeten echter aan oude kaarten en historische bronnen worden getoetst. Het huidige wegen- en waterlopenpatroon is niet zonder meer gelijk aan de middeleeuwse situatie. Turf kon eerst over land naar een laadplaats worden gebracht en vervolgens per schuit verder worden vervoerd. Ook konden natuurlijke waterlopen in verschillende perioden andere mogelijkheden bieden. De geschiedenis van deze dorpen moet daarom zowel vanuit de grondrechten als vanuit de feitelijke bereikbaarheid worden onderzocht.

Noordlaren, Onnen en de westelijke dorpen

Noordlaren en Onnen lagen aan de hogere westzijde van het Hunzelandschap. Hun bewoners beschikten over landbouwgronden en hadden toegang tot lagere terreinen die voor weide, hooiwinning en mogelijk brandstofgebruik werden benut. De economische mogelijkheden verschilden per dorp en per eigenaar. Ook kerkelijke instellingen konden belangen hebben in de omgeving.

Bij Noordlaren is in eerder onderzoek aandacht besteed aan een mogelijk middeleeuws versterkt terrein dat door luchtfotografie zichtbaar werd. De precieze datering en functie moeten verder worden vastgesteld. Het terrein mag niet zonder bewijs worden verbonden met de controle over turftransport. Wel is het een aanwijzing dat de geschiedenis van de veenranden ook vanuit macht, versterkingen en territoriale verhoudingen moet worden onderzocht.

Het Oostermoer en de Drentse venen

Aan de Drentse zijde lagen gebieden die later bekend werden door plaatsen als Annerveen, Eexterveen, Gieterveen en Bonnerveen. Hun geschiedenis moet worden verbonden met oudere nederzettingen, de markerechten en het gebruik van het Hunzedal. De latere veenkoloniale inrichting mag niet zonder meer worden teruggeplaatst naar de middeleeuwen.

Voor het Oostermoer is vooral van belang wie bevoegd was over veengronden te beschikken. Een boermarke kon gemeenschappelijke rechten beheren, terwijl afzonderlijke boeren en andere grondbezitters eveneens aanspraken konden hebben. Wanneer een klooster grond verkreeg, moest worden vastgesteld of bestaande gebruiksrechten bleven bestaan. Ook de vraag wie turf mocht verkopen, kan niet met één algemene regel voor heel Drenthe worden beantwoord. De juridische geschiedenis verschilde per plaats en overeenkomst.

Zuidlaarderveen en de Zuidlaardermarke

Zuidlaarderveen vormt een afzonderlijk plaatsdossier binnen het grotere onderzoek. De geschiedenis is verbonden met de rechten van Zuidlaren, het gebruik van gemeenschappelijke gronden en de ontwikkeling van de veenrand. Voor de periode 1200–1600 moeten de oudste vermeldingen van grond, rechten en bewoners worden onderscheiden van de veel latere grootschalige ontginningen.

In het eerdere projectonderzoek is ook gewezen op veenbezit van de Groninger dominicanen bij Zuidlaren. De oorspronkelijke akten moeten duidelijk maken waar dat bezit lag en welke inkomsten eraan verbonden waren. Het bestaan van een kloosterlijk recht bij Zuidlaren betekent niet automatisch dat de dominicanen zelf een groot verveningsbedrijf exploiteerden. Wel laat het zien hoe religieuze instellingen uit Groningen betrokken konden raken bij het grondgebruik in Drenthe.

De kloosters en de stad Groningen

Groningen had een groeiende behoefte aan voedsel, bouwmaterialen en brandstof. Kloosters en andere religieuze instellingen maakten deel uit van die stedelijke economie. De dominicanen vestigden zich in 1308 in Groningen. Ook de minderbroeders en verschillende gasthuizen hadden gebouwen en inkomsten nodig. Het Pelstergasthuis wordt in het eerdere onderzoek verbonden met een kapel uit 1267 en met voogden die vanaf 1381 duidelijker in de bronnen zichtbaar worden.

De Martinikerk, de Der Aa-kerk en de stedelijke kloostergebouwen vereisten bouwmaterialen en onderhoud. Ook het dagelijks gebruik van de gebouwen bracht een behoefte aan brandstof met zich mee. De precieze herkomst van die brandstof moet echter worden onderzocht. De aanwezigheid van een grote afnemer bewijst niet dat turf uit Kropswolde of het Bourtanger Moor werd geleverd. Daarvoor zijn rekeningen, leveringscontracten of andere concrete vermeldingen nodig.

Brouwers, bakkers en steenovens

Naast religieuze instellingen waren ook ambachtslieden belangrijke gebruikers van brandstof. Brouwers hadden warmte nodig voor het brouwen van bier, bakkers voor hun ovens en steenbakkers voor het bakken van stenen. Turf kon daarvoor worden gebruikt wanneer deze beschikbaar en betaalbaar was. De ontwikkeling van Groningen als handelsstad vergrootte de betekenis van een betrouwbare brandstofvoorziening.

In het eerdere onderzoek worden brouwerijen langs de Drentsche Aa en het Hoornsediep genoemd. Ook het Groninger brouwersgilde van 1424 komt naar voren. De precieze ledenaantallen en economische omvang moeten aan de oorspronkelijke bronnen worden getoetst. Voor het verhaal over het veen is vooral belangrijk of concrete leveringen kunnen worden verbonden met deze afnemers. Daarmee kan de geschiedenis van de turfwinning worden gekoppeld aan de stedelijke bedrijvigheid.

Groningen en het Gorecht in 1392

In 1392 verkreeg Groningen door pacht een belangrijke positie in het Gorecht. Daarmee kreeg de stad meer invloed op een gebied dat verbonden was met de Hunze en de Drentse veenranden. Deze ontwikkeling moet worden gezien tegen de achtergrond van de strijd om bestuur, rechtspraak en handelsverbindingen.

Het verwerven van bestuurlijke rechten betekende niet dat Groningen eigenaar werd van alle grond in het Gorecht. Ook de plaatselijke bewoners, kloosters en andere bezitters bleven rechten uitoefenen. Voor de turfhandel was de groeiende invloed van de stad van betekenis, omdat Groningen een belangrijke afzetmarkt was. De stad kon belang hebben bij het reguleren van vervoer en handel, terwijl de winning zelf in handen van verschillende producenten bleef.

Frederik van Blankenheim en het Landrecht van 1412

Frederik van Blankenheim was van 1393 tot 1423 bisschop van Utrecht en had als landsheer een belangrijke positie in Drenthe. In 1412 werd het Drentse Landrecht vastgesteld. Dit document is van belang voor de geschiedenis van de rechtspraak en de verhouding tussen landsheerlijk gezag en plaatselijke rechtsgemeenschappen.

Voor de geschiedenis van het veen moet worden onderzocht welke bepalingen betrekking hadden op eigendom, gemeenschappelijk gebruik en verkoop van grond. Het is niet aangetoond dat Frederik van Blankenheim alle boeren een algemeen recht gaf om turf te verkopen. De bestaande markerechten en plaatselijke gebruiken moeten afzonderlijk worden onderzocht. Het Landrecht vormt daarom een belangrijk juridisch kader, maar mag niet worden gebruikt om onbewezen uitspraken over de vervening te onderbouwen.

De schuitenschuivers van Groningen vanaf 1403

In 1403 kreeg het Groninger schuitenschuiversgilde een officiële regeling. Daarmee werd het vervoer over de waterwegen verbonden met een erkende beroepsgroep en stedelijke voorschriften. Voor de turfhandel was dit van betekenis, omdat producenten afhankelijk konden zijn van vervoerders die hun brandstof naar Groningen brachten.

Het gilde moet worden onderscheiden van de boeren en kloosters die turf bezaten of leverden. Een grondbezitter hoefde niet zelf schipper te zijn, terwijl een schipper geen eigenaar van het veen hoefde te zijn. Ook moet worden onderzocht welke ruimte er bestond voor eigen vervoer en welke werkzaamheden onder de gildevoorschriften vielen. De oorspronkelijke gildebrief van 1403 en de latere regelingen van 1481 en 1542 zijn daarvoor belangrijke bronnen.

Het Damsterdiep en de groeiende handelsverbindingen

Tussen ongeveer 1424 en 1430 werden werkzaamheden uitgevoerd aan de waterverbinding die als Damsterdiep bekendstaat. De oudere Delf maakte deel uit van het waterstelsel. Het ging niet eenvoudig om één volledig nieuw kanaal, maar om een ontwikkeling waarin bestaande en aangepaste watergangen met elkaar verbonden werden.

De verbeteringen waren belangrijk voor Groningen als handelsstad. Goederen konden over water worden vervoerd tussen de stad en gebieden in de richting van de Eems. Het Damsterdiep was niet rechtstreeks een ontginningskanaal van het Bourtanger Moor. Toch maakt het deel uit van de bredere geschiedenis van de binnenvaart, waarin turf, bouwmaterialen en andere producten werden verhandeld.

Het onderhoud van het Schuitendiep in 1473

Op 9 juni 1473 werd een overeenkomst gesloten over het onderhoud van het Schuitendiep. Deze vermelding laat zien dat waterwegen niet alleen moesten worden aangelegd, maar ook onderhouden. Wanneer een watergang dichtslibde of moeilijk bevaarbaar werd, kon dat gevolgen hebben voor het vervoer van goederen.

De onderhoudsverplichtingen konden worden verdeeld tussen verschillende belanghebbenden. Voor de geschiedenis van het veen is van belang wie de kosten droeg en wie voordeel had van de verbinding. Een bevaarbare waterweg kon de verkoop van turf mogelijk maken, maar de aanleg en het onderhoud ervan vereisten arbeid, geld en bestuurlijke afspraken.

Westerwolde en het grote oostelijke veen

Westerwolde had een eigen historische ontwikkeling. Het gebied bestond uit nederzettingen op zandgronden, beekdalen en uitgestrekte venen. De verbindingen met het Duitse grensgebied waren van betekenis voor verkeer en handel. Verschillende wereldlijke en geestelijke machthebbers oefenden er rechten uit.

De historische positie van de abdij van Corvey en de heren van Westerwolde moet afzonderlijk worden onderzocht. Het bestaan van kerkelijke of wereldlijke rechtsmacht betekende niet dat één instelling eigenaar was van het gehele Bourtanger Moor. De rechten van dorpen, grondbezitters en andere gebruikers bleven van betekenis. Voor Westerwolde moeten daarom de oudste bezitsakten en rechtsbronnen worden gebruikt om de verhouding tussen macht en grondgebruik te reconstrueren.

Weerdinge, Roswinkel en de zuidoostelijke veenrand

In Zuidoost-Drenthe lagen nederzettingen die verbonden waren met de grote veengebieden. Weerdinge en Roswinkel behoorden tot de plaatsen waar de verhouding tussen oudere bewoning en het omliggende veen moet worden onderzocht. Het bestaan van veen in de omgeving betekende niet automatisch dat er al een grootschalige commerciële vervening plaatsvond.

In het eerdere projectonderzoek worden overeenkomsten en conflicten rond veenrechten tussen 1327 en 1492 genoemd. Deze gegevens moeten per akte worden gecontroleerd. Vooral de namen van de betrokken personen, de ligging van de gronden en de aard van de rechten zijn belangrijk. Zulke bronnen kunnen duidelijk maken hoe plaatselijke gemeenschappen hun belangen tegenover andere bezitters verdedigden.

Ter Apel — Een nieuwe kloosterstichting in de vijftiende eeuw

Ter Apel vormt een bijzonder onderdeel van het verhaal. Anders dan Aduard en Yesse werd het klooster pas in de vijftiende eeuw gesticht. De ligging aan de oostelijke veenrand maakte het tot een instelling die direct verbonden was met het grenslandschap van Westerwolde.

In 1458 kwam Jacobus Wiltinck, in eerdere teksten ook Wiltingh genoemd, in het bezit van het terrein dat later met het klooster verbonden werd. In 1464 werd het terrein overgedragen voor de vestiging van de kruisheren. De precieze rechtshandelingen moeten aan de oorspronkelijke documenten worden getoetst.

De kruisheren uit Bentlage in 1465

In 1465 kwamen religieuzen vanuit Bentlage naar Ter Apel. Het klooster kreeg de naam Domus Novae Lucis, het Huis van het Nieuwe Licht. In de eerdere projectuitwerkingen worden vier kruisbroeders en enkele lekenbroeders genoemd. Hinrick van den Berge wordt daarin als eerste prior vermeld.

De komst van de kruisheren betekende dat een nieuwe religieuze instelling grond, gebouwen en inkomsten nodig had. Voor de omliggende bevolking kon dit werk en handel opleveren. De bouw van het klooster vereiste materialen en ambachtslieden. Toch is niet bewezen dat de kruisheren onmiddellijk grote oppervlakten hoogveen ontgonnen. Daarvoor moeten hun afzonderlijke bezittingen en inkomsten worden onderzocht.

De bouw van klooster Ter Apel

De bouw van het klooster bracht metselaars, timmerlieden en andere arbeiders naar het terrein. Bouwmaterialen moesten worden vervaardigd of aangevoerd. De gebouwen ontstonden niet in één keer, maar gedurende verschillende bouwfasen die doorliepen tot in de zestiende eeuw.

Het klooster werd daarmee een zichtbare instelling in het landschap. De religieuze gemeenschap was afhankelijk van de opbrengsten van haar bezittingen, maar ook van de arbeid van mensen buiten de kloostermuren. Voor de geschiedenis van het Bourtanger Moor is de vraag belangrijk of turf uit de omgeving werd gebruikt voor verwarming of bouwactiviteiten. Die mogelijkheid moet aan concrete bronnen worden getoetst.

De zestiende eeuw — Oorlog en veranderende macht

In de zestiende eeuw veranderden de politieke en godsdienstige verhoudingen in Groningen en Drenthe ingrijpend. De Reformatie en de Nederlandse Opstand hadden gevolgen voor de katholieke kloosters. Hun gebouwen, inkomsten en bezittingen kwamen onder druk te staan. De gevolgen verschilden per instelling en per gebied.

Voor de bewoners van de veenranden betekende dit dat bestaande overeenkomsten onzeker konden worden. Pachters konden verplichtingen hebben tegenover kloosters die hun oude positie verloren. Ook konden wereldlijke bestuurders belangstelling krijgen voor de opbrengsten van de kloostergoederen. De geschiedenis van de turfwinning raakte daarmee verbonden met de strijd om het beheer van kerkelijk bezit.

De oorlog en de waterwegen

Tijdens de Nederlandse Opstand werden waterwegen, bruggen, dijken en versterkte plaatsen van militair belang. De gevechten in Groningen en Drenthe konden de handel verstoren. Voor boeren en pachters kon dit betekenen dat producten moeilijker vervoerd werden of dat bestaande leveringsverplichtingen niet konden worden nagekomen.

Ook kloosters konden schade lijden door militaire aanwezigheid en plundering. De inkomsten uit grond en pacht waren daardoor niet vanzelfsprekend verzekerd. Voor de geschiedenis van de veeneconomie moeten rekeningen uit deze periode worden onderzocht om vast te stellen welke verplichtingen daadwerkelijk werden nagekomen.

Bourtange — De militaire betekenis van het moeras in 1593

Het Bourtanger Moor vormde een grote natuurlijke hindernis voor legers. Toch waren er doorgangen waarover verkeer mogelijk bleef. De route bij Bourtange was daarom strategisch belangrijk. Wie deze doorgang beheerste, kon invloed uitoefenen op de verbinding tussen Groningen en het Duitse achterland.

In 1593 liet Willem Lodewijk bij Bourtange een versterking aanleggen. De aanleg maakte gebruik van de natuurlijke omstandigheden van het moeras. Het veenlandschap dat eeuwenlang belangrijk was geweest voor grondgebruik en brandstof, kreeg daarmee ook een uitgesproken militaire betekenis. De precieze fasering van de bouw moet aan de militaire bronnen worden getoetst.

De laatste jaren van Yesse

Tijdens de Opstand kwam het klooster Yesse onder druk te staan. In het eerdere onderzoek worden militairen op het kloosterterrein genoemd. De gemeenschap verloor uiteindelijk haar oude positie. Daarmee eindigde echter niet onmiddellijk het gebruik van haar gronden.

Pachters en andere gebruikers bleven bestaan. Boerderijen moesten worden beheerd en bestaande verplichtingen konden doorlopen. De geschiedenis van Yesse houdt daarom niet op bij het verdwijnen van de kloostergemeenschap. Juist de overgang van kloosterlijk naar wereldlijk beheer is belangrijk voor de geschiedenis van de turfwinning.

De Reductie van Groningen in 1594

Op 22 juli 1594 kwam Groningen onder het gezag van de Republiek. De Reductie veranderde de bestuurlijke en godsdienstige verhoudingen ingrijpend. De katholieke kloosters verloren hun oude positie en hun goederen kwamen onder nieuw beheer.

Voor de veengebieden was dit een belangrijk keerpunt. De grond bleef bestaan en de pachters bleven hun werkzaamheden verrichten, maar de instelling die inkomsten ontving, veranderde. De nieuwe bestuurders moesten vaststellen welke bezittingen aanwezig waren, welke verplichtingen golden en welke opbrengsten konden worden geïnd.

Het onderzoek naar voormalige kloostergoederen in 1595

Volgens de eerdere projectdocumentatie kregen Taeko Haringius en Johan Clant op 11 april 1595 opdracht om voormalige kloostervenen en bossen te onderzoeken. De oorspronkelijke opdracht moet nog worden gecontroleerd. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat het nieuwe bestuur inzicht wilde verkrijgen in de omvang en opbrengsten van de voormalige kloosterbezittingen.

Bij een dergelijk onderzoek ging het niet uitsluitend om de ligging van grond. Ook de gebruikers, pachters en verschuldigde leveringen waren van belang. De administratie kon daardoor informatie bevatten over mensen die in oudere kloosterbronnen nauwelijks zichtbaar waren. Voor de geschiedenis van het veen zijn deze gegevens bijzonder waardevol, omdat zij de overgang tussen twee bestuursvormen concreet kunnen maken.

De veenmeiers van Wolfsbarge in 1595

In de eerdere projectdocumentatie worden voor Wolfsbarge vier personen genoemd die betrokken waren bij het gebruik van voormalige kloostergronden en turfleveringen: Albert Alberts, Hindrick Harmens, Johan Lens en Evert Reiners. Hun namen geven de geschiedenis van de vervening een menselijk gezicht.

Het is noodzakelijk hun afzonderlijke verplichtingen te reconstrueren. Wie pachtte welke grond? Hoeveel turf moest worden geleverd? Werden de verplichtingen in natura of in geld voldaan? En welke bedragen bleven eventueel openstaan? De namen alleen zijn onvoldoende om de economische verhoudingen te begrijpen. De oorspronkelijke rekeningen kunnen mogelijk laten zien welke personen grotere verplichtingen hadden en welke moeilijkheden bij de levering ontstonden.

Everswolde en de opbrengsten van voormalige kloostervenen

Ook Everswolde komt in het eerdere onderzoek terug bij de voormalige kloostergoederen. Voor de jaren 1595 en 1596 worden administratieve gegevens over turf en opbrengsten genoemd. Deze verdienen afzonderlijke uitwerking.

De betekenis van zulke rekeningen ligt in de mogelijkheid om de overgang van kloosterlijk naar wereldlijk beheer te volgen. Dezelfde gronden konden inkomsten blijven opleveren terwijl de rechthebbende instelling veranderde. Daarmee werd de turfwinning onderdeel van een nieuwe bestuurlijke en financiële organisatie. De oorspronkelijke bedragen en hoeveelheden moeten worden gecontroleerd voordat zij als exacte cijfers in het verhaal kunnen worden opgenomen.

Kropswolde na 1594

Voor Kropswolde betekende de Reductie dat voormalige kloosterlijke belangen opnieuw moesten worden beheerd. Het dorp bleef bestaan en de bewoners bleven afhankelijk van hun grond, arbeid en inkomsten. De verandering lag vooral in de positie van de instellingen die rechten op goederen en leveringen bezaten.

Het is niet aangetoond dat alle voormalige kloostergronden onmiddellijk werden verkocht of dat de turfwinning direct een volledig commerciële onderneming werd. De overgang kon geleidelijk verlopen. Bestaande pachters konden blijven werken en oude verplichtingen konden worden aangepast. Voor Kropswolde moeten de registers van voormalige kloostergoederen, pachtcontracten en rekeningen uit de jaren na 1594 gezamenlijk worden onderzocht.

Drenthe en de Reformatie rond 1598

Ook in Drenthe veranderden de kerkelijke en bestuurlijke verhoudingen tijdens de laatste jaren van de zestiende eeuw. De hervorming van de kerkelijke organisatie kreeg rond 1598 een nieuwe vorm. Voor de geschiedenis van het veen is vooral van belang hoe deze veranderingen doorwerkten in het beheer van kerkelijke goederen en de positie van plaatselijke gemeenschappen.

De Drentse situatie moet worden onderscheiden van die in Groningen. Niet alle gebieden hadden dezelfde bestuurlijke geschiedenis en niet alle kloostergoederen kwamen op hetzelfde moment onder dezelfde beheerders. De plaatselijke rechten van boeren en marken bleven bovendien van betekenis. De Reformatie veranderde de instellingen die macht uitoefenden, maar maakte niet onmiddellijk een einde aan oudere vormen van grondgebruik.

Het grote veen rond 1600

Omstreeks 1600 was het Bourtanger Moor nog grotendeels een uitgestrekt veenlandschap. De grootschalige ontginningen en kanalen die later het aanzien van Groningen en Drenthe zouden veranderen, moesten voor een belangrijk deel nog ontstaan. Toch was het gebied niet zonder geschiedenis. Langs de randen bestonden al eeuwenlang dorpen, grondrechten en economische betrekkingen.

De kloosters hadden in die ontwikkeling een belangrijke rol gespeeld. Zij verwierven grond, ontvingen inkomsten en waren betrokken bij overeenkomsten over water en vervoer. Maar zij waren niet de enige machthebbers. Boeren, marken, adellijke families, stedelijke bestuurders en vervoerders hadden eveneens belangen. De geschiedenis van het veen werd gevormd door de wisselwerking tussen deze groepen.

De betekenis van vier eeuwen kloosterlijke invloed

Tussen 1200 en 1600 veranderde de verhouding tussen mensen en het veenlandschap ingrijpend. De kloosters werden grootgrondbezitters, maar hun macht was nooit onbeperkt. Zij moesten rekening houden met bestaande rechten en waren afhankelijk van mensen die het dagelijkse werk verrichtten.

De turfwinning maakte deel uit van een bredere economie. Brandstof was nodig voor huishoudens, kloosters, brouwers, bakkers en steenovens. De beschikbaarheid van waterverbindingen bepaalde mede of turf op grotere afstand kon worden verkocht. Groningen ontwikkelde zich tot een belangrijke markt en oefende steeds meer invloed uit op de verbindingen met het achterland.

De Reformatie en de oorlog veranderden uiteindelijk de instellingen die het grondbezit beheerden. De voormalige kloostergoederen kwamen onder nieuw gezag, terwijl veel gebruikers en economische verplichtingen bleven bestaan. Daarmee eindigde niet de geschiedenis van het veen, maar wel een tijdperk waarin katholieke kloosters een belangrijke positie hadden ingenomen.

Het Bourtanger Moor was geen leeg gebied dat pas door latere verveners betekenis kreeg. Het was een landschap waarin boeren rechten uitoefenden, kloosters grond verwierven, arbeiders turf wonnen en bestuurders om inkomsten en macht streden. De sporen van die geschiedenis liggen niet alleen in de bodem, maar ook in de oorkonden, rekeningen en overeenkomsten waarin mensen hun aanspraken op het grote veen lieten vastleggen.

Zuidlaarderveen, Everswolde en de westelijke Groninger venen

Van de middeleeuwse boerenrechten en het klooster Aduard tot de strijd om turf, grondbezit, waterwegen, handel en de opkomst van de veenkoloniën (1250–1832)

Het Oostermoer voordat Aduard verscheen

Omstreeks 1250 lagen ten oosten van Zuidlaren uitgestrekte venen, natte weiden, beekdalen en verspreide zandhoogten. De Hunze stroomde langs het gebied en vormde een natuurlijke verbinding met de noordelijker gelegen landen. De bewoners van Zuidlaren gebruikten het Oostermoer al voordat het klooster Aduard er grond verwierf. Zij hadden rechten op gemeenschappelijke gronden, waar vee kon grazen en waar natuurlijke hulpbronnen beschikbaar waren. De venen waren daarmee geen onbewoond gebied zonder eigenaar of gebruiker. Het landschap maakte deel uit van de economische en juridische wereld van de omliggende dorpen.

De boeren van Zuidlaren waren afhankelijk van verschillende soorten grond. Hun akkers lagen vooral op hogere en drogere plaatsen, terwijl de lagere terreinen voor weide en hooiwinning geschikt konden zijn. De veengronden boden mogelijkheden voor brandstofwinning, maar de toegankelijkheid verschilde sterk. Sommige delen waren gedurende grote delen van het jaar moeilijk bereikbaar. De bewoners kenden de doorgangen en waterlopen die toegang tot het gebied boden. Deze kennis was belangrijk voor iedereen die later grond wilde verwerven. Een klooster kon rechten kopen, maar moest voor het gebruik van de grond rekening houden met bestaande wegen, watergangen en plaatselijke gebruiken.

De rechten van de buren van Zuidlaren

De middeleeuwse dorpsgemeenschap van Zuidlaren beschikte over rechten die niet uitsluitend aan afzonderlijke boerderijen waren verbonden. Gemeenschappelijk gebruikte gronden konden door de buren worden beheerd. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de juridische gemeenschap van rechthebbenden en alle inwoners van het dorp. Niet iedere bewoner hoefde dezelfde rechten te bezitten. De mogelijkheid om grond te verkopen of over het gebruik ervan te beslissen, kon afhankelijk zijn van het bezit van een aandeel in de gemeenschap.

Voor het onderzoek naar Zuidlaarderveen is dit onderscheid essentieel. De latere naam van het dorp mag niet de indruk wekken dat het veen in de dertiende eeuw al als een zelfstandige veenkolonie bestond. De geschiedenis begint bij Zuidlaren en zijn rechten op het Oostermoer. Pas door latere veranderingen in eigendom, gebruik en bewoning ontwikkelde zich het gebied dat als Everswolde en vervolgens Zuidlaarderveen bekend werd.

Aduard en zijn economische belangen

Het cisterciënzer klooster Aduard was in 1192 gesticht en ontwikkelde zich in de dertiende eeuw tot een belangrijke grondbezitter. De kloostergemeenschap had voedsel, brandstof en bouwmaterialen nodig. Om in die behoeften te voorzien en inkomsten te verkrijgen, verwierf zij gronden op verschillende plaatsen. Deze goederen lagen niet noodzakelijk dicht bij het klooster. Voorwerken en andere bezittingen maakten het mogelijk landbouw en beheer buiten de directe omgeving van Aduard te organiseren.

De belangstelling voor het Oostermoer moet binnen deze ontwikkeling worden geplaatst. De combinatie van venen, weiden en verbindingen met de Hunze bood economische mogelijkheden. Toch mag de aankoop van veengrond niet automatisch worden gelijkgesteld met grootschalige commerciële turfwinning. Een klooster kon grond gebruiken voor landbouw, inkomsten ontvangen uit pacht of rechten bezitten die pas later intensiever werden benut. De precieze betekenis van de verwerving moet daarom uit de afzonderlijke overeenkomsten worden afgeleid.

Het handelsprivilege van 1250

In oktober 1250 verkreeg Aduard volgens de eerdere onderzoeksgegevens een privilege van bisschop Hendrik van Vianden. De regeling wordt verbonden met de bescherming van handel in turf, hout en vee. Zij is belangrijk omdat zij laat zien dat de economische activiteiten van het klooster niet tot de eigen gebouwen en landerijen beperkt waren. Het vervoer en de verkoop van goederen vereisten juridische bescherming wanneer verschillende rechtsgebieden en machthebbers betrokken waren.

De exacte datum wordt in eerdere uitwerkingen verschillend weergegeven als 20 en 25 oktober. Zonder de oorspronkelijke oorkonde kan die tegenstelling niet definitief worden opgelost. Evenmin mag het privilege worden opgevat als een onbeperkt recht op vrije vaart over alle waterwegen. Wel vormt het een vroeg aanknopingspunt voor de relatie tussen kloosterbezit, handel en vervoer. Turf was een product waarvoor juridische afspraken van betekenis konden zijn.

De oudere hoeve Floxis

In het onderzoek naar Everswolde komt de naam Floxis voor. Deze wordt verbonden met een hoeve die al aanwezig was voordat Aduard zijn positie in het gebied verder uitbreidde. De vermelding maakt duidelijk dat het klooster niet uitsluitend met onbewerkte natuur te maken kreeg. Er bestonden erven, gebruikers en plaatselijke verhoudingen waarop de nieuwe grondbezitter moest aansluiten.

De precieze ligging van Floxis moet nog worden vastgesteld. Daarvoor zijn de oorspronkelijke oorkonden en een vergelijking met latere plaatsnamen noodzakelijk. De hoeve is vooral belangrijk als bewijs voor oudere bewoning en gebruik. Het ontstaan van het kloostervoorwerk betekende daarom niet dat het gebied voor het eerst door mensen werd betreden. Het was een nieuwe fase in de organisatie van een landschap dat al langer onderdeel was van het bestaan van de bewoners.

De aankoop van venen en weiden in 1262

In 1262 verkochten de buren van Zuidlaren volgens de reconstructie van Jan Folkerts rechten op venen en weiden in het Oostermoer aan Aduard. In de eerdere onderzoeksgegevens worden 28 waardelen of weren genoemd. Daarbij komt een prijs van 100 Groninger ponden per aandeel voor. Wanneer deze waardering voor alle aandelen gold, vertegenwoordigde de overeenkomst een berekende waarde van 2.800 Groninger ponden.

Dit totaal mag niet zonder meer als bewezen betalingsbedrag worden gepresenteerd. De oorspronkelijke oorkonde moet uitwijzen hoe de rechten werden omschreven en op welke wijze de betaling plaatsvond. Ook bestaat in eerdere uitwerkingen verschil tussen 1261 en 1262 als jaartal van de eerste overdracht. De verwerving moet daarom voorlopig worden geplaatst in de jaren 1261–1262, totdat de diplomatische datering is gecontroleerd.

De overeenkomst was een ingrijpende gebeurtenis. Een religieuze instelling kreeg belangen in gronden waarop de Zuidlaarder gemeenschap oudere rechten bezat. Daarmee ontstond een nieuwe verhouding tussen klooster en boeren. Het klooster kon economische activiteiten organiseren, maar de plaatselijke bewoners bleven van belang voor het gebruik en de bereikbaarheid van het gebied.

Eneko Helmerchiaman en de vertegenwoordigers

Bij de overdracht wordt Eneko Helmerchiaman genoemd als een van zeven gevolmachtigden. De oorspronkelijke akte moet duidelijk maken namens welke rechthebbenden zij optraden en welke bevoegdheden hun waren verleend. De aanwezigheid van vertegenwoordigers is van betekenis omdat de overeenkomst niet uitsluitend een persoonlijke transactie tussen een abt en één boer was.

Het optreden van gevolmachtigden wijst op een georganiseerde vorm van besluitvorming. De buren van Zuidlaren konden hun belangen tegenover een grote religieuze instelling gezamenlijk laten vertegenwoordigen. De namen van deze personen verdienen afzonderlijk onderzoek, omdat zij mogelijk verbonden kunnen worden met erven of families die later opnieuw in de bronnen voorkomen. Daarmee kan de geschiedenis van het veen worden verbonden met de plaatselijke samenleving.

De aanvullende overeenkomst van 1264

In 1264 werden nadere afspraken gemaakt over de rechten die Aduard in het Oostermoer had verworven. Volgens de eerdere reconstructie hadden deze betrekking op wegen in de richting van Wolfsbarge, het gemeenschappelijke gebruik van de Hunze en toekomstige dalgrond ten noorden van Prumesleke. Ook worden visrechten genoemd. De oorspronkelijke formulering moet worden gecontroleerd om vast te stellen welke bepalingen bij dezelfde overeenkomst hoorden.

De betekenis van deze afspraken ligt in de verhouding tussen grondbezit en bereikbaarheid. Een klooster kon veen bezitten, maar had daarmee nog geen onbeperkt recht om over alle aangrenzende gronden te rijden of alle waterwegen te gebruiken. Voor het vervoer van turf, hooi, vee en andere producten waren afzonderlijke rechten nodig. De overeenkomst laat daardoor zien hoe ingewikkeld de economische exploitatie van een veenlandschap kon zijn.

Abt Geyko en de stichting van Everswolde

De abtenkroniek van Aduard verbindt abt Geyko, die in de periode 1262–1268 wordt geplaatst, met de ontwikkeling van het voorwerk Everswolde. Hier kreeg het klooster een plaats waar zijn bezittingen konden worden beheerd en waar economische werkzaamheden werden georganiseerd. Het voorwerk vormde een schakel tussen de kloostergemeenschap in Aduard en de verspreide gronden in het Oostermoer.

Bij Everswolde wordt een kapel genoemd, in eerdere uitwerkingen verbonden met de naam Hortus Sancti Bernardi. De precieze stichting, betekenis van de naam en bouwgeschiedenis moeten aan de oorspronkelijke bronnen worden getoetst. De aanwezigheid van een kapel maakt het aannemelijk dat de locatie meer was dan een tijdelijk opslagterrein. Het voorwerk kreeg een religieuze en organisatorische betekenis binnen het bezit van Aduard.

De oorspronkelijke kloosterlijke bedrijfseenheid mag overigens niet zonder bewijs volledig worden vereenzelvigd met het latere Aduarderhof. Namen, gebouwen en percelen konden in de loop van de eeuwen veranderen. De continuïteit tussen de middeleeuwse grangia, de latere hof en de afzonderlijke pachthoeven moet uit de bronnen worden aangetoond.

De arbeiders van Everswolde

Een voorwerk kon niet functioneren zonder arbeid. De gronden moesten worden onderhouden, het vee verzorgd en de opbrengsten verzameld. Wanneer turf werd gewonnen, kwamen daar het steken, drogen, verplaatsen en laden van de brandstof bij. De kloosterorganisatie kon gebruikmaken van lekenbroeders, maar ook van pachters, knechten en andere arbeiders.

Het is belangrijk deze groepen niet met elkaar te verwarren. Een lekenbroeder maakte deel uit van de religieuze gemeenschap en had andere verplichtingen dan een pachter. Een pachter gebruikte grond op basis van een overeenkomst en droeg een vergoeding af. Een ingehuurde arbeider kon voor een bepaalde hoeveelheid werk worden betaald. De bronnen noemen vooral degenen die overeenkomsten sloten of betalingen ontvingen. De vele mensen die het dagelijkse zware werk verrichtten, blijven vaak buiten beeld.

Het waterconflict van 1285

Voor 1285 wordt een regeling genoemd over waterbeheer bij Everswolde en De Groeve. De oorspronkelijke akte moet uitwijzen welke voorziening of watergang centraal stond. Het conflict past binnen een landschap waarin ontwatering en het gebruik van natte gronden verschillende belangen met elkaar in aanraking brachten.

Wanneer een watergang werd gegraven of aangepast, konden sommige gronden droger worden terwijl andere gebruikers nadelige gevolgen ondervonden. De aanleg en het onderhoud vereisten daarom afspraken tussen rechthebbenden. Voor Aduard was een bruikbare waterhuishouding belangrijk, maar het klooster kon niet zonder meer de belangen van zijn buren negeren. Het conflict toont dat het beheer van het veenlandschap ook een juridische en bestuurlijke aangelegenheid was.

De knijpe en het conflict van 1309

In 1309 ontstond volgens de eerdere onderzoeksgegevens een conflict over een vernielde knijpe. De namen Altinga, Oldinfokkinga en Thicboldinga worden verbonden met herstelverplichtingen. Daarbij wordt een boete van 100 mark sterling genoemd. De oorspronkelijke akte moet worden gecontroleerd om vast te stellen welke personen of gemeenschappen aansprakelijk waren en welke werkzaamheden zij moesten uitvoeren.

De knijpe was een waterstaatkundige voorziening, maar de precieze constructie en functie moeten in de historische context worden vastgesteld. Zij mag niet zonder bewijs als een schutsluis voor turfschepen worden beschreven. De gebeurtenis toont wel dat waterwerken een aanzienlijke economische betekenis konden hebben. Hun vernieling leidde tot verplichtingen die met financiële sancties werden ondersteund.

De hofmeester en Sicco Alardisma in 1323

In 1323 verschijnt de hofmeester van Everswolde in het onderzoek naar waterwerken. Ook Sicco Alardisma wordt genoemd. Daarnaast komen de namen Eylwardus, pastoor van Zuidlaren, en Sicco in de eerdere gegevens voor. Hun precieze rol bij de verschillende rechtshandelingen moet worden vastgesteld.

De aanwezigheid van een hofmeester is belangrijk omdat zij de organisatie van het voorwerk zichtbaar maakt. De abt van Aduard hoefde niet persoonlijk bij iedere plaatselijke overeenkomst aanwezig te zijn. Het beheer kon worden toevertrouwd aan iemand die namens het klooster optrad. Daarmee ontstond een bestuurlijke structuur waarin plaatselijke kennis en kloosterlijke belangen samenkwamen.

Vier zijlen bij Schilligeham

In 1323 werden volgens de eerdere reconstructie plannen gemaakt voor vier zijlen bij Schilligeham. Er wordt een breedte van twintig voet genoemd, naast een garantieperiode van acht jaar en borgstellingen van zestig schilden per borg. De gegevens wijzen op een omvangrijk project waarbij financiële zekerheid van belang was.

De oorspronkelijke tekst moet duidelijk maken of de vier zijlen daadwerkelijk zijn gebouwd en welke functie zij hadden. Een zijl kon dienen voor waterafvoer zonder dat schepen erdoor konden varen. De opgegeven breedte is daarom onvoldoende bewijs voor een scheepvaartverbinding. Wel tonen de afspraken dat de waterhuishouding van het gebied in de veertiende eeuw aanleiding gaf tot aanzienlijke investeringen en bestuurlijke samenwerking.

De verplichtingen van 1364

Voor 1364 worden in het eerdere onderzoek de termen waterscutte, nortpant en knipe genoemd. Zij houden verband met verplichtingen rond het waterbeheer. De historische termen moeten behouden blijven totdat hun precieze betekenis is vastgesteld.

De vermelding laat zien dat waterwerken niet alleen bij hun aanleg aandacht vereisten. Ook het onderhoud en de verdeling van verantwoordelijkheden konden langdurig onderwerp van afspraken blijven. Een voorziening die voor de ene eigenaar noodzakelijk was, kon voor een andere gebruiker lasten veroorzaken. Daardoor konden conflicten zich over meerdere generaties voortzetten.

De regeling van 1402

In 1402 wordt opnieuw een overeenkomst genoemd die verband houdt met het beheer van water en rechten in het gebied. De volledige inhoud is in de beschikbare onderzoeksgegevens nog niet teruggevonden. Daarom kan niet worden vastgesteld of deze regeling een eerder conflict oploste of nieuwe verplichtingen vastlegde.

De vermelding hoort wel in de chronologie thuis. Zij bevestigt dat de juridische geschiedenis van Everswolde na de grote grondverwervingen van de dertiende eeuw doorging. Het voorwerk bleef onderdeel van een landschap waarin water, grond en toegang voortdurend moesten worden geregeld.

Groningen en de ontwikkeling van de vrachtvaart

De stad Groningen ontwikkelde zich in de late middeleeuwen tot een belangrijke markt voor producten uit het omliggende gebied. Turf was bruikbaar als brandstof voor huishoudens en ambachten. Voor producenten uit het Oostermoer was vervoer daarom van betekenis. De Hunze bood mogelijkheden voor transport, maar de bevaarbaarheid en de verbinding met afzonderlijke laadplaatsen moeten per periode worden onderzocht.

In 1403 kreeg het Groninger schuitenschuiversgilde een officiële regeling. Daarmee werd de vrachtvaart verbonden met een erkende beroepsgroep. De precieze invloed van het gilde op het vervoer vanuit Everswolde moet uit de gildebronnen blijken. Het bestaan van het gilde bewijst niet dat iedere turfleverancier verplicht was zijn lading door een Groninger schuitenschuiver te laten vervoeren.

Gieterveen en De Hilte in de vijftiende eeuw

Ook bij Gieterveen en De Hilte ontstonden in de vijftiende eeuw vormen van kloosterlijke betrokkenheid bij de venen. In het eerdere onderzoek wordt een fraterhuis verbonden met een veenderij en een schuitsloot naar de Hunze. De precieze aanlegdatum en de omvang van de turfwinning moeten worden gecontroleerd.

Deze ontwikkeling is belangrijk omdat zij laat zien dat Everswolde niet het enige gebied was waar religieuze instellingen belangstelling hadden voor veengronden en vervoer. Verschillende kloosters en religieuze gemeenschappen konden afzonderlijke economische belangen ontwikkelen. De aanwezigheid van een schuitsloot zou bovendien wijzen op een bewuste investering in de bereikbaarheid van het veen. Daarvoor moet wel worden vastgesteld of de watergang daadwerkelijk voor turfvervoer werd gebruikt.

Johan Luskinge, Johannes van Roden en Johan van Munster

Voor 1461–1462 worden in het eerdere onderzoek Johan Luskinge, Johannes van Roden en Johan van Munster genoemd bij een overdracht of schenking die verband houdt met de veenderij bij Gieterveen en De Hilte. De oorspronkelijke akten moeten uitwijzen welke personen als schenker, ontvanger of getuige optraden.

Deze namen verdienen een plaats in het verhaal omdat zij de economische ontwikkeling verbinden met concrete personen. Een veenderij ontstond niet uitsluitend door de aanwezigheid van veen. Er waren rechten, overeenkomsten en investeringen nodig. De betrokkenheid van een religieuze instelling maakte de onderneming onderdeel van een groter netwerk van bezit en inkomsten.

De buurwillekeur van Zuidlaren in 1498

Volgens de eerdere reconstructie bepaalde een buurwillekeur van Zuidlaren uit 1498 dat ook vergraven veen tot de buurmarke bleef behoren. De oorspronkelijke formulering moet worden gecontroleerd om vast te stellen welke rechten precies werden beschermd.

De bepaling is van groot belang voor de verhouding tussen vervening en eigendom. Het afgraven van turf betekende niet noodzakelijk dat de ondergrond buiten de rechtsgemeenschap kwam te staan. Een perceel kon van uiterlijk en gebruik veranderen, terwijl oudere rechten bleven bestaan. Daarmee wordt duidelijk waarom het onderscheid tussen eigendom, gebruiksrecht en turflevering zo belangrijk is voor de geschiedenis van het Oostermoer.

De veranderingen in de zestiende eeuw

In de zestiende eeuw veranderden de politieke en godsdienstige omstandigheden in Groningen en Drenthe. De Nederlandse Opstand bracht oorlog en onzekerheid. De katholieke kloosters verloren uiteindelijk hun oude positie, maar hun bezittingen bleven economisch van belang.

Voor Everswolde betekende dit dat de bestaande organisatie onder druk kwam te staan. Pachters en andere gebruikers konden afhankelijk blijven van de grond, terwijl de instelling die hun verplichtingen ontving veranderde. De overgang van kloosterlijk naar wereldlijk beheer moet daarom worden onderzocht vanuit zowel de eigenaars als de bewoners.

De Reductie van Groningen in 1594

Op 22 juli 1594 kwam Groningen onder het gezag van de Republiek. De katholieke kloosters verloren hun oude maatschappelijke en bestuurlijke positie. Hun goederen kwamen onder nieuw beheer.

De verandering had grote gevolgen voor Everswolde en andere voormalige kloosterbezittingen. De gronden bleven bestaan en konden inkomsten blijven opleveren. De nieuwe bestuurders moesten vaststellen welke percelen aanwezig waren, wie deze gebruikte en welke betalingen of leveringen verschuldigd waren. Daardoor ontstonden administratieve bronnen die de economische werkelijkheid achter het oudere kloosterbezit beter zichtbaar maken.

Het onderzoek naar kloostergoederen in 1595

In de eerdere projectdocumentatie wordt een opdracht van 11 april 1595 genoemd waarbij Taeko Haringius en Johan Clant betrokken waren bij het onderzoek naar voormalige kloostervenen en bossen. De oorspronkelijke opdracht moet worden gecontroleerd.

De betekenis van een dergelijk onderzoek lag in het verkrijgen van inzicht in de bezittingen en inkomsten. Voor het nieuwe bestuur waren niet alleen de grenzen van de percelen van belang, maar ook de verplichtingen van pachters. De overgang van kloosterlijk naar wereldlijk beheer bracht daardoor nieuwe administratieve aandacht voor de mensen die het land gebruikten.

De turfadministratie van 1595–1596

De rekeningen uit 1595 en 1596 vormen een van de belangrijkste bronnen voor de geschiedenis van Everswolde. In de eerdere reconstructie wordt een grotere administratie genoemd met 352 schuitladingen en meer dan 922 gulden aan betalingen aan schuitenschuivers.

Daarnaast wordt een afzonderlijke post van 55½ schuiten genoemd in verband met Everswolde, Wolfsbarge en Selwerd. Ook twintig schuiten uit Warffum en zes uit Selwerd komen in het onderzoek voor. Deze hoeveelheden mogen niet zonder controle worden opgeteld. Zij kunnen betrekking hebben op verschillende rekeningen, bestemmingen of verplichtingen.

De administratie toont dat turfwinning en vervoer niet uitsluitend plaatselijke werkzaamheden waren. Er ontstond een keten van arbeid, betalingen en leveringen. Voor een volledige economische reconstructie moeten de afzonderlijke posten worden onderscheiden naar productie, pacht, verkoop en vracht.

Johan Jansen en de kosten van het turfgraven

Johan Jansen, ook aangeduid als Klein, wordt in de eerdere onderzoeksgegevens genoemd met een bedrag van ongeveer viereneenhalve tot vijf daalders per schuitlading voor het graven en aan de sloot afleveren van turf.

Dit gegeven is belangrijk omdat het de arbeid achter de turfhandel zichtbaar maakt. Turf moest worden gestoken, gedroogd en verplaatst voordat een schipper de lading kon meenemen. De betaling per schuitlading verbond de verdiensten aan de hoeveelheid geleverd werk. De oorspronkelijke rekening moet uitwijzen of Johan Jansen zelfstandig werkte of andere arbeidskrachten inschakelde.

Drewes Classen en zijn turfhandel

Drewes Classen wordt genoemd bij een verkoop van vijf schuiten turf tegen vier daalders per schuit. Als kopers worden Jan Möller en Hanssien van Borger vermeld. De transactie vertegenwoordigde bij volledige levering twintig daalders.

