Van Lowestoft naar Chatham — hoe de Nederlandse vloot terugvocht tot in het hart van Engeland

Deel 1 – 1665: Uit de nederlaag wordt een nieuwe vloot gesmeed

13 juni 1665 – De dag waarop het opperbevel ontplofte

Op 13 juni 1665 werd bij Lowestoft duidelijk hoe meedogenloos de Tweede Engelse Oorlog zou worden. In het centrum van de Nederlandse vloot voer Jacob van Wassenaer Obdam met de Eendracht. Tegenover hem lag de Royal Charles, het vlaggenschip van James Stuart, hertog van York en broer van koning Karel II. De beide vlaggenschepen raakten in een hard gevecht verwikkeld, totdat de Eendracht plotseling ontplofte. Obdam kwam met vrijwel zijn gehele bemanning om. Niet alleen een schip verdween in rook, vuur en wrakhout; midden in de slag verloor de Nederlandse vloot haar opperbevelhebber. De orde brak. Lowestoft eindigde in een zware Nederlandse nederlaag.

De Royal Charles – Een naam om te onthouden

De Royal Charles was in 1665 het schip van de Engelse opperbevelhebber en daarmee een drijvend teken van de macht van Karel II. Juist daarom is haar aanwezigheid tegenover de Eendracht belangrijk. Voor de Nederlanders was Lowestoft een vernedering; voor Engeland een bewijs dat zijn grote oorlogsschepen de Republiek op zee konden verslaan. Maar de geschiedenis van de Royal Charles was daarmee niet afgelopen. Twee jaar later zou hetzelfde schip opnieuw tegenover Nederlandse zeelieden liggen, alleen niet meer op de open Noordzee. Dan lag het diep in de Engelse binnenwateren, bij Chatham, en zouden de rollen volledig zijn omgekeerd. Die naam moet daarom worden onthouden.

Acht weken later – Drieënnegentig oorlogsschepen

De reactie van de Republiek was verbijsterend snel. Brandt schrijft dat nauwelijks acht weken na de nederlaag alweer een Nederlandse oorlogsvloot in zee lag van 93 oorlogsschepen en fregatten. Zij voerde 4.337 stukken geschut en had 15.051 matrozen, 1.283 mariniers en 3.300 landsoldaten aan boord: in totaal 19.635 mensen. Dat was geen vloot die langzaam van een ramp herstelde, maar een staat die hout, geschut, touw, voedsel, zeilen en mensen in geweldige hoeveelheden bijeenbracht. De nederlaag van 13 juni had de Nederlandse zeemacht beschadigd, maar de Republiek bleek over geld, werven en organisatie te beschikken om haar verrassend snel opnieuw naar zee te brengen.

Nederland wacht op Michiel de Ruyter

Terwijl na Lowestoft een nieuwe vloot werd opgebouwd, keerde Michiel Adriaenszoon de Ruyter terug. Brandt beschrijft hoe groot de belangstelling was. Van vroeg in de morgen tot laat in de avond kwamen mensen uit steden, dorpen en van het platteland naar zijn schip om hem te zien. Burgers en boeren voeren naar hem toe. Sommige vrouwen vielen hem om de hals en kusten hem alsof een vader of broer uit levensgevaar was teruggekeerd. Brandt verbindt die ontvangst rechtstreeks met de verslagenheid na de ramp van de Nederlandse vloot. Met De Ruyters terugkeer begon die moedeloosheid weg te trekken. Zijn komst was meer dan de terugkeer van één admiraal.

Michiel de Ruyter neemt het over

Het nieuwe opperbevel kwam bij De Ruyter. Hij kreeg geen rustige vloot om te besturen. De mannen onder hem kwamen uit verschillende admiraliteiten, dienden onder kapiteins met een sterke eigen positie en moesten bij rook, harde wind en kanonvuur toch dezelfde bevelen uitvoeren. Aanvankelijk leek de verhouding met Cornelis Tromp zelfs goed. Brandt schrijft dat de gevolmachtigden een goede verstandhouding tussen de opperhoofden opmerkten, in het bijzonder tussen De Ruyter en Tromp. De Ruyter hees zijn vlag op de Delfland, een schip van 70 kanonnen en 450 man; Aert van Nes ging over op de Rotterdam. De nieuwe vloot had opnieuw een herkenbaar hoofd.

Over nacht en dag naar de vloot

Er was haast. Op 16 augustus kreeg De Ruyter een brief waarin hem werd opgedragen zonder tijdverlies naar de vloot te komen. De zaak was volgens de gevolmachtigden zo belangrijk dat geen uitstel kon worden verdragen. De Ruyter moest zijn reis letterlijk “over nacht en dagh” voortzetten. Bovendien mocht hij Aert van Nes, Meppel en andere officieren en bekwame mannen meenemen die hij voor de komende expeditie geschikt achtte. Het laat zien hoeveel ruimte de staat hem gaf om zijn bevelsorganisatie zelf op te bouwen. Er moest na Lowestoft niet eenvoudig opnieuw worden uitgevaren. Er moest in korte tijd een vloot ontstaan die anders werd geleid.

De vloot moet leren gehoorzamen

De Ruyter wilde van tientallen afzonderlijke oorlogsschepen één bestuurbare macht maken. Schepen kregen vaste plaatsen en moesten weten wie zij tijdens een gevecht moesten ondersteunen. Wanneer één schip zwaar werd aangevallen, mocht de rest niet eenvoudig zijn eigen strijd voortzetten. Tot de kapiteins in deze organisatie behoorden Pieter Salomonszoon, Simon Blok, Jan van Amstel, Jan de Haan en een man die twee jaar later beroemd zou worden: Jan van Brakel. Van Brakel was in 1665 nog kapitein van een brander. Hij verschijnt bij Chatham dus niet plotseling uit het niets. Hij leerde binnen De Ruyters vloot de gevaarlijkste vorm van zeeoorlog van nabij kennen.

Geld voor moed, de dood voor vluchten

Gehoorzaamheid werd niet alleen met seinen en oefeningen afgedwongen. De staat stelde premies beschikbaar voor mannen die een bedreigd oorlogsschip ontzetten, een verloren schip hernamen of buiten een algemeen vlootgevecht een Engels oorlogsschip veroverden. Zelfs wanneer een buitgemaakt schip daarna zonk, bleef de premie verschuldigd. Weduwen en kinderen van gesneuvelden konden dubbel delen in buit en beloningen. Aan de andere kant stond een dreiging zonder veel ruimte voor mededogen: wie een Nederlands oorlogsschip aan de Engelsen overgaf of zonder bevel zijn vlag verliet, kon “met der doodt, zonder eenige genaade of verschooning” worden gestraft. Moed, geld, familiebelang en doodstraf stonden naast elkaar.

Wat kostte een arm?

Zelfs verminking werd vooraf in geld uitgedrukt. Wie beide ogen verloor, kon 1.500 gulden ontvangen; één oog betekende 350 gulden. Beide armen waren 1.500 gulden waard, de rechterarm 450 en de linker 350. Voor beide handen stond 1.200 gulden, voor de rechterhand 350 en voor de linker 300. Beide benen betekenden 700 gulden en één been 350; beide voeten 450 gulden en één voet 200. Wie zo zwaar verminkt was dat hij zichzelf niet langer kon onderhouden, kon bovendien levenslang wekelijks een zilveren dukaton ontvangen. Nog vóór het volgende grote gevecht rekende de Republiek dus al met mannen die blind of verminkt terugkeerden.

De papieren moesten met lood naar de bodem

De orders gingen tot in bijzonderheden. Wanneer een Nederlands oorlogsschip dreigde te worden genomen, mochten de Engelsen de geheime instructies niet vinden. Kapiteins moesten hun geschreven en gedrukte bevelen daarom overboord werpen, verzwaard met lood of een ander gewicht, zodat de stukken werkelijk naar de bodem gingen. Ook voor het vernietigen van schepen lag materiaal gereed. Brandt noemt teerkransen, zwavel, harpuis en teertonnen. Een genomen vijandelijk schip dat niet behouden kon worden, moest zo nodig op verschillende plaatsen worden aangestoken. De vloot werd dus niet alleen voorbereid op winnen. De Ruyter dacht ook vooruit naar het ogenblik waarop een schip verloren dreigde te gaan.

Zesduizend gulden voor een brandend schip

Branders waren een afzonderlijke verschrikking. Een betrekkelijk klein vaartuig, gevuld met brandbaar materiaal, kon een veel groter oorlogsschip vernietigen wanneer het zich eenmaal aan de romp vastzette. Daarom kregen jachten, galjoten en sloepen opdracht deze vaartuigen af te weren. Daar stonden uitzonderlijke premies tegenover. Voor het onbruikbaar maken van de sloep waarmee de bemanning van een vijandelijke brander wilde ontsnappen, kon 3.000 gulden worden betaald; voor het vernietigen van de brander zelf 6.000 gulden. Achter de grote linies van oorlogsschepen bestond dus een tweede strijd: kleine vaartuigen en mannen die dicht genoeg bij een brandend schip moesten komen om het af te houden.

De Ruyter zoekt mannen die Engeland uit hun hoofd kennen

Kanonnen waren waardeloos wanneer een schip op een zandbank liep. Daarom moest aan boord worden gezocht naar schippers, stuurlieden en loodsen die de Engelse kust werkelijk kenden. Brandt noemt Duins, het Koningsdiep, Solebay, Harwich en de banken bij Yarmouth. Zulke mannen wisten waar een geul liep, waar het lood plotseling minder water aanwees en wat wind en tij met een zwaar oorlogsschip konden doen. Die kennis lijkt in 1665 een technisch detail, maar zij wordt later een hoofdzaak. De tocht naar Chatham zou niet op de open Noordzee worden beslist, maar in nauwe, bochtige en ondiepe Engelse wateren waar één verkeerde koers een oorlogsschip onbeweeglijk kon maken.

De oorlog wordt eerst geoefend

In september 1665 liet De Ruyter zijn oorlogsschepen op zee tegen elkaar oefenen. Zij moesten op seinen reageren, wenden, keren, hun plaats behouden en proberen elkaar de wind af te winnen. Brandt vergelijkt het met soldaten die op het land exerceren. Niet iedere kapitein bleek het goed te doen. Sommige manoeuvres mislukten en Johan de Witt wilde daarom dat de oefeningen doorgingen. Dat zegt veel over de verandering die gaande was. De Republiek had altijd uitstekende zeelieden gehad; De Ruyter wilde meer. Hij wilde dat tientallen kapiteins, die door rook en kanonvuur nauwelijks konden zien wat elders gebeurde, toch volgens dezelfde afgesproken orde bleven handelen.

De zee geeft geen bevelen terug

Vanaf 8 september 1665 sloeg zwaar weer de vloot uiteen. Schepen verdwenen uit elkaars gezicht, masten gingen verloren en branders zonken. Rond De Ruyter waren op een ogenblik nog ongeveer 48 schepen te tellen. Twee branders gingen verloren. Van De Schrik van Amsterdam leek niemand te zijn gered; van Abrahams Offerhande zouden slechts drie mannen zijn ontkomen. Ook Jan van Brakel duikt midden in deze ellende op. Zijn brander De Zwaan werd zonder masten gezien. Voordat deze mannen de Engelse vloot konden bevechten, moesten zij eenvoudig zien te overleven wat wind en zee met hun houten schepen en hun bemanningen deden.

Pompen tot de pompen het begeven

Brandt bewaart uit die storm het verhaal van het Oost-Indische schip Nieuwenhoven. Op 9 september moest de bemanning voortdurend pompen. Een dag later werd de toestand erger: de pompen raakten door de lading peper verstopt. Alle mannen gingen met brede bakken en scheepstobben aan het werk om het water uit het schip te scheppen, maar het water steeg sneller dan zij konden werken. Bij het binnenhalen van het grootzeil gingen twee sterke matrozen verloren. Uiteindelijk stond er vijf voet water in het schip en drie voet op de onderste overloop. De mannen zagen volgens Brandt niets anders meer voor zich dan het verlies van schip en leven.

Zeven voet water – de schipper springt overboord

De Nieuwenhoven zonk nog altijd niet, maar de toestand werd zo uitzichtloos dat schipper Pieter Kooker het niet langer vertrouwde. Brandt vertelt dat er uiteindelijk ongeveer zeven voet water in het ruim stond. Kooker sprong uit wanhoop of moedeloosheid in zee en probeerde zwemmend het oorlogsschip van kapitein Niedek te bereiken. Hij werd gered. Het schip zelf bleef eveneens bestaan. Later bleek hoe zwaar het geleden had: het roer was stuk, peper had pompen en afvoeren verstopt, zeilen en tuig waren versleten, de boot was verloren en levensmiddelen waren tijdens de storm overboord geslagen. De storm had een groot koopvaardijschip bijna van binnenuit verdronken.

De Ruyter overleeft anders

Brandt laat tegelijkertijd zien waarom sommige schepen beter door het noodweer kwamen. De Ruyter liet zijn schip met een kleine fok vóór de wind aflopen. Daardoor kreeg het schip de zware zee anders te verwerken en hoefde minder voortdurend te worden gepompt en gehoosd. Brandt meende zelfs dat andere schepen mogelijk behouden waren gebleven wanneer zij dezelfde handelwijze hadden gevolgd. Het klinkt als een klein technisch verschil, maar tijdens een storm kon zo'n beslissing het onderscheid betekenen tussen een schip dat bestuurbaar bleef en een schip waarin honderden mannen urenlang water moesten scheppen terwijl masten, zeilen en tuig om hen heen bezweken.

Negenendertig schepen – en toch op zoek naar Engeland

Toen De Ruyter na de storm nog ongeveer 39 oorlogsschepen en fregatten bijeen had, bereikte hem bericht dat in de omgeving een Engelse macht voer die mogelijk ongeveer zestig zeilen telde. Hij week niet uit. De Nederlandse schepen gingen juist op zoek naar de vijand en voeren gedurende de nacht in de richting waarin de Engelsen werden verwacht. De tegenstander werd uiteindelijk niet gevonden. Toch is het voorval belangrijker dan de ontbrekende slag. Het laat zien welk karakter De Ruyter zijn vloot probeerde te geven. Stormschade en numerieke minderheid waren geen reden om de zee zonder meer prijs te geven. Een gehavende vloot moest nog altijd bereid zijn de vijand tegemoet te varen.

Van Nes belooft te blijven

De storm had de vloot zo ver uiteengeslagen dat Aert van Nes op een gegeven moment vijftien oorlogsschepen, het Oost-Indische Wapen van Hoorn en tientallen koopvaarders bijeen had. Toen vier Engelse oorlogsschepen werden gezien en later berichten kwamen dat mogelijk een grotere Engelse macht naderde, verdeelde Van Nes zijn vijftien oorlogsschepen in drie eskaders. Hijzelf voerde het eerste, Cornelis de Boer het tweede en Albert de Boer het derde. Vervolgens spraken zij iets af dat veel zegt over de toestand waarin zij verkeerden: zij zouden elkaar trouw bijstaan, en waar de ene bleef, zou ook de andere blijven. Vluchten betekende immers dat de koopvaarders vrijwel zeker verloren waren.

