Geld, geweten en gezag. Jan Bernd Bicker en de verandering van Nederland, 1648–1812
Deel 1 — Een onafhankelijke Republiek verdeelt haar macht, 1648–1745
Op de Amsterdamse kades moest iedere lading door mensenhanden. Graan werd gelost, hout versleept, vaten werden gerold en goederen naar pakhuizen gebracht. Over het IJ en de Zuiderzee stond de stad in verbinding met verre markten; vaarten en wegen verbonden haar met het achterland. Die handelswereld bracht uiteenlopende belangen bijeen. Kooplieden wachtten op schepen en berichten, geldschieters op betalingen, knechten op voldoende werkdagen. De vrede met Spanje in 1648 veranderde de omstandigheden waaronder zij hun bestaan verdienden. De oorlog met Spanje eindigde, maar handel en scheepvaart bleven bescherming vragen. Wie daarvoor moest betalen en wie erover mocht beslissen, werd een nieuwe bron van strijd.
De onafhankelijkheid die Spanje erkende, was tijdens de Opstand geleidelijk werkelijkheid geworden. Steden en gewesten hadden hun eigen instellingen behouden en gezamenlijk een staat gevormd zonder koning. Amsterdam was binnen die Republiek uitgegroeid tot een belangrijk knooppunt van handel en krediet. Scheepvaart, immigratie, ambachtelijke kennis en internationale betrekkingen hadden die groei mogelijk gemaakt. De welvaart bleef afhankelijk van verbindingen buiten de stad. Een oorlog kon een vaarroute bedreigen; een misoogst kon de graanprijs opdrijven; minder buitenlandse vraag kon werkplaatsen opdrachten kosten. Het stadsbestuur moest daardoor voortdurend rekening houden met gebeurtenissen waarop het zelf weinig greep had.
Op 15 mei 1648 bekrachtigden Nederlandse en Spaanse gezanten in Münster de vrede. De zeven provincies van de Republiek behielden eigen rechten, besturen en financiële verplichtingen. Hun afgevaardigden overlegden in de Staten-Generaal over gezamenlijke aangelegenheden, waaronder buitenlandse betrekkingen en oorlogvoering. Zij vertegenwoordigden hun gewest en waren gebonden aan opdrachten en overleg met hun achterban. Binnen Holland hadden de steden veel invloed. Amsterdam woog zwaar door zijn omvang, handelsbelangen en financiële mogelijkheden. Holland droeg bovendien het grootste deel van de gezamenlijke uitgaven. Besluiten over de verdediging vroegen daarom niet alleen militaire overeenstemming, maar ook de medewerking van bestuurders die het geld moesten opbrengen.
Tijdens de oorlog had de dreiging samenwerking noodzakelijk gemaakt. Belastingen en leningen betaalden soldaten, oorlogsschepen, voedsel en uitrusting. Na de vrede liepen de prioriteiten verder uiteen. Handelssteden wilden hun scheepvaart beschermen en de lasten verminderen. Gewesten aan de landgrens hadden meer reden om een sterk leger te verlangen. Willem II wilde als kapitein-generaal de militaire slagkracht behouden. Holland drong aan op vermindering van de legeruitgaven. Achter het geschil over soldaten en geld lag een bevoegdheidsvraag: hoeveel ruimte had een gewest om zijn eigen koers te volgen wanneer de gezamenlijke verdediging en de positie van de militaire bevelhebber in het geding waren?
Willem II zet de gebroeders Bicker onder militaire druk
In Amsterdam behoorden Andries en Cornelis Bicker tot de invloedrijke tegenstanders van Willem II. Zij verdedigden de positie van hun stad in de strijd over legeruitgaven en gezag. De stadhouder beperkte zich niet tot onderhandelingen. In de zomer van 1650 liet hij zes Hollandse bestuurders op Loevestein opsluiten en stuurde hij troepen naar Amsterdam. De poging de stad te overrompelen mislukte, maar de dreiging van militair optreden bleef bestaan. Onder die druk moesten de gebroeders Bicker hun bestuursfuncties opgeven. Amsterdam ontliep een bezetting, terwijl twee van zijn machtigste regenten hun positie verloren.
Het conflict maakte zichtbaar hoe kwetsbaar stedelijke zelfstandigheid kon worden zodra een tegenstander soldaten inzette. Bezit, ambten en zakelijke betrekkingen hadden de Bickers ver gebracht, maar boden geen afdoende bescherming tegen militaire dwang. Bijna een eeuw later zou Jan Bernd Bicker in dezelfde familie worden geboren. Uit die verwantschap valt niet af te leiden welke overtuigingen hij meekreeg. Wel droeg zijn familienaam een politieke geschiedenis met zich mee. De vraag naar de verhouding tussen Amsterdam en Oranje was daarin verbonden met concrete gebeurtenissen: gevangenneming, een mislukte aanval en het gedwongen vertrek van bestuurders.
Willem II stierf in november 1650. Holland en verschillende andere provincies lieten het stadhouderschap vervolgens onbezet. Vanaf 1653 vervulde Johan de Witt als raadpensionaris van Holland een centrale rol in het overleg tussen steden en gewesten. Hij beschikte over kennis, contacten en onderhandelingsvaardigheid, maar kon de Republiek niet naar eigen inzicht besturen. Zijn invloed vereiste samenwerking met andere machtsdragers. De bescherming van plaatselijke en gewestelijke rechten bleef daardoor stevig verankerd. Dezelfde inrichting kon gezamenlijke besluiten vertragen wanneer belangen botsten, steden voorwaarden stelden of gewesten de verlangde bijdrage niet wilden betalen.
Amsterdamse ambten blijven binnen een beperkte kring
In Amsterdam stonden vier burgemeesters aan het hoofd van het dagelijkse stadsbestuur. De vroedschap telde zesendertig leden. Schout en schepenen hadden belangrijke taken bij rechtspraak en ordehandhaving. De meeste inwoners konden deze bestuurders niet rechtstreeks kiezen. Toegang tot een ambt verliep via bestaande instellingen, voordrachten en benoemingen. De precieze verhouding tot het stadhouderlijke gezag veranderde door de tijd heen, maar binnen de stad bleven familiebetrekkingen en persoonlijke aanbevelingen van groot belang. Een zoon uit een gevestigde regentenfamilie kon voortbouwen op contacten die voor een buitenstaander nauwelijks bereikbaar waren.
Die bestuurlijke verhoudingen stonden niet los van bezit en werk. Huiseigenaren ontvingen huur, ondernemers verdeelden opdrachten en geldschieters verstrekten krediet. Huurders, knechten en schuldenaren moesten hun verplichtingen nakomen, ook wanneer inkomsten tegenvielen. Toch vormden vermogende inwoners geen eensgezinde groep en gaf rijkdom niet vanzelf toegang tot het bestuur. Afkomst, godsdienst, opleiding en relaties telden eveneens mee. Omgekeerd konden ambachtslieden en andere inwoners via hun organisaties of gezamenlijk optreden invloed uitoefenen. De verdeling van ambten bleef echter veel smaller dan de kring van mensen die belasting betaalden en het stedelijke leven gaande hielden.
Godsdienst bepaalde mede welke plaats iemand kon innemen. De gereformeerde kerk had een bevoorrechte openbare positie. Katholieken, doopsgezinden, lutheranen, remonstranten en Joden maakten deel uit van de samenleving, maar hun rechten en mogelijkheden waren niet gelijk. Kerkelijke instellingen organiseerden bovendien ondersteuning, onderwijs en het gemeenschapsleven. Ook geografisch was de Republiek ongelijk ingericht. De Generaliteitslanden, waaronder Staats-Brabant, werden namens de gezamenlijke staat bestuurd zonder dezelfde provinciale vertegenwoordiging als de zeven gewesten. De vrijheid die tegenover Spanje was bevochten, betekende daardoor niet overal hetzelfde. Stedelijke zelfstandigheid kon samengaan met beperkte zeggenschap van de eigen inwoners.
Tegelijk verschenen boeken waarin juist de rechtvaardiging van gezag werd onderzocht. Drukkers, geleerden en lezers onderhielden contacten over grenzen heen. Spinoza behandelde in 1670 de verhouding tussen godsdienst en overheid en verdedigde vrijheid van denken en spreken. Dat maakte de Republiek nog niet tot een samenleving waarin iedere overtuiging ongehinderd kon worden geuit. Verboden en vervolging bleven bestaan. Maar naast geschillen over belastingen, militaire uitgaven en ambten werden ook fundamentelere vragen gesteld. Welke ruimte moest de overheid laten aan verschillende overtuigingen? Waar eindigde gehoorzaamheid? En op welke grond mocht een bestuur aanspraak maken op het vertrouwen van zijn inwoners?
De militaire crisis van 1672 mondt uit in politieke moord
In 1672 vielen Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen de Republiek aan. Franse legers drongen diep het land binnen. Voor bewoners van bezette gebieden betekende dat gevaar, gedwongen leveringen en verlies van bestaansmiddelen. Ook de verdediging bracht schade mee. Waar land onder water werd gezet, kwamen oogsten, woningen en het gebruik van de grond in gevaar. De offers waarmee het westen werd beschermd, waren ongelijk verdeeld. Ondertussen groeide de woede tegen de zittende bestuurders. Militaire nederlagen werden verbonden met beschuldigingen van onbekwaamheid en verraad. Zo veranderde de oorlog aan de grenzen in een crisis van het binnenlandse gezag.
Johan de Witt overleefde op 21 juni 1672 een aanslag. Zijn broer Cornelis werd later gevangengezet wegens een vermeend plan om Willem III te laten vermoorden. Op 20 augustus werden beide broers bij de Gevangenpoort in Den Haag gedood. Leden van de schutterij namen aan het geweld deel. Daarmee bezweek juist de bescherming die het openbare gezag had moeten bieden. Willem III was inmiddels stadhouder geworden. Zijn verheffing en de moord op de broers maakten deel uit van dezelfde politieke omwenteling, maar hun onderlinge verbanden vragen om zorgvuldig onderscheid tussen bewezen handelen, steun, nalatigheid en latere beschuldigingen.
Onder Willem III werd de verdediging van de Republiek verbonden met Europese bondgenootschappen tegen Lodewijk XIV. In 1688 stak hij met een grote vloot over naar Engeland. Vanaf 1689 regeerde hij daar samen met zijn vrouw Mary. Engeland werd een belangrijke bondgenoot in de strijd tegen Frankrijk. Die oorlogvoering vroeg voortdurend geld. Soldaten moesten worden betaald en gevoed; schepen hadden bemanningen, onderhoud en uitrusting nodig. Leveranciers en kredietverstrekkers maakten de militaire inspanning mede mogelijk. Terwijl de een opdrachten en rente ontving, verloor de ander een oogst, een woning of een gezinslid. De financiële gevolgen liepen bovendien verder dan de oorlog zelf.
Knechten organiseren zich om hoger loon af te dwingen
Ook in de werkplaatsen werd over geld en afhankelijkheid gestreden. Op 1 oktober 1691 verhoorde de Amsterdamse schout de droogscheerdersknecht Hendrick Carstense. Droogscheerders verzorgden de afwerking van wollen stoffen. Tijdens een loongeschil hadden knechten besloten het werk neer te leggen. Vervolgens waren zij door de stad getrokken om doorwerkende vakgenoten tot deelname te bewegen. Op de Dam greep het gezag in. Carstense werd als leider beschouwd. Een geschil tussen werkgevers en werknemers was daarmee een zaak van politie en justitie geworden. De knechten moesten hun aanspraken verdedigen tegenover zowel hun bazen als de stedelijke overheid.
Uit Carstenses verklaringen bleek dat de knechten onderlinge afspraken maakten. Wie gezamenlijke besluiten negeerde, kon worden uitgesloten en moest betalen om weer te worden toegelaten. Zulke maatregelen moesten voorkomen dat de werkonderbreking uiteenviel. Ze beperkten tegelijk de vrijheid van vakgenoten die wilden doorwerken. Werkgevers liepen door de staking productie mis, terwijl knechten hun loon verloren. Hoe lang zij konden volhouden, hing mede af van hun middelen en onderlinge steun. Het bestuur beschikte over een ander instrument: het kon deelnemers laten verhoren en hun optreden als een verstoring van de openbare orde behandelen.
Op 11 mei 1701 kwamen buiten Leiden achthonderd tot negenhonderd lakenwevers bijeen. Zij besloten niet verder te werken zonder hoger loon. Hun organisatie verschilde van de vakbeweging die later zou ontstaan, maar overleg en gezamenlijke afspraken waren al wezenlijk voor hun optreden. De wevers ontleenden hun drukmiddel aan de behoefte aan hun arbeid. Zonder hun medewerking stokte de productie. Daarmee konden mensen die nauwelijks toegang hadden tot bestuurlijke ambten toch eisen op tafel leggen. Of zij daarmee resultaat bereikten, hing af van hun samenhang, de positie van de werkgevers en de ruimte die het gezag toestond.
Na de vrede blijft de oorlog op de begroting drukken
Na de dood van Willem III in 1702 bleef het stadhouderschap in Holland opnieuw onbezet. De oorlogvoering ging door. Pas de Vrede van Utrecht beëindigde in 1713 voor de Republiek de Spaanse Successieoorlog. Het land bleef onafhankelijk, maar zijn internationale positie was verzwakt en Groot-Brittannië had aan gewicht gewonnen. De Republiek droeg ondertussen omvangrijke schulden mee. Een deel van de belastinginkomsten was nodig voor rente en kon dus niet aan nieuwe maatregelen worden besteed. De vrede bracht verlichting van de onmiddellijke oorlogsinspanning, maar maakte de verplichtingen uit eerdere jaren niet ongedaan.
Naast die overheidslasten bleven grote particuliere vermogens bestaan. Huizen, grond, handel en financiële dienstverlening leverden inkomsten op. Vermogensbezitters konden hun belangen spreiden en geld buiten de Republiek uitzetten. Hun opbrengsten waren daardoor niet uitsluitend afhankelijk van de Amsterdamse bedrijvigheid. Voor huishoudens die hoofdzakelijk van loon leefden, bestond die uitwijkmogelijkheid nauwelijks. Minder opdrachten betekenden minder betaalde dagen. Een koopman kon eveneens zware verliezen lijden, maar verschillende bezittingen en vorderingen boden doorgaans meer mogelijkheden om een tegenslag op te vangen. De toestand van de staatskas, het vermogen van een familie en de werkgelegenheid in een buurt konden daardoor uiteenlopen.
Vrouwen droegen bij aan het huishouden met naaiwerk, dienstbodenwerk, kleine handel en andere werkzaamheden. Ook kinderen en verwanten konden inkomsten leveren. Wanneer ziekte, ouderdom of gebrek aan werk die bijdragen verminderde, werden familiehulp en armenzorg belangrijk. Stedelijke en kerkelijke instellingen beschikten over eigen middelen en hanteerden eigen voorwaarden. Sommige behoeftigen bleven thuis wonen en ontvingen ondersteuning als huiszittende armen. Voor wie hulp nodig had, moest worden vastgesteld welke instelling verantwoordelijkheid aanvaardde. Dat maakte verschil tussen een aanspraak die werd erkend en een verzoek dat elders moest worden ingediend.
Die verdeling van verantwoordelijkheid werkte ook door bij verhuizingen. Wie elders werk zocht, kon later op ondersteuning aangewezen raken. Ontvangende gemeenschappen wilden weten wie die kosten zou dragen. Borgstellingen konden vastleggen dat een instelling uit de plaats van herkomst daarvoor verantwoordelijk bleef. Zulke afspraken hielpen verhuizing mogelijk maken en beschermden tegelijk de ontvangende armenkas. De behoefte aan arbeidskrachten ging zo samen met terughoudendheid tegenover mogelijke toekomstige uitgaven. Voor mensen die van plaats veranderden, telde daarom meer dan de beschikbaarheid van werk. Ook hun erkende binding aan een gemeenschap kon bepalen waar zij bij tegenslag terechtkonden.
Gedrukte looneisen bereiken het bestuur
In mei 1744 legden Amsterdamse katoendrukkersknechten het werk neer. Zij lieten hun looneisen drukken en kozen volgens hun verklaringen zes vertegenwoordigers. Die mannen konden beter lezen en schrijven of hadden meer inzicht in de gezamenlijke zaak. Schriftelijke vaardigheid hielp hun eisen formuleren en verspreiden. Een geraadpleegde advocaat wees echter op de betekenis van de volgorde waarin zij hadden gehandeld. Een verzoekschrift vóór de staking had hen in een andere positie gebracht dan een verzoek na de werkonderbreking. De knechten hadden hun arbeid gebruikt om druk uit te oefenen. Daarmee maakten zij hun onvrede zichtbaar, maar stelden zij zich ook bloot aan ingrijpen.
Een jaar later trouwde Henrick Bicker met Clara Magdalena Dedel uit Den Haag. Zij gingen wonen in een gehuurd huis aan het Singel, tegenover de Appelmarkt. Volgens de familiegegevens ontving Henrick van zijn ouders vijftigduizend gulden aan huwelijksgoed. Hun huishouden begon daarmee vanuit een positie die sterk verschilde van die van de stakende knechten. Het huwelijk verbond geld, familiebetrekkingen en mogelijkheden voor de toekomst. De keuze voor een huurwoning betekende hier geen gebrek aan middelen. In dit gezin werd op 27 augustus 1746 Jan Bernd Bicker geboren, met toegang tot een wereld waarin handel en bestuur dicht bij elkaar lagen.
Deel 2 — Familiebezit opent de weg naar studie en bestuur, 1746–1768
Vier dagen na zijn geboorte werd Jan Bernd gedoopt in de Nieuwezijds Kapel aan de Kalverstraat. Zijn moeder had haar tante Susanna als getuige gevraagd. Zij was getrouwd met de secretaris van de Raad van State, een instelling met taken op het gebied van onder meer legerzaken en financiën. De andere getuige was Henricks vader, naar wie het kind werd genoemd. Jan Bernd was zijn eerste kleinkind. De kring rond de doop laat zien hoe vanzelfsprekend openbare functies binnen de familie aanwezig waren. De mensen die bestuurden, besluiten voorbereidden of recht spraken, waren voor het gezin ook verwanten en bekenden.
Henrick was verbonden met het handels- en bankiershuis Andries Pels en Soonen. Via Jan Bernds grootmoeder Johanna Sara Pels bestonden ook familiebanden met die onderneming. Het handelshuis verstrekte krediet aan kooplieden en buitenlandse machthebbers; in de beschrijving van zijn zaken komen ook leningen aan het Russische keizerlijke gezag voor. Zulke betrekkingen verbonden het gezinsvermogen met gebeurtenissen ver buiten Amsterdam. De kredietverstrekker bleef in de stad, terwijl het uitgeleende geld elders werd gebruikt. Correspondenten, afspraken en kennis van debiteuren moesten zorgen dat rente en aflossing binnenkwamen. Ook voor een voornaam handelshuis bleef betaling een voorwaarde voor duurzaam succes.
De grootvader verenigt ambten en aanzienlijk bezit
De oudere Jan Bernd Bicker had als schepen deelgenomen aan het Amsterdamse bestuur. Daarnaast vervulde hij functies als drost van Muiden, baljuw van Naarden en Gooiland, en hoogbaljuw en dijkgraaf van Weesp. Zijn werkzaamheden raakten daarmee aan rechtspraak, bestuur en waterbeheer buiten de stad. Zijn huishouden aan de Herengracht, bij de Vijzelstraat, omvatte acht dienstboden, een koets en vier paarden. De familie beschikte bovendien over Schapenburg bij ’s-Graveland. Voor zijn kleinzoon vormden zulke ambten en bezittingen de omgeving waarin hij opgroeide. Maatschappelijk aanzien had er zowel een openbare als een huiselijke verschijningsvorm.
In de familiegeschiedenis wordt een deel van het grootvaderlijke vermogen verbonden met de onderneming van zijn schoonvader en een plantagebelang in Suriname. De beschikbare gegevens werken de naam van de plantage, het aandeel en de opbrengsten onvoldoende uit om die geldstroom nauwkeurig te reconstrueren. De vermelding vraagt daarom om verder onderzoek. Zij raakt wel aan een wezenlijk onderdeel van de vermogensgeschiedenis: de Surinaamse plantage-economie steunde op gedwongen arbeid van tot slaaf gemaakte mensen. Om vast te stellen hoe de familie daarvan profiteerde, moeten eigendom, kredietverlening en ontvangen inkomsten afzonderlijk worden gevolgd. Alleen een algemene verwijzing naar koloniale handel is daarvoor niet voldoende.
Henrick vervulde zelf een functie als kapitein van de schutterij in de wijk achter het stadhuis op de Dam. De schutterij had taken bij ordehandhaving en verdediging. Een officiersplaats bracht contacten met andere vooraanstaande inwoners en maakte de drager zichtbaar in het openbare leven. Binnen het gezin liepen zakelijke betrekkingen, verwantschap en stedelijke functies zo in elkaar over. Dat netwerk bood mogelijkheden, maar stelde familieleden ook bloot aan politieke veranderingen. Nog voordat Jan Bernd een jaar oud was, kwam het stadhouderlijke gezag in Holland terug. Kort daarna zou de onrust rechtstreeks ingrijpen in de loopbaan van zijn vader.