De vermelding laat zien dat turf niet alleen als pacht werd afgedragen, maar ook afzonderlijk kon worden verkocht. De positie van Drewes Classen moet nog worden vastgesteld. Hij kan niet zonder bewijs als eigenaar van de betrokken veengrond worden beschreven. Wel verschijnt hij als iemand die rechtstreeks betrokken was bij de economische afwikkeling van turfleveringen.

Otto Reniers en de gevolgen van armoede

Otto Reniers kreeg volgens de eerdere reconstructie zijn verplichting teruggebracht van vier schuiten tot maximaal één wegens armoede. De vermelding laat zien dat de financiële positie van een pachter invloed kon hebben op de verplichtingen die hem werden opgelegd.

Ook bij Drewes Classen wordt een afzonderlijke vermindering van drie naar twee schuiten genoemd. Roeleff Classen kreeg zijn verplichting verminderd van vijf naar vier schuiten wegens lasten en belastingen. De administratie maakt daarmee zichtbaar dat turfwinning geen gegarandeerde bron van welvaart was. Sommige gebruikers hadden moeite om aan hun verplichtingen te voldoen.

Abel Hoving en de overige veenmeiers

Abel Hoving wordt genoemd met een verplichting van zes schuiten turf. De verdere afwikkeling van deze post is nog niet volledig teruggevonden.

Voor Wolfsbarge worden daarnaast Albert Alberts, Hindrick Harmens, Johan Lens en Evert Reiners genoemd. Hun afzonderlijke pachtvoorwaarden moeten aan de oorspronkelijke rekeningen worden getoetst. De namen maken duidelijk dat de voormalige kloostergoederen door verschillende personen werden gebruikt. Het nieuwe bestuur erfde daarmee niet alleen grond, maar ook een netwerk van bestaande verplichtingen.

De kosten van het vervoer

Voor Everswolde wordt een rekeningpost van 252,75 gulden genoemd. Daarnaast komt in het eerdere onderzoek een percentage van 27,3 voor. De berekeningsgrondslag is nog niet met zekerheid vastgesteld. Daarom kan het percentage niet zonder meer worden gepresenteerd als het definitieve aandeel van de vervoerskosten in de totale opbrengst.

De verhouding tussen graafkosten, vrachtkosten en verkoopprijs was bepalend voor de economische waarde van turf. Een afgelegen veengebied kon veel brandstof bevatten, maar het vervoer kon een groot deel van de opbrengst opslokken. De rekeningen uit 1595 en 1596 zijn daarom van bijzondere betekenis. Zij kunnen mogelijk laten zien hoeveel geld naar arbeiders, vervoerders en beheerders ging.

De Zwarte Lent aan de Hunze

De Zwarte Lent wordt in het eerdere onderzoek genoemd als laadplaats voor turf aan de Hunze. De precieze ligging moet nog op historische kaarten worden vastgesteld.

Een laadplaats vormde een belangrijke schakel tussen de veengronden en de waterweg. Turf kon over land of via kleinere watergangen worden aangevoerd en vervolgens in schuiten worden geladen. Daarmee ontstond een plaats waar verschillende soorten arbeid samenkwamen. Voor het onderzoek naar Everswolde is het noodzakelijk de routes naar de Zwarte Lent te reconstrueren. Daarbij moeten de historische waterstanden en de mogelijkheden voor scheepvaart worden betrokken.

De naam Zuidlaarderveen in 1599

Volgens de eerdere reconstructie verschijnt de naam Zuidlaarderveen in 1599. De oudere naam Everswolde bleef daarnaast bestaan en wordt nog in 1622 en 1668 genoemd.

De namen hadden niet noodzakelijk steeds dezelfde geografische betekenis. Everswolde werd meestal verbonden met het zuidelijke deel van het latere Zuidlaarderveen, maar kon ook betrekking hebben op noordelijk Annerveen. Voor de reconstructie van het oude kloosterbezit is dit onderscheid van belang. De plaatsnamen moeten steeds worden geïnterpreteerd binnen de periode waarin zij voorkomen.

Het landschap en de pachthoeven in 1605

Voor 1605 worden ongeveer tien pachthoeven en circa vijftien hectare bouwland genoemd. De hoeven lagen op hogere delen van het landschap, waaronder dekzandkoppen.

Deze gegevens laten zien dat het gebied niet uitsluitend voor turfwinning werd gebruikt. Landbouw, veeteelt en het gebruik van natte gronden konden naast elkaar bestaan. De precieze verdeling van de percelen moet uit de oorspronkelijke administratie worden gereconstrueerd. De latere kadastrale situatie kan daarbij helpen, maar mag niet zonder meer op de zeventiende eeuw worden teruggeprojecteerd.

De voormalige kloostervenen bij Kropswolde in 1605

In de eerdere projectgegevens wordt een pachtovereenkomst uit 1605 genoemd voor voormalige kloostervenen tussen Kropswolde en Sappemeer. Daarbij komt een pacht van 200 Carolusgulden per jaar gedurende zestig jaar voor.

De overeenkomst moet worden onderzocht op de betrokken partijen, de precieze grenzen van de gronden en de rechten op turfwinning en vervoer. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien hoe voormalige kloostergoederen na de Reformatie onderdeel werden van langdurige economische afspraken. Het klooster was verdwenen als beheerder, maar de grond bleef inkomsten opleveren.

De Utrechtse transacties van mei 1605

Voor 27 en 28 mei 1605 worden in het eerdere onderzoek aankopen en pachtovereenkomsten genoemd die verband houden met de verdere ontwikkeling van de venen. De betrokken Utrechtse partijen en de afzonderlijke transacties moeten uit de oorspronkelijke stukken worden vastgesteld.

Deze vermeldingen zijn belangrijk voor de overgang naar een nieuwe vorm van vervening. Naast kloosters en plaatselijke boeren verschenen investeerders en ondernemers die rechten op grotere oppervlakten veen wilden verkrijgen. Hun belangstelling was afhankelijk van de mogelijkheid de brandstof tegen aanvaardbare kosten naar een markt te vervoeren.

Groningen en de rechten van 1613 en 1616

Voor 1 mei 1613 en 26 maart 1616 worden in de eerdere onderzoeksgegevens rechtshandelingen genoemd waarbij de Stad Groningen belangen in de venen overnam. De oorspronkelijke akten moeten duidelijk maken welke rechten afzonderlijk werden verworven.

De ontwikkeling laat zien dat Groningen zijn economische positie in het achterland verder uitbreidde. De stad was een belangrijke afnemer van turf en had belang bij de vaarwegen. Door grondrechten te verwerven kon zij ook rechtstreeks inkomsten uit de winning verkrijgen. Deze uitbreiding van stedelijke macht vormde een belangrijk verschil met de middeleeuwse situatie waarin kloosters een grote rol hadden gespeeld.

De aankoop van voormalige kloostergoederen in 1617

In 1617 verkreeg de Stad Groningen volgens het eerdere onderzoek voormalige kloostervenen van de provincie Stad en Lande. De provincie en de stad moeten hierbij als afzonderlijke partijen worden onderscheiden.

De eerdere reconstructie noemt twee eerste betalingstermijnen van elk ruim 1.233 gulden. De verdere afwikkeling zou tot 1629 hebben geduurd. De volledige koopsom en de omvang van het overgedragen bezit moeten uit de oorspronkelijke stukken worden vastgesteld. De transactie maakte Groningen tot een rechtstreekse eigenaar van gronden die eerder tot het kloosterlijke bezit hadden behoord.

De verdeling van de venen in 1619

In 1619 wordt in het eerdere onderzoek een zesdelige verdeling van venen genoemd. De oorspronkelijke regeling moet duidelijk maken welke gronden werden verdeeld, wie de betrokken rechthebbenden waren en hoe de aandelen werden vastgesteld.

Een dergelijke verdeling kon van groot belang zijn voor de verdere ontginning. Het gebruik van veengrond vereiste duidelijkheid over eigendom, pacht en bereikbaarheid. Wanneer verschillende partijen belangen hadden in hetzelfde gebied, moesten hun rechten worden afgebakend. De verdeling van 1619 behoort daarom tot de juridische voorgeschiedenis van de latere veenkoloniale ondernemingen.

De aankoop door Andries Jacobs in 1627

Op 8 mei 1627 kocht Andries Jacobs volgens de eerdere onderzoeksgegevens voormalige kloostergronden. Elf dagen later volgde een nieuwe rechtshandeling die in de projectdocumentatie wordt genoemd, maar waarvan de volledige inhoud nog moet worden vastgesteld.

De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien hoe voormalige kloostergoederen in particuliere handen konden overgaan. De economische betekenis van zulke transacties hing af van de ligging, de aanwezige turf en de mogelijkheid de grond te ontsluiten. De precieze rol van Andries Jacobs moet uit de akten worden gereconstrueerd.

De Oude Friesche Compagnie en het Winkelhoeksterdiep

In de eerdere projectgegevens wordt de Oude Friesche Compagnie vanaf 1617 verbonden met het Winkelhoeksterdiep. De onderneming behoort tot de ontwikkeling waarin particuliere investeerders en compagnieën een grotere rol kregen bij de vervening.

Een kanaal of diep was voor een verveningsonderneming van grote betekenis. Het kon dienen voor ontwatering en voor de afvoer van turf. De aanleg vereiste geld, arbeidskrachten en afspraken over grond en water. De onderneming kon daardoor alleen slagen wanneer de opbrengsten van de turf voldoende waren om de kosten te dragen.

De Rheense Compagnie

Ook de Rheense Compagnie komt in het eerdere onderzoek naar voren. De onderneming wordt verbonden met plannen voor vervening die vermoedelijk moeilijkheden ondervonden door de kosten van kanalen en waterwerken.

De precieze geschiedenis van de compagnie moet nog worden gereconstrueerd. Vooral de betrokken personen, het kapitaal, de verworven rechten en de redenen voor eventuele mislukking zijn belangrijk. De vermelding laat zien dat niet iedere verveningsonderneming succesvol was. De aanwezigheid van veel veen betekende niet dat de exploitatie automatisch winst opleverde.

Hoogezand en Sappemeer

De ontwikkeling van Hoogezand en Sappemeer vond vooral in de zeventiende eeuw plaats. De gebieden werden onderdeel van een nieuwe economische organisatie waarin de Stad Groningen en particuliere ondernemers een belangrijke rol speelden.

De aanleg van kanalen en wijken veranderde het landschap ingrijpend. Turf kon over grotere afstanden worden vervoerd en nieuwe nederzettingen ontstonden langs de waterwegen. Deze ontwikkeling verschilde van de oudere geschiedenis van Everswolde. Daar had Aduard al in de dertiende eeuw een voorwerk gevestigd. Hoogezand en Sappemeer groeiden vooral binnen de latere veenkoloniale economie.

Westerbroek en Foxhol

Westerbroek en Foxhol lagen in een landschap van natte gronden, waterlopen en veen. De omgeving van het Foxholstermeer speelde een rol in de waterhuishouding en de latere ontwikkeling van de verbindingen tussen de afzonderlijke ontginningsgebieden.

Voor de middeleeuwse geschiedenis moeten de oudere grondrechten worden onderscheiden van de zeventiende-eeuwse kanalen. De bodemkundige gegevens kunnen helpen om te begrijpen waar het veen lag en welke gronden voor landbouw geschikt waren. De oorspronkelijke kaarten en bodemprofielen zijn daarvoor noodzakelijk.

Kalkwijk vanaf 1631

In de eerdere projectgegevens wordt de ontwikkeling van Kalkwijk vanaf ongeveer 1631 genoemd. De ontginning was verbonden met de aanleg van watergangen en de exploitatie van veengronden.

Een wijk kon zowel voor de afwatering als voor het vervoer van turf worden gebruikt. De aanleg ervan veranderde de mogelijkheden om het achterliggende veen te bereiken. Daardoor ontstonden nieuwe economische kansen, maar ook verplichtingen rond onderhoud en waterbeheer. De precieze aanlegfasen moeten aan de oorspronkelijke bronnen worden getoetst.

De verkoop door Roelof Ottens in 1632

In 1632 verkocht Roelof Ottens volgens het eerdere onderzoek drie schuiten turf voor 24 Carolusgulden en 15 stuivers. Ook de naam Luitien Muller wordt met deze transactie verbonden.

De oorspronkelijke akte moet duidelijk maken wie de koper was en welke voorwaarden golden. De prijs kan niet zonder meer worden vergeleken met de bedragen uit 1595 en 1596, omdat de omvang van de schuiten en de vervoerskosten niet bekend zijn. Wel vormt de transactie een concreet voorbeeld van de voortgaande turfhandel.

Hopman Albert Tjassens en de ontginningen rond 1640

In het eerdere onderzoek wordt hopman Albert Tjassens rond 1640 verbonden met de verdere ontginningen bij Gieterveen en De Hilte. Zijn precieze bezittingen en ondernemingen moeten worden vastgesteld.

De betrokkenheid van een militair met de rang van hopman laat zien dat ook personen buiten de traditionele kloosterlijke en boerenwereld belangen konden verwerven in de venen. De economische waarde van turf trok verschillende groepen investeerders aan. De verbinding tussen militaire functies, grondbezit en ondernemerschap verdient afzonderlijke aandacht.

De Nieuwe Friesche Compagnie en het contract van 1647

In 1647 werd volgens het eerdere onderzoek een overeenkomst gesloten met de Nieuwe Friesche Compagnie. De ontwikkeling wordt verbonden met de verdere ontginning richting Kiel-Windeweer en Borgercompagnie.

Bij de overeenkomst moet ook de godsdienstige uitsluiting van doopsgezinden worden onderzocht. De naam Ucko Walles komt daarbij in het eerdere projectonderzoek voor. De oorspronkelijke contracttekst moet duidelijk maken welke bepalingen golden en wie daardoor werd uitgesloten.

De gebeurtenis laat zien dat de vervening niet uitsluitend een economische onderneming was. Ook religieuze verhoudingen en bestuurlijke macht konden bepalen wie grond mocht gebruiken of aan een onderneming kon deelnemen.

De verplichting van 66 schuiten in 1648

Voor 1648 wordt een huur- of pachtverplichting van 66 schuiten turf genoemd. De oorspronkelijke overeenkomst moet uitwijzen welke gronden en personen hierbij betrokken waren.

De hoeveelheid is groter dan de afzonderlijke verplichtingen van sommige pachters in 1595 en 1596. Dat betekent echter niet automatisch dat de productie in dezelfde verhouding was toegenomen. Het kan om een groter bezit of een andere contractvorm gaan. Voor een betrouwbare vergelijking zijn de oorspronkelijke rekeningen noodzakelijk.

De ontwikkeling van Borgercompagnie

Borgercompagnie ontwikkelde zich binnen de zeventiende-eeuwse vervening als een gebied waarin ondernemingen en grondbezitters gezamenlijk belangen konden hebben. De ontginning vereiste investeringen in waterwegen, grond en arbeid.

De naam van de plaats verwijst naar de organisatie van de onderneming. Toch moet per periode worden onderzocht wie daadwerkelijk eigenaar was en welke rechten de afzonderlijke deelnemers bezaten. De geschiedenis van Borgercompagnie maakt duidelijk hoe het vroegere kloosterlijke en plaatselijke grondgebruik plaatsmaakte voor een economisch systeem waarin kapitaal en vervoer steeds belangrijker werden.

Kiel-Windeweer en het Kielsterdiep

Kiel-Windeweer ontwikkelde zich langs de waterverbindingen die de verdere vervening mogelijk maakten. Het Kielsterdiep speelde een belangrijke rol in de ontsluiting van het gebied.

De aanleg van een diep vergde veel arbeid. Gravers moesten grond verwijderen en de waterhuishouding moest worden aangepast. Daarnaast waren afspraken nodig over de afvoer van turf en het onderhoud van de vaarweg. De ontwikkeling van Kiel-Windeweer laat zien dat een veenkolonie niet uitsluitend door turfwinning ontstond. Zij vereiste ook infrastructuur, bestuur en financiering.

Tripscompagnie en particuliere ondernemingen

Tripscompagnie behoort tot de gebieden waar particuliere verveners en investeerders een belangrijke rol speelden. De ontginning van veen vereiste kapitaal voor de aankoop van rechten, het graven van waterwegen en de organisatie van de arbeid.

De opbrengsten waren afhankelijk van de markt voor turf en van de kosten van vervoer. Daardoor konden ondernemingen winst maken, maar ook in moeilijkheden komen. De geschiedenis van Tripscompagnie moet worden verbonden met de bredere ontwikkeling van de Groninger veenkoloniën, zonder de afzonderlijke eigendomsverhoudingen uit het oog te verliezen.

Veendam en Wildervank

Veendam en Wildervank ontwikkelden zich in de zeventiende eeuw als belangrijke veenkoloniale gebieden. De aanleg van kanalen en de organisatie van de vervening maakten het mogelijk grote hoeveelheden turf af te voeren.

De ontwikkeling van deze plaatsen behoort tot een nieuwe fase in de geschiedenis van het veen. Waar middeleeuwse kloosters verspreide bezittingen beheerden, ontstonden nu ondernemingen die zich nadrukkelijk richtten op de exploitatie van turf. De verbindingen tussen de verschillende ontginningsgebieden maakten de regionale handel steeds belangrijker.

De Tjassenswijk in 1661

In 1661 kocht hopman Tjassens volgens de eerdere onderzoeksgegevens de stouwe van Jan Ottens. De transactie wordt verbonden met het ontstaan van de Tjassenswijk.

De oorspronkelijke akte moet duidelijk maken welke gronden werden overgedragen en hoe de watergang werd aangelegd. De ontwikkeling toont hoe particuliere grondtransacties konden leiden tot nieuwe infrastructuur. Een wijk maakte het mogelijk dieper in het veen door te dringen en de gewonnen turf af te voeren.

De waterwerken van 1669

Voor 1669 worden werkzaamheden aan verlaten genoemd. De precieze locatie en aard van de werkzaamheden moeten nog worden vastgesteld.

Verlaten waren van belang voor het beheersen van waterstandsverschillen en het mogelijk maken van scheepvaart op bepaalde trajecten. De aanleg en het onderhoud vereisten technische kennis en financiële middelen. De geschiedenis van de veenkoloniale waterwegen bestond daardoor uit een voortdurende reeks verbeteringen en reparaties.

Het conflict bij Lula in 1683

In 1683 ontstond volgens het eerdere onderzoek een conflict met Groningen over de grens bij Lula. Daarbij wordt een gevangenneming genoemd. De oorspronkelijke stukken moeten duidelijk maken welke personen betrokken waren en welke rechten werden betwist.

Het conflict laat zien dat de verhouding tussen de Stad Groningen en de bewoners van het veengebied gespannen kon zijn. De stad trad op als eigenaar en bestuurder, terwijl plaatselijke gebruikers eigen belangen hadden. Grenzen en gebruiksrechten bleven daardoor onderwerp van strijd.

De huurinkomsten tussen 1620 en 1692

Het eerdere onderzoek noemt een reeks gegevens over huurinkomsten en veranderingen in beheer tussen 1620 en 1692. De volledige bedragen zijn nog niet teruggevonden.

Deze administratie is belangrijk omdat zij kan laten zien hoe de inkomsten uit voormalige kloostergoederen zich ontwikkelden. De opbrengst van turfwinning kon veranderen door uitputting van het veen, nieuwe vervoersmogelijkheden, gewijzigde pachtvoorwaarden en de toestand van de markt. Een doorlopende reeks rekeningen zou deze veranderingen zichtbaar kunnen maken.

De verkopen van 1710–1713

In de jaren 1710–1713 werden volgens het eerdere onderzoek verschillende plaatsen verkocht. Daarbij veranderde het eigendom van gronden die eerder onder kloosterlijk en vervolgens stedelijk beheer hadden gestaan.

De oorspronkelijke verkoopakten moeten de namen van kopers, prijzen en percelen duidelijk maken. De gebeurtenissen markeren een nieuwe fase in de eigendomsgeschiedenis. Grond die eeuwenlang deel had uitgemaakt van grotere institutionele bezittingen, kon nu in particuliere handen overgaan.

De werkzaamheden aan verlaten rond 1730–1740

Voor de periode 1730–1740 worden opnieuw werkzaamheden aan verlaten genoemd. De precieze waterwegen en technische veranderingen moeten worden vastgesteld.

De vermelding laat zien dat de veenkoloniale infrastructuur voortdurend onderhoud vereiste. De waterwegen moesten bruikbaar blijven voor de schepen die turf vervoerden. Wanneer de winning zich verder verplaatste, konden nieuwe voorzieningen noodzakelijk worden. De kosten daarvan hadden invloed op de economische mogelijkheden van de verveners.

De telling van 311 turfschepen vanaf 1737

In de eerdere onderzoeksgegevens wordt een telling van 311 turfschepen genoemd, verbonden met een periode vanaf 1737. De volledige telperiode en de betrokken vaarweg zijn nog niet vastgesteld.

Het cijfer is belangrijk als mogelijk aanknopingspunt voor de omvang van de turfvaart. Zonder de oorspronkelijke registratie kan echter niet worden bepaald of het om afzonderlijke schepen, passages of ladingen ging. De telling moet daarom zorgvuldig worden geïnterpreteerd.

De beperkingen van 1756

Voor 1756 wordt een beperking genoemd op de afvoer van turf buiten de Oostermoersche Vaart. De oorspronkelijke regeling moet duidelijk maken welke vervoerders en producenten hierdoor werden geraakt.

De gebeurtenis toont dat de toegang tot waterwegen ook in de achttiende eeuw onderwerp van bestuurlijke maatregelen bleef. Het bezit van turf gaf niet automatisch het recht om iedere route te gebruiken. Daarmee bleef de verhouding tussen grondbezit, vervoer en macht bestaan die al in de middeleeuwse overeenkomsten zichtbaar was.

De Annerveensche Heerencompagnie van 1764

In 1764 werd de Annerveensche Heerencompagnie opgericht. In het eerdere onderzoek worden Lambartus en Willem Grevijlink, Coenraad Wolter Ellents, Johannes van Lier, Jan Rudolf Böttichius en Willem Hiddingh genoemd als betrokken personen.

De onderneming behoort tot de latere geschiedenis van de vervening in het Oostermoer. Zij laat zien hoe kapitaalkrachtige deelnemers zich verenigden om grond en infrastructuur te ontwikkelen. De geschiedenis van de compagnie moet worden verbonden met de oudere rechten van de dorpen en met de bestaande waterverbindingen.

Grevijlink en de ontsluiting van het veen

In het eerdere onderzoek wordt een plan van Grevijlink uit 1801 genoemd. De verdere ontsluiting van het betrokken gebied wordt vanaf 1817 geplaatst. De precieze plannen, betrokken personen en uitgevoerde werkzaamheden moeten aan de oorspronkelijke stukken worden getoetst.

De ontwikkeling maakt duidelijk hoe lang de overgang van middeleeuws grondgebruik naar grootschalige vervening heeft geduurd. Niet alle venen werden in de zeventiende eeuw ontsloten. Sommige gebieden bleven nog lange tijd afhankelijk van oudere routes en plaatselijke mogelijkheden.

Het kadaster van 1832

De kadastrale gegevens van 1832 vormen een belangrijk hulpmiddel voor de reconstructie van de oudere geschiedenis. Zij kunnen inzicht geven in de ligging van percelen, eigenaars en het toenmalige grondgebruik.

De kadastrale situatie mag niet zonder meer worden gelijkgesteld aan die van de dertiende eeuw. Gronden konden in de tussentijd zijn verkocht, verdeeld en afgegraven. Wel kunnen de gegevens helpen om oude plaatsnamen en grenzen nader te onderzoeken. Vooral voor Everswolde, Zuidlaarderveen en de omliggende gebieden is een vergelijking tussen oorkonden, kaarten en het kadaster waardevol.

De bodemkundige geschiedenis van Hoogezand en omgeving

Het onderzoek van L.A.H. de Smet uit 1969 biedt een belangrijke aanvulling op de geschreven geschiedenis. De studie De Groninger veenkoloniën (westelijk deel) behandelt de bodemkundige en landbouwkundige ontwikkeling van het gebied.

Bodemkaarten kunnen laten zien waar zandhoogten, veenpakketten en natte laagten lagen. Deze verschillen waren bepalend voor de mogelijkheden van ontginning en landbouw. De oorspronkelijke kaarten en tabellen moeten echter volledig worden geraadpleegd voordat per dorp exacte uitspraken over de bodemopbouw kunnen worden gedaan.

Kropswolde, Wolfsbarge en Westerbroek

Kropswolde, Wolfsbarge en Westerbroek hadden ieder een eigen ontwikkeling binnen het westelijke veenlandschap. Kropswolde en Wolfsbarge waren al in de middeleeuwen verbonden met grondrechten en turfleveringen. Westerbroek ontwikkelde zich binnen een landschap waarin de waterhuishouding en de latere ontginningen een belangrijke rol speelden.

De verschillen tussen deze plaatsen moeten behouden blijven. De geschiedenis van een middeleeuws dorp kan niet zonder meer worden samengevoegd met die van een zeventiende-eeuwse veenkolonie. De bodemkundige gegevens kunnen helpen om de oudere landschappelijke omstandigheden te reconstrueren.

Foxhol en het Foxholstermeer

Foxhol lag in een gebied waar water, lage gronden en veen nauw met elkaar verbonden waren. Het Foxholstermeer vormde een belangrijk onderdeel van het plaatselijke landschap.

Voor de geschiedenis van Foxhol moet worden onderzocht hoe de oudere waterlopen en het latere kanalenstelsel zich tot elkaar verhielden. De huidige situatie kan niet zonder meer als uitgangspunt voor de middeleeuwen worden genomen. Oude kaarten en bodemkundige gegevens zijn noodzakelijk om de veranderingen te begrijpen.

Sappemeer en Hoogezand als veenkoloniale nederzettingen

Sappemeer en Hoogezand ontstonden en groeiden vooral in de zeventiende eeuw binnen de georganiseerde vervening. De aanleg van kanalen en wijken maakte het mogelijk grotere hoeveelheden turf af te voeren.

De Stad Groningen had daarbij economische en bestuurlijke belangen. De ontwikkeling van deze nederzettingen moet worden verbonden met de verwerving van veenrechten en de investeringen in infrastructuur. Tegelijk moet de oudere geschiedenis van Kropswolde en Wolfsbarge afzonderlijk zichtbaar blijven.

De overgang van veen naar landbouwgrond

Na het afgraven van turf veranderde het landschap. De onderliggende grond kwam beschikbaar voor ander gebruik. De mogelijkheden voor landbouw waren afhankelijk van de bodemgesteldheid, de waterhuishouding en de manier waarop de afgeveende gronden werden ingericht.

De bodemkundige geschiedenis vormt daardoor een noodzakelijk vervolg op de geschiedenis van de turfwinning. De ontginning veranderde niet alleen de economie, maar ook het uiterlijk en het gebruik van het landschap. De ontwikkeling verliep per gebied verschillend.

De betekenis van zes eeuwen verandering

De geschiedenis van Zuidlaarderveen en Everswolde begint bij de rechten van de boeren van Zuidlaren. In de dertiende eeuw verwierf Aduard grond in het Oostermoer en ontstond het voorwerk Everswolde. De kloosterlijke aanwezigheid bracht nieuwe vormen van beheer, maar bleef afhankelijk van bestaande wegen, waterlopen en plaatselijke rechten.

De waterconflicten uit de dertiende en veertiende eeuw tonen hoe ingewikkeld het gebruik van het landschap was. De turfadministratie uit 1595 en 1596 maakt vervolgens zichtbaar welke mensen bij de winning en het vervoer betrokken waren. De overgang na de Reductie van Groningen veranderde de eigendomsverhoudingen, maar maakte geen einde aan de economische activiteiten.

In de zeventiende eeuw ontwikkelden zich nieuwe ondernemingen en veenkoloniale nederzettingen. De Stad Groningen, particuliere investeerders en compagnieën kregen een grotere rol. De aanleg van kanalen en wijken veranderde de bereikbaarheid van het veen en maakte grootschaliger exploitatie mogelijk.

Ook in de achttiende en negentiende eeuw bleven grondrechten, waterwegen en ondernemingen bepalend voor de ontwikkeling van het gebied. De geschiedenis van Everswolde, Zuidlaarderveen en de westelijke Groninger venen is daardoor een geschiedenis van langdurige veranderingen in bezit, arbeid, handel en macht. Het veen werd gewonnen en het landschap veranderde, maar de oudere rechten en bestuurlijke verhoudingen bleven nog eeuwenlang doorwerken.

Het grote veen — Kloosters, boeren en de strijd om turf, grond en water in Groningen en Drenthe (1200–1600)

Het landschap voordat de kloosters kwamen

Omstreeks 1200 lag tussen de Hondsrug, de Hunze en de oostelijke grensgebieden van Groningen en Drenthe een wereld van veen, water, zandhoogten en verspreide nederzettingen. Het landschap was niet overal hetzelfde. Ten oosten van de Hondsrug lagen de venen van het Oostermoer en het Hunzedal. Verder oostelijk strekte zich het grote Bourtanger Moor uit, een veencomplex dat doorliep tot ver over de huidige landsgrens. Tussen deze gebieden bestonden landschappelijke en economische verbindingen, maar zij vormden niet één ononderbroken bezit of ontginningsgebied.

De naam Bourtanger Moor is geschikt voor het grote oostelijke veencomplex, maar niet voor alle venen van Groningen en Drenthe. Kropswolde, Wolfsbarge en Zuidlaarderveen behoren tot de oudere veenrandgebieden langs de Hunze. Voor een geschiedenis van de kloosters moeten deze gebieden naast het Bourtanger Moor worden onderzocht, zonder hun geografische verschillen uit te wissen. De gemeenschappelijke geschiedenis ligt in het gebruik van veen, de strijd om grondrechten en de ontwikkeling van verbindingen waarlangs turf kon worden vervoerd.

De bewoners van de dorpen langs de veenranden waren al lang vóór de grote commerciële verveningen met het landschap vertrouwd. Zij gebruikten hogere gronden voor akkerbouw en lagere terreinen voor weiden, hooiwinning en andere werkzaamheden. Veen kon als brandstof worden gewonnen, maar de rechten op de grond waren niet overal hetzelfde geregeld. Soms waren percelen particulier bezit, elders berustten gebruiksrechten bij een gemeenschap van boeren. Wie het veen wilde exploiteren, moest daarom niet alleen beschikken over arbeidskrachten, maar ook over geldige rechten.

De kloosters zoeken grond en inkomsten

Vanaf de twaalfde en dertiende eeuw groeide het aantal religieuze instellingen in Groningen en de omliggende gebieden. Kloosters hadden voedsel, brandstof, hout en bouwmaterialen nodig. Daarnaast moesten zij inkomsten verkrijgen om hun gebouwen, bewoners en religieuze werkzaamheden te onderhouden. Grondbezit vormde daarvoor een belangrijke basis. Sommige kloosters ontvingen schenkingen van adellijke families of andere weldoeners. Andere instellingen kochten rechten op grond of sloten overeenkomsten met plaatselijke gemeenschappen.

De cisterciënzers hadden binnen deze ontwikkeling een belangrijke plaats. Hun kloosters konden landbouwbedrijven op afstand organiseren, die als voorwerken of grangiae bekendstonden. Daar werden gronden beheerd, producten verzameld en werkzaamheden uitgevoerd. Toch mogen niet alle kloosters op dezelfde manier worden beschreven. Een vrouwenklooster als Yesse had een andere interne organisatie dan het mannenklooster Aduard. Ook de bezittingen van Rottum, de Groninger bedelorden en het latere klooster Ter Apel moeten afzonderlijk worden onderzocht.

Aduard en de uitbreiding van zijn bezittingen

Het klooster Aduard werd in 1192 gesticht. In de dertiende eeuw ontwikkelde het zich tot een belangrijke economische instelling. De gemeenschap verwierf landerijen op verschillende plaatsen en kon via voorwerken goederen produceren en beheren. De activiteiten van Aduard beperkten zich niet tot landbouw. Brandstof, bouwmaterialen en het vervoer van goederen waren eveneens van betekenis.

Voor de geschiedenis van de turfvaart is het belangrijk dat Aduard bezittingen verwierf op aanzienlijke afstand van het klooster. De opbrengsten van zulke gronden moesten bruikbaar worden gemaakt. Dat kon gebeuren door eigen gebruik, pacht of verkoop. Wanneer turf werd gewonnen, ontstond bovendien een vervoersvraagstuk. De brandstof moest van het veen naar een plaats worden gebracht waar zij kon worden opgeslagen, verbruikt of verder verhandeld.

Yesse bij Essen en de oostelijke venen

In 1215 ontstond bij Essen, ten zuiden van Groningen, het cisterciënzer vrouwenklooster Yesse. De instelling ontwikkelde een eigen bezit aan gronden en rechten. De ligging bij Haren bracht het klooster in contact met de waterlopen en de veengebieden ten oosten van de Hondsrug. Kropswolde kreeg binnen deze geschiedenis een bijzondere betekenis.

Yesse beschikte volgens het eerdere onderzoek over belangen in de omgeving van Kropswolde. Ook een voorwerk bij Waterhuizen en een molen worden met het klooster verbonden. De afzonderlijke bezittingen moeten worden onderscheiden van elkaar. Het bestaan van een voorwerk betekent niet automatisch dat alle werkzaamheden daar door kloosterzusters werden uitgevoerd. Beheerders, lekenbroeders, pachters en ingehuurde arbeiders konden een rol spelen in de economische organisatie.

Kropswolde en de oudere rechten op het veen

Kropswolde lag aan de rand van het Hunzegebied. De bewoners beschikten over landbouwgronden en hadden toegang tot het omliggende veenlandschap. Het gebied was daardoor aantrekkelijk voor kloosters die brandstof nodig hadden. Toch betekende belangstelling voor het veen niet dat een klooster automatisch eigenaar werd van alle gronden in de omgeving.

In het onderzoek naar Yesse komt een geschil uit 1249 naar voren dat verband houdt met rechten bij Kropswolde. De precieze inhoud van deze kwestie moet aan de oorspronkelijke oorkonde worden getoetst. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat kloosterlijk bezit en plaatselijke rechten al vroeg met elkaar in aanraking kwamen. De economische mogelijkheden van het veen waren afhankelijk van afspraken tussen verschillende rechthebbenden.

Rottum en zijn brandstofvoorziening

Ook het klooster Rottum had volgens de teruggevonden projectgegevens belangen in het veengebied bij Kropswolde. De turf uit zulke bezittingen kon worden gebruikt voor de verwarming van kloostergebouwen. Daarmee ontstaat een verbinding tussen een religieuze instelling in het Groninger kustgebied en een veengebied op aanzienlijke afstand.

Het bezit van turfgronden zegt nog niet welke route de brandstof aflegde. Het is aannemelijk dat vervoer over water van belang kon zijn, maar de afzonderlijke trajecten moeten uit bronnen worden vastgesteld. Het onderscheid tussen een recht op turf, de feitelijke winning en de aflevering bij het klooster blijft noodzakelijk. Een akte kan een levering vastleggen zonder te beschrijven wie de turf groef of met welk vaartuig zij werd vervoerd.

De verhouding tussen Yesse en Rottum

In het eerdere onderzoek komt een overeenkomst tussen Yesse en Rottum voor, gedateerd op 5 juli 1291. Daarbij wordt een bedrag van 72 mark sterling genoemd, verbonden met rechten op grond bij Kropswolde. Ook wordt in de eerdere reconstructie een bepaling over vrije vaart vermeld. De volledige oorspronkelijke akte moet worden geraadpleegd voordat de precieze inhoud als vaststaand kan worden weergegeven.

Het mogelijke verband tussen grondoverdracht en vervoer is historisch belangrijk. Een klooster dat veenbezit verwierf, had belang bij de mogelijkheid de opbrengsten af te voeren. Wanneer verschillende instellingen gebruikmaakten van dezelfde waterwegen, konden afspraken nodig zijn over toegang en doorgang. Het zou echter onjuist zijn een dergelijke bepaling zonder broncontrole te beschrijven als een algemeen recht op onbeperkte scheepvaart over de Hunze.

In andere eerdere uitwerkingen wordt ook het jaar 1268 genoemd bij de betrekkingen tussen Yesse en Rottum. Dat jaartal mag niet zonder onderzoek met de overeenkomst van 1291 worden samengevoegd. Het kan gaan om verschillende transacties of om een onjuiste datering in een latere samenvatting. Voor het verhaal blijven beide verwijzingen daarom afzonderlijke onderzoekspunten.

Aduard krijgt bescherming voor zijn handel in 1250

In oktober 1250 verkreeg Aduard volgens de eerdere onderzoeksgegevens een privilege van bisschop Hendrik van Vianden. De regeling wordt verbonden met de bescherming van handel in turf, hout en vee. Daarmee verschijnt turf als product binnen een juridische regeling die betrekking had op goederenverkeer buiten de onmiddellijke omgeving van het klooster.

De exacte dag van de oorkonde wordt in eerdere reconstructies verschillend weergegeven. Ook de reikwijdte van het privilege moet aan de oorspronkelijke tekst worden vastgesteld. Het document bewijst niet dat Aduard over alle waterwegen vrij kon varen of dat de turfhandel al een bepaalde omvang had. Wel toont de vermelding dat het klooster juridische bescherming voor economische activiteiten belangrijk vond. De ontwikkeling van de turfvaart begon daarmee niet pas bij de aanleg van de latere veenkoloniale kanalen.

De boeren van Zuidlaren verkopen venen aan Aduard

In 1262 kwamen de buren van Zuidlaren volgens de eerdere projectbronnen tot een overeenkomst met Aduard over venen en weiden in het Oostermoer. In de reconstructie worden 28 waardelen of weren genoemd, met een waarde van 100 Groninger ponden per aandeel. De volledige betaling en de precieze rechten moeten aan de oorspronkelijke akte worden gecontroleerd.

De overeenkomst toont dat de boeren van Zuidlaren niet eenvoudig hun grond verloren doordat een klooster belangstelling kreeg voor het gebied. Er werd onderhandeld over rechten. De plaatselijke gemeenschap trad op als partij tegenover een grote religieuze instelling. Dat maakt de geschiedenis van de ontginning ook een geschiedenis van de macht en rechtspositie van boeren.

In 1264 volgden aanvullende afspraken. Daarbij worden wegen in de richting van Wolfsbarge, het gebruik van de Hunze en rechten op toekomstige dalgrond genoemd. De precieze bepalingen moeten nog worden vastgesteld. De opeenvolging van overeenkomsten laat zien dat de aankoop van grond niet voldoende was om alle problemen van bereikbaarheid en gebruik op te lossen.

Abt Geyko en het voorwerk Everswolde

De abtenkroniek van Aduard verbindt abt Geyko met de ontwikkeling van het voorwerk Everswolde. Hier kreeg het klooster een plaats van waaruit de verworven gronden konden worden beheerd. Ook een kapel wordt met het voorwerk verbonden. De precieze bouwgeschiedenis moet nog worden vastgesteld.

Everswolde werd daarmee een onderdeel van de economische organisatie van Aduard. Het gebied bestond uit verschillende soorten grond. Hogere plaatsen konden worden gebruikt voor landbouw, terwijl lagere terreinen mogelijkheden boden voor weiden en veengebruik. Het klooster moest daarbij rekening houden met de waterhuishouding. De werkzaamheden op het voorwerk waren afhankelijk van mensen die de gronden bewerkten, goederen vervoerden en het beheer uitvoerden.

De strijd om het water bij Everswolde

In 1285 wordt volgens het eerdere onderzoek een conflict genoemd over waterbeheer bij Everswolde en De Groeve. In 1309 ontstond een kwestie rond een vernielde knijpe. Daarbij worden Altinga, Oldinfokkinga en Thicboldinga genoemd, evenals een boete van 100 mark sterling. De oorspronkelijke akten moeten de precieze verantwoordelijkheden duidelijk maken.

Deze conflicten tonen dat waterbeheer een bron van spanning was. Een voorziening kon voor de ene gebruiker noodzakelijk zijn en voor een andere nadelige gevolgen hebben. Het afvoeren of tegenhouden van water beïnvloedde de bruikbaarheid van de grond. Daardoor ontstonden afspraken over aanleg, onderhoud en herstel. De waterwerken mogen niet zonder bewijs als scheepvaartsluizen worden beschreven, maar zij waren wel onderdeel van de voorwaarden waaronder het veenlandschap kon worden gebruikt.

De zijlen bij Schilligeham in 1323

In 1323 werden volgens de eerdere reconstructie plannen gemaakt voor vier zijlen bij Schilligeham. Daarbij worden een breedte van twintig voet, een garantieperiode van acht jaar en borgstellingen van zestig schilden per borg genoemd. De betrokkenheid van een hofmeester van Everswolde laat zien dat het voorwerk ook buiten zijn eigen gronden economische belangen kon hebben.

De oorspronkelijke overeenkomst moet uitwijzen of de zijlen daadwerkelijk zijn aangelegd. Ook is niet bewezen dat zij voor de doorvaart van turfschepen geschikt waren. Het historische belang ligt in de organisatie van een kostbaar waterstaatkundig project. Voor zulke werkzaamheden waren afspraken, geld en verantwoordelijkheden nodig. De geschiedenis van het veen werd daardoor mede bepaald door de mogelijkheid het water te beheersen.

De Hunze als verbinding

De Hunze was voor de bewoners van het Oostermoer een belangrijke waterloop. Zij voerde water af uit het Drentse achterland en bood op bevaarbare trajecten mogelijkheden voor vervoer. De precieze bevaarbaarheid veranderde echter met waterstanden, natuurlijke omstandigheden en ingrepen in het landschap.

Voor de turfwinning was de verbinding met de Hunze van betekenis. Turf moest vanuit het veen naar een laadplaats worden gebracht voordat vervoer over water mogelijk werd. Niet iedere veenstrook lag rechtstreeks aan een bevaarbare watergang. Daarom konden landwegen, sloten en overslagplaatsen een rol spelen. De geschiedenis van de turfvaart bestaat uit de gehele vervoersketen, niet uitsluitend uit het traject dat een schuit aflegde.

De jaarlijkse levering van 6.000 turven in 1332

Een bijzonder concreet gegeven uit het eerdere onderzoek betreft een recht uit 1332 op een jaarlijkse levering van 6.000 turven uit Kropswolde. Het recht wordt verbonden met Agneza, een vrouw uit een Groningse familie. Deze vermelding laat zien dat turf niet alleen door kloosters werd gewonnen of ontvangen. Ook particuliere rechthebbenden konden aanspraken op vaste leveringen bezitten.

De 6.000 turven mogen niet worden voorgesteld als een bewezen jaarlijkse levering aan Yesse. De bron noemt een afzonderlijk recht. Zij maakt bovendien niet duidelijk hoeveel arbeiders bij de winning betrokken waren of op welke wijze de turf werd vervoerd. Toch is de vermelding van grote betekenis. Zij toont dat turf in de veertiende eeuw al als een telbaar product onderdeel kon zijn van juridische en economische afspraken.

Kloosters, baksteen en brandstof

De economische betekenis van turf ging verder dan de verwarming van woningen en kloostergebouwen. Brandstof was ook nodig voor ambachtelijke productie. Kloosters en andere grondbezitters konden betrokken zijn bij steenbakkerijen en tichelwerken. Voor de productie van baksteen waren klei, arbeid en brandstof noodzakelijk.

Bij Aduard worden tichelwerken in de omgeving van Lagemeeden en Ter Helle genoemd. Ook kleigronden bij Peize en Foxwolde komen in het onderzoek voor. Deze gegevens moeten per locatie worden gecontroleerd. Zij tonen hoe verschillende delen van het landschap economisch met elkaar verbonden konden zijn. Klei werd gewonnen op de ene plaats, brandstof kwam mogelijk uit een ander gebied en de gebakken stenen werden elders gebruikt voor gebouwen.

De bouw van kerken en kloosters

De groei van kloosters en kerken bracht een vraag naar bouwmaterialen met zich mee. Baksteen werd in Noord-Nederland vanaf de middeleeuwen een belangrijk bouwmateriaal. Voor de productie ervan waren ovens nodig, die brandstof verbruikten. Daardoor ontstond een mogelijke verbinding tussen turfwinning en kerkbouw.

In de eerdere projectgegevens wordt voor 1283 een levering van 2.000 bakstenen door Aduard genoemd, verbonden met Noordlaren en Wolfsbarge. De oorspronkelijke bron moet uitwijzen welke bestemming de stenen hadden en of de genoemde plaatsen juist zijn geïdentificeerd. De vermelding is belangrijk als mogelijk concreet voorbeeld van de organisatie van bouwmateriaal, maar mag zonder controle niet worden uitgewerkt tot een bewezen bouwtransport.

De kloosters van Groningen als afnemers

Naast Aduard, Yesse en Rottum waren er in Groningen andere religieuze instellingen die brandstof nodig hadden. Het dominicanenklooster in de stad wordt met 1308 verbonden. Ook de minderbroeders waren in Groningen aanwezig. Gasthuizen en andere kerkelijke instellingen hadden gebouwen die moesten worden verwarmd en onderhouden.

Het Pelstergasthuis had volgens de eerdere onderzoeksgegevens al in 1267 een kapel. Vanaf 1381 worden voogden zichtbaar in de bronnen. De instellingen vormden mogelijke afnemers van brandstof, maar de precieze herkomst van hun turf moet afzonderlijk worden aangetoond. Het bestaan van een klooster of gasthuis bewijst niet dat het turf uit Kropswolde of het Oostermoer betrok.

De stad Groningen en haar groeiende macht

In de late middeleeuwen ontwikkelde Groningen zich tot een belangrijk handelscentrum. De stad had belang bij de toevoer van voedsel, bouwmaterialen en brandstof. Turf was bruikbaar voor huishoudens, brouwerijen, bakkerijen en andere bedrijven. De groeiende stedelijke economie vergrootte daardoor de betekenis van de verbindingen met het achterland.

In 1392 kreeg Groningen een belangrijke positie in het Gorecht door een pachtovereenkomst met de landsheer. De stad kon daardoor meer invloed uitoefenen op het gebied ten zuiden van haar muren. De precieze gevolgen voor afzonderlijke veenrechten moeten worden onderzocht. De overeenkomst maakte Groningen niet automatisch eigenaar van alle venen, maar versterkte wel de stedelijke positie binnen het regionale machtsspel.

De schuitenschuivers en het jaar 1403

In 1403 kreeg het Groninger schuitenschuiversgilde een officiële regeling. Daarmee verschijnt een georganiseerde groep vervoerders in de schriftelijke bronnen. Het gilde speelde een rol binnen de stedelijke vrachtvaart en de rechten die daarmee verbonden waren.

