Van Groote Waard tot ’s-Gravendeel — Het landschap, de Sint-Elisabethsvloed en de bedijking van Nieuw-Bonaventura, ca. 1200–1600
Deel 1 — Hoe losse dijken één Groote Waard maakten — ca. 1200–1294
Rond 1200 bestond de Groote Waard nog niet als één gesloten gebied
Tussen Dordrecht, Heusden, Geertruidenberg en het latere ’s-Gravendeel lag een nat landschap waarin water bepaalde waar mensen konden wonen en werken. Merwede, Maas, Dubbel en kleinere veenstromen verdeelden het gebied in hogere oeverwallen, lage veengronden, kreken, gorzen en moerassen. Vanaf de elfde en twaalfde eeuw trokken boeren vanaf hogere gronden het achterland in. Zij groeven lange ontwateringssloten haaks op natuurlijke waterlopen en veranderden nat veen in akker- en weiland. Het nieuwe landbouwland bracht opbrengst, maar ontwatering liet het veen inklinken. Juist doordat het gebied bruikbaarder werd, kwam het maaiveld steeds lager tegenover rivier- en buitenwater te liggen.
De eerste dijken werden niet door één graaf of één klooster gebouwd
Boeren, grondbezitters, ambachtsheren en kerkelijke instellingen beschermden aanvankelijk vooral het land waarvan zij zelf afhankelijk waren. Lage kaden werden met aarde en klei verhoogd. Zodra een waterkering meerdere bezittingen beschermde, moesten ingelanden samenwerken. Zij betaalden geld, leverden arbeiders, paarden, schuiten en materialen of kregen een eigen dijkvak toegewezen. Grondwerkers en boerenknechten deden het zware werk; heren, schouten en andere bestuurders verdeelden de verplichtingen en hielden toezicht. Naarmate afzonderlijke kaden op elkaar aansloten, werd één slecht onderhouden stuk een gevaar voor een veel groter gebied. Waterbeheer dwong bezitters met verschillende belangen zo tot gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Rond 1270 groeide uit losse werken één waterstaatkundig stelsel
De Oude Maas werd omstreeks 1270–1272 bij Maasdam afgesloten. Ook andere waterlopen, waaronder de Dubbel, werden met dammen en sluizen beter beheersbaar gemaakt. Tegelijk werden bestaande dijken verhoogd, verlengd en met elkaar verbonden. Rond 1283 vormde zich zo een grote ringdijk rond een uitgestrekt landbouwgebied: de Groote of Grote Waard. Deze waterkering was niet volgens één ontwerp en in één bouwcampagne aangelegd. Zij was het resultaat van tientallen jaren afdamming, ophoging, aansluiting en herstel. De Voorstraat van Dordrecht bewaart nog altijd een deel van het noordelijke tracé van die middeleeuwse ringdijk.
Met de grotere dijk ontstond ook een groter bestuur
Op 22 december 1275 trad Seger van Riede op als provisor van de Groote Waard, een functie die nauw verwant was aan het latere dijkgraafschap. Samen met schouten en heemraden hield zo’n bestuurder toezicht op dijkplichten en waterstaatswerken. De oorkonde waarin Seger wordt genoemd, werd mede bezegeld door Willem, heer van Strijen. Daarmee wordt zichtbaar hoe vroeg heerlijk gezag en waterbeheer met elkaar waren verbonden. De graaf of heer hoefde niet zelf grond te verzetten. Zijn macht lag in het organiseren, verdelen en afdwingen van verplichtingen waardoor honderden afzonderlijke bezitters samen één verdedigbaar landschap konden onderhouden.
