Geld voor een oorlog overzee — Groningen en de oprichting van de West-Indische Compagnie (1596–1630)
Hoe Groningen en de Ommelanden via hun bestuurders, kooplieden en investeerders betrokken raakten bij de Atlantische oorlog tegen Spanje, de handel met West-Afrika, de verovering van Brazilië en de opbrengsten van de Spaanse zilvervloot.
Inleiding — Een Groningse handelsstad raakt betrokken bij een oorlog overzee
In de eerste decennia van de zeventiende eeuw werden in Groningen besluiten genomen waarvan de gevolgen zich duizenden kilometers verderop zouden laten voelen. Bestuurders en vermogende inwoners stelden geld beschikbaar voor de West-Indische Compagnie, een onderneming die schepen naar de Afrikaanse kust stuurde, Spaanse handelsvloten aanviel en Portugese gebieden in Brazilië probeerde te veroveren. Wat voor de betrokken investeerders een mogelijkheid tot winst en politieke invloed was, betekende voor zeelieden gevaarlijke reizen, voor koloniale tegenstanders oorlog en voor tot slaaf gemaakte mensen een verdere uitbreiding van een economie die op gedwongen arbeid berustte.
Groningen was geen Amsterdam of Middelburg. De stad bezat geen vergelijkbare Atlantische handelsvloot en had haar welvaart vooral opgebouwd door de handel met de Ommelanden, Drenthe en andere gebieden rond de Noordzee. Toch kreeg het gewest Stad en Lande bij de oprichting van de West-Indische Compagnie een eigen kamer. Groningse regenten werden bewindhebbers, particuliere investeerders brachten aanzienlijke bedragen bijeen en het stadsbestuur nam zelf financieel deel. De betrokkenheid bleef niet beperkt tot bestuurlijke vergaderingen. Uit de rekeningen blijkt dat de kamer geld beschikbaar stelde voor handelsuitrustingen naar Guinea en de Gambia.
De vraag is hoe een noordelijk gewest, waarvan de economische macht vooral op regionale handel en grondbezit berustte, betrokken raakte bij een onderneming die handel, kolonisatie en oorlogvoering met elkaar verbond. Om dat te begrijpen, moet de geschiedenis beginnen vóór de oprichting van de WIC in 1621. De politieke omwenteling van 1594, de Nederlandse Opstand, de strijd tegen de Spaanse monarchie en de groeiende belangstelling voor de Atlantische handel schiepen de omstandigheden waarin Groningse bestuurders nieuwe mogelijkheden zagen. Tussen 1596 en 1630 veranderde daardoor niet alleen de positie van Groningen binnen de Republiek, maar ook de geografische reikwijdte van zijn financiële belangen.
De voorgeschiedenis — Groningen, de Ommelanden en de handelswegen naar zee
Lang voordat de West-Indische Compagnie werd opgericht, was Groningen een handelsstad waarvan de welvaart nauw verbonden was met het omliggende platteland en de waterwegen naar zee. Via het Reitdiep bereikten schepen de Waddenzee, terwijl andere verbindingen goederen uit Drenthe en de Ommelanden naar de stedelijke markten voerden. Graan, boter, vee, turf en landbouwproducten werden opgeslagen, verhandeld en verder vervoerd. Kooplieden beschikten over voorraden en krediet, schippers verzorgden het transport en arbeiders verrichtten het laden en lossen. De stad had een belangrijke regionale handelspositie, maar was geen Atlantisch handelscentrum zoals Amsterdam of Middelburg.
De economische macht van Groningen berustte niet alleen op haar ligging. Het stadsbestuur probeerde invloed uit te oefenen op de handel van het omliggende gebied, terwijl Ommelander grondbezitters en plaatselijke gemeenschappen hun eigen rechten verdedigden. Delfzijl bood via de Eems toegang tot zee, terwijl Groningen afhankelijk was van het Reitdiep. Achter deze verschillende vaarverbindingen gingen belangen schuil die regelmatig met elkaar botsten. Wie de handel naar zich toe kon trekken, kon inkomsten verwerven en invloed uitoefenen op markten, belastingen en bestuurlijke besluiten. De latere Kamer Stad en Lande zou ontstaan binnen deze al bestaande strijd om geld en gezag.
De Ommelanden waren geen eenvoudig achterland dat uitsluitend voor de stad produceerde. In Hunsingo, Fivelingo en het Westerkwartier beschikten adellijke families, eigenerfde boeren en andere grondbezitters over rechten en economische middelen. Landbouw en veeteelt vormden de basis van veel plaatselijke welvaart. Het bezit van grond bepaalde mede wie bestuurlijke invloed kon uitoefenen, terwijl de opbrengsten van het land afhankelijk waren van waterbeheer, arbeidskrachten en toegang tot markten. De stad probeerde de handel van deze gebieden aan zich te binden. De Ommelanden verzetten zich tegen beperkingen die hun zelfstandige economische ontwikkeling konden belemmeren.
De geschiedenis van Groningen was daardoor al vóór de Atlantische expansie een geschiedenis van concurrerende belangen. Het stadsbestuur wilde zijn marktrechten en inkomsten beschermen. Ommelander machthebbers verlangden ruimte voor eigen handel en bestuur. Schippers waren afhankelijk van bevaarbare waterwegen en veilige routes, terwijl kooplieden hun kapitaal moesten beschermen tegen verlies, oorlog en onzekerheid. De latere oprichting van een gezamenlijke WIC-kamer betekende niet dat deze tegenstellingen verdwenen. Zij maakte het mogelijk om tegenover andere gewesten gezamenlijk op te treden, terwijl binnen Stad en Lande de oude verhoudingen tussen stedelijke regenten en Ommelander belangen bleven bestaan.
1580–1594 — De oorlog tegen Spanje verandert het noorden
De Nederlandse Opstand bracht Groningen in een langdurig militair en politiek conflict. De stad bleef aanvankelijk trouw aan de Spaanse koning, terwijl verschillende andere gebieden zich bij de opstandige gewesten aansloten. De strijd ging over vorstelijk gezag, stedelijke rechten, belastingen, geloof en bestuurlijke zelfstandigheid. Sinds 1580 waren bovendien de Spaanse en Portugese kronen verenigd onder één vorst. Daardoor raakten Portugese handelsgebieden in Afrika, Amerika en Azië betrokken bij de vijandschap tussen de opstandige Nederlanden en de Spaanse monarchie. Een oorlog die in Europa was begonnen, kreeg steeds verder reikende economische gevolgen voor de scheepvaart en de internationale handel.
Op 22 juli 1594 gaf Groningen zich na een belegering over aan de troepen van Maurits van Nassau en Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg. Deze gebeurtenis werd bekend als de Reductie van Groningen. De stad en de Ommelanden werden samengebracht in het gewest Stad en Lande, dat deel ging uitmaken van de Republiek. Het katholieke kerkelijke bestel verloor zijn bevoorrechte positie en de gereformeerde kerk kreeg een centrale plaats in het openbare leven. Kloosterbezittingen kwamen onder nieuwe bestuurlijke verhoudingen te staan. De stedelijke regenten en Ommelander machthebbers behielden echter hun eigen belangen. De Reductie veranderde het politieke gezag, maar beëindigde de strijd om bezit, geld en invloed niet.
De bestuurlijke omwenteling had ook gevolgen voor de manier waarop Groningen betrokken raakte bij de oorlog van de Republiek. Het gewest moest bijdragen aan gezamenlijke militaire inspanningen en deelnemen aan politieke besluitvorming die verder reikte dan de eigen grenzen. De Staten-Generaal namen besluiten over oorlog en buitenlandse betrekkingen, terwijl de gewesten hun eigen financiële en bestuurlijke belangen bleven verdedigen. Groningen kon daardoor niet langer uitsluitend vanuit een plaatselijk perspectief handelen. Besluiten over de strijd tegen Spanje hadden gevolgen voor belastingen, handel en veiligheid in het noorden.
Tegelijkertijd ontstonden nieuwe mogelijkheden. De Republiek ontwikkelde zich tot een belangrijke maritieme handelsmacht, waarvan de kooplieden steeds verder buiten Europa opereerden. De rijkdom van Spanje was mede verbonden met de Amerikaanse koloniale gebieden en de aanvoer van zilver. Portugal beschikte over handelsverbindingen met Afrika, Brazilië en Azië. Voor Nederlandse bestuurders en kooplieden lag het voor de hand om deze verbindingen te beschouwen als mogelijke doelen in de oorlog. De politieke verandering van 1594 bracht Groningen binnen een staatsverband waarin zulke plannen werden besproken en uiteindelijk uitgevoerd.
1596 — Een Portugees schip brengt de slavernijkwestie naar Middelburg
In 1596 werd in Middelburg een buitgemaakt Portugees schip binnengebracht waarop zich ongeveer 130 Afrikanen bevonden die tegen hun wil werden vastgehouden. De Zeeuwse burgemeester Andriaen ten Haeff verzette zich tegen hun verkoop. De zaak bereikte de Staten-Generaal en maakte zichtbaar hoe oorlogsbuit, eigendomsclaims en menselijke vrijheid met elkaar in botsing konden komen. Nederlandse bestuurders bekritiseerden de koloniale praktijken van Spanje en Portugal, terwijl kooplieden tegelijkertijd aanspraak konden maken op mensen die zij op vijandelijke schepen aantroffen. De Republiek beschikte nog niet over een West-Indische Compagnie, maar de juridische en morele problemen die later met haar Atlantische activiteiten verbonden zouden raken, waren al aanwezig.
Het voorval stond niet los van de oorlog tegen Spanje. Nederlandse schepen vielen Portugese handelsvaartuigen aan omdat Portugal sinds 1580 onder dezelfde vorst stond als Spanje. Een veroverd schip kon goederen, geld en waardevolle lading opleveren. De behandeling van gevangen mensen vormde daarbij een afzonderlijk vraagstuk. Willem van Oranje had in zijn Apologie van 1580 het geweld van de Spaanse koloniale overheersing tegen de oorspronkelijke bewoners van Amerika gebruikt als argument tegen Filips II. Die kritiek betekende echter niet dat Nederlandse kooplieden en bestuurders alle vormen van koloniale dwangarbeid afwezen. Naarmate de Republiek zelf toegang kreeg tot Atlantische handelsgebieden, werden zulke tegenstellingen zichtbaarder.
De gebeurtenis in Middelburg laat zien dat de Nederlandse betrokkenheid bij slavernij niet pas begon toen de WIC in Brazilië gebieden veroverde. Nederlandse zeelieden en bestuurders werden al eerder geconfronteerd met de bestaande Atlantische handel in mensen. Dat betekent niet dat iedere vroege Nederlandse handelsreis een slaventransport was. De verschillende vormen van betrokkenheid moeten afzonderlijk worden onderzocht. Wel maakte het voorval duidelijk dat de oorlog tegen Spanje en Portugal Nederlandse handelaren toegang gaf tot schepen en goederen die deel uitmaakten van een koloniale economie waarin mensen als bezit werden behandeld.
Voor Groningen is deze voorgeschiedenis van belang omdat de latere Kamer Stad en Lande werd opgericht binnen dezelfde politieke en economische wereld. Groningse investeerders traden toe tot een onderneming die niet alleen tegen Spaanse schepen vocht, maar ook deelnam aan handel in gebieden waar slavernij bestond. De gebeurtenissen van 1596 mogen niet rechtstreeks worden toegeschreven aan de nog niet bestaande Groningse WIC-kamer. Zij tonen wel welke vraagstukken de Republiek al kende voordat zij zelf een omvangrijke Atlantische compagnie oprichtte. Het onderscheid tussen vroege contacten, latere handelsactiviteiten en aantoonbare betrokkenheid bij slavernij blijft daarom noodzakelijk.
Rond 1600 — Willem Usselincx wil een Nederlandse compagnie voor Amerika
Rond 1600 ontwikkelde de uit Antwerpen afkomstige koopman Willem Usselincx plannen voor een Nederlandse handelscompagnie in het Atlantische gebied. Hij zag mogelijkheden om de economische macht van Spanje en Portugal aan te tasten door Nederlandse handelsposten en koloniale nederzettingen in Amerika te vestigen. Zijn voorstellen gingen verder dan het buitmaken van vijandelijke schepen. Usselincx wilde een duurzame onderneming waarin handel, landbouw en kolonisatie werden gecombineerd. Daarvoor moesten investeerders geld beschikbaar stellen, schepen worden uitgerust en nederzettingen worden beschermd. Een dergelijke organisatie vereiste steun van de overheid, omdat particuliere kooplieden niet zelfstandig alle politieke en militaire bevoegdheden konden uitoefenen die voor een koloniale onderneming nodig waren.
Usselincx besteedde ook aandacht aan de arbeidskrachten die in zulke nederzettingen zouden worden ingezet. Hij uitte bezwaren tegen de handel in tot slaaf gemaakte Afrikanen en zag mogelijkheden voor kolonisatie met vrije Europese arbeidskrachten. Zijn opvattingen waren echter geen algemene afwijzing van Europese koloniale overheersing. De gebieden waarvoor hij plannen maakte, waren niet onbewoond. In Amerika leefden gemeenschappen met eigen politieke en maatschappelijke verhoudingen. Europese plannenmakers hielden daar niet altijd voldoende rekening mee. De voorstellen van Usselincx maakten vooral duidelijk dat de toekomstige compagnie verschillende economische doelen kon dienen: handel, kolonisatie, kaapvaart en het veroveren van bestaande koloniale productiegebieden.
De plannen van Usselincx raakten aan een fundamentele vraag voor de Republiek. Moest een Atlantische onderneming vooral handelsbetrekkingen ontwikkelen, of moest zij worden ingezet als wapen tegen de Spaanse monarchie? Beide doelen konden elkaar ondersteunen, maar ook met elkaar botsen. Een handelscompagnie had belang bij veilige vaarroutes en betrouwbare contacten. Een oorlogsonderneming kon juist inkomsten verwachten uit het aanvallen van vijandelijke schepen en bezittingen. Voor investeerders betekende dit dat zij niet alleen moesten beoordelen welke goederen winst konden opleveren, maar ook welke militaire risico's aan hun geld verbonden waren.
Die spanning zou de geschiedenis van de WIC vanaf haar oprichting bepalen. Het veroveren van een stad kon grote economische mogelijkheden bieden, maar vereiste soldaten, schepen, voorraden en langdurige bescherming. Een succesvolle handelsreis kon inkomsten opleveren zonder dat de compagnie een gebied hoefde te bezetten. Kaapvaart bood soms uitzonderlijke buit, maar het resultaat was onzeker. Groningen zou later aan deze verschillende activiteiten deelnemen via dezelfde onderneming. De vroege plannen voor Atlantische expansie verklaren daardoor waarom de WIC niet eenvoudig als handelscompagnie of oorlogsvloot kan worden beschreven. Zij combineerde beide functies binnen één organisatie.
1602–1609 — De VOC biedt een voorbeeld, maar Groningen krijgt geen eigen kamer
In 1602 werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht. Deze onderneming bracht kapitaal van verschillende investeerders bijeen en kreeg bijzondere rechten voor de handel in Azië. De VOC beschikte over regionale kamers en een gezamenlijk bestuur. Zij kon schepen uitrusten, handelsposten vestigen en militaire macht inzetten. Daarmee ontstond een organisatievorm die later als voorbeeld zou dienen voor de West-Indische Compagnie. Groningen kreeg echter geen eigen VOC-kamer. Vermogende Groningers konden wel deelnemen aan overzeese ondernemingen, maar de stad beschikte niet over een afzonderlijke plaats in het bestuur. Juist dat verschil zou later belangrijk worden bij de onderhandelingen over de organisatie van de WIC.
In 1609 begon het Twaalfjarig Bestand tussen de Republiek en Spanje. De openlijke oorlogvoering werd tijdelijk onderbroken, maar de economische rivaliteit bleef bestaan. Nederlandse kooplieden wilden toegang tot Atlantische handelsgebieden, terwijl Spanje en Portugal hun koloniale belangen verdedigden. De plannen voor een West-Indische Compagnie werden daardoor politiek gevoelig. Een onderneming die vijandelijke schepen aanviel en overzeese bezittingen veroverde, kon de diplomatieke verhoudingen tijdens het Bestand verstoren. Naarmate het einde van de twaalfjarige overeenkomst naderde, veranderde de situatie. De Republiek moest zich voorbereiden op een nieuwe oorlog en zocht naar manieren om de Spaanse monarchie buiten Europa financieel en militair te treffen.
Het voorbeeld van de VOC maakte duidelijk welke betekenis een regionale kamer kon hebben. Een kamer was niet uitsluitend een kantoor waar geld werd geregistreerd. Zij bood een plaats aan bestuurders die invloed konden uitoefenen op investeringen en ondernemingsbesluiten. De vestiging van een kamer kon bovendien werkzaamheden met zich meebrengen voor administrateurs, leveranciers en andere betrokkenen. Dat betekende niet dat alle schepen noodzakelijk vanuit de plaats van de kamer vertrokken. De bestuurlijke organisatie en de feitelijke scheepvaart moesten afzonderlijk worden onderzocht. Voor Groningen was vooral de toegang tot de besluitvorming van belang.
Het ontbreken van een eigen VOC-kamer betekende dat Groningen bij de latere organisatie van de WIC een andere uitkomst kon nastreven. Het gewest beschikte over regenten, kooplieden en grondbezitters met vermogen, maar moest tegenover grotere handelscentra zijn plaats opeisen. De toekomstige compagnie bood een mogelijkheid om financiële deelname te verbinden aan formele vertegenwoordiging. Daarmee kreeg de vraag wie de bewindhebbers mocht aanwijzen een politieke betekenis. Achter de verdeling van kamers gingen niet alleen economische verwachtingen schuil, maar ook de machtsverhoudingen tussen de gewesten van de Republiek.
1614–1621 — Groningen krijgt een universiteit en de oorlogsdreiging groeit
In 1614 werd in Groningen een universiteit opgericht. De nieuwe instelling versterkte de positie van de stad als bestuurlijk en intellectueel centrum van het noorden. Hoogleraren, regenten, geestelijken en kooplieden bewogen zich binnen maatschappelijke netwerken waarin wetenschap, bestuur en vermogen elkaar konden raken. De universiteit vormde daardoor niet uitsluitend een plaats voor onderwijs. Zij maakte deel uit van de stedelijke samenleving waarin belangrijke financiële en politieke beslissingen werden genomen. Dat zou later zichtbaar worden bij de betrokkenheid van hoogleraar Nicolaus Mulerius bij de West-Indische Compagnie. Zijn naam laat zien dat de onderneming niet uitsluitend door beroepskooplieden werd gedragen.
Ondertussen bleef de vraag bestaan hoe de Republiek de oorlog tegen Spanje moest financieren. Schepen, geschut, soldaten en voorraden kostten grote bedragen, terwijl militaire successen onzeker waren. De Atlantische Oceaan bood mogelijkheden om de vijand economische schade toe te brengen. Spaanse zilvertransporten en Portugese handelsverbindingen vormden aantrekkelijke doelen. Een grote compagnie kon het benodigde kapitaal bijeenbrengen en de risico's over meerdere investeerders verdelen. Daarmee ontstond een onderneming waarin publieke oorlogsdoelen en particuliere winstverwachtingen nauw met elkaar verbonden waren. Voor Groningen lag hierin een nieuwe mogelijkheid: deelnemen aan de oorlogseconomie zonder zelf een grote Atlantische handelsvloot te hoeven bezitten.
De universiteit en de toekomstige WIC waren verschillende instellingen, maar zij maakten deel uit van dezelfde bestuurlijke wereld. In Groningen waren kennis, ambten en vermogen niet strikt gescheiden maatschappelijke terreinen. Regenten konden meerdere functies vervullen en families konden hun invloed versterken door bestuurlijke posities en financiële belangen te combineren. De deelname van een hoogleraar aan een handelscompagnie past binnen deze bredere verhoudingen. Zij bewijst niet dat de universiteit als instelling de WIC bestuurde of financierde. Wel maakt zij zichtbaar dat de nieuwe Atlantische onderneming werd opgenomen in een stad waarin bestaande maatschappelijke netwerken veel invloed hadden.
Toen het Twaalfjarig Bestand in 1621 eindigde, stond de Republiek opnieuw voor een langdurige oorlog. De militaire strijd in Europa bleef belangrijk, maar het aanvallen van de overzeese inkomsten van Spanje en Portugal kon de vijand eveneens verzwakken. Daarvoor waren schepen en ervaren bemanningen nodig, maar vooral ook een organisatie die op grote schaal geld kon verzamelen. De oprichting van de WIC vormde het antwoord op deze combinatie van politieke en economische belangen. Voor Groningen zou de nieuwe onderneming een toegangspoort worden tot een wereld waarin de stad tot dan toe geen vergelijkbare bestuurlijke positie had bezeten.
3 juni 1621 — De Staten-Generaal verlenen het octrooi aan de West-Indische Compagnie
Op 3 juni 1621 verleenden de Staten-Generaal het octrooi voor de West-Indische Compagnie. De onderneming kreeg bijzondere handelsrechten in grote delen van het Atlantische gebied en mocht binnen de voorwaarden van haar octrooi schepen uitrusten, forten bouwen, verdragen sluiten en militaire operaties uitvoeren. Daarmee ontstond geen gewone handelsvereniging, maar een organisatie die particuliere investeringen combineerde met bevoegdheden die gewoonlijk aan overheden waren voorbehouden. Het octrooi werd verleend op het moment dat het Twaalfjarig Bestand was afgelopen. De Republiek hervatte de oorlog tegen Spanje en beschikte nu over een onderneming die ook buiten Europa tegen Spaanse en Portugese belangen kon optreden.
De WIC werd georganiseerd in vijf kamers: Amsterdam, Zeeland, de Maze, het Noorderkwartier en Stad en Lande. De gezamenlijke leiding kwam in handen van de Heren Negentien. De regionale kamers kregen eigen bewindhebbers en verantwoordelijkheden, maar moesten samenwerken binnen één onderneming. De verdeling van invloed was niet gelijk. Amsterdam en Zeeland beschikten over belangrijke handelsnetwerken en financiële middelen, terwijl de noordelijke kamer een kleinere positie innam. Toch was de erkenning van Stad en Lande van grote betekenis. Groningen kreeg een formele plaats in een Atlantische compagnie, iets wat bij de oprichting van de VOC niet was gebeurd. De stad kon voortaan niet alleen investeren, maar ook deelnemen aan het bestuur.
De bevoegdheden van de compagnie waren verstrekkend. Zij kon binnen haar octrooigebied handel drijven en militaire middelen inzetten om haar belangen te verdedigen of vijandelijke bezittingen aan te vallen. Daardoor werd de grens tussen particuliere onderneming en overheidsmacht minder scherp. De Staten-Generaal verleenden de rechten, maar de bewindhebbers moesten beslissingen nemen over geld, schepen en expedities. Het succes van de compagnie was afhankelijk van de samenwerking tussen deze verschillende bestuurslagen. Voor aandeelhouders betekende het dat hun vermogen verbonden raakte aan een organisatie die zowel commerciële als militaire doelen nastreefde.
De oprichting van de WIC veranderde bovendien de betekenis van de Atlantische wereld voor de Republiek. West-Afrika, het Caribische gebied en Brazilië waren niet langer uitsluitend gebieden waarmee afzonderlijke kooplieden contacten onderhielden. Zij werden opgenomen in een gezamenlijke strategie om Spaanse en Portugese belangen aan te vallen en nieuwe handelsmogelijkheden te ontwikkelen. Voor de bewoners van deze gebieden betekende de komst van de compagnie iets anders dan voor Nederlandse investeerders. Zij kregen te maken met buitenlandse handelaren, gewapende expedities en pogingen om bestaande politieke en economische verhoudingen te veranderen. Die verschillende perspectieven behoren tot dezelfde geschiedenis.
31 juli 1622 — Stad en Lande verlangt een eigen plaats in de compagnie
Op 31 juli 1622 drong Stad en Lande aan op een eigen kamer binnen de West-Indische Compagnie. Het gewest wilde niet uitsluitend geld bijeenbrengen voor een onderneming waarvan de besluiten elders werden genomen. Een afzonderlijke kamer bood mogelijkheden om bewindhebbers te benoemen, financiële belangen te behartigen en deel te nemen aan de organisatie van handels- en oorlogsactiviteiten. Achter deze wens lagen bestaande bestuurlijke verhoudingen. Groningen en de Ommelanden waren sinds 1594 in één gewest samengebracht, maar hun belangen liepen niet altijd gelijk. Deelname aan de WIC bood een gelegenheid om gezamenlijk op te treden tegenover de grotere handelscentra van de Republiek.
De onderhandelingen over de noordelijke vertegenwoordiging hadden ook betekenis voor Friesland, dat eveneens belang had bij de nieuwe onderneming. De verdeling van bevoegdheden moest passen binnen de politieke verhoudingen tussen de gewesten. Voor Stad en Lande was het resultaat belangrijk omdat financiële deelname daarmee werd verbonden aan bestuurlijke invloed. De kamer kon de Groningse belangen vertegenwoordigen, maar bleef afhankelijk van besluiten binnen de gezamenlijke WIC. De oprichting bracht dus geen zelfstandige Groningse koloniale macht voort. Zij gaf het gewest een plaats binnen een groter netwerk waarin de Staten-Generaal, de Heren Negentien en de verschillende kamers gezamenlijk richting gaven aan de Atlantische activiteiten.
Het verlangen naar een eigen kamer laat zien dat de bestuurders van Stad en Lande de nieuwe onderneming niet uitsluitend als een belegging beschouwden. Bestuurlijke vertegenwoordiging bood de mogelijkheid om deel te nemen aan de verdeling van verantwoordelijkheden en invloed. Wie een plaats aan de bestuurstafel had, kon eerder kennisnemen van financiële besluiten en plannen voor handelsreizen. Tegelijkertijd moest de kamer rekening houden met de grotere financiële macht van andere deelnemers. Groningen kon zijn belangen verdedigen, maar kon niet zelfstandig bepalen welke oorlogen de WIC voerde of welke gebieden zij probeerde te veroveren.
Voor de Ommelanden betekende de gezamenlijke kamer dat hun naam en belangen deel uitmaakten van de nieuwe organisatie. Dat maakte de verhouding met de stad echter niet eenvoudig. De bestaande verschillen in grondbezit, economische activiteiten en politieke invloed verdwenen niet door deelname aan een Atlantische onderneming. De vraag wie namens het gewest mocht optreden, bleef verbonden met de machtsverhoudingen binnen Stad en Lande. De oprichting van de kamer moet daarom worden begrepen als een bestuurlijk compromis dat een gezamenlijke vertegenwoordiging mogelijk maakte, zonder de oudere regionale tegenstellingen volledig op te lossen.
26 oktober 1622 — Veertien bewindhebbers krijgen de leiding in Groningen
Op 26 oktober 1622 werden de eerste veertien bewindhebbers van de Kamer Stad en Lande aangewezen. Zij vormden de bestuurlijke kern van de Groningse WIC-organisatie. Hun werkzaamheden hadden betrekking op de financiën, de vertegenwoordiging van de kamer en de uitvoering van besluiten die binnen de compagnie werden genomen. De bewindhebbers kwamen uit maatschappelijke kringen waarin vermogen en bestuurlijke invloed nauw met elkaar verbonden waren. Voor gewone schippers, knechten en arbeiders was een dergelijke functie niet bereikbaar. De WIC kreeg daarmee een plaats binnen de bestaande Groningse regentenwereld, waarin politieke functies, familiebelangen en financiële investeringen elkaar konden versterken.
Tot de vroege betrokken bestuurders behoorde Nicolaus Mulerius, hoogleraar aan de Groningse universiteit. Ook Joachim Altingh en Johan Sickinghe komen in de vroege geschiedenis van de kamer naar voren. Hun betrokkenheid laat zien dat de WIC niet uitsluitend een onderneming van zeevarende kooplieden was. Zij werd eveneens gedragen door bestuurders en andere vermogende personen die via hun maatschappelijke positie toegang hadden tot kapitaal en besluitvorming. De precieze functies en benoemingsdata van afzonderlijke betrokkenen moeten aan de oorspronkelijke bestuursstukken worden gekoppeld. Hun aanwezigheid maakt echter duidelijk hoe de Atlantische onderneming werd opgenomen in de bestaande machtsstructuren van Stad en Lande.
De bewindhebbers kregen te maken met beslissingen waarvan de gevolgen moeilijk te overzien waren. Een handelsuitrusting vereiste geld voordat een schip vertrok. De bemanning moest worden betaald, handelsgoederen moesten worden aangeschaft en de reis moest worden georganiseerd. Daarna kon het maanden duren voordat berichten over de onderneming terugkeerden. Een schip kon onderweg verloren gaan of de handel kon minder opleveren dan verwacht. De bestuurders moesten daardoor omgaan met onzekerheid en onvolledige informatie. Hun beslissingen betroffen niet alleen de verdeling van kapitaal, maar ook de inzet van mensen die het gevaarlijke werk op zee verrichtten.
De samenstelling van het bestuur maakte duidelijk wie binnen de Groningse samenleving toegang had tot deze nieuwe economische mogelijkheden. Vermogende families en bestuurlijke netwerken konden deelnemen aan de besluitvorming. De meeste inwoners hadden die mogelijkheid niet. Toch konden de gevolgen van de WIC indirect verder reiken dan de kring van aandeelhouders. Administratieve werkzaamheden, leveranties en financiële transacties konden met de onderneming verbonden raken. Hoe omvangrijk deze plaatselijke economische effecten waren, moet uit afzonderlijke rekeningen blijken. Het bestaan van een kamer bewijst op zichzelf niet dat de WIC een grote nieuwe werkgelegenheid in Groningen tot stand bracht.
1622–1623 — Groningse bestuurders en kooplieden leggen hun geld in
De oprichting van de Kamer Stad en Lande vereiste aanzienlijke financiële middelen. Het stadsbestuur van Groningen nam volgens het gemeentelijke onderzoek aanvankelijk voor 30.000 gulden deel. Ook andere publieke instellingen en particuliere aandeelhouders brachten geld bijeen. Daarmee ontstond een financiering waarin overheidsgeld en particulier vermogen samenkwamen. Voor de stad was dit een bestuurlijke beslissing met financiële gevolgen. Het ingelegde geld kon worden gebruikt voor schepen, bewapening, handelsgoederen en militaire expedities, maar de opbrengsten waren onzeker. Een succesvolle onderneming kon dividend opleveren; het verlies van schepen of de mislukking van een expeditie kon het geïnvesteerde vermogen aantasten.
Onder de belangrijke particuliere investeerders bevonden zich Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga. In de eerder onderzochte aandeelhoudersgegevens worden voor hen bedragen genoemd van respectievelijk 33.750, 20.000 en 9.750 gulden. Deze bedragen vertegenwoordigen aanzienlijke financiële belangen. Zij laten zien dat vermogende Groningers bereid waren hun kapitaal te verbinden aan een onderneming waarvan de resultaten afhankelijk waren van gebeurtenissen op zee. Voor de Groningse kamer wordt in het eerdere onderzoek bovendien een totaal van 836.975 gulden genoemd. Dat bedrag moet worden onderscheiden van latere financiële overzichten. De omvang van de inschrijvingen laat zien dat de noordelijke betrokkenheid verder ging dan een symbolische vertegenwoordiging.
De bedragen maken zichtbaar hoe groot de afstand was tussen de vermogende investeerders en de mensen die voor hun dagelijks bestaan afhankelijk waren van loonarbeid of kleine handelsactiviteiten. Een aandeel van duizenden guldens vertegenwoordigde een vermogen dat voor veel inwoners buiten bereik lag. De mogelijkheid om in de WIC te investeren was daardoor ongelijk verdeeld. Wie over voldoende geld beschikte, kon deelnemen aan een onderneming die mogelijk aanzienlijke opbrengsten zou opleveren. Wie dat vermogen niet had, kon hoogstens op andere manieren bij de activiteiten betrokken raken, bijvoorbeeld door werk op een schip of bij de voorbereiding van een handelsreis.
Het stadsbestuur nam met zijn financiële deelname een andere positie in dan particuliere aandeelhouders. Het gebruikte middelen waarover het als overheid beschikte en verbond daarmee stedelijke belangen aan de resultaten van een overzeese onderneming. De verwachte opbrengsten konden aantrekkelijk zijn, maar het verlies van kapitaal zou eveneens gevolgen hebben gehad. De beslissing laat zien hoe nauw publieke financiën en particuliere handel in de zeventiende eeuw met elkaar konden worden verbonden. De WIC bood de stad niet alleen een mogelijke inkomstenbron, maar ook een middel om haar plaats binnen de Republiek en de internationale handel te versterken.
1623 — De eerste Groningse handelsuitrusting naar Guinea
In 1623 registreerde de Kamer Stad en Lande een handelsuitrusting voor Guinea ter waarde van 67.441 gulden. Daarmee kreeg de Groningse deelname aan de WIC een concrete plaats in de Atlantische handel. Guinea was in de zeventiende eeuw een ruime Europese aanduiding voor delen van de West-Afrikaanse kust. Daar bestonden eigen politieke gemeenschappen, handelsplaatsen en economische netwerken. Europese handelaren waren voor hun activiteiten afhankelijk van plaatselijke contacten en onderhandelingen. De Groningse registratie laat zien dat de kamer geld beschikbaar stelde voor handel met West-Afrika. Zij bewijst echter niet zonder meer dat het betrokken schip vanuit de stad Groningen vertrok of dat de teruggebrachte goederen daar werden gelost.
De handel met West-Afrika was voor de WIC van belang omdat de compagnie niet uitsluitend op oorlogsbuit kon vertrouwen. Zij moest ook inkomsten verwerven uit de uitwisseling van goederen. Aan de Afrikaanse kust werden onder meer goud, ivoor en andere producten verhandeld. De Atlantische economie was bovendien verbonden met de handel in tot slaaf gemaakte mensen, al moet voor iedere afzonderlijke Groningse reis worden onderzocht welke goederen daadwerkelijk werden vervoerd. De uitrustingswaarde van 67.441 gulden geeft inzicht in de omvang van de financiële inzet, maar niet rechtstreeks in de winst. Daarvoor zijn de ladinglijsten, verkooprekeningen en kosten van de reis nodig.
Een handelsreis naar West-Afrika was afhankelijk van veel meer dan de beschikbaarheid van geld. De betrokken schepen moesten de Noordzee en de Atlantische Oceaan oversteken. Aan de Afrikaanse kust kwamen zij terecht in gebieden waar plaatselijke machthebbers en kooplieden hun eigen belangen behartigden. Europese handelaren konden daar niet zonder meer bepalen onder welke voorwaarden goederen werden uitgewisseld. De handel vereiste contacten, onderhandelingen en kennis van bestaande markten. Voor de bewindhebbers in Groningen waren de resultaten van zulke contacten vooral zichtbaar via berichten en rekeningen die na verloop van tijd de Republiek bereikten.
De registratie van een handelsuitrusting is daarom een belangrijk, maar begrensd historisch gegeven. Zij toont dat geld werd ingezet voor een reis, maar geeft niet automatisch antwoord op vragen over vertrekhaven, scheepsnaam, bemanning, handelsgoederen of bestemming binnen West-Afrika. Om die gegevens vast te stellen, zijn aanvullende bronnen nodig. Dat onderscheid voorkomt dat de geschiedenis van de Kamer Stad en Lande wordt verward met een onbewezen geschiedenis van rechtstreekse scheepvaart vanuit Groningen. De betrokkenheid van het gewest kan financieel en bestuurlijk aantoonbaar zijn, ook wanneer de feitelijke reis vanuit een andere haven werd georganiseerd.
1624 — Het West-Indisch Huis vestigt zich aan de Munnekeholm
De Kamer Stad en Lande gebruikte aanvankelijk een onderkomen in de Ebbingestraat. Vanaf 1624 werd het voormalige refugium van het klooster Aduard aan de Munnekeholm haar bekende vestigingsplaats. Daarmee kreeg de Atlantische onderneming een zichtbaar adres in Groningen. Het gebouw had zijn oorsprong in de middeleeuwse kloosterwereld en was na de Reductie van 1594 onder andere bestuurlijke verhoudingen gekomen. Nu werd het gebruikt door bewindhebbers die zich bezighielden met investeringen, scheepsuitrustingen en besluiten van de WIC. De verandering van functie weerspiegelde hoe de politieke en religieuze omwentelingen in Groningen ook gevolgen hadden voor het gebruik van gebouwen en stedelijke bezittingen.
In het West-Indisch Huis kwamen de bewindhebbers bijeen om de belangen van de kamer te behandelen. Zij moesten financiële gegevens beoordelen, besluiten voorbereiden en contact onderhouden met andere kamers en het centrale bestuur. Gebeurtenissen aan de Afrikaanse kust of in Amerika konden daardoor onderwerp worden van besprekingen aan de Munnekeholm. Toch moet de betekenis van dit gebouw zorgvuldig worden onderscheiden van die van een handelshaven. Het bestaan van een WIC-kantoor bewijst bestuurlijke en financiële betrokkenheid, maar niet dat alle Atlantische goederen rechtstreeks in Groningen werden aangevoerd. Schepen konden elders worden uitgerust en opbrengsten konden via andere havens of financiële instellingen worden verwerkt.
De vestiging aan de Munnekeholm bracht verschillende perioden uit de Groningse geschiedenis op één plaats samen. Het gebouw was ontstaan binnen een religieuze wereld waarin kloosters een belangrijke rol speelden bij bezit, bestuur en economische activiteiten. Na de Reductie veranderden de machtsverhoudingen en kregen voormalige kerkelijke bezittingen andere functies. De aanwezigheid van de WIC maakte het gebouw vervolgens onderdeel van een onderneming die haar belangen tot over de Atlantische Oceaan uitbreidde. De geschiedenis van het pand laat daardoor zien hoe veranderingen in geloof, bestuur en handel ook in de bebouwde omgeving van Groningen zichtbaar konden worden.
Het West-Indisch Huis was in de eerste plaats een plaats van besluitvorming. Daar konden de belangen van de kamer worden besproken, maar de uitkomst van de ondernemingen werd elders bepaald. Een storm op zee, een verloren schip of een militaire nederlaag in Brazilië kon gevolgen hebben voor de financiële positie van de Groningse investeerders. De afstand tussen het bestuursgebouw en de plaatsen waar de schepen opereerden, maakte betrouwbare informatie bijzonder belangrijk. De bewindhebbers waren afhankelijk van verslagen, correspondentie en boekhoudkundige gegevens. Hun invloed was groot binnen de kamer, maar hun kennis van gebeurtenissen overzee bleef noodzakelijkerwijs beperkt.
1624–1625 — De verovering en het verlies van Salvador in Brazilië
In 1624 richtte de West-Indische Compagnie haar militaire aandacht op Salvador da Bahia, een belangrijk centrum van Portugees-Brazilië. Een Nederlandse vloot onder leiding van Jacob Willekens en Piet Hein veroverde de stad in mei van dat jaar. De aanval maakte deel uit van de strategie om de Portugese koloniale economie te treffen en de Republiek toegang te geven tot waardevolle handelsgebieden. Brazilië was belangrijk vanwege de productie van suiker, die in Europa een grote commerciële betekenis had. De suikerplantages waren afhankelijk van omvangrijke arbeidssystemen waarin de slavernij van Afrikanen een steeds grotere plaats innam. De verovering bracht de WIC daardoor rechtstreeks in aanraking met de bestaande koloniale verhoudingen.
In 1625 werd Salvador heroverd door een grote Spaans-Portugese vloot. Daarmee kwam een einde aan de eerste Nederlandse bezetting van de stad. Het verlies maakte duidelijk hoe kwetsbaar een koloniale verovering kon zijn wanneer de tegenstander over voldoende militaire middelen beschikte. Voor de WIC betekende het dat aanzienlijke uitgaven niet automatisch tot blijvende inkomsten leidden. De compagnie had schepen en soldaten ingezet, maar verloor haar belangrijkste Braziliaanse steunpunt. De ervaring beïnvloedde de verdere plannen voor de oorlog in het Atlantische gebied. Voor Groningen onderstreepte zij dat deelname aan de WIC niet alleen uitzicht bood op winst, maar ook langdurige financiële verplichtingen en militaire risico's met zich meebracht.
De betekenis van Salvador lag niet uitsluitend in de militaire positie van de stad. De haven vormde een toegang tot een koloniaal gebied waar suikerproductie en internationale handel met elkaar verbonden waren. Suiker was een waardevol product op de Europese markt, maar de productie ervan vereiste land, installaties, kapitaal en grote hoeveelheden arbeid. Plantage-eigenaren hadden belang bij het behoud van hun productie en handelsverbindingen. De Nederlandse aanval bedreigde daardoor bestaande economische belangen, terwijl de WIC hoopte toegang te krijgen tot de opbrengsten van dezelfde koloniale economie. De strijd om Salvador was dus ook een strijd om de controle over arbeid en productie.
Voor de tot slaaf gemaakte mensen op de plantages betekende een verandering van koloniaal gezag niet vanzelfsprekend vrijheid. De WIC richtte haar aandacht op gebieden waar de bestaande productie afhankelijk was van dwangarbeid. Een onderneming die zulke gebieden wilde behouden en economisch benutten, moest zich verhouden tot die arbeidsverhoudingen. De geschiedenis van de Nederlandse aanwezigheid in Brazilië kan daarom niet uitsluitend worden verteld vanuit het perspectief van admiraals, soldaten en investeerders. Ook de mensen die het werk op de plantages verrichtten, maakten deel uit van de economische werkelijkheid waarvoor de strijd werd gevoerd.
1624–1626 — De Kamer Stad en Lande blijft handelsreizen financieren
Terwijl de strijd om Salvador voortduurde, zette de Kamer Stad en Lande haar handelsactiviteiten voort. Voor 1624 werd een uitrusting naar Guinea geregistreerd ter waarde van 80.501 gulden. Dat bedrag was hoger dan de 67.441 gulden die voor 1623 was genoemd. De cijfers laten zien dat de kamer opnieuw middelen beschikbaar stelde voor de West-Afrikaanse handel. Zij vertellen echter niet zonder meer welke goederen werden aangekocht, hoe groot het schip was of hoeveel winst de reis opleverde. De kosten van handelsuitrustingen moesten bovendien worden gedragen voordat duidelijk was of de betrokken schepen veilig zouden terugkeren en hun lading konden verkopen.
In 1626 werd voor twee schepen samen een handelsuitrusting naar Guinea geregistreerd ter waarde van 150.308 gulden. Het bedrag was aanzienlijk en maakte duidelijk dat de Kamer Stad en Lande haar betrokkenheid bij de West-Afrikaanse handel voortzette. De registratie van twee schepen is belangrijk omdat zij concreter is dan een algemene vermelding van handel. Er werden middelen beschikbaar gesteld voor afzonderlijke reizen waarvan de uitrusting moest worden georganiseerd en betaald. De handel bleef afhankelijk van omstandigheden die de Groningse bewindhebbers niet volledig konden beheersen, zoals weersomstandigheden, concurrentie, lokale politieke verhoudingen en de veiligheid van de vaarroutes.
De voortzetting van de handelsuitrustingen laat zien dat de Groningse kamer niet uitsluitend afhankelijk was van de militaire plannen in Brazilië. De WIC combineerde verschillende activiteiten en probeerde daarmee inkomsten te verwerven uit handel en oorlogvoering. Voor investeerders betekende dit dat hun geld aan uiteenlopende risico's was blootgesteld. Een handelsreis kon succesvol verlopen terwijl een militaire expeditie mislukte, maar het omgekeerde was eveneens mogelijk. De bewindhebbers moesten daarom de financiële verplichtingen van de kamer blijven beoordelen. De rekeningen geven een beeld van de omvang van de inzet, maar slechts gedeeltelijk van de uiteindelijke resultaten.
Het bedrag van 150.308 gulden voor twee schepen in 1626 is bovendien belangrijk voor de verhouding tussen Groningen en de feitelijke scheepvaart. De administratie maakt zichtbaar dat de kamer bij meerdere schepen betrokken was. Daarmee wordt de Atlantische deelname concreter dan wanneer uitsluitend wordt gesproken over aandelenbezit. Toch blijft het noodzakelijk om de schepen afzonderlijk te identificeren voordat hun routes kunnen worden beschreven. Zonder scheepsnamen en reisjournalen kan niet worden vastgesteld welke havens zij aandeden of welke goederen zij vervoerden. De geschiedenis van de WIC vraagt daarom om een combinatie van financiële bronnen en gegevens over de daadwerkelijke reizen.
1627 — De Gambiahandel krijgt een afzonderlijke plaats in de rekeningen
In 1627 registreerde de Kamer Stad en Lande een uitrusting voor de Gambia ter waarde van 13.501 gulden. De vermelding is belangrijk omdat zij een concreter geografisch gebied aanwijst dan de algemene aanduiding Guinea. De Gambia vormde een riviergebied met bestaande Afrikaanse handelsnetwerken, waar Europese kooplieden toegang zochten tot goederen en handelscontacten. Voor de Groningse kamer betekende de uitrusting een nieuwe financiële verplichting. De reis moest worden voorbereid en betaald voordat bekend was welke opbrengsten konden worden gerealiseerd. De registratie maakt de betrokkenheid van Stad en Lande bij de West-Afrikaanse handel tastbaar, maar laat nog veel vragen over de precieze lading en bemanning open.
Voor 1627 wordt in de eerder onderzochte handelsrekening een goederenopbrengst van 31.739 gulden genoemd. Dat bedrag is hoger dan de geregistreerde uitrustingswaarde, maar beide cijfers mogen niet zonder verdere controle worden gebruikt om de nettowinst van één reis te berekenen. Het is noodzakelijk vast te stellen welke uitgaven en opbrengsten bij elkaar horen. Kosten voor bemanning, onderhoud, verzekering, verkoop en andere verplichtingen konden de uiteindelijke uitkomst beïnvloeden. De cijfers laten wel zien dat de handel met de Gambia in de financiële administratie van de kamer zichtbaar werd. Daarmee ontstond een concreet verband tussen Gronings kapitaal en handelsactiviteiten aan de West-Afrikaanse kust.
De Gambia was geen leeg gebied waarin Europese handelaren zonder tegenstand of onderhandelingen hun activiteiten konden beginnen. Langs de rivier bestonden gemeenschappen en handelsnetwerken die al vóór de komst van de WIC functioneerden. Europese kooplieden moesten zich verhouden tot plaatselijke machthebbers en bestaande economische belangen. De handel werd daardoor niet uitsluitend bepaald door de besluiten van bewindhebbers in Groningen. Ook de omstandigheden aan de Afrikaanse kust hadden invloed op prijzen, beschikbaarheid van goederen en het verloop van handelscontacten. Een volledig onderzoek naar de Gambiahandel moet daarom zowel Nederlandse als Afrikaanse historische verhoudingen betrekken.
Voor de geschiedenis van Groningen zijn de geregistreerde bedragen van bijzonder belang omdat zij een concreet aanknopingspunt bieden. Algemene uitspraken over betrokkenheid bij de Atlantische wereld kunnen daardoor worden verbonden aan een bepaald jaar, een bestemming en een financiële waarde. Tegelijkertijd blijft de inhoud van de handel een afzonderlijke onderzoeksvraag. De aanwezigheid van de WIC in West-Afrika maakt betrokkenheid bij de bredere koloniale economie aannemelijk, maar bewijst niet automatisch dat een specifieke Groningse uitrusting tot slaaf gemaakte mensen vervoerde. Daarvoor zijn bronnen nodig waarin de lading, transacties of betrokken personen daadwerkelijk worden genoemd.
1628 — De uitrusting voor de Gambia wordt uitgebreid
In 1628 registreerde de Kamer Stad en Lande opnieuw een uitrusting voor de Gambia, ditmaal ter waarde van 25.980 gulden. Het bedrag was hoger dan de 13.501 gulden van het voorgaande jaar. De stijging kan verschillende oorzaken hebben gehad, zoals een andere samenstelling van de handelsgoederen, hogere prijzen of gewijzigde uitrustingskosten. Zij bewijst niet dat het betrokken schip groter was of dat de reis winstgevender zou worden. Wel toont de registratie dat de kamer haar belangstelling voor het Gambiagebied behield. De handel werd voortgezet ondanks de risico's van de lange overtocht en de concurrentie tussen verschillende Europese handelsorganisaties.
Voor 1628 wordt een goederenopbrengst van 67.049 gulden genoemd. Dat was aanzienlijk meer dan de geregistreerde opbrengst voor 1627. Zonder de oorspronkelijke ladinglijsten en verkooprekeningen kan echter niet worden vastgesteld welke goederen verantwoordelijk waren voor het verschil. De bedragen tonen vooral hoe belangrijk nauwkeurige boekhouding was voor een onderneming die op grote afstand opereerde. Voor de bewindhebbers in Groningen vormden zulke rekeningen een middel om de resultaten van hun investeringen te beoordelen. De handelsactiviteiten aan de Afrikaanse kust waren daardoor niet alleen een kwestie van scheepvaart, maar ook van administratie, krediet en financiële verantwoording.
De hogere geregistreerde opbrengst maakt het verleidelijk om de Gambiahandel als bijzonder winstgevend te beschrijven. Toch zou dat zonder aanvullende gegevens een te eenvoudige conclusie zijn. Een opbrengst is niet hetzelfde als winst, omdat de kosten van een onderneming moeten worden meegerekend. Bovendien moet worden vastgesteld of de bedragen betrekking hebben op dezelfde reis of op verschillende boekhoudkundige perioden. De financiële administratie van een compagnie kan ingewikkeld zijn wanneer uitgaven en inkomsten op verschillende momenten worden geboekt. Een zorgvuldig historisch verhaal moet daarom de betekenis van de cijfers uitleggen zonder er meer uit af te leiden dan de bronnen toelaten.
De herhaalde uitrustingen voor Guinea en de Gambia laten ondertussen wel een duidelijke ontwikkeling zien. De Kamer Stad en Lande bleef gedurende meerdere jaren geld beschikbaar stellen voor handel met West-Afrika. Dat maakt de betrokkenheid van Groningen tot een structureel onderdeel van de vroege geschiedenis van de WIC. Het ging niet om één toevallige investering of uitsluitend om een bestuurlijke benoeming. De kamer had een plaats binnen een onderneming die daadwerkelijk schepen naar Atlantische handelsgebieden stuurde. De vraag welke economische en menselijke gevolgen deze activiteiten ter plaatse hadden, vraagt om verder onderzoek naar de afzonderlijke reizen en handelscontacten.
8 september 1628 — Piet Hein verovert de Spaanse zilvervloot
Op 8 september 1628 behaalde de West-Indische Compagnie een uitzonderlijke overwinning bij Cuba. Een Nederlandse vloot onder leiding van Piet Hein onderschepte in de Baai van Matanzas schepen van de Spaanse zilvervloot. Hendrick Cornelisz. Loncq behoorde eveneens tot de belangrijke bevelhebbers van de onderneming. De Spaanse schepen vervoerden waardevolle goederen uit de Amerikaanse bezittingen van de monarchie. De Nederlanders wisten een groot deel van de lading in handen te krijgen. De verovering was een militaire slag tegen Spanje, maar had voor de WIC vooral een uitzonderlijke financiële betekenis. De compagnie beschikte plotseling over een buit die de opbrengsten van gewone handelsreizen ver overtrof.
De overwinning maakte Piet Hein tot een bekende figuur in de Republiek, maar de verovering was het resultaat van het werk van veel meer mensen. Matrozen bestuurden de schepen, bedienden de zeilen en verrichtten het zware werk aan boord. Soldaten en kanonniers waren betrokken bij de militaire operatie. Na de verovering moesten de schepen en hun lading veilig naar de Republiek worden gebracht. De goederen moesten worden geregistreerd, gewaardeerd en financieel verwerkt. Pas daarna kon worden vastgesteld welke bedragen beschikbaar waren voor uitkeringen en nieuwe ondernemingen. De zilvervloot was daardoor niet alleen een overwinning op zee, maar ook een omvangrijke administratieve en financiële operatie.
De Spaanse zilvervloot maakte deel uit van een groter koloniaal systeem. De rijkdommen die vanuit Amerika naar Europa werden vervoerd, waren verbonden met de overheersing van Amerikaanse gebieden en de arbeid die daar werd verricht. De verovering door de WIC veranderde de bestemming van een deel van die rijkdom. Geld en goederen die voor de Spaanse monarchie waren bestemd, kwamen nu in Nederlandse handen terecht. Daarmee werd de oorlog tegen Spanje rechtstreeks verbonden met de koloniale economie van Amerika. De financiële gevolgen van die gebeurtenis zouden ook in Groningen merkbaar worden, hoewel de stad duizenden kilometers van Cuba verwijderd lag.
De betekenis van de overwinning lag eveneens in het verschil tussen een geplande onderneming en het uiteindelijke resultaat. De WIC kon schepen uitrusten en een vijandelijke vloot proberen te onderscheppen, maar zij kon het succes niet garanderen. De omstandigheden op zee, de bewegingen van de Spaanse schepen en de beslissingen van de bevelhebbers waren bepalend voor de afloop. Voor de investeerders vormde de buit een uitzonderlijke meevaller. Zij liet zien hoe groot de opbrengst van kaapvaart kon zijn, maar maakte ook duidelijk dat dergelijke inkomsten afhankelijk waren van militaire gebeurtenissen die zich niet eenvoudig lieten herhalen.
1628–1629 — De zilvervloot verandert de financiële positie van de WIC
De opbrengsten van de zilvervloot boden de West-Indische Compagnie mogelijkheden om aandeelhouders uit te betalen en nieuwe militaire plannen te financieren. De onderneming had sinds haar oprichting aanzienlijke bedragen uitgegeven aan schepen, bewapening, handelsreizen en expedities. Het succes bij Cuba liet zien dat kaapvaart grote financiële resultaten kon opleveren. Tegelijkertijd bleef de WIC afhankelijk van nieuwe inkomsten. Een uitzonderlijke overwinning kon niet garanderen dat volgende expedities eveneens succesvol zouden zijn. De compagnie moest daarom blijven afwegen hoeveel geld aan aandeelhouders werd uitgekeerd en welk deel beschikbaar moest blijven voor toekomstige handels- en oorlogsactiviteiten.
Ook de verdeling van buitgelden onder bemanningsleden vereiste financiële afwikkeling. Notariële documenten uit 1629 laten zien dat zeelieden hun aanspraken op gages en buitgelden lieten vastleggen of regelen. Voor sommige bemanningsleden waren deze bedragen verbonden met schulden of achterstallige betalingen. De opbrengst van de zilvervloot werkte daardoor niet alleen door in de boekhouding van de WIC, maar ook in de persoonlijke financiële omstandigheden van mensen die de reis hadden meegemaakt. De verdeling was ongelijk en hing af van functie, afspraken en rechten binnen de onderneming. Het succes op zee kreeg daarmee uiteenlopende gevolgen voor bestuurders, aandeelhouders, officieren en gewone bemanningsleden.
De financiële afwikkeling van de buit laat zien dat een militaire overwinning niet automatisch betekende dat het geld onmiddellijk beschikbaar was. De waarde van de veroverde goederen moest worden vastgesteld en de verschillende aanspraken moesten worden verwerkt. Daarbij hadden de compagnie, de overheid, aandeelhouders en betrokken bemanningsleden ieder hun eigen belangen. De verdeling van de opbrengsten maakte deel uit van een ingewikkeld stelsel van rechten en verplichtingen. Voor de Groningse investeerders was vooral van belang welk deel uiteindelijk als uitkering beschikbaar kwam. De gebeurtenissen bij Cuba kregen daardoor pas na verloop van tijd een concrete plaats in de stedelijke financiën.
Het succes van de zilvervloot kon bovendien de verwachtingen van investeerders beïnvloeden. Een onderneming die jarenlang aanzienlijke kosten had gemaakt, beschikte plotseling over een uitzonderlijke opbrengst. Dat kon het vertrouwen in de WIC versterken en nieuwe plannen aantrekkelijker maken. Tegelijkertijd bestond het gevaar dat een eenmalige overwinning werd beschouwd als bewijs dat toekomstige militaire ondernemingen eveneens winstgevend zouden zijn. De verdere geschiedenis van de compagnie zou laten zien dat koloniale oorlogvoering grote bedragen kon blijven vergen. De zilvervloot was daarom een belangrijk keerpunt, maar geen definitieve oplossing voor de financiële problemen van de WIC.
1629 — De stad Groningen ontvangt geld uit de zilvervloot
Volgens het gemeentelijke onderzoek ontving het stadsbestuur van Groningen in 1629 een uitkering van 11.250 gulden uit de opbrengsten van de zilvervloot. In 1630 volgde nog eens 22.500 gulden. Samen bedroegen deze uitkeringen 33.750 gulden. Daarmee werd zichtbaar dat de financiële gevolgen van de Atlantische oorlog ook in Groningen terechtkwamen. De stad had geld in de compagnie gestoken en ontving nu een opbrengst die voortkwam uit de verovering van Spaanse schepen bij Cuba. Het onderscheid tussen de verovering in 1628 en de betalingen in 1629 en 1630 is belangrijk voor de chronologie van de gebeurtenissen.
De Groningse ontvangsten laten zien hoe een oorlog duizenden kilometers verderop gevolgen kon hebben voor de stedelijke financiën. Het geld werd niet verdiend door landbouw of handel op de plaatselijke markt, maar kwam voort uit een militaire operatie tegen de Spaanse monarchie. Voor particuliere aandeelhouders konden eveneens uitkeringen beschikbaar komen. Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga hadden aanzienlijke bedragen geïnvesteerd, maar zonder afzonderlijke dividendregisters kan niet worden vastgesteld hoeveel ieder van hen persoonlijk ontving. De omvang van hun oorspronkelijke aandelenbezit is daarvoor onvoldoende. De financiële geschiedenis van de WIC vraagt daarom om een zorgvuldig onderscheid tussen inschrijvingen, daadwerkelijke betalingen, uitkeringen en herbeleggingen.
De bedragen zijn belangrijk omdat zij een directe verbinding leggen tussen de Groningse stadsfinanciën en de Atlantische oorlog. De oorspronkelijke stedelijke deelname bedroeg volgens het genoemde onderzoek 30.000 gulden. De twee vermelde uitkeringen samen kwamen uit op 33.750 gulden. Toch mag uit deze vergelijking niet zonder meer worden geconcludeerd dat de stad een nettowinst van 3.750 gulden behaalde. Daarvoor moet bekend zijn welke bedragen daadwerkelijk waren gestort, welke verplichtingen nog openstonden en hoe de uitkeringen in de stedelijke rekeningen werden verwerkt. De vergelijking laat vooral zien dat de financiële betrokkenheid van Groningen aantoonbare ontvangsten opleverde.
Voor het stadsbestuur vormden de uitkeringen een concreet resultaat van een besluit dat enkele jaren eerder was genomen. De deelname aan de WIC had aanvankelijk onzekerheden met zich meegebracht. Schepen konden verloren gaan en militaire expedities konden mislukken. De zilvervloot veranderde die situatie tijdelijk doordat de onderneming een grote buit verwierf. Het geld dat uiteindelijk in Groningen terechtkwam, was daarmee verbonden aan de uitkomst van een militaire operatie in het Caribische gebied. De stad werd financieel begunstigd door een oorlog die ver buiten haar eigen grondgebied werd gevoerd.
1629 — Een huurcontract in Delfzijl roept vragen op over de havenhandel
In het eerdere onderzoek kwam een huurcontract uit 1629 naar voren dat met activiteiten van de West-Indische Compagnie in Delfzijl in verband wordt gebracht. Het document is belangrijk omdat het een concrete aanwijzing kan bieden voor de aanwezigheid van de onderneming in de noordelijke haven. Delfzijl had via de Eems toegang tot zee en vormde daardoor een mogelijke schakel tussen het gewest en de internationale scheepvaart. De precieze betekenis van het huurcontract hangt echter af van de inhoud. Een gehuurde ruimte kon verschillende functies hebben, zoals opslag, administratie of ondersteuning van scheepsactiviteiten. Zonder aanvullende gegevens kan niet worden vastgesteld welke goederen er daadwerkelijk aanwezig waren.
Dit onderscheid is vooral van belang voor de geschiedenis van de Braziliaanse suikerhandel. De WIC was betrokken bij de strijd om Braziliaanse productiegebieden, terwijl Amsterdam een aantoonbaar belangrijk centrum voor de aanvoer en verwerking van Atlantische goederen was. De aanwezigheid van een WIC-kamer in Groningen en een mogelijk huurcontract in Delfzijl bewijzen niet dat Braziliaanse suiker rechtstreeks in deze noordelijke haven werd gelost. Daarvoor zijn scheepsjournalen, havenrekeningen, vrachtbrieven of andere concrete documenten nodig. De historische betekenis van Delfzijl mag daarom niet worden overdreven, maar evenmin zonder onderzoek worden uitgesloten. Juist de nog openstaande vragen maken de haven een belangrijk onderwerp voor verder bronnenonderzoek.
De vraag waar goederen werden gelost, raakt aan de kern van de economische betekenis van de Kamer Stad en Lande. Een gewest kon investeren in overzeese handel zonder dat de betrokken schepen zijn eigen havens aandeden. De financiële opbrengsten konden via de administratie van de compagnie worden verdeeld, terwijl de goederen elders werden opgeslagen en verkocht. Daardoor is het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen bestuurlijke betrokkenheid, financiering, scheepvaart en fysieke goederenstromen. Alleen wanneer deze verschillende onderdelen afzonderlijk worden onderzocht, kan worden vastgesteld welke economische gevolgen de WIC daadwerkelijk voor Groningen en Delfzijl had.
Het huurcontract vormt daarom geen bewijs voor een omvangrijke Groningse suikerhandel, maar wel een aanwijzing die nader onderzoek verdient. De identiteit van de huurder, de ligging van het gehuurde gebouw en de omschrijving van het gebruik kunnen helpen om de functie vast te stellen. Daarnaast zijn gegevens nodig over schepen die Delfzijl aandeden en de goederen die daar werden geregistreerd. Het ontbreken van zulke gegevens betekent niet dat er geen contacten bestonden. Het betekent dat de beschikbare informatie nog onvoldoende is om een concrete handelsroute te reconstrueren. Voor een betrouwbaar historisch verhaal moet die onzekerheid zichtbaar blijven.
18 juni 1629 — Piet Hein sneuvelt en de Groningse handel gaat door
Piet Hein maakte de verdere ontwikkeling van de West-Indische Compagnie niet meer mee. Nadat hij een hoge functie binnen de oorlogsvloot van de Republiek had gekregen, sneuvelde hij op 18 juni 1629 tijdens een gevecht met Duinkerker kapers. Zijn dood maakte een einde aan de loopbaan van de man die door de verovering van de zilvervloot grote bekendheid had verworven. Voor de WIC betekende zijn overlijden niet het einde van de militaire activiteiten. De onderneming bleef schepen uitrusten en nieuwe expedities voorbereiden. De opbrengsten van de zilvervloot hadden haar financiële mogelijkheden vergroot, maar de oorlog tegen Spanje was nog lang niet voorbij.
In 1629 registreerde de Kamer Stad en Lande opnieuw een handelsuitrusting voor Guinea, ditmaal ter waarde van 106.521 gulden. Daarmee zette de Groningse kamer haar Afrikaanse handelsactiviteiten voort. De afzonderlijk genoemde uitrustingswaarden voor 1623, 1624, 1626, 1627, 1628 en 1629 bedragen samen 444.252 gulden. Dit totaal is een optelling van geregistreerde uitrustingswaarden en mag niet worden opgevat als nettowinst of als het oorspronkelijke aandelenkapitaal. De cijfers tonen wel dat de kamer in opeenvolgende jaren aanzienlijke middelen beschikbaar stelde voor handelsactiviteiten. Groningen was daardoor niet uitsluitend afhankelijk van de opbrengsten van de zilvervloot, maar bleef ook deelnemen aan de gewone Atlantische handel.
De voortzetting van de handelsuitrustingen na de overwinning bij Cuba laat zien dat de WIC verschillende inkomstenbronnen bleef nastreven. Kaapvaart kon uitzonderlijke buit opleveren, maar de handel bood mogelijkheden voor terugkerende activiteiten. Beide vormen van onderneming vergden kapitaal en organisatie. Voor de Kamer Stad en Lande betekende dit dat de bewindhebbers ook na de grote militaire overwinning nieuwe financiële verplichtingen moesten beoordelen. De geregistreerde uitrusting van 106.521 gulden maakt duidelijk dat de West-Afrikaanse handel een belangrijk onderdeel van de activiteiten bleef. Het succes van Piet Hein had de gewone handelsorganisatie niet overbodig gemaakt.
De optelling van de zes genoemde uitrustingswaarden biedt een indruk van de financiële schaal waarop de Groningse kamer opereerde. Tegelijkertijd is het totaal van 444.252 gulden geen volledig overzicht van alle inkomsten en uitgaven van de kamer. Het betreft uitsluitend de genoemde registraties en laat andere kosten en mogelijke activiteiten buiten beschouwing. De cijfers moeten daarom niet worden gebruikt om zonder verdere gegevens de totale winst of het economische belang voor Groningen te berekenen. Zij vormen wel een belangrijke aanwijzing voor de omvang van de betrokkenheid en bieden aanknopingspunten voor verder onderzoek naar afzonderlijke reizen.
1630 — De WIC begint een nieuwe veroveringsoorlog in Pernambuco
In 1630 begon de West-Indische Compagnie een nieuwe grote militaire onderneming in Brazilië. De Nederlandse vloot richtte zich op Pernambuco, een belangrijk suikerproducerend gebied aan de noordoostelijke kust. Onder leiding van Hendrick Cornelisz. Loncq werden Olinda en Recife veroverd. Daarmee kreeg de WIC opnieuw een steunpunt in een gebied waar de productie en uitvoer van suiker van grote economische betekenis waren. De verovering vormde het begin van een langduriger Nederlandse aanwezigheid in Brazilië, maar de strijd om het achterland en de suikerplantages was daarmee niet beslist. De compagnie moest rekening houden met Portugese tegenstand en de kosten van militaire bezetting.
De Braziliaanse suikerproductie was nauw verbonden met plantages, suikermolens en de arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. Door haar militaire expansie raakte de WIC betrokken bij een bestaande koloniale economie waarin dwangarbeid een belangrijke plaats innam. Voor Groningen betekende de verovering van Pernambuco dat de financiële belangen van de Kamer Stad en Lande verbonden raakten met een onderneming waarvan de gevolgen verder reikten dan de verwachtingen van de oorspronkelijke investeerders. De stad en haar aandeelhouders hadden geld beschikbaar gesteld voor handel en oorlogvoering. De verdere ontwikkeling van de compagnie zou laten zien hoe deze belangen ook verbonden raakten met koloniale overheersing en slavernij.
De keuze voor Pernambuco was niet toevallig. Het gebied had een grote betekenis binnen de Braziliaanse suikerproductie en beschikte over handelsverbindingen die voor Europese kooplieden aantrekkelijk waren. De WIC probeerde met de verovering niet alleen een militaire overwinning te behalen, maar ook toegang te krijgen tot de economische opbrengsten van het gebied. Daarvoor was het bezit van kustplaatsen onvoldoende. De compagnie moest rekening houden met de plantages in het achterland, de bestaande eigenaren en de mensen die de productie mogelijk maakten. De oorlog om Pernambuco was daardoor verbonden met de vraag wie de controle over grond, arbeid en handel zou uitoefenen.
Voor de Kamer Stad en Lande betekende de nieuwe Braziliaanse onderneming dat de belangen van Groningen verbonden bleven aan een langdurige koloniale oorlog. De verovering van Olinda en Recife leverde de WIC belangrijke steunpunten op, maar de militaire situatie bleef onzeker. De compagnie moest middelen beschikbaar stellen om haar positie te behouden en uit te breiden. De Groningse aandeelhouders waren onderdeel van dezelfde onderneming, ook wanneer zij niet rechtstreeks betrokken waren bij de uitvoering van de militaire operaties. Hun financiële deelname verbond hen aan de bredere resultaten en risico's van de WIC.
1630 — Groningen ontvangt een tweede uitkering uit de zilvervloot
In 1630 ontving het stadsbestuur van Groningen volgens het gemeentelijke onderzoek nog eens 22.500 gulden uit de opbrengsten van de zilvervloot. Samen met de uitkering van 11.250 gulden in 1629 bracht dit het genoemde totaal op 33.750 gulden. De betalingen vormden een concreet financieel resultaat van de deelname aan de West-Indische Compagnie. Tegelijkertijd moet dit succes worden afgezet tegen de bredere risico's van de onderneming. De verovering van Salvador was in 1625 verloren gegaan, handelsreizen bleven onzeker en de nieuwe oorlog in Pernambuco vereiste opnieuw grote investeringen. Een succesvolle kaapvaartoperatie maakte de WIC nog niet tot een onderneming met gegarandeerde inkomsten.
Aan het einde van 1630 had Groningen een andere plaats binnen de Atlantische wereld gekregen dan vóór de oprichting van de WIC. De Kamer Stad en Lande beschikte over bewindhebbers, een eigen bestuursgebouw aan de Munnekeholm en aantoonbare financiële betrokkenheid bij handelsuitrustingen naar West-Afrika. De stad had opbrengsten ontvangen uit de verovering van de Spaanse zilvervloot. Tegelijkertijd was de compagnie begonnen aan een nieuwe koloniale oorlog in Brazilië. De Groningse betrokkenheid bleef vooral bestuurlijk en financieel aantoonbaar. De beschikbare gegevens bewijzen niet dat Groningen zelf een grote Atlantische overslaghaven was geworden. Juist dat onderscheid is noodzakelijk om de betekenis van de WIC voor het gewest nauwkeurig te begrijpen.
De gebeurtenissen tussen 1621 en 1630 laten zien dat de Groningse deelname aan de WIC verschillende vormen aannam. Het gewest kreeg bestuurlijke vertegenwoordiging, particuliere investeerders brachten kapitaal bijeen en de kamer registreerde handelsuitrustingen voor West-Afrika. Daarnaast ontving het stadsbestuur uitkeringen uit de opbrengsten van de zilvervloot. Deze verschillende gegevens moeten niet tot één ongedifferentieerd beeld van economische voorspoed worden samengevoegd. Bestuurlijke invloed, financiële deelname en directe goederenhandel zijn afzonderlijke vormen van betrokkenheid. Juist door ze van elkaar te onderscheiden, wordt duidelijk wat de WIC daadwerkelijk voor Groningen betekende.
