Godert van Bocholt — De vergeten machthebber tussen keizer, koning en Willem van Oranje

Een edelman tussen twee werelden

In de zestiende eeuw behoorde Godert van Bocholt tot de edelen die hun macht niet alleen ontleenden aan afkomst en grondbezit, maar ook aan hun diensten aan vorsten. Zijn bezittingen en heerlijke rechten lagen verspreid over verschillende gebieden van de Nederlanden. Hij was verbonden met Grevenbroeck, Wachtendonk en de Zijpe en beschikte over belangen in het prinsbisdom Luik en daarbuiten. Zijn loopbaan voerde hem langs de hoven van keizer Karel V en koning Filips II, maar uiteindelijk ook naar de zijde van Willem van Oranje. Daarmee werd zijn leven nauw verbonden met de politieke en godsdienstige omwentelingen van zijn tijd.

1548 — Keizer Karel V verleent bijzondere bescherming

In 1548 ontving Godert van Bocholt van keizer Karel V een bijzondere vorm van rechterlijke bescherming. Volgens Piet Dekker was deze erkenning verbonden met zijn verdiensten als krijgsman, gezant en onderhandelaar. Van Bocholt maakte deel uit van een adellijke wereld waarin persoonlijke dienst aan de vorst toegang kon geven tot invloed, rechten en bescherming. Zijn positie berustte niet uitsluitend op militaire prestaties. Ook zijn vermogen om belangen te vertegenwoordigen en onderhandelingen te voeren maakte hem waardevol. De keizerlijke erkenning laat zien dat Van Bocholt reeds vóór het uitbreken van de Nederlandse Opstand een man van aanzien was.

1553 — De Zijpe wordt een gebied van grote verwachtingen

De eerste bedijking van de Zijpe in 1553 opende nieuwe mogelijkheden voor investeerders. Achter de aangelegde dijken lagen uitgestrekte gronden die voor landbouw en andere economische activiteiten konden worden gebruikt. Godert van Bocholt zag daarin een kans om zijn vermogen en invloed uit te breiden. Hij verwierf omvangrijke landerijen en groeide uit tot de belangrijkste particuliere grondbezitter in de nieuwe polder. Zijn aankopen vertegenwoordigden aanzienlijke bedragen. Alleen al voor gronden van Nicolaas Nicolai en Jan van Scorel betaalde hij volgens de latere financiële reconstructie bijna 80.000 gulden. Ook van Wouter van Campen verwierf hij land.

1565 — Een nieuwe methode voor zoutwinning

Op 16 mei 1565 verleende koning Filips II een octrooi aan de Antwerpse koopman Henrick van Achele en Willem van Udischem. Het betrof een methode om zout te bereiden waarbij minder brandstof nodig zou zijn. De uitvinders stelden dat hun werkwijze zowel in de winter als in de zomer kon worden toegepast en aanzienlijk goedkoper was dan bestaande methoden. Godert van Bocholt raakte bij deze onderneming betrokken en wilde de nieuwe techniek in de Zijpe gebruiken. Daarmee kreeg zijn grondbezit een tweede economische betekenis. Hij zag de polder niet uitsluitend als landbouwgebied, maar ook als vestigingsplaats voor een onderneming die zout op grotere schaal kon produceren.

1567 — Filips II maakt Godert heer van de Zijpe

Op 26 december 1567 verleende koning Filips II de heerlijke rechten over de Zijpe voor twintig jaar aan Godert van Bocholt. De overeenkomst ging op 1 januari 1568 in. Daartegenover stond een jaarlijkse betaling van 3.000 gulden. Van Bocholt verwierf hiermee de hoge, middelbare en lage heerlijkheid, met bijbehorende rechten. De regeling moest hem voldoende gezag verschaffen om zijn plannen voor zoutwinning uit te voeren. Het was een opmerkelijke combinatie van bestuurlijke macht en commercieel ondernemerschap. Voor Van Bocholt betekende het dat hij niet alleen grondbezitter was, maar ook heer van het gebied waarin hij zijn belangrijkste investeringen had gedaan.

1570 — De Allerheiligenvloed vernietigt de verwachtingen

Op 1 november 1570 werd de Zijpe getroffen door de Allerheiligenvloed. De stormvloed beschadigde de bedijking zo ernstig dat de polder grotendeels overstroomde. Voor Godert van Bocholt betekende dit een zware tegenslag. Zijn omvangrijke landbezit verloor voorlopig veel van zijn economische bruikbaarheid. Ook de plannen voor zoutwinning kwamen onder druk te staan. De overstroming trof niet alleen hem, maar ook andere investeerders die hun geld in de nieuwe polder hadden gestoken. Het herstel vergde nieuwe middelen, terwijl onzeker bleef of de drooglegging duurzaam kon worden hersteld. De financiële gevolgen zouden de familie Van Bocholt nog tientallen jaren achtervolgen.

1573 — De oorlog maakt herstel onmogelijk

In 1573 werd de Zijpe opnieuw getroffen, ditmaal door de oorlog. Tijdens het beleg van Alkmaar liet Diederik Sonoy, luitenant-gouverneur van Willem van Oranje, de herstelde dijken doorsteken. De inundatie moest de militaire positie van de opstandelingen versterken tegenover de troepen van Alva. Voor de bezitters van de Zijper gronden betekende deze beslissing opnieuw verlies. De belangen van de verdediging wogen zwaarder dan het behoud van de landbouwgrond. Van Bocholt zag hoe zijn investeringen afhankelijk waren geworden van een strijd waarop hij nauwelijks rechtstreeks invloed kon uitoefenen. Een spoedig herstel van de polder was voorlopig uitgesloten.

1577 — Roermond en het geweld van de Hoogduitse soldaten

In 1577 werd het Gelderse Overkwartier geteisterd door de troepen van Nicolaas van Pollweiler. Zijn Hoogduitse soldaten hielden Roermond bezet en eisten voortdurend geld, voedsel en goederen. Toen de soldij uitbleef, werden burgers gedwongen nieuwe betalingen te doen. Korenschepen op de Maas werden aangehouden en beroofd. Ook buiten de stad werden dorpen geplunderd en inwoners bedreigd. Op 16 juni kwamen vertegenwoordigers van de ridderschap en steden in Venlo bijeen om te bespreken hoe aan het geweld een einde kon worden gemaakt. De problemen in Roermond werden daarmee een zaak die het gehele Overkwartier raakte.

Augustus 1577 — De Staten proberen het Overkwartier te beschermen

Op 6 augustus 1577 richtten de Staten van Gelre zich tot landvoogd Don Juan met klachten over het optreden van Pollweilers soldaten. Volgens de Gelderse bestuurders was hun handelwijze strijdig met de Pacificatie van Gent. De situatie verslechterde verder. Op 20 augustus besloten de Staten-Generaal militairen beschikbaar te stellen om Roermond en het omliggende gebied te beschermen. Johan van Wittenhorst de Jonge kreeg daarbij een belangrijke militaire verantwoordelijkheid. Hij moest de bevolking beschermen en zo nodig optreden tegen Pollweiler. Het besluit laat zien hoe de Staten probeerden hun gezag te herstellen in een gebied waar koninklijke soldaten zich steeds onafhankelijker gedroegen.

September 1577 — Godert van Bocholt krijgt een militair bevel

Op 24 september 1577 vergaderden de Gelderse Staten in Nijmegen. Er werd besloten een deputatie van twaalf vertegenwoordigers aan te stellen om belangrijke zaken in Gelre te behandelen. Venlo werd een bestuurlijk steunpunt voor het bedreigde Overkwartier. Daarnaast werden drie ritmeesters benoemd: Frederik van Westrum, Hendrik Schenk van Nideggen en Jelis van Bocholt. Godert van Bocholt kreeg het opperbevel over deze ruiterij. De benoeming was een erkenning van zijn militaire ervaring en zijn betekenis voor Gelre. Op een moment van grote onzekerheid vertrouwde men hem de leiding toe over troepen die de bevolking moesten beschermen.

Oktober 1577 — Het einde van Godert van Bocholt

Godert van Bocholt kon zijn nieuwe militaire opdracht niet langdurig uitvoeren. Hij was ernstig verzwakt door verwondingen die hij volgens de beschreven bronnen bij Roermond had opgelopen. De Gelderse Landdag besloot hem in oktober 1577 van zijn militaire commissie te ontslaan. In het besluit werd nadrukkelijk gewezen op zijn trouwe diensten aan het land. De Staten bedankten hem en wilden dat het hem aan noodzakelijke ondersteuning niet zou ontbreken. Enkele dagen later overleed Van Bocholt. Daarmee eindigde een loopbaan waarin hij achtereenvolgens verschillende machthebbers had gediend, zonder dat zijn persoonlijke betekenis voor Gelre uit het oog werd verloren.

1584–1586 — De heerlijkheid Wachtendonk gaat naar Margaretha

Na het overlijden van Godert van Bocholt bleven zijn bezittingen en rechten van belang voor zijn familie. Zijn weduwe Alexandrina van Wittenhorst overleed volgens de beschrijving omstreeks 1584 of 1585. De heerlijke rechten over stad en land Wachtendonk kwamen vervolgens bij dochter Margaretha van Bocholt terecht. Zij huwde in 1586 met Arnold III Huijn van Geleen, een Spaansgezinde edelman uit Overmaas. Door dit huwelijk kreeg Huijn van Geleen een positie als heer van Wachtendonk. De politieke omstandigheden maakten de uitoefening van deze rechten echter ingewikkeld. De grensvesting wisselde tijdens de oorlog van machthebber, waardoor familiebezit en militaire belangen voortdurend met elkaar botsten.

1597 — De Zijpe wordt eindelijk definitief drooggelegd

In 1597 kwam de definitieve bedijking van de Zijpe tot stand. Daarmee eindigde een lange periode van overstromingen, mislukte herstelpogingen en politieke onzekerheid. Godert van Bocholt maakte dit niet meer mee. Zijn erfgenamen bezaten nog altijd belangrijke stukken land, maar hun financiële situatie was aanzienlijk verslechterd. De nieuwe polder moest worden ingericht en onderhouden, terwijl oude verplichtingen bleven bestaan. De familie had bovendien veel geld verloren door het langdurig ontbreken van opbrengsten uit de gronden. Het bezit dat Godert ooit had verworven als fundament van zijn economische macht werd voor zijn nakomelingen steeds meer een financiële last.

1598 — Anna van Bocholt wordt aangesproken op haar schulden

Anna van Bocholt, gehuwd met Herman Hoen van Hoensbroeck, kreeg te maken met de achterstallige omslagen over het familiebezit in de Zijpe. Op 13 april 1598 werd tijdens een vergadering in Alkmaar besloten haar tot betaling aan te manen. Later dat jaar bleek dat zij al ongeveer 40.000 gulden aan achterstallige polderlasten had voldaan. Toch stonden nog aanzienlijke bedragen open. Een voorstel om krediet te verstrekken tegen onderpand van Zijper gronden werd niet aanvaard. De verhouding tussen het polderbestuur en de familie kwam hierdoor onder spanning te staan. Anna moest steeds opnieuw zoeken naar middelen om aan haar verplichtingen te voldoen.

1599 — De familie begint landerijen te verkopen

Op 13 april 1599 werd een regeling getroffen voor een resterend bedrag van 6.170 gulden. Johan van Wittenhorst, heer van Sonsfeld, stelde zich garant voor deze verplichting, inclusief rente. Ondertussen werden delen van het familiebezit verkocht. Anna van Bocholt trad daarbij zelf op, maar maakte ook gebruik van gevolmachtigden. Onder de kopers bevonden zich Amsterdamse kooplieden, waaronder Jan Bincken en Maerten Mathijsz. Vinck. De verkopen tonen hoe de eigendomsverhoudingen in de Zijpe veranderden. Gronden die ooit in handen waren gekomen van een edelman uit Opper-Gelre gingen over naar ondernemers en beleggers uit het economisch sterker wordende Holland.

1600 — Wachtendonk valt opnieuw in Staatse handen

In januari 1600 werd de grensvesting Wachtendonk door Staatse troepen veroverd. De inname was militair belangrijk omdat vanuit deze plaats de verbindingen tussen Spaanse garnizoenen in het Overkwartier konden worden bedreigd. Arnold III Huijn van Geleen, de echtgenoot van Margaretha van Bocholt, verloor voorlopig de feitelijke controle over de vesting. De nieuwe machthebbers eisten losgeld van verschillende inwoners en bestuurders. Ook de bezittingen van de familie kwamen onder druk te staan. Margaretha kon door bemiddeling een deel van het meubilair behouden. Het huwelijk had haar familie verbonden met een Spaansgezinde edelman, terwijl de nieuwe militaire machthebbers juist aan de kant van de Republiek stonden.

1600 — Een opmerkelijke beslissing over de heerlijke rechten

De Gelderse Landdag besloot op 28 mei 1600 dat Margaretha van Bocholt onder voorwaarden haar rechten over Wachtendonk mocht behouden. Dit was opmerkelijk omdat haar echtgenoot tot de Spaansgezinde partij behoorde. Volgens de besproken historische gegevens werd rekening gehouden met haar persoonlijke positie en mogelijk ook met de vroegere verdiensten van haar vader Godert. De Gelderse overheid behield invloed op de aanstelling van bestuurders. Daarmee werd onderscheid gemaakt tussen de rechten van de erfgename en de politieke houding van haar echtgenoot. Het besluit laat zien dat de oorlog niet automatisch leidde tot confiscatie van alle bezittingen van families die met beide kampen verbonden waren.

1600 — De verkoop van Zijper gronden gaat verder

Ook in de Zijpe werden in 1600 nieuwe verkopen geregistreerd. Gevolmachtigden zoals Witte Jacobsz. en Samson van Bronckhorst traden namens de familie op. Johan van Wittenhorst speelde een belangrijke rol bij het organiseren van de overdrachten. In augustus 1600 werden onder meer gronden verkocht aan Jan Bincken en aan een groep Amsterdamse kooplieden rond Michiel Michielsz. Verlaer. Volgens de in het boek opgenomen financiële opgave ging het om ruim 143 morgen land, met een gezamenlijke opbrengst van 20.219 gulden. De verkoopprijzen verschilden per polder. De waarde hing onder andere samen met de ligging en de kwaliteit van de grond.

1601 — De familie organiseert de laatste overdrachten

In 1601 werden opnieuw landerijen verkocht. Daarbij trad Pieter Beijens, schout van Oostham, op als gevolmachtigde van Herman Hoen van Hoensbroeck. Ook Margaretha van Bocholt kreeg een belangrijke rol. Zij werd gemachtigd om namens de familie zaken in Holland af te handelen. Haar volmacht werd bevestigd door Arnold van Bocholt, domproost van Hildesheim en voogd van de kinderen van Anna van Bocholt. De familie gebruikte daarmee haar uitgebreide verwantschapsnetwerk om het resterende bezit te beheren. De overdrachten vergden reizen, notariële akten en contacten met het Zijper polderbestuur. Het grondbezit was inmiddels een ingewikkelde financiële nalatenschap geworden.

1602 — Het einde van het grote familiebezit in de Zijpe

Op 23 juni 1602 liet Margaretha van Bocholt in Alkmaar de verkoop van omvangrijke landerijen aan Jan Bincken registreren. De overdracht omvatte volgens de financiële opgave ruim 307 morgen en bracht 28.502 gulden op. Bij de gronden behoorden drie boerenhuizen die Herman Hoen van Hoensbroeck na de definitieve drooglegging had laten bouwen. Daarmee verdween het laatste omvangrijke bezit van de familie uit de Zijpe. De totale opbrengst van de verkochte landerijen werd in de historische reconstructie op ongeveer 75.000 gulden geraamd. Dat bedrag was onvoldoende om de oorspronkelijke investeringen, het renteverlies en de kosten van tientallen jaren onzekerheid volledig goed te maken.

1602 — Margaretha behoudt rechten in Wachtendonk

Terwijl de familie haar bezittingen in de Zijpe afstootte, wist Margaretha van Bocholt een deel van haar positie in Wachtendonk te behouden. Op 20 maart 1602 werden haar heerlijke rechten voorlopig hersteld. Daarvoor golden verschillende voorwaarden. Haar echtgenoot Arnold III Huijn van Geleen mocht niet tegen de Staten-Generaal optreden. Margaretha moest bijdragen aan het onderhoud van het kasteel. Inkomsten uit geestelijke goederen moesten ten goede komen aan de protestantse kerk en school. De Gelderse overheid behield de benoeming van belangrijke bestuursfunctionarissen in handen. Het was een compromis tussen erfelijk bezit en de politieke belangen van de Republiek.

1605 — Wachtendonk opnieuw onder Spaanse invloed

De oorlog bleef het bestaan in Wachtendonk bepalen. De vesting was na de Staatse verovering verder versterkt met aarden bastions en andere verdedigingswerken. Voor de aanleg daarvan werden nabijgelegen landerijen afgegraven. Volgens een vermelding uit 1605 was ook grond bij het voormalige kasteel van Wachtendonk voor militaire werkzaamheden gebruikt. In dat jaar kwam de vesting opnieuw onder Spaans gezag. De voortdurende machtswisselingen maakten duidelijk hoe kwetsbaar de rechten van plaatselijke heren waren. Een familie kon juridisch aanspraak maken op een heerlijkheid, terwijl de daadwerkelijke macht afhankelijk bleef van het leger dat de stad en haar omgeving beheerste.

De nalatenschap — Rijkdom, oorlog en verloren kansen

Godert van Bocholt had tijdens zijn leven een uitzonderlijke positie opgebouwd. Hij bezat omvangrijke landerijen, verwierf heerlijke rechten en diende verschillende vorsten. Zijn economische plannen in de Zijpe waren ambitieus, vooral door de combinatie van grondbezit en zoutwinning. Toch kon hij de gevolgen van overstromingen en oorlog niet beheersen. Zijn erfgenamen moesten uiteindelijk vrijwel het gehele Zijper bezit verkopen. In Wachtendonk bleef zijn familie langer verbonden met de heerlijke rechten, maar ook daar bepaalden militaire gebeurtenissen de grenzen van haar macht. Zijn levensverhaal maakt zichtbaar hoe rijkdom, bestuur, familiebelangen en oorlog in de zestiende eeuw met elkaar verweven waren.

Godert van Bocholt — Tussen keizerlijke macht, oorlog en familiebezit (1520–1602)

Deel 1 — Een Gelderse edelman in dienst van de Habsburgers

Omstreeks 1520 — Een familie tussen Gelre en Bourgondië

Omstreeks 1520 werd Godert van Bocholt vermoedelijk geboren in een Gelderse adellijke familie die nauwe banden onderhield met de machthebbers in de Nederlanden. Zijn precieze geboortejaar is niet bekend. De familie Van Bocholt behoorde tot de Gelderse adel, maar stond politiek niet vanzelfsprekend achter de hertogen van Gelre. Binnen deze familie bestond juist sympathie voor de Bourgondische en later Habsburgse vorsten. Die keuze was van grote betekenis. In een tijd waarin landsheren om steden, kastelen en gewesten vochten, kon politieke trouw bepalen welke functies een edelman kreeg, welke bezittingen hij behield en hoe ver zijn invloed reikte.

1535 — De wereld van Maximiliaan van Egmond Buren

In 1535 trok keizer Karel V met een grote krijgsmacht naar Noord-Afrika om de macht van de Barbarijse zeerovers te breken. Onder de edelen die deelnamen bevond zich Maximiliaan van Egmond Buren, een belangrijke legeraanvoerder uit de Nederlanden. Zijn troepen waren betrokken bij de verovering van La Goletta en Tunis. Of de jonge Godert van Bocholt aan deze veldtocht deelnam, is niet aangetoond. Zijn vermoedelijke leeftijd maakt dat bovendien weinig waarschijnlijk. Wel zou juist Maximiliaan enkele jaren later een beslissende rol spelen in Goderts militaire loopbaan. Via deze veldheer kwam de Gelderse edelman terecht in de wereld van keizerlijke legers, adellijke netwerken en internationale oorlogvoering.

1539 — De macht van het huis Egmond Buren

Op 20 oktober 1539 overleed Floris van Egmond Buren, een ervaren bevelhebber die jarenlang de belangen van de Habsburgers had verdedigd. Zijn zoon Maximiliaan volgde hem op als graaf van Buren. De familie Van Bocholt was al langer met dit adellijke netwerk verbonden. Arnold van Bocholt Arnoldsz., een verwant van Goderts vader, was drossaard van het Land van Cuijk en gouverneur van de vesting Grave geweest. Daarmee bestonden er persoonlijke en bestuurlijke banden tussen beide geslachten. Voor Godert bood deze omgeving mogelijkheden om een militaire carrière op te bouwen. Adellijke afkomst was belangrijk, maar toegang tot machtige beschermheren kon minstens zo bepalend zijn.

1541 — Godert van Bocholt verschijnt op de monsterrol

In 1541 wordt Godert van Bocholt genoemd op een monsterrol van kurassiers onder bevel van Maximiliaan van Egmond Buren. Hij staat vermeld tussen 37 cavalerieofficieren. Zijn plaats bijna onderaan de lijst heeft de oorspronkelijke auteur doen vermoeden dat hij nog betrekkelijk jong was. Godert diende als ritmeester, een functie waarbij hij verantwoordelijkheid droeg voor een eenheid ruiters. Daarmee verschijnt hij voor het eerst duidelijk in de militaire geschiedenis van de Habsburgse Nederlanden. Zijn dienstverband verbond hem rechtstreeks met een leger dat voortdurend moest optreden tegen buitenlandse vijanden en tegen de hertog van Gelre.

Deel 2 — Oorlog om de Nederlanden

1541 — Dreiging langs de noordelijke grenzen

In 1541 kreeg Maximiliaan van Egmond Buren als stadhouder van Friesland, Overijssel, Groningen en Groningenland te maken met voortdurende dreiging vanuit Gelre. De Gelderse hertog Willem van Kleef en Gulik stond tegenover keizer Karel V. Ook Frankrijk en Denemarken speelden een rol in de vijandelijke verbonden. De vestingen langs de grenzen moesten worden versterkt en steden moesten zich voorbereiden op aanvallen. De keizerlijke stadhouder vroeg om extra soldaten, paarden en geld. Godert van Bocholt maakte inmiddels deel uit van diens militaire organisatie. Welke afzonderlijke operaties hij persoonlijk uitvoerde, is niet steeds bekend, maar zijn positie bracht hem midden in deze strijd.

1542 — Maarten van Rossum bedreigt Brabant

In 1542 trok de Gelderse veldheer Maarten van Rossum met zijn troepen door de Meierij van ’s-Hertogenbosch. Dorpen werden geplunderd en de krijgsmacht bedreigde belangrijke Brabantse steden. René van Châlon, prins van Oranje en stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, probeerde de Gelderse opmars te stoppen. Zijn leger leed echter een nederlaag. Van Rossum trok vervolgens richting Antwerpen en Mechelen. De oorlog beperkte zich niet tot gevechten tussen soldaten. Boeren verloren vee en voorraden, steden moesten hun verdedigingswerken versterken en inwoners werden gedwongen geld en levensmiddelen beschikbaar te stellen. De strijd om vorstelijke macht werd rechtstreeks gevoeld door de bevolking.

September 1542 — Een keizerlijk leger trekt naar Luxemburg

In september 1542 verzamelden René van Châlon, Maximiliaan van Egmond Buren en andere bevelhebbers hun troepen in het zuiden. Franse strijdkrachten bedreigden Luxemburg en de omliggende gebieden. Het keizerlijke leger wilde de vesting Yvoix heroveren, maar de tocht werd ernstig gehinderd door regen en slechte wegen. Rivieren traden buiten hun oevers, bruggen werden vernield en zware kanonnen moesten met tientallen paarden worden voortgesleept. De bevelhebbers besloten uiteindelijk het beleg niet door te zetten. Op 23 september begon de terugtocht. De onderneming liet zien dat niet alleen vijandelijke legers, maar ook terrein, weer en bevoorrading de uitkomst van militaire campagnes bepaalden.

1543 — De Vrede van Venlo verandert de machtsverhoudingen

Op 7 september 1543 onderwierp Willem van Kleef en Gulik zich bij de Vrede van Venlo aan keizer Karel V. Daarmee kwam het hertogdom Gelre onder Habsburgs gezag. Voor de familie Van Bocholt, die sympathie had voor de Bourgondisch-Habsburgse partij, betekende dit een belangrijke politieke verandering. De langdurige strijd om Gelderland was voorlopig beslist. Godert van Bocholt diende in deze periode onder Maximiliaan van Egmond Buren. De oorspronkelijke bron acht het aannemelijk dat hij betrokken was bij de krijgsverrichtingen die aan de onderwerping voorafgingen, maar noemt niet voor iedere veldtocht afzonderlijk bewijs van zijn aanwezigheid. Zijn militaire loopbaan viel samen met de uitbreiding van Karels macht over de Nederlandse gewesten.

Deel 3 — Bezit, huwelijk en maatschappelijke stijging

1545 — Een huwelijk binnen de adellijke wereld

In 1545 trad Godert van Bocholt volgens de oorspronkelijke tekst voor het eerst in het huwelijk. Dat gegeven is belangrijk voor de reconstructie van zijn leeftijd: als hij rond 1520 geboren werd, was hij ongeveer vijfentwintig jaar oud. Over dit eerste huwelijk geven de beschikbare passages onvoldoende bijzonderheden om de omstandigheden volledig te beschrijven. Wel past het huwelijk in een wereld waarin familieverbindingen een grote rol speelden. Adellijke huwelijken konden bezittingen samenbrengen, erfrechten versterken en toegang bieden tot nieuwe bestuurlijke netwerken. Godert zou later gehuwd zijn met Alexandrina van Wittenhorst, die na zijn overlijden een belangrijke rol kreeg bij het beheer van zijn nalatenschap.

1559 — Godert verwerft rechten op kloostergoederen

In 1559 verwierf Godert van Bocholt rechten op goederen die verbonden waren met de Franse abdij van Corbie. Tot de betrokken heerlijkheden behoorden Beringen en Heusden. Ook andere goederen, waaronder Mol, Balen, Dessel, Retie en Gompel, zouden later binnen zijn familiebezit een rol spelen. De transacties vonden plaats in een periode waarin kloosters door oorlogen moeilijk toegang hadden tot hun buitenlandse inkomsten. Voor de abdijen kon verkoop of ruil een manier zijn om onzekere opbrengsten om te zetten in beschikbare middelen. Voor Godert boden dergelijke transacties mogelijkheden om zijn grondbezit en heerlijke rechten uit te breiden.