Aan de westzijde lag het machtsgebied van de heren van Strijen
Willem van Strijen bestuurde in het laatste kwart van de dertiende eeuw een gebied met landbouwgrond, viswater, tienden, ambachten en heerlijke rechten. Zijn optreden naast Seger van Riede laat zien dat dijkzorg rechtstreeks verbonden was met bezit en inkomsten. Achter een waterkering lagen niet alleen boerderijen, maar ook korenvelden, wegen, kerkelijke tienden en bestuurlijke rechten. Een dijkdoorbraak trof daarom niet alleen boeren, maar eveneens heren en instellingen die van hun productie en belastingen leefden. Investeren in waterveiligheid werd zo ook een vorm van machtspolitiek: wie het land bestuurde, had belang bij het behoud ervan.
Na Willem van Strijen veranderde de dynastieke kaart
Na zijn overlijden kwamen rechten van Strijen via erfopvolging in verbinding met het huis Putten. Putten en Strijen raakten daardoor steeds sterker binnen één dynastiek verband verweven. In de veertiende eeuw traden hun heren en vrouwen herhaaldelijk op bij grondbezit, zoutwinning, bedijking en waterbeheer. Het archief van de heren van Putten en Strijen bevat daarom niet alleen leenakten en familieovereenkomsten, maar ook stukken over dijken, gorzen, tollen, financiën en nieuwe gronduitgiften. Het landschap werd voortaan niet alleen door water en klei gevormd, maar ook door akten, erfopvolging en heerlijke rechten.
Deel 2 — Hoe welvaart het land tegelijk sterker en kwetsbaarder maakte — 1294–1421
Achter de ringdijk groeide een omvangrijk landbouwgebied
De Groote Waard bood boeren veel betere mogelijkheden voor graanbouw en veeteelt. Dordrecht, Geertruidenberg, Heusden en kleinere nederzettingen profiteerden van voedselproductie, vervoer en handel. Wegen volgden dijken, schepen gebruikten rivieren en sluizen, terwijl molens de oogst van het omliggende land verwerkten. Met iedere nieuwe boerderij, akker, kerk en investering nam echter ook de waarde toe die door de dijk moest worden beschermd. Waterstaatszorg werd daardoor geen bijkomstigheid maar een economische noodzaak. Zolang de ringdijk functioneerde, leverde de waard rijkdom op; wanneer zij faalde, stond juist diezelfde rijkdom op het spel.
Onder de groei zakte de bodem langzaam verder
Ontwaterd veen kromp en oxideerde. Daarnaast werd plaatselijk veen afgegraven en vond moernering plaats. Daardoor daalde het maaiveld tegenover rivier- en buitenwater. Dijken die in de dertiende eeuw voldoende hoog waren geweest, moesten worden verhoogd en verzwaard. Ook de afwatering werd moeilijker. Water dat eerder vanzelf door sluizen kon wegstromen, bleef bij hoge buitenwaterstanden langer in de waard staan. De techniek die het land bruikbaar had gemaakt, vergrootte daarmee op termijn zijn afhankelijkheid van kunstmatige waterbeheersing. Economisch succes en waterstaatkundige kwetsbaarheid groeiden naast elkaar.
Nieuwe polders bleven ondertussen aantrekkelijk
Op 4 augustus 1357 gaf Aleit van Putten, vrouwe van Putten, Strijen en Praet, aan de Dordtenaar Hughe Duykinc toestemming een stuk land tot korenland te bedijken. Daaruit ontstond de latere Sint-Anthoniepolder. Zo’n bedijking maakte van beperkt bruikbare grond productief en verpachtbaar landbouwland. Duykinc voerde het werk niet alleen uit. Er waren arbeiders, eigenaars, financiële afspraken en onderhoudsplichten nodig om een zelfstandige polder te vormen. De onderneming was daardoor tegelijk technisch werk, investering en bestuurlijke uitbreiding.