Ziekte wordt een militair geheim

De zee was niet de enige vijand. In oktober nam de ziekte op de Hollandse schepen dagelijks toe. Brandt schrijft dat de gevolmachtigden probeerden dat verborgen te houden, omdat zij niet wilden dat het nieuws de Engelsen bereikte. De gezondheid van de bemanningen was daarmee militaire informatie geworden. Op een overzicht van ongeveer zeventig schepen stonden uiteindelijk harde cijfers: 140 mensen waren tijdens de tocht gestorven, 355 zieken waren al van boord gestuurd en nog 979 zieken bevonden zich in de vloot. Sommige schepen hadden tientallen zieken tegelijk. Een oorlogsvloot kon uiterlijk nog indrukwekkend lijken, terwijl achter de geschutspoorten honderden mannen niet meer volledig inzetbaar waren.

Bier, water en voedsel moeten van schip naar schip

Ook bevoorrading kon de vloot breken. Toen transportschepen met leeftocht achterbleven, ontstond het gevaar dat afzonderlijke oorlogsschepen door gebrek aan voedsel en drank noodgedwongen verschillende Nederlandse zeegaten zouden moeten binnenlopen. Daarom werd bevolen dat schepen hun voorraden onderling moesten verdelen, feitelijk als een lening van het ene schip aan het andere. Later vermeldt Brandt opnieuw hoe schepen met leeftocht, bier, water en andere behoeften werden voorzien. De oorlog draaide dus niet alleen om buskruit. Een vloot van duizenden mannen kon eenvoudig niet op zee blijven wanneer de biervaten leeg raakten, het drinkwater op was en bevoorradingsvaartuigen door storm of tegenwind achterbleven.

De Harderwyk – Honderd slagen voor de vlucht

De regels kregen een grimmige praktische uitwerking. De bemanning van de Harderwyk had kapitein Wildtschut ertoe bewogen de vlucht te nemen. De onderstuurman, hoogbootsman, konstabel en enkele matrozen en soldaten die daarvoor een schrift hadden ondertekend, kwamen voor de krijgsraad. Hun straf werd uitgevoerd: Brandt schrijft dat zij driemaal van de ra werden gelaten en ieder honderd slagen kregen. Andere betrokkenen kregen hun straf kwijtgescholden. Het was de andere kant van De Ruyters vlootdiscipline. Wie onder kanonvuur zijn plaats moest houden, wist dat achter hem niet alleen zijn kameraden en zijn eed aan de staat stonden, maar ook een krijgsrecht dat lichamelijke straf zonder terughoudendheid uitvoerde.

November 1665 – Zeven, vijf, drie en negen schoten

Toen de vloot op 2 november uiteenging, gebeurde zelfs het afscheid volgens een vast seinritueel. De Ruyter liet een witte vlag van de voorsteng waaien en drie kanonschoten lossen. Daarna wensten de admiraals Evertsen, Tromp en De Vries hem ieder met zeven schoten goede reis. De vier viceadmiraals vuurden ieder vijf schoten, de vier schouten-bij-nacht ieder drie. De Ruyter antwoordde gezamenlijk met negen schoten uit halve kartouwen. Daarna gingen de Maas-schepen naar Goeree en de Maas, de Zeeuwse schepen naar de Wielingen en De Ruyter met de overige schepen naar Texel en het Vlie. Op 3 november bracht hij drieëndertig schepen behouden door het Landsdiep.

Deel 2 – 1666: Vier dagen bloed, daarna breekt de vloot van binnen

Januari 1666 – Op de werven wordt al aan de volgende slag gewerkt

De Vierdaagse Zeeslag begon in werkelijkheid lang voordat het eerste kanon werd afgevuurd. Op 9 januari en opnieuw op 13 februari drongen de Staten-Generaal erop aan dat de uitrusting van de oorlogsschepen zo snel mogelijk moest worden voortgezet. Er moest volgens Brandt waar nodig “over nacht en dagh” worden gewerkt. Niet alleen De Ruyter kreeg die druk opgelegd; ook Evertsen en Tjerk Hiddes de Vries moesten in Zeeland en Friesland zorgen dat schepen, bemanningen, geschut, tuig en voorraden gereedkwamen. Achter de latere vlootbewegingen lagen maanden van timmeren, bevoorraden, bemannen en bewapenen. De Republiek maakte zich klaar voor een nieuwe krachtmeting.

Negentien compagnieën voor oorlog op zee én aan land

Tegelijkertijd werd een strijdmacht opgebouwd die later bij Chatham van grote betekenis zou zijn. Het Regiment de Marine telde negentien compagnieën en moest bij voorkeur bestaan uit geschikte mannen die al zeereizen hadden gemaakt. Zij moesten niet alleen als soldaat kunnen vechten, maar ook aan boord bruikbaar zijn en vanuit de vloot aan land kunnen worden ingezet. Zelfs hun bewapening werd daarop aangepast. Zij kregen vuurwapens met snaphaansloten in plaats van gewone lontmusketten, omdat brandende lonten op een schip onhandig en gevaarlijk waren. Op 18 december 1665 was Willem Joseph van Ghent tot kolonel benoemd. De latere landingsmacht van Chatham ontstond dus niet pas in juni 1667.

4 juni 1666 – De Ruyter schrijft de slagorde uit

Voor de volgende grote confrontatie liet De Ruyter niets aan toeval over wat vooraf geregeld kon worden. Op 4 juni bepaalde hij schriftelijk waar zijn vlagofficieren moesten varen. Bij een voor-de-windse koers moesten Cornelis Evertsen en Tjerk Hiddes de Vries rechts van hem blijven; Cornelis Tromp en Jan Corneliszoon Meppel kwamen links. Bij een andere koers veranderde de gehele opstelling: Evertsen en De Vries voorop, Michiel de Ruyter en Aert van Nes in het midden en Tromp en Meppel achteraan. De zee liet zich niet ordenen, maar de vloot moest dat wel zijn. De Ruyter wilde voorkomen dat tientallen kapiteins tijdens het gevecht ieder hun eigen oorlog begonnen.

Bidden, de kok weg en de ankertouwen door

Toen de Engelse vloot naderde, veranderde het dagelijkse scheepsleven in enkele ogenblikken in gevechtsvoorbereiding. Volgens Brandt werd eerst gebeden. Daarna moest de kok weg en werd alles voor de strijd gereedgemaakt. Toen vervolgens haastig onder zeil moest worden gegaan, was er geen tijd meer om alle ankers op normale wijze binnen te halen. De zee was zwaar en de vijand wachtte niet. De ankertouwen werden daarom doorgesneden. De schepen voeren de strijd tegemoet terwijl kostbare ankers achterbleven. Het is een klein detail, maar het laat precies zien wat een zeeslag betekende: bidden, eten staken, touwen kappen en vervolgens naar de vijand varen.

12 juni – Het sein om te enteren

Op 12 juni 1666 werd het gevecht zo fel dat De Ruyter het sein gaf om de vijand te enteren. Hij en Aert van Nes waren met hun schepen langs de Engelse vloot gegaan en bestookten haar met geschut. Omstreeks de middag kwam het bevel dat liet zien hoe dicht de strijd kon worden: niet alleen schieten, maar aan boord gaan. Het bevel werd echter ingehaald door een ander gevaar. Uit het midden van de Engelse vloot klonk uitzonderlijk zwaar kanonvuur. De Ruyter begreep dat daar Nederlandse schepen in de klem moesten zitten. Hij liet zijn eigen koers los en ging met zijn eskader op het geluid van het geschut af.

Tromp zit midden tussen de Engelsen

Daar vond De Ruyter Cornelis Tromp, die inmiddels op het schip van kapitein Jacob Corneliszoon Swart was overgegaan. Bij hem bevonden zich viceadmiraal Abraham van der Hulst en de kapiteins Pieter Salomonszoon, Jan de Haan en Jan van Amstel. Zij waren met grote stoutmoedigheid in de Engelse macht doorgedrongen, maar werden nu rondom door een veel sterkere vijand bezet. Brandt schrijft zonder omhaal dat het met hen slecht zou zijn afgelopen wanneer De Ruyter niet was gekomen. De opperbevelhebber viel met zijn eigen eskader op de Engelsen aan en ontzette Tromp. De twee mannen die enkele maanden later bitter tegenover elkaar stonden, waren hier nog letterlijk van elkaar afhankelijk.

Tromp verslijt schip na schip

Tromps gevecht was buitengewoon hard. Zijn schepen werden zo zwaar getroffen dat hij gedurende de Vierdaagse Zeeslag meer dan eens van schip moest wisselen. Op de Gouda waren uiteindelijk nog slechts ongeveer veertig mannen inzetbaar; rond 250 anderen waren gedood of gewond. Dat gegeven moet naast zijn latere ongehoorzaamheid worden gehouden. Tromp was niet de man die uit voorzichtigheid uit de strijd bleef. Zijn gevaar lag juist in het tegenovergestelde: wanneer hij eenmaal een vijand te pakken had, kon zijn eigen gevecht belangrijker worden dan de positie van de gehele vloot. In juni redde De Ruyter hem uit een omsingeling; in augustus zou precies die neiging tot een vernietigende ruzie leiden.

Ziek door slecht voedsel

Zelfs zonder Engelse kogels konden oorlogsschepen worden uitgeschakeld. Brandt noemt het schip Stadt en Lande van kapitein Joost Herman Klant. Van de 212 mannen waren er 95 ziek, volgens Brandt doordat slecht voedsel ziekte onder de bemanning had gebracht. Het schip kon geen behoorlijke dienst meer doen en moest worden weggestuurd. Op andere Nederlandse schepen was de gezondheid ondanks de grote zomerhitte beter. Zulke cijfers maken duidelijk wat een vloot werkelijk was: niet alleen masten en kanonnen, maar duizenden lichamen die gevoed moesten worden en gezond genoeg moesten blijven om touwen te trekken, zeilen te behandelen en zware stukken te laden.

Zieken met grote stank

Brandt maakt het beeld nog rauwer. Op de Stadt en Lande bevonden zich volgens hem veel zieken “met grooten stank”, terwijl ook andere schepen door ziekte werden getroffen. Zieke mannen moesten van boord en gezonde matrozen en soldaten werden aangevoerd om hun plaatsen in te nemen. Sommige schepen moesten zelfs naar Texel worden gestuurd. Daarmee verdwijnt het nette beeld van een oorlogsvloot. Beneden de dekken, achter de kanonnen en onder de hangmatten bestond een tweede strijd tegen koorts, besmetting, slecht voedsel en de stank van mannen die dicht opeengepakt in houten schepen leefden. Een schip kon tientallen kanonnen dragen en toch door ziekte vrijwel weerloos worden.

14 juni – Van Nes ontsnapt aan een brander

Op 14 juni 1666 kwam Aert van Nes gevaarlijk dicht bij de Engelse vloot. Zijn grote stengestag werd aan stukken geschoten en zijn marszeilen vielen op de mast. Hij probeerde zich vrij te werken, maar de Engelsen bleven dicht bij hem. Toen kwam George Monck met een Engelse brander zo gevaarlijk nabij dat Van Nes zijn koers moest veranderen om niet aangestoken te worden. Daardoor kwam hij aan de lijzijde van de Engelse vloot terecht. Dat leek een slechte positie, maar de wind hielp hem. De Engelsen konden hun onderste geschut niet goed gebruiken; Van Nes kon dat wel en liet zijn mannen volgens Brandt schieten zo snel als zij konden laden en lossen.

De vloot telt 117 zeilen

Tussen de gevechten door moest opnieuw worden geordend. Brandt geeft voor een van deze fasen een Nederlandse macht van 88 oorlogsschepen en fregatten, 19 branders en 10 adviesjachten, samen 117 zeilen, nog zonder het kleine vaartuig dat levensmiddelen en andere benodigdheden vervoerde. De Zeven Provinciën van De Ruyter staat in de lijst met 80 stukken geschut, 367 matrozen, 30 mariniers en 95 soldaten. De Eendracht van Aert van Nes voerde 71 stukken. Zulke aantallen verklaren waarom seinen, vaste plaatsen en bevoorrading zo belangrijk waren. De Ruyter bestuurde geen enkel schip, maar een drijvende gemeenschap van duizenden mensen die zich over kilometers zee kon uitstrekken.

De Royal Prince ligt op de Galloper

Een van de grootste Engelse oorlogsschepen, de Royal Prince van admiraal George Ayscue, liep tijdens de Vierdaagse Zeeslag vast op de Galloper-zandbank. Het schip voerde volgens de oude bron ongeveer 92 bronzen kanonnen en had rond 620 mannen aan boord. Ayscue kon het schip niet meer redden en gaf zich over. Hij overhandigde de Nederlanders de zilveren sleutels van zijn schip. Het was een buit waarvan iedere kapitein kon dromen, maar De Ruyter keek verder dan de prijs. Om het enorme schip weg te slepen zouden eigen oorlogsschepen nodig zijn die hij in het gevecht niet kon missen. De Royal Prince mocht de Nederlandse vloot niet tot last worden.

De Engelsen kruipen terug door de geschutspoorten

Eerst moesten Ayscue en zijn bemanning van boord worden gehaald. Ayscue ging met officieren, manschappen en zijn kapelaan naar het schip van Zweers. De overige Engelsen werden met galjoten naar Nederlandse schepen gebracht, maar dat verliep volgens Brandt met grote moeite. Mannen die al in de galjoten waren gezet, kropen door de geschutspoorten weer terug de Royal Prince in. Uiteindelijk moesten de Nederlanders de kanonnen naar binnen halen en de geschutspoorten sluiten om dat te verhinderen. Daarna gaf De Ruyter bevel het schip zonder uitstel in brand te steken. Toen het vuur het kruit bereikte, vloog het enorme oorlogsschip met zijn 92 metalen stukken de lucht in.

De doden lagen tussen de kanonnen

Op de dekken was de oorlog veel vuiler dan de grote vlootbewegingen doen vermoeden. Een kanonnier stak volgens de oude bron zijn hoofd door een geschutspoort en werd door vijandelijk vuur onthoofd. Een andere man werd door een kanonskogel in tweeën geslagen. Een zeeman zag zijn vader met verbrijzelde borst sterven en hielp daarna diens lichaam overboord zetten. De kanonnen moesten immers blijven werken en het dek moest vrij worden gehouden. Houten splinters, afgeschoten touwwerk, bloed, rook en gewonden lagen tussen mannen die opnieuw moesten laden. Zo werden de beslissingen van admiraals uitgevoerd: door bemanningen die naast verminkte kameraden hun volgende kanonschot moesten voorbereiden.

William Berkeley krijgt na zijn dood eer

Tegenover die wreedheid stond een merkwaardige zeventiende-eeuwse hoffelijkheid. De Engelse viceadmiraal William Berkeley sneuvelde. De Nederlanders lieten zijn lichaam balsemen en behandelden het met eer. De Staten schreven vervolgens aan koning Karel II en boden aan het stoffelijk overschot terug te geven. De Engelse koning bedankte hen; Berkeleys familie wilde hem bij zijn voorouders begraven. Voor het vaartuig dat zijn lichaam naar Engeland bracht, werd zelfs een vrijgeleide geregeld. Dezelfde staten die duizenden mannen, honderden kanonnen en branders tegen Engeland inzetten, konden tegelijk plechtige brieven uitwisselen over de waardige behandeling van een gesneuvelde vijandelijke admiraal. Oorlog en eer bestonden naast elkaar.

