De Rug van Tynaarloo en Noordenveld — Deel 1
Van de ijstijden tot 1400
Het ontstaan van het landschap — Noord-Drenthe — 500.000–400.000 jaar geleden
Tijdens de Elster-ijstijd ontstonden in de ondergrond van Noord-Nederland diepe tunneldalen. Smeltwater stroomde onder grote druk onder het landijs en schuurde dalen uit. Deze werden later gedeeltelijk gevuld met zand, slib en zeer fijne kleideeltjes. In rustige waterbekkens ontstonden dikke lagen potklei. Vooral rond Foxwolde, Nietap, Terheijl en het Peizerdiep kwam deze klei later dicht onder het oppervlak voor. De aanwezigheid van deze grondstof zou eeuwen later van grote economische betekenis worden. De potklei was geschikt voor het vervaardigen van aardewerk, bakstenen en dakpannen en vormde daarmee de natuurlijke basis voor een belangrijke bedrijfstak in Noordenveld.
Het landijs vormt de Drentse ruggen — Saalien — 370.000–130.000 jaar geleden
Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien, bereikte het Scandinavische landijs Drenthe. Het ijs verplaatste keileem, zand, grind en grote zwerfkeien. Door de beweging en druk ontstonden langgerekte hoogten en daartussen lagere stroken. Tot deze ruggen behoren de Hondsrug, de Rolderrug, de Zeijerrug en de Rug van Tynaarlo. De laatstgenoemde rug loopt ongeveer van Tynaarlo en Yde richting Eelde en Paterswolde. Meer westelijk liggen de hogere gronden van Donderen en Bunne. De ligging van deze ruggen werd later bepalend voor de ontwikkeling van dorpen, wegen en landbouwgebieden. De tussenliggende laagten ontwikkelden zich tot beekdalen en moerassen.
Dekzand tijdens de laatste ijstijd — Noord-Drenthe — 115.000–11.700 jaar geleden
Tijdens het Weichselien bereikte het landijs Drenthe niet opnieuw. Het klimaat was echter gedurende lange perioden bijzonder koud. Op de vrijwel boomloze vlakten kon de wind grote hoeveelheden zand verplaatsen. Dit dekzand werd over oudere keileemgronden afgezet. Rond Zeijen, Donderen, Bunne, Vries, Yde, Tynaarlo, Eelde en Peize ontstonden daardoor verschillende bodemtypen dicht naast elkaar. Sommige gronden waren goed ontwaterd en werden later geschikt voor akkerbouw. Elders bleef water op de bodem staan, waardoor vennen, natte heidevelden en veen konden ontstaan. Het dekzand versterkte de landschappelijke verschillen die de bewoning en landbouw gedurende duizenden jaren zouden bepalen.
De beekdalen tussen de zandgronden — Vanaf het einde van de laatste ijstijd
Toen het klimaat warmer werd, ontwikkelden zich in de lagere delen tussen de zandruggen beekdalen, moerassen en vochtige bossen. Aan de oostzijde lag het stroomgebied van de Drentsche Aa. Verder westelijk zorgden het Eelderdiep, het Peizerdiep en kleinere waterlopen voor de natuurlijke afwatering. Het Eelderdiep ontving onder meer water vanuit het gebied van Donderen en het vroegere Hooge Veen. De Winderloop vormde een plaatselijke verbinding tussen de hogere gronden bij Bunne en de lagere gebieden. Langs de beken ontstonden elzenbroekbossen en graslanden. Het onderscheid tussen droge woonplaatsen en natte gebruiksgronden werd de basis van het latere agrarische landschap.
De pingoruïnes en oude waterbekkens — Drenthe — Late ijstijd
In het koude klimaat van de laatste ijstijd konden ondergrondse ijslichamen ontstaan die de bodem omhoogdrukten. Wanneer het ijs later smolt, bleef een ronde laagte achter die zich met water, slib en veen kon vullen. Dergelijke pingoruïnes zijn op verschillende plaatsen in Drenthe bekend. Bij Lhee werd in 2022 een vrijwel intact exemplaar onderzocht met een doorsnede van ongeveer 75 meter en een diepte van 3,20 meter. Onder opgebracht zand lagen oude veenlagen en meerafzettingen. Hoewel Lhee buiten de Rug van Tynaarlo ligt, toont het onderzoek hoe dergelijke natuurlijke laagten langdurig invloed konden hebben op de ligging van wegen, boerderijen en landbouwgronden.