Sint-Anthoniepolder werd een blijvende kern in een veranderend landschap
Binnen de nieuwe dijk ontstonden landbouw, bewoning en uiteindelijk een kerkelijke gemeenschap. Daarmee werd meer gewonnen dan een groep akkers. Er ontstond een afgebakend gebied waaraan pachtrechten, bestuur, kerkelijke inkomsten en onderhoudsverplichtingen konden worden verbonden. Juist deze polder kreeg later uitzonderlijke betekenis. Terwijl na 1421 grote delen van de omgeving opnieuw aan het water werden prijsgegeven, bleef Sint-Anthoniepolder als bedijkte kern bestaan. Midden in het veranderde landschap bleef zo een stuk van de veertiende-eeuwse inrichting herkenbaar.
In 1361 verschoof opnieuw het gezag over Putten en Strijen
Na het overlijden van Aleid van Putten kwamen de heerlijkheden in handen van Zweder van Abcoude. Een akte uit 1361 bevestigt een overeenkomst over haar nalatenschap, waarna hertog Albrecht van Beieren Zweder met Putten en Strijen beleende. Zulke machtswisselingen hadden directe gevolgen voor het landschap. De nieuwe heer kreeg rechten op grond, visserij, gorzen en inkomsten, maar nam ook verantwoordelijkheden en problemen rond dijken en waterbeheer over. Onder zijn opvolgers zouden die problemen steeds zwaarder gaan wegen.
Ook kerkelijke instellingen hadden rechtstreeks belang bij veilige grond
Het kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht bezat rechten en inkomsten rond Strijen. Kloosters stonden niet buiten de lokale economie. Zij ontvingen tienden, bezaten grond en hadden belang bij behoud en uitbreiding van productief land. In de vijftiende eeuw kreeg Nieuwlicht aanvullende tiendrechten die verband hielden met de financiering van bedijkingen van Strijense polders. Kerkelijk bezit, grondinkomsten en waterstaat liepen zo door elkaar. Een klooster kon een geestelijke instelling zijn en tegelijk een zeer praktisch belang hebben bij sterke dijken en hoge graanopbrengsten.
Tegen 1421 werd het onderhoud steeds moeilijker
Stormen en hoge rivierstanden beschadigden de waterkeringen herhaaldelijk. Tegelijk vroegen oorlogen en politieke conflicten om geld en aandacht. In 1402 werden de ingelanden van Strijen bijvoorbeeld vrijgesteld van een bepaalde heffing in ruil voor hun bijdrage aan het onderhoud van de dijk van de Groote Waard. Belasting en waterveiligheid waren dus rechtstreeks met elkaar verbonden. De waard bleef productief, maar haar voortbestaan rustte op duizenden meters dijk die voortdurend moesten worden gecontroleerd, verhoogd en hersteld. Zodra meerdere zwakke plaatsen tegelijk faalden, werd de marge gevaarlijk klein.
Deel 3 — De Sint-Elisabethsvloeden breken de Groote Waard open — 1421–1424
In november 1421 kwam het water door de verdediging
Tijdens de Sint-Elisabethsvloed van 18 op 19 november 1421 braken waterkeringen van de Groote Waard. Lage gronden liepen onder, akkers verdwenen onder water en bewoners zochten hogere plaatsen op. Toch ontstond de latere Biesbosch niet in één nacht door één allesvernietigende golf. De eerste vloed veroorzaakte zware schade, waarna nieuwe doorbraken en volgende hoogwaters het herstel steeds verder bemoeilijkten. De ramp van 1421 was daarom vooral het begin van een proces waarin een al kwetsbaar waterstaatkundig systeem in enkele jaren uit elkaar viel.
Het gevaar nam toe toen verschillende waterstromen elkaar vonden
Door de gaten in de dijken kregen rivierwater en getij steeds gemakkelijker toegang tot het binnenland. Water volgde oude geulen, lage percelen en door bodemdaling ontstane kommen. Sloten verbreedden, oevers sloegen af en nieuwe kreken sneden door vroegere landbouwgrond. Bij iedere vloed werd op sommige plaatsen slib afgezet, terwijl elders grond verdween. Daardoor veranderde niet alleen de hoeveelheid water, maar ook de vorm van het landschap. Een dijk die kort tevoren nog een akker beschermde, kon enkele maanden later tegenover een nieuwe stroomgeul liggen.