Duizenden Engelse gevangenen

Na de Vierdaagse Zeeslag werd zichtbaar hoeveel mensen achter de verloren schepen schuilgingen. Brandt spreekt van ongeveer 3.000 Engelse gevangenen: bemanningen van veroverde schepen, mannen uit gezonken vaartuigen en zeelieden die uit het water waren gehaald. Volgens de Nederlandse bevelhebbers waren 23 Engelse oorlogsschepen verloren gegaan; zes buitgemaakte schepen bereikten daadwerkelijk Nederlandse havens. De overwinning bestond dus niet alleen uit verbrande of gezonken schepen. In Nederlandse handen bevonden zich plotseling duizenden vijandelijke zeelieden die gevoed, bewaakt en afgevoerd moesten worden. De oorlog verplaatste zich daarmee van de Noordzee naar havens, gevangenverblijven en bestuurskamers waar over mannen, buit en uitwisseling moest worden beslist.

Klokken, kanonnen en vreugdevuren

De Republiek vierde de uitkomst openlijk. De Staten-Generaal schreven voor 30 juni een algemene dank- en bededag uit. In kerken moest God worden gedankt voor de overwinning en om verdere zegen worden gevraagd. Daarna mocht de vreugde ook buiten zichtbaar en hoorbaar worden: klokken luidden, vreugdevuren brandden en waar dat gebruikelijk was werd geschut gelost. Brandt schrijft dat mensen in grote aantallen naar de kerken kwamen en dat ook andere toegestane geloofsgemeenschappen hun bijeenkomsten hielden. De Vierdaagse Zeeslag was daarmee niet alleen iets van admiraals en matrozen. De overwinning werd door de staat vertaald naar kansels, kerkklokken, vuur en kanonschoten in steden en dorpen.

Chatham is in 1666 al in beeld

Na de Vierdaagse Zeeslag werd verder gedacht dan een volgende ontmoeting op de Noordzee. Er bestonden plannen om Engeland zelf te treffen. In het materiaal komen daarbij verschillende aantallen voor: onder meer tien fluitschepen met 2.700 zeesoldaten, terwijl elders voor een bredere fase ongeveer 6.000 soldaten worden genoemd. Ook Chatham kwam als mogelijk doel in beeld. De onderneming liep niet uit op de aanval die men voor ogen had. Franse samenwerking bleef achter bij de verwachtingen, slecht weer werkte tegen en De Ruyter was voorzichtig met onbekende ondiepten. Maar één zaak staat daarmee vast: de tocht van juni 1667 werd niet in een plotseling ogenblik van stoutmoedigheid bedacht.

De mariniers waren al voorbereid

Ook de mannen die later vanaf de schepen aan land zouden gaan, waren niet geïmproviseerd. Johan de Witt en Michiel de Ruyter hadden in 1665 al gewerkt aan een vast Regiment de Marine. Het doel was een korps soldaten dat op zee kon dienen en vanuit de vloot aan land kon worden ingezet. De kolonel ervan was Willem Joseph van Ghent. De betekenis daarvan zou later groot worden. Een aanval in een rivier als de Medway kon niet uitsluitend door grote oorlogsschepen worden uitgevoerd. Batterijen, forten en oevers moesten eveneens worden bedreigd of genomen. De vloot moest tegelijk oorlogsschip, transportmacht en landingsleger zijn. In 1666 werden de middelen daarvoor al opgebouwd.

30 juli – De Ruyter waarschuwt zijn eigen kapiteins

Voor de volgende confrontatie liet De Ruyter al zijn hoofdofficieren en kapiteins bij zich aan boord komen. Hij sprak hen volgens Brandt met grote ernst toe. Zij hadden een eed aan de Staat afgelegd en moesten elkaar als eerlijke dienaren van het vaderland trouw bijstaan. Wie zich anders gedroeg en uit kleinhartigheid week, moest weten wat hem wachtte: De Ruyter zei dat zulke mannen als trouwelozen en verraders van de Staat met de dood zouden worden gestraft. De kapiteins beloofden daarop dat zij hun plicht zouden doen. De waarschuwing laat zien dat De Ruyter niet alleen de Engelsen moest beheersen. Hij moest ook voorkomen dat zijn eigen enorme vloot onder druk uiteenviel.

4 augustus 1666 – Het Zeeuwse en Friese eskader breekt

Bij de volgende grote slag ging het mis. Op 4 augustus 1666 leden vooral de Zeeuwse en Friese delen van de Nederlandse vloot zwaar. Jan Evertsen, Tjerk Hiddes de Vries en Rudolf Coenders werden uitgeschakeld of dodelijk getroffen. Op het schip Groningen van de overleden viceadmiraal Coenders brak zelfs openlijke weerspannigheid uit. Een of twee matrozen hitsten anderen op; mannen kwamen tegen hun officieren in verzet en weigerden te werken. Iemand liet tegen de wil van de stuurman het giertouw van het schoverzeil vallen. Ook de kapitein deed volgens Brandt zijn plicht onvoldoende. Een oorlogsvloot kon door kanonvuur breken, maar eveneens doordat mannen niet meer gehoorzaamden.

De wind trekt de eskaders uit elkaar

Brandt geeft niet één eenvoudige schuldige voor het mislukken. Mannen die volgens hem verstand hadden van de zeeoorlog wezen op de grote stilte. Daardoor waren de Nederlandse eskaders te ver uit elkaar geraakt en vielen zij niet tegelijk aan. Ook het Amsterdamse en Noord-Hollandse eskader kwam te langzaam bij. De Ruyters nauwkeurig op papier gezette slagorde kon dus door bijna geen wind worden vernietigd. Terwijl het ene gedeelte vocht, kon een ander gedeelte eenvoudig niet snel genoeg komen. In die verwarring begon Cornelis Tromp aan zijn eigen gevecht tegen het Engelse blauwe eskader van Jeremiah Smith. De gevolgen daarvan zouden verder reiken dan de slag zelf.

Tromp jaagt Jeremiah Smith achterna

Tromp kreeg het Engelse blauwe eskader onder Jeremiah Smith tegenover zich en zette door toen de Engelsen weken. Vanuit Tromps gezichtspunt was dat logisch: hij meende een vijandelijke macht te hebben verslagen en wilde de overwinning afmaken. Voor De Ruyter zag de situatie er geheel anders uit. Tromps eskader raakte steeds verder verwijderd terwijl de Nederlandse hoofdmacht onder zware Engelse druk stond. De Ruyter liet met kanonschoten seinen dat Tromp moest terugkeren. Tromp kwam niet. Daarmee veranderde een verschil in tactische beoordeling in een persoonlijke breuk. De vraag was niet langer alleen waarom de slag slecht verliep, maar of Tromp zijn opperbevelhebber bewust in de steek had gelaten.

Vijf voet water en het kruit staat nat

Ook elders werd op de grens van zinken gevochten. Meppel lag urenlang tegenover een Engelse viceadmiraal. Zijn schip werd zo zwaar doorboord dat er vijf voet water binnenstond en de onderste voorraad kruit in het water terechtkwam. Zijn grote mast was op zeven plaatsen doorschoten. Ongeveer honderd mannen waren dood of gewond; kapitein Ysbrant Klemenszoon werd een been aan stukken geschoten en beide luitenants raakten zwaar gewond. Toch werd het schip weer voldoende dicht gekregen om te blijven drijven. Het is precies het soort gevecht dat achter woorden als “eskader” en “slaglinie” verdwijnt: mannen pompten terwijl boven hen de mast kapotgeschoten werd en beneden het kruit in het water stond.

De Ruyter beschuldigt Tromp

De Ruyter schreef daarna dat Tromp gemakkelijk naar hem toe had kunnen komen, maar dat niet had gedaan. Dat was een zware beschuldiging. Tromp was niet zomaar een kapitein, maar een luitenant-admiraal, zoon van Maarten Harpertszoon Tromp, met een eigen naam en aanhang binnen de vloot. Wanneer De Ruyter gelijk had, had Tromp zijn eigen overwinning belangrijker gevonden dan het lot van de hoofdmacht. Wanneer Tromp gelijk had, had De Ruyter de slag verkeerd beoordeeld. Beide verklaringen konden niet zonder gevolgen naast elkaar blijven bestaan. De vloot die tegenover Engeland een gesloten front moest vormen, begon daardoor juist na de slag in twee kampen uiteen te vallen.

Tromp schrijft terug

Op 13 augustus 1666 schreef Tromp zijn verdediging. Hij legde de schuld niet eenvoudig bij zichzelf. Volgens hem was de Nederlandse formatie al verkeerd geraakt: Jan Evertsen was te ver vooruit en De Ruyters verhouding tot zijn achterhoede deugde niet. Tromp stelde bovendien dat terugkeren tijdens zijn achtervolging gevaarlijk kon zijn. Nederlandse schepen hadden zijn omkeer kunnen aanzien voor vlucht; dat kon paniek veroorzaken en de Engelsen moed geven. Hij meende daarom volgens de regels van oorlog en zeemanschap te hebben gehandeld. De twist ging daarmee niet meer over één gemist sein. Twee admiraals gaven tegenover de staat verschillende verklaringen van dezelfde slag.

Tromp verschiet 10.300 pond buskruit

Tromps verdediging bevat een buitengewoon tastbaar cijfer. Tijdens zijn gevecht tegen de Engelse Resolution werden zijn kanonnen volgens het verslag met dubbele lading geladen. Het Engelse schip zou 64 bronzen en twee ijzeren kanonnen en ongeveer 340 mannen hebben gehad. Nadat het schip in brand was geschoten, zouden slechts ongeveer 45 mannen zijn gered. Tromp verklaarde bovendien dat zijn eigen schip tegen vijf uur 's middags ongeveer 10.300 pond buskruit had verschoten. Daarmee wordt zichtbaar wat enkele uren zeeoorlog betekenden: tonnen kruit verdwenen door de geschutspoorten, terwijl kanonnen opnieuw en opnieuw werden geladen totdat mensen, munitie of schip het niet langer volhielden.

De Ruyter wacht op een brander

Tijdens dezelfde moeilijke terugtocht kreeg De Ruyter opnieuw met een Engelse brander te maken. Hij raakte niet in paniek. Hij liet vier sloepen bemannen met in totaal 48 mannen, afkomstig van zijn eigen schip en de schepen van Van Meeuwen, Vollenhoven en Jan du Bois. Brandt noemt zelfs deelnemers: kwartiermeester Pieter Pieterszoon Lely, secretaris Willem Nieupoort, luitenant Philebert Wynrich, kwartiermeester Roelof Gerritszoon, luitenant Abraham van Zyl, schipper Govert Pieterszoon en scheepstimmerman Marten van der Valk. De Ruyter beval hen nog niet los te gaan voordat hij het juiste ogenblik aangaf. Eerst moest de brander dichtbij genoeg zijn.

Vier Franse edellieden stappen in de sloep

Op De Ruyters schip bevonden zich bovendien vier Franse heren die het verschrikkelijke gevecht hadden meegemaakt zonder zelf veel te kunnen doen. Toen de Engelse brander naderde, wees De Ruyter hun erop dat zich nu een gelegenheid voordeed hun dapperheid te tonen. De ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy en baron De Busca verklaarden zich bereid en stapten in een van de sloepen. Het is een merkwaardig detail: terwijl grote eskaders uit elkaar vielen, werden tientallen mannen in open roeiboten naar een naderend brandend schip gestuurd. Daarin zaten niet alleen Nederlandse matrozen en soldaten, maar ook Franse edellieden die midden in de Nederlandse vloot wilden bewijzen dat zij geen toeschouwers waren.

Minder dan één scheepslengte

De brander kwam uiteindelijk veel dichter bij De Zeven Provinciën dan de aanwezigheid van de sloepen alleen doet vermoeden. Het vaartuig leek volgens Brandt aanvankelijk op een gewoon oorlogsfregat en naderde tot minder dan één scheepslengte. De meeste Engelse bemanningsleden waren al in hun ontsnappingssloep gegaan. Slechts twee mannen bleven achter: één aan het roer en één om op het beslissende ogenblik het vuur bij het kruit te brengen. De Ruyter wachtte, liet toen zijn roer omleggen en de zeilen ombrassen. De brander gleed achter De Zeven Provinciën langs. Pas daarna liet hij erop vuren en gingen de vier Nederlandse sloepen vooruit.

De Engelsen denken dat De Ruyter gevangen kan worden

De Engelse versie van de achtervolging is opmerkelijk openhartig. Zij verklaarden dat zij De Ruyter gedurende de nacht achtervolgden en hem bij het aanbreken van de dag opnieuw aanvielen. De verwachting was groot dat hij kon worden gevangen genomen. Alleen de zeer zwakke wind werkte tegen de achtervolgers; zelfs hun lichte fregatten hadden moeite hem te volgen. De Nederlandse opperbevelhebber was dus niet eenvoudig ordelijk naar huis gevaren. Hij bevond zich in een toestand waarin de Engelsen meenden dat de beroemdste admiraal van de Republiek binnen hun bereik lag. De wind en uiteindelijk de ondiepere Nederlandse kustwateren hielpen hem ontsnappen.

“Wat sullen wij doen?”

In die toestand kwam Aert van Nes bij De Ruyter in de kajuit. Rond hen waren nog slechts zeven of acht schepen bijeen. De Ruyter vroeg: “Wat sullen wij doen?” Van Nes antwoordde dat zij al terugtrekkend moesten blijven vechten. Toen kwam de zin die geen latere schrijver hoefde te verzinnen: “Wat schande kompt ons over; ick wilde dat ick doot was.” Van Nes antwoordde dat hij hetzelfde wenste, maar dat een mens niet sterft wanneer hij het zelf wil. Hier staat geen onaantastbare zeeheld. Hier zit een verslagen opperbevelhebber in zijn kajuit, met de Engelse vloot achter zich en een groot deel van zijn eigen vloot uit het gezicht verdwenen.

De kogel slaat door hun zitplaats

Kort daarna stonden De Ruyter en Van Nes op. Nauwelijks hadden zij de plaats verlaten waar zij samen hadden gezeten of een Engelse kanonskogel sloeg door de kajuit en vernielde precies die plek. Een ogenblik eerder had De Ruyter gezegd dat hij liever dood was. Een ogenblik later had een Engelse kogel hem inderdaad kunnen doden. Zulke details mogen niet uit het verhaal verdwijnen, omdat zij meer zeggen dan een lijst met aantallen. De strijd werd niet door standbeelden gevoerd. Zij werd gevoerd door mannen die konden wanhopen, bang konden zijn, fouten konden maken en vervolgens weer het dek op moesten omdat honderden andere mannen naar hun bevelen keken.

De verborgen mannen komen door honger naar buiten

Na de slag liet De Ruyter zijn eigen bemanning tellen. Op zijn schip waren ongeveer dertig mannen gedood en achtendertig zwaar gewond. Maar er bleek iets anders. Tijdens het gevecht waren meer mannen vermist geweest dan er doden lagen. Later kwamen mannen tevoorschijn die zich gedurende het zwaarste vuur ergens in het schip hadden verstopt. Zij waren blijven zitten totdat de honger hen dwong naar buiten te komen. De Ruyter was woedend. Hij beloofde volgens Brandt een maand gage aan degene die zo'n man aanwees. Tussen alle verhalen over moed bewaart Brandt daarmee ook het tegenovergestelde: sommige zeelieden konden het kanonvuur eenvoudig niet verdragen en kropen weg.