Voor de geschiedenis van de turf is dit belangrijk omdat de brandstof niet alleen moest worden gewonnen, maar ook vervoerd. De schuitenschuivers vormden een schakel tussen producenten en afnemers. De precieze gildevoorschriften moeten worden gelezen om vast te stellen welke goederen, trajecten en vervoerders onder de regeling vielen. Het bestaan van het gilde bewijst niet dat alle turfvaart vanuit Drenthe aan één groep was voorbehouden.

Frederik van Blankenheim en de rechten in Drenthe

Frederik van Blankenheim was van 1393 tot 1423 bisschop van Utrecht. Als landsheer had hij belangen in Drenthe. In 1412 werd het Drentse landrecht vastgelegd. Deze regeling is van betekenis voor de rechtsgeschiedenis van het gebied, maar zij mag niet zonder meer worden voorgesteld als een algemene toestemming aan boeren om veen te verkopen.

Voor de geschiedenis van de vervening moet worden onderzocht welke rechten bij de marken, afzonderlijke grondbezitters en de landsheer berustten. De verhouding tussen eigendom en gebruik was ingewikkeld. Een recht om turf te steken betekende niet automatisch het recht om de grond te verkopen. Evenmin konden kloosters of steden zonder geldige titel alle bestaande rechten overnemen.

De veranderingen in de waterwegen

In de vijftiende eeuw werd in en rond Groningen gewerkt aan waterverbindingen. De aanleg en verbetering van het Damsterdiep in de jaren 1424–1430 behoort tot deze ontwikkeling. Ook het Schuitendiep speelde een rol in de stedelijke verbindingen met het achterland.

Deze waterwegen waren van betekenis voor de handel, maar mogen niet worden beschreven alsof zij rechtstreeks alle veengebieden ontsloten. De route vanuit een bepaalde veenderij moet afzonderlijk worden vastgesteld. Voor het Oostermoer bleef de Hunze van belang. Andere gebieden hadden hun eigen waterlopen, sloten en mogelijkheden voor vervoer. De ontwikkeling van de turfvaart was daardoor regionaal verschillend.

Het onderhoud van het Schuitendiep in 1473

Op 9 juni 1473 wordt in de eerdere projectgegevens een regeling over het onderhoud van het Schuitendiep genoemd. De oorspronkelijke tekst moet duidelijk maken welke werkzaamheden werden verlangd en wie daarvoor verantwoordelijk was.

Het onderhoud van een waterweg was noodzakelijk om het vervoer mogelijk te houden. Ondiepten, dichtslibbing en beschadigde oevers konden problemen veroorzaken. De kosten van herstel moesten door bepaalde partijen worden gedragen. Daardoor vormde de vaarweg niet alleen een economische verbinding, maar ook een bron van bestuurlijke verplichtingen.

Gieterveen en De Hilte

In de vijftiende eeuw ontstonden volgens het eerdere onderzoek religieuze belangen bij Gieterveen en De Hilte. Een fraterhuis wordt verbonden met een veenderij en een schuitsloot naar de Hunze. Voor 1461–1462 worden Johan Luskinge, Johannes van Roden en Johan van Munster genoemd bij rechtshandelingen rond deze bezittingen.

De oorspronkelijke akten moeten duidelijk maken welke personen als schenker, ontvanger of getuige optraden. Ook de aanleg en functie van de schuitsloot moeten worden vastgesteld. De vermeldingen zijn belangrijk omdat zij laten zien dat de belangstelling voor veen niet tot de grote cisterciënzer kloosters beperkt bleef. Andere religieuze gemeenschappen konden eveneens rechten verwerven en werkzaamheden organiseren.

De marke van Zuidlaren in 1498

Volgens de eerdere onderzoeksgegevens bepaalde een buurwillekeur van Zuidlaren uit 1498 dat ook vergraven veen tot de buurmarke bleef behoren. De precieze formulering moet worden gecontroleerd, maar de vermelding raakt een fundamenteel onderdeel van de geschiedenis.

Wanneer turf werd afgegraven, verdween de brandstof uit de bodem. Dat betekende niet noodzakelijk dat de juridische rechten op de grond verdwenen. Het onderscheid tussen de gewonnen turf en de ondergrond bleef belangrijk. Daarmee wordt duidelijk waarom grondbezit, vervening en latere landbouw niet als één recht mogen worden behandeld.

Het oostelijke Bourtanger Moor

Verder naar het oosten lag het uitgestrekte Bourtanger Moor. Het gebied omvatte grote veencomplexen in het grensgebied van Groningen en Drenthe met de Duitse landen. De toegankelijkheid was beperkt en de omstandigheden verschilden van die in de oudere veenrandgebieden langs de Hunze.

De geschiedenis van dit gebied moet worden opgebouwd vanuit de plaatselijke gemeenschappen, grondrechten en religieuze instellingen. Het is niet verantwoord om de bezittingen van Aduard en Yesse bij Kropswolde zonder meer als bezit midden in het Bourtanger Moor te beschrijven. Zij behoren tot een verwante, maar geografisch onderscheiden geschiedenis van het grote Noord-Nederlandse veenlandschap.

Westerwolde en de oudere machtsverhoudingen

Westerwolde kende eigen bestuurlijke en juridische verhoudingen. In de middeleeuwen speelden wereldlijke heren en religieuze instellingen een rol in het gebied. Ook de abdij Corvey komt in de geschiedenis van Westerwolde voor. De precieze rechten van deze instelling moeten per periode worden vastgesteld.

Het gebied vormde geen eenvoudig verlengstuk van het Groninger stadsbestuur. De verhoudingen tussen plaatselijke bewoners, heren en kloosters veranderden in de loop van de tijd. Voor de geschiedenis van het veen is vooral van belang wie rechten bezat op de gronden en welke mogelijkheden er bestonden voor gebruik en vervoer.

Weerdinge, Roswinkel en de oostelijke venen

Bij Weerdinge en Roswinkel lagen veengebieden die deel uitmaakten van de oostelijke Drentse geschiedenis. In het eerdere onderzoek worden rechtshandelingen uit de periode 1327–1492 genoemd. De afzonderlijke akten zijn nog niet volledig hersteld, zodat de precieze overdrachten niet zonder meer kunnen worden beschreven.

Deze gebieden verdienen afzonderlijke aandacht omdat de juridische en geografische omstandigheden verschilden van die langs de Hunze. De latere grootschalige ontginningen mogen niet worden teruggeprojecteerd op de middeleeuwen. Eerst moet worden vastgesteld welke gemeenschappen de grond gebruikten en welke rechten religieuze instellingen of andere bezitters daar verwierven.

Het ontstaan van klooster Ter Apel

De geschiedenis van Ter Apel vormt een belangrijk onderdeel van de oostelijke kloosterwereld. In 1458 wordt Jacobus Wiltinck, ook Wiltingh geschreven, verbonden met de verwerving van grond. In 1464 volgde volgens de eerdere reconstructie een schenking aan de kruisheren. Vanaf 1465 kwamen religieuzen vanuit Bentlage naar het gebied.

Het klooster werd bekend als Domus Novae Lucis. Ook de naam Hinrick van den Berge komt in de vroegste geschiedenis voor. De stichting was van betekenis omdat in het oostelijke grensgebied een nieuwe religieuze gemeenschap ontstond. De bouw en inrichting van het klooster gingen door in de zestiende eeuw. De economische basis ervan moet worden onderzocht vanuit grondbezit, schenkingen en de werkzaamheden die de gemeenschap kon organiseren.

Ter Apel en de omgeving

Het klooster Ter Apel lag in een gebied waar bossen, zandgronden, waterlopen en venen naast elkaar voorkwamen. De religieuzen waren afhankelijk van de opbrengsten van hun goederen en van verbindingen met de omgeving. Voor het vervoer van bouwmaterialen, voedsel en andere goederen moesten bruikbare routes bestaan.

De aanwezigheid van een klooster bewijst niet dat er al een grootschalig stelsel van turfkanalen lag. De latere ontginningen rond Ter Apel en het Stadskanaal behoren grotendeels tot een andere periode. Voor de middeleeuwse geschiedenis moeten de toenmalige wegen, waterlopen en rechten afzonderlijk worden gereconstrueerd.

De arbeid achter de turfwinning

Turfwinning vereiste zwaar lichamelijk werk. Het veen moest worden gestoken, in geschikte stukken worden verdeeld en vervolgens drogen. Daarna moest de brandstof naar een opslagplaats of laadpunt worden gebracht. De omstandigheden konden per gebied verschillen, afhankelijk van de bodem, de waterstand en de afstand tot de afnemer.

De arbeiders blijven in de middeleeuwse bronnen vaak anoniem. Oorkonden noemen vooral kloosters, grondbezitters en vertegenwoordigers. Toch waren het de gravers, dragers en vervoerders die de economische waarde van het veen mogelijk maakten. Een geschiedenis van de turfvaart kan daarom niet uitsluitend over grondrechten en kloosters gaan. Zij moet ook laten zien welke arbeid nodig was voordat een schuit kon vertrekken.

De veranderende betekenis van turf

Turf was een brandstof die in verschillende delen van de samenleving werd gebruikt. Huishoudens hadden warmte nodig, maar ook ambachten en bedrijven verbruikten brandstof. Brouwerijen, bakkerijen en steenovens konden belangrijke afnemers zijn.

De precieze omvang van deze afzet moet per periode worden onderzocht. Het bestaan van een bedrijf betekent niet automatisch dat het turf uit een bepaald veengebied gebruikte. Toch maakt de groei van de stedelijke economie duidelijk waarom brandstof een waardevol product was. Naarmate meer mensen en bedrijven afhankelijk werden van aangevoerde goederen, kregen de verbindingen met het achterland een grotere economische betekenis.

De strijd om eigendom en gebruik

De geschiedenis van de venen werd bepaald door verschillende soorten rechten. Een klooster kon eigenaar zijn van een perceel, een boer kon gebruiksrechten bezitten en een ander kon aanspraak maken op een jaarlijkse turflevering. Daarnaast konden er afzonderlijke rechten bestaan op wegen, watergangen of visserij.

Deze rechten moeten steeds van elkaar worden onderscheiden. De overdracht van een veenperceel betekende niet noodzakelijk dat alle oudere verplichtingen verdwenen. Ook het gebruik van een waterweg kon aan voorwaarden gebonden zijn. De vele overeenkomsten en conflicten in het onderzoek laten zien dat het landschap niet alleen door arbeid veranderde, maar ook door juridische beslissingen.

De Reformatie en de kloostergoederen

In de zestiende eeuw veranderden de politieke en religieuze omstandigheden ingrijpend. De Nederlandse Opstand bracht oorlog en onzekerheid. De katholieke kloosters kwamen onder druk te staan en verloren uiteindelijk hun oude positie.

Voor de veengebieden betekende dit niet dat alle werkzaamheden onmiddellijk ophielden. De gronden bleven bestaan en konden inkomsten blijven opleveren. Pachters en andere gebruikers konden hun werkzaamheden voortzetten onder nieuw beheer. De belangrijkste verandering lag in de verhouding tussen eigenaar, bestuurder en gebruiker. De inkomsten die eerder aan een klooster toevielen, konden voortaan onder wereldlijk beheer komen.

De Reductie van Groningen in 1594

Op 22 juli 1594 kwam Groningen onder het gezag van de Republiek. De katholieke kloosters verloren hun oude bestuurlijke en maatschappelijke positie. Hun goederen werden onder nieuw beheer gebracht.

De overgang had gevolgen voor de bezittingen van Aduard, Yesse en andere instellingen. De nieuwe bestuurders moesten vaststellen welke gronden aanwezig waren, wie deze gebruikte en welke verplichtingen eraan verbonden waren. Daardoor ontstonden administratieve bronnen die de economische werkelijkheid achter het oudere kloosterbezit zichtbaar maken.

Het onderzoek naar de voormalige kloostergoederen in 1595

Voor 11 april 1595 wordt in de eerdere projectdocumentatie een opdracht genoemd aan Taeko Haringius en Johan Clant om voormalige kloostervenen en bossen te onderzoeken. De oorspronkelijke opdracht moet nog worden gecontroleerd.

Het doel van een dergelijk onderzoek was inzicht te verkrijgen in het bezit en de opbrengsten. Niet alleen de grenzen van de percelen waren van belang, maar ook de pachters en hun verplichtingen. Daarmee werd de overgang van kloosterlijk naar wereldlijk beheer een administratief proces. Het nieuwe bestuur moest weten welke inkomsten konden worden verwacht.

De turfrekeningen van 1595–1596

De rekeningen uit 1595 en 1596 behoren tot de belangrijkste teruggevonden gegevens over de turfwinning. In de eerdere reconstructie worden 352 schuitladingen en meer dan 922 gulden aan betalingen voor vervoer genoemd. Daarnaast komt een afzonderlijke hoeveelheid van 55½ schuiten voor in verband met Everswolde, Wolfsbarge en Selwerd.

Deze cijfers mogen niet zonder controle worden opgeteld. Zij kunnen betrekking hebben op verschillende administratieve categorieën. De rekeningen zijn vooral waardevol omdat zij de economische keten concreet maken. Turf werd niet alleen gewonnen, maar ook betaald, vervoerd en verantwoord. De omvang van de administratie toont dat het nieuwe bestuur belang had bij nauwkeurige registratie van de opbrengsten.

De mensen in de rekeningen

In de administratie worden verschillende personen genoemd die bij turfwinning en levering betrokken waren. Johan Jansen, ook Klein genoemd, verschijnt met een bedrag van ongeveer viereneenhalve tot vijf daalders per schuitlading voor het graven en afleveren van turf aan de sloot.

Drewes Classen wordt verbonden met de verkoop van vijf schuiten turf tegen vier daalders per schuit. Als kopers worden Jan Möller en Hanssien van Borger genoemd. De oorspronkelijke rekening moet de precieze voorwaarden duidelijk maken. De vermelding laat zien dat turf niet uitsluitend als pacht werd afgedragen, maar ook afzonderlijk kon worden verkocht.

Armoede en vermindering van verplichtingen

De rekeningen tonen ook de kwetsbare positie van sommige gebruikers. Otto Reniers kreeg volgens de eerdere reconstructie zijn verplichting teruggebracht van vier schuiten tot maximaal één wegens armoede. Drewes Classen kreeg in een afzonderlijke post een vermindering van drie naar twee schuiten. Roeleff Classen kreeg zijn verplichting verminderd van vijf naar vier schuiten wegens lasten en belastingen.

Deze gegevens maken duidelijk dat turfwinning niet voor iedereen winstgevend was. Pachters konden moeite hebben om aan hun verplichtingen te voldoen. De administratie toont daardoor niet alleen de inkomsten van grondbezitters, maar ook de financiële problemen van mensen die het veen gebruikten.

Wolfsbarge en de voormalige kloostervenen

Bij Wolfsbarge worden Albert Alberts, Hindrick Harmens, Johan Lens en Evert Reiners genoemd in verband met voormalige kloostergronden. Hun afzonderlijke rechten en verplichtingen moeten uit de oorspronkelijke rekeningen worden vastgesteld.

De namen zijn belangrijk omdat zij de overgang naar wereldlijk beheer verbinden met concrete bewoners en gebruikers. Het nieuwe bestuur erfde niet alleen grond, maar ook bestaande economische verhoudingen. De pachters moesten zich aanpassen aan een veranderde eigenaar, terwijl hun dagelijkse werkzaamheden in het veen konden doorgaan.

De kosten van het vervoer

In de eerdere administratie wordt voor Everswolde een bedrag van 252,75 gulden genoemd. Daarnaast komt een percentage van 27,3 voor. De exacte berekeningsgrondslag is nog niet vastgesteld. Daarom kan het percentage niet zonder meer worden gepresenteerd als het aandeel van de vervoerskosten in de totale opbrengst.

De verhouding tussen winning, vervoer en verkoop was bepalend voor de waarde van turf. Een veengebied kon veel brandstof bevatten, maar zonder betaalbare vervoersmogelijkheden was de economische betekenis beperkt. De rekeningen bieden een mogelijkheid om deze verhouding nader te onderzoeken.

Het einde van een kloosterlijke periode

Omstreeks 1600 was de positie van de katholieke kloosters in Groningen ingrijpend veranderd. Instellingen die eeuwenlang grond hadden verworven en beheerd, verloren hun oude macht. Hun bezittingen kwamen onder nieuw bestuur en werden opnieuw geïnventariseerd.

De geschiedenis van de turfwinning ging echter verder. De gronden bleven waardevol en de vraag naar brandstof verdween niet. De overgang naar wereldlijk beheer vormde daarom geen einde van de economische ontwikkeling, maar een verandering in de verdeling van macht en inkomsten.

Het grote veen en zijn verschillende geschiedenissen

De geschiedenis van het Bourtanger Moor en de oudere venen langs de Hunze moet als een samenhangend maar geografisch onderscheiden verhaal worden begrepen. Aduard, Yesse en Rottum hadden belangen in verschillende veengebieden. Ter Apel ontwikkelde zich in het oostelijke grensgebied. De boeren van Zuidlaren en andere dorpen beschikten over rechten die niet zonder meer door kloosters konden worden overgenomen.

De overeenkomsten uit de dertiende eeuw, de waterconflicten uit de veertiende eeuw en de turfrekeningen uit de zestiende eeuw tonen hoe grondbezit, arbeid en vervoer met elkaar verbonden raakten. De kloosters waren belangrijke deelnemers aan deze ontwikkeling, maar zij waren niet de enige machthebbers. Boeren, pachters, arbeiders, schippers en stedelijke bestuurders bepaalden eveneens hoe het veen werd gebruikt.

Aan het einde van de zestiende eeuw was een eeuwenoude kloosterlijke wereld verdwenen, maar haar invloed bleef zichtbaar. De verworven gronden, oude rechten en waterverbindingen vormden een erfenis waarmee nieuwe bestuurders en ondernemers rekening moesten houden. Het grote veen was daarmee niet alleen een voorraad brandstof. Het was een landschap waarin bezit, geloof, arbeid, geld en macht gedurende eeuwen met elkaar verweven waren.

De ondergang van de kloostermacht — Aduard, de oorlog en de strijd om de voormalige kloostergoederen (1568–1600)

De rijkdom van de kloosters aan de vooravond van de Opstand

Omstreeks 1568 bezaten de kloosters in Groningen en de omliggende gebieden nog altijd een aanzienlijk deel van hun oude economische macht. Hun bezittingen bestonden uit akkers, weiden, hooilanden, venen, boerderijen en rechten op uiteenlopende inkomsten. Sommige goederen lagen dicht bij de kloostergebouwen, andere op grote afstand. Het klooster Aduard had gedurende bijna vier eeuwen een uitgebreid netwerk van bezittingen opgebouwd. Ook Yesse bij Essen en andere religieuze instellingen beschikten over gronden waarvan de opbrengsten noodzakelijk waren voor hun voortbestaan. Achter die bezittingen stond een organisatie van bestuurders, pachters, beheerders en arbeiders.

De kloosters waren geen afzonderlijke werelden die uitsluitend van gebed leefden. Hun inkomsten waren afhankelijk van de landbouw, de verhuur van gronden, de winning van natuurlijke producten en de verplichtingen van pachters. In de venen van het Oostermoer en langs de Hunze konden turf en andere opbrengsten worden verkregen. De waarde van deze bezittingen werd niet alleen bepaald door de hoeveelheid grond, maar ook door de mogelijkheid goederen af te voeren. Een veenperceel zonder bruikbare verbinding met een weg of waterloop was economisch minder aantrekkelijk dan een perceel waarvan de opbrengst gemakkelijk kon worden vervoerd.

De belangen van Aduard reikten tot in de omgeving van Zuidlaren en Everswolde. De oorsprong van deze bezittingen lag in overeenkomsten uit de dertiende eeuw. In 1262 en 1264 hadden de buren van Zuidlaren afspraken gemaakt met het klooster over venen, weiden en bijbehorende rechten. Daardoor was een economische verhouding ontstaan die eeuwen kon voortbestaan. De rechten waren niet uitsluitend van belang voor het klooster zelf. Ook boeren, pachters en andere gebruikers waren erbij betrokken. Toen in de zestiende eeuw de politieke verhoudingen veranderden, bleef deze oudere juridische geschiedenis daarom van betekenis.

De Hondsrug en de dorpen aan de rand van het veen

Ten zuiden van Groningen vormde de Hondsrug een hoger gelegen landschap met dorpen als Noordlaren, Midlaren en Zuidlaren. Ten oosten daarvan lagen het Hunzedal en de venen van het Oostermoer. Deze geografische tegenstelling had gevolgen voor de bewoning en het grondgebruik. De dorpen op de hogere gronden konden gebruikmaken van akkers en wegen, terwijl de lagere gebieden mogelijkheden boden voor weiden, hooiwinning en veengebruik. De verbinding tussen beide landschappen was van betekenis voor de dagelijkse economie.

Midlaren lag tussen Noordlaren en Zuidlaren. Voor de geschiedenis van het grote veen is het dorp vooral belangrijk als onderdeel van deze oudere nederzettingsstructuur. Het ligt niet voor de hand om Midlaren zonder bronbewijs als een afzonderlijk centrum van middeleeuwse turfhandel te beschrijven. Wel moet worden onderzocht welke rechten de bewoners op omliggende gronden hadden en hoe zij gebruikmaakten van wegen naar de Hunze en de lagergelegen gebieden. De geschiedenis van de dorpen langs de Hondsrug vormt immers de achtergrond waartegen de uitbreiding van kloosterbezit moet worden begrepen.

Voor Zuidlaren zijn de contacten met Aduard duidelijker zichtbaar in de eerdere onderzoeksgegevens. De overeenkomsten uit de dertiende eeuw tonen dat een dorpsgemeenschap rechten kon overdragen aan een klooster. Zulke overdrachten betekenden niet noodzakelijk dat alle plaatselijke rechten verdwenen. Een grondbezitter kon eigenaar worden van een perceel terwijl anderen bepaalde gebruiksrechten behielden. Ook kon de toegang tot wegen of watergangen afzonderlijk zijn geregeld. Deze verschillen bleven belangrijk toen het kloosterbezit in de zestiende eeuw van eigenaar of beheerder veranderde.

Aduard en de dreiging van oorlog

De Nederlandse Opstand, die vanaf 1568 uitgroeide tot een langdurige oorlog, bracht de kloosters in een steeds moeilijker positie. Groningen en de Ommelanden werden betrokken bij de strijd tussen de aanhangers van de Spaanse koning en de opstandelingen. Legers trokken door het gebied, steden en versterkingen kregen militaire betekenis en het platteland werd geconfronteerd met de gevolgen van oorlogvoering. Religieuze instellingen waren kwetsbaar omdat zij gebouwen, voorraden en verspreid gelegen bezittingen moesten beschermen.

Voor Aduard waren de gevolgen bijzonder ingrijpend. Het kloostercomplex lag buiten de beschermende muren van Groningen. De gebouwen vormden een zichtbaar en omvangrijk geheel, terwijl de landerijen en voorwerken verspreid lagen. In oorlogstijd kon de afstand tussen het klooster en zijn bezittingen een nadeel worden. Pachters konden moeite krijgen hun verplichtingen na te komen en het vervoer van goederen kon worden verstoord. De economische organisatie die gedurende eeuwen was opgebouwd, werd daardoor steeds moeilijker in stand te houden.

De oorlog veranderde bovendien de betekenis van kloostergebouwen. Grote stenen complexen konden door militairen worden gebruikt of als strategische plaatsen worden beschouwd. Hun religieuze functie bood niet vanzelf bescherming. De geschiedenis van Aduard laat zien hoe een instelling die eeuwenlang grond had verworven en gebouwen had opgericht, door politieke en militaire ontwikkelingen haar bestaanszekerheid kon verliezen. De neergang was geen plotselinge gebeurtenis in 1594, maar een proces dat al eerder was begonnen.

De ontwrichting van Aduard vanaf 1580

Rond 1580 kwam Aduard in een periode van ernstige ontwrichting terecht. De kloostergemeenschap kon haar oude bestaan buiten Groningen niet ongestoord voortzetten. De gebouwen werden zwaar getroffen door de oorlogsomstandigheden en de bewoners zochten veiligheid elders. Het refugium van Aduard in Groningen kreeg daardoor een bijzondere betekenis. Een refugium was een stedelijke verblijfplaats waar kloosterlingen onder moeilijke omstandigheden onderdak en bescherming konden vinden.

De verplaatsing naar Groningen betekende dat de religieuze gemeenschap steeds verder verwijderd raakte van het oorspronkelijke kloostercomplex. Het beheer van verspreide goederen werd ingewikkelder. De kloosterlingen konden niet meer op dezelfde wijze toezicht houden op alle bezittingen. Voorwerken, pachters en plaatselijke beheerders kregen daardoor een andere positie binnen de dagelijkse economische organisatie. Hoe deze veranderingen precies verliepen, moet per goed uit de bewaarde administratie worden vastgesteld.

Ook de gebouwen en de bibliotheek van Aduard leden zware verliezen. De geschiedenis van deze vernietiging is belangrijk omdat zij mede verklaart waarom het middeleeuwse kloosterleven tegenwoordig slechts gedeeltelijk kan worden gereconstrueerd. Het verlies van gebouwen betekende niet alleen het verdwijnen van een religieus centrum. Ook de plaatsen waar documenten, boeken en administratieve gegevens werden bewaard, raakten ontwricht. Daardoor ontstonden hiaten in de bronnen die voor het onderzoek naar de turfwinning nog altijd gevolgen hebben.

Wat gebeurde er met het archief van Aduard?

Het archief van Aduard was van groot belang voor het beheer van de kloostergoederen. In oorkonden konden schenkingen, aankopen, pachtverplichtingen en afspraken over wegen en waterwerken worden vastgelegd. Zulke documenten waren niet alleen historische herinneringen. Zij dienden om rechten aan te tonen en geschillen te beslechten. Wanneer een klooster een perceel bezat of een jaarlijkse levering mocht ontvangen, kon een geschreven bewijsstuk noodzakelijk zijn om die aanspraak te verdedigen.

Tijdens de oorlog en de ontwrichting van het klooster ging een deel van het archiefmateriaal verloren. Andere stukken bleven bewaard, soms doordat zij buiten het oorspronkelijke kloostercomplex terechtkwamen. Ook de overlevering van de abtenkroniek en latere goederenadministraties maakt het mogelijk delen van de geschiedenis te reconstrueren. Het bewaarde materiaal vormt echter geen volledige afspiegeling van alle documenten die het klooster ooit bezat.

In het eerdere onderzoek kwam de mogelijkheid naar voren dat bepaalde archiefstukken naar de Zuidelijke Nederlanden werden meegenomen. Zonder een volledige reconstructie van de herkomst en bewaarplaatsen van die documenten kan dit niet als een vaststaand lot van het gehele archief worden beschreven. Wel maakt de mogelijkheid duidelijk dat de huidige verspreiding van bronnen niet noodzakelijk overeenkomt met de oorspronkelijke organisatie van het kloosterarchief. Voor een volledig onderzoek moeten daarom verschillende archiefcollecties en latere afschriften naast elkaar worden gelegd.

De betekenis van verloren documenten voor de turfgeschiedenis

Het verdwijnen van archiefstukken heeft directe gevolgen voor de geschiedenis van de turfwinning. Wanneer een overeenkomst over veengrond verloren is gegaan, kan het lijken alsof een klooster geen rechten in een bepaald gebied had. Omgekeerd mag het bestaan van een later bezit niet automatisch worden gebruikt als bewijs voor een veel oudere verwerving. De onderzoeker moet rekening houden met de mogelijkheid dat belangrijke rechtshandelingen niet meer rechtstreeks kunnen worden aangetoond.

Dit probleem is bijzonder zichtbaar bij de bezittingen van Aduard in het Oostermoer. De overeenkomsten met Zuidlaren uit de dertiende eeuw vormen een uitgangspunt, maar vertellen niet vanzelf hoe alle afzonderlijke percelen gedurende de volgende drie eeuwen werden beheerd. Ook de verhouding tussen eigen exploitatie en verpachting kan in de loop van de tijd zijn veranderd. De bewaarde bronnen moeten daarom per periode worden gelezen, zonder ontbrekende schakels met veronderstellingen op te vullen.

De kloosters tussen oorlog en politieke verandering

Ook andere kloosters in Groningen ondervonden de gevolgen van de oorlog. Yesse bij Essen en Rottum waren afhankelijk van bezittingen, inkomsten en verbindingen die door de politieke onrust konden worden geraakt. De precieze omstandigheden verschilden per instelling. Niet elk klooster verloor op hetzelfde moment zijn gebouwen of kon zijn economische werkzaamheden op dezelfde wijze voortzetten.

De oorlog bracht bovendien een verandering in de verhouding tussen religie en bestuur. De katholieke instellingen waren verbonden met de oude kerkelijke organisatie. Naarmate de Opstand zich ontwikkelde, werd hun positie afhankelijk van de militaire en politieke machthebbers. Het voortbestaan van een klooster kon daardoor niet meer uitsluitend worden bepaald door zijn eigen inkomsten of religieuze betekenis. De strijd om het gezag in Groningen en de Ommelanden bepaalde uiteindelijk ook het lot van de kloostergoederen.

De Reductie van Groningen in 1594

Op 22 juli 1594 kwam Groningen onder het gezag van de Republiek. Deze gebeurtenis staat bekend als de Reductie van Groningen. Zij betekende een beslissende verandering in de politieke en religieuze verhoudingen. De katholieke kloosters verloren hun oude positie binnen het openbare kerkelijke en bestuurlijke leven.

Voor de geschiedenis van de venen was vooral van belang wat er met hun bezittingen gebeurde. De gronden, boerderijen, rechten en inkomsten verdwenen niet toen de kloostergemeenschappen hun oude positie verloren. Zij moesten voortaan onder nieuw gezag worden beheerd. Daarmee ontstond een omvangrijke bestuurlijke opgave. De nieuwe machthebbers moesten vaststellen welke goederen tot de voormalige kloosters hadden behoord en welke verplichtingen aan die bezittingen waren verbonden.

De Reductie maakte niet onmiddellijk een einde aan de dagelijkse werkzaamheden op alle kloostergoederen. Boeren bleven hun land bewerken en pachters konden verplichtingen blijven hebben. Ook de turfwinning kon doorgaan waar daarvoor rechten en arbeidskrachten beschikbaar waren. De verandering lag vooral in de vraag wie de inkomsten ontving en wie bevoegd was beslissingen over de goederen te nemen. Daarmee verschoof de macht van religieuze instellingen naar wereldlijke bestuurders.

Het onderzoek naar de kloostergoederen in 1595

In de eerdere projectdocumentatie wordt voor 11 april 1595 een opdracht genoemd aan Taeko Haringius en Johan Clant om voormalige kloostervenen en bossen te onderzoeken. De oorspronkelijke opdracht moet nog worden gecontroleerd om de precieze formulering en bevoegdheden vast te stellen.

Het onderzoek naar de voormalige kloostergoederen was noodzakelijk omdat de nieuwe bestuurders inzicht moesten krijgen in het bezit dat onder hun gezag was gekomen. Zij moesten weten waar de gronden lagen, wie ze gebruikte en welke inkomsten konden worden verwacht. Daarbij ging het niet uitsluitend om landbouwgronden. Ook venen, bossen en andere bezittingen konden economische waarde hebben.

De inventarisatie bracht een andere vorm van administratie met zich mee. Waar de kloosters vroeger hun eigen inkomsten hadden beheerd, moesten wereldlijke functionarissen nu vaststellen welke rechten bestonden en hoe deze konden worden uitgevoerd. De overgang naar nieuw bestuur was daardoor niet alleen een politieke gebeurtenis, maar ook een proces van onderzoek, registratie en financiële controle.

Everswolde en de voortzetting van de turfwinning

De voormalige bezittingen van Aduard bij Everswolde bleven na 1594 economisch van betekenis. De grond was niet minder waardevol geworden doordat het klooster zijn oude positie had verloren. Het gebied bevatte nog altijd landbouwgronden, venen en mogelijkheden voor het gebruik van de opbrengsten. Het nieuwe bestuur had daarom belang bij voortzetting van de inkomsten.

In de rekeningen van 1595 en 1596 komen gegevens voor over turfwinning en vervoer. Volgens de eerdere reconstructie worden 352 schuitladingen en meer dan 922 gulden aan vervoersbetalingen genoemd. Daarnaast verschijnt een hoeveelheid van 55½ schuiten in verband met Everswolde, Wolfsbarge en Selwerd. Deze cijfers moeten rechtstreeks aan de rekeningen worden getoetst voordat zij als definitieve totalen worden gebruikt.

De vermeldingen tonen dat turf niet uitsluitend als een plaatselijk product werd beschouwd. De brandstof werd gewonnen, verzameld, vervoerd en financieel verantwoord. De administratie maakte zichtbaar welke hoeveelheden werden geleverd en welke kosten daarmee verbonden waren. Daardoor kunnen de rekeningen helpen om de economische organisatie achter de turfwinning beter te begrijpen.

De arbeiders en vervoerders in de administratie

De rekeningen noemen verschillende personen die betrokken waren bij de winning en aflevering van turf. Johan Jansen, ook Klein genoemd, verschijnt in de eerdere reconstructie met een vergoeding van ongeveer viereneenhalve tot vijf daalders per schuitlading voor het graven en afleveren van turf aan de sloot.

Deze vermelding is belangrijk omdat zij een deel van de arbeid zichtbaar maakt die in oudere kloosteroorkonden vaak ontbreekt. De turf moest worden gestoken, gedroogd en naar een plaats worden gebracht waar vervoer mogelijk was. Pas daarna kon een schuit worden geladen. De vergoeding voor het werk laat zien dat de economische waarde van turf niet uitsluitend in de grond zelf lag. Arbeid en vervoer waren noodzakelijke onderdelen van de productie.

Ook Drewes Classen komt in de administratie voor. Volgens de eerdere reconstructie verkocht hij vijf schuiten turf tegen vier daalders per schuit. Jan Möller en Hanssien van Borger worden als kopers genoemd. De precieze voorwaarden moeten nog uit de oorspronkelijke rekening worden vastgesteld. De vermelding laat zien dat turf niet uitsluitend als pacht of verplichte levering werd afgedragen, maar ook afzonderlijk kon worden verkocht.

Armoede onder de gebruikers van het veen

De administratie toont niet alleen inkomsten en betalingen. Zij maakt ook duidelijk dat sommige gebruikers moeite hadden om aan hun verplichtingen te voldoen. Otto Reniers kreeg volgens de eerdere reconstructie zijn verplichting teruggebracht van vier schuiten tot maximaal één wegens armoede. Drewes Classen kreeg in een afzonderlijke post een vermindering van drie naar twee schuiten.

Roeleff Classen wordt eveneens genoemd. Zijn verplichting werd volgens de eerdere gegevens verminderd van vijf naar vier schuiten wegens lasten en belastingen. De oorspronkelijke rekeningen moeten de precieze omstandigheden bevestigen. De vermeldingen zijn belangrijk omdat zij laten zien dat de economische verhoudingen in het veen niet voor iedereen gelijk waren. Grondbezitters en bestuurders konden inkomsten verwachten, terwijl gebruikers met schulden, belastingen en tegenvallende opbrengsten werden geconfronteerd.

De vermindering van verplichtingen betekende niet noodzakelijk dat de betrokkenen volledig van hun lasten werden bevrijd. Zij moesten nog altijd aan bepaalde voorwaarden voldoen. Toch laten de posten zien dat het bestuur rekening kon houden met de financiële draagkracht van afzonderlijke gebruikers. Daarmee verschijnen de pachters niet uitsluitend als namen in een goederenregister, maar als mensen wier bestaan afhankelijk was van de opbrengst van hun arbeid.

Wolfsbarge en de voormalige kloostergronden

Bij Wolfsbarge worden Albert Alberts, Hindrick Harmens, Johan Lens en Evert Reiners genoemd in verband met voormalige kloostergronden. Hun afzonderlijke rechten en verplichtingen moeten uit de oorspronkelijke administratie worden vastgesteld.

De namen zijn van belang omdat zij de overgang van kloosterlijk naar wereldlijk beheer concreet maken. Het nieuwe bestuur erfde niet alleen gronden, maar ook bestaande verhoudingen met pachters en andere gebruikers. De mensen die de venen gebruikten, bleven onderdeel van het economische systeem. Voor hen veranderde mogelijk de persoon of instelling aan wie zij verantwoording moesten afleggen, terwijl het dagelijkse werk in het veen kon doorgaan.

Wolfsbarge lag bovendien in een gebied waar de verbinding met de Hunze van betekenis was. De precieze routes en laadplaatsen moeten afzonderlijk worden onderzocht. Het is niet voldoende te weten dat turf werd gewonnen en per schuit werd vervoerd. Ook moet worden vastgesteld waar de ladingen werden verzameld, welke watergangen werden gebruikt en wie verantwoordelijk was voor het vervoer.

De financiële waarde van de turf

In de eerdere administratie wordt voor Everswolde een bedrag van 252,75 gulden genoemd. Daarnaast komt een percentage van 27,3 voor. De exacte berekeningsgrondslag is nog niet vastgesteld. Daarom kan het percentage niet zonder meer worden gepresenteerd als het aandeel van de vervoerskosten in de totale opbrengst.

De gegevens maken wel duidelijk dat de financiële kant van de turfwinning afzonderlijk moet worden onderzocht. Het winnen van turf bracht arbeidskosten met zich mee. Daarna volgden kosten voor het vervoer naar een laadplaats en mogelijk voor verdere verscheping. Ook konden er verplichtingen bestaan tegenover de eigenaar of beheerder van de grond. De uiteindelijke opbrengst hing daardoor af van meer dan alleen de hoeveelheid gestoken turf.

De oude kloosterrechten onder nieuw bestuur

Na 1594 moesten de nieuwe bestuurders rekening houden met rechten die soms eeuwen eerder waren ontstaan. De overeenkomsten tussen Aduard en de buren van Zuidlaren uit de dertiende eeuw vormden een deel van die oudere geschiedenis. Ook pachtcontracten en andere verplichtingen konden nog betekenis hebben.

De overgang naar wereldlijk beheer betekende niet automatisch dat alle oude overeenkomsten ongeldig werden. Het bestuur moest vaststellen welke rechten waren blijven bestaan en hoe zij moesten worden toegepast. Daardoor bleef de juridische geschiedenis van de kloosters van belang, zelfs nadat hun religieuze organisatie was verdwenen. De grond had een nieuwe beheerder gekregen, maar het verleden van de bezittingen kon niet eenvoudig worden uitgewist.

Het Staatboek en de latere verdeling

De bestuurlijke afwikkeling van de voormalige kloostergoederen ging na 1600 verder. In het eerdere onderzoek kwam het artikel over het Staatboek uit 2004 naar voren, verbonden met Redmer Alma. Daarin worden gegevens genoemd over het beheer en de latere verdeling van inkomsten en goederen.

Voor de periode 1595–1617 wordt provinciaal beheer genoemd. Vervolgens komt een regeling van 21 maart 1617 voor, waarin jaarlijks 5.000 gulden voor Stad en Ommelanden wordt vermeld. Op 30 april 1618 volgde volgens de eerdere reconstructie een nadere verdeling. De oorspronkelijke documenten moeten de precieze juridische en financiële betekenis bevestigen.

Deze gebeurtenissen liggen buiten de einddatum van het verhaal, maar maken duidelijk dat de gevolgen van de Reductie langdurig waren. De voormalige kloostergoederen bleven onderwerp van bestuurlijke en financiële afspraken. De bezittingen die religieuze instellingen gedurende eeuwen hadden opgebouwd, werden onderdeel van een nieuwe politieke en economische orde.

Het verdwenen klooster en het blijvende landschap

Omstreeks 1600 was de positie van de katholieke kloosters in Groningen ingrijpend veranderd. Aduard had zijn oude gebouwen en bestuurlijke macht verloren. Andere religieuze instellingen waren eveneens hun vroegere positie kwijtgeraakt. Hun goederen kwamen onder nieuw beheer en de inkomsten werden opnieuw georganiseerd.

Het landschap veranderde echter niet van de ene dag op de andere. De venen van het Oostermoer lagen nog altijd ten oosten van de Hondsrug. De Hunze bleef een belangrijke waterloop en de bewoners van de dorpen bleven afhankelijk van hun gronden en rechten. Ook de voormalige kloostergoederen behielden economische betekenis. De turfwinning kon doorgaan, terwijl de inkomsten voortaan onder een andere vorm van bestuur vielen.

De geschiedenis van Aduard en de andere kloosters eindigde daarom niet eenvoudig met de sluiting van hun gebouwen. Hun invloed bleef zichtbaar in grondbezit, oude overeenkomsten, waterwerken en administratieve verplichtingen. De oorlog had de religieuze instellingen ontwricht, maar de economische verhoudingen die zij gedurende eeuwen hadden helpen vormen, bleven bestaan. Daarmee vormde de periode tussen 1568 en 1600 een beslissende overgang in de geschiedenis van de Noord-Nederlandse venen: van kloosterlijke macht naar wereldlijk beheer, zonder dat de strijd om grond, arbeid, water en inkomsten daarmee voorbij was.

Kropswolde — Van kloosterbezit en veengronden tot turfvaart en de strijd om grond, water en macht (1215–1600)

Een dorp tussen zand, water en veen

De geschiedenis van Kropswolde begint niet bij de stichting van een klooster of bij de eerste turfhandelaar. Zij begint in een landschap waarin de mogelijkheden voor bewoning, landbouw en vervoer sterk werden bepaald door de bodem. Kropswolde lag op een hogere zandstrook aan de rand van het Hunzedal. Ten westen daarvan bevonden zich de hogere gronden richting Haren en de Hondsrug. Naar het oosten lagen lagere, natte gronden, oude waterlopen en veengebieden. Deze verschillen in hoogte maakten het mogelijk op betrekkelijk droge grond te wonen, terwijl de omliggende gebieden werden gebruikt voor landbouw, beweiding, hooiwinning en brandstofvoorziening.

De Hunze vormde een belangrijke waterloop in dit landschap. Zij voerde water af uit Drenthe en bood mogelijkheden voor vervoer naar het noorden. De rivier was echter geen onveranderlijke lijn door het landschap. Oude geulen, natte laagten en veranderingen in de afwatering bepaalden hoe de omgeving zich ontwikkelde. Voor de middeleeuwse bewoners was dat van direct belang. Grond kon alleen duurzaam worden gebruikt wanneer het water voldoende werd beheerst. Tegelijk konden veranderingen in de afwatering gevolgen hebben voor aangrenzende percelen. Wie een sloot groef of een watergang afdamde, beïnvloedde daardoor mogelijk ook de belangen van anderen.

Kropswolde lag niet geïsoleerd. In de omgeving bevonden zich Wolfsbarge, Noordlaren, Onnen en andere nederzettingen die ieder een eigen verhouding hadden tot de hogere gronden en het natte Hunzegebied. Verderop lagen Foxhol en de omgeving van het latere Foxholstermeer. Voor de reconstructie van de middeleeuwse situatie moeten deze plaatsen niet zonder meer worden verbonden door het huidige wegen- en waternet. Veel watergangen en landschappelijke grenzen veranderden in latere eeuwen. Toch is de samenhang tussen de nederzettingen van belang, omdat landbouwgrond, veen, water en mogelijke vervoersroutes niet bij de grenzen van één dorp ophielden.

De boeren vóór de uitbreiding van het kloosterbezit

Voordat de bezittingen van klooster Yesse bij Kropswolde in de schriftelijke bronnen verschijnen, werd het landschap al door bewoners gebruikt. Zij beschikten over landbouwgronden, weiden en mogelijkheden om natuurlijke hulpbronnen te benutten. Welke families in de eerste helft van de dertiende eeuw de afzonderlijke percelen bezaten, is met de nu beschikbare gegevens niet volledig vast te stellen. Evenmin kunnen alle rechten van de plaatselijke gemeenschap nauwkeurig worden gereconstrueerd. Dat betekent niet dat de grond onbeheerd of zonder aanspraken was. Kloosters verwierven hun bezit in een landschap waarin al mensen woonden en werkten.

Voor het begrijpen van de latere conflicten is het noodzakelijk verschillende rechten uit elkaar te houden. Eigendom van een perceel betekende niet automatisch dat alle gebruiksrechten van anderen verdwenen. Een boer kon grond gebruiken op basis van een bestaande afspraak, terwijl een klooster recht had op bepaalde inkomsten. Ook kon een instelling aanspraak hebben op een hoeveelheid turf zonder zelf de eigenaar te zijn van iedere plaats waar die brandstof werd gewonnen. Hetzelfde gold voor water. Een doorgang over een watergang en het eigendom van de aangrenzende grond waren niet noodzakelijk in dezelfde handen.

De verhouding tussen boeren en kloosters moet daarom niet worden voorgesteld als een eenvoudige overgang waarbij het klooster alle macht overnam. Grond kon worden geschonken, verkocht of onder voorwaarden overgedragen. Bestaande gebruikers konden blijven werken, maar kregen mogelijk andere verplichtingen. Voor bewoners betekende dit dat zij te maken konden krijgen met nieuwe ontvangers van pacht of andere leveringen. Voor het klooster betekende bezit dat het inkomsten kon ontvangen, maar ook dat het afspraken moest maken over beheer, onderhoud en gebruik.

De stichting van Yesse in 1215

In 1215 werd bij Essen, ten zuiden van Groningen, het vrouwenklooster Yesse gesticht. Het behoorde tot de cisterciënzer traditie. De kloostergemeenschap richtte zich op het religieuze leven, maar kon alleen blijven bestaan wanneer haar dagelijkse materiële behoeften werden vervuld. Er moest voedsel worden geproduceerd of ontvangen. Gebouwen moesten worden onderhouden. Voor verwarming, koken en andere werkzaamheden was brandstof nodig. De vrouwen die in het klooster leefden, waren daardoor afhankelijk van een economische organisatie die zich buiten de kloostermuren uitstrekte.

Het bezit van verspreide landerijen was voor middeleeuwse kloosters een manier om die behoeften te dekken. Een klooster kon akkers, weilanden, bossen, veengronden en rechten op inkomsten bezitten. De opbrengsten hoefden niet allemaal rechtstreeks naar de kloostergebouwen te worden gebracht. Sommige konden worden verkocht of gebruikt om andere goederen te verkrijgen. De organisatie van dit bezit vereiste administratie en contacten met boeren, pachters en beheerders. De economische geschiedenis van Yesse is daardoor ook een geschiedenis van mensen die niet tot de kloostergemeenschap zelf behoorden.