Franse dreiging brengt Oranje terug in Holland
In het voorjaar van 1747 bereikte de Franse oorlogsdreiging de Republiek. Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog bleek hoe kwetsbaar haar verdediging was geworden. Tegenstanders verweten regenten dat zij hun eigen kring bevoordeelden en de veiligheid hadden verwaarloosd. Holland had sinds 1702 geen stadhouder meer gehad. Voorstanders van Willem IV verwachtten van zijn verheffing een krachtiger verdediging en een beter bestuur. Die verwachtingen kwamen uit verschillende groepen. Sommigen wilden militair leiderschap, anderen hoopten op ingrijpen tegen plaatselijke bestuurders of op verlichting van lasten. Het buitenlandse gevaar gaf deze uiteenlopende verlangens een gezamenlijk middelpunt.
Op 2 mei verschenen Oranjevaandels bij het Amsterdamse stadhuis. De burgemeesters maakten hun steun aan Willem IV bekend. Mannen droegen linten aan hoeden en kleding, vrouwen speldden oranje strikken op. De beschrijving van deze dagen bevat ook geweld: een man bij de Munt zou een snee in zijn gezicht hebben gekregen. Dat incident waarschuwt ervoor de openbare eensgezindheid zonder meer als vrije instemming te lezen. Sommige inwoners kunnen uit overtuiging hebben meegedaan, anderen uit voorzichtigheid. Voor het stadsbestuur was de beweging hoe dan ook een machtsfactor geworden. De roep om Oranje kon niet worden genegeerd.
Willem IV werd in 1747 stadhouder in alle provincies en het stadhouderschap werd erfelijk gemaakt. Daarmee veranderde de top van het bestuur ingrijpend. Maar de aanhang verwachtte meer dan een nieuwe ambtsdrager. Betere verdediging, minder bestuurlijk misbruik en lagere lasten vroegen elk om concrete maatregelen. Willem moest daarbij samenwerken met bestaande instellingen en rekening houden met verschillende bondgenoten. In Amsterdam bleef vooral de belastingpacht ergernis oproepen. De manier waarop de overheid haar inkomsten verwierf, bracht belastingbetalers rechtstreeks tegenover particuliere inners te staan. Het volgende jaar richtte de woede zich op hun huizen en bezittingen.
Het Pachtersoproer brengt geweld naar de grachten
Belastingpachters betaalden de overheid voor het recht bepaalde heffingen te innen. Wat zij na kosten en overeengekomen betalingen overhielden, kon winst opleveren. Daarmee raakte belastinginning verbonden met particulier voordeel. Voor inwoners had de last een herkenbaar gezicht: de pachter of zijn personeel eiste het geld op. Op 24 en 25 juni 1748 liep de Amsterdamse onrust uit op plunderingen. Vanuit de omgeving van de Botermarkt verspreidde het geweld zich naar woningen aan de grachten. Meubels, schilderijen en andere kostbaarheden werden naar buiten gesleept en in het water geworpen. Ook het huis van A.M. van Arssen aan het Singel werd getroffen.
De schutterij greep aanvankelijk niet overal krachtig in. Later trad het gezag harder op. Op 28 juni werden de tuinier Piet van Dort en de verkoopster die bekendstond als Mat van de Nieuwendijk terechtgesteld. Rond de executie ontstond nieuwe onrust. Schutters schoten, mensen werden onder de voet gelopen en anderen kwamen in het water terecht. De poging het gezag te herstellen veroorzaakte zo opnieuw slachtoffers. De belastingpacht werd afgeschaft, maar daarmee verviel niet de noodzaak om inkomsten te verwerven. De overheid moest de inning anders organiseren terwijl schulden, bestuurlijke uitgaven en militaire verplichtingen bleven bestaan.
Bij de daaropvolgende verandering van het Amsterdamse bestuur verloor Henrick Bicker zijn plaats als schepen. De omwenteling raakte daarmee rechtstreeks aan het jonge gezin. Jan Bernd was nog geen twee jaar oud. Over zijn eigen ervaring valt op die leeftijd niets te zeggen, maar het ambtsverlies behoorde voortaan tot de geschiedenis van zijn ouders. In de latere biografische reconstructie verschijnt een familie die hem liever in het bedrijf zag dan in de politiek. Zonder een uitdrukkelijke verklaring kan die voorkeur niet uitsluitend uit 1748 worden afgeleid. Wel was duidelijk gebleken dat een openbare functie door een machtswisseling verloren kon gaan.
Het familiebedrijf biedt een bestaan naast het bestuur
Het verlies van een ambt betekende voor Henrick geen verlies van alle inkomsten of werkzaamheden. Hij bleef verbonden met de zakelijke wereld van de familie. Een vermelding over 1750 brengt hem samen met zijn jongere broer Jan Bernd in verband met de leiding van het familiebedrijf. Die broer, geboren in 1733, was de oom van de latere patriot en droeg dezelfde voornamen. Omdat hij toen nog zeer jong was, blijft nadere vaststelling van hun onderscheiden functies nodig. De zakelijke continuïteit is hier het belangrijkste: de familie beschikte over een werkterrein dat niet volledig afhankelijk was van een plaats in het stadsbestuur.
Omstreeks tien jaar na Jan Bernds geboorte lieten Henrick en Clara zich door Jean-Étienne Liotard portretteren. Clara droeg blauwe zijde, Henrick donkerbruine kleding. In 1757 kocht de familie Velserhooft bij Santpoort. De portretten en de buitenplaats geven een concreet beeld van de middelen waarover het gezin beschikte. Dat bezit vergde ook beheer en arbeid. Personeel verzorgde huizen en huishoudens; anderen verrichtten werkzaamheden voor de onderneming en hielden de administratie bij. De jonge Jan Bernd groeide op tussen mensen die over geld en functies beschikten en mensen die voor hun huishouden werkten. Wat hij daar als kind van vond, blijkt niet uit de bezittingen zelf.
Over zijn vroege onderwijs en de dagelijkse invulling van zijn opvoeding bieden de beschikbare passages minder zekerheid. Zijn latere studie toont wel welke ruimte zijn ouders hem konden geven. Hij kreeg tijd om zich voor te bereiden op werkzaamheden waarvoor langdurige scholing nodig was. Juridische kennis en schriftelijke vaardigheid konden van pas komen bij handelszaken, schuldgeschillen, rechtspraak en bestuur. Familiebetrekkingen konden een deur openen, maar opleiding maakte het mogelijk de bijbehorende taken te vervullen. Voor Bicker kwamen die voordelen bijeen. Zijn toekomstige werk hoefde niet onmiddellijk het geld op te leveren waarvan het gezin diezelfde week moest leven.
Werkonderbrekingen tonen de onzekerheid achter het loon
Ook tijdens Bickers jeugd bleven arbeiders gezamenlijk optreden. Rotterdamse scheepstimmerlieden kwamen in 1759 in actie; Amsterdamse droogscheerders legden in 1765 het werk neer. Deze vermeldingen sluiten aan bij oudere conflicten waarin knechten hun arbeid onderbraken om eisen kracht bij te zetten. Zij tonen op zichzelf nog niet hoe de geschillen verliepen of wat zij opleverden. Evenmin blijkt dat Bicker erbij betrokken was. Wel behoren ze tot de samenleving waarin hij volwassen werd. De bestuurlijke verhoudingen werden niet uitsluitend besproken door regenten en aanhangers van Oranje. Ook werkende mensen dwongen reacties af door hun medewerking tijdelijk te onthouden.
Voor hun huishoudens telde naast de hoogte van het loon vooral de regelmaat waarmee het kon worden verdiend. Een werkdag bracht inkomsten; ziekte, seizoenstilstand of gebrek aan opdrachten kon die inkomsten wegnemen. Vrouwen, kinderen en verwanten droegen bij, maar ook hun verdiensten waren vaak onzeker. Armenzorg kon tekorten verzachten, mits een instelling het huishouden als haar verantwoordelijkheid erkende. Daartegenover stond de ruimte die Bickers familie hem bood om jaren in studie te investeren. Het verschil bestond niet alleen uit bezit. Het ging ook om de mogelijkheid werkzaamheden te kiezen die pas later inkomen, aanzien of een ambt konden opleveren.
In Utrecht bestudeert Bicker natuur en recht
Bicker ging in Utrecht wijsbegeerte en rechten studeren. Wijsbegeerte omvatte ook onderwerpen die later sterker tot de natuurwetenschappen zouden worden gerekend. Zijn academische werk over vuur, De igne, dateerde uit 1765. Zijn belangstelling beperkte zich dus niet tot de kennis die rechtstreeks voor een bestuurlijke loopbaan bruikbaar was. Daarnaast speelde hij viool en piano. Studie en muziek pasten binnen een opvoeding waarvoor tijd en middelen beschikbaar waren. Welke politieke boeken hem toen het meest beïnvloedden, valt uit de aangeleverde gegevens niet volledig op te maken. Zijn overtuigingen moeten daarom vooral worden gevolgd aan de hand van aantoonbare handelingen.
Een daarvan betrof een openbare hulde aan Willem V. De prins werd in 1766 meerderjarig en ging zijn waardigheden zelf uitoefenen. Toen zijn bezoek aan Utrecht werd aangekondigd, schreven Bicker en drie medestudenten aan het stadsbestuur. Zij wilden bijdragen aan de ontvangst. Bicker trad toe tot het organisatiecomité en werd een van de aanvoerders van de studentenoptocht. De deelnemers oefenden het lopen in formatie, halt houden, geweren presenteren en salueren. Hun optreden moest ordelijk verlopen en eer bewijzen aan de stadhouder. Bicker leverde daaraan tijd en organisatiewerk, nog voordat hij zelf een openbaar ambt bekleedde.
Bicker helpt Willem V feestelijk ontvangen
De studenten trokken Willem tegemoet toen hij Utrecht naderde. De prins reisde in een koets met acht paarden en werd vergezeld door zijn adviseur, de hertog van Brunswijk. Na de begroeting begeleidden zij het gezelschap naar het Duitse Huis. Later werden de aanvoerders ontvangen. Hun woordvoerder feliciteerde Willem en vroeg om zijn bescherming. De prins antwoordde dat hij hen graag van dienst zou zijn wanneer hun gedrag dat rechtvaardigde. Bicker boog met de anderen. Zijn deelname laat zien dat openbare trouw aan Oranje op dat moment deel uitmaakte van zijn optreden. Zijn latere verzet lag daarin nog niet besloten.
Op 10 juli werd namens de Utrechtse studenten vuurwerk afgestoken. Volgens de overgeleverde beschrijving hield Bicker toezicht op de voorbereidingen op de Neude. Vuurwielen, pijlen en lichtfiguren omringden de naam van Willem V. In de hulde werd het stadhouderschap verbonden met de verdediging van het vaderland, de wetten, vrede en vrijheid. Vier dagen later, op 14 juli 1766, promoveerde Bicker in de rechten. Zijn studie eindigde daarmee in een periode waarin persoonlijke vooruitgang en openbaar eerbetoon samenvielen. De toekomstige tegenstander van het stadhouderlijke bewind had actief bijgedragen aan een ontvangst die juist verwachtingen van Oranje uitdrukte.
Een eerste ambt brengt Bicker naar het stadhuis
Op 22 april 1767 trad Bicker toe tot de zakelijke ondernemingen Andries Pels en Soonen en Bicker en Co. Daarnaast begon hij een juridische loopbaan. Hij bleef dus verbonden met de familiebelangen, maar richtte zich ook op werk binnen de openbare instellingen. In februari 1768 werd hij commissaris van kleine zaken. Bij die benoeming speelde burgemeester Gualterus Boudaan een rol. De stap sloot aan bij zijn opleiding en bij de betrekkingen waarover hij beschikte. Bicker kwam het bestuur binnen langs wegen die ook voor eerdere generaties regenten belangrijk waren geweest: juridische vorming, persoonlijke aanbeveling en vertrouwen binnen een beperkte kring.
In de kamer van kleine zaken behandelde hij geschillen die volgens de biografische beschrijving bedragen tot zeshonderd gulden konden betreffen. ‘Klein’ was hier een bestuurlijke aanduiding; voor de betrokkenen kon de uitkomst zwaar wegen. Zijn werkkamer lag dicht bij die van de schepenen. Bicker hoopte later zelf tot dat college toe te treden, wanneer hij de daarvoor vereiste leeftijd had bereikt. Voorlopig kreeg hij te maken met mensen die betaling verlangden, verplichtingen betwistten of een rechterlijke beslissing nodig hadden. De instellingen die hij tot dan toe vooral via zijn familie had gekend, vroegen nu om zijn eigen oordeel.
Geld, geweten en gezag — Jan Bernd Bicker en de verandering van Nederland, 1648–1812
Deel 3 — Achter de deuren van het Amsterdamse stadhuis, 1768–1773
De kamer waarin Jan Bernd Bicker zijn eerste stedelijke functie vervulde, kreeg in 1768 tijdelijk een andere bestemming. Willem V en zijn jonge echtgenote Wilhelmina van Pruisen kwamen naar Amsterdam. Voor hun verblijf werd het stadhuis ingericht met bedden, rood damast en kostbaar huisraad. De burgemeesterskamer werd een slaapvertrek; de kamer van de commissarissen van kleine zaken diende als wachtvertrek. Waar Bicker gewoonlijk geschillen hielp behandelen, werden nu gasten ontvangen. De stad bood het stadhouderlijke paar onderdak in het gebouw waarin haar eigen bestuur zetelde. Stedelijk aanzien en vorstelijk eerbetoon kwamen er voor enkele dagen samen.
Henrick Bicker voerde de Amsterdamse kooplieden aan toen zij zich aan Willem presenteerden. Zijn zoon stond als beginnend ambtsdrager nog op de achtergrond. Tijdens het bezoek kwam ook de positie van de prins bij de VOC en de WIC tot uitdrukking. Hof, handelscompagnieën en stadsbestuur hadden eigen bevoegdheden, maar waren door benoemingen, geld en persoonlijke betrekkingen met elkaar verbonden. De Bickers bewogen zich binnen die wereld. Twee jaar eerder had Jan Bernd in Utrecht meegewerkt aan de ontvangst van Willem. Ook dit Amsterdamse bezoek geeft geen aanleiding hem al tegenover de stadhouder te plaatsen.
Het huwelijk met Catharina Six verbindt twee familiekringen
Op 23 mei 1769 trouwde Bicker met Catharina Six. Zij kwam uit een vooraanstaande Amsterdamse familie en woonde vóór haar huwelijk aan de Kloveniersburgwal. Het paar vestigde zich aan de Herengracht. Hun huwelijk verbond huishoudens waarin vermogen, openbare functies en zakelijke betrekkingen een belangrijke plaats innamen. Verwanten bezochten elkaar, wisselden nieuws uit en konden aanbevelingen doorgeven. Zulke contacten hielpen bij het vinden van een betrekking of het regelen van zaken. Zij brachten ook verplichtingen mee. Een aanbeveling kon verwachtingen scheppen die later opnieuw werden ingeroepen, wanneer een familielid steun nodig had of een ambt beschikbaar kwam.
Catharina en Jan Bernd zouden een groot gezin krijgen. Hun middelen maakten personeel mogelijk en boden hem ruimte voor studie en openbare werkzaamheden. Hij kon stukken lezen, zittingen voorbereiden en langdurig overleggen zonder dat ieder uur onmiddellijk inkomen hoefde op te leveren. Daarmee ondersteunde het familievermogen zijn bestuurlijke loopbaan op een heel praktische manier. Hoe Catharina de dagelijkse verantwoordelijkheden binnen hun huishouden verdeelde, blijkt uit deze gegevens minder duidelijk. Haar leven en dat van de kinderen waren wel met zijn positie verbonden. Voorlopig bouwden zij hun bestaan op binnen de vertrouwde kring van de Amsterdamse bovenlaag.
In 1770 werd Bicker kapitein van de burgerij. In februari 1772 volgde zijn eerste benoeming tot schepen. Hij was vijfentwintig jaar oud en nam een functie op zich die eerdere generaties van zijn familie eveneens hadden vervuld. Zijn juridische opleiding kreeg nu een directe toepassing. Samen met andere schepenen moest hij oordelen over bewijs, schuld en straf. De gevolgen konden ingrijpend zijn: verlies van bezit, jarenlange opsluiting, lichamelijke bestraffing of de dood. Het college waarin hij plaatsnam, beschikte daarmee over bevoegdheden die veel verder reikten dan de behandeling van betalingsgeschillen waarmee zijn stedelijke loopbaan was begonnen.
Judith van der Veght bekent niet onder marteling
Bicker bereidde zich op zijn werk voor met juridische aantekeningen over onder meer diefstal, mishandeling, moord en brandstichting. Regels en eerdere beslissingen moesten duidelijk maken welk bewijs nodig was en welke straf kon volgen. Onder hetzelfde stadhuis lagen de Boeien, de stedelijke gevangenis, en de pijnkamer. Daar konden verdachten met toestemming van de rechters onder lichamelijke dwang worden verhoord. Op 4 juni 1772 moest Bicker met zijn collega’s beslissen over zo’n verzoek. Het betrof Judith van der Veght, een weduwe uit Alkmaar die werd beschuldigd van diefstal en bleef ontkennen.
Judith had in De Granaatappel gelogeerd. Bij haar vertrek was zij betrapt met een mand waarin onder meer een strijkijzer, een koffiekan, serviesgoed, vrouwenboorden en zwarte zijden handschoenen met kant lagen. Getuigen verklaarden dat zij de goederen had weggenomen. Hoofdofficier Willem Gerrit Dedel achtte de verdenking voldoende zwaar om een verhoor onder marteling te vragen. Dedel was een achterneef van Bicker, maar trad hier op als vervolgende ambtsdrager. De schepenen moesten beoordelen of zij zijn verzoek toestonden. Het aanwezige bewijs had Judith niet tot een bekentenis gebracht, terwijl daaraan binnen de gevolgde strafprocedure groot gewicht werd gehecht.
De schepenen gaven toestemming en woonden het verhoor bij. Judith werd ontkleed, bij een paal geplaatst en door de scherprechter gegeseld. Zij bekende niet. De behandeling leverde dus niet de verklaring op waarop de vervolging had aangestuurd. Ook Bicker droeg als lid van het college verantwoordelijkheid voor die beslissing. Vervolgens moesten de schepenen bepalen hoe zij de zaak zonder bekentenis zouden afdoen. Judith werd veroordeeld tot twaalf jaar in het Spinhuis, het Amsterdamse tuchthuis voor vrouwen. Daar moest zij spinnen en naaien. Op verzoek van haar vrienden kreeg zij een afzonderlijke plaats.
Bicker wil zware straffen ook zonder bekentenis kunnen opleggen
De zaak bracht een probleem in de bewijsvoering naar voren. Wat moesten rechters doen wanneer zij iemand op grond van getuigenissen en andere gegevens schuldig achtten, maar de vereiste bekentenis uitbleef? Bickers collega Joan Graafland, eveneens voor het eerst schepen, wilde onder bepaalde voorwaarden ook zonder bekentenis een straf op het schavot kunnen uitspreken. Bicker steunde hem. De overige schepenen wilden aan de bestaande handelwijze vasthouden. Het voorstel kreeg daardoor onvoldoende steun. Een verandering die de aanleiding voor marteling kon verminderen, stuitte op het bezwaar dat de vertrouwde eisen aan de bewijsvoering werden losgelaten.
Bickers standpunt hield geen afwijzing van zware bestraffing in. Hij wilde juist dat zulke straffen in bepaalde gevallen zonder bekentenis mogelijk werden. Daarmee verschoof het gewicht naar de beoordeling van het overige bewijs. Dat kon een verdachte een gewelddadig verhoor besparen, maar maakte de zorgvuldigheid van die beoordeling des te belangrijker. Uit deze discussie alleen valt daarom geen algemene humanitaire overtuiging af te leiden. Voor Judith veranderde er niets. Zij bleef in het Spinhuis opgesloten. In januari 1773 kwam uit die instelling bericht dat zij een uitweg had gezocht uit haar gevangenschap.
Een ontsnappingspoging leidt tot langere opsluiting
Achter de houten betimmering van Judiths cel was een opening in de muur gemaakt. Volgens de beschrijving had haar buurvrouw Dorothea Borstelman haar tot de ontsnappingspoging aangezet. Zij wilden samen wegkomen. Dorothea zat een straf van vijftig jaar uit wegens haar aandeel in de moord op de vrouw van haar minnaar in 1765. Ook zij had tijdens marteling niet bekend. Volgens Bickers aantekeningen had zij aan die behandeling een blijvende lichamelijke beperking overgehouden. Voor haar waren de gevolgen van het strafrechtelijke onderzoek dus niet geëindigd met het vonnis. Zij leefde ermee voort binnen het tuchthuis.