De eerste jagers en verzamelaars — Noord-Drenthe — Oude steentijd
Lang voordat er vaste dorpen bestonden, bezochten mensen de hogere zandgronden en beekdalen van Noord-Drenthe. Vuurstenen werktuigen tonen aan dat jagers en verzamelaars het gebied al in de steentijd gebruikten. Zij zochten plaatsen waar water, voedsel en natuurlijke grondstoffen bereikbaar waren. De overgang van hogere zandgronden naar beekdalen was daarvoor aantrekkelijk. Mensen verplaatsten zich afhankelijk van het seizoen en de aanwezigheid van dieren. Bij Norg, Zeijen en elders op het Drents Plateau zijn vondsten gedaan die binnen deze lange bewoningsgeschiedenis passen. Van permanente landbouwdorpen was nog geen sprake. De oudste menselijke aanwezigheid bestond vooral uit tijdelijk gebruik van het landschap.
De vuursteenvondst in de Peizermaden — Late oude steentijd
In de Peizermaden werd een bijzondere vuursteenafslag gevonden waarop lijnen in de natuurlijke buitenkorst waren aangebracht. Archeologen Luc Amkreutz en Marcel Niekus onderzochten het voorwerp en brachten het in verband met de Federmessercultuur uit de late oude steentijd. De ingekraste lijnen kunnen een symbolische betekenis hebben gehad, maar hun oorspronkelijke bedoeling is niet bekend. De vondst werd in 2023 wetenschappelijk beschreven. Zij vormt een belangrijke aanwijzing voor menselijke activiteiten in het gebied tussen Peize en Groningen aan het einde van de laatste ijstijd. De toenmalige bewoners leefden in een landschap dat sterk verschilde van de latere veenontginningen en middeleeuwse graslanden.
De mensen van de middensteentijd — 8800–5300 v.Chr.
Na de laatste ijstijd groeiden bossen over grote delen van Noord-Drenthe. De bewoners leefden van jacht, visvangst en het verzamelen van plantaardig voedsel. De hogere zandgronden boden droge verblijfplaatsen, terwijl de beekdalen toegang gaven tot water en andere natuurlijke hulpbronnen. Rond de latere dorpen Vries, Zeijen, Yde, Eelde en Peize waren nog geen essen, markegrenzen of vaste landwegen aanwezig. Wel gebruikten mensen waarschijnlijk natuurlijke doorgangen tussen de hogere gronden. Hun kampementen waren vaak tijdelijk. De sporen zijn vooral herkenbaar aan vuurstenen werktuigen en afval van de vervaardiging daarvan. Het landschap werd gebruikt zonder dat het al systematisch voor landbouw was ingericht.
De komst van de landbouw — Noord-Drenthe — 4300–3400 v.Chr.
Vanaf het vierde millennium voor Christus veranderde de levenswijze van de bewoners. Landbouw en veeteelt kregen een steeds grotere betekenis. Op geschikte zandgronden werden stukken bos gekapt om akkers aan te leggen. De boerderijen waren van hout gebouwd en hadden daken van organisch materiaal. Runderen, schapen, geiten en varkens leverden voedsel en andere producten. De natte beekdalen bleven belangrijk voor aanvullende voedselbronnen en natuurlijke grondstoffen. Door deze ontwikkeling ontstonden langduriger gebruikte woonplaatsen, akkers en begraafplaatsen. De landbouwgemeenschappen hadden behoefte aan samenwerking voor het bouwen van woningen, het verzorgen van vee en het gebruik van de beschikbare gronden.
Hunebed D6 bij Tynaarlo — 3400–3100 v.Chr.
Bij Tynaarlo ligt hunebed D6, een bijzonder goed bewaard grafmonument van de trechterbekercultuur. Het bestaat uit zes zijstenen, twee sluitstenen en drie dekstenen. De grafkamer is ongeveer 5,5 meter lang en 3,1 meter breed. Het monument werd gebouwd door gemeenschappen die landbouw bedreven en vee hielden. De grote zwerfkeien waren tijdens de ijstijden naar Drenthe gebracht. Voor het verplaatsen en oprichten van de stenen was samenwerking noodzakelijk. De oorspronkelijke dekheuvel is verdwenen, maar de stenen zijn grotendeels op hun oorspronkelijke plaats blijven staan. D6 vormt daarmee een belangrijk bewijs voor de aanwezigheid van landbouwgemeenschappen op de Rug van Tynaarlo.