1559 — Grondbezit in de Zijpe

Godert van Bocholt verwierf eveneens omvangrijke belangen in de Zijpe, een gebied in Noord-Holland waar de bedijking en ontginning nieuwe economische mogelijkheden boden. Bij de verwerving van gronden speelde de nalatenschap van de kunstenaar en ondernemer Jan van Scorel een rol. Het ging om rechten op land dat door bedijking bruikbaar kon worden gemaakt. Zulke ondernemingen vereisten kapitaal, juridische zekerheid en geduld. Het bezit van grond was bovendien meer dan een bron van inkomsten. Het kon maatschappelijke status verschaffen en een familie langdurig invloed geven. Godert zou later bekendstaan als heer van de Zijpe.

1577 — Het overlijden van Godert van Bocholt

Godert van Bocholt overleed in 1577. Zijn bezittingen en aanspraken gingen daarmee over op zijn erfgenamen. De nalatenschap bestond uit meer dan grond alleen. Ook heerlijke rechten, financiële verplichtingen, overeenkomsten en betwiste aanspraken moesten worden afgewikkeld. Zijn weduwe Alexandrina van Wittenhorst trad op als vertegenwoordigster van de kinderen. De omvang en verspreiding van het familiebezit maakten de afhandeling ingewikkeld. De goederen lagen in verschillende gebieden, onder uiteenlopende rechtsstelsels. Daardoor bleven de gevolgen van Goderts transacties nog lang na zijn overlijden merkbaar.

1579 — Alexandrina van Wittenhorst stelt zekerheid

Op 15 september 1579 werd in Antwerpen een akte opgesteld waarin Alexandrina van Wittenhorst, als weduwe van Godert van Bocholt en voogdes over hun kinderen, een overeenkomst sloot met de erfgenamen van Jan van Scorel. De akte had betrekking op de financiële afwikkeling van de verwerving van Zijper gronden. Alexandrina stelde rechten op de heerlijkheden Mol, Balen en Dessel, en volgens de bron ook Retie en Gompel, als zekerheid. Deze overeenkomst toont hoe nauw de verschillende bezittingen van de familie met elkaar waren verbonden. Rechten in het zuiden konden dienen als onderpand voor verplichtingen die betrekking hadden op grond in Noord-Holland.

Deel 4 — De nalatenschap van een machtige familie

1585 — Anna van Bocholt trouwt met Herman Hoen van Hoensbroeck

Op 14 mei 1585 trouwde Anna van Bocholt, dochter van Godert en Alexandrina, met Herman Hoen van Hoensbroeck. Door dit huwelijk raakten de bezittingen van beide families met elkaar verbonden. Herman werd op 12 augustus van hetzelfde jaar beleend met rechten op het Land van Ham, waaronder Oostham, Beverlo en Kwaadmechelen. Via Anna kwamen ook belangen uit de nalatenschap van Godert van Bocholt in zijn omgeving terecht. Herman werd later genoemd als heer van verschillende heerlijkheden die eerder met Godert verbonden waren. Het huwelijk maakte de familie Hoen van Hoensbroeck tot een belangrijke schakel in de verdere geschiedenis van Goderts bezit.

1585 — Kasteel Oostham als centrum van bestuur

Kasteel Oostham speelde een rol in het beheer van de bezittingen van Herman Hoen van Hoensbroeck en Anna van Bocholt. Het waterslot lag in het Land van Ham, in de Kempen. Het complex omvatte een hoofdgebouw, grachten en een bijbehorende hoeve. De geschiedenis van het kasteel ging terug tot de middeleeuwen. In de zestiende eeuw was het gebouw verschillende malen hersteld en aangepast. Het diende niet alleen als adellijke verblijfplaats, maar was ook verbonden met landbouw, rechtspraak en het beheer van heerlijke inkomsten. Vanuit zulke kastelen konden families hun economische en bestuurlijke belangen over een groot gebied organiseren.

1585–1602 — Oorlog bereikt het Land van Ham

De omgeving van Oostham bleef in de late zestiende eeuw niet gespaard voor het geweld van de Nederlandse Opstand. Spaanse en Staatse troepen trokken door de Kempen. In juli 1583 werd het kasteel Oostham aangevallen door Staatse krijgslieden, maar de aanval werd afgeslagen. In de daaropvolgende jaren bleven militaire doortochten, inkwartieringen en plunderingen de streek bedreigen. Voor de bewoners betekende dit voortdurende onzekerheid. Kastelen en versterkte hoeven boden enige bescherming, maar konden de bevolking niet altijd beveiligen. De aanwezigheid van soldaten drukte bovendien zwaar op de plaatselijke voedselvoorraden en financiën.

1597–1602 — De laatste Zijper goederen worden verkocht

Aan het einde van de zestiende eeuw raakten Herman Hoen van Hoensbroeck en Anna van Bocholt betrokken bij de verkoop van gronden die afkomstig waren uit het bezit van Godert van Bocholt. Vanuit kasteel Oostham werden voorbereidingen getroffen voor overdrachten van land in de Zijpe. De bedijking van deze Noord-Hollandse polder had de economische betekenis van het gebied veranderd. De gronden waren onderdeel geworden van een nieuwe landbouwkundige werkelijkheid. Wat Godert eerder als investering en heerlijk bezit had verworven, werd nu door zijn erfgenamen geleidelijk overgedragen. Daarmee veranderde ook de geografische samenstelling van het familievermogen.

1601–1602 — Het overlijden van Anna van Bocholt

Anna van Bocholt overleed volgens een passage op 6 september 1601. Elders in de oorspronkelijke tekst wordt 1602 genoemd. Die tegenstrijdigheid moet aan de hand van aanvullende bronnen worden onderzocht. Na haar overlijden hertrouwde Herman Hoen van Hoensbroeck met Margaretha van Berghe-Trips, die in maart 1605 haar intrede in Oostham deed. De afwikkeling van de Zijper bezittingen werd in deze periode voortgezet. Daarmee liep een belangrijk deel van Goderts nalatenschap via zijn dochter en schoonzoon verder. De familieverbindingen die tijdens zijn leven waren ontstaan, bleven dus bepalend voor de geschiedenis van zijn goederen.

Deel 5 — De lange nasleep van Goderts bezit

1632 — Geweld en verwoesting in de Kempen

Op 6 april 1632 ontstond in het Land van Ham een bloedige confrontatie tussen plaatselijke gewapende inwoners en soldaten onder leiding van de graaf van Salazar. Volgens de oorspronkelijke tekst kwamen ongeveer negentig verdedigers om het leven. Dorpen werden geplunderd en bewoners gevangen genomen. De gebeurtenis werd bekend als de moordpartij van Salazar. Het conflict maakte duidelijk hoe kwetsbaar de heerlijkheden waren geworden. De adellijke rechten die generaties eerder waren verworven, boden geen garantie tegen oorlog en geweld. De bevolking betaalde vaak de zwaarste prijs wanneer troepen zonder voldoende bevoorrading door het platteland trokken.

1648 — De Lotharingse troepen richten verwoestingen aan

Tijdens de Dertigjarige Oorlog kregen de Kempen te maken met Lotharingse troepen die bij gebrek aan soldij op kosten van de bevolking leefden. In februari 1648 werden onder meer Beringen en omliggende plaatsen getroffen door plunderingen. Op 6 december probeerden gewapende inwoners uit het Land van Ham en Beringen de soldaten bij Meeuwen te verdrijven. De poging eindigde volgens de bron in een zware nederlaag. Veel plaatselijke verdedigers kwamen om. De gebeurtenissen tonen hoe langdurig de gevolgen van Europese oorlogen konden zijn. Ook gebieden die niet voortdurend aan het front lagen, werden herhaaldelijk getroffen door geweld.

1768–1805 — Een erfenis leidt tot langdurige rechtszaken

Nog bijna twee eeuwen na Goderts overlijden speelden rechten uit zijn voormalige bezit een rol in juridische conflicten. Families als Van Renesse en Van Isendoorn à Blois van Cannenburg voerden processen over heerlijkheden en inkomsten. In 1768 deed het Rijkskamergerecht te Wetzlar uitspraak, maar daarmee waren de geschillen niet beëindigd. In 1773, 1785 en later volgden nieuwe procedures. De inzet bestond uit rechten op onder meer Beringen, Heusden en andere heerlijkheden. De bedragen die partijen claimden liepen volgens de oorspronkelijke tekst op tot honderdduizenden en zelfs meer dan een miljoen gulden. Het ging om vorderingen, niet om bewezen ontvangen inkomsten.

1771 — De abdij van Corbie blijft haar rechten opeisen

De abdij van Corbie bleef lange tijd proberen de gevolgen van de transacties met Godert van Bocholt ongedaan te maken. Volgens de oorspronkelijke tekst werden al in zijn stervensjaar 1577 procedures aangespannen. In 1771 volgde nog een poging om via de Franse koning rechten op Vlaamse bezittingen terug te krijgen. De abdij slaagde daar niet in. De auteur van de oorspronkelijke bron verdedigt de rechtsgeldigheid van Goderts transacties en verwijst daarbij naar pauselijke toestemming, vorstelijke octrooien en notariële akten. Die verdediging is een interpretatie van de auteur. De afzonderlijke documenten zouden nader moeten worden onderzocht om alle juridische omstandigheden zelfstandig te beoordelen.

Slot — Een leven tussen oorlog, bezit en macht

Godert van Bocholt was meer dan een edelman die onder keizerlijke bevelhebbers diende. Zijn leven laat zien hoe militaire dienst, politieke trouw, grondbezit en familieverbindingen in de zestiende eeuw met elkaar verweven waren. Als ritmeester onder Maximiliaan van Egmond Buren maakte hij deel uit van de Habsburgse machtsstructuur. Als grondbezitter en houder van heerlijke rechten bouwde hij belangen op die zich uitstrekten van de Kempen tot de Zijpe in Noord-Holland.

Zijn overlijden in 1577 betekende niet het einde van zijn invloed. Zijn weduwe Alexandrina van Wittenhorst beheerde verplichtingen uit zijn nalatenschap. Zijn dochter Anna verbond het familiebezit met dat van Hoen van Hoensbroeck. Via latere erfopvolging bleven verschillende rechten nog generaties lang onderwerp van bestuurlijke en juridische strijd.

De geschiedenis van Godert van Bocholt is daarmee ook een verhaal over de ontwikkeling van macht in de Nederlanden. Oorlog bepaalde welke vorsten heersten. Huwelijken bepaalden hoe bezit werd overgedragen. Contracten en rechtszaken bepaalden wie inkomsten mocht opeisen. En achter die adellijke belangen stonden de boeren, pachters en inwoners die de gevolgen van oorlog en bestuur dagelijks ondervonden.

Bronbasis: de eerder getranscribeerde passages uit Godert van Bocholt (4).pdf, met name de gedrukte pagina's 203, 207, 219–220, 225–227 en 229–234. Dit verhaal behandelt uitsluitend de onderwerpen die in die passages aan bod komen. Het is geen volledige biografie en de genoemde historische feiten zijn niet afzonderlijk aan externe archiefbronnen getoetst.

Augustus 1545 — Godert van Bocholt verschijnt in de internationale soldatenhandel

In augustus 1545 wordt een Goddert van Bocholtz genoemd bij de werving van soldaten voor koning Hendrik VIII van Engeland. Samen met onder anderen Friedrich von Reiffenberg en Peter van Gelre zou hij betrokken zijn geweest bij het verzamelen van troepen in de omgeving van Koblenz en Sayn. De soldaten waren bestemd voor de Engelse steunpunten Calais en Boulogne, waar Engeland tegen Frankrijk vocht. Voor militaire ondernemers bood de oorlog mogelijkheden om geld en aanzien te verwerven. De vermelding is bijzonder, omdat zij Goderts militaire activiteiten al vóór zijn bekende samenwerking met Willem van Oranje plaatst. De identificatie verdient nog controle aan de hand van de oorspronkelijke Engelse correspondentie.

1546 — De dood van Maria van Reifferscheidt verandert de familiebezittingen

In 1546 overleed Maria van Reifferscheidt, met wie Godert op basis van huwelijkse voorwaarden van 14 mei 1545 was getrouwd. Zij was de weduwe van Johan van Schönrode en vrouwe van Pesch, nabij Garzweiler. Volgens latere historische beschrijvingen overleed zij mogelijk in het kraambed. Godert verwierf het kasteel Pesch, maar de precieze juridische bepalingen van de nalatenschap verdienen nader onderzoek. Een huwelijk kon een adellijke familie toegang geven tot aanzienlijke bezittingen, terwijl een onverwacht overlijden nieuwe vragen over eigendomsrechten opriep. Het bezit van Pesch werd onderdeel van Goderts groeiende economische en maatschappelijke positie.

1546–1547 — Alexandrina van Wittenhorst verbindt Godert aan een invloedrijke familie

Kort na het overlijden van Maria trouwde Godert opnieuw, ditmaal met Alexandrina van Wittenhorst. Historische publicaties noemen zowel 1546 als 1547 voor dit huwelijk. Alexandrina was een dochter van Johan van Wittenhorst, heer van Horst, en Josina van Wees. Haar familie bezat verschillende heerlijkheden en bekleedde bestuurlijke functies in het Gelderse en Kleefse grensgebied. Het huwelijk bracht Godert in verbinding met bestuurders die aan verschillende vorstelijke hoven actief waren. Zulke familiebanden waren belangrijk voor het verkrijgen van functies, het verdedigen van eigendommen en het regelen van erfopvolging. De familie Wittenhorst zou ook in latere generaties nauw met de Van Bocholts verbonden blijven.

15 oktober 1547 — Godert wordt drost en pandheer van Wachtendonk

Op 15 oktober 1547 wordt Godert van Bocholt vermeld als drost en pandheer van Wachtendonk. De plaats lag aan de Niers, in een gebied waar Gelderse, Kleefse en Keulse belangen elkaar raakten. Als drost vertegenwoordigde hij het landsheerlijke gezag binnen zijn ambtsgebied. Het pandschap hield verband met rechten die als zekerheid voor financiële verplichtingen waren overgedragen. Daardoor konden bestuur, rechtspraak en inkomsten in dezelfde handen samenkomen, zonder dat alle rechten volledig persoonlijk eigendom waren. Wachtendonk bood Godert zowel politieke invloed als economische mogelijkheden. Zijn positie maakte hem bovendien rechtstreeks betrokken bij de verdediging en het bestuur van een strategisch gelegen grensvesting.

1548 — Keizer Karel V verleent Godert bijzondere bescherming

In 1548 ontving Godert van Bocholt volgens het onderzoek van Piet Dekker een vorm van bijzondere keizerlijke rechtsbescherming. De maatregel wordt in de historische literatuur verbonden met de diensten die hij aan Karel V had bewezen. Het is een belangrijke aanwijzing voor zijn plaats binnen de Habsburgse machtsstructuur. In de zestiende eeuw kon bescherming door de vorst grote betekenis hebben wanneer adellijke families over lenen, schulden of bezittingen procedeerden. Niet iedere edelman beschikte over dezelfde toegang tot de hoogste machthebbers. Welke rechten deze bescherming precies omvatte, moet uit de oorspronkelijke keizerlijke beschikking blijken. De vermelding toont in ieder geval dat Godert inmiddels hoger aanzien genoot.

Omstreeks 1550 — Grevenbroek vergroot zijn belangen in de Kempen

In het midden van de zestiende eeuw verwierf Godert rechten op Grevenbroek, een heerlijkheid in het gebied ten noorden van Achel. Volgens zijn oudere biografische beschrijving kreeg hij deze heerlijkheid aanvankelijk met toestemming van Karel V in pand en kocht hij haar later. Daarmee breidde zijn bezit zich uit buiten zijn oorspronkelijke Gelderse omgeving. Een heerlijkheid bood doorgaans inkomsten en bevoegdheden die verbonden waren met de plaatselijke bestuurs- en rechtsorde. Voor Godert betekende de uitbreiding dat zijn economische belangen over verschillende gebieden verspreid raakten. Die spreiding bood mogelijkheden, maar maakte hem ook afhankelijk van meerdere politieke machthebbers en plaatselijke rechtsgebruiken.

1552 — Willem van Oranje krijgt een ervaren militaire medewerker

In 1552 wierf Godert soldaten voor de negentienjarige Willem van Oranje, die deelnam aan de oorlog tegen Frankrijk. Oranje was toen nog een loyale dienaar van de Habsburgse vorst. Voor het samenstellen van een leger waren ervaren officieren nodig die over contacten, geld en organisatorische vaardigheden beschikten. Goderts betrokkenheid bij de werving toont dat hij inmiddels een betrouwbare plaats binnen de militaire organisatie had verworven. Het was het begin van een langdurige samenwerking met Oranje. Op dat moment was er nog geen sprake van een Nederlandse onafhankelijkheidsstrijd. Beiden opereerden binnen het vorstelijke legerstelsel dat later door de Opstand uiteen zou vallen.

1553 — De landvoogdes vertrouwt Godert een belangrijke functie toe

In 1553 werd Godert van Bocholt benoemd tot luitenant in de bende van ordonnantie van Willem van Oranje. Zulke bereden eenheden vormden een belangrijk onderdeel van de militaire organisatie van de Habsburgse Nederlanden. Zij beschikten over een vaste bevelsstructuur en waren bedoeld om de landsheer bij oorlogvoering ter beschikking te staan. Als luitenant bekleedde Godert een verantwoordelijke positie onder de aanvoerder van de eenheid. Zijn benoeming betekende dat zijn militaire kwaliteiten ook bij de centrale regering bekend waren. De samenwerking met Oranje berustte in deze periode op gezamenlijke dienst aan de Habsburgse vorst en vormde nog geen keuze voor opstand.

1555 — De Gelderse ridderschap erkent zijn maatschappelijke positie

In 1555 werd Godert van Bocholt opgeroepen voor de landdag van de Gelderse ridderschap in het Overkwartier. De vermelding toont dat hij tot de adellijke groep behoorde die bij het gewestelijke bestuur betrokken was. De landdagen boden de gelegenheid om over belastingen, privileges en bestuurlijke aangelegenheden te beraadslagen. De ridderschap verdedigde daarbij niet uitsluitend het algemeen belang, maar ook haar eigen rechten en bezittingen. Voor Godert betekende deelname toegang tot politieke besluitvorming buiten zijn afzonderlijke heerlijkheden. Zijn positie berustte inmiddels op een combinatie van adellijke afkomst, militaire functies, grondbezit en banden met invloedrijke families.

1555 — Filips II volgt zijn vader op als landsheer

In oktober 1555 droeg Karel V tijdens een plechtigheid in Brussel het bestuur van de Nederlanden over aan zijn zoon Filips II. De machtswisseling vond plaats terwijl de oorlog met Frankrijk nog voortduurde en de godsdienstige tegenstellingen binnen de Nederlanden toenamen. Voor edelen als Godert betekende de nieuwe vorst dat bestaande functies, privileges en belangen binnen een veranderende politieke omgeving moesten worden behouden. Godert bleef aanvankelijk deel uitmaken van het Habsburgse bestuurs- en militaire stelsel. Zijn latere steun aan Willem van Oranje was daarom geen vanzelfsprekende uitkomst van zijn afkomst of religie, maar ontstond binnen een ingewikkeld proces van veranderende machtsverhoudingen.

1555–1559 — De problemen van Nicolaas Nicolai bieden mogelijkheden in de Zijpe

Tussen 1555 en 1559 verwierf Godert omvangrijke bezittingen in de Noord-Hollandse Zijpe. Een deel van de grond was afkomstig uit het bezit van Nicolaas Nicolai, die nauw betrokken was geweest bij de eerdere bedijkingsplannen. Nicolai was door financiële en bestuurlijke problemen in moeilijkheden gekomen. De overdracht van zijn bezittingen bood kapitaalkrachtige gegadigden mogelijkheden om omvangrijke grondposities te verkrijgen. Godert behoorde tot degenen die daarvan profiteerden. De nieuwe polder beloofde inkomsten uit landbouw, maar vroeg ook voortdurende investeringen. Zijn deelname maakte duidelijk dat de Gelderse edelman niet uitsluitend op traditionele adellijke inkomsten vertrouwde, maar bereid was kapitaal in grootschalige landaanwinning te steken.

1560 — Godert blijft betrokken bij het Gelderse landsbestuur

Ook in 1560 komt Godert voor onder de edelen die voor de landdag werden beschreven. Daarmee blijkt dat zijn positie in de Gelderse ridderschap niet tot één afzonderlijke vermelding beperkt bleef. Zijn belangen waren inmiddels aanzienlijk uitgebreid. Hij bekleedde functies in Wachtendonk, bezat rechten in Grevenbroek en had geïnvesteerd in het nieuwe land van de Zijpe. Tegelijkertijd maakte zijn militaire dienst hem afhankelijk van opdrachten en gunsten van de vorst. Deze combinatie van belangen kon aanzienlijke voordelen opleveren, zolang de politieke verhoudingen stabiel bleven. Bij conflicten tussen landsheer, gewesten en plaatselijke bestuurders kon dezelfde combinatie echter tot moeilijke keuzes leiden.

1566 — De godsdienstige onrust brengt de oude verhoudingen onder druk

In 1566 verspreidde de Beeldenstorm zich over grote delen van de Nederlanden. De vernieling van kerkelijke beelden en de toenemende openbare protestantse activiteit brachten de regering van Filips II in een ernstige crisis. Willem van Oranje behoorde tot de hoge edelen die naar een oplossing zochten voor de spanningen tussen vorstelijk gezag, gewestelijke rechten en geloofsvervolging. Godert van Bocholt bleef katholiek. Zijn latere verbondenheid met Oranje toont daarom dat de politieke scheidslijnen niet volledig samenvielen met de religieuze. Voor een edelman met bezittingen in verschillende rechtsgebieden konden trouw aan de vorst, geloofsovertuiging en bescherming van familiebelangen uiteenlopende verplichtingen opleveren.

30 november 1567 — Godert en Alexandrina worden als heer en vrouwe vermeld

Op 30 november 1567 worden Godert van Bocholt en Alexandrina van Wittenhorst volgens genealogisch onderzoek aangeduid als heer en vrouwe van Grevenbroek, Beringen en Wachtendonk. De gezamenlijke vermelding laat zien hoe nauw huwelijk en bezit binnen adellijke families met elkaar verbonden waren. Het ging daarbij niet alleen om persoonlijk vermogen, maar ook om de overdracht van rechten aan volgende generaties. Het echtpaar kreeg drie dochters: Johanna, Margaretha en Anna. Zij zouden door hun huwelijken nieuwe verbindingen leggen met andere adellijke families. De verdeling en het beheer van de bezittingen zouden na Goderts overlijden nog lange tijd een belangrijke rol spelen.

 

========== PDF-PAGINA 1 ==========

432

gebracht. Hierna herkregen de gijzelaars op 17
‘september hun vrijheid.

235 IJzeren varen met kruit om vestingmuren te
laten springen.

236 Deze vendels stonden anders respectievelijk
‘onder bevel van prins Maurits, de graven.
Lodewijk Günther van Nassau en die van Solms,
‘alsmede de ritmeesters Van Rijhoven, Edmund,
‘Panier, Cloudt en Sidney.

237 Rijksarchief in Gelderland, Arnhem, GrGPIBk,
deel z,kol 14-20, mer beroep op een plakkaar van
de Staten-Generaal, dd.7 december 1577,
GrGPIBK, deel z, kol. 11 en Archief Hof van Gelre,
inv.nrs 509 en 1515, inden
Landdagsrecessen,
onderdeel confiscariën.

238 Rijksarchief in Gelderland, Arnhem, Archief
‘Staten van de Veluwe, inv. nr. 2, fol. 8-8 verso,
Landdagsbesluie van die datum.

239 Rijksarchief in Gelderland, Arnhem, Archief
Staten van de Veluwe, inv. nr, Landdagsbesluie
vandiedacum.

240 Rijksarchief in Gelderland, Arnhem, Archief
'Scaten van de Veluwe, inv. nr 13, fol. 130 verso.

241 Rijksarchief in Gelderland, Arnhem, Archief
Hofvan Gelre, inv.nr. 1510, index
Landdagsrecessen, onderdeel Territir, van 1635.

242 1m deze kweste mer betrekking vor de heerlijke
rechten over Wachtendonk werd zeer gewaar
deerde assistentie verleend door M. van Driel van
het Rijksarchief in Gelderland,
Arnhem.

283 Licht geschu

244 schenkenschans,de zeer belangrijke sterkte op
een landtong in he uiterste oosten van de
Betuwe, bijde voenmalige splitsing tussen Rijn
‘en Waal tegenover de Elerberg, werd, zoals ook.
elders vermeld, in 1586 op bevel van Leicester
‘opgeworpen door Maarten Schenk van Nideggen
voormeld. Schenkenschans
vormde in de zestien-
den zeventiende ecuw de sleutel coconze
Republiek vanuicher Rijnland.

245 Ambrosio Spinola, markies de los Balbases,
werd in 1569 in her Ialiaanse Genua geboren en
‘sterfop 25 september 1630 in Castelnuovo. Hij
trad in 1598 in Spaanse dienst en zou daar één
van de belangrijksce veldheren worden. In de
periode vanaf 1602 tot 1604 leidde Spinola de
bekende belegering van Oostende, die hij ook
financierde. Nade verovering van deze Staatse
kustvesting op zo september van laatstgenoemd
jaar verwoestte Spinola de scad, die in 1597 voor
de Republiek was ingenomen. De veldheer kreeg
in 1605 het opperbevel over de Spaanse troepen in
de Nederlanden. Hij rapporteerde de Spaanse
koning Philips ook over diens vervanger’ in
Brussel, aartshertog Albertus
van Oostenrijk.
Behalve Wachtendonk veroverde Spinola in 1605
eveneens de Staats vestingen Oldenzaal en

Lingen, in 1606 gevolgd door Groenlo {(Grol)en
Reinberg In 1697 stelde de veldheer de Spaanse
koning voor om vrede mer de Republiek te slui-
ten omda een miliaire onderwerping van de
‘Noordelijke Nederlanden te kostbaar voorde
‘Spaanse schatkist zou worden.
Dit leidde in 1608
voronderhandelingen onder Spinola merde
Republiek die in 1é0g uitmondden in her
‘Twaalfjarig Bescard. In 1622 belegerde de Spaar
veldheer evergeefs Bergen op Zoom, maar in
1625 nam hij het Staatse Breda in. In 1628 vertrok
Spinola naar Spanje om nog eens te pleiten voor
vrede mer de Noordelijke Nederlanden. Dichad
echter geen succes Hij weigerde naar Brussel
‘verug ce keren en werd in 1629 gouverneur van
Milaan.