Toch werd het verdronken land niet meteen opgegeven
Boeren, heren, steden en grondbezitters hadden grote financiële belangen in de waard. Zij probeerden gaten te sluiten en waterkeringen te herstellen. Jacob van Gaasbeek, heer van Putten en Strijen, werd in 1423 door hertog Jan van Beieren zelfs tot dijkgraaf van de Groote Waard aangesteld. In hetzelfde jaar werd met hem een overeenkomst gesloten over de uitgifte van 500 morgen bij Strijen ter bedijking. Dat gebeurde terwijl nog werd gehoopt dat aanzienlijke delen van de oude waard konden worden gered of teruggewonnen. De bestuurlijke reactie op de ramp begon dus vrijwel onmiddellijk.
Nieuwe overstromingen maakten volledig herstel steeds minder haalbaar
Na 1421 volgden opnieuw hoge waterstanden en stormvloeden. Herstelde dijkstukken gingen verloren en openingen werden breder. Geld en arbeidskracht moesten telkens opnieuw worden ingezet zonder zekerheid dat het werk de volgende winter zou doorstaan. Daardoor veranderde de strategie. Aanvankelijk probeerde men de Groote Waard te herstellen; steeds vaker moest worden besloten welke afzonderlijke gebieden nog tegen aanvaardbare kosten konden worden beschermd. Niet één vloed, maar de opeenvolging van schade, herstel en nieuwe schade maakte de oude ringdijk uiteindelijk onhoudbaar.
Dorpen, akkers en oude grenzen verdwenen uit het zicht
Bewoningsplaatsen kwamen onder water of werden verlaten. Wegen liepen dood bij nieuwe geulen en vroegere verkavelingen verdwenen onder slib. Toch verdwenen eigendomsrechten niet automatisch mee. Oude grenzen bleven in akten en registers voortbestaan. Dat werd later belangrijk wanneer nieuwe gorzen en aanwassen boven het water uitkwamen. Dan ontstond de vraag wie recht had op het nieuwe land en wie het mocht bedijken. Het zichtbare landschap was veranderd, maar daaronder bleef een juridische wereld van heerlijkheden, tienden, lenen en oude bezitsrechten bestaan.
Aan de westzijde bleven aanknopingspunten voor herstel bestaan
Strijen en de Sint-Anthoniepolder vormden zulke vaste punten. Sint-Anthoniepolder bleef als bedijkte kern bestaan, terwijl rond Strijen opnieuw land kon worden beschermd. Daardoor ontwikkelde de westzijde van de vroegere Groote Waard zich anders dan het uitgestrekte verdronken gebied verder oostwaarts. Hier ontstond niet opnieuw de oude waard, maar geleidelijk een nieuw polderlandschap. Uit dat proces zou uiteindelijk de Hoeksche Waard voortkomen.
Deel 4 — Het land keert terug, maar polder voor polder — 1424–ca. 1570
De oude Groote Waard werd niet opnieuw als één geheel gesloten
De nieuwe geulen waren te groot en de kosten van één totale herdijking te hoog geworden. Daarom koos men voor een andere werkwijze. Slikken en zandplaten moesten eerst door natuurlijke aanslibbing hoger worden. Pas daarna kon een beperkt gebied met een relatief korte dijk worden omsloten. Iedere nieuwe polder vormde vervolgens een veilige zijde voor een volgende bedijking. Het landschap groeide daardoor niet langer vanuit één grote ringdijk, maar als een mozaïek van afzonderlijke polders.