Het verdwenen hunebed D6a — Tynaarlo — 3400–2800 v.Chr.
Ten oosten van hunebed D6 lag een tweede grafmonument waarvan de stenen later verdwenen. Albert Egges van Giffen onderzocht het terrein in 1928 en vermoedde aanvankelijk dat hier twee hunebedden hadden gestaan. Later onderzoek door Jan Lanting, Anna Brindley en Ana Neves Espinha wees erop dat het waarschijnlijk om één verdwenen hunebed ging. Dit monument kreeg de aanduiding D6a. De grafkamer was ongeveer 4,8 meter lang en twee meter breed. In de bodem werden plaatsen van voormalige draagstenen, paalkuilen en aardewerk van de trechterbekercultuur aangetroffen. De vondsten tonen dat bij Tynaarlo meerdere monumentale graven aanwezig waren.
De hunebedden van Zeijen en Norg — Jonge steentijd
Ook elders in Noord-Drenthe bevinden zich hunebedden die herinneren aan de landbouwgemeenschappen van de trechterbekercultuur. Bij Zeijen ligt hunebed D5 en bij Westervelde, in de omgeving van Norg, bevindt zich eveneens een hunebed. De monumenten werden gebouwd met grote zwerfkeien die in de omgeving beschikbaar waren. Zij dienden als gemeenschappelijke grafkamers en maakten deel uit van een landschap met akkers en nederzettingen. De aanwezigheid van verschillende hunebedden toont dat het Drentse zandgebied gedurende lange tijd intensief werd gebruikt. De exacte woonplaatsen van alle mensen die deze monumenten bouwden, zijn daarmee niet vastgesteld.
De grafheuvels van het Noordsche Veld — 2800–800 v.Chr.
Op het Noordsche Veld bij Zeijen liggen grafheuvels uit verschillende prehistorische perioden. Oorspronkelijk zouden er ongeveer 120 grafheuvels aanwezig zijn geweest, waarvan een aanzienlijk gedeelte later verdween. Sommige stammen uit de late steentijd, andere uit de bronstijd en jongere perioden. De grafheuvels tonen dat dezelfde gebieden gedurende vele generaties voor begravingen werden gebruikt. In de bronstijd werd crematie geleidelijk gebruikelijker. Soms werden aardewerk en andere voorwerpen bij de doden geplaatst. Het Noordsche Veld is bijzonder omdat grafmonumenten, oude akkers en bewoningssporen dicht bij elkaar liggen. Daardoor kan de ontwikkeling van het prehistorische landschap over een lange periode worden onderzocht.
Adderhorst en de oude wegen — Tynaarlo en Zeegse — Prehistorie
Bij het Zeegserloopje ligt Adderhorst, een terrein waar dertien grafheuvels en sporen van oude wegen worden genoemd. Het latere landgoed werd aan het begin van de twintigste eeuw gevormd door grondaankopen van professor Adriaan van Veldhuizen. De combinatie van grafmonumenten en wegsporen maakt het gebied archeologisch bijzonder interessant. Oude routes konden over de hogere zandgronden lopen en gebruikmaken van natuurlijke beekovergangen. In een landschapsbeschrijving wordt voor een gedeelte van het wegenstelsel een zeer hoge ouderdom genoemd, mogelijk rond 4000 voor Christus. Deze datering is nog niet voldoende archeologisch vastgesteld. De grafheuvels tonen wel een langdurig prehistorisch gebruik van het gebied.
De boerderijen van de bronstijd — Noord-Drenthe — 2000–800 v.Chr.
In de bronstijd leefden de bewoners van Noord-Drenthe hoofdzakelijk van landbouw en veeteelt. De houten boerderijen stonden op geschikte zandgronden, bij akkers en weiden. Opgravingen elders op het Drents Plateau hebben lange driebeukige boerderijplattegronden opgeleverd. De gebouwen hadden dragende palenrijen en konden onderdak bieden aan mensen, voorraden en dieren. Hout werd gebruikt voor woningen, schuren, omheiningen en werktuigen. De nederzettingen lagen niet altijd eeuwenlang op dezelfde plaats. Wanneer gebouwen werden vervangen of grondgebruik veranderde, konden erven verschuiven. Daardoor ontstond een verspreid patroon van woonplaatsen, akkers en grafvelden.