Volgens de eerdere onderzoeksgegevens bezat Yesse al vóór 1249 gronden bij Kropswolde, waaronder veengronden. Dat is een belangrijk gegeven voor de geschiedenis van de turfvaart. Het laat zien dat de economische belangstelling voor het veen bij Kropswolde veel ouder was dan de grootschalige commerciële verveningen van de zeventiende eeuw. De oorspronkelijke verwervingsakten zijn echter niet allemaal opnieuw gecontroleerd. Daardoor is nog niet vast te stellen hoeveel grond Yesse in deze eerste periode bezat, welke percelen daadwerkelijk veen bevatten en hoeveel turf er werd gewonnen.

Het Ebedingher Goet en de eerste grondtransacties

In de onderzoeksnotities over de jaren 1245–1249 komt het Ebedingher Goet naar voren. Daarbij worden de namen Alfgerdis, Occo en Gerhardus genoemd. De precieze rol van deze personen in de betreffende rechtshandelingen moet nog uit de oorspronkelijke oorkonden worden vastgesteld. Zij kunnen daarom niet zonder meer als schenkers, verkopers of familieleden worden aangeduid. Hun namen zijn niettemin belangrijk, omdat zij laten zien dat de bezitsgeschiedenis van Yesse bij Kropswolde verbonden was met concrete personen en niet uitsluitend met anonieme overdrachten.

Rond 1249 wordt daarnaast een geschil genoemd dat verband hield met ontginning en rechten in de omgeving van Kropswolde. De eerdere reconstructie verwijst daarbij naar het gebruik van gronden en naar wierden of verhogingen in het landschap. Zonder de volledige akte kan niet worden vastgesteld welke aanspraken tegenover elkaar stonden. De gebeurtenis maakt wel duidelijk welke vragen bij het gebruik van natte gronden konden ontstaan. Ontginning veranderde de afwatering en kon gevolgen hebben voor beweiding, bereikbaarheid en het gebruik van aangrenzende percelen.

Voor het klooster betekende grondverwerving niet dat de exploitatie onmiddellijk kon beginnen. Wanneer een perceel nat of moeilijk bereikbaar was, moesten er mogelijk werkzaamheden worden verricht voordat het voldoende opbrengst opleverde. Sloten, wegen en toegangen tot watergangen konden daarbij van belang zijn. Welke werken Yesse vóór 1250 daadwerkelijk liet uitvoeren, is niet vastgesteld. Het zou daarom onjuist zijn om op basis van grondbezit meteen een omvangrijk turfbedrijf met vaste transportverbindingen te veronderstellen. De eerste oorkonden tonen vooral de ontwikkeling van bezit en rechten.

Rottum en Yesse in hetzelfde landschap

Yesse was niet de enige religieuze instelling die rechten bij Kropswolde had. Ook het klooster Rottum verschijnt in de overgeleverde bezitsgeschiedenis. Voor 1268 wordt in de eerdere onderzoeksnotities een overdracht of geschil tussen beide kloosters genoemd. Daarbij is verwezen naar een oorkonde uit het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe. De precieze inhoud is nog niet opnieuw gecontroleerd. Daardoor blijft onduidelijk welke percelen, inkomsten of rechten op dat moment onderwerp van de overeenkomst waren.

De aanwezigheid van twee kloosters in dezelfde omgeving maakt de geschiedenis ingewikkelder. Hun bezittingen hoeven niet aaneengesloten te hebben gelegen. Bovendien konden zij verschillende soorten rechten bezitten. Yesse kon belang hebben bij grond en brandstof, terwijl Rottum daarnaast of op andere plaatsen kerkelijke inkomsten ontving. Het is ook mogelijk dat afzonderlijke rechten in de loop van de tijd tussen instellingen werden overgedragen. De geschiedenis van Kropswolde mag daarom niet worden geschreven alsof het hele dorp eenvoudigweg aan Yesse of Rottum toebehoorde.

Een verwijzing naar 1276 komt eveneens in de eerdere onderzoeksnotities voor. De inhoud van die vermelding is op dit moment onvoldoende duidelijk om haar als afzonderlijke gebeurtenis uit te werken. Zij blijft daarom een aanknopingspunt voor verdere controle. Dat is belangrijker dan een ontbrekende oorkonde op te vullen met een veronderstelde schenking of overdracht. Voor de ontwikkeling van het kloosterbezit moet uiteindelijk uit iedere akte blijken welke partij handelde, welke goederen of rechten betrokken waren en welke verplichtingen uit de overeenkomst voortkwamen.

De overeenkomst van 1291

Een van de meest concrete transacties uit de eerdere reconstructie dateert van 5 juli 1291. Volgens de onderzoeksgegevens ging het om bezittingen die werden aangeduid als de Virge en een twaalfde deel van Salmewere, gelegen bij Crepeswolde. Bij de overeenkomst wordt een bedrag van 72 mark sterling genoemd. Ook de namen Hermannus Butzel en Ludolfus Sickinge komen in verband met deze transactie voor. De precieze functie van beide personen en de juridische formulering van de akte moeten nog worden gecontroleerd.

Het genoemde bedrag laat zien dat grond en bijbehorende rechten een aanzienlijke geldelijke waarde konden vertegenwoordigen. Voor een klooster betekende verwerving van dergelijke goederen een investering in toekomstige opbrengsten. De waarde kon samenhangen met landbouwgebruik, inkomsten uit pacht of de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen. Welke factoren bij deze specifieke transactie doorslaggevend waren, is nog niet vastgesteld. Het zou daarom te ver gaan om de volledige koopsom uitsluitend aan de aanwezigheid van turf toe te schrijven.

In de eerdere onderzoeksnotities wordt bij deze overeenkomst ook een bepaling over vrije vaart genoemd. Als die lezing juist is, kan de akte een belangrijke verbinding leggen tussen grondbezit en vervoer. Een klooster met verspreide bezittingen had belang bij de mogelijkheid goederen af te voeren. Dat gold voor landbouwproducten en mogelijk ook voor turf. Zolang de oorspronkelijke tekst niet is gecontroleerd, blijft echter onduidelijk wie het vaarrecht bezat, over welke watergang het ging en of de bepaling daadwerkelijk op turftransport betrekking had.

Juist deze onzekerheid maakt de akte van 1291 belangrijk voor het vervolgonderzoek. Zij kan mogelijk duidelijk maken of Yesse bij de verwerving van grond ook toegang tot een vaarroute veiligstelde. Daarmee zou de geschiedenis van het kloosterbezit rechtstreeks verbonden worden met de oudste organisatie van het vervoer. Voorlopig kan alleen worden vastgesteld dat de eerdere reconstructie een transactie met een concrete geldsom, verschillende betrokken personen en een mogelijk vervoersrecht noemt. De verdere betekenis moet aan de oorspronkelijke oorkonde worden getoetst.

De uithof van Yesse bij Kropswolde

In het eerdere onderzoek wordt een uithof van Yesse bij Kropswolde genoemd. Een dergelijke buitenbezitting kon dienen voor het beheer van landerijen die op afstand van het klooster lagen. Vanuit een uithof konden opbrengsten worden verzameld en werkzaamheden worden georganiseerd. De beschikbare gegevens geven echter nog geen volledig beeld van de gebouwen, de bewoners of het personeel van de uithof bij Kropswolde. Ook is niet vastgesteld of de organisatie gedurende de gehele dertiende tot zestiende eeuw dezelfde bleef.

Voor de turfgeschiedenis is de mogelijke aanwezigheid van een uithof van grote betekenis. Wanneer een klooster over verspreide veengronden beschikte, moest het afspraken maken over de winning, de opslag en de aflevering van brandstof. Het is aannemelijk dat beheer en toezicht daarbij een rol speelden, maar de precieze organisatie bij Yesse moet uit rekeningen en andere documenten blijken. Zonder zulke gegevens kunnen geen aantallen turfgravers, vaste arbeidsploegen of jaarlijkse productiehoeveelheden worden genoemd.

De uithof kan bovendien niet uitsluitend als een turfbedrijf worden beschouwd. Kloosterbezit omvatte verschillende soorten grond en opbrengsten. Landbouw, veeteelt en mogelijk bosgebruik konden naast de exploitatie van veen bestaan. De economische betekenis van de uithof moet daarom vanuit het volledige grondbezit worden onderzocht. Een veenperceel dat in een oorkonde wordt genoemd, bewijst niet dat alle werkzaamheden van de uithof op turfwinning waren gericht.

De Hunze en de strijd om het water

De Hunze was voor Kropswolde van betekenis als waterloop en als mogelijke vervoersverbinding. Haar functie werd echter mede bepaald door het beheer van het omliggende landschap. Ontginning en afwatering konden de waterstand beïnvloeden. Een watergang die voor de ene gebruiker noodzakelijk was om overtollig water af te voeren, kon voor een ander van belang zijn om goederen te vervoeren. Daardoor konden verschillende belangen ontstaan rond hetzelfde water.

In de onderzoeksnotities wordt voor 1309 bemiddeling genoemd over rechten op de Hunze. De precieze betrokken partijen zijn nog niet vastgesteld. Het gegeven vormt wel een aanwijzing dat het gebruik van water niet uitsluitend een technische aangelegenheid was. Er konden afspraken nodig zijn over toegang, onderhoud en de gevolgen van ingrepen in de waterhuishouding. Voor kloosters met verspreide bezittingen waren zulke afspraken belangrijk, omdat de bruikbaarheid van grond mede afhing van het waterbeheer.

Volgens de eerdere reconstructie was abdis Jutta van Yesse in 1323 betrokken bij afspraken over waterwerken. Daarbij worden ook garanties of borgstellingen genoemd. De oorspronkelijke akte moet nog duidelijk maken welke verplichtingen precies werden aangegaan. De vermelding laat zien dat het kloosterbestuur betrokken kon zijn bij regelingen die buiten het eigen terrein gevolgen hadden. Waterbeheer vereiste immers niet alleen arbeid, maar ook afspraken over de verantwoordelijkheid voor toekomstige werkzaamheden.

In 1332 worden daarnaast zijlen bij Gronenburg en Mude genoemd. Een zijl regelde de afvoer van water en kon daardoor van groot belang zijn voor de omliggende gronden. Voor het verhaal over de turfvaart moet echter onderscheid worden gemaakt tussen een waterwerk voor afwatering en een voorziening die ook voor scheepvaart geschikt was. Niet iedere zijl bood doorgang aan schuiten. De aanwezigheid van een zijl bewijst daarom niet automatisch dat er een bevaarbare route voor turf bestond.

Agneza en de zesduizend turven van 1332

In 1332 verschijnt een van de meest concrete gegevens over turf uit Kropswolde. Volgens de eerdere onderzoeksgegevens had Agneza, afkomstig uit een Groningse familie, recht op een jaarlijkse levering van 6.000 turven uit Kropswolde. Dit aantal is belangrijk omdat het een nauwkeurig omschreven aanspraak op brandstof betreft. Het gaat niet om een algemene schatting van de turfproductie van het dorp. Evenmin mag zonder aanvullend bewijs worden aangenomen dat de levering aan Yesse was bestemd.

De jaarlijkse verplichting maakt duidelijk dat turf al in de veertiende eeuw een economische waarde had die in concrete aantallen kon worden vastgelegd. Om aan zo'n verplichting te voldoen, moest de brandstof beschikbaar zijn. Daarvoor waren mensen nodig die turf wonnen, verzamelden en afleverden. De oorkonde noemt echter niet noodzakelijk de arbeiders die dit werk uitvoerden. Hun aanwezigheid kan uit de aard van de levering worden afgeleid, maar hun namen, beloning en arbeidsomstandigheden zijn hiermee nog niet bekend.

De vermelding van Agneza verbindt Kropswolde met een Groningse rechthebbende. Daarmee wordt zichtbaar dat de economische betekenis van het veen verder reikte dan het dorp zelf. Een aanspraak op brandstof kon deel uitmaken van de bezittingen of inkomsten van iemand die elders woonde. De oorspronkelijke akte moet nog duidelijk maken op welke grond Agneza het recht verkreeg en wie verantwoordelijk was voor de levering. Zonder die gegevens kan niet worden vastgesteld of het om een pachtverplichting, een voorbehouden recht of een andere regeling ging.

De 6.000 turven vormen ook een aanknopingspunt voor het onderzoek naar vervoer. Wanneer brandstof niet ter plaatse werd gebruikt, moest zij naar een andere bestemming worden gebracht. Dat kon over land of, wanneer de omstandigheden dat toelieten, over water. De beschikbare gegevens vermelden echter niet welke route voor deze levering werd gebruikt. De aanwezigheid van de Hunze in de omgeving maakt vervoer over water mogelijk, maar bewijst niet dat de turven van Agneza daadwerkelijk per schuit werden afgevoerd.

De wegen van Kropswolde

Voor het vervoer tussen Kropswolde, Essen en Groningen moet rekening worden gehouden met zowel landwegen als waterverbindingen. De hogere zandgronden boden mogelijkheden voor wegen die minder gevoelig waren voor langdurige wateroverlast dan routes door natte laagten. In de eerdere onderzoeksnotities wordt de Woldweg genoemd als een belangrijke historische verbinding. De precieze ouderdom en het verloop van afzonderlijke wegdelen moeten echter per periode worden onderzocht.

De verbinding met Essen is bijzonder relevant voor Yesse. Het klooster lag niet in Kropswolde zelf, maar had er volgens de onderzoeksgegevens wel bezittingen. Goederen en personen moesten zich daarom tussen verschillende locaties kunnen verplaatsen. Voor kleine hoeveelheden en dagelijks verkeer kon vervoer over land geschikt zijn. Voor grote hoeveelheden turf bood watervervoer mogelijk voordelen. Welke route het klooster daadwerkelijk gebruikte, kan niet uitsluitend uit de ligging van beide plaatsen worden afgeleid.

Wolfsbarge, Foxhol en De Groeve behoren eveneens tot het onderzoek naar de oude verbindingen. Deze plaatsen lagen in een gebied waar hogere gronden en waterlopen elkaar ontmoetten. Zulke overgangen konden belangrijk zijn voor het bereiken van natte percelen of voor het overladen van goederen. De beschikbare gegevens noemen echter geen volledig bewezen middeleeuwse transportroute die al deze plaatsen met elkaar verbond. De latere ontwikkeling van wegen en kanalen mag daarom niet zonder meer op de dertiende of veertiende eeuw worden teruggeprojecteerd.

De Schipsloot en de oude Hunzegeulen

De Schipsloot vormt een afzonderlijk onderzoeksonderwerp. In de eerdere chats werd deze watergang genoemd in verband met de kloostergronden bij Kropswolde en een mogelijke verbinding met de Hunze. Wanneer de sloot bevaarbaar was, zou zij een belangrijke functie kunnen hebben gehad bij het afvoeren van goederen. Maar de beschikbare gegevens geven nog geen zekerheid over de aanlegdatum, het oorspronkelijke verloop of de gebruikers van de watergang.

Dat onderscheid is noodzakelijk omdat het landschap door de eeuwen heen veranderde. Watergangen konden worden verbreed, verlegd, gedempt of opnieuw gegraven. Een sloot die op een latere kaart als vaarweg herkenbaar is, hoeft niet in dezelfde vorm in de dertiende eeuw te hebben bestaan. Voor de geschiedenis van Yesse moet daarom worden vastgesteld welke waterverbindingen daadwerkelijk beschikbaar waren tijdens de verschillende fasen van het kloosterbezit.

Ook de oude Hunzegeulen verdienen aandacht. Zij kunnen helpen verklaren waarom bepaalde gronden moeilijk bereikbaar waren en andere juist gunstig lagen voor vervoer. Het Foxholstermeer en de Kropswolderbuitenpolder maken deel uit van dit landschappelijke onderzoek. De huidige inrichting van deze gebieden is echter het resultaat van een lange ontwikkeling. Voor een betrouwbare reconstructie moeten historische kaarten, bodemgegevens en de schriftelijke bronnen naast elkaar worden gelegd.

De economische betekenis van een veenperceel werd mede bepaald door de bereikbaarheid. Turf was een omvangrijke vracht. Wanneer arbeiders de brandstof over een grote afstand over land moesten verplaatsen, kon dat veel tijd en arbeid kosten. Een bruikbare waterverbinding kon het vervoer vergemakkelijken. Dit algemene verband is duidelijk, maar voor Kropswolde moet nog worden vastgesteld welke percelen daadwerkelijk aan bevaarbaar water lagen en waar eventuele laadplaatsen zich bevonden.

De arbeid achter de turfwinning

De vroege geschiedenis van de turfvaart is niet alleen een geschiedenis van kloosters en grondbezitters. Zij is ook een geschiedenis van arbeid. Turf moest worden gewonnen voordat iemand er rechten op kon laten gelden of inkomsten uit kon ontvangen. Afhankelijk van de omstandigheden moest het veen bereikbaar worden gemaakt en moest de gewonnen brandstof drogen voordat zij bruikbaar was. Daarna moest zij worden verzameld en naar de plaats van gebruik of vervoer worden gebracht.

Voor Kropswolde ontbreken uit de vroegste periode nog gedetailleerde gegevens over de arbeidsorganisatie. We weten niet hoeveel mensen Yesse bij de turfwinning inzette, of zij rechtstreeks voor het klooster werkten of als pachters verplicht waren turf af te dragen. Ook zijn hun lonen en arbeidsvoorwaarden niet vastgesteld. Het is daarom onjuist om zonder bewijs een volledig georganiseerd kloosterbedrijf met vaste aantallen turfgravers te beschrijven.

Wel maken de verschillende rechten en leveringsverplichtingen duidelijk dat de economische opbrengsten van het veen afhankelijk waren van menselijke arbeid. De zesduizend turven van Agneza moesten ergens vandaan komen. Pachtturf moest worden gewonnen voordat zij kon worden afgedragen. En wanneer turf naar Groningen werd vervoerd, waren daarvoor mensen en transportmiddelen nodig. De bronnen noemen vooral de rechthebbenden en de ontvangsten. De arbeiders blijven veel minder zichtbaar.

Kerkelijke rechten en de positie van Rottum

Naast de bezitsgeschiedenis van Yesse komen in de eerdere onderzoeksgegevens kerkelijke rechten bij Kropswolde voor. Voor 1341 en 1343 worden prebenden en inkomsten genoemd. In 1345 verschijnt volgens de onderzoeksnotities een pauselijke akte die verband hield met rechten van Rottum bij Kropswolde. De oorspronkelijke documenten zijn nog niet opnieuw gecontroleerd, zodat de precieze bevoegdheden en inkomsten niet volledig kunnen worden beschreven.

Voor het historische verhaal is het onderscheid tussen grondbezit en kerkelijke rechten essentieel. Een klooster kon inkomsten uit een kerk ontvangen zonder eigenaar te zijn van alle omliggende landbouw- of veengronden. Ook kon een instelling bevoegdheden hebben die betrekking hadden op geestelijken of religieuze diensten. Zulke rechten konden van groot belang zijn voor de plaatselijke machtsverhoudingen, maar zij waren niet hetzelfde als het recht om turf te winnen.

De aanwezigheid van Yesse en Rottum laat daardoor zien dat verschillende vormen van macht naast elkaar bestonden. Het ene klooster kon economische belangen hebben bij land en brandstof, terwijl het andere bepaalde kerkelijke aanspraken bezat. Wanneer deze rechten elkaar raakten, konden conflicten ontstaan. Om de geschiedenis nauwkeurig te reconstrueren, moeten de afzonderlijke oorkonden duidelijk maken welke instellingen op welk moment welke bevoegdheden hadden.

De Mariakapel en het conflict van 1415

In de vroege vijftiende eeuw wordt een conflict genoemd rond een Mariakapel die verband hield met de uithof van Yesse. Het jaar 1415 komt daarbij als belangrijk moment naar voren. Volgens de eerdere onderzoeksgegevens was er ook sprake van een jaarlijkse betaling van vier Groninger gulden, verdeeld over twee termijnen. De precieze grondslag van deze betaling en de betrokken partijen moeten nog uit de oorspronkelijke documenten worden vastgesteld.

De gebeurtenis is van belang omdat zij laat zien dat de aanwezigheid van Yesse bij Kropswolde niet uitsluitend economisch was. Een uithof met een kapel had ook een religieuze betekenis. De stichting of het gebruik van een kapel kon vragen oproepen over bevoegdheden van de bestaande parochie en de inkomsten die met religieuze diensten verbonden waren. Daarmee konden kloosterlijke en plaatselijke belangen tegenover elkaar komen te staan.

Het conflict mag niet zonder bewijs worden voorgesteld als een strijd om turf of veengrond. De beschikbare gegevens leggen dat verband niet rechtstreeks. Wel behoort de gebeurtenis tot dezelfde geschiedenis van bezit en rechten. Zij maakt zichtbaar dat een klooster in een dorp op verschillende manieren invloed kon uitoefenen: door grondbezit, economische verplichtingen en religieuze voorzieningen. Voor de bewoners van Kropswolde waren deze vormen van invloed niet noodzakelijk van elkaar gescheiden.

Groningen en het schuitenschuiversgilde

Terwijl kloosters en plaatselijke bewoners hun rechten op grond en water uitoefenden, ontwikkelde Groningen zich verder als handelscentrum. De stad had belang bij een regelmatige aanvoer van voedsel, brandstof en bouwmaterialen. Voor omvangrijke vrachten was vervoer over water aantrekkelijk. De Hunze en het Schuitendiep maakten deel uit van het netwerk dat het achterland met Groningen verbond. De bruikbaarheid van deze verbindingen hing af van waterstanden, onderhoud en de mogelijkheden om goederen te laden en te lossen.

In 1403 kreeg het Groninger schuitenschuiversgilde een gildebrief. Daarmee werd de positie van een beroepsgroep die goederen over water vervoerde formeel geregeld. De gildebrief was van betekenis voor de verhouding tussen stedelijke vervoerders en andere gebruikers van de waterwegen. Voor kloosters, boeren en andere grondbezitters kon de vraag wie mocht varen rechtstreeks invloed hebben op de kosten en mogelijkheden van het vervoer.

Het gilde beschikte echter niet noodzakelijk over een onbeperkt recht op alle vervoer. De historische regelingen kenden uitzonderingen. Voor Kropswolde en het omliggende Woldgebied wordt in de beschikbare projectdocumentatie een bijzondere vervoersperiode genoemd van 24 juni tot 11 november. De precieze formulering van deze uitzondering is nog niet vastgesteld. Daarom blijft onduidelijk welke goederen mochten worden vervoerd, wie van het recht gebruik kon maken en welke voorwaarden daarbij golden.

De uitzonderingsregeling is desondanks belangrijk. Zij laat zien dat stedelijke regels niet zonder meer alle plaatselijke aanspraken vervingen. Voor bewoners van het Woldgebied kon het behoud van oudere vervoersrechten economisch waardevol zijn. Het maakte mogelijk verschil of iemand zelf een vracht mocht vervoeren of daarvoor een erkende schuitenschuiver moest inschakelen. Om de gevolgen voor Kropswolde vast te stellen, moeten de gildebrief en de latere bepalingen afzonderlijk worden onderzocht.

De kwestie bij Vossehol in 1460

Voor 1460 wordt in de eerdere onderzoeksnotities een kwestie rond het vaarrecht bij Vossehol genoemd. De naam wordt in het onderzoek mogelijk verbonden met de omgeving van Foxhol. De oorspronkelijke akte is nog niet opnieuw gelezen. Daardoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld of het ging om een doorgangsrecht, een overeenkomst over het onderhoud van een watergang of een andere regeling.

Voor de geschiedenis van de turfvaart is de kwestie van belang omdat het bestaan van een watergang niet betekende dat iedereen er vrij gebruik van mocht maken. Een grondbezitter kon belang hebben bij de toegang tot de oevers of bij de doorgang van schepen. Een klooster dat goederen wilde vervoeren, kon daardoor afhankelijk zijn van afspraken met andere rechthebbenden. De juridische toegang tot het water was dus mogelijk even belangrijk als de fysieke aanwezigheid van een bevaarbare verbinding.

De overeenkomst van 1460 mag niet zonder bewijs worden samengevoegd met de mogelijke vaarbepaling uit 1291 of met de uitzonderingsrechten van het Woldgebied. Het kunnen afzonderlijke regelingen zijn geweest, met verschillende betrokken partijen en verschillende voorwaarden. Voor een nauwkeurige reconstructie moeten zij ieder in hun eigen historische context worden geplaatst.

De omvang van de bezittingen van Yesse

In de eerdere onderzoeksnotities wordt verwezen naar Siemens, die in 1962 een omvang van ongeveer 4.000 grazen aan bezittingen van Yesse binnen de parochie Kropswolde zou hebben genoemd. Het cijfer is belangrijk omdat het een indruk kan geven van de schaal waarop het klooster bij het dorp betrokken was. De oorspronkelijke berekening moet echter nog worden gecontroleerd. Bovendien mogen grazen niet zonder nadere toelichting als hectares worden weergegeven.

Het genoemde grondbezit kan verschillende soorten percelen hebben omvat. Niet iedere graas was noodzakelijk veengrond en niet alle veengrond was vanzelfsprekend geschikt voor turfwinning. Ook kunnen gronden op verschillende momenten zijn verworven. Daarom kan het cijfer niet worden gebruikt als een exacte maat voor de hoeveelheid turf die Yesse had kunnen produceren. Daarvoor zouden gegevens nodig zijn over de ligging, bodem en daadwerkelijke exploitatie van de afzonderlijke percelen.

De onderzoeksnotities spreken daarnaast over opstrekkende bezittingen. Dat maakt de ruimtelijke reconstructie belangrijk. Wanneer percelen zich vanaf hogere gronden in de richting van lagere gebieden uitstrekten, kon de bereikbaarheid sterk verschillen. Voor de exploitatie van veen waren wegen, sloten en aansluitingen op grotere watergangen van betekenis. Zonder een kaart van de historische bezittingen blijft onduidelijk hoe de verschillende percelen van Yesse zich verhielden tot de Hunze en de mogelijke vaarverbindingen.

De oorkonden van de vijftiende en zestiende eeuw

Voor de jaren 1444, 1482, 1493 en 1545 worden in de eerdere onderzoeksgegevens aanvullende oorkonden genoemd. De inhoud daarvan is nog niet volledig beschikbaar. Daardoor kan niet worden vastgesteld of zij betrekking hadden op aankopen, verkopen, verpachtingen of bevestigingen van bestaande rechten. Deze jaren moeten wel in het onderzoeksdossier behouden blijven, omdat zij mogelijk belangrijke veranderingen in het kloosterbezit zichtbaar maken.

Ook voor de periode 1545–1548 worden in de eerdere reconstructie gegevens over veengronden en waterwegen genoemd. Daarnaast verschijnt 1571 als mogelijk aanknopingspunt voor rechten op veen. Zonder de oorspronkelijke teksten kan niet worden vastgesteld welke betekenis deze vermeldingen voor Kropswolde hadden. Zij mogen daarom niet worden gebruikt om een ononderbroken uitbreiding van het bezit of een steeds grotere turfproductie te veronderstellen.

De opeenvolging van oorkonden laat vooral zien waar het onderzoek verder moet worden verdiept. Om de ontwikkeling van Yesse bij Kropswolde te begrijpen, is niet alleen van belang hoeveel grond het klooster bezat, maar ook hoe dat bezit veranderde. Een perceel kon worden overgedragen, een bestaande verplichting kon worden aangepast en een vervoersrecht kon opnieuw worden bevestigd. Pas wanneer die veranderingen afzonderlijk zijn vastgesteld, ontstaat een betrouwbaar beeld van de economische ontwikkeling.

De afnemers van turf

De turf die bij Kropswolde werd gewonnen, kon verschillende bestemmingen hebben. Een deel kan voor plaatselijk gebruik zijn bestemd. Ook kloosters hadden brandstof nodig. Daarnaast vormde Groningen een belangrijke mogelijke afzetmarkt. De stad telde huishoudens en ambachten waarvoor vuur noodzakelijk was. Brouwers, bakkers en andere bedrijven konden grote hoeveelheden brandstof gebruiken. De aanwezigheid van zulke afnemers verklaart waarom de verbinding tussen het veengebied en de stad economisch aantrekkelijk kon zijn.

Voor Kropswolde ontbreekt echter nog een volledige reeks gegevens waaruit blijkt welke afnemers rechtstreeks turf uit het dorp ontvingen. De levering aan Agneza in 1332 is een concreet aanknopingspunt, maar zegt niet waar alle andere gewonnen turf naartoe ging. Evenmin is vastgesteld welk aandeel van de productie door Yesse zelf werd gebruikt of werd verkocht. De algemene behoefte aan brandstof in Groningen mag daarom niet worden verward met bewezen leveringen uit Kropswolde.

De economische betekenis van het vervoer bleef niettemin groot. Turf had pas waarde voor een afnemer wanneer zij daadwerkelijk kon worden geleverd. Daarvoor waren toegankelijke wegen of watergangen, geschikte transportmiddelen en afspraken tussen betrokken partijen nodig. De geschiedenis van Kropswolde laat daardoor zien dat brandstofwinning en vervoer niet afzonderlijk kunnen worden begrepen. Het recht om veen te gebruiken was iets anders dan de mogelijkheid om de opbrengst naar een markt te brengen.

De laatste jaren van Yesse

In de zestiende eeuw veranderden de godsdienstige en politieke verhoudingen in Groningen en Drenthe ingrijpend. De Reformatie en de oorlog tastten de positie van katholieke instellingen aan. Voor Yesse betekende dit dat de kloostergemeenschap uiteindelijk haar oude plaats in de samenleving verloor. In de eerdere onderzoeksgegevens worden militairen op het kloosterterrein genoemd tijdens de laatste jaren van de gemeenschap. De precieze gebeurtenissen en hun gevolgen voor de bezittingen bij Kropswolde moeten nog afzonderlijk worden vastgesteld.

Het verdwijnen van de kloostergemeenschap betekende niet dat alle economische activiteiten op haar gronden ophielden. Pachters konden blijven werken en bestaande verplichtingen konden blijven bestaan. Het formele gezag over de bezittingen veranderde, maar de grond bleef dezelfde grond. De veenpercelen verloren hun economische betekenis niet doordat de instelling die ze eeuwenlang had beheerd, verdween. Juist deze continuïteit is belangrijk voor de geschiedenis van de turfwinning.

Voor de bewoners van Kropswolde kon de verandering betekenen dat zij voortaan met andere beheerders te maken kregen. Wie eerder pacht aan een klooster verschuldigd was, kon onder een nieuw bestuur komen te vallen. De beschikbare gegevens maken nog niet duidelijk hoe iedere individuele pachter deze overgang ervoer. Wel is zichtbaar dat de nieuwe bestuurders belang hadden bij een overzicht van de voormalige kloostergoederen en de inkomsten die daaruit voortkwamen.

De Reductie van Groningen in 1594

Op 22 juli 1594 veranderde de Reductie van Groningen de politieke en godsdienstige verhoudingen in de stad en de Ommelanden. De katholieke kloosterinstellingen verloren hun oude positie. Hun bezittingen kwamen onder een nieuwe bestuurlijke ordening te vallen. Voor de geschiedenis van Kropswolde was dit een belangrijk keerpunt, omdat de gronden die eerder bij religieuze instellingen hadden gehoord, voortaan op een andere manier werden beheerd.

De overgang moet niet worden voorgesteld als een plotseling einde van alle bestaande economische verhoudingen. De nieuwe machthebbers erfden niet alleen grond, maar ook een ingewikkeld geheel van rechten, verplichtingen en gebruikers. Om inkomsten te kunnen ontvangen, moesten zij weten welke bezittingen aanwezig waren en welke personen daar gebruik van maakten. De administratie van voormalige kloostergoederen werd daardoor een belangrijk middel om het nieuwe bestuur vorm te geven.

De betekenis van deze verandering lag niet alleen in het verlies van katholieke macht. Zij raakte ook de verhouding tussen grondbezitters en gebruikers. Waar eerder kloosterbestuurders aanspraak maakten op inkomsten, traden nu andere beheerders op. Voor turfwinning en landbouw kon dat gevolgen hebben voor de wijze waarop verplichtingen werden vastgelegd en gecontroleerd. Welke veranderingen in Kropswolde daadwerkelijk werden doorgevoerd, moet uit de rekeningen en besluiten blijken.

Het onderzoek van Haringius en Clant in 1595

Volgens de beschikbare projectdocumentatie kregen Taeko Haringius en Johan Clant op 11 april 1595 opdracht de voormalige kloostervenen en bossen te onderzoeken. Hun werkzaamheden moesten duidelijkheid verschaffen over bezittingen en opbrengsten die onder het nieuwe bestuur waren gekomen. Dit vormt een belangrijk aanknopingspunt voor de geschiedenis van Kropswolde en Wolfsbarge, omdat de administratie mogelijk gegevens bevat over de ligging van percelen, de gebruikers en de verschuldigde leveringen.

De opdracht laat zien dat de nieuwe bestuurders niet konden volstaan met de constatering dat kloostergoederen waren overgenomen. Zij moesten weten welke inkomsten daadwerkelijk beschikbaar waren. Daarvoor waren gegevens nodig over pachters en andere gebruikers. Bij veengronden kon het bovendien van belang zijn hoeveel turf moest worden afgedragen. De administratie biedt daardoor een mogelijkheid om mensen zichtbaar te maken die in de oudere oorkonden nauwelijks voorkomen.

Voor Wolfsbarge worden in de projectdocumentatie Albert Alberts, Hindrick Harmens, Johan Lens en Evert Reiners genoemd. Hun vermeldingen houden verband met het gebruik van voormalige kloostergronden en de levering van turf. De precieze verplichtingen van ieder van hen zijn nog niet opnieuw uit de oorspronkelijke rekeningen vastgesteld. Toch moeten hun namen in het onderzoeksdossier behouden blijven. Zij maken duidelijk dat de overgang naar nieuw beheer niet alleen een bestuurlijke gebeurtenis was, maar ook betrekking had op concrete gebruikers van de grond.

De pachtturf van 1595 en 1596

De administratie van 1595–1596 bevat volgens de eerdere onderzoeksgegevens ook informatie over pachtturf uit voormalige bezittingen van Yesse. Voor de interpretatie van deze gegevens is het noodzakelijk verschillende hoeveelheden uit elkaar te houden. De turf die een pachter moest afdragen, was niet noodzakelijk gelijk aan de hoeveelheid die hij won. Daarnaast kon turf worden gebruikt voor eigen behoeften of worden verkocht. De hoeveelheid die per schuit werd vervoerd, vormde weer een afzonderlijke categorie.

In de eerdere reconstructies worden pachtverplichtingen genoemd die in schuiten turf werden uitgedrukt. Ook komen aantallen en bedragen voor die betrekking hebben op vervoer en verkoop. Deze gegevens kunnen pas worden gebruikt voor een berekening van de productie van Kropswolde wanneer duidelijk is op welke percelen en personen zij betrekking hadden. Het zou onjuist zijn om alle geregistreerde schuitladingen automatisch aan Kropswolde toe te schrijven.

De beschikbare notities noemen daarnaast personen als Otto Reniers, Drewes Classen en Roeleff Classen in verband met het gebruik van voormalige kloostergronden. Ook komen Johan Jansen of Klein, Jan Möller en Hanssien van Borger voor in gegevens over prijzen en leveringen. De exacte onderlinge transacties en bedragen zijn nog niet volledig gecontroleerd. Daarom kunnen deze personen niet zonder voorbehoud in één doorlopende handelsketen worden geplaatst. Hun namen blijven wel belangrijk voor het verdere onderzoek naar de mensen achter de turfhandel.

Voor de jaren 1595–1596 worden in de eerdere onderzoeksgegevens ook bedragen voor vracht en aantallen schuitladingen genoemd. Daarbij is nog niet voldoende duidelijk welke cijfers betrekking hebben op het gehele beheerde gebied en welke uitsluitend op Kropswolde of Wolfsbarge. Een totaalbedrag voor vracht kan bijvoorbeeld verschillende herkomstplaatsen omvatten. Hetzelfde geldt voor een percentage dat in een rekening aan een bepaalde plaats is verbonden. Zonder de oorspronkelijke administratieve indeling kunnen deze cijfers niet verantwoord worden samengevoegd.

De overgang naar een nieuwe economische orde

Aan het einde van de zestiende eeuw waren de kloosters hun oude bestuurlijke positie kwijtgeraakt, maar de economische betekenis van hun voormalige gronden bleef bestaan. De nieuwe beheerders hadden belang bij inkomsten uit landbouw en veen. Pachters en andere gebruikers bleven afhankelijk van afspraken over het gebruik van grond. Voor het vervoer van turf bleven de ligging van waterwegen en de rechten op het gebruik daarvan belangrijk.

De geschiedenis van Kropswolde laat daardoor een overgang zien die zich over meerdere eeuwen had voorbereid. In de dertiende eeuw verwierf Yesse grond en rechten. In de veertiende eeuw komen concrete leveringen van turf in beeld. In de vijftiende eeuw werden de verhoudingen tussen kloosters, plaatselijke bewoners en stedelijke vervoerders mede bepaald door afzonderlijke regelingen. In de zestiende eeuw veranderde de politieke macht, maar bleef het landschap economisch waardevol.

Deze ontwikkeling moet niet worden voorgesteld als een rechte lijn naar steeds grotere commerciële productie. De beschikbare bronnen tonen daarvoor onvoldoende jaarlijkse cijfers. Zij laten wel zien dat grondbezit, turfleveringen, waterbeheer en vervoer al lang vóór de grote verveningscompagnieën met elkaar verbonden waren. Kropswolde was daarmee onderdeel van een oudere economische wereld waarin kloosters, boeren, stedelijke rechthebbenden en vervoerders ieder hun eigen belangen hadden.

Kropswolde rond 1600

Rond 1600 lag Kropswolde nog altijd op de overgang tussen hogere zandgronden, het Hunzedal en de veengebieden. Het dorp had een lange geschiedenis achter zich van landbouw, grondgebruik en contacten met religieuze instellingen. Yesse en Rottum hadden in verschillende perioden rechten en bezittingen bij Kropswolde gehad. De Hunze en de omliggende watergangen hadden invloed uitgeoefend op de mogelijkheden voor ontginning en vervoer. Groningen was uitgegroeid tot een belangrijk centrum voor de handel in goederen uit het achterland.

De belangrijkste verandering was dat de kloosterlijke macht niet langer op dezelfde wijze bestond. De voormalige kloostergoederen waren onderdeel geworden van een nieuwe bestuurlijke ordening. Toch bleven veel economische vragen dezelfde. Wie mocht de grond gebruiken? Welke leveringen waren verschuldigd? Wie betaalde voor het vervoer? En welke rechten golden op de waterwegen? De antwoorden op deze vragen bepaalden mede wie van de opbrengsten van het veen profiteerde.

De geschiedenis van Kropswolde tussen 1215 en 1600 is daarmee meer dan een plaatselijk verhaal over turf. Zij laat zien hoe een landschap werd gebruikt en hoe rechten daarop werden verdeeld, verdedigd en veranderd. De kloosters bezaten grond, maar waren afhankelijk van mensen die het werk uitvoerden. De stad had belang bij brandstof, maar moest rekening houden met bestaande vervoersrechten. De boeren en pachters gebruikten het land, maar stonden tegenover instellingen die aanspraak maakten op inkomsten.

De zesduizend turven van Agneza uit 1332, de grondtransactie van 1291, de conflicten over water en kerkelijke rechten en de administratie na 1594 behoren tot verschillende fasen van dezelfde geschiedenis. Zij tonen hoe grond, arbeid, geld, geloof en macht met elkaar verbonden waren. Toen het kloosterlijke bestuur verdween, verdwenen die belangen niet. De rechten veranderden van handen, maar het veen bleef een bron van brandstof, inkomsten en conflicten. Daarmee eindigt de middeleeuwse geschiedenis van Kropswolde niet in een breuk, maar in een overgang naar een nieuwe periode van beheer en exploitatie.

Het Hunzedal — De kloosters, de boeren en de strijd om grond en water (1200–1600)

Een rivier tussen twee werelden

Omstreeks 1200 stroomde de Hunze vanuit Drenthe naar het noorden, door een landschap dat sterk verschilde van het huidige. Ten westen van het rivierdal lag de Hondsrug, een langgerekte hoogte waarop dorpen, akkers en wegen een plaats hadden gevonden. Ten oosten ervan lagen lagere gronden en uitgestrekte venen. Tussen beide landschappen kronkelde de Hunze door een dal met natte graslanden en plaatselijk moerassige oevers. De rivier voerde water af, maar vormde ook een verbinding tussen het Drentse achterland en de omgeving van Groningen. Wie het gebied wilde gebruiken, moest rekening houden met de ligging van het water.

De bewoners van Annen, Eext, Gieten, Zuidlaren en Noordlaren leefden op de hogere zandgronden, waar akkers konden worden aangelegd en erven minder kwetsbaar waren voor hoge waterstanden. De lagere delen van het Hunzedal boden andere mogelijkheden. Daar lagen graslanden en natte gronden waarvan het gebruik afhankelijk was van de omstandigheden. Het landschap leverde verschillende hulpbronnen, maar niet ieder stuk grond was op dezelfde manier bruikbaar. Voor de bewoners betekende dit dat hun bestaan was verbonden met zowel de hogere zandgronden als de lager gelegen gebieden langs de rivier.

Het Hunzedal was geen scherpe grens tussen twee volledig gescheiden samenlevingen. Mensen gebruikten gronden op verschillende hoogten en hadden belang bij de toegang tot water, weiden en veengebieden. De rivier kon een hindernis zijn wanneer zij moest worden overgestoken, maar ook een hulpmiddel wanneer goederen langs het water konden worden verplaatst. Welke trajecten daadwerkelijk bevaarbaar waren, verschilde per periode. Het is daarom niet verantwoord om de gehele middeleeuwse Hunze zonder nader bewijs als een doorgaande vaarweg voor beladen turfschuiten te beschrijven.

Oostermoer en de rechten van de dorpen

Aan de oostelijke zijde van de Hondsrug lag het gebied dat met Oostermoer wordt verbonden. De bewoners van de dorpen op de zandgronden gebruikten akkers, heidevelden, bossen en lager gelegen gronden. De toegang tot zulke gebieden was economisch belangrijk. Niet iedere grondsoort had dezelfde waarde of functie. De akkers leverden voedsel, terwijl andere gronden konden worden gebruikt voor beweiding, brandstof en natuurlijke hulpbronnen.

De rechten op gemeenschappelijk gebruikte gronden werden in latere documenten zichtbaar in de organisatie van de Drentse marken. Deze organisatie ontwikkelde zich in de loop van de tijd. Daarom mogen de verhoudingen die uit zestiende-eeuwse markestukken bekend zijn niet zonder meer naar 1200 worden teruggeplaatst. Wel is duidelijk dat grondgebruik afhankelijk was van bestaande aanspraken en afspraken tussen gerechtigden. Een verandering in het bezit van grond betekende niet noodzakelijk dat alle oudere gebruiksrechten verdwenen.

Voor de geschiedenis van het Hunzedal is dit onderscheid belangrijk. Wanneer een klooster, een aanzienlijke familie of een andere eigenaar rechten op veengrond verwierf, moet worden onderzocht welke rechten daarmee werkelijk werden overgedragen. Het bezit van grond, het recht om turf te winnen en het recht om een watergang te gebruiken konden afzonderlijk geregeld zijn. De economische betekenis van een perceel werd daardoor niet alleen bepaald door de bodem, maar ook door de mogelijkheden om het te bereiken en te gebruiken.

De Hunze en de eerste economische verbindingen

De Hunze was vanouds belangrijk voor de afwatering van het Drentse achterland. Het water verzamelde zich in het stroomgebied en zocht zijn weg naar het noorden. Langs de rivier lagen gebieden waar de waterstand een grote invloed had op de mogelijkheden voor landbouw en bewoning. Wanneer het water hoog stond, konden lagere gronden moeilijk toegankelijk zijn. In drogere perioden veranderden die omstandigheden. Het gebruik van het landschap vroeg daarom om aanpassing aan de natuurlijke waterhuishouding.

Naast haar betekenis voor de afwatering bood de Hunze op geschikte trajecten mogelijkheden voor vervoer. De aanwezigheid van een rivier betekende echter niet dat alle plaatsen langs het dal rechtstreeks per schip bereikbaar waren. Ondiepten, bochten en waterstanden konden het gebruik beperken. Voor de geschiedenis van de vroege turfhandel moet daarom steeds worden vastgesteld welke verbindingen werkelijk bestonden en welke kleinere watergangen of landwegen nodig waren om goederen naar de rivier te brengen.

De ligging van de dorpen ten opzichte van het water was hierbij van betekenis. Zuidlaren en Noordlaren lagen op de hogere gronden, terwijl verder naar het noorden Kropswolde en Wolfsbarge verbonden waren met het landschap langs de Hunze. Tussen de nederzettingen lagen gronden die niet allemaal even gemakkelijk toegankelijk waren. De vraag hoe goederen werden vervoerd, kan daarom niet worden beantwoord zonder aandacht voor de oude wegen, sloten en waterlopen tussen de dorpen.

Yesse en de kloostergronden bij Kropswolde

In 1215 werd bij Essen, ten zuiden van Groningen, het vrouwenklooster Yesse gesticht. Het klooster ontwikkelde zich tot een religieuze gemeenschap met bezittingen buiten zijn eigen terrein. Daaronder bevonden zich gronden en rechten in de omgeving van Kropswolde. Daarmee kreeg Yesse economische belangen in het landschap langs de Hunze. Het klooster was voor zijn bestaan afhankelijk van voedsel, brandstof en inkomsten, terwijl het beheer van verspreide bezittingen contacten met plaatselijke bewoners noodzakelijk maakte.

De aanwezigheid van kloosterbezit bij Kropswolde betekent niet dat alle werkzaamheden rechtstreeks door de kloosterlingen werden uitgevoerd. Gronden konden door pachters of andere gebruikers worden bewerkt. Ook konden inkomsten voortkomen uit afzonderlijke rechten op opbrengsten. Het onderscheid tussen eigendom, gebruik en levering is daarom noodzakelijk. Een oorkonde die een bepaalde hoeveelheid turf of een jaarlijkse rente noemt, beschrijft niet automatisch de volledige exploitatie van een veengebied.

Voor Yesse was de ligging van de bezittingen van belang. Het klooster lag bij Haren, terwijl Kropswolde aan de andere zijde van het rivierlandschap lag. Om de gronden te beheren of opbrengsten te ontvangen, waren verbindingen nodig. Dat konden wegen of watergangen zijn, afhankelijk van de ligging van de betrokken percelen. De aanwezigheid van de Hunze maakt vervoer over water voorstelbaar, maar bewijst niet welke route in de dertiende eeuw daadwerkelijk werd gebruikt.

