Naarden — van Opstand tot vestinglandschap, 1567–1685

1567 — Filips II kiest voor militair ingrijpen

In 1567 waren de Nederlanden diep verdeeld door godsdienstige spanningen, verzet tegen het koninklijke bestuur en aantasting van bestaande gezagsverhoudingen. Koning Filips II besloot daarom een ervaren leger naar de Nederlanden te sturen. Het opperbevel kwam in handen van Don Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alba. Alba had oorlogservaring opgedaan in Afrika, Italië, Frankrijk en Duitsland en behoorde tot de ervaren veldheren van de Spaanse monarchie. Daarmee begon een militaire ontwikkeling die vijf jaar later rechtstreeks naar Naarden zou leiden. De strijdmacht die naar het noorden kwam, bestond bovendien niet uitsluitend uit Spanjaarden, maar uit militairen afkomstig uit verschillende delen van de monarchie.

17 april 1567 — Alba vertrekt uit Spanje

Op 17 april 1567 vertrok Alba uit Aranjuez. Via Cartagena ging hij aan boord van de vloot van Doria, die over zevenendertig galeien beschikte. Daarmee werden Alba, zijn gevolg en een deel van zijn manschappen naar Genua gebracht. Vijftien vendels jonge Spaanse rekruten gingen mee; in Tarragona kwamen daar nog twee vendels bij. Deze jonge militairen vormden echter slechts een gedeelte van de strijdmacht. Alba wilde vooral kunnen beschikken over ervaren soldaten uit verschillende gebieden van de Spaanse monarchie. De onderneming was daardoor veel groter dan het verplaatsen van één Spaans leger: onderweg en in Italië moesten verschillende bestaande en nieuw geworven eenheden worden samengebracht.

27 april 1567 — de strijdmacht wordt verzameld

Op 27 april bereikte Alba Genua. Hij stuurde Don Bernardino de Mendoza naar Rome om met paus Pius V over de Nederlandse aangelegenheden te spreken en reisde zelf verder naar Piëmont. Daar kwamen verschillende onderdelen van zijn leger bijeen. Alonso de Ulloa verscheen met negentien vendels uit Napels, samen 3.230 man. Julián Romero bracht tien vendels uit Sicilië. Don Sancho de Londoño kwam met tien Lombardische vendels en Don Gonzalo de Bracamonte met tien Sardinische vendels en aanvullende rekruten. Zo ontstond een samengestelde strijdmacht waarin veel mannen al ruime oorlogservaring hadden opgedaan voordat zij ooit de Nederlanden bereikten.

1567 — piekeniers, haakschutters en musketiers

De infanterie vormde de kern van deze strijdmacht. Een compagnie telde doorgaans ongeveer driehonderd man. Ongeveer tien compagnieën konden samen een tercio vormen, hoewel de werkelijke sterkte varieerde. Binnen zo'n eenheid dienden piekeniers, haakschutters en musketiers naast elkaar. Vooral de schutters waren veelzijdig inzetbaar. Zij konden in de voor- en achterhoede worden geplaatst, verkenningen uitvoeren, voedsel verzamelen en tijdens aanvallen als stormtroepen optreden. Aan iedere compagnie werd tijdens de voorbereiding van Alba's tocht bovendien een groep van vijftien musketiers toegevoegd. Het leger was daardoor geschikt voor zowel veldslagen als belegeringen en bestormingen.

1567 — het Spaanse leger was internationaal

De gebruikelijke benaming 'Spaans leger' kan de indruk wekken dat alle militairen uit Spanje kwamen, maar dat was niet zo. Spaanse troepen vormden een belangrijke kern, maar onder de Spaanse kroon dienden eveneens Italianen, Duitsers, Ieren, Walen en Bourgondiërs. Zij konden in afzonderlijke regimenten worden georganiseerd. Vooral Duitse militairen genoten een goede militaire reputatie. Tegelijk werden jonge Spaanse rekruten gevormd door veteranen die eerdere oorlogen hadden meegemaakt. Krijgstucht, training en militaire eer moesten onervaren jongemannen tot beroepssoldaten maken. De krijgsmacht die enkele jaren later door de Nederlanden trok en uiteindelijk Naarden bereikte, moet daarom worden gezien als een samengestelde internationale koninklijke strijdmacht.

1567 — iedere soldaat werd geregistreerd

Ook administratief was dit geen ongeorganiseerde verzameling krijgslieden. Kapiteins die manschappen moesten werven, ontvingen voorschriften, zogenaamde conductas. Geschikte mannen werden geselecteerd en gemonsterd, waarna hun soldij begon. Van individuele militairen konden uitgebreide gegevens worden geregistreerd: naam en voornaam, geboorteplaats, geboorteplaatsen van vader en moeder, leeftijd, lichaamslengte en bijzondere herkenningstekenen. Ook desertie moest worden vastgelegd. Kapiteins moesten hun administratie en betalingsbewijzen tegenover de krijgsraad kunnen verantwoorden. Achter de gewapende soldaat stond dus een militair apparaat van werving, registratie, betaling, bevelvoering en controle. Dat is belangrijk voor het latere Naarden-verhaal, waarin verantwoordelijkheid van bevelhebbers een centrale vraag wordt.

1567 — soldij en verantwoordelijkheid

De verschillende rangen ontvingen verschillende bedragen. Een kapitein kreeg 4.166 maravedís per maand en een vaandrig 1.800 maravedís. Ook voor sergeant, pijper en tamboer golden afzonderlijke bedragen. Een piekenier kreeg 900 en een haakschutter 1.000 maravedís. Soldaten moesten zelf voor hun bewapening en uitrusting zorgen. Kapiteins waren tegelijkertijd verantwoordelijk voor het gedrag van hun manschappen. Opzettelijk verkeerde opgaven over soldij konden zwaar worden bestraft. Ook diefstal, schade en andere wandaden konden consequenties hebben. Kerkgebouwen, kloosters en kapellen mochten volgens de voorschriften bovendien niet zomaar als legeringsplaatsen voor gerekruteerde soldaten worden gebruikt.

1567 — cavalerie en nieuwe vuurkracht

Naast de infanterie beschikte Alba over cavalerie. Vijf compagnieën Spaanse ruiters, drie compagnieën Italiaanse ruiters en twee compagnieën Albanese ruiters trokken mee. Daarnaast waren er twee compagnieën bereden Spaanse haakschutters. Samen met de piekeniers, haakschutters en de toen belangrijker wordende musketiers ontstond zo een strijdmacht waarin verschillende wapens gezamenlijk konden worden ingezet. Voor Nederlandse steden was dat van groot belang. Een stad die besloot weerstand te bieden, kreeg niet alleen te maken met voetvolk, maar met een georganiseerd leger dat cavalerie, vuurwapens, piekeniers en uiteindelijk belegeringsmiddelen kon combineren. Juist de mogelijkheid om steden systematisch tot overgave te dwingen zou enkele jaren later voor Naarden beslissend worden.

1567 — de mars door Savoye

De tocht door Savoye gold als een van de moeilijkste gedeelten van de reis. Alba liet zijn strijdmacht daarom georganiseerd in groepen marcheren. In de voorhoede trok hij zelf mee met het tercio van Alonso de Ulloa, Italiaanse ruiters en bereden haakschutters. Daarna volgde Don Hernando Álvarez de Toledo, prior van San Juan, een buitenechtelijke zoon van Alba en generaal van de cavalerie. Vervolgens kwam Don Sancho de Londoño. De achterhoede stond onder de ervaren veldheer Chapin Vitello en omvatte de eenheden van Julián Romero en Don Gonzalo de Bracamonte. Stap voor stap trok deze omvangrijke krijgsmacht via Europa richting Luxemburg en vandaar naar de Nederlanden.

1567 — krijgstucht tijdens de mars

Onderweg probeerde de legerleiding de krijgstucht streng te handhaven. Een bereden haakschutter die met enkele kameraden in Lotharingen schapen stal, werd daarvan een voorbeeld. Om de manschappen duidelijk te maken dat plundering niet zonder gevolgen bleef, moest één van de schuldigen worden opgehangen. Door loting werd bepaald wie zou sterven; volgens het verhaal viel het lot op degene die de anderen tot de diefstal had aangezet. De overige betrokkenen werden gespaard en de beroofde dorpelingen kregen hun schapen vergoed. Voor Naarden is deze militaire cultuur belangrijk: hetzelfde koninklijke leger dat tegen vijandelijke steden buitengewoon hard kon optreden, kende tegelijkertijd formele regels waarmee ongeoorloofde plundering en ongehoorzaamheid werden bestraft.

1567 — Alba bereikt de Nederlanden

Na aankomst in de Nederlanden verdeelde Alba zijn troepen over verschillende plaatsen. Julián Romero werd met tien vendels in Brussel ingekwartierd, terwijl andere eenheden onder meer in Gent, Luik en Diest terechtkwamen. Daarmee was de lange mars vanuit Italië voltooid. De ervaren koninklijke troepen bevonden zich nu daadwerkelijk in de Nederlanden. De oorlog die volgde zou niet uitsluitend door grote veldslagen worden bepaald. Juist steden, stadspoorten, muren, wallen en belegeringen werden van doorslaggevend belang. Een stadsbestuur moest telkens beslissen of het weerstand zou bieden, onderhandelen of capituleren. Het tijdstip waarop zo'n beslissing werd genomen, kon uiteindelijk zelfs bepalen wat er met garnizoen en inwoners gebeurde.

1568 — de Slag bij Heiligerlee

In 1568 bleek bij Heiligerlee dat zelfs ervaren koninklijke troepen kwetsbaar waren in het Nederlandse landschap. De tegenstanders hadden een gunstige positie gekozen, met een bos achter zich en poelen, plassen en drassige grond voor hun linies. Graaf van Aremberg probeerde hen met geschut en haakschutters uit die positie te krijgen. Ongeveer tweehonderd Spaanse piekeniers rukten echter voorwaarts zonder voldoende rekening te houden met het terrein. Zij liepen tussen poelen en veengrond vast en konden zich daar moeilijk verdedigen. Water en drassigheid bleken zo militaire factoren van betekenis. Die ervaring zou later belangrijk worden voor een oorlog waarin inundaties en het Hollandse waterlandschap steeds nadrukkelijker als verdedigingsmiddel werden gebruikt.