De verdere geschiedenis van de compagnie zou nieuwe vragen oproepen over koloniale overheersing, suikerproductie en slavernij. De verovering van Pernambuco vormde het begin van een periode waarin de WIC langduriger betrokken raakte bij de Braziliaanse plantage-economie. Voor Groningen betekende dit dat de oorspronkelijke investeringen onderdeel werden van een onderneming waarvan de activiteiten steeds verder reikten. De financiële geschiedenis van de Kamer Stad en Lande kan daarom niet worden losgemaakt van de bredere Atlantische ontwikkelingen. De opbrengsten die in Groningen terechtkwamen, waren verbonden met handels- en oorlogshandelingen waarvan de gevolgen zich grotendeels buiten het gewest voltrokken.
Historische conclusie — Geld, macht en oorlog verbinden Groningen met de Atlantische wereld
Tussen 1596 en 1630 veranderde de positie van Groningen binnen de internationale handel en oorlogvoering. Aan het einde van de zestiende eeuw was de stad vooral een regionaal handelscentrum, verbonden met de Ommelanden, Drenthe en de Noordzee. De Reductie van 1594 had haar bestuurlijke plaats binnen de Republiek veranderd. De oprichting van de West-Indische Compagnie in 1621 bood vervolgens nieuwe mogelijkheden om deel te nemen aan een onderneming die zich over de Atlantische Oceaan uitstrekte. Met de Kamer Stad en Lande kreeg Groningen een eigen bestuurlijke vertegenwoordiging. De stad en particuliere investeerders brachten kapitaal bijeen voor handel en oorlogvoering.
De namen van Nicolaus Mulerius, Joachim Altingh, Johan Sickinghe, Allard Gaykinga en Hemmo Huninga laten zien dat de WIC nauw verbonden was met de maatschappelijke bovenlaag van Groningen. Bestuurders, geleerden en vermogende families konden via de compagnie deelnemen aan een onderneming die elders schepen uitrustte, handelscontacten onderhield en militaire expedities organiseerde. De gewone bevolking had niet dezelfde mogelijkheden om invloed uit te oefenen. Schippers en bemanningsleden verrichtten het gevaarlijke werk, terwijl de belangrijkste besluiten werden genomen door bewindhebbers en andere bestuurders. De financiële voordelen en risico's van de onderneming waren daardoor ongelijk verdeeld.
De geregistreerde uitrustingen naar Guinea en de Gambia tonen dat de Kamer Stad en Lande daadwerkelijk deelnam aan de Atlantische handel. De verovering van de Spaanse zilvervloot in 1628 maakte vervolgens zichtbaar hoe winstgevend een militaire onderneming kon zijn. De uitkeringen aan Groningen in 1629 en 1630 vormden een tastbaar resultaat van de investeringen. Toch bleef de geschiedenis van de WIC meer dan een verhaal over succesvolle handel en oorlogsbuit. De compagnie raakte door haar activiteiten in West-Afrika en Brazilië betrokken bij koloniale machtsverhoudingen en een economie waarin slavernij een belangrijke rol speelde. Die ontwikkelingen zouden na 1630 steeds grotere betekenis krijgen.
De oprichting van de West-Indische Compagnie betekende voor Groningen daarom geen eenvoudige overgang van regionale handel naar een eigen koloniale handelsmacht. Het gewest kreeg vooral toegang tot een organisatie waarin kapitaal, bestuur en oorlogvoering met elkaar waren verbonden. De beslissingen van de bewindhebbers aan de Munnekeholm konden betrekking hebben op schepen en handelsgebieden die duizenden kilometers verderop lagen. De opbrengsten van die ondernemingen konden in Groningen terechtkomen, terwijl de militaire en menselijke gevolgen zich grotendeels buiten het gewest voltrokken. Daarmee werd Groningen tussen 1596 en 1630 onderdeel van een Atlantische geschiedenis waarvan de economische kansen, politieke belangen en maatschappelijke gevolgen niet los van elkaar kunnen worden begrepen.
Lees verder — De geschiedenis van Groningen en de West-Indische Compagnie in acht delen
Wil je verder lezen over de geschiedenis van Groningen en de Ommelanden, de oprichting van de Kamer Stad en Lande, de Atlantische handel, de oorlog tegen Spanje en de verovering van Brazilië tussen 1596 en 1630? Ontdek hieronder de acht verdiepende delen.
Deel 1 — Groningen en de aanloop naar de West-Indische Compagnie (1596–1609)
Deel 2 — Van het Twaalfjarig Bestand tot de oprichting van de WIC (1609–1621)
Deel 3 — De oprichting van de Kamer Stad en Lande en de eerste bewindhebbers (1621–1622)
Deel 4 — Groningse investeerders, het West-Indisch Huis en de handel met Guinea (1622–1624)
Deel 5 — De verovering van Salvador en de strijd om Braziliaanse suiker (1624–1625)
Deel 6 — De Groningse handelsreizen naar Guinea en de Gambia (1626–1628)
Deel 7 — Piet Hein, de Spaanse zilvervloot en de opbrengsten voor Groningen (1628–1629)
Deel 8 — Delfzijl, de verovering van Pernambuco en de Groningse belangen overzee (1629–1630)
Geld voor een oorlog overzee — Groningen en de oprichting van de West-Indische Compagnie (1596–1630)
Een buitgemaakt Portugees schip brengt de slavernijkwestie naar Middelburg
In 1596 werd in Middelburg een Portugees schip binnengebracht waarop zich ongeveer 130 Afrikanen bevonden die tegen hun wil werden vastgehouden. De Zeeuwse burgemeester Andriaen ten Haeff verzette zich tegen hun verkoop. De kwestie bereikte de Staten-Generaal en maakte zichtbaar hoe ingewikkeld de verhouding tussen oorlogsbuit, eigendomsclaims en menselijke vrijheid was geworden. Nederlandse bestuurders konden zich verzetten tegen de wreedheden van de Spaanse en Portugese koloniale overheersing, terwijl kooplieden tegelijkertijd aanspraak maakten op mensen die aan boord van een buitgemaakt schip waren aangetroffen. De behandeling van de gevangenen werd daarmee een politieke en juridische kwestie binnen de Republiek.
Het voorval vond plaats tijdens de Opstand tegen de Spaanse monarchie. Sinds 1580 waren de kronen van Spanje en Portugal in één persoon verenigd. Portugese overzeese bezittingen raakten daardoor betrokken bij een conflict dat oorspronkelijk in de Nederlanden was begonnen. Nederlandse schepen konden Portugese handelsvaartuigen als vijandelijke doelen beschouwen. Een verovering leverde mogelijk goederen, geld en schepen op, maar bracht ook mensen in Nederlandse handen die binnen de Portugese koloniale economie als bezit werden behandeld. De Republiek had nog geen West-Indische Compagnie. De omstandigheden waaruit die onderneming zou ontstaan, waren echter al aanwezig: oorlog op zee, de wens om handelsroutes over te nemen en de mogelijkheid om militaire successen in geld om te zetten.
De Nederlandse kritiek op Spaanse koloniale praktijken had bovendien een politieke voorgeschiedenis. Willem van Oranje had in zijn Apologie van 1580 het geweld tegen de oorspronkelijke bewoners van Amerika aangehaald als onderdeel van zijn aanklacht tegen Filips II. Daarmee werd het Spaanse koloniale bestuur voorgesteld als een voorbeeld van onderdrukking. Zulke beschuldigingen hadden betekenis binnen de propagandastrijd van de Opstand. Zij vormden echter geen algemeen Nederlands verbod op koloniale dwangarbeid of slavernij. Toen Nederlandse kooplieden zelf toegang kregen tot Atlantische handelsroutes, moesten bestuurders beslissen welke vormen van handel en bezit zij zouden toestaan. Juist daar ontstond de tegenstelling tussen uitgesproken beginselen en economische belangen.
Groningen aan het einde van de zestiende eeuw
Terwijl in Middelburg over de gevangengenomen Afrikanen werd beslist, was Groningen een handelsstad waarvan de economische macht vooral op het noorden van de Nederlanden berustte. Het Reitdiep vormde een belangrijke verbinding met de Waddenzee. Via de stedelijke waterwegen bereikten schippers de markten en opslagplaatsen. Uit Drenthe en de Ommelanden kwamen graan, turf, boter, vee en andere producten. Kooplieden verzorgden de verkoop en verspreiding, terwijl schippers, sjouwers, ambachtslieden en knechten het dagelijkse werk verrichtten. De stad beschikte over vermogen, krediet en handelscontacten, maar had niet dezelfde positie in de grote oceaanhandel als Amsterdam of Middelburg.
De macht van Groningen was nauw verbonden met de verhouding tot het omliggende platteland. De stad wilde invloed houden op handelsroutes, markten en de aanvoer van goederen. De Ommelanden hadden eigen bestuurlijke en economische belangen. Hun bewoners waren niet uitsluitend afhankelijk van de stedelijke markt en konden belang hebben bij andere verbindingen met zee. Daardoor was het gewest geen vanzelfsprekende economische eenheid. De vraag wie handel mocht organiseren, waar goederen werden aangevoerd en wie daarvan inkomsten ontving, was onderdeel van een langdurige strijd om bestuurlijke bevoegdheden. Die tegenstellingen zouden later ook betekenis krijgen toen de West-Indische Compagnie een kamer voor Stad en Lande kreeg.
De gebeurtenissen van 1594 hadden de bestuurlijke verhoudingen ingrijpend veranderd. Op 22 juli van dat jaar had Groningen zich na een belegering overgegeven aan de troepen van de Republiek. De stad en de Ommelanden werden binnen één gewest samengebracht. Het katholieke kerkelijke bestel verloor zijn overheersende positie en de gereformeerde kerk kreeg een bevoorrechte plaats. De verandering werkte door in de verdeling van ambten en in het beheer van kerkelijke bezittingen. Toch verdwenen de bestaande maatschappelijke verschillen niet. De stedelijke regenten bleven invloedrijk, terwijl de Ommelander adel en andere grondbezitters hun belangen behielden. De nieuwe politieke orde veranderde de instellingen, maar maakte geen einde aan de strijd om geld en gezag.
De stad Groningen beschikte daardoor over een bestuurlijke bovenlaag die gewend was grote financiële en politieke belangen te behartigen. Regenten konden inkomsten uit grond, huizen, ambten en handel combineren. Kooplieden beschikten over voorraden, schepen, handelsrelaties en krediet. Hun vermogen verschilde van dat van gewone schippers, knechten en arbeiders, die vooral afhankelijk waren van hun loon of de opbrengst van een klein bedrijf. Wanneer een nieuwe overzeese onderneming om investeringen vroeg, waren het vooral vermogende inwoners en publieke instellingen die konden deelnemen. De oprichting van de WIC zou daarom niet de gehele Groningse bevolking op dezelfde wijze bij de Atlantische handel betrekken.
De oorlog tegen Spanje krijgt een Atlantische dimensie
De Opstand tegen Spanje werd niet uitsluitend in de Nederlanden uitgevochten. De Spaanse monarchie ontving inkomsten uit haar Amerikaanse bezittingen en was afhankelijk van lange zeeverbindingen. Ook de Portugese handel met Afrika, Azië en Amerika vormde een aantrekkelijk doelwit voor Nederlandse kooplieden en militaire bevelhebbers. Wie een vijandelijk schip onderschepte, kon de tegenstander economische schade toebrengen en tegelijk een opbrengst verwerven. Daarmee raakten oorlogvoering en handel steeds nauwer verbonden. De Republiek moest echter rekening houden met de kosten van vlootuitrusting, de beschikbaarheid van bemanningen en de politieke gevolgen van aanvallen op overzeese gebieden.
Voor Groningen lag de Atlantische wereld ver buiten de gebruikelijke handelsroutes, maar de stad maakte deel uit van de Republiek die deze strijd voerde. Haar bestuurders waren betrokken bij de gewestelijke besluitvorming en bij de financiële verplichtingen van de oorlog. De stad kon niet zelfstandig een oorlog tegen Spanje beginnen, maar zij kon wel deelnemen aan ondernemingen die door de Staten-Generaal werden toegestaan. Daarmee ontstond een nieuwe mogelijkheid voor vermogende Groningers. Zij hoefden niet zelf een oceaanschip te bezitten om belang te krijgen bij de handel met Amerika. Door kapitaal beschikbaar te stellen, konden zij deelnemen aan een grotere onderneming waarin verschillende gewesten samenwerkten.
Willem Usselincx zoekt een nieuwe handelsorganisatie
Willem Usselincx behoorde tot de vroege pleitbezorgers van een Nederlandse compagnie voor de Atlantische handel en kolonisatie. Hij zag mogelijkheden in Amerika en wilde dat de Republiek haar overzeese activiteiten beter organiseerde. Afzonderlijke kooplieden konden schepen uitrusten, maar hun mogelijkheden bleven beperkt wanneer zij nederzettingen wilden stichten of langdurig handelsplaatsen moesten beschermen. Een grote compagnie kon kapitaal verzamelen, risico's verdelen en militaire ondersteuning organiseren. Usselincx dacht niet uitsluitend aan het buitmaken van Spaanse schepen. Hij wilde ook landbouwkolonies ontwikkelen waarin Europese kolonisten een plaats zouden krijgen. Daarmee bracht hij een ander soort overzeese onderneming ter sprake dan een enkele handelsreis.
In zijn plannen besteedde Usselincx aandacht aan de vraag wie het werk in zulke kolonies moest verrichten. Hij bekritiseerde de handel in tot slaaf gemaakte Afrikanen en verbond deze aan de Spaanse en Portugese koloniale economie. Zijn bezwaren hadden zowel een religieuze als een economische achtergrond. Hij betwijfelde of gedwongen arbeid de beste basis voor een duurzame koloniale samenleving was. Tegelijkertijd waren zijn ideeën niet gelijk aan een moderne afwijzing van alle koloniale ongelijkheid. Hij dacht aan Europese kolonisten en aan gekerstende inheemse bewoners als arbeidskrachten. Zijn opvattingen moeten daarom worden gelezen binnen de koloniale denkwereld van zijn eigen tijd.
De voorstellen van Usselincx maakten duidelijk dat een Atlantische onderneming niet alleen een vraagstuk van handel was. Zij vereiste afspraken over bestuur, militaire bescherming, arbeid en de verdeling van opbrengsten. Een nederzetting moest worden bevoorraad en verdedigd. Schepen moesten regelmatig kunnen varen. De investeerders moesten erop vertrouwen dat hun geld niet na één mislukte expeditie verloren zou zijn. Zulke plannen konden alleen op grote schaal worden uitgevoerd wanneer de overheid bijzondere rechten verleende. De Staten-Generaal kregen daardoor een belangrijke rol bij de vraag welke onderneming toegang zou krijgen tot de Atlantische handel en onder welke voorwaarden zij mocht optreden.
De gereformeerde kerk bespreekt mensenroof en slavernij
Binnen de gereformeerde kerk bestonden al vóór de oprichting van de WIC bezwaren tegen de handel in mensen. Festus Hommius veroordeelde in 1617 het verkopen van vrije mensen als een vorm van mensendiefstal. Zijn uitspraak is belangrijk omdat zij laat zien dat de morele en juridische problemen van slavernij niet pas werden besproken nadat de Nederlanders zelf grote plantagegebieden hadden veroverd. Predikanten en theologen moesten zich verhouden tot bestaande Bijbelse teksten, juridische opvattingen en de praktijk van handel en oorlog. Hun antwoorden waren niet eensluidend. De veroordeling van mensenroof betekende niet automatisch dat iedere vorm van slavernij werd afgewezen.
In het zeventiende-eeuwse recht en de theologie werden verschillende categorieën onderscheiden. Er werd gesproken over vrije mensen, krijgsgevangenen, veroordeelden en personen die volgens bepaalde opvattingen rechtmatig in slavernij waren geraakt. Zulke onderscheidingen konden worden gebruikt om de verkoop van mensen te bekritiseren, maar ook om bepaalde vormen van slavernij te verdedigen. Daardoor kon een predikant het ontvoeren van vrije mensen veroordelen en tegelijkertijd andere vormen van onvrijheid aanvaarden. Voor het latere koloniale bestuur van de WIC was dit onderscheid van grote betekenis. De compagnie zou in gebieden terechtkomen waar slavernij al een belangrijk onderdeel van de economie vormde.
De kerkelijke discussie vond plaats binnen een Republiek waarin de gereformeerde kerk een bevoorrechte publieke positie innam, maar niet alle bestuurders en kooplieden dezelfde overtuigingen hadden. Ook binnen de kerk bestonden verschillen. Religieuze argumenten konden oprecht worden gebruikt om misstanden aan te wijzen, terwijl andere theologen juridische rechtvaardigingen voor slavernij ontwikkelden. Het is daarom onjuist om de gereformeerde kerk als één onveranderlijk voor- of tegenstander van slavernij te beschrijven. De betekenis van afzonderlijke uitspraken moet worden onderzocht aan de hand van de oorspronkelijke teksten en de omstandigheden waarin zij werden gedaan.
De VOC laat zien wat een grote compagnie kan bereiken
De oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1602 had laten zien dat de Republiek een grote overzeese onderneming kon organiseren waarin verschillende steden en gewesten deelnamen. De VOC kreeg bijzondere handelsrechten en een bestuurlijke structuur waarin regionale kamers samenwerkten. Voor de Nederlandse kooplieden was dit een belangrijke verandering. Zij konden kapitaal bijeenbrengen voor langdurige ondernemingen die veel groter waren dan een afzonderlijke reis. De VOC kreeg bovendien bevoegdheden die normaal gesproken met overheidshandelen werden verbonden. Zij kon militaire middelen inzetten en in overzeese gebieden politieke macht uitoefenen.
Groningen kreeg geen eigen VOC-kamer. Dat betekende niet dat Groningers volledig buiten de handel met Azië stonden, maar de stad beschikte niet over een afzonderlijk bestuursorgaan binnen de compagnie. Voor de stedelijke en gewestelijke elite was dit verschil belangrijk. Wie slechts als aandeelhouder deelnam, had een andere positie dan een stad die zelf bewindhebbers kon leveren en een kamer mocht beheren. De latere plannen voor een West-Indische Compagnie boden Groningen daarom een nieuwe kans. Een eigen kamer kon bestuurlijke vertegenwoordiging opleveren en tegelijk mogelijkheden scheppen voor investeringen, benoemingen en leveringen.
Het Twaalfjarig Bestand onderbreekt de oorlog
In 1609 begon het Twaalfjarig Bestand tussen de Republiek en Spanje. De overeenkomst onderbrak de oorlog, maar beëindigde de politieke en economische rivaliteit niet. De Spaanse en Portugese overzeese gebieden bleven aantrekkelijk voor Nederlandse kooplieden. Tegelijkertijd waren aanvallen op deze bezittingen tijdens het Bestand diplomatiek gevoeliger. De plannen voor een grote Atlantische compagnie werden daardoor beïnvloed door de verhouding tussen oorlog en vrede. Een onderneming die vijandelijke schepen wilde aanvallen en koloniale gebieden wilde veroveren, paste beter bij een hernieuwde oorlog dan bij een tijdelijke overeenkomst die de strijd moest beperken.
Naarmate het einde van het Bestand naderde, veranderden de mogelijkheden. De Republiek moest zich voorbereiden op nieuwe militaire uitgaven. De Spaanse monarchie zou opnieuw een tegenstander worden die niet alleen op het Europese vasteland, maar ook op zee kon worden bestreden. Voorstanders van een West-Indische Compagnie konden nu benadrukken dat de onderneming niet uitsluitend handelswinst zou nastreven. Zij kon ook de economische macht van Spanje en Portugal aantasten. Daarmee werd de compagnie onderdeel van de militaire strategie van de Republiek. De verwachte opbrengsten uit handel en oorlogsbuit moesten helpen om de kosten van de onderneming te rechtvaardigen.
De Staten-Generaal verlenen het WIC-octrooi
Op 3 juni 1621 verleenden de Staten-Generaal het octrooi voor de West-Indische Compagnie. De onderneming kreeg bijzondere handelsrechten in grote delen van het Atlantische gebied. Zij mocht schepen uitrusten, forten bouwen, verdragen sluiten en militaire operaties uitvoeren. Daarmee ontstond een organisatie waarin particulier kapitaal en publieke oorlogsdoelen samenkwamen. De WIC was geen gewone vereniging van kooplieden. Zij kreeg bevoegdheden die haar in staat stelden om buiten Europa als handelsorganisatie én als koloniale machthebber op te treden. De Staten-Generaal bleven echter belangrijk, omdat de compagnie haar bevoegdheden aan het octrooi ontleende.
De oprichting viel samen met het einde van het Twaalfjarig Bestand. De Republiek hervatte de oorlog tegen Spanje en zocht naar mogelijkheden om de inkomsten van haar tegenstander te verminderen. De WIC kon vijandelijke schepen onderscheppen, handelsroutes verstoren en koloniale gebieden proberen te veroveren. Dat maakte de onderneming aantrekkelijk voor bestuurders die de oorlog wilden voortzetten zonder alle kosten rechtstreeks uit de gewone overheidsmiddelen te betalen. Tegelijkertijd werden particuliere investeerders afhankelijk van militaire gebeurtenissen. Hun geld kon worden gebruikt voor schepen, soldaten, wapens en forten, terwijl de opbrengsten onzeker bleven.
De WIC werd georganiseerd in vijf kamers: Amsterdam, Zeeland, de Maze, het Noorderkwartier en Stad en Lande. Iedere kamer kreeg eigen bewindhebbers en aandeelhouders, maar maakte deel uit van de gezamenlijke onderneming. De belangrijkste besluiten werden genomen binnen het centrale bestuur van de Heren Negentien. Amsterdam beschikte over een groot gewicht in de besluitvorming. De kleinere kamers kregen wel vertegenwoordiging, maar konden het beleid niet zelfstandig bepalen. Voor Groningen was dit een belangrijke beperking. De stad kreeg toegang tot een internationale onderneming, maar moest haar belangen verdedigen binnen een organisatie waarin andere handelscentra meer invloed hadden.
Friesland en Groningen onderhandelen over vertegenwoordiging
De oprichting van een eigen kamer voor Stad en Lande was niet uitsluitend het gevolg van de economische betekenis van Groningen. Er moest worden onderhandeld over de verdeling van kapitaal, bestuursplaatsen en verantwoordelijkheden. Ook Friesland wilde aanvankelijk een plaats binnen de nieuwe onderneming. De mogelijkheden om voldoende kapitaal bijeen te brengen verschilden echter per gewest. Voor de Staten-Generaal was het belangrijk dat de kamers daadwerkelijk konden bijdragen aan de financiering. Een eigen bestuursplaats zonder voldoende financiële ondersteuning zou de gezamenlijke onderneming verzwakken. De bereidheid om geld beschikbaar te stellen werd daardoor een middel om politieke vertegenwoordiging te verkrijgen.
Op 31 juli 1622 drong Stad en Lande aan op een eigen kamer binnen de WIC. Het gewest wilde niet uitsluitend geld bijeenbrengen voor een onderneming waarover andere steden zouden beslissen. Een afzonderlijke kamer bood mogelijkheden om bewindhebbers te benoemen en Groningse belangen binnen de organisatie te vertegenwoordigen. Daarmee werd de financiële deelname verbonden met de bestaande politieke ambities van het gewest. De stad Groningen en de Ommelanden konden binnen de WIC gezamenlijk optreden, ook al bleven zij over andere economische en bestuurlijke kwesties van mening verschillen.
De uiteindelijke erkenning van de Kamer Stad en Lande gaf Groningen een formele plaats in de Atlantische onderneming. Het was een belangrijke verandering ten opzichte van de VOC, waarin Groningen geen eigen kamer had gekregen. Toch bleef de macht beperkt. De Groningse bewindhebbers moesten samenwerken met de andere kamers en waren afhankelijk van besluiten van de Heren Negentien. Ook moesten zij rekening houden met de financiële verplichtingen van hun eigen kamer. Bestuurlijke vertegenwoordiging bracht dus niet alleen invloed, maar ook verantwoordelijkheid voor het bijeenbrengen van geld en het uitvoeren van gezamenlijke besluiten.
De eerste veertien bewindhebbers worden benoemd
Op 26 oktober 1622 werden de eerste veertien bewindhebbers van de Kamer Stad en Lande aangewezen. Zij vormden de bestuurlijke kern van de Groningse WIC-organisatie. Hun werkzaamheden betroffen de financiën, de vertegenwoordiging van de kamer en de uitvoering van besluiten die binnen de compagnie werden genomen. De bewindhebbers kwamen uit de maatschappelijke bovenlaag. Voor gewone schippers, knechten en arbeiders was een dergelijke functie niet bereikbaar. De WIC was daarmee een onderneming waarin bestuurlijke macht en financieel vermogen nauw met elkaar verbonden waren. De mensen die het kapitaal bijeenbrachten en de besluiten voorbereidden, behoorden grotendeels tot dezelfde sociale kringen.
Tot de vroege bewindhebbers behoorde Nicolaus Mulerius, hoogleraar aan de Groningse universiteit. Zijn deelname laat zien dat de WIC niet uitsluitend door beroepskooplieden werd gedragen. Ook personen uit de academische en bestuurlijke wereld konden bij de onderneming betrokken raken. Mulerius was bekend als geleerde, maar zijn plaats binnen de compagnie maakte hem tevens onderdeel van een financieel en politiek netwerk. De universiteit stond niet los van de stedelijke samenleving. Hoogleraren, bestuurders en kooplieden konden binnen dezelfde instellingen en familiekringen actief zijn. Daardoor raakten wetenschap, bestuur en handel in de praktijk met elkaar verbonden.
Ook Joachim Altingh en Johan Sickinghe komen in de vroege geschiedenis van de Groningse WIC naar voren. Zij behoorden tot de personen die de belangen van Stad en Lande binnen de compagnie vertegenwoordigden. Hun precieze functies en benoemingsdata moeten aan de oorspronkelijke bestuursstukken worden gekoppeld. Voor een volledige geschiedenis is het belangrijk om niet alleen hun namen te vermelden, maar ook hun besluiten, financiële belangen en bestuurlijke relaties te volgen. De WIC bood invloedrijke Groningers mogelijkheden om een plaats te verwerven in een onderneming waarvan de besluiten gevolgen hadden voor gebieden ver buiten de Republiek.
De volledige namenlijst van de veertien eerste bewindhebbers moet nog worden vastgesteld aan de hand van de oorspronkelijke benoemingsstukken. Dat is geen onbelangrijk detail. Wie de namen kent, kan onderzoeken welke families vertegenwoordigd waren, hoe de functies werden verdeeld en welke verbindingen bestonden tussen stadsbestuur, Ommelander adel en particuliere handel. Ook kan worden nagegaan of dezelfde personen betrokken waren bij andere financiële ondernemingen of publieke ambten. Zonder die reconstructie blijft de beschrijving van de Groningse machtsverhoudingen onvolledig. De eerste bewindhebbers vormden immers de groep die de nieuwe Atlantische onderneming binnen het gewest bestuurlijk gestalte gaf.
De stad, de Ommelanden en de provincie investeren
De Kamer Stad en Lande moest bij haar oprichting een aanzienlijk bedrag bijeenbrengen. Het oorspronkelijke kapitaaldoel bedroeg 500.000 gulden. Niet alleen particuliere investeerders namen deel. Ook de stad Groningen, de Ommelanden en de provincie brachten geld in. In het bestaande onderzoek worden oorspronkelijke publieke bijdragen genoemd van 30.000 gulden door de stad, 30.000 gulden door de Ommelanden en 114.000 gulden door de provincie. Deze bedragen laten zien dat de WIC niet uitsluitend een particuliere onderneming was. Publieke middelen werden ingezet voor een organisatie die handel, oorlogvoering en koloniale expansie combineerde.
De investering van overheidsgeld had een andere betekenis dan een particuliere inschrijving. Wanneer een koopman aandelen kocht, zette hij zijn eigen vermogen op het spel. Wanneer een bestuur geld beschikbaar stelde, werden middelen gebruikt die onder publieke verantwoordelijkheid stonden. De bestuurders moesten afwegen welke voordelen zij van de onderneming verwachtten en hoe de investering zich verhield tot andere financiële verplichtingen. De Republiek voerde opnieuw oorlog en had geld nodig voor haar verdediging. De WIC bood de mogelijkheid om inkomsten te verwerven, maar kon ook nieuwe verliezen veroorzaken. Het besluit om te investeren was daarom zowel een economische als een politieke keuze.
In het eerdere onderzoek is voor de Groningse kamer een totaal van 836.975 gulden genoemd. Daarnaast komt in een overzicht uit 1643 een bedrag van ruim 958.000 gulden voor, waarin latere herbeleggingen en financiële veranderingen kunnen zijn verwerkt. Deze bedragen moeten zorgvuldig van elkaar worden onderscheiden. Een overzicht van oorspronkelijk ingelegd kapitaal is niet hetzelfde als een rekening waarin latere stortingen, verrekeningen en herbeleggingen voorkomen. Zonder die boekhoudkundige controle kan de omvang van de Groningse deelname verkeerd worden voorgesteld. De cijfers zijn belangrijk, maar hun betekenis hangt af van de vraag welke financiële handelingen precies zijn meegeteld.
Onder de belangrijke particuliere investeerders bevonden zich Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga. In de eerder onderzochte aandeelhoudersgegevens worden voor hen bedragen genoemd van respectievelijk 33.750, 20.000 en 9.750 gulden. Deze bedragen vertegenwoordigen aanzienlijke belangen binnen de onderneming. Zij laten zien dat vermogende Groningers bereid waren kapitaal vast te leggen in een organisatie waarvan de opbrengsten afhankelijk waren van gebeurtenissen op zee. Het geld kon worden gebruikt voor schepen, wapens, militaire expedities, handelsgoederen en koloniale bestuurskosten. Een succesvolle onderneming kon dividend opleveren, maar het risico van verlies bleef voortdurend bestaan.
Het aandeelhouderschap kon ook sociale betekenis hebben. Wie een groot bedrag investeerde, liet zien over vermogen en vertrouwen in de onderneming te beschikken. De WIC bracht aandeelhouders, bestuurders en kooplieden samen binnen een organisatie met internationale belangen. Dat betekende echter niet dat iedere investeerder dezelfde invloed had. De formele bestuursplaatsen waren beperkt en de besluitvorming verliep via de kamers en de Heren Negentien. Sommige aandeelhouders konden actief deelnemen aan het bestuur, terwijl anderen vooral afhankelijk waren van de financiële resultaten. De geschiedenis van de Groningse WIC vraagt daarom om een onderscheid tussen bezit, formele bevoegdheid en feitelijke invloed.
Het West-Indisch Huis krijgt een plaats aan de Munnekeholm
De Groningse kamer gebruikte aanvankelijk een onderkomen in de Ebbingestraat. Vanaf 1624 werd het voormalige refugium van het klooster Aduard aan de Munnekeholm haar bekende vestigingsplaats. Het gebouw had een geschiedenis die terugging tot de middeleeuwse kloosterwereld. Na de Reductie van Groningen waren de bezittingen en instellingen van de vroegere katholieke kerk onder andere bestuurlijke verhoudingen gekomen. Het voormalige kloosterhuis kreeg nu een functie binnen een onderneming die zich op de Atlantische handel en koloniale oorlogvoering richtte. Daarmee werd een gebouw uit de katholieke voorgeschiedenis van de stad onderdeel van de economische en politieke wereld van de Republiek.
In het West-Indisch Huis kwamen de bewindhebbers bijeen om zaken van de compagnie te behandelen. Zij moesten rekeningen bespreken, besluiten voorbereiden en contacten onderhouden met andere kamers en het centrale bestuur. De Munnekeholm werd daardoor een plaats waar gebeurtenissen in Amerika en Afrika bestuurlijke gevolgen konden hebben. De verovering van een schip, de uitrusting van een vloot of de kosten van een expeditie konden onderwerp worden van financiële afwegingen in Groningen. Niet alle besluiten werden hier genomen, maar de Groningse kamer vormde een onderdeel van de gezamenlijke organisatie. De WIC kreeg zo een vaste plaats binnen de stad.
Het kantoor aan de Munnekeholm maakte de internationale onderneming zichtbaar in het stedelijke landschap. Toch moet de betekenis van het gebouw niet worden overdreven. Het was een bestuurscentrum, geen bewijs dat alle Atlantische goederen rechtstreeks in Groningen werden aangevoerd. De bewindhebbers konden besluiten nemen over investeringen en schepen die elders werden uitgerust. Ook konden opbrengsten via andere havens en financiële instellingen worden verwerkt. Voor de geschiedenis van Groningen is dit onderscheid belangrijk. De aanwezigheid van een WIC-kantoor bewijst bestuurlijke en financiële betrokkenheid, maar niet automatisch een omvangrijke plaatselijke handel in suiker, goud of andere koloniale goederen.
De opslagplaatsen en het probleem van de goederenstromen
Naast kantoorruimte had de compagnie opslagmogelijkheden nodig. In het eerdere onderzoek kwam de Reitemakersrijge naar voren als een locatie die met goederenopslag van de Groningse WIC verbonden was. Zulke voorzieningen konden worden gebruikt voor handelsgoederen, uitrustingsmateriaal of andere bezittingen van de onderneming. De precieze functie moet echter worden vastgesteld aan de hand van huurcontracten en administratieve vermeldingen. Een pakhuis is niet vanzelfsprekend een suikerpakhuis. Ook bewijst een opslagruimte niet dat de goederen rechtstreeks vanuit Brazilië of Afrika waren aangevoerd. Daarvoor zijn gegevens over ladingen, schepen en bestemmingen nodig.
De vraag waar de goederen van de WIC werden gelost, raakt aan de economische betekenis van de Groningse kamer. Amsterdam beschikte over omvangrijke handelsnetwerken, pakhuizen, kooplieden en financiële voorzieningen. Voor de Atlantische handel waren zulke verbindingen van groot belang. Groningen had een eigen kamer, maar bezat niet dezelfde havenstructuur als Amsterdam. De compagnie kon daarom gebruikmaken van havens en handelsplaatsen elders in de Republiek. De Groningse aandeelhouders konden financieel deelnemen zonder dat hun stad de belangrijkste plaats van aankomst werd. Omgekeerd konden goederen die via Amsterdam werden ingevoerd later alsnog in Groningen terechtkomen.
Voor een betrouwbare reconstructie moeten verschillende soorten betrokkenheid worden onderscheiden. De eerste is financiële deelname: aandelen, dividenden en andere betalingen. De tweede is bestuurlijke deelname: bewindhebbers en vertegenwoordiging binnen de compagnie. De derde is materiële deelname: schepen, leveringen, opslag en transport. Deze vormen konden elkaar versterken, maar vielen niet noodzakelijk samen. Een Groningse bewindhebber kon besluiten nemen over een expeditie waarvan de schepen in Amsterdam werden uitgerust. Een Groningse koopman kon koloniale goederen verkopen die eerst in een andere haven waren gelost. Alleen door deze verschillen zichtbaar te maken, kan de werkelijke economische betekenis van de WIC voor Stad en Lande worden vastgesteld.
Delfzijl en Groningen concurreren om handelsmogelijkheden
De positie van Delfzijl was voor de Ommelanden van belang omdat de haven een verbinding met de Eems en de Noordzee bood. Groningen had daarentegen belang bij behoud van haar eigen handelspositie en de aanvoer via de stedelijke waterwegen. De verhouding tussen Stad en Ommelanden was al langer onderwerp van bestuurlijke en economische strijd. De komst van de WIC kon nieuwe verwachtingen oproepen over scheepvaart, opslag en werkgelegenheid. Toch mag niet worden aangenomen dat iedere overzeese expeditie automatisch tot een strijd over de vertrekhaven leidde. De beschikbare bronnen moeten laten zien welke concrete plannen en bezwaren daadwerkelijk werden besproken.
In het eerdere onderzoek kwam een huurcontract uit 1629 naar voren dat met WIC-activiteiten in Delfzijl in verband wordt gebracht. Dit document verdient nader onderzoek omdat het een concrete aanwijzing kan vormen voor de aanwezigheid van de compagnie in de noordelijke haven. De betekenis hangt echter af van de precieze inhoud. Een gehuurde ruimte kan verschillende functies hebben gehad. Zonder gegevens over de opgeslagen goederen of de betrokken schepen kan niet worden vastgesteld dat Braziliaanse suiker rechtstreeks in Delfzijl werd gelost. De historische waarde van het contract ligt juist in de mogelijkheid om de plaatselijke activiteiten van de WIC nauwkeuriger te reconstrueren.
De economische verwachtingen van de Groningse kamer waren daarmee breder dan de vraag waar schepen aanmeerden. Het gewest kon belang hebben bij dividend, leveringen, benoemingen en handelscontacten. Een haven kon werkgelegenheid opleveren voor schippers en arbeiders, maar een financiële uitkering kwam terecht bij de aandeelhouders. Deze groepen waren niet dezelfde. De geschiedenis van de WIC moet daarom niet uitsluitend vanuit de bestuurders worden verteld. Ook de vraag welke plaatselijke beroepen en bedrijven daadwerkelijk van de onderneming profiteerden, verdient aandacht. Daarvoor zijn scheepsrekeningen, leveringscontracten, stadsrekeningen en gegevens over werkgelegenheid nodig.
De WIC rust oorlogsschepen uit
De eerste jaren van de WIC stonden sterk in het teken van aanvallen op Spaanse en Portugese belangen. De compagnie moest schepen kopen of huren, bemanningen werven en voorraden aanschaffen. Oorlogsschepen hadden geschut, munitie en andere militaire uitrusting nodig. Ook voedsel, drinkwater en materiaal voor reparaties moesten worden meegenomen. Een expeditie kon maanden duren en was afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikte schepen en ervaren zeelieden. De kosten moesten worden gemaakt voordat er enige opbrengst tegenover stond. Daardoor was de onderneming afhankelijk van het kapitaal van haar aandeelhouders en van de financiële organisatie van de verschillende kamers.
De bemanningen bestonden uit mensen met uiteenlopende functies. Kapiteins en officieren voerden het bevel, terwijl stuurlieden, matrozen, timmerlieden en andere vaklieden noodzakelijk waren voor de dagelijkse vaart. Op bewapende schepen dienden daarnaast soldaten en kanonniers. Hun werk was gevaarlijk en vereiste discipline. De Atlantische overtocht bracht risico's van stormen, ziekte, voedselproblemen en vijandelijke aanvallen met zich mee. Voor de aandeelhouders was een schip vooral een investering die mogelijk buit of handelsgoederen opleverde. Voor de bemanning betekende dezelfde reis maanden van arbeid en onzekerheid. De belangen van kapitaalverschaffers en personeel waren daardoor niet vanzelfsprekend gelijk.
De Groningse kamer nam deel aan deze gezamenlijke onderneming, maar dat betekende niet dat ieder schip dat met Stad en Lande werd verbonden ook vanuit Groningen vertrok. De kamers konden bijdragen aan de uitrusting van expedities die in andere havens werden voorbereid. Vooral Amsterdam en Zeeland beschikten over voorzieningen voor de grote oceaanscheepvaart. Voor een volledige Groningse scheepsgeschiedenis moeten daarom de afzonderlijke schepen worden gevolgd. Daarbij zijn de naam, schipper, eigenaar, vertrekhaven, lading, bestemming en afloop van belang. Pas wanneer deze gegevens beschikbaar zijn, kan worden vastgesteld welke economische activiteiten daadwerkelijk in Groningen plaatsvonden.
De oorlogsbuit moet de investeringen terugverdienen
De WIC hoopte haar kosten onder meer terug te verdienen door Spaanse en Portugese schepen te veroveren. Een buitgemaakt schip kon waardevolle goederen bevatten, maar de opbrengst moest eerst worden vastgesteld en verdeeld. Er waren kosten gemaakt voor de expeditie en er konden verplichtingen bestaan tegenover bemanningen en andere betrokkenen. De opbrengst van een succesvolle tocht was daarom niet zonder meer gelijk aan de winst voor de aandeelhouders. De compagnie moest bovendien blijven investeren in nieuwe schepen en militaire ondernemingen. De financiële resultaten konden sterk verschillen tussen afzonderlijke jaren. Een groot succes kon eerdere verliezen compenseren, maar bood geen garantie voor blijvende winst.
De strijd tegen Spaanse handelsverbindingen had ook een politiek doel. De Spaanse monarchie was afhankelijk van inkomsten uit Amerika om haar Europese verplichtingen te financieren. Door schepen te onderscheppen, probeerde de WIC deze geldstromen te verstoren. De compagnie was daarmee onderdeel van een bredere oorlogsstrategie van de Republiek. De investeerders konden tegelijkertijd hopen op financiële opbrengsten. Dit samenvallen van publieke en particuliere belangen was kenmerkend voor de onderneming. De Staten-Generaal verleenden de bevoegdheden, terwijl de aandeelhouders een belangrijk deel van het risico droegen. De militaire successen of mislukkingen werkten daardoor rechtstreeks door in de financiële positie van de compagnie.
Piet Hein verovert de Spaanse zilvervloot
In september 1628 veroverde Piet Hein bij Cuba een Spaanse zilvervloot. De buit vormde een van de grootste successen van de WIC. De verovering bracht een aanzienlijke hoeveelheid zilver en andere goederen in Nederlandse handen en betekende tegelijk een financiële slag tegen de Spaanse monarchie. Voor de compagnie was het succes belangrijk omdat het liet zien dat de combinatie van militaire macht en handelsbelangen grote opbrengsten kon opleveren. De onderneming had in haar eerste jaren veel geld nodig gehad voor de uitrusting van vloten. De zilvervloot bood mogelijkheden om aandeelhouders uit te betalen en nieuwe militaire plannen te financieren.
De verovering maakte Piet Hein tot een bekende figuur in de Republiek. Voor de geschiedenis van de WIC is echter vooral van belang hoe de buit werd verwerkt en verdeeld. De goederen moesten worden geregistreerd, gewaardeerd en verkocht of overgedragen. De opbrengsten werden niet zonder meer volledig aan de aandeelhouders uitgekeerd. De compagnie had lopende verplichtingen en moest rekening houden met toekomstige expedities. Het succes versterkte haar financiële positie, maar maakte de onderneming niet onafhankelijk van nieuwe investeringen. De oorlog tegen Spanje ging immers door en de WIC wilde haar activiteiten uitbreiden naar gebieden waar langdurige inkomsten mogelijk waren.
Groningen ontvangt inkomsten uit de zilvervloot
Ook Groningen profiteerde van de opbrengsten van de WIC. In het eerdere onderzoek worden ontvangsten genoemd van 11.250 gulden in 1628 en 22.500 gulden in 1629. Deze bedragen moeten nog aan de oorspronkelijke stadsrekeningen worden gekoppeld om hun precieze boekhoudkundige betekenis vast te stellen. Zij maken wel duidelijk dat de financiële gevolgen van de Atlantische oorlog ook in het noorden van de Republiek zichtbaar konden worden. De stad had geld in de compagnie gestoken en kon bij succesvolle ondernemingen een opbrengst ontvangen. De afstand tussen Cuba en Groningen was groot, maar de financiële administratie verbond beide plaatsen.
De betekenis van deze ontvangsten moet worden beoordeeld binnen de totale financiële verhouding tussen de stad en de WIC. Een dividenduitkering is niet hetzelfde als de uiteindelijke winst over de volledige levensduur van een investering. De stad had eerder geld beschikbaar gesteld en kon later opnieuw tot stortingen of herbeleggingen worden verplicht. Bovendien verschilden de resultaten van jaar tot jaar. De opbrengst van de zilvervloot was uitzonderlijk en mag niet worden gebruikt als bewijs dat de compagnie voortdurend winstgevend was. Voor een volledige beoordeling moeten de oorspronkelijke investeringen, latere betalingen, ontvangen dividenden en eventuele verliezen gezamenlijk worden onderzocht.
De inkomsten uit de zilvervloot laten ook zien hoe ongelijk de voordelen van de WIC konden worden verdeeld. Een aandeelhouder ontving mogelijk een uitkering op basis van zijn investering. Een bewindhebber verwierf invloed binnen de organisatie. Een schipper of matroos was afhankelijk van zijn loon en eventuele andere vergoedingen. Voor de gewone inwoners van Groningen was het voordeel minder rechtstreeks. Zij konden mogelijk werk vinden bij leveringen of transporten, maar daarvoor is afzonderlijk bewijs nodig. De geschiedenis van de WIC kan daarom niet worden samengevat met de constatering dat Groningen aan de zilvervloot verdiende. De vraag blijft wie het geld ontving en welke verplichtingen daar tegenover stonden.
De zilvervloot maakt een aanval op Brazilië mogelijk
Het succes van 1628 versterkte het vertrouwen in een ambitieuzere strategie. De WIC wilde niet uitsluitend vijandelijke schepen onderscheppen, maar ook koloniale gebieden veroveren die langdurige inkomsten konden opleveren. Pernambuco, aan de noordoostelijke kust van Brazilië, werd een belangrijk doelwit. De regio was een centrum van suikerproductie binnen het Portugese koloniale rijk. Wie daar de havens en plantages beheerste, kon invloed uitoefenen op een waardevolle handelsstroom. Voor de WIC leek dit een mogelijkheid om minder afhankelijk te worden van onzekere oorlogsbuit. De verovering van een productiegebied beloofde regelmatiger inkomsten, maar vereiste ook langdurig militair en bestuurlijk optreden.
De keuze voor Pernambuco bracht nieuwe risico's met zich mee. Een vijandelijk schip kon worden veroverd en naar een Nederlandse haven worden gebracht, maar een kolonie moest worden verdedigd en bestuurd. Daarvoor waren soldaten, forten, ambtenaren en bevoorradingsverbindingen nodig. De WIC moest rekening houden met de Portugese kolonisten, de oorspronkelijke bewoners en de grote bevolking van tot slaaf gemaakte Afrikanen en hun nakomelingen. De bestaande economie was afhankelijk van grondbezit, krediet en gedwongen arbeid. De Nederlandse bestuurders konden deze verhoudingen niet eenvoudig vervangen zonder de suikerproductie te verstoren. De militaire verovering zou daarom onmiddellijk een bestuurlijke en economische opgave worden.
De suikerproductie van Pernambuco
De suikerplantages van Pernambuco waren onderdeel van een omvangrijke koloniale economie. Suikerriet werd verbouwd op landbouwgrond die door Portugese kolonisten en hun ondernemingen werd beheerd. Het geoogste riet moest snel worden verwerkt. Daarvoor waren molens, ketels, gebouwen en brandstof nodig. De productie vereiste aanzienlijke investeringen en een grote hoeveelheid arbeid. Een belangrijk deel van die arbeid werd verricht door tot slaaf gemaakte Afrikanen. Hun gedwongen arbeid vormde de basis van de plantage-economie. De suiker kon pas geld opleveren wanneer zij na verwerking naar de kust werd vervoerd en vervolgens naar Europese markten werd verscheept.
De plantage-economie was daardoor afhankelijk van een lange keten van mensen en middelen. Er waren arbeiders nodig voor de verbouw en oogst, vaklieden voor het onderhoud van molens en gebouwen, vervoerders voor de verbinding met de havens en kooplieden voor de verkoop. Ook krediet speelde een grote rol. Plantagehouders hadden geld nodig voor gereedschappen, voorraden en de aankoop van tot slaaf gemaakte mensen. Wanneer oorlog of handelsbeperkingen de verbinding met Europa verstoorden, kon de hele onderneming in moeilijkheden komen. De WIC wilde deze bestaande economie overnemen en voortzetten. Daarmee raakte zij vanaf het begin verbonden met de slavernij waarop de productie grotendeels berustte.
Voor Groningen was Pernambuco aantrekkelijk vanwege de financiële mogelijkheden van de suikerhandel. De Kamer Stad en Lande maakte deel uit van de compagnie die de verovering voorbereidde. Dat betekende echter niet dat de Groningse bestuurders zelfstandig konden bepalen hoe het gebied zou worden bestuurd of waar de suiker uiteindelijk werd verkocht. De onderneming moest haar besluiten gezamenlijk nemen en rekening houden met de grote handelscentra van de Republiek. De Groningse belangen lagen in de gezamenlijke opbrengsten, mogelijke leveringen en functies binnen de koloniale organisatie. De werkelijke economische betekenis zou pas blijken wanneer de WIC erin slaagde de productiegebieden te beheersen en de handel op gang te houden.
De WIC bereidt de invasie voor
De aanval op Pernambuco vereiste een grote vloot en een aanzienlijke troepenmacht. Schepen moesten worden uitgerust voor een lange Atlantische reis. Soldaten hadden wapens, munitie, voedsel en andere benodigdheden nodig. Ook moesten voldoende zeelieden beschikbaar zijn om de vloot veilig naar Brazilië te brengen. De WIC kon niet vertrouwen op één schip of een kleine handelscompagnie. Zij moest een militaire onderneming organiseren die in staat was versterkte havens aan te vallen en daarna bezette plaatsen te verdedigen. De voorbereiding vergde samenwerking tussen de kamers, de centrale leiding en de militaire bevelhebbers.
De financiering van de expeditie was afhankelijk van de middelen van de compagnie. Het succes van de zilvervloot had de financiële mogelijkheden vergroot, maar de aanval op Brazilië bleef kostbaar. De WIC moest geld beschikbaar stellen voor de overtocht en voor de eerste periode na de landing. Het was onzeker hoeveel Portugese tegenstand de Nederlanders zouden ontmoeten en hoe snel de suikerproductie onder hun controle kon worden gebracht. De bestuurders moesten daarom een besluit nemen waarvan de opbrengsten pas later zichtbaar konden worden. Voor de Groningse aandeelhouders betekende dit dat hun investering steeds sterker verbonden raakte met de uitkomst van een langdurige koloniale oorlog.
De Nederlandse vloot verschijnt voor Pernambuco
In februari 1630 verscheen een Nederlandse vloot voor de kust van Pernambuco. De WIC zette haar plan om een belangrijk Portugees suikergebied te veroveren in uitvoering. De Nederlandse strijdkrachten vielen Olinda en Recife aan en wisten deze plaatsen in te nemen. Daarmee kreeg de compagnie een belangrijke positie aan de Braziliaanse kust. De verovering was echter nog geen volledige overwinning. De Portugese verdedigers konden zich terugtrekken en vanuit het binnenland nieuwe weerstand organiseren. De WIC beschikte over havens en versterkte posities, maar moest nog proberen de verbindingen met de plantages en andere economische gebieden veilig te stellen.
De Nederlandse militairen kwamen terecht in een landschap dat andere eisen stelde dan de oorlogvoering in de Republiek. Rivieren, moerassen, wegen en landbouwgebieden bepaalden waar troepen konden bewegen en waar verdedigingswerken moesten worden aangelegd. De Portugese tegenstanders beschikten over kennis van het terrein en konden gebruikmaken van bestaande verbindingen. Voor de Nederlanders waren plaatselijke gidsen, kaarten en bondgenoten daarom belangrijk. De oorlog zou niet uitsluitend worden beslist door de omvang van de vloot of de bewapening van de soldaten. Ook de beheersing van het achterland en de bereidheid van verschillende bevolkingsgroepen om samen te werken, zouden van betekenis worden.
Groningen staat aan het begin van een koloniale oorlog
Met de verovering van Recife en Olinda begon voor de WIC een nieuwe fase. De onderneming was niet langer uitsluitend een organisatie die vijandelijke schepen aanviel en handelsroutes probeerde te verstoren. Zij moest nu een veroverd gebied besturen, de militaire verdediging organiseren en de suikerproductie onder haar gezag voortzetten. De kosten en verantwoordelijkheden werden daardoor groter. De compagnie kreeg te maken met Portugese plantagehouders, inheemse gemeenschappen, tot slaaf gemaakte Afrikanen, Europese soldaten en haar eigen bestuurders. Hun belangen liepen uiteen en konden niet eenvoudig door één besluit van de Heren Negentien worden samengebracht.
Voor Groningen betekende de Braziliaanse verovering dat de Kamer Stad en Lande betrokken raakte bij een onderneming waarvan de gevolgen veel verder reikten dan de financiële verwachtingen van 1622. De stad en haar investeerders hadden geld beschikbaar gesteld voor handel en oorlogvoering. De zilvervloot had laten zien dat zulke investeringen aanzienlijke opbrengsten konden opleveren. Pernambuco bracht echter een andere werkelijkheid: de WIC moest grondgebied bezetten, mensen besturen, soldaten onderhouden en een economie beschermen die afhankelijk was van slavernij. Daarmee eindigde de eerste fase van de Groningse WIC-geschiedenis. De onderneming had haar plaats in de Atlantische wereld verworven, maar de vraag of zij deze positie kon behouden, was in 1630 nog onbeantwoord.
Groningen krijgt een eigen plaats binnen de West-Indische Compagnie
Op 26 oktober 1622 traden de eerste veertien bewindhebbers van de Kamer Stad en Lande van de West-Indische Compagnie aan. Daarmee kreeg Groningen een eigen bestuurlijke plaats in een onderneming die de Republiek een groter aandeel moest bezorgen in de Atlantische handel. De compagnie was op 3 juni 1621 opgericht, kort na het aflopen van het Twaalfjarig Bestand met Spanje. Haar doelstellingen gingen veel verder dan het vervoeren en verkopen van handelsgoederen. Zij mocht oorlogsschepen uitrusten, vijandelijke schepen aanvallen, versterkingen bouwen en overzeese gebieden veroveren. Voor Groningen betekende de nieuwe kamer dat plaatselijke bestuurders en investeerders betrokken raakten bij besluiten waarvan de gevolgen duizenden kilometers verderop merkbaar waren.
De Kamer Stad en Lande was een van de vijf kamers van de WIC. De andere waren Amsterdam, Zeeland, de Maze en het Noorderkwartier. De afzonderlijke kamers verzamelden kapitaal, organiseerden handelsactiviteiten en leverden bijdragen aan de gezamenlijke onderneming. De belangrijkste beslissingen werden genomen door het centrale bestuur, de Heren Negentien. Binnen die organisatie had Amsterdam een veel grotere invloed dan Groningen. De Groningse bewindhebbers konden voorstellen doen en hun belangen verdedigen, maar niet zelfstandig bepalen waar de compagnie oorlog zou voeren of welke gebieden zij zou veroveren. De WIC bracht daardoor een nieuwe bestuurlijke werkelijkheid met zich mee: Groningen kreeg toegang tot internationale macht, maar moest die delen met sterkere handelscentra.
De erkenning van een eigen kamer was voor Stad en Lande een politiek succes. Bij de vorming van de WIC was onderhandeld over de verdeling van de kamers, het benodigde kapitaal en de vertegenwoordiging van verschillende gewesten. Friesland had eveneens belangstelling voor een eigen plaats binnen de onderneming. Uiteindelijk kreeg Stad en Lande een afzonderlijke kamer. Dat bood meer mogelijkheden dan uitsluitend aandelen kopen in een door andere steden bestuurde organisatie. Groningen kon nu eigen bewindhebbers benoemen en een administratie inrichten. Tegelijk bracht die positie financiële verplichtingen met zich mee. De kamer moest voldoende kapitaal bijeenbrengen om daadwerkelijk aan de handel en oorlogvoering te kunnen deelnemen.
De veertien bewindhebbers en hun maatschappelijke positie
De eerste bewindhebbers kwamen uit de vermogende en bestuurlijke bovenlaag van Groningen en de Ommelanden. Hun functies waren niet toegankelijk voor de gewone bevolking. Voor het bewindhebberschap gold volgens het gemeentelijke onderzoek een aanzienlijke financiële deelnemingsdrempel. De bestuurders behoorden daarmee tot de mensen die voldoende vermogen bezaten om duizenden guldens in de compagnie te investeren. Zij waren verantwoordelijk voor de plaatselijke administratie, de uitvoering van gezamenlijke besluiten en de vertegenwoordiging van de kamer. Hun werkzaamheden brachten hen in contact met kooplieden, reders, andere WIC-kamers en de gewestelijke overheid. De nieuwe instelling werd daardoor onderdeel van de bestaande bestuurlijke netwerken van Stad en Lande.
Onder de personen die met de vroege Groningse WIC worden verbonden, bevinden zich Joachim Altingh en Johan Sickinghe. Zij komen naar voren in de bestuurlijke omgeving waarin de belangen van Groningen binnen de compagnie werden vertegenwoordigd. Hun betekenis moet worden onderzocht aan de hand van hun afzonderlijke benoemingen, financiële deelnemingen en werkzaamheden. Het is daarbij noodzakelijk onderscheid te maken tussen een gewone aandeelhouder, een bewindhebber van de Groningse kamer en een vertegenwoordiger bij de Heren Negentien. Deze functies konden bij dezelfde persoon samenkomen, maar waren niet identiek. De volledige namenlijst van de veertien bewindhebbers van oktober 1622 is in het geraadpleegde materiaal nog niet voldoende vastgesteld om haar zonder voorbehoud te publiceren.
Ook Nicolaus Mulerius wordt in de eerdere tekst met de vroege kamer verbonden. Hij was hoogleraar aan de in 1614 gestichte Groningse universiteit en behoorde tot de geleerde wereld van de stad. Zijn vermelding is interessant omdat de WIC vaak uitsluitend met kooplieden en militaire bevelhebbers wordt geassocieerd. De universiteit, het stadsbestuur en de vermogende families stonden echter niet los van elkaar. Geleerden konden deel uitmaken van dezelfde maatschappelijke netwerken als regenten en investeerders. Of Mulerius daadwerkelijk tot de eerste veertien bewindhebbers behoorde en welke werkzaamheden hij voor de kamer verrichtte, moet aan de hand van de oorspronkelijke benoemingsstukken worden gecontroleerd.
De benoeming van bewindhebbers had ook een sociale betekenis. De WIC bood bestaande regentenfamilies nieuwe mogelijkheden om invloed uit te oefenen buiten het gewest. Zij konden betrokken raken bij besluiten over de besteding van kapitaal, de uitrusting van schepen en de aanstelling van personeel. Daarmee kwamen publieke en particuliere belangen dicht bij elkaar te liggen. Een bestuurder kon verantwoordelijk zijn voor de belangen van de compagnie en tegelijkertijd persoonlijk aandelen bezitten. Dat betekende niet dat iedere beslissing op eigen voordeel was gericht. Wel ontstond een bestuursvorm waarin vermogen een belangrijke voorwaarde voor zeggenschap was. De gewone Groningse bevolking had geen vergelijkbare toegang tot de besluitvorming.
De Heren Negentien en de verdeling van de macht
Het centrale bestuur van de WIC, de Heren Negentien, bepaalde de algemene koers van de onderneming. De verschillende kamers waren daarin vertegenwoordigd, maar hun invloed was ongelijk verdeeld. Amsterdam beschikte over de grootste economische en bestuurlijke positie. De kleinere kamers moesten samenwerken om hun belangen te verdedigen. Voor Groningen betekende dit dat de bewindhebbers wel betrokken waren bij de organisatie van internationale handel en oorlogvoering, maar niet zelfstandig over de gehele onderneming konden beschikken. Grote militaire expedities werden voorbereid binnen een gezamenlijk besluitvormingsproces. De kosten en opbrengsten konden vervolgens over verschillende kamers worden verdeeld.
Deze structuur maakt duidelijk waarom de aanwezigheid van een Groningse WIC-kamer niet hetzelfde is als het bestaan van een zelfstandige Groningse Atlantische vloot. Een schip kon voor rekening van Stad en Lande worden uitgerust, terwijl het in een andere haven vertrok. Handelsgoederen konden voor de Groningse kamer worden gekocht, maar elders worden opgeslagen of verkocht. De financiële administratie kon zich in Groningen bevinden, terwijl de feitelijke scheepvaart plaatsvond vanuit Amsterdam, Zeeland of een andere haven. Wie de betekenis van de kamer wil begrijpen, moet daarom niet alleen naar het kantoor aan de Munnekeholm kijken, maar ook naar de scheepsregisters, vrachtbrieven, rekeningen en besluiten van het centrale bestuur.
Publiek geld voor een overzeese onderneming
De Kamer Stad en Lande moest volgens de aangeleverde oprichtingsgegevens aanvankelijk 500.000 gulden bijeenbrengen. Het kapitaal was nodig om de activiteiten van de compagnie mogelijk te maken. Schepen moesten worden gekocht of gehuurd, handelsgoederen aangeschaft en bemanningen betaald. Daarnaast waren er militaire uitgaven voor soldaten, wapens, geschut, munitie en de aanleg of verdediging van versterkingen. Deze kosten ontstonden voordat een handelsreis of militaire onderneming iets kon opleveren. De investeerders moesten hun geld daarom voor langere tijd vastleggen. Het risico was aanzienlijk, omdat schepen konden vergaan, handelsreizen konden mislukken en veroverde gebieden opnieuw verloren konden gaan.
Het stadsbestuur van Groningen nam volgens het gemeentelijke onderzoek aanvankelijk voor 30.000 gulden deel. Voor de Ommelanden wordt eveneens een bedrag van 30.000 gulden genoemd. Daarnaast komt een provinciale bijdrage van 114.000 gulden voor. Deze bedragen maken duidelijk dat de WIC niet uitsluitend een particuliere handelsmaatschappij was. Ook publieke bestuursorganen investeerden in de onderneming. Daarmee werden middelen die onder publieke verantwoordelijkheid stonden verbonden aan internationale handel en oorlogvoering. De precieze verhouding tussen de verschillende bestuurlijke deelnemers moet aan de oorspronkelijke financiële besluiten worden getoetst. Stad, Ommelanden en provincie waren immers niet zonder meer drie volledig onafhankelijke economische eenheden.
De publieke investeringen hadden een andere betekenis dan de deelname van particuliere aandeelhouders. Een koopman kon zijn eigen vermogen inzetten in de verwachting dat de onderneming dividend zou opleveren. Een stadsbestuur moest rekening houden met de financiële belangen van de gemeenschap waarvoor het verantwoordelijk was. Een dividenduitkering aan de stad kon in de publieke kas terechtkomen, terwijl een particuliere uitkering het vermogen van een familie vergrootte. Beide soorten deelnemers liepen risico, maar de gevolgen waren verschillend. Daarom is het onvoldoende om alle Groningse WIC-investeringen bij elkaar op te tellen en daaruit af te leiden wat Groningen als geheel verdiende.
Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga
Onder de belangrijke particuliere investeerders worden Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga genoemd. In de aangeleverde investeringsgegevens staat Gaykinga vermeld met 33.750 gulden, Sickinghe met 20.000 gulden en Huninga met 9.750 gulden. Samen vertegenwoordigen deze drie bedragen 63.500 gulden. Het gaat om aanzienlijke vermogens die in de nieuwe compagnie werden vastgelegd. De investeerders verwachtten dat succesvolle handelsreizen en militaire ondernemingen opbrengsten zouden opleveren. Hun aandelenbezit verbond hen financieel met gebeurtenissen in Afrika, Brazilië en het Caribische gebied, ook wanneer zij zelf nooit een oceaanreis maakten.
De hoogte van deze investeringen mag niet automatisch worden gelijkgesteld aan winst. Daarvoor moeten de oorspronkelijke stortingen worden vergeleken met latere dividenduitkeringen, herbeleggingen en eventuele verliezen. Ook kon aandelenbezit in de loop van de tijd veranderen. Een naam op een aandeelhouderslijst bewijst bovendien niet dat de betrokkene persoonlijk een schip liet uitrusten of een handelsreis organiseerde. Het onderscheid tussen investeerder en bewindhebber blijft daarom belangrijk. De financiële geschiedenis van de WIC wordt pas volledig wanneer bij iedere deelnemer duidelijk is hoeveel hij inlegde, welke bestuurlijke positie hij bekleedde en welke bedragen hij daadwerkelijk terugontving.
In het eerdere onderzoek worden voor de Groningse kamer bedragen genoemd van 836.975 gulden en, voor een overzicht uit 1643, ruim 958.000 gulden. Deze cijfers horen bij verschillende momenten in de financiële ontwikkeling van de compagnie. Zij mogen niet zonder meer worden behandeld als twee metingen van hetzelfde oorspronkelijke aandelenkapitaal. Latere stortingen, herbeleggingen en administratieve verrekeningen kunnen het verschil verklaren. De precieze opbouw moet uit de oorspronkelijke kapitaalregisters blijken. Voor de jaren 1622–1629 is vooral van belang dat de kamer al vroeg aanzienlijke publieke en particuliere middelen wist te verzamelen en deze vervolgens inzette voor afzonderlijke handelsuitrustingen.
Van de Ebbingestraat naar de Munnekeholm
De jonge kamer gebruikte aanvankelijk een onderkomen in de Ebbingestraat. Daar moesten de eerste administratieve werkzaamheden worden georganiseerd. Een handelskamer had ruimte nodig voor vergaderingen, correspondentie, financiële registers en de behandeling van opdrachten. De bewindhebbers ontvingen berichten uit andere kamers en moesten besluiten over geld en handelsactiviteiten vastleggen. De afstand tussen Groningen en de overzeese gebieden maakte schriftelijke communicatie onmisbaar. Een handelsreis kon maanden duren en de bestuurders konden de gebeurtenissen onderweg niet rechtstreeks volgen. De administratie vormde daarom een belangrijk onderdeel van de onderneming.
In 1624 vestigde de Kamer Stad en Lande zich in het voormalige refugium van het klooster Aduard aan de Munnekeholm. Het gebouw had een geschiedenis die terugging tot de middeleeuwse kloosterwereld. Aduard was een belangrijk cisterciënzer klooster geweest, met bezittingen en economische belangen in Groningen en de Ommelanden. Na de Reductie van Groningen in 1594 veranderden de kerkelijke en bestuurlijke verhoudingen ingrijpend. Voormalige katholieke gebouwen kregen nieuwe bestemmingen. Het refugium aan de Munnekeholm werd nu gebruikt door een handelsorganisatie die deelnam aan de oorlog tegen Spanje en Portugal.
Het West-Indisch Huis werd het herkenbare bestuurlijke centrum van de Groningse kamer. Hier konden bewindhebbers vergaderen, rekeningen behandelen en correspondentie voeren over ondernemingen die zich duizenden kilometers verderop afspeelden. De plaats was daarmee een schakel tussen de regionale bestuurlijke elite en de Atlantische wereld. Toch bewijst de aanwezigheid van het gebouw niet dat alle goederen van de compagnie rechtstreeks in Groningen werden aangevoerd. Bestuur, financiering, opslag en scheepvaart konden op verschillende plaatsen plaatsvinden. Het kantoor aan de Munnekeholm was vooral de plaats waar de Groningse belangen binnen de WIC administratief en bestuurlijk werden georganiseerd.
Ook de Reitemakersrijge wordt in het aangeleverde onderzoek genoemd als locatie die met de goederenopslag van de Groningse WIC verbonden was. Pakhuizen waren noodzakelijk voor handelsgoederen die tijdelijk moesten worden bewaard, gecontroleerd of verder vervoerd. De precieze functie van deze opslagruimte moet echter aan de oorspronkelijke huurcontracten en inventarissen worden getoetst. Zonder die stukken kan niet worden vastgesteld welke goederen daar in de jaren 1622–1629 lagen. Evenmin kan worden aangenomen dat Braziliaanse suiker rechtstreeks vanuit een oceaanschip naar dit pakhuis werd gebracht. De locatie is een belangrijke aanwijzing voor de plaatselijke handelsorganisatie, maar geen sluitend bewijs voor een specifieke goederenroute.
1623 — De eerste Groningse handelsuitrusting naar Guinea
Al in 1623 registreerde de Kamer Stad en Lande een handelsuitrusting voor een schip naar Guinea ter waarde van 67.441 gulden. Daarmee wordt de deelname van de Groningse kamer aan de West-Afrikaanse handel concreet zichtbaar. Het bedrag vertegenwoordigde de geregistreerde waarde van de uitrusting, niet de uiteindelijke winst. Voor vertrek moesten handelsgoederen worden aangeschaft, voorraden ingeladen en de bemanning betaald of gecontracteerd. Ook moest het schip worden onderhouden en geschikt gemaakt voor de lange reis. De onderneming vergde dus aanzienlijke financiële middelen voordat duidelijk was welke goederen aan de Afrikaanse kust konden worden verkregen.
De naam Guinea had in de zeventiende eeuw een ruime geografische betekenis. Europese handelaren gebruikten haar voor verschillende delen van de West-Afrikaanse kust. De handelsmogelijkheden waren niet overal gelijk. Aan de Goudkust speelde goud een belangrijke rol, terwijl elders onder meer ivoor, huiden en andere producten werden verhandeld. Europese schepen brachten goederen mee die binnen bestaande Afrikaanse handelsnetwerken konden worden geruild of verkocht. De precieze samenstelling van de Groningse lading van 1623 is nog niet vastgesteld. Daarom kan niet zonder afzonderlijke ladinglijst worden beweerd dat dit schip bepaalde soorten textiel, wapens, metaalwaren of andere goederen vervoerde.
De WIC kwam niet terecht in een gebied zonder bestaande handelsstructuren. Afrikaanse kooplieden en machthebbers beschikten over eigen contacten en economische belangen. Zij konden voorwaarden stellen aan de handel en waren afhankelijk van netwerken die zich vaak ver landinwaarts uitstrekten. De compagnie moest bovendien concurreren met Portugese en andere Europese handelaren. De aanwezigheid van een Nederlands schip betekende daarom niet dat de WIC de handel ter plaatse beheerste. Iedere reis vereiste onderhandelingen en was afhankelijk van de politieke omstandigheden. De financiële administratie in Groningen maakte deze verhoudingen slechts gedeeltelijk zichtbaar.