Hout, graan en vee als bestaansbasis — Bronstijd
De landbouwgemeenschappen waren afhankelijk van verschillende natuurlijke hulpbronnen. Op de zandgronden werd graan verbouwd. Runderen, schapen, geiten en varkens leverden voedsel, huiden, wol en mest. Het vee kon op verschillende gronden worden gehouden, afhankelijk van de bodem en het seizoen. Hout was noodzakelijk voor gebouwen, gereedschap, brandstof en afrasteringen. Kleine opslaggebouwen op palen konden worden gebruikt voor het bewaren van voedsel en andere producten. Het verschil tussen droge akkergronden en lagere graslanden gaf het landschap een bijzondere economische veelzijdigheid. Deze natuurlijke samenhang zou ook in de middeleeuwen belangrijk blijven, al veranderde de inrichting van de landbouwgronden.
De raatakkers van Zeijen — Late bronstijd tot Romeinse tijd
Op het Noordsche Veld zijn resten van prehistorische raatakkers bewaard gebleven. Deze worden ook Celtic fields genoemd. De akkercomplexen bestaan uit kleine rechthoekige of min of meer vierkante percelen die door lage wallen van elkaar zijn gescheiden. Sommige percelen meten ongeveer 35 bij 35 meter. De wallen ontstonden door het verzamelen van grond, stenen en ander materiaal tijdens het bewerken van de akkers. Onderzoekers Stijn Arnoldussen en Isaac Kleijn bestudeerden dergelijke systemen met hoogtegegevens en geografische analyses. Zij onderzochten hoe akkers werden ingericht en of sprake was van gezamenlijke planning. Een rechtstreekse verbinding met de veel latere Drentse waardelen is niet bewezen.
Grafvelden en boerderijen bij Amelte en Deurze — Bronstijd tot middeleeuwen
In de omgeving van Amelte en Deurze, langs het Boerkamppad bij Assen, bevinden zich archeologische resten uit verschillende perioden. Er zijn vermoedelijke grafheuvels uit de bronstijd, oude akkercomplexen, een urnenveld uit de ijzertijd en sporen van verdwenen middeleeuwse boerderijen bekend. Het nabijgelegen Deurzer Diepje behoort tot het stroomgebied van de Drentsche Aa. De combinatie van grafvelden, nederzettingen, landbouwgronden en waterlopen toont dat dezelfde landschappelijke zones gedurende lange tijd opnieuw werden gebruikt. Het onderzoek vormt een belangrijk vergelijkingsvoorbeeld voor de prehistorische en middeleeuwse bewoning bij Vries, Tynaarlo en Zeijen.
Versterkte plaatsen in de ijzertijd — Zeijen en het Witteveen
Bij het Noordsche Veld en het Witteveen zijn archeologische aanwijzingen voor afzonderlijk ingerichte terreinen met wallen of palissaden bekend. Sommige worden in verband gebracht met de late ijzertijd en de overgang naar de Romeinse tijd. Hun oorspronkelijke functie moet per vindplaats worden beoordeeld. Het kunnen bijzondere gebruiksplaatsen zijn geweest, maar zonder aanvullend bewijs is niet vast te stellen of zij een militaire, sociale of rituele betekenis hadden. Zij mogen niet worden gelijkgesteld aan veel latere middeleeuwse kastelen. De vondsten maken wel duidelijk dat het prehistorische landschap meer omvatte dan alleen losse boerderijen en akkers. Er waren ook speciaal ingerichte terreinen.
Menselijke activiteiten in het veen bij Matsloot — Rond het begin van de jaartelling
Bij Matsloot, in de lage gebieden ten westen van Groningen, zijn aanwijzingen gevonden voor menselijk gebruik van het veen rond het begin van de jaartelling. Tijdens archeologisch onderzoek kwamen sporen van een kleine tijdelijke nederzetting en een twaalfpalige spieker aan het licht. Een dergelijk gebouw kon worden gebruikt voor de opslag van landbouwproducten of andere goederen. De vondsten tonen dat natte gebieden niet volledig werden vermeden. Gedurende geschikte perioden konden mensen ook hier werken of tijdelijk verblijven. Dat betekent niet dat het gehele veengebied al permanent werd bewoond of systematisch was ontgonnen. Het gebruik bleef afhankelijk van waterstand en bereikbaarheid.
Het Meisje van Yde — 54 v.Chr.–128 n.Chr.