1568 — Aremberg en Adolf van Nassau

Tijdens dezelfde slag voerde graaf van Aremberg een ruiteraanval uit tegen de Duitse cavalerie onder graaf Adolf van Nassau. Volgens een Spaanse lezing doodde Aremberg Adolf en twee ridders die hem vergezelden. Daarna werd Aremberg zelf door een haakbusschot getroffen. Zwaar gewond en gehinderd door zijn volledige wapenrusting hield hij zich bij een hek overeind terwijl zijn strijdmacht uiteenviel. Uiteindelijk werd hij door een overmacht aangevallen en gedood. Volgens deze bron waren de koninklijke verliezen zwaar: ongeveer 450 man sneuvelden, evenals drie kapiteins — Don Álvaro Osorio, Juan Paez de Sotomayor en Periche de Cabrera — en zeven vaandrigs.

1568–1572 — gevangenneming en losgeld

De oorlog betekende niet dat iedere overwonnen tegenstander automatisch werd gedood. Krijgsgevangenen konden aanzienlijke geldbedragen vertegenwoordigen. Vooral officieren, edelen en andere welgestelde tegenstanders waren aantrekkelijk om levend gevangen te nemen, omdat voor hun vrijlating losgeld kon worden gevraagd. Gevangenneming, onderhandelingen en betaling maakten daardoor eveneens deel uit van de oorlog. Dat onderscheid is voor het latere lot van Naarden belangrijk. Doden was niet vanzelfsprekend de enige uitkomst van een overwinning. Onder andere omstandigheden konden gevangenen worden vrijgekocht of verslagen militairen zelfs een vrije aftocht krijgen.

1568–1572 — steden konden onderhandelen

Ook een belegerde stad hoefde niet noodzakelijk tot het uiterste door te vechten. Wanneer een stad of versterking na een sommatie besloot zich over te geven, konden voorwaarden worden overeengekomen. Een garnizoen kon bijvoorbeeld vrije aftocht krijgen. Zo'n vertrek kon opvallend eervol verlopen: militairen mochten soms met vliegende vaandels, wapens, brandende lonten en hun bagage vertrekken. Soms werd zelfs een gewapend geleide beschikbaar gesteld om te voorkomen dat andere militairen de vertrekkende soldaten onderweg aanvielen. Het tijdstip waarop bestuurders en commandanten besloten te onderhandelen was daarom van groot belang. Capituleerde een stad vroeg genoeg, dan kon daarmee het leven van garnizoen en inwoners worden beschermd.

1568–1572 — beloften boden niet altijd veiligheid

Zelfs formeel overeengekomen voorwaarden werden echter niet altijd nageleefd. Als voorbeeld wordt Don Pedro de Taxis genoemd, die met zijn cavalerie een vertrekkende bezetting moest begeleiden nadat een plaats zich had overgegeven. Zijn eigen ruiters vielen de vertrekkende militairen aan, beroofden hen en doodden verschillende mannen. Don Juan van Oostenrijk reageerde volgens de bron zo scherp dat hij Taxis ter dood veroordeelde. Alexander Farnese wist uiteindelijk te voorkomen dat het vonnis werd uitgevoerd, maar de slachtoffers moesten schadeloos worden gesteld. Het voorval toont tegelijkertijd twee werkelijkheden: er bestonden erkende capitulatieregels, maar militairen konden die regels overtreden.

1568–1572 — het zware geschut als beslissende grens

Bij de overgave van een belegerde stad kon het moment waarop zij capituleerde zelfs over leven en dood beslissen. Volgens het beschreven krijgsgebruik bestond een belangrijk verschil tussen een stad die tijdig op een sommatie reageerde en een stad die weerstand bleef bieden totdat het zware geschut was aangevoerd en opgesteld. Wie herhaalde sommaties afwees en pas daarna de poorten opende, kon volgens deze militaire opvatting zijn aanspraak op lijfsbehoud hebben verspeeld. Het ging daarbij niet noodzakelijk uitsluitend om het garnizoen. Ook inwoners konden door de consequenties van de militaire beslissing worden getroffen.

Het voorbeeld van Weert

Een uitspraak die aan Alexander Farnese wordt toegeschreven over de bezetting van Weert verduidelijkt deze harde opvatting. Een onderbevelhebber wilde weten of de verdedigers vrij mochten vertrekken. Het antwoord kwam erop neer dat wanneer zij pas capituleerden nadat het zware geschut was opgesteld, zij volgens het geldende krijgsgebruik hun recht op lijfsbehoud hadden verloren. Voor inwoners was dit bijzonder gevaarlijk. Een beslissing die door bestuurders of garnizoenscommandanten werd genomen, kon volgens deze oorlogscultuur uiteindelijk gevolgen hebben voor mensen die zelf helemaal niet aan de gevechten deelnamen.

De harde werkelijkheid van de belegeringsoorlog

Wanneer verdedigers langdurig weerstand boden, kon een belegering steeds gewelddadiger worden. Aanvallers verloren manschappen, leden honger en kou en zagen kameraden door beschietingen of tijdens aanvallen sneuvelen. In militaire beschrijvingen komen begrippen voor als guerra rota en cuarteles rompidos: situaties waarin de strijd zodanig was verhard dat geen kwartier meer werd gegeven. De houding tegenover de verdedigers kon daardoor gedurende een beleg veranderen. Militaire gebruiken werden vervolgens aangevoerd om extreem geweld na de overwinning te verklaren of rechtvaardigen. Tegen deze harde Europese belegeringscultuur moeten ook de gebeurtenissen die Naarden in het najaar van 1572 zouden treffen worden geplaatst.

Het voorbeeld van Sichem

Een bijzonder gewelddadig voorbeeld is Sichem. Nadat Spaanse soldaten waren gesneuveld en onder anderen Don Pedro Enríquez was gedood, raakte Alexander Farnese volgens de weergegeven bron verbitterd over het voortdurende verzet. Hij dreigde zwaar geschut te laten komen en de stad en haar muren te vernietigen. Maestre de campo Don Gabriel Niño wist de bezetting uiteindelijk tot een onvoorwaardelijke overgave te bewegen. Er waren vooraf echter geen garanties voor hun veiligheid gegeven. Na de capitulatie liet Farnese volgens deze beschrijving de gevangenen opstellen. Vervolgens werden zij op gruwelijke wijze met zware hamers om het leven gebracht.

De commandant van Sichem

Ook de commandant van Sichem werd ter dood veroordeeld. Hij moest volgens het weergegeven verhaal aan de hoogste torentrans worden opgehangen. Omdat hij edelman was, vroeg hij of hij in plaats daarvan met het zwaard mocht worden gedood. Dat verzoek werd geweigerd. Vervolgens rukte hij zich los en sprong van de toren, kennelijk om de voor hem vernederende dood aan de galg te ontlopen. Hij belandde echter in het water van de gracht, werd opnieuw naar boven gebracht en alsnog naar de galg geleid. Vlak voor zijn dood haalde hij een afbeelding van zijn geliefde tevoorschijn, kuste deze en wierp haar in de gracht.

1568–1572 — oorlog in een Nederlands landschap

De militairen die naar de Nederlanden waren gekomen, moesten leren oorlogvoeren in een landschap dat sterk verschilde van veel gebieden waar zij eerder hadden gevochten. Water, sloten, moerassen, dijken en 's winters ijs bepaalden waar mensen, paarden en geschut zich konden verplaatsen. Spaanse kroniekschrijvers beschreven met verbazing hoe Nederlanders met polsstokken over brede sloten sprongen. Zulke technieken werden tijdens de oorlog militair bruikbaar. Ook schaatsen trokken hun aandacht. Nederlanders konden zich daarmee snel over bevroren meren en kanalen verplaatsen. Zelfs boerenvrouwen en meisjes met manden werden in Spaanse beschrijvingen als vaardige schaatsers genoemd.

1568–1572 — belegeringen worden technische operaties

Ook de belegeringstechniek ontwikkelde zich verder. Aanvallers konden overdekte loopgraven aanleggen waarmee soldaten beschermd in de richting van stadsgrachten en verdedigingswerken oprukten. Houten stutten, planken en zoden boden bescherming tegen beschietingen vanaf muren en wallen. Vanuit een hoofdloopgraaf konden kleinere naderingswerken worden aangelegd. De verdedigers beschikten in de Nederlanden ondertussen over een bijzonder wapen: het water. Door gebieden onder water te zetten konden toegangswegen en terrein voor vijandelijke troepen vrijwel onbegaanbaar worden gemaakt. Oorlog werd daardoor steeds meer een samenspel van infanteristen, artilleristen, ingenieurs en landschap.

1568–1572 — geld blijft een zwakke plek

Achter de indrukwekkende militaire organisatie schuilde een structureel probleem: oorlog kostte enorme hoeveelheden geld. De Spaanse monarchie beschikte over grote inkomsten, maar moest tegelijkertijd legers, bestuur, hofhouding en vele andere verplichtingen betalen. Schulden en leningen stapelden zich op. De financiële problemen waren rechtstreeks bij de troepen in de Nederlanden merkbaar. Bevelhebbers als Alba en later Requeséns, Parma en Verdugo klaagden herhaaldelijk over onvoldoende financiële middelen. Parma zou zelfs eigen kostbaarheden verpanden om zijn manschappen te onderhouden. Bij Maastricht verkochten officieren bezittingen om voedsel voor hun soldaten te kunnen kopen. Een professioneel leger kon militair sterk en tegelijkertijd financieel uiterst kwetsbaar zijn.

Onbetaalde soldaten vormden een gevaar

Wanneer soldij maandenlang uitbleef, kwam de krijgstucht onder druk te staan. Soldaten konden muiten en proberen zichzelf van voedsel en andere benodigdheden te voorzien. Honger, achterstallige betaling, verliezen en jarenlange oorlog tastten de verhouding tussen bevelhebbers en manschappen aan. Muiterijen konden zelfs eerder behaalde militaire successen weer verloren laten gaan. Daarom kan het Spaanse leger tijdens de Nederlandse Opstand niet als één onveranderlijke strijdmacht worden beschouwd. Bij iedere gebeurtenis moet worden gekeken welke eenheden aanwezig waren, onder wiens bevel zij stonden en onder welke omstandigheden zij opereerden. Dat geldt in het bijzonder wanneer het geweld in Naarden wordt onderzocht.

1572 — Naarden wordt rechtstreeks in de oorlog getrokken

Voorjaar en zomer 1572 — de Opstand verandert

Na de inname van Den Briel door de watergeuzen op 1 april 1572 kozen gedurende het voorjaar en de zomer steeds meer steden de zijde van Willem van Oranje en de Opstand. Dat betekende niet dat de bevolking overal eensgezind achter Oranje stond. In veel steden bestonden scherpe tegenstellingen tussen aanhangers van de koning, hervormingsgezinden, voorstanders van Oranje en inwoners die vooral een gewapend conflict buiten hun muren wilden houden. Ook Naarden kwam in deze onzekere situatie terecht. De keuze tussen koninklijke gehoorzaamheid en aansluiting bij de Opstand werd daardoor een plaatselijke machtsstrijd met levensgevaarlijke gevolgen.