“Chelme”

De ruzie met Tromp werd nu giftig. Tromp schreef dat De Ruyter hem een “Chelme”, een schelm, had genoemd en hem als oorzaak van het verlies van de slag had aangewezen. Voor Tromp was dat een aantasting van zijn eer die hij niet kon verdragen. Hij schreef dat hij, wanneer geen genoegdoening volgde, nauwelijks nog in staat was de staat te dienen. Nog ernstiger was zijn waarschuwing dat de twist door de gehele vloot kon trekken. Officieren en matrozen konden eenmaal aan land tegenover elkaar komen te staan en elkaar volgens zijn eigen formulering zelfs “massacreren”. Engeland was niet langer het enige gevaar. De Nederlandse vloot dreigde door haar eigen admiraalsstrijd verdeeld te raken.

23 augustus – Tromp verliest zijn commissie

De Staten grepen in. Op 23 augustus 1666 kwam Tromp naar Den Haag; vervolgens kreeg hij van Johan de Witt te horen dat zijn commissie werd teruggevraagd. Tromp leverde haar in en mocht Den Haag niet zonder toestemming verlaten. Men beschouwde zijn kennis van de zeeoorlog nog altijd als waardevol, maar een vloot met twee opperhoofden die elkaar openlijk wantrouwden was onhoudbaar. Zijn plaats ging naar Willem Joseph van Ghent, kolonel van de mariniers. Daarmee krijgt de ruzie rechtstreeks betekenis voor Chatham. De man die door de verwijdering van Tromp verder naar voren kwam, zou in 1667 juist een van de belangrijkste bevelhebbers worden van de macht die de Engelse rivier opvoer.

Laurens Heemskerck brengt de Engelsen naar het Vlie

Terwijl in Nederland over Tromp en De Ruyter werd geruzied, voer de Engelse vloot naar het Vlie. Brandt noemt daarbij de Nederlander Laurens Heemskerck, die hij zonder terughoudendheid een verrader noemt en die eerder wegens lafheid zou zijn verbannen. Onder zijn leiding kwamen Engelse vaartuigen het Nederlandse vaarwater binnen. Daar lagen grote aantallen koopvaarders. De aanval trof niet de oorlogsvloot, maar de handel waarop de rijkdom van de Republiek rustte. Dit was een ander soort oorlog dan de Vierdaagse Zeeslag. Geen twee slaglinies tegenover elkaar, maar gewapende vaartuigen tegenover koopvaarders die voor een dergelijke aanval nauwelijks waren ingericht.

Ze waren gewaarschuwd – en bleven liggen

Het wrange was dat de koopvaarders volgens Brandt waren gewaarschuwd. De gecommitteerden Geeraardt Hasselaar van Amsterdam en Jacob Baart van Alkmaar hadden hun opgedragen naar binnen of terug naar hun thuishavens te varen. Brandt schrijft hard dat zij “geen oogen” hadden om het gevaar te zien voordat het kwaad hen werkelijk overviel. Andere oude berichten geven het beeld verder kleur: ongeveer 170 koopvaarders lagen daar; Engelse branders en kleine vaartuigen gingen naar binnen, terwijl sommige eilandbewoners hun waardevolle bezittingen juist aan boord hadden gebracht omdat zij dachten dat deze daar veiliger waren. De waarschuwing was gegeven. De overtuiging dat de Engelsen werkelijk zouden komen ontbrak.

Tweeëntwintig sloepen tussen de koopvaarders

Onder Robert Holmes werd de aanval systematisch uitgevoerd. Vijf branders gingen mee; het fregat Pembroke behoorde tot de Engelse macht. Vervolgens voeren 22 sloepen tussen de Nederlandse koopvaarders door. Hun opdracht was niet om eerst rustig buit te verzamelen, maar de schepen zo snel mogelijk in brand te steken. Vooral rijkbeladen Moscoviëvaarders waren aantrekkelijke doelen. Sommige Nederlandse vaartuigen probeerden weg te komen door ankertouwen te kappen. Andere boden verzet. Drie kapers en een Guineavaarder beschikten over voldoende geschut en mannen om Engelse sloepen te beschieten en enkele koopvaarders te helpen ontsnappen. Maar tegen vuur dat op tientallen plaatsen tegelijk werd aangebracht, was nauwelijks een samenhangende verdediging mogelijk.

Adelaer verdwijnt met zijn mannen in het water

Tussen die brandende koopvaarders speelde zich ook een persoonlijk drama af. Kapitein Adelaer bood weerstand toen zijn schip werd aangestoken. Toen ontsnappen uiteindelijk noodzakelijk werd, verdronk hij volgens het oude verslag samen met ongeveer vijftien of zestien mannen. Kapitein Tol zag eveneens zijn schip in brand raken, maar wist met zijn sloep weg te komen. Daarna begonnen andere koopvaarders hun ankertouwen te kappen in een poging uit het brandende vaarwater te ontsnappen. Het getal van ongeveer 170 bedreigde koopvaarders krijgt daarmee gezichten: kapiteins en bemanningen moesten in minuten beslissen of zij bleven vechten, hun schip verlieten, in een sloep sprongen of tussen brandende schepen probeerden weg te varen.

Terschelling wordt in kolen gelegd

Daarna gingen de Engelsen op Terschelling aan land. Brandt schrijft dat zij hun woede koelden op weerloze mensen en het Westeinde “in koolen” legden. Andere oude berichten spreken over elf compagnieën die aan land gingen en ongeveer 350 verbrande huizen. Bewoners vluchtten met hun kinderen en konden nauwelijks iets meenemen; ook de kerk werd door het vuur getroffen. Holmes wilde verder gaan, maar wind en getij maakten langer blijven gevaarlijk. Hij trok zich terug. In Nederland bleef niet alleen materiële schade achter, maar vernedering. Engeland had laten zien dat het door Nederlandse zeegaten heen kon dringen, koopvaarders kon verbranden en een dorp op Nederlands grondgebied in vlammen kon zetten.

De reactie gaat tot in de kerken

De aanval op het Vlie en Terschelling werd niet alleen met scheepsbouw en militaire maatregelen beantwoord. Predikanten kregen opdracht tijdens de maandelijkse bededagen nadrukkelijk voor het vaderland te bidden. Ook thuis moesten mensen om goddelijke bijstand vragen. Andere provincies namen zulke maatregelen over. Dat zegt iets over de schaal waarop de oorlog werd beleefd. Voor bestuurders was Terschelling een militair en economisch verlies; voor eilandbewoners was het een brandende woonplaats; voor de bevolking elders werd de dreiging vanaf de kansel uitgelegd. De oorlog tegen Engeland drong daarmee vanuit de Noordzee door tot in kerken, huizen en gebeden van mensen die zelf nooit een oorlogsschip zouden zien.

Twaalf nieuwe grote oorlogsschepen

Tegelijkertijd reageerde de Republiek zoals zij na Lowestoft had gereageerd: bouwen. Terwijl de schade van de slag, de ruzie met Tromp en de aanval op Terschelling nog vers waren, werd aangedrongen op versnelling van de bouw van twaalf nieuwe grote oorlogsschepen. Zij moesten in het volgende voorjaar gereed zijn. Daarmee liep door 1665 en 1666 dezelfde lijn. Schepen gingen verloren, bemanningen sneuvelden en nederlagen brachten politieke ruzie, maar op de werven werd opnieuw hout aangevoerd en werden nieuwe rompen gebouwd. De vloot die in 1667 naar Engeland zou gaan, kwam niet uit het niets. Zij werd letterlijk uit de verliezen van de voorafgaande oorlogsjaren opgebouwd.

Frankrijk bewondert De Ruyter – maar helpt niet genoeg

Juist in deze maanden ontstond een vreemd contrast. De Franse minister Hugues de Lionne schreef in september 1666 met grote bewondering over De Ruyter. Lodewijk XIV wilde volgens de brief zijn portret hebben en De Lionne sprak over diens roem en dapperheid. De Franse koning verleende De Ruyter eerbewijzen. Maar bewondering was iets anders dan de krachtige vlootsteun waarop de Republiek had gehoopt. Terwijl Franse hovelingen De Ruyter prezen, werd in Zeeland dag en nacht gewerkt om de beschadigde Nederlandse vloot opnieuw gereed te krijgen. De oorlog bleef in hoofdzaak op Nederlandse schouders rusten. Dat verschil tussen diplomatieke lof en werkelijke militaire hulp zou belangrijk blijven.

Zeshonderd zieken – sommigen met pest

In september begon opnieuw een vijand door de schepen te lopen die geen Engelse vlag voerde. Brandt spreekt van ongeveer 600 zieken in de vloot, vooral mannen die door koortsen werden getroffen. Hij vermeldt zelfs dat sommigen met pest besmet waren. De 160 zwaksten werden van boord gestuurd; de anderen bleven in de vloot in de hoop dat zij zouden herstellen. De Ruyter kon dus op papier nog altijd over een grote strijdmacht beschikken terwijl honderden bemanningsleden ziek lagen. De vloot moest tegelijkertijd varen, uitkijken naar de Engelsen, repareren, bevoorraden en voorkomen dat ziekte zich verder verspreidde. Het houten oorlogsschip was wapen, woning, ziekenhuis en soms sterfplaats tegelijk.

September 1666 – De Ruyter wordt zelf uitgeschakeld

Na alle gevechten kwam een vijand die De Ruyter niet met kanonnen kon bestrijden. Eind september 1666 werd hij ernstig ziek en kreeg zware koorts. Op 2 oktober oordeelden zijn arts en chirurg dat verder verblijf op zee zijn toestand alleen maar erger zou maken. De krijgsraad besloot hem terug te sturen. Op 3 oktober werd hij aan boord van het snelle fregat of oorlogsjacht Schiedam van kapitein Jacob Pieterszoon Swart gebracht. Zijn zoon Engel de Ruyter ging met hem mee. Terwijl het schip vertrok, vuurden oorlogsschepen afscheidsschoten en wensten hem een goede reis. Zijn toestand was zo ernstig geweest dat aan zijn herstel werd getwijfeld.

Eind 1666 – Twee jaren oorlog hebben alles veranderd

De vloot werd uiteindelijk door ziekte, storm en uitputting teruggedrongen. Toch bleven Nederlandse oorlogsschepen op de Noordzee en bij de Engelse kust kruisen. Engeland had Lowestoft gewonnen, de Nederlandse handel getroffen en Terschelling verbrand. De Republiek had zich telkens opnieuw opgericht, vier dagen tegen de Engelse vloot gevochten en bewezen dat zelfs de grootste Engelse oorlogsschepen konden worden genomen en vernietigd. De prijs was verschrikkelijk: doden, verminkten, zieken, vernielde schepen, duizenden ponden buskruit, verbrande koopvaarders en een vloot die door de ruzie tussen De Ruyter en Tromp bijna van binnenuit brak.

Toch waren de werven niet stilgevallen. Nieuwe schepen werden gebouwd. Het Regiment de Marine bestond. Willem Joseph van Ghent was naar voren gekomen. Jan van Brakel had branders leren voeren. Nederlandse officieren hadden geleerd hoe nauwkeurig seinen en formaties moesten worden gevolgd. Loodsen kenden het belang van banken, geulen, getij en ondiepten. Zelfs plannen om Engeland zelf aan te vallen waren al besproken. De oorlog had de Nederlandse vloot in 1665 en 1666 bijna uit elkaar geslagen, maar haar tegelijkertijd harder, georganiseerder en gevaarlijker gemaakt. De weg naar Chatham lag nog niet open. Maar bijna alles wat daarvoor nodig was, stond inmiddels klaar.

Deel 3 – De poort naar Chatham wordt opengebroken

Voorjaar 1667 – Engeland denkt dat de oorlog doodbloedt

Engeland maakte in 1667 een gevaarlijke berekening. De vredesonderhandelingen waren begonnen en de regering maakte weinig haast met het volledig uitrusten van haar vloot. Een nieuwe oorlogsvloot kostte enorme bedragen; wanneer vrede nabij was, kon dat geld beter worden gebruikt voor andere schulden van de Kroon. In de Republiek werd precies de tegenovergestelde conclusie getrokken. Juist nu Engeland zijn grote vloot niet gereed had, lag er een kans om meester van de zee te worden. De oorlog kon misschien niet door nóg een gewone zeeslag worden beslist, maar wel door Engeland te treffen op een plaats waar het zich veilig waande.

5 mei 1667 – Frankrijk zou eigenlijk meevechten

Nederland stond niet alleen. Op 5 mei 1667 werd vastgelegd dat de Nederlandse en Franse vloot gezamenlijk tegen Engeland zouden optreden. Wanneer zich een gelegenheid voordeed om de Engelse vloot, een deel daarvan of een belangrijk Engels doel te treffen, moest die kans krachtig worden benut. In werkelijkheid kwam van die gezamenlijke slag niets terecht. De Franse vloot verscheen niet op tijd. De Nederlanders bleven tijdens hun tocht berichten sturen om de aansluiting tot stand te brengen, maar toen straks Sheerness en Chatham werden aangevallen, waren de Fransen er niet. De beroemdste onderneming van de oorlog zou daardoor feitelijk een Nederlandse aanval worden.

30 mei – Na de ochtendpreek wordt het besluit genomen

Op zondag 30 mei 1667, na de ochtendpreek, namen de Staten van Holland een scherp besluit. Engeland leek niet in staat de Nederlandse vloot op zee behoorlijk weerstand te bieden. Dan had het weinig zin maandenlang met een kostbare vloot rond te varen zonder iets beslissends te ondernemen. Engelse havens, steden, eilanden en versterkte plaatsen mochten worden aangevallen. Nederlandse schepen mochten daarvoor zelfs vijandelijke rivieren en baaien binnendringen. Gevaar alleen was geen reden om ervan af te zien. Men wilde liever een berekend risico nemen dan opnieuw een campagne beëindigen zonder Engeland werkelijk pijn te hebben gedaan. De toestemming voor iets uitzonderlijks lag er.

Cornelis de Witt gaat namens de staat mee

Naast Michiel de Ruyter kwam een tweede machtige figuur te staan: Cornelis de Witt, broer van raadpensionaris Johan de Witt, ruwaard van Putten en burgemeester van Dordrecht. Hij ging als gevolmachtigde van de Staten mee. Zeeland en Friesland konden eveneens vertegenwoordigers sturen, maar deden dat niet. Daardoor stond De Witt alleen voor het politieke gezag aan boord. Brandt vermeldt zelfs dat hij ongeveer dertig matrozen als persoonlijke wacht kreeg. De constructie was bijzonder. De Ruyter was opperbevelhebber van de vloot; De Witt vertegenwoordigde de regering die had besloten dat iets buitengewoons moest gebeuren. Beiden zouden straks diep vijandelijk gebied binnengaan.