Jacob van Gaasbeek zette bij Strijen een belangrijke stap
Al in 1423 waren plannen gemaakt voor nieuwe bedijkingen rond Strijen. In 1436 werd het Oudeland van Strijen met een winterdijk beschermd. Een octrooi van 12 maart 1436 wordt met deze bedijking verbonden. Jacob van Gaasbeek stond als heer van Putten en Strijen boven de onderneming, maar uitvoering en financiering vereisten veel meer mensen: bezitters, investeerders, boeren, aannemers en grondwerkers. De nieuwe polder maakte Strijen opnieuw tot een stevige landbasis langs de westzijde van het verdronken gebied.
Op 15 april 1439 schoof het bedijkingsfront verder op
Jacob van Gaasbeek verleende toen Jan Robijn, Daniël van Cralingen en Cornelis van Almonde en hun medestanders toestemming nieuw korenland te bedijken. Tot het gebied behoorden gorzen en uitlanden die later met de Oude-Korendijkse polder en Goudswaard in verband werden gebracht. De namen maken duidelijk dat inpoldering geen anoniem proces was. Een heer gaf rechten uit, ondernemers en grondbezitters namen de onderneming aan en arbeiders voerden het werk uit. Sommige jonge polders overstroomden later opnieuw en moesten in 1456 of 1471 worden herdijkt.
Ook rond Maasdam en Puttershoek kwam in 1439 land terug
De herdijking van het Oudeland van Maasdam en Puttershoek herstelde een belangrijke westelijke landverbinding. Daarmee ontstond een reeks veilige gebieden waar nieuwe inpolderingen op konden aansluiten. De ontwikkeling verliep niet volgens één vooraf getekend plan. Bedijkers reageerden op hoogteligging, eigendom, bereikbaarheid, beschikbare investeerders en de mogelijkheid nieuwe dijken op bestaande waterkeringen aan te sluiten. Iedere polder bepaalde zo mede waar de volgende kon ontstaan.
Oud-Bonaventura bracht de bedijking dichter bij het latere ’s-Gravendeel
Ten oosten van Strijen slibden nieuwe gronden op. Daar ontstond Oud-Bonaventura. Het jonge land was vruchtbaar, maar bleef kwetsbaar zolang de waterkeringen onvoldoende zwaar waren. De stormvloed van 1522 maakte dat duidelijk. Water beschadigde de bedijking en brak tevens door delen van de oudere Keizersdijk. Daarna moesten waterkeringen worden verhoogd en versterkt. Een polder was dus nooit klaar zodra hij droog lag. Iedere storm kon aantonen dat dijkprofiel, materiaal of onderhoud niet meer voldeden.
In de zestiende eeuw werd bedijken steeds georganiseerder
Landmeters legden grenzen vast. Bestuurders sloten overeenkomsten tussen eigenaren. Investeerders wilden weten hoeveel grond een onderneming kon opleveren. Aannemers moesten klei, rijshout, arbeiders en transport organiseren. Tegelijk moest de afwatering van oudere polders blijven functioneren. Een nieuwe waterkering mocht het probleem niet eenvoudig naar een naburig gebied verplaatsen. Inpoldering werd daardoor steeds nadrukkelijker een samenspel van techniek, recht, kapitaal en bestuur.
Het water bouwde ondertussen mee aan het toekomstige Nieuw-Bonaventura
Iedere vloed bracht slib naar beschutte zones ten oosten van bestaande polders. Zandplaten en slikken werden hoger. Riet, biezen en andere begroeiing hielden nieuw sediment vast. Zodra zulke gronden vaak genoeg droogvielen, konden zij als gors voor beweiding en ander tijdelijk gebruik worden benut. Dat gors vormde de tussenfase tussen open water en polder. Tegen het einde van de zestiende eeuw lag ten oosten van Strijen, Maasdam en Puttershoek daarom een groot gebied dat voldoende was opgehoogd om een nieuwe, omvangrijke bedijking aantrekkelijk te maken.