246 Het leger van prins Maurits kon de moerasves-
ting niet te hulp komen. Deze veldheer had bij
Wezel in kwartier gelegen om het juist ijdstip
afte wachten Spinola aan de Ruhr te overvallen.
Bij Mülheim kwam her oe een crefen dacuir-
eindelijk onbeslist zou eindigen, maar de volledi-
ge inzet van Mauries opeiste.

247 Deze in 1571 te Atrecht geboren krijgsoverste
‘was in de Dertigjarige Oorlog generaal vande
Duitse keizer. Godfried Huijn van Geleen, kein-
zoon van de heer van de Zijpe en later ook zelf
heer van Wachtendonk, zou hem als oenmalig
keizerlijk kapiteir leren kennen. Bucquoij stierf
op zo juli 1621.

248 Deze dochter van wijlen de Spaanse koning
Philips Il was oen weduwe van dein 1621 overle
den aartshertog Albertus van Oostenrijk Hun,
huwelijk bleef kinderloos en daardoor waren de
Zuidelijke Nederlanden na de dood van Albertus
weer onder de soevereiniteit van de Spaanse
kroon ceruggekeerd, krachtens een geheime
bepaling in de Akte van Afstand, dd. 6 mei 1598.
In die Akte werd gok bepaald dar genoemde
vanaf die dacum soeverein zou
zijn overde
Spaanse Nederlanden. In feice waren die onder
‘de beide aartshe gen” en Albertus echter cen
sarellierstaa van Spanje gebleven, vooral op het
gebied van buiterlandse poliieken krijgskunde.
De kinderloze werd na het overlijden van haar
echtgenoot ‘gedegradeerd’ van vorstin coc land-
voogdes over de Spaanse Nederlanden. Zij stierf
op 1 december 16}, te Brussel.

9 Godfried Hendtik van Pappenheim, geboren op
29 mei 1594 in Pappenheim ad. Alemühl tad in
1623 in keizerlijk dienst. Hij werd aanvankelijk
riemeester van eef ruiterafdeling. Deze als
‘Pappenheimers’ zeer gevreesde kurassiers voer
den oorlog op cen meedogenloze wijze. Tot 1625
streed Pappenheim in Lombardije en nam daarna
vor 1629 deel aan de Deense Oorlog. Onder de kei
zerlijke generaal Tilly had hij en
belangrijk aan

 

========== PDF-PAGINA 2 ==========

1618 cot 1634) van Spaans Gelderland, dat voorna-
melijk her Overkwartier besloeg.
1 Herman was de oudste zoon van Willem van
‘den Bergh, voormelde stadhouder van
Gelderland. Hij ging in navolging van zijn vader
in 1583 in Spaanse krijgsdienst en verdedigde
tevergeefs Deventer tegen prins Maurics In 1593,
‘werd Herman van den Bergh ridder van her
Gulden Vlies en was vanaf dae jaar, vor zijn dood
in 1611, stadhouder van Spaans Gelderland Zijn
broer Frederik volgde hem als zodanig op, cot
1618.
32 zij plunderden daar hee kasteel
Wandersluijten, maar werden toen teruggesla-

gen.

33 Deze neef van prins Maurits werd op 15 febru-
ari 1575 te Dillenburg geboren als hee twaalfde
kind van Johan van Nassau, de arere stadhouder
van Gelderland en Elisabeth van Leuchtenberg.
Rond zijn achttiende jaar kome hij samen mer
broer Philips van Nassau naar Leeuwarden ter
voltooiing van zijn opvoeding bj oudste broer
Willem Lodewijk van Nassau, stadhouder van
Friesland. Beide jongere broers bekwamen zich
inde krijgskunst en spelen weldra een rol in hee
Staatse leger. Lodewijk Günther van Nassau trok
in 1594 met hee Scaatse leger naar Frankrijken
raakte in 1595 gewond bij de srijd egen de
Spanjaarden in hee Kleefse bij Bislich aan de
Rijn. Hij weer zich zwemmend overde rivier de
Lippe te redden. Broer Philips
van Nassau sterft
daar aan evencens opgelopen zware kwersuren.
‘op 5 september, nada hij door de vijand naar her
Spaanse Reinberg was gebracht. Lodewijk
Günther nam in 1596 deel aan de Engels-Staarse
‘vocht naar Cadiz, waar hij zich zeer onderscheid
deen op 1 juli samen met hee krijgsvolk onder
de Engelse graaf van Essex, deze Spaanse haven-
srad innam. In 1599 werd Lodewijk Güncher
benoemd toe luitenant generaal van de Staatse
‘cavalerie. Na de actie tegen Wachtendonk, in
1600, trekt hij in hetzelfde jaar mer neef prins
Maurits naar Nieuwpoort waar Lodewijk
Günther van Nassau in de beroemde lag de
Seaarse ruiterij aanvoert en daarna Maurits cen
buitgemaakt Spaansstrjdros schenkt. Op 7 juni
1601 huwt Lodewijk Güincher in Arnhem met
‘gravin Anna Margaretha van
Manderscheid
Blankenheim, weduwe van de graaf van Daun-
Falkenstein-Bruch diein 1598 door de
‘Spanjaarden was vermoord. De Staten-Generaal
schenken hee paar in 1602 een huis met wocbeho-
ren aan de Arnhemse Grote Markt, achter het
stadhuis, acer bekend als her Hof van Nassau. In
nos is Lodewijk Günther van Nassau betrokken
bij cen mislukte aanslag op 's-Hercogenbosch en
‘in 1604 levert hij een voorname bijdrage aande

inname van Sluis door de Staatsen. Kort daarna
worde de luitenant generaal ernstig zieken scrft
in deze vesting op 12 september van dat jaar, in
delleefijd van slechts 29 jaar. Hij worde bij zijn
broer Philips van Nassau in de Arnhemse
Eusebiuskerk bijgezer.(Zie ook: Diczhuyzen, drs
RE, van, ‘Oranje-Nassau, een biografisch woor
denboek’ Haarlem, 1992).

234 Lodewijk van Kechulle, heer van Rijhoven, had
zich in Luvemburg een zeer slechte naam ver-
worven. Inde nache van 28 mei 1596 overvielen
namelijk drie vendels ruiters en zo voetknechten
uihetin 1591 door prins Maurits veroverde
Nijmegen, onder aanvoering van Van Rijhoven.
en de Schotse ritmeester Edmund, de
Luxemburgse scad Echternach.
Na plundering
van woonhuizen drongen de Scaatsen om 2 uur 's
machts her klooster van de stad binnen waar zij
hun woede koelden op her kacholicisme. Grove
vernielingen werden aangericheen vele religieu-
ze kostbaarheden geroofd. Toen de zieke abr,
Johan Berrels, die zich verborgen hield inde
kloostertoren, werd gevonden namen de overval-
lers hem gevangen. Echternach moest 4.000 daal
ders brandscharring beelen, anders werden srad.
‘en Klooster aan her vuur prijsgegeven
Magistraar en kloosterlingen beloofden her geld.
te beralen zodra zij erover konden beschikken.
Als zekerstelling voerden de plunderaars coende
zieke abr de volgende morgen op een kreupel
paard mee naar Nijmegen, samen met een aantal
monniken, de schout van Echternach, enige
leden van de magistraat en 30
burgers, als gijze-
aars. De Staatsen namen ook vier rijdieren, acht
paarden om de akkers ce bewerken en wagens om
de buit e vervoeren, mee. Op de terugtocht werd
bovendien de stad Prüm, in de Eifel, geplunderd
en uitgemoord. Een grote buit werd daar gevon-
den in de kerk van de kanunniken waarde
omwonende platrelandsbevolking goederen en
kostbaarheden had opgeslagen
tegen roof door
rondrekkend krijgsvolk. Als losgeld voor gevan-
gengenomen inwoners moest de bevolking van
Priùm dire ooo rijksdaalders voldoen. Langs
Dülken en Straclen, bij welke laaste vesting her.
Spaanse garnizoen tevergeefs de Staatse rovers-
bendede doorgang trachtte e versperren, bereik
ten de plunderaars weer op Pinkstermaandag
mec hun grote buit Nijmegen. De volgende dag
lie Rijhoven de abe van Echternach als woord-
voerder weren dar de brandschatting was ver-
hoogd mer en cocal losgeld voorde gevangenen.
van 12000 rijksdaalder, zodarde zeer hoge som
van 16000 rijksdaalder moest worden betaald.
Mer grote moeite werd die kapicaal,plus 1.200
Brabanrse guldens voor hee logies in Nijmegen,
te Echrernach verzameld en naar de Waalvesting

431

 

========== PDF-PAGINA 3 ==========

428

dusin met her voorstelde magistraar van
Wachtendonk te overreden garnizoen in ve
nemen. Achteraf zou blijken da elis van Bocholt
nieede juiste man was. Spoedig zou hij immers
‘in Spaanse diensc treden (zie boven)

211 Hier rijscdus hee sterke vermoeden dat
‘Alexandrina van Witenhorst reeds in Ancwerpen
verbleef Zij zou echter rond 23 juni op de verga
dering van de Staten van het Overkwartier in
Venlo verschijnen.

212 Dar slechts hee halve vende van Koenraad van
Steenwijek binnen Wachtendonk werd inge-
kwartierd kan er op duiden dat uiteindelijk toch
een compromis meede magistraat van de grens-
vesting is gesloten aangaande het aancal krijgs-
lieden darin garnizoen werd genomen.

213 Zie ook: ‘Een Moelljk Begin’, door JAGC.
Trosée, in ‘Bijdragen en Mededelingen Gelre’,
deel XXXVIL jaargang 1934, mee bijlagen.

214 schatorjé, JMWC,
Wittenhorst versus
Oranje Johan I van Wictenhorst, heer van Horst,
ende verdediging van Venlo egen Willem, prins
van Oranje (1572) noot 33 en pag 138, in ‘Horster
Historiën, 2’, Horse, 1988.

215 Koninklijk Huisarchief, Archief Johan van
Nassau, A3, nr. 895 1.

216 Zie herin noot 180 genoemde Archief Hof van
Gelre, Correspondentie Hof algemeen, inv. nrs.
649-677, brieven van die maand.

217 ‘Historie der Ned. Oorlogen’, de deel, vde
boek, (ol. 445

218 De realisatie van het laatste walbastion sloot de
gracht rond de oude stadsmuur af van de Niers
Eronrstond een zogenaamde droge gracht die
geen deel meer uitmaakte van de bedding van

noemde stroom.

219 Hij was een zoon van Arnold Il Huijn van
Geleen, sedert ao januari 1558 eerste heer van
Geleen en bezitcer van her slot Sint-Jansgeleen,
ook genaamd huis te Spaubeek. In 1574 werd deze
‘Arnold Il or drossaard van Valkenburg en gou-
verneur, tevens kapitein-generaal, van de landen
van Overmaas benoemd. Vervolgens is hij in

1577, zowel namens Philips Il als
de prins-bis-
schop van Luik, or gouverneur van hee weeheri-
ge Maastricht aangesteld. Deze Arnold Il, overle-
den in 1579, huwde met Anna van Groesbeeck. In
1575 volgde zoon Arnold Il Huijn van Geleen,
zijn vader op als heer van Geleen en verkreeg, na
de dood van broer Willem Huijn, op 8 maart 1594,
ook de heerlijke rechten over Oirsbeek en
Brunssum, In 1609 zouden deze drie heerlijkhe-
den zijn daadwerkelijk eigendom worden in zuil
voor een grooe suk ‘bossche ende reste’ bij
Houchulsein Vlaanderen, tussen Diksmuide en
Roeselare. Dit woud was voormalig bezi van de
‘abdij van Corbie waarvan schoonvader Godert

van Bocholt, later beer van de Zijpe, in 1559
meerdere goederen verwierf (zie hierna). In 160}
werd Arnold Il Huijn van Geleen ook merde
heerlijkheden Mheer en Schinnen beleend. In
datzelfde jaar of zeer kort daarna verkocht hij del
heerlijke rechten over Oirsbeek en Brunssum aaf
zijn bloedverwant Werner Huijn. Op 26 mei 1
deed Arnold IL sarhen met zijn moeder Anna
van Groesbeek, delhof Witten bij Nieuwstadt
‘over aan voormelde Philips van Bencincken
diens echrgenote Alverca van Vlodrop. In mei,
1607 bevond Arnold il Huijn van
Geleen, oen.
‘eveneens heer van Wachtendonk, etc. en vanaf
1591 tot 1638 ook drossaard van hee ambt
Krieckenbeck, zich met voornoemde Walraven
van Witeenhorst, han van Brempeen Philips
van Bentinck, als afgevaardigde van het Spaanse
Overkwartier in Brussel om me aartshertog
‘Albertus van Oostenrijk te onderhandelen over
de oude rechten van Opper-Gelre. Arnold Il ver-
scheen ook regelmarig op de anddagen vande
‘Searen van hee Spaänse Overkwartier. Hij verte
genwoordigde die taten op 12 maart 1622 te
Brussel bj de ijkplechtigheid van de op 15 juli
1621 aldaar overleden genoemde aartshertog,
vorst over de Spaarise Nederlanden. Na het
huwelijk van zoon Arnold 1V Huijn van Geleen,
op 5 februari 1619, schonk Arnold Il hem de
heerlijkheid Geleen, mer het
kasteel int
Jansgeleen te Spaubeek waarmee deze vaderin
1582 was beleend en dar hij lange tijd had
bewoond. Arnold IÌl Huijn van Geleen stierf rond
16g3-Zijn vrouw Margaretha van Bocholt doch-
ver van de heer vanlde Zijpe, was hem op zz juni
1634 voorgegaan. Beiden zijn bijgezer in de kerk
van Wachtendonk, waar chans nog hun grafsteen
‘staat. Zij hadden twee zoons, met name: 1)
Arnold IV Huijn van Geleen. Hij trouwde op 5
februari 1619 te Wachtendonk met Margaretha
Wilhelmina van Witvenhorsr, vrouwe van
Deurne. Arnold IV srierfop 2 maart 1624 in laacse-
genoemde heerlijkheid; 2) Godfried Huijn van
Geleen, door familieleden Godert genoemd naar
zijn grootvader var moederszijde en heer van de
Zijpe, Godere van Bocholc Hij werd rond 1595
geboren en koos vataf 1615 cen
loopbaan als
krijgsman, zoals ook elders uitgebreid vermeld.
Deze Godfried, doof Duitse historici meestal
alleen ‘Geleen’ gendemd, zou de beroemdste telg
van zijn geslacht wbrden. In 1615/1616 diende hij
‘in lealië de belangen van hee Habsburgse Huis,
als kornet bij de cavalerie. Daarna kwam,
Godfried Huijn van Geleen bij hee uicbreken van
igjarige Oorlog in 1618 als vaandrig in
dienst bij hee infanterieregimene van krijgsover-
ste Johan Jacob Broickhorse tot Anholt. Deze
werd geboren op hér kasteel Anholt bij Emmerik.

 

========== PDF-PAGINA 4 ==========

[de voor een verzoening tussen koning Philips 11
‘en zijn Nederlandse onderdanen, werkte aanvan-
kelijk goed mee Willem van Oranje samen, vooral
inzake de religievrede. De Habsburgse achter-
grond van Marchias maakte diens accepeaie als
landvoogd over de Nederlanden voor her kacho-
lieke Gelre ook gemakkelijker.

Hier blijke dat Godert van Bochole zelf kapitein
wasoverhet vanaf 1572 binnen Wachtendonk en.
op her kasteel aldaar gelegerde garnizoen. De
kosten voor die bezetting
werden aanvankelijk
aangevuld door de Spaanse regering in Brussel en
later dus doorde Staten-Generaal
ROL Hij was dezelfde als Georg van Bocholt

genoemd in noot 167. Diens vader, Herman van

Bocholt voornoemd, ijdens zijn leven landdrost

van hee graafschap Zurphen, was cen achtemeef

van Godert van Bocholt, de latere heer van de

Zijpe. De aanduiding ‘ousin” is hier dus ruim

genomen.
|In opgegeven familierelaties, ook met berrekking

tor Godert van Bochol, waren dergelijke

‘onnauwkeurigheden coen echter niec bijzonder.
202 Omdat Georg ook in de periode na de dood van

Godert van Bocholt garnizoenscommandane van

Wachtendonk was berekent die dat hij her uitge

dreven Spaanse garnizoen, dar nog achterstallige

soldij eiste, inderdaad evencens onder zijn com-
mando moet hebben gehad. In deze voorde

Nederlanden zeer chaotische periode was het niet

bijzonder dat bij overgang van steden en gewes-

‘ven naarde Staten-Generaal ook de garnizoens-

‘commandanten zich onder het nieuwe gezag

stelden. Nie zelden gold dit eveneens voor de

soldacen van het garnizoen als hee bijvoorbeeld.
om Duitse krijgslieden ging die erder in Spaanse
dense waren. De Spanjaarden zel reden niee

‘onder de vlag van de Staten-Generaal maar zou-

den na hun vertrek als vijand onder Parma terug

keren. Georg van Bocholr, tijdens zijn leven ook
landdrost van het graafschap Zutphen, stelde
zichdus na de overgang van Gelre naar de Saren-

‘Generaal in dienst van de
Opstand. Hij huwde

met Wilhelmina Hendriksd. van Erp. Een broer

van Georg, met name Hendrik van Bocholt, was
als luitenancen kapitein eveneens in krijgs-
dienst, onder meer in 1583 bijhet tatenregimene

Bergh.

293 philips van Egmond bevorderde met andere
hoge katholieke edelen de
benoeming van
Matthias van Oostenrijk toc landvoogd. Hij keer-
dezich regen het zich in deze periode met geweld
ingende calvinisme en sympathiseerde mee
dekatholieke malcontencen inde strijd tegen
Spanje. Spoedig daarna verzoende Philips zich
met Parma en nam oen dienst in het leger van
deze Spaanse landvoogd. In 1580 werd Philips van

‘Egmond door de Staatsen
gevangengenomen.

204 De vader van Jelis, mee name Johan van
Bocholt, zijdens zijn leven drossaard van
Krieckenbeck en Erkelenz, zoals ook eerder ver-
meld, was evenals Herman van Bocholt, de vader
van Georg, een achterneef van Godert van.
Bocholt, heer van de Zijpe

205 Koenraad van Steenwijck had onder meer in
1573 als kapitein gediend onder
Jacob Cabeliau
vijdens her beleg van Alkmaar en de victorie van
die stad op de Spanjaarden meegemaakt.

206 Hij was een belangrijk edelman binnen Gelre
‘en werd in het volgende jaar, 1579, afgevaardigd
‘ter Staten-Generaal.

207 Het zal Johan van Nassau goed zijn uitgeko-
men dat het besluit over Georg van Bocholt for-
meel door de Gelders Scaten
werd genomen,
zonder zijn aanwezigheid. Het is echter ander-
zijds nier goed denkbaar dar de Gelderse stad
houder aangaande Georg van Bocholt in de
Scheldestad geen overleg met broer Willem van
Oranje heeft gepleegd, die daar mee zijn gezin
het ontmancelde kasteel had besrokken. Johan
van Nassau zal coch zeker zijn sandpunt in deze
netelige kwestie hebben toegelicht. De beslissing
vande Staten van Gelre zal uiteindelijk door
‘Willem van Oranje zij gerespecteerd.

208 Koning Philips IL gaf op februari 1580
‘opdracht dar de zogenaamde Soevereine Raad van
Gelre, die in wezen uitsluitend gezag had inde
‘Spaanse gebieden van Gelderland, zich mer de
‘archieven te Roermond moest vestigen. Op 8
april hield deze Raad, die voornamelijk bestond
uitde door stadhouder Johan van Nassau uit her
Hof van Gelre te Arnhem ‘weggezuiverde’
Spaansgezinde leden, daar voor het ers zitting:
Her Sraatsgezinde Arnhemse Hof werd vanaf
1581 geleid door kanselier Dr. Elbertus Leoninus
(gie noot 8) Vanaf 1580 had Gelderland dus te
maken mer een Staats en een Spaans Hof van
Gelre.

209 peis nier duidelijk of
Alexandrina van
Witzenhorst, die als vrouwe van stad en land.
Wachtendonkaldaar de heerlijke rechten beza,
uitsluitend als vertegenwoordiger van de adel in
Venlo aanwezig was ofdat zij ook als afgevaardig-
de van de stad Wachtendonk was e beschouwen.
In hee verleden {zie boven) waren er immers pro-
blemen gerezen over de vertegenwoordiging van.
die sad welke werd geelaimd
door Goder van.
Bochole als heer van stad en land Wachtendonk.

20 elis van Bocholt verbleefongerwijfeld in
Nijmegen vanwege de hem aangeboden post als
‘garnizoenscommandanc van Wachtendonk Hij
zal daarover mer gedeputeerden ter Staten van
Gelre hebben overlegd en uiteindelijk hebben
afgezien van hun aanbieding. Wel stemde elis

427


========== PDF-PAGINA 5 ==========

426

lijk dat Godert van Bocholt met berrekking cot
die geclaimde soevereiniteit wilde profiteren van
‘cen machtsvacuüm door de onduidelijkheid over
de leenheer van Wachtendonk, de hertog van
Kleefof Karel V. In 1547 waren
aan Godert de
heerlijke rechten immers door laatstgenoemde
Keizer verleend en iser geen sprake meer van de
Kleefse hertog. Deze kwestie over de soevercini-
teie blijf echter niee geheel duidelijk.

187 Zie ook de Regestenlijst, nrs. 1280, 1281, 1282,
1283 en 1234, Oud-Archief,

‘Gemeentelijke Archiefdienst, Roermond.

188 Met deze Johan van Erp, ook genaamd
Warzenburch, had Godert van Bochole later one-
nigheid. Op 19 en 25 oktober 1560 laachet Hof
van Gelre namelijk weren dat het gaarne wil
bemiddelen in een geschil tussen beide edelle-
den. Johan van Erp weigert echrer deze tussen-
komstomdat hij de voorkeur geeft aan cen
behandeling volgens her landrecht ter plaatse.
Johan speelt ook een
interessante rol in de histo-
rie van stad en land Wachtendonk. Op 23 maart
1582 draagt her Hof van Gelre hem per missive op
zich als waarnemend drossaard te belasten met
politieraken en administrace van geeseelijke goe-
deren te Wachtendonk, in afwachting van het
besluir van Alexandrina van Wictenhorst, wedu-
we van Godert van Bocholt en vrouwe van
Wachtendonk, om roe ce stemmen dat Johan van
Erp aldaar officieel drossaard wordt. Godert van
Bocholt was eerder zowel heer als drossaard
geweest en omdat het noodzakelijk werd dat er
‘een vervanger kwam voor administracieve en jus-
ciële aangelegenheden binnen stad en land
Wachtendonk kreeg Van Erp het verzoek hee
‘ambe van drossaard voorlopig waar te nemen.
‘Alexandrina van Wittenhorst vertoefde in die
periode veelal in Ancwerpen
(zie hierna). Ops
April bereikt het Hof van Gelre een missive van
‘ene Everarde van Reide over de verdere sappen
die moeren worden gedaan om te komen cot een
aanstelling van Johan van Erp als drossaard. De
heerlijke rechten over stad en land Wachtendonk
bleven in her bezit van de familie Van Bocholt.
Nadedood van Alexandrina van Wirtenhorst in
1584/1585, werd haar schoonzoon Arnold IL
Huijn van Geleen, gehuwd met Margaretha van
Bocholt, heer van stad en land Wachtendonk. (Zie
her bij noot 180 genoemde Archief Hof van Gelre,
Correspondentie van Hof en Overkwartier, inv.
nrs. 1044 e.v. akten van vermelde dara).

189 Een relg uitde familie van Godert van Bocholt
zere zich dus in oor de tegenpartij van deze
latere heer van de Zijpe. Om welke Arnold het
hier gaacis nier duidelijk Velen uit her geslache
Van Bocholedroegen deze voornaam. Hec lijkt
‘onwaarschijnlijk dat hier broer en kanunnik

‘Arnold van Bocholt junior wordt bedoeld. Hij
had een goede relatie met Godert.

190 Godert van Bocholt was, zoals eerder vermeld,
behalve heer van stad en land Wachtendonk ook]
drossaard aldaar. If deze
fumerie had hij echter
lijke bevoegdheid. Het boeste echter herhaalde-
lijk tussen de heerlijke rechten van Van Bochole
zeen hee stedelijke rech.

191 Gezien de toch grote afstand tot Wachtendonk
ishet onduidelijk wachier precies met ‘mijl
worde bedoeld.

19% } male 1/18 las Her ging ierdusom onge
veer 3 last ofgo heccoliter rogge.

193 Zie voor stad en land Wachtendonk ten tijde
van Godert van Botholt eveneens het in noot 116.
genoemde zeer interessance boekwerk door
Leopold Henrichs én he in noot 180 vermelde
Archief Hof van Gélre, Correspondentie metde
sadhouder,inv. ns. 642-647 en Correspondence
Hof Algemeen, inv.nrs. inv. nrs 649-677, akten
van genoemde data. (Met grote dank voor bijko-
mend onderzoek if genoemd
Archief Hof van
Gelre aan drs. J. M/ W.C. Schatorjé, Horst)

194 Zie voor deze zaken in 1572 evencens het in
noot 180 ger Archief Hof van Gelre, inv.
rs. 649-677, akten van vermelde daca.

155 Rijksarchief in Limburg, Archief Staten van her
Overkwartier, inv.nr. 184, missive van die
dacum.

156 pij brak zijn belofte dat de Spaanse troepen de
Nederlanden zouden verlaten en riep deze erug.
Ook steunde Don juan dus de in Gelre zo gehate
Pollweiler wiens Hoogduiese benden daar zo
huishielden.