In 1897 werd tijdens werkzaamheden in het veen bij Yde het lichaam van een jong meisje gevonden. Radiokoolstofonderzoek plaatst haar overlijden tussen ongeveer 54 voor Christus en 128 na Christus. Onderzoek aan het lichaam wees op geweld, waaronder een band om haar hals. Over de omstandigheden van haar dood bestaan verschillende verklaringen. Een rituele betekenis is mogelijk, maar niet met zekerheid bewezen. De vondst toont de bijzondere conserverende werking van het veen. Ook laat zij zien dat de natte gebieden rond Yde in de ijzertijd en Romeinse tijd voor mensen een betekenis hadden die verder kon gaan dan landbouw en het verzamelen van voedsel.
Noord-Drenthe in de Romeinse tijd — 12 v.Chr.–400 n.Chr.
Hoewel het Romeinse Rijk geen duurzaam militair bestuur over Noord-Drenthe vestigde, stonden de bewoners niet volledig buiten contacten met het rijk. Via handel en uitwisseling bereikten voorwerpen, technieken en ideeën het noorden. De bevolking bleef grotendeels afhankelijk van landbouw en veeteelt. Boerderijen stonden op hogere zandgronden, terwijl de beekdalen en venen aanvullende gebruiksmogelijkheden boden. Sommige nederzettingen werden verplaatst of anders ingericht. Het landschap bestond uit akkers, bos, open gronden, beekdalen en natte gebieden. De Romeinse tijd vormde geen volledige breuk met de voorafgaande ijzertijd, maar een periode waarin bestaande ontwikkelingen samengingen met invloeden van buitenaf.
De bewoning bij Haren — Romeinse tijd en vroege middeleeuwen
Aan de Nieuwe Stationsweg in Haren zijn resten van boerderijen en bijgebouwen uit verschillende perioden aangetroffen. Onderzoek in 2023 en 2025 bracht paalkuilen, greppels, aardewerk, vuursteen en verbrand natuursteen aan het licht. Sommige huisresten konden in de eerste of tweede eeuw na Christus worden geplaatst. Andere sporen behoren tot latere bewoningsfasen. De vondsten laten zien dat het gebied ten zuiden van Groningen lang vóór de middeleeuwse stadsontwikkeling werd bewoond. Haren vormt daardoor een belangrijk vergelijkingsgebied voor de noordelijke rand van de Drentse zandgronden. De afzonderlijke nederzettingen kunnen niet zonder bewijs met latere dorpen worden vereenzelvigd.
De overgang naar de vroege middeleeuwen — 400–700
Na het einde van de Romeinse tijd veranderden de nederzettingen, begrafenisgebruiken en economische verbindingen. Over deze eeuwen zijn weinig geschreven bronnen beschikbaar. Archeologische vondsten zijn daarom bijzonder belangrijk. Bij Rhee, Tynaarlo en elders in Noord-Drenthe zijn aanwijzingen voor bewoning uit verschillende perioden aangetroffen. De bewoners leefden vooral van landbouw en veeteelt. Hun huizen werden gebouwd van hout, leem en plantaardige materialen. Erven konden worden verplaatst wanneer gebouwen verouderden of het grondgebruik veranderde. De vroegmiddeleeuwse woonplaatsen lagen daardoor niet altijd op de plaats van de huidige dorpen. Het landschap ontwikkelde zich geleidelijk richting de latere esdorpen.
De gouden bracteaat van Lieveren — Vijfde–zesde eeuw
In de negentiende eeuw werd bij Lieveren een gouden bracteaat gevonden. Het ging om een dun, versierd gouden plaatje dat als sieraad kon worden gedragen. De vondst werd in 1833 door archeoloog C.J.C. Reuvens geregistreerd. Later raakte het voorwerp zoek. Wijnand van der Sanden en Morten Axboe onderzochten de oude documentatie opnieuw. Het ging om een bracteaat van het A-type, waarvan de afbeeldingen waren geïnspireerd op Romeinse keizerportretten. Het voorwerp behoort tot de periode van de volksverhuizingen. De vondst wijst op culturele contacten tussen Noord-Drenthe en andere gebieden van Noordwest-Europa, maar de oorspronkelijke eigenaar en vondstomstandigheden zijn onbekend.