Bicker noteerde dat Dorothea afzonderlijk was geplaatst omdat de schepenen vreesden dat zij over haar behandeling zou klagen. Die verklaring geeft een bijzondere inkijk in het toezicht. Het Spinhuis ontving bezoekers die tegen betaling naar de opgesloten vrouwen kwamen kijken. Een klacht kon daardoor niet alleen medegevangenen bereiken, maar ook buiten de instelling bekend worden. Volgens Bickers weergave moest haar afzondering dat tegengaan. Het tuchthuis stelde gevangenen dus aan de belangstelling van bezoekers bloot, terwijl het tegelijk kon proberen hun mogelijkheden om over hun behandeling te vertellen te beperken.
Op 1 februari 1773 ging Bicker naar het Spinhuis aan de Oudezijds Achterburgwal. Hij overlegde met de bestuurders over de ontsnappingspoging. Judith kreeg een jaar extra en zou twee jaar lang niet voor strafvermindering in aanmerking komen. Ook Dorothea’s straf werd met een jaar verlengd. De bewakers kregen een berisping omdat zij ijzeren voorwerpen en gereedschap hadden laten liggen waar gevangenen erbij konden. Het onderzoek bracht daarmee ook gebrekkig toezicht aan het licht. Voor de twee vrouwen bleef de uitkomst vooral een verzwaring van hun gevangenschap: hun poging om te ontsnappen verlengde de tijd die zij opgesloten moesten doorbrengen.
Bij zeezaken worden handelsbelangen concrete geschillen
Drie dagen later werd Bicker commissaris van zeezaken. Daar kreeg hij te maken met schippers, reders, bemanningsleden, laders en loodsen. Geschillen konden gaan over loon, proviand, uitrusting of reparaties. Een schip dat de haven verliet, bracht de bijdragen van veel mensen bijeen. De een had geld verstrekt, de ander goederen geleverd of arbeid verricht. Zodra afspraken werden betwist, moest worden vastgesteld wie welke verplichting had en of die was nagekomen. De handel die Bicker uit zijn familie kende, verscheen in deze kamer als een reeks aanspraken waarop anderen een beslissing nodig hadden.
Voor een bemanningslid kon achterstallig loon zwaar wegen; een leverancier wilde betaling voor geleverde goederen en een reder wilde weten wie een beschadiging moest vergoeden. Hun belangen waren verbonden, maar vielen niet samen. Bickers taak vroeg daarom meer dan vertrouwdheid met de koopmanswereld. Hij moest afzonderlijke verklaringen en afspraken beoordelen. Tegelijk veranderden ook binnen zijn eigen zakelijke omgeving de omstandigheden. In 1773 begonnen wijzigingen rond de voortzetting en afwikkeling van de familieonderneming. De vraag hoe verplichtingen moesten worden nagekomen, kwam daarmee niet uitsluitend via anderen op zijn tafel.
Deel 4 — Bewijs en bevoegdheid begrenzen het gezag, 1774–1778
In 1774 kreeg de verandering binnen de familieonderneming verder vorm. De beschikbare beschrijvingen leggen verbanden met speculatie, de gezondheid en het overlijden van Bickers oom Jan Bernd, en afspraken over de voortzetting van de zaken. Daaruit valt niet één afdoende oorzaak af te leiden. Wel blijkt dat ook een vermogende familie haar zakelijke positie opnieuw moest regelen. Bezit en betrekkingen maakten haar niet onafhankelijk van verliezen, ziekte of overlijden. Voor Bicker liepen de afwikkeling van familiebelangen en zijn openbare werkzaamheden naast elkaar. Nog hetzelfde jaar kwam een nieuwe bestuurlijke mogelijkheid binnen bereik.
Een toezegging aan Warin weegt mee bij een WIC-benoeming
Eind 1774 kwam Bicker in aanmerking voor een bestuursplaats bij de West-Indische Compagnie. Willem V steunde zijn benoeming. Toen Bicker ontdekte dat jurist Nicolaas Warin eerder een plaats was toegezegd, probeerde hij hem alsnog voorrang te geven. Warin trok zich uiteindelijk terug. Bicker bleef daarmee binnen het bestaande stelsel van aanbevelingen en benoemingen handelen. Hij stelde de toegang tot het ambt niet voor iedereen open, maar bracht wel een eerdere toezegging ter sprake die zijn eigen benoeming in de weg kon staan. De aanbeveling van de prins maakte die afspraak voor hem niet betekenisloos.
Dat optreden laat een afgebakende keuze zien. Er bestond een toezegging en Bicker vond dat daarmee rekening moest worden gehouden. Hoe ver hij zulke eisen aan behoorlijk handelen zou willen doortrekken, moest in andere omstandigheden blijken. In het voorjaar van 1775 werd hij opnieuw schepen. Nu kwam een zaak voor het gerecht waarin de beoordeling van bewijs voor een jonge vrouw levensgevaarlijke gevolgen kon hebben. In de Boeien zat de negentienjarige dienstmeid Elisabeth Sondermans. Zij had haar zwangerschap verborgen gehouden en werd ervan verdacht haar pasgeboren dochter te hebben gedood.
Elisabeth Sondermans vreest haar betrekking te verliezen
Elisabeth kwam uit Paderborn en verbleef naar eigen zeggen ongeveer drie maanden in Amsterdam. Zij werkte bij linnenbleker Barend Bromeijer aan het Oetgenspad, buiten de Weesperpoort. De vrouw van de bleker en mensen uit de buurt vermoedden dat zij zwanger was. Elisabeth ontkende het. Later verklaarde zij dat zij bang was haar betrekking te verliezen. Werk en onderdak waren voor haar nauw met elkaar verbonden. Zij was nog maar kort in de stad en leefde in een huishouden waar haar zwangerschap argwaan opriep. Op 19 april 1775 beviel zij zonder dat iemand uit dat huishouden erbij was.
Die ochtend had zij gewerkt. Na het middageten werd zij ziek en moest zij overgeven. De vrouw van de bleker zei dat zij bij ziekte naar het gasthuis moest gaan. Elisabeth trok zich terug op haar kamer en ging later naar buiten. Volgens haar verklaring kreeg zij op een pad hevige pijn en kwam het kind ter wereld terwijl zij stond. Toen zij haar dochter opraapte, was die volgens haar al dood. Niemand had de bevalling bijgewoond. Het gerecht moest haar relaas daarom onderzoeken aan de hand van verklaringen over haar gedrag, de vondst van het lichaam en medisch onderzoek.
Na haar terugkeer zagen omwonenden bloedsporen. Vrouwen uit de buurt ondervroegen haar en onderzochten haar lichaam. Aanvankelijk bleef Elisabeth ontkennen dat zij was bevallen. Pas toen werd gedreigd justitie te halen, vertelde zij waar zij het kind had achtergelaten. Het lichaam werd gevonden in het water bij het Achterpad. Dienaren van justitie namen haar mee en het meisje werd naar het gasthuis gebracht. De verdenking uit het huishouden en de buurt was nu een strafzaak geworden. Elisabeth belandde onder het stadhuis in de gevangenis. Bij een veroordeling wegens kindermoord kon haar de doodstraf wachten.
De longproef geeft aanleiding tot twijfel
De volgende dag onderzochten artsen het lichaam op verzoek van de schepenen. Onder hen waren hoogleraar anatomie Andreas Bonn en de ongeveer negentigjarige arts Abraham Titsingh. Zij pasten onder meer de longproef toe: de longen werden in water gelegd om te onderzoeken of zij dreven. Dat werd opgevat als een aanwijzing dat het kind had geademd. In hun verslag concludeerden de artsen dat Elisabeths dochter na de geboorte had geleefd. Hun bevinding belastte haar verklaring, maar beantwoordde nog niet alle vragen. Zelfs als het kind had geademd, moest worden vastgesteld waardoor het was gestorven en wat Elisabeth had gedaan.
Op 21 april las Bicker een verhandeling van Petrus Camper over het vaststellen van leven en dood bij pasgeborenen. Camper wees op beperkingen van de longproef. Wanneer ontbinding was begonnen, kon het drijven van de longen volgens hem niet zonder meer als doorslaggevend bewijs gelden. Bicker besprak de kwestie ook met Hovius, die stelliger over de betekenis van de proef oordeelde. Er bestond dus verschil van inzicht over het onderzoek waarop de rechters moesten vertrouwen. Bicker kon de conclusie van het medische verslag niet beoordelen zonder ook de gebruikte methode en de omstandigheden van het onderzoek te wegen.
Camper schreef bovendien over ongehuwde moeders die hun zwangerschap verborgen uit angst voor schande en verlies van werk. Elisabeth had een overeenkomstige vrees genoemd. Haar ontkenningen konden de verdenking versterken, maar bewezen op zichzelf niet dat zij haar dochter had gedood. Angst voor ontslag kon eveneens een verklaring bieden voor het verbergen van de zwangerschap. De schepenen moesten onderscheid maken tussen dat gedrag en de toedracht van het overlijden. Bij Judith hadden goederen en getuigenissen een diefstal aannemelijk gemaakt. In Elisabeths zaak was ook onzeker wat er tijdens en onmiddellijk na de geboorte was gebeurd.
De schepenen weigeren marteling en laten Elisabeth vrij
Op 16 mei woonde Bicker een verhoor bij. De hoofdofficier vroeg hoe de nageboorte was gekomen en hoe de navelstreng was losgeraakt. Elisabeth verklaarde dat zij niets had gedaan om het kind los te maken. Twee dagen later werden de verhoren en getuigenverklaringen opnieuw aan haar voorgelezen. Zij bleef ontkennen dat zij haar dochter had gedood. Dedel vroeg daarop toestemming haar onder marteling te verhoren. Bicker en de overige schepenen weigerden. Elisabeth werd onvoorwaardelijk vrijgelaten. De verlangde lichamelijke dwang bleef achterwege en er volgde geen straf.
Uit de beschikbare beschrijving blijkt niet welke overweging voor iedere schepen doorslaggevend was. De beslissing mag daarom niet uitsluitend aan Bickers lectuur van Camper worden toegeschreven. Evenmin stelde de vrijlating vast hoe het kind precies was gestorven. Wel staat vast dat het college de gevraagde marteling niet toestond en Elisabeth liet gaan. Dat verschilde ingrijpend van de behandeling van Judith, waaraan Bicker drie jaar eerder had meegewerkt. Hoe Elisabeth na haar vrijlating verder leefde, is hier niet bekend. De strafzaak eindigde zonder dat alle vragen over haar bevalling konden worden beantwoord.
Anna Smitshuijsen wordt gedood nadat zij de verhouding verbreekt
Op 29 juni 1775 werd Anna Smitshuijsen neergestoken in haar kamer aan de Herengracht. Zij had een verhouding gehad met Johannes van Gogh, een voormalige scheepschirurgijn, en wilde die beëindigen. Hij bezocht haar om haar op andere gedachten te brengen. Volgens verklaringen van huisgenoten viel hij haar aan toen zij bij haar besluit bleef. Anna overleed aan een steek door het hart. Van Gogh erkende dat hij haar had gestoken, maar zijn voorstelling van de toedracht en zijn bedoelingen moesten worden onderzocht. Hij sprak over wanhoop en over een voornemen zichzelf te doden.
De moord trok veel belangstelling. Voor het gerecht ging het om de verklaringen van aanwezigen, Van Goghs eigen woorden en de juridische beoordeling van zijn handelen. Buiten het gerecht kon de zaak ondertussen worden verteld, besproken en van commentaar voorzien. Die publieke aandacht maakte de bewijsvoering niet eenvoudiger en verving haar evenmin. De schepenen moesten vaststellen wat zij voldoende bewezen achtten en welke procedure zij zouden volgen. Terwijl deze zaak werd voorbereid, kwam in juli een heel ander conflict op Bickers tafel. Ook daarin draaide het om de vraag welke ingreep het gezag mocht doen.
Een dreigend bankroet brengt kooplieden en bestuurders tegenover elkaar
Zakenman Pierre Babut Dumaresz was in financiële moeilijkheden geraakt. Bicker noemde in zijn aantekeningen een omvang van vijftien tonnen gouds, ongeveer anderhalf miljoen gulden. Wat dat bedrag precies omvatte, moet uit de onderliggende financiële stukken blijken. Amsterdamse zakenlieden probeerden de afwikkeling gezamenlijk te regelen. Zij wilden mede voorkomen dat Babuts problemen verdere onrust op de beurs veroorzaakten. Hun zorg reikte daarmee verder dan één onderneming. Wie geld tegoed had of voor zijn eigen zaken krediet nodig had, kon door onzekerheid over grote betalingen eveneens worden geraakt.
Voordat de gezamenlijke regeling was afgerond, grepen de commissarissen van de desolate boedelkamer in. Dit stedelijke college behandelde failliete boedels. De commissarissen verzegelden Babuts kisten, kasten en kamers en namen zijn boekhouding mee. Volgens Bicker ontbrak op dat moment de vereiste aangifte door Babut zelf of een schuldeiser. De zakenlieden protesteerden bij het gerecht. Het conflict ging daardoor niet alleen over de beste afwikkeling van schulden. Ook de bevoegdheid van de boedelkamer werd betwist. De vraag of ingrijpen nuttig kon zijn, moest worden onderscheiden van de vraag of het op dat moment was toegestaan.
Bicker verlangt verantwoording van de boedelkamer
Op 7 augustus lazen Bicker, enkele collega-schepenen en Dedel bijna de hele avond aan het verweerschrift van de commissarissen. Die beriepen zich op hun bevoegdheid en de bestaande praktijk. Bicker vond die verdediging onvoldoende. Inmiddels was duidelijk geworden dat Babut zijn schulden niet kon voldoen. De boedelkamer had nu wel reden zich met de afwikkeling te bemoeien. Voor Bicker was daarmee de eerdere handelwijze niet gerechtvaardigd. Als toen een noodzakelijke voorwaarde had ontbroken, moest het college daarover worden aangesproken. Een later gebleken bankroet maakte een voorafgaande ingreep niet vanzelf rechtmatig.
Twee dagen later, op 9 augustus, behandelden de schepenen eerst de zaak van Johannes van Gogh. Dedel vroeg toestemming hem scherper te laten ondervragen op de pijnbank. De meerderheid wees het verzoek af. Bicker vond dat er al een voldoende bekentenis lag; andere schepenen achtten de zaak om hun eigen redenen niet geschikt voor marteling. Het college koos voor een ordinaris proces. Daarin stelde de vervolgende ambtsdrager zijn eis en kon de verdachte zich verdedigen. De gekozen rechtsgang bood ook mogelijkheden voor beroep. De procedure bepaalde daarmee niet alleen het verdere onderzoek, maar ook hoe een uitspraak kon worden aangevochten.
Later die dag kwam het optreden van de boedelkamer aan de orde. Bicker verlangde een berisping. De burgemeesters wilden de commissarissen eveneens aan duidelijker grenzen binden, maar vonden afspraken voor de toekomst voldoende. Uiteindelijk werd vastgelegd dat de boedelkamer bij het ontbreken van een aangifte niet zonder meer mocht ingrijpen en in ieder geval overleg met het gerecht of de schepenen nodig was. De commissarissen kregen geen openlijke bestraffing. Hun handelingsruimte werd wel begrensd. Voor een volgende zaak lagen er afspraken waarop anderen hen konden aanspreken.
Die avond overlegden Bicker, Joan Graafland en Marten Beels met de zakenlieden die Babut hadden proberen te helpen. Onder hen was bankier Balthasar Elias Abbema, die later een belangrijke vriend en politieke medestander van Bicker werd. Zij werden overgehaald met de boedelkamer samen te werken. De volgende dag stemden de commissarissen daarmee in tijdens een bijeenkomst bij Graafland thuis aan de Herengracht. Bicker gaf hun een afschrift van de afspraken. Zo konden de betrokkenen verder met de afwikkeling, terwijl het geschil over de bevoegdheid tot ingrijpen een afzonderlijke uitkomst had gekregen.
Van Gogh bestrijdt zijn doodvonnis
Op 16 januari 1776 veroordeelde het Amsterdamse gerecht Johannes van Gogh ter dood. Bij de vaststelling van de strafuitvoering werden zijn wanhoop en bekentenis als verzachtende omstandigheden meegewogen. Het vonnis zou met het zwaard worden voltrokken. Zijn lichaam mocht worden begraven en zou niet op het galgenveld worden tentoongesteld. Zulke verschillen hadden binnen de toenmalige strafrechtspraak betekenis, ook al bleef de doodstraf zelf gehandhaafd. Het geweigerde verhoor op de pijnbank had hem dus niet voor een doodvonnis behoed. De gevolgde procedure gaf hem wel ruimte om dat vonnis aan te vechten.
Van Gogh stelde dat zijn bekentenis verkeerd was weergegeven en dat hij haar niet had ondertekend. Hij bestreed de woorden waarmee zijn handelen was vastgelegd. Daarbij kreeg ook het onderscheid tussen woede en wanhoop betekenis. Zijn zaak kwam bij het Hof van Holland en bereikte uiteindelijk de Hoge Raad in Den Haag. Zolang die rechtsgang voortduurde, bleef de uitvoering uit. De keuze voor het ordinaris proces had daarmee gevolgen buiten de Amsterdamse rechtszaal. Hogere rechters konden de uitspraak onderzoeken en Van Gogh kon zijn bezwaren tegen de vastlegging en beoordeling van zijn verklaringen laten behandelen.
Het waterbestuur brengt grondbezit en openbare lasten bijeen
Vanaf 1776 was Bicker tevens hoogheemraad van de Beemster. Daar kreeg hij verantwoordelijkheid voor waterbeheer: een bestuursterrein waarop de bescherming en bruikbaarheid van grond afhankelijk waren van gezamenlijk onderhoud. Waterstaatkundige werken vroegen geld, toezicht en afspraken over de verdeling van lasten. Grondbezitters hadden belang bij het behoud van hun eigendom; pachters en andere gebruikers bij de mogelijkheid het land te blijven benutten. Besluiten over onderhoud en heffingen werkten daardoor door in de inkomsten van verschillende groepen. De functie verbond Bickers bestuurlijke werkzaamheden nog nadrukkelijker met bezit buiten Amsterdam.
Zijn ambten brachten hem zo bij uiteenlopende afhankelijkheden. Bij zeezaken beoordeelde hij afspraken over schepen, leveringen en arbeid. Als schepen had hij beslist over verdachten wier lichaam en vrijheid aan het oordeel van het gerecht waren onderworpen. In de Beemster droeg hij bij aan besluiten over grond, water en lasten. De betrokkenen beschikten niet over dezelfde middelen om hun positie te verdedigen. Zakenlieden konden gezamenlijk onderhandelen en bezwaren laten formuleren. Een opgesloten dienstmeid was afhankelijker van de wijze waarop rechters haar woorden en de verklaringen van deskundigen beoordeelden.
Na bijna drie jaar volgt de terechtstelling
Op 26 maart 1778 werd Van Goghs doodvonnis bevestigd. Op 4 april volgde zijn onthoofding op de Dam, voor een grote menigte. Van de terechtstelling verscheen een nieuwsprent. Bijna drie jaar waren verstreken sinds Anna Smitshuijsen was gedood. Het onderzoek, de Amsterdamse uitspraak en de behandeling door hogere rechters hadden de uitvoering uitgesteld, maar de uiteindelijke straf niet veranderd. De weigering van de pijnbank en de mogelijkheid van beroep boden procedurele bescherming binnen een stelsel dat nog steeds mensen ter dood bracht. Voor Van Gogh eindigde die rechtsgang op het schavot.
Bicker bleef in deze jaren deel van dat stelsel. Hij had marteling toegestaan, opsluiting helpen verlengen en later verzoeken om een gewelddadig verhoor afgewezen. Judith bleef gevangen; Elisabeth werd vrijgelaten; Van Gogh werd na beroep terechtgesteld. Die verschillende uitkomsten laten geen eenvoudige ontwikkeling van hardvochtigheid naar menselijkheid zien. Wel hield Bicker zich herhaaldelijk bezig met de grond waarop een bevoegdheid werd gebruikt. Bij de boedelkamer leidde zijn bezwaar tot nieuwe afspraken. In strafzaken hing veel af van zijn beoordeling van bewijs en procedure. Zijn optreden stelde grenzen aan afzonderlijke ingrepen, terwijl de verdeling van het bestuurlijke gezag zelf vooralsnog intact bleef.
Geld, geweten en gezag — Jan Bernd Bicker en de verandering van Nederland, 1648–1812
Deel 5 — Oorlog maakt de zwakte van het bestuur zichtbaar, 1779–1782
In 1779 begon Amsterdam met de bouw van een nieuw Werkhuis. Het moest mensen opvangen die zichzelf niet konden onderhouden en plaats bieden aan personen die er gedwongen verbleven. Ondersteuning, arbeid en toezicht kwamen daarmee binnen één instelling bijeen. Voor het stadsbestuur bood het gebouw ruimte om voorzieningen anders te organiseren. Voor bewoners maakte vooral hun rechtspositie verschil. Iemand die zich uit nood aanmeldde, kwam onder andere voorwaarden binnen dan een gevangene. Toch betekende vrijwillige opname niet dat het verblijf zonder regels of verplichtingen was. Wie bescherming zocht, moest zich voegen naar de orde van het huis.