1 juni – De Ruyter komt op Texel

Na afscheid te hebben genomen van zijn opdrachtgevers in Den Haag bereikte De Ruyter op 1 juni 1667 Texel. Cornelis de Witt kwam eveneens naar de vloot. Daar werd de opdracht concreter. De vloot moest langs de Hollandse kust naar de Maas, landtroepen opnemen en daarna richting de Theems, in de oude bronnen de rivier van Londen, varen. Vervolgens kon een aanval op Chatham of Rochester worden ondernomen. Het doel was niet alleen Engelse oorlogsschepen te verbranden. Ook het koninklijke magazijn te Chatham en andere marinevoorzieningen mochten worden vernietigd. Soldaten én matrozen konden daarvoor aan land worden gezet. Het plan was vanaf het begin groter dan een gewone zeeslag.

6 juni, vier uur 's morgens – Naar zee

Op 6 juni 1667 om vier uur 's morgens ging de vloot naar zee. De vroege Franse biografie noemt op dat moment ongeveer 70 oorlogsschepen en 16 branders. Buitengaats werd krijgsraad gehouden. Kapiteins en andere hoge officieren ontvingen seinen en orders; de meegenomen landtroepen werden over de schepen verdeeld. De Ruyter had vóór zijn vertrek opnieuw zijn eed als opperbevelhebber afgelegd. De mannen voeren dus niet zomaar naar de Engelse kust om daar te zien wat zich voordeed. Er lag een politieke opdracht om Engeland hard te treffen. Alleen de plaats, het precieze ogenblik en de wijze waarop waren nog niet volledig bepaald.

De Fransen worden nog steeds verwacht

Zelfs toen de Engelse kust naderde, hoopten De Ruyter en Cornelis de Witt nog op Franse versterking. Er werd een galjoot uitgezonden met berichten voor de Nederlandse ambassadeur Van Beuningen in Parijs en voor François de Vendôme, hertog van Beaufort, commandant van de Franse vloot. De bedoeling was de vereniging van beide vloten te bespoedigen. De Fransen kwamen niet. Dat betekende dat De Ruyter en De Witt zelf moesten beslissen hoeveel risico zij met hun eigen vloot wilden nemen. Achter hen lag de Noordzee. Voor hen lag een vijandelijke kust met ondiepten, forten en rivieren, en een Engelse vloot die weliswaar niet volledig was uitgerust, maar bepaald niet verdwenen was.

17 juni – De landingsmacht wordt gereedgemaakt

Op 17 juni lag de vloot bij het Koningsdiep. De kolonels Willem Joseph van Ghent en Thomas Dolman werden naar De Ruyters vlaggenschip geroepen. Zij moesten de land- en zeesoldaten zo over de oorlogsschepen en kleinere vaartuigen verdelen dat de mannen snel in boten konden afdalen voor een landing. Die avond kwam de krijgsraad bijeen. Daar werd de rivier van Rochester, of Chatham, nadrukkelijk besproken. De moeilijkheid was duidelijk: de Nederlanders kenden de ondiepten onvoldoende. Een groot oorlogsschip dat in de nauwe rivier vastliep, kon onder Engels vuur verloren gaan. Toch begon het idee vorm te krijgen om niet vóór Engeland te blijven, maar Engeland binnen te varen.

18 juni – De aanvalsmacht wordt uitgekozen

Om vier uur 's morgens kwam opnieuw een krijgsraad bijeen. Niet alleen zeeofficieren verschenen. Ook Thomas Dolman, de luitenant-kolonels Palm en Guicherie en de majoors Brederode en Limburgh moesten beoordelen of de onderneming uitvoerbaar was. Besloten werd niet op alle Zeeuwse en Friese schepen te wachten. De zeventien lichtste oorlogsschepen en fregatten werden uitgekozen, aangevuld met vijf adviesjachten, galjoten, boten en branders. Grote oorlogsschepen staken te diep. De mannen die de Medway zouden binnendringen, moesten juist snel, licht en manoeuvreerbaar zijn. Daarmee ontstond binnen De Ruyters grote vloot een afzonderlijke aanvalsmacht die verder Engeland in kon varen.

Van Ghent krijgt de voorhoede

Het bevel over die aanvalsmacht ging naar Willem Joseph van Ghent. Onder hem werd Johan de Liefde viceadmiraal en David Vlug schout-bij-nacht. Van Ghent koos de Agatha, in de vroege biografie beschreven als een van de beste zeilers van de gehele vloot. Cornelis de Witt ging bij hem aan boord. Ook zoveel mogelijk landtroepen werden op de lichte schepen geplaatst. Onder de kapiteins bevonden zich mannen die straks midden in het gevecht zouden staan: Jan van Brakel op de Vreede, Nikolaas Naalhout op de Harderwijk, Thomas Tobiaszoon, Jakob Binkes en anderen. De Ruyter bleef voorlopig met de zwaardere hoofdmacht achter.

19 juni – De eerste kans glipt weg

Om vier uur 's morgens vertrokken Van Ghent en Cornelis de Witt met de aanvalsmacht uit het Koningsdiep. Het eerste doel was nog niet Chatham. Men wilde Hope bereiken, waar Engelse oorlogs- en koopvaardijschepen lagen. De Nederlanders hoopten die dezelfde dag te verrassen. Toen viel de wind weg. De schepen kwamen slechts tot Holhaven, ongeveer anderhalve mijl van Hope. De vertraging was fataal voor dat plan. De Engelse schepen kregen tijd om te ontsnappen. Een mislukte verrassing duwde de Nederlanders daarmee verder naar een veel gevaarlijker doel. Waar geen buit meer lag bij Hope, lag nog altijd de toegang tot de Medway.

20 juni – Recht onder de kanonnen van Sheerness

Bij Sheerness stond de eerste echte deur naar de Medway. Van Ghent stuurde Jan van Brakel, Pieter Magnuszoon en Jan du Bois naar voren. Hun schepen moesten vlak onder het fort gaan liggen en het beschieten. Voor Sheerness lagen een koninklijk Engels fregat, andere schepen en branders. Toen de Nederlanders naderden, wachtten die het gevecht niet af. De bemanningen kapten hun ankertouwen en vluchtten de Rochester op. Van Brakel lag het dichtst onder het Engelse geschut en opende zwaar vuur. Tegelijk werden achter de oorlogsschepen de boten en sloepen gevuld. De aanval zou niet uitsluitend vanaf het water komen.

Achthonderd mannen gaan aan land

Ongeveer 800 land- en zeesoldaten gingen onder bevel van kolonel Thomas Dolman in boten en sloepen naar de Engelse oever. De oorlogsschepen bleven het fort beschieten. Ongeveer anderhalf uur hield Sheerness stand. Toen brak de verdediging. De Engelse bezetting vluchtte voordat Dolmans hoofdmacht de vesting bereikte. Kapitein Cornelis Vos, commandant van het adviesjacht De Jonge Prins, kwam met zijn boot en slechts acht matrozen aan land. Hij bereikte het verlaten fort, haalde de koninklijke Engelse vlag naar beneden en liet de vlag van de Staten hijsen. De toegang tot de Medway was gevallen voordat de grote Nederlandse landingsmacht haar werkelijk hoefde te bestormen.

Twee oude bronnen tellen verschillend

Wat de Nederlanders precies aan geschut in Sheerness vonden, vertellen de twee vroege bronnen niet hetzelfde. Brandt noemt vijftien ijzeren kanonnen, geschikt voor kogels van achttien pond. De Franse biografie van 1678 spreekt daarentegen over vijftig ijzeren stukken, voor kogels van twaalf en achttien pond. Dat verschil moet blijven staan. Beide bronnen zijn vroeg, maar hun aantallen lopen uiteen. Over de rest zijn ze het in grote lijnen eens: Sheerness bevatte aanzienlijke marinevoorraden. Er lagen masten, ra's en ander rondhout; Brandt noemt daarnaast buskruit, pek en teer. De Nederlanders waren niet alleen een fort binnengedrongen, maar ook een bevoorradingsplaats van de Engelse marine.

Alles wat bruikbaar is gaat mee

Er werd overwogen Sheerness bezet te houden. Op 21 juni onderzochten land- en zeeofficieren de mogelijkheid. Zij verwierpen haar. Zelfs wanneer de dijken werden doorgestoken, konden Engelse ruiters en infanteristen langs het strand naderen. De buitenwerken waren slecht en de harde grond maakte het moeilijk snel nieuwe versterkingen aan te leggen. Dus werd het fort leeggehaald. De kanonnen gingen naar de schepen. Zoveel mogelijk masten, ra's en stengen werden meegenomen. Wat niet mee kon, werd stukgehakt of verbrand. De Nederlanders wilden niet een klein Engels fort vasthouden terwijl achter hen een veel grotere prijs lag. Hun blik verschoof stroomopwaarts.

Een invasie die niet doorging

Er was zelfs gedacht aan een tocht verder het Engelse binnenland in. Met voldoende soldaten hadden de Nederlanders na de val van Sheerness mogelijk meer plaatsen op het eiland kunnen aanvallen. Maar een storm had een groot deel van de meegenomen landtroepen van de hoofdmacht afgesneden. Met ongeveer achthonderd beschikbare mannen vonden Van Ghent en De Witt een diepe landoperatie te gevaarlijk. Daarmee veranderde de aard van de onderneming. Niet een Nederlandse colonne die Engeland binnentrok, maar de vloot zou de beslissende slag leveren. De mannen keerden hun aandacht naar de rivier waar de Engelsen hun kostbaarste oorlogsschepen steeds verder achter versperringen probeerden te verbergen.

De Munnik en Vos varen het onbekende in

De kapiteins De Munnik en Vos kregen nu een opdracht waarvan de hele onderneming afhing. Met adviesjachten, gewapende boten en sloepen moesten zij de onbekende Medway opvaren, de rivierbodem peilen en met de volgende eb terugkeren. Zij kwamen ongeveer twee mijl stroomopwaarts. Het lood ging telkens naar beneden. Op verschillende plaatsen vonden zij acht, negen en tien vadem water. Dat was genoeg. De lichte Nederlandse oorlogsschepen konden verder. Maar de verkenners zagen ook wat hen wachtte: vijf of zes Engelse schepen dichtbij en nog ongeveer twaalf verderop. De rivier was bevaarbaar, maar Engeland was bezig haar voor hun ogen dicht te bouwen.

De Engelsen laten hun eigen schepen zinken

Terwijl De Munnik en Vos verkenden, lieten de Engelsen schepen dwars in de rivier zinken. Eerst twee, daarna nog een derde. Andere bronnen spreken elders in het verdedigingsstelsel over nog meer afgezonken schepen en branders. De bedoeling was eenvoudig: maak de vaargeul zo smal dat de Nederlanders niet verder kunnen. Voor de mannen in de kleine Nederlandse verkenningsvaartuigen moet het beeld duidelijk zijn geweest. Voor hen lagen oorlogsschepen; onder hen ondiepten; verderop kwamen versperringen, batterijen en een ketting. Toch luidde het bevel aan de vooruitgeschoven schepen dat vijandelijke vaartuigen moesten worden aangevallen, geruïneerd of verbrand, zelfs wanneer daarvoor grote risico's moesten worden genomen.

Geen plundertocht

Tegelijk werd een streng bevel uitgevaardigd. Kapiteins mochten geen matrozen zonder schriftelijke toestemming aan land sturen, behalve wanneer voedsel naar de reeds gelande troepen moest worden gebracht. Brandt vertelt waarom dat van belang was. De Nederlanders hadden na de Engelse aanval op Terschelling in 1666 alle reden om wraak te willen nemen. Nu lag Engels grondgebied open. Toch werd niet bevolen Sheppey systematisch te verbranden. Brandt stelt het voor als een bewuste keuze om de oorlog niet op de burgerbevolking af te wentelen. Toen Nederlandse matrozen later zonder toestemming gingen plunderen, werden zij zwaar gestraft: onder meer driemaal van de ra vallen en 150 laarsslagen.

Voor Chatham ligt geen eenvoudige ketting

De Engelse verdediging was veel uitgebreider dan het beroemde verhaal van één ketting doet vermoeden. Brandt noemt vier branders die dwars in de rivier waren afgezonken. Verderop, beneden Upnor Castle, lagen zes Engelse schepen. Nog eens twee grote schepen waren afgezonken om de doorgang te blokkeren. Daarna kwam de zware ijzeren ketting, over katrollen op drijvende vlotten geleid. Achter die ketting lagen nog vier Engelse schepen; erboven lagen twee fregatten. Aan beide oevers stond een batterij van acht kanonnen, terwijl musketiers de rivier onder vuur hielden. De Nederlanders moesten niet één hindernis breken. Zij moesten door een volledig verdedigingsstelsel heen.

Cornelis de Witt roept De Ruyter

Tot dit ogenblik bevond Michiel de Ruyter zich met de zwaardere hoofdmacht achter Van Ghents aanvalseskader. Toen kwam een brief van Cornelis de Witt. De Ruwaard had de admiraal persoonlijk bij Chatham nodig. De Ruyter haastte zich stroomopwaarts. Onderweg kwam hij bij viceadmiraal Enno Doedes, waar hij De Witts bericht onder ogen kreeg. Omstreeks het middaguur bereikte hij De Witt en Van Ghent. Zij hadden die ochtend ongeveer vier mijl rivier afgelegd. Voor hen lagen de grote Engelse oorlogsschepen. De Ruyter aarzelde niet. Hij verliet het grotere schip en stapte in een sloep om zich naar de voorste Nederlandse schepen te laten roeien.

De admiraal gaat naar het gevaar toe

De Ruyter liet zich niet naar achteren, maar juist naar de binnenste schepen roeien, het dichtst bij de Engelsen. Brandt geeft zijn reden: hij wilde daar persoonlijk helpen “op alles ordre te stellen.” Rond hem lagen gezonken schepen en branders. Voor hem hing de ketting. Vanaf beide oevers vuurden Engelse kanonnen en musketiers. Grote oorlogsschepen lagen verder stroomopwaarts. Hier eindigde de voorbereiding. De vloot had vanaf Texel honderden mijlen gevaren, soldaten geland, een fort genomen, een onbekende rivier gepeild en de Engelse blokkades bereikt. Nu moest iemand als eerste door het vuur. En juist die man hoorde op dat ogenblik eigenlijk helemaal geen commando te voeren.

Deel 4 – Door de ketting, tussen de brandende koningsschepen

Jan van Brakel zit onder arrest

Jan van Brakel begon de beslissende aanval niet als gevierde held. Hij stond onder straf wegens overtreding van de krijgsorde. Zijn commando was hem tijdelijk ontnomen. Zijn fregat Vreede was bovendien geen machtig schip en was slecht van manschappen voorzien. Toen de aanval bij de Engelse verdediging stokte, bood Van Brakel zichzelf aan. Laat hem vrij, en hij zou vanaf zijn positie achteraan de anderen voorbijvaren, naar het eerste Engelse oorlogsschip gaan en de weg voor de branders openen. Zijn aanbod werd aangenomen. Van Brakel kreeg zijn vrijheid en zijn schip terug. In enkele ogenblikken veranderde de gestrafte kapitein in de man die de gevaarlijkste plaats opeiste.