1572 — Naarden is verdeeld

Ook binnen Naarden bestond geen eensgezindheid. Een deel van de bevolking sympathiseerde met de Opstand, terwijl anderen liever onder het bestaande koninklijke gezag bleven. De tegenstellingen werden zichtbaar toen het stadsbestuur overwoog een garnizoen van de koningsgezinde stadhouder Maximiliaan de Hénin-Liétard, graaf van Bossu, binnen te laten. Een deel van de burgers dreigde zelfs met geweld wanneer het bestuur daartoe zou overgaan. Het stadsbestuur bevond zich daardoor tussen verschillende machten: Bossu en het koninklijke gezag aan de ene kant, de oprukkende Opstand en een deel van de eigen inwoners aan de andere kant.

1572 — Naarden kiest de zijde van de Opstand

Uiteindelijk sloot Naarden zich aan bij de Opstand. Daarmee kwam de stad tegenover het bestuur van Filips II en het leger van de hertog van Alba te staan. Het besluit moet worden gezien tegen de achtergrond van de snelle politieke veranderingen van 1572. Steden konden in korte tijd van machthebber wisselen en plaatselijke bestuurders wisten niet hoe duurzaam de successen van de Opstand zouden zijn. Voor Naarden was de keuze bijzonder riskant. De stad lag strategisch aan de oostelijke toegang tot Holland. Wie vanuit Utrecht en het oosten richting Amsterdam en het hart van Holland wilde trekken, kon Naarden moeilijk negeren.

1572 — Don Fadrique trekt op

De militaire situatie keerde ondertussen in het voordeel van Alba. Zijn zoon Don Fadrique Álvarez de Toledo kreeg een belangrijke rol bij het herstellen van het koninklijke gezag. Het leger trok tegen steden op die zich bij de Opstand hadden aangesloten. De campagne was niet alleen bedoeld om afzonderlijke plaatsen terug te veroveren. Iedere overwinning kon andere steden duidelijk maken wat de consequenties van verzet waren. Daarmee werd psychologische oorlogsvoering onderdeel van de campagne. Het lot van een ingenomen stad kon andere plaatsen ertoe bewegen hun poorten zonder langdurig verzet te openen. Binnen deze strategie werd Naarden een volgende plaats op de route van het koninklijke leger.

November 1572 — Don Fadrique nadert Naarden

In november 1572 naderde Don Fadrique met zijn troepen Naarden. De situatie voor de stad was gevaarlijk. De inwoners konden nauwelijks verwachten zelfstandig langdurig weerstand te kunnen bieden tegen een ervaren veldleger. Bovendien moest rekening worden gehouden met de gebruiken van de belegeringsoorlog. Een stad die een sommatie afwees en bleef doorvechten, liep het risico na een bestorming veel zwaarder te worden behandeld dan een stad die tijdig capituleerde. Juist daarom werden de onderhandelingen die nu begonnen van levensbelang. De kernvraag was niet langer alleen of Naarden zich zou overgeven, maar vooral onder welke voorwaarden de inwoners de koninklijke troepen zouden toelaten.

November 1572 — de sommaties

De stad werd tot overgave gemaand. Deze sommaties spelen een belangrijke rol in de latere verklaringen van het geweld, omdat werd aangevoerd dat de inwoners eerdere bevelen tot overgave niet hadden opgevolgd. Vanuit het perspectief van de koninklijke legerleiding betekende herhaalde weigering dat Naarden bewust weerstand bood. Vanuit het perspectief van de inwoners lag de situatie ingewikkelder. Zij moesten rekening houden met opstandelingen, hun eigen verdeeldheid en de vraag of hulp uit andere Hollandse steden mogelijk was. Iedere dag uitstel kon de stad echter dichter brengen bij het punt waarop het leger haar niet langer als een plaats behandelde die onder gunstige voorwaarden mocht capituleren.

Eind november 1572 — Naarden zoekt een uitweg

Toen duidelijk werd dat werkelijk een sterke koninklijke strijdmacht tegen Naarden werd ingezet, probeerden de inwoners een uitweg te vinden. Onderhandelen bood meer kans op overleving dan een bestorming. Vertegenwoordigers van de stad kwamen daarom in contact met de koninklijke legerleiding. Voor de bevolking was vooral van belang dat leven en bezit werden beschermd. De latere geschiedschrijving draait voor een belangrijk gedeelte om de vraag welke toezeggingen precies werden gedaan en door wie. Dat onderscheid is essentieel: een stad die haar poorten opende nadat bescherming was beloofd, bevond zich in een andere positie dan een stad die door een bestorming militair was veroverd.

Eind november 1572 — Julián Romero

Een centrale persoon in de onderhandelingen was de Spaanse officier Julián Romero. Hij was dezelfde ervaren militair die al in 1567 met zijn vendels naar de Nederlanden was gekomen. Vijf jaar later stond hij dus bij Naarden. Romero werd naar de stad gestuurd om over de overgave te onderhandelen. Volgens de Naardense overlevering en verschillende historische beschrijvingen stelde hij de inwoners gerust. Wanneer zij zich onderwierpen en de koninklijke troepen toelieten, zouden zij op bescherming kunnen rekenen. Juist deze toezegging verklaart waarom de daaropvolgende gebeurtenissen later niet eenvoudig als de gewelddadige afloop van een bestorming werden beschreven, maar als schending van gegeven vertrouwen.

30 november 1572 — de onderhandelingen worden beslissend

Op 30 november bevond Naarden zich feitelijk aan de vooravond van zijn ondergang. De inwoners hadden onvoldoende militaire mogelijkheden om een langdurige verdediging vol te houden en probeerden door onderhandelingen hun veiligheid te verzekeren. Julián Romero speelde daarbij als vertegenwoordiger van het koninklijke leger een sleutelrol. De bevolking kreeg de indruk dat overgave niet automatisch dood en plundering betekende. Dat paste bovendien bij bestaande militaire gebruiken: een stad kon onder voorwaarden capituleren en daarmee een bestorming voorkomen. Voor de Naarders moet het openen van de stad daarom een rationele keuze hebben geleken. Juist hierdoor kreeg wat de volgende dag gebeurde een uitzonderlijk karakter.

1 december 1572 — de bevolking wordt bijeengeroepen

Op 1 december 1572 bevonden de koninklijke troepen zich in Naarden. De inwoners werden vervolgens opgeroepen bijeen te komen. Een groot aantal mannen verzamelde zich in het gebouw dat in de bronnen en latere beschrijvingen als het Gasthuis wordt aangeduid. De oproep wekte niet noodzakelijk onmiddellijk argwaan, juist omdat onderhandelingen hadden plaatsgevonden en de stad zich had onderworpen. De aanwezigen konden verwachten dat voorwaarden, eden of verdere maatregelen betreffende de onderwerping zouden worden bekendgemaakt. In plaats daarvan veranderde de bijeenkomst in het begin van het geweld waarvoor Naarden later in de Nederlandse geschiedschrijving bekend zou worden.

1 december 1572 — het Gasthuis

Toen de burgers in het Gasthuis waren samengebracht, vielen militairen hen aan. Er werd geschoten en met wapens op de aanwezigen ingehakt. Mensen die kort daarvoor nog hadden aangenomen dat hun leven door de capitulatie was beschermd, werden nu gedood. Het Gasthuis werd daardoor een van de centrale plaatsen in de herinnering aan de gebeurtenissen. Het geweld beperkte zich echter niet tot dit gebouw. Ook elders in Naarden werden inwoners aangevallen. Huizen werden binnengedrongen en bezittingen geroofd. Wat als een overeengekomen onderwerping was begonnen, veranderde in een algemene geweldsuitbarsting tegen de stad en haar bevolking.

1 december 1572 — moord, plundering en brand

Na het geweld tegen de bijeengebrachte burgers volgden plundering en brandstichting. Militairen trokken door Naarden en namen waardevolle goederen mee. Gebouwen werden in brand gestoken en een groot gedeelte van de stad werd verwoest. De gebeurtenissen worden vaak samengevat als de 'uitmoording van Naarden', maar die benaming kan verhullen dat verschillende gebeurtenissen achter elkaar plaatsvonden: de onderhandelingen, het toelaten van de troepen, het bijeenroepen van inwoners, het doden van burgers, plundering en vervolgens verwoesting door brand. Voor een chronologische reconstructie is het belangrijk deze fasen afzonderlijk te blijven behandelen.

1 december 1572 — burgers worden getroffen

Het geweld richtte zich niet uitsluitend tegen gewapende verdedigers. Juist burgers vormden een groot deel van de slachtoffers. Mannen die na de overgave bijeen waren gekomen, werden gedood en ook buiten het Gasthuis vielen slachtoffers. De stad werd geplunderd en gedeeltelijk verbrand. Tegelijk moet voorzichtig worden omgegaan met exacte aantallen slachtoffers. Latere verhalen hebben zeer hoge cijfers genoemd, terwijl de omvang van de bevolking en het precieze aantal doden moeilijk met zekerheid zijn vast te stellen. De kern van de gebeurtenis — grootschalig geweld tegen inwoners na de onderwerping van de stad — staat veel steviger vast dan de latere precieze slachtoffercijfers.

1 december 1572 — de Grote Kerk en de stad

Ook de Grote of Sint-Vituskerk speelde een rol tijdens de gebeurtenissen. Inwoners zochten op verschillende plaatsen bescherming toen het geweld zich door de stad verspreidde. Kerkgebouwen boden in oorlogsomstandigheden echter niet automatisch veiligheid. Het geweld liet bovendien fysieke sporen na. Woningen en openbare gebouwen waren beschadigd of verdwenen en de stedelijke gemeenschap was uiteengeslagen. De ramp van 1 december was daardoor niet afgelopen toen het doden ophield. Naarden moest daarna zijn stedelijke samenleving opnieuw opbouwen.