De gedachte dat arbeid armoede kon verminderen, kreeg in de tweede helft van de achttiende eeuw op verschillende plaatsen vorm. In armenfabrieken verwerkten mannen, vrouwen en kinderen bijvoorbeeld vlas of maakten zij textiel. Hun werk moest bijdragen aan hun onderhoud en hen zo mogelijk voorbereiden op een bestaan buiten de instelling. Dat vereiste meer dan beschikbare arbeidskrachten. Er moesten grondstoffen worden gekocht, werkzaamheden georganiseerd en producten verkocht. Zonder voldoende afnemers kon de opbrengst tegenvallen. Een inrichting kon bewoners aan het werk zetten zonder daarmee de economische omstandigheden weg te nemen waardoor zij eerder onvoldoende hadden verdiend.
Ook de beoordeling van behoeftigheid had gevolgen. Was iemand ziek, ontbrak het aan opdrachten of meenden bestuurders dat de aanvrager onvoldoende wilde werken? Zulke oordelen konden bepalen of hulp, scholing of dwang passend werd gevonden. Mensen die om ondersteuning vroegen, moesten daardoor niet alleen hun gebrek aan middelen aannemelijk maken. Ook hun gedrag kon worden onderzocht. Voor het stadsbestuur waren armenzorg en ordehandhaving nauw verbonden. Dezelfde overheid die werk en onderdak organiseerde, bepaalde wanneer gebrek aan inkomsten aanleiding gaf tot ondersteuning en wanneer iemand wegens bedelarij of ander ongewenst gedrag werd opgesloten.
De oorlog bedreigt de verbindingen waarvan Amsterdam leeft
In 1780 raakte de Republiek in oorlog met Groot-Brittannië. De Vierde Engelse Oorlog trof een staat die voor handel en koloniale verbindingen sterk op de zee was aangewezen. Koopvaarders liepen gevaar, bezittingen overzee werden bedreigd en de bescherming van scheepvaartroutes schoot tekort. Voor Amsterdam ging het om veel meer dan de belangen van enkele kooplieden. Schepen moesten worden gebouwd, onderhouden, geladen en gelost. Minder scheepvaart kon daarom doorwerken in werkplaatsen, op werven en langs de kades. Een verloren lading was een onmiddellijk vermogensverlies; een uitblijvend schip kon ook betekenen dat anderen hun volgende betaalde opdracht misliepen.
De schade was ongelijk verdeeld. Vermogensbezitters konden inkomsten uit huizen, grond, ondernemingen en waardepapieren combineren. Ook buitenlandse beleggingen maakten deel uit van de Amsterdamse financiële wereld. Geld kon buiten de Republiek opbrengsten leveren terwijl de plaatselijke bedrijvigheid terugliep. Dat maakte beleggers niet onaantastbaar: debiteuren konden in gebreke blijven en koersen veranderen. Maar wie verschillende inkomstenbronnen had, beschikte over meer mogelijkheden om verliezen op te vangen. Voor een knecht op een werf of bij een pakhuis bleef het inkomen veel directer verbonden met de hoeveelheid werk die ter plaatse beschikbaar was.
Daarvoor hoefde het dagloon niet eens te dalen. Minder betaalde dagen konden voldoende zijn om een huishouden in moeilijkheden te brengen. Huur, voedsel en brandstof moesten ondertussen worden betaald. Vrouwen en verwanten konden met eigen werkzaamheden bijdragen, maar hun verdiensten waren evenmin verzekerd. Wanneer verschillende inkomsten tegelijk wegvielen, werden uitstel van betaling, familiehulp en armenzorg belangrijker. Zo bereikte de oorlog ook mensen die geen schip bezaten en geen buitenlandse effecten hadden. De militaire bescherming die op bestuurlijk niveau werd besproken, hing voor hen samen met de vraag of er de volgende week nog voldoende werk zou zijn.
Willem V krijgt de tekortschietende verdediging aangerekend
De oorlog gaf bestaande politieke bezwaren nieuwe kracht. Willem V bekleedde als kapitein-generaal en admiraal-generaal de hoogste militaire functies. Tegenstanders spraken hem aan op de gebrekkige bescherming van de Republiek. Toch lag de uitvoering niet uitsluitend in zijn handen. Steden, provincies, admiraliteiten en gezamenlijke instellingen hadden eigen bevoegdheden en financiële verplichtingen. De vraag wie verantwoordelijk was, kon daardoor zelf een onderwerp van strijd worden. Het stadhouderlijke bewind verdedigen of bestrijden betekende ook bepalen welke tekortkomingen aan Willem moesten worden toegeschreven en welke voortkwamen uit de inrichting van de staat.
Onder de naam patriotten kwamen verschillende tegenstanders van het bewind bijeen. Sommige regenten wilden vooral de invloed van de stadhouder beperken en de zelfstandigheid van stedelijke en gewestelijke besturen versterken. Burgers buiten de gevestigde kring verlangden meer invloed op hun eigen bestuurders. Zij konden samenwerken tegen dezelfde tegenstander, maar hoefden daarmee nog geen overeenstemming te hebben over de gewenste uitkomst. Voor een zittend raadslid kon een andere koers voldoende zijn. Wie zelf geen stem in de raad had, kon juist de manier van benoemen willen veranderen. De oorlog bracht hun bezwaren samen en maakte tegelijk die onderlinge verschillen belangrijker.
Bicker stelt voorwaarden aan de steun van een burgemeester
In februari 1781 trad Jan Bernd Bicker toe tot de Amsterdamse vroedschap. Egbert de Vrij Temminck had hem voorgedragen. Bicker maakte duidelijk dat hij zich daardoor niet verplicht achtte steeds met de burgemeesters mee te stemmen. Hij wilde informatie verzamelen en naar eigen inzicht en geweten oordelen. Dat was een grens aan wat een aanbeveling volgens hem mocht betekenen. De steun die zijn benoeming mogelijk had gemaakt, gaf de aanbeveler geen aanspraak op iedere volgende stem. Bicker wilde binnen het bestaande bestuur een eigen verantwoordelijkheid dragen, ook wanneer zijn oordeel afweek van dat van invloedrijke medestanders.
Hij vond aansluiting bij hervormingsgezinde raadsleden en trok op met Balthasar Elias Abbema. De bankier had eerder meegedacht over de financiële problemen van Babut. Hun samenwerking groeide dus binnen een wereld die Bicker al kende uit handel en bestuur. Beiden beschikten over geld, relaties en toegang tot instellingen. Daarmee konden zij bezwaren rechtstreeks in bestuurlijk overleg naar voren brengen. Voor inwoners buiten die kring lagen de mogelijkheden anders. Zij moesten hun wensen via verzoekschriften, verenigingen en openbare discussie kenbaar maken. Wanneer Bicker hun steun wilde benutten, kreeg hij ook te maken met verlangens die verder konden gaan dan zijn eigen voorstellen.
Vanaf 1781 hield hij notulen bij van vergaderingen van de Staten van Holland. Zijn aandacht verschoof daarmee steeds meer naar besluiten die de stad overstegen. Verdediging, geld en gewestelijke belangen vereisten overleg met vertegenwoordigers van andere steden en instellingen. Een Amsterdams standpunt was daar één bijdrage tussen andere. De omvang van de stad gaf haar gewicht, maar maakte de medewerking van anderen niet overbodig. Bicker moest zich verdiepen in uiteenlopende verplichtingen en argumenten. De vraag waarop een bevoegdheid berustte, werd nu vergezeld door een tweede: hoe kon een verdeeld bestuur tot gezamenlijk handelen worden gebracht?
Een pamflet roept inwoners op hun bestuur te beoordelen
In de nacht van 25 op 26 september 1781 werd Aan het volk van Nederland verspreid. Joan Derk van der Capellen tot den Pol had het pamflet geschreven, maar zijn naam bleef aanvankelijk onbekend. Hij viel het bewind aan en riep burgers op zich te organiseren. Een gedrukt geschrift kon van hand tot hand gaan, worden besproken en aan anderen worden voorgelezen. De politieke discussie kreeg daarmee een bereik buiten de vergaderkamers. Inwoners zonder ambt werden aangesproken als mensen die het optreden van machthebbers moesten beoordelen en zelf middelen konden zoeken om verandering af te dwingen.
Bicker deelde de groeiende kritiek, maar zijn uitgangspositie verschilde van die van veel aangesproken burgers. Hij bezat al een stem in het bestuur. Voor anderen moest toegang nog worden verworven. Hun optreden kon zijn positie versterken, terwijl hun voorstellen tegelijk de grenzen van zijn hervormingsgezindheid beproefden. Wie de invloed van de stadhouder bestreed, hoefde de benoeming van regenten niet vanzelfsprekend te aanvaarden. Daarmee kwam ook de kring waartoe Bicker behoorde ter discussie te staan. De gemeenschappelijke tegenstander verbond de patriotten, maar de vraag wie daarna mocht beslissen bleef open.
Het nieuwe Werkhuis vergroot de mogelijkheden tot opvang en opsluiting
In januari 1782 besloot het Amsterdamse bestuur ook de gevangenen van het Spinhuis naar het nieuwe Werkhuis over te brengen. Dat was een uitbreiding van de eerdere opzet. Financiële overwegingen speelden mee en de indeling moest worden aangepast. Het complex kreeg afzonderlijke afdelingen voor verschillende groepen bewoners. Werkruimten, slaapvertrekken en ziekenzalen moesten verzorging en toezicht mogelijk maken. Aan licht, lucht en hygiëne werd aandacht besteed. Het gebouw bood daarmee andere voorzieningen dan oudere instellingen, maar bleef tegelijk ingericht om mensen te scheiden, hun arbeid te organiseren en hun bewegingen te controleren.
Voor behoeftigen kon opname onderdak en onderhoud betekenen. Voor gevangenen bleef het een plaats waar zij tegen hun wil verbleven. Die verschillende posities laten zien hoe ondersteuning en vrijheidsbeperking binnen hetzelfde stedelijke beleid konden samenkomen. Bickers persoonlijke aandeel in de afzonderlijke besluiten over het Werkhuis is hier niet vastgesteld. Het gebouw behoorde wel tot de stad die hij hielp besturen. Terwijl hij meer ruimte voor politieke oordeelsvorming verlangde, moest dat bestuur ook beslissen over mensen die nauwelijks middelen hadden om zelfstandig te leven. Hun aanspraken werden beoordeeld binnen instellingen waarvan zij de leiding niet zelf kozen.
Bicker krijgt verantwoordelijkheid in het koloniale bestuur
In 1782 werd Bicker directeur van de Sociëteit van Suriname. Hij vervulde die functie tot 1785. De Sociëteit bestuurde een kolonie waarin plantages op de gedwongen arbeid van tot slaaf gemaakte mensen berustten. Bickers koloniale betrokkenheid beperkte zich daarmee niet tot geërfde vermogensverbindingen. Hij nam zelf een bestuursfunctie aan binnen dat bestel. Zijn werkzaamheden omvatten dus zowel een Amsterdamse raad waarin hij onafhankelijk wilde oordelen als een koloniaal bestuur dat de onvrijheid van anderen in stand hield. Die twee posities maakten gelijktijdig deel uit van zijn loopbaan.
De benoeming stelt zijn betrokkenheid vast, maar verklaart niet iedere persoonlijke overtuiging of afzonderlijke beslissing. Daarvoor zijn zijn correspondentie, uitspraken en bestuurswerk nodig. Een beroep op geweten in Amsterdam bewijst geen pleidooi tegen slavernij in Suriname. Omgekeerd mag de koloniale functie niet uit het verhaal verdwijnen omdat zijn optreden in de Republiek hervormingsgezind was. De vrijheid waarvoor hij politieke ruimte verlangde, werd niet vanzelf op iedereen toegepast. Juist daarom moeten zijn Nederlandse en koloniale werkzaamheden naast elkaar worden gevolgd: zij laten zien binnen welke maatschappelijke verhoudingen zijn streven naar verandering vorm kreeg.
Deel 6 — Burgers organiseren zich en de strijd krijgt wapens, 1783–1787
In de jaren na het uitbreken van de oorlog werd de politieke organisatie buiten de bestuurskamers sterker. Burgers kwamen bijeen, bespraken hun rechten en oefenden met wapens in exercitiegenootschappen en vrijcorpsen. In sommige verbanden kozen zij hun eigen officieren. Zij verbonden hun aanspraak op invloed daarmee aan een organisatie die zelfstandig kon handelen. Voorstanders zagen daarin bescherming tegen willekeur en een bijdrage aan de verdediging. Voor bestuurders veranderde het gewicht van een verzoek. Achter de woorden kon een geoefende groep staan die over wapens beschikte en haar eisen gezamenlijk naar voren bracht.
Daardoor werd de verhouding tot bestaande instellingen dringender. Wie mocht gewapende burgers bevelen geven? Welke plaats hadden zij naast de stedelijke schutterij? En welk gezag gold wanneer een stadsbestuur, een gewest en een militaire bevelhebber verschillende opdrachten gaven? De antwoorden verschilden per plaats en politieke richting. Niet iedere gewapende burger verlangde dezelfde hervorming. Maar overal waar zulke organisaties invloed kregen, werd duidelijk dat politieke overtuigingskracht en het vermogen een besluit af te dwingen dichter bij elkaar kwamen. De strijd ging steeds meer over de vraag wie de middelen van bescherming en geweld mocht gebruiken.
De vrede beëindigt de oorlog, maar niet de politieke crisis
In 1784 eindigde de Vierde Engelse Oorlog. Daarmee verdween de directe oorlogstoestand, maar niet de schade aan handel en vertrouwen. Verliezen werden niet ongedaan gemaakt en de gebrekkige verdediging bleef aanleiding geven tot verwijten. Ook de groepen die zich tegen het bewind hadden verbonden, hielden verschillende verwachtingen. Hoeveel invloed moest Willem V behouden? Mochten burgers hun plaatselijke vertegenwoordigers kiezen? En konden zittende regenten zelf bepalen hoe ver hervorming ging? De vrede beslechtte geen van die geschillen. De verenigingen, contacten en gewapende verbanden die tijdens de crisis waren gegroeid, bleven beschikbaar voor de binnenlandse strijd.
Oranje behield bovendien aanhang onder mensen die weinig gemeen hadden met vermogende patriotten als Bicker. In Rotterdam vielen in de nacht van 3 op 4 april 1784 vier doden bij confrontaties tussen Oranjegezinden en schutters. Catharina Mulder, bekend als Kaat Mossel, werd later gearresteerd wegens haar vermeende aandeel in de onlusten. Zij had als werkende vrouw geen plaats in de vroedschap, maar speelde via openbare vieringen, menigten en politieke contacten wel een zichtbare rol. Haar vervolging werd onderdeel van de partijstrijd. Uitsluiting van een ambt betekende dus niet dat iemand buiten het politieke leven bleef.
Ook veel scheepstimmerlieden op Kattenburg steunden de stadhouder. Naar hun gereedschap stonden zij bekend als de Bijltjes. Hun Oranjegezindheid laat zien waarom politieke kampen niet eenvoudig met arm en rijk kunnen worden vereenzelvigd. Arbeiders konden in Oranje een beschermer zien tegenover stedelijke bestuurders. Een vermogende regent kon juist hervorming verwachten van beperking van de stadhouderlijke invloed. Beiden konden zich tegen misstanden keren, maar vertrouwden verschillende machtsdragers. Hun keuze werd mede gevormd door beroep, buurt, betrekkingen en politieke tradities. Een gemeenschappelijk belang bij werk of bescherming leverde daardoor nog geen gemeenschappelijke partij op.
De aanval bij de Stadhouderspoort vergroot de dreiging
Op 17 maart 1786 reden de Dordtse pensionaris Cornelis de Gijselaar en burgemeester Ocker Gevaerts door de Stadhouderspoort op het Binnenhof. Daarmee doorbraken zij een gebruik dat de doorgang voorbehield aan de stadhouder. Oranjegezinden vielen hun koets aan. Een geschil over rang en bevoegdheid kreeg zo een gewelddadige uitwerking: twee bestuurders werden lichamelijk bedreigd. Twee aanvallers kregen de doodstraf opgelegd. De Gijselaar en Gevaerts pleitten vervolgens voor genade. Het incident gaf beide kampen nieuwe stof voor beschuldigingen en verdediging. De betekenis van de poort reikte inmiddels veel verder dan een doorgang op het Binnenhof.
In patriotse gedichten en toneelstukken werd de aanval verbonden met Oldenbarnevelt en de gebroeders De Witt. Vooral de herinnering aan de moorden van 1672 gaf het voorval een dreigende betekenis. Actuele tegenstanders konden worden voorgesteld als erfgenamen van eerdere vervolgers; aangevallen bestuurders als nieuwe verdedigers van de vrijheid. Zulke verwijzingen hielpen gebeurtenissen begrijpelijk maken voor een publiek dat deze politieke geschiedenis kende. Zij verscherpten tegelijk het wantrouwen. Wie meende dat een oude strijd zich herhaalde, kon een aanval moeilijk als een op zichzelf staand incident beschouwen. Een plaatselijke botsing werd zo onderdeel van een veel groter gevaar.
Een dankadres maakt steun buiten de raad zichtbaar
Ook zonder wapens konden inwoners hun politieke gewicht proberen te vergroten. In de patriottentijd ondertekenden ongeveer zestienhonderd Amsterdammers een dankadres aan de Staten van Holland voor maatregelen tegen Willem V. Voordat de verklaring werd rondgebracht, legden schutterijkapiteins het initiatief aan de vroedschap voor. Een commissie maakte bezwaar. Zij vreesde dat de verklaring verdeeldheid zou versterken. Wie niet tekende, kon voortaan als tegenstander van de Staten worden beschouwd. De handtekening maakte steun zichtbaar, maar ook het ontbreken daarvan. In een gespannen stad kon de keuze om wel of niet mee te doen daardoor gevolgen krijgen.
Bicker bestreed het bezwaar. Willem V had de gewestelijke maatregelen voorgesteld als het werk van enkele heethoofden. Een breed gedragen verklaring kon volgens hem aantonen dat het verzet tegen de prins meer steun had. Bovendien vond hij dat inwoners ruimte moesten krijgen zich uit te spreken. De uiteindelijke tekst was nog niet bekend; de raad moest het initiatief niet vooraf blokkeren. De vroedschap besloot geen advies te geven, waarna de kapiteins verder konden. Bicker verdedigde daarmee binnen het bestuur een vorm van politieke deelname die buiten de gebruikelijke benoemingen en vergaderingen om ging.
Het initiatief ondersteunde zijn eigen richting, maar bracht ook een algemenere vraag naar voren. Hoe kon openbare meningsvorming worden beschermd zonder dat deelname een toets van politieke betrouwbaarheid werd? Een verzameling handtekeningen toonde steun, maar gaf niet vanzelf het recht namens alle inwoners te spreken. De vrees van de commissie was daarmee niet geheel weggenomen door Bickers antwoord. Zijn verdediging van het initiatief bood burgers ruimte om druk uit te oefenen. Naarmate de partijstrijd scherper werd, werd het belangrijker welke bescherming overbleef voor degenen die een andere verklaring wilden tekenen of helemaal geen partij kozen.
Bicker werkt aan een verdediging die verdeeld wordt bestuurd
In 1786 werd Bicker buitengewoon afgevaardigde naar de Staten-Generaal. Hij hield zich ook met de verdediging bezig. De kritiek op bestuurlijke zwakte kreeg daarmee voor hem een uitvoerende kant. Troepen hadden soldij en bevoorrading nodig, schepen moesten worden uitgerust en verdedigingswerken onderhouden. Zijn stukken betreffen onder meer militaire betalingen, admiraliteitsinkomsten, waterlinies en zeehavens. Een noodzakelijk geachte maatregel vereiste telkens afspraken over geld en uitvoering. De bescherming van de Republiek hing af van instellingen die hun eigen rechten bewaakten en elkaar niet zonder meer opdrachten konden geven.
De partijstrijd liep door dat overleg heen. Naast bekwaamheid werd politieke betrouwbaarheid steeds belangrijker. Bickers beoordelingen van betrokkenen moeten tegen die achtergrond worden gelezen. Wie op medewerking rekende, wilde weten of een bestuurder of bevelhebber dezelfde koers steunde. Maar een verschil van inzicht kon daardoor gemakkelijk als tegenwerking worden opgevat. De verdeling van bevoegdheden maakte samenwerking noodzakelijk, terwijl het onderlinge vertrouwen afnam. Bicker probeerde besluiten over bescherming en verdediging te bevorderen binnen een staat waarvan de machtsdragers steeds vaker ook elkaars bedoelingen betwistten.
Onder gewapende druk verdwijnen negen raadsleden
In april 1787 dwongen Amsterdamse patriotten negen Oranjegezinde leden van de vroedschap tot vertrek. De eis werd gedragen door georganiseerde burgers en de schutterij; patriotse bestuurders namen de vrijgekomen plaatsen in. Daarmee veranderde de samenstelling van de raad in het voordeel van Bickers politieke richting. De ingreep liet tegelijk zien dat de bestaande benoemingsregels niet langer afdoende bepaalden wie kon blijven zitten. Buiten de raad georganiseerde macht had de doorslag gegeven. Burgerinvloed kreeg hier de vorm van druk waarmee tegenstanders uit een bestuurscollege werden verwijderd.