Van Brakel schiet niet terug

De Vreede voer naar voren. De Engelse schepen, batterijen en musketiers openden het vuur. Van Brakel antwoordde aanvankelijk niet. Terwijl kogels om hem heen kwamen, bleef hij dichterbij varen. De rivier was zo nauw dat de aanval zich nauwelijks breed kon ontplooien. Hij passeerde de anderen en ging volgens Brandt over de ketting. Pas toen het eerste Engelse oorlogsschip nog ongeveer één musketschot verwijderd was, liet Van Brakel zijn voorste en boegkanonnen los. Daarna bleef hij niet op afstand om opnieuw te laden. Hij stuurde zijn fregat rechtstreeks op de vijand af. Het volgende gevecht moest niet met kanonskogels, maar op het dek worden beslist.

De Jonathan – 44 kanonnen, 150 mannen

Van Brakel klampte zich aan het Engelse fregat vast en zijn mannen gingen aan boord. Het schip was de Jonathan, bewapend met 44 kanonnen en volgens Brandt bemand door 150 mannen. Het had eerder Sheerness verdedigd en was na de val van het fort verder de rivier op gevlucht. Nog scherper: de Jonathan was oorspronkelijk een Nederlands schip geweest dat door Engeland was buitgemaakt. Nu namen de Nederlanders het terug. Brandt zegt dat het vrijwel “in een oogenblik” gebeurde. Over Van Brakels verliezen verschillen de oude bronnen enigszins: Brandt noemt twee of drie doden en weinig gewonden; de Franse biografie noemt drie gewonden, van wie er later twee overleden.

Achter Van Brakel komt een brandend schip

Nu kwam Jan Danielszoon van den Rijn met de brander Pro Patria. Een brander was gemaakt om verloren te gaan. Het schip werd vol brandbaar materiaal naar de vijand gestuurd, vastgehaakt en aangestoken; de bemanning moest op het laatste ogenblik ontsnappen. Van den Rijn stuurde recht op de Engelse verdediging af. Volgens Brandts hoofdversie voer de Pro Patria tegen de ketting en brak deze. Vervolgens kwam zij bij de Matthias. Dat Engelse oorlogsschip droeg 52 kanonnen en was eveneens ooit door Engeland op de Nederlanders buitgemaakt. Van den Rijn liet zijn dreg vastgrijpen, bracht zijn brander langszij en stak de Matthias in brand.

Maar wie brak werkelijk de ketting?

Brandt kende al in 1687 een tweede verhaal. Volgens anderen brak de Pro Patria de ketting niet zelf. Schout-bij-nacht David Vlug zou enkele matrozen aan land hebben gestuurd. Daar maakten zij de ketting los door een van de zware ijzeren bevestigingsbouten te breken. Brandt voegt een prachtig detail toe: die bout zou twintig jaar later nog in Enkhuizen worden bewaard als herinnering aan de onderneming. We hoeven tussen beide verhalen niet te kiezen. Juist het bestaan van twee vroege versies laat zien hoe snel het breken van de ketting een beroemd onderdeel van Chatham werd: óf een brander brak erdoorheen, óf Nederlandse matrozen maakten haar onder vijandelijk vuur los.

De Catharina wordt in de grond geschoten

Achter de Pro Patria kwam Hendrik Hendrikszoon met de brander Catharina. Zijn doel was de Carolus Quintus, een zwaar oorlogsschip van 60 kanonnen, opnieuw een voormalig Nederlands schip dat nu onder Engelse vlag lag. Hendrikszoon stuurde zijn brander naar voren, maar ditmaal sloegen de Engelse kanonniers hard terug. De Catharina werd in de grond geschoten. Zij zonk voor de boeg en gedeeltelijk langs de zijde van haar doelwit. De doorbraak was dus geen eenvoudige zegetocht nadat Van Brakel vooruit was gegaan. Nederlandse schepen konden onder het geconcentreerde Engelse vuur nog steeds in enkele ogenblikken worden uitgeschakeld. Toch kwamen achter de Catharina alweer nieuwe branders aan.

Acht branders, acht commandanten

Brandt bewaart zelfs hun namen. Op de eerste dag werden de branders Pro Patria, Catharina en Schiedam ingezet. Op de tweede dag volgden Rotterdam, De Draak, 't Wapen van Londen, De Goude Appel en De Princes. Hun commandanten waren Jan Danielszoon van den Rijn, Hendrik Hendrikszoon, Gerrit Mak, Cornelis van der Hoeven, Willem Willemszoon, Symon Poppinga, Jan Baptist de Graaf en Meindert Jentjes. Acht schepen die in beginsel waren bestemd om te worden opgeofferd. Zij vormden het vuurwapen waarmee de Nederlanders de zware Engelse oorlogsschepen konden bereiken zonder zelf met ieder groot schip een langdurig artillerieduel te hoeven uitvechten.

De Matthias brandt – de Royal Charles raakt in verwarring

De vroege Franse biografie bewaart vervolgens een scène die Brandt minder scherp vertelt. Toen de Matthias door de Nederlandse brander in vuur stond, zagen de mannen op de nabijgelegen Royal Charles wat er gebeurde. Volgens deze bron ontstond zoveel verwarring dat bemanningsleden van het koninklijke schip in het water sprongen. De brand van één schip tastte daarmee onmiddellijk de verdediging van het volgende aan. De Nederlanders hoefden de Royal Charles niet in een lang kanongevecht kapot te schieten. Het schip kwam in hun handen. Juist daarom kon het worden bewaard. Wat verbrand werd, was vernietigd; wat met de Royal Charles gebeurde, zou heel Engeland én de Republiek kunnen zien.

Hetzelfde schip als bij Lowestoft

De Royal Charles droeg bovendien een geschiedenis die de vernedering nog scherper maakte. In 1665, bij Lowestoft, was zij het vlaggenschip van James Stuart, hertog van York, broer van koning Karel II. Daar had zij tegenover de Nederlandse Eendracht van Jacob van Wassenaer Obdam gelegen. Tijdens dat gevecht ontplofte de Eendracht en kwam Obdam met vrijwel zijn gehele bemanning om. Lowestoft was een zware Nederlandse nederlaag geworden. Nu, twee jaar later, lag datzelfde Engelse koningsschip diep in de Medway en waren het de Engelsen die het verlieten. De Nederlanders verbrandden haar niet. Zij namen haar mee. De nederlaag van 1665 kreeg zo een tastbaar antwoord.

De Engelse koningsschepen gaan in vlammen op

Brandt geeft de rekening. De Royal Charles en Jonathan werden genomen. Verbrand werden de Carolus Quintus, Matthias, Het Slot van Honingen, Royal James, Loyal London en Royal Oak. De Franse biografie noemt daarnaast nog een zeer groot oorlogsschip waarvan de schrijver de naam niet kende. Ook hadden de Engelsen zelf verscheidene schepen en branders afgezonken om de rivier te blokkeren. Over de Nederlandse verliezen verschillen de berichten. Brandt noemt minder dan vijftig man en vermeldt dat sommige berichten zelfs van minder dan dertig spreken. Hoe het exacte getal ook lag, de materiële schade aan de Engelse oorlogsvloot was buiten verhouding groot.

Londen denkt dat de Nederlanders komen

Toen het nieuws zich verspreidde, begon een tweede gevecht — niet op de Medway, maar in de hoofden van de Engelsen. Brandt schrijft dat heel Engeland “als voor 't hoofd geslagen” stond. Koning Karel II en zijn hof waren ontsteld. Londen vulde zich met verhalen die bij iedere mond groter werden. Duizenden Nederlandse soldaten zouden geland zijn. Er zouden Franse troepen bij hen zijn. Zij zouden alles roven en verbranden. Vervolgens kwam het gerucht dat werkelijk paniek veroorzaakte: de Nederlanders marcheerden naar Londen. Rijke burgers en kooplieden zochten naar manieren om weg te komen en probeerden kostbare goederen in veiligheid te brengen. De vloot hoefde Londen niet eens te bereiken.

De Ruyter moet ook weer uit Chatham zien te komen

Een rivier binnenvaren is één ding; er weer uitkomen met buitgemaakte schepen is iets anders. Op de terugtocht voer De Ruyter op de Harderwijk, onder bevel van zijn stiefzoon Jan Pauwelszoon van Gelder. Zelfs dit lichte schip liep vast en moest op hoogwater wachten. Langs de oevers verschenen Engelse ruiters en voetknechten. Brandt vermeldt berichten dat de hertog van York en generaal George Monck ongeveer 12.000 man bijeen hadden gebracht. De Nederlanders hadden hun slag gewonnen, maar bevonden zich nog steeds diep in vijandelijk gebied. De rivier die hen naar Chatham had gedragen, was nu de enige weg terug.

De Ruyter en De Witt samen in een sloep

Bij de plaatsen waar de Engelsen hun eerste versperringen hadden aangelegd, stapten Michiel de Ruyter en Cornelis de Witt samen in een sloep. Daarmee voeren zij terug naar de grote Nederlandse vloot. Pas 's avonds bereikte De Ruyter bij Quinenburg zijn eigen schip. Dat kleine beeld verdient een plaats tussen alle grote oorlogsschepen: de admiraal van de Nederlandse vloot en de vertegenwoordiger van de Staten samen in een open sloep op de vijandelijke rivier, nadat achter hen Engelse koningsschepen brandden. De onderneming was niet vanuit een veilige kajuit geleid. De beide mannen die het hoogste militaire en politieke gezag vertegenwoordigden, waren zelf de Medway opgegaan.

De Royal Charles loopt vast

Toen leek de overwinning nog bijna een deel van haar glans te verliezen. Op 29 en 30 juni liepen bij de Middelgronden verschillende schepen vast. Daaronder bevond zich juist de buit waarop iedereen zou letten: de Royal Charles. Ook schepen van viceadmiraal De Liefde en de kapiteins De Wildt en Paauw raakten aan de grond. De eb liep. Willem Joseph van Ghent moest met zijn eskader buiten de ondiepte voor anker gaan en wachten. De Nederlanders hadden het Engelse vlaggenschip door forten, blokkades en vuur heen buitgemaakt, maar nu lag het onbeweeglijk in vijandelijk water. De zee en het getij konden nog ongedaan maken wat de Engelsen niet hadden kunnen voorkomen.

Nu vreest De Ruyter Engelse branders

Daar kwam een nieuw bericht bij: in Londen werden grote aantallen branders gereedgemaakt. De Ruyter begreep onmiddellijk het gevaar. In nauw vaarwater konden branders veel gemakkelijker tegen een stilstaande of vastgelopen vloot worden gestuurd dan op open zee. Het wapen waarmee de Nederlanders zojuist Engelse oorlogsschepen hadden vernietigd, kon nu tegen henzelf worden gebruikt. Bij een ongunstige westenwind kon de Nederlandse vloot in een val veranderen. De Ruyter drong daarom aan op terugtrekken naar ruimer water zodra dat mogelijk was. De overwinning maakte hem niet roekeloos. Chatham was gewonnen; nu moest worden voorkomen dat één Engelse tegenaanval de Nederlandse triomf in een brandende ramp veranderde.

De Royal Charles komt los

De vastgelopen schepen kwamen weer vrij. De Royal Charles kon worden weggevoerd. Zij en de Jonathan werden uiteindelijk onder begeleiding naar de Republiek gestuurd. Jan van Brakel kreeg een rol bij het veilig thuisbrengen van de buit; Van Ghent begeleidde de schepen een deel van de weg. Ook gingen een Engelse kapitein, Fortescue, en ongeveer zestig à zeventig Engelse gevangenen naar Nederland. Daarmee werd de Royal Charles iets anders dan een schip dat in een gevechtsrapport als “genomen” stond. Zij voer werkelijk de Noordzee over. Een koninklijk Engels oorlogsschip, uit een Engelse marinebasis gehaald, zou straks in een Nederlandse haven liggen.

Van Brakel krijgt zijn beloning

Voor Jan van Brakel was de ommekeer compleet. Hij was de beslissende aanval begonnen als kapitein onder straf. Hij eindigde als een van de gevierde mannen van de onderneming. Volgens de vroege Franse biografie kregen Van Brakel en zijn bemanning het door hen veroverde schip toegewezen en kwam er een beloning van 12.000 livres. Van Brakel persoonlijk ontving bovendien een gouden ketting met een medaille ter waarde van 1.200 gulden. De Admiraliteit van Rotterdam kreeg de aanbeveling hem bij een volgende gelegenheid voor bevordering in aanmerking te laten komen. De man die zijn vrijheid had terugverdiend door als eerste vooruit te varen, kwam uit Chatham met goud en eer.

Eerst wordt God bedankt

Na de terugkeer uit Chatham werd op bevel van Cornelis de Witt en Michiel de Ruyter een algemene dankdag voor de vloot gehouden. Op de schepen werden preken en gebeden aan de overwinning gewijd. De voorspoed van de onderneming — wind, getij, weer en moed — werd in de zeventiende-eeuwse beleving niet alleen aan goed zeemanschap toegeschreven. De overwinning werd ook als goddelijke gunst beschouwd. Nog diezelfde avond trok volgens Brandt een zware dwarrelstorm uit het zuidzuidwesten over de vloot. Zij duurde niet lang. Het contrast was duidelijk: wanneer zulk weer tijdens de tocht door de Medway was gekomen, hadden sloepen, branders en lichte oorlogsschepen in grote moeilijkheden kunnen raken.

Deel 5 – De overwinning was niet genoeg

De Royal Charles gaat naar Holland

De aanval op Chatham was voorbij, maar Michiel de Ruyter dacht niet aan naar huis gaan. De buit moest eerst worden veiliggesteld. De Royal Charles en de Jonathan werden naar de Republiek gestuurd, onder begeleiding van Jan van Brakel. Willem Joseph van Ghent begeleidde hen een deel van de tocht. Ook de Engelse kapitein Fortescue en ongeveer zestig à zeventig gevangenen gingen mee. De Ruyter bleef op de Engelse rivier achter met ongeveer 38 oorlogsschepen en fregatten, vier branders en verschillende kleinere vaartuigen. De grootste prijs verdween naar Holland; de mannen die hem hadden veroverd bleven voor Engeland liggen. Hun campagne was nog niet voorbij.

In Hellevoetsluis ligt het bewijs

Toen de Royal Charles Hellevoetsluis bereikte, werd het schip zelf een bezienswaardigheid. Volgens Brandt kwamen duizenden mensen kijken naar het voormalige Engelse vlaggenschip. De oorlog hoefde hun niet meer door pamfletten te worden uitgelegd. Daar lag het bewijs voor hun ogen. Twee jaar eerder, bij Lowestoft in 1665, had de Royal Charles tegenover de Nederlandse Eendracht gelegen toen het schip van Jacob van Wassenaer Obdam ontplofte. Nu lag juist de Royal Charles in een Nederlandse haven. De vernedering van Lowestoft was niet vergeten. Chatham had haar een antwoord gegeven dat van dichtbij bekeken kon worden: een Engels koningsschip, weggehaald uit zijn eigen marinebasis.

Den Haag wil méér

In Den Haag werd Chatham niet beschouwd als het einde van de campagne. De berichten uit Engeland spraken over ontsteltenis en angst. Ook uit de vredesonderhandelingen in Breda kwam het bericht dat de Engelse onderhandelaars toegeeflijker werden. Juist daarom wilden de Staten de druk niet laten verslappen. De Ruyter en zijn officieren moesten Engeland in “schrik en alarm” houden. De Engelse schepen bij Harwich moesten zo mogelijk worden verbrand. Daarna moest de Nederlandse vloot opnieuw de rivier van Londen opvaren, liefst tot Gravesend of nog verder. Chatham had Engeland gewond. De Staten wilden voorkomen dat het land tijd kreeg om van die slag te herstellen.