De rechten bij Crepeswolde in de dertiende eeuw

In de eerdere onderzoeken naar Kropswolde komen verschillende middeleeuwse documenten naar voren. Voor 1249, 1268 en 1291 worden bezittingen, rechten en geschillen genoemd waarbij klooster Yesse en andere rechthebbenden betrokken waren. Deze gegevens laten zien dat de omgeving van Crepeswolde, een historische naamvorm die met Kropswolde wordt verbonden, al vroeg onderdeel was van schriftelijk vastgelegde eigendoms- en gebruiksverhoudingen.

Voor 1291 wordt een overeenkomst genoemd over bezittingen die worden aangeduid als de Virge en een twaalfde deel van Salmewere. In de onderzoeksnotities staat daarbij een bedrag van 72 marken sterling. Ook de namen Hermannus Butzel en Ludolfus Sickinge komen voor. De oorspronkelijke oorkonde moet opnieuw worden gelezen om de precieze rollen van de betrokkenen en de inhoud van de transactie vast te stellen. Het bedrag en de genoemde rechten maken de overeenkomst tot een belangrijk aanknopingspunt voor verder onderzoek.

Bij deze gegevens wordt eveneens een bepaling over vrije vaart genoemd. Die vermelding kan van belang zijn voor de geschiedenis van de waterverbindingen, maar de betekenis staat nog niet vast. Het kan gaan om het gebruik van een watergang, een afwateringsrecht of een andere vorm van toegang. Zonder de oorspronkelijke tekst is het niet verantwoord om hieruit een vaste turfroute over de Hunze af te leiden. Juist dit onderscheid tussen aantoonbare rechten en mogelijke vervoersroutes moet in het verdere onderzoek behouden blijven.

Kropswolde, Wolfsbarge en de lage gronden

Kropswolde en Wolfsbarge lagen in een gebied waar de hogere gronden en de natte delen van het Hunzedal dicht bij elkaar kwamen. De bewoners konden verschillende soorten grond gebruiken, maar de bereikbaarheid daarvan was afhankelijk van wegen en watergangen. De nabijheid van de Hunze maakte de rivier belangrijk voor het landschap, terwijl kleinere sloten en afwateringen de plaatselijke omstandigheden beïnvloedden.

Het gebruik van veengronden kon gevolgen hebben voor de waterhuishouding. Wanneer veen werd ontwaterd, veranderde de toestand van de bodem. Afwatering maakte grond onder bepaalde omstandigheden beter bruikbaar, maar kon ook bodemdaling veroorzaken. Zulke veranderingen werkten door in de omgeving. Daardoor konden de belangen van verschillende grondgebruikers elkaar raken, vooral wanneer zij afhankelijk waren van dezelfde waterlopen.

Voor de geschiedenis van Kropswolde is het daarom niet voldoende om alleen te beschrijven wie veengrond bezat. Ook moet worden onderzocht hoe de gronden werden gebruikt en welke verbindingen beschikbaar waren. De historische kaarten uit latere eeuwen kunnen helpen om de ligging van percelen en watergangen te reconstrueren, maar moeten zorgvuldig worden vergeleken met de middeleeuwse documenten.

De stad Groningen en haar behoefte aan het achterland

Groningen groeide in de middeleeuwen uit tot een belangrijk handelscentrum. De stad ontving goederen uit de omliggende gebieden en verspreidde producten verder. Voor huishoudens en ambachten waren brandstof en bouwmaterialen noodzakelijk. Turf had daardoor economische betekenis, evenals hout, klei en bakstenen. De aanvoer van deze goederen was afhankelijk van wegen en waterverbindingen.

De belangen van de stad verschilden soms van die van de bewoners van het achterland. Groningen had belang bij regelmatige aanvoer en bruikbare verbindingen. Boeren en andere grondgebruikers wilden hun eigen gronden kunnen benutten en hadden behoefte aan goede afwatering. Kloosters moesten rekening houden met hun bezittingen en inkomsten. Wanneer een watergang werd aangepast of onderhouden, konden deze belangen elkaar beïnvloeden.

De groeiende betekenis van Groningen betekende niet dat de stad onmiddellijk over alle waterwegen en gronden kon beschikken. Bestaande rechten bleven belangrijk. Juist daarom zijn overeenkomsten tussen dorpen, kloosters en andere rechthebbenden van betekenis. Zij maken zichtbaar dat het beheer van het landschap niet uitsluitend door één machtige partij werd bepaald.

Waterrechten en de afspraken van 1460

In de eerdere onderzoeksgegevens over Yesse en Kropswolde wordt voor 1460 een afspraak genoemd over het gebruik van sloten en het afvoeren van water. De oorspronkelijke akte is nog niet volledig gecontroleerd. Toch is de vermelding belangrijk, omdat zij rechtstreeks betrekking heeft op de rechten die nodig waren om gronden te gebruiken.

Een sloot kon dienen om water af te voeren, maar hoefde niet geschikt te zijn voor scheepvaart. Ook het recht om een watergang te gebruiken betekende niet noodzakelijk dat goederen er met een vaartuig konden worden vervoerd. Voor een betrouwbare geschiedenis van de Hunze moeten daarom de verschillende functies van watergangen afzonderlijk worden onderzocht.

De afspraken over sloten maken duidelijk dat het gebruik van grond afhankelijk kon zijn van rechten buiten het eigen perceel. Wanneer water over of langs de grond van een andere eigenaar moest worden afgevoerd, konden daarover afspraken noodzakelijk zijn. Zulke regelingen laten zien hoe het landschap werd beheerd door verschillende partijen met onderling verbonden belangen.

De onderhoudsregeling van 1473

Een belangrijk aanknopingspunt uit het eerdere archiefonderzoek is een onderhoudsregeling uit 1473. Volgens de onderzoeksnotities waren Westerbroek, Kropswolde, Wolfsbarge, Noordlaren, Onnen, Haren, Helpman en klooster Essen daarbij betrokken. De stukken worden verbonden met de Groninger Archieven, toegang 2100, inventarisnummers 219.1 en 219.2. De oorspronkelijke tekst moet nog worden gecontroleerd om de precieze verplichtingen vast te stellen.

De vermelding is van betekenis omdat zij verschillende dorpen en een klooster binnen één regeling samenbrengt. Dat wijst op belangen die verder reikten dan een afzonderlijke nederzetting. Wanneer meerdere gemeenschappen afhankelijk waren van dezelfde waterverbinding, konden werkzaamheden en onderhoud gezamenlijk moeten worden geregeld.

Het onderhoud van een watergang was een praktische aangelegenheid. Wanneer een verbinding onvoldoende werd onderhouden, kon dat gevolgen hebben voor de afwatering. Indien de watergang ook voor vervoer werd gebruikt, kon de bereikbaarheid eveneens worden beïnvloed. De overeenkomst uit 1473 biedt daarom een concreet uitgangspunt om de verhouding tussen plaatselijke gemeenschappen, kloosters en waterbeheer verder te onderzoeken.

De oude wegen langs de Hondsrug

Naast de waterwegen speelden landroutes een belangrijke rol. De hogere gronden van de Hondsrug boden mogelijkheden voor verkeer tussen de nederzettingen. Vanuit deze dorpen liepen verbindingen naar de lagere gebieden langs de Hunze. De ligging van zulke routes werd beïnvloed door hoogteverschillen, natte gronden en plaatsen waar water kon worden overgestoken.

Voor Kropswolde en Wolfsbarge is vooral de verhouding tot Haren, Onnen, Noordlaren en Zuidlaren van belang. Niet iedere weg was in alle seizoenen geschikt voor zwaar vervoer. De omstandigheden konden verschillen door regenval, de toestand van de bodem en het onderhoud van de route. Daarom moet per periode worden onderzocht welke verbindingen daadwerkelijk werden gebruikt.

De oude wegen maken duidelijk dat het Hunzedal niet uitsluitend als een waterlandschap moet worden beschreven. Mensen verplaatsten zich ook over land, terwijl goederen afhankelijk van hun aard en bestemming langs verschillende routes konden worden vervoerd. De verhouding tussen land- en waterverbindingen vormt een belangrijk onderdeel van de regionale geschiedenis.

Noordlaren en het bolwerk aan de weg naar Annen

In de archiefinventaris van Gozewinus Acker Stratingh worden volgens het eerdere onderzoek twee schetsen genoemd van een bolwerk aan de weg tussen Annen en Noordlaren. Zij worden verbonden met inventarisnummer 18. De vermelding is belangrijk voor het onderzoek naar de geschiedenis van de Hondsrug en de toegang tot het Hunzedal.

De ouderdom en functie van het bolwerk zijn op basis van deze gegevens nog niet vastgesteld. Het zou daarom onjuist zijn om zonder aanvullend bewijs te schrijven dat de versterking speciaal was aangelegd om turftransporten of handelsroutes te controleren. De schetsen kunnen wel aanleiding geven tot onderzoek naar de militaire en bestuurlijke betekenis van de omgeving.

Voor een betrouwbare reconstructie moeten de afbeeldingen worden vergeleken met archeologische gegevens en andere historische bronnen. Pas daarna kan worden vastgesteld welke versterking is afgebeeld en in welke periode deze een rol speelde. Daarmee kan het verhaal over het Hunzedal ook aandacht besteden aan de betekenis van landroutes in tijden van conflict.

Het landschap verandert in de zestiende eeuw

In de zestiende eeuw bleef het gebruik van grond en water een belangrijk onderdeel van het dagelijks leven in het Hunzedal. Boeren waren afhankelijk van hun akkers, weiden en andere gronden. Kloosters bezaten landerijen en rechten op inkomsten. De stad Groningen had belang bij de goederen uit het achterland. Tegelijk veranderden de politieke en religieuze omstandigheden.

De Reformatie en de oorlog in de Nederlanden brachten ingrijpende veranderingen teweeg. De positie van katholieke instellingen kwam onder druk te staan. Voor het Hunzedal was dit belangrijk omdat kloosters niet alleen religieuze gemeenschappen waren, maar ook economische grondbezitters. Veranderingen in hun positie konden gevolgen hebben voor het beheer van landerijen en inkomsten.

De oorlog kon ook het gebruik van het platteland beïnvloeden. Militaire bewegingen, belastingen en onzekerheid konden de omstandigheden voor bewoners en grondgebruikers veranderen. De precieze gevolgen voor Kropswolde, Wolfsbarge en andere plaatsen moeten echter uit plaatselijke bronnen worden vastgesteld. Algemene beschrijvingen van de oorlog zijn daarvoor niet voldoende.

De Reductie van Groningen in 1594

Op 22 juli 1594 kwam Groningen onder het gezag van de Republiek. De Reductie betekende een belangrijke verandering in de politieke en religieuze verhoudingen. De katholieke kloosters verloren hun vroegere positie en hun bezittingen kwamen onder nieuw beheer. Voor het Hunzedal was dit van betekenis omdat kloosters als Yesse gronden en inkomsten in het gebied hadden.

De overgang naar nieuw beheer betekende niet dat alle bestaande rechten onmiddellijk verdwenen. Gronden moesten worden geïnventariseerd en inkomsten moesten worden vastgesteld. Pachters en andere gebruikers konden betrokken blijven bij de exploitatie van voormalige kloosterbezittingen. Daarom is het belangrijk te onderzoeken hoe het nieuwe bestuur de bestaande rechten en verplichtingen behandelde.

In de eerdere onderzoeksgegevens worden voor 1595 werkzaamheden genoemd van Taeko Haringius en Johan Clant bij het onderzoeken van voormalige kloostergoederen. Deze vermeldingen moeten nog worden gecontroleerd aan de hand van de oorspronkelijke administratie. Zij vormen een aanknopingspunt om te onderzoeken hoe het nieuwe bestuur inzicht probeerde te krijgen in de bezittingen en opbrengsten van de opgeheven kloosters.

De oude Hunze op de kaarten van Acker Stratingh

Veel van het landschap dat in de middeleeuwen en de zestiende eeuw bestond, veranderde later door ontginning en waterstaatkundige ingrepen. Daardoor zijn historische kaarten belangrijk voor het reconstrueren van de vroegere situatie. In het archief van Gozewinus Acker Stratingh bevinden zich volgens de teruggevonden inventarisgegevens kaarten waarop Kropswolde, Foxhol, Westerbroek en omliggende gebieden voorkomen.

Een kaart uit 1750, aangeduid als nummer 42a–b, noemt Kropswolde, Klein Martijn, Harkstede, Rozenburg, Foxhol en Westerbroek. Een andere kaart, nummer 43, heeft betrekking op Kropswolde, Kolham, De Ruiten en Froombosch. Deze kaarten kunnen helpen om de onderlinge ligging van nederzettingen en watergangen te onderzoeken.

Daarnaast worden een kaart van de voormalige Hunzeloop en correspondentie uit 1836 genoemd. De brief van J.K.W. Hora Siccama van 18 oktober 1836 is daarbij een belangrijk onderzoekspunt. Deze stukken laten zien dat de oude loop van de Hunze in de negentiende eeuw onderwerp van historisch onderzoek was.

De kaarten zijn echter later vervaardigd dan de periode die in dit verhaal centraal staat. Zij kunnen oudere sporen bewaren, maar bewijzen niet automatisch hoe de Hunze in de dertiende of vijftiende eeuw liep. Voor een nauwkeurige reconstructie moeten zij worden vergeleken met oorkonden, plaatsnamen en landschappelijke gegevens.

Het Hunzedal rond 1600

Aan het einde van de zestiende eeuw was het Hunzedal nog altijd een landschap waarin de verschillen tussen zand, beekdal en veen herkenbaar waren. De dorpen langs de Hondsrug bleven afhankelijk van hun akkers en andere gronden. Kropswolde en Wolfsbarge lagen in een gebied waar waterbeheer en de toegang tot gronden van groot belang waren. De Hunze bleef een bepalende factor in het landschap.

Tegelijk waren de bestuurlijke verhoudingen veranderd. De katholieke kloosters hadden hun vroegere positie verloren en Groningen maakte deel uit van een nieuwe politieke orde. De rechten op grond en water bleven van betekenis, maar kwamen in andere bestuurlijke verhoudingen terecht. Daarmee eindigde een periode waarin kloosters gedurende eeuwen belangrijke economische belangen langs de Hunze hadden gehad.

De geschiedenis van het Hunzedal tussen 1200 en 1600 laat zien hoe landschap, bezit en bestuur elkaar beïnvloedden. De rivier voerde water af en bood op geschikte trajecten mogelijkheden voor vervoer. De boeren gebruikten verschillende soorten grond, de kloosters verwierven bezittingen en de stad Groningen kreeg steeds meer belang bij het achterland. De strijd om het gebruik van land en water vormde de verbindende geschiedenis van deze samenleving.

Het Hunzedal — De kloosters, de boeren en de strijd om grond, water en macht (1200–1600)

De Hunze tussen de Hondsrug en het grote veen

Omstreeks 1200 stroomde de Hunze door een landschap dat er anders uitzag dan tegenwoordig. Vanuit het Drentse achterland liep de rivier noordwaarts door een breed dal, met aan de westzijde de hogere gronden van de Hondsrug en aan de oostzijde uitgestrekte venen. Langs de rivier lagen natte graslanden, lage oevers en gebieden die bij hoge waterstanden moeilijk toegankelijk waren. De Hunze was niet alleen een natuurlijke waterloop. Zij bepaalde waar landbouw mogelijk was, welke gronden bereikbaar waren en langs welke verbindingen mensen goederen naar het noorden konden brengen.

Op de Hondsrug lagen nederzettingen als Annen, Eext, Gieten, Zuidlaren en Noordlaren. De hogere zandgronden boden mogelijkheden voor bewoning en akkerbouw. De lagere gronden in het beekdal konden worden gebruikt als grasland, terwijl verder naar het oosten venen lagen die voor brandstofwinning in aanmerking kwamen. De bewoners waren daardoor afhankelijk van verschillende delen van het landschap. Een boerenbedrijf kon niet uitsluitend worden begrepen vanuit de akkers rond het erf. Ook de toegang tot weiden, hout, heide en andere gebruiksgronden was belangrijk.

De Hunze vormde een verbinding tussen deze gebieden, maar niet overal op dezelfde manier. Sommige trajecten waren geschikt voor vervoer over water, terwijl ondiepten, bochten en wisselende waterstanden elders beperkingen oplegden. Voor de bewoners was de rivier bovendien van belang voor de afwatering. Wanneer water werd tegengehouden of sneller werd afgevoerd, konden de gevolgen op andere plaatsen merkbaar zijn. Daardoor ontstond een landschap waarin de belangen van verschillende gemeenschappen nauw met elkaar verbonden waren.

De geschiedenis van het Hunzedal is daarom niet alleen die van turfwinning en vervoer. Zij gaat ook over boeren die hun gronden wilden gebruiken, kloosters die bezittingen verwierven, bestuurders die rechten uitoefenden en mensen die watergangen moesten onderhouden. In dit gebied konden economische belangen niet worden losgemaakt van de natuurlijke omstandigheden. Wie de grond wilde gebruiken, moest rekening houden met het water. Wie het water wilde veranderen, kreeg te maken met andere rechthebbenden.

Oostermoer en de oude rechten van de dorpen

Ten oosten van de Hondsrug lag het gebied dat met Oostermoer werd verbonden. De dorpen Annen, Eext en Gieten beschikten over landbouwgronden en andere gebruiksgebieden. De bewoners hadden belang bij akkers, weiden, heidevelden, bossen en venen. Niet al deze gronden waren op dezelfde manier in eigendom of gebruik. Sommige percelen behoorden aan afzonderlijke eigenaren, terwijl op andere gronden meerdere personen of gemeenschappen aanspraken konden hebben.

In latere documenten worden zulke gemeenschappelijke belangen zichtbaar in de organisatie van de Drentse marken. Die organisatie kende een ontwikkeling door de eeuwen heen. De verhoudingen die uit de zestiende eeuw bekend zijn, mogen daarom niet zonder meer op de situatie rond 1200 worden toegepast. Wel is duidelijk dat het gebruik van gronden afhankelijk was van bestaande rechten en afspraken. Wanneer een eigenaar grond overdroeg, konden andere gerechtigden belang blijven houden bij het gebruik ervan.

Voor de geschiedenis van de venen was dit bijzonder belangrijk. Een klooster kon veengrond verwerven, maar daarmee was niet automatisch vastgesteld wie de grond mocht ontwateren, welke gebruikers bestaande rechten behielden en hoe goederen konden worden afgevoerd. Eigendom, gebruik, inkomsten en toegang tot watergangen konden afzonderlijk geregeld zijn. De geschiedenis van de veenontginning begint daarom niet bij het graven van turf, maar bij de vraag wie over de grond en de bijbehorende rechten kon beschikken.

De kloosters worden economische grondbezitters

In 1192 werd het cisterciënzer klooster Aduard gesticht. De abdij groeide in de daaropvolgende eeuwen uit tot een belangrijke religieuze en economische instelling. Het klooster had landbouwproducten, brandstof, bouwmaterialen en inkomsten nodig. Daarvoor verwierf het gronden en rechten op verschillende plaatsen. De bezittingen konden worden beheerd vanuit de abdij, maar ook via uithoven en voorwerken waar plaatselijke werkzaamheden werden georganiseerd.

Een klooster was niet alleen een gemeenschap van mensen die zich aan het religieuze leven wijdden. De gebouwen moesten worden onderhouden, voedsel moest worden geproduceerd en de inkomsten moesten worden beheerd. Daarvoor waren arbeidskrachten noodzakelijk. Lekenbroeders konden een belangrijke rol vervullen bij praktische werkzaamheden. Daarnaast konden pachters, knechten en andere arbeiders betrokken zijn bij de exploitatie van kloostergoederen. Niet iedere ontginning werd door kloosterlingen zelf uitgevoerd en niet iedere grond die een klooster verwierf, was daarvoor onbewoond of ongebruikt.

De verspreiding van kloosterbezittingen maakte plaatselijk beheer noodzakelijk. Een abdij die gronden bezat op grote afstand van haar gebouwen, moest kunnen vertrouwen op vertegenwoordigers en gebruikers. Uithoven konden dienen als economische steunpunten waar opbrengsten werden verzameld en werkzaamheden werden georganiseerd. Hun precieze inrichting verschilde per plaats en periode. Het bestaan van een uithof betekende niet automatisch dat er uitsluitend turf werd gewonnen. Landbouw, veeteelt en andere werkzaamheden konden eveneens een rol spelen.

De grote abdijkerk van Aduard en de behoefte aan brandstof

In de dertiende eeuw werkte Aduard aan de bouw van een grote abdijkerk. De bouw wordt in de kloostergeschiedenis verbonden met de periode omstreeks 1240–1263. Een dergelijke onderneming vereiste grote hoeveelheden bouwmateriaal en arbeid. Voor het vervaardigen van bakstenen waren klei, ovens en brandstof nodig. Het bakken van stenen kon niet zonder een aanzienlijke toevoer van brandstof plaatsvinden.

De omgeving van Aduard bood mogelijkheden voor het winnen van klei, maar geschikte brandstof moest ook beschikbaar zijn. De venen rond het Hunzedal waren daarom economisch interessant. Het klooster kon voordeel hebben bij het bezit van veengronden en de mogelijkheid om turf naar plaatsen te vervoeren waar deze nodig was. Dat betekent niet dat iedere hoeveelheid turf rechtstreeks voor de abdijkerk bestemd was. De precieze bestemming van afzonderlijke leveringen moet uit de bronnen worden vastgesteld.

De bouw van de abdijkerk maakt wel zichtbaar hoe kloosterlijke bouwactiviteiten en het gebruik van het landschap met elkaar verbonden waren. Bakstenen kwamen niet vanzelf bij de bouwplaats terecht. Klei moest worden gewonnen, turf moest worden gedroogd en ovens moesten worden gestookt. Daarna moesten de stenen worden vervoerd. Achter het zichtbare kerkgebouw stond een keten van werkzaamheden waarin verschillende mensen en gebieden een rol speelden.

Yesse en de kloostergronden bij Kropswolde

In 1215 werd bij Essen het vrouwenklooster Yesse gesticht. Ook dit klooster verwierf in de dertiende eeuw bezittingen buiten zijn eigen terrein. Volgens de digitale tentoonstelling van de Rijksuniversiteit Groningen had Yesse al vóór 1249 grond bij Kropswolde verworven om daar turf te winnen. Het klooster Rottum bezat eveneens goederen in dit gebied, terwijl Aduard belangen had in het aangrenzende Wolfsbarge.

Daarmee ontstond in het gebied rond de Hunze een situatie waarin verschillende kloosters rechten en bezittingen hadden. Hun economische belangen waren niet noodzakelijk identiek. Yesse moest worden onderscheiden van Aduard en Rottum, ook wanneer de betrokken gronden dicht bij elkaar lagen. Een oorkonde over Kropswolde kan daarom niet zonder meer worden gebruikt om de rechten van Aduard bij Everswolde te beschrijven.

De ligging van Yesse bij Haren en zijn bezittingen bij Kropswolde maakt de vraag naar de verbindingen tussen beide plaatsen belangrijk. Turf moest na het steken en drogen kunnen worden afgevoerd. De oude Hunze bood daarvoor mogelijkheden. Volgens de Stichting Klooster Yesse werd turf uit Kropswolde over de vroegere Hunze naar het kloosterterrein vervoerd. De precieze route en de veranderingen daarvan door de eeuwen heen verdienen afzonderlijk onderzoek.

Kropswolde en de lekenbroeders van Yesse

Voor 1249 worden lekenbroeders van Yesse bij Kropswolde genoemd. Zij waren betrokken bij de economische activiteiten van het klooster in dit gebied. De aanwezigheid van werkbroeders maakt duidelijk dat de kloosterbezittingen niet uitsluitend bestonden uit inkomsten op papier. Er waren ook mensen die werkzaamheden uitvoerden en daarvoor in het gebied verbleven.

De Stichting Klooster Yesse beschrijft dat de lekenbroeders bij Kropswolde een uithof hadden en een eigen kapel bouwden die aan Maria was gewijd. De afstand tot het moederklooster bij Essen maakte een plaatselijke voorziening begrijpelijk. De precieze stichting en ontwikkeling van de uithof en de kapel moeten aan de afzonderlijke historische documenten worden getoetst.

De turfwinning bij Kropswolde was verbonden met de behoefte aan brandstof. Turf moest worden gestoken, gedroogd en naar de plaats van gebruik worden gebracht. Dat vergde arbeid en organisatie. De aanwezigheid van een kloosterlijke uithof maakte het mogelijk werkzaamheden en opbrengsten ter plaatse te beheren. Tegelijk bleef de exploitatie afhankelijk van de natuurlijke omstandigheden en de beschikbaarheid van geschikte verbindingen.

De verkoop van venen bij Zuidlaren in 1262

In 1262 verkochten de ingezetenen van Zuidlaren aan de abdij van Aduard venen en weiden aan de Hunze. De gronden lagen tussen twee waterlopen die in de historische bronnen Gronesbeke en Prumesleke worden genoemd. Deze overeenkomst behoort tot de belangrijkste documenten voor de vroege geschiedenis van de vervening in het Hunzedal.

Bij de overdracht waren niet alleen vertegenwoordigers van het klooster betrokken. De pastoors van Noordlaren en Zuidlaren en verschillende leden van beide parochies traden als getuigen op. De pastoor van Zuidlaren wordt Eylwardus genoemd. De aanwezigheid van deze getuigen maakt duidelijk dat de overdracht plaatsvond binnen bestaande plaatselijke en kerkelijke verhoudingen. De overeenkomst is bovendien de oudste bekende akte waarin de pastoor en parochie van Zuidlaren worden genoemd.

De verkoop laat zien dat de inwoners van Zuidlaren rechten hadden op de betrokken venen en weiden. Aduard verwierf deze gronden dus niet eenvoudigweg door een onbezet gebied in gebruik te nemen. Er vond een overdracht plaats waarbij bestaande gerechtigden betrokken waren. Dat is een wezenlijk verschil. De kloosterlijke vervening bouwde voort op oudere verhoudingen van grondgebruik en eigendom.

De aankoop betekende evenmin dat het volledige gebied onmiddellijk werd afgegraven. Voor turfwinning waren arbeidskrachten nodig en moest het terrein toegankelijk zijn. Ook moesten de gewonnen turven kunnen drogen en worden afgevoerd. De aanwezigheid van de Hunze bood mogelijkheden, maar de verbinding tussen de veengronden en het bevaarbare water moest eveneens worden geregeld.

De aanvullende overeenkomst van 1264

Twee jaar na de verkoop van 1262 maakten de betrokken partijen aanvullende afspraken. De overeenkomst uit 1264 had betrekking op venen en weiden tussen Gronesbeke en Prumesleke, op de gemeenschappelijke grond bij Everdeswolde en op het visrecht vanaf Gronesbeke tot aan het Zuidlaardermeer.

Deze bepalingen maken duidelijk dat de overdracht van veengronden niet uitsluitend over turf ging. Ook weidegronden, gemeenschappelijke rechten en visserij waren van belang. Het landschap bood verschillende economische mogelijkheden, die juridisch afzonderlijk konden worden geregeld.

Het visrecht is bijzonder interessant omdat het de relatie tussen grondbezit en water zichtbaar maakt. Wie een veengebied verwierf, kreeg niet noodzakelijk alle rechten op het aangrenzende water. De afspraken uit 1264 laten zien dat ook de visserij een onderwerp van onderhandelingen was.

Voor het Hunzedal betekent dit dat de kloosterlijke aanwezigheid niet mag worden teruggebracht tot één economische activiteit. Aduard verwierf belangen in een landschap waar verschillende vormen van grond- en watergebruik naast elkaar bestonden. De rechten op venen, weiden, gemeenschappelijke gronden en viswater vormden samen een complex geheel.

Everswolde ontstaat als kloosterlijk gebruiksgebied

De naam Everdeswolde, later Everswolde, wordt verbonden met het gebied ten oosten van de Hunze, bij het latere Zuidlaarderveen. Het gebied lag op de overgang van het lage Hunzedal naar de hogere rand van het veenlandschap. De ligging maakte het geschikt voor verschillende vormen van grondgebruik.

De verwerving van rechten door Aduard in 1262 en 1264 vormde een belangrijke stap in de ontwikkeling van het gebied. De abdij kreeg economische belangen in de venen en de aangrenzende gronden. De werkzaamheden konden worden georganiseerd vanuit een plaatselijk steunpunt. De precieze ontstaansdatum van de kloosterhof is echter niet met zekerheid vastgesteld.

Het latere Zuidlaarderveen mag niet zonder meer als een volledig ontwikkeld dorp in de dertiende eeuw worden voorgesteld. De middeleeuwse naam Everswolde verwees naar een ouder gebied en een vroege nederzettingsgeschiedenis. De latere lintbebouwing en grootschaliger ontginningen ontstonden in andere omstandigheden. Voor de periode 1200–1600 moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen de kloosterlijke bezittingen, de plaatselijke bewoning en de latere dorpsontwikkeling.

De kapel van Sint-Bernardus bij Everswolde

In de eerdere onderzoeksgegevens wordt voor 1263 een kapel genoemd met de naam Hortus Sancti Bernardi. Deze vermelding wordt verbonden met de kloosterlijke aanwezigheid bij Everswolde. De naam verwijst naar Sint-Bernardus, die binnen de cisterciënzer traditie een belangrijke plaats innam.

Een kapel kon betekenis hebben voor de mensen die op afstand van de abdij woonden of werkten. De aanwezigheid van een religieuze voorziening zou passen bij een gebied waar kloostergoederen werden beheerd. Dat betekent echter niet dat er een zelfstandige abdij gevestigd was. Een kapel, een uithof en een klooster waren verschillende instellingen.

De exacte datum, ligging en functie van de kapel moeten nog aan de oorspronkelijke bron worden gecontroleerd. Daarom kan zij voorlopig niet met zekerheid worden verbonden aan een specifieke bouwplaats of een bepaald aantal bewoners. Wel vormt de vermelding een belangrijk onderzoekspunt voor de geschiedenis van de religieuze aanwezigheid in Everswolde.

De Groeve en de verbinding met de Hunze

Bij het huidige De Groeve kwam een waterverbinding uit in het gebied van het Zuidlaardermeer en de Hunze. De naam wordt in historische bronnen verbonden met een gegraven watergang. In 1285 komt de naam Growe voor en in 1364 de vorm Grove.

De waterverbinding was van betekenis voor de afwatering en voor het vervoer van turf. Volgens de Encyclopedie Drenthe werd de watergang op last van Aduard gegraven om turf af te voeren. Het water kon met een keersluisje, een knijpe, worden opgehouden. Wanneer voldoende water was verzameld, kon de afsluiting worden geopend.

De aanleg van zo'n verbinding laat zien dat het gebruik van de venen niet uitsluitend afhankelijk was van de natuurlijke loop van de Hunze. Mensen pasten het watersysteem aan om de gronden en de vervoersmogelijkheden beter te benutten. Zulke werkzaamheden konden echter gevolgen hebben voor andere gebruikers van hetzelfde water.

De knijpe en de moeilijke turfvaart

De Hunze kende ondiepe plaatsen en een onregelmatige waterafvoer. Dat maakte het vervoer van turf lastig. Een beladen vaartuig had voldoende waterdiepte nodig, terwijl de natuurlijke omstandigheden niet altijd gunstig waren. De knijpe bood een technische oplossing door water tijdelijk vast te houden.

Wanneer voldoende water was verzameld, kon de afsluiting worden geopend. De watergolf hielp beladen vaartuigen stroomafwaarts. Daarna konden ongeladen vaartuigen weer terugkeren. Deze werkwijze laat zien hoe mensen de natuurlijke omstandigheden van de rivier probeerden te benutten zonder dat de Hunze daardoor een voortdurend gemakkelijk bevaarbare waterweg werd.

Bij Zuidlaarderveen herinnert de naam De Knijpe nog aan deze geschiedenis. De waterwerken tonen bovendien hoe nauw de turfwinning met het beheer van de rivier verbonden was. Zonder voldoende water konden de goederen moeilijk worden afgevoerd. Maar het vasthouden en plotseling laten wegstromen van water kon ook gevolgen hebben voor andere gebruikers.

Het waterconflict van 8 april 1285

Op 8 april 1285 werd een geschil bijgelegd tussen de abdij van Aduard en bewoners van Oosterwolde en Go, gebieden die met het Gorecht verbonden waren. Het conflict hield verband met de afwatering van de kloosterbezittingen bij Everswolde en met een dam in de watergang.

Dit is een van de belangrijkste concrete gebeurtenissen uit de geschiedenis van het middeleeuwse Hunzedal. De overeenkomst laat zien dat een klooster dat rechten op grond had verworven, niet zonder meer vrij was om het watersysteem naar eigen inzicht te veranderen. Andere gemeenschappen hadden eveneens belangen bij de waterhuishouding.

Een dam kon de waterstand beïnvloeden en daarmee gevolgen hebben voor gronden die verderop lagen. De precieze schade, motieven en verplichtingen moeten uit de volledige oorkonde worden vastgesteld. Het conflict mag daarom niet worden beschreven als een bewezen algemene boerenopstand tegen de kloostermacht.

Wel maakt de gebeurtenis duidelijk dat het beheer van water een machtsvraag was. Aduard had economische belangen bij zijn bezittingen, terwijl andere bewoners belang hadden bij de bestaande afwatering. De overeenkomst van 1285 vormde een poging om die verschillende aanspraken juridisch te regelen.

De boeren en de grenzen aan kloosterlijke macht

De gebeurtenissen rond Everswolde laten zien dat de macht van een klooster niet onbeperkt was. Aduard kon grond verwerven en werkzaamheden organiseren, maar moest rekening houden met rechten van andere gebruikers. De verkoop van 1262, de aanvullende overeenkomst van 1264 en het geschil van 1285 maken zichtbaar dat de ontwikkeling van het gebied via afspraken en onderhandelingen verliep.

De boeren van Zuidlaren waren bij de oorspronkelijke overdracht betrokken. Andere gemeenschappen konden belang hebben bij de waterafvoer. Daardoor waren de economische mogelijkheden van het klooster afhankelijk van bestaande plaatselijke verhoudingen.

Dit maakt de geschiedenis van het Hunzedal anders dan een eenvoudig verhaal waarin kloosterlingen een leeg veengebied binnentrokken en het vervolgens ontgonnen. De venen maakten deel uit van een landschap waarin mensen al rechten uitoefenden. De kloosterlijke exploitatie veranderde die verhoudingen, maar ontstond er niet los van.

De betekenis van de turf voor Aduard

De turf uit het Hunzedal was voor Aduard economisch belangrijk. De abdij had brandstof nodig voor verschillende werkzaamheden, waaronder het bakken van stenen. Het bezit van venen bij Everswolde en Wolfsbarge bood mogelijkheden om die brandstof te verkrijgen.

Het winnen van turf was arbeidsintensief en seizoensgebonden. Veen moest worden gestoken en vervolgens voldoende drogen voordat het kon worden vervoerd en gebruikt. De werkzaamheden vroegen om mensen die gedurende een deel van het jaar in het veengebied verbleven. De precieze organisatie verschilde per plaats en periode.

Een latere bepaling uit het Groninger stadboek van 1425 laat zien dat ook inwoners van Groningen met hun gezinnen gedurende het seizoen naar de venen konden trekken om turf te steken. Dit gegeven bewijst niet rechtstreeks hoe de arbeid bij Aduard in 1262 was georganiseerd, maar laat wel zien dat turfwinning in de regio seizoensarbeid kon zijn waarbij complete huishoudens betrokken waren.

De arbeid van lekenbroeders en andere gebruikers maakte de kloostergoederen economisch waardevol. Het bezit van veengrond alleen leverde nog geen brandstof op. Daarvoor moesten mensen werken, watergangen onderhouden en goederen vervoeren.

Wolfsbarge en de Aduarder kolonisten

Ten noorden van het Zuidlaardermeer lag Wolfsbarge, een gebied waar Aduard eveneens belangen had. Het onderzoek naar de oude Hunze wijst erop dat in de omgeving al in de dertiende eeuw turfwinning plaatsvond. Na het afgraven van veen konden sommige lage delen onder water komen te staan, terwijl hogere stukken bruikbaar bleven als weide- of landbouwgrond.

Daaruit ontstonden mogelijkheden voor blijvende bewoning. In de historische reconstructie worden kolonisten of meiers genoemd die op de voormalige veengronden van Aduard woonden. De precieze datum waarop zij zich vestigden, is niet vastgesteld. Wel is het aannemelijk dat de exploitatie van de gronden geleidelijk een andere vorm kreeg wanneer delen van het veen waren afgegraven.

Wolfsbarge is daardoor belangrijk voor het begrijpen van de overgang van turfwinning naar ander grondgebruik. Een afgegraven veengebied hoefde niet volledig verlaten te worden. Afhankelijk van de bodem en de waterstand konden bepaalde delen geschikt blijven voor landbouw of beweiding. De geschiedenis van het gebied bestond daarmee uit verschillende opeenvolgende vormen van exploitatie.

De stuw van 1309

In de eerdere onderzoeksnotities wordt voor 1309 een conflict genoemd waarbij boeren een stuw zouden hebben vernield. Deze vermelding sluit thematisch aan bij de problemen rond het waterbeheer in Everswolde, maar de oorspronkelijke bron en de precieze betrokken partijen zijn nog niet voldoende vastgesteld.

Het is daarom niet verantwoord om de gebeurtenis zonder verdere controle als een bewezen voortzetting van het conflict uit 1285 te presenteren. Ook kan niet worden vastgesteld waarom de stuw werd vernield of welke gevolgen dat had.

De vermelding verdient wel afzonderlijk archiefonderzoek. Wanneer zij door een oorspronkelijke akte wordt bevestigd, kan zij helpen verklaren waarom waterwerken in het Hunzedal tot spanningen leidden. Voorlopig blijft het een onderzoekspunt en geen gebeurtenis waarvan de volledige toedracht bekend is.

De hofmeester van Everswolde in 1323

In 1323 verschijnt de hofmeester van Everswolde in een akte die verband houdt met waterstaatkundige werkzaamheden bij Schilligeham, ten westen van Winsum. Samen met Sicco Alardisma werd hij namens de inwoners van Wolfsbarge aangewezen als borg voor mogelijke schade die uit het project kon voortkomen.

Dit is een bijzonder belangrijk gegeven, omdat het de belangen van verschillende gebieden met elkaar verbindt. Everswolde lag bij Zuidlaren, Wolfsbarge aan de Hunze en Schilligeham veel verder naar het noorden. Toch kwamen deze plaatsen in één waterstaatkundige regeling samen.

De vermelding van een hofmeester maakt bovendien duidelijk dat de kloosterlijke bezittingen plaatselijk werden beheerd. De hofmeester trad niet alleen op als beheerder van landbouwgronden, maar kwam ook voor in een overeenkomst waarbij mogelijke schade door waterwerken een rol speelde.

Sicco Alardisma is een van de weinige bij naam genoemde personen uit deze vroege geschiedenis. Zijn optreden maakt de juridische verhoudingen concreter. De betrokkenen wilden niet uitsluitend werkzaamheden uitvoeren, maar ook vastleggen wie verantwoordelijk zou zijn wanneer anderen schade ondervonden.

Waterbeheer als een regionaal probleem

De overeenkomst van 1323 laat zien dat het beheer van de Hunze en de omliggende watergangen niet uitsluitend een plaatselijke aangelegenheid was. Veranderingen aan waterwerken konden gevolgen hebben voor gebieden die op aanzienlijke afstand van elkaar lagen.

Het water volgde immers geen bestuurlijke grenzen. Wanneer een watergang werd aangepast of een dam werd aangelegd, konden de gevolgen zich verder stroomafwaarts voordoen. Daardoor waren afspraken nodig tussen partijen die verschillende belangen hadden.

De betrokkenheid van Wolfsbarge bij een project bij Schilligeham maakt duidelijk hoe complex zulke verhoudingen konden zijn. Het is niet voldoende om alleen naar de ligging van een dorp te kijken. Ook de verbinding met het grotere watersysteem bepaalde welke rechten en verplichtingen voor bewoners van belang waren.

De verdere waterafspraken in de veertiende eeuw

In de eerdere onderzoeksgegevens worden voor 1364 opnieuw waterwerken genoemd. De naam Grove komt in die periode eveneens voor. De oorspronkelijke oorkonden moeten nog worden gecontroleerd om vast te stellen welke werkzaamheden en verplichtingen precies werden geregeld.

De opeenvolgende vermeldingen laten zien dat het watersysteem gedurende langere tijd onderwerp van aandacht bleef. Een eenmaal gegraven watergang vereiste onderhoud. Dammen en andere voorzieningen konden veranderingen ondergaan. Nieuwe omstandigheden konden aanleiding geven tot aanvullende afspraken.

Voor de geschiedenis van Everswolde is het belangrijk deze gegevens niet los van elkaar te behandelen. De overeenkomsten van 1264 en 1285, de akte uit 1323 en de latere vermeldingen kunnen samen helpen reconstrueren hoe de verhouding tussen kloosterbezit, plaatselijke gemeenschappen en waterbeheer zich ontwikkelde.

Andere kloosters krijgen belangen bij Everswolde

Aduard was niet de enige religieuze instelling met belangen in het gebied. Uit onderzoek naar de goederen van de commanderijen van Warffum en Wijtwerd blijkt dat zij rond 1400 eveneens land bij Everswolde bezaten. In 1412 werd over deze bezittingen geprocedeerd.

Deze gegevens zijn belangrijk omdat zij laten zien dat het grondbezit in Everswolde niet uitsluitend onder Aduard viel. Verschillende instellingen konden naast elkaar rechten hebben op gronden in hetzelfde gebied. Daardoor konden ook nieuwe juridische geschillen ontstaan.

De aanwezigheid van meerdere kloosters en commanderijen maakt het noodzakelijk om de bezittingen afzonderlijk te reconstrueren. Een vermelding van Everswolde betekent niet automatisch dat Aduard bij iedere transactie betrokken was. De precieze rechten van de verschillende instellingen moeten per oorkonde worden vastgesteld.

De overeenkomst van 1402

Voor 1402 wordt in de eerdere onderzoeksgegevens een nieuwe overeenkomst over rechten en waterbeheer genoemd. De oorspronkelijke tekst is nog niet voldoende gecontroleerd om de betrokken partijen en bepalingen volledig te beschrijven.

De vermelding is wel van belang omdat zij past binnen de langere geschiedenis van waterstaatkundige afspraken in het gebied. De ontwikkeling van Everswolde en de omliggende gronden bleef afhankelijk van het functioneren van watergangen en de rechten van verschillende gebruikers.

Voor een definitieve publicatie moet worden vastgesteld of de overeenkomst rechtstreeks betrekking had op Aduard, andere kloosterinstellingen, plaatselijke gemeenschappen of een combinatie daarvan. Tot die tijd mag de inhoud niet verder worden ingevuld.

De kloostergoederen en de plaatselijke bevolking

In de vijftiende eeuw bleef het Hunzedal een landschap waarin kloosters, boeren en andere rechthebbenden economische belangen hadden. De kloosters bezaten gronden en rechten, maar de feitelijke werkzaamheden werden door mensen uitgevoerd die in of bij de betrokken gebieden verbleven.

Pachters en andere gebruikers waren afhankelijk van de voorwaarden waaronder zij grond mochten benutten. Hun verplichtingen konden betrekking hebben op betalingen, leveringen of werkzaamheden. Welke voorwaarden in Everswolde golden, moet uit afzonderlijke rekeningen en overeenkomsten blijken.

De plaatselijke bevolking was daarmee niet slechts een achtergrond bij de geschiedenis van de kloosters. Zonder boeren, arbeiders en beheerders konden de goederen niet functioneren. De kloosterlijke economie was afhankelijk van mensen die het landschap kenden en de werkzaamheden uitvoerden.

De hof van Warffum in 1458

Op 23 maart 1458 wordt volgens het onderzoek naar de Warffumer kloostergoederen een hofmeester van het Warffumer veen bij Zuidlaren genoemd. Deze vermelding vormt een concreet bewijs voor een economisch steunpunt van de commanderij in het gebied.

Een hof of voorwerk kon dienen voor het beheer van gronden en de verzameling van opbrengsten. De vermelding uit 1458 laat zien dat de belangen van Warffum bij Everswolde voldoende georganiseerd waren om een plaatselijke beheerder te hebben.

De aanwezigheid van deze hofmeester mag niet worden verward met de Aduarder hofmeester die in 1323 wordt genoemd. Het gaat om verschillende instellingen en verschillende momenten. Juist dit onderscheid maakt zichtbaar hoe meerdere religieuze organisaties in het Hunzedal actief waren.

Zuidlaarderveen en de ontwikkeling van de bewoning

Het gebied van Everswolde ontwikkelde zich geleidelijk tot het latere Zuidlaarderveen. De nederzetting lag op een zandrug aan de oostelijke rand van het Hunzedal. Deze ligging bood voordelen ten opzichte van de lagere, nattere gronden bij de rivier.

Volgens de regionale erfgoedinformatie stonden er in de zestiende eeuw ongeveer tien boerderijen in het gebied. Dit gegeven laat zien dat de bewoning tegen het einde van de onderzochte periode een herkenbare omvang had gekregen. Het betekent echter niet dat dezelfde tien boerderijen al in de dertiende eeuw bestonden.

De latere ontwikkeling van Zuidlaarderveen als lintdorp moet daarom worden onderscheiden van de middeleeuwse kloosterlijke exploitatie. De naam Everswolde verwijst naar de oudere geschiedenis, terwijl de latere dorpsvorm het resultaat was van een langere ontwikkeling.

De Zwarte Lent en de verbinding met de Hunze

Bij Zuidlaarderveen lag een laad- en losplaats aan de Hunze die bekendstond als de Zwarte Lent. Een lent was een hoger gelegen plaats aan het water waar goederen konden worden geladen of gelost. De weg naar deze plaats herinnert nog aan de verbinding tussen het dorp en de rivier.

De turf werd vanuit het veengebied naar de laadplaats gebracht. Daar kon zij worden overgeladen voor verder vervoer. Dit laat zien dat het transport niet uitsluitend over water plaatsvond. Tussen de veengronden en de rivier was ook vervoer over land nodig.

De Zwarte Lent vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de plaatselijke economische geschiedenis. Zij maakt zichtbaar hoe de ligging van een dorp, de wegen en de rivier samen bepaalden hoe goederen konden worden afgevoerd. De exacte ouderdom van de laadplaats en de naam moet afzonderlijk worden onderzocht voordat zij zonder voorbehoud in de dertiende eeuw wordt geplaatst.

De kloosters en de groeiende invloed van Groningen

Groningen ontwikkelde zich gedurende de middeleeuwen tot een belangrijk handelscentrum voor het omliggende gebied. De stad had behoefte aan voedsel, brandstof en bouwmaterialen. De venen langs de Hunze konden bijdragen aan de aanvoer van brandstof.