Dat maakt het moeilijk de ontwikkeling uitsluitend als uitbreiding van vrijheid te beschrijven. De vertrokken bestuurders verloren hun plaats, terwijl hun tegenstanders zich op de steun van de burgerij beriepen. Maar welke burgers werden daarmee bedoeld en wie mocht namens hen handelen? Gewapende organisatie gaf een deel van de inwoners meer invloed dan anderen. Voor Bicker werd daarmee een spanning zichtbaar die ook zijn eigen positie raakte. De onafhankelijkheid van een raadslid kon niet alleen door een beschermheer of de stadhouder worden beperkt. Ook druk vanuit een georganiseerde aanhang kon bepalen hoeveel ruimte voor een afwijkend oordeel overbleef.
Op Kattenburg verandert partijstrijd in een gevecht
Op 29 mei 1787 vielen Oranjegezinde Bijltjes een compagnie patriotse schutters aan. Patriotten namen vervolgens wraak door huizen van orangisten te plunderen. De Bijltjes trokken zich terug op Kattenburg en haalden de brug op. Daarmee werd een verbinding binnen de stad een verdedigingsgrens. De volgende dag vochten beide partijen bij de Kattenburgerbrug. Patriotse schutters veroverden de doorgang en drongen het eiland binnen. Het geweld bleef dus niet beperkt tot de eerste aanval. Ook de tegenactie trof mensen en bezittingen. De strijd om bescherming en behoorlijk bestuur bracht nu gewapende stedelingen tegenover elkaar.
Voor de scheepstimmerlieden schiep hun werk in de Amsterdamse havenwereld geen vanzelfsprekende verbondenheid met de patriotten. Zij bleven Oranje steunen, terwijl regenten als Bicker juist beperking van de stadhouderlijke invloed nastreefden. Beroep, bezit en politieke keuze liepen door elkaar. Na de gedwongen verandering van de vroedschap en de gevechten op Kattenburg kon het bestuur niet meer volstaan met overleg over bevoegdheden. Het moest ook de orde herstellen tussen eigen inwoners die elkaar als vijanden bestreden. De stad die haar zelfstandigheid wilde beschermen, raakte van binnen verdeeld over wie die bescherming nog mocht organiseren.
Geld, geweten en gezag — Jan Bernd Bicker en de verandering van Nederland, 1648–1812
Deel 7 — Een buitenlandse inval maakt van Bicker een vluchteling, 1787–1795
Op 28 juni 1787 reisde Wilhelmina van Pruisen vanuit Nijmegen naar Den Haag. Zij wilde in het politieke machtscentrum van Holland de positie van haar echtgenoot Willem V versterken. Bij Bonrepas aan de Vlist hielden gewapende patriotten haar gezelschap tegen. Zij werd naar een verblijf bij Goejanverwellesluis gebracht en kon haar reis niet voortzetten. De ingreep moest voorkomen dat haar komst de machtsverhoudingen in Den Haag veranderde. Maar Wilhelmina was ook de zuster van de Pruisische koning Frederik Willem II. Wat als een binnenlandse voorzorgsmaatregel was bedoeld, werd een diplomatiek conflict met een buitenlandse vorst.
Pruisen verlangde genoegdoening voor haar behandeling. De Staten van Holland moesten hun optreden verdedigen en bepalen welke tegemoetkoming zij wilden doen. Tegelijk hoopten patriotten op buitenlandse steun om hun positie te behouden. Hun mogelijkheden waren echter beperkt. Gewapende burgers hadden in verschillende steden bestuurders onder druk gezet, maar beschikten niet over de middelen van een grote militaire mogendheid. Terwijl de partijen binnen de Republiek hun bevoegdheden betwistten, kon de Pruisische koning zijn eisen met een leger ondersteunen. De afloop hing daardoor steeds minder uitsluitend af van Nederlandse onderhandelingen.
De Pruisische eisen komen tussen Bickers bestuurspapieren terecht
Op 6 augustus stelde de Pruisische gezant Thulemeyer een nadere memorie op over de gebeurtenissen rond Wilhelmina. De volgende dag werd het stuk aan de Staten van Holland en West-Friesland overgelegd. Een gedrukte kopie bleef tussen Bickers aanvullende archiefstukken bewaard. Het document hoorde bij een crisis waarin hij zich als bestuurder met de verdediging bezighield. Geld, manschappen en bevelvoering moesten worden geregeld terwijl het antwoord op de Pruisische eisen nog onderwerp van overleg was. Voorbereiding en diplomatie liepen naast elkaar, zonder dat de betrokken instellingen tot een eensgezinde koers kwamen.
Uit Bickers positie volgt niet dat hij Wilhelmina’s aanhouding had georganiseerd. Zijn aantoonbare rol lag bij de patriotse politiek en de verdediging van Amsterdam en de Republiek. Daar stuitte hij op problemen die hij al kende: verschillende instellingen moesten geld beschikbaar stellen, besluiten uitvoeren en elkaars gezag erkennen. Nu was bovendien onzeker op welke bestuurders en bevelhebbers kon worden gerekend. Een maatregel kon militair noodzakelijk worden gevonden en toch stranden op financieel bezwaar of politiek wantrouwen. De verdeeldheid beperkte zo de uitvoering van de bescherming waaraan Bicker meewerkte.
Het Pruisische leger verdrijft de patriotten uit het bestuur
Op 13 september 1787 trok een Pruisisch leger de Republiek binnen. De patriotse verdediging hield geen stand en de verwachte buitenlandse hulp bleef uit. Willem V herwon zijn positie. In de steden werden patriotse bestuurders verwijderd en keerden tegenstanders terug. Ook Amsterdam moest zich naar de nieuwe machtsverhouding voegen. Op 10 oktober verloor Bicker zijn plaats in de vroedschap. Zes jaar eerder had hij bij zijn toetreding verklaard naar eigen inzicht en geweten te willen stemmen. Nu werd hem de mogelijkheid daartoe ontnomen. De militaire overwinning bepaalde wie nog aan de bestuurstafel mocht plaatsnemen.
Buiten de raad werden patriotten bedreigd en hun bezittingen aangevallen. Voor velen werd vertrek noodzakelijk. Bicker moest bepalen langs welke weg hij kon wegkomen en hoe zijn gezin hem kon volgen. Geld en contacten hielpen bij het regelen van vervoer en verblijf, maar namen de onzekerheid niet weg. Niemand kon hem zeggen wanneer terugkeer veilig zou zijn. Bezittingen bleven achter, werkzaamheden moesten worden overgedragen en verwanten werden van elkaar gescheiden. Het ambtsverlies was een besluit op papier; de vlucht veranderde de inrichting van zijn dagelijkse bestaan.
Een aanvaring onderbreekt de reis naar Brussel
Op 15 oktober verliet Bicker Amsterdam. Zijn route voerde langs Leiden, Delft en Rotterdam naar het zuiden. In de Dordtse Kil kwam de boeier waarmee hij reisde in aanvaring met een admiraliteitsjacht. Ook nadat hij de stad achter zich had gelaten, bleef de uitvoering van zijn vlucht dus onzeker. De waterwegen waarover goederen en reizigers werden vervoerd, boden geen ongestoorde doorgang. Via Antwerpen bereikte hij Brussel. Daar bevond zich ook Balthasar Elias Abbema, zijn vriend en medestander uit de Amsterdamse financiële en bestuurlijke wereld.
Catharina Six en de kinderen voegden zich bij hem. Brussel lag in de Zuidelijke Nederlanden onder Habsburgs gezag. Het gezin moest er onderdak vinden en een huishouden opbouwen. Ondertussen bleven bezittingen en verplichtingen in Nederland aandacht vragen. Daarvoor waren brieven, vertegenwoordigers en betalingen nodig. Gemachtigden konden namens Bicker optreden wanneer hij zelf niet aanwezig kon zijn. De politieke grens verbrak zijn zakelijke en familiale betrekkingen dus niet. Maar de afstand maakte hem afhankelijker van de informatie die anderen stuurden en van de zorg waarmee zij zijn belangen behartigden.
Onder de uitgeweken patriotten bleven de meningsverschillen bestaan. Sommigen verlangden herstel van hun vroegere positie, anderen wilden een grondiger verandering van het bestuur. Ook de omstandigheden waarin zij leefden verschilden. Mensen zonder reserves moesten werk of ondersteuning zoeken. Militairen, ambachtslieden en hun gezinnen hadden met hun woonplaats vaak ook hun inkomsten verloren. Bicker kon terugvallen op bezit en betrekkingen. Hij deelde de politieke nederlaag met andere ballingen, maar hoefde zijn verblijf niet onder dezelfde voorwaarden te organiseren. De verdeeldheid van vóór 1787 reisde met hen mee.
Bicker woont de opening van de Franse Staten-Generaal bij
Begin mei 1789 reisde Bicker naar Versailles. Hij wilde de opening van de Franse Staten-Generaal bijwonen. De monarchie had grote financiële problemen en riep vertegenwoordigers bijeen om tot een oplossing te komen. Zij waren verdeeld over geestelijkheid, adel en de derde stand. Die laatste vertegenwoordigde de bevolking buiten de twee bevoorrechte standen, maar bestond zelf vooral uit ontwikkelde en maatschappelijk gevestigde mannen. De stemprocedure werd meteen een twistpunt. Zou iedere stand afzonderlijk stemmen, of telde de stem van iedere afgevaardigde even zwaar?
In de weken daarna doorbraken vertegenwoordigers van de derde stand de bestaande indeling. Zij vormden een Nationale Vergadering die namens de Franse natie wilde handelen. Voor Nederlandse ballingen waren dat gebeurtenissen met een directe politieke betekenis. Een vergadering kon haar gezag kennelijk ook ontlenen aan de bevolking die zij beweerde te vertegenwoordigen. Toch mag Bickers aanwezigheid niet als bewijs voor een onmiddellijke verandering van zijn overtuigingen worden gebruikt. Hij zag een oude bestuursorde in beweging komen. Welke gevolgen hij daar zelf aan verbond, moet blijken uit zijn uitspraken en latere keuzes.
De Brabantse Omwenteling bereikt ook het tijdelijke onderkomen
In de Zuidelijke Nederlanden groeide ondertussen het verzet tegen keizer Jozef II. Zijn hervormingen raakten bestaande rechten, kerkelijke belangen en bestuursinstellingen. De tegenstanders van de keizer waren het niet eens over de inrichting van een nieuwe orde. Sommigen wilden oude verhoudingen beschermen; anderen verlangden ruimere vertegenwoordiging. De Brabantse Omwenteling van 1789 verschilde daardoor van de Franse ontwikkeling. Ook Nederlandse patriotten konden er tussen botsende partijen terechtkomen. Hun strijd tegen Oranje gaf hun geen vanzelfsprekende plaats binnen een conflict dat uit andere instellingen en belangen was ontstaan.
Volgens de biografische reconstructie trof een verdwaalde kogel Bickers woning, vlak bij een raam waar hij zat te lezen. De onrust drong zo door tot het huis waarin het gezin bescherming had gezocht. In 1791 verhuisden de Bickers naar Sèvres, bij Parijs. Later dat jaar keerde hij met een deel van zijn gezin terug naar Brussel. Iedere verhuizing vroeg opnieuw om vervoer, kamers en afspraken. Voor de kinderen verstreken hun jeugdjaren buiten Nederland. Een verblijf dat aanvankelijk tijdelijk kon lijken, werd onderdeel van een ballingschap zonder bekende einddatum.
Een nalatenschap houdt de familiegeschiedenis bijeen
Op 2 augustus 1791 hoorde Bicker dat zijn grootmoeder Johanna Sara Pels vijf dagen eerder was overleden. Hij was op bezoek bij Jan de Witt, een andere uitgeweken Amsterdamse patriot in Parijs. Zijn grootmoeder was negenentachtig geworden. Zij had hem familiepapieren en portretten nagelaten. Sommige voorstellingen gingen terug tot de zestiende eeuw. Terwijl Bicker zelf geen plaats meer had in het Nederlandse bestuur, kreeg hij de overlevering van eerdere generaties toevertrouwd. De documenten bevatten herinneringen, maar ook gegevens over verwantschap, bezit en zakelijke handelingen.
Voor de ontvangst hoefde hij niet zelf naar Amsterdam te reizen. Hij machtigde Jan Jacob van Beaumont om namens hem op te treden bij notaris Cornelis van Homrigh. Een kwitantie van 3 februari 1792 legt de afhandeling vast. Die akte laat zien hoe rechten over afstand konden worden uitgeoefend. Zij verklaart ook hoe een deel van het familiearchief via Bicker bewaard bleef. Zijn eigen reisverslagen en bestuurlijke aantekeningen zouden later naast deze oudere papieren terechtkomen. De balling die documenten van zijn grootmoeder ontving, werd daarmee zelf een schakel in de overlevering van het familieverleden.
Op 30 augustus 1792 volgde een omvangrijke boedelscheiding. De beschrijving noemt Schapenburg, een huis aan de Keizersgracht, een stalhuis aan de Kerkstraat, pakhuizen en obligaties. Bij de verdeling worden ongeveer 1,7 miljoen gulden aan effecten vermeld, waaronder 83.000 gulden in de Bank of England, en 726.000 gulden aan contanten. Verschillende belanghebbenden deelden in die bezittingen. De bedragen vormen dus geen optelsom van Jan Bernds persoonlijke vermogen. Zij tonen wel hoe het familiebezit was samengesteld: gebouwen en grond stonden naast geld en vorderingen die ver buiten Amsterdam waren uitgezet.
De Britse beleggingen maken bovendien duidelijk dat politieke en financiële betrekkingen niet dezelfde grenzen volgden. Bickers verzet tegen Oranje betekende niet dat ieder zakelijk belang in Engeland verdween. Buitenlandse effecten konden inkomsten opleveren terwijl hij zelf elders woonde. Zulke bezittingen hielpen hem het verblijf buiten Nederland te dragen. Voor een vluchteling die van een plaatselijke werkplaats of vaste klantenkring leefde, was dat veel moeilijker. Bicker had zijn openbare functies verloren, maar kon als eigenaar en erfgenaam blijven handelen. Zijn ballingschap beperkte vooral waar hij politiek kon optreden en veilig kon wonen.
Catharina overlijdt in Brussel
Op 13 februari 1793 overleed Catharina Six in Brussel. Zij was veertig jaar oud. Het huwelijk dat in 1769 in Amsterdam was gesloten, eindigde buiten Nederland. Bicker bleef achter met de zorg voor de kinderen. Kort daarna verhuisde hij met hen naar Nantes. Frankrijk was inmiddels in oorlog en had het koningschap afgeschaft. De revolutie radicaliseerde. Binnenlandse opstanden, buitenlandse vijanden en de strijd tussen revolutionaire groepen vergrootten de achterdocht. Ook Nederlandse patriotten moesten rekening houden met controle en verdenking. Hun eerdere verzet tegen het stadhouderlijke bewind bood geen vaste bescherming.
Toen Abbema in Parijs werd gearresteerd, reisde Bicker naar de hoofdstad om hem te helpen. Volgens de biografische reconstructie liep hij daarbij gevaar zelf te worden vastgezet. Het revolutionaire bewind dat hoop op Nederlandse verandering had gewekt, kon ook hun eigen kring treffen. Abbema kwam vrij. Zonder nadere gegevens kan zijn vrijlating niet uitsluitend aan Bickers bemoeienis worden toegeschreven. Voor Bicker betekende de arrestatie wel dat de veiligheid van een oude medestander opnieuw ter discussie stond. Na de nederlaag in Nederland waren ook Franse revolutionaire instellingen geen betrouwbare toevlucht gebleken.
De reis naar Zwitserland vraagt geld, hulp en toestemming
In april 1794 vertrok Bicker met zijn gezin naar Zwitserland. Zijn dochter Cato was verlamd en moest bij de grens in een stoel worden vervoerd. De reis vereiste daardoor hulp en geschikte vervoermiddelen. Neuchâtel bood geen blijvende oplossing. Ook elders werd niet onmiddellijk toestemming voor vestiging verkregen. Uiteindelijk vond het gezin een verblijfplaats in Biel. De plaatselijke autoriteiten bepaalden wie zij wilden toelaten. Bicker kon de kosten van verder reizen dragen, maar had geen algemeen recht om zich naar eigen keuze te vestigen. Na jaren van verhuizingen bleef het huishouden afhankelijk van nieuwe toestemmingen.
In Biel bereikte hem het bericht dat de situatie in Nederland opnieuw was omgeslagen. Franse troepen onder Charles Pichegru waren opgerukt, samen met Nederlandse revolutionairen onder wie Herman Willem Daendels. Willem V vertrok op 18 januari 1795 naar Engeland. De volgende dag veranderde het Amsterdamse bestuur. Voor Bicker werd terugkeer mogelijk. In mei kwam hij weer in Nederland aan, ruim zeven jaar na zijn vertrek. Catharina ontbrak. Ook bestuurlijk kon hij de draad niet eenvoudig oppakken. De nieuwe machthebbers beriepen zich op de rechten van mens en burger en wilden het gezag op een andere grondslag vestigen.
Deel 8 — De teruggekeerde regent krijgt een mandaat van kiezers, 1795–1797
Op 16 mei 1795 sloot de Bataafse Republiek het Haags Verdrag met Frankrijk. Tot haar verplichtingen behoorde een betaling van honderd miljoen gulden. Ook gebiedsafstand en het verblijf en onderhoud van Franse troepen werden geregeld. De militaire omwenteling die de patriotten had teruggebracht, legde daarmee onmiddellijk nieuwe lasten op. Bestaande schulden en bestuurlijke uitgaven bleven ondertussen bestaan. De inrichting van de staat kon niet eerst worden afgerond voordat er werd geregeerd. Wie belasting moest heffen of betalingen verrichten, handelde al namens een nieuwe orde waarvan de definitieve regels nog moesten worden vastgesteld.
Frankrijk was daarbij tegelijk bondgenoot en sterkere onderhandelingspartner. Het Franse leger had de Nederlandse omwenteling mogelijk gemaakt, maar de Franse regering volgde eigen militaire en financiële belangen. Teruggekeerde patriotten moesten binnen die verhouding manoeuvreren. Zij hadden hun voorgangers verweten het land onvoldoende te beschermen. Nu moesten zij zelf uitleggen waarom nieuwe betalingen en verplichtingen noodzakelijk waren. De verandering van bestuur betekende daarom meteen verantwoordelijkheid voor besluiten die weerstand konden oproepen. De bevolking werd als grondslag van het gezag erkend, terwijl de ruimte waarbinnen dat gezag kon handelen door schulden en buitenlandse druk werd begrensd.
Vanuit het Burgerweeshuis keert Bicker terug naar het stadhuis
Op 19 juni 1795 kwamen Bicker en andere gekozen Amsterdamse vertegenwoordigers bijeen in het Burgerweeshuis aan de Kalverstraat. Vandaar gingen zij naar het stadhuis. Hij kende de gangen en kamers uit zijn werk als commissaris, schepen en vroedschapslid. Maar zijn plaats berustte nu op verkiezing. Bekendheid, geld en familierelaties bleven bruikbaar; zij vormden niet langer de enige rechtvaardiging voor deelname. Bicker keerde terug in hetzelfde gebouw met een andere opdracht. Hij moest er als vertegenwoordiger handelen namens kiezers, die hem hun vertrouwen hadden gegeven en zijn optreden konden beoordelen.
Het stadsbestuur kreeg direct te maken met voedselvoorziening, openbare orde, inkomsten en ondersteuning. Tegelijk verlangden burgerorganisaties invloed op de besluiten. Een verkiezing maakte niet vanzelf duidelijk hoeveel zelfstandigheid een vertegenwoordiger bezat. Wanneer moest hij opnieuw met inwoners overleggen? Welke betekenis hadden verzoekschriften en wijkbijeenkomsten? Wie mocht buiten de raad namens het volk spreken? De nieuwe bestuurders moesten deze vragen beantwoorden terwijl zij hun dagelijkse werk uitvoerden. Bicker had vóór zijn ballingschap ruimte voor een eigen oordeel verdedigd. Nu moest hij bepalen hoe dat oordeel zich verhield tot de aanspraken van burgers die verandering verwachtten.
De landelijke verkiezingen openen de politieke kring
Voor de Nationale Vergadering werd een getrapte verkiezing ingericht. Stemgerechtigde mannen kwamen in grondvergaderingen bijeen en wezen kiezers aan. Die kozen vervolgens de landelijke vertegenwoordigers. Daarmee werd de toegang aanzienlijk ruimer dan onder het oude bestel. Deelname was echter aan voorwaarden gebonden. Vrouwen kregen geen kiesrecht. Voor mannen golden leeftijdseisen, een politieke verklaring en beperkingen wegens langdurige ondersteuning uit de armenkas. Wie aan de verkiezingen wilde deelnemen, moest instemmen met de grondbeginselen van de nieuwe orde. De breuk met erfelijke en besloten machtsvorming ging zo samen met nieuwe grenzen aan politieke deelname.