Deel 5 — Bestuurders, landmeters en investeerders bereiden Nieuw-Bonaventura voor — ca. 1570–1591
Het nieuwe land had vele eigenaren
De gorzen en aanwassen van Bonaventura, de Noord- en Zuidkavel van den Broek, Puttershoek en Maasdam konden alleen onder één winterdijk worden gebracht wanneer hun bezitters overeenstemming bereikten. Ook de Grafelijkheid van Holland had belangen in het gebied. Daarom begon de bedijking niet met grondwerk, maar met onderhandelingen. Deelnemers moesten vastleggen hoeveel grond ieder inbracht, welke kosten voor zijn rekening kwamen, welk aandeel hij na voltooiing kreeg en wie voortaan over de dijk zou beslissen. Pas daarna kon het technische werk worden voorbereid.
Landmeters maakten van het gors eerst een berekenbaar landschap
Kreken, aanwassen, oude dijken en grenzen werden opgenomen en op kaarten vastgelegd. Die metingen waren noodzakelijk omdat de deelnemers precies moesten weten hoeveel land zij inbrachten en hoeveel nieuwe grond na de bedijking kon worden verdeeld. Kaarten werden zo instrumenten van zowel waterstaat als macht. Waar boeren en schippers vooral kreken, slikken en rietvelden zagen, tekenden landmeters kavels, grenzen en toekomstige dijktracés. Het latere ’s-Gravendeel bestond daardoor eerst als gemeten gebied voordat het als dorp zichtbaar werd.
Achter het project stonden grote financiële belangen
Nieuwe zeeklei was vruchtbaar en kon na bedijking als akkergrond worden verpacht. Daartegenover stond een kostbare eerste investering. Dijkgraaf, landmeters, opzichters, aannemers, grondwerkers en schuitvoerders moesten worden betaald. Ook materiaal, transport, onderhoud en herstel vergden geld. De deelnemers moesten daarom niet alleen overtuigd zijn dat de bedijking technisch uitvoerbaar was, maar ook dat toekomstige opbrengsten de investering konden dragen. Nieuw-Bonaventura werd zo een waterbouwkundig én financieel project.
In maart 1591 kreeg de onderneming een eigen bestuur
Een algemeen akkoord bepaalde dat de nieuwe bedijking zou worden bestuurd door een opperdijkgraaf, elf heemraden, een penningmeester en een contra-boekhouder of secretaris. Willem van Beveren, raad en rentmeester-generaal van Zuid-Holland, vertegenwoordigde de Grafelijkheid. Voor Bonaventura traden Abraham van Almonde, Jacob Cool, Cornelis de Vries, Hendrick van Nispen en Cornelis Ghijsbrechts van Schaerlaecken op. Den Broeck werd vertegenwoordigd door Cornelis van Mierop en Johan Boucquet, Oud-Strijen door Cornelis van Blijenburch Heijmanszoon en Bartolomeus Sijmonsen, en Puttershoek door Johan van Muijlwijck.
De bestuurders brachten ervaring uit verschillende polders samen
Jacob Cool was oud-burgemeester van Dordrecht en dijkgraaf van de Alblasserwaard. Hendrick van Nispen was baljuw en dijkgraaf van het Land van Altena. Cornelis Ghijsbrechts van Schaerlaecken bestuurde Moerkerkerland als dijkgraaf, Johan Boucquet de Riederwaard en Cornelis van Blijenburch Oud-Strijen. Damas Barthoutsz., ambachtsheer van Sandeling en dijkgraaf van Zwijndrecht, werd ontvanger en penningmeester. Cornelis van Beveren Jacobszoon werd contra-boekhouder. In Nieuw-Bonaventura kwam zo kennis uit meerdere Hollandse waterstaatkundige gebieden bijeen.
Alleen de opperdijkgraaf moest nog worden gevonden
Na overleg werd Dirck Hendricxen, rentmeester van Vosmeer, bereid gevonden naar Dordrecht te komen. Zijn voorwaarden laten zien hoe groot zijn verantwoordelijkheid was. Volgens de overgeleverde rekening ontving hij een jaarsalaris van 2.000 gulden, aangevuld met 24 stuivers per dag voor verblijf, paard- en wagenhuur en schuitvracht. Op 2 mei 1591 legde hij de eed af. Een dag later bezochten heemraden, penningmeester en contra-boekhouder samen met hem de gorzen en legden ook zij hun eed af. Vanaf dat moment had de onderneming een dagelijkse leiding.