De belangen van de stad vielen niet altijd samen met die van kloosters en plaatselijke gemeenschappen. Groningen had belang bij betrouwbare verbindingen en een regelmatige aanvoer van goederen. De kloosters wilden inkomsten uit hun bezittingen behouden. Boeren hadden belang bij hun gronden en de bestaande waterhuishouding.

De groeiende invloed van Groningen betekende echter niet dat de stad onmiddellijk alle rechten op de Hunze en het omliggende land bezat. De geschiedenis van het gebied bleef bepaald door verschillende eigendoms- en gebruiksverhoudingen.

Kropswolde, Wolfsbarge en Everswolde in samenhang

Aan het einde van de middeleeuwen vormden Kropswolde, Wolfsbarge en Everswolde drie belangrijke gebieden binnen de geschiedenis van de vroege vervening langs de Hunze. Zij lagen niet op dezelfde plaats en stonden niet onder hetzelfde beheer, maar hun economische ontwikkeling was verbonden met de rivier en de aangrenzende venen.

Bij Kropswolde had Yesse al in de dertiende eeuw belangen. Wolfsbarge was verbonden met de exploitatie door Aduard. Verder naar het zuiden bezat Aduard venen en weiden bij Everswolde, terwijl later ook andere religieuze instellingen daar rechten hadden.

De geschiedenis van deze gebieden laat zien dat de vroege turfwinning niet vanuit één centraal plan werd georganiseerd. Verschillende instellingen verwierven op verschillende momenten gronden en rechten. Hun werkzaamheden werden beïnvloed door de bestaande dorpsgemeenschappen, de natuurlijke omstandigheden en de mogelijkheden voor vervoer.

De zestiende eeuw brengt nieuwe spanningen

In de zestiende eeuw veranderden de politieke en religieuze verhoudingen in Groningen en Drenthe. De Reformatie en de oorlog in de Nederlanden tastten uiteindelijk de positie van de katholieke kloosters aan.

Voor het Hunzedal was dit belangrijk omdat de kloosters niet alleen religieuze gemeenschappen waren, maar ook economische grondbezitters. Hun rechten op venen, landbouwgronden en inkomsten waren verbonden met het dagelijkse bestaan van pachters en andere gebruikers.

De oorlog kon gevolgen hebben voor het gebruik van gronden en het vervoer van goederen. Belastingen, militaire bewegingen en bestuurlijke onzekerheid konden het economische leven beïnvloeden. De precieze gevolgen voor Everswolde, Kropswolde en Wolfsbarge moeten echter uit plaatselijke bronnen worden vastgesteld.

De Reductie van Groningen in 1594

Op 22 juli 1594 kwam Groningen onder het gezag van de Republiek. De Reductie betekende een ingrijpende verandering in de politieke en religieuze verhoudingen. De katholieke kloosters verloren hun vroegere positie en hun goederen kwamen onder nieuw beheer.

Voor het Hunzedal betekende dit dat bezittingen die gedurende eeuwen aan religieuze instellingen verbonden waren geweest, in andere bestuurlijke verhoudingen terechtkwamen. De gronden zelf verdwenen niet. Evenmin hielden alle economische activiteiten onmiddellijk op.

Het nieuwe bestuur moest inzicht krijgen in de omvang van de bezittingen en de inkomsten. Daarvoor waren administraties, inventarisaties en afspraken met gebruikers noodzakelijk. De overgang van kloosterbezit naar nieuw beheer was daarmee ook een economische en bestuurlijke verandering.

De turfadministratie van 1595–1596

In de eerdere onderzoeksgegevens worden voor 1595–1596 administratieve vermeldingen van turftransporten uit Everswolde genoemd. Deze gegevens kunnen van grote betekenis zijn voor de geschiedenis van het gebied na de Reductie.

De precieze hoeveelheden, namen van betrokkenen en bestemmingen moeten echter nog aan de oorspronkelijke rekeningen worden gecontroleerd. Het eerder genoemde percentage van 27,3 procent kan daarom niet zonder verdere broncontrole als vaststaand gegeven worden gebruikt.

Wanneer de rekeningen volledig worden onderzocht, kunnen zij mogelijk laten zien welke economische activiteiten doorgingen en hoe de opbrengsten werden beheerd. Daarmee vormen zij een belangrijk aanknopingspunt voor de overgang van kloosterlijke naar nieuwe bestuurlijke verhoudingen.

Het Hunzedal rond 1600

Omstreeks 1600 was het Hunzedal nog altijd een landschap waarin hogere zandgronden, natte beekdalen en venen naast elkaar bestonden. De dorpen langs de Hondsrug waren afhankelijk van hun akkers en andere gebruiksgebieden. Everswolde, De Groeve en de omgeving van Zuidlaarderveen hadden een lange geschiedenis van kloosterbezit, waterbeheer en turfwinning. Verder naar het noorden lagen Wolfsbarge en Kropswolde, waar andere kloosterlijke belangen een rol hadden gespeeld.

De bestuurlijke verhoudingen waren inmiddels ingrijpend veranderd. De katholieke kloosters hadden hun vroegere positie verloren, terwijl hun voormalige bezittingen onder nieuw beheer kwamen. De economische betekenis van de gronden en waterverbindingen bleef echter bestaan.

De ontwikkeling van het Hunzedal tussen 1200 en 1600 laat zien dat de geschiedenis van de vroege vervening niet los kan worden gezien van de rechten van boeren, de economische organisatie van kloosters en de voortdurende noodzaak om water te beheersen. De Hunze was daarbij de verbindende rivier, maar ook de plaats waar verschillende belangen elkaar ontmoetten.

De overdracht van venen in 1262, de aanvullende overeenkomst van 1264, het waterconflict van 1285, de betrokkenheid van Wolfsbarge bij waterwerken in 1323 en de aanwezigheid van meerdere kloosterlijke beheerders in de vijftiende eeuw maken deze geschiedenis concreet. Zij tonen een landschap waarin grond niet vanzelf bruikbaar was, water niet onbeperkt kon worden veranderd en macht steeds opnieuw moest worden uitgeoefend binnen bestaande rechten.

Daarmee vormt het Hunzedal een eigen hoofdstuk in de geschiedenis van Groningen en Drenthe. Het grote veen leverde de grondstof, maar langs de Hunze werd bepaald wie de gronden kon gebruiken, hoe het water werd beheerd en op welke wijze de opbrengsten het achterland konden verlaten.

Het Hunzedal — De kloosters, de boeren en de strijd om grond, water en macht (1200–1600)

Een rivier tussen de Hondsrug en het grote veen

Omstreeks 1200 stroomde de Hunze vanuit het Drentse achterland naar het noorden, door een landschap van hogere zandgronden, natte beekdalen, graslanden en uitgestrekte venen. Ten westen van de rivier lag de Hondsrug, met nederzettingen als Annen, Eext, Gieten, Zuidlaren en Noordlaren. Aan de oostzijde strekte het veen zich over grote afstanden uit. De Hunze vormde een natuurlijke verbinding tussen deze gebieden en Groningen, maar was tegelijkertijd de rivier die het water uit het achterland moest afvoeren. Haar loop, waterstand en oevers bepaalden waar mensen konden wonen, landbouw bedrijven en goederen vervoeren.

De bewoners van de Hondsrug leefden niet uitsluitend van de akkers bij hun dorpen. Op de hogere zandgronden lagen erven en bouwlanden, terwijl de lagere gronden in het Hunzedal mogelijkheden boden voor hooiwinning en beweiding. Verder naar het oosten lagen heidevelden, moerassen en venen. Deze verschillende grondsoorten vormden samen het economische gebied van de dorpsgemeenschappen. Een boer kon belang hebben bij een akker op de zandgrond, een weide in het beekdal en een aandeel in gemeenschappelijke gronden verder van het dorp. Het gebruik van het landschap was daardoor nauw verbonden met plaatselijke rechten.

De Hunze was geen rivier waarop overal en altijd gemakkelijk gevaren kon worden. Ondiepten, bochten en wisselende waterstanden beperkten de mogelijkheden. Tegelijk kon vervoer over water grote voordelen bieden wanneer zware of omvangrijke goederen moesten worden verplaatst. Turf was daarvan een voorbeeld. De gewonnen brandstof moest na het drogen naar een plaats worden gebracht waar zij kon worden geladen. De aanwezigheid van een rivier maakte dat mogelijk, maar betekende niet dat ieder veenperceel rechtstreeks bereikbaar was. Tussen winningsplaats en water waren vaak aanvullende verbindingen nodig.

Ook de afwatering was van groot belang. Wanneer water uit een veengebied werd afgevoerd, kon de bodem bruikbaarder worden voor bepaalde werkzaamheden. Maar ontwatering veroorzaakte ook veranderingen in het landschap. Veen kon inklinken en dalen, waardoor later nieuwe problemen met water ontstonden. Bovendien kon een ingreep in de ene watergang gevolgen hebben voor gronden die verderop lagen. De geschiedenis van het Hunzedal werd daardoor niet alleen bepaald door bezit en arbeid, maar ook door de voortdurende noodzaak om de waterhuishouding te regelen.

Oostermoer en de oude dorpsgemeenschappen

Het gebied aan de oostzijde van de Hondsrug werd verbonden met Oostermoer. De dorpen Annen, Eext en Gieten beschikten over verschillende landbouw- en gebruiksgronden. Hun bewoners waren afhankelijk van de toegang tot akkers, weiden, heide, hout en andere natuurlijke hulpbronnen. Niet iedere grondsoort werd op dezelfde manier beheerd. Sommige percelen waren afzonderlijk bezit, terwijl op andere gronden meerdere gerechtigden aanspraken konden hebben. De verhoudingen tussen de bewoners waren daarom mede afhankelijk van de vraag wie over welke gronden mocht beslissen.

In de latere middeleeuwen worden zulke gemeenschappelijke rechten duidelijker zichtbaar in de organisatie van de Drentse marken. De marke was niet eenvoudigweg een stuk grond waarvan iedere bewoner onbeperkt gebruik kon maken. Er bestonden rechten die verbonden waren aan bepaalde erven of gerechtigden. De precieze inrichting verschilde per plaats en veranderde in de loop van de tijd. Het is daarom niet verantwoord om de goed gedocumenteerde markeverhoudingen uit de zestiende eeuw zonder meer terug te projecteren op het jaar 1200.

Voor de geschiedenis van de venen was dit onderscheid bijzonder belangrijk. Een klooster kon grond verwerven, maar daarmee was niet automatisch bepaald welke bestaande gebruiksrechten bleven bestaan. Ook het recht om water af te voeren, vis te vangen of een weg te gebruiken kon afzonderlijk geregeld zijn. Wanneer verschillende partijen aanspraken hadden op hetzelfde gebied, waren afspraken noodzakelijk. De geschiedenis van de vroege vervening begint daarom bij de juridische verhoudingen tussen de bewoners, hun gemeenschappen en de instellingen die later grond in het gebied verwierven.

Annen en de oostelijke gronden

Annen lag op de hogere zandgronden van de Hondsrug. Vanuit het dorp konden bewoners gebruikmaken van gronden in het Hunzedal en verder naar het oosten. De overgang van zandgrond naar beekdal en veen maakte het mogelijk verschillende vormen van grondgebruik te combineren. De rechten op die gronden waren economisch belangrijk, ook wanneer de betrokken gebieden op aanzienlijke afstand van de erven lagen. De latere ontwikkeling van Annerveen moet binnen deze oudere verhoudingen worden geplaatst.

Het ontstaan van een zelfstandige veennederzetting mag niet zonder meer worden gelijkgesteld aan het eerste gebruik van de betrokken gronden. Boeren konden al eeuwenlang aanspraken hebben op weiden, venen en andere gebruiksgebieden voordat daar een herkenbaar dorp ontstond. Voor Annerveen zijn in de eerdere onderzoeksgegevens vermeldingen uit 1454 en 1457 naar voren gekomen, verbonden met een verlaat en een verdeling van gemeenschappelijke gronden. De precieze inhoud en datering van deze vermeldingen moeten nog aan de oorspronkelijke documenten worden gecontroleerd.

Wanneer zulke gegevens worden bevestigd, kunnen zij belangrijke aanwijzingen geven voor veranderingen in het beheer van de Anner venen. Het verdelen of afzonderlijk regelen van gemeenschappelijke gronden kon gevolgen hebben voor de mogelijkheden om deze intensiever te gebruiken. Daarmee zou de ontwikkeling van Annerveen niet uitsluitend een verhaal over turfwinning zijn, maar ook over de veranderende rechten van de bewoners van Annen. Zonder de oorspronkelijke stukken kan echter niet worden vastgesteld hoeveel grond betrokken was of welke personen bij de overeenkomsten optraden.

Eext, Gieten en Bonnen aan de veenrand

Ook Eext en Gieten lagen op de hogere delen van de Hondsrug, met gebruiksgebieden die zich naar de lagere gronden uitstrekten. De latere namen Eexterveen en Gieterveen herinneren aan de verbinding tussen de oudere zanddorpen en de venen. Voor de periode 1200–1600 moet onderscheid worden gemaakt tussen het gebruik van veengronden vanuit deze dorpen en het ontstaan van de latere nederzettingen. Het bestaan van een veennaam bewijst niet dat er in de dertiende eeuw al een zelfstandige gemeenschap met dezelfde omvang en inrichting bestond.

Bij Bonnen en het latere Bonnerveen speelde een vergelijkbare verhouding tussen zandgrond en veen. De bewoners van oudere nederzettingen konden belang hebben bij verder gelegen gronden. Het gebruik daarvan was afhankelijk van bereikbaarheid, waterstand en bestaande rechten. De latere grootschalige veenontginningen veranderden het landschap ingrijpend, maar mogen niet als uitgangspunt voor de middeleeuwse situatie worden genomen. Voor de vroege geschiedenis moeten plaatsnamen, markerechten en eventuele afzonderlijke grondoverdrachten worden onderzocht.

De dorpen van Oostermoer vormden daarmee geen aaneengesloten veenkolonie. Zij waren oudere landbouwgemeenschappen die op verschillende manieren met het veenlandschap verbonden waren. Hun geschiedenis liep niet overal gelijk. Sommige gebieden kwamen vroeg in schriftelijke bronnen voor, terwijl andere pas veel later duidelijk zichtbaar werden. Juist daarom moeten Annen, Eext, Gieten en Bonnen afzonderlijk worden onderzocht, zonder hun ontwikkeling in één algemene ontginningsgeschiedenis samen te voegen.

Aduard wordt een grootgrondbezitter

In 1192 werd het cisterciënzer klooster Aduard gesticht. De abdij groeide uit tot een belangrijke religieuze en economische instelling in Groningen en de omliggende gebieden. Voor het onderhoud van de gemeenschap waren voedsel, brandstof, bouwmaterialen en inkomsten nodig. De abdij verwierf daarom bezittingen op verschillende plaatsen. Sommige gronden kwamen door schenkingen in kloosterhanden, andere door aankopen of overeenkomsten. De verwerving van grond betekende niet noodzakelijk dat het gebied daarvoor ongebruikt was. Vaak moest het klooster rekening houden met oudere rechten.

De bezittingen van Aduard lagen niet uitsluitend in de directe omgeving van de abdij. Het klooster kreeg ook belangen in gebieden op grotere afstand. Voor het beheer daarvan waren plaatselijke steunpunten nodig. Uithoven of voorwerken konden dienen om werkzaamheden te organiseren, opbrengsten te verzamelen en contact te onderhouden met pachters en andere gebruikers. De precieze inrichting verschilde per plaats. Een uithof kon verbonden zijn met landbouw, veeteelt, turfwinning of andere activiteiten, afhankelijk van de gronden die erbij hoorden.

De economische betekenis van een klooster werd niet uitsluitend bepaald door zijn grondbezit. De gronden moesten worden bewerkt en onderhouden. Daarvoor waren mensen nodig. Lekenbroeders konden praktische werkzaamheden uitvoeren, terwijl ook pachters, knechten en andere arbeiders bij de exploitatie betrokken konden zijn. Het is onjuist om iedere ontginning zonder nader bewijs aan monniken toe te schrijven. De organisatie van arbeid veranderde bovendien in de loop van de eeuwen, onder invloed van economische omstandigheden, bevolkingsontwikkeling en de mogelijkheden om arbeidskrachten beschikbaar te krijgen.

De abdijkerk van Aduard en de behoefte aan brandstof

In de dertiende eeuw werkte Aduard aan de bouw van een grote abdijkerk. De bouw wordt verbonden met de periode omstreeks 1240–1263. Een dergelijk gebouw vergde veel bouwmateriaal en arbeid. Voor het vervaardigen van bakstenen waren klei, ovens en brandstof nodig. De ovens moesten gedurende het bakproces worden gestookt, terwijl de vervaardigde stenen vervolgens naar de bouwplaats moesten worden gebracht. Achter de zichtbare kerkbouw stond daardoor een omvangrijke economische organisatie.

De venen in het achterland konden een belangrijke bron van brandstof vormen. Turf was geschikt voor verschillende werkzaamheden waarvoor warmte nodig was. Het bezit van veengronden bood Aduard mogelijkheden om over brandstof te beschikken. Toch mag niet iedere turflevering uit het Hunzedal zonder bewijs rechtstreeks aan de bouw van de abdijkerk worden gekoppeld. De precieze bestemming van afzonderlijke vrachten moet uit rekeningen, overeenkomsten of andere documenten worden vastgesteld.

De verbinding tussen steenbakkerijen, turfwinning en kerkbouw is niettemin van groot historisch belang. Klei moest worden gewonnen, turf moest worden gestoken en gedroogd, ovens moesten worden onderhouden en bakstenen moesten worden vervoerd. De werkzaamheden waren afhankelijk van mensen die in verschillende delen van het landschap actief waren. De kloosterlijke bouwprojecten maken daardoor zichtbaar hoe religie, arbeid, grondbezit en brandstofgebruik met elkaar verbonden raakten.

Yesse ontstaat bij Essen

In 1215 werd bij Essen, ten zuiden van Groningen, het vrouwenklooster Yesse gesticht. Ook deze cisterciënzer gemeenschap had inkomsten en goederen nodig om te kunnen bestaan. Het klooster verwierf daarom gronden en rechten buiten zijn eigen terrein. In de dertiende eeuw kreeg Yesse belangen bij Kropswolde, aan de rand van de Hunze en de aangrenzende venen. Volgens de digitale tentoonstelling van de Rijksuniversiteit Groningen had Yesse daar al vóór 1249 grond verworven om turf te winnen.

De ligging van Yesse bij Haren en zijn bezittingen bij Kropswolde maakte vervoer noodzakelijk. Het klooster moest producten en benodigdheden tussen verschillende plaatsen kunnen verplaatsen. De vroegere Hunze bood daarvoor mogelijkheden. De Stichting Klooster Yesse beschrijft hoe turf uit Kropswolde op platte vaartuigen over de rivier naar het kloosterterrein werd vervoerd. De precieze route, de afzonderlijke laadplaatsen en de veranderingen daarvan door de eeuwen heen moeten echter zorgvuldig worden onderscheiden.

Yesse was niet de enige religieuze instelling met belangen in deze omgeving. Het klooster Rottum bezat eveneens goederen bij Kropswolde, terwijl Aduard rechten had in het aangrenzende Wolfsbarge. Daardoor ontstond een landschap waarin verschillende kloosters naast elkaar economische belangen uitoefenden. Hun bezittingen en rechten waren niet automatisch met elkaar verbonden. Iedere overeenkomst moet daarom worden toegeschreven aan de juiste instelling en de juiste gronden.

De lekenbroeders van Yesse bij Kropswolde

In 1249 worden lekenbroeders van Yesse bij Kropswolde genoemd. Zij waren betrokken bij de economische activiteiten van het klooster in het veengebied. De aanwezigheid van werkbroeders maakt duidelijk dat de kloosterlijke exploitatie niet uitsluitend uit inkomsten op papier bestond. Er waren mensen die werkzaamheden uitvoerden en daarvoor in het gebied verbleven. Het winnen van turf vergde voorbereiding, het steken van veen, het drogen van de turven en het verzamelen van de brandstof voor vervoer.

Volgens de geschiedenis van Klooster Yesse beschikten de lekenbroeders bij Kropswolde over een uithof en een kapel die aan Maria was gewijd. De afstand tot het moederklooster bij Essen maakte een plaatselijke organisatie begrijpelijk. De werkbroeders konden niet voor iedere werkzaamheid dagelijks heen en weer reizen. De precieze datering en inrichting van de uithof en de kapel moeten aan de afzonderlijke bronnen worden getoetst, maar de aanwezigheid van kloosterlijke activiteiten bij Kropswolde is goed gedocumenteerd.

De turf uit Kropswolde werd onder meer gebruikt als brandstof voor het bakken van stenen. Yesse bouwde in de loop van zijn geschiedenis nieuwe gebouwen, waarvoor baksteen nodig was. De verbinding tussen turfwinning en steenbakkerij laat zien dat het klooster een deel van zijn bouwbehoeften kon verbinden met de exploitatie van eigen goederen. Tegelijk blijft de vraag hoeveel turf voor eigen gebruik werd gewonnen en hoeveel eventueel aan anderen werd geleverd. Daarvoor zijn afzonderlijke productie- en leveringsgegevens nodig.

Het geschil tussen Yesse en de Kropswolders in 1249

In 1249 ontstond een geschil tussen de abdis en het convent van Yesse en inwoners van Kropswolde. De onenigheid betrof onder meer de verplichting om tienden af te dragen over drie stroken moerasgrond die op kosten van Yesse in cultuur waren gebracht. De inwoners verlangden dat het klooster over de opbrengsten van deze gronden bijdragen zou leveren aan de kerk. Vertegenwoordigers van Yesse voerden daartegen aan dat de betrokken ontginningen op grond van kerkelijke privileges van bepaalde lasten waren vrijgesteld.

Deze gebeurtenis maakt de tegenstelling tussen kloosterlijke rechten en plaatselijke belangen bijzonder concreet. Voor Yesse was het belangrijk dat het gebruik van de nieuw ontgonnen gronden niet met extra verplichtingen werd belast. Voor de plaatselijke gemeenschap waren de bijdragen aan kerkelijke en andere voorzieningen van betekenis. De kwestie ging daarmee niet eenvoudigweg over de vraag wie eigenaar was van de grond, maar ook over de financiële verplichtingen die uit het gebruik ervan voortkwamen.

In de historische bespreking wordt ook een uitzondering genoemd voor bijdragen ten behoeve van de kerk en een zijl. Daarbij kwam de mogelijkheid van een lagere bijdrage, aangeduid als half geld, aan de orde. Deze bijzonderheid laat zien hoe ingewikkeld de plaatselijke rechten konden zijn. Een klooster kon voor bepaalde lasten vrijstelling genieten, terwijl andere verplichtingen bleven bestaan. De zaak uit 1249 toont daardoor een vroege spanning tussen economische ontginning, kerkelijke privileges en de belangen van een dorpsgemeenschap.

De middeleeuwse versterking bij Wolfsbarge

Bij Wolfsbarge, in de omgeving van het Zuidlaardermeer, zijn resten van een middeleeuwse versterking onderzocht. Henny Groenendijk beschreef deze versterking in Noorderbreedte in 1987. Volgens de eerdere onderzoeksgegevens ging het om een ronde aanleg met meerdere grachten en een buitendiameter van ongeveer 115 meter. De versterking wordt vóór 1250 gedateerd, al moeten de precieze archeologische gegevens aan het oorspronkelijke onderzoek worden getoetst.

De aanwezigheid van een versterking in dit gebied is belangrijk omdat zij wijst op een oudere geschiedenis van militaire of bestuurlijke macht langs het Hunzedal. De ligging bij landverbindingen rond het Zuidlaardermeer kan strategische betekenis hebben gehad. Wie de versterking liet bouwen en welke functie zij precies vervulde, is echter niet met zekerheid vastgesteld. Zij mag daarom niet zonder bewijs worden voorgesteld als een tolplaats voor turftransporten of als een kasteel dat speciaal voor de controle van de Hunze werd gebouwd.

De versterking moet bovendien worden onderscheiden van de latere bisschoppelijke kastelen uit de tijd van Frederik van Blankenheim. Die behoren tot de machtsstrijd rond 1400 en hebben een andere historische context. De burcht bij Wolfsbarge laat zien dat het Hunzedal al vóór die periode een landschap was waarin niet alleen landbouw en grondbezit, maar mogelijk ook militaire belangen een rol speelden.

De Zuidlaarder venen worden in 1262 verkocht

In 1262 verkochten de buren van Zuidlaren venen en weiden ten oosten van de Hunze aan het klooster Aduard. De gronden lagen tussen waterlopen die in de historische bronnen Gronesbeke en Prumesleke worden genoemd. De overeenkomst is een van de belangrijkste documenten voor de vroege geschiedenis van de vervening in het Hunzedal. Zij laat zien dat de gronden niet eenvoudigweg door het klooster als onbezet gebied in gebruik werden genomen. De overdracht vond plaats door plaatselijke gerechtigden die over rechten op het gebied beschikten.

Bij de overeenkomst waren de pastoors van Noordlaren en Zuidlaren en verschillende leden van beide parochies als getuigen aanwezig. De pastoor van Zuidlaren wordt Eylwardus genoemd. Zijn aanwezigheid is bijzonder omdat de akte van 1262 de oudste bekende schriftelijke vermelding van de pastoor en parochie van Zuidlaren bevat. De getuigen laten zien dat de overdracht plaatsvond binnen bestaande plaatselijke en kerkelijke verhoudingen. De verkoop was daarmee niet alleen een economische transactie, maar ook een juridische handeling waarbij verschillende gemeenschappen betrokken waren.

De overdracht betekende dat Aduard nieuwe mogelijkheden kreeg om de venen te gebruiken. Toch was daarmee niet vastgesteld dat het gehele gebied onmiddellijk zou worden afgegraven. Voor turfwinning waren arbeiders, geschikte omstandigheden en vervoersmogelijkheden nodig. Bovendien konden bestaande rechten op wegen, water en andere gebruiksgronden van belang blijven. De overeenkomst moet daarom worden begrepen als een verandering in de verdeling van rechten, niet als het begin van alle menselijke activiteit in het gebied.

De 28 weren en de rechten van de Zuidlaarder boeren

De overeenkomst van 1264, waarin de eerdere verkoop werd verduidelijkt, vermeldt dat in 1262 achtentwintig delen waren verkocht. Deze delen werden in de volkstaal weren genoemd. Het begrip kan in deze context verband houden met afzonderlijke aandelen of delen in de gemeenschappelijke gronden. De precieze juridische betekenis moet worden afgeleid uit de oorspronkelijke tekst en de plaatselijke verhoudingen. Het is daarom niet zonder meer verantwoord om iedere weer gelijk te stellen aan een modern kadastraal perceel.

In de eerdere onderzoeksnotities wordt ook een bedrag van honderd Groninger ponden per waardeel genoemd. Dat bedrag is bij de huidige broncontrole niet voldoende bevestigd om als vaststaande koopvoorwaarde te worden opgenomen. De achtentwintig delen zijn daarentegen wel expliciet terug te vinden in de historische bespreking van de akte. Het onderscheid tussen een gecontroleerd aantal en een nog onbevestigde prijs is belangrijk, omdat beide gegevens anders een schijn van dezelfde zekerheid zouden krijgen.

De verkoop laat zien dat de Zuidlaarder gemeenschap rechten uitoefende op de venen. De bisschop van Utrecht was landsheer van Drenthe, maar dat betekende niet dat hij automatisch eigenaar was van alle gronden in het gebied. De overdracht aan Aduard kwam tot stand door de plaatselijke gerechtigden. Daarmee vormt de overeenkomst een belangrijk vroeg bewijs voor de zelfstandige economische betekenis van dorpsrechten, lang voordat deze in het Drentse Landrecht van 1412 opnieuw zichtbaar werden.

De overeenkomst van 1264

In 1264 werden de afspraken tussen Aduard en de Zuidlaarder gerechtigden nader geregeld. De overeenkomst had betrekking op de eerder verkochte venen en weiden, op gemeenschappelijke grond bij Everswolde en op visrechten in de omgeving van de Hunze en het Zuidlaardermeer. Daarmee wordt duidelijk dat de transactie niet uitsluitend over de winning van turf ging. Ook andere vormen van grond- en watergebruik waren belangrijk.

Het visrecht laat zien dat eigendom van grond en het gebruik van water afzonderlijke juridische onderwerpen konden zijn. Wie een stuk veen verwierf, kreeg daarmee niet noodzakelijk alle rechten op de aangrenzende waterlopen. Dezelfde voorzichtigheid geldt voor wegen en doorgangen. Voor de exploitatie van een veengebied waren zulke verbindingen noodzakelijk, maar hun gebruik kon afhankelijk zijn van bestaande afspraken.

De overeenkomst van 1264 is bovendien belangrijk vanwege verwijzingen naar oudere verplichtingen rond de kerk van Zuidlaren en de levering van bouwmateriaal. De precieze uitleg van enkele termen in de overgeleverde tekst is onderwerp van onderzoek. De oorspronkelijke akten zijn niet bewaard gebleven; de teksten zijn bekend via latere afschriften. Daardoor moeten de formuleringen zorgvuldig worden behandeld. De samenhang tussen kerkbouw, kloosterlijke dienstverlening en grondverwerving is duidelijk, maar niet iedere afzonderlijke verplichting kan zonder verdere tekstkritiek worden gereconstrueerd.

Everswolde en de kloosterlijke exploitatie

Het gebied dat in de middeleeuwse bronnen Everdeswolde of Everswolde werd genoemd, lag ten oosten van de Hunze, in de omgeving van het latere Zuidlaarderveen. De ligging op de overgang van beekdal naar veen maakte verschillende vormen van grondgebruik mogelijk. Aduard verwierf hier in de dertiende eeuw belangrijke rechten. Het klooster had belang bij de venen, maar ook bij de aangrenzende weiden en andere gronden.

De exploitatie van zulke bezittingen vereiste plaatselijk beheer. Een klooster dat op aanzienlijke afstand grond bezat, kon niet iedere dagelijkse werkzaamheid vanuit de abdij organiseren. Daarom konden uithoven en beheerders een belangrijke rol spelen. De precieze stichting van de Aduarder hof bij Everswolde is niet met zekerheid vastgesteld, maar latere documenten maken duidelijk dat het klooster daar over een georganiseerd economisch steunpunt beschikte.

Everswolde moet worden onderscheiden van het latere dorp Zuidlaarderveen. De middeleeuwse naam verwees naar een ouder gebied en een vroeg stadium van bewoning en exploitatie. De latere lintbebouwing ontstond in andere omstandigheden. Het is daarom niet verantwoord om de nederzettingsvorm van de zestiende of zeventiende eeuw rechtstreeks op de situatie rond 1262 te projecteren. De ontwikkeling verliep geleidelijk en was afhankelijk van de mogelijkheden om de gronden te gebruiken.

De kapel van Sint-Bernardus

In de eerdere onderzoeksgegevens wordt voor 1263 een kapel genoemd met de naam Hortus Sancti Bernardi. Deze vermelding wordt verbonden met de kloosterlijke aanwezigheid bij Everswolde. De naam verwijst naar Sint-Bernardus, die binnen de cisterciënzer traditie een belangrijke plaats innam. De precieze datering, ligging en functie van de kapel zijn echter nog niet voldoende aan de oorspronkelijke bron gecontroleerd.

Een religieuze voorziening bij een uithof zou passen bij een gebied waar kloosterlingen en andere gebruikers gedurende langere tijd verbleven. Dat betekent niet dat er een zelfstandige abdij gevestigd was. Een kapel, een uithof en een klooster waren verschillende instellingen. Voor het verhaal over Everswolde blijft de vermelding belangrijk, maar zij kan pas volledig worden uitgewerkt wanneer duidelijk is welke bron de naam gebruikt en wat daarover precies wordt meegedeeld.

Het geschil van Yesse in 1268

Op 22 mei 1268 werd uitspraak gedaan in een geschil rond bezittingen van Yesse bij Kropswolde. De abt van Selwerd trad als rechter op. Volgens de digitale tentoonstelling van de Rijksuniversiteit Groningen ging het om de vraag of Yesse bepaalde bezittingen in Kropswolde rechtmatig aan Rottum had verkocht. De abt stelde Yesse in het gelijk. De betrokkenheid van Selwerd laat zien dat conflicten over kloostergoederen ook buiten de plaatselijke dorpsgemeenschap konden worden behandeld.

Deze gebeurtenis maakt duidelijk dat Yesse niet alleen met de inwoners van Kropswolde te maken had. Ook andere kerkelijke instellingen konden rechten hebben op dezelfde of aangrenzende gronden. De overdracht van goederen tussen kloosters kon aanleiding geven tot juridische procedures. De precieze omvang van de betrokken percelen moet uit de oorspronkelijke akte worden vastgesteld. Het is niet bewezen dat deze procedure rechtstreeks over vaarrechten ging.

De geschiedenis van Kropswolde laat daarmee een ingewikkeld netwerk van eigendom, gebruik en kerkelijke rechtspraak zien. De kloosters hadden economische belangen bij de gronden, maar moesten hun aanspraken tegenover andere rechthebbenden kunnen verdedigen. De uitkomst van een procedure kon van belang zijn voor de verdere exploitatie. Daarmee waren juridische zekerheid en economische ontwikkeling nauw met elkaar verbonden.

De Groeve en de aanleg van een waterverbinding

Bij het huidige De Groeve kwam een gegraven waterverbinding uit in het gebied van het Zuidlaardermeer en de Hunze. De naam verschijnt in de middeleeuwse bronnen onder vormen als Growe en Grove. De watergang wordt in de regionale geschiedschrijving verbonden met werkzaamheden van Aduard, dat de verbinding gebruikte voor de afvoer van turf uit zijn bezittingen.

De aanleg van een dergelijke watergang vergde arbeid en kennis van het landschap. Het water moest kunnen worden afgevoerd, terwijl de verbinding voor vervoer voldoende bruikbaar moest blijven. Een gegraven waterloop kon daarmee zowel economische voordelen als nieuwe problemen veroorzaken. De afwatering van de ene grond kon immers gevolgen hebben voor andere percelen.

De geschiedenis van De Groeve laat zien dat de kloosters niet uitsluitend bestaande natuurlijke verbindingen gebruikten. Zij konden ook betrokken zijn bij aanpassingen van het watersysteem. Zulke werkzaamheden maakten de exploitatie van veengronden mogelijk of gemakkelijker, maar vereisten afspraken met andere gebruikers. Daarmee werd waterbeheer een belangrijk onderdeel van de kloosterlijke economie.

De knijpe en het vervoer over ondiep water

De Hunze kende ondiepe trajecten en wisselende waterstanden. Voor het vervoer van turf konden deze omstandigheden grote beperkingen opleggen. Een beladen vaartuig had voldoende water nodig om te kunnen varen. Wanneer de natuurlijke afvoer daarvoor niet voldoende was, konden technische voorzieningen worden gebruikt om tijdelijk water vast te houden.

Bij Zuidlaarderveen wordt een knijpe genoemd, een voorziening waarmee water kon worden opgehouden. Wanneer voldoende water was verzameld, kon de afsluiting worden geopend. De vrijgekomen watermassa hielp de vaartuigen verder stroomafwaarts. Deze werkwijze laat zien hoe mensen de natuurlijke omstandigheden van de rivier probeerden te benutten. Zij maakte de Hunze echter niet tot een waterweg waarop onder alle omstandigheden gemakkelijk gevaren kon worden.

De aanwezigheid van zulke waterwerken was economisch belangrijk, maar kon ook gevolgen hebben voor de afwatering. Het vasthouden en loslaten van water veranderde tijdelijk de waterstand. Daardoor konden belangen van vervoerders en grondgebruikers met elkaar botsen. De geschiedenis van de knijpe moet daarom niet uitsluitend als een technische ontwikkeling worden beschreven, maar ook als onderdeel van de bredere strijd om het gebruik van water.

Het waterconflict van 8 april 1285

Op 8 april 1285 werd een geschil beslecht tussen de abt en het convent van Aduard enerzijds en de bewoners van Oosterwolde en Go anderzijds. Het conflict ging over een dam die de bewoners in de Growe hadden aangelegd. Egbertus, prefect in Groningen, trad samen met andere betrokkenen op bij de scheidsrechterlijke uitspraak. De oorkonde werd bezegeld door vertegenwoordigers van Groningen, Hunsingo, Fivelgo en Drenthe en door de abt van Aduard.

De gebeurtenis laat zien hoe ver de gevolgen van waterwerken konden reiken. Een dam in een watergang kon de afvoer veranderen en daardoor verschillende gemeenschappen raken. De betrokkenheid van vertegenwoordigers uit meerdere gebieden maakt duidelijk dat het conflict niet uitsluitend een plaatselijke aangelegenheid was. De uitspraak werd later, in 1364, opnieuw gebruikt bij een arbitrale beslissing. Daarmee bleef het document gedurende lange tijd juridisch van betekenis.

De overeenkomst uit 1285 toont de grenzen aan de macht van een klooster. Aduard had economische belangen bij zijn waterverbindingen, maar kon niet zonder rekening te houden met andere gebruikers handelen. De bewoners van Oosterwolde en Go hadden op hun beurt belang bij bescherming tegen wateroverlast. De uitspraak vormde een poging om de verschillende aanspraken met elkaar te verenigen. Het ging daarmee om een conflict over water, grondgebruik en bestuurlijke bevoegdheden.

De dam en de bescherming tegen bovenwater

De regeling van 1285 had betrekking op de gevolgen van water dat uit hoger gelegen gebieden naar de lagere gronden stroomde. Voor bewoners van zulke gebieden kon bescherming tegen bovenwater noodzakelijk zijn. Een dam kon daarbij helpen, maar kon tegelijkertijd de afvoer van andere waterlopen beïnvloeden. De betrokken partijen moesten daarom afspraken maken over de manier waarop het water werd tegengehouden en afgevoerd.

In de historische bespreking van de uitspraak wordt een zuidwending genoemd, een dwarsdijk die kon dienen om bovenwater tegen te houden. De bewoners van Oosterwolde en Go mochten hun dam onder voorwaarden behouden, maar moesten meewerken aan maatregelen die problemen voor andere gronden moesten voorkomen. De precieze technische bepalingen moeten aan de volledige oorkondetekst worden getoetst.

Het conflict maakt duidelijk dat waterbeheer in het Hunzedal niet uitsluitend draaide om het afvoeren van zoveel mogelijk water. Soms moest water worden tegengehouden om lager gelegen gronden te beschermen. Elders was juist een vrije afvoer gewenst. Daardoor ontstonden tegengestelde belangen. De geschiedenis van de veenontginning was dus ook een geschiedenis van onderhandelingen over de gevolgen van ingrepen in het landschap.

De overeenkomst tussen Rottum en Yesse in 1291

Op 5 juli 1291 verkocht het klooster Rottum een stuk grond bij Kropswolde aan Yesse. De historische gegevens verbinden deze overdracht met een gebied dat als de Virge of de Roeden wordt aangeduid en met een aandeel in Salmewere. De koopsom wordt in de eerdere onderzoeksgegevens vermeld als 72 mark sterling. Als borgen worden Hermannus Butzel en Ludolfus Sickinge uit Groningen genoemd.

Deze transactie laat zien dat kloosters niet alleen grond door schenkingen verwierven. Zij konden ook onderling bezittingen verkopen en daarvoor aanzienlijke bedragen overeenkomen. De betrokkenheid van borgen wijst op het belang van juridische zekerheid. De precieze omvang en begrenzing van het verkochte perceel moeten aan de oorspronkelijke oorkonde worden gecontroleerd, omdat de historische aanduidingen niet zonder meer met moderne perceelsgrenzen overeenkomen.

Bijzonder belangrijk is de vermelding van vrije vaart in de eerdere reconstructie van deze overeenkomst. Wanneer dit beding aan de oorspronkelijke tekst wordt bevestigd, toont het dat eigendom van grond en gebruik van een waterverbinding afzonderlijke rechten konden zijn. Het is echter niet verantwoord om daaruit een algemeen recht van onbeperkte scheepvaart voor alle gebruikers van de Hunze af te leiden. De precieze reikwijdte van het beding moet uit de oorkonde blijken.

De waterrechten blijven onderwerp van geschillen

De overeenkomsten uit de dertiende eeuw maakten niet onmiddellijk een einde aan alle problemen rond het water. Naarmate meer gronden werden gebruikt en watergangen werden aangepast, konden nieuwe belangen ontstaan. Een bestaande dam kon voor de ene gebruiker nuttig zijn en voor een andere hinderlijk. Ook visserijvoorzieningen en andere werken in de rivier konden onderwerp van juridische afspraken worden.

Op 3 en 4 september 1309 werden uitspraken vastgelegd in een geschil tussen de gemeenschap van Drentherwolde en de buren van Annen over de Hunze. Volgens de archiefbeschrijving werd bepaald dat de inwoners van Annen een visvoorziening, aangeduid als een were, ter plaatse in stand moesten houden. De uitspraken zijn in twee exemplaren en een later afschrift overgeleverd.

Deze bron is belangrijk omdat zij de inwoners van Annen rechtstreeks verbindt met rechten en verplichtingen aan de Hunze. Zij maakt ook duidelijk dat niet ieder waterconflict uitsluitend over de afvoer van turf ging. Visserij kon eveneens aanleiding geven tot juridische afspraken. De eerdere voorstelling dat boeren in 1309 een stuw vernielden, wordt door deze archiefbeschrijving niet bevestigd en mag daarom niet als vaststaand feit in het verhaal worden opgenomen.

De rechten van Annen op de Hunze

Het geschil van 1309 vormt een belangrijk aanknopingspunt voor de geschiedenis van Oostermoer. De inwoners van Annen hadden kennelijk belangen bij een voorziening in de Hunze die door andere betrokkenen werd betwist. De scheidsrechterlijke uitspraak maakte duidelijk wie verantwoordelijk was voor het in stand houden van de betrokken visvoorziening. Daarmee wordt een concreet recht zichtbaar dat niet uitsluitend met landbouw of turfwinning verband hield.

De gebeurtenis laat zien dat de dorpsgemeenschappen langs de Hondsrug ook rechten konden uitoefenen op water dat op enige afstand van hun nederzettingen lag. De Hunze vormde niet alleen een geografische grens of een vervoersverbinding, maar ook een gebied waar economische aanspraken bestonden. Visserij, afwatering en andere vormen van watergebruik konden naast elkaar voorkomen.

Voor het bredere verhaal is dit van betekenis omdat het de zelfstandige positie van de Drentse dorpen zichtbaar maakt. De inwoners van Annen traden niet slechts op als gebruikers van kloosterlijke gronden. Zij waren betrokken bij een juridisch geschil waarin hun eigen rechten en verplichtingen werden vastgesteld. Daarmee krijgt Oostermoer een concretere plaats in de geschiedenis van het Hunzedal.

De hofmeester van Everswolde in 1323

In 1323 verschijnt de hofmeester van Everswolde in een akte die verband houdt met waterstaatkundige werkzaamheden bij Schilligeham, ten westen van Winsum. Samen met Sicco Alardisma werd hij namens de inwoners van Wolfsbarge aangewezen als borg voor mogelijke schade die uit het project kon voortkomen. De betrokkenheid van deze personen maakt duidelijk dat de belangen van Everswolde en Wolfsbarge verder reikten dan hun directe omgeving.

Het project bij Schilligeham hield verband met de grotere waterhuishouding van Groningen en de omliggende gebieden. Daarbij waren verschillende gemeenschappen en kloosterinstellingen betrokken. De overeenkomst laat zien dat waterstaatkundige werkzaamheden samenwerking en juridische zekerheid vereisten. Wanneer een ingreep schade kon veroorzaken, wilden de betrokken partijen vooraf vastleggen wie daarvoor verantwoordelijk was.

De hofmeester van Everswolde is een belangrijke figuur omdat hij het plaatselijke beheer van de kloostergoederen zichtbaar maakt. Zijn optreden toont dat een kloosterlijk steunpunt niet uitsluitend betrokken was bij de exploitatie van landbouwgrond of veen. Ook regionale waterstaatkundige belangen konden een rol spelen. Sicco Alardisma behoort tot de weinige bij naam genoemde personen uit deze vroege geschiedenis en verdient daarom een duidelijke plaats in het verhaal.

Yesse en de grote waterwerken van 1323

Ook Yesse was in 1323 betrokken bij waterstaatkundige afspraken. In onderzoek naar de geschiedenis van de zijlvesten wordt beschreven dat de abdis van Yesse samen met verschillende parochies deelnam aan een overeenkomst rond de aanleg van zijlen bij Schilligeham. Daarbij worden onder meer Noordlaren met Wolfsbarge, Haren, Eelde, Middelbert, Noorddijk en Engelbert genoemd.

De deelname van deze gebieden maakt duidelijk dat de afwatering van het Drentse en Groningse achterland niet binnen afzonderlijke dorpsgrenzen kon worden geregeld. Water uit verschillende gebieden kwam samen in een groter systeem. Wanneer benedenstrooms voorzieningen werden aangelegd, konden de gevolgen voor een groot aantal gebruikers van belang zijn.

Voor Yesse betekende deelname aan zulke afspraken dat het klooster ook buiten zijn eigen terrein betrokken was bij de organisatie van waterbeheer. De kloosterlijke economie was afhankelijk van bruikbare gronden en verbindingen. De aanleg en het onderhoud van zijlen konden daarom rechtstreeks samenhangen met de mogelijkheden om goederen te produceren en te vervoeren. De betrokkenheid van Yesse maakt de geschiedenis van het Hunzedal onderdeel van een groter regionaal watersysteem.

Agneza en de zesduizend turven van 1332

In de eerdere onderzoeksgegevens wordt voor 1332 een recht genoemd op een jaarlijkse levering van zesduizend turven uit Kropswolde. Het recht wordt verbonden met Agneza, een vrouw uit een Groningse familie. Deze vermelding is belangrijk omdat zij een concreet aantal turven koppelt aan een bepaalde persoon en een bepaald gebied. De oorspronkelijke oorkonde is bij de huidige controle echter niet opnieuw ingezien, zodat de precieze juridische formulering nog moet worden vastgesteld.

Wanneer de vermelding wordt bevestigd, laat zij zien dat turf niet uitsluitend voor direct gebruik door de graver of de grondeigenaar werd gewonnen. Er konden ook rechten bestaan op een jaarlijkse hoeveelheid brandstof. Zo'n recht kon economisch waardevol zijn, omdat de levering herhaaldelijk moest plaatsvinden. Daarvoor moesten mensen de turf winnen, drogen en beschikbaar maken voor de rechthebbende.