Julián Romero en de verantwoordelijkheid

De positie van Julián Romero is bijzonder belangrijk. Hij had als ervaren officier aan de onderhandelingen deelgenomen en werd in de Naardense herinnering verbonden met toezeggingen over de veiligheid van de inwoners. Daardoor ontstond later de vraag in hoeverre zijn woorden daadwerkelijk een formele garantie vormden en wie vervolgens opdracht gaf tot het geweld. De verantwoordelijkheid kan niet zonder onderscheid aan iedere aanwezige militair of officier worden toegeschreven. Er bestond een bevelsstructuur met Don Fadrique aan de top van de veldmacht, terwijl officieren als Romero afzonderlijke opdrachten uitvoerden. De handelingen en bevelen van de verschillende betrokkenen moeten daarom van elkaar worden onderscheiden.

Don Fadrique

Don Fadrique Álvarez de Toledo droeg als bevelhebber een centrale militaire verantwoordelijkheid voor de campagne. Het optreden tegen Naarden maakte deel uit van zijn operatie om opstandige Hollandse steden opnieuw onder koninklijk gezag te brengen. De gebeurtenissen mogen daarom niet uitsluitend worden voorgesteld als spontaan geweld van enkele losgeslagen soldaten. Tegelijk verschillen bronnen en latere geschiedschrijvers over de precieze bevelvoering, afzonderlijke opdrachten en de manier waarop gegeven toezeggingen zich verhielden tot het uiteindelijke geweld. Zeker is dat de vernietiging van Naarden een krachtige boodschap aan andere steden vormde.

December 1572 — het nieuws verspreidt zich

Het nieuws over wat in Naarden was gebeurd, verspreidde zich snel. Daarmee kreeg de vernietiging een betekenis die veel verder reikte dan het Gooi. Voor andere steden vormde Naarden een waarschuwing voor wat een koninklijk leger kon doen wanneer verzet werd bestraft. Voor de aanhangers van de Opstand werd de gebeurtenis tegelijkertijd bruikbaar als bewijs van de wreedheid van Alba's bewind en zijn militairen. Naarden werd zo niet alleen een plaatselijke ramp, maar ook onderdeel van de propagandaoorlog. Latere kronieken, prenten en geschiedwerken vergrootten die betekenis verder. Daarom moet steeds onderscheid worden gemaakt tussen wat in december 1572 gebeurde en hoe dat later werd verteld.

Winter 1572–1573 — Naarden was niet verdwenen

De verwoesting betekende niet dat de geschiedenis van Naarden ophield. De formulering dat Naarden volledig zou zijn 'uitgemoord' of van de kaart verdwenen kan een verkeerd beeld oproepen. Er waren overlevenden, mensen konden zijn gevlucht of zich hebben verborgen en de stedelijke gemeenschap werd opnieuw gevormd. Gebouwen waren zwaar beschadigd en vele inwoners waren gedood, maar Naarden bleef als strategische plaats bestaan. Juist de ligging aan de oostelijke toegang tot Holland maakte dat de stad militair niet kon worden opgegeven. Terwijl elders de oorlog doorging, begon daarom vrijwel onmiddellijk een volgende fase in de geschiedenis van Naarden.

1573–1600 — herovering, Reformatie en wederopbouw

1573 — Naarden komt opnieuw in handen van de Opstand

In 1573 veranderde de militaire situatie opnieuw en werd Naarden door de opstandelingen heroverd. Daarmee begon voor de stad een nieuwe fase. Naarden was door de gebeurtenissen van het voorafgaande jaar zwaar getroffen, maar haar ligging bleef strategisch belangrijk. Terwijl inwoners hun huizen, bestaansmiddelen en stedelijke gemeenschap opnieuw probeerden op te bouwen, moest tegelijkertijd rekening worden gehouden met een oorlog die nog lang niet voorbij was. Herstel en verdediging gingen vanaf dit moment voortdurend samen.

1573–1574 — herstel van een getroffen stad

De gebeurtenissen van 1572 hadden inwoners het leven gekost, families uiteengeslagen en gebouwen beschadigd of vernietigd. Toch keerde het stedelijke leven terug. Overlevenden, terugkerende vluchtelingen en nieuwe inwoners moesten opnieuw een gemeenschap vormen. Tegelijk kon het stadsbestuur niet eenvoudig terugkeren naar de toestand van vóór 1572. De politieke machtsverhoudingen waren veranderd en daarmee veranderde ook het religieuze leven. De overgang naar de zijde van de Opstand betekende dat de positie van de rooms-katholieke kerk steeds verder onder druk kwam te staan. In Naarden werd deze verandering al spoedig zichtbaar rond de Grote Kerk.

1574 — Cornelis Jansen wordt predikant

In 1574 kreeg Naarden volgens A.C.J. de Vrankrijker zijn eerste hervormde predikant: Cornelis Jansen. Daarmee werd de religieuze omwenteling institutioneel zichtbaar. De Grote Kerk, eeuwenlang het centrum van het katholieke godsdienstige leven van de stad, kwam in protestantse handen. Dat was veel meer dan alleen een verandering van voorganger. Altaren, beelden, missen, katholieke rituelen en de positie van geestelijken pasten niet langer binnen de nieuwe gereformeerde inrichting. De overgang voltrok zich bovendien slechts twee jaar na de ramp van 1572. Terwijl Naarden materieel nog bezig was zich te herstellen, veranderde tegelijkertijd de religieuze organisatie waarop het stedelijke leven generaties lang had gerust.

1574–1579 — het Mariaconvent

De Reformatie had ook gevolgen voor bestaande katholieke instellingen. In Naarden was vooral het Mariaconvent belangrijk. De daar levende zusters maakten deel uit van een religieuze gemeenschap die vóór de Opstand een vaste plaats binnen de stad had ingenomen. Na 1572 en de overgang naar het gereformeerde kamp werd de toekomst van dergelijke instellingen onzeker. Hun bezit kon niet simpelweg verdwijnen. Gebouwen, landerijen, renten en andere inkomsten vertegenwoordigden economische waarde. Daardoor werd de opheffing van katholieke instellingen tegelijkertijd een bestuurlijke en financiële kwestie. Naarden had na de verwoesting bovendien behoefte aan middelen voor armen, wezen en andere inwoners die niet zelfstandig in hun levensonderhoud konden voorzien.

12 oktober 1579 — het klooster gaat over aan de stad

Op 12 oktober 1579 werd een beslissende stap gezet. Het klooster werd aan de stadsmagistraat overgedragen. Daarmee kreeg het Naardense stadsbestuur zeggenschap over goederen en inkomsten die voorheen aan de katholieke instelling hadden toebehoord. Bij deze overdracht speelde Adrianus Wynter, aangeduid als pater-procurator, een belangrijke rol. De voormalige kloostergoederen werden niet eenvoudig als algemeen stadsbezit opgeslokt. Er werd een sociale bestemming aan verbonden. Het vermogen moest bijdragen aan de verzorging van wezen. Daarmee ontstond een directe verbinding tussen de opheffing van het katholieke convent en de ontwikkeling van georganiseerde stedelijke armen- en wezenzorg.

1579 — van kloostervermogen naar weeshuisfonds

De bezittingen van het voormalige klooster werden omgezet in een fonds ten behoeve van wezen. Dat is voor het herstel van Naarden belangrijk. De gevolgen van oorlog waren immers niet alleen zichtbaar in afgebrande huizen en beschadigde verdedigingswerken. Kinderen konden ouders verliezen, gezinnen konden hun inkomen kwijtraken en terugkerende inwoners moesten soms vrijwel opnieuw beginnen. Het gebruik van voormalige kloosterinkomsten voor wezenzorg gaf het stadsbestuur middelen om een gedeelte van die sociale problemen op te vangen. Zo veranderde een middeleeuwse religieuze instelling geleidelijk in een financieel fundament voor stedelijke sociale zorg.

1579 — de Unie van Utrecht

Hetzelfde jaar werd de Unie van Utrecht gesloten. De noordelijke gewesten verbonden zich nauwer in hun strijd tegen het koninklijke gezag. Voor Naarden betekende dit dat de keuze uit de voorafgaande jaren steeds minder als een tijdelijke lokale machtswisseling kon worden beschouwd. De stad raakte structureel opgenomen in het gebied van de Opstand. Daarmee veranderde ook haar militaire betekenis. Naarden lag niet diep in een veilig achterland, maar aan de oostelijke toegang tot Holland. De verdediging van de stad was daardoor tegelijkertijd een onderdeel van de verdediging van Holland.

1581 — de breuk met Filips II

In 1581 werd met het Plakkaat van Verlatinghe de politieke breuk met Filips II verder vastgelegd. Voor Naarden betekende dit dat de nieuwe bestuurlijke en religieuze werkelijkheid steviger werd verankerd. De stad die in 1572 nog tussen koninklijk gezag en Opstand had moeten kiezen, maakte nu deel uit van een politiek verband dat de heerschappij van Filips formeel verwierp. Daarmee werd ook duidelijker waarom Naarden als grens- en vestingplaats moest worden versterkt. De oorlog zou nog tientallen jaren voortduren. De stad moest niet alleen herstellen van een ramp uit het verleden, maar voorbereid zijn op een mogelijke nieuwe aanval vanuit het oosten.

Jaren 1580 — Naarden wordt opnieuw verdedigbaar gemaakt

Na de onmiddellijke herstelperiode moest steeds nadrukkelijker worden nagedacht over de militaire inrichting van Naarden. De gebeurtenissen van 1572 hadden duidelijk gemaakt hoe kwetsbaar een stad kon zijn wanneer een sterk veldleger voor de poorten verscheen. Middeleeuwse muren waren steeds minder geschikt tegen moderne artillerie. De ontwikkeling van geschut vereiste lagere, dikkere verdedigingswerken, aarden wallen en een inrichting waarbij aanvallers vanuit verschillende richtingen onder vuur konden worden genomen. Naarden ontwikkelde zich daarom geleidelijk van een middeleeuws ommuurde stad tot een vesting die moest beantwoorden aan de eisen van de vroegmoderne oorlogvoering.

Jaren 1580 — burgers leven binnen een militaire plaats

Voor de inwoners betekende de versterking dat zij in een stad leefden waar burgerlijk en militair gebruik van dezelfde ruimte voortdurend door elkaar liepen. Poorten waren niet alleen doorgangen voor handelaren, boeren en reizigers, maar ook verdedigingspunten. Grachten hadden naast hun stedelijke functie een militaire betekenis. Wallen namen ruimte in en moesten worden onderhouden. Bij oorlogsdreiging konden soldaten worden ingekwartierd en werden voorraden belangrijk. Naarden moest ondertussen economisch blijven functioneren. Ambachtslieden moesten werken, handelaren goederen aanvoeren en landbouwers de omgeving gebruiken. De geschiedenis van de vesting kan daarom niet los worden gezien van de inwoners die binnen en vlak buiten de verdedigingswerken leefden.