Fort Nassau en de Nederlandse aanwezigheid aan de Goudkust
De Nederlandse handel aan de West-Afrikaanse Goudkust was ouder dan de WIC. In 1612 hadden Nederlandse handelaren bij Mouri Fort Nassau gevestigd. Het fort bood een steunpunt voor de handel en vormde een onderdeel van de concurrentie met Portugal, dat al langer versterkte handelsplaatsen langs de kust bezat. Toen de WIC in 1621 werd opgericht, kon zij voortbouwen op bestaande Nederlandse handelscontacten. Dat verklaart waarom de compagnie al vroeg handelsreizen naar West-Afrika kon organiseren. Zij hoefde niet eerst overal nieuwe verbindingen te scheppen. Tegelijkertijd bleven de handelsmogelijkheden afhankelijk van Afrikaanse machthebbers en bestaande lokale verhoudingen.
Fort Nassau mag echter niet zonder aanvullend bewijs worden aangewezen als de bestemming van het Groningse schip van 1623. De algemene vermelding Guinea is daarvoor onvoldoende nauwkeurig. Hetzelfde geldt voor de latere uitrustingen. Een schip kon verschillende handelsplaatsen bezoeken en onderweg goederen kopen of verkopen. Om de route te reconstrueren zijn scheepsjournalen, instructies voor schippers, handelsrekeningen en correspondentie nodig. De geschiedenis van Fort Nassau vormt dus een belangrijke achtergrond voor de Groningse handel, maar vervangt niet het onderzoek naar de afzonderlijke reizen die in de administratie van Stad en Lande voorkomen.
1624 — Een tweede uitrusting naar Guinea
In 1624 registreerde de Kamer Stad en Lande opnieuw een handelsuitrusting naar Guinea, ditmaal ter waarde van 80.501 gulden. Dat was 13.060 gulden meer dan de geregistreerde waarde van de uitrusting uit 1623. Het verschil toont dat de financiële omvang van de ondernemingen varieerde. Daaruit kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat het tweede schip groter was of dat de reis meer winst opleverde. De samenstelling van de handelsgoederen, de prijzen en de uitrustingskosten konden veranderen. De opeenvolgende registraties laten vooral zien dat de kamer haar belangstelling voor de West-Afrikaanse handel behield en bereid was opnieuw aanzienlijke middelen in te zetten.
De uitrusting van een schip bracht veel verschillende werkzaamheden met zich mee. Leveranciers moesten goederen beschikbaar stellen, arbeiders moesten ladingen verplaatsen en zeelieden moesten het schip onderhouden en besturen. De bemanning had voedsel, drinkwater, gereedschap en andere voorraden nodig. Zeilen, touwen en scheepsonderdelen moesten worden gecontroleerd of gerepareerd. De administratie registreerde vooral de kosten, maar achter iedere financiële post stond arbeid. Voor de geschiedenis van Groningen is het daarom belangrijk om niet alleen de investeerders te noemen. Ook schippers, matrozen, timmerlieden, sjouwers en andere werknemers maakten de overzeese ondernemingen mogelijk.
De werkelijke vertrekhaven van de Groningse uitrusting van 1624 is nog niet vastgesteld. Dat is van belang omdat de financiële betrokkenheid van Stad en Lande niet automatisch betekende dat alle werkzaamheden in Groningen plaatsvonden. De grote Hollandse en Zeeuwse havens beschikten over uitgebreide voorzieningen voor oceaanschepen. Een Groningse kamer kon goederen financieren of een schip laten uitrusten dat elders vertrok. Ook konden goederen bij terugkeer in een andere haven worden gelost en daarna verder worden vervoerd. De volledige economische betekenis van de reis kan pas worden bepaald wanneer de financiële administratie met de feitelijke scheepsroute wordt verbonden.
1624 — De WIC verovert Salvador da Bahia
Terwijl Groningen haar handelsactiviteiten naar Guinea voortzette, ondernam de WIC een grote militaire expeditie tegen de Portugese bezittingen in Brazilië. Het doelwit was Salvador da Bahia, de koloniale hoofdstad van Portugees Brazilië. De Nederlandse expeditie stond onder leiding van admiraal Jacob Willekens, met Piet Hein als viceadmiraal. In mei 1624 werd de stad ingenomen. De verovering betekende een belangrijk militair succes voor de compagnie. Zij kreeg toegang tot een koloniale haven en een bestuurlijk centrum dat verbonden was met de Braziliaanse suikerproductie. Daarmee ging de WIC verder dan het buitmaken van afzonderlijke vijandelijke schepen.
De bezetting bracht onmiddellijk nieuwe problemen met zich mee. Salvador moest worden verdedigd tegen Portugese tegenstand. Daarvoor waren soldaten, geschut, voedsel en andere voorraden noodzakelijk. De Nederlanders moesten bovendien rekening houden met de bestaande koloniale verhoudingen in het omliggende gebied. De verovering van de stad betekende niet dat alle plantages en handelsverbindingen automatisch onder Nederlands gezag kwamen. De Portugese kolonisten en militaire leiders konden vanuit andere gebieden tegenstand organiseren. De WIC moest daarom proberen de verbindingen met het achterland te behouden en tegelijkertijd rekening houden met nieuwe aanvallen vanuit zee.
Johan van Dorth speelde een belangrijke rol binnen de militaire leiding van de Nederlandse bezetting. Zijn werkzaamheden vonden plaats onder moeilijke omstandigheden, waarin de WIC een veroverde stad moest besturen zonder over een veilige en volledige controle over het omliggende gebied te beschikken. De Nederlandse strijdkrachten waren voor versterkingen en voorraden afhankelijk van schepen die de Atlantische Oceaan moesten oversteken. Daardoor kon een vertraging in de aanvoer ernstige gevolgen hebben. De gebeurtenissen in Salvador maakten duidelijk dat een koloniale verovering veel meer vereiste dan een succesvolle landing. De bezetting moest bestuurlijk, militair en economisch worden volgehouden.
Suiker en slavernij in Portugees Brazilië
De belangstelling van de WIC voor Brazilië was nauw verbonden met de suikerproductie. In de Portugese kolonie waren grote plantagegebieden ontstaan waar suikerriet werd verbouwd en verwerkt. De productie vereiste landbouwgrond, molens, gebouwen, gereedschappen, krediet en veel arbeidskrachten. Tot slaaf gemaakte Afrikanen verrichtten een belangrijk deel van het zware werk. Hun gedwongen arbeid vormde een structureel onderdeel van de plantage-economie. Het riet moest na de oogst snel worden verwerkt, waarna de suiker via havens naar Europese markten werd vervoerd. De waarde van de handel was daardoor afhankelijk van een lange keten van arbeid, transport en financiering.
De WIC wilde toegang krijgen tot deze bestaande koloniale economie. Daarmee raakte de compagnie betrokken bij een productiestelsel waarin slavernij een wezenlijke rol speelde. Dat betekent niet dat iedere Groningse handelsreis naar Guinea in deze jaren een slaventransport was. De uitrustingsbedragen uit 1623 en 1624 bevatten op zichzelf geen bewijs voor het vervoer van tot slaaf gemaakte mensen. Daarvoor zijn specifieke scheepsdocumenten nodig. Wel is duidelijk dat de WIC als geheel militaire en economische belangen ontwikkelde in gebieden waar gedwongen arbeid de basis vormde van belangrijke handelsproducten. De financiële deelname van Groningen verbond de kamer aan deze bredere koloniale onderneming.
1625 — De herovering van Salvador
Het Nederlandse bezit van Salvador duurde niet lang. In 1625 verscheen een grote Spaans-Portugese strijdmacht onder leiding van Fadrique de Toledo voor de Braziliaanse kust. De stad werd belegerd en de Nederlandse bezetting moest zich op 30 april overgeven. Daarmee verloor de WIC haar belangrijkste Braziliaanse verovering van het voorgaande jaar. De nederlaag maakte duidelijk dat het innemen van een koloniale haven niet voldoende was om blijvende economische voordelen te verkrijgen. De verdediging van bezet gebied vergde voortdurende militaire en financiële inspanningen. Een overwinning kon daardoor worden gevolgd door hoge kosten en uiteindelijk het verlies van de veroverde positie.
Voor de aandeelhouders van de WIC was de nederlaag een waarschuwing. Hun geld werd niet uitsluitend gebruikt voor handelsgoederen die na een geslaagde reis konden worden verkocht. Het werd ook ingezet voor militaire ondernemingen waarvan de uitkomst onzeker was. De Kamer Stad en Lande maakte deel uit van deze gezamenlijke organisatie en was daardoor verbonden aan besluiten die grotendeels buiten Groningen werden genomen. De precieze financiële gevolgen van het verlies van Salvador voor afzonderlijke Groningse investeerders zijn nog niet vastgesteld. Daarvoor moeten de verliesrekeningen en eventuele aanvullende kapitaalverplichtingen worden onderzocht. Wel toont de gebeurtenis hoe nauw handel, oorlog en financieel risico binnen de WIC verbonden waren.
1626 — Twee Groningse schepen naar Guinea
Ondanks de nederlaag in Brazilië bleef de Kamer Stad en Lande actief in de West-Afrikaanse handel. In 1626 werden volgens de aangeleverde handelsadministratie twee schepen naar Guinea gestuurd. De gezamenlijke geregistreerde uitrustingswaarde bedroeg 150.308 gulden. Dat was een aanzienlijk bedrag, maar het betrof twee schepen en mag daarom niet rechtstreeks worden vergeleken met de waarde van één eerdere uitrusting. De registratie toont dat de kamer meerdere ondernemingen tegelijk kon financieren. Zij zegt echter nog niet welke goederen werden vervoerd, waar de schepen vertrokken en hoeveel winst zij uiteindelijk opleverden.
De reis naar Guinea bleef afhankelijk van omstandigheden die de bewindhebbers in Groningen niet konden beheersen. Schepen moesten de Atlantische kust bereiken, handelsplaatsen aandoen en onderhandelen met Afrikaanse handelaren. Ziekten, stormen, schade en concurrentie konden de onderneming bedreigen. Ook konden politieke veranderingen langs de kust gevolgen hebben voor de handelsmogelijkheden. De financiële administratie maakte zichtbaar hoeveel geld voor de uitrusting werd vastgelegd, maar niet hoe de reis dagelijks verliep. Voor een volledige reconstructie moeten de namen van de schepen en schippers, de bemanningslijsten en de handelsjournalen worden gevonden. Zonder die gegevens blijft het verhaal van 1626 vooral een financiële geschiedenis.
1627 — De rivier de Gambia als afzonderlijke handelsbestemming
Vanaf 1627 verschijnt de rivier de Gambia afzonderlijk in de handelsadministratie van de Kamer Stad en Lande. In dat jaar werd een schip uitgerust met een geregistreerde waarde van 13.501 gulden. De vermelding maakt de bestemming nauwkeuriger dan de algemene aanduiding Guinea. De Gambia vormde een belangrijke verbinding tussen de Atlantische kust en handelsgebieden verder landinwaarts. Via de rivier en bestaande Afrikaanse netwerken werden goederen verzameld en verhandeld. Voor Europese kooplieden bood dit toegang tot een groter economisch gebied, maar de handel was afhankelijk van plaatselijke machthebbers en de voorwaarden waaronder zij handel toestonden.
Langs de Gambia bestonden politieke en commerciële netwerken waarin onder meer Mandinka-gemeenschappen een belangrijke rol speelden. Afrikaanse handelaren beschikten over contacten die zich verder landinwaarts uitstrekten dan Europese schepen konden varen. De WIC moest daarom onderhandelen met mensen die eigen economische en politieke belangen hadden. De aanwezigheid van een Gronings schip betekende niet dat de compagnie de rivier of de handel beheerste. De precieze handelsplaatsen die het schip van 1627 bezocht, zijn in de gebruikte gegevens nog niet vastgesteld. Ook ontbreken de namen van de betrokken Afrikaanse handelaren en bemiddelaars. Daardoor kan de algemene handelsstructuur wel worden beschreven, maar niet iedere afzonderlijke transactie.
Voor 1627 vermeldt de aangeleverde administratie een goederenopbrengst van 31.739 gulden. Dit bedrag is belangrijk omdat het de handelsactiviteiten van de kamer met een concreet financieel resultaat verbindt. Het mag echter niet zonder meer als nettowinst worden beschouwd. Van de opbrengst moesten de kosten van uitrusting, vervoer, personeel en andere verplichtingen worden onderscheiden. Ook moet worden nagegaan of de opbrengst betrekking had op dezelfde reis waarvoor 13.501 gulden aan uitrusting werd geboekt. Handelsrekeningen konden verschillende reizen en boekjaren met elkaar verbinden. Een eenvoudige aftreksom zou daarom een misleidend beeld van de winstgevendheid kunnen geven.
De goederen uit de Gambia en hun bestemming
De aangeleverde bron spreekt over goederen die vanuit het Gambiagebied naar Groningen kwamen. Dat legt een belangrijke verbinding tussen de Afrikaanse handel en de Groningse economie. Toch moet worden onderscheiden tussen de plaats waar een handelsopbrengst werd geboekt en de haven waar goederen daadwerkelijk werden gelost. Een lading kon in een Hollandse of Zeeuwse haven aankomen en vervolgens via binnenvaart naar Groningen worden vervoerd. Ook kon de verkoop administratief voor rekening van de Groningse kamer plaatsvinden. De vermelding van Groningen als bestemming bewijst daarom niet dat het betrokken oceaanschip rechtstreeks in de stad aanlegde.
Voor een nauwkeurige reconstructie zijn havenrekeningen, vrachtbrieven, scheepsjournalen, pakhuisadministraties en verkoopregisters nodig. Daaruit zou kunnen blijken welke goederen via de Eems of andere verbindingen naar Groningen werden gebracht. Ook kan worden onderzocht of de Reitemakersrijge bij deze handel een rol speelde. Zonder zulke gegevens blijft de fysieke route onzeker. Het onderscheid is van belang voor de vraag wat de WIC de Groningse economie werkelijk opleverde. Financiële opbrengsten voor de kamer waren niet hetzelfde als inkomsten voor plaatselijke schippers, havenarbeiders of pakhuishouders. Die economische gevolgen moeten afzonderlijk worden aangetoond.
1627 — Piet Hein blijft de Portugese handel aanvallen
Terwijl de Kamer Stad en Lande handel dreef langs de Gambia, bleef de WIC militair actief tegen Portugese belangen in Brazilië. Piet Hein ondernam in 1627 aanvallen in het gebied van de Baai van Allerheiligen. De compagnie probeerde de Portugese scheepvaart en handelsverbindingen te treffen, ook nadat Salvador in 1625 verloren was gegaan. Zulke ondernemingen konden buit opleveren zonder dat de WIC langdurig een stad hoefde te bezetten. Toch bleven de kosten aanzienlijk. Oorlogsschepen moesten worden uitgerust en bemanningen moesten bereid zijn gevaarlijke reizen te ondernemen. Het financiële resultaat hing af van de schepen en goederen die daadwerkelijk konden worden buitgemaakt.
De gebeurtenissen van 1627 vormden een schakel tussen de mislukte bezetting van Salvador en de grote overwinning op de Spaanse zilvervloot een jaar later. De WIC had ervaren hoe moeilijk het was om koloniale gebieden te behouden, maar beschikte nog steeds over de mogelijkheid om vijandelijke handelsroutes aan te vallen. Kaapvaart was daardoor een belangrijk onderdeel van haar strategie. De onderneming probeerde de economische macht van Spanje en Portugal te verzwakken en tegelijkertijd opbrengsten te verwerven. Voor Groningen betekende dit dat de financiële belangen van de kamer verbonden bleven aan militaire ondernemingen waarvan de uitkomst niet kon worden voorspeld.
1628 — De Gambiahandel groeit verder
In 1628 registreerde de Kamer Stad en Lande opnieuw een uitrusting voor de Gambia, ditmaal ter waarde van 25.980 gulden. Dat bedrag was hoger dan de 13.501 gulden van het voorgaande jaar. De stijging kan verschillende oorzaken hebben gehad, waaronder een andere samenstelling van de handelsgoederen, hogere prijzen of gewijzigde uitrustingskosten. Zij bewijst niet dat het schip groter was of dat de reis meer winst opleverde. Wel toont de nieuwe registratie dat de kamer haar belangstelling voor het Gambiagebied behield. De handelsverbinding werd voortgezet ondanks de onzekerheden van de lange overtocht en de concurrentie aan de Afrikaanse kust.
Voor 1628 wordt een goederenopbrengst van 67.049 gulden genoemd. Dat was 35.310 gulden meer dan de geregistreerde opbrengst voor 1627. De stijging laat zien dat de waarde van de handelsresultaten sterk kon verschillen. Zonder de oorspronkelijke ladinglijsten en verkooprekeningen is echter niet vast te stellen welke producten verantwoordelijk waren voor het verschil. Ook moeten de uitrustingskosten en de opbrengsten aan de juiste reizen worden gekoppeld. De bedragen tonen dat de Gambiahandel een concrete plaats kreeg binnen de financiële administratie van Stad en Lande. Zij vormen nog geen volledige winst- en verliesrekening van de betrokken schepen.
September 1628 — Piet Hein verovert de Spaanse zilvervloot
Op 8 september 1628 behaalde de WIC een uitzonderlijke overwinning bij Cuba. Een Nederlandse vloot onder leiding van Piet Hein onderschepte in de Baai van Matanzas schepen van de Spaanse zilvervloot. Hendrick Cornelisz. Loncq behoorde tot de belangrijkste bevelhebbers van de onderneming. De Spaanse schepen vervoerden waardevolle goederen uit de overzeese bezittingen van de monarchie. De Nederlanders wisten een groot deel van de lading in handen te krijgen. De verovering was een militaire slag tegen Spanje, maar had voor de WIC vooral een uitzonderlijke financiële betekenis. De compagnie beschikte plotseling over een buit die veel groter was dan de opbrengsten van gewone handelsreizen.
De waarde van de buit wordt in historisch onderzoek op ruim 11,5 miljoen gulden gesteld. Een gedetailleerde berekening noemt 11.509.525 gulden. De lading bestond voornamelijk uit zilver, maar omvatte ook goud en andere handelsgoederen. In het eerdere Groningse onderzoek worden afzonderlijk 14.514 pond zilver en 150 kisten suiker genoemd. Deze hoeveelheden moeten aan de oorspronkelijke buitlijsten worden gecontroleerd voordat zij als volledige of definitieve cijfers worden gepresenteerd. De verovering maakte zichtbaar hoe oorlogvoering en commerciële belangen binnen de WIC samenvielen. Spanje verloor waardevolle goederen, terwijl de Nederlandse compagnie middelen verwierf voor dividenduitkeringen en nieuwe ondernemingen.
De buit was afkomstig uit een koloniale economie waarin gedwongen arbeid een belangrijke rol speelde. De winning van edelmetalen in Spaans-Amerika was in verschillende gebieden verbonden met de arbeid van inheemse mensen en tot slaaf gemaakte Afrikanen. De waarde die bij Cuba werd buitgemaakt, was daardoor niet uitsluitend het resultaat van een zeeslag. Zij vertegenwoordigde ook goederen die binnen koloniale machtsverhoudingen waren geproduceerd en verzameld. Voor de WIC betekende de verovering een financieel succes, maar de herkomst van de rijkdom maakt duidelijk dat de Atlantische handel niet los kan worden gezien van koloniale overheersing en arbeidsdwang.
De bemanningen en de verdeling van de buit
De overwinning op de zilvervloot was het werk van veel meer mensen dan Piet Hein alleen. Schepen moesten worden bestuurd, zeilen bediend, geschut geladen en beschadigingen hersteld. Soldaten en matrozen verrichtten het gevaarlijke werk tijdens de confrontatie met de Spaanse vloot. Na de verovering moesten de schepen en hun lading veilig naar de Republiek worden gebracht. De terugkeer verliep niet voor alle schepen op hetzelfde moment. Daardoor kostte ook de registratie en financiële afwikkeling van de buit tijd. De gebeurtenis van september 1628 kreeg pas in de daaropvolgende maanden haar volledige financiële betekenis.
De verdeling van buitgeld had gevolgen voor officieren en bemanningsleden. De WIC moest rekening houden met de kosten van de expeditie, beloningen, lonen en andere aanspraken. Notariële documenten uit 1629 laten zien dat bemanningsleden hun rechten op gages en buitgelden lieten vastleggen of regelen. Voor sommige zeelieden was de opbrengst verbonden met schulden of achterstallige betalingen. De buit was daardoor niet alleen een groot bedrag in de boeken van de compagnie. Zij werkte door in de persoonlijke financiële omstandigheden van mensen die de reis hadden meegemaakt. De verdeling van de opbrengsten was ongelijk en werd bepaald door functie, afspraken en rechten binnen de onderneming.
Wat de zilvervloot Groningen opleverde
Ook het stadsbestuur van Groningen profiteerde van de opbrengsten van de zilvervloot. Volgens het gemeentelijke onderzoek ontving de stad in 1629 een bedrag van 11.250 gulden en in 1630 nog eens 22.500 gulden. Samen bedroegen deze uitkeringen 33.750 gulden. Daarmee moet onderscheid worden gemaakt tussen het jaar van de verovering en de jaren waarin de opbrengsten werden uitbetaald. De zilvervloot werd in september 1628 buitgemaakt, maar de financiële afwikkeling vond later plaats. De eerste Groningse uitkering behoort tot de periode van dit deel. De tweede volgde in 1630 en vormt een rechtstreeks gevolg van de gebeurtenissen van 1628.
De stad had aanvankelijk 30.000 gulden in de WIC geïnvesteerd. De twee genoemde uitkeringen samen waren groter dan die oorspronkelijke inleg. Daaruit volgt echter niet dat het stadsbestuur onmiddellijk een nettowinst van 3.750 gulden had behaald. Een deel van de opbrengsten werd opnieuw in de compagnie geïnvesteerd. Ook moet worden vastgesteld welke bedragen werkelijk in geld beschikbaar kwamen en welke administratief werden verrekend. Het oorspronkelijke aandelenbelang bleef bovendien verbonden aan een onderneming die nieuwe risico's liep. Een dividenduitkering, een herbelegging en een definitieve winst zijn verschillende financiële gebeurtenissen.
Voor particuliere aandeelhouders konden eveneens uitkeringen beschikbaar komen. Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga hadden aanzienlijke bedragen geïnvesteerd en waren daardoor financieel betrokken bij de resultaten van de compagnie. Toch kan zonder afzonderlijke dividendregisters niet worden vastgesteld hoeveel ieder van hen persoonlijk ontving. De omvang van hun oorspronkelijke aandelenbezit is daarvoor onvoldoende. Aandelen konden veranderen, uitkeringen konden worden herbelegd en verschillende betalingen konden op uiteenlopende momenten worden geboekt. De zilvervloot toont daarom niet alleen hoeveel geld de WIC kon verwerven, maar ook hoe ingewikkeld de verdeling van de opbrengsten was.
De zilvervloot verandert de financiële mogelijkheden van de WIC
De verovering van de zilvervloot gaf de WIC een uitzonderlijke financiële impuls. De compagnie kon bestaande verplichtingen voldoen, aandeelhouders belonen en nieuwe militaire ondernemingen voorbereiden. Tegelijk bleef zij afhankelijk van toekomstige handelsresultaten en investeringen. Een buit van deze omvang kon niet jaarlijks worden verwacht. Schepen moesten voortdurend worden onderhouden, bemanningen betaald en militaire expedities gefinancierd. Het succes bij Cuba maakte de compagnie tijdelijk sterker, maar nam de structurele risico's van handel en oorlog niet weg. Voor de Kamer Stad en Lande bleef de vraag bestaan hoeveel geld beschikbaar moest blijven voor nieuwe ondernemingen.
De overwinning kreeg ook een grote publieke betekenis. Piet Hein werd in de Republiek bekend als de veroveraar van de Spaanse zilvervloot. Prenten en herinneringsvoorwerpen verspreidden het nieuws van het succes. De gebeurtenis werd voorgesteld als een overwinning op de Spaanse monarchie en als bewijs van de kracht van de Nederlandse vloot. Voor de Groningse bewindhebbers had zij daarnaast een praktische financiële betekenis. De opbrengsten moesten worden verdeeld, geboekt en eventueel opnieuw geïnvesteerd. De afstand tussen Cuba en Groningen was groot, maar de financiële administratie verbond beide plaatsen rechtstreeks met elkaar.
1629 — De WIC blijft handelen met Guinea
In 1629 registreerde de Kamer Stad en Lande opnieuw een handelsuitrusting voor Guinea, ditmaal ter waarde van 106.521 gulden. De vermelding toont dat de Groningse kamer haar Afrikaanse handelsactiviteiten voortzette nadat de zilvervloot was veroverd. De compagnie beperkte zich niet tot het ontvangen van opbrengsten uit kaapvaart. Zij bleef schepen uitrusten en handelsgoederen aanschaffen. De onderneming vereiste opnieuw aanzienlijke financiële middelen voordat duidelijk was welke goederen konden worden verkregen. De uiteindelijke opbrengst hing af van het verloop van de reis, de handelsmogelijkheden aan de Afrikaanse kust en de verkoop van de teruggebrachte goederen.
De geregistreerde uitrustingen tussen 1623 en 1629 laten een duidelijke opeenvolging zien. In 1623 werd 67.441 gulden geboekt, in 1624 volgde 80.501 gulden en in 1626 werd voor twee schepen samen 150.308 gulden genoteerd. Voor de Gambia verschenen in 1627 en 1628 bedragen van respectievelijk 13.501 en 25.980 gulden. In 1629 volgde opnieuw 106.521 gulden voor Guinea. Samen bedragen deze afzonderlijk genoemde posten 444.252 gulden. Dit is een optelling van geregistreerde uitrustingswaarden, geen berekening van nettowinst of van het totale oorspronkelijke aandelenkapitaal.
De bedragen laten zien dat de Kamer Stad en Lande in haar eerste jaren meer deed dan geld verzamelen. Zij nam daadwerkelijk deel aan handelsreizen naar West-Afrika. Tegelijk blijft de volledige scheepsgeschiedenis onduidelijk. De namen van de afzonderlijke schepen en schippers, hun vertrekhavens, ladingen, bemanningen en aankomstplaatsen zijn nog niet voor alle reizen vastgesteld. Daardoor kan niet worden bepaald hoeveel van de uitrustingskosten rechtstreeks in Groningen werden besteed. Ook is niet duidelijk welke goederen uiteindelijk in de stad werden verkocht. De financiële administratie vormt een belangrijke basis, maar moet worden aangevuld met scheepsregisters en handelsjournalen om de materiële geschiedenis van de reizen volledig te reconstrueren.
De Gambiahandel in de volgende jaren
De aangeleverde handelsrekening vermeldt voor 1627 een opbrengst van 31.739 gulden en voor 1628 een bedrag van 67.049 gulden. Voor latere jaren worden aanvullende opbrengsten genoemd: 15.370 gulden in 1630, 36.611 gulden in 1632, 32.236 gulden in 1634 en 74.131 gulden in 1635. Deze bedragen vallen gedeeltelijk buiten de chronologie van dit deel, maar tonen dat de handelsverbinding met de Gambia na 1629 werd voortgezet. De zes genoemde posten tellen rekenkundig op tot 257.136 gulden. In een eerdere versie van het manuscript staat een totaal van 257.036 gulden. Dit verschil van 100 gulden moet aan de oorspronkelijke rekening worden gecontroleerd.
De latere cijfers maken duidelijk dat de Gambiahandel geen eenmalige onderneming was. De kamer bleef belangstelling houden voor de handelsmogelijkheden langs de rivier en de bredere West-Afrikaanse kust. Toch mogen de bedragen niet worden gebruikt om zonder verdere controle een ontwikkeling van de nettowinst te beschrijven. Daarvoor ontbreken de volledige kosten, de samenstelling van de ladingen en de precieze koppeling tussen uitrustingen en opbrengsten. De handelsrekeningen tonen de financiële omvang van de activiteiten, maar niet de volledige economische werkelijkheid. De arbeid, de plaatselijke onderhandelingen en de omstandigheden waaronder de goederen werden verkregen, blijven grotendeels buiten beeld.
Piet Hein sterft in 1629
Piet Hein maakte de verdere ontwikkeling van de WIC niet meer mee. Nadat hij een functie in de oorlogsvloot van de Republiek had gekregen, sneuvelde hij op 18 juni 1629 tijdens een gevecht met Duinkerker kapers. Zijn dood maakte een einde aan de loopbaan van de man die door de verovering van de zilvervloot grote bekendheid had verworven. De compagnie bleef echter bestaan en moest haar handels- en militaire activiteiten voortzetten. Het succes bij Cuba had haar financiële mogelijkheden vergroot, maar de problemen die sinds de oprichting bestonden, waren niet verdwenen. De WIC bleef afhankelijk van nieuwe schepen, investeringen en militaire beslissingen.
Voor Groningen betekende dit dat de Kamer Stad en Lande haar plaats binnen de onderneming moest behouden zonder zekerheid over toekomstige opbrengsten. De bewindhebbers hadden inmiddels ervaring opgedaan met de organisatie van handelsuitrustingen en de verwerking van financiële resultaten. De stad had een eerste uitkering uit de zilvervloot ontvangen, terwijl particuliere aandeelhouders eveneens belang hadden bij de resultaten van de compagnie. Tegelijk bleef de onderneming kwetsbaar voor militaire verliezen en mislukte handelsreizen. De geschiedenis van de eerste jaren toont daardoor geen onafgebroken economische groei, maar een opeenvolging van investeringen, onzekerheden, verliezen en uitzonderlijke successen.
Groningen aan het einde van 1629
Aan het einde van 1629 was de Kamer Stad en Lande een gevestigde instelling binnen de Groningse bestuurlijke wereld. De eerste bewindhebbers waren in 1622 aangetreden, publieke instellingen en particuliere investeerders hadden kapitaal ingebracht en het voormalige refugium van Aduard aan de Munnekeholm was het bestuurlijke centrum van de kamer geworden. De geregistreerde handelsuitrustingen naar Guinea en de Gambia bewezen dat de deelname aan de WIC meer was dan een papieren investering. Groningen was financieel en bestuurlijk verbonden geraakt met handelsreizen naar West-Afrika en met militaire ondernemingen tegen de Spaanse en Portugese koloniale macht.
De voordelen van deze betrokkenheid waren niet gelijk verdeeld. Bestuurders en vermogende aandeelhouders beschikten over toegang tot investeringen, bestuurlijke functies en eventuele dividenduitkeringen. Andere inwoners konden betrokken zijn als leveranciers, arbeiders, schippers of administratief personeel, zonder dezelfde zeggenschap te hebben. De Afrikaanse handel verbond de kamer bovendien met bestaande politieke en economische verhoudingen buiten Europa. De WIC ontwikkelde tegelijkertijd belangen in Braziliaanse suikergebieden waar slavernij een structureel onderdeel van de productie vormde. De financiële administratie maakte vooral de belangen van investeerders zichtbaar, terwijl de arbeid en omstandigheden van andere betrokkenen veel minder duidelijk werden vastgelegd.
De verovering van Salvador in 1624 en het verlies van de stad in 1625 hadden laten zien hoe onzeker koloniale oorlogvoering was. De handelsreizen naar Guinea en de Gambia vergden aanzienlijke uitgaven, maar hun afzonderlijke winsten zijn nog niet volledig uit de beschikbare gegevens vast te stellen. De zilvervloot van 1628 leverde daarentegen een uitzonderlijke buit op, waarvan Groningen in 1629 een eerste aantoonbare uitkering ontving. Daarmee had de stad een plaats verworven binnen de Atlantische wereld, zonder zelfstandig over de handelsroutes, schepen of koloniale gebieden te beschikken. De Kamer Stad en Lande was aan het einde van 1629 zowel een bron van nieuwe economische mogelijkheden als een instelling waarin Gronings vermogen afhankelijk werd van internationale handel en oorlog.
Groningen en de West-Indische Compagnie — Geld, macht, scheepvaart en slavernij (1580–1863)
Deel 3 — Groningse schepen, soldaten en bestuurders in de strijd om Nederlands-Brazilië (1630–1636)
De West-Indische Compagnie richt zich op Pernambuco
In februari 1630 verscheen een vloot van de West-Indische Compagnie voor de kust van Pernambuco, in het noordoosten van Brazilië. De onderneming was voorbereid in de Republiek, waar bewindhebbers geld hadden verzameld, schepen hadden uitgerust en soldaten hadden aangeworven. De verovering van de Spaanse zilvervloot door Piet Hein in september 1628 had de compagnie een uitzonderlijke financiële impuls gegeven. Maar de WIC wilde niet uitsluitend afhankelijk blijven van de buit die op vijandelijke schepen werd veroverd. Zij zocht toegang tot bestaande productiegebieden, havens en handelsverbindingen. Pernambuco was aantrekkelijk omdat de Portugese kolonisten daar een omvangrijke suikerindustrie hadden opgebouwd.
De keuze voor Pernambuco betekende dat de WIC haar oorlog tegen Spanje en Portugal op een andere manier ging voeren. Het aanvallen van een schip kon een eenmalige buit opleveren. Het bezetten van een haven en het beheersen van een suikergebied bood uitzicht op langdurige inkomsten, maar bracht ook verplichtingen met zich mee. De compagnie moest soldaten onderhouden, vestingen bouwen, bestuurders aanstellen en verbindingen met Europa veiligstellen. Zij wilde profiteren van een economie die al bestond en waarin de arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen een centrale plaats innam. De verovering was daardoor vanaf het begin verbonden met koloniale machtsuitoefening en slavernij.
De opbrengsten van de zilvervloot bereiken Groningen
Terwijl de nieuwe onderneming tegen Brazilië werd voorbereid, werkten de financiële gevolgen van de zilvervloot nog door. Het Groningse stadsbestuur had eerder geld in de West-Indische Compagnie geïnvesteerd. Volgens een uitgewerkte passage in het aangeleverde onderzoek ontving de stad in 1629 een uitkering van 11.250 gulden en in 1630 een tweede bedrag van 22.500 gulden. Samen ging het om 33.750 gulden. Andere passages noemen afwijkende betalingsjaren. Daarom moeten de oorspronkelijke stadsrekeningen worden geraadpleegd voordat de precieze boekingsdata definitief worden vastgesteld. De bedragen maken wel zichtbaar hoe een militaire overwinning bij Cuba financiële gevolgen kon hebben voor een stadsbestuur in Noord-Nederland.
De uitkeringen waren geen rechtstreekse verdeling van oorlogsbuit onder de inwoners van Groningen. Zij hielden verband met het aandelenbezit van de stad in de compagnie. Ook particuliere aandeelhouders konden profiteren van het succes, maar de hoogte van hun persoonlijke ontvangsten kan niet eenvoudig uit de oorspronkelijke inleg worden afgeleid. Sommige bedragen werden opnieuw geïnvesteerd, terwijl andere uitkeringen mogelijk op verschillende momenten werden geboekt. Het is daarom noodzakelijk onderscheid te maken tussen toegekend dividend, daadwerkelijk ontvangen geld en herbelegging. De financiële betekenis van de zilvervloot was aanzienlijk, maar de opbrengsten maakten de WIC niet onafhankelijk van nieuwe investeringen.
De suikerplantages vóór de Nederlandse verovering
Pernambuco was geen leeg gebied waarin de Nederlanders een nieuwe economie konden beginnen. Portugese kolonisten hadden er gedurende tientallen jaren plantages, suikermolens, pakhuizen en handelsverbindingen opgebouwd. Het verbouwen van suikerriet vereiste landbouwgrond en een voortdurende aanvoer van arbeidskrachten. Na de oogst moest het riet snel naar de molens worden vervoerd, waar het sap werd uitgeperst en vervolgens in grote ketels werd gekookt. Het product moest worden gedroogd, verpakt en naar de kust gebracht. Daar wachtten schepen die de suiker naar Europese markten vervoerden. De WIC wilde deze bestaande productieketen onder haar eigen gezag brengen.
De plantage-economie berustte voor een belangrijk deel op gedwongen arbeid. Tot slaaf gemaakte Afrikanen moesten het land bewerken, riet snijden, vrachten vervoeren en in de suikerwerken werken. Hun arbeid maakte de handelsproducten mogelijk waaruit koloniale ondernemers inkomsten verwachtten. De compagnie kon de suikerproductie niet overnemen zonder zich tot dit arbeidsstelsel te verhouden. De Nederlandse verovering veranderde de machthebbers, maar betekende geen afschaffing van de slavernij. De geschiedenis van Pernambuco is daarom niet alleen een verhaal over havens, schepen en veldslagen. Zij gaat ook over mensen die onder dwang de economische basis van de kolonie vormden.
De verovering van Olinda en Recife in februari 1630
De Nederlandse expeditie nam in februari 1630 Olinda en Recife in. Olinda was een belangrijk bestuurlijk en economisch centrum van het Portugese Pernambuco. Recife beschikte over de haven die voor de bevoorrading en de uitvoer van suiker van grote betekenis was. De veroveringen leverden de WIC een vaste positie aan de Braziliaanse kust op. Schepen konden er soldaten, geschut, levensmiddelen en handelsgoederen aanvoeren. Toch betekende het bezit van beide plaatsen niet dat het gehele achterland onmiddellijk onder Nederlands gezag kwam. Portugese verdedigers trokken zich terug en bleven vanuit andere posities weerstand bieden.
De WIC moest daarom een langdurige oorlog voeren om het gebied werkelijk te kunnen beheersen. Portugese strijdkrachten kenden de wegen, rivieren en doorgangen van het binnenland en konden transporten aanvallen. Veel plantages lagen buiten het directe bereik van de Nederlandse garnizoenen. Wanneer het vervoer van suikerriet, voedsel of handelsgoederen werd onderbroken, kwamen de economische verwachtingen van de compagnie in gevaar. De Nederlandse bevelhebbers moesten voortdurend kiezen tussen uitbreiding van hun militaire posities en de verdediging van wat al was veroverd. Iedere nieuwe versterking vergde manschappen en voorraden. De kosten van de bezetting namen daardoor toe.
De Kamer Stad en Lande financiert de koloniale oorlog
De Kamer Stad en Lande maakte deel uit van de gezamenlijke West-Indische Compagnie die de aanval op Pernambuco financierde. Groningse publieke instellingen en particuliere aandeelhouders hadden vermogen in de onderneming ondergebracht. Daarmee waren zij betrokken bij de financiële risico's en mogelijke opbrengsten van de Braziliaanse oorlog. Toch mag deze betrokkenheid niet worden verward met de zelfstandige organisatie van iedere expeditie. De vijf kamers van de WIC moesten samenwerken, terwijl de centrale leiding besluiten nam die gevolgen hadden voor alle deelnemers. Niet ieder schip dat in Brazilië verscheen, was door Groningen uitgerust en niet iedere militair werd door de Groningse kamer betaald.
De concrete Groningse betrokkenheid wordt pas zichtbaar wanneer de algemene geschiedenis van de compagnie wordt verbonden met afzonderlijke personen, schepen en administratieve vermeldingen. Voor de jaren 1630–1636 zijn daarvoor verschillende aanknopingspunten beschikbaar. Balthasar van Beyma diende in Brazilië, Sigismund von Schoppe wordt met de Groningse loonlijst verbonden, de Pegasus en de Graeuwe Paerdt verschenen namens Stad en Lande aan de Braziliaanse kust en Ippo Eijssens kreeg een functie in het koloniale bestuur. Deze gegevens laten zien dat Groningen meer deed dan geld investeren. Tegelijk moeten de aard en omvang van iedere betrokkenheid afzonderlijk worden vastgesteld.
De eerste garnizoenen en de dagelijkse oorlog
Na de verovering van Recife en Olinda moesten de Nederlandse soldaten hun posities verdedigen. Zij verbleven in forten, versterkte posten en geïmproviseerde militaire onderkomens. Hun werkzaamheden bestonden niet alleen uit wachtlopen en gevechten. Zij moesten ook loopgraven graven, wallen aanleggen, geschutstellingen herstellen, levensmiddelen vervoeren en beschadigde verdedigingswerken onderhouden. De compagnie gebruikte haar militairen daarmee tevens als arbeidskrachten voor de koloniale infrastructuur. De verdediging van Pernambuco was afhankelijk van deze voortdurende werkzaamheden. Een fort dat niet werd onderhouden, kon zijn militaire betekenis verliezen, terwijl een gebrek aan transportmiddelen de bevoorrading van een garnizoen kon ontregelen.
De omstandigheden waren zwaar. Soldaten hadden voedsel, drinkwater, kleding, wapens en medische verzorging nodig, maar de aanvoer uit Europa was onzeker. Ziekten, verwondingen en arbeidsongeschiktheid konden de beschikbare sterkte verminderen. De compagnie moest bovendien rekening houden met achterstallige soldij en ontevredenheid onder het personeel. Een garnizoen kon op papier over voldoende manschappen beschikken terwijl in werkelijkheid veel soldaten niet inzetbaar waren. De oorlog werd daardoor niet uitsluitend beslist door de uitkomst van veldslagen. De dagelijkse verzorging van de troepen, het onderhoud van versterkingen en de beschikbaarheid van gezonde arbeidskrachten waren eveneens bepalend.
Het onderzoek van Bruno Romero Ferreira Miranda
De Braziliaanse historicus Bruno Romero Ferreira Miranda onderzocht in zijn proefschrift Gente de Guerra de militairen die tussen 1630 en 1654 in Nederlands-Brazilië dienden. Voor zijn onderzoek naar de geografische herkomst gebruikte hij gegevens over 4.303 soldaten. Deze groep vormt geen volledige telling van alle militairen die de WIC naar Brazilië stuurde, maar biedt een belangrijk beeld van de samenstelling van de strijdmacht. Naast mannen uit de Republiek dienden soldaten uit verschillende Duitse gebieden, Engeland, Schotland, Scandinavië en andere delen van Europa. De WIC beschikte daardoor over een internationaal leger dat onder één koloniale bevelsstructuur moest functioneren.
De militairen verschilden in taal, achtergrond en ervaring. Sommigen hadden eerder in Europese legers gediend, terwijl anderen vooral op zoek waren naar werk en inkomen. De compagnie beloofde soldij, maar de betaling kon worden vertraagd door administratieve problemen en de grote afstand tot Europa. Voorschotten en inhoudingen maakten het voor soldaten moeilijk om hun financiële positie te overzien. Het onderzoek van Miranda laat bovendien zien hoe ziekte, discipline, desertie en zware arbeid de militaire organisatie beïnvloedden. Voor de geschiedenis van Groningen is dit van belang omdat de Groningse kamer deelnam aan een onderneming die afhankelijk was van de inzet van deze militairen.
Balthasar van Beyma verschijnt in Brazilië in 1631
Een van de officieren die de verbinding tussen Noord-Nederland en de Braziliaanse oorlog zichtbaar maken, is Balthasar van Beyma, ook geschreven als Bijma of Byma. Volgens de gegevens van De Friese Regimenten bevond hij zich in 1631 met zijn compagnie in Brazilië. Daarmee is zijn betrokkenheid concreter dan die van personen die uitsluitend vanwege hun familieachtergrond of militaire loopbaan met de WIC in verband worden gebracht. Beyma diende in een periode waarin de Nederlandse positie in Pernambuco nog kwetsbaar was. Recife was veroverd, maar de compagnie had grote moeite om het binnenland te beheersen en haar militaire verbindingen veilig te stellen.
Welke opdrachten Beyma en zijn compagnie precies uitvoerden, kan niet uitsluitend uit de algemene vermelding van zijn aanwezigheid worden afgeleid. De soldaten konden betrokken zijn bij de bezetting van forten, patrouilles, transporten en gevechten, maar voor een persoonlijke reconstructie zijn militaire orders en loonregisters nodig. In 1633 wordt Beyma aangeduid als overste-luitenant of luitenant-kolonel. Dat wijst op een hogere positie dan die van een gewone compagnieskapitein. De precieze datum van zijn bevordering moet nog worden vastgesteld. Zijn loopbaan toont wel dat de WIC gebruikmaakte van officieren die ervaring opdeden binnen de bredere militaire wereld van de Republiek.
De noordelijke officierswereld en Jacob van Ruffelaer
De aanwezigheid van Beyma in Brazilië maakt het noodzakelijk ook de militaire netwerken in Friesland, Groningen en Drenthe te onderzoeken. Officieren uit adellijke en bestuurlijke families konden via hun dienst in het Staatse leger contacten onderhouden die voor nieuwe aanstellingen van betekenis waren. Jacob van Ruffelaer behoort tot deze noordelijke militaire wereld. Zijn familie was afkomstig uit Gent en had via Emden verbindingen met de protestantse opstand tegen Spanje. Jacob huwde in 1612 met Siadde van Buwinga, waardoor zijn levensloop verbonden raakte met families uit de Groninger Ommelanden. Zijn achtergrond is daarom relevant voor het onderzoek naar de militaire omgeving van de WIC.
Bij Ruffelaer moet echter een belangrijk onderscheid worden gemaakt. Zijn militaire en familiale achtergrond bewijst niet dat hij daadwerkelijk in Brazilië diende. Voor Beyma bestaat een afzonderlijke vermelding van zijn aanwezigheid met een compagnie in 1631. Voor Ruffelaer is in het geraadpleegde materiaal geen even duidelijke bevestiging van Braziliaanse dienst vastgesteld. Beide mannen mogen daarom niet zonder aanvullend bewijs als deelnemers aan dezelfde koloniale expeditie worden beschreven. Dit onderscheid is wezenlijk voor een betrouwbare geschiedenis van de Groningse betrokkenheid. De aanwezigheid van een naam binnen een noordelijk militair netwerk is iets anders dan een bewezen dienstverband bij de WIC.
De Groningse Afrikahandel in 1630
Terwijl de compagnie in Brazilië oorlog voerde, bleef de Kamer Stad en Lande betrokken bij handelsactiviteiten langs de West-Afrikaanse kust. De Groningse kamer had in de jaren twintig al schepen en handelsgoederen voor Guinea en de Gambia laten uitrusten. Voor 1630 vermeldt de aangeleverde handelsadministratie een opbrengst van 15.370 gulden uit goederen die met het Gambiagebied werden verbonden. Dit bedrag was lager dan de 67.049 gulden die voor 1628 wordt genoemd. Het verschil mag niet zonder meer worden opgevat als een daling van de winst. Daarvoor moeten de kosten, de samenstelling van de ladingen en de verkoopprijzen worden onderzocht.
De West-Afrikaanse handel functioneerde binnen bestaande Afrikaanse economische en politieke netwerken. Europese schepen waren afhankelijk van contacten met plaatselijke kooplieden en machthebbers. Goederen werden via rivieren en landroutes uit verschillende gebieden aangevoerd. De WIC kon deze handelsstromen niet eenvoudig naar eigen inzicht organiseren. Zij moest onderhandelen en rekening houden met concurrentie en plaatselijke machtsverhoudingen. Voor de Kamer Stad en Lande betekende dit dat de uitrusting van een schip slechts het begin van een onderneming vormde. De uiteindelijke handelsresultaten werden mede bepaald door omstandigheden aan de Afrikaanse kust en door de veiligheid van de Atlantische overtocht.
Domingos Fernandes Calabar kiest in 1632 de Nederlandse zijde
In 1632 koos Domingos Fernandes Calabar de zijde van de Nederlanders. Zijn kennis van het Braziliaanse landschap en de Portugese militaire posities was voor de WIC van grote waarde. De Nederlandse troepen hadden moeite om vanuit hun kustplaatsen het binnenland te beheersen. Zij waren afhankelijk van gidsen, verkenners en bondgenoten die wegen, rivieren en doorgangen kenden. Calabar kon informatie leveren die bij de voorbereiding van militaire operaties van betekenis was. Zijn overstap werd door Portugese tijdgenoten als verraad beschouwd. De Nederlanders zagen in zijn medewerking een mogelijkheid om hun militaire positie te verbeteren.
Calabars persoonlijke motieven zijn niet volledig vast te stellen. Het is daarom niet verantwoord zijn keuze uitsluitend te verklaren vanuit de belangen die Nederlandse of Portugese schrijvers later aan hem toeschreven. Zijn geschiedenis laat zien dat de koloniale oorlog niet alleen door Europese bevelhebbers werd bepaald. Mensen die in Brazilië leefden, konden door hun kennis, contacten en politieke keuzes een belangrijke rol spelen. Zij handelden binnen een samenleving waarin militaire macht, persoonlijke veiligheid en koloniale verhoudingen voortdurend veranderden. De samenwerking met Calabar werd voor de WIC belangrijk, maar bracht hem tegelijkertijd in een bijzonder gevaarlijke positie.
Sigismund von Schoppe en de Groningse loonlijst
De uit Silezië afkomstige officier Sigismund von Schoppe stond volgens het in het aangeleverde onderzoek aangehaalde werk van Joris van den Tol op de loonlijst van de Kamer Stad en Lande. Daarmee ontstaat een rechtstreekse administratieve verbinding tussen Groningen en de militaire organisatie in Brazilië. Von Schoppe was niet uit Groningen afkomstig, maar zijn dienstverband werd financieel met de Groningse kamer verbonden. Dat is een ander soort bewijs dan de noordelijke herkomst van een officier. De vermelding toont dat Stad en Lande ook betrokken was bij de financiering van militair personeel. De exacte betalingen en dienstperioden moeten aan de oorspronkelijke loonregisters worden getoetst.
Von Schoppe werkte in de Braziliaanse oorlog samen met andere bevelhebbers en maakte deel uit van de militaire omgeving waarin ook Calabar actief was. De WIC beschikte over Europese officieren, maar had voor operaties in het binnenland tevens plaatselijke kennis nodig. De samenwerking tussen militairen en gidsen laat zien hoe afhankelijk de compagnie was van informatie over het landschap. De Groningse loonlijst maakt deze geschiedenis bijzonder relevant voor Stad en Lande. Zij toont dat de kamer niet alleen betrokken was bij schepen en handelsgoederen, maar ook bij personen die daadwerkelijk deelnamen aan de koloniale oorlogvoering.
Christoffel Arciszewski en de internationale bevelvoering
Christoffel Arciszewski behoorde tot de belangrijke bevelhebbers in de Nederlandse strijd om Pernambuco. Zijn aanwezigheid onderstreept het internationale karakter van de militaire organisatie. De WIC maakte gebruik van officieren en soldaten uit verschillende Europese gebieden. Zij moesten samenwerken binnen een strijdmacht die door een Nederlandse handelscompagnie werd gefinancierd en bestuurd. De bevelhebbers waren verantwoordelijk voor militaire operaties, de verdediging van veroverde posities en de inzet van beschikbare manschappen. Hun beslissingen hadden ook economische gevolgen, omdat de veiligheid van transportwegen en plantages afhankelijk was van de militaire situatie.
De oorlog maakte duidelijk dat koloniale handel niet losstond van gewapende macht. Wanneer een haven of plantagegebied werd bedreigd, moest de compagnie soldaten inzetten om haar economische belangen te beschermen. Tegelijk konden militaire operaties de kosten verder verhogen. Voor de Groningse kamer betekende dit dat haar financiële belangen afhankelijk waren van besluiten die vaak duizenden kilometers verderop werden genomen. De koloniale bevelhebbers moesten handelen op basis van plaatselijke omstandigheden, terwijl de bewindhebbers in de Republiek rekening hielden met de financiële gevolgen. Tussen deze beide werelden bestond een voortdurende spanning.
De Gambiahandel in 1632
Voor 1632 vermeldt de aangeleverde handelsadministratie een opbrengst van 36.611 gulden uit goederen die met het Gambiagebied verbonden waren. Daarmee bleef de West-Afrikaanse handel een herkenbaar onderdeel van de werkzaamheden van de Kamer Stad en Lande. De compagnie had in Brazilië steeds grotere militaire verplichtingen, maar bleef tegelijkertijd commerciële activiteiten langs de Afrikaanse kust onderhouden. De geregistreerde opbrengst geeft geen volledig inzicht in de winst. Daarvoor moeten de kosten van schepen, bemanningen, handelsgoederen en vervoer afzonderlijk worden vastgesteld. Het bedrag laat wel zien dat Groningen financieel betrokken bleef bij verschillende Atlantische gebieden.
De handel langs de Gambia was afhankelijk van bestaande Afrikaanse netwerken. Producten konden via de rivier uit het binnenland worden aangevoerd en vervolgens worden verhandeld aan Europese kooplieden. De WIC moest rekening houden met plaatselijke machthebbers, handelscontacten en concurrenten. De Groningse administratie maakte vooral de financiële waarden zichtbaar, maar achter deze bedragen stonden veel verschillende werkzaamheden. Afrikaanse producenten, vervoerders en kooplieden maakten de handel mogelijk. Aan Europese zijde waren eveneens arbeiders, zeelieden en leveranciers betrokken. De economische geschiedenis van Stad en Lande omvat daardoor meer dan de namen van bewindhebbers en aandeelhouders.
De strijd over particuliere handel in Brazilië
Na de verovering van Pernambuco ontstond binnen de West-Indische Compagnie een conflict over de toelating van particuliere kooplieden tot de Braziliaanse handel. Voorstanders van een ruimere handel verwachtten dat particuliere ondernemers meer schepen, handelsgoederen en financiële middelen naar de kolonie zouden brengen. De bezette gebieden hadden voortdurend voorraden nodig. Een grotere aanvoer kon de economische ontwikkeling ondersteunen en de afhankelijkheid van de compagnie verminderen. Tegenstanders vreesden echter dat particuliere kooplieden zouden profiteren van havens en handelsverbindingen waarvoor de WIC de militaire kosten had gedragen. Het conflict ging daarom over de verdeling van risico's en opbrengsten.
De Kamer Stad en Lande verzette zich samen met Zeeland en de Maze tegen een ruime toelating van particuliere handel. De drie kamers wilden voorkomen dat de compagnie verantwoordelijk bleef voor forten, garnizoenen en oorlogsschepen terwijl andere ondernemers de handelswinsten ontvingen. Amsterdam beschikte over omvangrijke particuliere handelsnetwerken en had andere belangen bij de openstelling van de Braziliaanse markt. De tegenstelling laat zien dat de kamers van de WIC niet altijd dezelfde economische verwachtingen hadden. De gezamenlijke onderneming moest voortdurend onderhandelen over de verhouding tussen het handelsmonopolie, de kosten van koloniale oorlogvoering en de belangen van afzonderlijke kooplieden.
De Pegasus arriveert op 1 september 1633
Op 1 september 1633 arriveerde de Pegasus in Brazilië. De aangeleverde kroniek vermeldt uitdrukkelijk dat het schip afkomstig was van de Kamer Stad en Lande. Daarmee is de Groningse betrokkenheid bij een afzonderlijke Atlantische overtocht concreet gedocumenteerd. De naam van het schip, de aankomstdatum en de verantwoordelijke kamer kunnen met elkaar worden verbonden. Dit is belangrijk omdat een algemene vermelding van Groningse scheepvaart niet voldoende is om de geschiedenis van afzonderlijke vaartuigen te reconstrueren. De precieze vertrekhaven, kapitein, bemanning en volledige lading van de Pegasus moeten nog aan de oorspronkelijke scheepsdocumenten worden vastgesteld.
De aankomst van de Pegasus laat zien dat de Kamer Stad en Lande daadwerkelijk deelnam aan de maritieme verbindingen waarmee de WIC haar Braziliaanse bezittingen ondersteunde. De lange overtocht vereiste zeelieden, voorraden en een schip dat geschikt was voor de Atlantische vaart. De bemanning moest rekening houden met stormen, ziekte en de mogelijkheid van vijandelijke aanvallen. Een schip dat veilig in Brazilië aankwam, kon soldaten en goederen aanvoeren die voor de bezetting noodzakelijk waren. De betekenis van de Pegasus ligt daarom niet uitsluitend in de vermelding van haar naam. Het vaartuig maakte deel uit van de logistieke organisatie van de koloniale oorlog.
De Pegasus en de operatie tegen Rio Grande
De Pegasus maakte later deel uit van een vloot die werd ingezet bij militaire operaties tegen Rio Grande. De aangeleverde kroniek noemt naast het Groningse schip ook Overijssel, Ter-Veere, Vleermuys, Campen, Pernambuco, Naerden, Leeuwerck, Spieringh, De Vos en Ceulen. Deze scheepsnamen maken zichtbaar hoe de WIC voor een militaire onderneming verschillende vaartuigen samenbracht. De vloot moest soldaten vervoeren, landingen ondersteunen en de verbinding met de kust onderhouden. De aanwezigheid van de Pegasus toont dat de Groningse kamer niet uitsluitend handelsreizen financierde. Haar schip werd ook ingezet binnen een militaire onderneming die gericht was op uitbreiding van de Nederlandse koloniale macht.
In december 1633 veroverden de Nederlanders een belangrijke Portugese versterking bij Rio Grande. Daarmee werd de Nederlandse positie langs de Braziliaanse kust uitgebreid. De militaire operatie vereiste samenwerking tussen schepen en landstrijdkrachten. Soldaten moesten aan land worden gebracht en van voedsel, wapens en munitie worden voorzien. De verbinding met zee bleef noodzakelijk omdat nieuwe posities zonder regelmatige bevoorrading kwetsbaar waren. Voor de WIC betekende de verovering een uitbreiding van haar invloed, maar ook nieuwe verplichtingen. Forten en garnizoenen moesten worden onderhouden. De deelname van de Pegasus verbindt deze ontwikkeling rechtstreeks met de Kamer Stad en Lande.
Balthasar van Beyma wordt luitenant-kolonel
In 1633 wordt Balthasar van Beyma aangeduid als overste-luitenant of luitenant-kolonel. Daarmee kreeg zijn loopbaan een duidelijker plaats binnen de hogere militaire organisatie. De rang wijst erop dat hij meer verantwoordelijkheid droeg dan een gewone compagnieskapitein. De exacte datum en omstandigheden van zijn bevordering zijn echter nog niet vastgesteld. Daarvoor moeten de oorspronkelijke aanstellingsbesluiten en militaire correspondentie worden onderzocht. Zijn aanwezigheid in Brazilië in 1631 en zijn latere vermelding als luitenant-kolonel laten wel zien dat hij tot de officieren behoorde die tijdens de koloniale oorlog ervaring opdeden.
Beyma's loopbaan is van betekenis omdat zij de militaire geschiedenis van de noordelijke gewesten verbindt met de Atlantische oorlog. De WIC had officieren nodig die soldaten konden aanvoeren, garnizoenen organiseren en onder moeilijke omstandigheden beslissingen nemen. Tegelijk waren zulke officieren afhankelijk van de middelen die de compagnie beschikbaar stelde. Achterstallige soldij, gebrek aan voorraden en ziekte konden hun werkzaamheden bemoeilijken. De persoonlijke geschiedenis van Beyma moet daarom worden geplaatst binnen de bredere problemen van de Nederlandse bezetting. Zijn rang geeft inzicht in zijn positie, maar niet automatisch in alle opdrachten die hij persoonlijk uitvoerde.
De Graeuwe Paerdt arriveert op 8 mei 1634
Op 8 mei 1634 arriveerde de Graeuwe Paerdt in Brazilië. De aangeleverde kroniek verbindt het schip rechtstreeks met de Kamer Stad en Lande. Het vaartuig kwam samen met vier schepen van de Amsterdamse kamer aan. Volgens het verslag brachten de vijf schepen gezamenlijk levensmiddelen, munitie en 120 soldaten mee. De bron vermeldt niet hoeveel van deze soldaten afzonderlijk aan boord van de Graeuwe Paerdt waren vervoerd. Daarom mag het totale aantal van 120 niet aan het Groningse schip alleen worden toegeschreven. De aankomst vormt wel een duidelijke aanwijzing voor de betrokkenheid van Stad en Lande bij de bevoorrading van de Nederlandse garnizoenen.
De Graeuwe Paerdt laat zien hoe afhankelijk de WIC was van een voortdurende aanvoer over zee. Soldaten moesten worden vervangen wanneer zij sneuvelden, ziek werden of niet langer inzetbaar waren. Forten hadden munitie en gereedschappen nodig, terwijl de garnizoenen niet zonder levensmiddelen konden functioneren. De overtocht van de Republiek naar Brazilië vergde veel tijd en bracht aanzienlijke risico's met zich mee. Wanneer een schip verloren ging of vertraging opliep, kon dat gevolgen hebben voor de verdediging van de bezette gebieden. De Kamer Stad en Lande leverde via de Graeuwe Paerdt een aantoonbare bijdrage aan deze militaire infrastructuur.
De gewone bemanningen achter de Groningse schepen
De namen Pegasus en Graeuwe Paerdt zijn in de kronieken bewaard gebleven, maar de gewone bemanningsleden blijven in het algemene verhaal grotendeels buiten beeld. Matrozen, stuurlieden, timmerlieden en andere opvarenden moesten de schepen tijdens de lange overtocht besturen en onderhouden. Zij waren verantwoordelijk voor de zeilen, tuigage, reparaties en de verdeling van voorraden. De omstandigheden aan boord konden zwaar zijn. Stormen, ziekte en vijandelijke aanvallen vormden voortdurende risico's. De WIC was afhankelijk van hun arbeid, maar de administratieve bronnen geven vaak meer aandacht aan scheepsnamen en financiële waarden dan aan persoonlijke ervaringen.
Voor een volledig dossier van de Groningse scheepvaart moeten daarom ook monsterrollen, loonregisters en scheepsrekeningen worden onderzocht. Daarin kunnen namen van kapiteins, stuurlieden en andere opvarenden voorkomen. Ook kan uit zulke documenten blijken waar een schip werd uitgerust, welke goederen aan boord werden gebracht en hoeveel geld aan de reis werd besteed. De aanwezigheid van een schip namens Stad en Lande bewijst niet automatisch dat het in Groningen werd gebouwd of vanuit een Groningse haven vertrok. De administratieve verantwoordelijkheid van de kamer en de feitelijke vaarroute moeten bij iedere reis afzonderlijk worden vastgesteld.
Ipo Eyssens vertrekt in 1634 naar Brazilië
In 1634 vertrok Ipo Eyssens, ook geschreven als Ippo Eijssens, naar Brazilië als politiek raad namens de Kamer Stad en Lande. Zijn benoeming vormt een van de belangrijkste rechtstreekse verbindingen tussen Groningen en het koloniale bestuur. De kamer leverde daarmee niet alleen geld en schepen, maar ook een vertegenwoordiger die bestuurlijke verantwoordelijkheid kreeg in het veroverde gebied. Eyssens maakte deel uit van de Nederlandse organisatie die beslissingen moest nemen over veiligheid, bestuur en de verhouding met bestaande Portugese instellingen. Zijn aanwezigheid toont hoe ver de bestuurlijke betrokkenheid van een noordelijk gewest kon reiken.
De politieke raden in Nederlands-Brazilië moesten functioneren in een samenleving waarin de oorlog nog voortdurend voortduurde. Zij kregen te maken met financiële verplichtingen, militaire behoeften en de dagelijkse organisatie van de bezette gebieden. De afstand tot de Republiek maakte rechtstreeks toezicht moeilijk. Brieven konden weken of maanden onderweg zijn, terwijl plaatselijke problemen onmiddellijke beslissingen vroegen. Bestuurders moesten daarom binnen hun instructies zelfstandig handelen. Voor de WIC was het belangrijk dat de economische productie kon worden voortgezet, maar daarvoor waren bestuurlijke afspraken en militaire bescherming noodzakelijk. Eyssens werd zo onderdeel van de koloniale machtsuitoefening.
Eyssens en het bestuur van Paraíba
Ipo Eyssens werd verbonden aan het bestuur van Paraíba, een belangrijk gebied in het noordoosten van Brazilië. De Nederlandse macht moest hier worden bevestigd en georganiseerd. Het bestuur kreeg te maken met de gevolgen van militaire veroveringen en met een bestaande koloniale samenleving waarin Portugese instellingen, plantage-eigenaren en tot slaaf gemaakte arbeidskrachten aanwezig waren. De WIC wilde de productie en handel voortzetten, maar moest daarvoor de veiligheid en de bestuurlijke organisatie verbeteren. Eyssens maakte deel uit van een groep functionarissen die verantwoordelijkheid droeg voor de Nederlandse belangen in deze gebieden.
De precieze besluiten die Eyssens persoonlijk nam, moeten uit de bewaard gebleven correspondentie en bestuursnotulen worden gereconstrueerd. Zijn functie bewijst niet dat hij ieder besluit zelfstandig kon nemen. De koloniale regering bestond uit verschillende functionarissen en militaire bevelhebbers die gezamenlijk verantwoordelijkheden droegen. Toch is zijn aanwezigheid bijzonder belangrijk voor de geschiedenis van Groningen. Zij toont dat de Kamer Stad en Lande een vertegenwoordiger leverde die daadwerkelijk deelnam aan het bestuur van veroverde gebieden. De financiële en politieke belangen van Groningen werden daarmee rechtstreeks verbonden aan het dagelijks functioneren van een koloniale samenleving.
De Gambiahandel in 1634
Terwijl Eyssens in Brazilië bestuurlijke werkzaamheden verrichtte, bleef de Kamer Stad en Lande betrokken bij de handel met West-Afrika. Voor 1634 vermeldt de aangeleverde administratie een opbrengst van 32.236 gulden uit goederen die met de Gambiahandel verbonden waren. De handelsactiviteiten liepen daarmee naast de militaire en bestuurlijke betrokkenheid bij Brazilië door. De goederen kwamen uit bestaande Afrikaanse handelsnetwerken. De WIC was afhankelijk van contacten met plaatselijke kooplieden en machthebbers. De geregistreerde opbrengst vormt geen volledige winstberekening, omdat de kosten van uitrusting en vervoer afzonderlijk moeten worden onderzocht.
Het bedrag laat wel zien dat de Groningse kamer meerdere Atlantische belangen tegelijkertijd behartigde. In Brazilië was zij betrokken bij oorlogvoering en koloniale bestuursfuncties. Langs de Afrikaanse kust financierde zij handelsreizen waarvan de opbrengsten afhankelijk waren van onderhandelingen en bestaande handelsverbindingen. Deze activiteiten werden binnen dezelfde onderneming georganiseerd, maar hadden niet noodzakelijk dezelfde schepen, bemanningen of financiële resultaten. Voor de geschiedenis van Groningen moeten zij daarom zowel in samenhang als afzonderlijk worden onderzocht. De Kamer Stad en Lande was onderdeel van een breed Atlantisch netwerk, zonder dat alle activiteiten rechtstreeks vanuit Groningen werden uitgevoerd.
De memorie van Balthasar van Beyma in 1634
Op 8 september 1634 werd volgens een in het uitgebreide WIC-manuscript aangehaalde archiefverwijzing melding gemaakt van de ontvangst van een rapport van luitenant-kolonel Balthazar Bijma. Ruim een maand later, op 13 oktober 1634, werd in Amsterdam een memorie geregistreerd van Balthasar Bijma, aangeduid als voormalig luitenant-kolonel in dienst van de West-Indische Compagnie. Het document had betrekking op de toestand in Brazilië. Daarmee wordt Beyma niet alleen zichtbaar als officier die aan de koloniale oorlog had deelgenomen, maar ook als iemand wiens ervaringen onder de aandacht van het bestuur werden gebracht.
De memorie van 13 oktober is volgens de bronverwijzing opgenomen in het archief van de Oude West-Indische Compagnie bij het Nationaal Archief, toegang 1.05.01.01, inventarisnummer 50, stuk 83. Dit vormt een belangrijk aanknopingspunt voor verder onderzoek naar de oorlog in Pernambuco. Het document kan mogelijk inzicht geven in de militaire omstandigheden, de toestand van de bezetting en de problemen waarmee de compagnie werd geconfronteerd. Zonder de oorspronkelijke tekst kan echter niet worden vastgesteld welke onderwerpen Beyma daadwerkelijk behandelde. Evenmin staat vast of het rapport van 8 september en de memorie van 13 oktober hetzelfde document betreffen. Beide vermeldingen moeten daarom afzonderlijk worden gehandhaafd.
Barbara Cardoza en de familie van Calabar
De aangeleverde literatuur noemt Barbara Cardoza als de vrouw van Domingos Fernandes Calabar. Verder wordt melding gemaakt van een zoon die in september 1634 in Recife zou zijn gedoopt. Bij de doop zouden verschillende personen uit de militaire omgeving aanwezig zijn geweest. De oorspronkelijke kerkelijke inschrijving moet nog worden gecontroleerd voordat alle namen en functies definitief kunnen worden vastgesteld. De vermelding is van belang omdat zij laat zien dat de koloniale oorlog ook persoonlijke en familiale gevolgen had. Calabar was niet uitsluitend een gids of militaire bondgenoot. Hij maakte deel uit van een samenleving waarin familie, geloof en politieke loyaliteit tijdens de oorlog met elkaar verweven raakten.
De geschiedenis van Calabar en zijn gezin maakt bovendien zichtbaar hoe beperkt de overgeleverde bronnen vaak zijn. Europese kronieken besteedden vooral aandacht aan zijn militaire betekenis en zijn overstap naar de Nederlandse zijde. De ervaringen van zijn vrouw en kinderen bleven veel minder duidelijk bewaard. Toch werden ook zij geraakt door de politieke en militaire omstandigheden waarin Calabar zijn keuzes maakte. De oorlog bepaalde niet alleen welke gebieden werden veroverd, maar kon ook invloed hebben op de veiligheid en toekomst van families. Voor een vollediger beeld van Nederlands-Brazilië moeten dergelijke persoonlijke gegevens naast de militaire verslagen worden geplaatst.
De strijd om de Braziliaanse kust in 1634
In 1634 probeerde de WIC haar posities langs de Braziliaanse kust verder te versterken. De Nederlandse troepen moesten nieuwe gebieden bezetten en bestaande verbindingen verdedigen. De Portugese tegenstand bleef een belangrijke belemmering. De oorlog vergde voortdurend nieuwe soldaten en voorraden. De aankomst van de Graeuwe Paerdt en de andere schepen in mei maakte duidelijk hoe belangrijk deze aanvoer was. Tegelijk probeerde de compagnie de economische productie in de veroverde gebieden voort te zetten. De militaire uitbreiding was daardoor verbonden met de verwachting dat plantages en havens meer inkomsten zouden opleveren.