Het genoemde aantal van zesduizend turven mag niet worden voorgesteld als de totale jaarlijkse productie van Kropswolde of van het klooster Yesse. Het betreft volgens de onderzoeksnotities een afzonderlijk leveringsrecht. Juist dit onderscheid is belangrijk. Een concreet recht op een hoeveelheid turf geeft inzicht in de economische betekenis van brandstof, maar vertelt niet hoeveel turf in het gehele gebied werd geproduceerd of verhandeld.

Turf als brandstof en als economische verplichting

De vermelding uit 1332 maakt duidelijk waarom turfwinning meer was dan het verzamelen van brandstof voor eigen gebruik. Turf kon onderwerp zijn van overeenkomsten, leveringsrechten en andere economische verplichtingen. De waarde van zulke rechten hing af van de beschikbaarheid van geschikte venen, de arbeid die nodig was om de turf te winnen en de mogelijkheid om de brandstof bij de rechthebbende te brengen.

Het steken van turf was seizoensgebonden. De gewonnen turven moesten drogen voordat zij konden worden opgeslagen of vervoerd. Bij ongunstige weersomstandigheden kon dit proces worden bemoeilijkt. De werkzaamheden waren daardoor afhankelijk van het seizoen en de toestand van het landschap. Ook het vervoer kon door de waterstand worden beïnvloed.

De kloosters hadden belang bij een regelmatige beschikbaarheid van brandstof, maar waren niet de enige gebruikers. Huishoudens, ambachten en instellingen in Groningen konden eveneens behoefte hebben aan turf. De afzonderlijke afnemers en hoeveelheden moeten echter uit concrete bronnen worden vastgesteld. Het bestaan van een stedelijke vraag bewijst niet welke specifieke vrachten vanuit Kropswolde of Everswolde naar welke afnemers gingen.

De pest treft Aduard in 1350

In het midden van de veertiende eeuw werd ook het noorden getroffen door de pest. Volgens de Aduarder kloosterkroniek overleden in 1350 de abt, vierenveertig monniken en honderdtwintig lekenbroeders. Deze aantallen moeten worden gepresenteerd als gegevens uit de kroniek, niet als onafhankelijk vastgestelde tellingen. De omvang van de vermelde sterfte laat niettemin zien dat de kloostergemeenschap zwaar werd getroffen.

Voor een instelling die afhankelijk was van religieuzen, beheerders en arbeidskrachten kon een dergelijke sterfte grote gevolgen hebben. Gronden en rechten bleven bestaan, maar de mensen die de werkzaamheden organiseerden en uitvoerden, konden wegvallen. De precieze gevolgen voor de goederen bij Everswolde en Wolfsbarge zijn niet vastgesteld. Het is daarom niet verantwoord om zonder aanvullende bronnen te stellen dat de turfwinning daar in een bepaald jaar volledig stilviel.

De pest maakt wel zichtbaar dat de kloosterlijke economie kwetsbaar was. De exploitatie van verspreide bezittingen vereiste mensen die konden werken, reizen en toezicht houden. Wanneer een groot deel van de gemeenschap overleed, kon dit de organisatie van het klooster onder druk zetten. De geschiedenis van Aduard moet daarom niet alleen worden verteld vanuit de groei van zijn bezit, maar ook vanuit de tegenslagen die het functioneren van de instelling konden beïnvloeden.

De waterafspraken van 1364

In 1364 werd de oorkonde uit 1285 opnieuw gebruikt bij een arbitrale uitspraak door burgemeesters en raad van Groningen. Deze vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat oudere waterstaatkundige afspraken ook na tientallen jaren juridische betekenis konden behouden. Een conflict dat in de dertiende eeuw was geregeld, kon later opnieuw relevant worden wanneer nieuwe problemen ontstonden of bestaande rechten ter discussie werden gesteld.

De geschiedenis van het waterbeheer bestond daardoor niet uit afzonderlijke, op zichzelf staande gebeurtenissen. Overeenkomsten konden als precedent dienen voor latere beslissingen. De betrokken partijen konden zich beroepen op oudere rechten en verplichtingen. Dat maakte het bewaren van oorkonden belangrijk. Het document uit 1285 bleef niet uitsluitend een herinnering aan een vroeger geschil, maar kon opnieuw worden gebruikt om juridische verhoudingen vast te stellen.

Voor het Hunzedal is dit van betekenis omdat het laat zien hoe langdurig de gevolgen van waterwerken konden zijn. Dammen, watergangen en andere voorzieningen veranderden het landschap, maar de afspraken erover bleven eveneens bestaan. De economische ontwikkeling van de venen was daardoor verbonden met een groeiende geschiedenis van schriftelijk vastgelegde rechten.

Groningen en het Gorecht vóór 1392

Groningen ontwikkelde zich gedurende de middeleeuwen tot een belangrijk handelscentrum. De stad had behoefte aan voedsel, brandstof, bouwmaterialen en andere goederen uit het omliggende gebied. De verbindingen met het Drentse achterland waren daarom economisch belangrijk. De Hunze en de wegen langs de Hondsrug maakten deel uit van het grotere netwerk waarlangs mensen en goederen zich konden verplaatsen.

De stad had echter niet onbeperkt gezag over het omliggende gebied. Het Gorecht kende eigen bestuurlijke en juridische verhoudingen, terwijl de bisschop van Utrecht als landsheer aanspraken had. Plaatselijke gemeenschappen en grondbezitters beschikten bovendien over eigen rechten. Daardoor was de verhouding tussen Groningen en het achterland ingewikkeld. De economische invloed van de stad viel niet automatisch samen met bestuurlijke macht.

Voor de geschiedenis van het Hunzedal is dit onderscheid belangrijk. Groningen kon belang hebben bij de aanvoer van turf en andere producten, maar dat betekende niet dat de stad eigenaar was van de venen waaruit die goederen afkomstig waren. De rechten van boeren, kloosters en andere grondbezitters bleven afzonderlijk bestaan. Juist de spanning tussen economische invloed en juridische bevoegdheden zou in de late veertiende eeuw opnieuw zichtbaar worden.

Groningen verkrijgt het Gorecht in 1392

In 1392 verkreeg Groningen het Gorecht voor honderd jaar in pacht. Dit was een belangrijke verandering in de bestuurlijke verhoudingen rond de stad en het zuidelijke achterland. De overeenkomst had betrekking op bestuurlijke en juridische bevoegdheden. Zij betekende niet dat Groningen daarmee automatisch eigenaar werd van alle gronden, venen en waterwegen binnen het gebied.

Voor de stad was het Gorecht van belang vanwege de uitoefening van rechtsmacht en de verbinding met het achterland. De bestuurlijke positie van Groningen kon daardoor worden versterkt. Tegelijk bleven de bestaande rechten van plaatselijke gemeenschappen en afzonderlijke grondbezitters van betekenis. De verhouding tussen de stad, de bisschop van Utrecht en andere machthebbers bleef onderwerp van strijd.

De pacht van 1392 vormt daarom een belangrijk keerpunt in de politieke geschiedenis van het gebied. Zij veranderde niet onmiddellijk de natuurlijke omstandigheden van het Hunzedal, maar kon wel invloed hebben op de bestuurlijke omgeving waarin conflicten over grond, water en rechten werden behandeld. Daarmee kwam de geschiedenis van de rivier sterker in aanraking met de machtsstrijd rond Groningen.

Frederik van Blankenheim wordt bisschop

In 1393 werd Frederik van Blankenheim bisschop van Utrecht. Als landsheer van Drenthe had hij belang bij het herstel van zijn gezag in het noorden. Zijn positie werd betwist door andere machthebbers, waaronder Reinold van Coevorden. Frederik trad militair en bestuurlijk op om zijn rechten te versterken. In 1395 wist hij Coevorden opnieuw onder zijn gezag te brengen en zijn positie in Drenthe te herstellen.

De strijd ging niet uitsluitend over afzonderlijke kastelen of steden. Zij had betrekking op de uitoefening van landsheerlijke macht, rechtspraak en de controle over gebieden en verbindingen. Voor Drenthe was dit van grote betekenis, omdat de bisschop zijn positie tegenover plaatselijke machthebbers en gemeenschappen opnieuw wilde vastleggen. De gebeurtenissen hadden daarmee ook gevolgen voor de bestuurlijke omgeving van Oostermoer.

Frederik was niet de eigenaar van alle gronden die binnen zijn landsheerlijkheid lagen. Zijn gezag als landsheer moet worden onderscheiden van de eigendomsrechten van kloosters, boeren en andere bezitters. Dit onderscheid is bijzonder belangrijk voor de geschiedenis van de venen. De bisschop kon bestuurlijke bevoegdheden uitoefenen zonder dat iedere verkoop of ontginning rechtstreeks uit zijn persoonlijke grondbezit voortkwam.

De strijd om Groningen en het Gorecht

Tussen 1392 en 1405 ontstond een langdurige strijd om de macht rond Groningen en het Gorecht. Frederik van Blankenheim wilde zijn landsheerlijke gezag versterken, terwijl Groningen zijn bestuurlijke positie verdedigde. De conflicten hadden betrekking op rechtspraak, militaire macht en de toegang tot het achterland. De wegen en doorgangen rond Groningen konden daarbij van strategische betekenis zijn.

Voor de stad was de bereikbaarheid van het achterland economisch belangrijk. Goederen uit Drenthe en de omliggende gebieden moesten Groningen kunnen bereiken. Een militaire versterking bij een belangrijke toegangsweg kon daardoor ook gevolgen hebben voor het gewone verkeer. Dat betekent echter niet dat de oorlog uitsluitend over handel of turf ging. De kern van het conflict lag in de strijd om bestuurlijk en militair gezag.

Er is geen rechtstreeks bewijs gevonden dat Frederik specifiek turfschepen liet tegenhouden of dat de turfprijzen door de oorlog stegen. Zulke gevolgen mogen daarom niet als vaststaande feiten worden beschreven. Wel maakt de strijd duidelijk dat economische verbindingen kwetsbaar konden worden wanneer verschillende machthebbers de toegangswegen tot Groningen wilden beheersen.

De vijf versterkingen van Frederik

Het onderzoek van Diana Spiekhout naar de kastelenpolitiek van Frederik van Blankenheim beschrijft vijf versterkingen die in verband stonden met de machtsstrijd rond Groningen. Het ging om Blankeweer, Blankenvoorde, Peize, Eelde en Ammerkehorn. Daarnaast was er een landweer waarin Blankeweer lag. De versterkingen vormden onderdeel van een bredere militaire strategie waarmee de bisschop zijn positie tegenover Groningen wilde versterken.

De ligging van zulke versterkingen was van belang. Een kasteel of landweer kon een weg of doorgang beheersen en daarmee militaire bewegingen beïnvloeden. Ook de bereikbaarheid van het achterland kon daardoor onder druk komen te staan. De afzonderlijke versterkingen hadden echter niet noodzakelijk dezelfde functie. Hun ligging, inrichting en gebruik moeten per locatie worden onderzocht.

Voor het Hunzedal zijn vooral de verbindingen tussen Groningen en het zuidelijke achterland relevant. De militaire strijd rond 1400 maakt duidelijk dat wegen en waterlopen niet uitsluitend economische voorzieningen waren. Zij konden ook strategische betekenis hebben. De oudere burcht bij Wolfsbarge moet hiervan worden onderscheiden, omdat haar oorsprong in een vroegere periode wordt geplaatst.

Het bestand van 1401 en de vrede van 1405

In 1401 kwam een bestand tot stand waarin beperkingen rond Blankeweer werden opgenomen. De strijd was daarmee niet onmiddellijk definitief beëindigd. De betrokken partijen bleven onderhandelen over de bestuurlijke en militaire verhoudingen. In 1405 volgde een vredesregeling waarin onder meer het afbreken van versterkingen een rol speelde.

Volgens de eerdere onderzoeksgegevens werd op 18 september 1405 vrede gesloten. Op 1 oktober 1405 verpachtte Frederik van Blankenheim het Groningse gericht opnieuw voor honderd jaar aan de stad. De verpachting van 1 oktober is in de archiefbeschrijvingen terug te vinden. De precieze bepalingen van de vredesregeling moeten aan de oorspronkelijke documenten worden getoetst.

De gebeurtenissen laten zien dat de strijd om Groningen zowel met militaire middelen als met juridische afspraken werd gevoerd. Het afbreken van versterkingen kon de militaire druk verminderen, terwijl nieuwe bestuurlijke overeenkomsten de verhouding tussen de stad en de bisschop moesten regelen. Voor het Hunzedal veranderde daarmee de bestuurlijke omgeving waarin de rechten van dorpen, kloosters en andere bezitters werden uitgeoefend.

Het Drentse Landrecht van 1412

Op 16 september 1412 werd onder Frederik van Blankenheim het Landrecht van Drenthe vastgesteld. Het document bevatte zevenenveertig artikelen over onder meer strafrecht, rechtspraak, de rechterlijke organisatie en bisschoppelijke belastingheffing. Het Landrecht was geen volledig wetboek waarin alle eigendoms- en gebruiksrechten werden geregeld. Het burgerlijk recht ontbrak grotendeels. De regeling had vooral betrekking op de verhouding tussen de Drenten en hun landsheer.

Het Landrecht kwam tot stand na overleg met de Drenten. Het was daarom niet eenvoudigweg een verzameling regels die zonder inspraak van bovenaf werd opgelegd. De bestaande gewoonterechtelijke verhoudingen kregen een schriftelijke vorm. Ook het recht van de Drentse gemeenschappen om op verschillende niveaus bijeen te komen en besluiten te nemen, bleef van betekenis.

Voor de geschiedenis van Oostermoer is dit belangrijk omdat de dorpsgemeenschappen een eigen positie behielden binnen het landsheerlijke bestuur. De bisschop oefende gezag uit, maar dat betekende niet dat hij alle plaatselijke rechten naar eigen inzicht kon vervangen. Het Landrecht maakt daardoor zichtbaar hoe landsheerlijke macht en gemeenschappelijke zelforganisatie naast elkaar konden bestaan.

De marken behouden hun eigen rechten

In de historische bespreking van het Landrecht wordt een bepaling aangehaald waarin de Drentse gemeenschappen het recht behouden om over hun marke te vergaderen. Daarbij worden verschillende soorten gronden genoemd, waaronder akkers, hooilanden en houtgronden. De bepaling laat zien dat het beheer van de marke een eigen plaats had binnen de bestuurlijke organisatie van Drenthe.

Dit betekent niet dat Frederik in 1412 voor het eerst het recht verleende om veengronden te verkopen. De overdracht van de Zuidlaarder venen aan Aduard in 1262 laat zien dat plaatselijke gerechtigden dergelijke rechten al veel eerder uitoefenden. Het Landrecht moet daarom worden begrepen als een schriftelijke vastlegging van belangrijke bestaande verhoudingen, niet als het begin van alle grondrechten in Drenthe.

Voor Annen, Eext, Gieten en de andere dorpen van Oostermoer bleef het beheer van gemeenschappelijke gronden van betekenis. De precieze rechten verschilden per plaats en moeten uit afzonderlijke documenten worden gereconstrueerd. De geschiedenis van de venen werd daardoor niet uitsluitend bepaald door besluiten van kloosters of landsheren, maar ook door de organisatie van de dorpsgemeenschappen.

Andere kloosters verwerven rechten bij Everswolde

Aduard was niet de enige religieuze instelling met belangen in Everswolde. Uit onderzoek naar de goederen van de commanderijen van Warffum en Wijtwerd blijkt dat zij rond 1400 eveneens land in het gebied bezaten. In 1412 werd over zulke bezittingen geprocedeerd. Deze gegevens laten zien dat het grondbezit in Everswolde niet onder één instelling viel.

De aanwezigheid van verschillende kloosters en commanderijen kon leiden tot ingewikkelde juridische verhoudingen. Een instelling kon bepaalde gronden bezitten, terwijl een andere rechten had op aangrenzende percelen. Ook het gebruik van watergangen en andere voorzieningen kon onderwerp van afspraken zijn. De precieze omvang van de afzonderlijke bezittingen moet per oorkonde worden vastgesteld.

Voor het verhaal is vooral van belang dat Everswolde niet uitsluitend als een Aduarder bezit wordt voorgesteld. De abdij had er belangrijke belangen, maar andere religieuze instellingen waren eveneens betrokken bij de economische geschiedenis van het gebied. Daarmee ontstond een landschap waarin verschillende kerkelijke organisaties naast plaatselijke bewoners en gerechtigden actief waren.

De Mariakapel van Yesse en het conflict met de pastoor

In de eerste helft van de vijftiende eeuw ontstond bij Kropswolde een conflict tussen de pastoor van de parochiekerk en de lekenbroeders van Yesse. De Mariakapel van de werkbroeders trok bezoekers, mede vanwege een vermeend Mariawonder. Volgens de geschiedenis van Klooster Yesse gingen parochianen daardoor liever naar de kapel dan naar hun eigen kerk. Dat had gevolgen voor de inkomsten van de pastoor, omdat giften en andere bijdragen naar de kapel gingen.

De pastoor diende een klacht in. Het conflict laat zien dat religieuze instellingen ook economisch met elkaar konden concurreren. Een kapel kon bezoekers trekken en daardoor inkomsten ontvangen die anders mogelijk naar de parochiekerk waren gegaan. Voor de pastoor was dit geen uitsluitend geestelijke kwestie. De inkomsten van zijn kerk en zijn eigen bestaansmiddelen konden erdoor worden geraakt.

Volgens de overgeleverde beschrijving moest Yesse als gevolg van de uitspraak periodiek een bedrag aan de pastoor betalen. De Stichting Klooster Yesse noemt vier Groninger guldens per halfjaar. De precieze datering en formulering van de uitspraak moeten nog aan de oorspronkelijke oorkonden worden gecontroleerd. De gebeurtenis maakt niettemin duidelijk dat de kloosterlijke aanwezigheid bij Kropswolde ook gevolgen had voor de plaatselijke kerkelijke verhoudingen.

De hofmeester van Warffum in 1458

Op 23 maart 1458 wordt in het onderzoek naar de Warffumer kloostergoederen een hofmeester van het Warffumer veen bij Zuidlaren genoemd. Deze vermelding vormt een concreet aanknopingspunt voor het plaatselijke beheer van de bezittingen van de commanderij. De aanwezigheid van een hofmeester laat zien dat de gronden niet uitsluitend vanuit een verafgelegen klooster werden beheerd.

Een hof of voorwerk kon dienen om werkzaamheden te organiseren, opbrengsten te verzamelen en contact te onderhouden met gebruikers. De precieze taken van de hofmeester moeten uit de afzonderlijke bronnen worden vastgesteld. Hij mag niet zonder bewijs worden voorgesteld als beheerder van alle venen in het gebied.

De vermelding uit 1458 moet bovendien worden onderscheiden van de Aduarder hofmeester die in 1323 voorkomt. Het gaat om verschillende instellingen en verschillende perioden. Juist dit onderscheid is belangrijk voor een betrouwbare geschiedenis van Everswolde. Het gebied kende meerdere religieuze grondbezitters, die elk hun eigen belangen en beheerders konden hebben.

De ontwikkeling van Annerveen in de vijftiende eeuw

Voor Annerveen komen in de eerdere onderzoeksgegevens vermeldingen uit 1454 en 1457 naar voren. Zij worden verbonden met het Annerverlaat en met een verdeling van gemeenschappelijke veengronden. De oorspronkelijke documenten zijn nog niet opnieuw gecontroleerd. Daarom kan niet met zekerheid worden vastgesteld welke rechten werden verdeeld, hoeveel grond erbij betrokken was en welke personen de overeenkomsten sloten.

De vermeldingen zijn wel belangrijk als onderzoekspunten voor de geschiedenis van Oostermoer. Wanneer zij worden bevestigd, kunnen zij inzicht geven in de veranderingen van het gebruik van de venen vanuit Annen. Het verdelen of afzonderlijk regelen van gemeenschappelijke gronden kon gevolgen hebben voor de mogelijkheden om deze intensiever te benutten.

De ontwikkeling van Annerveen moet echter worden onderscheiden van de latere grootschalige vervening. Een vroege vermelding bewijst niet dat het gehele gebied in de vijftiende eeuw systematisch werd afgegraven. De geschiedenis van de plaats moet worden opgebouwd vanuit de oudere rechten van Annen en de geleidelijke veranderingen in het gebruik van de oostelijke gronden.

Everswolde wordt Zuidlaarderveen

Het gebied van Everswolde ontwikkelde zich in de loop van de eeuwen tot het latere Zuidlaarderveen. De nederzetting lag op een zandrug aan de oostelijke rand van het Hunzedal. Deze ligging bood voordelen ten opzichte van de lagere en nattere gronden bij de rivier. De bewoners konden verschillende vormen van grondgebruik combineren, afhankelijk van de bodem en de waterstand.

Volgens de regionale erfgoedinformatie stonden er in de zestiende eeuw ongeveer tien boerderijen in het gebied. Dit gegeven laat zien dat de bewoning tegen het einde van de onderzochte periode een herkenbare omvang had gekregen. Het betekent niet dat dezelfde tien boerderijen al in de dertiende eeuw bestonden. De ontwikkeling van het dorp moet daarom worden onderscheiden van de vroegere kloosterlijke exploitatie.

De geschiedenis van Zuidlaarderveen begon niet met één stichting of één ontginning. Zij ontstond uit een langere ontwikkeling waarin grondrechten, kloosterbezit, landbouw, waterbeheer en bewoning samenkwamen. De oudere naam Everswolde herinnert aan de middeleeuwse geschiedenis, terwijl de latere dorpsvorm het resultaat was van veranderingen die zich over meerdere eeuwen voltrokken.

De Zwarte Lent aan de Hunze

Bij Zuidlaarderveen lag een laad- en losplaats aan de Hunze die bekendstond als de Zwarte Lent. Een lent was een hoger gelegen plaats aan het water waar goederen konden worden geladen of gelost. De weg naar deze plaats herinnert aan de verbinding tussen het dorp en de rivier. De Zwarte Lent maakt zichtbaar hoe vervoer over land en over water met elkaar verbonden konden zijn.

Turf moest vanuit het veengebied naar een plaats worden gebracht waar zij kon worden geladen. De aanwezigheid van een rivier was daarvoor niet voldoende. Er moest ook een bruikbare verbinding bestaan tussen de winningsplaats en de oever. De Zwarte Lent vormt daarom een belangrijk onderdeel van de plaatselijke economische geschiedenis.

De exacte ouderdom van de laadplaats en de naam moet afzonderlijk worden onderzocht. Het is niet verantwoord om zonder bewijs te stellen dat de Zwarte Lent al in 1262 dezelfde functie en naam had. Wel laat de latere geschiedenis zien hoe de ligging van Zuidlaarderveen, de wegen en de Hunze samen de mogelijkheden voor het vervoer van goederen bepaalden.

Kropswolde, Wolfsbarge en Everswolde in samenhang

Aan het einde van de middeleeuwen vormden Kropswolde, Wolfsbarge en Everswolde drie belangrijke gebieden binnen de geschiedenis van de vroege vervening langs de Hunze. Zij lagen niet op dezelfde plaats en stonden niet onder hetzelfde beheer, maar hun economische ontwikkeling was verbonden met de rivier en de aangrenzende venen.

Bij Kropswolde had Yesse al in de dertiende eeuw belangen. Wolfsbarge was verbonden met de exploitatie door Aduard. Verder naar het zuiden bezat Aduard venen en weiden bij Everswolde, terwijl later ook andere religieuze instellingen daar rechten hadden. De betrokken gronden maakten deel uit van verschillende plaatselijke en kerkelijke verhoudingen.

De geschiedenis van deze gebieden laat zien dat de vroege turfwinning niet vanuit één centraal plan werd georganiseerd. Verschillende instellingen verwierven op verschillende momenten gronden en rechten. Hun werkzaamheden werden beïnvloed door de bestaande dorpsgemeenschappen, de natuurlijke omstandigheden en de mogelijkheden voor vervoer. Daardoor ontwikkelde het Hunzedal zich als een landschap waarin economische activiteiten en juridische afspraken voortdurend met elkaar verbonden waren.

De zestiende eeuw verandert de kloosterwereld

In de zestiende eeuw veranderden de politieke en religieuze verhoudingen in Groningen en Drenthe. De Reformatie en de oorlog in de Nederlanden tastten uiteindelijk de positie van de katholieke kloosters aan. Voor het Hunzedal was dit van grote betekenis, omdat de kloosters niet alleen religieuze gemeenschappen waren, maar ook belangrijke grondbezitters.

Hun rechten op venen, landbouwgronden en inkomsten waren verbonden met het dagelijks bestaan van pachters en andere gebruikers. De oorlog kon gevolgen hebben voor het gebruik van gronden, de beschikbaarheid van arbeidskrachten en het vervoer van goederen. Belastingen, militaire bewegingen en bestuurlijke onzekerheid konden de economische omstandigheden beïnvloeden.

De precieze gevolgen voor Everswolde, Kropswolde en Wolfsbarge moeten uit plaatselijke bronnen worden vastgesteld. Niet iedere moeilijkheid in de kloosterlijke exploitatie kan zonder meer aan de oorlog worden toegeschreven. Wel is duidelijk dat de politieke en religieuze veranderingen uiteindelijk tot een ingrijpende verandering in het beheer van de kloostergoederen zouden leiden.

De Reductie van Groningen in 1594

Op 22 juli 1594 kwam Groningen onder het gezag van de Republiek. De Reductie betekende een ingrijpende verandering in de politieke en religieuze verhoudingen. De katholieke kloosters verloren hun vroegere positie en hun goederen kwamen onder nieuw beheer. Voor het Hunzedal betekende dit dat bezittingen die gedurende eeuwen aan religieuze instellingen verbonden waren geweest, in andere bestuurlijke verhoudingen terechtkwamen.

De gronden zelf verdwenen niet. Evenmin hielden alle economische activiteiten onmiddellijk op. Pachters konden hun werkzaamheden voortzetten, terwijl de nieuwe beheerders moesten vaststellen welke goederen en inkomsten beschikbaar waren. Daarvoor waren inventarisaties, rekeningen en nieuwe afspraken nodig.

De overgang van kloosterbezit naar nieuw beheer was daardoor niet uitsluitend een religieuze verandering. Zij had ook gevolgen voor de administratie van grond, de inning van pachten en de exploitatie van venen. De geschiedenis van de voormalige kloostergoederen bleef na 1594 nauw verbonden met de economische mogelijkheden van het landschap.

Taeko Haringius en Johan Clant in Everswolde

In juli 1595 reisden Taeko Haringius en Johan Clant namens Stad en Ommelanden naar Everswolde. Volgens de gegevens die in verband worden gebracht met het onderzoek van Jan Folkerts vonden bezoeken plaats op 23, 27 en 29 juli. Het doel was onder meer om de hoeveelheid gegraven turf op te nemen en nieuwe huren voor pachters vast te stellen.

Deze gebeurtenis maakt de bestuurlijke verandering na 1594 bijzonder concreet. De nieuwe beheerders wilden weten welke economische opbrengsten de voormalige kloostergoederen leverden. Zij moesten bovendien vaststellen welke betalingen van de gebruikers konden worden verlangd. Daarmee werd het oude kloosterbezit onderdeel van een nieuwe financiële administratie.

De bezoeken van Haringius en Clant laten zien dat het beheer van de venen niet onmiddellijk na de Reductie ophield. Er werd nog turf gegraven en er waren pachters die gronden gebruikten. De overgang naar nieuw bestuur betekende daarom vooral een verandering in de organisatie en de bestemming van de inkomsten. De precieze omvang van de turfwinning moet uit de oorspronkelijke rekeningen worden vastgesteld.

Egbert Warmelts op de Aduarder hof

Een van de personen die in de administratie van 1595 naar voren komt, is Egbert Warmelts, die op de Aduarder hof bij Everswolde woonde. Hij verklaarde dat hij veertig Emder gulden huur betaalde. Volgens de overgeleverde gegevens had hij in de twee voorafgaande jaren niet meer dan dertig Emder gulden kunnen opbrengen, terwijl hij vroeger vijftig Emder gulden betaalde.

Deze bedragen zijn belangrijk omdat zij een concreet beeld geven van de financiële omstandigheden van een gebruiker van de voormalige kloostergoederen. De huur was kennelijk lager geworden dan in eerdere jaren. In de historische bespreking wordt dit verbonden met de moeilijke economische omstandigheden tijdens de oorlog. De verklaring van Warmelts laat zien dat de gevolgen van de politieke en militaire ontwikkelingen ook in de plaatselijke pachtverhoudingen merkbaar konden zijn.

Warmelts verklaarde bovendien dat hij jaarlijks een bepaalde hoeveelheid veen groef, in de bron weergegeven met de woorden 27 tagen een velt. De precieze betekenis van deze maat moet nog worden vastgesteld voordat zij in een moderne hoeveelheid turf of oppervlakte wordt omgerekend. Het gegeven is niettemin waardevol omdat het de werkzaamheden van een concrete gebruiker verbindt met de administratie van de voormalige kloostergoederen.

De voormalige kloostergoederen in 1595–1596

De administratie van 1595–1596 vormt een belangrijk aanknopingspunt voor de geschiedenis van het Hunzedal na de Reductie. Zij kan inzicht geven in de namen van gebruikers, de omvang van hun werkzaamheden, de hoogte van pachten en de opbrengsten van de voormalige kloostergronden. Daarmee verschilt deze bron sterk van de middeleeuwse oorkonden waarin vooral overdrachten en rechten werden vastgelegd.

Voor de late zestiende eeuw komen mensen in beeld die daadwerkelijk op de gronden woonden en werkten. Hun verklaringen kunnen laten zien hoe de exploitatie in de praktijk functioneerde. De vermelding van Egbert Warmelts is daarvan een voorbeeld. De oorspronkelijke administratie moet echter volledig worden onderzocht voordat alle betrokken personen, hoeveelheden en bedragen definitief kunnen worden opgenomen.

Het eerder in de onderzoeksnotities genoemde percentage van 27,3 procent is nog niet voldoende geverifieerd. Zonder duidelijkheid over de berekening en de betrokken posten mag dit percentage niet als vaststaand gegeven worden gebruikt. De waarde van de administratie ligt juist in de mogelijkheid om concrete cijfers aan concrete personen en werkzaamheden te verbinden, mits de oorspronkelijke bron zorgvuldig wordt gelezen.

Het Hunzedal aan het einde van de zestiende eeuw

Omstreeks 1600 was het Hunzedal nog altijd een landschap waarin hogere zandgronden, natte beekdalen en venen naast elkaar bestonden. De dorpen langs de Hondsrug waren afhankelijk van hun akkers en andere gebruiksgebieden. Everswolde, De Groeve en de omgeving van Zuidlaarderveen hadden een lange geschiedenis van kloosterbezit, waterbeheer en turfwinning. Verder naar het noorden lagen Wolfsbarge en Kropswolde, waar andere kloosterlijke belangen een rol hadden gespeeld.

De bestuurlijke verhoudingen waren inmiddels ingrijpend veranderd. De katholieke kloosters hadden hun vroegere positie verloren, terwijl hun voormalige bezittingen onder nieuw beheer kwamen. De economische betekenis van de gronden en waterverbindingen bleef echter bestaan. Pachters en andere gebruikers bleven afhankelijk van de mogelijkheden om de gronden te benutten en hun verplichtingen na te komen.

De geschiedenis van het Hunzedal tussen 1200 en 1600 laat zien dat de vroege vervening niet los kan worden gezien van de rechten van boeren, de economische organisatie van kloosters en de voortdurende noodzaak om water te beheersen. De Hunze was daarbij de verbindende rivier, maar ook de plaats waar verschillende belangen elkaar ontmoetten.

De overdracht van venen in 1262, de aanvullende overeenkomst van 1264, het waterconflict van 1285, het geschil over de Hunze in 1309, de betrokkenheid van Wolfsbarge bij waterwerken in 1323, de strijd om het Gorecht tussen 1392 en 1405 en het Landrecht van 1412 maken deze geschiedenis concreet. Zij tonen een landschap waarin grond niet vanzelf bruikbaar was, water niet onbeperkt kon worden veranderd en macht steeds opnieuw moest worden uitgeoefend binnen bestaande rechten.

De administratie van 1595 maakt bovendien zichtbaar dat deze geschiedenis niet eindigde met het verdwijnen van de kloosters. De gronden bleven bestaan, de turfwinning ging door en de gebruikers kregen met andere beheerders te maken. Daarmee veranderde de organisatie van het bezit, terwijl veel van de oudere economische belangen bleven voortbestaan.

Het Hunzedal vormt zo een eigen hoofdstuk in de geschiedenis van Groningen en Drenthe. Het grote veen leverde de grondstof, maar langs de Hunze werd bepaald wie de gronden kon gebruiken, hoe het water werd beheerd en onder welke voorwaarden de opbrengsten konden worden gewonnen en afgevoerd.

Het Hunzedal — De kloosters, de boeren en de strijd om grond, water en macht (1200–1600)

Een rivier tussen de zandgronden en het grote veen

Aan het begin van de dertiende eeuw stroomde de Hunze vanuit het Drentse achterland naar Groningen. De rivier liep door een landschap waarin hogere zandgronden, natte beekdalen, hooilanden en uitgestrekte venen elkaar afwisselden. Ten westen lag de Hondsrug met oude nederzettingen als Annen, Eext, Gieten, Zuidlaren en Noordlaren. Ten oosten strekte zich een veenlandschap uit dat verderop overging in het grote moerasgebied van het Bourtanger Moor. De Hunze was voor de bewoners zowel een natuurlijke grens als een verbinding. Zij voerde water af, leverde vis en bood mogelijkheden om goederen naar het noorden te vervoeren.

Het landschap was geen leeg gebied dat pas door de kloosters werd ontdekt. De bewoners van de zanddorpen gebruikten de lagere gronden voor hooiwinning en beweiding, terwijl de hogere gronden plaats boden aan erven en akkers. In de venen konden mensen brandstof winnen, maar het gebruik ervan was afhankelijk van de bereikbaarheid en de plaatselijke rechten. Een stuk grond kon eigendom zijn van één persoon, terwijl andere bewoners er bepaalde gebruiksrechten hadden. Juist die ingewikkelde verhouding tussen bezit en gebruik zou in de volgende eeuwen van grote betekenis worden.

De boeren van Oostermoer en hun gemeenschappelijke gronden

De dorpen Annen, Eext, Gieten en Bonnen lagen op de hogere gronden van Oostermoer. Hun bewoners gebruikten niet alleen de akkers bij hun erven, maar ook de verder weg gelegen heiden, hooilanden en venen. De rechten op deze gronden waren niet overal op dezelfde manier geregeld. Sommige percelen waren afzonderlijk bezit, terwijl andere door meerdere gerechtigden werden gebruikt. De latere Drentse marken maakten dergelijke gemeenschappelijke verhoudingen zichtbaar, maar hun organisatie veranderde in de loop van de eeuwen. De toestand van de zestiende eeuw kan daarom niet zonder meer op het jaar 1200 worden toegepast.

Voor de geschiedenis van de turfwinning is dit onderscheid essentieel. Een klooster dat veengrond wilde verwerven, kreeg te maken met bestaande aanspraken van bewoners en andere bezitters. Een verkoop kon rechten op de bodem overdragen zonder dat daarmee automatisch alle rechten op wegen, visserij, waterafvoer of beweiding verdwenen. Ook het recht om turf te steken hoefde niet op ieder perceel op dezelfde manier te zijn geregeld. De vroege ontginningen moeten daarom worden begrepen als veranderingen binnen een al bestaand landschap van rechten, niet als het begin van menselijke activiteit in het Hunzedal.

De stichting van Aduard en de behoefte aan grond

In 1192 werd de cisterciënzer abdij Aduard gesticht. Vanuit dit klooster groeide een netwerk van bezittingen dat zich over verschillende delen van Groningen en Drenthe uitstrekte. De abdij had voedsel, brandstof, bouwmaterialen en inkomsten nodig om haar gemeenschap in stand te houden. Daarom verwierf zij landbouwgrond, weiden en andere goederen. Sommige bezittingen kwamen door schenkingen in kloosterhanden, andere door aankopen en overeenkomsten. De uitbreiding van het kloosterbezit betekende dat Aduard steeds nauwer betrokken raakte bij de economische ontwikkeling van het omliggende landschap.

De bezittingen lagen niet allemaal bij het kloostergebouw. Voor het beheer van verder weg gelegen goederen waren plaatselijke steunpunten nodig. Uithoven en voorwerken konden dienen om werkzaamheden te organiseren, opbrengsten te verzamelen en toezicht te houden op de gronden. Lekenbroeders speelden daarbij een rol, maar ook pachters en andere arbeidskrachten konden betrokken zijn. Het klooster was daardoor niet alleen een religieuze gemeenschap, maar ook een organisatie die grond, arbeid en inkomsten met elkaar verbond. De uitbreiding van zijn bezit maakte Aduard tot een belangrijke partij in de geschiedenis van het Hunzedal.

Yesse vestigt zich bij Essen

In 1215 werd bij Essen, ten zuiden van Groningen, het vrouwenklooster Yesse gesticht. Ook deze gemeenschap had goederen nodig om haar bestaan te bekostigen. Het klooster verwierf in de dertiende eeuw gronden bij Kropswolde, waar uitgestrekte venen langs de Hunze lagen. Al vóór 1249 bezat Yesse daar grond die voor turfwinning werd gebruikt. De ligging was gunstig omdat de brandstof via de bestaande waterverbinding naar het kloosterterrein kon worden gebracht. Turf was nodig voor verwarming en kon ook als brandstof dienen bij het bakken van bouwstenen.

Yesse was niet de enige religieuze instelling met belangen bij Kropswolde. Het klooster Rottum bezat eveneens goederen in de omgeving, terwijl Aduard belangen had in het aangrenzende Wolfsbarge. Deze instellingen behoorden niet tot één gezamenlijk bedrijf. Zij hadden afzonderlijke eigendommen, inkomsten en verplichtingen. Daardoor konden hun belangen samenvallen, maar ook botsen. De geschiedenis van de kloosters langs de Hunze werd mede bepaald door overeenkomsten over grond, rechten op waterwegen en conflicten over inkomsten. De oorspronkelijke oorkonden vormen daarom de belangrijkste basis om hun onderlinge verhoudingen te reconstrueren.

De lekenbroeders van Yesse bij Kropswolde

In 1249 worden lekenbroeders van Yesse bij Kropswolde genoemd. Hun aanwezigheid laat zien dat de exploitatie van de kloostergronden niet uitsluitend vanuit Essen werd bestuurd. Er waren mensen nodig die ter plaatse werkzaamheden uitvoerden. Het winnen van turf vergde het steken van het veen, het drogen van de turven en het verzamelen van de brandstof. Daarna moest de turf naar een geschikte laadplaats worden gebracht. Deze werkzaamheden waren afhankelijk van de bodem, het seizoen en het weer. Bij aanhoudende regen kon het drogen vertraging oplopen.

Volgens de geschiedenis van Klooster Yesse beschikten de werkbroeders bij Kropswolde over een uithof en een aan Maria gewijde kapel. De afstand tot het moederklooster maakte een plaatselijk steunpunt begrijpelijk. De broeders konden daardoor bij hun werkgebied verblijven. De turf werd volgens de overlevering met platte vaartuigen over de oude Hunze naar het klooster gebracht. Dat maakt de economische betekenis van de rivier duidelijk. Het bewijst echter niet dat Yesse alle gebruikte vaartuigen zelf bezat of dat iedere lading via precies dezelfde route werd vervoerd.

Het conflict over drie ontgonnen stroken in 1249

In 1249 ontstond een geschil tussen Yesse en inwoners van Kropswolde. Het ging om drie stroken moerasgrond die op kosten van het klooster waren ontgonnen. De inwoners verlangden dat over de opbrengsten bijdragen aan de plaatselijke kerk werden betaald. Yesse beriep zich op kerkelijke privileges die bepaalde nieuw ontgonnen gronden van zulke lasten konden vrijstellen. Daarmee botsten de economische belangen van het klooster met de aanspraken van de plaatselijke gemeenschap. Het geschil laat zien dat ontginning niet automatisch betekende dat alle bestaande verplichtingen verdwenen.

Voor Yesse was het belangrijk de opbrengsten van de gronden te behouden. Voor de inwoners van Kropswolde waren de inkomsten van hun kerk en het onderhoud van gemeenschappelijke voorzieningen van betekenis. In de historische bespreking worden ook verplichtingen rond een zijl genoemd. Daardoor raakt het geschil niet alleen aan kerkelijke inkomsten, maar ook aan waterbeheer. Het document uit 1249 is een vroeg voorbeeld van de manier waarop grondbezit, ontginning, religie en plaatselijke rechten met elkaar verweven waren. De bewoners stonden niet eenvoudigweg buiten de besluitvorming over hun omgeving.

Aduard, turf en de bouw van bakstenen

In de dertiende eeuw werkte Aduard aan de bouw van een grote abdijkerk. De bouwactiviteiten worden doorgaans verbonden met de periode omstreeks 1240–1263. Voor het vervaardigen van bakstenen waren klei, ovens en brandstof nodig. Turf kon daarbij een belangrijke rol spelen. De belangstelling van de abdij voor veengronden langs de Hunze past daarom binnen een bredere economische behoefte. Het klooster had niet alleen grondstoffen nodig, maar ook mensen die ze konden winnen, bewerken en vervoeren. Een groot bouwproject vergde daardoor een omvangrijke organisatie buiten de kloostermuren.

De relatie tussen turfwinning en steenbakkerij moet wel zorgvuldig worden beschreven. Dat Aduard veengronden bezat en bakstenen liet vervaardigen, bewijst niet dat iedere oven uitsluitend met turf uit Everswolde of Wolfsbarge werd gestookt. Daarvoor zijn afzonderlijke rekeningen of leveringsdocumenten nodig. De kloosterlijke economie laat echter wel zien hoe verschillende werkzaamheden met elkaar samenhingen. Grondbezit leverde mogelijkheden op, arbeid maakte productie mogelijk en waterverbindingen bepaalden mede of de goederen op de gewenste plaats konden komen.

De Zuidlaarder boeren verkopen hun venen in 1262

In 1262 verkochten gerechtigden uit Zuidlaren venen en weiden ten oosten van de Hunze aan Aduard. De gronden lagen tussen waterlopen die in de historische bronnen Gronesbeke en Prumesleke worden genoemd. Deze overdracht is een van de belangrijkste documenten voor de vroege geschiedenis van de vervening in het Hunzedal. Zij laat zien dat de abdij niet eenvoudigweg een onbewoond moeras in bezit nam. De verkoop vond plaats door plaatselijke gerechtigden die al rechten op het gebied hadden.

Bij de overeenkomst waren onder anderen de pastoors van Noordlaren en Zuidlaren betrokken. De pastoor van Zuidlaren wordt Eylwardus genoemd. Zijn vermelding is belangrijk voor de oudste schriftelijke geschiedenis van de parochie Zuidlaren. De aanwezigheid van geestelijken en andere getuigen gaf de overdracht een duidelijke juridische betekenis. Voor Aduard ontstond de mogelijkheid de gronden te exploiteren, maar de koop betekende niet dat het hele gebied onmiddellijk werd afgegraven. De daadwerkelijke turfwinning bleef afhankelijk van arbeid, bereikbaarheid, waterstanden en de verdere inrichting van het kloosterbedrijf.

De afspraken over Everswolde in 1264

In 1264 werden de verhoudingen rond de eerder verkochte gronden nader geregeld. De overeenkomst had betrekking op Everswolde, gemeenschappelijke gronden en rechten die verband hielden met de omgeving van de Hunze en het Zuidlaardermeer. In de historische bespreking van de verkoop wordt gesproken over achtentwintig delen of weren. Dat wijst op een verdeling van rechten onder meerdere gerechtigden. De precieze omvang en juridische betekenis van die delen moeten uit de oorspronkelijke oorkonden en de plaatselijke verhoudingen worden afgeleid.

De aanvullende regeling maakt duidelijk dat het bezit van veengrond niet hetzelfde was als onbeperkte zeggenschap over het gehele landschap. Ook visserij, beweiding en andere gebruiksrechten konden een rol spelen. Voor de plaatselijke bewoners waren deze rechten belangrijk voor hun bestaan. Voor het klooster was juridische zekerheid nodig om werkzaamheden te organiseren. De overeenkomsten van 1262 en 1264 laten daarom een onderhandeling zien tussen een groeiende kloosterlijke instelling en een bestaande gemeenschap. De economische ontwikkeling van het gebied kwam voort uit die veranderende verdeling van rechten.

De kapel bij Everswolde in 1263

In de kloostergeschiedenis van Aduard wordt een kapel bij Everswolde genoemd die in 1263 door de bisschop werd gewijd. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat de kloosterlijke aanwezigheid in het gebied niet uitsluitend economisch was. Waar mensen langere tijd verbleven om gronden te beheren of werkzaamheden uit te voeren, kon ook behoefte bestaan aan een religieuze voorziening. De kapel moet echter worden onderscheiden van een zelfstandig klooster. Een uithof, een kapel en een abdij hadden verschillende functies.

In eerdere onderzoeksnotities wordt de naam Hortus Sancti Bernardi met deze omgeving verbonden. De exacte relatie tussen die naam, de kapel en de plaatselijke bezittingen verdient verdere controle. De wijding in 1263 vormt een sterker aanknopingspunt dan een onbevestigde reconstructie van de oorspronkelijke bebouwing. De kapel laat zien dat de aanwezigheid van Aduard bij Everswolde een blijvender karakter kreeg. Zij past binnen de ontwikkeling van een plaatselijk steunpunt voor het beheer van de kloostergoederen.

De versterking bij Wolfsbarge

Bij Wolfsbarge, in de omgeving van het Zuidlaardermeer, zijn resten van een middeleeuwse versterking onderzocht. Henny Groenendijk publiceerde hierover in 1987. In eerdere onderzoeksgegevens wordt gesproken over een ronde aanleg met meerdere grachten en een buitendiameter van ongeveer 115 meter. De versterking zou vóór 1250 dateren. De precieze afmetingen en datering moeten aan de oorspronkelijke archeologische publicatie worden getoetst. De vondst maakt duidelijk dat het gebied een oudere geschiedenis kende dan alleen die van de kloosterlijke ontginningen.

De ligging van een versterking bij het Zuidlaardermeer kan van strategische betekenis zijn geweest. Landwegen, waterverbindingen en de overgang tussen hogere en lagere gronden maakten het gebied tot een plaats waar verschillende belangen samenkwamen. Toch is niet vastgesteld wie de versterking liet bouwen of waarvoor zij precies werd gebruikt. Zij mag daarom niet zonder bewijs als een tolplaats voor turftransport of als een verdedigingswerk van Aduard worden beschreven. Ook moet deze oudere versterking worden onderscheiden van de latere bisschoppelijke kastelen uit de tijd van Frederik van Blankenheim.