Jaren 1580–1590 — het landschap krijgt militaire betekenis

Buiten de muren kreeg het landschap steeds meer militaire betekenis. Naarden lag tussen hogere Gooise zandgronden en lagere, natte gebieden. Wegen, waterlopen en dijken bepaalden welke routes een leger kon gebruiken. De ervaringen uit de eerste jaren van de Opstand hadden laten zien dat water een effectief verdedigingsmiddel kon zijn. Door land onder water te zetten konden routes voor infanterie, paarden en zwaar geschut worden afgesloten. Rond Naarden was die mogelijkheid echter afhankelijk van hoogteverschillen. Juist de hogere zandgronden rond de stad vormden een probleem: een aanvaller kon daar relatief droog naderen. Dit zou in de zeventiende eeuw tot ingrijpende veranderingen in het landschap leiden.

1598 — reparatie van het orgel

Een teken van de normalisering is de orgelreparatie van 1598 in de Grote Kerk. De stedelijke overheid droeg financieel bij aan het onderhoud van het kerkgebouw en zijn inrichting. Zulke uitgaven laten zien dat Naarden tientallen jaren na de ramp opnieuw over een functionerend stedelijk bestuur beschikte dat zich niet uitsluitend met militaire verdediging bezighield. Geld werd ook besteed aan kerkelijke en openbare voorzieningen. In de volgende eeuw zouden meer werkzaamheden volgen: een koorhek in 1626, een portaal in 1648, werkzaamheden aan de vloer in 1651 en herstel van de torenspits in 1661.

1600–1629 — de herbouwde vesting

Rond 1600 — vijf bolwerken beschermen Naarden

Tegen het einde van de zestiende eeuw waren de verdedigingswerken die na de vernietiging van 1572 waren aangelegd voor een belangrijk gedeelte voltooid. Naarden beschikte nu over vijf bolwerken. Het waren nog niet de grote vestingwerken die het stadsbeeld later in de zeventiende eeuw zouden bepalen, maar de verandering ten opzichte van het kwetsbare Naarden van 1572 was aanzienlijk. De wederopbouw had niet alleen woningen en openbare gebouwen teruggebracht. Naarden was bewust opnieuw ingericht als militair steunpunt dat de oostelijke toegang tot Holland moest helpen verdedigen.

Rond 1600 — soldaten verblijven tussen burgers

Naarden bezat aanvankelijk geen omvangrijke kazernes, grote militaire keukens, kledingmagazijnen of afzonderlijk garnizoenshospitaal. Wanneer de militaire dreiging toenam en extra compagnieën naar de stad werden gestuurd, moesten burgers daarom een deel van de lasten dragen. Soldaten konden tegen vergoeding bij gezinnen worden ingekwartierd en gebouwen konden voor militair gebruik worden gevorderd. De vesting bestond daardoor niet als een afzonderlijke militaire wereld naast de burgerstad. Huizen leverden slaapplaatsen, handelaren levensmiddelen en inwoners brandstof en andere voorzieningen. Oorlogsdreiging kwam letterlijk bij de Naarders over de vloer.

Vanaf 1600 — de inwoners worden beter zichtbaar

Vanaf ongeveer 1600 worden gewone Naardense inwoners beter zichtbaar in de bronnen. Gereformeerde trouwinschrijvingen beginnen in 1600 en vanaf 1613 zijn doopregisters beschikbaar. Begraafgegevens worden later in de zeventiende eeuw systematischer. Daardoor kunnen gezinnen, huwelijken en familierelaties uit deze periode veel beter worden gevolgd dan die van de inwoners die in 1572 leefden. Achter het militaire verhaal verschijnt steeds duidelijker een burgerlijke samenleving van ambachtslieden, handelaren, weduwen, kinderen en gezinnen. Zij leefden binnen dezelfde wallen waar soldaten wacht hielden.

1601 — een nieuw stadhuis

In 1601 kreeg Naarden een nieuw stadhuis. Daarmee werd de wederopbouw ook bestuurlijk zichtbaar. Bijna dertig jaar na de vernietiging beschikte de stad opnieuw over een representatief centrum van stedelijk bestuur. Burgemeesters, schepenen en andere functionarissen konden vanuit een gebouw werken dat hoorde bij een herstelde stad. Toch werd het verleden niet uitgewist. De generatie die Naarden opnieuw opbouwde, begon juist de gebeurtenissen van 1572 zichtbaar onderdeel van het stedelijke geheugen te maken.

1604 — de brand van Naarden wordt geschilderd

In 1604 verscheen in het stadhuis een schilderij waarop de brand van Naarden in 1572 werd voorgesteld. Er leefden op dat moment nog mensen die de ramp zelf hadden meegemaakt of familieleden hadden verloren. De gebeurtenis behoorde dus nog niet uitsluitend tot een ver verleden. Door haar in het stadhuis af te beelden, maakte de stad de vernietiging bewust onderdeel van haar openbare geschiedenis. Naarden presenteerde zichzelf niet alleen als een herbouwde vesting, maar ook als een gemeenschap die een catastrofe had overleefd.

1609–1621 — het Twaalfjarig Bestand

In 1609 begon het Twaalfjarig Bestand. Voor Naarden en Gooiland betekende dit een aanzienlijke vermindering van de onmiddellijke oorlogsdreiging. De strijd tussen de Republiek en de Spaanse monarchie werd tijdelijk stilgelegd. Voor inwoners betekende dat langere perioden waarin handel, landbouw, ambacht en gezinsleven niet voortdurend door de mogelijkheid van een vijandelijke inval werden beheerst. Toch werden de vestingwerken niet overbodig. De geografische ligging van Naarden was onveranderd. Vanuit het oosten liep nog steeds een belangrijke route richting Holland, terwijl Muiden de Vechtmonding en de verbinding met Amsterdam bewaakte.

1615 — het Spaanse Huis wordt hersteld

In 1615 werd het gebouw hersteld dat later bekend zou worden als het Spaanse Huis. Het was tijdens de ramp van 1572 uitgebrand en bleef daardoor rechtstreeks met de gebeurtenissen van dat jaar verbonden. Bij het herstel werden gevelstenen aangebracht die de herinnering aan de verwoesting levend hielden. Tegelijk kreeg het gebouw opnieuw een praktische stedelijke functie. Het werd bijna twee eeuwen als waag gebruikt. Goederen zoals boter, kaas, hennep en wol moesten boven bepaalde gewichten officieel worden gewogen. Handelaren kwamen daardoor met alledaagse producten naar een gebouw dat tegelijkertijd verbonden bleef met de herinnering aan 1572.

1621 — de oorlog begint opnieuw

In 1621 liep het Twaalfjarig Bestand af. De strijd tussen de Republiek en de Spaanse monarchie werd hervat. Voor Naarden betekende dit dat de militaire betekenis van de stad opnieuw actueel werd. De frontlinie lag niet voortdurend in Gooiland, maar een aanval vanuit het oosten bleef een ernstig risico. Naarden en Muiden vormden samen belangrijke verdedigingspunten op de toegangswegen naar Amsterdam en het hart van Holland. Zodra de oorlog opnieuw begon, moesten bestuurders daarom weer rekening houden met garnizoenen, geschut, munitie, voedselvoorraden en betrouwbare verbindingen tussen de verschillende verdedigingsplaatsen.

1624 — geschut naar Muiden

Tijdens een militaire dreiging in 1624 werden volgens de correspondentie van P.C. Hooft vier of vijf stukken geschut naar Muiden gestuurd om de toegangen te verdedigen. Naarden en Muiden moeten daarbij gezamenlijk worden bekeken. Muiden beheerste de Vechtmonding en een belangrijke route richting Amsterdam; Naarden bewaakte verder oostelijk de toegang door het Gooi. Wanneer een vijand vanuit Gelderland of Utrecht richting Holland trok, vormden deze plaatsen onderdelen van dezelfde verdedigingszone. Alleen muren waren onvoldoende. Kanonnen, kruit, manschappen, voedsel, wachtdiensten en snelle communicatie waren minstens zo noodzakelijk.

1626 — het koorhek

Ook tijdens de hervatte oorlog ging het gewone stedelijke leven door. In 1626 werd geld besteed aan een nieuw koorhek in de Grote Kerk. Net als de orgelreparatie van 1598 laat dit zien dat het stadsbestuur en de gemeenschap zich niet uitsluitend met militaire zaken bezighielden. De kerk bleef een centraal gebouw in het herstelde Naarden en werd stap voor stap onderhouden en aangepast.

1629 — de dreiging wordt ernstig

In 1629 kwam het oorlogsgevaar veel dichterbij. Stadhouder Frederik Hendrik belegerde 's-Hertogenbosch. Om de Republiek onder druk te zetten vielen keizerlijke en Spaansgezinde troepen vanuit het oosten binnen. Zij drongen diep het grondgebied van de Republiek binnen en Amersfoort viel. Daardoor kwam de route richting Utrecht en Holland opnieuw onder druk te staan. Voor Naarden was dit bijzonder ernstig. De stad lag precies in het gebied waarlangs een verder oprukkend leger Holland kon naderen.

25–30 juli 1629 — versterkingen voor Naarden

Op 25 juli 1629 besloten de Staten-Generaal Amsterdam te verzoeken manschappen beschikbaar te stellen voor de verdediging van Harderwijk, Naarden en Muiden. Op 27 juli kreeg Muiden een garnizoen. Drie dagen later, op 30 juli, werd besloten dat Amsterdam nog een beschikbare compagnie waardgelders naar Naarden moest sturen. Deze tijdelijk betaalde militairen moesten er goede wacht houden. Voor de inwoners betekende dat meer dan soldaten op de bastions. Omdat grote kazernes ontbraken, kon versterking van het garnizoen rechtstreeks tot extra inkwartiering en druk op plaatselijke voorzieningen leiden.

1629 — Sir Charles Morgan

Tijdens deze crisis stond Naarden onder bevel van Sir Charles Morgan, een ervaren Britse officier in Staatse dienst. Hij was kolonel van Engels en Schots voetvolk en zou later gouverneur van Bergen op Zoom worden. Zijn aanwezigheid toont dat de verdediging van Naarden serieus werd genomen. Morgan correspondeerde vanuit Naarden met P.C. Hooft, drost en kastelein van Muiden. Hooft in Muiden en Morgan in Naarden hielden vanuit twee belangrijke toegangspunten de ontwikkelingen in het gebied nauwlettend in de gaten.