Maar ieder nieuw gebied bracht ook nieuwe kosten voor bestuur en verdediging met zich mee. De WIC moest rekening houden met de aanwezigheid van Portugese kolonisten, bestaande economische instellingen en een bevolking die niet uitsluitend uit Europese bewoners bestond. Tot slaaf gemaakte Afrikanen vormden een belangrijk deel van de arbeidskrachten op de plantages. Ook inheemse gemeenschappen en plaatselijke bondgenoten konden een rol spelen in de oorlog en de machtsverhoudingen. De Nederlandse bezetting was daardoor niet eenvoudig een strijd tussen twee Europese legers. Zij veranderde de omstandigheden voor verschillende groepen die al in Brazilië leefden.
De Groningse kamer verdedigt het handelsmonopolie
De Kamer Stad en Lande bleef zich verzetten tegen een ruime toelating van particuliere kooplieden tot de Braziliaanse handel. Samen met Zeeland en de Maze verdedigde zij het belang van de compagnie als organisatie die de militaire kosten droeg. De tegenstanders van vrije handel vreesden dat particuliere ondernemers zouden profiteren van handelsmogelijkheden die met geld van de WIC waren veroverd. Daardoor kon de compagnie achterblijven met de kosten van forten, garnizoenen en schepen. De discussie raakte rechtstreeks aan de financiële belangen van de Groningse aandeelhouders. Zij hadden geld geïnvesteerd in een onderneming met bijzondere handelsrechten.
Amsterdam beschikte daarentegen over omvangrijke handelsnetwerken en particuliere kooplieden die mogelijkheden zagen in de Braziliaanse handel. Voorstanders van verruiming verwachtten dat meer schepen en ondernemers de economische ontwikkeling van de kolonie konden bevorderen. De tegenstelling ging daarom niet uitsluitend over een abstract beginsel van vrije handel. Zij betrof de concrete verdeling van oorlogskosten, handelsrechten en verwachte winsten. De discussie laat zien dat binnen de WIC voortdurend moest worden onderhandeld over de verhouding tussen gezamenlijk bestuur en afzonderlijke economische belangen. De Groningse kamer verdedigde daarbij actief haar positie binnen de compagnie.
Calabar valt in 1635 in Portugese handen
In 1635 viel Domingos Fernandes Calabar in Portugese handen. Hij werd terechtgesteld omdat hij de Nederlandse zijde had gekozen. Zijn dood maakte een einde aan de werkzaamheden van een man wiens kennis van het landschap belangrijk was geweest voor de WIC. Portugese tegenstanders beschouwden hem als verrader, terwijl de Nederlanders zijn medewerking hadden gebruikt bij militaire operaties. Zijn geschiedenis toont hoe gevaarlijk het was om tijdens een koloniale oorlog van partij te veranderen. Ook laat zij zien dat de strijd niet uitsluitend werd gevoerd tussen Europese militairen.
Mensen uit de koloniale samenleving konden door hun keuzes grote invloed uitoefenen, maar liepen daarbij aanzienlijke persoonlijke risico's. De betekenis van Calabar lag vooral in zijn kennis van de plaatselijke omstandigheden. De WIC beschikte over schepen, soldaten en geschut, maar had mensen nodig die de wegen en doorgangen van het binnenland kenden. Zijn medewerking maakte duidelijk hoe afhankelijk Europese troepen konden zijn van plaatselijke bondgenoten. Zijn terechtstelling liet tegelijk zien hoe hard de strijd om loyaliteit werd gevoerd. De koloniale oorlog was niet alleen een strijd om grondgebied en handel, maar ook om informatie, samenwerking en politieke trouw.
De uitbreiding van de Nederlandse bezittingen in 1635
In 1635 wist de WIC haar positie in het noordoosten van Brazilië verder uit te breiden. Nieuwe veroveringen boden toegang tot gebieden waar landbouw en suikerproductie plaatsvonden. Tegelijk vergrootten zij de bestuurlijke en militaire verplichtingen van de compagnie. De Nederlandse troepen moesten nieuwe posities verdedigen en de verbindingen met de havens veiligstellen. Voor de WIC was het van belang dat de bestaande productie kon worden voortgezet. Daarvoor waren niet alleen soldaten nodig, maar ook bestuurders, handelscontacten en financiële middelen. De uitbreiding van de Nederlandse macht betekende daardoor niet onmiddellijk dat de onderneming winstgevend werd.
De kosten van bezetting en bestuur bleven aanzienlijk. Forten moesten worden gebouwd en onderhouden, garnizoenen hadden voortdurend voorraden nodig en de koloniale regering moest beslissingen nemen over bezit en economische activiteiten. De compagnie moest bovendien rekening houden met de bestaande Portugese samenleving en de belangen van verschillende bevolkingsgroepen. De oorlog kon de productie verstoren die juist de financiële basis van de bezetting moest vormen. Daardoor ontstond een voortdurende spanning tussen militaire uitbreiding en economische opbrengsten. De WIC had steeds meer gebied onder haar gezag, maar moest ook steeds meer middelen inzetten om dat gebied te behouden.
De Gambiahandel in 1635
Voor 1635 vermeldt de aangeleverde administratie een opbrengst van 74.131 gulden uit goederen die met de Gambiahandel verbonden waren. Dit bedrag was hoger dan de afzonderlijke opbrengsten die voor 1630, 1632 en 1634 worden genoemd. De verschillen laten zien dat de waarde van de handelsresultaten per jaar aanzienlijk kon veranderen. Zonder de oorspronkelijke verkooprekeningen kan echter niet worden vastgesteld welke goederen verantwoordelijk waren voor de stijging. Ook mogen de geregistreerde opbrengsten niet als nettowinst worden beschouwd. De handelsactiviteiten langs de Gambia vormden een afzonderlijk onderdeel van de Groningse betrokkenheid bij de Atlantische wereld.
De Kamer Stad en Lande bleef daarmee actief in verschillende handelsgebieden terwijl de oorlog in Brazilië voortduurde. De Afrikaanse handel vereiste eigen schepen, handelsgoederen en contacten met plaatselijke kooplieden. De militaire bezetting van Pernambuco vroeg daarentegen om soldaten, munitie, bestuurders en een voortdurende bevoorrading. Beide activiteiten konden binnen dezelfde compagnie worden georganiseerd, maar hun financiële resultaten moesten afzonderlijk worden vastgesteld. Het is daarom onjuist om alle bedragen uit de Groningse administratie eenvoudig bij elkaar op te tellen als winst. De cijfers tonen vooral de omvang van de middelen die de kamer in verschillende ondernemingen inzette.
Joannes de Laet en de Afrikaanse handelsgoederen
Joannes de Laet vermeldde in zijn overzicht van de WIC-activiteiten dat de Groningse kamer tussen 1627 en 1636 goederen naar het Gambiagebied zond en retourgoederen ontving. Het ging onder meer om ivoor, was en vooral huiden. Deze producten konden op Europese markten worden verkocht of verder worden verwerkt. De vermelding is belangrijk omdat zij de Afrikaanse handel concreter maakt dan alleen de registratie van geldbedragen. De WIC was niet uitsluitend betrokken bij militaire ondernemingen en koloniale veroveringen. Zij nam ook deel aan bestaande handelsstromen waarin Afrikaanse kooplieden en producenten een belangrijke rol vervulden.
Volgens de in het aangeleverde onderzoek opgenomen gegevens van De Laet zond de Kamer Stad en Lande tussen 1627 en 1636 goederen ter waarde van meer dan 153.000 gulden naar het Gambiagebied. In dezelfde periode ontving zij goederen met een waarde van meer dan 257.000 gulden. Deze bedragen geven een concreet beeld van de omvang van de handelsactiviteiten, maar vormen geen volledige winstberekening. De kosten van schepen, personeel, vervoer en andere verplichtingen moeten afzonderlijk worden meegenomen. Ook moet worden vastgesteld hoe de goederen administratief werden gewaardeerd en waar zij daadwerkelijk werden verkocht. De cijfers laten zien dat Groningen werkelijk deelnam aan de Afrikaanse handel.
De handelsrekening tot en met 1636
De administratie van de Kamer Stad en Lande bevat voor de jaren 1623 tot en met 1636 volgens het aangeleverde onderzoek een totaal van 920.669 gulden aan geregistreerde handelsuitrustingen voor Guinea en de Gambia. De afzonderlijke jaarposten hebben betrekking op verschillende reizen en uitrustingen. De bedragen verschilden sterk per jaar, onder meer door het aantal uitgezonden schepen en de waarde van hun handelsgoederen. Het totaal toont dat de Groningse kamer gedurende langere tijd aanzienlijke middelen in de Afrikaanse handel inzette. Het bedrag mag echter niet als winst worden voorgesteld.
Voor de Gambiahandel worden daarnaast opbrengsten genoemd van 31.739 gulden in 1627, 67.049 gulden in 1628, 15.370 gulden in 1630, 36.611 gulden in 1632, 32.236 gulden in 1634 en 74.131 gulden in 1635. Samen vormen deze bedragen 257.136 gulden. Dat wijkt 100 gulden af van het totaal van 257.036 gulden dat in de aangeleverde tekst wordt genoemd. Deze afwijking moet worden gecontroleerd aan de hand van de oorspronkelijke rekening of de transcriptie van De Laet. De afzonderlijke bedragen en het opgegeven totaal mogen niet zonder toelichting als volledig overeenstemmend worden gepubliceerd.
De WIC en de Afrikaanse slavernijhandel
De Afrikaanse handelsactiviteiten van de WIC vonden plaats binnen een Atlantische economie waarin ook mensenhandel en slavernij bestonden. De Nederlandse veroveringen in Brazilië vergrootten het belang van de verbindingen met West-Afrika, omdat de suikerproductie grotendeels afhankelijk was van tot slaaf gemaakte arbeidskrachten. Toch mag uit de vermelding van een reis naar Guinea of de Gambia niet automatisch worden afgeleid dat het betreffende schip mensen vervoerde. De geregistreerde handelswaarden geven op zichzelf geen aantallen gevangengenomen of vervoerde personen. Daarvoor zijn specifieke scheepsdocumenten nodig.
De bredere economische samenhang tussen Afrika en Brazilië is duidelijk, maar de rol van iedere afzonderlijke Groningse reis moet met eigen bewijs worden vastgesteld. De WIC was een onderneming die handel, oorlogvoering en koloniale machtsuitoefening combineerde. De Nederlandse bezetting van Pernambuco bracht haar rechtstreeks in contact met een plantage-economie die op slavernij berustte. Dat betekende niet dat alle handelsactiviteiten langs de Afrikaanse kust dezelfde goederen of dezelfde bestemmingen hadden. Een zorgvuldige reconstructie moet daarom onderscheid maken tussen gewone handelsgoederen, militaire bevoorrading en bewezen transporten van tot slaaf gemaakte mensen.
Christianus Wachteloo en de gereformeerde kerk
Christianus Wachteloo, die in Groningen had gestudeerd, vertrok kort na 1630 naar Pernambuco. Hij was werkzaam als gereformeerd predikant in de Nederlandse kolonie. Zijn loopbaan laat zien dat de WIC niet uitsluitend militairen en handelaren naar Brazilië bracht. Ook predikanten maakten deel uit van de koloniale samenleving. Zij verzorgden kerkdiensten en hadden een plaats binnen de kerkelijke organisatie die onder Nederlands gezag werd opgebouwd. De gereformeerde kerk en de WIC waren geen identieke instellingen, maar hun werkzaamheden raakten elkaar in de koloniale gebieden. De aanwezigheid van Wachteloo vormt een directe verbinding tussen de Groningse academische en kerkelijke wereld en Nederlands-Brazilië.
De Nederlandse bezetting bracht veranderingen in de openbare godsdienstige verhoudingen. Gereformeerde predikanten kregen een plaats binnen de koloniale organisatie, terwijl de bevolking van de veroverde gebieden afkomstig bleef uit verschillende godsdienstige en culturele achtergronden. De WIC moest rekening houden met bestaande Portugese instellingen en de praktische omstandigheden van de bezetting. De kerkelijke geschiedenis van Nederlands-Brazilië was daardoor verbonden met bestuurlijke en militaire vraagstukken. Predikanten konden bovendien eigen opvattingen hebben en in conflict raken met koloniale bestuurders. De aanwezigheid van een predikant betekende niet dat alle betrokkenen dezelfde belangen of overtuigingen deelden.
Wachteloo raakt in opspraak en keert terug
Christianus Wachteloo raakte tijdens zijn werkzaamheden in Brazilië in opspraak. Volgens de aangeleverde gegevens werd hij omstreeks 1636 uit zijn functie ontslagen. De precieze omstandigheden moeten aan de kerkelijke stukken worden getoetst. Zijn loopbaan laat zien dat de koloniale kerkelijke organisatie niet zonder problemen functioneerde. Predikanten stonden onder toezicht en konden worden aangesproken op hun werkzaamheden of persoonlijke levenswandel. De grote afstand tot de Republiek maakte de afhandeling van conflicten ingewikkeld. Berichten moesten worden verzonden en kerkelijke autoriteiten moesten besluiten nemen op basis van beschikbare verklaringen.
In oktober 1636 werd Christianus Wachteloo in Delfzijl geregistreerd als voormalig predikant in Brazilië. Deze vermelding vormt een bijzonder concrete verbinding tussen de Nederlandse kolonie en Groningen. Een man die in Pernambuco werkzaam was geweest, keerde terug naar het noordelijke gewest en werd daar administratief zichtbaar. Een jaar later uitte de Amsterdamse kerkenraad twijfels over zijn levenswandel. Toch kreeg hij later opnieuw een kerkelijke functie. Vanaf 1639 was hij predikant in Vriescheloo in Westerwolde, waar hij in 1666 overleed. Zijn levensloop verbindt Nederlands-Brazilië met Delfzijl en een dorp in het oosten van Groningen.
Het conflict over vrije handel bereikt de Staten-Generaal in 1636
In 1636 werd het conflict over particuliere handel in Brazilië steeds scherper. De Kamer Stad en Lande bleef samen met Zeeland en de Maze verdedigen dat de WIC haar bijzondere handelsrechten moest behouden. De drie kamers vreesden dat particuliere ondernemers zouden profiteren van handelsmogelijkheden waarvoor de compagnie de militaire kosten droeg. De Staten-Generaal moesten zich over deze tegenstelling uitspreken. De discussie ging niet alleen over economische beginselen, maar ook over de vraag hoe de oorlog kon worden gefinancierd. Wanneer de compagnie onvoldoende inkomsten ontving, werd het moeilijker om schepen, forten en garnizoenen te onderhouden.
Volgens de aangeleverde tekst wisten Stad en Lande, Zeeland en de Maze in 1636 de Staten-Generaal ertoe te bewegen de particuliere handel opnieuw te verbieden. Daarmee behaalde de Groningse kamer een politiek resultaat binnen de gezamenlijke compagnie. Het besluit betekende echter niet dat de tegenstelling definitief was opgelost. Particuliere kooplieden bleven mogelijkheden zien in de Braziliaanse handel, terwijl de WIC geld nodig had voor de bezetting en het bestuur. De gebeurtenis is van bijzonder belang voor Groningen, omdat zij laat zien dat de kamer niet alleen financiële verplichtingen had, maar ook actief deelnam aan de strijd over de economische inrichting van de kolonie.
De waarschuwingen uit Brazilië en de rol van Eyssens
Bij de discussie over vrije handel werden berichten uit Brazilië gebruikt om de gevolgen van de bestaande handelsregeling te beoordelen. De aangeleverde gegevens vermelden dat ook het oordeel van Ippo Eijssens in dit verband werd aangehaald. De berichten waarschuwden onder meer voor lege magazijnen en onvoldoende voorraden. Daarmee werd de ervaring van een Groningse vertegenwoordiger in het koloniale bestuur onderdeel van een politiek conflict in de Republiek. De discussie toont hoe bestuurlijke informatie over de Atlantische Oceaan werd vervoerd en vervolgens kon worden gebruikt bij besluiten van de Staten-Generaal.
De afstand tussen Groningen en Brazilië was groot, maar de belangen en argumenten van beide gebieden raakten rechtstreeks met elkaar verbonden. Een bestuurder in Pernambuco kon berichten over de toestand van de magazijnen en de behoeften van de kolonie. De bewindhebbers in de Republiek moesten vervolgens beslissen welke handelsregeling volgens hen het meest geschikt was. Daarbij konden de ervaringen uit Brazilië op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Een tekort aan voorraden kon worden aangevoerd als argument voor meer particuliere handel, terwijl de kleinere kamers juist de inkomsten van de compagnie wilden beschermen. De tegenstelling maakte de problemen van het koloniale bestuur zichtbaar.
Ippo Eijssens krijgt verantwoordelijkheid over drie gebieden
Volgens een verslag uit juli 1636 kreeg Ippo Eijssens verantwoordelijkheid voor Paraíba, Itamaracá en Rio Grande. Deze gebieden waren belangrijk voor de uitbreiding en het bestuur van de Nederlandse bezittingen in het noordoosten van Brazilië. De WIC moest er rekening houden met bestaande Portugese instellingen en met de gevolgen van de oorlog. Eijssens maakte deel uit van een groep koloniale bestuurders die niet voortdurend op één plaats bijeenkwam. Zij verbleven in verschillende gebieden en overlegden wanneer dat nodig was. Zijn positie laat zien dat de Kamer Stad en Lande rechtstreeks vertegenwoordigd was binnen de koloniale machtsuitoefening.
De gebieden waarvoor Eijssens verantwoordelijkheid kreeg, verschilden in ligging en bestuurlijke omstandigheden. De Nederlandse macht moest worden gehandhaafd terwijl Portugese tegenstand bleef bestaan. Bestuurders moesten beslissingen nemen over veiligheid, bezit en de dagelijkse organisatie van het koloniale leven. De afstand tot de Republiek maakte rechtstreeks toezicht moeilijk. Brieven konden weken of maanden onderweg zijn, terwijl plaatselijke problemen onmiddellijke aandacht vroegen. De koloniale bestuurders moesten daarom binnen de bestaande instructies zelfstandig handelen. Voor Groningen was dit een belangrijke ontwikkeling. De betrokkenheid van Stad en Lande ging verder dan aandelenbezit en scheepsuitrustingen.
De dood van Ippo Eijssens in oktober 1636
In oktober 1636 kwam Ippo Eijssens om het leven. Daarmee eindigde de loopbaan van een Groningse vertegenwoordiger die rechtstreeks bij het bestuur van Nederlands-Brazilië betrokken was geweest. Zijn werkzaamheden tonen hoe ver de invloed van de Kamer Stad en Lande kon reiken. Een man die namens het noordelijke gewest was uitgezonden, kreeg verantwoordelijkheid in gebieden waar de WIC haar koloniale macht probeerde te vestigen. Zijn dood maakte tevens duidelijk dat de dienst in Brazilië persoonlijke risico's met zich meebracht. Voor een volledige biografie moeten de omstandigheden van zijn overlijden en de bestuurlijke gevolgen daarvan afzonderlijk worden onderzocht.
De betekenis van Eijssens ligt niet alleen in zijn benoeming of zijn overlijden. Zijn loopbaan maakt zichtbaar hoe het koloniale bestuur afhankelijk was van personen die door de verschillende kamers werden geleverd. De WIC moest in Brazilië een organisatie opbouwen die beslissingen kon nemen over militaire veiligheid, economische activiteiten en bestaande maatschappelijke verhoudingen. De Groningse kamer leverde daarvoor een vertegenwoordiger die in meerdere gebieden verantwoordelijkheid kreeg. Daarmee wordt duidelijk dat Groningen niet uitsluitend op afstand financieel belang had bij de Braziliaanse onderneming. Via Eyssens was Stad en Lande ook betrokken bij de daadwerkelijke uitoefening van koloniale macht.
De Kamer Stad en Lande in de koloniale registers
De aangeleverde gegevens vermelden dat de Kamer Stad en Ommelanden op verschillende data in 1635 en 1636 in koloniale registers voorkomt. Ook in latere jaren wordt de kamer opnieuw genoemd. Deze vermeldingen zijn belangrijk omdat zij aantonen dat Groningen binnen de koloniale administratie zichtbaar was. Toch moet zorgvuldig worden onderscheiden wat een registratie daadwerkelijk bewijst. Een vermelding van de kamer betekent niet automatisch dat een bepaald schip aanwezig was of dat een specifieke bewindhebber persoonlijk een besluit nam. Daarvoor moet de inhoud van de oorspronkelijke notulen worden geraadpleegd.
De registers vormen waardevolle aanknopingspunten voor onderzoek naar de Groningse invloed, maar zij vervangen geen afzonderlijke reconstructie van de gebeurtenissen. Een bestuursvermelding kan betrekking hebben op correspondentie, financiële verplichtingen, scheepszaken of personele aangelegenheden. Pas wanneer de inhoud van het betreffende document bekend is, kan worden vastgesteld welke rol Stad en Lande daadwerkelijk speelde. Dezelfde voorzichtigheid geldt voor de namen van bestuurders en officieren. Hun aanwezigheid in een register kan verschillende betekenissen hebben. Een betrouwbare geschiedenis van de WIC moet daarom steeds de administratieve context van iedere vermelding onderzoeken.
Het Groningse vlootregister
Een zeventiende-eeuws vlootregister dat in het aangeleverde onderzoek wordt besproken, noemt tweeëntwintig schepen en jachten onder de Kamer Stad en Lande. Daaronder bevinden zich Stad en Landen, Groeningen, Goede Hope, Dolphijn, Omlandia, De Vos, Graeff Ernst, Goude Leeuw, Thonijn, Vriessche Jager, Pegasus, Havick, Swaluwe, Nassauw, Matança, Vogel-Struys, Ernestus, Weseltjen, Graeu-paerdt en Brack. Sommige namen komen meer dan eenmaal voor, soms met verschillende laadvermogens. Het register mag niet zonder nadere datering worden voorgesteld als een vloot die uitsluitend tussen 1630 en 1636 actief was. Het biedt wel een belangrijk uitgangspunt voor de reconstructie van de scheepvaart van Stad en Lande.
De namen Pegasus en Graeuwe Paerdt kunnen rechtstreeks aan gebeurtenissen in 1633 en 1634 worden verbonden. Voor andere schepen uit het register is aanvullend onderzoek nodig. Een naam alleen geeft nog geen zekerheid over de bouwplaats, de eigenaar, de uitrustingskamer of de gevolgde vaarroute. Ook konden verschillende schepen dezelfde naam dragen. Het is daarom noodzakelijk om laadvermogen, kapitein, reisdatum en administratieve vermeldingen met elkaar te vergelijken. De scheepsnamen maken de Groningse betrokkenheid tastbaar, maar vormen nog geen volledige vlootgeschiedenis. De waarde van het register ligt vooral in de mogelijkheid om afzonderlijke vaartuigen verder te volgen.
Groningen, Delfzijl en de vraag naar de werkelijke vaarroute
Voor de geschiedenis van Groningen is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen de plaats waar een schip administratief werd uitgerust en de haven waar het daadwerkelijk vertrok. De Kamer Stad en Lande had haar bestuurlijke centrum aan de Munnekeholm, maar daarmee is niet bewezen dat alle schepen die voor haar rekening voeren vanuit Groningen of Delfzijl vertrokken. De WIC beschikte over een gezamenlijk netwerk van kamers, havens en scheepsuitrustingen. Goederen konden op verschillende plaatsen worden ingekocht, opgeslagen en aan boord gebracht. Ook konden schepen onderweg havens aandoen voordat zij de Atlantische overtocht begonnen.
Hetzelfde onderscheid geldt voor de terugkerende ladingen. Amsterdam speelde een aantoonbare rol als plaats waar Braziliaanse suiker werd gelost en verhandeld. Voor rechtstreekse suikerlossing in Groningen of Delfzijl ontbreekt in het hier besproken materiaal sluitend bewijs. In het eerdere onderzoek werd een huurcontract uit 1629 genoemd dat met Delfzijl in verband wordt gebracht. Dat document verdient afzonderlijke controle, maar een huurcontract bewijst niet welke goederen er daadwerkelijk werden opgeslagen of gelost. Voor een betrouwbare reconstructie zijn havenrekeningen, vrachtbrieven, scheepsjournalen en verkoopregisters nodig waarin de lading en bestemming worden vermeld.
De financiële betekenis van de Afrikaanse handel tot 1636
De handelsgegevens over Guinea en de Gambia tonen dat de Kamer Stad en Lande tussen 1623 en 1636 langdurig betrokken was bij West-Afrikaanse handelsactiviteiten. De geregistreerde handelsuitrustingen bereikten volgens de aangeleverde administratie gezamenlijk een waarde van 920.669 gulden. Daarnaast vermeldde Joannes de Laet voor de Gambiahandel over 1627–1636 meer dan 153.000 gulden aan uitgezonden goederen en meer dan 257.000 gulden aan ontvangen goederen. De bedragen geven inzicht in de omvang van de handelsstromen, maar mogen niet zonder meer worden samengevoegd. Zij komen uit verschillende administratieve overzichten en kunnen deels dezelfde activiteiten betreffen.
Voor een betrouwbare winstberekening moeten de onderliggende rekeningen afzonderlijk worden vergeleken. De waarde van een handelsuitrusting is niet hetzelfde als de waarde van de retourgoederen. De verkoopopbrengst is evenmin gelijk aan nettowinst. Schepen moesten worden onderhouden, bemanningen betaald en handelsgoederen aangeschaft. Ook konden verliezen ontstaan door stormen, vijandelijke aanvallen of tegenvallende handelsresultaten. De Groningse kamer kon aanzienlijke bedragen in een onderneming inzetten zonder dat daar automatisch een even grote opbrengst tegenover stond. De financiële geschiedenis van de WIC moet daarom rekening houden met zowel de omvang van de activiteiten als de onzekerheid van hun resultaten.
Groningen en de verdeling van de Atlantische handel
De Groningse kamer had in de jaren dertig verschillende belangen binnen de WIC. Zij financierde handelsuitrustingen naar West-Afrika, leverde schepen voor de verbinding met Brazilië en nam deel aan de bestuurlijke discussie over de handelsrechten van de compagnie. Tegelijk bleef Groningen afhankelijk van de gezamenlijke organisatie. De grotere handelscentra beschikten over omvangrijke scheepvaartnetwerken en meer particuliere kooplieden. Het conflict over vrije handel maakte deze verschillen zichtbaar. Stad en Lande wilde voorkomen dat de gezamenlijke militaire kosten voor rekening van de compagnie bleven terwijl afzonderlijke ondernemers de opbrengsten ontvingen.
De economische betekenis van de WIC voor Groningen werd daardoor mede bepaald door besluiten over de verdeling van handelsmogelijkheden. De Groningse bewindhebbers moesten rekening houden met de belangen van publieke instellingen en particuliere aandeelhouders die vermogen in de onderneming hadden ondergebracht. Tegelijk was de kamer betrokken bij militaire en bestuurlijke activiteiten die grote financiële verplichtingen met zich meebrachten. De WIC bood mogelijkheden voor internationale handel en politieke invloed, maar haar resultaten waren afhankelijk van oorlog, scheepvaart en de beschikbaarheid van arbeidskrachten. De Groningse betrokkenheid moet daarom worden begrepen als onderdeel van een groter systeem van macht, handel en koloniale ongelijkheid.
De situatie in Pernambuco aan het einde van 1636
Aan het einde van 1636 beschikte de WIC over belangrijke posities in het noordoosten van Brazilië. Recife vormde een centraal punt voor de Nederlandse aanwezigheid. De compagnie had haar macht uitgebreid, maar bleef afhankelijk van militaire bescherming en regelmatige bevoorrading. De suikerproductie bood uitzicht op inkomsten, terwijl de oorlog grote bedragen bleef kosten. Het bestuur moest rekening houden met bestaande Portugese instellingen en de verschillende belangen van de koloniale bevolking. De WIC was daardoor uitgegroeid tot een onderneming die niet alleen schepen uitzond en vijandelijke handel aanviel, maar ook gebieden bestuurde.
De militaire, economische en bestuurlijke verplichtingen waren nauw met elkaar verbonden geraakt. De compagnie moest soldaten onderhouden om de havens en plantagegebieden te beschermen. Tegelijk had zij inkomsten uit de suikerproductie nodig om de kosten van de bezetting te dragen. Die productie was grotendeels afhankelijk van de gedwongen arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. De Nederlandse macht berustte daardoor niet uitsluitend op schepen en forten, maar ook op het voortzetten van een bestaande koloniale economie. De geschiedenis van Nederlands-Brazilië kan niet worden geschreven zonder de mensen zichtbaar te maken wier arbeid deze economie mogelijk maakte.
Groningen aan het einde van 1636
Voor Groningen hadden de jaren 1630–1636 de betekenis van de West-Indische Compagnie ingrijpend veranderd. De Kamer Stad en Lande was betrokken bij de financiering van de oorlog, de Afrikaanse handel en de bevoorrading van Nederlands-Brazilië. De Pegasus arriveerde in 1633 namens de Groningse kamer en nam deel aan militaire operaties. De Graeuwe Paerdt bracht in 1634 samen met Amsterdamse schepen soldaten en voorraden naar de kolonie. Sigismund von Schoppe stond op de Groningse loonlijst en Ippo Eijssens kreeg bestuurlijke verantwoordelijkheid in Brazilië. Christianus Wachteloo verbond de koloniale kerkelijke organisatie met Groningen en Delfzijl.
Ook Balthasar van Beyma maakt deel uit van deze geschiedenis. Zijn aanwezigheid met een compagnie in Brazilië in 1631, zijn vermelding als luitenant-kolonel in 1633 en de archiefstukken uit 1634 verbinden de noordelijke militaire wereld met de koloniale oorlog. Tegelijk laat zijn loopbaan zien hoe belangrijk het is om onderscheid te maken tussen de herkomst van een officier en de kamer die zijn dienst financierde. De Groningse kamer verdedigde bovendien actief haar handelsbelangen tegenover andere kamers. Daarmee was Stad en Lande niet alleen aandeelhouder, maar ook een deelnemer aan de scheepvaart, oorlogvoering en koloniale machtsuitoefening van de WIC.
De jaren tot en met 1636 laten zien dat de Groningse betrokkenheid niet tot één vorm van activiteit kan worden teruggebracht. Geld uit publieke en particuliere vermogens werd ingezet voor een onderneming die oorlog voerde, handel organiseerde en koloniale gebieden bestuurde. Groningse schepen brachten mensen en voorraden naar Brazilië, terwijl bestuurders en militairen uit de noordelijke gewesten deel uitmaakten van de bezettingsorganisatie. De opbrengsten waren onzeker en de kosten hoog. De economische verwachtingen waren bovendien verbonden met een plantage-economie die op slavernij berustte. Aan het einde van 1636 was Groningen daarmee aantoonbaar onderdeel geworden van een Atlantisch stelsel waarin handel, oorlog, bestuur en gedwongen arbeid nauw met elkaar verweven waren.
Groningen en de West-Indische Compagnie — Geld, macht, scheepvaart en slavernij (1580–1863)
Deel 4 — Johan Maurits, Elmina, Luanda en de Groningse belangen in de Atlantische wereld (1637–1644)
Groningen en de West-Indische Compagnie in 1637
In 1637 was de West-Indische Compagnie zestien jaar actief. De Kamer Stad en Lande had vanaf de oprichting van de WIC in 1621 deelgenomen aan een onderneming die handel, scheepvaart en oorlogvoering met elkaar verbond. Groningen had geld geïnvesteerd, bewindhebbers aangewezen en schepen voor de Atlantische vaart uitgerust. De verovering van Pernambuco in 1630 had de verwachtingen van de aandeelhouders vergroot. De Braziliaanse suikergebieden konden aanzienlijke inkomsten opleveren, maar de militaire verdediging was kostbaar. De compagnie moest haar bezittingen beschermen tegen Portugese aanvallen en tegelijk proberen de productie en handel te organiseren. Groningen was daardoor financieel verbonden met gebeurtenissen die zich duizenden kilometers van de stad afspeelden.
De Groningse betrokkenheid had verschillende vormen. Het stadsbestuur, de provincie, de Ommelanden en particuliere aandeelhouders hadden kapitaal beschikbaar gesteld. De Kamer Stad en Lande nam deel aan de uitrusting van schepen en de organisatie van de handel. Daarnaast waren mensen uit de noordelijke gewesten als militair, bestuurder of predikant in Brazilië werkzaam. Deze vormen van betrokkenheid moeten van elkaar worden onderscheiden. Een aandeelhouder hoefde nooit zelf een schip te hebben gezien, terwijl een soldaat of predikant jarenlang in de kolonie kon verblijven zonder een groot financieel belang te bezitten. Toch maakten zij deel uit van dezelfde Atlantische onderneming.
De Braziliaanse bezittingen van de WIC
De Nederlandse bezittingen in Brazilië vormden geen aaneengesloten en veilig gebied. De WIC beheerste belangrijke kustplaatsen en suikergebieden, maar de Portugese tegenstand was niet verdwenen. De compagnie moest voortdurend rekening houden met aanvallen op forten, plantages en transportwegen. Recife was uitgegroeid tot het belangrijkste bestuurlijke en maritieme centrum. Vanuit de haven werden goederen verscheept en militaire voorraden aangevoerd. De suikerproductie vormde de economische basis van het koloniale bezit. Zij was afhankelijk van plantage-eigenaren, krediet, transport en de gedwongen arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. De Nederlandse veroveringen hadden de bestaande koloniale samenleving niet vervangen, maar onder nieuw gezag geplaatst.
De WIC stond voor een probleem dat iedere koloniale verovering ingewikkelder maakte dan een militaire overwinning. Het bezit van een haven betekende nog niet dat de plantages in het achterland veilig konden produceren. Suikerwerken hadden gereedschappen, dieren, brandstof, levensmiddelen en arbeidskrachten nodig. Wegen en rivieren moesten bruikbaar blijven. Handelaren moesten bereid zijn krediet te verstrekken en schepen moesten de suiker kunnen ophalen. Tegelijk wilden de Portugese plantage-eigenaren hun eigen grond en bedrijven behouden. De Nederlandse bestuurders moesten daarom samenwerken met mensen die politiek en religieus niet noodzakelijk aan hun kant stonden. De kolonie werd bestuurd vanuit een voortdurende spanning tussen militaire dwang en economische afhankelijkheid.
De Groningse bestuurders vóór Johan Maurits
De aanwezigheid van Groningse functionarissen in Brazilië begon niet met de komst van Johan Maurits. In 1634 vertrok Ipo Eyssens volgens de aangeleverde PDF als politiek raad namens de Kamer Stad en Lande naar Brazilië. Hij werd gouverneur van Paraíba, een gebied dat voor de Nederlandse uitbreiding in het noordoosten van Brazilië belangrijk was. Zijn benoeming laat zien dat Groningen niet alleen op afstand in de WIC investeerde, maar ook personen leverde die rechtstreeks bij het koloniale bestuur betrokken waren. Eyssens overleed in oktober 1636. Zijn loopbaan vormt daardoor een belangrijke voorgeschiedenis van de bestuurlijke situatie waarin Johan Maurits begin 1637 terechtkwam.
De functie van Eyssens moet worden begrepen binnen de verovering van gebieden waar de WIC zowel militaire als bestuurlijke macht wilde uitoefenen. Een gouverneur moest rekening houden met de verdediging van zijn gebied, de plaatselijke bevolking, de economische productie en de instructies van de compagnie. De precieze besluiten van Eyssens en de omstandigheden van zijn overlijden vragen nog om vergelijking met de oorspronkelijke bestuursstukken. Zijn aanwezigheid is niettemin een concreet aanknopingspunt voor de geschiedenis van Stad en Lande. Zij toont dat de Groningse betrokkenheid verder ging dan de namen van bewindhebbers die in de Republiek vergaderden.
De komst van Johan Maurits van Nassau-Siegen
In januari 1637 arriveerde Johan Maurits van Nassau-Siegen in Recife. De WIC had hem aangesteld om het Nederlandse gezag in Brazilië te versterken en de koloniale bezittingen beter te organiseren. Hij kreeg zowel militaire als bestuurlijke verantwoordelijkheden. De compagnie verwachtte dat hij de verdediging zou verbeteren, de suikerproductie zou herstellen en de inkomsten zou vergroten. Zijn komst betekende een nieuwe fase in het Nederlandse koloniale bestuur. Johan Maurits moest echter werken binnen de belangen van de WIC en haar verschillende kamers. Hij kon niet zelfstandig beschikken over onbeperkte financiële middelen. Zijn plannen waren afhankelijk van de bereidheid van de bewindhebbers in de Republiek om de kosten te dragen.
Johan Maurits kwam niet als een onafhankelijke vorst naar Brazilië. Zijn gezag berustte op een aanstelling door een compagnie die door aandeelhouders was gefinancierd en binnen de Republiek bestuurlijke bevoegdheden had verkregen. De WIC verwachtte militaire veiligheid en commerciële opbrengsten. Johan Maurits moest daarom tegelijk legeraanvoerder, bestuurder en bemiddelaar zijn. Hij kreeg te maken met Europese soldaten, Portugese kolonisten, Afrikaanse bewoners, tot slaaf gemaakte mensen en inheemse gemeenschappen. Hun belangen liepen sterk uiteen. Het Nederlandse bestuur moest proberen een koloniale samenleving te organiseren waarin de macht van de compagnie voortdurend afhankelijk bleef van militaire bescherming.
Johan Maurits en de Hoge en Secrete Raad
Het koloniale bestuur werd niet uitsluitend door Johan Maurits persoonlijk uitgeoefend. Naast hem functioneerde de Hoge en Secrete Raad, die betrokken was bij bestuurlijke en politieke besluiten. De raad moest rekening houden met de belangen van de WIC, de militaire veiligheid en de economische verhoudingen in Brazilië. De bestuurlijke organisatie was ingewikkeld omdat de compagnie tegelijkertijd een handelsbedrijf en een koloniale machthebber was. Zij moest belastingen innen, rechtspraak organiseren, forten onderhouden en de suikerhandel beschermen. Binnen deze organisatie kregen ook functionarissen uit de noordelijke gewesten een plaats. Hun loopbanen verbinden de geschiedenis van Groningen met het daadwerkelijke bestuur van de Braziliaanse kolonie.
De bestuurlijke instellingen hadden bovendien verschillende taken en bevoegdheden. De hoge koloniale leiding hield zich bezig met de algemene koers, terwijl andere raden en plaatselijke functionarissen verantwoordelijk waren voor rechtspraak, financiën en dagelijks bestuur. De precieze benamingen en bevoegdheden veranderden gedurende de Nederlandse aanwezigheid. Daarom moet bij iedere Groningse functionaris worden vastgesteld van welke raad hij lid was en in welke periode. De termen Politieke Raad en Hoge en Secrete Raad mogen niet zonder meer als aanduidingen voor hetzelfde orgaan worden gebruikt. Juist dat onderscheid is nodig om de werkelijke positie van Daniël Alberti en later Wolter Schonenborgh te kunnen beoordelen.
De Portugese plantage-eigenaren onder Nederlands gezag
Johan Maurits moest rekening houden met de Portugese plantage-eigenaren die in de veroverde gebieden waren blijven wonen. Zij bezaten suikerwerken, land en bestaande handelscontacten. De WIC kon de productie niet eenvoudig zonder hen voortzetten. Daarom probeerde het Nederlandse bestuur de economische medewerking van deze kolonisten te verkrijgen. Dat betekende niet dat de politieke en religieuze tegenstellingen verdwenen. Veel Portugese bewoners waren katholiek en bleven verbonden met de Portugese koloniale wereld. Bovendien ontstonden financiële verplichtingen aan Nederlandse kredietverleners. De samenwerking was daardoor kwetsbaar. De WIC wilde inkomsten uit de suikerproductie ontvangen, terwijl de plantage-eigenaren hun bezit en economische zelfstandigheid probeerden te behouden.
De Nederlandse bestuurders moesten voortdurend kiezen tussen dwang en tegemoetkomingen. Wanneer plantage-eigenaren hun bedrijven verlieten of de productie staakten, verloor de compagnie een deel van de inkomsten waarop haar koloniale onderneming berustte. Wanneer zij daarentegen veel vrijheid kregen, kon dat de politieke controle van de WIC verzwakken. De belangen van Nederlandse kooplieden, Portugese grondbezitters en koloniale bestuurders vielen niet vanzelf samen. Schulden vormden daarbij een bijzonder gevoelig onderwerp. De suikerproductie vergde investeringen die pas na verkoop van de oogst konden worden terugverdiend. Wie krediet verstrekte, kon daardoor aanzienlijke invloed op de plantage-eigenaren verkrijgen.
De suikerplantages en hun arbeidskrachten
De Braziliaanse suikerproductie berustte in belangrijke mate op de gedwongen arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. Op de plantages moesten zij suikerriet verbouwen, oogsten en naar de suikerwerken vervoeren. In de molens en kookhuizen werd het riet verwerkt tot suiker. Dit werk was zwaar en gevaarlijk. De koloniale bestuurders en kooplieden spraken in hun administratie vooral over productie, transport en opbrengsten. Achter die cijfers stonden mensen die niet vrijwillig voor de plantage-eigenaren werkten en over wie anderen eigendomsrechten opeisten. De WIC nam deze bestaande koloniale arbeidsverhoudingen niet weg. Zij raakte zelf betrokken bij de handel in mensen die de suikerproductie mogelijk moest blijven maken.
De arbeid begon op de akkers, waar het riet moest worden geplant, onderhouden en gesneden. Na de oogst moest het snel worden verwerkt, omdat het sap niet onbeperkt kon worden bewaard. Het riet werd naar een molen gebracht, uitgeperst en vervolgens in grote ketels verhit. Voor het stoken waren aanzienlijke hoeveelheden brandstof nodig. De geproduceerde suiker moest worden gedroogd, verpakt en opgeslagen. Iedere fase vroeg om mensen die onder zware omstandigheden werkten. De economische waarde van de suiker ontstond daardoor niet alleen door het bezit van grond en werktuigen, maar vooral door een arbeidsstelsel waarin veel mensen geen vrijheid hadden om hun werkzaamheden te weigeren.
De suikerwerken als economische en militaire plaatsen
Een suikerwerk was meer dan een gebouw waarin suikerriet werd verwerkt. Het vormde het centrum van een plantage met akkers, opslagplaatsen, arbeidskrachten en transportverbindingen. De productie was afhankelijk van voldoende water, brandstof, werktuigen en menskracht. Wanneer de oorlog de verbindingen tussen plantages en havens verstoorde, kwam ook de suikerhandel onder druk te staan. De Nederlandse troepen moesten daarom niet alleen steden en forten verdedigen, maar ook proberen de productiegebieden te beschermen. De WIC kon immers pas inkomsten ontvangen wanneer de suiker de haven bereikte en op de Europese markt werd verkocht. Militaire controle en economische exploitatie waren daardoor rechtstreeks met elkaar verbonden.
De plantages waren tegelijkertijd plaatsen van economische productie, sociale ongelijkheid en geweld. Plantage-eigenaren en opzichters konden de arbeid van tot slaaf gemaakte mensen afdwingen. De dagelijkse omstandigheden verschilden per bedrijf, maar het ontbreken van persoonlijke vrijheid was een gemeenschappelijk kenmerk. Voor de compagnie betekende een stilgevallen suikerwerk minder handelswaar. Voor de mensen die er moesten werken, kon een militaire aanval juist nieuwe onzekerheid, gedwongen verplaatsing of geweld betekenen. Een geschiedenis die uitsluitend de suikeropbrengsten volgt, laat daardoor een belangrijk deel van de koloniale werkelijkheid buiten beeld. De arbeidsverhoudingen waren geen bijkomstigheid, maar een fundament van het economische systeem.
Recife als handelscentrum
Recife werd tijdens het bestuur van Johan Maurits verder ontwikkeld als centrum van de Nederlandse aanwezigheid in Brazilië. De haven was van groot belang voor de aanvoer van soldaten, wapens, levensmiddelen en handelsgoederen. Ook de uitvoer van suiker verliep via maritieme verbindingen. De WIC moest beschikken over opslagruimte, aanlegplaatsen en voorzieningen voor het onderhoud van schepen. De haven bracht militairen, bestuurders, kooplieden en zeelieden uit verschillende gebieden samen. Tegelijk was Recife verbonden met de plantages in het achterland, waar de productie grotendeels op gedwongen arbeid berustte. De welvaart die in de haven zichtbaar werd, kon daardoor niet worden losgemaakt van de koloniale machtsverhoudingen.
Het havengebied kende verschillende vormen van arbeid. Zeelieden moesten schepen onderhouden en bevoorraden. Arbeiders droegen goederen naar pakhuizen, terwijl handelaren de waarde en bestemming van de lading vastlegden. Soldaten bewaakten versterkingen en belangrijke toegangen. Bestuurders probeerden toezicht te houden op belastingen en handelsvoorschriften. De mensen die deze werkzaamheden uitvoerden, hadden niet dezelfde rechten of maatschappelijke positie. Europese ambtenaren en kooplieden konden beschikken over middelen en bevoegdheden die anderen ontbeerden. Tot slaaf gemaakte mensen konden ook in de stad en de haven tot arbeid worden gedwongen. Recife was daardoor niet alleen een handelsplaats, maar eveneens een centrum van koloniale machtsuitoefening.
De bouwactiviteiten onder Johan Maurits
Tijdens het bestuur van Johan Maurits werd gewerkt aan de uitbreiding en verbetering van de stedelijke en bestuurlijke voorzieningen. In het gebied tegenover Recife ontwikkelde zich Mauritsstad, waar nieuwe gebouwen, bruggen en verdedigingswerken verrezen. Deze bouwactiviteiten moesten het koloniale bestuur versterken en de stad aantrekkelijker maken voor bewoners en handelaren. De werkzaamheden vroegen geld, materialen en arbeidskrachten. De WIC moest tegelijkertijd militaire verplichtingen nakomen. Daardoor ontstond spanning tussen de ambities van het koloniale bestuur en de financiële mogelijkheden van de onderneming. De bouwprojecten maakten de Nederlandse macht zichtbaar, maar konden alleen worden uitgevoerd zolang de compagnie voldoende middelen beschikbaar stelde.
De nieuwe verbindingen hadden ook een praktische betekenis. Bruggen konden het vervoer tussen verschillende stadsdelen vergemakkelijken, terwijl wegen en verdedigingswerken de militaire controle ondersteunden. Gebouwen boden onderdak aan bestuurders en instellingen. Voor de aanleg waren timmerlieden, metselaars, vervoerders en andere arbeiders nodig. Niet al deze mensen werkten onder dezelfde voorwaarden. Bij een onderzoek naar de bouwactiviteiten moet daarom worden nagegaan wie de materialen leverde, wie de werkzaamheden uitvoerde en hoe deze werden betaald of afgedwongen. De zichtbare resultaten van de bouwprojecten vertellen slechts een deel van het verhaal. Achter de stenen, bruggen en wallen stonden arbeidsverhoudingen die in de gebruikelijke beschrijvingen vaak nauwelijks aandacht krijgen.
Kunstenaars en onderzoekers in Nederlands-Brazilië
Johan Maurits stimuleerde ook de vastlegging van de Braziliaanse natuur en samenleving. Tijdens zijn bestuur werkten kunstenaars en onderzoekers die landschappen, planten, dieren, gebouwen en bewoners beschreven of afbeeldden. Onder hen bevonden zich de schilders Frans Post en Albert Eckhout en de onderzoekers Georg Marcgraf en Willem Piso. Hun werkzaamheden maakten deel uit van een bredere belangstelling voor de natuurlijke omgeving en de mensen die in Brazilië leefden. De resultaten zouden in Europa bijdragen aan de kennis van het gebied. Tegelijk vonden deze activiteiten plaats binnen een koloniale samenleving waarin oorlogvoering, bezit en gedwongen arbeid een centrale rol speelden.
Frans Post vervaardigde landschappen i steden, plantages en het Braziliaanse landschap herkenbaar werden weergegeven. Albert Eckhout maakte onder meer afbeeldingen van bewoners en natuurproducten. Marcgraf en Piso hielden zich bezig met de beschrijving van planten, dieren en andere kenmerken van de natuurlijke omgeving. Hun werk is waardevol omdat het laat zien wat Europese waarnemers vastlegden tijdens de Nederlandse overheersing. Het is echter geen volledig of neutraal overzicht van de samenleving. De keuze van onderwerpen, de wijze van afbeelden en de opdrachtgevers beïnvloedden het resultaat. Een schilderij van een ordelijk landschap vertelt niet vanzelf hoe de mensen op een afgebeelde plantage leefden.
De wetenschappelijke en artistieke activiteiten hadden bovendien een politieke betekenis. Kennis van het landschap, de plantenwereld, de waterwegen en de bevolking kon bijdragen aan het bestuur van een onbekend gebied. Afbeeldingen van nieuwe gebouwen en indrukwekkende landschappen konden in Europa belangstelling wekken voor de Nederlandse aanwezigheid. Daarmee ontstond een voorstelling van Brazilië die zowel kennis overdroeg als koloniale macht zichtbaar maakte. Voor het Groningse verhaal is dit relevant omdat de Kamer Stad en Lande deelnam aan de onderneming die deze bestuurlijke en culturele activiteiten mogelijk maakte. Dat betekent niet dat iedere kunstenaar rechtstreeks door Groningen werd betaald; zulke betalingen moeten afzonderlijk worden aangetoond.
De oorlog blijft aanwezig
De komst van Johan Maurits betekende niet dat de oorlog in Brazilië voorbij was. Portugese troepen en koloniale tegenstanders bleven actief. De WIC moest rekening houden met aanvallen op haar bezittingen en probeerde haar militaire positie uit te breiden. De verdediging vroeg om soldaten, schepen, wapens en voortdurende bevoorrading. Ook de aanleg en het onderhoud van forten waren kostbaar. De compagnie hoopte dat de suikerhandel deze uitgaven zou kunnen dragen. In de praktijk bleef de verhouding tussen inkomsten en militaire kosten onzeker. Voor de Groningse aandeelhouders betekende dit dat de waarde van hun investering afhankelijk was van de uitkomst van een langdurige koloniale oorlog.
De militaire situatie werd mede bepaald door het landschap. Rivieren, moerassen, wegen en kustgebieden beïnvloedden de mogelijkheden om troepen te verplaatsen. Een fort kon een haven of belangrijke doorgang beschermen, maar bood niet automatisch controle over het gehele achterland. De WIC had daarom behoefte aan plaatselijke kennis, verkenners, bondgenoten en voldoende transportmiddelen. De tegenstanders konden gebruikmaken van dezelfde omstandigheden. Wanneer bevoorradingswegen werden afgesneden, konden garnizoenen in moeilijkheden komen. De oorlog was daardoor niet alleen een reeks veldslagen, maar ook een voortdurende strijd om voedsel, vervoer, informatie en toegang tot de economische productiegebieden.
De Groningse militairen in Brazilië
De WIC maakte bij haar militaire ondernemingen gebruik van officieren en soldaten uit verschillende gewesten van de Republiek. Ook vanuit Groningen en de noordelijke omgeving waren militairen in Brazilië actief. Hun aanwezigheid toont dat de betrokkenheid van Stad en Lande verder ging dan de investering van geld. De compagnie had mensen nodig die haar veroverde gebieden konden verdedigen. Militaire dienst bood mogelijkheden voor een loopbaan, maar bracht grote risico's met zich mee. Soldaten konden gewond raken, krijgsgevangen worden of overlijden. De namen van afzonderlijke officieren zijn beter bewaard gebleven dan die van gewone soldaten. Daardoor blijft een belangrijk deel van de noordelijke militaire betrokkenheid nog buiten beeld.
De soldaten vormden geen homogene groep. De WIC wierf militairen uit verschillende gebieden, ook buiten de Republiek. Zij kwamen terecht in een koloniale oorlog waarin hun dagelijkse bestaan werd bepaald door soldij, voedselvoorziening, discipline en de beschikbaarheid van medische zorg. De administratie bewaarde vooral gegevens die voor de compagnie van belang waren: aantallen manschappen, kosten, uitrusting en verliezen. Persoonlijke ervaringen zijn moeilijker te reconstrueren. Toch kunnen monsterrollen, betalingsregisters, brieven en militaire rapporten helpen om de geschiedenis van gewone soldaten zichtbaar te maken. Voor Groningen is daarbij van belang onderscheid te maken tussen een militair die uit de stad afkomstig was en een militair die in een Groningse compagnie diende.
Reinier Sickema wordt krijgsgevangen gemaakt
In 1638 werd Reinier Sickema, die als luitenant in Brazilië diende, krijgsgevangen gemaakt. De gebeurtenis laat zien dat ook Groningse officieren rechtstreeks met de gevaren van de koloniale oorlog werden geconfronteerd. De precieze omstandigheden van zijn gevangenneming moeten nog aan militaire verslagen worden gecontroleerd. Zijn latere loopbaan toont dat deze gebeurtenis niet het einde van zijn dienst betekende. In 1647 zou hij commandant worden van Fort Oranje op Itamaracá. Zijn geschiedenis verbindt de eerste jaren van het bestuur van Johan Maurits met de latere verdediging van de Nederlandse bezittingen. De krijgsgevangenschap maakt zichtbaar dat de oorlog voortdurend persoonlijke gevolgen had voor militairen uit Stad en Lande.
De loopbaan van Sickema biedt mogelijkheden om het militaire netwerk rond de Kamer Stad en Lande nauwkeuriger te onderzoeken. Van belang zijn zijn aanstelling, de eenheid waarin hij diende, de omstandigheden van zijn gevangenschap en de wijze waarop hij zijn dienst hervatte. Ook zijn latere bevel over Fort Oranje vraagt om vergelijking met militaire correspondentie. De aangeleverde PDF geeft belangrijke aanknopingspunten, maar geen volledig persoonlijk dossier. Juist daarom moet zijn verhaal niet worden aangevuld met onbewezen details over een ontsnapping, gevangenenruil of specifieke veldslag. Zijn bekende functies en gebeurtenissen zijn al voldoende om de directe militaire betrokkenheid van noordelijke officieren zichtbaar te maken.
De West-Afrikaanse kust in 1637
Terwijl de WIC in Brazilië haar bezittingen probeerde te versterken, richtte zij zich ook op de West-Afrikaanse kust. Daar hadden de Portugezen al lange tijd handelsplaatsen en versterkingen opgebouwd. De compagnie wilde toegang krijgen tot de handel in goud en andere goederen en de Portugese invloed terugdringen. De West-Afrikaanse ondernemingen maakten deel uit van dezelfde Atlantische strategie als de veroveringen in Brazilië. Schepen verbonden de Europese havens met Afrikaanse handelsposten en Amerikaanse koloniale gebieden. De WIC probeerde militaire macht te gebruiken om bestaande handelsverbindingen over te nemen. Daarbij was zij afhankelijk van contacten met Afrikaanse machthebbers en handelaren.
De Nederlandse aanwezigheid aan de Afrikaanse kust was overigens ouder dan de verovering van Elmina. De Nederlanders hadden eerder handelscontacten opgebouwd en beschikten vanaf 1612 over Fort Nassau bij Mouri. Dat steunpunt bood mogelijkheden voor handel en bescherming, maar gaf geen controle over de gehele kust. Afrikaanse staten, plaatselijke bestuurders en handelaren bepaalden mede welke goederen werden aangeboden en onder welke voorwaarden handel kon plaatsvinden. De WIC kon haar militaire macht inzetten, maar moest rekening houden met bestaande politieke verhoudingen. De kust was geen leeg gebied waarin Europese compagnieën zonder tegenstand hun handelsstelsel konden vestigen.
De verovering van Elmina in 1637
In augustus 1637 veroverden Nederlandse troepen het Portugese fort Elmina aan de kust van het huidige Ghana. Het fort was in 1482 door de Portugezen gebouwd en had een belangrijke plaats ingenomen in de handel in goud. De verovering betekende een grote verschuiving van militaire en commerciële macht. De WIC kreeg een versterkte handelsplaats in handen die zij kon gebruiken voor haar West-Afrikaanse activiteiten. Toch betekende het bezit van het fort niet dat de compagnie automatisch het omliggende gebied beheerste. De Nederlanders moesten blijven onderhandelen met Afrikaanse machthebbers en handelaren. Hun handelspositie was afhankelijk van plaatselijke politieke verhoudingen en bestaande economische netwerken.
De verovering had ook betekenis voor de oorlog tegen Portugal. De WIC probeerde de Portugese handelsverbindingen te verzwakken door belangrijke steunpunten over te nemen. Een versterkte handelsplaats kon dienen als opslagplaats, verblijfplaats voor personeel en uitvalsbasis voor verdere activiteiten. Het beheer vroeg echter om voortdurende uitgaven voor soldaten, onderhoud en bevoorrading. Voor de kamers in de Republiek was de militaire overwinning daarom niet alleen een mogelijke bron van nieuwe inkomsten. Zij bracht ook verplichtingen mee. De precieze Groningse bijdrage aan de verovering kan niet uit het algemene aandeel van Stad en Lande in de WIC worden afgeleid.
Elmina als handels- en bestuurscentrum
Na de verovering van Elmina probeerde de WIC de handel vanuit het fort te organiseren. De versterking bood opslagruimte, bescherming en een plaats waar vertegenwoordigers van de compagnie konden verblijven. Vanuit Elmina werden contacten onderhouden met Afrikaanse handelaren en machthebbers. De handel omvatte verschillende goederen, waaronder goud. De betrokkenheid bij de handel in tot slaaf gemaakte mensen werd eveneens van betekenis binnen de Atlantische activiteiten van de compagnie. De WIC was echter niet de enige partij die de handelsvoorwaarden bepaalde. Afrikaanse politieke en economische verhoudingen bleven van grote invloed. De geschiedenis van Elmina moet daarom worden beschreven als een ontmoeting tussen verschillende machtsbelangen, niet als een gebied dat eenvoudig volledig onder Nederlands gezag kwam.
De WIC moest voor haar handelsactiviteiten goederen beschikbaar hebben die plaatselijke handelaren wilden ontvangen. Ook moest zij afspraken maken over toegang tot handelsnetwerken en de veiligheid van haar personeel. De onderhandelingen konden worden beïnvloed door conflicten tussen Afrikaanse machthebbers en door concurrentie met andere Europese handelaren. De Nederlandse administratie beschreef dergelijke contacten vanuit de belangen van de compagnie. Zij vermeldde vooral handelswaarden, leveringen, betalingen en politieke overeenkomsten. Om de Afrikaanse betrokkenen zichtbaar te maken, moeten deze documenten kritisch worden gelezen. Hun positie kan niet worden teruggebracht tot die van leveranciers aan een Europees handelsbedrijf.
De kerkzaal in Fort Elmina
Fort Elmina kreeg tijdens de Nederlandse aanwezigheid ook een religieuze functie. In het gebouw bevond zich een ruimte voor christelijke erediensten, terwijl het fort eveneens deel uitmaakte van een handelsstelsel waarin Afrikanen gevangen werden gehouden en verkocht. De nabijheid van godsdienstige bijeenkomsten en gedwongen gevangenschap maakt de geschiedenis van Elmina bijzonder aangrijpend. Predikanten verzorgden het geestelijke leven van Europese bewoners en WIC-personeel, terwijl de compagnie betrokken was bij de handel in mensen. Daarmee is niet bewezen dat iedere predikant slavernij verdedigde. Daarvoor moeten afzonderlijke preken, kerkelijke notulen en correspondentie worden onderzocht. Wel stonden christelijke instellingen en koloniale machtsuitoefening binnen dezelfde organisatie naast elkaar.
De aanwezigheid van een kerkruimte binnen een fort laat zien hoe de WIC verschillende functies in één gebouw samenbracht. Er werd bestuurd, gehandeld, bewaakt en gebeden. Tegelijk kon het fort een plaats zijn waar mensen tegen hun wil werden vastgehouden. Die tegenstelling moet niet worden weggewerkt door uitsluitend de religieuze of uitsluitend de commerciële geschiedenis te vertellen. Het is evenmin juist om zonder afzonderlijk bewijs uitspraken over de persoonlijke opvattingen van alle aanwezige predikanten te doen. De verantwoordelijkheid van de compagnie als instelling staat los van de vraag hoe individuele geestelijken zich tegenover slavernij opstelden.
De gereformeerde kerk en de koloniale samenleving
De WIC was een onderneming uit de Republiek waarin de gereformeerde kerk een belangrijke maatschappelijke positie innam. De compagnie had predikanten nodig voor het geestelijke leven van haar personeel en de koloniale bewoners. Tegelijk verdiende zij geld aan koloniale handel en raakte zij betrokken bij de gedwongen verplaatsing van Afrikanen. Niet alle geestelijken dachten op dezelfde manier over slavernij. Kritiek op bepaalde misstanden betekende bovendien niet noodzakelijk dat iemand het gehele slavernijstelsel afwees. Voor een betrouwbare reconstructie moeten concrete uitspraken aan afzonderlijke personen en perioden worden verbonden. De aanwezigheid van een kerkzaal in Elmina maakt vooral zichtbaar dat religie en koloniale economie geen gescheiden werelden waren.
In de zeventiende eeuw konden christelijke overtuigingen samengaan met denkbeelden waarin slavernij als een bestaande maatschappelijke instelling werd aanvaard. Tegelijk ontstonden vragen over de behandeling, bekering en rechtspositie van tot slaaf gemaakte mensen. De precieze opvattingen verschilden per persoon en kerkelijke omgeving. Voor het onderzoek naar Groningen is daarom van belang om niet alleen algemene theologische uitspraken te verzamelen, maar ook na te gaan welke predikanten en kerkelijke bestuurders daadwerkelijk met de WIC verbonden waren. Een kerkelijk oordeel uit een andere plaats of periode mag niet zonder bewijs aan de Groningse kamer worden toegeschreven.
Christianus Wachteloo en de verbinding met Vriescheloo
Een concreet voorbeeld van de religieuze verbinding tussen Groningen en Brazilië is Christianus Wachteloo. Volgens de aangeleverde PDF had hij in Groningen gestudeerd en vertrok hij kort na 1630 naar Pernambuco. Zijn werkzaamheden vielen daarmee in de periode waarin de WIC probeerde haar koloniale gezag uit te breiden en te organiseren. Predikanten moesten kerkdiensten verzorgen en maakten deel uit van het religieuze leven van de Europese koloniale gemeenschap. Hun aanwezigheid toont dat de Nederlandse onderneming niet uitsluitend met handel en militaire verovering was verbonden. Zij bracht ook kerkelijke instellingen en godsdienstige verhoudingen naar de gebieden waar de compagnie gezag uitoefende.
De latere verbinding van Wachteloo met Vriescheloo maakt zijn loopbaan bijzonder relevant voor de geschiedenis van Groningen en Westerwolde. Zijn levensverhaal laat zien dat personen na een verblijf in de Atlantische wereld opnieuw een plaats in de noordelijke samenleving konden innemen. Voor een volledige reconstructie moeten zijn exacte dienstjaren, kerkelijke aanstellingen en eventuele bewaard gebleven correspondentie worden gecontroleerd. Het is niet voldoende om hem uitsluitend als een predikant in Brazilië te noemen. Zijn opleiding, koloniale werkzaamheden en latere functie vormen samen een persoonlijk verhaal over de verbinding tussen de gereformeerde kerk in Stad en Lande en de WIC.
De Afrikaanse bevolking en de Nederlandse handel
De komst van de WIC aan de West-Afrikaanse kust had gevolgen voor de mensen die in de betrokken handelsgebieden woonden. De compagnie probeerde bestaande handelscontacten over te nemen en nieuwe overeenkomsten te sluiten. Afrikaanse machthebbers en handelaren hadden daarbij eigen belangen en onderhandelingsmogelijkheden. Tegelijk werden mensen gevangen genomen, verkocht en onder dwang naar andere werelddelen vervoerd. De omstandigheden waaronder iemand tot slaaf werd gemaakt, konden verschillen. De WIC maakte gebruik van handelsnetwerken waarin menselijke vrijheid tot een verhandelbaar bezit werd gemaakt. De geschiedenis van de West-Afrikaanse handel moet daarom niet alleen worden verteld vanuit de Europese forten, maar ook vanuit de gevolgen voor de betrokken Afrikaanse gemeenschappen.
De verantwoordelijkheid voor de handel in mensen kan niet worden beschreven alsof alle betrokken partijen dezelfde macht hadden. Europese compagnieën beschikten over schepen, handelskapitaal en militaire middelen. Afrikaanse machthebbers en handelaren konden invloed uitoefenen op plaatselijke handelsvoorwaarden, maar de verhoudingen verschilden sterk per gebied. Voor de mensen die gevangen werden genomen en verkocht, betekenden deze contacten vaak verlies van familie, woonplaats en vrijheid. Hun ervaringen zijn in de overgeleverde WIC-administratie veel minder zichtbaar dan de transacties van handelaren. Daarom moet bij het lezen van de bronnen steeds worden onderscheiden wat de documenten registreren en wat zij over de levens van de betrokken mensen onvermeld laten.
De verbinding tussen Elmina en Brazilië
De verovering van Elmina versterkte de positie van de WIC binnen de Atlantische handel. De compagnie bezat nu belangrijke steunpunten aan zowel de Afrikaanse als de Amerikaanse kant van de oceaan. In Brazilië was de suikerproductie afhankelijk van de gedwongen arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. De WIC raakte betrokken bij de handel die nieuwe arbeidskrachten naar de plantages moest brengen. De verbinding tussen Afrikaanse handelsplaatsen en Braziliaanse suikergebieden was daardoor economisch belangrijk. Toch mag niet iedere reis vanuit Elmina automatisch als een slavenschip worden beschouwd. De afzonderlijke ladingen en bestemmingen moeten aan scheepsregisters worden gecontroleerd. De algemene samenhang tussen koloniale productie en gedwongen vervoer van mensen is wel duidelijk.
De verbinding tussen Afrika en Brazilië had gevolgen voor de financiële verwachtingen van de compagnie. Wanneer de suikerproductie groeide, kon de vraag naar gedwongen arbeidskrachten toenemen. De WIC probeerde daarom invloed te verkrijgen op de handelsplaatsen waar mensen werden verkocht en ingescheept. Daarmee werd de koloniale economie aan beide kanten van de oceaan verbonden met dwang en geweld. Dezelfde onderneming die suiker naar Europa wilde uitvoeren, organiseerde of ondersteunde ook het vervoer van mensen naar de Amerikaanse plantagegebieden. Voor de aandeelhouders in Groningen waren dit geen afzonderlijke ondernemingen, maar onderdelen van de activiteiten van de WIC waarin zij kapitaal hadden vastgelegd.
Groningen en de betekenis van Elmina
De Kamer Stad en Lande was een van de kamers van de WIC die gezamenlijk verantwoordelijk waren voor de Atlantische onderneming. De verovering van Elmina versterkte daarom ook de positie van de organisatie waarin Groningen had geïnvesteerd. Het is echter niet bewezen dat de Groningse kamer de verovering zelfstandig financierde of dat een specifiek Gronings schip daarbij een doorslaggevende rol speelde. De gebeurtenis moet worden geplaatst binnen de gezamenlijke activiteiten van de compagnie. Voor Groningen was vooral van belang dat de WIC nieuwe handelsmogelijkheden verkreeg. De verwachte opbrengsten konden de financiële positie van de onderneming versterken en daarmee van betekenis zijn voor de aandeelhouders in Stad en Lande.
De vraag wat Groningen aan Elmina verdiende, kan niet worden beantwoord door de waarde van de gehele West-Afrikaanse handel aan de Groningse kamer toe te schrijven. Daarvoor zijn afzonderlijke rekeningen nodig. Men moet weten welke schepen door Stad en Lande werden uitgerust, welke goederen zij vervoerden en welke opbrengsten daadwerkelijk aan de kamer toevielen. Ook moet onderscheid worden gemaakt tussen de kosten van militaire expedities en de resultaten van handelsreizen. De verovering van Elmina was een gebeurtenis van de gehele WIC. De concrete Groningse financiële betrokkenheid moet binnen die grotere organisatie worden aangetoond.
De Groningse dividenden vanaf 1638
Vanaf 1638 ontving het stadsbestuur van Groningen opnieuw dividend uit zijn aandelen in de WIC. Volgens het aangeleverde gemeentelijke onderzoek ging het gedurende zes jaar om in totaal 22.350 gulden. Deze ontvangsten vertegenwoordigden gemiddeld ongeveer 1,2 procent van de jaarlijkse stedelijke inkomsten. De bedragen laten zien dat de compagnie tijdelijk een herkenbare bijdrage aan de stadskas leverde. Toch mogen zij niet worden voorgesteld als een jaarlijks gegarandeerde winst. De uitkeringen waren afhankelijk van de financiële resultaten en besluiten van de onderneming. Bovendien had de stad eerder aanzienlijk kapitaal geïnvesteerd. Voor een volledige beoordeling moeten de ontvangen dividenden daarom tegenover de oorspronkelijke stortingen en eventuele herbeleggingen worden geplaatst.
De dividenduitkeringen hadden een andere betekenis dan de waarde van de aandelen zelf. Een stad kon geld ontvangen zonder dat haar oorspronkelijke investering volledig was terugverdiend. Ook konden dividenden opnieuw in de compagnie worden belegd, waardoor de omvang van het geregistreerde aandelenbezit veranderde. De inkomsten uit de WIC moeten daarom worden vergeleken met andere posten in de Groningse stadsrekening. Alleen zo wordt zichtbaar hoe belangrijk de compagnie werkelijk was voor de stedelijke financiën. Het genoemde gemiddelde van ongeveer 1,2 procent maakt duidelijk dat de ontvangsten herkenbaar waren, maar niet de financiële basis van het stadsbestuur vormden.
De stadskas en de koloniale onderneming
De Groningse inkomsten uit de WIC maakten deel uit van de stedelijke financiën. Het stadsbestuur had geld in de compagnie vastgelegd en kon daardoor aanspraak maken op dividend wanneer de onderneming uitkeringen deed. De bedragen vormden slechts een deel van de totale stedelijke inkomsten, maar waren niet zonder betekenis. De investering verbond de financiële belangen van Groningen met oorlogvoering, scheepvaart en koloniale handel. De stad kon profiteren van succesvolle ondernemingen, maar liep ook het risico dat het geïnvesteerde geld lange tijd geen opbrengst opleverde. De financiële geschiedenis van de WIC moet daarom onderscheid maken tussen oorspronkelijke inleg, ontvangen dividenden, herbeleggingen en de uiteindelijke waarde van het aandelenbezit.