197 Belangrijk in die kader is ook dar Gelre als voor-
malig soeverein hertogdom cot 1576 bij
had deelgenomen aan Algemene
Seacenvergaderingen van de Nederlanden. Alleen
in 1555 en 1559, bi respectievelijk de abdicatie
van Karel V en hee verrek van Philips II, ver-
‘scheen Gelderland mer cen volcallig gewestelijk
Seateneollege. Daarna kwam pasop 6 september
1576 opnieuw eenhfvardiging van de Gelderse

ene Vergadering naar

erde Staten van alle

‘Gelre dus tot 1576 eigenlijk

en verklaring van handelen

Gelre in deze periode vooral

velde publicatie‘Geschiedenis
van Gelderland’. Uit dit boekwerk is door schrij
verdezes vivo, geciteerd.

199 Matthias van Obstenrijk was onder invloed van
de Zuid-Nederlandse hoge adel, uit vrees voor
een calvinisische suprematie, in januari 1578
door de Staten-Generaal aangesteld. Deze land-
voogd, uit hee Habsburgse Huis dae zic

 

========== PDF-PAGINA 6 ==========

aan dominicanen en franciscanen. Bleef de ketter
weigerachtig zich ce bekeren cot Rome dan werd
hij overgeleverd aan de wereldlijke rechtbank
‘omdat de Kerk geen bloed vergoor. Voor de afal-
lige volgde dan bijna altijd het
doodvonnis, veel
al voltrokken door verbranding, verdrinking of
her levend begraven van de veroordeelde

Aan deze broer, scaarsman en lererkundige
werd al kor na zijn dood in 1598 te Leiden het
‘auteurschap van het Wilhelmus u geven.
Janen Philips scamden uic een geslacht afkom-
‘stig van Savoye, waarvan een celg,Jeande
Marnix, landvoogdes
Margarecha van Oostenrijk,
hertogin van Savoye, in 1507 was gevolgd naarde
Nederlanden. Diens zoon Jacques de Marnix was
‘een bekwaam krijgskundige en bracht het onder
Karel V cor inspecreur over de benden van ordon-
mantie(zie ook hierna) Jean verwierf door zijn
huwelijk aanzienlijke goederen in Henegouwen,
waaronder St. Aldegonde. Philips van Marnix,
erfdede rechten op die bezit Bij de dood van
Oranje in 1584 was hij burgemeester van
‘Antwerpen dat in 1585 in Spaanse handen kwam
155 ‘Hebben deselve van der Finanzen geordon-
neer ende geappoïnceert dat die vurs. Bocholt bij
provisie (voorlopig) zal beralen de quote ende
portie van der bede die welke den keijser looflyck.
memorie (Karel V, zaliger nagedachtenis) ende
onsen heere van konink (Philips II) geaccordeert
ende bewilligt ijn bij den
landschappen van
Geldre, waerop die voorsegde (quote) van
Wachtendonck met dyen van Rumunde
(Roermond) gese (vastgesteld) sijn. Ende soo
die voors van Bocholt sustineert, dat hij bij justi-
ce bevonden sal worden dat Wachtendonck onder
‘Rumunde nijec en behoirt begrepen te sijn, noch
te contribueren, ende met recht (rechtens) te ver-
dedighen dae quartier van Rumunde{het
Overkwarier) zennemen sal in alle voekommen-
de inwillegongen oft schattingen haer aenpart
(deel) te dragen, sonder Wachtendonck daer in ze
trecken (betrekken) sal geschreven worden aen
‘den momboir (momber, te vergelijken mer advo-
‘caat-fiscaal) hier toe instructie te nemen van den
voorsegde Bocholt ende de saecke mer recht
(rechtensee voorderen (vorderen) ende aen
‘(Cancer ende racden (kanselier
en raden van het
Hof van Gelre) ten eijnde ij doen goet crt
onverrogen recht, om daernae gedaen te worden.
als gevonden sal worden te behooren’. (Zie herin
noor 116 vermelde boekwerk door Leopold
Henrichs, akte op pag. 480). Kanselier en raden
zouden lang met wantrouwen door de Gelderse
Staten worden bejegend. Zij werden namelijk
geacht aan de leiband te lopen van de regering te
Brussel, die hen benoemde. De bezwaren betrof
fen vooral de mogelijkheid tor dagvaarding, door

de momber, van inwoners uir de hoge heerlijkhe-
den, zoals Wachtendonk en ook de aanstelling
van niet-Gelderse ambtenaren. Hoewel Godert
van Bocholr zoals ook hierna uigebreid worde
‘vermeld, zich alleen voor het Rijkskamergerecht
in Spiers behoefde te verantwoorden werd over
deze zaak dus beslist door het Hof van Gelre
‘omdat het om een principiële geldelijke kwestie
ging, mer een territoriale achtergrond, die eigen
lijk buiten Van Bocholeals persoon omging.

186 Hoe onduidelijk deze zaak was wordt ook aan-
getoond door enkele zinsneden in de pandbrief
van 15 oktober 1547 (zie boven) Daar is sprake
van Godert van Bocholt en zijn erfgenamen als
“bzirs (van) Wachtendonk’ die de vijand moes-
ten ‘wederstaen'. Daarvoor erkenden keizer Karel
Vendiens erfgenamen verplicht ce zijn om
‘onderhaldinghe (onderhoud) van (gewapende)
ruyteren ende (voet}knechten tedoen, als des dan.
nae gelegentheij van noode zijn zal, daermede
hij ofzij (Van Bocholt en zijn erfgenamen) onse
vijanden moghen wederstaen, krencken ende
beschaedighen ende hem (Van
Bocholt) oft zijnen
erven die beraclinghe daervan alzoe te doene,
daeraene zij (Karel Ven zijn erfgenamen) gehal-
‘den (gehouden) zijn’ Verder worde gesteld dar
“geddart (Godert van Bocholt)oft zijne erven zul-
len die (gewapende) ruijeren ende (voet)knech-
ten in desen gevalle zelfs (zelf) nae noordruft
(indien nodig) aennemen ende oorloff mogen
{geven (afmogen danken) Oick (Ook)dac hij
(Godert van Bocholt) oft (of) zijne erfigenaemen,
beses (van) Wachtendonk, gehouden zullen
wesen ons (Karel VJ of (of) onsen{Karel Verven
van zuleken ruijterhandel (aannemen en afdan-
ken van gewapende ruiters) bewijsselijke reken-
schap (verantwoording) te doen. Duidelijk is
hier dus sprake van Godert van Bocholt en zijn
erfgenamen als bezitters van Wachtendonk dieop
kosten van (de landsregering
van) Karel Ven
diens erfgenamen gewapende ruiters en voet-
knechten mogen aannemen cer verdediging van
‘srad en kasteel bij een vijandelijke inval. De term
“bezi strookt met de aanduiding dat Van
Bocholt sad en land Wachtendonk soeverein”
achree. Toch is dir serijdig mer andere informatie
en kan inderdaad hoogstens op de militaire activi
teiten aangaande Wachtendonk laan. Deze,
inclusief restauratie en nieuwbouw van hee kas-
veel, werden immers gefinancierd door de rege-
ring van Karel V ce Brussel. Op die punt hadden
Van Bocholt en zijn erfgenamen uisluisend ver-
anewoording af te leggen aan de landsregering en
niet aan her gewestelijke Gelderse bescuur. In die
zinis er ten rechte sprake van soevereiniceit, in
de betekenis van militaire onafhankelijkheid cen
aanzien van Gelre. Hecis
tenslocee niet aanneme-

425

 

========== PDF-PAGINA 7 ==========

424

Staatse Venlo namens de steden van hee
Overkwartier twee afgevaardigden naar de
Vergadering van de Staten-Generaal in
‘Antwerpen zond. De hoofdstad van Opper-Gelre,
Roermond, dat Spaans was, bleef buiten beschou-

5 eben gemold gere
bronnen over de geschiedenis van hee
Overkwartier en de familie Van Wirtenhorst zijn:
Steffens, Adolf ‘Geschiedenis der aloude
Heerlijkheid en der Heeren van er Horst in her
Land van Kessel’, Roermond, 1888; Rijckenroy,
Jan van der, Kroniek der Stad
Roermond van
1562-1638, mec inleiding van en uicgegeven door
Fred. Nertesheim, Gelder, 1870; Barra,
Dr.ECMA ea, ‘Limburg's Verleden 1,
Geschiedenis van Nederlands Limburg coc 1815,
Maastricht, 1967; Jappe Alberts, Prof. Dr.W,
‘Geschiedenis van de beide Limburgen’ deel,
Assen, 1972; Lensen, Leo en Heiding, Willy H‚,
“Tussen schandpaal en schavot, Zuephen, 1984;
Meij, P.J, Jappe Alberts, W, e2.,‘Geschiedenis
van Gelderland, 1492-1795’„Zuephen, 1975;
Wouters, H.H, "Grensland en Bruggchoofd,
Het Limburgse Maasdal gedurende de So jarige
‘oorlog en de zo-jarige oorlog, 1543-1665 Assen,
1570; Van der Aa, A.J ‘Biographisch
Woordenboek der Nederlanden’, voorgezet
‘onder redactie van Van Harderwijk, K..R.en
Schore, Dr.C. D.J, Amsterdam,
1969; Japikse, Dr
'N, bewerking van de ‘Resolueiën der Staren-
Generaal van 1576 tot 1609 's-Gravenhage, va.
195.

976 Rikale van Merode huwde met Agnes van
Warfiuzée Zijn zoon Bernhard van Merode zou,
zoals nog zal blijken, lace problemen krijgen
mer Godert van Bocholt. Zie ook: Domsta, Hans
‘Geschichte der Fürsten von Merode im
Mielaler 1 Band, Genealogie der Familie,
Düren, 1981

277 Benaming voor de van de veertiende corde zes-
tiende eeuw geslagen guldens en behoeve van de
keurvorsten aan de Rijn.

978 Haupestaarsarchiv Düsseldorf Herzogthum
Geldern, Urkunden,nr. 55, d.d. 15 oktober 1547.

279 Waarom zijn schoonvader die mededeling aan
her Hof van Gelre deed is niee duidelijk. Mogelijk
wilde die zeer invloedrijke edelman uichet
Overkwartier zijn invloed voor Godert van
Bocholt bj her Hof aanwenden. Her kan cheer
ook zo zijn dat Godert zelf diens schoonvader had
opgedragen om zich, bijvoorbeeld wegens afwe-
gigeid, coc hee Hofterichten.

80 Zie voor de kwestie aangaande de overdracht
vande heerlijke rechten van stad
en land
Wachtendonk en het vrlaren van her asteel
aldaardoor Angela Schell ten behoeve van Godert

van Bochole Rijksarchief in Gelderland, Archief
Hof van Gelre, Correspondentie van Hofen
Overkwarrier (inv ars. 14 ev)

181 Hier is alleen van belang dat op 16 augustus
1471 de hertog van Kleefde heerlijke rechten ovel
stad en land Wachtendonk
verwierf. Die werden|
hem verleend door Arnold van Egmond, hertog
van Gelre, wegens zijn gegeven steun vegen di
zoon Adolph van Egmond (zie teks). Op z4
‘en 3 augustus 1473 werd de hertog van Kleef
Karel de Stoute, hertog van Bourgondië alsmede
door Arnold van Egmond in 1472 verpand met
Gelre, opnieuw mec Wachtendonk beleend als.
waardering voor zijn bijdrage aan de vestiging
van her Bourgöndische gezag in Gelderland. Op
19 juni 1498 verleenden aartsbisschop Philips van
Keulen en Maximiliaan van Oostenrijk sedert
1493 keizer van Duitsland, aan de hertog van
Kleef wederom levenslang de heerlijke rechten
over stad en land Wachtendonk. Tenslocre bleven
deze rechten nh de vrede van Venlo op septem-
‘ber 1543, als gevolg van onderhandelingen op 2
Januari 1544 overde lenen
cussen keizer Karel V
en hertog Willem van Kleefen Gulik, weer aan
laatstgenoemde. Wachtendonk was dus volgen:
die besluit van 154g nog steeds een aan Klef
‘begeven leen. In 1503 had Karel van Egmond als
hertog van Gete en vijand van de Habsburgers
echter Orco Schenk van Nideggen voor 17:co00
goudguldens stad en land Wachtendonk in par
gegeven. Op 4 december 1504 werd vervolgens
vastgelegd dar de Gelderse hercog alle noodzake-
lijke kosten zou vergoeden voorde versterking
van her kasteel aldaar. Via zoon Hendrik Schenk|
van Nideggen en diens weduwe kwamen in 15
de heerlijke rechten over Wachtendonk aan
Godert van Bocholt. Deze werden aan laarstge-
noemde verleerd door Karel V, sedert 1543 ook
hertog van Gelre. Het was echter opvallend dat
diezelfde jaar bj de inhuldiging
van deze keizer
te Wachtendonk (zie vekst)ook hertog Willem
van Kleefzich lie ervegenwoordigen. Toch
kwam de begeving van de heerlijke rechten over
stad en land Wachtendonk uiteindelijk aan kei-
zer Karel V, alsde Gelderse hertog

182 Zie ‘Rheinischer Scädreatlas’ met informatie
over Wachtenddnk, Lieferung VI nr.35,
Köln/Bonn, 1988; Wachtendonk
als Festung’,
‘door Richard Verhuven, in Geldrische
Heimatkalendet, 1956, pag. 18-26; ‘Geschichte der
Seade und des Landes Wachtendonk’ door
gieopold Henri, 2 Auflge Kevelaer, 175
185 paus Paulus IV (1555-1559) afde Inquisee,
zijnde de door paus Gregorius Xin 1231 opge-
richte insclling van permanente gerechtshoven
vegen ketrers hee recht de pijnbank te gebruiken,
waarbij hee gelopfonderzoek werd opgedragen


========== PDF-PAGINA 8 ==========

mandant Willem Lodewijk van Nassau voor-
noemd ook Philips van Hohenlohe in. Deze laat-
‘ste was een broer van Wolfgang van Hohenlohe,
gehuwd mer Magdalena van Nassau, zuster van
Willem van Oranje. Vanuit Embden was Philips
‘scheep gegaan om onder Oranje de krijgshandel.
te leren. Door tegenwind landde hij op 18 febru-
ari 1575 bij Perren vanwaar Philips aan Sonoij,de
eerder reeds vermelde luitenant-gouverneur van
de prins in he Noorder-Kwarrier escorte ver-
zocht naar Den Haag Sonj begaf zich ijlings
mac Peen bond ellende
gastvrijheid aan in Alkmaar, om uir e rusten.
Deze weigerde dit aanbod echter omdac hij enke-
le gezanten uit Embden bij zich had. Sonoij zorg
de coen vooreen gewapende geleide van ruiters
dat Philips van Hohenlohe bij zeer slecht weer
langs her strand velig naar Den Haag bracht
Hier werd hij harrlijk door de prins ontvangen
‘en op een jaarwedde van 5.000 gulden in 's lands
dienst aangenomen. Philips bracht her oe rijgs-
overste in het Staatse leger. Hij was cen goede
‘vriend van Van Hohen Sachsen.
Op 5 mei schreef
Philips hem vanuit Amsterdam een brie, dede
[van die maand gevolgd door een schrijven van,
[willem Lodewijk van Nassau, beide op verzoek
van kapitein Georg van Bocholt. Willem
Lodewijk noemde toen Van Hohen Sachsen zijn
broeder’. De schrijvers verzochten Van Hohen
‘Sachsen om Jelis van Bocholt op borgstelling vrij
ve laren ofeen mildere gevangenschap te bezor-
gen. Hij was namelijk waarschijnlijk valselijk
door afgunstigen van wandaden in zijn amb.
Krieckenbeck aangeklaagd. Voor elis werd, als
man van adel, daarom gedacht aan een door sol-
‘daten bewaakte herberg. Op deze drossaard van
Krieckenbeck zou vervolgens al naar gelang zijn
werkelijke misstappen, her burgerlijk of hec oor
logsrecht toegepast kunnen worden. Willem
Lodewijk van Nassau
verontschuldigde zich bij
Van Hohen Sachsen over hee fer dat hij zich mee
diens zaken bemoeide maar vond dac hij hee ver-
zoek van Georg van Bochole nier kon weigeren
omdat deze ‘di land (de Nederlanden) vanaf her
begin van de oorlog tegen Spanje heeft gediend
en vele crouwe diensten heeft bewezen’. Georg
had zich ook, zolang hij in her regiment van
Willem Lodewijk van Nassau diende, ‘eerlijken
vroom’ gedragen. Waarschijnlijk is elis van
Bocholt inderdaad op borgtocht vrijgekomen,
wanrals hij enkele weken acer, op zo mei 1581,
vie naam van koning Philips Il cot Spaans dros-
saard van Krieckenbeck en Erkelenz wordt
benoemd, verkeert elis ongetwijfeld niee meerin
gevangenschap te Venlo. Deze drossaard was
‘dezefde edelman die na de dood van Godert van
Bocholt, heer van de Zijpe, door
diens weduwe

‘Alexandrina van Wittenhorst in 1578 werd aan-
bevolen als milicair gouverneur van
Wachtendonk zie hierna) Philips van
Hohenlohe, die we onder meer nog bij her aan-
staande beleg van Roermond zullen tegenkomen,
was ook de krijsoverste die in 1576/1577 Godert
van Bocholt in de weg stond bj diens aanbod om.
uiers ce leveren aan de
Scacen-Generaal (zie
hierna). Dein deze kwestie vermelde Johan,
Reinhard en Herman van Bochole waren kinde-
ren van Godert van Bocholt Arnoldsz die evenals
diens zoon Johan en kleinzoon elis drossaard
was van Krieckenbeck en Erkelenz. Genoemde
Godert Arnoldsz. was een oomzegger van Peter
van Bochole Godert. groovader van Godert
ggemBocholg heer vande Zijpe.

168 De poort naar Maasniel.

pi ‘Oud-Archief, Nijmegen, inv. nr. 3719, schrijven
van diedacum.

170 Ziede bij noot 99 genoemde boekwerken door
A Fahne von Roland, deel 1, pag. 353 en deel z,
pag-162, nr. 198, met bijbehorende voernoot.
Fahne ontleende zijn informarie aan cen
betrouwbare bron, namelijk en akte uithet
archief van her klooster Maria
Weide te Venlo,die
hij onder ogen kreeg. Eris uit di archief later
veel verloren gegaan en heden is dir stuk helaas
niee meer aanwezig Omdat Fahne deze akte met
dedaarin vermelde dara en locaries gederailleerd
weergeeft iser geen redle grond om aan zijn
informatie ce ewijflen, zeker als we ook rekening
houden met andere nog aanwezige bronnen aan-
gaande Godert van Bocholt en zijn aandeel in de
strijd tegen Pollweiler in die periode.

171 Ziehet bij noot 116 genoemde boekwerk door
Leopold Henrichs, pag. 153.

172 Mondragon stierf op z januari 1596 in
Antwerpen. Deze Spaanse krijgsman stond door
zijn karaktervolle houding ook bj vijanden in
hoog aanzien. De tocht van Mondragon door het
Zijpe waardoor, na een belegering Zierikzee op 29
juni 1576 kon worden ingenomen, is beroemd
geworden. 23

173 pij was verkozen op aandrang van de kacholiek
gebleven edelen die de zaak van de Opstand
tegen Spanje steunden. Matthias van Oostenrijk
wise zich nier e handhaven tegenover Oranje,
die hem als luitenant generaal werd toegevoegd
door de Staten-Generaal en keerde in 1581 naar
Oostenrijk erug. Deze
achterneef van Karel V
was vanaf 1612 tot 1619 Rooms-Duits keizer.

174 Opvallend is da in juli van dat jaar (zie noot
169) Jelis van Bocholt worde genoemd als Spaans
drossaard van Krieckenbeck. Hier blijkt hoe
Opper-Gelre was verdeeld door de strijd tussen
de Spanjaarden en hee leger van de Scacen-
Generaal Een ander voorbeeld is darin 1579 hee

 

========== PDF-PAGINA 9 ==========

mandeur en was verdeeld in een aancalcomman-
‘derijen, elk onder een commandeur. All leden
van de Orde, zowel de ridders alsde geeslijken
‘en andere dienaren werden geacht van Duitsen
bloede te zijn. De ridders moesten bovendien een
aanral adellijke kwartieren in hun stamboom
kannen aanwijzen. Vanafde jaren 1330, 1567 en
1671 bedroeg dit aantal respectievelijk vier, acht
en zestien Allen in de balije Ucrecht bleef de eis
van vier gehandhaafd. Het Ordereken bestaat uit
een breedarmig gouden halskruis, zware ged
mailleerd op witte grond, gedekt door en helm
mer drie wire veren. Daarbij behoort een ies
groeer borstkruis zonder helm, alsmede een
‘wirte mancel waarop herzelfde
kruis, in groot
formaar,is geborduurd.

Rond 1400 stond de Duitse Orde op het toppunt
van haar macht, maar op 15 juni 1410 leed ze bij
‘Tannenberg een zware nederlaag vegen een leger
van Polen, Tartaren en Litouwers. Hierna werd in
1457 hee slot Mariënburg aan de Polen overgege-
ven en de hoofdzetel van de Duitse Orde naar
Koningsbergen verplaatst In 1466 moest de toen
malige hoogmeester de Poolse koning als leen-
heer erkennen voor een groot deel van het daar
gelegen Ordegebied waarover eerder de soeve-
reinieit werd uitgeoefend. In de zestiende eeuw
werd de band tussen de over Europa verspreide
balijen langzamerhand losser, mede door de.
teformarie. Toen in 1525 de heersende hoogmees-
ter vande Orde, Albrecht van Brandenburg, luc-
hers werd en daardoor nier
meer ls geestelijk
Rijksvorst op de Rijksdag van her Heilige Roomse
(Duitse) Rijk ziecing had, lec hij zich doorde
Poolse koning, die ook hertog van Pruisen was,
mer die hertogdom belenen. Daardoor werd dar
Ordegebied geseculariseerd en onder wereldlijk
bestuur gebracht In veel balijen won de reforma-
‘te veld en die van Utrecht had zich aan hee eind
van de zestiende eeuw feitelijk al van de Duitse.
Orde afgescheiden. De hoogmeester van de Orde
werd daar alleen formeel nog erkend. Toen graaf
Hendrik Casimir van Nassau in de periode vanaf
1630 tot 1640 landcommandeur van de balije
Utrecht was werd de band merde hoogmeester
echter ookoficieel verbroken. Steeds meer balij-
‘en verdwenen. In 18og en 1811 hief Napoleon ook
die van Alden Biesen en Urrecht als zodanig op.
Im 1815 werd de balije Urrecht
weer hersteld en
kreeg later bekendheid vanwege de aanwending
van haar inkomsten, ui kapitaal en goederen,
voor de protestantse ziekenzorg. Aan her hoofd
van die balije staat nog steeds cen landcomman-
deur, mer onder hem ten commandeurs. Het
lidmaacschap van de balije Utrecht aac uitslui
tend open voor mannelijke Nederlanders van
proeestants-chrisclijke huize die vier adellijke

‘kwartieren in hun stamboom hebben en van wie
beide ouders behoren cor geslachten waarvan de
adeldom teruggaat tot vóór 1795. De zeer belang
rijke balije Alden Biesen is na de Napoleontische
ijd nimmer meer hersteld. De Duitse Orde
bestond aanvankelijk ir ridders, priesters ser-
‘jamtzbroeders, zusters, halfbroeders en zusters,
‘alsmede familiares. Aanvankelijk was adeldom
geen noodzaak om als ridder tor de Orde te wor-
den voegelaren, maar spoedig waren vier adels-
kwartieren noodzakelijk. Lacer volgde dus zel
cen uitbreiding voe acht en zestien kwarzieren.
Bij de inerede stelden andere edelen zich garant
voor de echtheid van deze kwartieren. Door het
beperkte aancal waren de ridderplaatsen zeer
begeerd. Vanafde vijftiende eeuw was heedaar-
om bijna onmegelijk om zonder
steun binnen de
Orde als ridder ze worden opgenomen Vacante
plaacsen werden bijna altijd gereserveerd voor
edelen uitde eigen geslachten. De ridders verval
den de hoge posten binnen de Orde, zeals die van
landeommandeur, commandeur en renemeester.
De priesters verzorgden de erediensten de pas-
orale zorg inde parochies van de balije. De ser-
‘janezbroeders stonden onder de ridders en ver-
vulden beheersfiancties. Daarnaast werd van hen
verwacht da ze met de ridders zo nodig ten sij
de trokken. In de historie van de balije Alden
Biesen werden ze echter niet aangetroffen. De
‘zusters verzorgden de zieken in de hospitalen
van de Orde of vervulden andere dienende taken.
De halfbroeders en -zusters waren aan hen
ondergeschikt. De families ensloree waren.
personen die zich met de Duitse
Orde verbonden
voelden en vaak als weldoener voor de Orde opt-
raden. Aanvankelijk vertoonde zich cen grote
mare van gelijkheid tussen ridders, priescers,
broeders en zusters Die veranderde echter in de
veerriende eeuw. Toen ging bovengenoemde dif
(erencitie opereden en kregen de ridders de
meeste invloed. Hun aantal nam echeer af.
Bovendien verdwenen de zusters en halfzusters
langzamerhand geheelen de priesters zien we
nier meer in de hoogste ambren. Hadden deze
vroeger ook als commandeur de leiding over cen
commanderij, vanaf die periode treffen we ze nog
uitsluitend in de parochiezorg of ook wel inde
administratie van de balije. Rencmeesters die
veelal evens ridders waren, stonden daar aan her
hoofd. (Zie voorde Duitse Orde ook: Helm, Ken
Ziesemer W, ‘Die Lieracur des
Deutschen
Rieterordens', 1951 en Fabius, F.W. ‘De
Duitsche Orde van verleden coc heden’, 196:).