24 augustus 1629 — gevaar rond Bussum

Op 24 augustus 1629 schreef P.C. Hooft over gevangenen op het Muiderslot en mogelijke verraderlijke bedoelingen van een betrokkene. In deze context verschijnt ook Laag-Bussum. Er werd gesproken over moeskoppers, plunderaars, en zelfs over decaseren: het verdrijven van de bevolking. Daarmee blijkt dat de crisis niet beperkt bleef tot soldaten op de wallen van Naarden. Ook de open dorpen in de omgeving konden opnieuw slachtoffer worden van plundering en militair geweld.

6 september 1629 — Morgan schrijft vanuit Naarden

Op 6 september schreef Charles Morgan vanuit Naarden aan P.C. Hooft. Het document bevestigt hoe nauw de verschillende commandanten tijdens de crisis contact hielden. Berichten over vijandelijke bewegingen, gevangenen, plunderaars en mogelijke aanvallen moesten snel worden uitgewisseld. De vestingwerken waren slechts zo bruikbaar als de informatie waarover hun verdedigers beschikten. Voor de Naardense bevolking betekende deze periode weken van onzekerheid. De grote aanval op Holland kwam uiteindelijk niet via Naarden, maar gedurende de zomer van 1629 was die mogelijkheid reëel.

1630–1648 — garnizoen, economie en het einde van de oorlog

Jaren 1630 — garnizoen en bevoorrading

Na de crisis van 1629 bleef Naarden een garnizoensstad. Soldaten moesten dagelijks eten, drinken en worden gehuisvest. Brood, boter, spek en bier behoorden tot de benodigdheden; voor paarden waren grote hoeveelheden hooi en stro nodig. Ook het omliggende Bussum werd bij deze bevoorrading betrokken. Daardoor strekte de militaire economie van Naarden zich tot ver buiten de vesting uit. Boeren en dorpsbewoners konden zonder zelf soldaat te zijn rechtstreeks oorlogslasten dragen door voedsel, paardenvoer, vervoer of onderdak te leveren.

Jaren 1630 — het Gooi als achterland

De verdedigingskracht van Naarden hing niet alleen af van de dikte van de wallen of het aantal kanonnen. Wegen moesten begaanbaar blijven, boeren moesten voedsel produceren, weilanden leverden hooi en omliggende dorpen ondersteunden de bevoorrading. Een langdurig afgesneden garnizoen kon niet functioneren. De militaire ruimte van Naarden omvatte daardoor feitelijk een veel groter gedeelte van het Gooi. De stad vormde het versterkte centrum, maar daarachter lag een netwerk van landbouwgronden, wegen, kaden, waterlopen en nederzettingen.

Eerste helft zeventiende eeuw — de zeehaven

Naarden was via een eigen haven met de Zuiderzee verbonden. Op een tekening van Jan Ruyscher is de stad vanuit het omringende landschap weergegeven met een westelijk havenhoofd en een baken; op een andere afbeelding verschijnt het oostelijke havenhoofd. De stad was dus niet uitsluitend afhankelijk van landwegen richting Amersfoort, Utrecht, Muiden en Amsterdam. Via het water bestond eveneens een verbinding met de buitenwereld. De houten havenhoofden waren kwetsbaar. Storm, golfslag en zand tastten de constructies aan, zodat voortdurend onderhoud nodig was. Daarmee raakten haven, waterstaat, handel en militaire bereikbaarheid nauw met elkaar verbonden.

De familie Verhoeff

Naarden kende bestuurders, kerkmeesters, armenvoogden, ambachtslieden, handelaren en textielwerkers. De familie Verhoeff laat dat goed zien. Simen Jacopsz Goris, geboren omstreeks 1565 en overleden in 1625, stamde uit een Amersfoortse familie van drapeniers en had zich in Naarden gevestigd. Tussen 1600 en 1625 was hij tweemaal burgemeester en zesmaal schepen. Zijn zoon Anthony, Anthonis of Teunis Verhoeff, geboren omstreeks 1595, werkte als caffawerker en bezat een onderneming waarin damast werd geweven.

1629, 1638 en 1639 — Anthony Verhoeff

Anthony Verhoeff was ondernemer, kerkmeester, armenvoogd en olieslager. In 1629, 1638 en 1639 trad hij als schepen van Naarden op. Zijn loopbaan laat zien hoe de herbouwde stad inmiddels weer over een maatschappelijke bovenlaag beschikte die meerdere functies tegelijkertijd vervulde. Dezelfde man kon ondernemer zijn, verantwoordelijkheid dragen voor de kerk, betrokken zijn bij armenzorg en zitting hebben in het stedelijke gerecht. Verhoeff bezat bovendien de hofstede De Bleek, het huidige Stadzigt, die hij aan een landbouwer verhuurde. Ambachtelijke productie, stedelijk bezit en landbouw konden binnen één familie met elkaar verbonden zijn.

7 september 1643 — Naarden vraagt om soldaten

Op 7 september 1643 schreef P.C. Hooft over een opvallend verzoek uit Naarden. Het stadsbestuur wilde gedurende de komende winter één of twee vendels soldaten in garnizoen krijgen. Garnizoenen konden als zware belasting voor burgers worden ervaren, maar onvoldoende verdediging kon veel gevaarlijker zijn. Een vesting zonder voldoende manschappen bood bij een plotselinge vijandelijke opmars slechts schijnveiligheid.

14 september 1643 — brief aan Constantijn Huygens

Een week later schreven burgemeesters en regeerders van Naarden rechtstreeks aan Constantijn Huygens. Zij vroegen om twee compagnieën soldaten. Wanneer twee compagnieën niet beschikbaar waren, wilden zij in ieder geval één compagnie ontvangen. Daarmee wordt zichtbaar dat het Naardense stadsbestuur niet zelfstandig kon bepalen hoeveel militairen binnen de vesting lagen. De beschikbare Staatse troepen moesten over vele steden en versterkingen worden verdeeld. Naarden maakte inmiddels volledig deel uit van het grotere defensiesysteem van de Republiek.

Vanaf 1644 — inspectie van de vesting

Vanaf 1644 zijn fortificatieverslagen bewaard gebleven waaruit blijkt dat de verdedigingswerken systematisch werden geïnspecteerd. Een vesting werd niet alleen gebouwd wanneer een vijand naderde. Wallen, grachten, poorten, bruggen, waterwerken en andere constructies moesten voortdurend worden gecontroleerd en gerepareerd. Aarde verzakte, hout verrotte en water tastte constructies aan. De militaire verdediging bestond daarom voor een belangrijk gedeelte uit alledaags onderhoud.

1647 — de Westbeer

In 1647 vormde de Westbeer, achter het molenbolwerk, een concreet probleem. Deze waterkering bestond nog uit aarde en functioneerde feitelijk als een zeedijk door de vestinggracht. De burgemeesters beschreven het werk als zeer oud. Water welde onder de constructie door en men vreesde dat een zware stormvloed haar zou kunnen laten bezwijken. Volledige vernieuwing werd op ongeveer 5.000 gulden geraamd. Voor het einde van de oorlog lijkt die complete vernieuwing niet meer te zijn uitgevoerd.

1648 — de Vrede van Münster

In 1648 kwam met de Vrede van Münster een einde aan de oorlog tussen de Republiek en de Spaanse monarchie. Voor Naarden en het Gooi werd daarmee een conflict afgesloten dat meerdere generaties had omvat. Naarden zelf was in 1572 vernietigd en daarna opnieuw opgebouwd en versterkt. Tegen 1648 beschikte de stad opnieuw over stedelijk bestuur, ambachten, armenzorg, landbouw, handel, een haven en een garnizoen. Rond de stad lagen vijf bolwerken, aarden wallen, grachten, bruggen, stenen poorten en verschillende waterwerken.

1649 — de Westbeer wordt versterkt

De werkzaamheden stopten niet met het vredesverdrag. In 1649 werd aan de zoute zijde van de Westbeer een muur aangebracht die drie stenen dik was. Daarmee werd het probleem dat in 1647 was gesignaleerd gedeeltelijk aangepakt. Nauwelijks een jaar na Münster investeerde men alweer in de militaire en waterstaatkundige infrastructuur van Naarden. De vesting was dus geen tijdelijk product van de Tachtigjarige Oorlog. Zij werd een permanent onderdeel van het Hollandse verdedigingssysteem.

1650–1673 — van vredesvesting naar Rampjaar

Rond 1650 — een vesting van aarde en water

Het Naarden van omstreeks 1650 zag er nog heel anders uit dan de vesting die tegenwoordig bestaat. De stad werd omgeven door vijf bolwerken. Deze waren kleiner dan de huidige bastions en bezaten nog geen teruggetrokken flanken. De wallen bestonden voornamelijk uit aarde en waren niet bekleed met de zware stenen muren die later zo kenmerkend zouden worden. Wel waren verschillende poorten van steen. Rondom lagen grachten, bruggen en waterkeringen. Het huidige stervormige verdedigingsstelsel mag dus niet zonder meer worden teruggeprojecteerd op deze periode.

Rond 1650 — landbouw rondom de vesting

Buiten de vesting lag geen leeg militair terrein. Akkers, kampen, wegen, gemeenschappelijke gronden en natte laagten sloten vrijwel direct op de stad aan. Namen als Ackertjeskamp, Bonecamp, Honingcamp, Kattekampen, Munnickskampen, Tabaksland, Varkenskamp en Zantcamp herinneren aan dit intensief gebruikte landschap. De Varkenskamp binnen het Spiegel bleef meentgrond van de Erfgooiers. Door het gebied liepen zandwegen en landbouwpaden, waaronder de Noordsteeg, Meersteeg, Kolfbaan, Agtersteeg, Gasthuyssteeg, Groene Steeg, Papensteegje, Tabakslandsteeg en Watersteeg.

Kort na 1651 — Verhoeff gaat failliet

Kort na 1651 ging de onderneming van Anthony Verhoeff failliet. Zijn levensloop laat zien dat Naarden ondanks zijn militaire functie onderdeel bleef van de gewone vroegmoderne economie, met ondernemers die konden groeien maar ook failliet konden gaan. Verhoeff bezat daarnaast hofstede De Bleek, het huidige Stadzigt, die hij aan een landbouwer verhuurde. Binnen één persoon kwamen daardoor textielnijverheid, landbouwbezit, armenzorg, kerkelijk bestuur en stedelijk bestuur samen.