De herkomst en bestemming van het geïnvesteerde geld zijn daarbij eveneens van belang. Publieke investeringen betekenden dat middelen waarover stedelijke of gewestelijke bestuurders beschikten, werden vastgelegd in een onderneming buiten Europa. Wanneer de WIC dividend uitkeerde, kwam dat geld opnieuw beschikbaar voor de betrokken instelling. Het is echter niet zonder aanvullend onderzoek vast te stellen aan welke specifieke stedelijke uitgaven deze ontvangsten werden besteed. Een rechtstreeks verband tussen een bepaald dividend en de bouw of financiering van een Gronings openbaar werk mag daarom niet worden verondersteld. De financiële betrokkenheid is aantoonbaar; de afzonderlijke bestedingen moeten uit de stadsrekeningen blijken.
De particuliere aandeelhouders in Groningen
Naast de publieke instellingen investeerden vermogende particulieren in de West-Indische Compagnie. Onder de grotere aandeelhouders bevonden zich Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga. In het aangeleverde onderzoek worden bedragen genoemd van respectievelijk 33.750, 20.000 en 9.750 gulden. Hun deelname verbond de WIC met de bestuurlijke en economische bovenlaag van Groningen. Toch is het belangrijk onderscheid te maken tussen aandelenbezit en daadwerkelijk ontvangen winst. Een aandeel kon gedurende lange tijd geen dividend opleveren en kon bovendien van eigenaar veranderen. Voor een volledige reconstructie moeten de stortingen, overdrachten, uitkeringen en eventuele herbeleggingen afzonderlijk worden onderzocht. Alleen dan kan worden vastgesteld wat de onderneming deze families werkelijk opleverde.
De deelname van deze personen maakt ook zichtbaar hoe publieke en particuliere belangen binnen de WIC naast elkaar bestonden. Bestuurders konden betrokken zijn bij de besluitvorming over de compagnie en tegelijkertijd zelf aandelen bezitten. Dat betekende niet automatisch dat zij persoonlijk bij iedere koloniale onderneming betrokken waren. Hun invloed en financiële positie moeten per persoon worden onderzocht. Voor de geschiedenis van Groningen is daarbij van belang om familieverbanden, bestuurlijke functies en investeringen niet zonder bewijs met elkaar gelijk te stellen. Een aanzienlijk aandelenbezit toont financiële betrokkenheid, maar bewijst nog niet welke afzonderlijke besluiten of handelsreizen een aandeelhouder heeft beïnvloed.
De Groningse bewindhebbers en hun verantwoordelijkheden
De Kamer Stad en Lande werd bestuurd door bewindhebbers die deel uitmaakten van de organisatie van de WIC. Zij moesten zich bezighouden met financiële verplichtingen, scheepvaart en de belangen van de aandeelhouders. De kamer beschikte niet over volledige zelfstandigheid. Belangrijke besluiten werden binnen de gezamenlijke bestuursstructuur genomen. Daardoor konden de belangen van Groningen botsen met die van andere kamers. De bewindhebbers moesten proberen voldoende invloed uit te oefenen op de onderneming, terwijl de kosten van de Atlantische activiteiten voortdurend opliepen. Hun positie laat zien dat de WIC geen eenvoudig handelsbedrijf was. Zij vormde een organisatie waarin publieke belangen, particuliere investeringen en koloniale machtsuitoefening samenkwamen.
De Groningse bewindhebbers stonden bovendien voor de vraag hoeveel zelfstandige handel de compagnie moest toestaan. Een kamer die zelf schepen uitrustte, kon belang hebben bij het behoud van bepaalde handelsrechten. Particuliere kooplieden wilden juist mogelijkheden om met eigen kapitaal en schepen zaken te doen. De WIC moest tegelijk rekening houden met haar militaire uitgaven. Het was immers de compagnie die de veroverde gebieden met soldaten en forten beschermde. Wanneer particuliere handelaren vervolgens van die bescherming profiteerden, ontstond discussie over de verdeling van kosten en opbrengsten. Die tegenstelling speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van Nederlands-Brazilië.
De suikerhandel en de particuliere kooplieden
De WIC wilde profiteren van de Braziliaanse suikerproductie, maar moest rekening houden met de belangen van particuliere handelaren. Zij beschikten over schepen, krediet en handelscontacten die de economische ontwikkeling van de kolonie konden ondersteunen. Tegelijk vreesden sommige kamers dat particuliere ondernemers zouden profiteren van gebieden die met geld van de compagnie waren veroverd. De Kamer Stad en Lande had zich al in 1636 samen met Zeeland en de Maze tegen een verruiming van de vrije handel verzet. De tegenstelling bleef van betekenis tijdens het bestuur van Johan Maurits. De vraag was wie de kosten van de koloniale bescherming moest dragen en wie vervolgens recht had op de handelsopbrengsten.
De kwestie raakte aan de kern van de WIC. De compagnie bezat bijzondere rechten die door de overheid waren verleend, maar was afhankelijk van handelsactiviteiten die ook door particuliere ondernemers konden worden uitgevoerd. Meer particuliere handel kon de economische bedrijvigheid vergroten en de aanvoer van goederen verbeteren. Tegelijk kon zij de inkomsten verminderen die de compagnie zelf uit haar handelsrechten verwachtte. Voor Groningen was dit een belangrijk bestuurlijk vraagstuk. De Kamer Stad en Lande maakte deel uit van de gezamenlijke besluitvorming, maar had ook eigen financiële belangen. De geschiedenis van de vrije handel moet daarom worden verbonden met de positie van de verschillende kamers.
De economische belangen van Johan Maurits
Johan Maurits probeerde de suikerproductie en de handel te versterken. Daarvoor waren investeringen nodig in militaire bescherming, stedelijke voorzieningen en het herstel van de plantages. De WIC wilde echter weten of deze uitgaven voldoende inkomsten opleverden. De bewindhebbers in de Republiek moesten rekening houden met de belangen van aandeelhouders die dividend verwachtten. Daardoor ontstond spanning tussen de behoeften van het koloniale bestuur en de financiële verwachtingen van de onderneming. Johan Maurits moest bovendien rekening houden met Portugese plantage-eigenaren die over grond, suikerwerken en bestaande handelscontacten beschikten. Hun medewerking was belangrijk voor het functioneren van de kolonie, maar kon niet zonder politieke en financiële concessies worden verkregen.
De koloniale economie kon niet eenvoudig door bevelen vanuit Recife of de Republiek worden bestuurd. Wanneer plantage-eigenaren onvoldoende krediet kregen, konden zij moeilijk investeren in herstel en productie. Wanneer de compagnie te veel geld aan de verdediging besteedde, bleef minder beschikbaar voor andere activiteiten. Tegelijk konden militaire verliezen de handel verstoren en daarmee de inkomsten verminderen. Johan Maurits moest daarom voortdurend afwegen welke uitgaven noodzakelijk waren om het gebied te behouden. De bewindhebbers beoordeelden dezelfde uitgaven vanuit de financiële positie van de WIC. Dat verschil in verantwoordelijkheid verklaart waarom het bestuur in Brazilië en de leiding in de Republiek geregeld andere prioriteiten hadden.
De kosten van het koloniale bestuur
Het bestuur van Nederlands-Brazilië vroeg om voortdurende uitgaven. Soldaten moesten worden betaald, forten onderhouden en ambtenaren aangesteld. Ook de aanleg van wegen, bruggen en gebouwen kostte geld. De WIC probeerde deze uitgaven te dekken met inkomsten uit de koloniale handel en belastingen. De suikerproductie was echter afhankelijk van omstandigheden die de compagnie niet volledig beheerste. Oorlog, schulden en conflicten met plantage-eigenaren konden de inkomsten verminderen. Voor de Groningse aandeelhouders betekende dit dat een succesvolle militaire verovering nog geen garantie was voor blijvende winst. De onderneming moest haar bezittingen niet alleen veroveren, maar ook langdurig kunnen besturen en economisch benutten.
De uitgaven hadden ook gevolgen voor de mensen die in dienst van de compagnie stonden. Wanneer geld of voorraden ontbraken, konden soldaten en andere personeelsleden met problemen worden geconfronteerd. De bouw en het onderhoud van versterkingen vroegen voortdurend arbeid. Het koloniale bestuur moest daarnaast zorgen voor voldoende levensmiddelen, wapens en transportmiddelen. De financiële geschiedenis van de WIC kan daarom niet worden beperkt tot aandelen en dividenden. Zij moet ook laten zien welke werkzaamheden werden verricht, wie daarvoor verantwoordelijk was en welke groepen de lasten droegen. De koloniale onderneming was afhankelijk van een omvangrijke organisatie van mensen, materialen en geldstromen.
Daniël Alberti in de Politieke Raad
In 1639 werd Daniël Alberti lid van de Politieke Raad onder Johan Maurits van Nassau-Siegen. Daarmee kreeg een functionaris uit de noordelijke bestuurlijke netwerken een plaats binnen het koloniale bestuur van Brazilië. De Politieke Raad hield zich bezig met aangelegenheden die voor het functioneren van de kolonie van belang waren. Het bestuur moest rechtspraak, belastingen, handel en militaire belangen met elkaar verbinden. Alberti maakte daardoor deel uit van de organisatie die de Nederlandse veroveringen moest omzetten in een blijvende koloniale machtspositie. Zijn latere loopbaan toont dat de verbinding tussen Groningen en Brazilië niet uitsluitend financieel was. Groningse functionarissen konden ook rechtstreeks deelnemen aan het bestuur van de koloniale gebieden.
De benoeming van Alberti is belangrijk omdat zij een persoonlijk verband legt tussen de Groningse bestuurlijke wereld en de koloniale besluitvorming. Hij werkte in een samenleving waarin Nederlandse bestuurders, Portugese plantage-eigenaren en verschillende bevolkingsgroepen met uiteenlopende belangen tegenover elkaar stonden. De precieze besluiten waaraan Alberti deelnam, moeten nog uit de raadsnotulen worden gereconstrueerd. Zijn functie mag daarom niet zonder bewijs worden verbonden met iedere maatregel die tijdens het bestuur van Johan Maurits werd genomen. Zijn aanwezigheid is wel een aanwijzing dat personen uit de noordelijke gewesten rechtstreeks deelnamen aan de organisatie van het Nederlandse koloniale gezag.
De latere loopbaan van Daniël Alberti
De aangeleverde PDF vermeldt dat de Kamer Stad en Lande Daniël Alberti in 1645 voordroeg voor een hoge bestuursfunctie in Brazilië. Die voordracht kreeg onvoldoende steun binnen het centrale bestuur van de WIC. De gebeurtenis valt buiten de periode van dit deel, maar werpt licht op de betekenis van zijn eerdere werkzaamheden. Alberti had kennelijk een positie opgebouwd waardoor de Groningse kamer hem geschikt achtte voor verdere bestuurlijke verantwoordelijkheid. Na zijn terugkeer naar Groningen werd hij drost van het Oldambt. In 1663 diende hij volgens de PDF nog een verzoek in om vergoeding voor verliezen die hij in Brazilië had geleden.
Deze latere gebeurtenissen tonen dat een koloniale loopbaan gevolgen kon hebben die veel langer duurden dan het verblijf in Brazilië. Bestuurlijke ervaring kon worden meegenomen naar een ambt in de Republiek, terwijl financiële geschillen jarenlang konden blijven bestaan. De precieze aard van Alberti's verliezen moet aan zijn verzoekschrift worden gecontroleerd. Zonder dat document kan niet worden vastgesteld welke bezittingen, inkomsten of aanspraken verloren waren gegaan. Zijn geschiedenis verbindt niettemin drie werelden: de Kamer Stad en Lande, het koloniale bestuur in Brazilië en het gewestelijke bestuur in Groningen na zijn terugkeer.
De verschillende bevolkingsgroepen in Recife
De Nederlandse kolonie bestond niet uitsluitend uit Nederlandse bestuurders en Portugese plantage-eigenaren. In Recife en het achterland leefden mensen met uiteenlopende achtergronden, talen, godsdiensten en rechtsposities. Er waren Europese militairen, kooplieden en ambtenaren, Portugese kolonisten, joodse inwoners, Afrikanen en hun nakomelingen, en inheemse bevolkingsgroepen. Sommige mensen bezaten grond of handelskapitaal. Anderen werkten in loondienst of verrichtten arbeid onder dwang. Tot slaaf gemaakte mensen konden niet vrij beschikken over hun eigen leven. De koloniale samenleving kende daardoor scherpe verschillen in macht, bezit en persoonlijke vrijheid. Die verhoudingen beïnvloedden het bestuur van Johan Maurits voortdurend.
De WIC moest rekening houden met de bestaande bevolking om haar bezittingen economisch te kunnen benutten. Zij kon de suikerplantages niet zonder meer vervangen door bedrijven die uitsluitend door Nederlandse kolonisten werden geleid. Ook had zij bondgenoten nodig om militaire tegenstand te kunnen bestrijden. De aanwezigheid van verschillende godsdienstige gemeenschappen maakte het bestuur ingewikkelder. Een strenge religieuze politiek kon de samenwerking met Portugese inwoners bemoeilijken. Tegelijk verlangden gereformeerde bestuurders en predikanten een plaats voor hun eigen kerkelijke instellingen. Recife werd daardoor een stad waarin economische belangen, godsdienstige verschillen en koloniale machtsverhoudingen voortdurend met elkaar verbonden waren.
De Portugese katholieken onder protestants bestuur
De Nederlandse verovering bracht een protestantse koloniale overheid in een gebied waar het katholicisme diep was geworteld. Veel Portugese plantage-eigenaren en hun gezinnen bleven verbonden met hun katholieke geloof. De WIC moest bepalen hoe zij met deze bewoners zou omgaan. Een beleid van volledige uitsluiting kon de economische samenwerking bemoeilijken en het verzet tegen de Nederlandse overheersing vergroten. Tegelijk wilden gereformeerde bestuurders en predikanten hun eigen godsdienstige instellingen versterken. De verhouding tussen katholieken en protestanten was daardoor niet uitsluitend een kerkelijke kwestie. Zij had directe gevolgen voor de bestuurlijke stabiliteit en de suikerproductie.
Johan Maurits moest rekening houden met de belangen van de compagnie en met de noodzaak om de bestaande koloniale samenleving bestuurbaar te houden. Religieuze ruimte kon bijdragen aan samenwerking, maar betekende niet dat alle bevolkingsgroepen gelijke rechten kregen. De WIC bleef de politieke en militaire machthebber. De katholieke Portugese inwoners moesten zich verhouden tot een bestuur dat voortkwam uit de oorlog tussen de Republiek en de Iberische machten. Hun bereidheid tot samenwerking kon veranderen wanneer de internationale politieke situatie wijzigde. De religieuze verhoudingen in Brazilië waren daardoor nauw verbonden met de bredere oorlog en de strijd om het bezit van de kolonie.
De joodse gemeenschap in Recife
Onder Nederlandse heerschappij ontstond in Recife ruimte voor een joodse gemeenschap. De stad kreeg daardoor een bijzondere plaats binnen de Atlantische wereld. Joodse inwoners en kooplieden konden deelnemen aan het stedelijke leven, de handel en de kredietverlening. Hun mogelijkheden waren echter afhankelijk van de politieke omstandigheden en de besluiten van het koloniale bestuur. De aanwezigheid van een joodse gemeenschap maakt duidelijk dat de samenleving onder Johan Maurits religieus gevarieerder was dan een beschrijving van uitsluitend gereformeerde Nederlanders en katholieke Portugezen zou doen vermoeden. Ook hier waren godsdienstige verhoudingen verbonden met economische belangen.
In Recife ontstond de bekende gemeente Kahal Zur Israel. De ontwikkeling van deze gemeenschap moet worden geplaatst binnen de aanwezigheid van joodse kooplieden en gezinnen die onder de Nederlandse overheersing mogelijkheden zagen om hun geloof en economische activiteiten uit te oefenen. Hun positie was niet volledig onafhankelijk van het koloniale bestuur. De geschiedenis van deze gemeenschap laat zien dat godsdienstige ruimte en koloniale overheersing tegelijkertijd konden bestaan. Zij maakt ook duidelijk dat de economische wereld van Recife niet uitsluitend door de WIC en Portugese plantage-eigenaren werd gevormd. Verschillende groepen namen deel aan de handel en het stedelijke leven.
De inheemse bevolking en de Nederlandse oorlog
De Nederlandse aanwezigheid in Brazilië had eveneens gevolgen voor de inheemse bevolkingsgroepen. Nederlandse bestuurders zochten bondgenoten tegen de Portugezen, terwijl militaire samenwerking, missionering en koloniale belangen door elkaar liepen. Inheemse gemeenschappen maakten daarbij eigen keuzes binnen omstandigheden die door oorlog en Europese expansie sterk waren veranderd. Zij waren geen passieve toeschouwers van het conflict tussen twee Europese machten. Hun kennis van het landschap, de wegen en de plaatselijke omstandigheden kon van groot belang zijn voor militaire ondernemingen. Tegelijk werden zij geconfronteerd met de gevolgen van de strijd om grond, gezag en economische middelen.
De verhouding tussen de WIC en inheemse gemeenschappen kon verschillen per plaats en periode. Sommige groepen werkten samen met de Nederlanders, andere met de Portugezen of probeerden hun eigen positie te beschermen. Zulke keuzes moeten worden begrepen vanuit plaatselijke belangen en eerdere ervaringen. Het is daarom onjuist om alle inheemse bewoners als één politieke partij te beschrijven. Voor een volledige reconstructie zijn bronnen nodig waarin hun eigen leiders, belangen en handelingen zichtbaar worden. De Europese militaire verslagen beschrijven hen vaak vanuit het nut dat zij voor de koloniale legers hadden. Een kritische geschiedschrijving moet verder kijken dan dat beperkte perspectief.
De Portugese onafhankelijkheid in 1640
In december 1640 maakte Portugal zich los van de Spaanse monarchie. De gebeurtenis veranderde de politieke verhoudingen in Europa en de Atlantische wereld. Portugal kreeg opnieuw een eigen koning en probeerde zijn koloniale belangen te beschermen. Voor de Republiek ontstond een ingewikkelde situatie. De Nederlanders hadden jarenlang tegen Spanje gevochten, maar bezaten inmiddels gebieden die oorspronkelijk onder Portugees gezag hadden gestaan. De WIC wilde haar veroveringen behouden, terwijl Portugal zijn vroegere bezittingen niet zonder meer wilde opgeven. De verandering in Europa betekende daarom niet dat de koloniale tegenstellingen verdwenen. In Brazilië bleven de belangen van Nederlandse bestuurders en Portugese plantage-eigenaren tegenover elkaar staan.
De Portugese onafhankelijkheid maakte zichtbaar dat de politieke belangen van de Republiek en de commerciële belangen van de WIC niet altijd samenvielen. In Europa kon samenwerking met Portugal aantrekkelijk zijn vanwege de gezamenlijke tegenstelling met Spanje. In Brazilië en Afrika had de WIC juist gebieden veroverd die Portugal als eigen bezittingen beschouwde. De compagnie wilde haar militaire en financiële investeringen niet zonder meer prijsgeven. De diplomatieke veranderingen konden daarom niet eenvoudig worden vertaald in vrede binnen de koloniale gebieden. Voor Johan Maurits bleef het noodzakelijk de Nederlandse bezittingen te verdedigen en tegelijkertijd rekening te houden met de houding van Portugese kolonisten.
De wapenstilstand en de koloniale werkelijkheid
Na de Portugese onafhankelijkheid kwamen diplomatieke contacten tussen de Republiek en Portugal op gang. In 1641 werd een overeenkomst gesloten die de verhouding tussen beide landen moest verbeteren. De situatie in de koloniale gebieden bleef echter ingewikkeld. De WIC had belang bij het behoud van haar veroveringen en wilde de suikerhandel voortzetten. Portugese kolonisten en bestuurders hadden andere verwachtingen. De afstand tussen Europa en Brazilië maakte het bovendien moeilijk om diplomatieke afspraken onmiddellijk in de koloniale praktijk toe te passen. De belangen van de compagnie vielen niet altijd samen met de bredere politieke belangen van de Republiek. Daardoor bleef de Nederlandse positie in Brazilië kwetsbaar.
De koloniale werkelijkheid werd niet uitsluitend bepaald door verdragen tussen Europese regeringen. Plantage-eigenaren, militaire commandanten en plaatselijke bestuurders maakten eigen afwegingen. Een overeenkomst in Europa kon de bestaande schulden, conflicten en machtsverhoudingen in Brazilië niet onmiddellijk oplossen. Ook de veroveringen langs de Afrikaanse kust bleven een bron van spanning. De WIC had aanzienlijke middelen ingezet om Portugese handelsplaatsen over te nemen. Zij wilde deze posities behouden en economisch benutten. De diplomatieke situatie na 1640 maakte de verhouding tussen oorlog, handel en koloniale macht daardoor nog ingewikkelder.
Het Groningse militaire reglement van 1640
In 1640 werd in Groningen een militair reglement voor de WIC gedrukt. Het document, aangeduid als een Articul-Brief, bevatte bepalingen voor de discipline en verplichtingen van het militaire personeel. De titel verwees naar het scheeps- en krijgsvolk in dienst van de WIC in Brazilië, Guinea en andere gebieden. In het aangeleverde onderzoek wordt artikel 132 genoemd, waarin soldaten verplicht werden werkzaamheden aan versterkingen uit te voeren zonder daarvoor afzonderlijk extra loon te ontvangen. De precieze formulering moet aan het oorspronkelijke drukwerk worden gecontroleerd. De bepaling maakt zichtbaar dat militaire dienst meer omvatte dan het voeren van gevechten. Soldaten moesten ook bijdragen aan het bouwen en onderhouden van forten.
Het drukwerk vormt een bijzondere verbinding tussen Groningen en de dagelijkse organisatie van de Atlantische oorlog. De compagnie had regels nodig die duidelijk maakten welke verplichtingen voor haar personeel golden. Die voorschriften moesten worden verspreid onder mensen die op schepen, in forten en in koloniale garnizoenen dienden. Het reglement laat zien dat de WIC niet alleen schepen en soldaten organiseerde, maar ook een administratief systeem van bevelen en straffen ontwikkelde. De druk in Groningen maakt de stad zichtbaar als plaats waar documenten voor deze koloniale organisatie werden vervaardigd. De naam van de drukker en de oorspronkelijke uitgave moeten bibliografisch worden gecontroleerd.
De soldaten als bouwers van forten
De WIC had in haar koloniale gebieden voortdurend behoefte aan versterkingen. Forten moesten worden gebouwd, hersteld en aangepast aan veranderende militaire omstandigheden. Daarvoor waren materialen, werktuigen en arbeidskrachten nodig. Soldaten konden worden verplicht om aan deze werkzaamheden deel te nemen. De bepalingen van het militaire reglement tonen dat de compagnie dergelijke arbeid tot de normale verplichtingen van haar personeel rekende. Voor de soldaten betekende dit dat hun dagelijkse bestaan niet uitsluitend uit wachtlopen en gevechten bestond. Zij verrichtten ook zwaar werk aan wallen, grachten en andere verdedigingswerken. De militaire infrastructuur van de WIC was daardoor mede het resultaat van de arbeid van gewone manschappen.
De bouw van een fort vereiste een omvangrijke arbeidsorganisatie. Grond moest worden verplaatst, hout aangevoerd en verdedigingswerken moesten worden onderhouden. De omstandigheden konden zwaar zijn, vooral wanneer werkzaamheden onder militaire dreiging werden uitgevoerd. De verplichting om zonder afzonderlijke extra betaling aan versterkingen te werken, laat zien hoe de compagnie de arbeid van haar soldaten probeerde te benutten. Daarmee wordt een belangrijk verschil zichtbaar tussen de bestuurlijke besluitvorming in de Republiek en het dagelijks bestaan in de koloniale gebieden. Bewindhebbers konden over militaire uitgaven vergaderen, terwijl gewone soldaten het werk moesten uitvoeren dat voor de verdediging noodzakelijk werd geacht.
De verovering van Luanda in 1641
In 1641 veroverde de WIC Luanda aan de kust van het huidige Angola. De stad was een belangrijke Portugese handelsplaats en vormde een verbinding met de handelsnetwerken van West-Centraal-Afrika. De Nederlandse verovering paste binnen de poging om de Portugese Atlantische positie te verzwakken. De compagnie wilde toegang krijgen tot bestaande handelsverbindingen en haar eigen positie versterken. Luanda was vooral van betekenis voor de handel in tot slaaf gemaakte mensen, die onder dwang naar koloniale gebieden aan de overzijde van de Atlantische Oceaan werden vervoerd. De verovering betekende niet dat de Nederlanders automatisch het gehele achterland beheersten. Zij bleven afhankelijk van militaire bescherming en contacten met Afrikaanse machthebbers.
De verovering van Luanda had een rechtstreeks verband met de Nederlandse belangen in Brazilië. De suikerplantages waren afhankelijk van gedwongen arbeid, terwijl de oorlog de bestaande Portugese handelsverbindingen had verstoord. De WIC probeerde daarom invloed te verkrijgen op de plaatsen waar mensen werden verkocht en naar de Amerikaanse koloniale gebieden werden verscheept. De verovering van Luanda was niet uitsluitend een militaire onderneming tegen Portugal. Zij was ook onderdeel van een economisch beleid waarin de handel in mensen een belangrijke plaats kreeg. De compagnie probeerde de opbrengsten van koloniale productie te verbinden met de controle over de aanvoer van tot slaaf gemaakte arbeidskrachten.
De handel in mensen vanuit Angola
De handel vanuit Luanda was nauw verbonden met de gedwongen verplaatsing van Afrikanen naar de Amerikaanse koloniale gebieden. Mensen werden gevangen genomen, verkocht en onder dwang aan boord van schepen gebracht. De WIC probeerde deze handel te benutten om de vraag naar arbeidskrachten op de Braziliaanse plantages te bedienen. De overtochten waren gevaarlijk en konden gepaard gaan met ziekte, geweld en sterfte. In de administratie werden de vervoerde mensen vaak als aantallen en handelswaarden geregistreerd. Hun namen en persoonlijke geschiedenissen bleven daardoor meestal buiten beeld. De geschiedenis van Luanda maakt duidelijk dat de economische belangen van de compagnie rechtstreeks verbonden waren met de aantasting van menselijke vrijheid.
De handel in mensen had gevolgen die veel verder reikten dan de aankomst van een schip in Brazilië. Mensen werden uit hun omgeving weggevoerd en verloren de mogelijkheid om zelf over hun bestemming te beslissen. Familiebanden konden worden verbroken en gemeenschappen konden door gevangenneming en verkoop worden ontwricht. Tijdens de overtocht hadden de gevangenen nauwelijks controle over hun leefomstandigheden. Na aankomst werden zij opnieuw onderworpen aan een systeem van gedwongen arbeid. De financiële administratie van de WIC legde vooral vast hoeveel mensen werden vervoerd en welke waarde zij vertegenwoordigen. De menselijke gevolgen zijn daardoor slechts gedeeltelijk uit de bewaarde documenten te reconstrueren.
De verbinding tussen Luanda en Brazilië
Met de verovering van Luanda kreeg de WIC een belangrijke positie aan de West-Centraal-Afrikaanse kust. De compagnie probeerde de handel vanuit deze regio te verbinden met de koloniale productie in Brazilië. De suikerplantages hadden voortdurend behoefte aan arbeidskrachten, omdat het werk zwaar was en de koloniale economie op gedwongen arbeid berustte. De WIC kon daardoor inkomsten verwachten uit zowel het vervoer van mensen als de handel in suiker. Deze economische samenhang betekende dat de verschillende Atlantische activiteiten niet los van elkaar konden worden beoordeeld. De winstverwachtingen van aandeelhouders in de Republiek waren verbonden met een handelsstelsel waarin mensen werden gekocht en verkocht.
De verbinding tussen Luanda en Brazilië maakte ook duidelijk hoe de oorlog tegen Portugal verschillende gebieden met elkaar verbond. De WIC probeerde Portugese handelsplaatsen over te nemen om haar eigen koloniale economie te ondersteunen. De controle over een Afrikaanse haven kon gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van gedwongen arbeidskrachten in Amerika. De suikerproductie in Brazilië kon op haar beurt de vraag naar nieuwe transporten vergroten. Zo ontstond een economisch verband tussen militaire verovering, mensenhandel en koloniale landbouw. Voor Groningen was dit relevant omdat de Kamer Stad en Lande deel uitmaakte van de onderneming die deze activiteiten organiseerde en financierde.
De Groningse betrokkenheid bij Luanda
De Kamer Stad en Lande maakte deel uit van de WIC die Luanda in 1641 veroverde. Groningen had kapitaal in de onderneming geïnvesteerd en beschikte over vertegenwoordigers binnen de gezamenlijke bestuursorganisatie. Toch moet onderscheid worden gemaakt tussen deze algemene betrokkenheid en de deelname aan afzonderlijke militaire expedities. Zonder scheeps- of uitrustingsrekeningen kan niet worden vastgesteld welke Groningse schepen of functionarissen rechtstreeks aan de verovering deelnamen. De gebeurtenis was wel van betekenis voor de onderneming waarin Groningen financieel participeerde. De uitbreiding van de Atlantische handelsmogelijkheden kon de verwachtingen van de aandeelhouders versterken, maar bracht ook nieuwe militaire verplichtingen en risico's met zich mee.
Het is daarom noodzakelijk om de verschillende vormen van verantwoordelijkheid zorgvuldig te onderscheiden. De WIC als geheel voerde oorlog en nam handelsplaatsen in bezit. De Kamer Stad en Lande maakte deel uit van die organisatie. Afzonderlijke Groningse bewindhebbers konden betrokken zijn bij de gezamenlijke besluitvorming, maar hun persoonlijke aandeel in specifieke expedities moet worden aangetoond. Ook een schip dat voor rekening van Groningen voer, kan niet zonder bewijs met de verovering van Luanda worden verbonden. De geschiedenis van Stad en Lande wordt sterker wanneer zij duidelijk maakt welke betrokkenheid vaststaat en waar de archiefstukken nog onvoldoende uitsluitsel geven.
De Atlantische scheepvaart in de jaren veertig
De WIC had schepen nodig om haar bezittingen in Brazilië en Afrika met de Republiek te verbinden. Zij vervoerden soldaten, wapens, levensmiddelen en handelsgoederen. Andere reizen hielden verband met de gedwongen overbrenging van tot slaaf gemaakte mensen. De afzonderlijke functies van schepen moeten aan hun reisgegevens worden vastgesteld. Een vaartuig kon tijdens verschillende reizen uiteenlopende ladingen vervoeren. Voor de Kamer Stad en Lande is het daarom belangrijk om de scheepsnamen niet los van de oorspronkelijke administratie te behandelen. De uitrustingskosten, kapiteins, vertrekhavens, bestemmingen en aankomsthavens maken het mogelijk de werkelijke omvang van de Groningse betrokkenheid bij de Atlantische vaart te reconstrueren.
De scheepvaart vereiste meer dan het bezit van een schip. Er waren bemanningen, voorraden, wapens, handelsgoederen en financiële middelen nodig. Schepen moesten worden onderhouden en konden tijdens de reis beschadigd raken of verloren gaan. De kosten werden in de administratie van de compagnie vastgelegd. Na terugkeer moesten ladingen worden verkocht en rekeningen worden afgesloten. Daardoor ontstond een lange keten van handelingen die zich over verschillende havens en bestuurskamers kon uitstrekken. De vraag waar een schip werd uitgerust, was niet noodzakelijk dezelfde als de vraag waar het zijn lading loste. Dit onderscheid is van groot belang voor de geschiedenis van de Groningse handel.
De Groningse compagnie van Ludolph Harckema
In 1642 voerde Ludolph Harckema volgens het aangeleverde onderzoek het bevel over een Groningse compagnie van 54 soldaten in Brazilië. Deze vermelding maakt de militaire betrokkenheid van Stad en Lande concreet. De compagnie vormde een kleine eenheid binnen het grotere leger van de WIC. De soldaten konden worden ingezet voor bewaking, veldtochten en werkzaamheden aan versterkingen. Hun dagelijkse bestaan werd bepaald door de omstandigheden van de koloniale oorlog. Zij moesten rekening houden met ziekte, voedseltekorten en gevaarlijke opdrachten. De afzonderlijke namen en herkomstplaatsen van de manschappen moeten nog aan de monsterrollen worden getoetst. Harckema's loopbaan laat zien dat Groningen niet alleen geld, maar ook militair personeel met de Braziliaanse onderneming verbond.
De vermelding van 54 soldaten biedt een concreet uitgangspunt voor verder onderzoek. Wanneer monsterrollen of betalingslijsten bewaard zijn gebleven, kunnen zij mogelijk duidelijk maken welke mannen onder Harckema dienden, hoe lang zij in Brazilië verbleven en welke vergoeding zij ontvingen. Ook kunnen dergelijke bronnen inzicht geven in ziekte, verwondingen en verliezen. De geschiedenis van de compagnie mag niet uitsluitend worden verteld vanuit de commandant. De manschappen waren degenen die wachtliepen, versterkingen bouwden en aan militaire ondernemingen deelnamen. Hun werk vormde een noodzakelijk onderdeel van de Nederlandse koloniale aanwezigheid, ook wanneer hun namen in algemene geschiedenissen niet worden genoemd.
Het dagelijks leven van de Groningse soldaten
De soldaten die vanuit de noordelijke gewesten in Brazilië dienden, kwamen terecht in een omgeving die sterk verschilde van hun thuisland. Zij moesten omgaan met een ander klimaat, onbekende ziekten en voortdurende militaire dreiging. De WIC verlangde discipline en gehoorzaamheid. De manschappen moesten niet alleen vechten, maar ook wachtlopen, goederen vervoeren en aan verdedigingswerken werken. Hun loon en levensonderhoud waren afhankelijk van de organisatie van de compagnie. De omstandigheden konden zwaar zijn, vooral wanneer voorraden schaars werden of militaire expedities langdurig duurden. De geschiedenis van de Groningse compagnie moet daarom niet uitsluitend vanuit de officier worden verteld. Ook de gewone soldaten maakten de koloniale onderneming mogelijk.
Het verschil tussen de leefwereld van een soldaat en die van een bewindhebber was groot. In Groningen konden bestuurders vergaderen over investeringen en militaire uitgaven. In Brazilië moesten manschappen dagelijks omgaan met de gevolgen van die besluiten. Zij hadden voedsel, kleding, wapens en medische verzorging nodig. Wanneer de bevoorrading tekortschiet, kon hun situatie snel verslechteren. Ook de verplichting om aan forten te werken vergrootte de fysieke belasting. De koloniale oorlog was daardoor niet alleen een strijd tussen legers, maar eveneens een geschiedenis van arbeid, ziekte, discipline en afhankelijkheid van een ingewikkelde militaire administratie.
De latere betekenis van Harckema's loopbaan
De aangeleverde PDF vermeldt dat Ludolph Harckema in februari 1649 sneuvelde tijdens de tweede slag bij Guararapes. Die gebeurtenis valt buiten de periode van dit deel, maar geeft zijn dienst in 1642 een duidelijke historische betekenis. Harckema bleef betrokken bij de verdediging van Nederlands-Brazilië en maakte uiteindelijk de verslechtering van de Nederlandse militaire positie mee. Zijn dood toont hoe langdurig de gevolgen van de koloniale oorlog voor noordelijke officieren konden zijn. Voor een volledige biografie moeten zijn eerdere aanstellingen, militaire opdrachten en persoonlijke omstandigheden worden onderzocht. De vermelding van zijn overlijden mag niet worden gebruikt om zonder bewijs zijn aanwezigheid bij iedere tussenliggende veldtocht te veronderstellen.
De Groningse investeringen in 1643
Een aandeelhoudersoverzicht uit 1643 geeft volgens het aangeleverde onderzoek een concreter beeld van de publieke investeringen in de WIC. Voor de provincie wordt een bedrag van 216.625 gulden genoemd, voor de stad Groningen 108.750 gulden en voor de Ommelanden 64.300 gulden. Gezamenlijk vertegenwoordigen deze bedragen 389.675 gulden. In een andere passage van de aangeleverde PDF wordt echter voor de provincie 16.625 gulden genoemd. Dit verschil van 200.000 gulden is te groot om zonder controle te negeren. Het kan gaan om een overschrijffout, een verschil in administratieve categorie of een andere peildatum. De oorspronkelijke investeringslijst moet uitsluitsel geven.
Wanneer het provinciale bedrag 16.625 gulden zou zijn, bedraagt de gezamenlijke som van deze drie posten 189.675 gulden. Het verschil tussen beide uitkomsten is aanzienlijk. Daarom kan geen van beide totalen zonder controle als definitieve omvang van de publieke Groningse investering worden gepresenteerd. Ook moet worden vastgesteld of de bedragen betrekking hebben op oorspronkelijke stortingen, later aandelenbezit of een overzicht waarin herbeleggingen zijn opgenomen. De financiële geschiedenis van de Kamer Stad en Lande vraagt om nauwkeurige vergelijking van data en administratieve categorieën. Alleen dan wordt duidelijk welke middelen daadwerkelijk door de verschillende Groningse overheden waren ingebracht.
De publieke middelen in een koloniale onderneming
De bedragen uit 1643 laten zien dat de betrokkenheid bij de WIC niet uitsluitend door particuliere kooplieden werd gedragen. Ook de provincie, de stad en de Ommelanden hadden aanzienlijke financiële belangen. Daarmee werden publieke middelen verbonden aan de uitkomsten van oorlogvoering en koloniale handel. De bestuurders konden hopen op dividenden, maar moesten rekening houden met het risico dat het geïnvesteerde geld lange tijd vastlag. De belangen van deze drie overheden waren bovendien niet identiek. Een betaling uit de stadskas had een andere bestuurlijke betekenis dan een investering van de provincie of de Ommelanden. De financiële geschiedenis moet daarom per instelling worden gereconstrueerd en niet uitsluitend als één Gronings totaal worden weergegeven.
De investeringen maken ook zichtbaar dat de WIC niet alleen een onderneming van afzonderlijke rijke kooplieden was. Bestuurlijke instellingen namen deel aan een organisatie die militaire macht gebruikte om handelsbelangen overzee te beschermen en uit te breiden. Daarmee ontstond een directe verbinding tussen publieke financiën in Groningen en de koloniale activiteiten in Afrika en Amerika. Die betrokkenheid betekende niet dat iedere stedelijke of gewestelijke bestuurder persoonlijk bij de mensenhandel betrokken was. Wel hadden de instellingen als aandeelhouders een financieel belang in de resultaten van de onderneming. De verantwoordelijkheid moet daarom op het juiste niveau worden beschreven: als aandeelhouder, bestuurder, uitrustende kamer of deelnemer aan een specifieke handelsreis.
De totale inleg van de Kamer Stad en Lande
In het aangeleverde onderzoek worden twee grotere totalen genoemd voor de investeringen in de Kamer Stad en Lande. Het oorspronkelijke kapitaal wordt op 836.975 gulden gesteld. Een later overzicht komt uit op meer dan 958.000 gulden wanneer herbeleggingen worden meegerekend. Deze bedragen hebben niet noodzakelijk betrekking op dezelfde administratieve categorie. Het is daarom onjuist om het verschil zonder nader onderzoek als nieuwe storting of als winst te beschouwen. De WIC kende verschillende vormen van financiële registratie, waaronder oorspronkelijke aandelen, aanvullende verplichtingen en herbelegde dividenden. Een betrouwbare financiële reconstructie moet aangeven op welke datum ieder bedrag betrekking heeft en welke posten erin zijn opgenomen.
De verhouding tussen deze totalen en de afzonderlijke publieke investeringen vraagt om nadere controle. Het oorspronkelijke kapitaal van de Kamer Stad en Lande omvatte meer dan uitsluitend de bijdragen van stad, provincie en Ommelanden. Particuliere aandeelhouders namen eveneens deel. Bovendien konden aandelen worden overgedragen en dividenden opnieuw worden belegd. Daardoor veranderde het geregistreerde bezit zonder dat iedere verandering een nieuwe geldstorting betekende. De geschiedenis van de Groningse WIC kan pas financieel worden afgesloten wanneer duidelijk is hoeveel oorspronkelijk werd betaald, hoeveel later werd bijgestort of herbelegd en welke bedragen uiteindelijk aan de aandeelhouders werden uitgekeerd.
De Groningse schepen keren terug uit Brazilië
Volgens het aangeleverde onderzoek keerden tussen 1643 en 1646 verschillende schepen voor rekening van de Kamer Stad en Lande uit Brazilië terug. Genoemd worden de Omlandia, Gouden Leeuw, Graef Hendrick en Eijkeboom. Deze scheepsnamen maken de Groningse betrokkenheid bij de Atlantische vaart concreet. Toch moet voor iedere reis afzonderlijk worden vastgesteld waar het schip werd uitgerust, wie de kapitein was en welke lading werd vervoerd. Ook de aankomsthaven is belangrijk. Een schip dat voor rekening van Stad en Lande voer, hoefde zijn goederen niet in Groningen te lossen. De terugreizen tonen betrokkenheid bij de scheepvaart, maar vormen zonder vrachtbrieven geen bewijs voor rechtstreekse aanvoer van Braziliaanse suiker via Delfzijl.
De periode 1643–1646 overschrijdt de einddatum van dit deel. Daarom moeten de reizen die aantoonbaar in 1643 en 1644 plaatsvonden worden onderscheiden van latere terugkomsten. Het noemen van alle vier scheepsnamen is nuttig omdat zij in de aangeleverde PDF samen voorkomen, maar de precieze datering van iedere afzonderlijke reis moet nog worden vastgesteld. Een scheepsnaam alleen is onvoldoende om de lading of de bestemming te reconstrueren. Ook konden schepen met dezelfde naam in verschillende administraties voorkomen. De geschiedenis van de Groningse Atlantische scheepvaart vraagt daarom om een afzonderlijk overzicht per schip en per reis.
De Omlandia en de Gouden Leeuw
De Omlandia en de Gouden Leeuw behoren tot de schepen die in de Groningse WIC-administratie worden genoemd. Hun namen komen voor bij de terugvaart uit Brazilië in de jaren 1643–1646. Voor de geschiedenis van Stad en Lande is het van belang om de reizen afzonderlijk te volgen. Een scheepsnaam geeft nog geen volledig beeld van de economische activiteit. De uitrustingskamer, de kapitein, de lading en de plaats van verkoop moeten worden vastgesteld. Ook kunnen verschillende schepen dezelfde naam hebben gedragen. De namen vormen daarom aanknopingspunten voor onderzoek naar de werkelijke handelsroutes. Zij mogen niet zonder aanvullend bewijs worden gebruikt om rechtstreekse suikerlossing in Groningen aan te tonen.
De Omlandia verwijst met haar naam duidelijk naar de noordelijke gewesten, maar de naam op zichzelf bewijst niet waar het schip werd gebouwd of waar zijn bemanning vandaan kwam. Hetzelfde geldt voor de Gouden Leeuw. Voor beide schepen moeten de bewaarde rekeningen duidelijk maken welke goederen werden vervoerd en welke opbrengsten aan de Kamer Stad en Lande toevielen. Daarbij is het van belang om onderscheid te maken tussen uitrusting, eigendom en handelsrekening. Een schip kon voor rekening van een kamer varen terwijl de lading elders werd verkocht. Zonder die gegevens kan de betekenis van de schepen voor de Groningse economie niet nauwkeurig worden vastgesteld.
De Eijkeboom in de Braziliaanse vaart
Ook de Eijkeboom wordt genoemd bij de schepen die in de jaren 1643–1646 voor rekening van de Kamer Stad en Lande uit Brazilië terugkeerden. Daarmee vormt het schip een aanvullend bewijs voor de betrokkenheid van Groningen bij de Atlantische scheepvaart. De oorspronkelijke scheepsrekeningen moeten echter nog worden onderzocht. Daaruit kan mogelijk blijken welke goederen aan boord waren, hoeveel de reis kostte en waar de lading werd verkocht. Zonder deze gegevens blijft de economische betekenis van de afzonderlijke reis onzeker. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat de Groningse kamer over meer scheepvaartverbindingen beschikte dan alleen de eerder beschreven Pegasus en Graeuwe Paerdt.
De aanwezigheid van verschillende scheepsnamen in de administratie maakt duidelijk dat de Groningse kamer deelnam aan een groter maritiem netwerk. Dat netwerk omvatte uitrusting, bevoorrading, transport en financiële afrekening. De afzonderlijke schepen moeten echter niet automatisch dezelfde functie krijgen. Sommige reizen konden betrekking hebben op de aanvoer van soldaten of goederen, andere op terugvaart met koloniale producten. Ook een schip dat op verschillende momenten voor de WIC voer, kon uiteenlopende opdrachten uitvoeren. Daarom moet de Eijkeboom als afzonderlijk onderzoeksonderwerp worden behandeld, met aandacht voor de chronologie en de oorspronkelijke documenten waarin het schip wordt genoemd.
De Graef Hendrick en de reis van 1643
De Graef Hendrick neemt een bijzondere plaats in binnen het onderzoek naar de Groningse WIC. Voor een reis in 1643 worden aantallen genoemd van 435 tot slaaf gemaakte mensen die bij Luanda werden ingescheept en ongeveer 262 die de bestemming bereikten. Deze gegevens moeten aan de oorspronkelijke scheepsadministratie worden gecontroleerd. Als beide aantallen op dezelfde overtocht betrekking hebben, bedraagt het verschil ongeveer 173 personen. Zonder aanvullende documenten kan echter niet definitief worden vastgesteld welke personen onderweg overleden en of er nog andere administratieve oorzaken voor het verschil waren. De cijfers maken wel duidelijk hoe ernstig de gevolgen van het gedwongen Atlantische vervoer konden zijn.
Het verschil tussen de genoemde aantallen is groot. Wanneer de cijfers volledig vergelijkbaar blijken, zou het betekenen dat ongeveer twee van iedere vijf ingescheepte mensen de bestemming niet bereikten. Een dergelijke uitkomst vraagt om nauwkeurige controle van de bron. Daarbij moet worden vastgesteld of het aankomstcijfer betrekking heeft op alle overlevenden, op verkochte personen of op een andere administratieve categorie. Ook moet worden nagegaan of onderweg mensen werden overgedragen of op andere plaatsen aan land kwamen. De cijfers mogen niet worden weggewerkt, maar evenmin zonder verificatie worden omgezet in een definitieve sterftelijst.
De mensen achter de cijfers van de Graef Hendrick
De mensen die in Luanda aan boord van de Graef Hendrick werden gebracht, waren geen vrijwillige reizigers. Zij waren van hun vrijheid beroofd en werden onder dwang naar een andere wereld vervoerd. De scheepsadministratie legde vooral aantallen en handelswaarden vast. Namen, familiebanden en persoonlijke ervaringen van de vervoerde Afrikanen zijn in de aangeleverde gegevens niet zichtbaar. Toch vormen juist zij het menselijke middelpunt van deze geschiedenis. De overtocht kon gepaard gaan met ziekte, geweld en sterfte. De financiële belangen van de WIC waren verbonden met het vervoer en de verkoop van mensen. De geschiedenis van de Graef Hendrick mag daarom niet worden beperkt tot de naam van het schip en de opbrengst van de reis.
De omstandigheden aan boord konden bijzonder zwaar zijn. De gevangenen hadden nauwelijks zeggenschap over hun verblijfplaats, voedsel of behandeling. Zij waren afhankelijk van de beslissingen van de bemanning en de handelaren die de overtocht organiseerden. De reis betekende een gedwongen scheiding van hun vertrouwde omgeving en kon het verlies van familieleden en bekenden met zich meebrengen. De bewaarde administratie maakt deze persoonlijke geschiedenis slechts beperkt zichtbaar. Toch mogen de betrokken mensen niet verdwijnen achter de aantallen die de WIC noteerde. De cijfers vertegenwoordigen afzonderlijke levens, ook wanneer hun namen niet meer bekend zijn.
De Groningse verantwoordelijkheid bij de Graef Hendrick
De Graef Hendrick wordt in het aangeleverde onderzoek verbonden met de scheepvaart van de Kamer Stad en Lande. Voor een definitieve reconstructie moet worden vastgesteld of de betreffende reis van 1643 daadwerkelijk voor rekening van de Groningse kamer werd uitgevoerd. Ook de uitrustingskosten, kapitein, bemanning en bestemming moeten aan de oorspronkelijke documenten worden gekoppeld. De vermelding in een scheepsregister is een belangrijk aanknopingspunt, maar niet voldoende om iedere afzonderlijke transactie aan Groningen toe te schrijven. Wanneer de verbinding met Stad en Lande wordt bevestigd, vormt deze reis een concreet voorbeeld van de betrokkenheid van de Groningse kamer bij de Atlantische handel in tot slaaf gemaakte mensen.
Het onderzoek moet daarbij zorgvuldig onderscheid maken tussen een schip dat in een Groningse rekening voorkomt en een reis die daadwerkelijk door de Kamer Stad en Lande werd georganiseerd of gefinancierd. De WIC werkte met verschillende kamers en gezamenlijke belangen. Schepen konden bovendien tijdens hun bestaan verschillende reizen maken. Daarom is het noodzakelijk de vermelding van de Graef Hendrick te verbinden met een specifieke datum, kapitein en route. Pas daarna kan worden vastgesteld welke Groningse functionarissen of instellingen rechtstreeks bij de betreffende overtocht betrokken waren. De algemene financiële deelname van Groningen aan de WIC staat vast; de precieze verantwoordelijkheid voor deze reis vraagt nog om archiefonderzoek.
De Groningse scheepvaart en Amsterdam
De schepen die voor rekening van Stad en Lande voeren, maakten deel uit van een groter handelsnetwerk. Amsterdam beschikte over omvangrijke voorzieningen voor de ontvangst, opslag en verkoop van koloniale goederen. Daardoor kon Groningen financieel deelnemen aan de Braziliaanse handel zonder dat alle goederen in de eigen haven werden gelost. De terugkeer van een schip uit Brazilië betekent niet automatisch dat de lading via Delfzijl naar Groningen werd gebracht. Voor een betrouwbare reconstructie moeten de aankomsthavens en handelsrekeningen worden onderzocht. Dit onderscheid is belangrijk omdat de financiële betrokkenheid van Groningen anders ten onrechte kan worden voorgesteld als een omvangrijke fysieke goederenstroom door de stad.
Amsterdam was een belangrijk centrum voor de verwerking en verkoop van suiker. De haven beschikte over kooplieden, opslagplaatsen, handelscontacten en voorzieningen voor verdere distributie. Na aankomst kon suiker worden opgeslagen, verhandeld en geraffineerd voordat zij opnieuw op de markt werd gebracht. Daarmee ontstonden economische activiteiten die niet noodzakelijk plaatsvonden in de stad waar het kapitaal voor een reis was ingebracht. Voor Groningen betekent dit dat de opbrengst van een investering en de plaats waar de goederen fysiek werden behandeld afzonderlijk moeten worden onderzocht. Zonder havenrekeningen en vrachtbrieven kan geen rechtstreekse suikerlossing in Groningen of Delfzijl worden aangetoond.
Delfzijl en de belangen van Stad en Ommelanden
De vraag waar de koloniale goederen werden gelost, raakt aan de bestaande tegenstelling tussen de stad Groningen en de Ommelanden. Delfzijl lag aan de Eems en bood mogelijkheden voor de zeevaart. De Ommelanden hadden belang bij een zelfstandige economische positie van deze haven. De stad Groningen probeerde haar eigen handelsbelangen en verbindingen te beschermen. Daardoor kon de ontwikkeling van Delfzijl onderwerp worden van bestuurlijke en economische spanningen. De geschiedenis van de WIC moet tegen deze achtergrond worden geplaatst. Het bestaan van een Kamer Stad en Lande betekende niet dat alle betrokken Groningse overheden dezelfde opvattingen hadden over havens en handelsroutes.
De gezamenlijke deelname aan de WIC nam de bestaande tegenstellingen tussen Stad en Ommelanden niet weg. Een investering in dezelfde compagnie kon samengaan met uiteenlopende belangen bij de plaatselijke scheepvaart. Voor de stad waren de eigen waterverbindingen en handelsvoorzieningen belangrijk. Voor de Ommelanden kon de ontwikkeling van Delfzijl andere mogelijkheden bieden. Toch mag uit deze belangenstrijd niet worden afgeleid dat de Braziliaanse suiker daadwerkelijk via Delfzijl werd ingevoerd. Daarvoor ontbreken in het huidige onderzoek voldoende concrete bewijzen. De havenstrijd vormt een belangrijk onderdeel van de economische context, maar moet worden onderscheiden van aantoonbare koloniale goederenstromen.
De volledige arbeidsketen van de suikerhandel
De Braziliaanse suikerhandel bracht werkzaamheden samen die zich over verschillende werelddelen uitstrekten. Op de plantages moesten mensen suikerriet verbouwen, oogsten en verwerken. Vervolgens werd de suiker verpakt en naar de kust vervoerd. Havenarbeiders brachten de lading aan boord van schepen. Zeelieden zorgden voor het transport over de Atlantische Oceaan. Na aankomst in Europa waren opnieuw arbeiders nodig voor het lossen, opslaan en verwerken van de suiker. Kooplieden en tussenpersonen verzorgden de verkoop en verdere distributie. De financiële opbrengst ontstond daardoor binnen een lange keten van arbeid, transport en handel.
De positie van de betrokken arbeiders verschilde sterk. Op de Braziliaanse plantages werd een belangrijk deel van het werk onder dwang verricht door tot slaaf gemaakte mensen. In Europese havens werkten andere groepen arbeiders onder verschillende arbeidsverhoudingen. De kooplieden en aandeelhouders stonden doorgaans verder af van de fysieke productie en het vervoer. Toch waren hun inkomsten afhankelijk van het functioneren van de gehele keten. De geschiedenis van de suikerhandel kan daarom niet uitsluitend worden verteld vanuit de waarde van de lading. Zij moet ook laten zien wie de suiker produceerde, wie haar vervoerde en wie uiteindelijk aanspraak kon maken op de financiële opbrengsten.
De scheepvaart als verbinding tussen drie werelddelen
De activiteiten van de WIC verbonden Europa, Afrika en Amerika met elkaar. Vanuit de Republiek werden schepen uitgerust en handelsgoederen verzonden. Aan de Afrikaanse kust werden goederen verhandeld en mensen onder dwang vervoerd. In Brazilië werden koloniale producten zoals suiker voor de Europese markt geproduceerd. De Groningse kamer was financieel en bestuurlijk bij deze onderneming betrokken. De economische gevolgen waren echter ongelijk verdeeld. Bestuurders en aandeelhouders konden aanspraak maken op handelsopbrengsten, terwijl tot slaaf gemaakte mensen onder dwang het zware werk verrichtten. De Atlantische handel bracht daardoor geldstromen voort die niet los kunnen worden gezien van militaire overheersing en de onvrijheid van grote groepen mensen.
De verbindingen tussen de drie werelddelen vormden geen eenvoudige route waarop ieder schip achtereenvolgens dezelfde havens bezocht. De WIC organiseerde verschillende soorten reizen, met uiteenlopende bestemmingen en ladingen. Sommige schepen vervoerden militairen of voorraden, andere handelsgoederen of tot slaaf gemaakte mensen. Een afzonderlijk schip kon bovendien gedurende zijn bestaan verschillende functies vervullen. Daarom moet de Atlantische geschiedenis van Groningen worden opgebouwd uit concrete reizen. Alleen dan wordt zichtbaar welke schepen daadwerkelijk vanuit welke havens vertrokken, welke gebieden zij bezochten en waar hun ladingen uiteindelijk terechtkwamen.
De Groningse stadskas na 1643
De dividenduitkeringen die Groningen vanaf 1638 had ontvangen, bleken geen blijvende bron van inkomsten. De WIC moest voortdurend nieuwe middelen inzetten voor haar koloniale bezittingen. De oorlog in Brazilië en de activiteiten langs de Afrikaanse kust vroegen om schepen, soldaten en voorraden. De stad had aanzienlijke bedragen geïnvesteerd, maar kon niet rekenen op regelmatige uitkeringen. De financiële betrokkenheid bij de compagnie was daardoor zowel een kans als een risico. De ontvangen dividenden moeten worden afgezet tegen de oorspronkelijke inleg en de verdere ontwikkeling van de onderneming. Alleen dan kan worden vastgesteld wat de WIC Groningen werkelijk opleverde en welke bedragen langdurig vastlagen.
De tijdelijke inkomsten uit de WIC mogen daarom niet zonder meer worden voorgesteld als bewijs van blijvende stedelijke welvaart. De compagnie kende perioden waarin militaire successen en handelsopbrengsten dividend mogelijk maakten, maar de koloniale onderneming bleef kostbaar. De verdediging van Brazilië en de handelsplaatsen aan de Afrikaanse kust vroeg om voortdurend nieuwe middelen. Ook de particuliere aandeelhouders waren afhankelijk van de financiële toestand van de WIC. De geschiedenis van de Groningse opbrengsten moet daarom niet eindigen bij het noemen van een dividendbedrag. Zij moet eveneens laten zien hoe de investering zich op langere termijn ontwikkelde.
De positie van de particuliere aandeelhouders
Ook particuliere investeerders moesten rekening houden met de financiële onzekerheid van de WIC. Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga behoorden tot de grotere Groningse aandeelhouders die in het onderzoek worden genoemd. Hun kapitaal was verbonden met een onderneming die afhankelijk was van oorlogvoering en koloniale handel. De waarde van hun investering kon veranderen door militaire successen, verliezen en besluiten over dividend. Het bezit van aandelen betekende niet automatisch dat zij voortdurend winst ontvingen. Sommige aandeelhouders konden hun rechten overdragen of opnieuw investeren. Voor een volledige reconstructie van de Groningse vermogensvorming moeten de afzonderlijke aandelenregisters en financiële transacties worden onderzocht.
De particuliere betrokkenheid laat zien dat de WIC deel uitmaakte van de financiële wereld van de Groningse bovenlaag. Vermogende inwoners konden kapitaal beschikbaar stellen voor een onderneming waarvan de activiteiten zich over verschillende continenten uitstrekten. Hun economische belangen waren daardoor verbonden met handelsopbrengsten die buiten Europa tot stand kwamen. Toch moet worden voorkomen dat het bezit van aandelen automatisch wordt gelijkgesteld aan een aantoonbare persoonlijke opbrengst uit een specifieke slavenreis. De juiste verbinding loopt via de financiële administratie: aandelenbezit, uitkeringen, herbeleggingen en eventuele overdrachten. Zonder die gegevens blijft de precieze vermogensontwikkeling van afzonderlijke families onzeker.
De spanningen tussen Johan Maurits en de bewindhebbers
Tijdens het bestuur van Johan Maurits ontstonden spanningen over de kosten van de koloniale onderneming. De gouverneur wilde investeren in verdediging, bestuur en stedelijke ontwikkeling. De bewindhebbers in de Republiek moesten rekening houden met de financiële mogelijkheden van de WIC en de verwachtingen van aandeelhouders. De kosten van het koloniale bestuur liepen op, terwijl de inkomsten uit de suikerhandel onzeker bleven. Johan Maurits kon niet onbeperkt beschikken over de middelen die hij nodig achtte. De verschillen van inzicht droegen bij aan de verslechtering van zijn verhouding met de leiding van de compagnie. De spanningen tonen hoe moeilijk het was om militaire, bestuurlijke en commerciële belangen binnen één onderneming met elkaar te verenigen.
De tegenstellingen werden versterkt doordat Johan Maurits de dagelijkse omstandigheden in Brazilië van dichtbij kende, terwijl de bewindhebbers hun besluiten in de Republiek namen. Voor de koloniale gouverneur konden nieuwe verdedigingswerken of bestuurlijke voorzieningen noodzakelijk lijken om het gebied te behouden. Voor de leiding van de WIC konden dezelfde uitgaven een verdere belasting van de financiën betekenen. De compagnie wilde opbrengsten zien uit de gebieden die zij met grote kosten had veroverd. De gouverneur moest echter rekening houden met de praktische moeilijkheden van oorlog en bestuur. Deze spanning vormde een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling die uiteindelijk tot zijn vertrek leidde.
Wolter Schonenborgh en het Groningse koloniale bestuur
In 1644 kreeg de Groningse betrokkenheid bij het bestuur van Nederlands-Brazilië een bijzonder vervolg. Volgens de aangeleverde PDF werd Wolter Schonenborgh, een voormalige burgemeester van Groningen, president van de Hoge en Secrete Raad. Hij zou deze functie tot 1654 vervullen. Zijn benoeming is belangrijk omdat zij laat zien dat een Groningse regent een van de hoogste bestuurlijke posities in de Nederlandse kolonie kon bereiken. De verbinding tussen Groningen en Brazilië bestond daardoor niet uitsluitend uit investeringen en scheepsreizen. Zij omvatte ook directe deelname aan de hoogste koloniale besluitvorming.
Schoenenborghs positie moet worden geplaatst binnen de bestuurlijke veranderingen rond het vertrek van Johan Maurits. De WIC moest haar bezittingen blijven besturen, terwijl de financiële en politieke problemen niet waren verdwenen. De Hoge en Secrete Raad speelde daarbij een belangrijke rol. Een president van deze raad had te maken met bestuurlijke besluiten die gevolgen konden hebben voor de verdediging, de economie en de bevolking van de kolonie. De precieze bevoegdheden en het moment waarop Schonenborgh zijn functie aanvaardde, moeten aan de oorspronkelijke benoemingsstukken worden gecontroleerd. Zijn Groningse achtergrond en hoge koloniale positie maken hem niettemin tot een van de belangrijkste personen in dit deel.
De latere loopbaan van Schonenborgh viel samen met de laatste moeilijke jaren van de Nederlandse overheersing van Brazilië. In 1654 ging de kolonie verloren aan Portugal. Die gebeurtenissen behoren tot een later deel van het verhaal, maar maken duidelijk hoe langdurig zijn bestuurlijke betrokkenheid was. Schonenborgh was niet slechts een Groningse bestuurder die tijdelijk naar de Atlantische wereld reisde. Hij vervulde gedurende een beslissende periode een hoge functie in de koloniale organisatie. Zijn geschiedenis verdient daarom een afzonderlijk onderzoek naar zijn bestuurlijke loopbaan in Groningen, zijn benoeming door de WIC en de besluiten waarbij hij in Brazilië betrokken was.
Het vertrek van Johan Maurits in 1644
In 1644 vertrok Johan Maurits van Nassau-Siegen uit Brazilië. Daarmee kwam een einde aan zijn zevenjarige bestuur over de Nederlandse bezittingen. Tijdens zijn bewind waren militaire posities versterkt, bestuurlijke voorzieningen ontwikkeld en nieuwe bouwprojecten uitgevoerd. Tegelijk waren de economische en politieke problemen niet verdwenen. De WIC bleef afhankelijk van de medewerking van Portugese plantage-eigenaren, de opbrengsten van de suikerhandel en de voortdurende aanvoer van militaire middelen. Het vertrek van Johan Maurits betekende daarom geen afsluiting van de koloniale spanningen. De compagnie moest haar bezittingen voortaan onder een andere bestuurlijke leiding proberen te behouden.
Zijn bestuur had een blijvende invloed op het aanzien van Recife en Mauritsstad. Bruggen, gebouwen en andere voorzieningen maakten de Nederlandse aanwezigheid zichtbaar. De kunstenaars en onderzoekers die tijdens zijn bestuur werkzaam waren geweest, hadden bovendien afbeeldingen en beschrijvingen vervaardigd die de kennis van Brazilië in Europa zouden beïnvloeden. Toch vormden deze prestaties geen garantie voor een stabiele kolonie. De WIC bleef geconfronteerd met hoge kosten, militaire dreiging en tegenstellingen met de Portugese bevolking. De economische basis van de kolonie bleef afhankelijk van suikerplantages waarop gedwongen arbeid een centrale plaats innam.
De bestuurlijke situatie na Johan Maurits
Na het vertrek van Johan Maurits moest de WIC het bestuur van Nederlands-Brazilië voortzetten. De koloniale organisatie bleef verantwoordelijk voor rechtspraak, belastingen, militaire verdediging en de bescherming van de handel. De spanningen met Portugese plantage-eigenaren waren echter niet opgelost. Ook de financiële verplichtingen van de compagnie bleven bestaan. De WIC had aanzienlijke bedragen geïnvesteerd in haar Braziliaanse bezittingen en verwachtte dat de suikerproductie inkomsten zou blijven opleveren. De bestuurlijke veranderingen van 1644 vonden daardoor plaats in een kwetsbare situatie. De compagnie beschikte nog over belangrijke gebieden, maar haar mogelijkheden om deze langdurig te behouden waren afhankelijk van militaire en economische omstandigheden.
De schulden van plantage-eigenaren, de kosten van het koloniale bestuur en de politieke veranderingen sinds de Portugese onafhankelijkheid bleven de verhoudingen beïnvloeden. Het vertrek van Johan Maurits nam deze problemen niet weg. De nieuwe bestuurders moesten dezelfde koloniale economie beschermen en tegelijk rekening houden met de financiële eisen van de compagnie. Voor Groningen kreeg deze situatie extra betekenis door de positie van Wolter Schonenborgh. Een voormalige Groningse burgemeester maakte nu deel uit van de hoogste koloniale leiding. Daarmee werd de bestuurlijke verbinding tussen Stad en Lande en Brazilië nog concreter zichtbaar.
Groningen aan het einde van 1644
Aan het einde van 1644 was Groningen via de Kamer Stad en Lande verbonden met een omvangrijk Atlantisch netwerk. De WIC had belangrijke gebieden in Brazilië bezet en handelsposten aan de Afrikaanse kust veroverd. De Groningse kamer had kapitaal geïnvesteerd, schepen ingezet en bestuurlijke vertegenwoordigers geleverd. De stad had tijdelijk dividend ontvangen, maar de financiële toekomst van de onderneming bleef onzeker. De schepen Omlandia, Gouden Leeuw, Graef Hendrick en Eijkeboom maakten de betrokkenheid bij de Atlantische vaart zichtbaar, al moeten hun afzonderlijke reizen nog verder worden onderzocht. Tegelijk was duidelijk geworden dat de koloniale economie afhankelijk was van oorlogvoering, gedwongen arbeid en de handel in tot slaaf gemaakte mensen.
De betrokkenheid van Groningen bestond inmiddels uit meer dan financiële deelname. Ipo Eyssens had vóór 1637 een bestuursfunctie in Brazilië vervuld. Daniël Alberti was in 1639 lid geworden van de Politieke Raad. Reinier Sickema en Ludolph Harckema maakten de militaire verbinding zichtbaar. Christianus Wachteloo vertegenwoordigde de religieuze contacten tussen de noordelijke gewesten en Pernambuco. Met Wolter Schonenborgh bereikte een voormalige Groningse burgemeester in 1644 een hoge positie binnen het koloniale bestuur. Deze personen tonen dat de Atlantische wereld niet uitsluitend vanuit de vergaderkamers van de WIC werd bestuurd. Groningers waren ook daadwerkelijk aanwezig in de gebieden waar de compagnie haar macht uitoefende.
De financiële geschiedenis bleef tegelijkertijd onvolledig zolang de afzonderlijke investeringen, dividenden en handelsreizen niet nauwkeurig waren gereconstrueerd. De bedragen uit 1643 bevatten nog een belangrijke tegenstrijdigheid. De scheepsnamen bieden aanknopingspunten, maar niet altijd volledige gegevens over lading en bestemming. Voor rechtstreekse suikerlossing in Groningen of Delfzijl ontbreekt nog voldoende bewijs. De reis van de Graef Hendrick vraagt om controle van de aantallen ingescheepte en aangekomen mensen en van de precieze betrokkenheid van de Kamer Stad en Lande. Deze onzekerheden verminderen het belang van de geschiedenis niet. Zij maken duidelijk welke vragen de bewaarde administratie nog moet beantwoorden.
Tussen 1637 en 1644 had de WIC haar aanwezigheid in Brazilië proberen te versterken en haar positie aan de Afrikaanse kust uitgebreid. Johan Maurits had het koloniale bestuur georganiseerd, terwijl Elmina en Luanda nieuwe mogelijkheden boden voor de handel van de compagnie. Voor Groningen betekende deze ontwikkeling een uitbreiding van financiële, bestuurlijke en maritieme belangen. De opbrengsten bleven onzeker en de militaire lasten hoog. Achter de handelsrekeningen stonden soldaten die forten bouwden en verdedigden, arbeiders die goederen vervoerden en mensen die onder dwang op plantages of aan boord van schepen moesten werken. De geschiedenis van Groningen en de West-Indische Compagnie was daarmee een geschiedenis van geld en scheepvaart, maar evenzeer van koloniale macht, menselijke onvrijheid en de gevolgen van oorlog.
Groningen en de West-Indische Compagnie — Geld, macht, scheepvaart en slavernij (1580–1863)
Deel 5 — De opstand in Brazilië, de Groningse bestuurders en het verlies van de suikergebieden (1645–1654)
De West-Indische Compagnie aan het begin van 1645
Aan het begin van 1645 beschikte de West-Indische Compagnie nog over belangrijke bezittingen in het noordoosten van Brazilië. Recife en het aangrenzende Mauritsstad vormden het bestuurlijke en maritieme centrum van Nederlands-Brazilië. Sinds de verovering van Pernambuco in 1630 had de onderneming grote bedragen besteed aan oorlogvoering, bestuur, scheepvaart en de bescherming van de suikerproductie. Toch was haar positie minder sterk dan de omvang van haar bezittingen deed vermoeden. De compagnie beheerste belangrijke kustplaatsen en versterkingen, maar was afhankelijk van de medewerking van plantage-eigenaren, kredietverleners en plaatselijke bondgenoten. De koloniale economie bleef bovendien grotendeels berusten op de gedwongen arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen.