131 Godfried Huijn van Geleen was, zoals ook
elders vermeld, landcommandeur van de balije
‘Alden Biesen in de periode vanaf 1634 tot 1657.
Hij werd in de Dert ‘Oorlog veldmaar-

47


========== PDF-PAGINA 10 ==========

418

‘schalk van de toenmalige keizer van het Heilige
Roomse(Duitse) Rijk. De ‘heer van Geleen’ lever
de strijd in verschillende Duitse staten, zoals nog
nader zal worden belicht. Onder Godfried Huijn
van Geleen werd in 1638 de nieuwe Onze-Lieve-
Vrouwekerk van her
kasteelcomplex Alden Biesen
voltooid. Door de bouwkosten van deze kerken
die van dein 1651 voltooide poort, het oudste
gedeelte van her huidige poortgebouw bijhet
‘slot, was de balije onder landcommandeur Huijn
van Geleen, mede vanwege andere groce verbou-
wingswerkzaamheden en verminderde inkom-
‘sten door de Tachtigjarige Oorlog, in financiële
moeilijkheden geraakt. De ‘heer van Geleen’ als
‘bevelvoerend krijgsman veelvuldig afwezig, had
om orde op zaken te stelen daarom reeds en
goed juridisch geschoold ambtenaar, die geen
Ordelid was, als rentmeester aangesteld. Hij
overleed na een ziekbed op 27 augustus 1657 in
Maastricht en lier de balije mer een schuld van
50000 gulden achter. Landcommandeur God ried
Huijn van Geleen werd in de kerk van Alden
Biesen bijgezet. Hij was behalve
heer van Geleen
tijdens zijn leven ook nog heer van Wachtendonk
en lid van de Érac Nobleof ridderschap van hee
prinsbisdom Luik, De balije Alden Biesen onc-
stond in april 1220 toen graaf Arnold Il van Loon
en zijn zuster Mechtildis van Are, abdis van
Munsterbilzen, de kapel van Biesen (Rijkhoven),
mer le afhankelijkheden, aan de Duitse Orde
schonk In de volgende decennia ontstonden daar
waar de kapel rechten bezae commanderijen en
wel in her Duitse Siersdorf, Aken en Ramersdorf,
her Nederlandse Gemert en Vughe alsmede hee
Belgische Bekkevoort, Bernissem, Sint-Piecers-
Voeren, Kortessem en Luik. Tegen her einde van
dederriende eeuw vestigde de balije zich in
Maastricht. De commanderij Nieuwen Biesen
aldaar werd steeds meer de hoofdzerel van de
balije In her begin van de
vijftiende eeuw kwam
decommanderij Gruitrode, in de Belgische
Kempen, bij de balije en in 1593 de commanderij
Jungen Biesen, in Keulen. Tenslocte werden in
1611 en in het midden van de achtriende eeuw
respectievelijk de commanderijen Ordingen (bij
he Belgische St. Truiden) en Aschaffenburg (bj
hee Duitse Frankfurt am Main)aan de balije
Alden Biesen toegevoegd. Deze had ook nog het
begevingsrecht vor kerkelijke ambeen in cen
aancal parochies en het recht op uitgifte van land
in vruchrgebruik. Genoemde parochies waren:
Her Nederlandse Bakel, Deurne, Beek, Geldrop,
Gemert, Haren, Nistelrode, Wylre en Vugh, hee
Belgische Bekkevoort, Gruitrode, Ordingen,
Overrepen (bij Tongeren) Vroenhoven en
Montenaken (bj St Truiden) alsmede de Luikse
parochies St. Andreas en St.
Gangulfusen de

82 De commanderij Gruitrode ag alseen bescuut

133 Harsin, P, ‘Érudes criiques sur l'histoire de la,

134 Edmond Godfried van Bochole kreeg basison-

Duitse roomse gemeenten Siersdorfen Weltz.
‘Alden Biesen had in tegenstelling cot cen aantal
‘andere balijen een flink aancal priesters van de
Duirse Orde. Aanvankelijk kregen deze hun
opleiding in her priesterconvent van Maastricht
Eén van de belangrijkste Ordepriesters aldaar
was de sacrit, tevens bedienaar van de kerk van
Nieuwen Biesen. Hij bereidde de nieuwe pries-
ters op hun toekomstig amb voor. Toen in 1622
te Leuven hee College van de Duitse Orde was
opgericht werd ook deze priesteropleiding
belangrijk. Na de scudie volgde
cen plechtige
inkleding in de Orde. De balije Alden Biesen (ool
Biesen genaamd) bezat uiegestrekte kerkelijke
goederen en had mede daardoor belangrijke
Inkomsten. Daarnaast had zijde zorg voorde
geestelijke leiding van genoemde parochies. Een
bekwame sturing was vereist en de Duitse Orde
vond die zeer belangrijk. Aan de opleiding van
ridders priesters en beambeen werd vanaf her
latste kwart van de zestiende eeuw door de
balije Alden Biesen dan ook grote andacht
besteed. Het gevolg was een beurzenstichting
voor bekwame geïnteresseerden zonder midde
len en ook eigen onderwijsinsllingen, zoals he
Collegium Laurentianum aan de universiteie va
Keulen, de Latijnse school e Gemert en genoem
College in Leuven. Behalve een priesteropleiding
was laarscgenoemd College ook
een juridische
leerschool voor latere burgerlijke beambten van
de balije

lijke eenheid van kerk, landerijen en andere
bezitringen, onder her beheer van een comman|
deur in her Luikse deel van de noordelijke
Kempen, lak ten zuiden van de heerlijkheid
Grevenbroeck,

principaurê de Liège’ deel IL 1959.

derwijs van de priester Constancijn van Laureten.
Deze was cen goede kennis van groormoeder Oda,
van Cortenbach en een uitmuntend leerling van
de Luikse en Maastrichtse jezuïeren. Grootvader
Willem van Bocholr, drossaard van Wageningen
en broer van Goderr, heer van de Zijpe, trachtze
‘in de zeventiger jaren van de zestiende ceuw al
een plek voor één van zijn zoons bij de Duitse
Orde te verkrijgen. Hij vroeg eerst steun voor
plaatsing bij broer Arnold van Bacholt junior,
voornoemde invloedrijke Luikse kanunnik. Deze
laatste diende in 1572 een verzoek in bij Jan van
Goer,de voenmalige landcommandeur van de
‘balije Alden Biesen. In 1574 schreef Willem van
Bocholt zelfaan landcommandeur Hendrik van
Reuschenberg, opvolger van Van Ger, die
wegens zijn ambe én plaats
mocht vergeven.

 

========== PDF-PAGINA 11 ==========

‘Ondanks opnieuw steun van broer Arnold
‘junior, die daarna persoonlijk bij Van
Reuschenberg verscheen, was het verzoek ever
geefs. Pas in de volgende generarie had kleinzoon
Edmond Godfried van Bocholt succes Eerst tref
fen we hem echter nog vanaf 17 augustus 1630 tot
zoapril 1632 als kanunnik van het Onze Lieve-
Vrouwekapitel te Tongeren. Ook Arnold Hoen
van Hoensbroeck, zoon van voornoemde Herman
‘en Anna van Bocholr, was in 1636 kanunnik in
‘Tongeren en daarna, vanaf 1646 proost van het.
kapieel aldaar. In daczelfde jaar creffen we deze
‘Arnold ookals proost van Hildesheim en
Maagdenburg en als aartsdiaken
in Halberscadt.
‘Tot 1634 was Edmond Gdftied van Bocholt
kanunnik in Maagdenburg. In da jaar werd hij
‘op 3 maart oud achttien jaar, op proef aanvaard
bijde Duitse Orde. Vader Godfried van Bocholc
Willemsz had de adellijke kwarterstaac en het
wapen van zijn oon voor onderzoek ingediend.
|De adellijke stamboom vormde immers de kern
van cen eventuele opname als ridder in de Orde
verklaringen en bevestigingen door andere adel-
lijke families en instellingen moesten de vereiste
afkomst bewijzen. Voor een kandidaat was hein
[ie periode nodig om in zijn scamboom ache
adellijke overgrootouders ce hebben. In feite was
Edmond Godfried van Bocholt nog zes jaar te
‘jongom inde Orde te treden, maar hij verkreeg
dispensatie. Die geschiedde ongerwijfeld door de
‘gevraagde steun van voormelde
vader Godfried,
gewezen hoogmeier van Luik, bijde prinsbis-
schop Ferdinand van Beieren. Op 3 juli 1635 was
de proeftijd voorbij en werd de cwincigjarige
Edmond Godfried van Bocholt door landcom-
mandeur Godfried Huijn van Geleen, als eerste
onder diens gezag, in de Duitse Orde aanvaard.
Hij moest nu eerst de verplichte krijgsdienst ver-
vullen en deed di in de Derrigjarige Oorlog als
compagniescommandanc onder zijn landcom-
mandeur Huijn van Geleen. Daarna bouwde
Edmond Godfried van Bocholt een carrière op
binnen de balije Alden Biesen. In 1636 werd hij
scheffener of rentmeester en deed in dat ambrals
Orderidder de algemene administracie van de
‘balije. Op 28 augustus 1638 werd Edmond
Godfried plaatsvervangend commandeur of scad-
houder van Ramersdorf bij
Bonn, cen comman-
derij van Alden Biesen. Op zo mei 1643 volgde
zijn promotie aldaar cot commandeur, op 2 sep-
tember 1649 gevolgd door een zelfde benoeming
‘met betrekking ot Jungen Biesen, in Keulen.
Hier onsplooide Edmond Godfried van Bochole
zich volledig. Hij ging ook de algemene belangen
van de Duitse Orde beharrigen en kwam in aan
raking met belangrijke personen als Leopold
‘Willem, groormeester van de Orde. Her was nier

verwonderlijk dae na de dood van Godfried Huijn
van Geleen de keus voor het landscommandeurs-
schap van Alden Biesen op Edmond Godfried vie
Op 19 september 1657 werd hij door voormelde
grootmeester in Praag benoemd toc plaatsver-
vangend landcommandeur. Zijn talenten en
afkomst uitde oude Nederlandse adel maakten
hem, ook mec het oog op de belangen van de
Orde in de commanderijen binnen onze
Republiek, vo een uitstekend kandidaat. Op 10
april 1658 volgde zijn officile bevestiging cor
volwaardig landcommandeur van Alden Biesen.
Hij ontwikkelde zich in dae ambe or de belang
rijkste landcommandeur van deze balije door de
‘eeuwen heen. Edmond Godfried van Bocholt
hield ereen ‘prinselijk
levenswijze op na. De
Duitse keizer Leopold vereerde hem met een gou
den ketting. Edmond Godfried liet hee rentmees-
tershuis van Alden Biesen bouwen en liet het
poortgebouw in 1668 vergroten. Ook verder ref-
fen we hem bij veel nieuwbouw en restauratie
binnen zijn balije, waar hij een ware bouwmees-
ter werd Veelal ier deze landcommander zijn
wapen op de nieuwe bouwwerken aanbrengen
Ook her interieur van hee heden nog in volle glo-
rie aanwezige waterkasteel Alden Biesen, hee hart
van de balije lier hem nier onberoerd. Hij maak
veer een ware residentie van, mer cen schilderij
engalrij, (raa scucwerk en kostbare tapijten.
Ook de kerk van Alden Biesen werd niet vergeten,
meronder meer een grooe schilderij van de val
van Christus onder her kruis en vier nieuwe
klokken, in 1664 ter plaatse
gegoten. Edmond
Godfried van Bochole speelde een belangrijke
poliieke rol in het Luikse, zijdens de oorlog vus-
sen onze Republiek en Frankijk. Er werden toen
‘aan die prinsbisdom grote schartingen opgelegd
bij de legering van doortrekkende Franse troe-
pen, in de periode vanaf 1672 tot 1678 De Luikse
neutraliteit was hierdoor geschonden. Door
bemiddeling van Edmond Godfried van Bocholt
werd Alden Biesen ontzien. Op 26 oktober 1690
‘stierf hij in Maastricht op de leeftijd van 75 jaar
aan reumatische koortsen. Edmond Godfried
werd daarna, op 4 december, volgens zijn wens
zonder enige praal, in de Ordekerk van Alden.
Biesen bijgezet Hij was één van de laaste land-
commandeurs geweest die ijn afkomst had inde
adel uit de streek zelf. Edmond Godfried van
Bocholt ging ook de geschiedenis
in als de land-
commandeur die de enorme bezittingen vande
balije Alden Biesen wilde uitbouwen tor ee zelf
standig ce besturen gebied dat her groorsee deel
van het huidige Belgisch Limburg zou hebben
omvat. Dieis hem uiteindelijk niee gelukt.

135 zij was in 1627 ‘environ vingee cinquean’en
‘aangezien haar moeder, Anna van Bocholt, in

419


========== PDF-PAGINA 12 ==========

420

1601 sierflijke hee waarschijnlijk dat deze doch
ver van de heer van de Zijpe in de kraam is overle-
den. Ook hee feirdac Anna Hoen van
Hoensbroeck naar haar moeder is genoemd, wat
onder die omstandigheden
veelal gebruikelijk
was, wijst in deze richting.
36 Kanunniken in deze kapirzels waren niet ver-
bonden aan een kachedrale bisschopskerk, in
vegensclling corde in een domkapirel.
137 Zie over leden van de amilie Van Bocholt in
diverse kerkelijke en openbare ambten uicge-
breid in het bij noot 99 genoemde boekwerk uic-
gegeven door her Historisch Studiecentrum
Alden Biesen VZ. W.
138 zie de bij noot 99 genoemde boekwerken door
A. Fahne von Roland, deel z, pag. 128, nr. 123, met
een kopie van genoemde akte uit het Archief van
Alme.
139 De buurtschap Pesch telde rond 1860 een aanral
van 43 woonhuizen.
140 Monrt ten oosten van de Maas bij
Roermond en her oostelijker gelegen Erkelenz
waren de zuidelijkste ambten van Opper-Gelre.
141 Aanvankelijk besmuurde
een koorbisschop als
vervegenwoordiger van de eigenlijke bisschop
een dee van diens bisdom. In de achtste en het
begin van de negende eeuw beleefde her insti-
tuur van de koorbisschoppen in het westen zij
hoogtepunt. Daarna verdwenen zij langzamer
hand en maakten als vertegenwoordigers van de
bisschop plaats voor de aartsdiakenen en wijbis-
‘schoppen. Thomas van Nijkerken, alias
'Neoclesianus, werd inderdaad ook wijbisschop
genoemd en is door bemiddeling van de
Utrechtse bisschop Hendrik van Beieren, graaf
van de Palts, (1524-1529) in 1528 benoemd cot
deken van her kapittel van St Jan. Ter ere van
deze bisschop schonk Thomas na diens verrek
uit Utrecht een prachtig gebrandschilderd raam.
aan de St. Janskerk dar de bisschop en Paltsgraaf,
‘met een mantel om en naar het
leven afgeschil-
derd! vertoont. Die aam werd aan de noordzijde
van de kerk ingebracht. Nog in 1719 was hee aan-
wezig, ‘doch de regelen die er onder ce lezen
stonden zijn door ouderdom voor een gedeelte
uijrgegaan’. Hee wapen van Thomas van
Nijkerken, zan wie thans nog een fundatie herin-
nert, was oen nog tezien ‘op her gewelfzande
bezoldering’. Her Janskerkhof in Ucrecht mar-
keert heden de plek van de verdwenen Sc.
Janskerk. (Zie: ‘Historie ofte Beschryving van ‘t
Utrechtsche Bisdom. Leiden, 1715).
2 Zie de bij noot 99 genoemde boekwerken door
A. Fahne von Roland, deel z, pag. 131, nr. 126.

3 Zie de bij noot 99 genoemde boekwerken door
A. Fahne von Roland, deel 2, pag. 140, nrs. 145, 144
‘en 145, met bijbehorende noten.

144 Eind 1547 bevond Godert van Bochole zich d
in her Gulikse en diedraagt verder bj aan de
mening dac hij begin 1548 nier in Augsburg kan
zijn geweest bij de grote gunstverlening (zie
hierna) die hem daar door keizer Karel V ten deel
viel

5 Ziedebij noot sp genoemde boekwerken door
A Fahne von Roland deel z, pag. 155, nr. 135-

146 Op die datum wordt mer betrekking cor deze
rechten een akte opgemaakt door nocaris
Mathias Lambricht, te Luik. De eisers waren: 1}
Herman Hoen van Hoensbroeck, ‘Heer van Ham |
en Beringen’, als echtgenoot van Anna van
Bocholt; 2) Willem van Bocholt, drost te
Wageningen en broer van de overleden Godert
van Bocholr, als om en voogd over Joanna,
Margaretha en Anna van
Bocholt, dochters van
genoemde gestorven broer en als procurator
(administrateur) van Henri de Gouffier, heer var
Bonniveren Crèvecoeur, echtgenoot van voor-
melde Johanna van Bocholt. Uirde akte blijk
deze erfgenamen hun zaak bij her
Rijkskamergerecht in Spiers aanhangig maakt

147 Zie voor de hierboven genoteerde zaken mer
berrekking toc hee huis Pesch
bij de vermelde
dara in de onder noot 99 genoemde boekwerken|
door A. Fahne von Roland deel zen op pag. 140
en 141 vandeel

148 Eduard (ook Egbert) van Bocholt werd in 1473
beleend mer het stamslot Bocholt van zijn
geslacht, bij Lobberich. Eduard was een telg uic
‘een andere tak van de familie Van Bocholt dan
die van de heer vande Zijpe.

149 Deze Godert van Bocholt Arnoldsz was dros-
saard van hee ambe Krieckenbeck in Opper-Gelre
‘en cen volle neef van Arnold van Bocholt Perersz
vader van de heer van de Zijpe.

150 Deze kapitein wordt in de resoluties vande
‘Staten-Generaal van 20 augustus 1577 nog alijd
‘luivenan® genoemd in hee regimene van Gilles
van Berlaymonr, baron van Hierges diein 1572
Spaans stadhouder van Gelre
werd. Ook Johan
van Wittenhorst de Jonge zou belangrijke betrek
kingen krijgen met de troepen van Hierges (zie
hierna).

zt

Onder de edellieden die zieh niet onderwierpen
aan Oranje bevonden zich Adriaan van Boedberg,
van her huis Wankum, erfmaarschalk van Gelre
‘en Hendrik van Wijenhorst, van het huis
Geisberg, onder Capellen. Zij weken uit naar het
nabije hertogdom Kleef Adriaan van Boedberg
maakte op 2 mei 1549 huwelijkse voorwaarden
voor zijn echtverbintenis met Elisabech van
‘Bocholt. Haar vader Arnold van Bocholt
‘Arnoldsz., ambtman van Grave en het land van
Cuyck, was, zoals ook elders vermeld, een volle


========== PDF-PAGINA 13
==========

neef van de gelijknamige vader van Godert van
Bocholt, heer van de Zijpe. Deze laatste wordt
ookals geruige vermeld bij her passeren vande
akee van huwelijkse voorwaarden op voornoem-
dedatum. De weigering van Boedberg, door zijn
huwelijk dus verwant aan de amilie Van
Bocholt om zich aan Oranje te onderwerpen is
weer tekenend. Ook hij bleef
evenals velen uitde
familie van zijn vrouw, in deze periodede
‘Spaanse koning trouw.

2 Ten rechte vercrok het Spaanse garnizoen pas
begin 1578 uit Wachtendonk.

3 Deze legeraanvoerder, die op 10 augustus 1585
bij een mislukee overrompeling van Nijmegen
op de vlucht in de Waal verdronk, was afwisse-
lend in Staatse en Spaanse dienst. Naar hem is,
zoals ook elders vermeld, de voormalige in de
oostelijke Betuwe gelegen en op last van Leicester

besluicen genomen. Toen waren alleen afgevaar-
[digden van Brabanc Vlaanderen en Henegouwen
als Staten-Generaal aanwezig. Vanaf 1 oktober
[werd een register van resoluciën aangelegd, maar
in december kwamen voor het eerst gevolmach-
tigden uir alle gewesten te Brussel bijeen om
voortaan als Generale Staten van de Nederlanden.
her landsbestuur opzich e nemen.
6 Zie noot.
Het vooral in Vlaanderen vervaardigde laken
was een zeer belangrijk handelsproduct dacdoor
‘de gecommiereerden gaarne werd geaccepteerd.
‘om direct als soldij e dienen ofom te worden
‘omgezet in geld. De tegenwaarde van dir laken
zou ook mer interest aan de lakenwevers ofhan-
‘delaren worden cerugberaald.
158 Deze graaf van Bossu behoorde corde
Henegouwse ade en werd in 1559 bevelhebber
van een vaste legereenheid, cen zgn. bende van
ordonnancie, onder Willem van Oranje. Toen.
deze laatste in 1567 uitweek benoemde landvoog-
des Margaretha van Parma hem in diens plaats
voe ijdelijk scadhouder van Holland, Zeeland en
Utrecht. Kore daarna stelde koning Philips 1de
graaf van Bossu ook aan tot admiraal van
Holland en Zeeland. Hij bleef onder Alva loyaal
‘jegens het Spaanse regiem, zelfs coen deze land-
‘voogd in 1573 aan Philips Teen plan ontvouwde
‘om een groot deel van de Nederlanden systema-
tisch te vernietigen. Op 11 oktober van dat jaar
leed Bossu een nederlaag regen de geuzen op de
Zuiderzee en werd in Hoorn gevangengezet. Hij
is oen als Spaans stadhouder
van Holland,
Zeeland en Utrecht opgevolgd door de Gelderse

koninklijke gouverneur Hierges Tijdens zijn

gevangenschap koos Bossu weer de zijde van

Willem van Oranje, onder wie hij eerder dus

reeds als krijgsman had gediend. Door de

Pacificatie van Gent, op 8
november 1576, her-

kreeg Bossu de vrijheid en werd door toedoen van

Oranje bevelhebber over een deel van de troepen

der Staten-Generaal. Hij dwong een aantal wei-

gerachrige steden als Utrecht en Schoonhoven
zich bij de opstand tegen Spanje aan te sluiten.

‘Toe zijn dood in Antwerpen, op
21 december

1578, streed Bossu daarna tegen het leger van

Philips IL Hij bleef cen gelovig kacholiek. De

prins voelde zijn overlijden als cen groot verlies.

159 Het gaachier om Lanceloe van Berlaymont,
graaf van Megen en broer van de Gelderse scad-
houder Hierges. Evenals de op 9 januari 1572 te
Zwolle overleden Gelderse stadhouder Karel van
Brimeu werd hij graaf van Megen.

160 Zie noot 1o1.

161 Deze rouw kacholieke stadhouder Hierges was
een Zuidnederlands edelman en militair die op 18
juni 1579 sneuvelde bij het Spaanse beleg van

Maastricht. Hij stond aan de zijd van Koning

Philips 1, behalve in de korte periode na de dood

van landvoogd Requesens, op 5 april 1576, oen

Spaanse troepen met isen ct uitberaling van sol-

dij in opstand kwamen. Die mondde uitinde

Spaanse Furie te Antwerpen, in de periode van 4

toe november in dat jaar, coen cire 00 inwo-

ners van de Scheldescad door muirende

Spanjaarden werden vermoord. In de Zuidelijke

Nederlanden nam door deze afschuwelijke slach-

ting ook de afkeer tegen de Spaanse troepen toe

Her gevolg was dat op 8 novernber 1576 de

Pacificatie van Gent kon worden
gesloten tussen

afgevaardigden van de Staten-Generaal der toch

nog altijd ‘gehoorzame’ Nederlandse gewesten

Brabant, Vlaanderen, Henegouwen, Valenciennes,

Rijsel, Douai, Orchies, Namen, Stad Doornik, her.

Doornikse Mechelen, Utrecht en Gelderland,

enerzijds en Willem van Oranje met de Scaten van

de opstandige gewesten Holland en Zeeland

‘anderzijds. De toen nog aan Spanje getrouwe

gewesten Friesland, Groningen en Overijssel

tekenden de Pacificarie later, terwijl Luxemburg
van ondertekening afzag. Hierges koos in die

korte cijdsbestek, om het kacholicisme e redden,
voorde Staten-Generaal maar stelde zich spoedig

‘daarop weer in dienst van de door Philips I1

nieuw benoemde Spaanse landvoogd Don Juan

van Oostenrijk, die op 12 februari 1577 door de

‘Staten-Generaal te Brussel eveneens zou worden

erkend en op 1 mei daarop zijn glorieuze intocht

indeze tad deed. Tijdens de verassing van

Namen in juli van datzelfde jaar was de Gelderse.

‘scadhouder één van dienskrijgsoversten.

421


========== PDF-PAGINA 14 ==========

422

162 Hij was een zoon van Willem van Brempt,
‘eveneens drossaard van Straelen en diens echtge-
note Maria van Holemullen die her goed
Waestenhoffin her kerspel Lobberich bezaten.
Engelbrecht van Brempt huwde met Johanna
van Bocholr, uitde familie van de heer van de
Zijpe. Hij had een broer Johan van Brempt die
‘een rol zou spelen in het leven van laacstgenoem-
de (zie hierna). De families Van Bocholcen Van
Brempt waren dus verwant. Waestenhoff werd
op zo mei 160g, na de dood van Maria van
Holemullen, onder beide families verdeeld, waar-
bijde broers Engelbrecht en Johan van Brempt
samen de helft ontvingen. (Ziede bij noot 59
genoemde boekwerken door A. Fahne von
Roland, deel 2, pag. 182, nr. 288).

163 Hij was een edelman uic het Gelderse
Overkwartier en worde in 1555 vermeld als ambe-
man van Krieckenbeck Als lid van de ridderschap
van Gelre heeft hij dan domicile in ‘Greefraede’
(huidige Grefrach, ten oosten van Lobberich)

164 Deze Spaanse krijgsman streed onder Alva in
Tealien de Nederlanden. Hij versloeg op 14 april
1574 Lodewijk van Nassau op de
Mookerheide.
'Nade toch door her Zijpe belegerde Sancho
d'Avila samen mer Mondragon de Zeeuwse stad
Zierikzee. In 1580 volgde hij Alva naar Porcugal.