Voor Bicker waren opleiding, bekendheid en bestaanszekerheid gunstige omstandigheden. Een man die door ziekte of gebrek aan werk langdurig ondersteuning had ontvangen, kon juist worden uitgesloten. Armenzorg kreeg daarmee een gevolg buiten het huishouden en de instelling die hulp verleende. De beoordeling van economische afhankelijkheid werkte door in het burgerschap. De kring van deelnemers was veel groter geworden, maar omvatte niet alle inwoners. De nieuwe vertegenwoordiging moest daarom op twee niveaus worden begrepen: als doorbreking van het oude benoemingsstelsel en als een bestel dat zelf bepaalde welke mensen hun politieke rechten konden uitoefenen.
In Den Haag begint het werk aan een grondwet
Op 1 maart 1796 kwam de Nationale Vergadering bijeen. Bicker vertegenwoordigde het district Polanen. De leden kregen de opdracht een grondwet te ontwerpen en moesten tegelijk landelijke bestuurstaken uitvoeren. Zij behoorden het algemene landsbelang te dienen, maar verschilden over de inrichting van dat belang. De provincies hadden eigen instellingen, rechten en schulden. Welke bevoegdheden moesten zij afstaan? Hoeveel zelfstandigheid bleef plaatselijk en gewestelijk bestaan? De nieuwe vergadering moest daarover besluiten met mensen die uit die verschillende bestuurlijke werelden afkomstig waren. De nationale vertegenwoordiging was gevormd; de nationale staat moest nog worden ingericht.
Unitarissen wilden een ondeelbare staat met krachtig centraal gezag. Federalisten verdedigden veel gewestelijke zelfstandigheid. Daartussen bevonden zich gematigde vertegenwoordigers, de Moderaten. Deze groepen waren geen vaste partijen zoals die later zouden ontstaan. Een lid kon per onderwerp met anderen samenwerken. Bicker behoorde tot de gematigde kring en steunde nationale eenheid en samenvoeging van gewestelijke schulden. Hij wilde dus verder gaan dan herstel van de vroegere provinciale orde. Tegelijk hechtte hij aan vastgelegde bevoegdheden en bescherming tegen ingrepen waarvoor het algemeen belang als voldoende rechtvaardiging werd aangevoerd.
De schulden maken eenheid tot een verdelingsvraag
Holland droeg ongeveer 455 miljoen gulden aan schulden. De overige provincies hadden gezamenlijk ongeveer 155 miljoen aan verplichtingen. Bij samenvoeging zouden deze schulden als een gemeenschappelijke last worden behandeld. Holland had daarbij voordeel; andere gewesten vreesden te moeten bijdragen aan verplichtingen die zij niet zelf waren aangegaan. De grondwetsdiscussie ging daardoor rechtstreeks over belasting en rentebetalingen. Een nieuwe staatsvorm bepaalde wie voortaan welke lasten hielp dragen. Voorstanders moesten anderen ervan overtuigen dat gezamenlijke verantwoordelijkheid opwoog tegen het verlies van een afzonderlijke financiële positie.
Ook binnen Holland liepen de belangen uiteen. Een belastingbetaler kon een regeling anders beoordelen dan iemand die uit de opbrengst van die belasting rente ontving. Bestuurders moesten rekening houden met beide groepen en met de betaalbaarheid van de overheid. Bickers steun voor samenvoeging was daarmee een concrete keuze in een omstreden hervorming. De discussie vroeg om meer dan instemming met een abstracte eenheid. Zij vereiste afspraken over verplichtingen die al bestonden en betalingen die nog jaren zouden doorlopen. De financiële geschiedenis van de oude Republiek lag zo op tafel bij het ontwerpen van de nieuwe.
Bickers eigen optreden wordt onderwerp van parlementair debat
In april 1796 werd Bicker voorzitter van de Nationale Vergadering. Hij kreeg 51 stemmen, tegenover 46 voor Johan Valckenaer. Het voorzitterschap wisselde regelmatig. De voorzitter moest de orde bewaken en procedures toepassen, maar juist die werkzaamheden konden politiek omstreden raken. De behandeling van voorstellen en de uitleg van regels hadden gevolgen voor de invloed van leden. Ook werden vooraf contacten gelegd om kandidaten te steunen. Tegenstanders herkenden daarin soms het onderlinge overleg van de vroegere regentenwereld. De nieuwe verkiezingen hadden het belang van persoonlijke betrekkingen niet weggenomen.
In mei kwam Bicker zelf onder vuur na ongeregeldheden in Amsterdam. Kanonniers en andere tegenstanders waren met het gematigde stadsbestuur in conflict geraakt. Hij stemde in met een verzoek om militairen uit Den Haag beschikbaar te krijgen zonder vooraf de gehele Nationale Vergadering te raadplegen. Het garnizoen hoefde uiteindelijk niet in Amsterdam in te grijpen. Toch volgde een uitvoerig debat over zijn handelwijze. Had hij zelfstandig zo mogen optreden? De vergadering keurde zijn beslissing goed, maar zijn tegenstanders bleven hem verwijten maken. De grens tussen noodzakelijk handelen en eigenmachtig optreden werd nu aan zijn eigen besluit getoetst.
De gereformeerde kerk verliest haar bevoorrechte positie
Op 5 augustus 1796 besloot de Nationale Vergadering dat er geen bevoorrechte kerk meer mocht zijn. Daarmee verloor de gereformeerde kerk haar bijzondere staatsrechtelijke positie. Andere geloofsgemeenschappen konden zich beroepen op gelijkheid tegenover de overheid. Dat betekende geen verdwijning van geloof uit het openbare leven. De vergadering kon met gebed worden geopend terwijl zij de voorrang van één kerk afschafte. Wel veranderde de verbinding tussen godsdienst en openbare rechten. Lidmaatschap van de bevoorrechte kerk mocht niet langer dezelfde betekenis hebben voor toegang tot het bestuurlijke bestel.
De uitwerking vereiste afzonderlijke besluiten. Kerkelijke instellingen bezaten gebouwen, verzorgden onderwijs en ondersteunden behoeftigen. Predikanten en andere betrokkenen ontvingen inkomsten op grond van oudere regelingen. Wat moest daarvan blijven bestaan en wie moest ervoor betalen? Andere geloofsgemeenschappen wilden dat gelijkheid ook in middelen en aanspraken merkbaar werd. De afschaffing van voorrang leverde daardoor een reeks praktische geschillen op. De staat moest een nieuwe verhouding tot de kerken bepalen zonder voorzieningen waarvan inwoners afhankelijk waren eenvoudig te beëindigen. Het beginsel was vastgesteld; de verdeling van bezit en verplichtingen bleef werk vragen.
Felix Libertate dringt aan op gelijke rechten voor Joden
Op 2 september 1796 kregen Joden wettelijk dezelfde burgerrechten als andere burgers. De Joodse patriottenvereniging Felix Libertate had daarop aangedrongen. De gelijkstelling kwam daarmee mede voort uit het optreden van mensen die zelf uitsluiting ondervonden. Zij organiseerden zich, formuleerden hun aanspraken en spraken de vertegenwoordiging aan op haar eigen beginselen. Het besluit laat zien dat de opbouw van de nieuwe orde niet uitsluitend binnen de vergadering plaatsvond. Ook verenigingen buiten het parlement maakten duidelijk waar de beloofde gelijkheid nog niet werd toegepast en welke veranderingen daarvoor nodig waren.
De wet nam maatschappelijke belemmeringen niet onmiddellijk weg. Armoede, opleiding en toegang tot betrekkingen bleven mogelijkheden bepalen. Wel verdween een juridische grondslag voor uitsluiting. De omwenteling veranderde daardoor verschillende levens op verschillende manieren. Bicker had als vermogende oud-regent een nieuw mandaat kunnen verkrijgen. Anderen moesten eerst rechten verwerven die voor zijn eigen deelname nooit een vergelijkbare hindernis waren geweest. De Nationale Vergadering behandelde dus niet alleen de verdeling van bevoegdheden tussen provincies en een centraal bestuur. Zij bepaalde ook wie als gelijkwaardige burger tot de nieuwe politieke gemeenschap behoorde.
De Moderaten willen vrijheid aan wettig gezag verbinden
In maart 1797 sloot Bicker zich aan bij de Haagse sociëteit van de Moderaten. In die kring verdedigde zijn schoonzoon Robert Collot d’Escury de opvatting dat vrijheid door wetten en wettig gevormde overheden moest worden beschermd. Die uitspraak was van Collot d’Escury en kan niet als een rechtstreeks citaat van Bicker worden gebruikt. Zij geeft wel zicht op de overtuigingen binnen zijn naaste politieke omgeving. Verkiezingen en omschreven bevoegdheden moesten bepalen wie namens de burgers kon handelen. Georganiseerde groepen buiten de vertegenwoordiging konden volgens die redenering niet onbeperkt dezelfde aanspraak maken.
Radicalere hervormers zagen daarin het gevaar dat gekozen bestuurders de bevolking opnieuw op afstand hielden. Voor hen kon burgerorganisatie noodzakelijk blijven om uitvoering van de revolutie af te dwingen. Het conflict ging daardoor over verschillende manieren om vrijheid te beschermen. De een vreesde willekeur van vertegenwoordigers, de ander dwang door groepen die niet namens alle inwoners spraken. Bicker had vóór 1787 burgeractie verdedigd tegenover het bestaande bestuur. Nu ondervond hij als volksvertegenwoordiger zelf de druk ervan. De plaats van waaruit hij oordeelde was veranderd, terwijl de verhouding tussen burgerinvloed en bestuurlijke zelfstandigheid omstreden bleef.
De kiezers verwerpen het grondwetsontwerp
Op 8 augustus 1797 werd het grondwetsontwerp aan de stemgerechtigden voorgelegd. Het omvangrijke voorstel stond bekend als het Dikke Boek. Er werden 27.955 stemmen vóór en 108.761 tegen uitgebracht. De langdurige onderhandelingen hadden geen aanvaardbare regeling opgeleverd. De tegenstanders vormden echter geen eensgezind blok. Sommigen verlangden krachtiger eenheid; anderen wilden juist meer zelfstandigheid behouden. De uitslag beëindigde het werk aan dit ontwerp zonder een gezamenlijk alternatief aan te wijzen. Dezelfde meningsverschillen moesten opnieuw worden behandeld, terwijl het geduld met de parlementaire onderhandelingen afnam.
De verkiezingen voor de tweede Nationale Vergadering waren op 1 augustus al gehouden, vóór het referendum. Bicker was opnieuw gekozen voor Polanen. In september begon de nieuwe vergadering. Schulden moesten worden betaald, militaire verplichtingen bleven bestaan en een aanvaarde grondwet ontbrak. Voorstanders van snelle centralisatie vonden dat verder overleg de noodzakelijke verandering blokkeerde. Anderen wilden juist voorkomen dat onder die druk wettelijke waarborgen verdwenen. Bicker behield zijn zetel, maar de overeenstemming over de parlementaire weg brokkelde af. De vertegenwoordigers moesten verder onderhandelen terwijl steeds openlijker werd betwijfeld of onderhandelen nog voldoende was.
Geld, geweten en gezag — Jan Bernd Bicker en de verandering van Nederland, 1648–1812
Deel 9 — De revolutie sluit een volksvertegenwoordiger op, 1798–1805
Op 22 januari 1798 verschenen militairen bij Jan Bernd Bicker. Een staatsgreep maakte een einde aan zijn werkzaamheden als volksvertegenwoordiger. Hij werd onder huisarrest geplaatst en later naar Wijk bij Duurstede en vervolgens Leeuwarden overgebracht. In 1787 had de overwinning van Oranje hem uit het Amsterdamse bestuur verdreven. Nu werd hij uitgeschakeld door tegenstanders binnen de Bataafse Republiek. Zijn verkiezing bood geen bescherming. De mannen die het vastgelopen grondwetswerk wilden doorbreken, beschikten over de militaire middelen om te bepalen wie nog aan de besluitvorming mocht deelnemen.
Bicker had nationale eenheid en samenvoeging van gewestelijke schulden gesteund. Toch beschouwden radicalere hervormers hem als een tegenstander. Zijn invloed, zijn bestuurlijke optreden en zijn afkomst uit de regentenwereld hadden wantrouwen gewekt. Overeenstemming over belangrijke hervormingen was onvoldoende om dat weg te nemen. Na de verwerping van het grondwetsontwerp in 1797 wilden zij niet opnieuw langdurig onderhandelen met vertegenwoordigers die hun koers konden vertragen. Het conflict ging inmiddels ook over de vraag welke mensen het nieuwe gezag mochten uitoefenen. Een deel van de hervormers koos ervoor die vraag buiten de parlementaire procedure te beslissen.
De Staatsregeling komt tot stand zonder de gevangengezette leden
Na de staatsgreep werd het grondwetswerk versneld. De overgebleven vertegenwoordigers vormden een constituerende vergadering en stelden een voorlopig Uitvoerend Bewind aan. Op 23 april werd een nieuw ontwerp aan de grondvergaderingen voorgelegd. Ook daar waren tegenstanders van de nieuwe machthebbers uitgesloten. Het voorstel werd aangenomen. De Staatsregeling van 1798 maakte een einde aan de oude gewestelijke soevereiniteit en legde een landelijke staatsinrichting vast. De eenheid waarvoor ook Bicker had gepleit, kreeg een wettelijke vorm terwijl hij zelf gevangen zat. De uitkomst was geen voortzetting van zijn mandaat, maar het resultaat van hervorming én politieke uitsluiting.
De betekenis van die grondwet kan niet tot de staatsgreep worden teruggebracht. Zij bouwde voort op jaren van onderzoek, voorstellen en beraadslagingen. Tegelijk bleef de manier waarop zij was aangenomen van belang. Vertegenwoordiging en rechten werden vastgelegd nadat gekozen deelnemers met geweld waren verwijderd. Dat riep de vraag op welke bescherming de nieuwe regels in de praktijk boden. Bicker had eerder verlangd dat gezagsdragers hun bevoegdheden konden verantwoorden. Nu was juist de instelling waarin hij die verantwoording had kunnen vragen buiten werking gesteld. Zijn stem was niet weerlegd, maar tot zwijgen gebracht.
Een tweede staatsgreep maakt een einde aan het radicale bewind
De nieuwe machthebbers hielden niet lang eensgezind stand. In mei riepen de overgebleven vertegenwoordigers zichzelf uit tot Vertegenwoordigend Lichaam, in plaats van de voorgeschreven verkiezingen te houden. Ook binnen het uitvoerende bestuur ontstonden conflicten. Op 12 juni 1798 volgde een tweede staatsgreep, uitgevoerd door Daendels en gesteund door de Franse militaire leiding. De radicale regering verloor haar positie. Gematigden kregen de overhand. De Staatsregeling bleef bestaan, maar haar uitvoering kwam in andere handen. Opnieuw besliste gewapende macht over de samenstelling van het bestuur, nu tegen de mannen die haar enkele maanden eerder zelf hadden gebruikt.
Na deze tegenomwenteling herkreeg Bicker zijn vrijheid. Hij keerde niet terug naar zijn vroegere parlementaire werkzaamheden. Nieuwe verkiezingen moesten een vertegenwoordiging opleveren die volgens de Staatsregeling was samengesteld. Zijn eigen loopbaan was opnieuw onderbroken. Hij had de omwenteling van 1795 gesteund en aan de landelijke besluitvorming meegewerkt, maar was vervolgens door andere hervormers opgesloten. Een bestendige verhouding tussen verkiezing, vertegenwoordiging en wettelijke bescherming was nog niet ontstaan. De grondwet bood daarvoor regels; de gebeurtenissen hadden laten zien hoe gemakkelijk politieke tegenstanders die regels konden passeren wanneer militaire steun beschikbaar was.
Armenondersteuning blijft gevolgen hebben voor het stemrecht
Ook de nieuwe staatsinrichting gaf niet iedere inwoner dezelfde mogelijkheid om mee te beslissen. Vrouwen bleven van het politieke stemrecht uitgesloten. Voor mannen golden voorwaarden, waaronder politieke verklaringen en beperkingen wegens armenondersteuning. Langdurige bedeling kon deelname verhinderen. Een huishouden dat door ziekte of gebrek aan werk hulp nodig had, kon daardoor meer verliezen dan inkomen alleen. Afhankelijkheid van een armenkas werkte door in het burgerschap. Wie ondersteuning ontving, kon buiten de verkiezing blijven van vertegenwoordigers die over openbare middelen en maatschappelijke voorzieningen moesten beslissen.
Bickers uitsluiting had een andere oorzaak. Vermogen en opleiding hadden hem juist toegang gegeven. Hij was als politieke tegenstander uitgeschakeld. Dat onderscheid moet behouden blijven: een behoeftige inwoner en een gevangengezette vertegenwoordiger verloren niet om dezelfde reden hun invloed. Hun lot laat wel verschillende grenzen van het nieuwe bestel zien. De staat beriep zich op burgers, maar stelde voorwaarden aan deelname en beschermde een mandaat niet altijd tegen geweld. De doorbreking van de oude regentenkring maakte daarom nog geen einde aan de vraag wie voldoende zelfstandig, betrouwbaar of aanvaardbaar werd geacht om mee te beslissen.
De landelijke overheid laat scholen onderzoeken
Ondertussen kreeg de nieuwe staatsinrichting praktische gevolgen. Een agent van Nationale Opvoeding werd verantwoordelijk voor onder meer onderwijs, wetenschappen en openbare vorming. Theodorus van Kooten bekleedde het ambt als eerste. In 1799 volgde Johannes Henricus van der Palm. Scholen bestonden al eeuwen, maar hun middelen en inrichting verschilden per plaats. Gemeenten, kerken en particuliere schoolhouders hadden eigen verantwoordelijkheden. De landelijke overheid moest daarin samenhang brengen. Daarvoor had zij informatie nodig over scholen die zij niet zelf had gesticht en onderwijzers die binnen plaatselijke verhoudingen hun werk deden.
In 1801 kwam een landelijke onderwijswet tot stand. Gemeentebesturen kregen verplichtingen rond voldoende scholen en de betaling van onderwijzers. Schoolbesturen en opzieners moesten toezien op de uitvoering. Hoeveel kinderen volgden onderwijs? Welke boeken werden gebruikt en hoeveel verdiende de meester? Brieven, overzichten en bezoeken moesten zulke omstandigheden zichtbaar maken. De algemene verantwoordelijkheid van de staat kreeg daarmee een administratieve vorm. Een tekort aan lokalen of een slecht betaalde meester bleef een plaatselijk probleem, maar kon voortaan ook onderwerp worden van toezicht en maatregelen vanuit een hoger bestuur.
Voor onderwijzers konden betere ondersteuning en hogere eisen samengaan. Wie minder afhankelijk moest worden van wisselend schoolgeld, kreeg ook te maken met beoordeling en voorschriften. Gemeenten moesten geld vinden en bestaande afspraken aanpassen. Openbaar ondersteunde scholen verkeerden bovendien in andere omstandigheden dan scholen met particuliere of kerkelijke middelen. Een wet kon daarom geen onmiddellijke verbetering garanderen. Er moesten gebouwen zijn, meesters worden betaald en kinderen naar school kunnen komen. De staat vergrootte zijn verantwoordelijkheid, maar bleef voor de uitvoering afhankelijk van de mensen en middelen die ter plaatse beschikbaar waren.
De staatsregeling van 1801 geeft de regering meer macht
De staatsinrichting van 1798 hield evenmin ongewijzigd stand. Bestuurlijke moeilijkheden, politieke conflicten en Franse druk leidden in 1801 tot een nieuwe omwenteling. Buiten de bestaande parlementaire procedure werd een andere staatsregeling doorgedrukt. Bij de stemming werden weggebleven kiezers als voorstanders meegeteld. Daardoor gold het voorstel als aangenomen, hoewel een meerderheid van de werkelijk uitgebrachte stemmen tegen was. Een Staatsbewind kreeg de leiding en de invloed van de volksvertegenwoordiging nam af. Gewestelijke en plaatselijke besturen kregen op onderdelen weer meer ruimte. De nationale eenheid bleef bestaan, maar de verdeling van macht veranderde.
In 1802 vond Bicker opnieuw een plaats binnen het landelijke bestel. Hij werd enige tijd lid van het Nationaal Syndicaat, een college dat op de naleving van de staatsregeling moest toezien. Zijn terugkeer verliep daarmee niet via herstel van zijn vroegere zetel. Hij aanvaardde een andere functie binnen een andere bestuursvorm. De taak sloot aan bij vragen die hem eerder hadden beziggehouden: welke bevoegdheid bezat een instelling en hield zij zich aan de regels? Dat toezicht moest nu functioneren binnen een orde die zelf door een betwiste procedure tot stand was gekomen.