De Nederlandse bezittingen vormden geen veilig, aaneengesloten gebied. Tussen de kustplaatsen lagen suikerplantages, dorpen, rivieren, bossen en verbindingswegen die voortdurend bescherming vereisten. Recife kon als haven worden verdedigd, maar de inkomsten van de compagnie ontstonden voor een belangrijk deel buiten de stad. Suikerriet moest worden verbouwd, geoogst, naar de molens vervoerd en verwerkt. Daarna moest de suiker de haven bereiken en op de Europese markt worden verkocht. Iedere verstoring van deze keten had gevolgen voor de opbrengsten. De WIC moest daarom niet alleen haar forten behouden, maar ook proberen de economische productiegebieden onder controle te houden.
Groningen heeft geld en mensen in Brazilië
De Kamer Stad en Lande was sinds de oprichting van de WIC in 1621 bij deze Atlantische onderneming betrokken. Groningen had kapitaal beschikbaar gesteld, bewindhebbers aangewezen en schepen laten uitrusten. Ook waren bestuurders en militairen uit de noordelijke gewesten naar Brazilië vertrokken. De Groningse belangen gingen daardoor verder dan een financiële deelneming op afstand. De gebeurtenissen in Pernambuco konden gevolgen hebben voor de stedelijke inkomsten, de waarde van particuliere aandelen en de loopbanen van mensen die in dienst van de compagnie waren getreden.
Onder de grotere particuliere aandeelhouders bevonden zich Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga. In het aangeleverde onderzoek worden bedragen genoemd van respectievelijk 33.750, 20.000 en 9.750 gulden. Hun deelname verbond de compagnie met de bestuurlijke en economische bovenlaag van Groningen. Daarnaast hadden de stad, de provincie en de Ommelanden afzonderlijke financiële belangen. Deze investeringen waren gedaan in de verwachting dat de combinatie van handel en militaire macht uiteindelijk inkomsten zou opleveren. Toen de Portugese opstand uitbrak, werd duidelijk hoe kwetsbaar die verwachting was.
Het vertrek van Johan Maurits laat een kwetsbare kolonie achter
Johan Maurits van Nassau-Siegen had in 1644 Brazilië verlaten. Tijdens zijn bestuur was geprobeerd de Nederlandse bezittingen militair te versterken, de suikerproductie te herstellen en Recife en Mauritsstad verder te ontwikkelen. De gouverneur had contacten onderhouden met Portugese plantage-eigenaren en verschillende bevolkingsgroepen. Maar zijn bestuur had de tegenstellingen binnen de koloniale samenleving niet weggenomen. De WIC bleef afhankelijk van inkomsten uit de suikerproductie, terwijl veel plantage-eigenaren grote schulden hadden opgebouwd.
Na het vertrek van Johan Maurits kwam het bestuur sterker in handen van een collegiale bestuursorganisatie. Die moest dezelfde economische en politieke problemen oplossen zonder zijn persoonlijke gezag. De Nederlandse kredietverleners verlangden terugbetaling van verstrekte leningen. Portugese plantage-eigenaren vreesden dat zij hun bezit zouden verliezen wanneer zij hun schulden niet konden voldoen. De WIC wilde haar inkomsten beschermen, maar had de medewerking van deze planters nodig om de productie voort te zetten. Daardoor kwamen de belangen van bestuurders, geldschieters en suikerproducenten steeds scherper tegenover elkaar te staan.
Schulden en suiker als oorzaak van de opstand
De financiële verhoudingen in Pernambuco waren een belangrijke oorzaak van de groeiende onrust. Suikerplantages waren kostbare bedrijven. Zij beschikten over grond, gebouwen, molens, kookhuizen, opslagplaatsen en grote aantallen arbeidskrachten. De productie vereiste voortdurend investeringen. Wanneer een plantage door oorlogshandelingen was beschadigd of wanneer de suikerprijzen tegenvielen, konden de eigenaren hun verplichtingen moeilijk nakomen. Nederlandse kooplieden en kredietverleners hadden belang bij terugbetaling, terwijl de planters hun bedrijven wilden behouden.
De tegenstellingen werden versterkt doordat de schuldeisers verbonden waren met het koloniale machtsstelsel. De Nederlandse rechtbanken konden worden ingeschakeld om betalingsverplichtingen af te dwingen. Voor Portugese plantage-eigenaren betekende dit dat zij niet alleen economisch, maar ook juridisch afhankelijk waren geworden van het bestuur van de WIC. De opstand van 1645 was daarom niet uitsluitend een strijd om nationale of religieuze macht. Zij ontstond ook uit conflicten over eigendom, krediet, belastingheffing en de verdeling van de opbrengsten van de suikerproductie.
De Portugese onafhankelijkheid verandert de machtsverhoudingen
De politieke situatie was sinds december 1640 veranderd. Portugal had zich van de Spaanse monarchie losgemaakt en Johan IV als koning erkend. De Republiek en Portugal hadden daardoor niet langer precies dezelfde verhouding als tijdens de eerste Nederlandse veroveringen in Brazilië. In Europa ontstond ruimte voor diplomatieke samenwerking tegen Spanje. In de Atlantische wereld bleven beide landen echter tegenover elkaar staan. De WIC wilde haar Braziliaanse bezittingen behouden, terwijl Portugal zijn voormalige koloniale gebieden niet wilde opgeven.
De overeenkomst die in 1641 tussen de Republiek en Portugal werd gesloten, loste deze tegenstellingen niet op. De uitvoering van diplomatieke afspraken werd bemoeilijkt door de grote afstand tussen Europa en Brazilië. Bovendien hadden de Portugese kolonisten in Pernambuco eigen economische en politieke belangen. Zij wilden hun plantages, handelscontacten en maatschappelijke positie behouden. De belangen van de Portugese kroon, de koloniale bestuurders en de plaatselijke suikerproducenten liepen niet altijd volledig gelijk. De opstand ontstond binnen deze ingewikkelde internationale verhoudingen.
De Portugese plantage-eigenaren komen in opstand
In mei 1645 begon de georganiseerde opstand tegen het Nederlandse gezag in Pernambuco. Portugese kolonisten en suikerplanters vormden een belangrijk deel van de leiding. Zij verzetten zich tegen de financiële verplichtingen, de politieke overheersing en de bedreiging van hun eigendom. Religieuze tegenstellingen speelden eveneens een rol. Veel Portugese bewoners waren katholiek, terwijl de WIC verbonden was met de gereformeerde Republiek. Hoewel het Nederlandse bestuur verschillende geloofsgemeenschappen had toegelaten, was het wantrouwen tegenover de buitenlandse machthebber niet verdwenen.
De opstand was voorbereid binnen bestaande netwerken van kolonisten, militairen en bestuurders. Daardoor konden de tegenstanders van de WIC op verschillende plaatsen vrijwel gelijktijdig in actie komen. Zij hoefden niet onmiddellijk Recife te veroveren om de Nederlandse positie ernstig te verzwakken. Wanneer zij de plantagegebieden en verbindingswegen beheersten, konden zij de economische basis van de kolonie aantasten. De WIC moest vervolgens steeds meer middelen inzetten om toegang te houden tot de suikerproductie waarvan zij financieel afhankelijk was.
João Fernandes Vieira organiseert de tegenstand
João Fernandes Vieira groeide uit tot een van de belangrijkste leiders van de opstand. Hij was zelf verbonden met de suikerproductie en kende de economische verhoudingen in Pernambuco. Zijn positie maakte het mogelijk steun te verkrijgen onder planters die ontevreden waren over hun schulden en de Nederlandse machtsuitoefening. Vieira beschikte bovendien over contacten binnen de koloniale samenleving. Daardoor kon hij de economische onvrede verbinden met de voorbereiding van gewapend verzet.
De rol van Vieira laat zien dat de strijd niet eenvoudig kan worden beschreven als een oorlog tussen twee Europese staten. De opstand werd mede gedragen door mensen die al jarenlang in Brazilië woonden en daar hun bezit en maatschappelijke positie hadden opgebouwd. Zij streden voor het herstel van de Portugese macht, maar ook voor hun eigen belangen. Dat betekende niet dat zij de koloniale plantage-economie wilden afschaffen. De suikerproductie en de slavernij bleven voor veel van deze opstandelingen van groot economisch belang.
André Vidal de Negreiros en de militaire organisatie
Naast Vieira werd André Vidal de Negreiros een belangrijke militaire leider. Hij bracht ervaring en verbindingen met de Portugese koloniale wereld mee. De opstandelingen moesten verschillende strijdgroepen organiseren, voorraden verzamelen en verbindingen onderhouden tussen de plaatsen waar zij steun vonden. Daarbij maakten zij gebruik van hun kennis van het landschap. De Nederlandse troepen waren gewend vanuit versterkte plaatsen te opereren, maar konden niet overal tegelijk aanwezig zijn. De opstandelingen konden hun aanvallen richten op kwetsbare wegen, plantages en kleine garnizoenen.
De samenwerking tussen de verschillende groepen was niet vanzelfsprekend. Portugese kolonisten, zwarte strijders en inheemse bondgenoten hadden uiteenlopende achtergronden en belangen. Toch konden zij zich verenigen rond het doel het Nederlandse gezag te beëindigen. Voor de WIC vormde deze coalitie een tegenstander die niet eenvoudig door één veldslag kon worden verslagen. De strijd kreeg daardoor het karakter van een langdurige oorlog om het binnenland, de suikergebieden en de verbindingen met de kust.
Daniël Alberti en de Groningse invloed op het bestuur
Toen de opstand uitbrak, was Daniël Alberti al jarenlang betrokken bij het Nederlandse koloniale bestuur. In 1639 was hij benoemd tot lid van de Politieke Raad onder Johan Maurits van Nassau-Siegen. Daarmee behoorde hij tot de functionarissen die de belangen van de WIC in Brazilië moesten behartigen. Zijn werkzaamheden vonden plaats binnen een organisatie waarin rechtspraak, belastingen, militaire bescherming en suikerhandel nauw met elkaar waren verbonden. Alberti vertegenwoordigde een bestuur dat de Nederlandse veroveringen moest omzetten in een blijvende koloniale machtspositie.
In 1645 droeg de Kamer Stad en Lande Alberti voor als president van het Braziliaanse bestuur. Deze voordracht toont dat Groningen niet alleen aandeelhouder was, maar ook invloed probeerde uit te oefenen op de hoogste koloniale benoemingen. Alberti had ervaring opgedaan in Brazilië en beschikte daardoor over kennis van de plaatselijke omstandigheden. Zijn kandidatuur kreeg echter onvoldoende steun binnen het centrale bestuur van de WIC. Daarmee werd duidelijk dat de verschillende kamers eigen belangen en kandidaten konden hebben, maar dat Groningen niet zelfstandig kon bepalen wie de hoogste functies zou bekleden.
De strijd om de hoogste bestuursfuncties
De mislukte voordracht van Alberti viel samen met een ernstige crisis. De WIC had bestuurders nodig die de militaire verdediging konden organiseren en tegelijkertijd de economische belangen van de onderneming beschermden. De verschillende kamers konden echter uiteenlopende opvattingen hebben over de geschikte kandidaten. Benoemingen waren daardoor niet uitsluitend afhankelijk van ervaring en bekwaamheid. Ook de machtsverhoudingen binnen de compagnie speelden een rol.
Voor de Kamer Stad en Lande bood de voordracht van Alberti een mogelijkheid om haar invloed in Brazilië te vergroten. De Groningse bewindhebbers beschikten over een erkende plaats binnen de gezamenlijke organisatie, maar moesten rekening houden met de belangen van de andere kamers. De WIC was geen eenheid waarin iedere deelnemer dezelfde macht bezat. De bestuurlijke conflicten maakten het moeilijker om tijdens de opstand snel en eensgezind te handelen.
Wolter van Schonenborch in het koloniale bestuur
Wolter van Schonenborch wordt in het aangeleverde onderzoek genoemd als president van de Hoge en Secrete Raad. Dit bestuurscollege maakte deel uit van de hoogste koloniale organisatie. De raad moest zich bezighouden met de belangen van de WIC in een gebied waar militaire verdediging, rechtspraak en economische productie voortdurend met elkaar verweven waren. De functie bracht aanzienlijke verantwoordelijkheid met zich mee. Bestuurders moesten besluiten nemen over een samenleving waarin verschillende bevolkingsgroepen, religies en economische belangen naast en tegenover elkaar bestonden.
Tijdens de opstand werden deze verantwoordelijkheden steeds moeilijker uit te oefenen. De WIC verloor invloed op het binnenland en moest haar resterende versterkte posities beschermen. De bestuurlijke organisatie kon alleen functioneren zolang zij beschikte over voldoende militaire macht. De precieze besluiten waaraan Schonenborch persoonlijk deelnam, moeten nog aan de raadsnotulen worden getoetst. Zijn functie maakt echter duidelijk dat personen uit noordelijke bestuurlijke netwerken betrokken waren bij de hoogste besluitvorming in Nederlands-Brazilië.
De slag bij Tabocas op 3 augustus 1645
Op 3 augustus 1645 kwam het bij Tabocas, in de omgeving van het huidige Vitória de Santo Antão, tot een belangrijke veldslag. De Nederlandse troepen probeerden de opstandelingen aan te vallen, maar werden geconfronteerd met een tegenstander die het terrein in zijn voordeel gebruikte. Heuvels, begroeiing en onoverzichtelijke toegangen beperkten de mogelijkheden om de Nederlandse strijdmacht ordelijk in te zetten. De opstandelingen maakten gebruik van hinderlagen en aanvallen vanuit verschillende richtingen. Na zware gevechten moesten de Nederlanders zich terugtrekken.
De nederlaag had een betekenis die verder reikte dan de directe militaire verliezen. Zij liet zien dat de opstandelingen Nederlandse troepen ook buiten versterkte plaatsen konden verslaan. Daardoor groeide hun vertrouwen en werd het gemakkelijker nieuwe bondgenoten te winnen. Voor de WIC betekende Tabocas dat de opstand niet met een beperkte militaire actie kon worden beëindigd. De strijd dreigde zich uit te breiden tot een langdurige oorlog om de suikergebieden en de verbindingen tussen het binnenland en de kust.
Casa Forte en de strijd om de plantages
Op 17 augustus 1645 volgde een nieuwe nederlaag voor de Nederlanders bij Casa Forte. De gevechten vonden plaats in een gebied waar suikerplantages, woonhuizen en verbindingswegen nauw met elkaar verbonden waren. Nederlandse troepen hadden zich teruggetrokken naar een suikerbedrijf dat aan Anna Paes had toebehoord. De opstandelingen vielen deze positie aan en behaalden opnieuw een overwinning. Daarmee werd duidelijk dat de plantagegebieden niet langer veilig onder Nederlands gezag stonden.
Casa Forte maakt zichtbaar hoe nauw de oorlog verbonden was met de economische inrichting van Pernambuco. Een suikerplantage was niet alleen een landbouwbedrijf, maar ook een plaats met gebouwen, opslagruimten en soms verdedigbare posities. Wie zulke plaatsen beheerste, kon invloed uitoefenen op de voedselvoorziening, de suikerproductie en de bewegingen van troepen. De oorlog werd daarom niet uitsluitend rond forten en havens gevoerd. Ook de suikerbedrijven veranderden in militaire steunpunten en strijdterreinen.
Henrique Dias en de zwarte strijders
Henrique Dias behoorde tot de belangrijke militaire leiders aan de zijde van de opstandelingen. Hij voerde zwarte soldaten aan en speelde een rol in de strijd tegen het Nederlandse gezag. Zijn aanwezigheid laat zien dat de oorlog niet uitsluitend werd gevoerd door Europese soldaten en plantage-eigenaren. Mensen van Afrikaanse afkomst konden binnen de koloniale strijdkrachten militaire functies bekleden en aanzienlijke invloed verwerven. Hun positie verschilde echter sterk van die van de Portugese koloniale elite.
De geschiedenis van Henrique Dias moet zorgvuldig worden onderscheiden van de positie van de tot slaaf gemaakte bevolking als geheel. Zwarte soldaten konden deelnemen aan een strijd die gericht was op het herstel van een koloniale orde waarin slavernij bleef bestaan. Hun militaire bijdrage verdient erkenning, maar mag niet worden voorgesteld als bewijs dat de opstand de bevrijding van alle Afrikanen nastreefde. De koloniale samenleving kende daarvoor te grote sociale en juridische tegenstellingen.
Filipe Camarão en de inheemse bondgenootschappen
Antônio Filipe Camarão, een leider uit de Potiguara-gemeenschap, speelde eveneens een belangrijke rol in de strijd tegen de Nederlanders. Zijn deelname onderstreept de betekenis van inheemse bondgenootschappen binnen de koloniale oorlog. Europese bevelhebbers waren afhankelijk van mensen die het landschap kenden en plaatselijke militaire ervaring hadden. Inheemse strijders konden verkenningen uitvoeren, routes bewaken en deelnemen aan aanvallen waarbij snelheid en kennis van het terrein belangrijk waren.
De inheemse bevolking van Brazilië vormde geen eensgezind politiek geheel. Sommige groepen steunden de Portugezen, terwijl andere met de Nederlanders samenwerkten. Deze keuzes konden voortkomen uit bestaande vijandschappen, politieke belangen en de gevolgen van Europese kolonisatie. De oorlog bracht daardoor ook conflicten tussen inheemse gemeenschappen met zich mee. Wie uitsluitend spreekt over Nederlanders tegenover Portugezen, laat een belangrijk deel van de strijd buiten beeld.
De opstand breidt zich uit naar Paraíba
De opstand bleef niet beperkt tot Pernambuco. Ook in Paraíba ontstond verzet tegen het Nederlandse bestuur. Frederikstad, het huidige João Pessoa, maakte deel uit van de Nederlandse koloniale organisatie. De verbindingen tussen Paraíba, Itamaracá, Rio Grande en Recife waren belangrijk voor de militaire verdediging en de handel. Wanneer de opstand zich naar deze gebieden uitbreidde, werd de Nederlandse positie over een veel groter gebied bedreigd.
In Paraíba waren eveneens inheemse bondgenootschappen van grote betekenis. De strijd bracht groepen tegenover elkaar die al vóór de Nederlandse komst politieke en militaire belangen hadden ontwikkeld. De Nederlanders konden niet eenvoudig vertrouwen op de steun van alle inheemse gemeenschappen, evenmin als de Portugezen dat konden. De oorlog werd daardoor mede bepaald door plaatselijke bondgenootschappen. Voor de WIC betekende de uitbreiding van de opstand dat zij meer forten en garnizoenen moest onderhouden terwijl haar toegang tot de economische productiegebieden afnam.
De Nederlanders trekken zich terug naar versterkte posities
Na de nederlagen van 1645 verloren de Nederlanders in korte tijd een groot deel van hun invloed op het binnenland. Hun troepen moesten zich concentreren op versterkte kustplaatsen en afzonderlijke forten. Recife bleef het belangrijkste centrum omdat daar schepen konden aankomen en vertrekken. De haven maakte het mogelijk soldaten, levensmiddelen, munitie en berichten vanuit de Republiek aan te voeren. Maar de stad kon niet zelfstandig voldoende voedsel produceren voor alle inwoners en garnizoenen.
Daardoor ontstond een steeds grotere afhankelijkheid van de Atlantische scheepvaart. Wanneer schepen te laat aankwamen of door vijandelijke oorlogsschepen werden tegengehouden, ontstonden tekorten. Hetzelfde gold voor de verbindingen met de omliggende landbouwgebieden. De opstandelingen hoefden de haven niet onmiddellijk te veroveren om de Nederlandse verdediging te verzwakken. Door de aanvoer over land te verhinderen, konden zij de WIC dwingen steeds meer voedsel en andere voorraden van overzee te halen.
De positie van de tot slaaf gemaakte bevolking
Voor de tot slaaf gemaakte Afrikanen op de Braziliaanse plantages betekende de opstand niet automatisch het einde van hun onvrijheid. Zowel onder het Portugese als onder het Nederlandse koloniale gezag was de suikerproductie grotendeels afhankelijk van gedwongen arbeid. De oorlog kon bestaande machtsverhoudingen verstoren, maar maakte de betrokken mensen ook kwetsbaar voor geweld, verplaatsing en nieuwe vormen van uitbuiting. Sommige mensen probeerden aan de slavernij te ontsnappen en zich buiten het bereik van plantage-eigenaren te vestigen. Anderen werden door de oorlog opnieuw verkocht of verplaatst.
De geschiedenis van de opstand moet daarom niet alleen worden beschreven vanuit de belangen van koloniale bestuurders en suikerproducenten. De mensen die het riet verbouwden, oogstten en verwerkten, vormden het economische fundament van de plantages. Hun arbeid maakte de suikerproductie mogelijk, maar zij hadden nauwelijks zeggenschap over de opbrengsten. De strijd tussen Nederlandse en Portugese machthebbers veranderde niet vanzelfsprekend hun maatschappelijke positie. Voor hen kon een verandering van koloniaal gezag betekenen dat een andere eigenaar of bestuurder aanspraak op hun arbeid maakte.
De Groningse dividenden vallen stil
Het stadsbestuur van Groningen had vanaf 1638 gedurende enkele jaren dividend uit de WIC ontvangen. Volgens het aangeleverde gemeentelijke onderzoek ging het over zes jaar om 22.350 gulden. Deze ontvangsten vertegenwoordigden een herkenbare bijdrage aan de stadskas, maar vormden geen jaarlijks gegarandeerde inkomstenbron. Na deze periode volgden voor de stad lange tijd geen vergelijkbare uitkeringen meer. De problemen in Brazilië vormden een belangrijke achtergrond van de verslechterende financiële positie van de compagnie.
De WIC moest steeds meer geld besteden aan militaire bescherming terwijl haar inkomsten onzeker werden. Voor Groningen betekende dit dat het geïnvesteerde kapitaal geen betrouwbare bron van stedelijke inkomsten opleverde. De eerdere verwachtingen van regelmatige opbrengsten kwamen daarmee steeds verder onder druk te staan. Voor een volledige financiële beoordeling moeten de ontvangen dividenden tegenover de oorspronkelijke stortingen, eventuele herbeleggingen en de latere waarde van de aandelen worden geplaatst.
De WIC zoekt nieuwe militaire middelen
Na het uitbreken van de opstand probeerde de compagnie haar Braziliaanse bezittingen te behouden door nieuwe militaire middelen beschikbaar te stellen. Daarvoor waren schepen, soldaten en financiële bijdragen nodig. De verschillende kamers moesten rekening houden met de kosten van de voortgezette oorlog. De Kamer Stad en Lande maakte deel uit van deze gezamenlijke organisatie, maar haar afzonderlijke bijdrage moet aan de bestuurs- en uitrustingsrekeningen worden vastgesteld.
Niet iedere versterking die naar Brazilië werd gezonden, kan zonder bewijs aan Groningen worden toegeschreven. De algemene situatie was echter duidelijk. De WIC had een steeds grotere militaire inspanning nodig om haar koloniale positie te verdedigen, terwijl de economische basis van die inspanning verzwakte. De onderneming raakte daardoor gevangen in een tegenstelling: zij moest meer geld uitgeven om de suikergebieden te behouden, maar verloor juist de inkomsten waarmee zij deze uitgaven had willen bekostigen.
De scheepvaart tussen de Republiek en Recife
De verbinding tussen de Republiek en Recife bleef tijdens de opstand van levensbelang. Schepen moesten soldaten, wapens en voedsel aanvoeren. Ook moesten berichten over de militaire situatie naar de bewindhebbers worden gebracht. De lange overtocht maakte snelle besluitvorming moeilijk. Wanneer een bericht in de Republiek aankwam, kon de situatie in Brazilië alweer veranderd zijn. De compagnie moest daarom beslissingen nemen op basis van informatie die soms maanden oud was.
De Groningse kamer was via de gezamenlijke bestuursorganisatie bij deze problemen betrokken. De geschiedenis van de WIC laat hier zien hoe de afstand tussen de Atlantische gebieden en de Republiek het koloniale bestuur voortdurend bemoeilijkte. Een versterking die in Groningen of Amsterdam als voldoende werd beschouwd, kon bij aankomst in Recife al ontoereikend blijken. De bewindhebbers moesten bovendien rekening houden met de beschikbaarheid van schepen, de kosten van de uitrusting en de risico's van de overtocht.
De Groningse schepen na 1644
Het aangeleverde onderzoek noemt verschillende schepen die tussen 1643 en 1646 voor rekening van de Kamer Stad en Lande uit Brazilië terugkeerden. Daaronder bevinden zich de Omlandia, Gouden Leeuw, Graef Hendrick en Eijkeboom. Deze vermeldingen maken duidelijk dat de Groningse kamer in de jaren van de opstand nog verbindingen met de Atlantische scheepvaart had. Voor iedere reis moeten echter de kapitein, lading, vertrekdatum en aankomsthaven afzonderlijk worden vastgesteld.
Het is niet bewezen dat alle genoemde schepen in Groningen werden gelost. Evenmin kan zonder aanvullende documenten worden vastgesteld hoeveel suiker of andere goederen zij vervoerden. De scheepsnamen vormen vooral een uitgangspunt voor verdere reconstructie. Een schip dat voor rekening van Groningen voer, kon zijn lading in Amsterdam of een andere haven afleveren. De financiële betrokkenheid van Stad en Lande mag daarom niet automatisch worden gelijkgesteld aan een fysieke goederenstroom door Delfzijl en Groningen.
De Graef Hendrick en de handel in mensen
De Graef Hendrick neemt binnen het onderzoek naar de Groningse WIC een bijzondere plaats in. Voor een reis in 1643 worden aantallen genoemd van 435 tot slaaf gemaakte mensen die bij Luanda werden ingescheept en ongeveer 262 die de bestemming bereikten. Deze gegevens moeten aan de oorspronkelijke scheepsadministratie worden gecontroleerd. Als beide aantallen op dezelfde overtocht betrekking hebben, bedraagt het verschil ongeveer 173 personen. Zonder aanvullende documenten kan echter niet definitief worden vastgesteld welke personen onderweg overleden en of er nog andere administratieve oorzaken voor het verschil waren.
De mensen die in Luanda aan boord werden gebracht, waren geen vrijwillige reizigers. Zij waren van hun vrijheid beroofd en werden onder dwang naar een andere wereld vervoerd. De scheepsadministratie legde vooral aantallen en handelswaarden vast. Namen, familiebanden en persoonlijke ervaringen van de vervoerde Afrikanen zijn in de aangeleverde gegevens niet zichtbaar. De reis verdient daarom een afzonderlijke plaats in het verhaal over de Groningse WIC. Zij laat zien hoe de Atlantische scheepvaart verbonden kon zijn met de handel in mensen en de ernstige menselijke gevolgen daarvan.
De Groningse verantwoordelijkheid bij de Graef Hendrick
De Graef Hendrick wordt in het aangeleverde onderzoek verbonden met de scheepvaart van de Kamer Stad en Lande. Voor een definitieve reconstructie moet worden vastgesteld of de betreffende reis van 1643 daadwerkelijk voor rekening van de Groningse kamer werd uitgevoerd. Ook de uitrustingskosten, kapitein, bemanning en bestemming moeten aan de oorspronkelijke documenten worden gekoppeld. De vermelding in een scheepsregister is een belangrijk aanknopingspunt, maar niet voldoende om iedere afzonderlijke transactie aan Groningen toe te schrijven.
Wanneer de verbinding met Stad en Lande wordt bevestigd, vormt deze reis een concreet voorbeeld van de betrokkenheid van de Groningse kamer bij de Atlantische handel in tot slaaf gemaakte mensen. Het onderscheid tussen algemene betrokkenheid bij de WIC en deelname aan een specifieke reis blijft noodzakelijk. De geschiedenis van de compagnie moet immers niet worden opgebouwd uit vermoedens die later als vaststaande feiten worden herhaald.
De Portugese tegenstand wordt sterker in 1646
In 1646 bleef de Nederlandse positie in Pernambuco kwetsbaar. De opstandelingen beschikten over belangrijke delen van het binnenland en konden de verbindingen tussen de plantages en de kust verstoren. De WIC probeerde haar versterkte posities te behouden, maar moest rekening houden met voortdurende militaire druk. De Portugese onafhankelijkheid van Spanje had de politieke situatie bovendien veranderd. De Republiek en Portugal konden in Europa diplomatieke contacten onderhouden, terwijl in Brazilië een gewapend conflict voortduurde.
De belangen van de WIC vielen daardoor niet vanzelfsprekend samen met alle diplomatieke belangen van de Republiek. De koloniale oorlog kreeg een eigen dynamiek die moeilijk vanuit Europa te beheersen was. De compagnie wilde haar veroverde gebieden behouden, terwijl andere Nederlandse kooplieden belang konden hebben bij het herstel van handelsbetrekkingen met Portugal. Voor Groningen betekende dit dat de toekomst van de WIC mede afhankelijk was van politieke beslissingen waarover de Kamer Stad en Lande geen volledige zeggenschap had.
Sigismund von Schoppe en de Nederlandse verdediging
Sigismund von Schoppe, ook geschreven als Von Schkoppe, was een ervaren officier die al eerder in Nederlands-Brazilië had gediend. Zijn loopbaan is voor het Groningse onderzoek van bijzonder belang omdat hij in verband wordt gebracht met de militaire organisatie van de Kamer Stad en Lande. Tijdens de crisis in Pernambuco kreeg hij opnieuw een belangrijke bevelsfunctie. De WIC had behoefte aan een officier die de verdediging van de overgebleven Nederlandse posities kon organiseren en nieuwe troepen kon inzetten.
Von Schoppe kwam terecht in een situatie waarin de Nederlandse strijdkrachten niet alleen tegen een groeiende opstand moesten vechten, maar ook met bevoorradingsproblemen en financiële tekorten werden geconfronteerd. De verdediging van Recife kon niet los worden gezien van de forten en kustverbindingen daaromheen. Een opperbevelhebber moest rekening houden met de beschikbaarheid van soldaten, geschut, levensmiddelen en schepen. De militaire macht van de compagnie was daardoor afhankelijk van de economische middelen die zij juist door de opstand steeds moeilijker kon verkrijgen.
Francisco Barreto de Meneses en het Portugese opperbevel
De Portugese zijde kreeg met Francisco Barreto de Meneses een belangrijke militaire leider. Zijn komst maakte deel uit van de poging om de strijd tegen de Nederlanders beter te organiseren. In 1647 werd hij tijdens zijn reis door Nederlandse troepen onderschept en gevangengenomen. Hij verbleef vervolgens in Recife. Zijn gevangenschap laat zien dat de Nederlanders ondanks hun verliezen nog altijd in staat waren vijandelijke militaire leiders te onderscheppen.
Barreto wist later te ontsnappen en zich bij de opstandelingen aan te sluiten. Daarmee kreeg het Portugese verzet een opperbevelhebber die verschillende strijdgroepen onder één militaire leiding kon brengen. Zijn rol zou bijzonder belangrijk worden bij de veldslagen van Guararapes en uiteindelijk bij de overgave van Recife. De oorlog werd daardoor niet alleen bepaald door plaatselijke plantage-eigenaren, maar ook door bevelhebbers die namens de Portugese monarchie handelden.
Reinier Sickema en Fort Oranje op Itamaracá
Reinier Sickema behoort tot de Groningse militairen die in het aangeleverde onderzoek worden genoemd. Zijn betrokkenheid bij de Braziliaanse oorlog begon al vóór de Portugese opstand. In 1638 werd hij als luitenant krijgsgevangen gemaakt. De omstandigheden van zijn gevangenneming moeten nog nauwkeuriger worden onderzocht. Zijn latere loopbaan laat echter zien dat hij opnieuw een militaire functie binnen de Nederlandse bezittingen vervulde. In 1647 wordt hij genoemd als commandant van Fort Oranje op het eiland Itamaracá.
Het eiland Itamaracá lag ten noorden van Recife en maakte deel uit van het gebied waar de Nederlanders sinds de jaren dertig militaire posities hadden opgebouwd. Fort Oranje was een belangrijke versterking op het eiland. Tijdens de Portugese opstand kregen dergelijke forten steeds grotere betekenis. De Nederlandse troepen konden niet langer vertrouwen op onbelemmerde toegang tot het binnenland en moesten hun resterende steunpunten beschermen. Als commandant had Sickema te maken met de dagelijkse verplichtingen van een garnizoen. Daarbij ging het om bewaking, onderhoud, bevoorrading en militaire paraatheid.
Het dagelijks leven in een belegerd fort
Het commando over Fort Oranje betekende meer dan het leiden van soldaten tijdens een aanval. Een garnizoen moest dagelijks worden voorzien van voedsel, drinkwater, kruit en wapens. De versterkingen moesten worden onderhouden en beschadigingen hersteld. Soldaten moesten wachtlopen, patrouilleren en zo nodig werken aan wallen, geschutstellingen en andere verdedigingswerken. Ziekte en uitputting konden een garnizoen evenzeer verzwakken als vijandelijke aanvallen.
Voor Reinier Sickema betekende zijn functie dat hij verantwoordelijk was voor een steunpunt in een oorlog waarin de Nederlandse bewegingsvrijheid steeds kleiner werd. Zijn precieze beslissingen en de omvang van zijn garnizoen moeten nog uit militaire rekeningen en correspondentie worden gereconstrueerd. Toch laat zijn loopbaan zien hoe de oorlog om Brazilië ook werd gevoerd door officieren die buiten de bekende geschiedenis van Johan Maurits en de grote veldslagen vaak nauwelijks aandacht krijgen.
De eerste slag bij Guararapes in april 1648
Op 19 april 1648 leden de Nederlandse troepen een zware nederlaag bij Guararapes, ten zuiden van Recife. De strijd werd gevoerd tegen een coalitie van Portugese kolonisten en andere groepen die zich tegen het Nederlandse gezag hadden verenigd. De opstandelingen beschikten over kennis van het terrein en konden hun strijdwijze aanpassen aan de plaatselijke omstandigheden. De Nederlandse troepen slaagden er niet in de tegenstand te breken. De nederlaag had grote gevolgen voor het vertrouwen in een militair herstel van de Nederlandse positie.
De WIC bleef Recife en enkele andere versterkte plaatsen verdedigen, maar haar mogelijkheden om het binnenland opnieuw te veroveren werden steeds beperkter. De nederlaag bij Guararapes had ook gevolgen voor de politieke discussie in de Republiek. De bewindhebbers konden blijven aandringen op nieuwe militaire middelen, maar moesten steeds moeilijker uitleggen waarom verdere investeringen tot een duurzaam herstel zouden leiden. De oorlog kostte geld, terwijl de toegang tot de suikergebieden beperkt bleef.
Witte de With en de vloot naar Brazilië
De Republiek probeerde de Nederlandse positie in Brazilië ook met een vlootexpeditie te versterken. Admiraal Witte de With speelde daarbij een belangrijke rol. Zijn optreden toont dat de verdediging van Nederlands-Brazilië niet uitsluitend een zaak van de WIC was. De Staten-Generaal en de gewesten moesten beslissen in hoeverre zij oorlogsschepen en andere middelen beschikbaar wilden stellen. Daarmee werd de strijd om Pernambuco onderdeel van een bredere discussie over de kosten van de Nederlandse overzeese macht.
De vloot kon de onderliggende problemen niet oplossen. Schepen konden een haven beschermen of voorraden aanvoeren, maar zij konden niet zonder voldoende landtroepen het gehele suikergebied opnieuw onderwerpen. Bovendien bestonden er spanningen over bevelvoering, middelen en verantwoordelijkheden. De expeditie leverde niet het herstel op waarop de verdedigers van Nederlands-Brazilië hadden gehoopt. Daarmee werd de afstand tussen de militaire verwachtingen in de Republiek en de werkelijke mogelijkheden in Brazilië steeds groter.
De Portugezen heroveren Luanda in 1648
In 1648 heroverden Portugese strijdkrachten onder leiding van Salvador Correia de Sá e Benevides Luanda. Daarmee kwam een einde aan de Nederlandse bezetting die in 1641 was begonnen. De gebeurtenis was een belangrijke nederlaag voor de WIC. De compagnie verloor een handelsplaats die zij had willen gebruiken om de verbinding tussen West-Centraal-Afrika en Brazilië te versterken. De Portugese herovering maakte duidelijk dat de Nederlandse Atlantische positie niet alleen in Pernambuco onder druk stond.
Ook aan de Afrikaanse kust kon de WIC haar veroveringen verliezen. De militaire en economische gevolgen raakten de gehele organisatie, waaronder de kamers die in de Republiek aan de onderneming deelnamen. Luanda was vooral van betekenis voor de handel in tot slaaf gemaakte mensen. De WIC had geprobeerd deze handel te verbinden met de vraag naar gedwongen arbeidskrachten op de Braziliaanse suikerplantages. Het verlies van Luanda verzwakte daarom een belangrijk onderdeel van haar Atlantische netwerk.
De betekenis van het verlies van Luanda voor Groningen
De Kamer Stad en Lande maakte deel uit van de WIC die Luanda in 1641 had veroverd en de stad in 1648 weer verloor. Groningen had kapitaal in de onderneming geïnvesteerd en beschikte over vertegenwoordigers binnen de gezamenlijke bestuursorganisatie. Toch moet onderscheid worden gemaakt tussen deze algemene betrokkenheid en de deelname aan afzonderlijke militaire expedities. Zonder scheeps- of uitrustingsrekeningen kan niet worden vastgesteld welke Groningse schepen of functionarissen rechtstreeks bij de strijd om Luanda betrokken waren.
Het verlies was wel van betekenis voor de onderneming waarin Groningen financieel participeerde. De WIC verloor een belangrijke toegang tot bestaande handelsverbindingen en zag haar positie binnen de handel met West-Centraal-Afrika verzwakken. Tegelijk bleven andere Afrikaanse handelsplaatsen, waaronder Elmina, onder Nederlands gezag. De compagnie verloor dus niet al haar Afrikaanse activiteiten. Wel werd duidelijk dat zij haar Atlantische netwerk niet als één veilig en samenhangend geheel kon beheersen.
De WIC en de Vrede van Münster
In 1648 kwam met de Vrede van Münster een einde aan de Tachtigjarige Oorlog tussen de Republiek en Spanje. Voor de West-Indische Compagnie betekende dit echter niet dat de strijd in Brazilië voorbij was. Portugal had zich in 1640 van Spanje losgemaakt en de oorlog om Pernambuco kende inmiddels een eigen verloop. De Nederlandse bezittingen bleven onder druk staan. De compagnie moest daardoor oorlog blijven voeren terwijl de politieke omstandigheden in Europa ingrijpend waren veranderd.
Dit verschil tussen Europese vrede en koloniale oorlog is belangrijk voor de geschiedenis van Groningen. De WIC bleef militaire uitgaven doen, hoewel de Republiek in Europa een belangrijke diplomatieke overwinning had bereikt. De verdediging van de Braziliaanse suikergebieden werd steeds meer een afzonderlijk koloniaal en commercieel belang. Daardoor groeide de vraag hoeveel middelen de Republiek nog voor het behoud van Nederlands-Brazilië moest opbrengen.
De tweede slag bij Guararapes in februari 1649
Op 19 februari 1649 leden de Nederlandse troepen opnieuw een zware nederlaag bij Guararapes. De opstandelingen hadden hun militaire positie versterkt en wisten het Nederlandse leger terug te dringen. De tweede nederlaag maakte het steeds onwaarschijnlijker dat de WIC het Braziliaanse binnenland opnieuw onder haar gezag kon brengen. De compagnie bleef Recife en andere versterkte plaatsen verdedigen, maar verloor steeds meer mogelijkheden om de oorspronkelijke veroveringen te herstellen.
De strijdkrachten van de opstandelingen bestonden uit verschillende groepen. Portugese kolonisten werkten samen met zwarte en inheemse strijders. Henrique Dias en Filipe Camarão behoren tot de bekendste militaire leiders uit deze coalitie. Hun aanwezigheid laat zien dat de oorlog niet uitsluitend werd beslist door Europese bevelhebbers. De verschillende groepen hadden eigen belangen en ervaringen binnen de koloniale samenleving. De overwinning bij Guararapes werd later een belangrijk onderdeel van de Braziliaanse nationale geschiedschrijving, maar de motieven van alle deelnemers mogen niet zonder meer vanuit die latere betekenis worden verklaard.
Ludolph Harckema en zijn Groningse compagnie
Ludolph Harckema behoort tot de officieren die de Groningse betrokkenheid bij de oorlog bijzonder concreet maken. Volgens het aangeleverde onderzoek voerde hij in 1642 het bevel over een compagnie van 54 soldaten die met Groningen in verband werd gebracht. Deze vermelding geeft een zeldzaam precies beeld van een militaire eenheid binnen de veel grotere strijdmacht van de WIC. De soldaten konden worden ingezet voor bewaking, veldtochten en werkzaamheden aan versterkingen.
De namen en herkomstplaatsen van deze 54 manschappen zijn nog niet volledig vastgesteld. Daardoor blijft onduidelijk hoeveel van hen daadwerkelijk uit de stad Groningen of de Ommelanden afkomstig waren. Een compagnie die door een Groningse kamer werd onderhouden, hoefde niet uitsluitend uit Groningers te bestaan. Voor een betrouwbare reconstructie zijn monsterrollen en betalingsregisters nodig. De vermelding van Harckema vormt niettemin een belangrijk aanknopingspunt voor het onderzoek naar de mensen die namens of via Stad en Lande in Brazilië dienden.
De dood van Ludolph Harckema bij Guararapes
Volgens het aangeleverde onderzoek sneuvelde Ludolph Harckema tijdens de tweede slag bij Guararapes in februari 1649. Daarmee kreeg de oorlog om de Braziliaanse suikergebieden een rechtstreeks persoonlijk gevolg binnen de Groningse militaire geschiedenis. Harckema had eerder het bevel gevoerd over een Groningse compagnie en behoorde tot de officieren die in de langdurige koloniale strijd waren blijven dienen. Zijn dood maakt zichtbaar dat de WIC niet alleen kapitaal, maar ook mensen verloor.
Voor een volledig levensverhaal moeten Harckema's familieachtergrond, militaire benoemingen en eventuele nalatenschap nog worden onderzocht. Ook moet worden nagegaan of zijn overlijden in Groningse bestuursstukken of familiearchieven werd vermeld. Zijn plaats in dit verhaal is belangrijk omdat de geschiedenis van de WIC niet uitsluitend kan worden geschreven vanuit de opbrengsten van suiker en de besluiten van bewindhebbers. Zij omvat ook de levens van soldaten die de koloniale macht moesten verdedigen.
De gevolgen van Guararapes voor Groningen
De dood van Ludolph Harckema maakte de militaire verliezen van de WIC tastbaar voor de Groningse geschiedenis. Tegelijk waren de gevolgen van de nederlagen veel groter dan het verlies van één officier. De compagnie verloor manschappen en militaire mogelijkheden, terwijl de verdediging van Recife steeds kostbaarder werd. De aandeelhouders in Groningen hadden belang bij het behoud van de Braziliaanse bezittingen, maar konden de militaire situatie niet zelfstandig veranderen.
De oorlog had inmiddels grote bedragen gekost en de inkomsten uit de suikergebieden waren sterk verminderd. De nederlagen van 1648 en 1649 maakten duidelijk dat de onderneming waarvoor de Groningse kamer jarenlang geld en personeel had geleverd haar belangrijkste koloniale bezit dreigde te verliezen. De oorspronkelijke verwachtingen dat de suikerproductie de militaire kosten zou kunnen dragen, werden steeds minder realistisch.
De bestuurlijke crisis na Guararapes
Na de tweede nederlaag bij Guararapes werd de positie van het Nederlandse bestuur in Brazilië steeds moeilijker. De WIC beschikte nog over versterkte steunpunten, maar had onvoldoende controle over de belangrijkste suikergebieden. De bestuurders moesten proberen de militaire verdediging te organiseren terwijl de economische basis van de kolonie verzwakte. De vroegere verwachtingen van groeiende suikerinkomsten waren nauwelijks nog te verwezenlijken.
De bestuurlijke loopbanen van Alberti en Schonenborch moeten tegen deze achtergrond worden geplaatst. Hun functies tonen hoe de compagnie haar koloniale bezittingen probeerde te besturen, maar ook hoe afhankelijk dat bestuur was van militaire macht. Wanneer de verdediging faalde, verloor de bestuurlijke organisatie een groot deel van haar praktische mogelijkheden. De WIC was opgericht als een onderneming die handel en oorlogvoering combineerde. In Brazilië werd nu zichtbaar hoe kwetsbaar dat model kon zijn.
De Groningse aandeelhouders en hun risico
De oorspronkelijke investeringen van de Kamer Stad en Lande waren aanzienlijk. In het aangeleverde onderzoek wordt een totaal van 836.975 gulden genoemd, terwijl een later overzicht met herbeleggingen boven 958.000 gulden uitkomt. De stad Groningen, de provincie, de Ommelanden en particuliere aandeelhouders hadden ieder hun eigen financiële belangen. De verliezen in Brazilië betekenden dat de onderneming steeds minder mogelijkheden had om regelmatige uitkeringen te doen.
Toch kan zonder afzonderlijke rekening niet worden vastgesteld hoeveel iedere aandeelhouder uiteindelijk verloor. De waarde van een investering hing af van de financiële positie van de compagnie, eventuele overdrachten en de vraag of eerder ontvangen dividenden waren herbelegd. Ook de bedragen voor de publieke investeringen uit 1643 moeten zorgvuldig worden gecontroleerd. In het aangeleverde materiaal komt voor de provincie zowel 216.625 als 16.625 gulden voor. Dit verschil van 200.000 gulden mag niet zonder controle worden opgelost door één bedrag te kiezen.
De handel in suiker verandert
De achteruitgang van Nederlands-Brazilië had gevolgen voor de internationale suikerhandel. De WIC verloor geleidelijk haar greep op belangrijke productiegebieden. Portugese kolonisten en handelaren probeerden hun bestaande verbindingen te herstellen of nieuwe mogelijkheden te benutten. Tegelijk bleef de vraag naar suiker op Europese markten bestaan. De handel verdween dus niet doordat de Nederlandse militaire positie verzwakte. Wel veranderden de machtsverhoudingen tussen producenten, kooplieden en koloniale bestuurders.
Voor Groningen betekende dit dat het bezit van WIC-aandelen steeds minder zekerheid bood over toekomstige opbrengsten. De suikerhandel kon voor individuele ondernemers aantrekkelijk blijven, terwijl de gezamenlijke compagnie financieel in moeilijkheden verkeerde. Ook hier moet onderscheid worden gemaakt tussen de handel die door de WIC werd georganiseerd en de activiteiten van particuliere kooplieden. De economische geschiedenis van Groningen kan niet uitsluitend worden afgeleid uit de militaire geschiedenis van de compagnie.
De positie van de WIC na 1649
Na de tweede nederlaag bij Guararapes bleef de WIC afhankelijk van haar resterende versterkte posities. Recife kon nog worden bevoorraad, maar de compagnie had steeds minder invloed op het Braziliaanse binnenland. De suikerproductie leverde onvoldoende middelen om de militaire verplichtingen te dekken. Tegelijk moesten de bewindhebbers rekening houden met de belangen van de aandeelhouders en de verschillende kamers.
De WIC was opgericht als een onderneming die handel en oorlogvoering met elkaar combineerde. In Brazilië werd nu zichtbaar hoe kwetsbaar dat model kon zijn. Wanneer militaire bescherming steeds duurder werd en handelsinkomsten wegvielen, kon de compagnie in een langdurige financiële crisis terechtkomen. De Groningse bewindhebbers hadden belang bij het behoud van de onderneming, maar konden de militaire gebeurtenissen niet zelfstandig bepalen. De beslissingen over grote expedities en financiële verplichtingen werden binnen de gezamenlijke bestuursorganisatie genomen.
De handel met West-Afrika blijft van betekenis
Ondanks de verliezen in Brazilië bleef de WIC belangen houden langs de West-Afrikaanse kust. Elmina bleef een belangrijke Nederlandse handelspost. De compagnie handelde in verschillende goederen en was betrokken bij de handel in tot slaaf gemaakte mensen. De vraag naar gedwongen arbeidskrachten bestond niet alleen in Brazilië, maar ook in andere koloniale gebieden. Daardoor konden de Afrikaanse activiteiten voor de WIC van betekenis blijven terwijl haar Braziliaanse bezittingen verloren dreigden te gaan.
De handel in mensen was echter geen gewone goederenstroom. Zij berustte op gevangenschap, gedwongen vervoer en verkoop. De financiële belangen van de compagnie waren daarmee verbonden aan ernstige aantastingen van de vrijheid en het leven van de betrokken Afrikanen. De geschiedenis van de WIC moet daarom niet uitsluitend worden verteld vanuit de handelsopbrengsten. Ook de mensen die onder dwang werden vervoerd en verkocht, behoren tot het middelpunt van deze geschiedenis.
De groeiende betekenis van het Caribische gebied
In de jaren waarin de Nederlandse positie in Brazilië verzwakte, bleven andere Atlantische gebieden economisch belangrijk. De WIC beschikte over verschillende handelsposten en koloniale verbindingen in het Caribische gebied. Curaçao was sinds 1634 onder Nederlands gezag gekomen en kreeg geleidelijk een plaats binnen de Atlantische handelsnetwerken. De ontwikkeling van deze activiteiten moet echter zorgvuldig per periode worden onderzocht.
Het is onjuist om de latere omvang van de slavernijhandel via Curaçao zonder meer terug te projecteren op de jaren veertig. Wel werd duidelijk dat de WIC niet uitsluitend afhankelijk kon blijven van de Braziliaanse suikergebieden. De onderneming moest haar activiteiten aanpassen aan veranderende militaire en commerciële omstandigheden. Voor Groningen betekende dit dat de toekomst van de Kamer Stad en Lande na het verlies van Brazilië niet noodzakelijk samenviel met het einde van alle Atlantische activiteiten.
De oorlog op zee
De Nederlandse bezittingen in Brazilië konden alleen blijven bestaan wanneer de verbinding met de Republiek openbleef. Schepen moesten soldaten en voorraden vervoeren en de kust beschermen tegen vijandelijke aanvallen. De oorlog op zee werd daardoor steeds belangrijker. Tegelijk moesten de bewindhebbers rekening houden met de kosten van de vloot. Een schip dat verloren ging, betekende niet alleen verlies van het vaartuig, maar mogelijk ook van personeel, wapens en levensmiddelen.
De WIC had steeds meer moeite om haar militaire verplichtingen te financieren. De Groningse kamer maakte deel uit van deze gezamenlijke onderneming, maar de inzet van afzonderlijke schepen moet per reis worden vastgesteld. De scheepvaart was niet alleen belangrijk voor de aanvoer van goederen. Ook berichten, instructies en besluiten moesten over zee worden vervoerd. Daardoor bleef de koloniale organisatie afhankelijk van verbindingen die door oorlog en weersomstandigheden konden worden verstoord.
De Eerste Engels-Nederlandse Oorlog verandert de situatie
In 1652 brak de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog uit. Deze oorlog had gevolgen voor de Nederlandse scheepvaart en de mogelijkheid om overzee militaire en commerciële verbindingen te onderhouden. De Republiek moest haar vloot inzetten tegen Engeland, terwijl de WIC nog steeds probeerde haar Braziliaanse bezittingen te verdedigen. De nieuwe oorlog maakte het moeilijker om voldoende schepen en middelen beschikbaar te stellen voor Recife.
De WIC raakte daardoor verder geïsoleerd. De gebeurtenissen tonen hoe sterk de positie van een koloniale onderneming afhankelijk was van de internationale machtsverhoudingen. Een oorlog in Europese wateren kon directe gevolgen hebben voor de bevoorrading van een Nederlandse kolonie aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. De Portugese opstandelingen konden profiteren van de moeilijkheden waarmee de Republiek werd geconfronteerd. Voor Recife betekende dit dat de verdedigers steeds minder op tijdige versterkingen konden rekenen.
Recife wordt een belegerde stad
Na de nederlagen bij Guararapes bleef Recife het belangrijkste Nederlandse steunpunt. De stad beschikte over een haven en versterkingen, maar was steeds sterker afgesneden van de omliggende landbouwgebieden. De opstandelingen beheersten belangrijke toegangswegen en konden de voedselvoorziening verstoren. De Nederlandse garnizoenen waren daardoor afhankelijk van schepen die levensmiddelen, munitie en versterkingen moesten aanvoeren.
Het dagelijks leven werd door deze omstandigheden steeds zwaarder. Soldaten en burgers moesten rekening houden met tekorten, ziekte en onzekerheid over de toekomst. De compagnie had niet alleen militaire problemen, maar ook moeite om haar personeel op tijd te betalen. Daardoor ontstonden spanningen tussen bestuurders en soldaten. Een garnizoen kon alleen blijven functioneren wanneer de mannen bereid waren hun bevelhebbers te gehoorzamen. Juist die bereidheid kwam onder druk te staan toen de oorlog uitzichtloos begon te lijken.
Honger, achterstallige soldij en desertie
De verslechterende omstandigheden in Recife ondermijnden de Nederlandse verdediging van binnenuit. Soldaten klaagden over honger en achterstallige betalingen. Sommigen deserteerden of liepen over naar de tegenstander. De leiding van de WIC moest daardoor niet alleen de Portugese opstandelingen bestrijden, maar ook proberen de discipline onder haar eigen troepen te behouden. De militaire organisatie werd kwetsbaar wanneer soldaten geen vertrouwen meer hadden in de mogelijkheid om de oorlog te winnen.
Deze ontwikkeling maakt duidelijk dat het verlies van Nederlands-Brazilië niet uitsluitend door twee nederlagen bij Guararapes kan worden verklaard. De langdurige belegering, het tekort aan middelen en de financiële problemen van de compagnie waren minstens zo belangrijk. Een leger kon nog over forten en geschut beschikken, maar zonder voldoende voedsel en betrouwbare soldij verloor het geleidelijk zijn samenhang. De WIC had haar soldaten nodig om de koloniale bezittingen te verdedigen, maar kon steeds moeilijker aan hun basisbehoeften voldoen.
De financiële crisis van de WIC
De voortdurende oorlogvoering had de financiële positie van de WIC ernstig verzwakt. De onderneming had grote bedragen geïnvesteerd in de verovering en verdediging van Brazilië, maar kon de verwachte inkomsten niet blijvend realiseren. De verliezen aan productiegebieden en handelsmogelijkheden maakten het steeds moeilijker om de militaire verplichtingen te betalen. Voor de aandeelhouders betekende dit dat het geïnvesteerde kapitaal steeds onzekerder werd.
De WIC bleef een belangrijke organisatie binnen de Atlantische handel, maar haar financiële problemen werden steeds groter. De Groningse betrokkenheid moet daarom niet uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van de eerdere dividenden. Ook de langdurige onzekerheid over de waarde van de investeringen behoort tot deze geschiedenis. De stad, de provincie, de Ommelanden en particuliere aandeelhouders hadden ieder hun eigen financiële positie. De gevolgen van de crisis moeten daarom per instelling en per investeerder worden gereconstrueerd.
De laatste maanden van Nederlands-Brazilië
Aan het einde van 1653 was de Nederlandse positie in Pernambuco ernstig verzwakt. De WIC beheerste nog versterkte plaatsen, maar kon het omliggende gebied nauwelijks meer beïnvloeden. De Portugese strijdkrachten onder Francisco Barreto de Meneses bereidden zich voor op een beslissende aanval. De Nederlandse bevelhebbers moesten proberen hun verdedigingswerken te behouden met soldaten die jarenlang onder moeilijke omstandigheden hadden gediend.
De forten rond Recife vormden samen een verdedigingssysteem dat op papier aanzienlijke weerstand kon bieden. Maar de waarde van zulke versterkingen hing af van voldoende manschappen, munitie en discipline. De opstandelingen konden bovendien hun aanvallen concentreren op afzonderlijke posities. Wanneer een steunpunt verloren ging, kwam de verdediging van de aangrenzende gebieden onder druk te staan. De militaire situatie verslechterde daardoor in korte tijd.
De muiterij van januari 1654
In januari 1654 ontstond binnen de Nederlandse verdediging een ernstige crisis. Soldaten die jarenlang met honger, onzekerheid en achterstallige soldij te maken hadden gehad, waren steeds minder bereid hun bevelhebbers te volgen. Volgens onderzoek van het Stadsarchief Amsterdam speelde muiterij in een fort bij Recife een belangrijke rol in de laatste fase van de Nederlandse nederlaag. De gebeurtenissen laten zien dat de compagnie haar militaire positie niet alleen door vijandelijke aanvallen verloor, maar ook doordat de samenhang van haar eigen strijdmacht was aangetast.
De muiterij moet worden gezien tegen de achtergrond van bijna negen jaar oorlog sinds het uitbreken van de Portugese opstand. De WIC had geprobeerd haar koloniale bezittingen te behouden zonder de soldaten voortdurend voldoende te kunnen betalen en bevoorraden. De spanningen die daaruit voortkwamen, werden uiteindelijk een direct gevaar voor het voortbestaan van de Nederlandse verdediging.
Francisco Barreto dwingt de overgave af
De Portugese strijdkrachten onder Francisco Barreto de Meneses maakten gebruik van de verzwakte Nederlandse positie. In januari 1654 werden belangrijke verdedigingswerken rond Recife aangevallen en ingenomen. De Nederlandse bevelhebbers moesten erkennen dat verdere weerstand nauwelijks nog uitzicht bood. De opstandelingen hadden het omliggende gebied in handen en de WIC kon niet rekenen op een snelle reddingsvloot.
Sigismund von Schoppe behoorde tot de belangrijkste Nederlandse bevelhebbers in deze laatste fase. Zijn positie verbindt de militaire ondergang van Nederlands-Brazilië met de officieren die eerder in de WIC-organisatie hadden gediend. De onderhandelingen over de overgave vonden plaats nadat de Nederlandse verdediging haar samenhang grotendeels had verloren. Daarmee werd het einde van de kolonie niet alleen op het slagveld beslist, maar ook aan de onderhandelingstafel.
De capitulatie van Recife op 26 januari 1654
Op 26 januari 1654 werd de overgave van Recife overeengekomen. De overeenkomst staat bekend als de capitulatie van de Campina do Taborda. De Nederlandse troepen moesten hun versterkte posities opgeven en de Portugese machtsherstelling erkennen. Daarmee kwam een einde aan de Nederlandse heerschappij over Pernambuco en de belangrijkste gebieden die de WIC sinds 1630 had veroverd.
De capitulatie was het resultaat van een langdurige strijd waarin de opstandelingen het binnenland hadden heroverd, de Nederlandse legers bij Guararapes hadden verslagen en de resterende kustposities onder druk hadden gezet. De Eerste Engels-Nederlandse Oorlog had de mogelijkheden tot bevoorrading verder beperkt. Honger, financiële tekorten en onrust onder de soldaten hadden de verdediging van binnenuit verzwakt. De overgave betekende daarom het einde van een koloniale onderneming die militair, bestuurlijk en economisch steeds moeilijker houdbaar was geworden.
De Nederlanders verlaten Pernambuco
Na de capitulatie moesten de Nederlandse troepen en bestuurders hun posities verlaten. De overgave betekende niet dat alle mensen die onder Nederlands gezag hadden geleefd dezelfde mogelijkheden kregen. Voor Europese functionarissen en soldaten kon terugkeer naar de Republiek worden georganiseerd. Voor de plaatselijke bevolking, waaronder tot slaaf gemaakte Afrikanen en inheemse bondgenoten, waren de gevolgen ingewikkelder. Hun toekomst werd bepaald door de nieuwe machtsverhoudingen en de afspraken die bij de overgang van het gezag werden gemaakt.
De Nederlandse nederlaag betekende evenmin het einde van de suikerproductie. De plantages bleven bestaan onder Portugese heerschappij. De arbeid van tot slaaf gemaakte mensen bleef een fundament van de koloniale economie. De politieke machthebber veranderde, maar de economische uitbuiting verdween niet. Dat onderscheid is noodzakelijk om de geschiedenis van de Braziliaanse opstand niet uitsluitend als een verhaal van nationale bevrijding te beschrijven.
De gevolgen voor de suikerhandel
Het verlies van Recife betekende dat de WIC haar directe greep op de Braziliaanse suikergebieden verloor. De compagnie kon niet langer op dezelfde wijze inkomsten verkrijgen uit het bestuur en de handel van Pernambuco. De suikerproductie bleef echter bestaan onder andere machtsverhoudingen. Portugese kolonisten en handelaren konden hun positie opnieuw versterken. De Europese vraag naar suiker verdween niet.
Voor de WIC betekende het verlies daarom vooral dat zij een belangrijk deel van haar koloniale machtsbasis en de daarmee verbonden inkomstenmogelijkheden kwijtraakte. De handel in koloniale producten kon doorgaan, maar de onderneming beschikte niet meer over het gebied dat zij met grote militaire uitgaven had proberen te behouden. Voor Groningen betekende dit dat de financiële belangen in de WIC moesten worden onderscheiden van de bredere suikerhandel. Het verlies van de Braziliaanse kolonie kon de waarde van de WIC-investeringen aantasten zonder dat alle handel in suiker uit de Republiek verdween.
De gevolgen voor de Groningse aandeelhouders
Voor Groningen betekende het verlies van Nederlands-Brazilië dat een belangrijk onderdeel van de oorspronkelijke WIC-verwachtingen definitief was verdwenen. De stad, de provincie, de Ommelanden en particuliere investeerders hadden kapitaal in de compagnie vastgelegd. De eerdere dividenduitkeringen hadden tijdelijk inkomsten opgeleverd, maar vormden geen compensatie voor alle risico's van de onderneming. De exacte financiële gevolgen moeten per aandeelhouder worden vastgesteld.
Het verlies van Recife betekende niet dat alle aandelen onmiddellijk waardeloos werden, omdat de WIC ook andere activiteiten behield. Wel werd duidelijk dat de Braziliaanse onderneming niet de blijvende bron van inkomsten was geworden waarop de investeerders hadden gehoopt. De waarde van de aandelen hing af van de verdere financiële positie van de compagnie, eventuele overdrachten en de vraag of eerder ontvangen dividenden waren herbelegd. Zonder afzonderlijke rekeningen kan daarom niet worden vastgesteld hoeveel iedere Groningse investeerder uiteindelijk verloor.
De Groningse kamer na het verlies van Brazilië
De Kamer Stad en Lande bleef na 1654 bestaan als onderdeel van de West-Indische Compagnie. De onderneming beschikte nog over handelsbelangen en koloniale verbindingen buiten Brazilië. De Groningse bewindhebbers moesten zich daarom aanpassen aan een veranderde situatie. De militaire en economische verwachtingen die sinds 1621 een belangrijke plaats hadden ingenomen, waren ingrijpend veranderd.
De WIC moest haar activiteiten voortzetten zonder de omvangrijke Braziliaanse suikergebieden. Voor Groningen bleef de vraag bestaan welke inkomsten nog uit de compagnie konden worden verkregen en hoe het eerder geïnvesteerde kapitaal moest worden gewaardeerd. De financiële en bestuurlijke betrokkenheid verdween niet onmiddellijk met het verlies van Recife. De geschiedenis van de Kamer Stad en Lande liep daarom na 1654 door, maar onder andere economische en politieke omstandigheden.
Daniël Alberti wordt drost van het Oldambt
Na zijn terugkeer uit Brazilië vervulde Daniël Alberti de functie van drost van het Oldambt. Daarmee keerde hij terug in de bestuurlijke wereld van Groningen. De overgang van een koloniale bestuursfunctie naar een gewestelijk ambt laat zien dat de betrokkenen bij de WIC deel uitmaakten van bredere bestuurlijke netwerken. Ervaring in Brazilië betekende niet noodzakelijk dat iemand na terugkeer buiten het bestuur kwam te staan.
Tegelijk moet worden onderzocht welke contacten en benoemingsbesluiten aan Alberti's nieuwe functie ten grondslag lagen. Zijn loopbaan verbindt de geschiedenis van Pernambuco rechtstreeks met het bestuur van het Groningse platteland. De koloniale onderneming en de gewestelijke bestuurswereld stonden daardoor niet los van elkaar. Personen konden in verschillende functies binnen dezelfde politieke en bestuurlijke omgeving werkzaam zijn.
De persoonlijke verliezen van Alberti
De financiële gevolgen van Alberti's verblijf in Brazilië bleven ook na het verlies van Recife van betekenis. In 1663 diende hij volgens het aangeleverde onderzoek bij de Staten-Generaal een verzoek in om vergoeding te krijgen voor verliezen die hij in Brazilië had geleden. Het verzoek toont dat de gevolgen van de koloniale oorlog niet onmiddellijk verdwenen toen de Nederlandse bezittingen verloren gingen.
Voor Alberti was de kwestie bijna tien jaar na de overgave van Recife nog belangrijk genoeg om bij de hoogste politieke instellingen van de Republiek aan de orde te stellen. De aard en omvang van zijn verliezen moeten nog uit het oorspronkelijke verzoekschrift worden vastgesteld. Ook is nader onderzoek nodig naar de beslissing die op zijn verzoek werd genomen. Zijn geschiedenis maakt duidelijk dat de Braziliaanse oorlog een langdurige financiële en persoonlijke nasleep had.
De langdurige nasleep van de Braziliaanse oorlog
Het verzoek van Daniël Alberti uit 1663 maakt duidelijk dat de Braziliaanse oorlog een langdurige nasleep had. De WIC had haar belangrijkste suikergebieden verloren, maar de financiële en persoonlijke gevolgen bleven bestaan. Voormalige functionarissen konden aanspraken hebben op achterstallige betalingen of vergoeding van geleden schade. Ook aandeelhouders moesten rekening houden met het verlies van inkomsten en de onzekerheid over hun geïnvesteerde kapitaal.
De oorlog werkte daardoor door in bestuurlijke en financiële procedures binnen de Republiek. Voor Groningen is dit van belang omdat de koloniale geschiedenis niet eindigde bij de overgave van Recife. De gevolgen bleven zichtbaar in de levens van mensen die aan de onderneming hadden deelgenomen. De bestuurlijke en financiële geschiedenis van Stad en Lande moet daarom ook worden gevolgd in de jaren nadat de Nederlandse bezittingen in Brazilië verloren waren gegaan.
De Groningse betrokkenheid krijgt herkenbare gezichten
De geschiedenis van de Kamer Stad en Lande wordt concreter wanneer de loopbanen van Daniël Alberti, Wolter van Schonenborch, Reinier Sickema en Ludolph Harckema naast de financiële gegevens worden geplaatst. Alberti was betrokken bij het koloniale bestuur en werd in 1645 door Groningen voorgedragen voor een hoge functie. Schonenborch bekleedde een leidende positie in de Hoge en Secrete Raad. Sickema verdedigde in 1647 Fort Oranje op Itamaracá. Harckema voerde een Groningse compagnie aan en sneuvelde in 1649 bij Guararapes.
Hun ervaringen laten zien dat de noordelijke betrokkenheid bij de WIC niet beperkt bleef tot aandeelhoudersvergaderingen. Groningers waren aanwezig op plaatsen waar de koloniale oorlog daadwerkelijk werd gevoerd en bestuurd. Daarbij moet hun persoonlijke verantwoordelijkheid steeds zorgvuldig worden vastgesteld. Een hoge bestuursfunctie bewijst betrokkenheid bij de koloniale organisatie, maar niet automatisch het aandeel van een persoon in iedere afzonderlijke beslissing. Een militaire benoeming toont deelname aan de verdediging van de kolonie, maar niet zonder meer welke gevechten iemand persoonlijk meemaakte.
De betekenis van de Groningse officieren
De aanwezigheid van Groningse officieren in Brazilië laat zien dat de WIC een beroep deed op militaire netwerken uit de noordelijke gewesten. De compagnie had soldaten en bevelhebbers nodig om haar veroverde gebieden te verdedigen. Voor officieren kon dienst in Brazilië mogelijkheden bieden om ervaring op te doen en carrière te maken. Daartegenover stonden grote risico's. Reinier Sickema maakte krijgsgevangenschap mee en Ludolph Harckema verloor zijn leven.
De militaire loopbanen tonen daardoor zowel de kansen als de gevaren van koloniale dienst. Voor een volledige reconstructie moeten ook de namen en herkomstplaatsen van de gewone soldaten worden onderzocht. Zij vormden het grootste deel van de strijdmacht, maar blijven in veel historische verhalen buiten beeld. De oorspronkelijke correspondentie, raadsnotulen, monsterrollen en rekeningen blijven noodzakelijk om deze levensverhalen volledig te reconstrueren.
De menselijke prijs van de oorlog
De strijd om Pernambuco kostte duizenden mensen hun veiligheid, bezit en leven. Nederlandse en Portugese soldaten sneuvelden of raakten gewond. Zwarte en inheemse strijders namen deel aan veldslagen en militaire campagnes. Bewoners van het binnenland werden geconfronteerd met plundering, verplaatsing en de vernietiging van landbouwbedrijven. Tot slaaf gemaakte mensen bleven onderworpen aan een koloniale economie waarin hun arbeid als bezit van anderen werd behandeld.
De geschiedenis van de WIC moet daarom niet uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van winsten en verliezen. De financiële belangen van Groningen waren verbonden met een koloniale samenleving waarin Europese machthebbers de opbrengsten van grond, handel en gedwongen arbeid probeerden te beheersen. De opstand veranderde de politieke verhoudingen, maar maakte niet automatisch een einde aan deze uitbuiting. De menselijke gevolgen van de oorlog bleven bestaan nadat de Nederlandse soldaten waren vertrokken.
Groningen en de prijs van de koloniale oorlog
De geschiedenis van de WIC tussen 1645 en 1654 laat zien hoe nauw handel en oorlogvoering met elkaar verbonden waren. De compagnie had suikergebieden veroverd om inkomsten te verkrijgen, maar moest voortdurend militaire middelen inzetten om deze gebieden te behouden. Toen de Portugese opstandelingen de productiegebieden heroverden, verdwenen belangrijke inkomsten terwijl de oorlogskosten bleven bestaan. Voor Groningen betekende dit dat publieke en particuliere investeringen afhankelijk waren van gebeurtenissen aan de andere kant van de Atlantische Oceaan.
De financiële risico's werden gedragen door de aandeelhouders, terwijl de oorlog ook ingrijpende gevolgen had voor soldaten, koloniale bewoners en tot slaaf gemaakte mensen. De stad Groningen had tijdelijk dividend ontvangen, maar de verdere ontwikkeling van de compagnie liet zien dat koloniale inkomsten onzeker waren. De WIC had geld, schepen en militair personeel nodig om haar bezittingen te verdedigen. Toen deze middelen onvoldoende bleken, verloor zij het gebied waarop een belangrijk deel van haar verwachtingen was gebaseerd.