165 Hij was cen rechce vrijheer Nicolaas van
Pollweiler (ook Bollweiler) en in‘ Weilerchal,
heer van Masmunster (Moisevaux)en
Blumberg (Florimong), landvoogd in Over-Elzas
en Hagenau. Deze krijgsoverste,
afkomstig van
kasteel Bollweiler, nabij Sul in Over-Elzas,
genoot acer van Philips 1 een jaarwedde.
Pollweiler werd een vertrouweling van kardi-
aal Granvelle die, na hee vertrek van Philips 11
im 1559 naar Spanje, in feite de eerste minister
van landvoogdes Margarecha van Parma was,
met een overheersende invloed op her
Landsbestuur. Granvelle verlie in maart 1564
de Nederlanden. In de loop van dar jaar stond
Pollweiler in drukke briefwisseling met de kar-
dinaal. De krijgsoverste heeft mogelijk vòòr
Alva's komst naar de Nederlanden reeds onder
deze Spaanse veldheer gediend. Waarschijnlijk
kwam Pollweiler met hem mee. Alva belaste de
krijgsoverste met de werving van Hoogduits
krijgsvolk, maar die werd coen door de stad
Augsburg oncwapend waarover
Alva zich in een
brief van 18 juli 1572 beklaagde. Later kreeg
Pollweiler in ons land dus toch Hoogduirsers
onder zijn bevelen. Hij was een zoon van baron
Johan van Pollweiler (of Bollweier) en stierfop
8 maart 1588. Ondanks zijn onbehouwen en
willekeurig gedrag was Pollweiler een man van
karakter die rouw bleef aan het eenmaal geko-
‘zen vaandel van de Spaanse koning.

166 Resoluriën der Staten-Generaal van 1576 tot

1609’ bewerkt door Dr. N. Japikse, Eerste Deel,
1576-1577, s-Gravenhage, 1915, pg 278/279,re
aries van genoemde darum.

167 Deze op 9 maart 1591 te Lobberich overleden.
Jelis van Bocholt was een zoon van de eerder al
vermelde Johan van Bocholt en Johanna van
Dripe die domicilie hadden op
her kasteel
Ingenhoven aldaar. elis was een broer van
Diederick van Bocholt. Evenals deze broer trad
hij spoedig na 1577 in Spaanse diens. Jelis van
‘Bocholt worde op zo juli 1579, bj het maken vaa
huwelijkse voorwaarden voor zijn echeverbinte-|
nis mer Margarecha Joachimsd. van Bocholr, ui
dezelfde familie, vermeld als‘Koninklijk Spaans
‘Raad en Drost van Krieckenbeck’, welk ambe
‘onder he Spaanse gezag van Brussel stond. Op.
‘mei 1581 wordt els, wie naam van de koning al
Spanje, vor drossaard over de gezamenlijke aml
‘ven Krieckenbeck en Erkelenz benoemd. Pasop
december 1588, toen Spaanse troepen de vesting
Wachtendonk veroverden was, nadar al in juni
1586 Venlo in handen van de Spanjaarden viel,
her gehele Overkwartier weer Spaans. Op 6 mei
1587 worde elis van Bochole nog
steeds als dros-
saard van Krieckenbeck en Erkelenz vermeld. HI
isin 1581 op Goede Vrijdag door Johan Philips
van Hohen Sachsen gevangengenomen, kort
nadat zijn vrouw was bevallen van een kind.
Deze Staats krijgsoverste lag me zijn roepen il
‘en rondom Venlo, ter bescherming van die
Maasvesting vegen de Spanjaarden. Van Hohen
Sachsen was in 1578 reeds Staats gouverneur van
het Overkwartier, mer als zevel de vesting Gelder
Hij verscheen in de vroege morgen onverwacht
me ruiters en voervolk voor kasteel Ingenhoven
en eiste hee slot op. Indien elis van Bocholt over
‘gave weigerde zou her kasteel worden bestormd.
‘en in brand gestoken. Deze Spaanse drossaard
van het ambe Krieckenbeck gaf zich als gevolg
vandiedreigement over en werd, nadac he slot
Ingenhoven was geplunderd,
naar Venlo gevoerd
waar hij aan kevenen geklonken in een klooster is
gevangengezet. Op 15 april verzochtoom
Reinhard van Bocholr, abt van Corvey, steun in
deze kwestie bij diens neef Georg van Bocholt,
zoon van Reinhards broer, Herman. Die laatste
was tijdens zijn leven landdrost van het graaf
‘schap Zutphen. Georg volgde vader Herman als
zodanig op en wasin 1581 kapitein in Staatse
dienst onder Graaf Willem Lodewijk van Nassau,
de latere scadhouder van Friesland, Groningen en
Drenche. Abt Reinhard verzocht Georg om
bemiddeling bij deze invloedrijke Nassaurelg,
‘vomzegger van prins Willem van Oranje. Georg
van Bochole kwijte zich uitstekend van zijn
‘opdrachten schakelde behalve diens legercom-

 

========== PDF-PAGINA 15 ==========

| aangevuld mer de vijfoverdomplete com-
ignieën van Mondragon. De krijgslieden oncvin-
twee maanden soldij,de helf in geld en derest
laken. Op 21 september kreeg graaf Philips van.
Egmond van de Staten-Generaal commissie als kolo-
| over een regimene van tien compagnieën ‘ingebo-
er krijgslieden. Op 5 november oncing Frederik
errenot, heer van Champagney, commissie als kolo-
cl over de krijgslieden die erder onder bevel ston
len van de Spaanse krijgsoverste Frahcesco de
Úverdugo en de Iraliaanse Mario Cardhuino545. De de
(van die maand namen de Staten-Gerieraal cen regi-
ent Schoten in dienst onder koloriel Henri
alur. Bij al deze eenheden werder onder meerop
ho april 1577 volgens een beslui van de Saten-
raal nog drie vendels Fransen
gevoegd. Het
ing steeds uirsluitend om voerknechren, behalve de
fo haakbusschurers die als garderuiers bj iedere
hebber werden gevoegd

orde door de nieuwe Staten-Genefaal aangewor-
n cavalerie trad bij besluit van Bant 1577 zoals
rmeld een aancal van 150 ruiters foe onder George
an Holsteijn, uirenane van Barchgld Entens van
fencheda, de voormalige commandant over én
van de regimenten van ‘het secours die waren gezon-
en door Oranje. Op 1 en 21 augustus van hetzelf
je jaar werd besloten daar nog zoo fuiters bij ze
egen onder dezelfde luienanr van Barthold
neens. Vervolgens bepaalden de Staten-Generaal
vencens op 21 augustus en daarnalop 11 september
m nog eens goo cavaleristen aan t& monsteren,
nder her bevel van Maximiliaan van Cruningen,
heer van Heenvliec.

[De problemen met de Hoog- en Nederduitse
Spaanse huurlingen

“Ten zijde van de onderhandelingen ce Gent overde
Pacificatie waren reeds besprekingen aangevangen
mer de Hoogduitse regimenten in Spaanse dienst.
Op zo oktober 1576 bleek in Maastricht dat kolonel,
Oro van Eberstein als gevolg van dieoverleg mee
deStaten eventueel bereid was
tegen zijn voormali-
ge broodheer op e treden. Eberstein zou echter
begin november omkomen bij de Spaanse Furie in
Antwerpen. Merde andere reeds eerder genoemde
Hoogduirse bevelhebbers wilden de gesprekken
niee vloten. Om hen tedoen belgie de
Nederlanden te verlaten was geld nodig.

De onmacht van de Staten-Generaal, ondanks de inzet
van Elbers Leoninus, Johan van Wittenhorst de Jonge,
oder van Bocholt en anderen, om deze financie in vol-
doende mate e verwerven, was én van de belangrijkste
corzaken van de chaos in deze periode,

Eigenlijk al een republiek.

De ondertekening van her Eeuwig Edice in februari
1577 hield de erkenning in door de Staten-Generaal
van Don Juan als nieuwe landvoogd. Oranje en de
Seacen van Holland en Zeeland namen hier echter
feitelijk afstand van. Mede door toedoen van de
prins geraakte Don Juan daarna spoedig in cen
‘benarde situatie. Om een daad te scellen maakte hij
zich op 24 juli 1577 meester van het kasteel te
‘Namen. Hierdoor verslechterde de verhouding cus-
sen de landvoogd en de Staten-Generaal in snel
tempo waardoor Don Juan in december van dat jaar
voe vijand vande Nederlanden
werd verklaard.
Zoals eerder vermeld stelden daarna de Scacen
eigenmachtig Matthias van Oostenrijk, broer van
de Duiese keizer Rudolph II, in zijn plaats. Als luiee-
man landvoogd en ruwaard van Brabant werd
Oranje de begeleider van Matthias. Hee koninklijk
gezag vanuit Spanje wascjdelijk uirgeschakeld en
de Nederlanden waren coen cjdelijk eigenlijk al
een republiek geworden.

‘Inzet en vindingrijkheid in dienst van ’s Lands
bijna lege kas

De krappe geldmiddelen die de Scaten-Generaal er
‘beschikking stonden werden aangewend om
Hoogduitse krijgslieden bij besluit van 23 mei 1577
plaarselijk en beraling van drie maanden soldij
aam ce bieden, waarvan twee maanden in geld en
één maand in laken. Vooral door de inzet van
krijgsoverste Philips van
Hohenlohe en Frederik.
Perrenot, heer van Champagney, kondende
Hoogduirsers zo bij minnelijke schikking uit
Bergen op Zoom, Breda en ‘s-Hertogenbosch wor-
den verwijderd. In deze laatste sad en ook elders
was her erder al cot muiterij gekomen omdarde
‘Staten-Generaal na de dood van Eberstein kans
zagen om mer diens mer vijf vendels in
‘s-Hertogenbosch gelegen luitenant Hans Lembach
op 5 december 1576 coc overeenstemming te
komen. Hierdoor werd tweedracht gezaaid onder
deze Hoogduicsers van Lembach, van wie ook nog
twee vendels binnen Goes en één in Grave lagen.
Het gebrek aan geldmiddelen had, zoals eerder
(gesteld, in en om Roermond met berrekking corde
Hoogduitse huurlingen eveneens rampzalige
gevolgen.

401

 

========== PDF-PAGINA 16 ==========

402

Goederen van Godert van Bocholt door muiterij getroffen

Molen Balen lijden onder de terreur van huur-
lingen

Enkele heerlijkheden van de heer van de Zijpe ble-
ven evenmin buiten schot. Rond Molen Balen,
waren terroriserende Hoogduitse huurlingen van
‘Cornelis van den Eijnden in kampement gegaan.
Deoverlast werd voor de bevolking ondraaglijk.
Her gevolg was dar voormelde monstercommissaris
Gabrielde Salazar, heer van Staverden, nacen
besluie van de Staten-Generaal op 4 april 1577, deze
krijgslieden opzocht om ce vernemen wachun
eisen waren. Kennelijk
verrrokken de Hoogduitsers
daarna ijdelijk ui deze screek om vervolgens ech
ver weer erug te keren. Op 19 juli van hezelfde jaar
werd namelijk Valentin de Pardieu, heer van
Ekelsbeke en La More, door de Scaten-Generaal
gelastom een verzoek van de bevolking van Molen.
Balen in behandeling te nemen. Her betrof de bede
om verlost te worden van de krijgslieden die
Cornelis van den Eijnden commandeerde. Deze
Hoogduitsers hadden in 37 dagen een schade
berokkend van meer dan 47.000 Artesische ponden.
Zij waren dus kennelijk in de eers helft van juni
weer indie screek eruggekomen. La Motte kreeg
opdracht om daar de huurlingen levensmiddelen
ver waarde van zes pond per persoon te verstrekken,
zoals ookelders, onder meer in Geel, was gedaan.
Dit gebeurde echter onder de voorwaarde dar
Cornelis van den Eijnden
voortaan zijn krijgslieden
verbood de omtrek af te stropen. Zou die och.
gebeuren dan kreeg de drossaard van Mol en Balen
toestemming om milities ce vormen, plunderende
Hoogduitsers zo mogelijk gevangen te nemen en
zonder vorm van proces op te hangen. Van den
Eijnden nam deze voorwaarde aan en omdat ook
zijn krijgslieden zich ‘volunaire of welwillend
‘opstelden oncvingen zij de aangeboden levens
delen. Al op 25 juni hadden Salazar en de commis-
saris over de levensmiddelen Corxelles instructie
van de Staten-Generaal gekregen om de compag-
nieën van Van den Eijnden een aanbod te doen van
12.000 Artesische ponden. Deze som was kennelijk
als onvoldoende afgewezen. Op 14 september blijkt
datde orale waarde van genoemde levensmiddelen
door her gewest Brabant was voorgeschoten en

afgetrokken mocht worden van de quoce die die
gewest moest voldoen als onderdeel van de gehele.
landelijke bijdrage voor her verrek van de vreem
krijgslieden. Op 8 juli was al gebleken dat Don }
geen gelden zou verstrekken om de nood van de
Sracen-Generaal ce lenigen mer betrekking corde
financiële afdoening van de huurlingenkwesrie. Di
geld zowel voor de Hoogduitsers van Van den
Eijnden alsde huursoldaten van
andere bevelheb-
bers. Op 28 juli berichrren de Staten-Generaal aan
‘Don Juan dat Louis de Blois, heer van Treslong en
generaal der artillerie, aan de Ant ‘magistraal
had verklaard dar de landvoogd opdracht zou heb
ben gegeven zich mer de Hoogduicsers te vereni
‘ende krijgslieden van Cornelis van den Eijnden
binnen de Scheldestad te laten. Dit had grote
onrust binnen Antwerpen veroorzaakt en velen
zouden de stad willen verlaten vanwege de te ver
‘wachten terreurdaden die de Hoogduicsers ook
rond Mol en Balen hadden gepleegd. Don Juan
‘werd dringend verzocht daar een stokje voor te ste-
ken en Cornelis van den Eijnden opdracht te geven.
zijn kampement niet te verlaten zonder opdracht
van de landvoogd. Op 15 september blijkt dat Van
den Eijnden me zijn Hoogduitse huurlingen in
‘Antwerpen was ontslagen uie
de krijgsdienst, ‘siy-
vant le Vil artide de dice perpétuel’„dus volgens arti-
kel van her Eeuwig Edicr Van den Eijnden was
mee zijn huurlingen dus coch de Scheldesrad bin-
nengelacen, mer alle risico's voor Ancwerpen van
dien en daar mer een verdere financiële afdoening
vevredengesteld, zodat hij weer vertrok en eindelijk
met zijn Hoogduitsers ook de Nederlanden verliet.
Mol en Balen, waarover dus Godert van Bocholt de
heerlijke rechten bezat, zouden de terreur van deze
huurlingen niet licht vergeten.


========== PDF-PAGINA 17 ==========

foerasvesting over naarde zijde van de
tand

als ook eerder vermeld besloten de Scacen-
neraal op 14 september 1577 aanlde Gelderse
cen te verzoeken het Spaanse
gatnizoen van
achtendonk te betalen voor hun vertrek, in min-
ering op de quoce ten behoeve vari 's Lands kas
ie verzoek werd niet gehonoreerd vanwege de
nanciële verplichtingen die Brussel zelf vanaf 1547
aanzien van die garnizoen had. Na de dood van.
lere van Bochole kon de Spaanse bezerring van.
achtendonk, die weigerachtig bldef ten aanzien.
an her vertrek ie de moerasvestirg, pas inde loop
an 1578 worden bewogen, mer geldelijke steun
ran Alexandrina van Wittenhorst, âf te marcheren.
e magistraac van de sterkte trachtte daarna, zoals
eds gezegd, tevergeefs cen Staats garnizoen bui-

‚n de poorten te houden. De vestirig zal geen

legeringen van krijgslieden binnen haar muren en.
robeerde nu vrij van Staatse inkwartiering te blij
n, echter zonder resultaat.

Geldelijk gemarchandeer met huursoldaten

[op 15 september 1577 blijkt dat de Hoogduiesers
vor 24 juli van dar jaar een financieel aanbod had-
den gekregen als gevolg van een ve Mechelen opge-
maakte overeenkomst. Die gold echter nier voor
hun verrek ui onder meer Bergen op Zoom,

| steenbergen en Tholen, waarvoor speciale verdra-
|gen waren gesloten. Ook de Hoogduirsers die door
bemiddeling van de Spaanse landvdogd Don Juan
waren ontslagen vielen daarbuiten, evenals die
welke in garnizoen hadden gelegen\in vstingste-
den als Valenciennes, Doornik, Nivelles, Diest en
Gembloux, met aparte aanbiedingen. Tensloe
waren daarin evenmin begrepen de huurlingen van
Cornelis van den Eijnden en anderd Hoogduitse
bevelhebbers die in Antwerpen,
Maastricht en nog
een aancal‘chastiables of vestingsteden volgens,
‘genoemd artikel van her Eeuwig E

slagen.

Niet alle ingehuurde vreemde krijgslieden hadden

1 40 »__ Verdere acties tegen de huurlingen

gehoor gegeven aan her verzoek om onder bepaalde
financiële voorwaarden te
verrekken. Behalve van
Hoogduitse huurlingen was er dus ook sprake van
Nederduitse huursoldaten, afkomscg uit crcken.
langs de Benedenrijn, zoals het Keulse, Kleefse en
Gulikse. Op 5 oktober 1577 beloofden de Staten
‘Generaal nog gedeeltelijke vrijwaring van belasting
aan steden en dorpen die bijdragen hadden gele-
verd in de kosten voor soldijberaling en afdanking
vandeze Hoog- en Nederduitsers Daarna werd op.
de 7de van die maand aan Joris van Cats opdracht
gegeven om de Duitsers die in Breda hadden gele-
gen ce doen verrekken en elders logies e bezorgen.
Dit gelukte kennelijk nier zo snel want op 19 okto-
ber besloten de Staten-Generaal om Oranje te ver-
zoeken mer de Duitse huurlingen te onderhande-
len aangaande verrek, onder aanbieding van
terugkeer uit Staatse gevangenschap van hun kolo-
nel. Ditonder voorwaarde dar
deze Duitsers niets
vegen de Staatsen zouden ondernemen. Hier gin
gen de huurlingen niet op in. Op 23 oktober volgde
het aanbod van de Staten-Generaal dat zij bij ver-
‘trek één maand soldij konden ontvangen en daarbij
hun kolonel cerugkrijgen, onder her beding dar de
huurlingen onder ede verklaarden binnen drie
maanden niet tegen de Scaarsen te zullen strijden
‘en dat hun kolonel daarvan voor een periode van
zes maanden afzag. Op 24 december beschikten de
Scacen-Generaal op een rekest cor goedkeuring uie
Breda aangaande een daar mer de Duitsers gesloten
schriftelijke overeenkomse voor hun vertrek. Die
verzoek zou naar de Kamer van de Beden om advies
‘worden gestuurd. Hier blijkt dar de huurlingen
nog lijd binnen Breda lagen en hoe moeizaam ze
vor vertrek waren ce bewegen!

Op S oktober deden de
Staten-Generaal uitspraak
over een verzoek van Herman Toepur, commissari
voor de begeleiding van drie vendels Hoogduitsers
‘ir Bergen op Zoom en Tholen. Toeput kreeg coe-
stemming deze onder ce brengen in de Brabansse
dorpen Hooge en Lage Mierde, Hulsel en Reusel.
Her vocale antal Hoogduisers ui alleen Bergen op
Zoom, Tholen, Steenbergen en nog enkele andere
vestingsteden werd, inclusief knechten, vrouwen
‘en kinderen, geschat op zooo.

403


========== PDF-PAGINA 18 ==========

Financiële tekort steeds groter

Hoeslecht hee met's Lands kas ten behoeve vande
soldijberaling was gesteld blijkt mede uiceen
inseructie van 21 seprember 1577. Hierin worde nog
een vereiste som van ongeveer
één miljoen guldens
‘gheree hel genoemd om alle roepen te kunnen
beealen. Op die darum deelde chesaurier-generaal
Thierry van der Beken echter mee'‘rier éen gulden
in burse hebben’, zodat door de gewesten gedeelte
lijk zelfin die bedrag moest worden voorzien, “bera-
lende elckzijne quote in degheaccordeerde aijde'(in
de overeengekomen financiële steun) van 80.000
gulden. De bij de Pacificatie van Gene vastgestelde
Som van 6000 gulden was dus inmiddels al cor
dic bedrag verhoogd, maar ook dat was blijkbaar
nog onvoldoende. Steeds dreigde er weer muieerij,
ook onder de krijgslieden die erder werden gecom-
mandeerd door Philippe IN de Croy, hertog van.
‘Aerschot en Frederik Perrenot, heer van
Champagney. Op 3 september was reeds gebleken
datalleen al de afdanking van Duitse huurlingen in
Spaanse dienst of hun
hernieuwde aanmonstering
voor her Staatse leger cen som van ruim 574-000
gulden in geld of laken zou vergen.

De tweeslachtige situatie voor Johan van
Wittenhorst de Jonge

Het was nodig begrip te vragen voor de nijpende
situatie. Een voorbeeld daarvan is de betaling aan
decompagnie van Johan van Wittenhorst de Jonge,
zwager van Godert van Bocholt.
Op oktober was
op een protest van Dirk van Westrum en de andere
Gelderse gedepureerden cer Staten-Generaal, onder
wie Godert van Bocholr, gereageerd met een schrijven
aan Van Wirtenhorse dat hem bij afwezigheid van
Hierges diens compagnie werd toegewezen, als ui
‘tenane van deze Gelderse stadhouder. Hem werd
echter geboden de Staten-Generaal ce gehoorzamen
‘en verzocht voorlopig genoegen
te willen nemen
meede beraling van drie maanden soldij. Het pro-
vest van genoemde Gelderse gedepureerden had
ongerwijfeld ce maken mer de aanvankelijke aarze-
ling van de Staten-Generaal voormelde compagnie
te financieren om deze rond Roermond te kunnen
inzetten tegen Pollweiler. Van Wirtenhorst moest

daarvoor genegen zijn zich als krijgsman officieel
van landvoogd Don Juan af te
keren en ook hier de
bevelen van de Staten-Generaal op te volgen. Dit
geschiedde en de zwager van de heer van de Zijpe
koos toen eveneens als miliai ofiieel de Scaarse
zijde Reeds op februari van di jaar was Johan va
Wittenhorst de Jonge door de Staten-Generaal
benaderd om op zeer dringend verzoek van de ves
ting Grave te bemiddelen bijde afimonstering van
een compagnie daar gelegerde Duitse huurlingen.
Die krijgscenheid zou 2 ooo Artesische ponden ont
vangen mede belofte dac he restant van de ach
verscallige soldij in termijnen werd voldaan. Een
‘andere aanwijzing dar de Seaten-Generaal geleide
lijk vererouwen kregen in Van Wircenhorst ishet
eerdere verzoek aan hem van 31 januari om een
schrijven ce richten aan graaf Adolph van
Nieuwenaar en Meurs met betrekking corde leve-
ring van salperer voor de
fabricage van buskruie.
Op 26 november blijkt dar Van Wittenhorst in ver-
band mer de kwestie Roermond van de Scaten-
Generaal last kreeg “in allen” de bevelen van Philips
van Hohenlohe, bevelhebber van de prinselijke

troepen, op te volgen

Im 1577 werd dus ook Johan van Wittenhorst de
Jonge langzamerhand in hee Staatse kamp opgeno
men en stond toen aan de zijde
van de prins, even
als zwager Godert van Bocholt. Het zou echter nog
‘toe 1579 duren eer hij als Gelders gedeputeerde voor
het Overkwartier er Scaten-Generaal werd afge
vaardigd546.

Deze zwager van Godert van Bocholt iscengoed voor-
beeld van een edelman die voor moeilijk keuzes kwam te
staan in he chaorisch jaar 157. Van Wittenhorst was
plaatsvervanger van de aanvankelijk zeer
koningsgezinde
Gelderse stadhouder Hierges, die na een korsstondige
‘overgang naar de Opstand wee terugkeerde in her
‘Spaanse kamp. Daamaas fungeerde dezwagervan de
heer vande Zijpe veneensals mirar uienane bijde
troepen van Hierges. Dit maakte de situarie voor Johan
van Wivenhorsde Jonge bijzonde precair. Hoewel hij
reeds op 20 november 1576 veor ee misse vande Staten
Generaal werd gevraagd duurde her lang aleer hij volle
digdezijde vande Opsand kon kiezen.


========== PDF-PAGINA 19 ==========

p 15 september 1577 geeft de Gelderse Landdag ce
ijmegen aande heer van de Zijpe, die zonder vol-
nde commissie in de voorafgaande periode als
uteerde ter Staten-Generaal voor Gelderland
as opgeereden, goedkeuring voor hergeen hij toen
‘gedaan voor zijn gewest5®7. Afgevaardigde
an Bocholt zou echter nog in hezelfde jaar als
ijgsman sterven voor zijn eigen gepest Gelre,
ndanks dat de Staten van het voormalige zelfstan-
ige hertogdom hem wegens ziekte zeer eervol ont-
lag hadden verleend als bevelhebef over hun rui
eri. Van Bocholt wilde zich namelijk och inzetten
de besijding van Pollweiler's Hoogduitse
uurlingen in Roermond en die
gedrevenheid zou
ijn dood berekenen.
| kwam een einde aan het leven van de enige heer
inde Zijpe edelman ui Opper-Gelre, diede
langrijke particuliere grondbezircr, evens

Pollweiler bezegelt het lot van de heer van de Zijpe

zoutzieder,in de eers grove Nederlandse polder
werd. Hij was daarbij &én van de oudste en trouw
ste dienaren van Willem van
Oranje en speelde cen
belangrijke rol als gezant, bemiddelaar en krijgs-
‘man onder Karel V en Philips IL. Vanaf 1576 werd
Van Bocholt bovendien ingeschakeld door de nieu-
weStaten-Generaal om de huurlingen in Spaanse
diense tedoen vertrekken. Nadac hij reeds in 1566
hee Compromis had onderrekend zou Godert van
Bocholt in 1577 ook zijn signatuur plaatsen onder
de Eerste Unie van Brussel. Deze Zijper zoutzieder
maakteals gedeputeerde zer Staten-Generaal voor
Gelderland en trouwe rechterhand van Oranje her
allereersce begin mee van de oncwikkeling der
Noordelijke Nederlanden coc een zelfcandige
republiek.

De Zijpe kende zijdens de beginperiode als bedij-
king in Godert van Bocholr dus een zeer interessan-
ve bezircer van zijn heerlijke rechten die ook de
‘enige heer van de polder zou
blijven!