Daarna begon de voorbereiding van het bouwterrein
Arbeiders inspecteerden en peilden kreken. Zij groeven grippen en kielspitten waardoor water sneller kon aflopen en het gors steviger werd. Dwars daarop kwamen aanvullende watergrippen. Slikdammen remden de stroming en hielpen grond vasthouden. Dit werk moest gebeuren voordat een zware winterdijk op de slappe ondergrond kon worden gelegd. De polder ontstond dus niet doordat men eenvoudig een wal opwierp. Eerst moest het natte gors technisch geschikt worden gemaakt om het gewicht van de toekomstige dijk te dragen.
Deel 6 — De dijk wordt gebouwd en ’s-Gravendeel ontstaat — 1592–ca. 1600
In 1592 begon de grote uitvoering
Dirck Hendricxen en de heemraden lieten een algemene ordonnantie en een bestek opstellen voor de nieuwe bedijking. Daarin werd vastgelegd hoe zeedijk, binnenbermsloten, spekdammen, achterkaden en haagkaden moesten worden uitgevoerd. Daarna werd het werk openbaar aanbesteed. Niet één aannemer kreeg de hele polder. De zeedijk werd verdeeld over uiteindelijk 154 afzonderlijke bestedingen. Daardoor konden verschillende ploegen tegelijk werken en kon het bestuur ingrijpen wanneer één aannemer uitviel zonder dat de gehele onderneming stilviel.
Nu verschenen de mensen die het landschap werkelijk veranderden
De bronnen noemen grondwerkers, vletters, rijswerkers en schuitvoerders. Zij groeven, droegen, voeren en verwerkten de enorme hoeveelheden materiaal die nodig waren. Schuiten brachten arbeiders en grondstoffen naar moeilijk bereikbare stukken gors. Rijswerkers versterkten slappe oevers en dijkvoeten. Grondwerkers verplaatsten klei en aarde. Achter de bekende namen van bestuurders stond daarmee een veel grotere groep arbeiders van wie de meeste namen verloren zijn gegaan. Zonder hun arbeid bleef Nieuw-Bonaventura een plan op papier.
Storm en regen bleven tijdens de bouw de grootste tegenstanders
Langdurige regen maakte het gors slap en hoogwater kon pas aangelegde kaden opnieuw beschadigen. Doorbraken in haag- en achterkaden moesten eerst worden gesloten voordat verder gewerkt kon worden. Sommige aannemers hadden hun dijkvak bovendien te goedkoop aangenomen of kregen onvoldoende mensen en materialen bijeen. Het bestuur controleerde daarom niet alleen achteraf. Tijdens het werk werden aannemers aangesproken, knechten soms rechtstreeks betaald en opdrachten opnieuw aanbesteed wanneer de eerste uitvoerder tekortschiet.
De vijfentwintigste besteding laat zien hoe zwaar dat kon worden
Jan Barentsz. van de Goeree had een dijkvak van twintig roeden aangenomen, maar kon het voor het overeengekomen bedrag niet voltooien. Zijn knechten werden uiteindelijk betaald en hijzelf werd uit het werk gezet. Op 10 augustus werd het vak voor de derde maal aanbesteed, nu aan Pieter Lambertsz. Ook hij klaagde dat het werk hem dagelijks ontzonk en dat voltooiing tegen de afgesproken prijs nauwelijks mogelijk was. Toch werkte zijn ploeg dag en nacht door. Op 3 september volgde de schouw en werd het dijkvak voltooid en goedgekeurd. De grote bedijking krijgt hier een menselijk gezicht: verlies, nachtwerk, toezicht en doorzetten.