Bicker neemt opnieuw regeringsverantwoordelijkheid op zich
Van 8 juni 1803 tot 29 april 1805 maakte Bicker deel uit van het Staatsbewind. De oud-gevangene kreeg daarmee opnieuw verantwoordelijkheid voor landelijke besluiten. Zijn kennis van financiën, verdediging en bestuurlijk overleg bleef bruikbaar. De regering moest ondertussen hervormingen uitvoeren en aan zware verplichtingen voldoen. Belastingen, schuldbeheer en militaire uitgaven vroegen voortdurend aandacht. De staat verrichtte steeds meer gezamenlijke werkzaamheden, terwijl zijn politieke vorm bleef wisselen. Bicker keerde dus niet terug naar het parlementaire begin van 1796. Hij nam plaats in een regering die binnen nauwere verhoudingen besluiten kon nemen.
In 1803 reisde hij als lid van een Nederlandse afvaardiging naar Brussel om Napoleon te begroeten. Frankrijk bleef een macht waarmee het Nederlandse bestuur rekening moest houden. De bondgenoot volgde eigen militaire en financiële belangen en kon zijn verlangens met grote druk ondersteunen. Een landelijke regering maakte onderhandeling mogelijk, maar schiep geen gelijkwaardige verhouding. Ook binnen Nederland bleef de beschikbare financiële ruimte beperkt. De schulden waren nationaal geworden, terwijl de belastingheffing nog veel verschillen uit het provinciale verleden kende. De overheid moest inkomsten bijeenbrengen voor verplichtingen die zich niet naar die oude grenzen voegden.
De geldzorgen beperkten zich niet tot het landelijke bestuur. Ook Amsterdam had moeite aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Dat betekende niet dat de stad geen vermogende inwoners meer bezat. Een belegger kon rente ontvangen en een huiseigenaar huur innen terwijl de openbare kas tekortkwam. De verhouding tussen particulier bezit en stedelijke financiën was daardoor ingewikkelder dan de zichtbare rijkdom deed vermoeden. Voor inwoners telde welke gevolgen nieuwe geldnood had. Moesten belastingen omhoog? Werden betalingen uitgesteld of voorzieningen beperkt? De antwoorden konden huishoudens treffen die zelf nauwelijks invloed hadden op de besluiten waardoor de schulden waren ontstaan.
Schimmelpenninck vervangt het Staatsbewind
In 1805 kwam onder Franse druk een sterker op één persoon gericht bestuur tot stand. Rutger Jan Schimmelpenninck werd raadpensionaris. Het Staatsbewind verdween en Bickers regeringsfunctie eindigde op 29 april. De titel herinnerde aan de oude Republiek, maar de inhoud was veranderd. Schimmelpenninck stond aan het hoofd van een nationale staat en bezat ruime uitvoerende bevoegdheden. Het zwaartepunt verschoof verder van de volksvertegenwoordiging naar de regering. Bicker had aan landelijke hervorming meegewerkt, was met geweld uitgeschakeld en later teruggekeerd. Nu maakte een volgende staatsverandering een einde aan zijn regeringswerk.
Hij trok zich terug op Oosterbeek bij Wassenaar, waar hij met zijn dochter Catharina leefde. Zijn belangstelling voor onderzoek, verzamelen en het beheer van zijn bezittingen kreeg meer ruimte. De overheidswerkzaamheden gingen ondertussen verder. Iedere nieuwe machthebber had ontvangers, bestuurders en deskundigen nodig om belastingen te innen, scholen te onderzoeken en besluiten uit te voeren. Daardoor bleef veel bestaan onder de wisselende staatsvormen. Bicker verliet het bestuur, maar de instellingen waarvan hij deel had uitgemaakt, hadden bijgedragen aan een overheid die steeds meer gegevens verzamelde en meer landelijke verplichtingen kon opleggen.
Deel 10 — De staat komt dichterbij terwijl de zelfstandigheid verdwijnt, 1805–1812
Op Oosterbeek kon Bicker zich toeleggen op onderwerpen die hem al lang bezighielden. Als student had hij over vuur geschreven. Later trokken meteorieten en luchtballonnen zijn aandacht. Hij hield siervogels en kweekte ananassen. Zulke bezigheden vroegen ruimte, materialen, kennis en geld. De middelen die zijn opleiding en openbare loopbaan hadden ondersteund, bleven beschikbaar nadat hij zijn ambten had verlaten. Zijn terugtrekking betekende daarom geen verlies van alle maatschappelijke mogelijkheden. Hij kon zijn tijd anders besteden, terwijl veel tijdgenoten afhankelijk bleven van het werk dat zij op dat moment konden vinden.
Zijn bezit plaatste hem niet buiten het bereik van de veranderende overheid. Huizen, grond, effecten en nalatenschappen vielen onder wetten en heffingen. Isaac Jan Alexander Gogel werkte aan een algemeen belastingstelsel dat de oude provinciale verschillen moest verminderen. Het werd in juli 1805 goedgekeurd en trad in 1806 in werking. Bicker maakte toen geen deel meer uit van de regering. De hervorming behandelde wel een probleem dat tijdens zijn bestuursjaren steeds had gespeeld. Een staat met gezamenlijke schulden en landelijke uitgaven had inkomsten nodig die volgens algemenere regels werden geheven.
Gogels belastingstelsel brengt huishoudens en bedrijven in beeld
Het nieuwe stelsel gebruikte verschillende aanknopingspunten. Grondbezit, de uitoefening van bedrijven en beroepen en kenmerken van huishoudelijke welstand konden aanleiding geven tot heffing. Daarnaast bleven belastingen op goederen en verbruik belangrijk. Er kwam geen eenvoudige regeling die van iedere inwoner één volledig inkomen vaststelde. De overheid benaderde draagkracht langs verschillende wegen. Daarvoor moesten bezittingen en werkzaamheden worden beschreven, belastingplichtigen geregistreerd en aanslagen vastgesteld. De uitvoering vroeg een administratie die gegevens uit verschillende plaatsen volgens vergelijkbare voorschriften kon behandelen.
Voor vermogende huishoudens konden de voorzieningen waarmee zij hun bestaan inrichtten ook fiscale betekenis krijgen. Personeel, paarden en andere tekenen van welstand boden mogelijkheden om draagkracht te beoordelen. Voor mensen met weinig bezit waren juist de heffingen op noodzakelijke aankopen voelbaar. Een algemener belastingstelsel maakte die verschillen niet ongedaan. Het veranderde de manier waarop de staat ze in inkomsten probeerde om te zetten. Of een gezin meer of minder betaalde, hing af van zijn bezittingen, werkzaamheden en uitgaven. Zonder gegevens over afzonderlijke aanslagen valt de uitkomst niet voor alle huishoudens gelijk te beoordelen.
De overheid krijgt een aanspraak bij de overdracht van bezit
Op 1 januari 1806 trad een nieuwe ordonnantie op het recht van successie in werking. De gehele boedel werd binnen het bereik van de regeling gebracht. Dat betekende niet dat iedere erfgenaam of verkrijging op dezelfde manier werd belast: verwantschap, vrijstellingen en andere bepalingen bleven verschil maken. Voor families met huizen, grond en waardepapieren werd een overlijden daarmee ook een moment van landelijke fiscale beoordeling. Naast de verdeling onder erfgenamen en de afwikkeling van schulden moest worden vastgesteld welke aanspraken de overheid had.
Bicker kende de betekenis van nalatenschappen uit zijn eigen leven. Erfenissen hadden geld en rechten overgedragen, maar ook portretten en familiepapieren. Bij een boedel hoorde meer dan het bedrag dat uiteindelijk kon worden verdeeld. Bezittingen moesten worden opgespoord, beschreven en gewaardeerd; verplichtingen moesten worden nagegaan. De nieuwe regeling voegde daar algemenere fiscale voorschriften aan toe. Zo werkte de vorming van een nationale staat door in een handeling die binnen een familie tegelijk persoonlijk en zakelijk was. Ook buiten het openbare bestuur bleef Bicker daardoor onderworpen aan veranderingen in het recht.
De schoolwet stelt eisen aan meesters en gemeentebesturen
In 1806 kreeg het lager onderwijs een nieuwe wettelijke regeling. Onderwijzers moesten hun bekwaamheid met een examen aantonen. Gemeentebesturen moesten bijdragen aan voorwaarden waaronder behoorlijk onderwijs mogelijk was, waaronder de betaling van de meester. Toezicht verbond de landelijke regels met het plaatselijke schoolleven. Het doel was niet alleen meer voorschriften uitvaardigen. Een onderwijzer moest geschikt zijn, over bruikbare leermiddelen beschikken en zijn werk kunnen volhouden. Daarvoor waren geld en medewerking nodig. De staat kon eisen stellen, maar bleef afhankelijk van de uitvoering door gemeenten en scholen.
Voor gezinnen bleef geregeld schoolbezoek verbonden met hun bestaansmogelijkheden. Kosten, seizoenswerk en de behoefte aan hulp van kinderen konden deelname bemoeilijken. De openbare school moest bovendien bijdragen aan maatschappelijke en christelijke deugden zonder de afzonderlijke geloofsleer van één kerk tot algemene lesstof te maken. Onderwijs werd zo ook een middel om verwachtingen over gedrag en samenleving over te dragen. De uitgebreide vorming die Bicker zelf had genoten, werd daarmee niet voor iedereen bereikbaar. Wel werd de kwaliteit van het lager onderwijs nadrukkelijker een zaak waarvoor de landelijke overheid verantwoordelijkheid aanvaardde.
Lodewijk Napoleon krijgt een koninkrijk met weinig bewegingsruimte
In 1806 maakte Napoleon zijn broer Lodewijk koning van Holland. Het raadpensionarisschap van Schimmelpenninck had kort geduurd. De Republiek werd een monarchie, terwijl veel werkzaamheden doorgingen. Ontvangers inden belastingen en schoolopzieners bezochten scholen. Plaatselijke bestuurders bleven nodig om landelijke besluiten uit te voeren. De verandering aan de top verving dus niet onmiddellijk alle instellingen. Wel kwam de hoogste beslissingsmacht elders te liggen. Lodewijk ontleende zijn positie aan zijn broer, maar moest regeren over een land waarvan handel, financiën en bestaansmiddelen eigen aandacht vereisten.
Voor Napoleon moest Holland bijdragen aan de oorlog tegen Groot-Brittannië. Lodewijk probeerde rekening te houden met de belangen van zijn koninkrijk en botste daarover met zijn broer. Zijn ruimte bleef beperkt. Hij kon ministers benoemen en maatregelen nemen, maar was voor zijn positie afhankelijk van de Franse keizer. De krachtiger landelijke administratie vergrootte ondertussen de mogelijkheden om voorschriften uit te voeren. Dat maakte de staat niet vanzelf zelfstandiger. Zij kon ook worden gebruikt om buitenlandse militaire eisen dieper in het dagelijkse leven van Nederlandse inwoners te laten doorwerken.
Het Continentaal Stelsel treft de handelswereld
Napoleons Continentaal Stelsel moest Britse goederen van het Europese vasteland weren en de Britse economie verzwakken. Voor Nederland raakte die politiek aan verbindingen waarop veel ondernemingen waren aangewezen. Handelaars konden niet vrij beschikken over routes en afzetmarkten die eerder deel van hun zaken waren geweest. De maatregelen versterkten toezicht en smokkelbestrijding. Tegelijk zochten betrokkenen wegen om goederen toch te vervoeren. De uitkomst verschilde per bedrijf en plaats. Een algemene handelsbeperking leidde niet overal tot dezelfde stilstand, maar vergrootte wel de onzekerheid over wat kon worden aangevoerd, verkocht en uitgevoerd.
Die onzekerheid bleef niet beperkt tot bezitters van schepen en ladingen. Wanneer minder goederen werden vervoerd, konden ook opdrachten voor bemanningen, sjouwers, vervoerders en werkplaatsen wegvallen. Huishoudens met weinig reserves ondervonden de gevolgen via ontbrekende werkdagen. Anderen konden een deel van hun inkomsten uit grond, huur of beleggingen blijven ontvangen. De oorlogspolitiek bracht daardoor opnieuw het verschil aan het licht tussen afhankelijkheid van plaatselijk werk en de mogelijkheid inkomsten te spreiden. Voor Bickers eigen financiën moeten de gevolgen uit zijn administratie worden vastgesteld. Zijn terugtrekking op een buitenplaats betekende in ieder geval niet dat de internationale strijd zijn bezit ongemoeid liet.
In 1810 verdwijnt het Koninkrijk Holland
Lodewijks pogingen om een eigen koers te volgen stelden Napoleon niet tevreden. Onder toenemende druk trad de koning in de zomer van 1810 af. Op 9 juli kondigde Napoleon de inlijving van Holland bij Frankrijk af. Het Nederlandse gebied werd verder opgenomen in het Franse keizerrijk. Een zelfstandige regering verdween. Voor Bicker betekende dit dat ook de nationale staat waaraan hij had meegewerkt niet zelfstandig was gebleven. De Republiek van zijn jeugd, de Bataafse staatsvormen en het koninkrijk hadden elkaar in enkele decennia opgevolgd. Nu kwamen beslissingen uit het keizerlijke bestuur.
De inlijving bracht niet alleen een andere naam boven bestaande instellingen. Franse bestuurlijke en wettelijke voorschriften werden ingevoerd en het toezicht op de uitvoering werd versterkt. Plaatselijke functionarissen moesten bevelen doorgeven en gegevens leveren. De overheid wilde weten wie waar woonde, welke rechten en verplichtingen bestonden en welke middelen beschikbaar waren. Sommige ontwikkelingen bouwden voort op eerdere Nederlandse hervormingen; andere vloeiden uit de opname in Frankrijk voort. Voor inwoners telde vooral wat daarvan werd verlangd. De overheid kwam dichterbij via formulieren, registraties, aanslagen en bevelen die door plaatselijke ambtenaren werden uitgevoerd.
De staat vraagt gegevens, geld en soldaten
Vanaf 1811 werd de burgerlijke stand op grote schaal ingevoerd. Geboorte, huwelijk en overlijden werden volgens een burgerlijke regeling vastgelegd. Kerkelijke registers verdwenen daarmee niet, maar de overheid bouwde een eigen registratie op. Voor huishoudens kregen gebeurtenissen uit het persoonlijke leven zo een vaste plaats in de administratie. De registratie maakte rechten en familieverhoudingen beter aantoonbaar en hielp het bestuur inwoners identificeren. Hetzelfde vermogen om gegevens bijeen te brengen kon worden gebruikt voor verplichtingen. De staat die documenten over personen bewaarde, kon hen ook gemakkelijker voor belastingen en militaire dienst aanspreken.
De Franse dienstplicht bracht die laatste verplichting scherp naar voren. Jonge mannen konden voor de keizerlijke legers worden opgeroepen. Achter iedere oproep stond een huishouden dat arbeid en inkomsten kon verliezen. Voor de betrokkene betekende vertrek bovendien blootstelling aan ziekte, verwonding en dood. De administratie die een man registreerde, bracht hem daarmee binnen het bereik van een oorlog die ver buiten zijn woonplaats werd gevoerd. Nederlandse bestuurders konden daar niet meer als regering over onderhandelen. De militaire behoeften van het keizerrijk werden via de plaatselijke uitvoering tot verplichtingen voor inwoners.
Ook rentebetalingen blijken afhankelijk van politieke macht
De Franse overheersing raakte eveneens bezitters van overheidspapier. Bij de tiërcering werd de rente op de Nederlandse staatsschuld tot een derde teruggebracht. De overheid verlichtte daarmee haar betalingslast ten koste van degenen die op die inkomsten hadden gerekend. Dat waren niet uitsluitend grote particuliere beleggers. Ook instellingen en andere gerechtigden konden van rentebetalingen afhankelijk zijn. Een aanspraak die op papier bestond, leverde daardoor minder op. De geschiedenis van leningen waarmee de Republiek oorlog had gevoerd, kreeg onder het keizerrijk een nieuwe uitkomst: de machthebber veranderde de voorwaarden waaronder verplichtingen werden nagekomen.
Voor een familie die een deel van haar vermogen in effecten hield, kon zo’n maatregel ingrijpend zijn. Toch mag niet zonder onderzoek worden aangenomen hoeveel Bicker persoonlijk verloor. Daarvoor zijn gegevens over zijn bezit en ontvangen betalingen nodig. De algemene verandering maakt wel duidelijk dat vermogen geen afzonderlijke wereld vormde buiten politiek en oorlog. Een schuldeiser had een recht op betaling, maar bleef afhankelijk van een overheid die dat recht erkende en uitvoerde. Wat hem inkomsten moest bieden, kon door dezelfde staat worden beperkt.
Bicker overlijdt voordat de Franse overheersing eindigt
In 1812 werd de oorlog verder uitgebreid met Napoleons veldtocht naar Rusland. Ook mannen uit de ingelijfde Nederlandse gebieden dienden in de keizerlijke strijdkrachten. De verliezen maakten de afstand tussen Europese oorlogspolitiek en afzonderlijke huishoudens kleiner dan de kaart deed vermoeden. Bicker vervulde geen regeringsfunctie meer. Zijn leven speelde zich af binnen zijn gezin, zijn bezittingen en zijn belangstelling voor onderzoek en verzamelen. Op 16 december 1812 overleed hij, zesenzestig jaar oud. Het herstel van Nederlandse zelfstandigheid in het volgende jaar zou hij niet meemaken.
Bij zijn dood bestond de bestuurlijke wereld waarin hij was begonnen niet meer. De besloten Amsterdamse regentenkring had haar vroegere positie verloren. Belastingen, onderwijs en registratie waren nadrukkelijker landelijke overheidstaken geworden. Er was ervaring opgedaan met verkiezingen en volksvertegenwoordiging, maar geen duurzame democratie ontstaan. Bicker had aan die veranderingen meegewerkt zonder hun verloop te beheersen. Hij had rechtgesproken, koloniale verantwoordelijkheid gedragen, hervorming verdedigd en zelf uitsluiting ondervonden. Zijn aantekeningen eindigden niet geheel met zijn overlijden: dochter Catharina zette de verslaglegging voort met berichten over zijn ziekte, dood en begrafenis.
Deel 11 — Oranje keert terug, de oude Republiek niet, 1813–1922
Toen Jan Bernd Bicker op 16 december 1812 overleed, maakte Nederland deel uit van het Franse keizerrijk. Zijn parlementaire werk was voorbij en een zelfstandige Nederlandse regering bestond niet meer. Nog geen jaar later viel het Franse gezag uiteen. In november 1813 keerde de zoon van Willem V terug. Voor het Huis van Oranje opende zich opnieuw de weg naar de hoogste macht. Toch kreeg de nieuwe vorst een ander land dan zijn vader had bestuurd. De zelfstandige gewesten en machtige steden van de oude Republiek waren opgenomen in een staat met landelijke instellingen, belastingen en voorschriften.
De oorlogen en omwentelingen hadden veel vernietigd, maar ook bestuurlijke veranderingen achtergelaten die bruikbaar bleken voor de nieuwe machthebbers. Er waren ambtenaren die landelijke regelingen uitvoerden, administraties waarin inwoners en bezittingen werden vastgelegd en instellingen die het hele grondgebied bestreken. Oranje kon daarop voortbouwen. Het herstel van de dynastie betekende daardoor geen herstel van de verhoudingen waarin Bicker was opgegroeid. De vroegere stadhouder had zijn invloed moeten uitoefenen tussen steden en provincies die eigen rechten verdedigden. Zijn zoon kreeg de leiding over een staat waarvan het centrale gezag aanzienlijk was versterkt.
De grondwet van 1814 geeft de vorst een landelijke regering
Op 29 maart 1814 keurde een vergadering van notabelen een nieuwe grondwet goed. Willem werd soeverein vorst. Naast hem kwamen een Staten-Generaal en provinciale besturen, maar de provincies herkregen niet hun vroegere soevereiniteit. De Staten-Generaal moesten het gehele Nederlandse volk vertegenwoordigen. Hun leden werden door de Provinciale Staten gekozen; de eerste samenstelling werd nog door de vorst benoemd. De regeling verbond zo vertegenwoordiging met een krachtige positie van Oranje. Zij maakte geen einde aan het landelijke bestuur dat tijdens de Bataafse en Franse jaren was opgebouwd, maar gaf het een nieuwe constitutionele grondslag.
In 1815 werden Noord- en Zuid-Nederland samengebracht in een koninkrijk. De Europese mogendheden wilden mede een sterke staat aan de noordgrens van Frankrijk vormen. Willem nam de koningstitel aan en een herziene grondwet verdeelde de Staten-Generaal over twee Kamers. De koning benoemde de Eerste Kamer; de Provinciale Staten kozen de Tweede. Binnen het provinciale kiesstelsel hadden adel, steden en platteland afzonderlijke posities. Politieke vertegenwoordiging bleef daarmee bestaan, maar rechtstreekse invloed van een brede bevolking was niet verzekerd. De nieuwe staat had een landelijke volksvertegenwoordiging en tegelijk een smalle toegang tot de verkiezing ervan.