========== PDF-PAGINA 20 ==========

Bijlage

De resoluie van de Staten-Generaal met betrekking
tor Alexandrina van Witrenhorscen gedaceerd 4
augustus 1580 is zeer belangrijk voor de bepaling
van de status van stad en land Wachtendonk. Op
die dag werden rekesten
behandeld die de weduwe
van Godert van Bocholt had ingediend en die daar-
na eerst waren bekeken door Jacques Yman,pensio-
maris van Brugge en id van de Staten-Generaal.
Deze had vervolgens zijn advis uitgebracht en
daaruie blijk dar de Landsregering op verzoek van
Alexandrina een voorlopig ‘contract mer haar, als
vrouwe van Wachtendonk, had afgesloten dacop
‘aanraden van Yman nu door de Staten-Generaal
“naer zijne forme ende teneur’ werd goedgekeurd
en zel ‘gelaudeert of geprezen. Dit ‘ontract’ had
te maken metde legering van Scatse troepen bin-
nen de moerasvesting en de afhandeling vande
beraling aan die krijgsvolk door Alexandrina. In dit
verband en dat van haar ontstane tegoeden claimde
zij van de Landsregering de erkenning van ‘den,
ijgendom van de stadt ende lor van
Wachtendonk. Die ging de
Staten-Generaal echter
ve ver. Zij verwezen Alexandrina naarde gewestelij-
ke Gelderse Staten om over die cigendomskwestie
te‘communiceren”in relatie coc ‘hee meestendeel.
van deschule aan haar vanwege de soldijberaling
aan het garnizoen van Wachtendonk. Die bezering
van de moerasvescing diende in de ogen van de
Staten-Generaal immers vooral tor defense (verde

diging) der landen van Geldre
(Gelre). Kennelijk
was eral correspondentie mer de Scaten van Gelre
geweest over het e sluiten ‘contract’ vande
Tandsregering met Alexandrina en hadden deze
eaten die voorstel afgewezen op grond vande
gevolgen voor de provincie Gelderland. Als name-
lijk behalve Wachtendonk ook andere vrije heerlij
kheden” binnen dir gewest dergelijke contracten
zouden kunnen afluien mer de Scaten-Generaal
zou de provincie ‘gedismembreert’ of versnipperd
worden. De Landsregering ontkende dit want ‘srad
endesloc Wachtendonck sullen als andere vrije
heerlijkheden limacen des voersz. (voormelde)
furstendoms (Gelderland) blijven” en ‘oijck (ook)
van denselven (Gelderland) te leene ontfanghen
woirden (worden) als cen oepen huijsdesselfs fur-
‘stendoms (Gelderland)als ermoghens (krachtens)
pandesverscijvinghe, daervan zijnde, in d'acte dae
raff(daarvan) zijnde, gementioneert’
Wachtendonk, zijnde een allodiale of vrije heerlijk
heid, werd door de Staten-Generaal dus als een
‘oepen (open) huis’ in Gelre beschouwd maar wel
alseen leen van die gewest erkend, zoals in de akte
van ‘pandverscrijvinghe’ was gesteld. Hier worde
gedoeld op de overschrijving van de heerlijke rech-
‘ten over sad en land
Wachtendonk ui her bezit
van de familie Schenk van Nideggen op Godert van
Bocholt, in 1547.

Godert van Bocholt — De macht, rijkdom en erfenis van een Gelderse edelman (1518–1655)

1518 — Een edelman wordt geboren in het oude Gelderland

Godert van Bocholt werd volgens zijn biografie in 1518 geboren in een adellijke familie met wortels in het gebied rond Lobberich, tegenwoordig onderdeel van Nettetal in Duitsland. Dit gebied behoorde tot het historische Opper-Gelre, waar adellijke families landgoederen, heerlijkheden en bestuursrechten bezaten. De familie Van Bocholt ontleende haar positie aan grondbezit, verwantschappen en diensten aan vorstelijke machthebbers. Het familiekasteel Burg Bocholtz vormde een zichtbaar teken van die maatschappelijke positie. Voor een jonge edelman boden militaire dienst, bestuurlijke functies en een gunstig huwelijk mogelijkheden om het familievermogen en de invloed verder uit te breiden. In die wereld zou Godert zijn loopbaan beginnen.

1545 — Een Gelderse edelman in de internationale soldatenhandel

In augustus 1545 raakte Godert van Bocholt betrokken bij de werving van soldaten voor de Engelse koning Hendrik VIII. Volgens een latere reconstructie verzamelde hij samen met Friedrich von Reiffenberg, Eitel Wolff von Gudenberg en Peter van Geldern troepen bij Koblenz en Sayn. De soldaten waren bestemd voor de Engelse steunpunten Calais en Boulogne, waar Engeland oorlog voerde tegen Frankrijk. Voor edellieden was militaire dienst niet uitsluitend een kwestie van trouw aan een vorst. Het organiseren van troepen bood ook inkomsten, contacten en invloed. Deze vroege betrokkenheid laat zien dat Van Bocholts militaire netwerk mogelijk verder reikte dan Gelre en de Habsburgse Nederlanden.

1547 — Het huwelijk verbindt twee invloedrijke families

In 1547 trouwde Godert van Bocholt volgens een Limburgse historische publicatie met Alexandrina van Wittenhorst. Zij was een dochter van Johan van Wittenhorst en Josina van Wees. Godert was eerder gehuwd geweest met Maria van Reifferscheidt, vrouwe van Pesch, die in 1546 overleed. Door deze huwelijken raakte hij verbonden met adellijke families die belangrijke functies vervulden in het Maas-Rijngebied. Het bezit van kastelen en heerlijkheden was nauw verbonden met familiebanden, erfrechten en politieke invloed. Een huwelijk kon rechten op grond, inkomsten en bestuursfuncties versterken. De geschiedenis van Alexandrina verdient daarom evenveel aandacht als Goderts militaire loopbaan.

1547 — Wachtendonk versterkt zijn positie aan de Maas

Vanaf 1547 was Godert van Bocholt als pandheer verbonden aan het kasteel en de heerlijkheid Wachtendonk. Deze plaats lag in een strategisch belangrijk gebied tussen de Nederlanden en het Duitse Rijnland. De burcht diende niet alleen als verblijfplaats, maar vormde ook een bestuurlijk en militair machtscentrum. Van Bocholt liet versterkingen aanbrengen om de verdedigbaarheid ervan te verbeteren. Het bezit van dergelijke rechten gaf een edelman inkomsten en invloed op de plaatselijke bevolking. Toch betekende een pandschap niet hetzelfde als onbezwaard eigendom. Achter de macht van Wachtendonk gingen financiële afspraken schuil die nog vele tientallen jaren aanleiding tot conflicten zouden geven.

1552 — Godert van Bocholt treedt op voor Willem van Oranje

In 1552 was Godert van Bocholt al actief voor de jonge Willem van Oranje. De prins beschikte over omvangrijke bezittingen en belangen binnen het Habsburgse machtsgebied. Edellieden die namens hem optraden, konden toegang krijgen tot belangrijke bestuurlijke en militaire netwerken. Van Bocholt behoorde tot de mannen die dergelijke contacten onderhielden. Zijn katholieke achtergrond vormde aanvankelijk geen tegenstelling met het dienen van de prins. De latere politieke en godsdienstige scheidslijnen waren in deze periode nog niet op dezelfde manier gevormd als tijdens de Nederlandse Opstand. Zijn relatie met Oranje zou daarom in de daaropvolgende decennia steeds grotere historische betekenis krijgen.

1568 — Achter de macht van Wachtendonk schuilen financiële verplichtingen

Uit een bewaard gebleven archiefbeschrijving blijkt dat een geldbedrag in verband stond met het vrijwaren van het pandschap van slot, stad en land Wachtendonk uit handen van Reynaert van Brederode van Clutingen. De stukken verwijzen onder meer naar 1568. Daarmee komt een financiële kant van Goderts machtspositie naar voren. Het bezit of beheer van een heerlijkheid betekende niet dat alle rechten onbezwaard waren. Een pandschap kon gepaard gaan met kapitaal, renten en aanspraken van andere adellijke families. Juist zulke financiële verhoudingen konden later tot langdurige conflicten leiden. De oorspronkelijke stukken moeten nog worden onderzocht om bedragen en persoonlijke verantwoordelijkheden vast te stellen.

1577 — De Gelderse adel raakt betrokken bij de Nederlandse Opstand

In 1577 speelde Godert van Bocholt een politieke en militaire rol in het Overkwartier van Gelre. Hij nam deel aan de besluitvorming rond de Unie van Brussel, waarin de Nederlandse gewesten probeerden hun onderlinge samenwerking te versterken. De Opstand tegen het Spaanse gezag bracht katholieke edellieden voor moeilijke keuzes. Van Bocholt bleef rooms-katholiek, maar werkte tegelijkertijd samen met Willem van Oranje en diens medestanders. Dat maakt zijn positie ingewikkelder dan een eenvoudige tegenstelling tussen katholieken en protestanten. Zijn keuzes moeten ook worden begrepen vanuit de belangen van de Gelderse adel, de verdediging van steden en de bestuurlijke zelfstandigheid van de gewesten.

September 1577 — Het opperbevel over Gelderse ruiters

In september 1577 kreeg Godert van Bocholt het opperbevel over Gelderse ruiters die moesten optreden tegen de koningsgezinde bezetting van Roermond. De stad had een belangrijke positie aan de Maas en vormde een strategisch punt tussen de noordelijke en zuidelijke Nederlanden. De strijd om Roermond draaide niet uitsluitend om godsdienst. Ook de controle over versterkte steden, handelsverbindingen en gewestelijke bestuursmacht stond op het spel. Van Bocholt trad op in een conflict waarin vroegere bondgenoten tegenover elkaar konden komen te staan. Voor hem betekende de militaire opdracht een nieuwe verantwoordelijkheid, maar deze zou tevens het einde van zijn loopbaan inluiden.

Oktober 1577 — Een verwonding bij Roermond beëindigt zijn loopbaan

Op 17 oktober 1577 raakte Godert van Bocholt tijdens de belegering van Roermond gewond. Hij werd naar zijn woning in Venlo gebracht, waar hij volgens de geraadpleegde historische vermelding op 21 oktober overleed. Daarmee kwam een einde aan een loopbaan waarin hij militaire functies, politieke contacten en omvangrijke bezittingen had gecombineerd. Zijn dood betekende echter niet dat de aangelegenheden rond zijn heerlijkheden waren afgehandeld. Zijn weduwe, dochters en verdere erfgenamen kregen te maken met een nalatenschap waarin verschillende gebieden, familierechten en financiële verplichtingen samenkwamen. De latere archiefstukken maken duidelijk dat de gevolgen van zijn ondernemingen en bezit nog generaties merkbaar bleven.

1598–1602 — Anna van Bocholt verkoopt het erfdeel van haar vader

Ruim twintig jaar na Goderts overlijden probeerde zijn dochter Anna van Bocholt haar grondbezit in de Zijpe te verkopen. Een historisch onderzoek naar de Noord-Hollandse bedijkingen vermeldt dat zij tussen 1598 en 1602 ongeveer 907 morgen land op de markt bracht. De opbrengst bedroeg in totaal circa 75.000 gulden, gemiddeld ongeveer 83 gulden per morgen, inclusief de bijbehorende boerenbehuizingen. Dat waren grote bedragen, maar de opbrengsten bleven achter bij eerdere investeringskosten. Sommige percelen brachten aanzienlijk minder op dan betere landbouwgrond. De nalatenschap van een machtige edelman bleek daarmee niet vanzelfsprekend een bron van blijvende rijkdom.

1598–1602 — De strijd om duizenden morgens ingepolderd land

Anna van Bocholt meende volgens onderzoek naar de Zijpe aanspraak te kunnen maken op 3.389 morgen land die haar vader eerder had overgenomen uit het bezit van een medestander van Jan van Scorel, aangeduid als mr. Nicolaï. Zij legde haar aanspraken voor aan de polderbestuurders, maar verkreeg uiteindelijk veel minder dan zij verlangde. Een latere opgave noemt nog 382 morgen in haar bezit. De precieze verhouding tussen deze opgave en de eerder verkochte 907 morgen vraagt nadere chronologische controle. Het conflict laat zien hoe onzeker eigendomsrechten bij grootschalige bedijkingen konden blijven. Grondbezit betekende lang niet altijd dat alle aanspraken juridisch waren veiliggesteld.

Begin zeventiende eeuw — De verliezen achter een groot familievermogen

De verkopen van Anna van Bocholt tonen hoe groot het financiële risico van landwinning kon zijn. Investeerders hadden in de Zijpe bijna 190 gulden per belastbare morgen moeten bijdragen. Niet alle grond bracht na de bedijking voldoende inkomsten op. Goede percelen konden aanzienlijk meer waard zijn dan de minder vruchtbare zandgronden. Sommige landerijen brachten slechts twintig tot dertig gulden per morgen op. Anna stond daardoor voor een moeilijke keuze: haar gronden aanhouden en verdere exploitatieverliezen riskeren, of verkopen en een aanzienlijk verlies op eerder geïnvesteerd kapitaal accepteren. De grote afstand tussen haar woonplaats en de Noord-Hollandse bezittingen bemoeilijkte bovendien het beheer.

1634 — Schuldeisers eisen betaling uit de oude nalatenschap

In 1634 speelde een rechtszaak waarin Godert van Bocholt, toen al bijna 57 jaar overleden, nog uitdrukkelijk werd genoemd. De zaak betrof de openbare verkoop van tiendrechten in Mol en een hoeve wegens achterstallige rente. Onder de betrokken partijen bevonden zich Willem van Hoensbroek, heer van Ham, en Ulrich en Arnoud van Hoensbroek, geestelijken in Luik en Hillesheim. Zij worden in de archiefbeschrijving aangeduid als schuldeisers van Godert, de vroegere heer van Grevenbroek. De zaak toont hoe financiële verplichtingen lang konden blijven doorwerken. Rechten op inkomsten, grond en nalatenschappen brachten verschillende adellijke en kerkelijke belangen met elkaar in conflict.

1655 — De erfgenamen vechten nog over Wachtendonk

In 1655 bestond nog altijd een geschil over de financiële afwikkeling van Wachtendonk. Aan de ene kant stonden de erfgenamen van Godert van Bocholt en Sandrina van Wittenhorst, aan de andere kant die van Herman van Wittenhorst en Elisabeth Leradt. De kwestie draaide om de hoogte van rente over een geldbedrag waarmee het pandschap van Wachtendonk was veiliggesteld. Het dossier bevat verwijzingen naar stukken uit 1568, 1617 en 1619. Dat de zaak zo lang na Goderts dood nog speelde, laat zien hoe adellijke eigendomsverhoudingen generaties konden overleven. Achter het aanzien van kastelen en heerlijkheden lag een ingewikkelde wereld van krediet, erfopvolging en juridische aanspraken.

Slot — De erfenis van Godert van Bocholt

Toen Godert van Bocholt in oktober 1577 in Venlo overleed, liet hij veel meer na dan de herinnering aan een militaire loopbaan. Zijn leven was verbonden geweest met kastelen, heerlijkheden, landerijen, familiehuwelijken en politieke machtsverhoudingen die zich uitstrekten van het Rijnland tot Noord-Holland. De gebeurtenissen na zijn dood maken zijn geschiedenis bijzonder. Zijn dochter Anna moest omvangrijke grondbezittingen verkopen, schuldeisers bleven aanspraken maken op inkomsten en erfgenamen procedeerden nog in 1655 over Wachtendonk. Daarmee wordt zichtbaar dat adellijke rijkdom in de zestiende eeuw niet alleen op grond en macht berustte, maar ook op krediet, onderlinge verplichtingen en betwiste eigendomsrechten.


Bronnen en onderzoeksverantwoording

  • Piet Dekker, Godert van Bocholt (1998), 471 pagina's.
  • Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, INFO, nummer 69, februari 2023.
  • Historisch Centrum Limburg, archief 16.1110, inventarisnummer 56, betreffende Wachtendonk.
  • Brabants Historisch Informatie Centrum, dossier 788.0588, betreffende de rechtszaak uit 1634.
  • Historisch onderzoek naar de bedijkingen en grondverkopen in de Zijpe, met verwijzingen naar Dekkers publicaties uit 1986–1998.
  • Duitse historische reconstructie van de troepenwerving voor Engeland in 1545.

Onderzoeksstatus: Dit samengevoegde verhaal bevat de historische tekstblokken uit deze chat. Het is nog geen volledige vergelijking met het boek van Piet Dekker of met alle zeven eerder behandelde PDF-delen. Vooral de vroege militaire activiteiten, de exacte eigendomsverhoudingen, de woonplaatsen en de juridische details van de nalatenschap vereisen verdere verificatie aan de hand van oorspronkelijke bronnen.

Godert van Bocholt — De edelman die vocht om grond, macht en zijn rechten (1547–1600)

1547 — Een edelman krijgt de macht over Wachtendonk

In 1547 verwierf Godert van Bocholt van keizer Karel V heerlijke rechten over stad en land Wachtendonk, een strategisch gelegen gebied in Opper-Gelre. De vesting lag bij de rivier de Niers, niet ver van de grensgebieden tussen de Nederlanden en het Duitse Rijk. Wie Wachtendonk beheerste, beschikte over een versterkte plaats die in oorlogstijd van betekenis kon zijn. De rechten van Van Bocholt gingen verder dan het bezit van een kasteel. Hij kreeg bestuurlijke bevoegdheden, aanspraken op inkomsten en zeggenschap over de inwoners. Daarmee werd hij een machtige plaatselijke heer, maar zijn gezag zou al spoedig op weerstand stuiten.

1547 — Belastingen tonen de rijkdom van Opper-Gelre

In hetzelfde jaar werden de Gelderse kwartieren aangeslagen voor een gezamenlijke belasting van 300.000 gulden. Het Overkwartier, waartoe Wachtendonk bestuurlijk werd gerekend, moest jaarlijks 19.075 gulden bijdragen. Voor stad en land Wachtendonk bedroeg de aanslag 279 gulden. Ter vergelijking: Roermond betaalde 553 gulden en Venlo 929 gulden. Deze bedragen laten zien hoe de overheid de financiële draagkracht van de verschillende gebieden beoordeelde. Voor Van Bocholt was de belastingheffing meer dan een financiële kwestie. Zij raakte rechtstreeks aan zijn positie als heer. Wie mocht de belastingen innen, en wie mocht bepalen waaraan het geld werd besteed?

1556 — Godert van Bocholt botst met het stadsbestuur

In april 1556 werd Filips II in Roermond als hertog van Gelre vertegenwoordigd bij de inhuldiging door de ridderschap en steden van het Overkwartier. De magistraat van Wachtendonk wilde, zoals gebruikelijk, aan deze bestuurlijke bijeenkomst deelnemen. Godert van Bocholt verzette zich daartegen. Volgens hem mochten de stedelijke bestuurders niet zelfstandig afgevaardigden sturen zonder zijn toestemming. De magistraat beriep zich daarentegen op de bestaande stedelijke rechten. Daarmee ontstond een conflict dat de kern van het zestiende-eeuwse bestuur raakte: de verhouding tussen de macht van een landsheer, de rechten van een plaatselijke edelman en de privileges van de stad.

1556 — Een olieslager weigert zijn beroep op te geven

De strijd over het gezag werd zichtbaar in het dagelijks leven. Van Bocholt maakte aanspraak op het recht te bepalen wie in Wachtendonk koren mocht malen en olie mocht persen. Een plaatselijke olieslager, wiens familie het beroep al generaties uitoefende, kreeg opdracht zijn werkzaamheden te beëindigen. Toen hij weigerde, dreigde arrestatie. De man beriep zich op de stedelijke privileges, volgens welke een burger niet zonder een uitspraak van de schepenbank gevangen mocht worden gezet. De schout raadpleegde de magistraat en zag uiteindelijk van arrestatie af. Voor Van Bocholt was dit een aantasting van zijn gezag. Voor de burgers ging het om bescherming tegen willekeur.

December 1556 — De stad zoekt steun bij Roermond

De verhouding tussen de heer en de inwoners verslechterde verder. Het stadsbestuur van Wachtendonk zocht steun bij de magistraten van Roermond, Venlo, Straelen en Gelder. Op 15 december 1556 klaagden de bestuurders dat Van Bocholt hen onder druk zette en zelfs 's nachts knechten vanuit zijn kasteel naar de stad stuurde. Roermond adviseerde de kwestie voor te leggen aan de hogere Gelderse overheid. De stad hoopte daarmee haar rechten veilig te stellen. Van Bocholt wilde juist bevestigd zien dat zijn heerlijke bevoegdheden voorrang hadden. Het conflict was inmiddels uitgegroeid van een plaatselijke ruzie tot een zaak die het bestuur van het hele Overkwartier raakte.

Januari 1557 — De burgers moeten opnieuw trouw zweren

Op 31 december 1556 kwamen vertegenwoordigers van beide partijen bijeen. Van Bocholt liet zich onder anderen vertegenwoordigen door zijn zwager Johan van Wittenhorst de Jonge, drossaard van Montfort. Ook afgevaardigden uit verschillende Gelderse steden namen deel. Er werden bemiddelaars aangewezen om een oplossing te zoeken. Het Hof van Gelre had echter al duidelijk gemaakt dat de stedelijke privileges niet zonder meer boven de heerlijke rechten konden worden gesteld. Op 4 januari 1557 zwoeren de magistraat en inwoners van Wachtendonk opnieuw trouw aan Godert van Bocholt. Daarmee werd zijn gezag bevestigd, maar de onderliggende tegenstelling tussen de stad en haar heer was niet verdwenen.

1556–1557 — De boeren verzetten zich tegen herendiensten

Niet alleen de stedelijke bestuurders kwamen tegenover Van Bocholt te staan. Ook boeren uit de omgeving verzetten zich tegen verplichtingen die hij hun oplegde. Zij moesten onder meer gras maaien, hooi vervoeren en brandhout hakken voor het kasteel. Toen Van Bocholt verlangde dat zij mest naar het zogenoemde Reddonsveld zouden brengen en daar werkzaamheden verrichten, weigerden zij. Op 29 mei 1556 verklaarden boeren voor het gerecht dat het gebied vroeger als weiland was verpacht. Zij betwistten dat de nieuwe werkzaamheden tot hun bestaande verplichtingen behoorden. De strijd draaide om een wezenlijke vraag: hoeveel arbeid mocht een heer zonder afzonderlijke betaling van zijn onderdanen verlangen?

1557 — De ijzersmeden verdedigen hun oude privileges

Ook de ijzersmeden kwamen met Van Bocholt in conflict. In het gebied tussen Maas en Rijn bestond een organisatie van smeden en handelaren die bijzondere rechten bezat. Alleen erkende leden mochten op bepaalde markten hun ijzerwaren verkopen. Het lidmaatschap vereiste een opleiding bij een meester en betaling van entreegeld. In augustus 1557 protesteerde het stadsbestuur van Wachtendonk tegen pogingen van Van Bocholt om deze bestaande rechten te veranderen. De bestuurders wendden zich tot de regering van het Overkwartier in Roermond. Het conflict toont hoe plaatselijke economie en heerlijke macht met elkaar verbonden waren. Marktprivileges bepaalden wie mocht handelen en wie daarvan profiteerde.

1560 — De strijd om 1.143 gulden

In 1560 eiste Van Bocholt betaling van 1.143 gulden uit de rijksschatkist. Hij stelde dat hij kosten had gemaakt voor het onderhoud van het belangrijke kasteel van Wachtendonk. De overheid weigerde omdat hij eerder geïnde Gelderse belastinggelden niet had afgedragen. Van Bocholt verdedigde zich met de opmerkelijke stelling dat stad en land Wachtendonk niet tot Opper-Gelre behoorden. Hij meende daardoor bepaalde inkomsten zelf te mogen behouden. Het Hof van Gelre stelde hem echter in het ongelijk. Wachtendonk moest bijdragen aan de Gelderse belastingen. De uitspraak beperkte de financiële zelfstandigheid waarop Van Bocholt aanspraak maakte.

1560 — Een grootgrondbezitter in de Zijpe

Terwijl Van Bocholt in Wachtendonk om bestuurlijke rechten streed, investeerde hij aanzienlijke bedragen in Noord-Holland. In de Zijpe, een gebied waar land door bedijking op de zee moest worden gewonnen, verwierf hij grote oppervlakten grond. Hij kocht landerijen van onder anderen Nicolaas Nicolai, de erfgenamen van Jan van Scorel en de Antwerpse eigenaar Wouter van Campen. Alleen al van laatstgenoemde verwierf hij in juni 1560 ongeveer 220 morgen en 60 roeden. Volgens de overgeleverde grondregisters behoorde Van Bocholt daarmee tot de grootste particuliere grondbezitters van de nieuwe polder. Zijn bezit verbond de belangen van een Gelderse edelman met de ambitieuze landaanwinning in Holland.

1561 — De bedijking vraagt steeds meer geld

Het bezit van land in de Zijpe betekende niet automatisch dat het ook inkomsten opleverde. De gronden moesten door dijken, watermolens en afwateringswerken tegen de zee worden beschermd. De aanleg en het onderhoud vergden grote investeringen van de ingelanden. Godert van Bocholt behoorde tot degenen die aanzienlijke financiële verplichtingen op zich namen. Als grootgrondbezitter had hij belang bij het slagen van de onderneming. Tegelijkertijd werd zijn vermogen afhankelijk van het voortbestaan van de dijken. Wanneer een bedijking mislukte, konden jaren van investeringen verloren gaan. De strijd om het land was daardoor niet alleen technisch, maar ook financieel en juridisch.

1566 — Godsdienstige onrust bereikt Opper-Gelre

In 1566 verspreidden protestantse prediking en de Beeldenstorm zich door de Nederlanden. Ook Venlo en Roermond werden getroffen. Buiten de stadsmuren vonden hagenpreken plaats, waarna protestantse groepen toegang kregen tot kerken en kloosters. In Roermond werden altaren, beelden en andere katholieke voorwerpen vernield. Wachtendonk bleef volgens het behandelde bronmateriaal grotendeels gespaard voor dergelijke gebeurtenissen. Dat werd mede in verband gebracht met de houding van Van Bocholt, die uit een katholieke familie stamde en trouw bleef aan Rome, maar tegenover andersdenkenden minder hard zou zijn opgetreden. Hoe ver die verdraagzaamheid werkelijk reikte, valt uit de beschikbare passages niet volledig vast te stellen.