Vanaf 1651 — de Waalse gemeente

Vanaf 1651 bestond in Naarden een Waalse gemeente. Binnen de stad ontstond naast de Nederlandstalige gereformeerde gemeente een Franstalige protestantse gemeenschap. Onder de predikanten worden Jean Matthon en later Louis Grouwels genoemd. De aanwezigheid van deze gemeente past bij het bredere karakter van de Republiek, waar Franstalige gereformeerden zich in verschillende steden vestigden. De Waalse gemeente zou opmerkelijk lang blijven bestaan en pas in 1819 worden opgeheven.

Midden zeventiende eeuw — katholieken blijven aanwezig

Ook het katholicisme verdween na de Reformatie niet uit Naarden en het Gooi. De openbare machtspositie van de katholieke kerk was verdwenen en de Grote Kerk was protestants geworden, maar in omliggende plaatsen als Bussum, Laren, Blaricum, Ankeveen en Hilversum bleef een sterkere katholieke aanwezigheid bestaan. Naarden ontwikkelde zich duidelijker tot een protestantse stad. Daardoor ontstond een religieus landschap waarin stad en omliggende dorpen van elkaar konden verschillen.

Jaren 1650 — Oostbeer, haven en zeedijk

Aan de andere zijde van de stad lag de Oostbeer, ook aangeduid als de grote beer aan de haven. Net als de Westbeer vormde deze waterkering een belangrijk onderdeel van de vesting. Ook hier traden lekkages op. Tussen Westbeer en Huizerpoort liep bovendien een bedekte weg die tegelijkertijd als zeedijk functioneerde. Na winterstormen waren reparaties noodzakelijk. Dezelfde constructie kon vestingwerk, waterkering en bescherming tegen de Zuiderzee zijn. Wanneer één onderdeel bezweek, konden zowel de verdediging als het omliggende land daarvan gevolgen ondervinden.

1661 — herstel van de torenspits

In 1661 werd geld besteed aan het herstel van de torenspits van de Grote Kerk. Daarmee zette een reeks stedelijke investeringen zich voort die al in 1598 met de orgelreparatie zichtbaar was geworden en waartoe ook het koorhek van 1626, het portaal van 1648 en werkzaamheden aan de vloer in 1651 behoorden. De kerk bleef daardoor gedurende de gehele zeventiende eeuw een belangrijk stedelijk gebouw, ook terwijl Naarden steeds sterker als militaire vesting werd ingericht.

1672 — het Rampjaar

In 1672 werd de Republiek aangevallen door Frankrijk, Engeland en de bisdommen Münster en Keulen. Vooral de Franse opmars over land bracht Holland in groot gevaar. Het Staatse leger bleek aanvankelijk onvoldoende in staat de snelle vijandelijke opmars te stoppen. Steden en versterkingen in het oosten vielen en de Franse strijdmacht drong diep de Republiek binnen. Daarmee kwam opnieuw dezelfde strategische vraag naar voren die Naarden al tijdens de Tachtigjarige Oorlog zo belangrijk had gemaakt: hoe moest de oostelijke toegang tot Holland worden afgesloten?

1672 — de oude vesting schiet tekort

De verdedigingswerken waarmee Naarden het Rampjaar inging, waren nog grotendeels het resultaat van de ontwikkeling tijdens en na de Tachtigjarige Oorlog. Er waren vijf bolwerken, aarden wallen, grachten, stenen poorten, bruggen en waterwerken. Maar deze vesting was niet het Naarden dat na 1673 zou worden gebouwd. De bolwerken waren kleiner en de verdedigingswerken voldeden niet meer aan de nieuwste inzichten van de vestingbouw. Naarden kwam in Franse handen.

1672 — Naarden als Frans steunpunt

Met de Franse bezetting veranderde Naarden opnieuw van functie. De vesting die Holland tegen een aanval uit het oosten had moeten beschermen, kon nu juist door de vijand worden gebruikt als vooruitgeschoven steunpunt tegen Holland. Dat maakte de situatie buitengewoon gevaarlijk. Een vijandelijke bezetting van Naarden betekende dat de Fransen beschikten over een versterkte positie vlak voor de belangrijkste Hollandse verdedigingszone. De stad moest daarom worden teruggewonnen.

1672–1673 — tegenover de Hollandse waterverdediging

De verdediging van Holland kwam steeds sterker te rusten op inundatie: land werd onder water gezet om de vijandelijke opmars te blokkeren. Rond Naarden bestond echter een probleem. De hogere Gooise zandgronden konden niet eenvoudig diep genoeg onder water worden gezet. Een vijand kon daar droge naderingsroutes vinden. Naarden lag op een militair kwetsbare overgang tussen het lage Hollandse waterland en het hogere Gooi. De oplossing zou uiteindelijk bijzonder ingrijpend worden: niet alleen de vesting, maar zelfs de hoogte van het omliggende landschap moest worden aangepast.

September 1673 — het beleg van Naarden

In september 1673 werd Naarden belegerd. De operatie stond onder het gezag van stadhouder Willem III. Het doel was de Franse bezetting uit de stad te verdrijven voordat Naarden langdurig als basis tegen Holland kon worden gebruikt. De vesting werd met artillerie beschoten en de belegeraars naderden de verdedigingswerken. Anders dan in 1572 ging het nu om een georganiseerde belegeringsoperatie tegen een militair bezette vesting. Het omliggende terrein, de grachten en de bestaande bolwerken bepaalden waar aanvallen mogelijk waren.

September 1673 — Naarden wordt heroverd

Na het beleg kwam Naarden in september 1673 weer in Staatse handen. Daarmee verdween een belangrijke Franse positie aan de oostelijke toegang tot Holland. De herovering betekende echter niet dat de stad eenvoudig naar de toestand van vóór 1672 kon terugkeren. De gebeurtenissen hadden duidelijk gemaakt dat de bestaande vesting niet sterk genoeg was en dat ook het omliggende landschap een fundamenteel onderdeel van de verdediging moest worden. Vrijwel onmiddellijk begon daarom de voorbereiding van een veel grotere militaire transformatie.

1673–1685 — de nieuwe vesting en het landschap als wapen

1673 — een vrijwel nieuwe vesting

Na de herovering stond vast dat de bestaande verdedigingswerken niet eenvoudig konden worden hersteld. Het Rampjaar had aangetoond dat de vesting onvoldoende bescherming bood tegen een modern leger. Daarom werd gekozen voor een ingrijpende vernieuwing. De oude vijf bolwerken uit de periode na 1572 moesten uiteindelijk plaatsmaken voor een veel sterker stelsel. Daarbij werd niet alleen naar de wallen gekeken. Ook grachten, poorten, beren, toegangswegen en het omliggende terrein moesten opnieuw in het verdedigingsplan worden opgenomen.

1673–1674 — Adriaan Dortsman

Voor de vernieuwing werd onder anderen de architect en vestingbouwkundige Adriaan Dortsman ingeschakeld. Hij maakte een ontwerp voor nieuwe verdedigingswerken. Het ging niet meer om het plaatselijk verbeteren van enkele zwakke punten, maar om een vrijwel volledige herinrichting van de vesting. De verdediging moest worden aangepast aan de artillerieoorlog van de late zeventiende eeuw. Bastions moesten elkaar met geschut kunnen ondersteunen en aanvallers mochten niet gemakkelijk ongezien bij de hoofdwal komen. Daardoor ontstond een geometrisch verdedigingssysteem waarin verschillende onderdelen zorgvuldig op elkaar werden afgestemd.

Vanaf 1674 — zes bastions

De vernieuwde vesting kreeg zes bastions in plaats van de vijf oudere bolwerken. Die bastions vormden de belangrijkste vooruitstekende delen van de hoofdwal. Vanaf de flanken en facen kon geschut het terrein voor de vesting en de aangrenzende verdedigingswerken bestrijken. Hierdoor ontstonden overlappende schootsvelden. Een aanvaller die één gedeelte van de vesting naderde, kon vanaf andere delen onder vuur worden genomen. De regelmatige zeshoekige opzet gaf Naarden zijn karakteristieke vorm. De historische bebouwing werd als het ware omsloten door een geheel nieuwe militaire schil.

1674–1675 — dubbele verdedigingsgordel

De hoofdwal vormde slechts een gedeelte van het nieuwe systeem. Rond de stad kwamen grachten en buitenwerken waardoor een aanvaller meerdere verdedigingslijnen moest overwinnen voordat hij de eigenlijke stad kon bereiken. Daardoor werd afstand gecreëerd tussen vijandelijk geschut en de bebouwing binnen de vesting. De verschillende werken moesten elkaar ondersteunen. Water vormde daarbij een essentieel onderdeel. De vesting werd geen simpele dikkere muur rond Naarden, maar een combinatie van aarde, steen, water en geschut.

1674–1675 — de omgeving vormt het probleem

Juist het omliggende landschap leverde moeilijkheden op. Naarden lag op de overgang van het lage, natte Hollandse gebied naar de hogere zandgronden van het Gooi. Voor een inundatieverdediging was dat ongunstig. Lage gronden konden onder water worden gezet, maar hogere zandige gedeelten bleven droog. Een vijand kon dergelijke terreinstroken gebruiken om manschappen, paarden en geschut richting de vesting te brengen. Wanneer de hogere voorgrond letterlijk lager gemaakt kon worden, zou een veel groter gebied rondom Naarden onder water kunnen worden gezet.

22 januari 1675 — het grote afzandingsbesluit

Op 22 januari 1675 namen de Staten van Holland een belangrijk besluit: de hoge zandgronden rondom Naarden moesten worden afgegraven. Het plan hing rechtstreeks samen met de lessen van het Rampjaar en met de verdediging onder stadhouder Willem III. Het hogere, heuvelachtige voorterrein moest veranderen in een lagere vlakte die tijdens oorlogsdreiging kon worden geïnundeerd. Daarmee werd de omgeving van Naarden zelf een militair bouwwerk. Niet alleen bastions, wallen en grachten werden door mensenhanden gevormd; ook het maaiveld buiten de vesting werd aangepast om een vijand de toegang tot Holland moeilijker te maken.

1675 — afzanding als militair instrument

De afzanding had een ander uitgangspunt dan gewone zandwinning. Het primaire doel was militair. Hogere delen die boven een toekomstig inundatiepeil zouden blijven uitsteken, moesten verdwijnen. Daarmee wilde men voorkomen dat vijandelijke troepen droge routes door het onder water gezette gebied konden gebruiken. Het afgegraven terrein moest uiteindelijk zo vlak mogelijk aansluiten bij het peil waarop inundatie effectief werd. Grote hoeveelheden zand moesten met handkracht worden losgemaakt, afgevoerd en elders verkocht of gebruikt. Daardoor ontstond een verbinding tussen militaire strategie en commerciële zandwinning.