Het ontstaan van de esdorpen — Noord-Drenthe — 700–1000
Tijdens de vroege middeleeuwen ontwikkelden zich op de hogere zandgronden nederzettingen waaruit later de esdorpen voortkwamen. Boerderijen lagen bij akkers, weiden en gemeenschappelijke gebruiksgronden. Op de hogere gronden werd graan verbouwd. De beekdalen leverden hooi en weidegrond. Bossen en heidevelden boden hout, brandstof en mogelijkheden voor veeteelt. Vries groeide uit tot een belangrijk centrum, maar ook Zeijen, Donderen, Bunne, Tynaarlo, Eelde, Peize, Roden en Norg ontwikkelden hun eigen landbouwgemeenschappen. De ligging van waterlopen en zandwegen bepaalde welke percelen bereikbaar waren. De latere organisatie van de boermarken bouwde voort op het belang van gemeenschappelijk grondgebruik.
De oude landwegen over de zandruggen — Vroege middeleeuwen
De hogere zandgronden waren belangrijk voor het verkeer tussen de nederzettingen. Op natte veengronden en in beekdalen konden reizigers met karren moeilijk vooruitkomen. Daardoor werden routes over droge ruggen gebruikt. Vanuit Vries waren verbindingen mogelijk naar Donderen, Bunne, Eelde, Peize en Groningen. Ook de weg over Rhee, Zeijen en Lieveren was belangrijk. De exacte loop van de wegen veranderde in de loop van de tijd. Niet iedere later bekende landweg bestond al in de vroege middeleeuwen. Wel maakte de landschappelijke ligging duidelijk waarom bepaalde doorgangen en wegen eeuwenlang aantrekkelijk bleven voor reizigers, landbouwers en handelaren.
De oudste kerk van Vries — Omstreeks 775
Volgens een archeologische reconstructie ontstond op de plaats van de huidige Bonifatiuskerk van Vries mogelijk omstreeks 775 een houten gebedshuis. De stichting past binnen de uitbreiding van het christendom in Drenthe gedurende de achtste en negende eeuw. Archeologisch onderzoek heeft resten van verschillende oudere kerkfasen opgeleverd. De eerste gebouwen waren grotendeels van hout gebouwd en waren kleiner dan de latere stenen kerk. De aanwezigheid van een kerk betekende dat bewoners uit omliggende nederzettingen hier bijeenkwamen voor de eredienst. De precieze stichtingsdatum en de identiteit van de eerste geestelijken zijn echter niet uit eigentijdse oorkonden bekend.
Bonifatius en de kerstening — Vries — Achtste–twaalfde eeuw
Bonifatius was een Angelsaksische missionaris die op 5 juni 754 bij Dokkum werd gedood. Hij werd later als heilige vereerd en kreeg een belangrijke plaats binnen de christelijke traditie van Noord-Nederland. De kerk van Vries werd aan hem gewijd. Er bestaat geen bewijs dat Bonifatius zelf in Vries heeft gepredikt of daar een kerk heeft gesticht. De patroonheilige geeft vooral inzicht in de kerkelijke traditie waarbinnen de gemeenschap zich ontwikkelde. De stichting van kerken bracht nieuwe begrafenisgebruiken, religieuze verplichtingen en mogelijkheden voor het beheren van kerkelijke goederen. Daardoor kreeg Vries een betekenis die verder reikte dan het eigen landbouwdorp.
Theodgrim, Ricfrid en de abdij van Werden — Omstreeks 820
In historische reconstructies wordt de vroege geschiedenis van Vries verbonden met de abdij van Werden aan de Ruhr, bij het huidige Essen. Rond 820 wordt een schenking door Theodgrim genoemd in een gebied dat in oude bronnen Arlo of Arlon heet. Daarnaast wordt de vroege kerk van Vries verbonden met Ricfrid. De precieze relatie tussen deze personen, de kerk en het genoemde gebied is nog niet volledig vastgesteld. Wanneer de verbinding met Vries juist is, toont zij dat Noord-Drentse goederen al vroeg deel uitmaakten van een groter kloosternetwerk. De oorspronkelijke abdijregisters blijven noodzakelijk om de afzonderlijke eigendomsrechten en dateringen te controleren.