1567 — De komst van Alva verandert de Nederlanden

In augustus 1567 trok Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva, met ervaren troepen naar de Nederlanden. Filips II wilde de godsdienstige onrust en het verzet tegen zijn bestuur onderdrukken. De Raad van Beroerten vervolgde mensen die van betrokkenheid bij de opstanden werden verdacht. Bezittingen konden worden geconfisqueerd en velen vluchtten naar het buitenland. Voor edelen als Van Bocholt ontstond een ingewikkelde politieke situatie. Hun bezittingen, familiebanden en verplichtingen lagen verspreid over gebieden waar verschillende machthebbers invloed uitoefenden. De oorlog die zich ontwikkelde, zou ook grote gevolgen krijgen voor de investeringen van Van Bocholt in Holland.

1569 — Belastingen worden een politiek strijdmiddel

Alva probeerde de kosten van zijn leger te financieren door nieuwe belastingen in te voeren. De honderdste penning moest worden geheven over vermogen, de twintigste penning over overdracht van onroerend goed en de tiende penning over de verkoop van roerende goederen. Vooral de laatste twee maatregelen riepen grote weerstand op. Kooplieden, stedelijke bestuurders en gewestelijke Staten vreesden ernstige schade voor de handel. De plannen werden aangepast en gedeeltelijk afgekocht. Voor grondbezitters en ondernemers betekende deze ontwikkeling nieuwe onzekerheid. Het conflict tussen de Spaanse regering en de gewesten draaide steeds nadrukkelijker om de vraag wie over geld en belastingheffing mocht beschikken.

1572 — De rechten op Zijper grond komen in gevaar

Tijdens de oorlog raakten de bezittingen van Van Bocholt in de Zijpe in een juridisch kwetsbare positie. Het octrooi van 1572 stelde voorwaarden aan de betaling van achterstallige bijdragen en het behoud van eigendomsrechten. Ingelanden die niet aan hun verplichtingen voldeden, konden hun grond verliezen. De oorlog maakte het voor bezitters buiten Holland moeilijk om betalingen te verrichten of hun belangen te vertegenwoordigen. Van Bocholt verbleef veelal in andere gewesten. Zijn erfgenamen zouden later aanvoeren dat hij door de politieke scheiding en oorlogsomstandigheden niet behoorlijk aan de gestelde eisen had kunnen voldoen. Toch werden delen van zijn land als verlaten beschouwd.

1584 — De Zijpe lijkt verloren

De moeilijkheden in de Zijpe hielden aan. Overstromingen, oorlog en geldgebrek hadden de eerdere bedijkingen ondermijnd. In 1584 werden zelfs de laatste twee nog aanwezige watermolens verkocht. De kansen op een nieuwe drooglegging leken gering. Tegelijkertijd bleven geschillen bestaan over oude polderlasten en eigendomsrechten. Voor de familie Van Bocholt betekende dit dat grote bedragen waren geïnvesteerd in land dat nauwelijks economisch kon worden benut. Het risico was niet beperkt tot de waarde van de grond. Wanneer rechten vervielen, konden anderen uiteindelijk profiteren van de investeringen die de oorspronkelijke eigenaren hadden gedaan.

1586 — Margaretha van Bocholt en Arnold Huijn van Geleen

De familie Van Bocholt was ook door huwelijken verbonden met de militaire en bestuurlijke elite van Opper-Gelre. Margaretha van Bocholt huwde Arnold II Huijn van Geleen, die heer van Wachtendonk werd. Omdat de vesting in die periode in Staatse handen was, verbleef het echtpaar aanvankelijk op kasteel Jansgeleen bij Spaubeek. Arnold diende als Spaans krijgsman en was onder meer actief in de omgeving van Straelen. Het huwelijk verbond de nalatenschap van Godert van Bocholt met een familie die nauw betrokken raakte bij de strijd om de vestingen in het Overkwartier. Zo bleef Wachtendonk ook na Goderts overlijden een belangrijk onderdeel van de familiegeschiedenis.

1588 — Wachtendonk wordt zwaar beschadigd

In 1588 werd Wachtendonk door de troepen van Peter Ernst van Mansfeld veroverd. De strijd bracht ernstige schade toe aan de stad en het kasteel. De muren, torens, daken en vertrekken van het slot waren grotendeels vernield. De rentmeester beschreef later dat er nauwelijks nog een glasvenster aanwezig was. Ook loden goten, houten omgangen en delen van de poorten waren verdwenen. De restauratie van het kasteel kostte volgens de bron ongeveer 4.000 Brabantse gulden. Het herstel duurde jaren. De vesting die Van Bocholt ooit als machtsbasis had bestuurd, was veranderd in een kostbaar militair probleem voor zijn erfgenamen.

1594 — Nieuwe kansen voor de Zijpe

In december 1594 kwam de hernieuwde bedijking van de Zijpe weer op de politieke agenda. De Alkmaarse landmeter Adriaen Anthonisz. vroeg toestemming om ongeveer 2.000 morgen land opnieuw te bedijken. Later sloten onder anderen Willem Schouten en Elisabeth van den Egmond van Kenenburg zich bij de onderneming aan. De Staten van Holland en West-Friesland lieten onderzoek verrichten naar de technische mogelijkheden en de rechten van bestaande eigenaren. Voor de erfgenamen van Van Bocholt ontstond daarmee een nieuwe kans, maar ook een bedreiging. Het land kon opnieuw waarde krijgen, terwijl onduidelijk bleef wie juridisch recht had op de verschillende percelen.

1596 — De overheid stelt nieuwe voorwaarden

Op 20 september 1596 werd het octrooi voor de nieuwe bedijking verleend. De Staten bepaalden dat eigenaren hun rechten moesten aantonen en moesten verklaren of zij aan de onderneming wilden deelnemen. Wie niet tijdig reageerde, riskeerde dat zijn grond als verlaten werd beschouwd. De bepalingen waren vooral ingrijpend voor families die buiten Holland verbleven. De erfgenamen van Godert van Bocholt moesten hun aanspraken verdedigen op grond die decennia eerder door hun vader was aangekocht. Daarmee kwam een oud financieel belang terecht in een nieuw politiek bestel, waarin de Staten van Holland steeds meer beslissingsmacht hadden gekregen.

1597 — Anna van Bocholt vecht voor de erfenis

Anna van Bocholt, dochter van Godert, en haar echtgenoot Herman Hoen van Hoensbroeck probeerden de verloren landerijen terug te krijgen. Herman voerde aan dat de familie nooit vrijwillig afstand had gedaan van het bezit. Door oorlog, verboden op financiële contacten en de politieke scheiding tussen de gewesten was het onmogelijk geweest om alle verplichtingen tijdig na te komen. De familie stelde dat de nieuwe eigenaren profiteerden van grond waarvoor Godert eerder grote bedragen had betaald. Het geschil werd voorgelegd aan de Hoge Raad. De inzet was niet alleen het eigendom van afzonderlijke percelen, maar ook de erkenning van jarenlang opgebouwde rechten.

September 1597 — De Hoge Raad beslist tegen de erfgenamen

Op 27 september 1597 volgde de uitspraak in het geschil over de Zijper landerijen. De Hoge Raad erkende niet alle aanspraken van de familie Van Bocholt. Gronden die eerder als verlaten waren aangemerkt en inmiddels aan anderen waren uitgegeven, hoefden niet zonder meer te worden teruggegeven. De erfgenamen konden slechts een gedeelte van het vroegere bezit behouden. Volgens de behandelde bron bleef uiteindelijk iets meer dan een kwart van de oorspronkelijke landerijen over. De uitspraak maakte duidelijk hoe oorlog en veranderende wetgeving de verdeling van bezit konden beïnvloeden. Voor de familie betekende zij een groot financieel verlies.

1597–1599 — Anna probeert het resterende bezit te verkopen

Na de uitspraak begon Anna van Bocholt met de verkoop van landerijen in de Zijpe. Zij trad daarbij op namens zichzelf en met volmacht van haar echtgenoot. In juli 1597 liet zij al een overdracht registreren op het Alkmaarse stadhuis. Later onderhandelde zij onder meer met kooplieden uit Amsterdam. De verkopen waren begrijpelijk. De familie had tientallen jaren onzekerheid, hoge kosten en juridische conflicten achter de rug. Door grond te verkopen kon zij tenminste een deel van het overgebleven vermogen veiligstellen. Het oorspronkelijke bezit van Godert van Bocholt viel daarmee geleidelijk uiteen.

1598 — Spaanse soldaten drukken zwaar op Wachtendonk

Ondertussen werd Wachtendonk opnieuw geconfronteerd met de gevolgen van de oorlog. Spaanse soldaten werden ingekwartierd bij burgers die moesten bijdragen aan hun onderhoud. Achterstallige soldij veroorzaakte muiterij, plundering en onveiligheid. Arnold II Huijn van Geleen probeerde de discipline onder zijn garnizoen te herstellen. Ook Hendrik van den Bergh verbleef met ruiters in de vesting. In december 1598 werd zelfs verzocht om twintig kurassiers elders onder te brengen, omdat Wachtendonk te zwaar werd belast. De plaatselijke bevolking betaalde een hoge prijs voor de militaire betekenis van de vesting die ooit het centrum van Goderts heerlijke macht was geweest.

1599 — Wachtendonk moet grond verkopen om schulden te betalen

In 1599 was de financiële nood zo groot dat het bestuur van Wachtendonk toestemming vroeg om 100 morgen gemeenschappelijke grond te verkopen. De stad had een schuld van ongeveer 10.000 gulden opgebouwd. De kosten van het garnizoen, de inkwartiering en de belastingen waren nauwelijks nog op te brengen. Het verzoek toont hoe oorlog de economische basis van een plaatselijke gemeenschap kon ondermijnen. Grond, die voorheen inkomsten en bestaanszekerheid bood, moest worden verkocht om bestaande schulden te betalen. De financiële problemen die Godert van Bocholt tijdens zijn leven al had gekend, kregen voor zijn voormalige heerlijkheid een nieuwe omvang.

Januari 1600 — Wachtendonk valt opnieuw in Staatse handen

In januari 1600 maakte prins Maurits gebruik van de verzwakte Spaanse verdediging van Wachtendonk. Een informant verschafte gegevens over het garnizoen en de toestand van de vestinggracht. Lodewijk Günther van Nassau kreeg de leiding over de voorbereidingen, terwijl Lodewijk van Kethulle, heer van Rijhoven, bij de uitvoering werd betrokken. Op 23 januari 1600 slaagden Staatse troepen erin de moerasvesting te verrassen. Daarmee wisselde Wachtendonk opnieuw van machthebber. De plaats die voor Godert van Bocholt ooit het middelpunt van zijn heerlijke rechten was geweest, bleef speelbal van de grotere oorlog tussen de Republiek en het Spaanse gezag.

Slot — De strijd om bezit en macht overleeft Godert van Bocholt

De geschiedenis van Godert van Bocholt laat zien hoe sterk grondbezit, bestuurlijke macht en militaire verplichtingen in de zestiende eeuw met elkaar verbonden waren. In Wachtendonk verdedigde hij zijn heerlijke rechten tegenover burgers, ambachtslieden en boeren. In de Zijpe investeerde hij in een onderneming die grote rijkdom beloofde, maar door oorlog en overstromingen enorme verliezen veroorzaakte. Na zijn overlijden moesten zijn erfgenamen de strijd om het bezit voortzetten. De familie verloor een groot deel van haar Hollandse landerijen, terwijl Wachtendonk door oorlog en schulden werd uitgeput. Goderts levensverhaal is daarmee ook het verhaal van een tijd waarin oude adellijke rechten onder druk kwamen te staan en bezit voortdurend opnieuw bevochten moest worden.

Godert van Bocholt — De strijd om grond, rijkdom en macht in Opper-Gelre en Holland

Aanvullend deel — Familie, huwelijk en erfopvolging

1534 — Een huwelijk verbindt twee adellijke families

Op 14 mei 1534 passeerde de akte van huwelijkse voorwaarden tussen Godert van Bocholt en Maria van Reifferscheidt, vrouwe van Pesch. Het huwelijk verbond twee families met aanzienlijke bezittingen en rechten in het gebied tussen de Maas en de Rijn. Maria was een dochter van Werner van Reifferscheidt en Alexandrina van Wittenhorst. Via haar familie kwamen goederen, erfelijke aanspraken en invloedrijke verwantschappen binnen het bereik van Godert. Het huwelijk was daardoor niet uitsluitend een persoonlijke verbintenis. Het legde ook de basis voor een uitbreiding van zijn maatschappelijke positie. Bezit en familiebelangen waren in de zestiende-eeuwse adel nauw met elkaar verbonden.

1534 — Kasteel Pesch wordt onderdeel van het familievermogen

Door het huwelijk met Maria van Reifferscheidt kreeg Godert van Bocholt belangen bij het huis Pesch en de daarbij behorende landerijen. Het kasteel lag in het gebied van de huidige Duitse Nederrijn, waar adellijke families hun bezittingen vaak over verschillende heerlijkheden hadden verspreid. Dergelijke goederen leverden niet alleen inkomsten uit landbouw en pacht op, maar vormden ook een zichtbare bevestiging van de maatschappelijke positie van de eigenaar. Het bezit van een kasteel bracht bovendien onderhoudskosten en bestuurlijke verplichtingen met zich mee. Voor Godert betekende de verbintenis met Maria dat zijn economische en familiale belangen zich verder over het grensgebied uitbreidden.

1540 — Een erfenis verandert de familieverhoudingen

Na het overlijden van Werner van Reifferscheidt ontstonden binnen de familie nieuwe vragen over de verdeling van bezittingen. Volgens de behandelde bronfragmenten speelden zowel de rechten van Maria als die van andere erfgenamen een rol. Het ging om kastelen, landerijen, inkomsten en aanspraken die soms aan ingewikkelde erfvoorwaarden waren gebonden. De overdracht van adellijk bezit verliep niet altijd rechtstreeks van vader op zoon. Ook dochters konden belangrijke goederen inbrengen in hun huwelijk. Daardoor konden kastelen en heerlijkheden via huwelijksverbintenissen in handen van andere families komen. Voor Godert van Bocholt betekende dit dat zijn positie mede afhankelijk werd van de juridische afwikkeling van familie-erfenissen.

1541 — Een tweede huwelijk versterkt de familiebanden

De overgeleverde genealogische gegevens beschrijven ook een tweede huwelijk van Godert van Bocholt, met Alexandrina van Wittenhorst. Deze verbintenis verbond hem opnieuw met een familie die in het Gelderse en Limburgse grensgebied aanzienlijke invloed bezat. De familie Van Wittenhorst was betrokken bij het bestuur van verschillende heerlijkheden en leverde functionarissen die namens landsheren bestuurlijke taken uitvoerden. Zulke verwantschappen konden van belang zijn bij geschillen over grond, belastingen en bestuursrechten. Zij boden toegang tot personen die vertrouwd waren met de rechtspraak en het politieke bestuur. De precieze omstandigheden van dit tweede huwelijk verdienen nog afzonderlijke controle aan de hand van de oorspronkelijke akten.

1543 — De oorlog raakt het familiebezit

In 1543 kwam een einde aan de zelfstandige positie van hertog Willem van Gulik, Kleef en Gelre als machthebber over het hertogdom Gelre. Keizer Karel V bracht Gelre definitief onder Habsburgs gezag. De verandering had gevolgen voor de adel, die haar rechten en verplichtingen opnieuw moest afstemmen op de landsheer. Ook de familieverbanden van Godert van Bocholt raakten aan deze machtsverschuiving. Kastelen en heerlijkheden waren niet alleen woonplaatsen en inkomstenbronnen, maar konden in oorlogstijd strategische betekenis krijgen. De nieuwe politieke verhoudingen maakten trouw aan de landsheer belangrijk, zonder dat de bestaande plaatselijke rechten en familiebelangen onmiddellijk verdwenen.

1546 — Familiebezit en de strijd om nalatenschappen

De familie Van Bocholt was door meerdere huwelijken verbonden met de geslachten Van Wittenhorst, Van Reifferscheidt en Van Egmond. Deze verwantschappen brachten uiteenlopende bezittingen samen, maar konden ook aanleiding geven tot juridische conflicten. Wanneer een erfgenaam overleed, moest worden vastgesteld welke goederen persoonlijk eigendom waren, welke onder huwelijksvoorwaarden vielen en welke rechten aan een heerlijkheid waren verbonden. De behandelde boekfragmenten laten zien dat dergelijke kwesties zich jarenlang konden voortslepen. Voor Godert van Bocholt waren familiebanden daarom van directe economische betekenis. Zij bepaalden mede welke landerijen hij kon beheren, welke inkomsten hem toekwamen en welke aanspraken zijn kinderen later konden doen gelden.

1550 — Dochters krijgen een belangrijke plaats in de erfopvolging

In de familie Van Bocholt speelden dochters een belangrijke rol bij de overdracht van bezittingen. Anna van Bocholt en Margaretha van Bocholt komen in de latere bronnen nadrukkelijk naar voren als erfgenamen en verbindende figuren tussen adellijke families. Anna werd verbonden met Herman Hoen van Hoensbroeck, terwijl Margaretha huwde met Arnold II Huijn van Geleen. Via deze huwelijken bleven de bezittingen en rechten van Godert verbonden met families die bestuurlijke en militaire functies vervulden. De dochters waren daarmee geen bijfiguren in de geschiedenis van het familievermogen. Hun erfrechten en huwelijksverbintenissen bepaalden mede wat er na het overlijden van hun vader met zijn bezittingen gebeurde.

1586 — Margaretha van Bocholt en de toekomst van Wachtendonk

Het huwelijk van Margaretha van Bocholt met Arnold II Huijn van Geleen verbond het familiebezit rechtstreeks met de militaire geschiedenis van Wachtendonk. Arnold werd heer van de vesting en diende het Spaanse gezag. De oorlog maakte het voor het echtpaar aanvankelijk onmogelijk om op het kasteel van Wachtendonk te wonen. Zij verbleven op Jansgeleen bij Spaubeek. Nadat de Spanjaarden de vesting in 1588 hadden heroverd, bleek het kasteel zwaar beschadigd. De restauratie vereiste aanzienlijke bedragen. De familie erfde daarmee niet alleen een belangrijke heerlijkheid, maar ook de financiële en bestuurlijke lasten die aan het bezit van een strategische grensvesting verbonden waren.

1597 — Anna van Bocholt verdedigt het Hollandse familiebezit

Anna van Bocholt trad aan het einde van de zestiende eeuw op als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de familiebelangen in Holland. Haar echtgenoot Herman Hoen van Hoensbroeck voerde procedures over de landerijen die Godert van Bocholt in de Zijpe had verworven. Anna was daarbij rechtstreeks betrokken. Zij reisde naar Holland, onderhandelde over grondverkopen en liet overdrachten officieel registreren. Haar optreden toont dat adellijke vrouwen in de praktijk belangrijke taken konden vervullen bij het beheer en de afwikkeling van familiebezit. De belangen waren groot: het ging om honderden morgens land en de opbrengsten van een bedijkingsonderneming waarin haar vader aanzienlijke middelen had geïnvesteerd.

1599 — Het familievermogen wordt verdeeld en verkocht

Aan het einde van de zestiende eeuw was duidelijk geworden dat de erfgenamen van Godert van Bocholt niet al zijn oorspronkelijke bezittingen in de Zijpe zouden terugkrijgen. De juridische procedures hadden slechts gedeeltelijk resultaat opgeleverd. Anna van Bocholt en Herman Hoen van Hoensbroeck kozen daarom voor de verkoop van overgebleven percelen. Amsterdamse kooplieden behoorden tot de belangstellenden. De waarde van goed bruikbaar Zijpland was inmiddels aanzienlijk gestegen, maar de familie had de financiële verliezen uit de voorgaande decennia niet kunnen voorkomen. Daarmee kwam een belangrijk deel van de Hollandse bezittingen van Godert van Bocholt definitief in andere handen.

1600 — Een familiegeschiedenis tussen twee machtsgebieden

Rond 1600 waren de gevolgen van de keuzes en investeringen van Godert van Bocholt nog altijd zichtbaar. Zijn erfgenamen hadden belangen in het grensgebied van Opper-Gelre, terwijl de Hollandse landerijen grotendeels waren verkocht of onderwerp van juridische geschillen waren geweest. Wachtendonk wisselde opnieuw van machthebber en de Zijpe ontwikkelde zich verder als landbouwgebied. De familiegeschiedenis verbindt daarmee twee grote ontwikkelingen uit de zestiende eeuw: de strijd om politieke en militaire macht in de Nederlanden en de groeiende economische betekenis van landaanwinning en particulier grondbezit. Beide ontwikkelingen konden rijkdom opleveren, maar ook grote vermogens vernietigen.

Godert van Bocholt — Zijn leven, grondbezit en dienst aan Willem van Oranje

Deze projectpagina gaat over het leven van Godert van Bocholt, zijn bezit in de Zijpe en zijn betrokkenheid bij Willem van Oranje en de Nederlandse Opstand. In de projectnaam wordt zijn achternaam geschreven als Bochholt; de aangeleverde PDF’s gebruiken Bocholt. De basis van het project is het boek van Piet Dekker: Godert van Bocholt — Enige heer, grootgrondbezitter en Zuijpzieder van de Zijpe. Een van de oudste en trouwste dienaren van prins Willem van Oranje. Het bronmateriaal is verdeeld over zeven PDF’s. In de bijbehorende projectgesprekken worden de teksten stapsgewijs overgenomen, doorgaans per twintig pagina’s, en op het beeldscherm geplaatst om te lezen en te kopiëren.

Krijgsman en diplomaat

Een belangrijk onderwerp is Goderts militaire loopbaan en zijn optreden als diplomaat. De projectteksten behandelen zijn dienst onder Maximiliaan van Egmond en zijn latere werkzaamheden voor Willem van Oranje en de Staten. Daarbij gaat het om militaire opdrachten, politieke contacten en onderhandelingen. Zijn levensverhaal raakt daardoor aan de manier waarop Oranje steun verzamelde en zijn aanhang organiseerde. Hoofdstuk 37, met de titel ‘Opnieuw voor Statenmissies ingezet’, sluit aan op die werkzaamheden. Godert verschijnt in deze teksten als iemand die zowel in de oorlogvoering als in de contacten tussen machthebbers een rol vervulde.

Wachtendonk en de opbouw van zijn positie

De teksten besteden aandacht aan Goderts positie in Wachtendonk. Een passage bij boekpagina 81 beschrijft zijn inhuldiging op 3 december 1543. Andere passages behandelen een pandbrief van 15 oktober 1547, militaire bevoegdheden en de bekostiging van troepen. Daarbij is het onderscheid tussen bezit, bestuursrechten en soevereiniteit van belang. Een edelman kon rechten over een plaats bezitten en er militaire bevoegdheden uitoefenen, terwijl zijn verhouding tot hogere overheden afzonderlijk geregeld bleef. De projectteksten onderzoeken daarmee hoe Goderts plaatselijke macht was opgebouwd en welke aanspraken hij en zijn erfgenamen konden laten gelden.

Oorlogvoering en de betaling van troepen

De Nederlandse Opstand vormt een belangrijk deel van de historische achtergrond. De teksten behandelen de strijd om steden en garnizoenen, Spaanse troepen, huurlingen, Alva, de Raad van Beroerten en de Pacificatie van Gent. Ook de praktische kant van oorlogvoering komt aan bod. Bij Goderts garnizoen in Wachtendonk speelde de vraag wie de kosten moest dragen. In de teruggevonden passages worden het bestuur in Brussel en later de Staten-Generaal genoemd. De financiering van soldaten en garnizoenen verbindt zijn militaire optreden met de bestuurlijke en financiële verhoudingen van zijn tijd.

De strijd rond Roermond

Een concreet voorbeeld van Goderts militaire optreden staat in de overgenomen passage bij boekpagina 75. Daar wordt beschreven hoe hij vanuit Swalmen met ruiters optrad tegen het garnizoen van Nicolaus van Pollweiler bij Roermond. De tekst behandelt ook brandstichting en vergelding, waardoor de gevolgen van het militaire conflict zich tot buiten de stad uitstrekten. Zulke passages laten zien dat de strijd om garnizoenen ook de omliggende dorpen en het platteland raakte. Roermond vormt samen met Wachtendonk, Maastricht en Opper-Gelre een belangrijk geografisch zwaartepunt binnen het project.

De Zijpe, bedijking en grondbezit

Naast zijn militaire en diplomatieke werkzaamheden staat Goderts bezit in de Zijpe centraal. De projectteksten behandelen bedijking, landerijen, eigendomsrechten en rechtszaken over zijn bezittingen. Daarmee krijgt het verhaal ook een economische en landschappelijke kant. Het gaat om de verwerving en bescherming van grond en om de belangen die met bedijking samenhingen. Eerdere samenvattingen noemen daarnaast zoutwinning bij Petten, inundatie en herbedijking van de Zijpe. Die onderwerpen zijn in deze chat alleen via eerdere samenvattingen teruggevonden; de precieze gegevens moeten nog met de oorspronkelijke boekpagina’s worden vergeleken.

Familie, erfenissen en adellijke netwerken

De familie Van Bocholt vormt een andere belangrijke verhaallijn. De teksten behandelen familieverbindingen, erfenissen, kerkelijke functies en relaties in Gelre en het Maasgebied. Een passage bij boekpagina 391 noemt Margaretha van Bocholt, dochter van de heer van de Zijpe, als schoonmoeder van Arnold II Huijn van Geleen. Zulke verbindingen plaatsen Godert binnen een groter netwerk van adellijke families. Ook zijn huwelijken en het verdere verloop van zijn familiegeschiedenis komen in eerdere samenvattingen voor. Voor de precieze bijzonderheden daarvan blijft vergelijking met de oorspronkelijke tekst nodig.

Het verbindende onderwerp van het project

Het verbindende onderwerp is hoe oorlog, familie, grondbezit en politieke trouw samenkwamen in het leven van Godert van Bocholt. Zijn levensverhaal biedt een ingang tot de wereld waarin Willem van Oranje militaire steun, geld en politieke medewerking moest organiseren. Tegelijk laat het project zien hoe een edelman zijn plaatselijke rechten en bezittingen probeerde te behouden tijdens een periode van ingrijpende veranderingen. De centrale vraag is hoe Godert tegelijk krijgsman, onderhandelaar, grootgrondbezitter en ondernemer kon zijn, terwijl de Nederlandse Opstand de politieke en militaire verhoudingen om hem heen veranderde.