1675 — Holland wil het werk niet volledig betalen

De overheid wilde de enorme afgraving niet volledig uit de staatskas financieren. Daarom werd een systeem bedacht waarbij de vraag naar Goois zand voor het militaire project werd benut. Mensen en bedrijven die in Holland zand nodig hadden, moesten dit zoveel mogelijk uit het gebied rond Naarden betrekken. Daarmee kon zandwinning tegelijkertijd inkomsten opleveren en de gewenste verlaging van het terrein bevorderen. Hoe meer zand uit de hoge gronden werd weggehaald, hoe beter het gebied geschikt werd voor inundatie.

1675 — zandschippers krijgen nieuwe regels

Voor de zandschippers had het besluit directe gevolgen. Zij waren gewend zand op verschillende plaatsen in het Gooi te halen, onder andere bij Oud-Naarden. Vanaf het nieuwe besluit mochten zij niet langer overal vrij zand winnen wanneer dat de militaire plannen doorkruiste. Wie Goois zand naar Holland vervoerde, moest zich richten op de terreinen waarvan de afgraving voor de verdediging van Naarden gewenst was. Daarmee werd de zandvaart onderdeel van het vestingbeleid. Een schipper die zand voor Amsterdam of een andere Hollandse bestemming vervoerde, droeg indirect bij aan het verlagen van het militaire voorterrein rondom Naarden.

Vanaf 1675 — zand richting Amsterdam

Vooral Amsterdam vormde een belangrijke afzetmarkt. De snel groeiende stad had grote hoeveelheden zand nodig voor ophogingen, bouwprojecten, wegen en andere werken. Het zand uit het Gooi was daarvoor geschikt. Daarmee ontstond een praktisch systeem: het militaire Naarden wilde van zijn hoge zand af en het groeiende Holland had juist behoefte aan zand. Via schuiten kon het materiaal naar plaatsen worden gebracht waar het nodig was. Iedere afgevoerde lading veranderde tegelijkertijd het landschap rond de vesting.

Vanaf 1675 — waterlopen voor de zandvaart

Voor de afvoer van zulke grote hoeveelheden zand waren goede waterverbindingen noodzakelijk. Daarom werden sloten, vaarten en andere transportverbindingen belangrijk. Zand kon vanuit de afgravingen naar schuiten worden gebracht en vervolgens via het regionale waternetwerk worden afgevoerd. Daardoor veranderde niet alleen de hoogte van het landschap, maar ook de structuur ervan. Rechte waterlopen en afgegraven stroken werden nieuwe elementen in de omgeving van Naarden. De verdediging van de vesting liet daarmee blijvende sporen na ver buiten de eigenlijke wallen.

1675–1680 — een open schootsveld

De afzanding leverde nog een militair voordeel op. Het verwijderen van hoogteverschillen, begroeiing en bebouwing maakte het terrein overzichtelijker voor de verdedigers. Vanaf bastions en buitenwerken moest een vijand zo vroeg mogelijk kunnen worden waargenomen en beschoten. Obstakels waarin aanvallers dekking konden zoeken waren ongewenst. De omgeving van een moderne vesting moest daarom zoveel mogelijk open blijven. Rond Naarden ontstond geleidelijk een terrein waarin militaire zichtlijnen belangrijker werden dan oudere landschappelijke structuren.

Vanaf 1675 — landbouwgrond wordt verdedigingsruimte

De ingrepen raakten rechtstreeks het traditionele gebruik van de gronden rondom Naarden. Het gebied had eeuwenlang bestaan uit akkers, kampen, gemeenschappelijke gronden, wegen en weilanden. Nu werd dezelfde ruimte vanuit militair perspectief bekeken. Een hoogte was niet langer alleen landbouwgrond maar een mogelijke vijandelijke naderingsroute. Een dijk kon zowel waterkering als militaire verbinding zijn. Een sloot kon afwatering verzorgen maar ook onderdeel worden van inundatie en zandtransport. De bewoners van het Gooi kregen daardoor te maken met een overheid die het landschap ook als onderdeel van de verdediging van Holland beschouwde.

1675–1685 — de nieuwe hoofdwal

Ondertussen gingen de werkzaamheden aan de eigenlijke vesting verder. De zes bastions werden onderdeel van een nieuwe hoofdwal die veel krachtiger was dan de oudere verdedigingswerken. De constructies moesten bestand zijn tegen modern belegeringsgeschut en tegelijkertijd voldoende ruimte bieden voor eigen artillerie. Aarde speelde daarbij een belangrijke rol omdat dikke aarden wallen kanonskogels beter konden absorberen dan dunne stenen muren. Steen werd gebruikt waar constructieve stevigheid noodzakelijk was. Het resultaat werd een vesting waarin de ervaring van de Europese zeventiende-eeuwse belegeringsoorlog zichtbaar werd toegepast.

1675–1685 — beschermde militaire ruimten

Binnen de bastions en andere verdedigingswerken werden ruimten aangelegd waarin manschappen en materieel beter tegen vijandelijke beschietingen beschermd konden worden. De latere kazematten en bomvrije voorzieningen maakten het mogelijk soldaten, munitie en benodigdheden onder zware aarden dekkingen onder te brengen. Dat betekende een verschil met de vroegere situatie waarin militairen voor hun huisvesting veel sterker afhankelijk waren van woningen in de stad. Toch bleven stad en garnizoen nauw met elkaar verbonden. Soldaten gebruikten dezelfde straten, poorten, markten en voorzieningen als de burgerbevolking.

Jaren 1670 — de toegang tot Naarden

Ook de toegangen tot Naarden moesten in het nieuwe stelsel worden opgenomen. Aan de oostelijke zijde lag de route richting Utrecht en Amersfoort, precies de richting waaruit vijandelijke legers historisch vaak konden naderen. Een poort was daarom meer dan een gewone stadsingang. Wegen en bruggen moesten zo worden aangelegd dat verkeer in vredestijd mogelijk bleef, terwijl de toegang in oorlogstijd snel kon worden afgesloten en verdedigd. De vestingbouw bepaalde daarmee ook het dagelijkse verkeer van inwoners, boeren, kooplieden en reizigers.

1675–1685 — de grachten als één systeem

De nieuwe grachten vormden samen met de wallen en buitenwerken één verdedigingssysteem. Water maakte een directe aanval moeilijker en dwong belegeraars tot tijdrovende technische werkzaamheden. Tegelijk moest het waterpeil nauwkeurig worden beheerst. Te weinig water maakte een gracht gemakkelijker oversteekbaar; verkeerd waterbeheer kon juist de eigen werken beschadigen. De ervaring met de oude Westbeer en Oostbeer had al laten zien hoe kwetsbaar dergelijke constructies konden zijn. Daarom bleef waterbouwkundige kennis essentieel.

Rond 1680 — Willem III en de verdediging van Holland

De grote vernieuwing moet worden gezien tegen de achtergrond van het defensiebeleid van Willem III. De gebeurtenissen van 1672 hadden aangetoond hoe snel een vijand diep in de Republiek kon doordringen wanneer de oostelijke verdediging instortte. De Hollandse Waterlinie had vervolgens geholpen de Franse opmars te stoppen. Naarden moest voortaan beter op dat waterverdedigingssysteem aansluiten. De vesting werd daardoor geen geïsoleerd fort, maar een schakel tussen het hogere Gooi en het inundatiegebied van Holland. Het afgraven van de omgeving was precies bedoeld om die zwakke overgang tussen hoog en laag terrein beter verdedigbaar te maken.

1680–1685 — een landschap ontworpen voor oorlog

Tegen het midden van de jaren 1680 was daardoor iets uitzonderlijks ontstaan. Niet alleen Naarden zelf was ontworpen vanuit militaire geometrie; ook de omgeving werd steeds meer aan verdedigingsdoeleinden aangepast. Bastions bepaalden de vorm van de stad. Grachten vormden waterbarrières. Buitenwerken hielden een aanvaller op afstand. Afgezande gronden maakten inundatie beter mogelijk. Open terreinen zorgden voor vrije schootsvelden. Wegen en waterlopen werden mede beoordeeld op hun militaire bruikbaarheid. Het landschap rond Naarden werd daarmee onderdeel van een verdedigingssysteem dat veel groter was dan de vesting alleen.

Omstreeks 1685 — de nieuwe vesting

Omstreeks 1685 was de grote bouwfase die na de herovering van 1673 was begonnen grotendeels voltooid. Naarden beschikte nu over het verdedigingsstelsel dat de basis vormt van het huidige vestingbeeld: zes bastions, wallen en grachten, buitenwerken, militaire doorgangen en beschermde ruimten, gecombineerd met een omgeving die steeds verder voor inundatie werd geschikt gemaakt. Daarmee was binnen nauwelijks twaalf jaar een vrijwel nieuwe militaire stad ontstaan. De oude vesting uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog had plaatsgemaakt voor een complex dat hoorde bij de oorlogvoering van Willem III en de late zeventiende eeuw.

Na 1685 — de afzanding gaat verder

De voltooiing van de vesting betekende niet dat het landschap rondom Naarden klaar was. Afzanding was een langzaam proces dat afhankelijk was van zandvraag, transportmogelijkheden, grondbezit en financiële belangen. Daardoor bleef men ook na 1685 zand verwijderen. Het oorspronkelijke militaire besluit van 22 januari 1675 kreeg zo gevolgen die veel langer duurden dan de bouw van de bastions zelf. Generatie na generatie werd het terrein rondom Naarden verder afgegraven en veranderd. De rechte sloten, lage terreinen en open gebieden die daardoor ontstonden, zouden blijvende onderdelen van het Gooise landschap worden.

Naarden na 1685

De ontwikkeling tussen 1567 en 1685 veranderde Naarden fundamenteel. De stad had de komst van Alba's leger, de keuze voor de Opstand, de ramp van 1 december 1572, herovering, Reformatie en wederopbouw doorgemaakt. Daarna volgden tientallen jaren waarin Naarden steeds sterker als Hollandse vesting werd ingericht. De oorlog met Spanje eindigde in 1648, maar de strategische betekenis van de stad bleef bestaan. Het Rampjaar 1672 bewees dat opnieuw. Na de Franse bezetting en de herovering van 1673 werd niet alleen Naarden zelf verbouwd. Vanaf 1675 werd ook het omringende landschap doelbewust veranderd. Stad, vesting, water en landschap waren uiteindelijk onderdelen geworden van één verdedigingssysteem.