De nationale staat blijft bestaan onder Oranje
Bicker had meegewerkt aan landelijke vertegenwoordiging en nationale eenheid. Ook had hij samenvoeging van gewestelijke schulden gesteund. Die veranderingen waren het werk van vele betrokkenen: bestuurders, burgers, deskundigen en politieke bewegingen die het onderling vaak oneens waren. Buitenlandse druk had hun mogelijkheden bovendien steeds beïnvloed. Na 1813 bleven belangrijke resultaten bestaan binnen een monarchie. Dat maakt de verhouding tussen Bickers optreden en de latere staat ingewikkeld. Zijn eigen republikeinse loopbaan was geëindigd, maar de terugkeer van Oranje maakte de eenwording waaraan hij had bijgedragen niet ongedaan.
Die voortzetting betekende evenmin dat de volksvertegenwoordiging de regering beheerste. Willem I bepaalde in sterke mate het beleid en benoemde en ontsloeg zijn ministers. Het parlement kon over wetten en geldmiddelen besluiten, maar had veel minder invloed op de dagelijkse regeringskoers dan later. De concentratie van bevoegdheden maakte een krachtiger bestuur mogelijk zonder vanzelf ruimere controle te bieden. De oude strijd tussen gewesten en gezamenlijk gezag had een andere vorm gekregen. Nu werd belangrijker welke grenzen golden voor een nationale regering en wie haar op het gebruik van haar macht kon aanspreken.
Bickers papieren bewaren de overgang naar vertegenwoordiging
Bicker had in de Nationale Vergadering ervaring opgedaan met een bestuur dat zich op een landelijke politieke gemeenschap beriep. Hij had voorstellen besproken, regels helpen toepassen en als voorzitter beraadslagingen geleid. Zijn verkiezing gaf zijn plaats een andere rechtvaardiging dan de aanbevelingen waarmee hij zijn eerste ambten had verkregen. Tegelijk bleef zijn maatschappelijke uitgangspositie uitzonderlijk. Vermogen, scholing en betrekkingen hadden hem toegang gegeven lang voordat kiezers hem een mandaat verleenden. Zijn loopbaan verenigde daardoor oude mogelijkheden met nieuwe aanspraken. De gekozen vertegenwoordiger bleef ook een erfgenaam van de Amsterdamse regentenwereld.
Zijn dagboeken, brieven, reisverslagen en bestuurlijke aantekeningen maken die overgang van dichtbij te volgen. Zij verbinden het Amsterdamse stadhuis met buitenlandse verblijfplaatsen en landelijke vergaderingen. Er staan benoemingen, rechtszaken, ontmoetingen en conflicten in die anders veel moeilijker te reconstrueren zouden zijn. Bicker legde vast wat hij belangrijk vond en verzamelde stukken waarmee hij gebeurtenissen kon begrijpen of zijn optreden kon verantwoorden. Zijn dochter Catharina zette de verslaglegging rond zijn laatste ziekte en overlijden voort. Daarmee bleven naast de openbare besluiten ook persoonlijke omstandigheden van zijn leven bewaard.
De rijkdom van dat archief brengt een beperking mee. Over Bickers bewegingen en overtuigingen is veel meer overgeleverd dan over de mensen die voor hem werkten of onder zijn gezag terechtkwamen. Judith van der Veght en Elisabeth Sondermans verschijnen in zijn papieren doordat hij als rechter met hun zaken te maken kreeg. Hun eigen levens omvatten meer dan dat onderzoek. Hetzelfde geldt voor arbeiders, personeel en mensen in de koloniale samenleving. Bickers aantekeningen kunnen hun geschiedenis ontsluiten, maar hun woorden en belangen moeten waar mogelijk ook in andere bronnen worden gezocht.
In 1848 verandert de verhouding tussen regering en vertegenwoordiging
De grondwetsherziening van 1848 maakte de koning onschendbaar en de ministers politiek verantwoordelijk. Ook werd de Tweede Kamer voortaan rechtstreeks gekozen door stemgerechtigde mannen. Daarmee veranderden zowel de toegang tot de vertegenwoordiging als de verhouding tot de regering. Ministers moesten hun optreden tegenover het parlement kunnen verdedigen. De Kamer kreeg uitgebreidere middelen om beleid te onderzoeken en besluiten te beïnvloeden. Onder leiding van Thorbecke was een nieuwe constitutionele verhouding gevormd. De erfelijke vorst bleef staatshoofd, maar zijn handelen werd verbonden met de verantwoordelijkheid van ministers.
Dat betekende niet dat onmiddellijk vaststond hoe ieder conflict moest worden opgelost. De regel dat een kabinet niet tegen een duidelijk uitgesproken parlementair wantrouwen in kon blijven regeren, kreeg later verder gestalte. Vooral de conflicten van 1866–1868 waren daarvoor belangrijk. De grondwet moest dus in het politieke handelen worden uitgewerkt. Het parlementaire stelsel ontstond uit wetten én uit botsingen waarin betrokkenen bepaalden welke gevolgen hun bevoegdheden hadden. Bicker had die uitkomst niet voorzien of persoonlijk voortgebracht. Zijn generatie had wel eerdere ervaring nagelaten met landelijke vertegenwoordiging, procedurele bescherming en de kwetsbaarheid daarvan.
Nederlandse vrijheidsrechten beëindigen de koloniale slavernij niet
De grenzen van die ontwikkeling waren scherp zichtbaar in de koloniën. Bicker was directeur van de Sociëteit van Suriname geweest, een instelling die een samenleving bestuurde waarin slavernij een grondslag van de plantage-economie vormde. De veranderingen in Nederlandse vertegenwoordiging hadden daaraan tijdens zijn leven geen einde gemaakt. Ook de terugkeer van Oranje en de grondwetsherziening van 1848 brachten niet onmiddellijk vrijheid voor de mensen die overzee tot arbeid werden gedwongen. Rechten die in Nederland onderwerp waren van uitbreiding, bleven daarmee verbonden met een rijk waarin anderen als bezit werden behandeld.
Op 1 juli 1863 schafte Nederland de slavernij in Suriname en het Caribisch gebied af. Voor veel vrijgemaakte mensen in Suriname volgde nog tien jaar staatstoezicht. Zij moesten onder beperkende voorwaarden arbeidsovereenkomsten aangaan. De overheid wilde de beschikbaarheid van arbeidskrachten voor de plantages verzekeren. De afschaffing beëindigde de juridische eigendom van mensen, maar gaf velen dus nog niet onmiddellijk vrije beschikking over hun arbeid. Pas in 1873 eindigde het staatstoezicht. Ook hier moesten wettelijke rechten worden onderscheiden van de mogelijkheden die mensen daadwerkelijk kregen om hun bestaan naar eigen keuze in te richten.
Rechtstreekse verkiezingen blijven voor een beperkte groep
Binnen Nederland gaf de hervorming van 1848 evenmin iedereen een stem. Het kiesrecht bleef gebonden aan voorwaarden, waaronder een belastingdrempel. Vrouwen waren uitgesloten. Veel arbeiders en andere mannen met lage inkomens konden hun vertegenwoordigers daardoor niet kiezen. De Kamer kreeg meer invloed, terwijl een groot deel van de bevolking buiten de verkiezingen bleef. Economische zelfstandigheid werd nog steeds gebruikt om politieke geschiktheid af te bakenen. Daarmee bleef een vraag bestaan die ook in de Bataafse jaren had gespeeld: waarom zou gebrek aan middelen iemand minder recht geven om over het bestuur mee te beslissen?
De uitbreiding kwam niet uitsluitend vanuit de bestaande politieke kring. Verenigingen organiseerden bijeenkomsten, verspreidden geschriften en voerden campagne. De groeiende arbeidersbeweging verlangde kiesrecht voor mannen die door hun werk aan de samenleving bijdroegen maar weinig formele invloed hadden. Voorstanders van vrouwenkiesrecht bestreden daarnaast de uitsluiting op grond van geslacht. Deze bewegingen hadden eigen organisaties, tegenstellingen en ervaringen. Zij waren geen eenvoudige voortzetting van de patriottenbeweging. Wel werd opnieuw zichtbaar dat mensen buiten de volksvertegenwoordiging gezamenlijke druk moesten opbouwen om de grondslag en samenstelling ervan te veranderen.
In 1917 verdwijnt de welstandsdrempel voor mannen
De grondwetsherziening van 1917 bracht algemeen mannenkiesrecht en evenredige vertegenwoordiging. Mannen hoefden niet langer op grond van belastingbetaling of vergelijkbare kenmerken hun geschiktheid als kiezer te bewijzen. Vrouwen kregen passief kiesrecht: zij mochten worden gekozen, maar zelf nog niet stemmen. De tegenstelling was duidelijk. Een vrouw kon wettig namens burgers in de Tweede Kamer optreden, terwijl zij haar eigen stem niet op een kandidaat mocht uitbrengen. De hervorming verruimde de politieke toegang ingrijpend en liet tegelijk een afzonderlijke uitsluiting voortbestaan.
Bij de verkiezingen van 1918 werd Suze Groeneweg namens de SDAP het eerste vrouwelijke Tweede Kamerlid. Haar zetel was verkregen met stemmen van mannen. Zij kwam binnen in een vergadering waarin tot dan toe uitsluitend mannen hadden gezeten. Daarmee kreeg het onderscheid tussen actief en passief kiesrecht een herkenbaar gezicht. Groeneweg kon deelnemen aan wetgeving en de regering aanspreken, maar bezat nog niet hetzelfde kiesrecht als de mannelijke kiezers die haar hadden gekozen. De campagne voor vrouwenkiesrecht ging door. De grens die in 1917 was blijven bestaan, werd twee jaar later wettelijk doorbroken.
In 1922 kiezen vrouwen voor het eerst mee voor de Tweede Kamer
In 1919 kregen vrouwen ook actief kiesrecht. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1922 konden zij daarvan voor het eerst gebruikmaken. De landelijke vertegenwoordiging werd nu gekozen door een veel bredere bevolking dan in Bickers tijd. Het recht om een stem uit te brengen was niet langer voorbehouden aan mannen en evenmin afhankelijk van het bezit waarmee een huishouden zich van anderen onderscheidde. De verandering was bevochten door latere generaties en organisaties. Zij volgde niet vanzelf uit de omwenteling van 1795 of uit de eerste bijeenkomsten van de Nationale Vergadering.
Bickers bijdrage lag aan het begin van die langere geschiedenis. Hij had geholpen een landelijke vertegenwoordiging te laten functioneren en ondervonden hoe weinig bescherming een verkiezingsmandaat bood wanneer politieke tegenstanders naar geweld grepen. Zijn vermogen had hem mogelijkheden gegeven die voor veel inwoners onbereikbaar waren gebleven. In 1922 berustte de toegang tot de stembus op een veel ruimere grondslag. De staat die na zijn dood onder Oranje was blijven bestaan, kreeg haar volksvertegenwoordiging nu uit stemmen van mannen én vrouwen. De vraag wie mocht kiezen, had daarmee een ander antwoord gekregen dan in de bestuurswereld waarin Bicker zijn eerste ambt had aanvaard.
Bronnen en verantwoording bij het volledige Bickerverhaal
Deze bronverantwoording hoort bij het verhaal vanaf deel 1: de voorgeschiedenis vanaf 1648, het leven van Jan Bernd Bicker van 1746 tot 1812 en het vervolg over zijn historische erfenis tot 1922.
Het verhaal is hoofdzakelijk opgebouwd uit de aangeleverde pdf. Voor het vervolg na 1812 zijn aanvullende historische en institutionele websites geraadpleegd. De oorspronkelijke archiefstukken waarnaar de pdf verwijst, zijn tijdens deze uitwerking niet afzonderlijk ingezien. Hieronder worden die verschillende soorten bronnen onderscheiden.
De aangeleverde hoofdbron
Geld, geweten en gezag — Jan Bernd Bicker in een veranderend Nederland, 1648–1812, Historisch Nederland, aangeleverde pdf met aanvullende verhalen.
Deze pdf is daadwerkelijk gelezen en gebruikt voor de voorgeschiedenis, Bickers familie, opleiding, huwelijk, zakelijke betrekkingen, rechtspraak, politieke optreden, ballingschap en laatste levensjaren. Ook de aanvullingen over arbeid, armenzorg, koloniaal bestuur, onderwijs, belastingen en registratie zijn benut.
Bijbehorende publicatie: https://www.historisch-nederland.nl/geld-geweten-en-gezag-jan-bernd-bicker-in-een-veranderend-nederland-1648-1812
De pdf is een samengestelde historische tekst. Een daarin genoemde oorspronkelijke bron is niet automatisch tijdens deze uitwerking zelfstandig gecontroleerd.
Bickers loopbaan en politieke functies
Parlement.com, ‘Dr.mr. J.B. Bicker’.
https://www.parlement.com/biografie/drmr-jb-bicker
Geraadpleegd voor zijn levensdata, ambten, lidmaatschap van de Nationale Vergadering, voorzitterschappen, positie onder de Moderaten en deelname aan het Staatsbewind.
De biografie bevat onderling afwijkende vermeldingen over de datering van zijn gevangenschap en vrijlating. Die gegevens vragen vergelijking met oorspronkelijke stukken voordat één precieze datum definitief kan worden overgenomen.
De eerste landelijke volksvertegenwoordiging
Parlement.com, ‘Eerste Nationale Vergadering (1796–1797)’.
https://www.parlement.com/eerste-nationale-vergadering-1796-1797
Gebruikt voor de samenstelling van de vergadering, de politieke stromingen en de verschillen met een modern parlement. De vergadering kende geen moderne partijen met een vaste organisatie. Ook binnen de gematigde en radicalere richtingen bestonden verschillende standpunten.
Parlement.com, ‘Tweede Nationale Vergadering en Constituerende Vergadering (1797–1798)’.
https://www.parlement.com/tweede-nationale-vergadering-en-constituerende-vergadering-1797-1798
Geraadpleegd voor de overgang naar de tweede vergadering en de staatsgrepen van 1798.
Het herstel van de onafhankelijkheid en het koninkrijk
Parlement.com, ‘Periode 1813–1815: Soeverein Vorst Willem’.
https://www.parlement.com/periode-1813-1815-soeverein-vorst-willem
Gebruikt voor de terugkeer van Oranje, de grondwet van 1814, de indirect gekozen Staten-Generaal en de voortzetting van de eenheidsstaat.
Parlement.com, ‘Grondwetsherziening 1815’.
https://www.parlement.com/grondwetsherziening-1815
Gebruikt voor de vereniging van Noord- en Zuid-Nederland, het koningschap, het tweekamerstelsel en de verkiezing van de Tweede Kamer via de Provinciale Staten.
Parlement.com, ‘Periode 1815–1840: onder koning Willem I’.
https://www.parlement.com/periode-1815-1840-onder-koning-willem-i
Gebruikt voor de sterke positie van de koning tegenover ministers en parlement.
De grondwetsherziening van 1848
Het Koninklijk Huis, ‘Ministeriële verantwoordelijkheid’.
https://www.koninklijkhuis.nl/onderwerpen/koninklijk-huis/rol-van-het-staatshoofd/ministeriele-verantwoordelijkheid
Gebruikt voor de invoering van politieke ministeriële verantwoordelijkheid en de grondwettelijke onschendbaarheid van de koning.
De Nederlandse Grondwet, ‘Grondwet van 1848: ministeriële verantwoordelijkheid’.
https://www.denederlandsegrondwet.nl/indeling/grondwet-van-1848-ministeriele-verantwoordelijkheid
Gebruikt voor de veranderde verhouding tussen regering en vertegenwoordiging. De hervorming van 1848 wordt in het verhaal behandeld als een ontwikkeling van een latere generatie, niet als een rechtstreeks door Bicker ontworpen uitkomst.
De uitbreiding van het kiesrecht
Tweede Kamer der Staten-Generaal, ‘1848–1940: uitbreiding van het kiesrecht’.
https://www.tweedekamer.nl/zo-werkt-de-kamer/de-tweede-kamer-door-de-eeuwen-heen/1848-1940
Gebruikt voor de strijd om ruimer kiesrecht, het algemeen mannenkiesrecht van 1917, het actief vrouwenkiesrecht van 1919 en de Tweede Kamerverkiezingen van 1922.
De Nederlandse Grondwet, ‘Grondwet van 1917: onderwijspacificatie en algemeen kiesrecht’.
https://www.denederlandsegrondwet.nl/indeling/grondwet-van-1917-onderwijspacificatie-en-algemeen-kiesrecht
Aanvullend geraadpleegd voor de kiesrechtherziening, verkiesbaarheid van vrouwen en invoering van evenredige vertegenwoordiging.
Slavernij en de afschaffing ervan
Nationaal Archief, ‘Afschaffing slavernij in Suriname en het Caribisch gebied (1863)’.
https://www.nationaalarchief.nl/beleven/onderwijs/bronnenbox/afschaffing-slavernij-in-suriname-en-het-caribisch-gebied-1863
Gebruikt voor de afschaffing op 1 juli 1863 en de voortgezette arbeidsverplichtingen in Suriname.
Nationaal Archief, ‘Vrijverklaarde slaafgemaakten (Emancipatie 1863)’.
https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/zoekhulpen/suriname-en-de-nederlandse-antillen-vrijverklaarde-slaafgemaakten
Gebruikt voor het staatstoezicht tot 1873 en de verplichting voor betrokken vrijgemaakte mensen om arbeidsovereenkomsten te sluiten.
Bickers eigen functie bij de Sociëteit van Suriname is beschreven op basis van de aangeleverde pdf en zijn biografische functieoverzicht. Zijn persoonlijke opvattingen over slavernij zijn daarmee niet volledig vastgesteld.
Onderliggende bronnen die via de pdf zijn gebruikt
De aangeleverde pdf verwijst naar biografische reconstructies van Mariëlle Hageman en Tichelaar, naar onderzoek van Rudolf Dekker over arbeidsconflicten en naar werk van Kloek en Mijnhardt over de samenleving rond 1800.
Deze verwijzingen zijn indirect gebruikt. Voor een definitieve bibliografie moeten de precieze publicatietitels, edities en paginanummers worden aangevuld vanuit de oorspronkelijke werken. Die gegevens worden hier niet verondersteld of gereconstrueerd.
Hetzelfde geldt voor de in de pdf beschreven dagboeken, brieven, reisjournalen en bestuurlijke aantekeningen van Bicker, notariële stukken over familievermogen, stukken over militaire financiën en documenten over onderwijs en armenzorg. Hun inhoud is verwerkt zoals deze in de pdf wordt weergegeven; de oorspronkelijke documenten zijn niet afzonderlijk gecontroleerd.
Rechtspraak en persoonlijke levens
De verhalen over Judith van der Veght, Dorothea Borstelman, Elisabeth Sondermans, Anna Smitshuijsen, Johannes van Gogh en Pierre Babut Dumaresz zijn ontleend aan de aanvullende passages in de pdf.
Voor definitieve publicatie vragen vooral de juridische voorwaarden voor marteling, de betekenis van een bekentenis, de gekozen procesvorm en de mogelijkheden van beroep controle aan de hand van de oorspronkelijke processtukken en juridische literatuur.
Verklaringen van betrokkenen zijn waar mogelijk als verklaringen weergegeven. Zij vormen niet zonder meer een onafhankelijke vaststelling van wat er is gebeurd. Gedachten, gesprekken en gevoelens zijn niet toegevoegd om ontbrekende gegevens aan te vullen.
Onzekerheden en noodzakelijke vervolgcontrole
De precieze plantageverbinding binnen het grootvaderlijke vermogen is nog niet voldoende vastgesteld. De omvang en verdeling van familievermogen mogen niet zonder nadere lezing als Bickers persoonlijke bezit worden opgegeven.
De pdf bevat verschillende aanduidingen voor de plaats van de terechtstelling tijdens het Pachtersoproer van 1748. Daarom is die precieze plaats in de herschreven passages niet vastgelegd.
Bij sommige buitenlandse verblijfplaatsen verschillen de dateringen tussen de aangehaalde biografieën. Reisjournalen, correspondentie en plaatselijke documenten moeten daar uitsluitsel geven.
Bedragen bij het bankroet van Babut zijn weergegeven als Bickers eigen opgave. De oorzaken van de veranderingen in de familieonderneming zijn niet tot één bewezen verklaring samengevoegd.
Voor uitspraken over de gevolgen van belastingen, rentekortingen of handelsbeperkingen voor Bicker persoonlijk zijn gegevens over zijn eigen aanslagen, beleggingen en ontvangsten nodig.
Historische duiding
De samenhang tussen bezit, bestaanszekerheid en politieke invloed vormt de dragende interpretatie van het verhaal. Zij is opgebouwd uit de beschreven gebeurtenissen en maatschappelijke verhoudingen.
Bickers bijdrage aan de volksvertegenwoordiging wordt onderscheiden van de latere groei van de parlementaire democratie. Een rechtstreekse persoonlijke invloed op de hervormers van 1848 of de kiesrechtbeweging is in dit onderzoek niet aangetoond.
Zijn nalatenschap omvat zowel zijn bestuurlijke werk als zijn bewaarde papieren. Die bronnen bieden een uitvoerige stem uit de vermogende bovenlaag. Voor een evenwichtige geschiedenis moeten zij worden aangevuld met bronnen over mensen die minder bezit, minder rechten en minder mogelijkheden hadden om hun eigen ervaringen vast te leggen.