Op 3 augustus 1593 werd het nieuwe land verdeeld
Die dag werden de nieuw bedijkte gronden gekaveld. De winterdijk maakte het gebied nog niet meteen tot een volledig ingericht polderlandschap. Wegen, sloten, waterlozing en bewoning moesten verder worden aangelegd. Toch was de beslissende grens overschreden. Waar kort tevoren eb en vloed nog vrij toegang hadden, lag nu grond die kon worden verdeeld, verpacht en bebouwd. Daarom geldt 1593 als het geboortejaar van ’s-Gravendeel. Die datum hangt rechtstreeks samen met het moment waarop het gewonnen land bestuurlijk en economisch kon worden ingericht.
Het dorp maakte deel uit van de nieuwe polder
Binnen Nieuw-Bonaventura werd ruimte ingericht voor een nederzetting die zich ontwikkelde volgens het patroon van een voorstraatdorp. Water, weg, kerkelijke kern en bebouwing werden met elkaar verbonden. Het dorp stond daardoor niet los van de polder, maar was er een rechtstreeks gevolg van. Boeren, pachters, ambachtslieden en bestuurders hadden een plaats nodig vanwaaruit het nieuwe land kon worden bewoond, bewerkt en beheerd. De naam ’s-Gravendeel verwees naar de rechten van de Grafelijkheid in het nieuwe gebied.
Na de bedijking begon onmiddellijk het blijvende onderhoud
De winterdijk hield buitenwater tegen, maar regenwater en kwel moesten nog steeds worden afgevoerd. Sluizen, sloten en kreken moesten openblijven en de dijk werd regelmatig geschouwd. In 1598 kreeg Nieuw-Bonaventura een eerste ordonnantie of keur waarin zulke verplichtingen werden vastgelegd. In 1600 werd de bedijking bovendien uitgebreid met Mookhoek en Trekdam. Het polderfront bleef dus bewegen. Iedere nieuwe dijk beschermde land, maar werd tegelijk onderdeel van een groter systeem dat nieuw toezicht, onderhoud en samenwerking vereiste.
’s-Gravendeel was het eindpunt van vier eeuwen verandering
De ontwikkeling begon lang vóór 1593. Boeren groeven ontwateringssloten door het veen. Grondbezitters verbonden lage kaden. Seger van Riede hield in 1275 toezicht binnen de Groote Waard, terwijl Willem van Strijen vanuit heerlijk gezag optrad. Aleit van Putten gaf Hughe Duykinc in 1357 toestemming nieuw korenland te bedijken. Zweder van Abcoude en later Jacob van Gaasbeek erfden een landschap waarin bezit, inkomsten en waterbeheer onafscheidelijk met elkaar waren verbonden. De Sint-Elisabethsvloeden braken die oude samenhang open, waarna telkens opnieuw werd gezocht naar stukken land die konden worden behouden of teruggewonnen.
Wat daarna ontstond, was geen herstel van de oude Groote Waard. Vanuit Strijen, Maasdam, Puttershoek, Korendijk en andere veilige kernen groeide een geheel nieuw polderlandschap. Gorzen slibden op, heren verleenden bedijkingsrechten, investeerders brachten geld bijeen, landmeters trokken grenzen en bestuurders organiseerden de uitvoering. In 1591 kreeg Nieuw-Bonaventura een eigen bestuur. Dirck Hendricxen nam de dagelijkse leiding op zich. Daarna trokken aannemers, grondwerkers, vletters, rijswerkers en schuitvoerders het gors in.
Het water werd daardoor niet teruggedrongen door één held, één graaf of één klooster. Het gebeurde door eeuwen van arbeid, samenwerking, verlies, herstel, bestuur en investering. In 1593 lag achter een nieuwe winterdijk land waar kort tevoren nog getijden over slikken en gorzen trokken.
Daar, uit klei, kapitaal, bestuur en mensenwerk, ontstond ’s-Gravendeel.