5 juli 1667 – De witte vlag gaat omhoog

Op 5 juli bereikte het nieuwe bevel De Ruyter. Op zijn vlaggenschip werd de witte vlag gehesen: het sein waarmee de hoge officieren naar de admiraal werden geroepen. De krijgsraad kwam bijeen. De beslissing was hard. De volgende dag zou de vloot opnieuw de rivier van Londen opvaren. De mannen die zojuist uit Chatham waren teruggekeerd, kregen dus geen rust. Voor hen lagen dezelfde Engelse kust, dezelfde zandbanken, dezelfde rivieren en opnieuw het gevaar van branders. De overwinning had hun taak niet beëindigd. Zij had Den Haag juist geleerd hoeveel Engeland nog kon worden aangedaan zolang de Engelse vloot niet volledig hersteld was.

Harwich wordt het volgende doel

De aandacht verschoof naar Harwich. De Engelsen waren inmiddels gewaarschuwd. Zij hadden vier schepen in de rivier laten zinken om Nederlandse oorlogsschepen de toegang te beletten. De Nederlandse aanval moest daarom grotendeels vanaf het land komen. Daarvoor werd een opvallend nauwkeurig samengestelde strijdmacht aangewezen: 486 musketiers, 192 piekeniers, 396 soldaten met snaphaangeweren en 400 matrozen. Samen 1.474 mannen. Het was geen kleine plundertocht. Zij moesten een verdedigde Engelse haven aanvallen. De vloot die bij Chatham met vuur en schepen had gevochten, stuurde nu haar mannen met geweren, pieken en stormladders het Engelse land op.

De stormladders vallen uit hun handen

De Nederlanders rukten naar het fort op. Voor hen werden de stormladders gedragen. Toen begon het Engelse geschut te spreken. Vooral een galjoot in de haven vuurde zwaar op de aanvallers en er werd met schroot geschoten. Het effect was onmiddellijk. Onder de voorste mannen ontstond verwarring. Vooral de matrozen hielden het niet. Zij wierpen hun stormladders neer en zochten dekking achter een hoogte. De officieren gingen verder, bekeken de verdedigingswerken en zagen wat Chatham hier niet kon worden herhaald: zonder voldoende ondersteuning van oorlogsschepen vanaf het water was het fort nauwelijks te nemen. De aanval moest worden opgegeven. Niet iedere Engelse vesting zou vallen.

Suffolk komt achter hen aan

De Engelsen lieten de terugtrekkende Nederlanders niet ongemoeid. Ruiters en infanteristen onder de graaf van Suffolk kwamen achter hen aan. De Nederlandse achterhoede stond onder bevel van de graaf van Horne. Daar werd lange tijd hard gevochten. Terwijl de hoofdmacht naar boten, sloepen en galjoten terugging, moest Horne voorkomen dat de aftocht in een vlucht veranderde. Hij hield stand tot na zonsondergang. Daarna konden ook zijn mannen zich terugtrekken. Volgens Brandt verloren de Nederlanders zeven doden en 35 gewonden. Harwich was mislukt. Maar de Engelse poging om de Nederlandse landingsmacht tijdens haar terugtocht te breken was eveneens mislukt.

Geloof geen vrede

Op 14 juli kwamen berichten dat de onderhandelingen in Breda ver gevorderd waren. Een dag later volgde vanuit de Republiek een merkwaardig bevel: de vloot mocht geen enkel bericht geloven dat de vrede gesloten was, ongeacht van wie dat bericht afkomstig was. Alleen een officieel Nederlands bevel telde. Intussen werden nieuwe branders en nieuwe voorraden naar de vloot gestuurd. Er werd zelfs overwogen een eskader uit te zenden tegen ongeveer veertig Engelse Smyrna- en Straatvaarders, die door enkele oorlogsschepen werden begeleid. Diplomaten konden over vrede spreken; voor de mannen op zee bestond voorlopig slechts de oorlog. Zolang Den Haag zweeg, bleven de kanonnen geladen.

De vloot wordt gesplitst

Op 15 juli werd de Nederlandse vloot verdeeld. Luitenant-admiraal Aert Jansse van Nes kreeg de taak de rivier van Londen afgesloten te houden. De Ruyter kon met een ander deel van de vloot langs de Engelse kust opereren. Daarmee ontstonden feitelijk twee campagnes. Van Nes hield de druk op Londen vast; De Ruyter zocht verder naar Engelse oorlogsschepen, havens en koopvaarders. De Engelsen moesten hun verdediging daardoor over een lange kust verdelen. Chatham was geen enkele snelle overval meer. De Nederlandse vloot bleef weken na de aanval aanwezig en kon telkens opnieuw verschijnen op een plaats waar de Engelsen haar liever niet zagen.

Sheerness wordt alweer opgebouwd

Intussen waren de Engelsen bezig de schade te herstellen. Bij Sheerness, waar enkele weken eerder de Nederlandse vlag boven het veroverde fort had gewapperd, waren arbeiders alweer bezig nieuwe verdedigingswerken aan te leggen. Van Nes kreeg op 28 juli bevel opnieuw de Theems op te varen. Wanneer hij de gelegenheid kreeg, moest hij niet alleen Engelse oorlogsschepen en branders aanvallen, maar ook zijn kanonnen gebruiken tegen de mannen die Sheerness herbouwden. Het zegt iets over het tempo van deze oorlog. Terwijl in Breda over vrede werd gesproken, bouwden de Engelsen hun vernielde fort weer op en voeren Nederlandse oorlogsschepen terug om te proberen dat werk opnieuw kapot te schieten.

De Ruyter probeert de Engelsen naar buiten te lokken

De Ruyter wist dat een grote Engelse vloot zich bij Harwich verzamelde. Hij wilde haar bevechten, maar niet vlak onder de Engelse kust. Daar lagen zandbanken en ondiepten. Een Nederlands schip dat zijn mast verloor of reddeloos werd geschoten, kon daar stranden en vervolgens worden genomen of verbrand. De Ruyter deed daarom iets dat op een terugtocht kon lijken: hij trok verder van de kust weg. Daarmee gaf hij de Engelsen ruimte om uit Harwich te komen. Op open zee wilde hij omkeren en slag leveren. De afstand tot de kust was geen vlucht. Zij was het terrein waarop De Ruyter zijn gevecht wilde voeren.

1 augustus – Negentig Engelse zeilen

Op 1 augustus kwamen de Engelsen inderdaad naar buiten. De Nederlanders telden ongeveer negentig zeilen. Na Chatham leek alsnog de grote zeeslag te komen. De Ruyter bleef echter letten op wind, kust en zandbanken. Wanneer de wind hem tijdens het gevecht terug naar Engeland zou drukken, konden beschadigde Nederlandse schepen verloren gaan. Eerst moest voldoende zeeruimte worden gewonnen. De twee vloten bewogen daardoor onder omstandigheden waarin één verandering van de wind belangrijker kon worden dan tientallen kanonnen. De Ruyter had Engeland wekenlang opgezocht. Nu de Engelse vloot eindelijk verscheen, moest hij voorkomen dat juist de Engelse kust zijn eigen vloot gevangen zou nemen.

Donder boven de vloot

Op 2 augustus begon het harder te waaien. Tegen de avond waren de Nederlanders opgelucht dat zij van de lijwal en de gevaarlijke Engelse banken waren geraakt. Om ongeveer tien uur 's avonds veranderde het weer opnieuw. De wind draaide. Zware donder rolde over zee, bliksem verlichtte de schepen en dikke regen joeg over de dekken. De volgende ochtend volgde opnieuw een hevig onweer. De grote slag waarop De Ruyter had gewacht kwam niet. Tussen twee oorlogsvloten mengde zich een derde macht waarover geen admiraal bevel voerde. Wind en water bepaalden waar gevochten kon worden en wanneer een vloot moest denken aan overleven in plaats van aanvallen.

Van Nes vaart opnieuw naar Londen

Terwijl De Ruyter op zee manoeuvreerde, ging Van Nes opnieuw de Theems op. Op 2 augustus bereikte hij het gebied boven het Rak van de Hoop. Daar lag de Engelse viceadmiraal Edward Spragge met vijf fregatten, zeventien branders en veel kleiner vaartuig. De Nederlandse voorhoede stond onder Meppel. Kapitein Nikolaas Naalhout kreeg acht Nederlandse branders mee. Hij moest vooruit en rechtstreeks op de Engelse macht afgaan. Meppel volgde met vijf oorlogsschepen; Van Nes kwam daarachter met de rest. Weken na Chatham begon op dezelfde rivier opnieuw een gevecht waarin vuur het voornaamste wapen zou worden.

Branders tegen branders

Toen Naalhout naderde, wachtten de Engelsen aanvankelijk. Daarna kapten enkele voorste Engelse branders hun ankertouwen en weken terug naar de fregatten. Spragge verzamelde zijn vuurvaartuigen dicht rond zijn oorlogsschepen. Daardoor konden de Nederlandse branders moeilijk bij de fregatten komen. Het werd een gevecht van branders tegen branders. Toen viel de wind weg. De Nederlandse vuurvaartuigen verloren vrijwel hun beweging. Engelse kleine schepen konden naar hen toe roeien en vuur dichtbij brengen. Sommige Nederlandse bemanningen verlieten hun branders en staken ze aan. Brandt noteerde zelfs dat enkele commandanten volgens berichten hun schepen onnodig vroeg uit lafheid in brand hadden gezet. Niet iedere man op de Theems was een held van Chatham.

Zeventig mannen springen in het water

De volgende ochtend verscheen een nieuwe Engelse macht: vijf fregatten, veertien branders en twee galjoten. Van Nes wist bovendien dat bij Chatham nog zes branders gereedlagen. Hij besloot te blijven. Twee Engelse branders kwamen rechtstreeks op het schip van Nikolaas Naalhout af. Toen brak daar de angst. Zeventig mannen sprongen overboord. Naalhout bleef op zijn schip. Terwijl de vuurvaartuigen naderden, liet hij haastig het anker lichten. Met lange afweerwerktuigen probeerden de achtergebleven mannen de branders van de scheepswand te houden. Eén aanraking kon voldoende zijn om vuur in tuigage en zeilen te brengen. De mannen in het water moesten zichzelf zien te redden.

Naalhout blijft staan

Naalhout kreeg zijn schip vrij. De twee Engelse branders die hem hadden moeten vernietigen, gingen uiteindelijk in hun eigen vuur verloren. Brandt schrijft dat zijn ontsnapping vriend en vijand verbaasde. Elders was het nauwelijks rustiger. De Zeeuwse schout-bij-nacht Jan Matthijszoon kreeg eveneens een brander voor zijn boeg en verloor een deel van zijn tuigage, maar wist het vuurvaartuig af te weren. Andere brandende Engelse schepen dreven tussen de Nederlandse oorlogsschepen door. Van Nes zag branders voor én achter zich. Eén werd door Nederlands kanonvuur tot zinken gebracht. De overige Engelse vuurvaartuigen trokken zich uiteindelijk richting Harwich terug.

De Engelsen volgen – totdat de Nederlanders omkeren

Na het gevecht weken de Nederlanders terug. De Engelsen volgden hen verschillende malen. Maar telkens wanneer de Nederlandse schepen omkeerden, bleven liggen of hun achtervolgers tegemoet voeren, trokken de Engelsen zich opnieuw terug. Op 6 en 7 augustus nam Van Nes zijn oude positie weer in. De toegang tot Londen werd opnieuw afgesloten. Langs de Engelse kust werden vijftien of zestien Engelse zeilen richting Harwich gezien. Bij Chatham hield zelfs een fregat de wacht tegen branders. Engeland verwachtte dus nog altijd dat Nederlandse vuurvaartuigen opnieuw de rivier konden binnendringen. Chatham was inmiddels weken geleden, maar de angst die daar was ontstaan leefde voort.

Deel 6 – Vrede op papier, oorlog op zee

De Ruyter zoekt verder langs de Engelse kust

De Ruyter voer ondertussen verder langs Zuid-Engeland. Portsmouth, Plymouth en Dartmouth kwamen in beeld. Maar Chatham had hem niet roekeloos gemaakt. Waar de verdediging te sterk was, viel hij niet aan. Bij Plymouth wezen berichten op zware batterijen; bij Dartmouth lag opnieuw een ijzeren ketting over een nauwe toegang, beschermd door kastelen en geschut. De Ruyter bekeek zijn kansen en liet doelen liggen wanneer het risico niet opwoog tegen de mogelijke buit. Dat onderscheidt deze laatste weken van de aanval op Chatham. Daar was een uitzonderlijke opening gevonden en uitgebuit. Langs de zuidkust waren de Engelsen wakker, gewaarschuwd en voorbereid.

De vrede bestaat al – maar niemand aan boord weet het zeker

Op 31 juli 1667 was in Breda de vrede tussen Engeland en de Republiek getekend. Toch bleven Van Nes en Spragge elkaar op 2 augustus met branders bestrijden. De Ruyter manoeuvreerde nog tegen Engelse oorlogsschepen. Nederlandse kapers namen nog Engelse prijzen. Op zee kon niemand handelen naar een document dat hem nog niet officieel had bereikt. Bovendien hadden de Staten vooraf uitdrukkelijk bevolen geruchten over vrede niet te vertrouwen. Daardoor ontstond een merkwaardige tussenwereld. Diplomaten hadden de oorlog beëindigd. De mannen die hem daadwerkelijk uitvochten hadden daarvan nog geen bevel ontvangen. Voor hen bleef ieder Engels oorlogsschip vijandelijk totdat Den Haag iets anders zei.

Een grote witte vlag verschijnt uit Plymouth

Toen De Ruyter bij Plymouth lag, kwam een Engels vaartuig met een witte vlag naar de Nederlandse vloot. Engelse vertegenwoordigers gingen aan boord. De ontvangst leek nauwelijks op een ontmoeting tussen vijanden. Er kwamen gekonfijte vruchten en wijn op tafel. Men dronk op de Verenigde Nederlanden, op koning Karel II en op andere hoge personen. De Engelsen vertelden zelfs wat er elders op zee was gebeurd. Van Nes had op de Theems gevochten, branders waren verloren gegaan en Engelse oorlogsschepen waren richting Gravesend geweken. Terwijl Nederlandse en Engelse schepen elkaar nog bestookten, zaten hun vertegenwoordigers bij De Ruyter in de kajuit.

Twee uur wijn drinken met de vijand

De Engelse bezoekers bleven ongeveer twee uur. Daarna gingen zij terug naar hun boot. De Nederlanders namen afscheid met kanonschoten. Vanuit Plymouth antwoordde het Engelse fort met eigen saluutschoten. Het leek vrede. Maar zodra de bezoekers verdwenen waren, overlegden De Ruyter en de Nederlandse gedeputeerden opnieuw. Hun conclusie was onverbiddelijk: zij zouden het Engelse bericht niet geloven totdat officiële Nederlandse orders arriveerden. De vloot zou haar operaties voortzetten. Zo kon op één dag op de gezondheid van Karel II worden gedronken en vervolgens worden besloten dat zijn oorlogsschepen nog steeds mochten worden aangevallen. De zeventiende-eeuwse oorlog eindigde niet met een gerucht.