Het einde van Nederlands-Brazilië in 1654
Met de overgave van Recife kwam een einde aan de Nederlandse koloniale machtspositie die de WIC sinds 1630 in Pernambuco had opgebouwd. De compagnie had geprobeerd de suikerproductie, de Afrikaanse handel en de Atlantische scheepvaart binnen één onderneming samen te brengen. De verovering van Elmina en Luanda, de handel in tot slaaf gemaakte mensen en de uitrusting van oorlogsschepen maakten deel uit van deze ontwikkeling. Groningen had via de Kamer Stad en Lande financieel, bestuurlijk en maritiem aan de onderneming deelgenomen.
De uiteindelijke nederlaag liet zien dat de verwachte opbrengsten van koloniale veroveringen niet los konden worden gezien van de kosten van oorlog, bestuur en gedwongen arbeid. De WIC verloor Brazilië, maar de economische en menselijke gevolgen van haar activiteiten bleven bestaan. Voor Groningen betekende het verlies dat een belangrijk deel van de verwachtingen waarmee de stad, de provincie, de Ommelanden en particuliere investeerders aan de onderneming hadden deelgenomen, niet was uitgekomen.
De geschiedenis van Nederlands-Brazilië eindigde daarmee niet als een eenvoudig verhaal van een verloren kolonie. Zij liet zien hoe een Europese handelscompagnie militaire macht gebruikte om een koloniale economie te beheersen, hoe financiële belangen tot langdurige oorlogvoering konden leiden en hoe de arbeid en onvrijheid van grote groepen mensen de basis vormden van de verwachte opbrengsten. De Groningse betrokkenheid maakte deel uit van deze geschiedenis. De schepen, bestuurders, officieren en aandeelhouders van Stad en Lande waren verbonden met een Atlantische wereld waarin geld, macht, oorlog en slavernij niet van elkaar konden worden gescheiden.
Deel 6 — Na het verlies van Brazilië: Groningen, de strijd om de Atlantische handel en de ondergang van de eerste West-Indische Compagnie (1654–1674)
Recife, 26 januari 1654 — het einde van de Nederlandse heerschappij in Pernambuco
Op 26 januari 1654 capituleerden de Nederlandse verdedigers van Recife. Daarmee kwam een einde aan bijna vierentwintig jaar Nederlandse overheersing in grote delen van het noordoosten van Brazilië. De West-Indische Compagnie verloor het gebied dat sinds de veroveringen van 1630 het middelpunt van haar koloniale ambities had gevormd. De suikerplantages, pakhuizen, forten en havens waren jarenlang met militaire middelen verdedigd. Toch hadden de Portugese opstandelingen vanaf 1645 steeds meer terrein gewonnen. De nederlagen bij Guararapes in 1648 en 1649 hadden het herstel van de Nederlandse macht vrijwel onmogelijk gemaakt.
De capitulatie betekende niet dat de suikerproductie in Pernambuco ophield. De plantages bleven bestaan en de Portugese koloniale machthebbers herstelden hun positie. Voor de tot slaaf gemaakte Afrikanen die op deze plantages werkten, betekende de machtswisseling evenmin automatisch vrijheid. De suikerproductie bleef afhankelijk van gedwongen arbeid. Wat veranderde, was vooral wie de koloniale macht uitoefende, belastingen inde en de handelsverbindingen beheerste. Voor de WIC verdween de mogelijkheid om rechtstreeks inkomsten te verkrijgen uit het bestuur van haar belangrijkste Braziliaanse bezit.
De nederlaag bereikt Groningen
De Kamer Stad en Lande in Groningen maakte deel uit van de onderneming die Recife had verloren. De stad Groningen, de provincie, de Ommelanden en particuliere aandeelhouders hadden sinds de oprichting van de WIC kapitaal beschikbaar gesteld. Hun geld was onderdeel geworden van een onderneming die oorlogvoering en handel combineerde. De verovering van Brazilië had nieuwe inkomsten moeten opleveren uit suiker, koloniale belastingen en scheepvaart. Nu waren de belangrijkste productiegebieden verloren gegaan, terwijl de schulden die tijdens de oorlog waren ontstaan niet verdwenen.
Het verlies werd in Groningen niet alleen zichtbaar in de financiële administratie. Ook Groningse bestuurders en militairen hadden in Nederlands-Brazilië functies vervuld. Daniël Alberti was betrokken geweest bij het koloniale bestuur, Wolter van Schonenborch had een leidende bestuursfunctie bekleed en Reinier Sickema had Fort Oranje op Itamaracá gecommandeerd. Ludolph Harckema was in 1649 bij Guararapes gesneuveld. Hun loopbanen maakten de Braziliaanse oorlog tot meer dan een verre onderneming van Amsterdamse en Zeeuwse kooplieden. De geschiedenis van Pernambuco was ook verbonden geraakt met de bestuurlijke en militaire netwerken van Stad en Lande.
Het kantoor aan de Munnekeholm
De Kamer Stad en Lande bleef na de capitulatie van Recife bestaan. Haar kantoor was sinds de jaren twintig gevestigd aan de Munnekeholm, in een voormalig refugium van het klooster Aduard. Daarmee had de WIC een herkenbare plaats binnen de stad Groningen. De bewindhebbers konden er bijeenkomen, correspondentie behandelen, financiële stukken bespreken en de belangen van hun kamer vertegenwoordigen. Het gebouw vormde een verbinding tussen de stedelijke bestuurswereld en een onderneming waarvan de activiteiten zich over de Atlantische Oceaan uitstrekten.
Vanuit Groningen konden de bewindhebbers echter niet zelfstandig bepalen wat er in West-Afrika of het Caribische gebied gebeurde. De Kamer Stad en Lande was een van de vijf kamers van de WIC. Amsterdam, Zeeland, de Maze en het Noorderkwartier hadden eveneens een plaats binnen de organisatie. De centrale besluitvorming verliep via de Heren XIX. Groningen beschikte daardoor over bestuurlijke invloed, maar was afhankelijk van de gezamenlijke onderneming. Het verlies van Brazilië maakte deze afhankelijkheid nog duidelijker, omdat de financiële problemen niet door één kamer afzonderlijk konden worden opgelost.
De financiële erfenis van de Braziliaanse oorlog
De eerste WIC had sinds 1621 grote bedragen uitgegeven aan oorlogvoering tegen Spanje en Portugal. Schepen moesten worden gebouwd of uitgerust, soldaten betaald, wapens aangeschaft en forten onderhouden. In Brazilië kwamen daar de kosten van het koloniale bestuur en de bescherming van de suikergebieden bij. De inkomsten uit buitgemaakte schepen, handelsactiviteiten en belastingen waren wisselend. Daardoor was de financiële positie van de onderneming al vóór 1654 kwetsbaar geworden.
Na de capitulatie werd deze kwetsbaarheid groter. De compagnie had geen toegang meer tot het grootste deel van de Braziliaanse productiegebieden, terwijl zij nog steeds verplichtingen tegenover schuldeisers, personeel en aandeelhouders had. Het verlies van een kolonie betekende niet dat eerder geleend geld niet meer hoefde te worden terugbetaald. De bewindhebbers moesten daarom proberen inkomsten te verkrijgen uit andere handelsgebieden en tegelijkertijd de bestaande schulden te beheren. Voor Groningen begon een periode waarin het behoud van de onderneming belangrijker werd dan de vroegere verwachtingen van groeiende koloniale winst.
Het Groningse aandelenkapitaal
In het aangeleverde onderzoek wordt voor de oorspronkelijke deelneming van Stad en Lande een totaal van 836.975 gulden genoemd. Een later overzicht komt, wanneer herbeleggingen worden meegerekend, uit op meer dan 958.000 gulden. Deze bedragen moeten zorgvuldig van elkaar worden onderscheiden. Het oorspronkelijke kapitaal vertegenwoordigde geld dat in de onderneming was ingebracht. Het latere bedrag kon ook bedragen bevatten die opnieuw werden geïnvesteerd of administratief aan het aandelenvermogen waren toegevoegd.
Binnen de Groningse deelneming bestonden bovendien verschillende belangen. De stad Groningen, de provincie, de Ommelanden en particuliere aandeelhouders bezaten niet allemaal dezelfde aandelen of rechten. Voor de particuliere investeerders Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga worden bedragen genoemd van respectievelijk 33.750, 20.000 en 9.750 gulden. Hun deelname toont hoe nauw de WIC verbonden was met vermogende families en bestuurlijke netwerken. De hoogte van hun inleg bewijst echter nog niet hoeveel zij uiteindelijk aan de onderneming verdienden of verloren.
De dividenden uit de Braziliaanse periode
Het Groningse stadsbestuur had vanaf 1638 gedurende zes jaar in totaal 22.350 gulden dividend uit de WIC ontvangen. Deze uitkeringen waren belangrijk omdat zij lieten zien dat het aandelenbezit tijdelijk inkomsten voor de stadskas opleverde. De WIC had tijdens haar eerste decennia aanzienlijke opbrengsten behaald uit onder meer buitgemaakte schepen en koloniale activiteiten. Maar een dividenduitkering was geen garantie dat de onderneming ook op langere termijn winstgevend zou blijven.
Na de uitkeringen uit de Braziliaanse periode volgde voor het Groningse stadsbestuur een lange tijd zonder vergelijkbare ontvangsten. De compagnie bleef bestaan, maar het aandelenbezit leverde niet de regelmatige inkomsten op waarop investeerders hadden kunnen hopen. Voor een juiste beoordeling van het Groningse rendement moet daarom niet alleen worden gekeken naar de jaren waarin geld werd uitgekeerd. Ook de perioden waarin het kapitaal vastlag zonder nieuwe opbrengsten behoren tot de financiële geschiedenis van de onderneming.
De Groningse schepen en de verdwenen suikerhandel
De Kamer Stad en Lande had tijdens de Braziliaanse oorlog daadwerkelijk deelgenomen aan de Atlantische scheepvaart. De Pegasus en de Graeuwe Paerdt waren eerder betrokken geweest bij Nederlandse militaire ondernemingen in Brazilië. Voor de jaren 1643–1646 worden daarnaast de Omlandia, Gouden Leeuw, Graef Hendrick en Eijkeboom genoemd. Deze scheepsnamen tonen dat de Groningse kamer niet uitsluitend een financiële instelling op papier was. Zij was ook verbonden met de uitrusting en financiering van zeereizen.
Na het verlies van Recife veranderde de betekenis van deze verbindingen. De WIC kon niet langer op dezelfde wijze schepen inzetten voor het vervoer van suiker uit haar eigen Braziliaanse gebieden. Voor de periode 1654–1674 moet afzonderlijk worden vastgesteld welke schepen nog voor rekening van Stad en Lande voeren. De eerder genoemde vaartuigen mogen niet zonder bewijs ook in deze latere jaren actief worden verondersteld. Schepen konden worden verkocht, vergaan, hernoemd of voor andere reizen worden gebruikt.
Groningen, Delfzijl en Amsterdam
De geschiedenis van de Groningse WIC roept voortdurend de vraag op waar de Atlantische goederen daadwerkelijk werden aangevoerd. De Kamer Stad en Lande was gevestigd in Groningen, maar de stad lag niet rechtstreeks aan open zee. Voor zeescheepvaart was zij afhankelijk van verbindingen via onder meer Delfzijl. Amsterdam beschikte daarentegen over omvangrijke voorzieningen voor de ontvangst, opslag, verkoop en verwerking van koloniale goederen. Daardoor kon een schip dat financieel aan Groningen was verbonden zijn lading in Amsterdam afleveren.
Voor de eerdere Braziliaanse suikerhandel is lossing in Amsterdam aantoonbaar, terwijl rechtstreekse aanvoer van dezelfde goederen via Delfzijl of Groningen niet zonder meer bewezen is. Ook na 1654 moet dit onderscheid worden gehandhaafd. Een Groningse investering kon inkomsten opleveren uit een reis waarvan de goederen elders werden verkocht. De financiële betrokkenheid van Stad en Lande was daardoor niet noodzakelijk gelijk aan een even grote goederenstroom door de Groningse haven. Voor iedere reis blijven de vrachtbrieven, scheepsjournalen en verkooprekeningen beslissend.
De belangen van stad en Ommelanden
De belangen van de stad Groningen vielen niet altijd samen met die van de Ommelanden. De stad probeerde haar positie als handelscentrum te behouden, terwijl andere delen van het gewest belang konden hebben bij eigen verbindingen met de zee. Delfzijl speelde binnen deze verhoudingen een belangrijke rol. De haven bood toegang tot het Eemsgebied en kon worden gebruikt voor de aanvoer en uitvoer van goederen. Wie invloed had op de handelsroutes, kon ook invloed uitoefenen op tolheffing, opslag en overslag.
De gezamenlijke deelneming aan de WIC betekende niet dat oudere economische tegenstellingen verdwenen. De stad en de Ommelanden konden binnen dezelfde onderneming samenwerken en tegelijkertijd verschillende opvattingen hebben over de ontwikkeling van hun havens en handelsverbindingen. Voor de jaren 1654–1674 moeten concrete conflicten over de WIC nog aan de stedelijke en Ommelander bestuursarchieven worden getoetst. Het is daarom niet verantwoord om zonder afzonderlijk bewijs te stellen dat bepaalde koloniale goederen bewust buiten Delfzijl werden gehouden.
De WIC behoudt haar Afrikaanse handelsposten
Terwijl de WIC haar Braziliaanse bezittingen had verloren, bleef zij actief langs de West-Afrikaanse kust. Elmina was sinds 1637 in Nederlandse handen en vormde een belangrijk versterkt handelscentrum. Vanuit deze positie kon de compagnie deelnemen aan bestaande handelsnetwerken waarin goud, ivoor en andere goederen werden verhandeld. De Nederlandse aanwezigheid was echter afhankelijk van contacten met Afrikaanse machthebbers en handelaren. De WIC beheerste niet zelfstandig alle handelsroutes die vanuit het binnenland naar de kust liepen.
De compagnie beschikte daarnaast over andere steunpunten langs de kust. De geschiedenis van de Nederlandse aanwezigheid in West-Afrika kan daarom niet tot Elmina worden beperkt. Forten en handelsposten bij onder meer Mouri, Axim en op andere plaatsen maakten deel uit van een netwerk waarin Europese concurrentie en Afrikaanse politieke verhoudingen voortdurend van betekenis waren. De precieze bestuurlijke en commerciële functie van iedere post veranderde in de loop van de zeventiende eeuw. Voor Groningen moet bovendien worden onderscheiden tussen activiteiten van de gezamenlijke WIC en reizen die daadwerkelijk voor rekening van Stad en Lande werden uitgevoerd.
De Afrikaanse machthebbers en de handel
De Nederlandse forten lagen in gebieden waar Afrikaanse gemeenschappen eigen politieke organisaties, handelsnetwerken en machtsverhoudingen hadden. Europese handelaren waren afhankelijk van mensen die goederen konden leveren, handelscontacten onderhielden en toegang tot het binnenland mogelijk maakten. De WIC kon daardoor niet eenvoudig vanuit haar kustforten bevelen geven aan de gehele omgeving. Onderhandelingen, bondgenootschappen en conflicten bepaalden mede welke handel mogelijk was.
Afrikaanse leiders konden overeenkomsten sluiten met Europese compagnieën, maar zij konden ook proberen hun eigen positie te versterken door verschillende handelspartners tegen elkaar uit te spelen. De komst van Nederlandse en Engelse concurrenten veranderde de bestaande verhoudingen. De Europese vraag naar goud en later in toenemende mate naar tot slaaf gemaakte mensen had economische en politieke gevolgen voor de betrokken gemeenschappen. De geschiedenis van de WIC aan de Afrikaanse kust moet daarom zowel de Europese handelsbelangen als de zelfstandige rol van Afrikaanse machthebbers zichtbaar maken.
De handel in tot slaaf gemaakte mensen verdwijnt niet
Het verlies van Brazilië betekende niet het einde van de betrokkenheid van de WIC bij de Atlantische slavernijhandel. De compagnie had tijdens de Braziliaanse periode geprobeerd de aanvoer van gedwongen arbeidskrachten te verbinden met de suikerplantages in Pernambuco. Na 1654 bleef in andere koloniale gebieden vraag bestaan naar tot slaaf gemaakte mensen. De Europese plantage-economieën in het Caribische gebied en op het Amerikaanse vasteland waren op grote schaal afhankelijk van gedwongen arbeid.
Voor de WIC bleven de Afrikaanse handelsposten daardoor van betekenis. De compagnie kon proberen inkomsten te verkrijgen uit het vervoer en de verkoop van mensen. Niet iedere reis naar West-Afrika was echter een slaventransport. Sommige schepen waren gericht op goud, ivoor of andere handelsgoederen. Voor een nauwkeurige reconstructie moeten de afzonderlijke reizen, ladingen en bestemmingen worden onderzocht. De betrokkenheid van de Groningse kamer bij de gezamenlijke onderneming is aantoonbaar, maar de aantallen mensen die tussen 1654 en 1674 specifiek voor haar rekening werden vervoerd, zijn in het beschikbare materiaal nog niet vastgesteld.
De mensen achter de handelsadministratie
In de administratie van de WIC werden tot slaaf gemaakte mensen vaak geregistreerd als aantallen en economische waarden. Daarmee verdwenen hun persoonlijke geschiedenissen grotendeels uit de officiële stukken. Achter iedere vermelding bevonden zich mensen met families, talen, gemeenschappen en eigen levens. Zij konden door oorlog, gevangenneming, ontvoering of verkoop in de Atlantische slavernij terechtkomen. Hun gedwongen vervoer maakte deel uit van een handelsstelsel waarin Europese compagnieën winst probeerden te behalen uit menselijke onvrijheid.
De trans-Atlantische overtocht bracht grote risico's met zich mee. Mensen werden onder dwang aan boord gebracht en verbleven gedurende de reis in omstandigheden waarin ziekte, geweld en sterfte voorkwamen. Wie de overtocht overleefde, kon op een plantage of in een andere koloniale arbeidsomgeving worden verkocht. De geschiedenis van de WIC kan daarom niet uitsluitend worden verteld vanuit de belangen van aandeelhouders en bewindhebbers. De mensen die werden verhandeld, vormden geen bijzaak van de onderneming, maar stonden centraal in een belangrijk deel van haar Atlantische activiteiten.
Het verlies van Luanda blijft voelbaar
De WIC had in 1641 Luanda veroverd, maar verloor deze belangrijke haven in 1648 aan Portugese strijdkrachten onder Salvador Correia de Sá e Benevides. Daarmee verdween een van de belangrijkste Nederlandse steunpunten aan de West-Centraal-Afrikaanse kust. Luanda had toegang geboden tot handelsverbindingen die voor de aanvoer van tot slaaf gemaakte mensen naar Brazilië van groot belang waren. Het verlies verzwakte de positie van de compagnie binnen deze handel.
Na 1654 kon de WIC niet eenvoudig terugkeren naar de situatie van vóór het verlies van Luanda en Recife. De Portugese macht in Angola en Brazilië was hersteld. De Nederlandse onderneming moest haar resterende Afrikaanse activiteiten daarom organiseren vanuit andere steunpunten en handelscontacten. De handel langs de Guineese kust bleef belangrijk, maar de mogelijkheden verschilden per gebied. De compagnie beschikte niet over een aaneengesloten Nederlands handelsgebied. Zij was afhankelijk van afzonderlijke forten, lokale overeenkomsten en scheepvaartverbindingen.
Curaçao krijgt een andere betekenis
Curaçao was in 1634 door de Nederlanders veroverd en bleef na het verlies van Brazilië onder hun gezag. Het eiland beschikte over een natuurlijke haven die geschikt was voor scheepvaart in het Caribische gebied. De WIC kon Curaçao gebruiken als steunpunt voor handel, bevoorrading en verbindingen met andere delen van de Atlantische wereld. De ligging nabij de kust van het Zuid-Amerikaanse vasteland maakte het eiland van strategisch belang.
De betekenis van Curaçao veranderde in de loop van de zeventiende eeuw. Het eiland ontwikkelde zich tot een belangrijk knooppunt binnen de regionale handel, waaronder de handel in tot slaaf gemaakte mensen. Deze ontwikkeling verliep geleidelijk. De grote rol die Curaçao later in de Atlantische slavernijhandel speelde, mag niet zonder meer worden toegeschreven aan de eerste jaren na de verovering. Juist na het verlies van Brazilië kreeg de WIC aanleiding haar overgebleven steunpunten anders te gebruiken en nieuwe inkomstenbronnen te zoeken.
Willemstad en de havenarbeid
De haven van Curaçao bood mogelijkheden die de WIC in het Caribische gebied goed kon gebruiken. Schepen konden er beschutting zoeken, voorraden innemen en handelscontacten onderhouden. Rond de haven ontstonden militaire en bestuurlijke voorzieningen die het Nederlandse gezag moesten ondersteunen. De ontwikkeling van Willemstad was daarmee verbonden met de groei van Curaçao als maritiem steunpunt. Forten, pakhuizen en aanlegplaatsen maakten deel uit van de infrastructuur waarmee de compagnie haar activiteiten organiseerde.
De bouw en het onderhoud van deze voorzieningen vereisten arbeid en geld. Militairen, zeelieden, ambachtslieden en andere bewoners waren betrokken bij het functioneren van de haven. Ook gedwongen arbeid maakte deel uit van de koloniale samenleving. De ontwikkeling van Curaçao moet daarom niet uitsluitend worden beschreven als de aanleg van een succesvolle handelshaven. Zij vond plaats binnen een koloniale machtsstructuur waarin Europese bestuurders rechten opeisten over grond, handel en mensen.
De Spaanse Amerikaanse gebieden en de vraag naar arbeidskrachten
De Spaanse koloniale gebieden in Amerika vormden een belangrijke markt voor verschillende Atlantische handelsstromen. Plantages, mijnen en stedelijke economieën maakten gebruik van tot slaaf gemaakte arbeidskrachten. De handel in mensen werd mede bepaald door vergunningen, contracten en afspraken die binnen het Spaanse koloniale stelsel golden. Europese kooplieden probeerden toegang tot deze markten te verkrijgen, ook wanneer politieke en handelsbeperkingen dat bemoeilijkten.
Voor de WIC bood de ligging van Curaçao mogelijkheden om aan deze regionale handel deel te nemen. De ontwikkeling verliep echter niet zonder beperkingen. De Spaanse kroon wilde invloed houden op de handel met haar Amerikaanse gebieden. Daarnaast waren Portugese, Nederlandse en andere Europese kooplieden actief. De WIC moest daarom voortdurend rekening houden met concurrentie, diplomatieke verhoudingen en de beschikbaarheid van schepen. Voor Groningen betekende dit dat nieuwe handelsmogelijkheden niet automatisch tot directe inkomsten voor de Kamer Stad en Lande leidden.
Nieuw-Nederland blijft een overzees bezit
Naast West-Afrika en het Caribische gebied beschikte de WIC in de jaren vijftig nog over Nieuw-Nederland aan de oostkust van Noord-Amerika. Nieuw-Amsterdam, gelegen op Manhattan, vormde het bestuurlijke centrum van deze kolonie. De Nederlandse aanwezigheid was verbonden met handel, landbouw, scheepvaart en de strategische positie van de Hudsonrivier. De compagnie had geprobeerd vanuit deze regio toegang te verkrijgen tot de Noord-Amerikaanse handel en bestaande handelsnetwerken.
Nieuw-Nederland verschilde sterk van de Braziliaanse suikergebieden. De economie was niet in dezelfde mate gericht op grootschalige suikerproductie. De handel in pelzen, landbouwproducten en andere goederen speelde een belangrijke rol. Tegelijkertijd was ook deze kolonie verbonden met Europese aanspraken op grond die door inheemse gemeenschappen werd gebruikt en bewoond. De Nederlandse kolonisatie bracht conflicten over grondbezit, handel en politieke macht met zich mee. Ook kwamen tot slaaf gemaakte Afrikanen in Nieuw-Nederland terecht.
Peter Stuyvesant en de verdediging van de kolonie
Peter Stuyvesant was sinds 1647 directeur-generaal van Nieuw-Nederland. Hij vertegenwoordigde de WIC in een kolonie die economisch en militair onder druk stond. Het bestuur moest rekening houden met de belangen van kolonisten, kooplieden en de compagnie, maar ook met de dreiging van andere Europese mogendheden. De Engelse kolonies aan de Noord-Amerikaanse kust groeiden en maakten aanspraak op gebieden die de Nederlanders eveneens tot hun invloedssfeer rekenden.
Stuyvesant probeerde het gezag van de WIC te handhaven en de koloniale nederzettingen te versterken. De compagnie beschikte echter niet onbeperkt over soldaten, geld en schepen. De problemen in Brazilië en de bredere financiële crisis maakten het moeilijk om alle overzeese bezittingen voldoende bescherming te bieden. Nieuw-Nederland was daardoor een voorbeeld van de spanning tussen de omvangrijke koloniale ambities van de WIC en de middelen die zij werkelijk beschikbaar had.
De inheemse gemeenschappen van Noord-Amerika
De Nederlandse koloniale aanspraken in Noord-Amerika betroffen gebieden waar al lang verschillende inheemse gemeenschappen woonden. Deze gemeenschappen hadden eigen politieke verhoudingen, handelsroutes en rechten op grond. De WIC en haar vertegenwoordigers probeerden grond te verwerven en handelsrelaties op te bouwen, maar de betekenis van overeenkomsten werd niet altijd door alle betrokken partijen op dezelfde manier begrepen. Daardoor ontstonden conflicten over landgebruik, vestiging en de uitbreiding van Europese nederzettingen.
De handel in pelzen was afhankelijk van de medewerking van inheemse jagers en handelaren. De Nederlanders konden deze handel niet zelfstandig organiseren zonder contacten met de oorspronkelijke bewoners. Tegelijk leidde de groei van de koloniale nederzettingen tot toenemende druk op hun leefgebieden. De geschiedenis van Nieuw-Nederland maakt zichtbaar dat de WIC ook buiten Brazilië en West-Afrika deel uitmaakte van koloniale machtsverhoudingen waarin economische belangen en de rechten van plaatselijke bevolkingen tegenover elkaar kwamen te staan.
De jaren na Recife — onderhandelingen met Portugal
Na het verlies van Brazilië bleef de verhouding tussen de Republiek en Portugal een belangrijk politiek vraagstuk. Portugal had zich in 1640 van Spanje losgemaakt en probeerde zijn onafhankelijkheid te behouden. Tegelijk had het de Nederlandse bezittingen in Brazilië en Angola heroverd. De Republiek moest bepalen of zij deze verliezen zou proberen terug te draaien of dat zij via onderhandelingen economische voordelen en schadevergoeding kon verkrijgen.
Voor de WIC waren de Braziliaanse verliezen bijzonder zwaar. De compagnie had grote bedragen uitgegeven aan de verovering en verdediging van Pernambuco. Zij had bovendien schulden en aanspraken die voortkwamen uit de koloniale oorlog. De onderhandelingen met Portugal gingen daardoor niet alleen over diplomatieke erkenning, maar ook over geld, handel en de rechten van voormalige Nederlandse bezitters. De vraag wie voor de verliezen moest betalen, bleef jarenlang onderdeel van de politieke discussie.
De vrede met Portugal van 1661
Op 6 augustus 1661 werd in Den Haag een vredesverdrag gesloten tussen de Republiek en Portugal. Daarmee werd een belangrijke stap gezet naar de beëindiging van de langdurige strijd tussen beide mogendheden. De Nederlandse aanspraken op Brazilië en de Portugese positie in de voormalige Nederlandse gebieden maakten deel uit van de bredere regeling. Ook commerciële rechten en financiële compensatie speelden een belangrijke rol.
De onderhandelingen waren ingewikkeld omdat verschillende belangen tegenover elkaar stonden. De Republiek wilde handelsmogelijkheden behouden, terwijl Portugal zijn herwonnen koloniale gebieden veilig wilde stellen. De WIC verlangde vergoeding voor geleden verliezen. Daarnaast hadden particuliere kooplieden en voormalige bezitters eigen financiële aanspraken. Het verdrag kon daarom niet eenvoudig worden beschouwd als een overeenkomst waarbij één bedrag rechtstreeks aan de aandeelhouders van de compagnie werd uitgekeerd.
De vergoeding voor het verlies van Brazilië
Bij de vredesregeling met Portugal werd onderhandeld over een omvangrijke financiële compensatie. In de literatuur worden bedragen genoemd in verschillende munteenheden, waaronder vier miljoen cruzados. Daarbij kwamen afspraken over handelsrechten en de wijze waarop verplichtingen konden worden voldaan. De omzetting van deze bedragen naar guldens vereist zorgvuldigheid, omdat de gebruikte munteenheden en de precieze voorwaarden van de verdragsartikelen van belang zijn.
Voor Groningen is vooral de vraag belangrijk wie uiteindelijk recht had op de overeengekomen compensatie. Een betaling aan de Republiek betekende niet automatisch dat de stad Groningen of de Kamer Stad en Lande een evenredig bedrag ontving. De WIC, particuliere schuldeisers en andere belanghebbenden konden afzonderlijke aanspraken hebben. De verdeling van eventuele betalingen moet daarom worden onderzocht aan de hand van de oorspronkelijke verdragen, financiële rekeningen en besluiten van de Staten-Generaal.
De Groningse aandeelhouders en de Portugese vergoeding
De aandeelhouders van de Kamer Stad en Lande hadden belang bij iedere regeling die de financiële positie van de WIC kon verbeteren. Een vergoeding voor het verlies van Brazilië zou in beginsel kunnen bijdragen aan de afwikkeling van schulden of het behoud van de onderneming. Maar daarmee is nog niet bewezen dat Groningse aandeelhouders rechtstreeks geld uit Portugal ontvingen. Hun positie hing af van de juridische structuur van de WIC en van de manier waarop eventuele compensatie werd verdeeld.
Voor de stad Groningen moet daarom afzonderlijk worden vastgesteld of in de stedelijke rekeningen ontvangsten voorkomen die rechtstreeks met de Portugese schadevergoeding verband hielden. Ook de particuliere aandeelhouders kunnen in hun boedelbeschrijvingen of financiële administratie dergelijke betalingen hebben geregistreerd. Zolang deze gegevens ontbreken, moet het verhaal onderscheid blijven maken tussen de internationale vredesregeling en de feitelijke financiële opbrengsten voor Groningen.
De jaren 1662 en 1663 — de vrede is nog niet afgehandeld
De ondertekening van het vredesverdrag in 1661 betekende niet dat alle geschillen onmiddellijk waren opgelost. De ratificatie en uitvoering van de overeenkomst vergden tijd. De partijen moesten vaststellen hoe de afspraken over handel, koloniale bezittingen en financiële aanspraken in de praktijk zouden worden uitgevoerd. Daarbij konden nieuwe meningsverschillen ontstaan over de betekenis van afzonderlijke verdragsartikelen.
Voor de WIC bleven de Braziliaanse verliezen daardoor een actuele kwestie. De onderneming had behoefte aan geld, terwijl de financiële afwikkeling van de oorlog nog niet definitief was geregeld. Ook particuliere betrokkenen probeerden vergoeding te verkrijgen voor schade die zij in Brazilië hadden geleden. De jaren na de vrede moeten daarom niet worden voorgesteld als een periode waarin de financiële gevolgen van de koloniale oorlog waren afgesloten.
Daniël Alberti vraagt in 1663 vergoeding
Daniël Alberti, die eerder een bestuurlijke functie in Nederlands-Brazilië had vervuld, diende in 1663 volgens het aangeleverde onderzoek een verzoek in bij de Staten-Generaal om vergoeding te krijgen voor verliezen die hij in Brazilië had geleden. Deze gebeurtenis toont dat de gevolgen van de koloniale oorlog niet verdwenen met de capitulatie van Recife. Bijna tien jaar later probeerde een voormalige koloniale bestuurder nog steeds erkenning of compensatie te verkrijgen voor geleden schade.
De aard van Alberti's verliezen moet uit het oorspronkelijke verzoekschrift worden vastgesteld. Het is mogelijk dat zulke verzoeken betrekking hadden op bezittingen, achterstallige betalingen of andere financiële aanspraken, maar zonder de oorspronkelijke tekst mag niet worden aangenomen welke posten Alberti precies opvoerde. Ook moet worden onderzocht hoe de Staten-Generaal op zijn verzoek reageerden. De gebeurtenis verdient een vaste plaats in de Groningse geschiedenis omdat zij de Braziliaanse oorlog verbindt met de bestuurlijke wereld van Stad en Lande.
Alberti keert terug in het Oldambt
Na zijn koloniale loopbaan vervulde Daniël Alberti de functie van drost van het Oldambt. Daarmee keerde hij terug in de bestuurlijke wereld van Groningen. Alberti was in 1639 benoemd tot lid van de Politieke Raad in Brazilië en was in 1645 door de Kamer Stad en Lande voorgedragen voor een hogere bestuursfunctie. Zijn loopbaan verbindt de geschiedenis van Pernambuco met het bestuur van het Groningse platteland.
De overgang van een koloniale bestuursfunctie naar een gewestelijk ambt laat zien dat de betrokkenen bij de WIC deel uitmaakten van bredere bestuurlijke netwerken. Ervaring in Brazilië betekende niet noodzakelijk dat iemand na terugkeer buiten het bestuur kwam te staan. Tegelijk moet worden onderzocht welke contacten en benoemingsbesluiten aan Alberti's functie in het Oldambt ten grondslag lagen. Zijn levensloop toont dat de koloniale onderneming en de gewestelijke bestuurswereld niet los van elkaar stonden.
Wolter van Schonenborch en de koloniale bestuurselite
Wolter van Schonenborch had een belangrijke functie bekleed in het bestuur van Nederlands-Brazilië. Hij wordt genoemd als president van de Hoge en Secrete Raad. Zijn loopbaan laat zien dat de Groningse bestuurlijke wereld verbonden was met de hoogste bestuursorganen van de WIC. De vroegere functies in Recife en Mauritsstad konden na het verlies van Brazilië niet op dezelfde wijze blijven bestaan.
Voor Schonenborch moet nog worden onderzocht hoe zijn loopbaan na het verlies van Nederlands-Brazilië precies verliep. Zijn persoonlijke bezittingen, eventuele financiële aanspraken en latere bestuurlijke functies kunnen niet zonder aanvullende documenten worden vastgesteld. Wel is zijn eerdere positie van belang voor de geschiedenis van de Kamer Stad en Lande. Zij toont dat Groningse betrokkenheid bij de WIC verder ging dan de financiële deelneming van de stad en particuliere aandeelhouders.
De Groningse militaire netwerken
De oorlog in Brazilië had verschillende militairen uit de noordelijke gewesten naar de Atlantische wereld gebracht. Reinier Sickema had in 1647 het commando over Fort Oranje op Itamaracá gevoerd. Ludolph Harckema was volgens het aangeleverde onderzoek in 1649 bij Guararapes gesneuveld. Sigismund von Schoppe was betrokken geweest bij de verdediging van de Nederlandse bezittingen. Hun loopbanen tonen dat de WIC gebruikmaakte van militaire netwerken die ook met Groningen verbonden waren.
Na 1654 veranderden de mogelijkheden voor militaire dienst binnen de compagnie. De grote Braziliaanse garnizoenen verdwenen, maar de WIC behield forten en andere versterkte steunpunten in West-Afrika en het Caribische gebied. Daarvoor bleef militair personeel nodig. Het is echter niet bewezen dat de eerder genoemde Groningse officieren na het verlies van Brazilië ook op deze andere plaatsen dienden. De militaire continuïteit van de WIC mag daarom niet automatisch worden gelijkgesteld aan een ononderbroken persoonlijke loopbaan van iedere Groningse militair.
De Engelse concurrentie aan de Afrikaanse kust
In de jaren zestig nam de concurrentie tussen de Republiek en Engeland om de Atlantische handel toe. Beide mogendheden wilden toegang tot winstgevende handelsgebieden en probeerden hun positie langs de West-Afrikaanse kust te versterken. De handel in goud en andere goederen was daarbij belangrijk, maar ook de groeiende handel in tot slaaf gemaakte mensen speelde een rol. Forten en handelsposten waren strategische bezittingen omdat zij bescherming boden aan personeel, voorraden en schepen.
De strijd om deze posten maakte duidelijk dat de Nederlandse positie aan de Afrikaanse kust niet vanzelfsprekend veilig was. Engelse en Nederlandse ondernemingen probeerden elkaars handelsmogelijkheden te beperken en steunpunten te veroveren. De Afrikaanse machthebbers waren daarbij geen passieve toeschouwers. Zij konden bondgenootschappen sluiten, onderhandelen en hun eigen belangen verdedigen. De WIC moest daarom rekening houden met zowel Europese militaire concurrentie als Afrikaanse politieke verhoudingen.
De strijd om de West-Afrikaanse forten in 1664 en 1665
Tijdens de oplopende Engels-Nederlandse rivaliteit werden verschillende handelsposten aan de West-Afrikaanse kust aangevallen of van eigenaar veranderd. De strijd speelde zich af tegen de achtergrond van de groeiende Engelse belangstelling voor de handel in goud en tot slaaf gemaakte mensen. Nederlandse en Engelse schepen werden ingezet om forten te veroveren, handelsroutes te beschermen en de positie van concurrenten te verzwakken.
Voor de WIC waren deze gebeurtenissen bijzonder bedreigend omdat de onderneming na het verlies van Brazilië sterker afhankelijk was geworden van haar resterende Atlantische bezittingen. De Afrikaanse forten vormden een belangrijke bron van handelsmogelijkheden. Wanneer een fort verloren ging, kon de compagnie personeel, goederen en toegang tot handelsrelaties kwijtraken. De afzonderlijke aanvallen moeten per fort worden gereconstrueerd. Zonder de militaire en bestuurlijke verslagen is niet vast te stellen welke Groningse schepen of officieren bij deze gebeurtenissen betrokken waren.
De Engelse verovering van Nieuw-Nederland in 1664
In 1664 verscheen een Engelse vloot voor Nieuw-Amsterdam. De Engelse kroon wilde haar invloed langs de Noord-Amerikaanse kust uitbreiden en de Nederlandse positie verzwakken. De militaire mogelijkheden van de Nederlandse verdedigers waren beperkt. Na onderhandelingen werd de kolonie overgegeven. Nieuw-Amsterdam kreeg vervolgens de naam New York, naar de hertog van York. Daarmee verloor de WIC opnieuw een belangrijk overzees bezit.
Het verlies van Nieuw-Nederland kwam tien jaar na de capitulatie van Recife. De gebeurtenissen vonden plaats in verschillende koloniale gebieden, maar lieten een vergelijkbaar probleem zien. De WIC had bezittingen verworven die voortdurende militaire bescherming vereisten. Wanneer een tegenstander voldoende strijdkrachten kon inzetten, bleek de Nederlandse verdediging kwetsbaar. Voor Groningen betekende het verlies van Nieuw-Nederland dat opnieuw een onderdeel van de Atlantische onderneming waarin Stad en Lande participeerde buiten het bereik van de compagnie kwam.
De Tweede Engels-Nederlandse Oorlog
In 1665 brak de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog uit. De strijd tussen de Republiek en Engeland had grote gevolgen voor de zeehandel en de koloniale bezittingen. Beide mogendheden probeerden elkaars schepen en overzeese steunpunten aan te vallen. De oorlog werd daardoor niet uitsluitend op de Noordzee gevoerd, maar ook in de Atlantische wereld. Voor de WIC was dit bijzonder bedreigend, omdat zij voor haar handel en koloniale bestuur afhankelijk was van scheepvaartverbindingen.
De oorlog maakte duidelijk dat de compagnie niet los kon worden gezien van de internationale machtsverhoudingen. De Republiek kon militaire successen behalen, maar dat betekende niet dat iedere koloniale bezitting behouden bleef. Omgekeerd konden overzeese veroveringen worden gebruikt bij diplomatieke onderhandelingen. De WIC moest rekening houden met politieke besluiten die door de Staten-Generaal werden genomen en niet uitsluitend op haar commerciële belangen waren gericht.
De WIC kan haar Afrikaanse handel niet meer zelfstandig financieren
De financiële problemen van de WIC werden in de jaren zestig steeds ernstiger. De onderneming had behoefte aan nieuwe inkomsten, maar haar schulden beperkten de mogelijkheden om handelsreizen uit te rusten. De kosten van schepen, bemanningen, handelsgoederen en forten moesten worden betaald voordat een reis opbrengsten kon opleveren. Wanneer de compagnie onvoldoende geld beschikbaar had, kon zelfs een potentieel winstgevende handel moeilijk worden voortgezet.
De bewindhebbers moesten daarom zoeken naar nieuwe financiële constructies. Zij konden niet onbeperkt nieuwe schulden aangaan zonder rekening te houden met bestaande schuldeisers. Voor de aandeelhouders betekende dit dat hun oorspronkelijke kapitaal steeds minder zekerheid bood. De financiële crisis werd daardoor niet alleen veroorzaakt door het verlies van Brazilië, maar ook door de onmogelijkheid om de resterende handelsactiviteiten op de oude wijze te financieren.
De Guyaanse kolonies naast Suriname
Aan de noordkust van Zuid-Amerika bestonden naast Suriname ook Nederlandse belangen in gebieden als Essequibo en Berbice. Deze gebieden hadden eigen koloniale en commerciële ontwikkelingen. De Nederlandse aanwezigheid was verbonden met handel, landbouw en scheepvaart over de rivieren. De plantage-economie zou in de loop van de tijd steeds belangrijker worden, maar de verschillende kolonies stonden niet allemaal onder precies hetzelfde bestuur.
Voor de geschiedenis van Groningen is dit onderscheid noodzakelijk. Het bestaan van Nederlandse handelsposten of plantages in de Guyaanse gebieden betekent niet automatisch dat de Kamer Stad en Lande daar rechtstreeks eigenaar of bestuurder van was. Sommige ondernemingen waren verbonden met Zeeland of andere organisaties. De betrokkenheid van Groningse kooplieden, aandeelhouders of schepen moet daarom per gebied en per onderneming worden vastgesteld. Alleen dan kan worden bepaald welke koloniale activiteiten werkelijk aan Groningen kunnen worden toegeschreven.
De verovering van Suriname in 1667
In februari 1667 verscheen een Zeeuwse expeditie onder leiding van Abraham Crijnssen voor de Surinamerivier. De onderneming vond plaats tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. De Zeeuwse strijdkrachten vielen Fort Willoughby aan, dat de Engelse positie bij de riviermonding beschermde. Na de overgave werd het fort omgedoopt tot Fort Zeelandia. De Nederlandse verovering maakte deel uit van de bredere strijd om Atlantische handelsgebieden.
De expeditie was een Zeeuwse onderneming en mag niet zonder bewijs worden toegeschreven aan de Kamer Stad en Lande. Dat onderscheid is belangrijk omdat Suriname later een grote plaats zou krijgen binnen de Nederlandse koloniale economie. De betrokkenheid van Groningse families bij Surinaamse plantages in latere eeuwen betekent niet dat zij ook bij de verovering van 1667 betrokken waren. De geschiedenis van de Groningse WIC moet hier zorgvuldig worden gescheiden van de bredere geschiedenis van de Nederlandse kolonisatie.
De Engelse herovering van Suriname
De Nederlandse verovering van Suriname in 1667 betekende niet dat de machtswisseling onmiddellijk definitief was. Later dat jaar wisten Engelse strijdkrachten de kolonie opnieuw in handen te krijgen. De Engelse herovering laat zien hoe kwetsbaar koloniale bezittingen waren tijdens een oorlog waarin Europese mogendheden op verschillende plaatsen tegelijk vochten. De positie van een kolonie kon veranderen voordat de berichten over eerdere veroveringen Europa hadden bereikt.
De gebeurtenissen maakten bovendien duidelijk dat militaire controle en diplomatieke erkenning niet altijd samenvielen. Terwijl de koloniale strijd voortduurde, onderhandelden de Republiek en Engeland over vrede. De uiteindelijke verdeling van de overzeese bezittingen werd daardoor mede bepaald door afspraken die in Europa werden gemaakt. Voor de geschiedenis van Suriname is het noodzakelijk zowel de eerste Nederlandse verovering als de daaropvolgende Engelse herovering te vermelden.
De Vrede van Breda van 31 juli 1667
Op 31 juli 1667 werd het Verdrag van Breda gesloten, waarmee een einde kwam aan de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. De vredesregeling had belangrijke gevolgen voor de koloniale machtsverhoudingen. De Engelse positie in Nieuw-Nederland werd binnen de bredere afspraken bevestigd, terwijl de Nederlandse aanspraken op Suriname werden erkend. Daarmee veranderde de geografische verdeling van de Atlantische bezittingen van beide mogendheden.
De regeling wordt vaak samengevat als een uitwisseling van Nieuw-Amsterdam tegen Suriname. Die voorstelling maakt de geschiedenis begrijpelijk, maar vereenvoudigt de diplomatieke werkelijkheid. De vrede regelde een bredere reeks bezittingen en aanspraken. De machtsverhoudingen waren bovendien al door militaire gebeurtenissen veranderd. Voor de WIC betekende de regeling dat de onderneming haar Noord-Amerikaanse kolonie niet terugkreeg, terwijl Suriname een Nederlandse kolonie bleef onder een andere bestuurlijke organisatie.
Abraham Crijnssen keert in 1668 terug
De Engelse herovering van Suriname maakte een nieuwe Nederlandse expeditie noodzakelijk. Abraham Crijnssen keerde in 1668 terug naar de kolonie. Eind april werd de Nederlandse positie hersteld. Daarmee kwam Suriname opnieuw onder Zeeuws bestuur. De gebeurtenissen laten zien dat de koloniale machtswisseling niet met één succesvolle aanval in 1667 was voltooid.
De herovering vond plaats nadat de Vrede van Breda al was gesloten. Daardoor speelde de diplomatieke erkenning van de Nederlandse aanspraken een belangrijke rol. De Engelse bezetting kon niet eenvoudig worden voortgezet zonder rekening te houden met de vredesvoorwaarden. Voor het historische verhaal is dit een belangrijk onderscheid. Suriname werd niet alleen door militair geweld behouden, maar ook door internationale afspraken over de verdeling van koloniale gebieden.
De plantages van Suriname in 1668
Suriname beschikte bij de Nederlandse overname al over plantages en een bestaande koloniale samenleving. De Engelse kolonisten hadden landbouwbedrijven aangelegd en gebruikgemaakt van tot slaaf gemaakte arbeidskrachten. De Nederlandse machtswisseling betekende niet dat deze economische structuur werd opgeheven. De nieuwe koloniale bestuurders konden voortbouwen op bestaande plantages, gebouwen en handelsverbindingen.
Een inventaris uit de tijd van de herovering geeft een concreet beeld van deze vroege plantage-economie. In een historische publicatie worden voor 1668 vierentwintig plantages genoemd, naast honderden tot slaaf gemaakte mensen en voorzieningen voor de suikerproductie. De precieze aantallen moeten bij gebruik in een definitieve publicatie aan de oorspronkelijke inventaris worden getoetst. De gegevens maken niettemin duidelijk dat de plantage-economie al bestond voordat Suriname in de achttiende eeuw tot een veel grotere koloniale productieomgeving uitgroeide.
De tot slaaf gemaakte bevolking van Suriname
Voor de tot slaaf gemaakte mensen op de Surinaamse plantages betekende de overgang van Engels naar Nederlands gezag niet automatisch een verandering van hun juridische positie. Zij bleven onderworpen aan een koloniale economie waarin plantage-eigenaren hun arbeid opeisten. De productie van suiker vereiste het planten, onderhouden en oogsten van suikerriet, het vervoer naar de molens en het verwerken van het sap tot handelswaar. Deze werkzaamheden waren zwaar en vonden plaats onder dwang.
De geschiedenis van de Nederlandse verovering van Suriname moet daarom niet uitsluitend worden verteld als een militair succes. Zij betekende ook dat de Republiek een kolonie verwierf waarin de slavernij al onderdeel van de economie was. De verdere uitbreiding van de plantages zou de vraag naar gedwongen arbeidskrachten vergroten. De gevolgen daarvan werden vooral gedragen door de mensen die werden verhandeld en op de plantages moesten werken.
Suriname blijft voorlopig een Zeeuwse kolonie
Na de herovering van 1668 bleef Suriname onder Zeeuws bestuur. De kolonie werd niet onmiddellijk een rechtstreeks bezit van de Kamer Stad en Lande of van de gezamenlijke WIC. Dat onderscheid is belangrijk omdat de latere bestuurlijke geschiedenis van Suriname anders verliep dan die van Nederlands-Brazilië. De WIC zou pas later een grotere bestuurlijke rol in Suriname krijgen.
Voor de periode 1654–1674 moet daarom worden voorkomen dat alle Nederlandse koloniale activiteiten automatisch aan de WIC worden toegeschreven. De Republiek kende verschillende vormen van koloniale organisatie. Gewestelijke overheden, particuliere ondernemingen en geoctrooieerde compagnieën konden ieder hun eigen belangen hebben. De geschiedenis van Suriname vormt daarvan een duidelijk voorbeeld. Zij behoort tot de bredere Atlantische context van Groningen, maar de directe Groningse betrokkenheid moet afzonderlijk worden aangetoond.
De hernieuwde onderhandelingen met Portugal
Ondanks de vrede van 1661 bleven er geschillen bestaan tussen de Republiek en Portugal. De uitvoering van de financiële afspraken en de afwikkeling van koloniale aanspraken verliepen niet zonder problemen. Ook de handel tussen beide landen bleef onderwerp van overleg. De Republiek had belang bij toegang tot Portugese havens en handelsproducten, terwijl Portugal zijn koloniale bezittingen en internationale positie wilde veiligstellen.
Voor de WIC waren vooral de financiële aanspraken van betekenis. De compagnie had grote verliezen geleden in Brazilië en probeerde een deel daarvan vergoed te krijgen. Ook particuliere schuldeisers konden aanspraken hebben op de Portugese kroon. De onderhandelingen gingen daardoor over meer dan de politieke erkenning van het verlies van Pernambuco. Zij betroffen ook de vraag hoe de kosten van de langdurige koloniale oorlog moesten worden verdeeld.
De vrede en handelsregeling van 1669
In juli 1669 werd in Den Haag opnieuw een verdrag tussen de Republiek en Portugal gesloten. De overeenkomst maakte deel uit van de verdere regeling van de onderlinge verhoudingen na de eerdere vrede. Handel, financiële verplichtingen en de afwikkeling van bestaande geschillen speelden daarbij een belangrijke rol. De overeenkomst bracht meer duidelijkheid in de verhouding tussen beide mogendheden.
Voor de WIC betekende dit echter niet dat alle financiële problemen verdwenen. De onderneming bleef belast met schulden en had haar belangrijkste Braziliaanse bezittingen verloren. Ook de vraag welke bedragen daadwerkelijk werden betaald en hoe zij onder de verschillende rechthebbenden werden verdeeld, bleef van belang. Voor Groningen is daarom vooral de financiële uitvoering van de verdragen interessant. Zonder afzonderlijke betalingsbewijzen kan niet worden vastgesteld welk deel van de Portugese compensatie uiteindelijk bij de Kamer Stad en Lande of haar aandeelhouders terechtkwam.
Zout, suiker en de handel met Portugal
De handelsbetrekkingen tussen de Republiek en Portugal waren niet uitsluitend verbonden met de vroegere Nederlandse bezittingen in Brazilië. Ook zout, suiker, tabak en andere handelsproducten speelden een rol. Portugese havens waren belangrijk voor Nederlandse kooplieden en reders. De afspraken over handelsrechten en financiële verplichtingen konden daardoor gevolgen hebben voor de bredere Nederlandse scheepvaart.
De betekenis van deze handel moet echter worden onderscheiden van de directe activiteiten van de WIC. Niet iedere Nederlandse koopman die Portugese goederen vervoerde, deed dat voor rekening van de compagnie. Evenmin kan zonder bewijs worden aangenomen dat Groningse schepen aan alle genoemde handelsstromen deelnamen. Voor het onderzoek naar Stad en Lande moeten de afzonderlijke handelsrekeningen en scheepsbewegingen worden onderzocht. De verdragen vormen de politieke achtergrond, maar bewijzen op zichzelf geen concrete Groningse vracht.
De WIC zoekt nieuwe financiering
De financiële problemen van de WIC werden in de jaren zestig steeds moeilijker op te lossen. De onderneming had behoefte aan kapitaal voor de voortzetting van haar handel, maar haar bestaande schulden maakten nieuwe investeringen riskant. Aandeelhouders konden terughoudend zijn om opnieuw geld beschikbaar te stellen wanneer onduidelijk was of de opbrengsten naar nieuwe handelsactiviteiten of naar oude schuldeisers zouden gaan.
De bewindhebbers moesten daarom zoeken naar constructies waarmee nieuwe handelsreizen konden worden gefinancierd zonder dat alle inkomsten onmiddellijk door de bestaande schulden werden opgeslokt. Deze ontwikkeling was van groot belang voor de latere reorganisatie. De financiële crisis van de WIC was niet alleen het gevolg van slechte handelsresultaten. Zij had ook te maken met de manier waarop het aandelenkapitaal, de schulden en de opbrengsten binnen de onderneming waren georganiseerd.
Het afzonderlijke handelsfonds van 1668
In april 1668 boden de bewindhebbers aandeelhouders de mogelijkheid om nieuw geld beschikbaar te stellen voor de Afrikaanse handel. Het ging om een bedrag tot vijf procent van de nominale waarde van hun aandelen. Deze nieuwe inleg moest worden gebruikt voor handel met onder meer de Goudkust, Ardra, Popo en Benin. Het bijzondere aan de regeling was dat het nieuwe kapitaal afzonderlijk van de oude schulden van de compagnie moest worden beheerd.
Deze constructie laat zien hoe ernstig de financiële problemen waren geworden. De WIC kon haar bestaande handelsactiviteiten niet meer zonder aanvullende middelen voortzetten. Tegelijk probeerden de bewindhebbers nieuwe investeerders enige bescherming te bieden tegen de schulden uit het verleden. Voor Groningen is de regeling belangrijk omdat zij de vraag oproept of de Kamer Stad en Lande of haar aandeelhouders aan dit afzonderlijke fonds deelnamen. De omvang van een eventuele Groningse inleg moet nog uit de financiële administratie worden vastgesteld.
Ardra, Popo en Benin
De vermelding van Ardra, Popo en Benin in de financieringsregeling van 1668 maakt duidelijk dat de WIC haar Afrikaanse handel niet uitsluitend vanuit Elmina organiseerde. De onderneming was geïnteresseerd in verschillende kustgebieden en handelsnetwerken. De mogelijkheden verschilden per plaats en waren afhankelijk van contacten met Afrikaanse handelaren en machthebbers. De WIC moest rekening houden met plaatselijke politieke verhoudingen en de concurrentie van andere Europese ondernemingen.
De handel in deze gebieden omvatte verschillende goederen en raakte ook aan de groeiende Atlantische mensenhandel. De precieze betekenis van iedere plaats moet per periode worden vastgesteld. Het is niet verantwoord om alle Afrikaanse handelsgebieden zonder onderscheid als slavernijhavens te beschrijven. Wel laat de regeling van 1668 zien dat de WIC nieuwe financiële middelen probeerde te vinden om haar handelsactiviteiten langs de Afrikaanse kust voort te zetten.
De Groningse bewindhebbers en het nieuwe fonds
De mogelijkheid om in 1668 nieuw kapitaal beschikbaar te stellen, stelde de aandeelhouders van de WIC voor een moeilijke keuze. Wie opnieuw geld investeerde, kon deelnemen aan handelsactiviteiten die mogelijk inkomsten zouden opleveren. Tegelijk bestond het risico dat de nieuwe onderneming onvoldoende winstgevend zou blijken. De bestaande aandelen hadden bovendien al sterk aan waarde verloren. Voor Groningse aandeelhouders betekende dit dat zij moesten afwegen of zij hun betrokkenheid wilden vergroten of hun risico wilden beperken.
Het beschikbare onderzoek geeft nog geen volledige lijst van Groningse deelnemers aan het afzonderlijke handelsfonds. Daarom kan niet worden vastgesteld welke bewindhebbers of particuliere aandeelhouders daadwerkelijk geld beschikbaar stelden. De regeling behoort wel tot de geschiedenis van de Kamer Stad en Lande, omdat zij de financiële omstandigheden laat zien waaronder de gezamenlijke WIC in de laatste jaren van haar bestaan probeerde te blijven functioneren.
De Groningse bewindhebbers tussen 1654 en 1674
De geschiedenis van de Kamer Stad en Lande wordt concreter wanneer bekend is welke personen haar in de twintig jaar na het verlies van Brazilië bestuurden. De oorspronkelijke bewindhebbers uit de jaren twintig konden niet allemaal gedurende de gehele periode in functie blijven. Door overlijden, vertrek of nieuwe benoemingen veranderde de samenstelling van het bestuur. De opvolging was van belang omdat de bewindhebbers namens de aandeelhouders deelnamen aan de besluitvorming over de onderneming.
Voor deze periode ontbreekt in het beschikbare materiaal nog een volledige, gecontroleerde benoemingslijst. Daarom worden hier geen namen toegevoegd zonder bewijs dat zij daadwerkelijk tussen 1654 en 1674 bewindhebber waren. De reconstructie moet worden gebaseerd op resoluties, benoemingsakten en de administratie van de kamer. Daarmee kan worden vastgesteld wie namens Groningen optrad tijdens de onderhandelingen met Portugal, de financiële crisis en de reorganisatie van 1674.
De belangen van particuliere aandeelhouders
De WIC was vanaf haar oprichting verbonden met de Groningse bestuurlijke elite. Vermogende families konden deelnemen door aandelen te kopen en daarmee toegang krijgen tot de bestuurlijke organisatie. Voor de belangrijkste aandeelhouders kon de compagnie behalve dividend ook contacten en mogelijkheden voor familieleden opleveren. Bestuurlijke functies, militaire loopbanen en handelsrelaties konden binnen dezelfde sociale netwerken samenkomen.
Toch moet onderscheid worden gemaakt tussen mogelijkheden en daadwerkelijk bewezen voordelen. Voor Allard Gaykinga, Johan Sickinghe en Hemmo Huninga zijn investeringsbedragen bekend uit het aangeleverde onderzoek. Daaruit volgt niet automatisch dat hun families later rechtstreeks profiteerden van plantages, koloniale handelscontracten of specifieke scheepsreizen. Zulke verbindingen moeten worden vastgesteld aan de hand van correspondentie, boedelbeschrijvingen, handelsrekeningen en andere archiefstukken. De geschiedenis van de Groningse elite wordt betrouwbaarder wanneer financiële deelneming en persoonlijke betrokkenheid afzonderlijk worden onderzocht.
De betekenis van Groningse scheepsreizen
De Kamer Stad en Lande kon betrokken zijn bij een Atlantische reis zonder dat het schip vanuit Groningen vertrok. De uitrusting van een schip vereiste geld, bemanning, handelsgoederen en administratieve voorbereiding. De WIC werkte met verschillende kamers en handelscentra. Daardoor konden financiële verantwoordelijkheid en feitelijke uitvoering op verschillende plaatsen liggen.
Voor de periode 1654–1674 moet worden onderzocht welke schepen nog voor rekening van Groningen voeren, wie hun kapiteins waren en welke bestemmingen zij aandeden. Ook de aard van de lading is belangrijk. Een reis naar West-Afrika kon gericht zijn op goud of andere handelsgoederen, maar kon ook deel uitmaken van de handel in tot slaaf gemaakte mensen. Zonder afzonderlijke reisgegevens mogen deze activiteiten niet met elkaar worden verward. De scheepsadministratie is daarom noodzakelijk om de Groningse betrokkenheid nauwkeurig te reconstrueren.
De scheepsbemanningen blijven buiten beeld
Achter de namen van de WIC-schepen bevonden zich zeelieden, soldaten, timmerlieden, stuurlieden en andere bemanningsleden. Zij maakten de Atlantische reizen mogelijk. Hun werkzaamheden begonnen al voordat een schip vertrok. Er moesten voorraden worden ingeladen, tuigage worden onderhouden, wapens worden gecontroleerd en handelsgoederen worden opgeslagen. Tijdens de reis moesten de bemanningsleden rekening houden met stormen, ziekte, voedselproblemen en vijandelijke aanvallen.
De geschiedenis van de Kamer Stad en Lande is daardoor niet uitsluitend een geschiedenis van bewindhebbers en aandeelhouders. Ook gewone zeelieden maakten deel uit van de onderneming. Hun namen zijn vaak moeilijker te achterhalen dan die van kapiteins en bestuurders. Monsterrollen, soldijregisters en scheepsjournalen kunnen helpen om hun herkomst en werkzaamheden te reconstrueren. Voor de jaren 1654–1674 ontbreekt nog een volledige lijst van bemanningsleden die rechtstreeks met de Groningse kamer verbonden waren.
De oorlogen van 1672 en 1673
In 1672 werd de Republiek geconfronteerd met een ernstige politieke en militaire crisis. Frankrijk, Engeland en andere tegenstanders vielen de Republiek aan. Het jaar werd later bekend als het Rampjaar. De oorlog had gevolgen voor de scheepvaart, de handel en de overheidsfinanciën. Voor de WIC betekende dit dat de omstandigheden opnieuw ongunstig werden. De onderneming was afhankelijk van veilige verbindingen over zee en moest rekening houden met vijandelijke aanvallen op schepen en koloniale bezittingen.
De crisis van 1672 kwam op een moment waarop de eerste WIC al jarenlang financiële problemen kende. De onderneming had haar belangrijkste Braziliaanse bezittingen verloren en beschikte niet over voldoende inkomsten om alle oude verplichtingen eenvoudig af te lossen. De nieuwe oorlog maakte het moeilijker om de financiële situatie te verbeteren. De Groningse aandeelhouders waren daardoor verbonden met een onderneming waarvan de toekomst steeds onzekerder werd.
De koloniale strijd tijdens de oorlog
De oorlogen van de jaren zeventig hadden ook gevolgen voor de overzeese bezittingen. Europese mogendheden konden elkaars koloniale steunpunten aanvallen of proberen handelsverbindingen te verstoren. Voor de WIC waren vooral de Afrikaanse forten, Curaçao en andere Atlantische belangen van betekenis. De verdediging van deze gebieden vereiste schepen, soldaten en geld.
De WIC moest rekening houden met het gevaar dat haar resterende bezittingen opnieuw verloren zouden gaan. De onderneming kon echter niet zelfstandig de militaire prioriteiten van de Republiek bepalen. De Staten-Generaal moesten ook rekening houden met de verdediging van het eigen grondgebied en de oorlog op zee. Voor Groningen betekende dit dat de financiële belangen van de Kamer Stad en Lande afhankelijk bleven van besluiten die op het hoogste politieke niveau werden genomen.
De tijdelijke Nederlandse terugkeer naar Nieuw-Nederland
In 1673 wisten Nederlandse strijdkrachten Nieuw-Amsterdam tijdelijk opnieuw in handen te krijgen. De stad kreeg de naam Nieuw-Oranje. Deze herovering vond plaats tijdens de oorlog met Engeland en liet zien dat de strijd om de Noord-Amerikaanse bezittingen na 1664 niet onmiddellijk was beëindigd. De Nederlandse positie bleef echter afhankelijk van de bredere militaire en diplomatieke omstandigheden.
De herovering betekende geen duurzaam herstel van de vroegere kolonie Nieuw-Nederland. Bij de vrede van Westminster in 1674 werd de Engelse positie opnieuw bevestigd. De Nederlandse aanwezigheid in Nieuw-Oranje was daardoor van korte duur. Voor de WIC betekende dit dat zij haar vroegere Noord-Amerikaanse bezit niet blijvend terugkreeg. De gebeurtenissen tonen hoe koloniale gebieden konden worden veroverd en opnieuw afgestaan binnen de bredere strijd tussen Europese mogendheden.
De Vrede van Westminster in 1674
In februari 1674 werd de Vrede van Westminster gesloten, waarmee een einde kwam aan de Derde Engels-Nederlandse Oorlog. De overeenkomst bevestigde de veranderde koloniale machtsverhoudingen. Nieuw-Nederland bleef buiten het Nederlandse bezit, terwijl de Nederlandse aanspraken op Suriname werden bevestigd. De Republiek moest haar overzeese belangen voortzetten binnen een Atlantische wereld waarin Engeland een steeds sterkere positie innam.
Voor de WIC was de vrede van belang omdat zij duidelijkheid bracht over een deel van de koloniale bezittingen. Maar de overeenkomst loste de financiële problemen van de compagnie niet op. De onderneming bleef zwaar belast met schulden en beschikte niet over voldoende middelen om op de oude grondslag te blijven functioneren. De diplomatieke afsluiting van de oorlog viel daardoor samen met een periode waarin de toekomst van de eerste WIC steeds onzekerder werd.
Groningen ontvangt in 1672 opnieuw dividend
Opmerkelijk genoeg ontving het Groningse stadsbestuur in 1672 opnieuw een uitkering uit de WIC. Volgens het aangeleverde gemeentelijke onderzoek bedroeg deze 1.791 gulden. Daarmee kwam een einde aan een lange periode waarin de stad geen vergelijkbare dividendontvangsten had gehad. De uitkering betekende echter niet dat de financiële problemen van de compagnie waren opgelost. Zij moet worden beoordeeld binnen de bredere geschiedenis van de onderneming, die nog steeds met aanzienlijke schulden en onzekerheden werd geconfronteerd.
Voor Groningen was de ontvangst belangrijk omdat zij liet zien dat het aandelenbezit nog enige opbrengst kon opleveren. De stad had haar kapitaal jarenlang in de WIC vastgelegd. Een dividend van 1.791 gulden was een concrete ontvangst, maar zonder vergelijking met de oorspronkelijke investering en de eerdere uitkeringen kan het bedrag niet als bewijs van een winstgevende onderneming worden beschouwd. Het was bovendien onzeker of in volgende jaren opnieuw geld zou worden uitgekeerd.
De dividenduitkering van 1673
In 1673 ontving het Groningse stadsbestuur volgens hetzelfde onderzoek 1.897 gulden uit de WIC. De uitkering was iets hoger dan die van het voorgaande jaar. Daarmee kreeg de stad voor het tweede achtereenvolgende jaar inkomsten uit haar aandelenbezit. Toch veranderde dit weinig aan de fundamentele problemen van de eerste compagnie. De onderneming beschikte nog altijd over een financiële structuur die zwaar was belast door vroegere oorlogen, schulden en het verlies van koloniale bezittingen.
De twee uitkeringen van 1672 en 1673 bedroegen samen 3.688 gulden. Voor de Groningse stadskas waren dit reële ontvangsten, maar zij vormden slechts een beperkt onderdeel van de financiële geschiedenis van de WIC. De oorspronkelijke investering was veel groter geweest en had tientallen jaren vastgelegen. De vraag hoeveel Groningen werkelijk aan de onderneming verdiende, kon daarom niet worden beantwoord door uitsluitend deze twee dividendbetalingen op te tellen.
De laatste dividenduitkering van de eerste WIC
In 1674 ontving het Groningse stadsbestuur volgens het gemeentelijke onderzoek nog 544 gulden. Daarmee kwamen de drie uitkeringen van 1672, 1673 en 1674 samen op 4.232 gulden. De ontvangst van 1674 was aanzienlijk lager dan die van de twee voorgaande jaren. Het bedrag moet worden gezien tegen de achtergrond van de financiële crisis die de eerste WIC inmiddels had bereikt.
De onderneming kon niet langer op de bestaande grondslag worden voortgezet. De verliezen van de voorgaande decennia hadden de financiële structuur ernstig aangetast. Voor Groningen betekende dit dat de waarde van het oorspronkelijke aandelenbezit opnieuw moest worden beoordeeld. De dividendbetalingen van de laatste jaren konden niet voorkomen dat de compagnie moest worden gereorganiseerd. Het jaar 1674 werd daardoor een keerpunt in de geschiedenis van de Groningse deelneming.
De schuldeisers van de WIC
De financiële problemen van de WIC betroffen niet alleen de aandeelhouders. De onderneming had ook schuldeisers die geld hadden uitgeleend of aanspraken hadden op betalingen. Hun positie verschilde van die van de aandeelhouders. Aandeelhouders hadden kapitaal ingebracht in de verwachting dat de onderneming winst zou maken. Schuldeisers konden recht hebben op terugbetaling van geleende bedragen of andere verplichtingen die uit overeenkomsten voortkwamen.
Bij de reorganisatie moesten deze verschillende belangen tegen elkaar worden afgewogen. De aandeelhouders wilden zoveel mogelijk waarde van hun oorspronkelijke investering behouden. Schuldeisers wilden dat hun vorderingen werden erkend en betaald. De bewindhebbers hadden belang bij het voortbestaan van de onderneming en de mogelijkheid om nieuwe handelsactiviteiten te financieren. De financiële crisis van 1674 was daardoor ook een conflict over de verdeling van verliezen tussen verschillende groepen belanghebbenden.
De bewindhebbers verdedigen het voortbestaan van de compagnie
De bewindhebbers van de WIC hadden redenen om de onderneming niet eenvoudig te laten verdwijnen. De compagnie bezat nog forten, handelsposten, scheepvaartverbindingen en bestuurlijke rechten. Deze bezittingen hadden economische en strategische betekenis voor de Republiek. Wanneer de WIC volledig zou verdwijnen, moest worden bepaald wie de overgebleven gebieden zou besturen en wie verantwoordelijk werd voor de verdediging.
De Staten-Generaal hadden daarom eveneens belang bij een oplossing die de Atlantische organisatie kon voortzetten. De Republiek beschikte niet over een afzonderlijk staatsapparaat dat alle koloniale taken van de WIC onmiddellijk kon overnemen. De compagnie had jarenlang gefunctioneerd als een onderneming die handel en koloniale macht met elkaar combineerde. De reorganisatie moest daarom niet alleen de schuldenkwestie oplossen, maar ook zorgen voor bestuurlijke continuïteit.