Het geschil tussen Yesse en Rottum in 1268

In 1268 werd een geschil behandeld over gronden bij Kropswolde die verband hielden met Yesse en Rottum. De abt van Selwerd trad als rechter op. De overgeleverde akte is juridisch ingewikkeld, omdat zij zowel betrekking heeft op rechten van Yesse als op een overdracht aan Rottum. De historische uitleg van de tekst wijst erop dat de formulering niet op alle punten eenvoudig te verenigen is. Daarom moet worden vermeden de uitspraak voor te stellen als een simpele, onbetwiste eigendomsoverdracht.

Het geschil laat zien dat religieuze instellingen onderling konden procederen over land. De aanwezigheid van meerdere kloosters bij Kropswolde betekende dat rechten zorgvuldig moesten worden vastgelegd. Voor de economische exploitatie was duidelijkheid over eigendom en gebruik noodzakelijk. De zaak uit 1268 vormt daardoor een schakel tussen de eerste ontginningen en latere overeenkomsten over gronden en vervoer. Zij laat ook zien dat de geschiedenis van het Hunzedal niet uitsluitend een tegenstelling tussen kloosters en boeren was. Kerkelijke instellingen konden elkaar eveneens als juridische tegenpartij ontmoeten.

De Groeve en de aanleg van waterverbindingen

Bij De Groeve kwam een gegraven waterverbinding uit in het gebied van de Hunze en het Zuidlaardermeer. De naam komt in middeleeuwse documenten voor onder vormen als Growe en Grove. De watergang wordt in verband gebracht met de werkzaamheden van Aduard en de afvoer van turf uit de kloosterlijke bezittingen. Een gegraven verbinding kon de afstand tussen een winningsgebied en bevaarbaar water verkleinen. Daarmee werd het mogelijk brandstof efficiënter te verzamelen en af te voeren. De aanleg vereiste echter arbeid en ingrepen in de bestaande waterhuishouding.

Het graven van een watergang had gevolgen voor meer dan alleen het vervoer. Water kon sneller worden afgevoerd of juist worden vastgehouden. Daardoor konden de belangen van verschillende gemeenschappen botsen. Voor een klooster was een bruikbare verbinding economisch aantrekkelijk, maar bewoners van andere gebieden konden vrezen voor wateroverlast of veranderingen in de afwatering. De geschiedenis van De Groeve laat daarom zien dat de uitbreiding van de turfwinning niet los kan worden gezien van waterstaatkundige afspraken. Het landschap moest voortdurend worden aangepast aan de behoeften van verschillende gebruikers.

De steenlevering aan Noordlaren in 1283

In eerdere onderzoeksnotities wordt voor 1283 een levering van tweeduizend bakstenen door Aduard aan Noordlaren genoemd. Deze vermelding kan een belangrijke verbinding vormen tussen de steenbakkerij van de abdij en de bouwactiviteiten in het omliggende gebied. De oorspronkelijke bron is nog niet opnieuw gecontroleerd. Daarom blijft de precieze bestemming en omvang van de levering voorlopig een onderzoekspunt. De vermelding mag niet zonder verificatie worden gebruikt om een volledige handelsroute of een specifieke bouwcampagne te reconstrueren.

Wanneer de levering wordt bevestigd, maakt zij duidelijk dat kloosterlijke productie ook buiten het eigen kloosterterrein betekenis kon hebben. Bakstenen vergden klei, brandstof en arbeid. Vervolgens moesten ze naar de plaats van bestemming worden gebracht. Daarmee raakten steenbakkerij, turfwinning en vervoer aan elkaar verbonden. De mogelijke levering aan Noordlaren verdient daarom aandacht, maar het is niet bewezen dat de benodigde brandstof uit één bepaald veengebied afkomstig was. De afzonderlijke schakels van de productie moeten uit de bronnen blijken.

Het waterconflict van 1285

Op 8 april 1285 werd een geschil beslecht tussen Aduard en de bewoners van Oosterwolde en Go. De kwestie had betrekking op een dam in de Growe. Bij de regeling waren vertegenwoordigers van verschillende rechtsgemeenschappen betrokken. Het conflict laat zien dat een ingreep in een watergang gevolgen kon hebben voor een groter gebied. Voor de ene partij kon een dam noodzakelijk zijn om water tegen te houden, terwijl een andere partij belang had bij de afvoer. De oplossing vereiste daarom afspraken over de belangen van meerdere gebruikers.

De regeling wordt verbonden met voorzieningen om bovenwater tegen te houden en de afwatering te beheersen. In de historische bespreking wordt een zuidwending genoemd, een dwarsdijk die bescherming kon bieden tegen water uit hoger gelegen gebieden. De precieze technische bepalingen moeten aan de volledige oorkonde worden getoetst. De gebeurtenis maakt vooral duidelijk dat waterbeheer niet uitsluitend bestond uit het graven van kanalen. Soms moest water worden tegengehouden, elders juist worden afgevoerd. De economische mogelijkheden van het veenlandschap waren afhankelijk van zulke ingewikkelde afspraken.

Rottum verkoopt grond aan Yesse in 1291

Op 5 juli 1291 verkocht Rottum grond bij Kropswolde aan Yesse. De overeenkomst wordt verbonden met de Virge en een aandeel in Salmewere. De koopsom bedroeg volgens de eerdere onderzoeksgegevens 72 mark sterling. Als borgen traden Hermannus Butzel en Ludolfus Sickinge uit Groningen op. Hun betrokkenheid laat zien dat ook personen buiten de kloostergemeenschappen een rol konden spelen bij het zekerstellen van een grondtransactie. De verkoop maakt bovendien duidelijk dat kloosters hun bezittingen niet uitsluitend door schenkingen uitbreidden, maar ook door betaalde overdrachten.

In de overeenkomst wordt een bepaling over vrije vaart genoemd. Die is belangrijk omdat een vervoersrecht afzonderlijk kon worden vastgelegd bij een transactie over grond. De precieze reikwijdte moet uit de oorspronkelijke akte worden vastgesteld. Het is niet zonder meer duidelijk welke watergang werd bedoeld en voor wie het recht gold. Wel blijkt dat toegang tot water voor de betrokken instellingen economisch van betekenis was. De overeenkomst uit 1291 verbindt daarmee grondbezit, geld en vervoer binnen één juridische handeling.

Het geschil over de Hunze in 1309

Op 3 en 4 september 1309 werden uitspraken vastgelegd in een geschil tussen de gemeenschap van Drentherwolde en de buren van Annen. Het conflict had betrekking op een voorziening in de Hunze die in de archiefbeschrijving als een were wordt aangeduid. De inwoners van Annen moesten deze voorziening op de betreffende plaats in stand houden. De documenten zijn belangrijk omdat zij de bewoners van Annen rechtstreeks verbinden met rechten en verplichtingen aan de rivier. De Hunze was niet alleen een waterweg, maar ook een plaats waar visserijrechten konden worden uitgeoefend.

In oudere onderzoeksnotities werd de gebeurtenis soms voorgesteld als de vernieling van een stuw. De bekende archiefbeschrijving ondersteunt die voorstelling niet. Het is daarom beter de uitspraak te behandelen als een conflict over een visvoorziening, totdat de volledige tekst meer duidelijkheid geeft. De gebeurtenis laat zien dat de geschiedenis van het waterbeheer verschillende belangen omvatte. Turfvervoer was belangrijk, maar ook visserij, afwatering en plaatselijke rechten konden aanleiding geven tot juridische procedures.

De hofmeester van Everswolde in 1323

In 1323 verschijnt de hofmeester van Everswolde in een akte over waterstaatkundige werkzaamheden bij Schilligeham. Samen met Sicco Alardisma werd hij namens de inwoners van Wolfsbarge als borg genoemd voor mogelijke schade die uit de werkzaamheden kon voortkomen. Deze vermelding is belangrijk omdat zij een concrete beheerder van de kloostergoederen zichtbaar maakt. Het plaatselijke bestuur van Everswolde had kennelijk ook belangen bij afspraken die verder reikten dan het directe gebied langs de Hunze.

De werkzaamheden bij Schilligeham maakten deel uit van een groter waterstaatkundig systeem. Wanneer benedenstrooms veranderingen werden aangebracht, konden ook verder weg gelegen gemeenschappen daarvan gevolgen ondervinden. De overeenkomst laat zien dat samenwerking noodzakelijk was en dat de betrokken partijen juridische zekerheid verlangden. De hofmeester van Everswolde vertegenwoordigde daarmee niet alleen een economische instelling, maar trad ook op binnen een netwerk van regionale waterbelangen. Sicco Alardisma behoort tot de personen die in de geschreven bronnen concreet met deze geschiedenis verbonden kunnen worden.

Yesse en het regionale waterbeheer

Ook Yesse was betrokken bij waterstaatkundige afspraken die verder reikten dan de eigen kloostergronden. In 1323 worden de abdis en verschillende parochies genoemd in verband met voorzieningen bij Schilligeham. Onder de betrokken gebieden bevonden zich onder meer Noordlaren met Wolfsbarge, Haren, Eelde, Middelbert, Noorddijk en Engelbert. De samenwerking laat zien dat de afwatering van het Drentse en Groningse achterland niet binnen afzonderlijke dorpsgrenzen kon worden geregeld. Water uit verschillende gebieden kwam uiteindelijk samen in grotere systemen.

Voor Yesse was een goede waterhuishouding van belang omdat natte gronden moeilijker konden worden gebruikt en vervoersverbindingen afhankelijk waren van de waterstand. De deelname aan regionale afspraken maakte het klooster tot een van de partijen die verantwoordelijkheid droegen voor de inrichting van het landschap. Tegelijk konden plaatselijke gemeenschappen eigen belangen behouden. De waterstaatkundige geschiedenis laat daardoor een voortdurende wisselwerking zien tussen kloosterlijke instellingen en andere gerechtigden. Geen enkele partij kon het gehele watersysteem volledig naar eigen inzicht beheren.

Agneza en de zesduizend turven in 1332

In de eerdere onderzoeksgegevens wordt voor 1332 een jaarlijks recht op zesduizend turven uit Kropswolde genoemd. Het recht wordt verbonden met Agneza, een vrouw uit een Groningse familie. De oorspronkelijke akte moet nog worden gecontroleerd voordat de precieze voorwaarden als vaststaand kunnen worden beschreven. De vermelding is niettemin een belangrijk aanknopingspunt omdat zij een concreet aantal turven verbindt aan een bepaalde rechthebbende. Daarmee komt naast het kloosterbezit ook de economische betekenis van particuliere rechten in beeld.

Een jaarlijks recht op brandstof kon waardevol zijn. Turf moest immers worden gewonnen, gedroogd en beschikbaar gemaakt voor levering. Dat vereiste arbeid en een organisatie die verder ging dan het enkele bezit van grond. Het aantal van zesduizend turven mag echter niet worden voorgesteld als de totale productie van Kropswolde of Yesse. Het betreft volgens de onderzoeksnotities een afzonderlijke aanspraak. De vermelding laat vooral zien dat turf als economische opbrengst in concrete hoeveelheden kon worden vastgelegd.

De pest treft Aduard in 1350

In het midden van de veertiende eeuw werd ook het noorden getroffen door de pest. Volgens de Aduarder kloosterkroniek overleden in 1350 de abt, vierenveertig monniken en honderdtwintig lekenbroeders. Deze aantallen moeten worden beschouwd als gegevens uit de kroniek en niet als onafhankelijk gecontroleerde tellingen. De beschreven sterfte wijst niettemin op een zware crisis binnen de kloostergemeenschap. Voor een instelling met verspreide bezittingen konden zulke verliezen grote gevolgen hebben voor het dagelijkse beheer.

Het wegvallen van religieuzen en arbeidskrachten kon de organisatie van landbouw, veenwinning en andere werkzaamheden bemoeilijken. De gronden bleven bestaan, maar mensen die toezicht hielden of het werk uitvoerden konden ontbreken. De precieze gevolgen voor Everswolde, Wolfsbarge en Kropswolde zijn niet vastgesteld. Daarom kan niet worden beweerd dat de turfwinning in die gebieden in 1350 volledig stilviel. De pest maakt wel duidelijk dat de economische macht van een klooster afhankelijk bleef van de mensen die zijn bezittingen konden beheren en exploiteren.

De waterafspraken blijven gelden in 1364

In 1364 werd de uitspraak uit 1285 opnieuw gebruikt bij een arbitrale beslissing. Daarmee blijkt dat oudere overeenkomsten over waterbeheer gedurende lange tijd juridische betekenis konden behouden. Een conflict dat tientallen jaren eerder was geregeld, kon opnieuw relevant worden wanneer de waterhuishouding veranderde of rechten ter discussie kwamen te staan. Het bewaren van oorkonden was daarom van groot belang. Zij vormden niet alleen een verslag van een gebeurtenis, maar konden later opnieuw worden gebruikt om aanspraken te onderbouwen.

De geschiedenis van De Groeve en de Hunze bestond daardoor uit meer dan afzonderlijke technische ingrepen. Iedere dam, watergang of andere voorziening kon nieuwe verplichtingen veroorzaken. Wanneer een latere generatie met waterproblemen werd geconfronteerd, moest zij rekening houden met eerdere afspraken. De ontwikkeling van het landschap was zo nauw verbonden met de ontwikkeling van geschreven recht. Voor kloosters en dorpsgemeenschappen werd het steeds belangrijker te kunnen aantonen welke rechten en verplichtingen in het verleden waren vastgelegd.

Groningen en de bestuurlijke betekenis van het Gorecht

In de late veertiende eeuw was Groningen uitgegroeid tot een belangrijk economisch centrum. De stad had behoefte aan voedsel, brandstof en bouwmaterialen uit het achterland. De verbindingen met Drenthe waren daarom van groot belang. Toch viel de economische invloed van Groningen niet automatisch samen met bestuurlijk gezag. Het Gorecht kende eigen juridische verhoudingen, terwijl de bisschop van Utrecht als landsheer aanspraken had. Ook plaatselijke gemeenschappen en afzonderlijke grondbezitters behielden hun rechten.

In 1392 verkreeg Groningen het Gorecht voor honderd jaar in pacht. Daarmee versterkte de stad haar bestuurlijke positie in het gebied ten zuiden van Groningen. De overeenkomst betekende echter niet dat alle gronden, venen en waterwegen automatisch eigendom van de stad werden. Het onderscheid tussen bestuurlijke bevoegdheden en particulier of gemeenschappelijk grondbezit bleef bestaan. Voor de geschiedenis van het Hunzedal is dit essentieel. De stad kon invloed uitoefenen op bestuur en rechtspraak, terwijl kloosters en andere gerechtigden hun afzonderlijke economische belangen behielden.

Frederik van Blankenheim en de strijd om Drenthe

In 1393 werd Frederik van Blankenheim bisschop van Utrecht. Als landsheer had hij belang bij het herstel van zijn gezag in Drenthe. Zijn positie werd betwist door andere machthebbers, onder wie Reinold van Coevorden. In 1395 wist Frederik zijn macht in Coevorden te herstellen. De strijd ging over landsheerlijke bevoegdheden, militaire steunpunten en de uitoefening van rechtspraak. Zij vormde onderdeel van een grotere machtsstrijd waarin Groningen, Drenthe en verschillende plaatselijke machthebbers betrokken waren.

Voor de bewoners van het Hunzedal betekende dit dat zij leefden binnen een bestuurlijke omgeving waarin het gezag niet altijd onbetwist was. De bisschop kon als landsheer rechten uitoefenen, maar was daarmee niet automatisch eigenaar van alle gronden. Kloosters, boeren en andere bezitters bleven eigen aanspraken hebben. De militaire conflicten konden de bereikbaarheid van gebieden beïnvloeden, maar het is niet bewezen dat Frederik specifiek turftransporten liet tegenhouden. De geschiedenis van zijn optreden moet daarom in de eerste plaats als een strijd om bestuur en landsheerlijke macht worden beschreven.

De bisschoppelijke kastelen rond Groningen

Tijdens de conflicten rond 1400 maakte Frederik van Blankenheim gebruik van versterkingen om zijn positie tegenover Groningen te versterken. Onderzoek naar zijn kastelenpolitiek noemt Blankeweer, Blankenvoorde, Peize, Eelde en Ammerkehorn. Deze versterkingen waren verbonden met de militaire en bestuurlijke strijd om de toegangswegen en het omliggende gebied. De aanwezigheid van zulke steunpunten maakte duidelijk dat de machtsstrijd niet alleen in vergaderingen of rechtszaken werd gevoerd, maar ook met militaire middelen.

De ligging van versterkingen bij belangrijke verbindingen kon gevolgen hebben voor het verkeer tussen Groningen en Drenthe. Voor de stad waren die verbindingen economisch van betekenis, omdat goederen uit het achterland moesten kunnen worden aangevoerd. Toch mag de strijd niet uitsluitend worden verklaard vanuit de turfhandel. Er waren bredere belangen in het spel, waaronder rechtspraak, belastingen en landsheerlijke bevoegdheden. De oudere versterking bij Wolfsbarge moet bovendien van deze bisschoppelijke kastelen worden onderscheiden. Zij behoort tot een andere periode en heeft geen bewezen directe relatie met Frederik.

De vredesregelingen van 1401 en 1405

In 1401 kwam een bestand tot stand waarin beperkingen rond Blankeweer werden opgenomen. De strijd was daarmee niet definitief beëindigd. De betrokken partijen bleven onderhandelen over de bestuurlijke en militaire verhoudingen. In 1405 volgde een vredesregeling waarin onder meer het afbreken van versterkingen een rol speelde. Op 1 oktober 1405 verpachtte Frederik van Blankenheim het Groningse gericht opnieuw voor honderd jaar aan de stad. Daarmee werd de verhouding tussen bisschoppelijk gezag en stedelijk bestuur opnieuw vastgelegd.

De gebeurtenissen laten zien dat militaire macht en juridische overeenkomsten elkaar afwisselden. Een versterking kon druk uitoefenen, maar een duurzame regeling vereiste schriftelijke afspraken. Voor de bewoners van het Hunzedal bleef de vraag belangrijk onder welk bestuur zij vielen en welke rechten zij konden uitoefenen. De kloostergoederen en de oude gebruiksrechten verdwenen niet door een vredesregeling. Zij bleven bestaan binnen een veranderende bestuurlijke omgeving. De geschiedenis van de turfwinning werd daardoor mede beïnvloed door de machtsverhoudingen tussen Groningen en de bisschop.

Het Drentse Landrecht van 1412

Op 16 september 1412 werd onder Frederik van Blankenheim het Landrecht van Drenthe vastgesteld. Het bevatte bepalingen over rechtspraak, strafrecht, rechterlijke organisatie en landsheerlijke heffingen. Het was geen volledig wetboek waarin alle eigendoms- en gebruiksrechten werden geregeld. De bestaande gewoonterechtelijke verhoudingen bleven van betekenis. Het Landrecht kwam tot stand binnen een bestuurlijke verhouding waarin ook de Drentse gemeenschappen een eigen positie hadden.

Voor Oostermoer was vooral belangrijk dat de dorpsgemeenschappen rechten bleven uitoefenen op hun gemeenschappelijke gronden. De markeverhoudingen maakten deel uit van die bredere organisatie. Het Landrecht van 1412 mag echter niet worden voorgesteld als het moment waarop de bisschop voor het eerst toestemming gaf om veen te verkopen. De verkoop door Zuidlaarder gerechtigden in 1262 laat zien dat dergelijke rechten al eerder bestonden. Het Landrecht bevestigt vooral dat landsheerlijke macht naast oudere plaatselijke verhoudingen functioneerde.

Warffum en Wijtwerd bezitten eveneens grond

Rond 1400 hadden niet alleen Aduard en Yesse belangen bij de venen langs de Hunze. Ook de commanderijen van Warffum en Wijtwerd bezaten goederen bij Everswolde. In 1412 werd over dergelijke bezittingen geprocedeerd. Deze gegevens zijn belangrijk omdat zij duidelijk maken dat Everswolde niet uitsluitend een Aduarder bezit was. Verschillende religieuze instellingen konden rechten hebben op afzonderlijke percelen binnen hetzelfde gebied. Hun belangen konden daardoor naast elkaar bestaan, maar ook aanleiding geven tot conflicten.

De precieze ligging van de bezittingen moet uit de oorspronkelijke oorkonden worden gereconstrueerd. Zonder die gegevens is het niet mogelijk om alle kloostergronden op een moderne kaart exact af te bakenen. De aanwezigheid van meerdere instellingen maakt wel duidelijk dat het grondbezit in de loop van de eeuwen ingewikkelder werd. Naast dorpsgemeenschappen en particuliere bezitters traden verschillende kerkelijke organisaties op als eigenaren en gebruikers. Het landschap werd daardoor ook juridisch steeds sterker verdeeld.

De Mariakapel van Yesse rond 1420

Rond 1420 ontstond volgens de overgeleverde oorkonden een conflict tussen de pastoor van Kropswolde en de lekenbroeders van Yesse. De Mariakapel van de werkbroeders trok bezoekers, mede vanwege een vermeend Mariawonder. Parochianen gingen volgens de beschrijving liever naar deze kapel dan naar hun eigen kerk. Daardoor ontving de pastoor minder inkomsten uit giften en andere bijdragen. De kwestie laat zien dat religieuze belangstelling ook financiële gevolgen kon hebben voor afzonderlijke kerkelijke instellingen.

De pastoor maakte bezwaar tegen de situatie. Volgens de geschiedenis van Klooster Yesse werd bepaald dat het klooster ieder halfjaar vier Groninger guldens aan hem moest betalen. De regeling toont hoe kerkelijke instellingen hun onderlinge financiële belangen probeerden te ordenen. Het conflict was niet rechtstreeks een geschil over turf, maar het speelde zich af binnen dezelfde kloosterlijke aanwezigheid die door de exploitatie van de venen was ontstaan. De geschiedenis van Kropswolde werd daardoor zowel door economische als door religieuze belangen gevormd.

De veranderende rechten in Oostermoer

In de vijftiende eeuw bleven de bewoners van Annen, Eext, Gieten en Bonnen betrokken bij het gebruik van hun oostelijk gelegen gronden. De venen boden mogelijkheden voor brandstofwinning, terwijl andere percelen voor landbouw en beweiding konden worden gebruikt. De precieze verhouding tussen gemeenschappelijke rechten en afzonderlijk bezit veranderde in de loop van de tijd. Niet iedere verandering betekende onmiddellijk grootschalige vervening. Sommige gronden werden slechts beperkt gebruikt, terwijl andere geleidelijk intensiever werden geëxploiteerd.

Voor Annerveen komen in eerdere onderzoeksnotities vermeldingen uit 1454 en 1457 voor. Zij worden verbonden met een verlaat en met de verdeling van veengronden. De oorspronkelijke documenten zijn nog niet voldoende gecontroleerd om de precieze gebeurtenissen vast te stellen. De jaartallen blijven daarom onderzoekspunten. De ontwikkeling van Annerveen moet worden verbonden met de oudere rechten van Annen, maar mag niet zonder bewijs worden voorgesteld als een volledig georganiseerde commerciële ontginning in het midden van de vijftiende eeuw.

De hofmeester van Warffum in 1458

Op 23 maart 1458 wordt in het onderzoek naar de goederen van Warffum een hofmeester genoemd die verbonden was met veengronden bij Zuidlaren. De vermelding laat zien dat de commanderij plaatselijk beheer organiseerde. Een hofmeester kon toezicht houden op werkzaamheden, gebruikers en opbrengsten. De precieze taken van deze persoon moeten uit de oorspronkelijke documenten worden vastgesteld. Hij mag niet zonder bewijs worden voorgesteld als beheerder van alle venen rond Zuidlaren.

De vermelding uit 1458 moet worden onderscheiden van de Aduarder hofmeester die in 1323 voorkomt. Het gaat om verschillende instellingen en perioden. Dat onderscheid is belangrijk omdat de aanwezigheid van meerdere kloosterlijke beheerders anders gemakkelijk tot één verhaal over een zogenaamd gezamenlijk kloosterbedrijf wordt samengevoegd. De werkelijkheid was ingewikkelder. Afzonderlijke instellingen hadden eigen bezittingen en konden hun inkomsten op verschillende manieren organiseren. Voor de plaatselijke gebruikers betekende dit dat hun verplichtingen afhankelijk waren van de eigenaar of rechthebbende van het betrokken perceel.

Onno Tamminga en de veengronden bij Wolfsbarge in 1462

In eerdere onderzoeksnotities bij het werk van Benders en Spek wordt voor 1462 een overdracht van veengrond bij Wolfsbarge genoemd waarbij Onno Tamminga betrokken was. De precieze inhoud van de oorspronkelijke akte is nog niet opnieuw vastgesteld. Daardoor blijft onduidelijk welke percelen werden overgedragen, wie de wederpartij was en welke voorwaarden golden. De vermelding kan daarom nog niet worden uitgewerkt tot een volledig bewezen geschiedenis van de transactie.

Het onderzoekspunt is wel belangrijk omdat het de aandacht vestigt op particuliere grondbezitters. Niet alle veengronden waren in handen van kloosters of dorpsgemeenschappen. Ook families konden rechten bezitten, verkopen of op andere wijze overdragen. De naam Tamminga kan daardoor helpen om de veranderingen in het bezit van Wolfsbarge nauwkeuriger te reconstrueren. Voor een volledige geschiedenis moeten de oorspronkelijke akte, de betrokken personen en de verdere ontwikkeling van de gronden worden onderzocht. Pas dan kan worden vastgesteld welke economische betekenis deze overdracht had.

De gronden van Kropswolde en Wolfsbarge veranderen van gebruik

In de loop van de vijftiende en zestiende eeuw veranderde het gebruik van verschillende gronden bij Kropswolde en Wolfsbarge. Waar turf werd gewonnen, verdween een deel van het veenpakket. De mogelijkheden voor later grondgebruik waren afhankelijk van de overblijvende bodem en de waterstand. Sommige percelen konden geschikt worden gemaakt voor landbouw of beweiding, terwijl andere nat bleven. De geschiedenis van de vervening was daardoor niet alleen een geschiedenis van brandstofwinning, maar ook van langdurige landschapsverandering.

Voor de kloosters en andere bezitters kon de economische waarde van een perceel veranderen. Een veengebied leverde mogelijk eerst turf op, maar kon later een andere functie krijgen. Dat maakte beheer en pachtvoorwaarden belangrijk. De bewoningsgeschiedenis van Kropswolde en Wolfsbarge moet daarom worden verbonden met de ontwikkeling van het grondgebruik. Niet iedere boerderij ontstond rechtstreeks uit een turfbedrijf, maar de ontginningen droegen wel bij aan veranderingen in het landschap waarin de bewoners leefden en werkten.

De schipsloot en de verbinding van Kropswolde met de Hunze

Voor de exploitatie van de kloostergronden bij Kropswolde was een bruikbare verbinding met de Hunze belangrijk. In het eerdere onderzoek wordt een schipsloot genoemd die de winningsgebieden met de rivier verbond. Een dergelijke watergang kon het mogelijk maken turf dichter bij de plaats van winning te laden en af te voeren. Daarmee werd het vervoer minder afhankelijk van lange trajecten over land. De aanleg en het onderhoud van een schipsloot vergden echter arbeid en afspraken over het gebruik van water en grond.

De precieze ligging en ouderdom van de schipsloot moeten nog worden vastgesteld. Het is niet verantwoord om een latere watergang zonder meer als een dertiende-eeuwse kloostersloot aan te wijzen. Ook is niet bekend hoeveel turf via deze verbinding werd vervoerd. De vermelding is toch van betekenis omdat zij duidelijk maakt dat het vervoer niet uitsluitend over de natuurlijke rivier verliep. Kleine gegraven verbindingen konden een belangrijke rol spelen tussen de veengronden en het grotere watersysteem van de Hunze.

De turfstekers, pachters en andere arbeiders

De kloosters bezaten gronden en ontvingen inkomsten, maar de dagelijkse werkzaamheden werden uitgevoerd door mensen. Turfwinning vereiste het steken van het veen, het drogen van de turven en het verzamelen van de brandstof. Daarna moest de turf naar een laadplaats worden gebracht. De werkzaamheden waren afhankelijk van het seizoen en de weersomstandigheden. Bij nat weer kon het drogen moeilijk verlopen, terwijl een lage waterstand het vervoer kon beperken. De economische opbrengst van een veengebied was daardoor nooit vanzelfsprekend.

Over de lonen en arbeidsvoorwaarden van de vroegste turfstekers langs de Hunze zijn nog onvoldoende concrete gegevens beschikbaar. Lekenbroeders speelden bij sommige kloostergoederen een rol, maar daarnaast waren pachters en andere arbeidskrachten belangrijk. Hun precieze positie moet uit rekeningen, pachtakten en andere documenten worden gereconstrueerd. Het is niet verantwoord om zonder bewijs vaste lonen, werkdagen of aantallen arbeiders te noemen. Wel is duidelijk dat de kloosterlijke economie afhankelijk was van hun arbeid. Zonder deze mensen konden grondrechten niet worden omgezet in bruikbare turf en inkomsten.

De handel in turf en de verdeling van opbrengsten

Turf was een waardevolle brandstof voor huishoudens, ambachtelijke bedrijven en instellingen. De kloosters konden een deel van hun productie zelf gebruiken, terwijl andere hoeveelheden konden worden verkocht of als onderdeel van rechten en verplichtingen werden geleverd. De vermeldingen over Kropswolde en Everswolde laten zien dat turf economisch belangrijk was, maar geven nog geen volledig overzicht van de afnemers, prijzen en betalingsvoorwaarden. Die gegevens moeten uit afzonderlijke rekeningen en overeenkomsten worden gehaald.

Voor de geschiedenis van het Hunzedal is het belangrijk onderscheid te maken tussen verschillende geldstromen. Een grondeigenaar kon pacht ontvangen, een gebruiker kon turf verkopen en voor het vervoer konden afzonderlijke kosten worden gemaakt. De uiteindelijke opbrengst van een veengebied was daardoor niet gelijk aan de verkoopwaarde van alle vervoerde turf. Belastingen en andere verplichtingen konden eveneens een rol spelen. Zonder nauwkeurige administratie is niet vast te stellen welk deel van de opbrengsten bij kloosters, pachters, arbeiders of andere betrokkenen terechtkwam.

De waterstand bepaalt het vervoer

De Hunze bood mogelijkheden voor het vervoer van turf, maar was geen voortdurend gemakkelijk bevaarbare waterweg. Ondiepten, bochten en wisselende waterstanden beperkten het gebruik. Voor beladen vaartuigen was voldoende diepte nodig. Wanneer de rivier te weinig water voerde, kon het vervoer worden vertraagd. Daarom waren voorzieningen nodig om de bevaarbaarheid te verbeteren. De geschiedenis van De Groeve en de knijpe laat zien dat mensen probeerden de natuurlijke omstandigheden aan te passen aan hun economische behoeften.

Een knijpe kon water tijdelijk vasthouden. Wanneer voldoende water was verzameld, kon de afsluiting worden geopend zodat een watergolf het vervoer stroomafwaarts hielp. Deze werkwijze maakte gebruik van de natuurlijke stroming, maar bracht ook beperkingen met zich mee. Het water moest eerst worden verzameld en de voorziening moest worden onderhouden. Bovendien konden veranderingen in de waterstand gevolgen hebben voor andere gebruikers. De geschiedenis van de turfwinning was daardoor onlosmakelijk verbonden met de technische en juridische organisatie van het waterbeheer.

Zuidlaarderveen groeit uit Everswolde

Het gebied dat in de middeleeuwen Everswolde werd genoemd, ontwikkelde zich geleidelijk tot het latere Zuidlaarderveen. De nederzetting lag op hogere delen aan de oostzijde van het Hunzedal. Volgens regionale erfgoedinformatie stonden er in de zestiende eeuw ongeveer tien boerderijen. De bewoning had daarmee een herkenbare omvang gekregen, maar dat betekent niet dat dezelfde boerderijen al in de dertiende eeuw bestonden. De ontwikkeling verliep over meerdere eeuwen en hing samen met veranderingen in grondgebruik en exploitatie.

De ligging op de overgang van het natte beekdal naar de hogere zandgronden bood mogelijkheden voor bewoning en landbouw. Turfwinning bleef belangrijk, maar de bewoners waren niet noodzakelijk uitsluitend van de turf afhankelijk. Landbouw, veeteelt en het gebruik van de aangrenzende gronden konden eveneens bijdragen aan hun bestaan. De latere dorpsvorm mag daarom niet rechtstreeks worden teruggeprojecteerd op de eerste kloosterlijke ontginningen. Everswolde was een ouder gebied met eigen rechten en bezittingen, terwijl Zuidlaarderveen als nederzetting geleidelijk zijn latere vorm kreeg.

De Zwarte Lent en de verbinding met de rivier

Bij Zuidlaarderveen lag een laad- en losplaats aan de Hunze die bekendstond als de Zwarte Lent. Een lent was een hoger gelegen plaats aan het water waar goederen konden worden geladen of gelost. De aanwezigheid van zo'n plaats maakt duidelijk hoe belangrijk de verbinding tussen het dorp en de rivier was. Turf moest immers vanuit het winningsgebied naar een bruikbare oever worden gebracht voordat vervoer over water mogelijk was. De natuurlijke rivier alleen was daarvoor niet voldoende.

De precieze ouderdom van de Zwarte Lent moet nog worden vastgesteld. Het is niet bewezen dat de laadplaats al in 1262 dezelfde naam en functie had. De latere geschiedenis laat wel zien hoe de ligging van Zuidlaarderveen, de wegen en de Hunze samen de economische mogelijkheden bepaalden. Het gebruik van een laadplaats vereiste bereikbare routes en geschikte omstandigheden aan het water. Daarmee vormde zij een schakel tussen de werkzaamheden op het land en het vervoer van de opbrengsten.

De laatste eeuw van het katholieke kloosterbezit

In de zestiende eeuw bleven de kloosters belangrijke grondbezitters, maar hun positie kwam steeds meer onder druk te staan. De Reformatie en de politieke conflicten in de Nederlanden veranderden de verhouding tussen kerk en bestuur. De kloosters waren niet alleen religieuze gemeenschappen, maar ook economische instellingen met gronden, pachters en inkomsten. Wanneer hun bestuurlijke of religieuze positie werd aangetast, kon dat gevolgen hebben voor de organisatie van hun bezittingen. De gronden zelf verdwenen daardoor niet en de gebruikers konden hun werkzaamheden voortzetten.

Voor Kropswolde en Wolfsbarge worden in eerdere bronnenlijsten documenten uit 1545 en 1571 genoemd. Deze kunnen helpen om de veranderingen in het bezit en de pachtverhoudingen tijdens de laatste decennia vóór de Reductie te reconstrueren. De oorspronkelijke teksten zijn nog niet volledig onderzocht. Daarom kunnen de namen van alle betrokken eigenaren en gebruikers nog niet worden vastgesteld. De documenten vormen een belangrijke verbinding tussen de middeleeuwse grondverwervingen en de latere administratie van de voormalige kloostergoederen.

Oorlog en onzekerheid in het achterland

De Tachtigjarige Oorlog had ook gevolgen voor Groningen en het omliggende gebied. Militaire gebeurtenissen, veranderende machtsverhoudingen en economische onzekerheid konden de mogelijkheden van boeren en pachters beïnvloeden. Voor een gebruiker van kloostergrond was het belangrijk of hij zijn opbrengsten kon verkopen en zijn pacht kon betalen. Wanneer de omstandigheden verslechterden, kon dat tot betalingsproblemen leiden. De precieze gevolgen verschilden per plaats en moeten uit afzonderlijke rekeningen en verklaringen worden afgeleid.

Het is niet verantwoord om zonder plaatselijke bronnen te stellen dat alle turfwinning tijdens de oorlog stilviel. De latere administratie laat juist zien dat de exploitatie na 1594 doorging. De oorlog vormde wel een belangrijke achtergrond voor de financiële moeilijkheden die in de pachtgegevens zichtbaar worden. Daarmee krijgt de geschiedenis van de gewone gebruikers een plaats naast die van de grote instellingen. De politieke strijd kon hun bestaan beïnvloeden, ook wanneer zij zelf geen directe rol speelden in de militaire gebeurtenissen.

De Reductie van Groningen op 22 juli 1594

Op 22 juli 1594 kwam Groningen onder het gezag van de Republiek. Deze gebeurtenis staat bekend als de Reductie van Groningen. De katholieke kloosters verloren hun vroegere positie en hun goederen kwamen onder nieuw beheer. Daarmee veranderde de bestuurlijke organisatie van bezittingen die gedurende eeuwen door religieuze instellingen waren opgebouwd. Voor het Hunzedal was dit van grote betekenis, omdat Aduard, Yesse en andere kloosters er gronden en rechten hadden verworven.

De overgang betekende niet dat de turfwinning onmiddellijk eindigde. De gronden bleven bestaan en gebruikers konden hun werkzaamheden voortzetten. Wel veranderde de instelling aan wie zij verantwoording moesten afleggen. De nieuwe beheerders wilden weten welke bezittingen beschikbaar waren, welke inkomsten daaruit konden worden verkregen en welke verplichtingen de gebruikers hadden. Daarmee ontstond een administratie die voor de geschiedenis van de turfwinning bijzonder waardevolle gegevens bevat. De Reductie was dus niet alleen een religieuze en politieke gebeurtenis, maar ook een verandering in het beheer van grond en geld.

Taeko Haringius en Johan Clant bezoeken Everswolde

In juli 1595 reisden Taeko Haringius en Johan Clant namens Stad en Ommelanden naar Everswolde. Volgens het onderzoek van Jan Folkerts vonden bezoeken plaats op 23, 27 en 29 juli. Zij onderzochten de hoeveelheid gegraven turf en wilden nieuwe huren vaststellen voor de pachters van de voormalige kloostergoederen. Daarmee wordt de overgang naar nieuw bestuur concreet zichtbaar. De nieuwe beheerders moesten vaststellen welke economische activiteiten doorgingen en welke inkomsten konden worden verwacht.

De bezoeken laten zien dat de voormalige kloostergronden niet uitsluitend als bezit op papier werden beschouwd. Er waren gebruikers die er werkten en pacht betaalden. De bestuurders wilden weten wat de gronden opleverden en welke bedragen redelijkerwijs konden worden geïnd. De administratie vormt daardoor een belangrijke bron voor de economische geschiedenis van Everswolde. Zij laat zien hoe de overgang van kloosterlijk naar nieuw bestuur werd uitgevoerd in het dagelijkse beheer van de gronden.

Egbert Warmelts en de moeilijke pachtjaren

Een van de personen die in de administratie van 1595 naar voren komt, is Egbert Warmelts, die op de voormalige Aduarder hof bij Everswolde woonde. Hij verklaarde dat hij veertig Emder gulden huur betaalde, maar in de twee voorafgaande jaren niet meer dan dertig gulden had kunnen opbrengen. Eerder zou zijn huur vijftig gulden hebben bedragen. De gegevens zijn door Jan Folkerts besproken in zijn onderzoek naar de geschiedenis van Zuidlaarderveen. Zij laten zien dat de economische omstandigheden voor een pachter moeilijk konden zijn.

Warmelts verklaarde bovendien dat hij jaarlijks een hoeveelheid veen groef die in de bron wordt weergegeven als 27 tagen een velt. De precieze betekenis van deze maat moet worden onderzocht voordat zij naar een moderne oppervlakte of hoeveelheid turf wordt omgerekend. De vermelding is belangrijk omdat zij een concrete persoon verbindt met het dagelijkse werk op de voormalige kloostergronden. Warmelts was geen anonieme gebruiker, maar iemand wiens financiële omstandigheden en werkzaamheden in de administratie zichtbaar werden.

De 352 turfschuiten van 1595

De oudst bekende kwantitatieve opgaven over de turfproductie van de voormalige kloostervenen dateren uit 1595. Volgens M.A.W. Gerding vermeldde de rentmeester dat de venen van Aduard in dat jaar 352 schuiten turf opleverden. Dit is een bijzonder belangrijk gegeven omdat het een concrete omvang van de geregistreerde turfproductie zichtbaar maakt. Voor de voorafgaande eeuwen ontbreken zulke cijfers grotendeels. Daardoor kunnen de vroegere hoeveelheden niet zonder meer worden vergeleken met de situatie aan het einde van de zestiende eeuw.

Het aantal van 352 schuiten moet zorgvuldig worden geïnterpreteerd. Een schuit was een vervoerseenheid, maar zonder gegevens over de laadcapaciteit kan het aantal niet eenvoudig worden omgerekend naar een moderne hoeveelheid turf. Ook zegt de opgave niet hoeveel turf in het gehele Hunzedal werd gewonnen. Het betreft de voormalige Aduarder venen die in de betreffende administratie waren opgenomen. De vermelding vormt daarmee een belangrijk, maar begrensd uitgangspunt voor de reconstructie van de economische betekenis van de turfwinning.

De transportkosten van 1595–1596

Voor het boekjaar 1595–1596 vermeldt Gerding dat de rentmeester ruim 922 gulden betaalde voor het vervoer van turf. Dit bedrag moet worden onderscheiden van de verkoopopbrengst van de turf. Het betreft volgens de bron transportkosten en mag daarom niet als omzet of winst van de voormalige kloostervenen worden voorgesteld. De rekening maakt wel duidelijk dat het vervoer een aanzienlijke financiële post vormde. De turfwinning leverde pas economisch bruikbare brandstof op wanneer de goederen naar de gewenste bestemming konden worden gebracht.

De administratie geeft bovendien een verdeling van de herkomst van de vervoerde turf. Daarmee ontstaat een concreter beeld van de verschillende productiegebieden die bij het voormalige kloosterbezit betrokken waren. De gegevens laten zien dat de economische betekenis van het veen niet uitsluitend lag bij één plaats. Everswolde, Kropswolde en Wolfsbarge maakten deel uit van een groter netwerk van winningsgebieden. Voor een volledige vergelijking moeten de percentages echter worden verbonden met de juiste administratieve categorie en de omvang van de afzonderlijke vrachten.

Everswolde, Kropswolde en Wolfsbarge in de rekening

Gerding geeft voor de transportkosten over 1595–1596 een verdeling naar herkomstgebied. Everswolde vertegenwoordigde 27,3 procent, Slochteren 24,0 procent en Kolham 22,0 procent. Voor Kropswolde werd 6,5 procent vermeld en voor Wolfsbarge 4,5 procent. Daarnaast waren er overige plaatsen en posten waarvan de herkomst niet afzonderlijk werd genoemd. Deze cijfers laten zien dat de turf uit verschillende gebieden kwam en dat Everswolde binnen deze administratie een belangrijke plaats innam.

De percentages mogen niet worden voorgesteld als aandelen in de totale turfproductie van Groningen en Drenthe. Zij hebben betrekking op de in de rekening opgenomen transportkosten. Verschillen in afstand, tarieven of andere omstandigheden konden invloed hebben op de verdeling van zulke kosten. Voor een nauwkeurige vergelijking van de productie zijn aanvullende gegevens nodig over de hoeveelheid turf per herkomstgebied. De rekening vormt niettemin een waardevolle bron omdat zij de economische verbinding tussen verschillende voormalige kloostergoederen zichtbaar maakt.

De nieuwe beheerders nemen de inkomsten over

Na de Reductie moesten de nieuwe beheerders bepalen welke gronden beschikbaar waren, wie ze gebruikte en welke inkomsten konden worden verkregen. De bezoeken aan Everswolde en de rekening van 1595–1596 laten zien hoe deze overgang in de praktijk verliep. De oude kloostergoederen bleven economisch van betekenis. De gebruikers moesten echter rekening houden met nieuwe vertegenwoordigers van het bestuur. Daarmee veranderde de bestemming en de organisatie van de inkomsten, terwijl het dagelijkse werk op veel plaatsen kon doorgaan.

De overgang laat zien hoe belangrijk het onderscheid tussen eigendom en gebruik was. Een pachter kon op dezelfde grond blijven werken terwijl de eigenaar of beheerder veranderde. De economische waarde van het gebied werd nog steeds bepaald door de bodem, de waterstand, de beschikbare arbeid en de bereikbaarheid. De politieke gebeurtenis van 1594 veranderde de bestuurlijke verhoudingen, maar niet onmiddellijk het landschap. De geschiedenis van de turfwinning ging daardoor verder binnen een nieuwe organisatie van bezit, pacht en inkomsten.

Het Hunzedal aan het einde van de zestiende eeuw

Omstreeks 1600 was het Hunzedal een landschap waarin eeuwen van ontginning, grondverwerving en waterbeheer hun sporen hadden achtergelaten. De oude dorpen langs de Hondsrug behielden hun betekenis, terwijl aan de oostzijde nieuwe vormen van bewoning en grondgebruik waren ontstaan. De kloosters hadden gedurende de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw belangrijke rechten verworven. Bij Kropswolde waren Yesse en Rottum actief geweest, bij Wolfsbarge en Everswolde had Aduard bezittingen gehad en ook andere religieuze instellingen hadden gronden in het gebied bezeten.

De Reductie van 1594 had de bestuurlijke verhoudingen ingrijpend veranderd. De katholieke kloosters verloren hun vroegere positie en hun goederen kwamen onder nieuw beheer. De administratie van 1595–1596 laat zien dat de turfwinning economisch belangrijk bleef. Tegelijk maakt zij duidelijk dat het vervoer kosten met zich meebracht en dat de opbrengsten niet eenvoudig met de productie konden worden gelijkgesteld. De geschiedenis van het Hunzedal was daarmee een geschiedenis van voortdurende veranderingen in bezit, arbeid, waterbeheer en bestuur.

De lange strijd om grond, water en macht

De ontwikkeling van het Hunzedal tussen 1200 en 1600 laat zien dat de vroege turfwinning niet uitsluitend werd bepaald door de aanwezigheid van veen. Grondrechten, kloosterlijke belangen, arbeid, waterbeheer en vervoer waren minstens zo belangrijk. De kloosters konden grond verwerven, maar moesten rekening houden met oudere rechten van dorpsgemeenschappen. Waterverbindingen konden de exploitatie mogelijk maken, maar veroorzaakten ook conflicten. Bestuurders konden macht uitoefenen, maar waren niet automatisch eigenaar van alle gronden binnen hun rechtsgebied.

Achter deze ontwikkelingen stonden gewone bewoners, pachters, lekenbroeders en arbeiders. Hun werkzaamheden maakten het mogelijk de natuurlijke rijkdom van het landschap te benutten. Tegelijk waren zij afhankelijk van de beslissingen van kloosters, grondbezitters en bestuurders. De geschiedenis van het Hunzedal werd daardoor niet alleen geschreven door grote instellingen, maar ook door de mensen die het land bewerkten, turf wonnen en de gevolgen van veranderingen ondervonden. De Hunze vormde de verbindende rivier, maar ook de plaats waar verschillende belangen en aanspraken samenkwamen.