De volgende avond komt de Engelsman terug

De volgende avond verscheen opnieuw een Engelse kits tussen de Nederlandse schepen. Aan de mast wapperde een grote witte vlag. Een Engelse edelman die de vorige dag al bij De Ruyter was geweest, liet zich naar het Nederlandse vlaggenschip brengen. Deze keer kwam hij niet met militair nieuws. Hij bracht eten. Brandt noteerde de lading zo nauwkeurig dat de scène drieënhalve eeuw later nog bijna zichtbaar is. Na weken van branders, kanonnen, bloed en doden kwam vanuit een Engelse haven een boot naar de Nederlandse admiraal met vlees, dieren, vis, fruit en groenten. Het was vrede voordat iemand haar officieel durfde te noemen.

Een ree, acht schapen, paling en zalm

De geschenken bestonden uit een ree, een kwart rundvlees, acht schapen, een kalf, zes eenden, acht hoenders, twaalf kuikens, twee manden fruit, een halve ton aal, een verse zalm, wortelen en knollen. De Ruyter nam het voedsel aan. Cornelis de Witt liet de kapitein van de Engelse kits twintig dukaten geven. Daarna ging de Engelse edelman niet onmiddellijk terug. Hij bleef aan boord en gebruikte het avondmaal met De Witt en De Ruyter. Pas daarna keerde hij naar Plymouth terug. Enkele weken na Chatham aten vertegenwoordigers van beide vijanden samen aan één tafel. De kanonnen waren nog niet officieel tot zwijgen gebracht.

De zee houdt hen bijna stil

Na het vertrek van de Engelsman wilde de Nederlandse vloot verder. Maar opnieuw besliste niet De Ruyter, maar de wind. Er stond zo weinig dat de schepen nauwelijks vooruitkwamen. Lege bevoorradingsschepen werden naar huis gestuurd. Andere vaartuigen moesten naar Van Nes. Ondertussen keerden Nederlandse kapers terug met vier rijkbeladen Engelse prijzen. Ook dit hoorde bij die vreemde laatste oorlogsdagen. Aan boord van De Ruyter hadden Engelsen en Nederlanders samen gegeten, terwijl elders nog Engelse koopvaarders werden buitgemaakt. Vrede en oorlog bestonden enkele dagen naast elkaar omdat berichten, bevelen en schepen zich allemaal met verschillende snelheid door Europa en over zee bewogen.

13 augustus – Nu komt het bericht uit Holland

Pas op 13 augustus ontving De Ruyter officieel bericht dat de Vrede van Breda op 31 juli was getekend. Zelfs dat betekende niet dat op alle wereldzeeën onmiddellijk ieder kanon moest zwijgen. Eerst moesten de ratificaties worden uitgewisseld en daarna golden verschillende termijnen voor verschillende zeegebieden. De vloot bleef daarom voorlopig actief volgens de ontvangen instructies. Voor moderne ogen lijkt het vreemd: bijna twee weken nadat diplomaten hun namen onder de vrede hadden gezet, konden Nederlandse en Engelse zeelieden elkaar nog als vijanden ontmoeten. Maar een wereldwijde zeeoorlog kon niet met één pennenstreek op hetzelfde ogenblik overal worden stilgezet.

De oorlog eindigt op verschillende dagen

Na de uitwisseling van de ratificaties op 24 augustus kwamen de werkelijke einddata. In het Kanaal en de Noordzee moesten de vijandelijkheden na 5 september ophouden. Tot Kaap Sint-Vincent gold 5 oktober. Verder, tot aan de evenaar, liep de termijn tot 2 november. Aan de andere zijde van de evenaar kon de oorlog juridisch zelfs tot 24 april 1668 doorgaan. Een Nederlandse en een Engelse kapitein aan de andere kant van de wereld konden dus maanden nadat Breda vrede had gesloten nog wettig vijanden zijn. De oorlog stierf niet op één dag. Hij doofde langzaam uit naarmate het nieuws de oceanen overstak.

En dan verschijnen eindelijk de Fransen

Op 14 augustus verscheen een Frans fregat van 42 kanonnen, onder bevel van kapitein d'Estival. De volgende dag kwam de Franse kapitein aan boord. Zijn officieren betreurden dat zij niet eerder bevel hadden gekregen zich met de Nederlanders te verenigen. Daarmee sloot zich een cirkel. Vóór Chatham hadden De Ruyter en De Witt nog geprobeerd de Franse vloot onder de hertog van Beaufort naar zich toe te krijgen. Zij hadden gewacht en berichten gestuurd. Frankrijk kwam niet. Sheerness was zonder de Fransen gevallen. Chatham was zonder hen aangevallen. De Royal Charles was zonder hen meegenomen. Nu de oorlog praktisch voorbij was, verscheen eindelijk een Frans oorlogsschip.

Meer dan twee maanden voor Londen

Brandt trok uiteindelijk de rekening op. De Nederlanders hadden Engelse koningsschepen genomen of verbrand, de kust in voortdurende onrust gehouden en de rivier van Londen meer dan twee maanden bezet en afgesloten. Pas op 1 september vertrok Van Nes en werd de rivier werkelijk weer vrij. Daarmee krijgt Chatham zijn juiste omvang. De beroemdste gevechten duurden slechts enkele dagen, maar de campagne eromheen duurde de hele zomer. Engeland moest niet alleen verdragen dat Nederlandse schepen zijn belangrijkste marinebasis waren binnengedrongen. Weken daarna lagen Nederlandse oorlogsschepen nog steeds voor de toegangsweg naar zijn hoofdstad. De aanval was voorbij; de druk bleef.

De Ruyter komt thuis

Toen De Ruyter uiteindelijk terugkeerde, was de oorlog voorbij. Hij ging naar Den Haag en verscheen op de zeventiende persoonlijk voor de Staten-Generaal. Daar bracht hij verslag uit van de campagne. De voorzitter, Gokkinga, sprak hem namens de vergadering toe. Zijn beleid, waakzaamheid en moed werden officieel geprezen. De Ruyter kreeg een afschrift van die dankbetuiging mee. Brandt gaf zijn terugkeer een bijna klassiek beeld: de admiraal kwam thuis met een dubbele heldenkroon — de laurier van de overwinning en de olijftak van de vrede. De man die maandenlang op een bewegend houten dek had geleefd, stond nu tussen de bestuurders die hem naar Engeland hadden gestuurd.

De overwinning gaat van het schip naar de kerk

De dank voor Chatham was al op de vloot begonnen. Daar waren predikaties gehouden en gebeden uitgesproken. In de zeventiende-eeuwse Republiek hoorde zo'n overwinning niet alleen op het dek, in de admiraliteitskamer of in een herberg thuis. Zij kreeg ook een godsdienstige betekenis. Dezelfde samenleving die in 1666 na de Vierdaagse Zeeslag klokken had laten luiden, vreugdevuren ontstoken en dankdiensten gehouden, zag ook de overwinning van 1667 als reden voor publieke dankbaarheid. De zeelieden hadden de ketting gebroken en de schepen verbrand, maar in de taal van hun tijd was de voorspoed van wind, water en onderneming niet uitsluitend mensenwerk.

Aan boord wordt de overwinning werkelijkheid

Voor de mannen op de schepen moet de overwinning een andere vorm hebben gehad. Zij hadden dagenlang nauwelijks geweten of zij levend uit de Medway zouden terugkomen. Nu waren Sheerness, de ketting, de Jonathan, de branders en de brandende Engelse koningsschepen werkelijkheid geworden waarover aan boord kon worden verteld. Mannen die elkaar tijdens de aanval in rook en vuur waren kwijtgeraakt, zagen wie nog leefde. Gewonden werden verzorgd. De namen van gesneuvelden bleven achter. Er werd gebeden, gegeten en gedronken. Kanonschoten konden zowel sein, groet als feestelijk saluut zijn. De vloot had Engeland niet alleen bevochten. Zij had iets gedaan waarvan zelfs de eigen bemanningen de omvang nog moesten bevatten.

Aan de wal begint een ander feest

In de Republiek werd de overwinning groter zodra de berichten de havens, steden en bestuurskamers bereikten. De buitgemaakte Royal Charles maakte het verhaal zichtbaar. Mensen hoefden geen zeeman te geloven die vertelde dat Nederlandse schepen tot Chatham waren doorgedrongen. Zij konden naar Hellevoetsluis gaan en het bewijs zelf bekijken. Brandt spreekt over duizenden bezoekers. Rond zulke overwinningen ontstond een wereld van gesprekken, gedrukte berichten, lof en herinnering. Namen als De Ruyter, De Witt, Van Ghent en Van Brakel raakten aan de onderneming verbonden. De tocht werd daarmee niet alleen een militaire gebeurtenis. Zij begon al tijdens het leven van de deelnemers in een nationaal verhaal te veranderen.

Chatham wordt in goud vastgelegd

De Staten van Holland hadden al op 2 juli besloten De Ruyter een uitzonderlijk geschenk te geven. Het werd een kostbare gouden beker. Rondom werden in gekleurd email de verovering van Sheerness en de brandende en buitgemaakte koninklijke oorlogsschepen bij Chatham afgebeeld. De voet droeg bloem- en loofwerk. Boven op het deksel stond de rode leeuw van Holland. Binnen in het deksel werd vastgelegd waarvoor De Ruyter hem ontving: het beroemde wapenfeit van 21, 22 en 23 juni 1667. Wat enkele weken eerder rook, vuur, angst, geschreeuw en kanongebulder was geweest, werd nu in goud bewaard.

Ook De Witt en Van Ghent worden geëerd

De Ruyter stond niet alleen in die officiële herinnering. Ook Cornelis de Witt en Willem Joseph van Ghent kregen kostbare gouden gedenkstukken. Voor De Witt werd zelfs overwogen hem de heerlijkheid Spijkenisse te schenken, al ging dat voorstel uiteindelijk niet door. Jan van Brakel had zijn gouden ketting en medaille gekregen. De staat legde daarmee een hiërarchie van eer vast rond dezelfde onderneming: de admiraal die de vloot leidde, de politieke vertegenwoordiger die meeging, de bevelhebber van de voorhoede en de kapitein die vanuit een strafpositie naar voren was gevaren. De overwinning werd niet alleen gevierd. Zij werd letterlijk omgezet in goud, medailles en tastbare herinneringen.

Van gevecht naar beeld

De tocht naar Chatham bleef vervolgens niet opgesloten in officiële stukken. Een overwinning van deze omvang vroeg in de zeventiende eeuw om beelden en verhalen. Schepen, branders, rookwolken, de Medway en de buitgemaakte Royal Charles boden schilders, graveurs en uitgevers precies de dramatische elementen waarmee het publiek de gebeurtenis opnieuw kon beleven. Zo kon iemand die nooit Engeland had gezien toch voor zich krijgen hoe Nederlandse schepen een Engelse rivier waren binnengedrongen. De militaire gebeurtenis kreeg een tweede leven in prenten, schilderijen, gedrukte beschrijvingen en lof. Het vuur op de Medway doofde uit, maar op papier en doek kon Chatham blijven branden.

Van Lowestoft naar Chatham

Daarmee sloot een kring die in 1665 verschrikkelijk was begonnen. Bij Lowestoft was de Eendracht van Jacob van Wassenaer Obdam ontploft en had de Nederlandse vloot haar opperbevelhebber en de slag verloren. Tegenover hem had de Royal Charles gelegen, vlaggenschip van James Stuart, hertog van York. Twee jaar later was diezelfde Royal Charles niet gezonken in een gewone zeeslag. Nederlanders waren Engeland binnengevaren, hadden Sheerness genomen, waren door de versperringen van de Medway gegaan en hadden het koninklijke schip uit zijn eigen marinebasis gehaald. Daarna sleepten zij het over de Noordzee naar Hellevoetsluis. Wat in 1665 vernedering was geweest, eindigde in 1667 als oorlogsbuit.

De overwinning lag in de haven

De laatste scène hoeft daarom geen kanonschot te zijn. Zij ligt in Hellevoetsluis. Daar kwamen duizenden Nederlanders kijken naar een groot Engels oorlogsschip dat stil in de haven lag. Twee jaar eerder had zijn naam gehoord bij een van de zwaarste Nederlandse nederlagen van de oorlog. Nu stond op het dek geen Engelse admiraal meer. De Royal Charles was oorlogsbuit. Mensen konden langs het water staan en met eigen ogen zien wat bij Chatham was gebeurd. Geen pamflet, lofrede, schilderij of gouden beker kon dat sterker bewijzen. De Engelse koning had zijn schip niet verloren ergens op een verre oceaan. Het was uit zijn eigen marinebasis weggehaald.

De mannen achter de overwinning

Michiel de Ruyter was dezelfde man die een jaar eerder in zijn kajuit had gezegd dat hij liever dood was. Jan van Brakel was de kapitein die de beslissende aanval onder straf was begonnen. Willem Joseph van Ghent was vanuit het nieuwe Regiment de Marine opgeklommen tot bevelhebber van de aanvalsmacht. Cornelis de Witt was als vertegenwoordiger van de staat zelf de vijandelijke rivier opgevaren. Achter hen stonden duizenden matrozen, soldaten, loodsen, kanonniers, timmerlieden, roeiers en branderschippers. Sommigen kregen goud en lof. Anderen verdwenen vrijwel naamloos uit het verhaal. Zonder hen waren de ketting, de branders en de Engelse koningsschepen slechts plannen op papier gebleven.

De overwinning

De betekenis van Chatham lag daarom niet alleen in verbrande schepen. De Republiek had na Lowestoft haar vloot opnieuw opgebouwd, stormen doorstaan, ziekte overleefd, een bloedige Vierdaagse Zeeslag uitgevochten, Terschelling zien branden en een vernietigende ruzie tussen haar admiraals meegemaakt. Daarna voer diezelfde zeemacht in 1667 niet alleen terug naar Engeland, maar een Engelse rivier op. Sheerness viel. De ketting werd doorbroken. De Jonathan werd genomen. Engelse koningsschepen brandden. De Royal Charles werd buitgemaakt. Vervolgens bleef de Nederlandse vloot wekenlang druk uitoefenen op de toegang tot Londen. De overwinning was geen enkel ogenblik. Zij was het eindpunt van twee jaren vallen, herstellen en opnieuw aanvallen.

De oorlog eindigt met een schip

Toen uiteindelijk vrede kwam, verdwenen de oorlogsschepen van de Engelse kust en werden de kanonnen stil. In kerken was gedankt, aan boord was gebeden, aan wal werd de overwinning verteld en gevierd. Bestuurders deelden goud en eer uit. Prenten, schilderijen en gedrukte verhalen begonnen het gebeurde vast te leggen. De Ruyter keerde terug naar Den Haag. Van Brakel droeg de herinnering aan zijn aanval mee. Van Ghent had zijn voorhoede door de Medway geleid. Maar in Hellevoetsluis lag het eenvoudigste bewijs van alles. Daar hoefde niemand nog uit te leggen wie Chatham had bereikt.

De kanonnen zwegen.

De Royal Charles bleef achter.