De ondergang van de eerste WIC in september 1674
Op 20 september 1674 besloten de Staten-Generaal de eerste West-Indische Compagnie te ontbinden en een nieuwe onderneming op te richten. Daarmee kwam een einde aan de oorspronkelijke WIC die in 1621 was gesticht. De onderneming had in ruim een halve eeuw grote militaire en commerciële activiteiten uitgevoerd. Zij had deelgenomen aan de verovering van de Spaanse zilvervloot, grote delen van Brazilië bezet en handelsposten aan de Afrikaanse kust verworven. Maar zij had ook langdurige oorlogen gevoerd, belangrijke koloniale bezittingen verloren en aanzienlijke schulden opgebouwd.
De ondergang van de eerste WIC betekende niet dat alle Atlantische activiteiten werden beëindigd. Er bestonden nog forten, handelsposten, scheepvaartverbindingen en commerciële belangen die de Republiek wilde behouden. Daarom werd gekozen voor een nieuwe onderneming die een deel van de bezittingen en werkzaamheden van haar voorganger zou overnemen. De reorganisatie maakte duidelijk dat de eerste financiële structuur niet langer houdbaar was.
De oude WIC wordt niet eenvoudig geliquideerd
De reorganisatie van 1674 was ingewikkelder dan een gewone opheffing waarbij alle bezittingen werden verkocht en de opbrengst onder schuldeisers werd verdeeld. De overgebleven bezittingen en rechten van de eerste WIC werden overgedragen aan haar opvolger. Tegelijk werd een financiële constructie uitgewerkt om met de bestaande schulden en aandelen om te gaan. De nieuwe onderneming moest voldoende middelen krijgen om haar activiteiten te kunnen voortzetten.
Deze oplossing was mogelijk omdat de WIC niet uitsluitend een commerciële onderneming was. Zij vervulde ook politieke en militaire functies voor de Republiek. De forten aan de Afrikaanse kust en de koloniale steunpunten in het Caribische gebied konden niet zonder gevolgen worden opgegeven. De reorganisatie was daardoor een poging om de Atlantische belangen van de Republiek te behouden, terwijl de financiële structuur van de eerste WIC werd vervangen.
De omzetting van aandelen en schulden
Bij de reorganisatie moesten de rechten van oude aandeelhouders en schuldeisers opnieuw worden vastgesteld. De oorspronkelijke aandelen konden niet zonder meer tegen hun oude nominale waarde worden overgenomen. De onderneming had immers verliezen geleden en beschikte niet over voldoende middelen om alle vroegere verwachtingen waar te maken. Daardoor werden de belangen van de oude deelnemers sterk verminderd.
De schuldeisers vormden een afzonderlijke groep met eigen aanspraken. Hun vorderingen moesten worden verwerkt in de nieuwe financiële regeling. De reorganisatie bracht daardoor verschillende belangen samen die niet vanzelfsprekend met elkaar overeenkwamen. Voor de aandeelhouders betekende zij dat het oorspronkelijke kapitaal sterk in waarde was verminderd. Voor de nieuwe onderneming betekende zij dat de Atlantische activiteiten konden worden voortgezet zonder de volledige oude financiële structuur ongewijzigd over te nemen.
Het Groningse aandelenvermogen na 1674
Het gemeentelijke onderzoek vermeldt dat het aandelenvermogen van het Groningse stadsbestuur na de reorganisatie nog 19.821 gulden bedroeg. Dit bedrag maakt duidelijk dat de financiële positie van de stad binnen de nieuwe onderneming aanzienlijk verschilde van haar oorspronkelijke deelneming. De stad had jarenlang kapitaal in de WIC vastgelegd en slechts gedurende bepaalde perioden dividend ontvangen.
Het bedrag van 19.821 gulden moet echter zorgvuldig worden geïnterpreteerd. Het vertegenwoordigt niet zonder meer het resterende vermogen van alle Groningse aandeelhouders samen. De stad, de provincie, de Ommelanden en particuliere investeerders hadden afzonderlijke belangen. Ook moet worden onderzocht hoe de oorspronkelijke aandelen, eventuele herbeleggingen en de omzettingsregels van 1674 in de berekening zijn verwerkt. Zonder deze gegevens kan geen exact verliespercentage voor alle Groningse deelnemers worden vastgesteld.
Wat verloor Groningen werkelijk?
De oorspronkelijke investeringen van Stad en Lande waren aanzienlijk. Het aangeleverde onderzoek noemt 836.975 gulden aan oorspronkelijk kapitaal en meer dan 958.000 gulden wanneer latere herbeleggingen worden meegerekend. Daartegenover stonden de dividendontvangsten en de resterende waarde van de aandelen na de reorganisatie. Een eenvoudige aftreksom geeft echter geen betrouwbaar beeld van de werkelijke winst of het verlies.
Niet alle deelnemers hadden op hetzelfde moment geïnvesteerd. Sommige aandeelhouders konden aandelen hebben verkocht of overgedragen. Anderen konden dividend hebben ontvangen of opnieuw hebben geïnvesteerd. Bovendien vertegenwoordigde de waarde van geld in de zeventiende eeuw een andere economische betekenis dan in latere perioden. Voor een volledige financiële afrekening moeten daarom de oorspronkelijke stortingen, dividendregisters, overdrachten en de regels van de reorganisatie gezamenlijk worden onderzocht.
De oprichting van de tweede West-Indische Compagnie
In 1674 werd een nieuwe West-Indische Compagnie opgericht. De tweede WIC nam een deel van de overgebleven activiteiten en bezittingen van haar voorganger over en zette haar werkzaamheden voort. De nieuwe onderneming kreeg een andere financiële grondslag en moest rekening houden met de veranderde machtsverhoudingen in de Atlantische wereld. De grote Braziliaanse suikergebieden waren verloren gegaan, Nieuw-Nederland stond niet langer onder Nederlands gezag en de handel met West-Afrika en het Caribische gebied had een belangrijkere plaats gekregen.
De oprichting van de tweede WIC betekende dat de Republiek haar Atlantische handelsbelangen niet wilde opgeven. De bestaande forten en verbindingen bleven economisch en strategisch van betekenis. Tegelijkertijd werd erkend dat de oude onderneming niet op dezelfde wijze kon blijven bestaan. De nieuwe compagnie moest haar activiteiten organiseren met een aangepaste financiële structuur en onder andere omstandigheden dan die waarin de eerste WIC in 1621 was opgericht.
De Kamer Stad en Lande blijft onderdeel van de WIC
Voor Groningen was het belangrijk dat de Kamer Stad en Lande ook binnen de tweede WIC bleef bestaan. De stad behield daarmee een plaats binnen de organisatie die de Nederlandse handel en koloniale belangen in het Atlantische gebied bestuurde. De Groningse bewindhebbers konden blijven deelnemen aan besluiten over de onderneming, hoewel hun bevoegdheden en de financiële verhoudingen veranderden.
De continuïteit van de kamer betekende niet dat de situatie van vóór 1674 werd hersteld. De oude aandelen waren in waarde verminderd en de nieuwe onderneming kreeg andere prioriteiten. De Groningse kamer bleef bovendien een relatief kleine deelnemer naast grotere handelscentra. Haar bestuurlijke positie bood toegang tot de Atlantische onderneming, maar gaf haar geen zelfstandige controle over de belangrijkste handelsroutes of koloniale bezittingen. De betekenis van Stad en Lande moest daarom opnieuw worden vastgesteld binnen de veranderde organisatie.
De nieuwe onderneming en de handel in mensen
De reorganisatie van de WIC betekende geen breuk met de betrokkenheid bij de Atlantische slavernijhandel. De nieuwe compagnie bleef actief in een wereld waarin Europese koloniale plantage-economieën afhankelijk waren van gedwongen arbeid. De handelsposten aan de Afrikaanse kust en de verbindingen met het Caribische gebied bleven daarvoor van betekenis. De onderneming kon inkomsten proberen te verkrijgen uit de aankoop, het vervoer en de verkoop van tot slaaf gemaakte Afrikanen.
Voor de Groningse geschiedenis is dit een belangrijk onderscheid. De eerste WIC had Brazilië verloren, maar de Kamer Stad en Lande bleef deelnemen aan een onderneming die betrokken was bij de handel in mensen. De latere slaventransporten van de Groningse kamer behoren tot de geschiedenis van de tweede WIC. Zij mogen niet zonder meer worden toegeschreven aan de eerste compagnie, maar maken wel duidelijk dat de koloniale betrokkenheid van Groningen na 1674 niet verdween.
De latere Groningse slaventransporten
Het aangeleverde gemeentelijke onderzoek rekent aan de Kamer Stad en Lande uiteindelijk een aandeel van ongeveer een negende toe in de slaventransporten van de WIC. In hetzelfde onderzoek wordt voor de gehele compagnie een omvang van ongeveer 300.000 vervoerde en verkochte tot slaaf gemaakte mensen genoemd. Een negende daarvan komt neer op ongeveer 33.000 mensen. Deze cijfers hebben betrekking op een veel langere periode dan de jaren 1654–1674.
In het bestaande artikel op Historisch Nederland wordt daarnaast een aantal van 16.868 mensen genoemd op 33 reizen tussen 1675 en 1738. Dit kleinere aantal betreft een bepaalde periode en een bepaalde verzameling reizen. Het mag niet worden voorgesteld als het volledige aandeel van de Groningse kamer. Voor deel 6 is vooral van belang dat de reorganisatie van 1674 de institutionele basis legde voor de voortzetting van deze activiteiten. De afzonderlijke reizen en aantallen behoren tot de geschiedenis van de tweede WIC.
De uitrusting van schepen buiten Groningen
Binnen de latere organisatie van de WIC werden scheepsreizen en verantwoordelijkheden tussen de kamers verdeeld. De Groningse kamer kon daardoor financieel betrokken zijn bij een reis die feitelijk in een andere haven werd voorbereid. Amsterdam beschikte over omvangrijke voorzieningen voor scheepsbouw, bevoorrading, opslag en handel. Het was daarom mogelijk dat schepen die administratief aan Stad en Lande waren verbonden, buiten Groningen werden uitgerust.
Voor de geschiedenis van de Groningse scheepvaart is dit onderscheid van groot belang. De financiële verantwoordelijkheid voor een schip was niet hetzelfde als de plaats waar het schip werd gebouwd, bemand of geladen. Ook de uiteindelijke bestemming van de lading kon buiten Groningen liggen. De werkelijke betekenis van de Kamer Stad en Lande moet daarom worden vastgesteld aan de hand van de afzonderlijke uitrustingsrekeningen, scheepsjournalen en verkoopadministratie.
De mensen achter de Groningse administratie
De geschiedenis van de Kamer Stad en Lande wordt vaak verteld aan de hand van aandeelhouders, bewindhebbers, schepen en financiële bedragen. Deze gegevens zijn belangrijk omdat zij de betrokkenheid van Groningen concreet maken. Maar achter de administratie bevonden zich ook zeelieden, soldaten, ambachtslieden en andere mensen die het werk van de compagnie uitvoerden. Zij bouwden en onderhielden schepen, bewaakten forten, vervoerden goederen en namen deel aan militaire ondernemingen.
Daarnaast waren er de mensen die door de WIC werden verhandeld en onder dwang naar de Amerikaanse kolonies werden gebracht. Hun namen en ervaringen zijn veel minder zichtbaar in de Groningse bestuursstukken. Toch vormden zij een wezenlijk onderdeel van de Atlantische economie waarmee de onderneming verbonden was. De geschiedenis van de WIC kan daarom niet uitsluitend worden geschreven vanuit het perspectief van de Groningse investeerders. Zij moet ook aandacht besteden aan de mensen wier arbeid en vrijheid onderdeel werden gemaakt van het koloniale verdienmodel.
Groningen en de prijs van de Atlantische onderneming
De geschiedenis van de WIC tussen 1654 en 1674 laat zien hoe nauw handel, oorlogvoering en financiële macht met elkaar verbonden waren. De compagnie had grote gebieden veroverd om inkomsten te verkrijgen, maar moest voortdurend militaire middelen inzetten om haar bezittingen te behouden. Toen Brazilië verloren ging, verdwenen belangrijke inkomsten terwijl de schulden bleven bestaan. De latere oorlogen met Engeland maakten de situatie nog moeilijker. De onderneming probeerde haar overgebleven Afrikaanse en Caribische handelsactiviteiten voort te zetten, maar kon de oude financiële structuur niet langer dragen.
Voor Groningen betekende dit dat publieke en particuliere investeringen afhankelijk waren van gebeurtenissen aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. De stad had tijdelijk dividenden ontvangen, maar zag de waarde van haar aandelen uiteindelijk sterk verminderen. Tegelijk bleef de Kamer Stad en Lande verbonden met een onderneming die koloniale macht uitoefende en betrokken was bij de handel in tot slaaf gemaakte mensen. De financiële verliezen van de aandeelhouders waren reëel, maar vormen slechts één onderdeel van de menselijke en economische geschiedenis van de WIC.
Het einde van de eerste WIC in 1674
Toen de eerste West-Indische Compagnie in september 1674 werd ontbonden, had Groningen ruim een halve eeuw deelgenomen aan een onderneming die handel, oorlogvoering en koloniale macht met elkaar had verbonden. De stad en particuliere aandeelhouders hadden grote bedragen geïnvesteerd. Groningse bestuurders en militairen waren betrokken geweest bij de Nederlandse bezittingen in Brazilië. Schepen van de Kamer Stad en Lande hadden aan de Atlantische verbindingen deelgenomen. De onderneming had tijdelijk dividenden uitgekeerd, maar haar belangrijkste Braziliaanse inkomstenbron was verloren gegaan.
De financiële afrekening maakte duidelijk dat het oorspronkelijke aandelenkapitaal niet de waarde had behouden waarop de deelnemers hadden gehoopt. De Groningse stad ontving in 1672, 1673 en 1674 nog uitkeringen van respectievelijk 1.791, 1.897 en 544 gulden, maar bij de reorganisatie werd haar aandelenvermogen sterk verminderd. De tweede WIC nam de overgebleven activiteiten over. Daarmee eindigde de eerste fase van de Groningse betrokkenheid, zonder dat de Atlantische handel of de koloniale slavernij verdween.
Het verlies van Brazilië had de WIC niet onmiddellijk vernietigd, maar het had haar financiële en politieke positie blijvend veranderd. De daaropvolgende verliezen, oorlogen en schulden maakten duidelijk hoe kwetsbaar een onderneming was die haar inkomsten afhankelijk had gemaakt van koloniale veroveringen en de bescherming van verre handelsgebieden. Groningen had aan die onderneming deelgenomen met geld, bestuurders, militairen en schepen. Toen de eerste WIC in 1674 ten einde kwam, bleef niet alleen een financiële rekening over, maar ook een geschiedenis van macht, geweld, handel en menselijke onvrijheid die rechtstreeks met Stad en Lande was verbonden.
Deel 7 — Groningen en de tweede West-Indische Compagnie: geld, schepen en macht over de Atlantische Oceaan (1675–1738)
1675 — De West-Indische Compagnie begint opnieuw
Aan de Munnekeholm in Groningen blijft het kantoor van de West-Indische Compagnie bestaan. De eerste compagnie is in september 1674 ten onder gegaan, maar haar bezittingen, handelsrechten en schulden verdwijnen niet. De Republiek wil de verbindingen met West-Afrika, Curaçao en de Amerikaanse koloniën behouden. Daarom wordt een tweede West-Indische Compagnie opgericht. Voor de Groningse Kamer Stad en Lande betekent dit dat de onderneming doorgaat, hoewel haar oorspronkelijke verwachtingen grotendeels verloren zijn gegaan. De suikergebieden van Brazilië zijn sinds 1654 in Portugese handen. Wat overblijft, is een handelsnetwerk van forten, schepen, factorijen en financiële belangen, verspreid over de Atlantische wereld.
De overgang heeft grote gevolgen voor de aandeelhouders. De eerste WIC heeft tientallen jaren oorlog gevoerd tegen Spanje en Portugal. De verovering van Pernambuco, de verdediging van Recife en de handel in Braziliaanse suiker hebben enorme uitgaven veroorzaakt. De opbrengsten zijn onvoldoende gebleken om de onderneming financieel gezond te houden. Bij de oprichting van de tweede compagnie wordt de waarde van de bestaande aandelen sterk verminderd. Voor Groningen betekent dit dat eerder geïnvesteerd vermogen op papier grotendeels verdwijnt. Toch behouden de aandeelhouders een belang in de nieuwe onderneming. Zij kunnen hopen op toekomstige inkomsten uit handel, scheepvaart en de resterende overzeese bezittingen.
De stad Groningen houdt aandelen in de nieuwe compagnie
De financiële geschiedenis van de Groningse deelname laat zien hoeveel geld er op het spel staat. Tijdens de eerste WIC heeft de stad aanzienlijke bedragen geïnvesteerd. De Zilvervloot van Piet Hein levert in 1629 en 1630 dividend op, waarna de uitkeringen lange tijd onregelmatig blijven. In 1672 ontvangt de stad opnieuw 1.791 gulden. Een jaar later volgt 1.897 gulden en in 1674 nog 544 gulden. Kort daarna houdt de eerste compagnie op te bestaan. De nieuwe onderneming neemt de resterende belangen over, maar tegen een sterk verminderde waarde. De aandeelhouders moeten aanvaarden dat de vroegere investeringen niet volledig worden terugbetaald.
In de stadsrekening van 1679 verschijnt een aandelenwaarde van 19.821 gulden. Dit bedrag vormt een belangrijk aanknopingspunt voor het onderzoek naar de financiële gevolgen van de reorganisatie. Het is geen nieuwe investering die zonder meer bij de oude bedragen kan worden opgeteld. Evenmin betekent het dat de stad dit bedrag in contanten ontvangt. Het gaat om de geregistreerde waarde van haar belang in de tweede WIC. Om de werkelijke opbrengst van de onderneming te berekenen, moeten alle eerdere stortingen, dividenden, herbeleggingen en latere uitkeringen worden vergeleken. Pas dan wordt duidelijk hoeveel geld de Groningse stadskas uiteindelijk aan de compagnie verdient of verliest.
De Kamer Stad en Lande behoudt haar plaats
De Kamer Stad en Lande blijft een van de vijf kamers van de WIC. Naast Amsterdam, Zeeland, het Noorderkwartier en de Kamer op de Maze heeft Groningen een eigen bestuurlijke vertegenwoordiging. Deze organisatie is een erfenis van de oprichting in 1621 en 1622, toen de noordelijke gewesten een afzonderlijke plaats binnen de compagnie opeisten. De Groningse kamer vertegenwoordigt de belangen van Stad en Ommelanden. Haar bewindhebbers houden toezicht op de financiële administratie, de belangen van aandeelhouders en de werkzaamheden die aan hun kamer worden toegewezen. Zij moeten daarbij samenwerken met de andere kamers, die niet altijd dezelfde economische belangen hebben.
De onderlinge verhouding is ongelijk. Amsterdam beschikt over veel grotere handelsnetwerken, kapitaalvoorraden en mogelijkheden voor scheepsuitrusting. De kleinere kamers hebben formele rechten, maar kunnen niet zelfstandig bepalen hoe de gehele compagnie wordt bestuurd. Voor Stad en Lande blijft het daarom belangrijk haar aandeel in de gezamenlijke onderneming te bewaken. De Groningse bestuurders moeten voortdurend rekening houden met besluiten die elders worden genomen. De tweede WIC is geen verzameling van vijf volledig onafhankelijke handelsbedrijven. Het is één onderneming waarin verschillende regionale belangen samenkomen en waarin de verdeling van schepen, inkomsten en bestuursfuncties tot onderhandelingen kan leiden.
De bewindhebbers en de Groningse regentenfamilies
In Groningen berust het bestuur van de kamer bij bewindhebbers. Wie voor deze functie in aanmerking wil komen, moet minstens 4.000 gulden in de onderneming hebben geïnvesteerd. Zulke grote aandeelhouders worden hoofdparticipanten genoemd. Zij kiezen de bestuurders uit hun eigen kring. Een benoeming geldt in beginsel voor het leven, tenzij iemand uit zijn functie wordt gezet. Daarmee ontstaat een bestuursvorm waarin financieel vermogen rechtstreeks toegang geeft tot macht. De gewone inwoners van Groningen hebben geen vergelijkbare invloed op de onderneming, hoewel de stad als publieke instelling zelf geld in de WIC heeft gestoken.
Tijdens de eerste compagnie telt de Groningse kamer veertien bewindhebbers. Na de reorganisatie wordt hun aantal geleidelijk teruggebracht tot twaalf. Over de gehele bestaansperiode van de kamer behoort ongeveer twee derde van de bestuurders tot de heersende stedelijke elite. De WIC is daardoor nauw verbonden met de regenten die ook binnen het stadsbestuur en andere instellingen belangrijke posities bekleden. Hun functies kunnen elkaar versterken: bestuurlijke invloed biedt toegang tot informatie en contacten, terwijl het bezit van vermogen nieuwe bestuursfuncties mogelijk maakt. Welke afzonderlijke families tussen 1675 en 1738 deze posities innemen, moet met benoemingsregisters en familiearchieven verder worden vastgesteld.
Het kantoor aan de Munnekeholm
De bewindhebbers komen bijeen in het voormalige refugium van het klooster Aduard aan de Munnekeholm. Het gebouw is al tijdens de eerste WIC in gebruik genomen. Achter het huis ligt een terrein dat zich uitstrekt richting de Schuitemakersstraat en de Reitemakersrijge. De voormalige stallen worden gebruikt voor opslag. De nabijheid van het water van de A maakt het mogelijk om goederen met kleinere vaartuigen aan te voeren. Het kantoor vormt daardoor niet alleen een plaats waar besluiten worden genomen, maar maakt ook deel uit van de vroegere handelsinfrastructuur van de compagnie.
Binnen bevinden zich vertrekken voor vergaderingen en administratie. Boekhouders en andere personeelsleden zorgen ervoor dat besluiten, ontvangsten en uitgaven worden vastgelegd. De bewindhebbers ontvangen berichten uit andere Nederlandse steden en uit de overzeese vestigingen. Veel van die informatie heeft maanden nodig om Groningen te bereiken. De afstand tussen het kantoor aan de Munnekeholm en de handelsplaatsen in Afrika en Amerika is daardoor niet alleen geografisch. Zij bepaalt ook hoe snel bestuurders op gebeurtenissen kunnen reageren. Een schip kan al weken onderweg zijn voordat een brief over zijn vertrek of bestemming in Groningen wordt besproken.
De oude scheepswerf verliest haar betekenis
Tijdens de eerste WIC heeft de Kamer Stad en Lande een eigen scheepstimmerwerf aan het Lopende Diep. Daar worden schepen gebouwd en onderhouden voor de Atlantische vaart. De aanwezigheid van zo'n werf brengt werkzaamheden mee voor timmerlieden, smeden, touwslagers en leveranciers van hout en andere materialen. De scheepsbouw vormt daarmee een directe economische verbinding tussen de WIC en de Groningse bevolking. Maar de financiële moeilijkheden van de eerste compagnie hebben de mogelijkheden om eigen schepen te bouwen steeds verder beperkt. De tweede WIC begint onder andere omstandigheden en beschikt niet meer over een vergelijkbare organisatie van eigen scheepswerven.
De nieuwe compagnie koopt schepen, huurt vaartuigen of laat de bouw uitvoeren op particuliere werven. Dat verandert de economische betekenis van de Groningse kamer. Een schip kan nog steeds administratief voor rekening van Stad en Lande varen zonder dat het in Groningen is gebouwd of uitgerust. De directe inkomsten uit scheepsbouw en bevoorrading kunnen daardoor elders terechtkomen. Dit verschil is belangrijk voor het onderzoek naar de welvaart die de WIC Groningen oplevert. Financiële deelname en plaatselijke werkgelegenheid zijn niet hetzelfde. De stad kan aandeelhouder blijven terwijl een groeiend deel van de praktische handelsactiviteiten naar Amsterdam verschuift.
De achtste reis van iedere negen
Binnen de tweede WIC geldt een regeling waarbij van iedere negen reizen de achtste aan de Kamer Stad en Lande wordt toegewezen. Daarmee behoudt Groningen een formeel aandeel in de scheepvaart. De regeling bepaalt echter niet dat iedere toegewezen reis ook daadwerkelijk vanuit een Groningse haven vertrekt. De kamers verdelen de verantwoordelijkheid voor de uitrusting en de administratie, terwijl de praktische werkzaamheden op andere plaatsen kunnen plaatsvinden. Juist de grotere havensteden beschikken over de voorzieningen, handelsvoorraden en arbeidskrachten die nodig zijn om zeeschepen gereed te maken voor een langdurige reis.
De verdeling van de reizen laat zien dat Groningen binnen de WIC meer is dan een passieve aandeelhouder. De kamer heeft een eigen plaats in de organisatie van de Atlantische scheepvaart. Tegelijk moet worden vastgesteld hoe deze regeling in de praktijk wordt uitgevoerd. Een administratief toegewezen reis kan kosten veroorzaken voor de kamer, maar de uiteindelijke opbrengsten worden binnen de gezamenlijke onderneming verwerkt. Wie wil weten wat een afzonderlijk schip Groningen oplevert, moet daarom de uitrustingsrekening, de ladingadministratie en de financiële afwikkeling van de reis onderzoeken. De toewijzing alleen geeft nog geen volledig antwoord.
1675–1683 — De handel verschuift naar Afrika en Amerika
Na het verlies van Brazilië richt de WIC zich op de handelsverbindingen die zij nog bezit. De forten en factorijen aan de West-Afrikaanse kust blijven van betekenis, evenals Curaçao en andere Nederlandse bezittingen in Amerika. De compagnie probeert inkomsten te verkrijgen uit de handel in goud, ivoor en andere goederen. Daarnaast wordt de handel in tot slaaf gemaakte Afrikanen een centraal onderdeel van haar activiteiten. Deze verschuiving verandert het karakter van de onderneming. De grote militaire veroveringen van de eerste WIC maken steeds meer plaats voor een handelsorganisatie die bestaande Atlantische verbindingen probeert te beheersen.
De handel berust op een netwerk van Europese havens, Afrikaanse kustplaatsen en Amerikaanse koloniën. Schepen vertrekken met handelsgoederen uit Europa, kopen aan de Afrikaanse kust goederen en gevangenen en varen vervolgens naar Amerikaanse bestemmingen. Daar worden mensen en goederen verkocht. De opbrengsten kunnen opnieuw worden gebruikt voor aankopen of naar Europa worden overgemaakt. Niet iedere reis volgt precies dezelfde route. De bestemming hangt af van handelscontracten, politieke omstandigheden, vraag en aanbod en de mogelijkheden van het schip. Voor de Groningse kamer is de winst afhankelijk van deze gehele keten, ook wanneer zij slechts een deel ervan rechtstreeks organiseert.
Elmina blijft een belangrijk handelscentrum
Aan de kust van het huidige Ghana ligt Elmina, dat sinds 1637 in Nederlandse handen is. Het fort is tijdens de eerste WIC op de Portugezen veroverd en blijft onder de tweede compagnie een belangrijk centrum van de Nederlandse handel. Vanuit Elmina onderhouden functionarissen contacten met Afrikaanse handelaren en machthebbers. Zij organiseren de aanvoer van goederen, houden toezicht op opslagplaatsen en proberen de belangen van de compagnie te beschermen. De plaats heeft een strategische ligging aan de kust, maar de Nederlandse macht is niet onbeperkt. Het fort vormt een steunpunt binnen een veel groter Afrikaans handelsgebied.
De handel is afhankelijk van de politieke en economische verhoudingen in de omliggende gebieden. Afrikaanse staten en handelaren beschikken over eigen netwerken en bepalen mede welke goederen beschikbaar komen en tegen welke voorwaarden zij worden verkocht. De WIC probeert met geschenken, verdragen, krediet en militaire aanwezigheid haar positie te versterken. Daarbij moet zij concurreren met andere Europese handelsorganisaties. Het Nederlandse fort is dus geen zelfstandig machtscentrum dat het gehele achterland beheerst. De economische betekenis van Elmina ontstaat juist door de verbinding tussen de kustvestiging en de Afrikaanse gemeenschappen waarmee handel wordt gedreven.
Mouri, Axim en de Nederlandse kustvestigingen
Naast Elmina gebruikt de WIC verschillende andere handelsplaatsen aan de West-Afrikaanse kust. Mouri en Axim maken deel uit van dit netwerk. De betekenis van de afzonderlijke vestigingen verschilt. Sommige plaatsen zijn belangrijk voor goud en andere handelsgoederen, terwijl elders het vervoer en de verkoop van gevangenen een grotere rol spelen. De compagnie moet de gebouwen onderhouden, personeel betalen en schepen sturen voor bevoorrading. Ook de verdediging tegen aanvallen en concurrenten brengt kosten met zich mee. De aanwezigheid van meerdere steunpunten maakt de handel mogelijk, maar vergroot tegelijkertijd de financiële verplichtingen van de onderneming.
De kustvaart is bovendien niet zonder gevaar. Schepen moeten rekening houden met stromingen, branding, weersomstandigheden en de beschikbaarheid van veilige ankerplaatsen. Goederen worden niet altijd rechtstreeks aan een grote kade gelost. Soms moeten kleinere vaartuigen de verbinding tussen schip en kust verzorgen. Voor de bewindhebbers in Groningen verschijnen deze werkzaamheden uiteindelijk als posten in rekeningen en correspondentie. Achter zulke bedragen schuilt echter een dagelijkse praktijk van zeelieden, handelaren, soldaten en arbeiders. Zonder onderzoek naar hun werkzaamheden blijft de geschiedenis van de WIC te veel beperkt tot de besluiten van de bestuurders.
1683 — Suriname krijgt een nieuwe bestuursorganisatie
In 1683 verandert het bestuur van Suriname. De kolonie is sinds de Nederlandse verovering van 1667 verbonden met de Republiek, maar de organisatie van het bestuur en de financiering blijven onderwerp van discussie. De Sociëteit van Suriname wordt opgericht door drie deelnemers: de West-Indische Compagnie, de stad Amsterdam en de familie Van Aerssen van Sommelsdijck. Deze organisatie krijgt de verantwoordelijkheid voor het koloniale bestuur. De WIC behoudt daarmee een belangrijk belang in Suriname, maar is niet de enige bestuurlijke of financiële partij. De nieuwe constructie laat zien hoe overheid, particuliere vermogens en handelscompagnieën in de koloniale wereld met elkaar verweven raken.
Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck wordt gouverneur van Suriname. Hij probeert het koloniale bestuur te versterken en de ontwikkeling van de plantages te bevorderen. Langs de Surinaamse rivieren worden gronden ontgonnen, waterwerken aangelegd en suikerplantages uitgebreid. Voor deze werkzaamheden zijn aanzienlijke investeringen nodig. De plantage-economie steunt in belangrijke mate op gedwongen arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. De productie moet via rivieren en zeeschepen de Europese markt bereiken. Voor de Groningse WIC-kamer ontstaat via de gezamenlijke compagnie een verbinding met deze economie, maar dat betekent niet dat de kamer zelf eigenaar is van afzonderlijke Surinaamse plantages.
De plantages langs de Surinaamse rivieren
De ontwikkeling van de Surinaamse plantages verandert het landschap langs de rivieren. Bos en moeras worden omgezet in landbouwgrond. Er worden afwateringssloten gegraven, dijken aangelegd en gebouwen neergezet voor de verwerking en opslag van suiker. De aanleg vergt veel arbeid en geld. De opbrengsten hangen af van de kwaliteit van de grond, het waterbeheer, de beschikbare arbeidskrachten en de mogelijkheid om suiker naar Europa te vervoeren. Plantage-eigenaren moeten bovendien rekening houden met ziekten, overstromingen, misoogsten en schommelingen van de marktprijzen. De verwachte rijkdom gaat daardoor gepaard met grote financiële risico's.
Voor de WIC is de groei van de plantage-economie belangrijk omdat de vraag naar gedwongen arbeidskrachten toeneemt. Schepen die mensen uit Afrika aanvoeren, kunnen in Amerikaanse kolonies kopers vinden. De inkomsten uit deze handel vormen een onderdeel van de Atlantische economie. Tegelijk ontstaat een afzonderlijke wereld van plantage-eigenaren, hypotheekverstrekkers, handelshuizen en tussenpersonen. De financiële belangen van Groningse families moeten binnen deze bredere structuur worden onderzocht. Een familienaam in een plantageregister kan op direct bezit wijzen, maar ook op een hypotheek, een erfenis of een andere zakelijke verhouding.
1687 — Het schip Stad en Lande en de goudhandel
Een van de concrete aanknopingspunten voor de Groningse scheepvaart is een vermelding uit 1687 van het schip Stad en Lande. In het bestaande onderzoek wordt dit schip verbonden met een goudlading van 409 mark uit Elmina. Ook worden civetkatten genoemd als handelswaar binnen de Afrikaanse handel. Deze gegevens tonen hoe uiteenlopend de ladingen van WIC-schepen konden zijn. Goud vertegenwoordigde veel waarde bij een betrekkelijk gering gewicht, terwijl andere goederen afhankelijk waren van specifieke afzetmarkten en handelscontacten.
Voor een definitieve reconstructie moet de oorspronkelijke reisadministratie worden onderzocht. De naam Stad en Lande kan naar een schip verwijzen, maar de afzonderlijke reizen moeten nauwkeurig worden onderscheiden. Ook moet worden vastgesteld of de goudlading en de civetkatten bij dezelfde tocht horen, wie het schip commandeerde en waar de goederen uiteindelijk werden verkocht. De vermelding is waardevol omdat zij de handel in goud concreet maakt. Zonder de volledige rekening kan echter niet worden bepaald hoeveel winst deze reis opleverde en welk deel daarvan aan Groningen werd toegerekend.
1688–1697 — De Negenjarige Oorlog
In 1688 begint een nieuwe grote Europese oorlog. Willem III van Oranje trekt naar Engeland en wordt daar koning, terwijl de strijd tegen Lodewijk XIV van Frankrijk zich over verschillende gebieden uitbreidt. De oorlog, die tot 1697 duurt, heeft ook gevolgen voor de internationale scheepvaart. Handelsroutes worden bedreigd door vijandelijke oorlogsschepen en kapers. De Nederlandse koopvaardij moet rekening houden met hogere risico's, vertragingen en de noodzaak van bescherming. Voor een onderneming die schepen naar Afrika en Amerika stuurt, vormt de oorlog een belangrijke verandering van de omstandigheden.
De gevolgen voor de Kamer Stad en Lande kunnen niet uitsluitend uit de algemene oorlogsgeschiedenis worden afgeleid. Er moet worden onderzocht welke Groningse WIC-schepen tijdens deze jaren vertrekken, welke vertraging oplopen en of er verliezen door kaping of oorlogshandelingen worden geregistreerd. Ook kunnen verzekeringen, vrachtprijzen en bevoorradingskosten veranderen. De oorlog biedt daarom een belangrijk onderzoeksgebied voor de financiële geschiedenis van de kamer. Pas wanneer concrete scheepsrekeningen en correspondentie beschikbaar zijn, kan worden vastgesteld hoe zwaar de strijd de Groningse belangen daadwerkelijk treft.
1688 — De dood van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck
In Suriname ontstaat in 1688 een gewelddadig conflict binnen het koloniale bestuur. Gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck wordt tijdens een muiterij van soldaten gedood. Zijn dood laat zien hoe kwetsbaar het bestuur van een overzeese kolonie kan zijn. De gouverneur vertegenwoordigt de belangen van de Sociëteit van Suriname, maar is voor de uitvoering van zijn gezag afhankelijk van militairen, koloniale functionarissen en plaatselijke machtsverhoudingen. Wanneer de verhoudingen binnen het garnizoen verslechteren, kan de koloniale bestuursorganisatie zelf in gevaar komen.
De gebeurtenis heeft betekenis voor de WIC omdat de compagnie een van de deelnemers aan de Sociëteit is. De dood van de gouverneur raakt daardoor een organisatie waarin ook de WIC financiële en bestuurlijke belangen heeft. Toch mag dit niet worden voorgesteld als een afzonderlijke Groningse gebeurtenis zonder bewijs van directe betrokkenheid. Voor de Kamer Stad en Lande is vooral van belang dat haar onderneming verbonden is met een koloniaal bestuur waarin militaire bescherming, plantage-economie en handelsbelangen voortdurend op elkaar inwerken.
1696 — Een reis naar Curaçao
Voor 1696 wordt in het bestaande onderzoek een Groningse WIC-reis genoemd waarbij honderd tot slaaf gemaakte Afrikanen op Curaçao aankomen. Het gegeven biedt een concreet aanknopingspunt voor de geschiedenis van de Kamer Stad en Lande. Curaçao is een belangrijk handelscentrum in het Caribische gebied. De natuurlijke haven maakt het eiland geschikt voor de ontvangst van Atlantische schepen. Vanuit Curaçao worden mensen en goederen verder verhandeld naar andere eilanden en naar Spaanse koloniale gebieden. Het eiland vormt daarmee een schakel tussen West-Afrika en verschillende Amerikaanse markten.
De vermelding van honderd aangekomen mensen moet nauwkeurig worden onderzocht. Het aantal dat in Afrika aan boord wordt gebracht, kan verschillen van het aantal dat Curaçao bereikt. Tijdens de reis kunnen mensen overlijden. Ook kan een registratie betrekking hebben op slechts een deel van de lading. Om de reis volledig te beschrijven, zijn de naam van het schip, de gezagvoerder, de vertrekplaats, de inschepingshaven en de verkoopgegevens nodig. Zonder deze gegevens kan het transport niet met voldoende zekerheid worden verbonden aan een volledig gereconstrueerde Groningse scheepsreis.
Curaçao en de handel met Spaans-Amerika
Curaçao heeft een bijzondere positie in de Atlantische handel. Het eiland beschikt niet over dezelfde uitgestrekte suikergebieden als Suriname of het vroegere Nederlands-Brazilië. De economische betekenis ligt voor een belangrijk deel in de haven, de overslag van goederen en de handel met andere Amerikaanse gebieden. De WIC gebruikt Curaçao als plaats waar schepen kunnen aankomen, voorraden kunnen worden aangevuld en handelscontacten worden onderhouden. De handel in tot slaaf gemaakte Afrikanen vormt daarbij een belangrijk onderdeel van de activiteiten.
De Spaanse koloniale gebieden bieden afzetmogelijkheden, maar de toegang tot die markten is afhankelijk van verdragen, vergunningen en politieke omstandigheden. Europese mogendheden proberen de handel met hun kolonies te reguleren en de opbrengsten voor zichzelf te behouden. Daardoor ontstaat een ingewikkeld stelsel van officiële contracten, tussenhandel en smokkel. Voor de WIC kunnen veranderingen in de Spaanse handelsregels grote financiële gevolgen hebben. Een schip dat Curaçao bereikt, is daarom nog niet verzekerd van een gunstige verkoop. De uiteindelijke opbrengst hangt af van de omstandigheden op de Amerikaanse markt.
1697 — Het einde van de Negenjarige Oorlog
Met de Vrede van Rijswijk in 1697 komt een einde aan de Negenjarige Oorlog. Voor de Europese handel betekent dit dat een periode van grootschalige oorlogvoering wordt afgesloten. Scheepvaart en handelscontacten kunnen zich onder andere omstandigheden ontwikkelen, hoewel de concurrentie tussen de Europese mogendheden blijft bestaan. De WIC moet opnieuw rekening houden met veranderende handelsmogelijkheden. De vrede maakt een einde aan een oorlog, maar lost de structurele financiële problemen van de compagnie niet op.
De tweede WIC blijft afhankelijk van de opbrengsten van haar Atlantische handel. Haar forten, personeel en schepen veroorzaken voortdurend kosten. Bovendien moet de onderneming concurreren met particuliere handelaren en andere Europese compagnieën. Voor de Groningse aandeelhouders betekent de vrede daarom niet automatisch dat de dividenden stijgen. De inkomsten blijven afhankelijk van afzonderlijke reizen, verkoopprijzen en de gezamenlijke financiële positie van de onderneming. De stadsrekeningen kunnen laten zien of de vrede ook werkelijk een verandering in de ontvangsten van Groningen veroorzaakt.
Rond 1700 — Groningen en de handel over de oceaan
Aan het begin van de achttiende eeuw bestaat de Groningse Kamer Stad en Lande bijna tachtig jaar. Haar oorspronkelijke opdracht is sterk veranderd. De oorlog tegen Spanje en Portugal heeft plaatsgemaakt voor een handelsorganisatie waarin West-Afrika, Curaçao en Suriname centraal staan. Groningen bezit nog altijd aandelen en levert bewindhebbers, maar de praktische uitrusting van schepen vindt steeds vaker buiten de stad plaats. De WIC blijft een bron van bestuurlijke invloed voor de Groningse elite, terwijl de directe economische werkzaamheden minder sterk met de plaatselijke haven zijn verbonden.
De financiële belangen reiken verder dan de WIC zelf. Groningse kooplieden kunnen deelnemen aan handelshuizen, geld uitlenen, goederen verhandelen of belangen verwerven in overzeese ondernemingen. De stad ontvangt bovendien belastingen op goederen die via internationale handelsnetwerken op de plaatselijke markt verschijnen. Toch moeten deze vormen van betrokkenheid afzonderlijk worden onderzocht. Het bestaan van een Groningse kamer bewijst niet dat alle koloniale producten via Groningen worden aangevoerd. Evenmin kan uit de aanwezigheid van koloniale handelswaar worden afgeleid welke personen de oorspronkelijke handel hebben gefinancierd.
1701–1714 — De Spaanse Successieoorlog
In 1701 begint de Spaanse Successieoorlog. Na het overlijden van de Spaanse koning Karel II ontstaat een strijd over de opvolging en de machtsverhoudingen in Europa. De Republiek raakt betrokken bij een langdurig conflict waarin ook Engeland, Frankrijk en verschillende Duitse vorsten een rol spelen. De oorlog heeft niet alleen betekenis voor de Europese slagvelden. Ook de handel met de Amerikaanse koloniën wordt beïnvloed door de strijd om politieke invloed, handelsrechten en de toegang tot overzeese markten.
Voor de WIC zijn vooral de verbindingen met de Spaanse koloniale wereld van belang. Curaçao ligt gunstig voor de handel met verschillende gebieden in het Caribische gebied en aan de Amerikaanse kust. Maar de oorlog maakt de politieke verhoudingen onzeker. Schepen kunnen worden bedreigd, handelsvergunningen kunnen veranderen en afnemers kunnen andere leveranciers zoeken. De Groningse kamer moet daarom functioneren binnen een onderneming waarvan de mogelijkheden mede worden bepaald door internationale diplomatie en oorlogvoering. Welke afzonderlijke reizen hierdoor worden geraakt, vraagt om controle van de scheepsadministratie.
De strijd om handelsrechten
De Europese oorlogen gaan niet uitsluitend over vorstelijke opvolging of territoriale macht. De toegang tot koloniale markten speelt eveneens een belangrijke rol. Vooral de handel met Spaans-Amerika is aantrekkelijk voor Europese kooplieden. De Spaanse kroon probeert deze handel te reguleren, terwijl andere mogendheden mogelijkheden zoeken om goederen en arbeidskrachten te leveren. Contracten voor de levering van tot slaaf gemaakte Afrikanen krijgen daardoor een politieke en economische betekenis die verder reikt dan de afzonderlijke handelsreis.
De WIC bevindt zich in deze strijd in een moeilijke positie. Zij beschikt over een netwerk van Afrikaanse vestigingen en Amerikaanse steunpunten, maar kan niet zelfstandig de internationale handelsvoorwaarden bepalen. Wanneer andere Europese ondernemingen gunstiger toegang tot de Spaanse markten verkrijgen, kan dat haar afzetmogelijkheden beperken. De belangen van de Groningse kamer zijn met deze ontwikkelingen verbonden, hoewel haar bewindhebbers de diplomatieke beslissingen niet zelf nemen. De geschiedenis van Stad en Lande kan daarom niet los worden geschreven van de internationale strijd om koloniale handelsrechten.
1711 — Bors van Waveren en de Groningse schepen
In 1711 doet de Amsterdamse WIC-bewindhebber Bors van Waveren een belangrijke uitspraak over de Kamer Stad en Lande. Hij verklaart dat de Groningse kamer haar schepen in Amsterdam uitrust. De mededeling maakt duidelijk hoe de organisatie van de tweede WIC in de praktijk functioneert. Groningen behoudt een eigen kamer en een aandeel in de scheepvaart, maar de werkzaamheden die nodig zijn om een schip te laten vertrekken, vinden niet noodzakelijk in Groningen plaats. Amsterdam beschikt over de handelsvoorraden, scheepswerven, leveranciers en bemanningsmogelijkheden die daarvoor nodig zijn.
De uitspraak heeft gevolgen voor de beoordeling van de Groningse economische belangen. Een reis die administratief aan Stad en Lande wordt toegeschreven, kan werkgelegenheid en inkomsten opleveren voor Amsterdamse scheepsbouwers, handelaren en leveranciers. Groningen behoudt de financiële verantwoordelijkheid en de bestuurlijke betrokkenheid, maar ontvangt niet automatisch alle directe voordelen van de uitrusting. Dit verklaart waarom de geschiedenis van de Groningse WIC niet uitsluitend kan worden geschreven vanuit de plaatselijke haven. De administratieve en financiële netwerken van de kamer reiken verder dan de stad waar haar bewindhebbers vergaderen.
1713 — De Vrede van Utrecht
In 1713 wordt de Vrede van Utrecht gesloten. De vredesverdragen veranderen de internationale machtsverhoudingen en hebben gevolgen voor de handel met de Spaanse koloniale gebieden. Groot-Brittannië verkrijgt belangrijke handelsrechten, waaronder het recht om via de South Sea Company gedurende een vastgestelde periode tot slaaf gemaakte Afrikanen aan Spaans-Amerika te leveren. Daarmee krijgt een Britse onderneming een sterke positie op een markt die ook voor Nederlandse handelaren van betekenis is.
Voor de WIC betekent dit dat zij rekening moet houden met een concurrent die door internationale verdragen bijzondere rechten heeft verkregen. Curaçao blijft een belangrijk handelscentrum, maar de compagnie kan niet vanzelfsprekend rekenen op dezelfde mogelijkheden als voorheen. De Groningse kamer deelt in de financiële gevolgen van deze veranderende positie. De vrede brengt dus niet alleen een einde aan oorlogshandelingen. Zij legt ook nieuwe commerciële verhoudingen vast, waarin de belangen van Europese staten en handelscompagnieën nauw met elkaar verbonden zijn.
De WIC na de vrede
Na 1713 blijft de WIC actief in de Atlantische handel. De compagnie onderhoudt haar vestigingen aan de Afrikaanse kust en haar belangen in Amerika. Tegelijk groeit de concurrentie van particuliere ondernemingen. De kosten van de eigen organisatie blijven hoog. Forten moeten worden onderhouden, personeel moet worden betaald en schepen moeten worden uitgerust. De inkomsten zijn afhankelijk van handel die door oorlog, politieke veranderingen en marktprijzen kan worden beïnvloed. De bewindhebbers moeten voortdurend afwegen hoeveel geld zij in de onderneming kunnen steken en welke opbrengsten redelijkerwijs te verwachten zijn.
De financiële problemen van de compagnie zijn voor Groningen van belang omdat de stad en particuliere aandeelhouders afhankelijk blijven van de resultaten van de gezamenlijke onderneming. In de tweede WIC worden vaker dividenden uitgekeerd dan in de laatste decennia van de eerste compagnie, maar de bedragen zijn betrekkelijk klein en de uitkeringen vinden niet ieder jaar plaats. Een afzonderlijk winstgevend schip betekent daarom niet noodzakelijk dat alle aandeelhouders onmiddellijk geld ontvangen. De totale financiële positie van de WIC blijft bepalend voor de verdeling van de opbrengsten.
De bemanningen van de Atlantische schepen
Achter iedere WIC-reis staat een groep zeelieden die het schip over de oceaan moet brengen. De gezagvoerder draagt de verantwoordelijkheid voor de navigatie en de dagelijkse leiding. Stuurlieden bepalen mede de koers, terwijl matrozen de zeilen bedienen, het schip onderhouden en de lading behandelen. Timmerlieden en andere vaklieden zijn nodig om schade tijdens de reis te herstellen. De bemanning moet weken of maanden op zee kunnen overleven. Daarom worden voedsel, water, gereedschap en andere benodigdheden ingescheept voordat het schip vertrekt.
De werkzaamheden zijn zwaar en kunnen gevaarlijk zijn. Stormen, ziekten, ongelukken en tekorten aan voedsel of water bedreigen de bemanning. Ook kan een schip tijdens oorlogen worden aangevallen of buitgemaakt. De zeelieden hebben niet dezelfde positie als de bewindhebbers die de reis financieren. Hun inkomsten bestaan uit loon en eventuele andere contractueel vastgelegde vergoedingen. Voor een geschiedenis van de Groningse kamer is het daarom belangrijk de monsterrollen te onderzoeken. Daarmee kunnen niet alleen gezagvoerders, maar ook gewone bemanningsleden worden geïdentificeerd en waar mogelijk met hun herkomstplaatsen worden verbonden.
De mensen die tegen hun wil worden vervoerd
De tweede WIC vervoert gedurende deze periode duizenden tot slaaf gemaakte Afrikanen over de Atlantische Oceaan. De mensen die aan boord worden gebracht, hebben hun vrijheid verloren door gevangenneming, oorlog, ontvoering of andere vormen van gedwongen afhankelijkheid. Zij worden naar kustplaatsen gebracht en daar aan handelaren verkocht. De WIC koopt hen en vervoert hen vervolgens naar Amerikaanse markten. Voor de compagnie is dit een commerciële activiteit, waarvoor aantallen, kosten en verkoopopbrengsten worden geregistreerd. Voor de betrokken mensen betekent de reis gedwongen verwijdering uit hun omgeving en het verlies van zeggenschap over hun eigen leven.
De omstandigheden aan boord zijn zwaar. Gevangenen beschikken over weinig ruimte en zijn afhankelijk van de bemanning voor voedsel, water en medische verzorging. Ziekten, geweld en sterfte maken deel uit van de geschiedenis van deze reizen. De aantallen die in de administratie voorkomen, moeten daarom zorgvuldig worden onderscheiden. Het aantal mensen dat in Afrika wordt ingescheept, is niet noodzakelijk gelijk aan het aantal dat Amerika bereikt. Ook kunnen mensen na aankomst naar andere bestemmingen worden vervoerd. De scheepsregisters geven een belangrijk deel van de geschiedenis weer, maar laten de persoonlijke ervaringen van de meeste betrokkenen grotendeels buiten beeld.
1725 — De WIC beperkt haar eigen vloot
In de eerste decennia van de achttiende eeuw verandert de scheepsorganisatie van de WIC verder. De tweede compagnie beschikt niet over de grote eigen werven van haar voorganger en maakt gebruik van gekochte, gehuurde of particulier gebouwde schepen. Na 1725 investeren de bewindhebbers niet meer in een omvangrijke eigen vloot. De onderneming blijft scheepvaart organiseren, maar de verhouding tussen haar eigen bezit en de inzet van particuliere vaartuigen verandert. Dit is een belangrijk verschil met de eerste WIC, die tijdens de oorlog om Brazilië grote aantallen schepen voor militaire en commerciële ondernemingen gebruikte.
Tussen 1674 en 1740 beschikt de tweede WIC volgens het scheepvaarthistorische overzicht over 197 schepen. Dit aantal heeft betrekking op de gehele compagnie en mag niet worden voorgesteld als het aantal Groningse vaartuigen. Voor de Kamer Stad en Lande moet afzonderlijk worden vastgesteld welke schepen administratief aan haar worden toegewezen en welke reizen zij daadwerkelijk ondernemen. Ook moet worden onderzocht of een schip voor meerdere kamers vaart of gedurende zijn bestaan van eigenaar verandert. Alleen een volledige scheepsinventaris kan laten zien hoe de Groningse deelname zich ontwikkelt.
De bescherming van de handel aan de Afrikaanse kust
De WIC probeert haar handelsrechten aan de Afrikaanse kust te beschermen tegen concurrenten en particuliere handelaren. Vanaf 1686 is gedurende lange tijd een bewapende kruiser in het gebied actief. Zulke schepen moeten toezicht houden op de handel en optreden tegen ondernemingen die de rechten van de compagnie omzeilen. De aanwezigheid van een kruiser kost geld. Het schip moet worden uitgerust, de bemanning moet worden betaald en er zijn voortdurend voorraden nodig. De bewindhebbers moeten deze uitgaven afwegen tegen de verwachte inkomsten uit de handel.
De militaire aanwezigheid garandeert geen volledige controle. Andere Europese mogendheden beschikken over eigen handelsorganisaties en schepen. Afrikaanse machthebbers behouden bovendien hun eigen politieke en economische belangen. De WIC moet daarom voortdurend onderhandelen, concurreren en haar positie verdedigen. Voor Groningen is dit belangrijk omdat de kosten van de bescherming binnen de gezamenlijke onderneming worden gedragen. Een deel van het geld dat aandeelhouders investeren, wordt dus niet rechtstreeks besteed aan het kopen van handelsgoederen, maar aan de instandhouding van het netwerk waarbinnen die handel mogelijk is.
1730 — Een nieuw octrooi voor de compagnie
In 1730 krijgt de tweede WIC een nieuw octrooi. De onderneming probeert haar positie te behouden in een Atlantische wereld waarin particuliere handelaren steeds meer mogelijkheden krijgen. Het oorspronkelijke systeem van handelsmonopolies staat onder druk. Kooplieden willen zelf schepen kunnen uitrusten en rechtstreeks deelnemen aan de handel. De WIC moet daarom haar bestaande rechten verdedigen en tegelijk rekening houden met veranderingen in de politieke opvattingen over de organisatie van de overzeese handel.
Voor de Kamer Stad en Lande betekent dit dat de traditionele verdeling van scheepsreizen en handelsactiviteiten minder vanzelfsprekend wordt. De Groningse bewindhebbers hebben belang bij het voortbestaan van de compagnie, omdat hun investeringen en functies daarmee verbonden zijn. Particuliere handelaren kunnen daarentegen voordeel zien in een grotere vrijheid om zelfstandig handel te drijven. Het conflict gaat dus niet uitsluitend over de vraag welke organisatie het meest efficiënt werkt. Het betreft ook de verdeling van inkomsten, handelsrechten en bestuurlijke invloed tussen bestaande instellingen en nieuwe ondernemingen.
1734 — De particuliere handel krijgt meer ruimte
In 1734 wordt de positie van de WIC opnieuw gewijzigd. De compagnie verliest een belangrijk deel van haar handelsmonopolie. Particuliere handelaren krijgen meer ruimte om eigen reizen te organiseren. De verandering heeft grote gevolgen voor de Atlantische scheepvaart. De WIC blijft actief, maar is niet langer de enige Nederlandse organisatie die op de betrokken markten kan opereren. De onderneming moet daardoor concurreren met handelaren die hun eigen kapitaal inzetten en niet dezelfde bestuurlijke organisatie hoeven te onderhouden.
De verschuiving blijkt uit de aantallen uitgeruste schepen. Tussen 1730 en 1734 rust de WIC 24 schepen uit voor de handel in tot slaaf gemaakte mensen, terwijl particuliere handelaren in dezelfde periode 33 schepen uitrusten. Deze cijfers betreffen de bredere Nederlandse Atlantische handel en kunnen niet rechtstreeks aan Groningen worden toegeschreven. Zij laten wel zien hoe de machtsverhoudingen veranderen. De compagnie verliest een deel van de bescherming die haar vroegere monopolie heeft geboden. Voor de Groningse kamer wordt het daardoor moeilijker om haar oude plaats binnen de Atlantische economie te behouden.
De Groningse kamer en de particuliere kooplieden
De groei van de particuliere handel roept nieuwe vragen op over de Groningse betrokkenheid bij de Atlantische wereld. Niet iedere reis die door een Groninger wordt gefinancierd, behoort tot de Kamer Stad en Lande. Evenmin hoeft een reis van de Groningse kamer vanuit Groningen te vertrekken. Particuliere kooplieden kunnen eigen handelscontracten sluiten, aandelen bezitten in schepen of geld uitlenen aan ondernemingen die buiten de WIC opereren. Daardoor ontstaat een economisch netwerk dat niet volledig zichtbaar is in de administratie van de compagnie.
Om de Groningse belangen te reconstrueren, moeten verschillende bronnen naast elkaar worden gelegd. De aandeelhoudersregisters van de WIC geven informatie over de officiële investeerders. Notariële akten kunnen wijzen op particuliere handelscontracten, leningen en scheepsparten. Familiearchieven kunnen gegevens bevatten over erfenissen en overgedragen belangen. De stadsrekeningen laten zien welke bedragen de overheid ontvangt of uitgeeft. Pas door deze bronnen te combineren, wordt duidelijk hoe de Groningse elite haar kapitaal verdeelt tussen publieke functies, compagnieaandelen en particuliere handelsactiviteiten.
De inkomsten van Groningen buiten de WIC
De stad Groningen profiteert niet uitsluitend van dividenden uit de WIC. Ook de verkoop van koloniale goederen kan inkomsten voor de stadskas opleveren. Tabak en koffie worden op de plaatselijke markt verhandeld en zijn onderworpen aan belastingen. De inkomsten uit tabak stijgen volgens het gemeentelijke onderzoek op lange termijn van ongeveer 200 gulden per jaar in de zeventiende eeuw tot ongeveer 2.000 gulden rond 1800. De belasting op koffie levert gemiddeld ongeveer 1.000 gulden per jaar op. Deze bedragen hebben betrekking op een langere periode en mogen niet volledig aan de jaren 1675–1738 worden toegeschreven.
De belastinginkomsten zijn van belang omdat zij laten zien dat koloniale handel ook buiten het directe aandelenbezit gevolgen heeft voor de stad. De WIC kan weinig of geen dividend uitkeren terwijl de verkoop van ingevoerde goederen toch belastinginkomsten oplevert. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de handel in een product en de route waarlangs het Groningen bereikt. Koffie en tabak kunnen via Amsterdam of andere handelsplaatsen op de Groningse markt terechtkomen. Hun aanwezigheid bewijst daarom niet dat ze rechtstreeks door Groningse WIC-schepen zijn aangevoerd.
De rol van de kerk in de Atlantische wereld
Naast bestuurders, soldaten en kooplieden zijn ook predikanten en andere kerkelijke functionarissen aanwezig in de Nederlandse Atlantische gebieden. Zij verzorgen godsdienstige bijeenkomsten, begeleiden koloniale gemeenschappen en onderhouden contacten met kerkelijke instellingen in de Republiek. In sommige overzeese gebieden ontstaat een nauwe verhouding tussen kerkelijke organisatie en koloniaal bestuur. Predikanten kunnen afhankelijk zijn van de steun van gouverneurs, compagniefunctionarissen en plaatselijke bestuurders. Hun werkzaamheden maken daardoor deel uit van de bredere maatschappelijke organisatie van de Nederlandse aanwezigheid overzee.
Voor de Groningse Kamer Stad en Lande is de precieze kerkelijke betrokkenheid tussen 1675 en 1738 nog onvoldoende vastgesteld. Er moet worden onderzocht welke predikanten vanuit Groningen of de Ommelanden naar West-Afrika en Amerika vertrekken, welke functies zij vervullen en welke contacten zij onderhouden met de WIC. Ook de correspondentie van kerkelijke instellingen kan informatie bevatten over het dagelijks leven in de koloniale gebieden. Zonder zulke bronnen mogen algemene ontwikkelingen binnen de gereformeerde kerk niet zonder meer als afzonderlijke Groningse activiteiten worden gepresenteerd.
De Groningse bewindhebbers en hun familiebelangen
De bestuurlijke geschiedenis van de Kamer Stad en Lande is onlosmakelijk verbonden met de families die de belangrijkste functies bekleden. De bewindhebbers komen grotendeels uit een vermogende kring van stedelijke regenten. Zij kunnen naast hun werkzaamheden voor de WIC ook functies vervullen in het stadsbestuur, de rechtspraak of andere instellingen. Huwelijken en erfenissen verbinden families met elkaar, terwijl aandelen en andere bezittingen van generatie op generatie kunnen overgaan. Daardoor kan een belang in de WIC langdurig binnen een familie blijven bestaan.
Toch is het niet voldoende om uitsluitend de familienamen te verzamelen. Voor iedere bewindhebber moet worden vastgesteld wanneer hij wordt benoemd, welke functies hij eerder heeft vervuld en hoeveel kapitaal hij in de compagnie heeft geïnvesteerd. Ook zijn verwantschappen met andere bestuurders en zijn eventuele belangen in handelshuizen of plantages moeten worden onderzocht. Alleen dan kan worden aangetoond hoe financiële en politieke macht in Groningen samenkomen. De algemene vaststelling dat veel bestuurders tot de stedelijke elite behoren, is een beginpunt voor dit onderzoek, geen volledige beschrijving van het netwerk.
1675–1738 — Drieëndertig reizen voor Stad en Lande
Het onderzoek van Johannes Postma biedt een belangrijke basis voor de reconstructie van de Groningse scheepvaart. Voor de periode 1675–1738 schrijft hij 33 reizen in de Atlantische slavenhandel toe aan de Kamer Stad en Lande. Bij deze reizen worden in totaal 16.868 tot slaaf gemaakte Afrikanen vervoerd. Daarmee is de Groningse kamer verantwoordelijk voor 12,6 procent van de aan WIC-kamers toegeschreven reizen in deze periode. Dat aandeel is groter dan de negende waarop Stad en Lande volgens de organisatorische verdeling recht heeft.
De cijfers tonen aan dat Groningen binnen de tweede WIC een aantoonbare plaats heeft in de Atlantische slavenhandel. Tegelijk is voorzichtigheid nodig bij de interpretatie. Het totaal omvat niet alle reizen van de eerste WIC en evenmin alle latere activiteiten. Ook ontbreken reizen waarvan niet bekend is voor welke kamer zij zijn uitgevoerd. Het aantal van 16.868 kan daarom niet worden voorgesteld als het volledige aantal mensen dat gedurende de gehele geschiedenis van de Groningse WIC-kamer is vervoerd. Het is een afgebakende telling die op verder scheepsonderzoek moet worden aangevuld.
De scheepsregisters en de ontbrekende namen
De 33 reizen bieden de mogelijkheid om de Groningse scheepvaart nauwkeurig te reconstrueren. Voor iedere tocht moeten de naam van het schip, de gezagvoerder, de vertrekdatum, de Afrikaanse handelsplaatsen en de Amerikaanse bestemming worden vastgesteld. Daarnaast zijn de aantallen ingescheepte en aangekomen mensen van belang. De rekeningen kunnen informatie bevatten over de handelsgoederen die aan de Afrikaanse kust worden aangeboden, de kosten van de uitrusting en de opbrengsten van de verkoop. Daarmee kan een algemene telling worden omgezet in een geschiedenis van afzonderlijke schepen en bemanningen.
De gepubliceerde totaalcijfers zijn daarvoor niet voldoende. Zij geven de omvang van de handel weer, maar vertellen nog niet welke personen de afzonderlijke reizen organiseren. De namen van gezagvoerders, boekhouders en andere betrokkenen moeten worden gekoppeld aan de archiefstukken. Ook moet worden onderzocht of bemanningsleden uit Groningen, de Ommelanden of andere gebieden afkomstig zijn. Pas wanneer deze gegevens beschikbaar zijn, kan worden vastgesteld welke directe rol Groningers aan boord en in de overzeese handel vervullen.
Wat de reizen financieel opleveren
Een WIC-reis brengt verschillende soorten kosten met zich mee. Het schip moet worden gekocht of gehuurd, de bemanning moet worden betaald en er zijn voorraden nodig. Handelsgoederen moeten worden aangeschaft voordat de reis begint. Aan de Afrikaanse kust ontstaan nieuwe kosten voor opslag, vervoer en handel. De overtocht naar Amerika kan vertraging oplopen door weersomstandigheden, ziekte of andere problemen. Na aankomst moeten de goederen of mensen worden verkocht en moeten de ontvangsten administratief worden verwerkt. De uiteindelijke winst kan pas worden vastgesteld wanneer alle kosten tegenover de opbrengsten zijn geplaatst.
Voor Groningen is bovendien van belang hoe de resultaten binnen de WIC worden verdeeld. De opbrengst van een reis kan niet zonder meer gelijk worden gesteld aan een dividend voor de stad. De gezamenlijke compagnie heeft eigen uitgaven en verplichtingen. De aandeelhouders ontvangen alleen geld wanneer een uitkering wordt vastgesteld. Daarom moet de financiële geschiedenis op verschillende niveaus worden onderzocht: de afzonderlijke reis, de Kamer Stad en Lande, de gezamenlijke WIC en de stad Groningen als aandeelhouder. Zonder dit onderscheid ontstaat gemakkelijk een te hoog of te laag beeld van de economische opbrengsten.
1738 — De Groningse kamer in een veranderende wereld
Aan het einde van 1738 bestaat de Kamer Stad en Lande nog steeds. Sinds de oprichting van de eerste WIC in 1621 heeft zij de verovering van Brazilië, de oorlog tegen Portugal, het verlies van Recife en de financiële ondergang van de oorspronkelijke compagnie meegemaakt. Onder de tweede WIC heeft Groningen haar bestuurlijke en financiële positie behouden, maar de aard van de onderneming is veranderd. De handel in West-Afrika en Amerika heeft een grotere betekenis gekregen, terwijl de particuliere scheepvaart steeds sterker met de officiële compagnie concurreert.
De Kamer Stad en Lande heeft in de periode 1675–1738 volgens Postma aan 33 reizen deelgenomen waarbij 16.868 tot slaaf gemaakte Afrikanen zijn vervoerd. Deze cijfers maken duidelijk dat Groningen niet slechts op afstand betrokken is bij de Atlantische handel. Tegelijk blijkt uit de uitrusting van schepen in Amsterdam dat de financiële en bestuurlijke betrokkenheid niet altijd samenvalt met plaatselijke scheepsbouw of havenactiviteiten. De Groningse kamer is een onderdeel van een internationale onderneming waarin beslissingen, goederenstromen en opbrengsten over verschillende plaatsen zijn verdeeld.
De Groningse stadskas en de lange termijn
De financiële gevolgen van de WIC worden pas zichtbaar wanneer de geschiedenis over een langere periode wordt gevolgd. De stad heeft tijdens de eerste compagnie aanzienlijke bedragen geïnvesteerd en slechts onregelmatig dividend ontvangen. Bij de reorganisatie in 1674 is de waarde van haar belang sterk verminderd. Onder de tweede WIC worden opnieuw uitkeringen gedaan, maar niet ieder jaar en doorgaans voor betrekkelijk kleine bedragen. Volgens het gemeentelijke onderzoek verdient de stad in de daaropvolgende eeuw uiteindelijk ongeveer terug wat zij in de onderneming heeft gestoken.
Deze uitkomst betekent niet dat alle betrokkenen evenveel voordeel hebben. De stadskas, particuliere aandeelhouders, bewindhebbers en leveranciers hebben verschillende financiële belangen. Ook moet rekening worden gehouden met de waarde van geld over een lange periode en met de momenten waarop bedragen worden ontvangen. Een gulden die tientallen jaren na de oorspronkelijke investering wordt uitgekeerd, heeft niet dezelfde economische betekenis als een gulden die onmiddellijk beschikbaar is. De werkelijke financiële geschiedenis vraagt daarom om een chronologische reconstructie van alle ontvangsten en uitgaven.
De macht van Groningen heeft grenzen
De geschiedenis van de tweede WIC laat zien dat Groningen binnen de Atlantische wereld een bestuurlijke positie bezit, maar geen zelfstandige koloniale macht vormt. De Kamer Stad en Lande kan bewindhebbers benoemen en deelnemen aan de gezamenlijke besluitvorming. Zij beschikt over een formeel aandeel in de scheepvaart en beheert financiële belangen. Toch worden de belangrijkste handelsroutes, koloniale gebieden en internationale verdragen niet uitsluitend vanuit Groningen bestuurd. De stad is afhankelijk van de gezamenlijke WIC, van andere Nederlandse handelscentra en van politieke ontwikkelingen buiten de Republiek.
Deze afhankelijkheid verklaart waarom de Groningse belangen gedurende de achttiende eeuw veranderen. Amsterdam trekt een groot deel van de praktische handelsactiviteiten naar zich toe. Particuliere kooplieden krijgen meer ruimte en de oude monopoliepositie van de compagnie verzwakt. Groningen blijft deelnemen, maar de directe betekenis van haar kamer voor de plaatselijke scheepvaart neemt af. De financiële en bestuurlijke geschiedenis van de WIC loopt daardoor niet gelijk met de ontwikkeling van de Groningse haven en scheepsbouw. Juist dat verschil is noodzakelijk om de werkelijke betekenis van de compagnie voor Stad en Ommelanden te begrijpen.
Het einde van een periode
In 1738 staat de tweede West-Indische Compagnie voor een nieuwe fase. De organisatie bestaat nog, maar haar oude handelsrechten zijn verzwakt. De concurrentie van particuliere ondernemingen groeit en de kosten van de overzeese vestigingen blijven zwaar drukken. De Kamer Stad en Lande behoudt haar plaats binnen het bestuur, terwijl de feitelijke scheepsuitrusting grotendeels buiten Groningen plaatsvindt. De stad blijft aandeelhouder en ontvangt in de loop van de achttiende eeuw opnieuw dividenden, maar haar invloed op de internationale handelsverhoudingen is beperkt.
De geschiedenis tussen 1675 en 1738 laat daarmee zien hoe de Groningse betrokkenheid verandert van een onderneming die ooit grote koloniale veroveringen financierde in een langdurig financieel en bestuurlijk belang binnen de Atlantische handel. De namen van de bewindhebbers, de afzonderlijke scheepsreizen en de precieze verdeling van de opbrengsten vragen nog om aanvullend archiefonderzoek. Wat wel vaststaat, is dat de Kamer Stad en Lande gedurende deze periode actief verbonden blijft met de tweede WIC en haar handel tussen Europa, Afrika en Amerika.