De abdij van Werden als economische instelling — Negende–twaalfde eeuw
De abdij van Werden bezat landbouwgoederen in verschillende gebieden van het Duitse Rijk en de Nederlanden. Boeren konden verplicht zijn graan, vee, vis of andere producten af te dragen. Plaatselijke beheerders hielden toezicht op de goederen en verzamelden de opbrengsten. De abdij had daarom belang bij verbindingen tussen haar verspreide bezittingen en haar hoofdcentrum. Voor Noord-Drenthe zijn vooral de mogelijke kerkelijke rechten en landbouwgoederen rond Vries belangrijk. Het bestaan van kloosterbezit bewijst niet dat monniken alle plaatselijke wegen aanlegden. Het toont wel dat de economische en kerkelijke geschiedenis van Drenthe al vroeg verbonden was met instellingen buiten het gewest.
De Werdensche weg — Drenthe en Duitsland — Negende–dertiende eeuw
Een historische verkeersroute door Drenthe wordt de Werdensche of Werdense weg genoemd. De naam houdt verband met de abdij van Werden bij Essen. De route wordt in verband gebracht met de Rolderrug en de hogere gronden via Zweeloo, Rolde en Anloo richting Groningen. B.H. Slicher van Bath bracht deze benaming in 1944 onder de aandacht. Geestelijken, beheerders van abdijgoederen, handelaren en andere reizigers kunnen dergelijke verbindingen hebben gebruikt. Het precieze middeleeuwse tracé is niet overal bekend. Ook een rechtstreekse aftakking naar Vries moet afzonderlijk worden aangetoond. Het onderzoek toont vooral hoe wegen, kloosterbezit en regionale contacten met elkaar samenhingen.
Groningen als vroeg handelscentrum — Negende–elfde eeuw
Bij archeologisch onderzoek op de Grote Markt en het Martinikerkhof werden resten aangetroffen van Groningen vóór de elfde eeuw. De nederzetting beschikte over handelscontacten, wegen en aanwijzingen voor welvaart. Een opvallende vondst was het graf van een ongeveer dertigjarige man die rond 880 door een wapenverwonding overleed. Hij was in een houten wijnton begraven. In 1040 kwamen koninklijke goederen en rechten in Groningen aan de bisschop van Utrecht. De vondsten tonen dat Groningen al vóór deze overdracht een betekenisvolle nederzetting was. Voor Noord-Drenthe is vooral belangrijk hoe de oude wegen vanuit Haren, Eelde en Vries naar dit centrum liepen.
Bisschop Balderik en de Drentse gebruiksrechten — Vanaf 944
In historische beschrijvingen wordt vermeld dat bisschop Balderik van Utrecht in 944 bos- en jachtrechten in Drenthe verwierf. Archeoloog Vincent van Vilsteren onderzocht later of oude graanheffingen, waaronder de schuldmudde, met dergelijke rechten samenhingen. Hij bracht ook middeleeuwse stenen opslaggebouwen in verband met mogelijke verzamelplaatsen voor heffingen. Bij Lhee werd in 1953 een fundering ontdekt die aanvankelijk als spieker werd beschouwd. Een functie als graanopslag is mogelijk, maar niet bewezen. Het gebouw kan ook een kelder of bijgebouw zijn geweest. Deze onderzoeken tonen hoe voorzichtig schriftelijke rechten en archeologische gebouwen met elkaar moeten worden verbonden.
Harssens en het bezit van Werden — Omstreeks 1000
Ten zuiden van Adorp lag Harssens, dat in een goederenregister van Werden rond het jaar 1000 als Hersingi wordt vermeld. De nederzetting lag op een wierde in het gebied van de vroegere Hunze. Archeologische vondsten tonen dat de plek al veel eerder werd gebruikt. Er werden onder andere aardewerkscherven uit de vroege ijzertijd aangetroffen. De vermelding in het abdijregister toont dat het goederenbezit van Werden zich over verschillende gebieden uitstrekte. Harssens is belangrijk als vergelijkingsvoorbeeld voor Noord-Drenthe, omdat hier landbouw, bewoning, waterlopen en kloosterbezit samenkwamen. De verbinding met Werden maakt duidelijk dat zulke nederzettingen onderdeel waren van een groter economisch netwerk.
De eerste boerderijen van Peize — 900–1100
Peize ontstond op een hogere zandgrond tussen het Eelderdiep en het Peizerdiep. Volgens de historische reconstructie van Piet Kodde bestond de nederzetting aan het begin van de tiende eeuw mogelijk uit ongeveer tien boerderijen. Dit aantal is een schatting en geen gegeven uit een bewaard bevolkingsregister. De bewoners hadden hun akkers op de hogere delen. Langs de beken lagen groenlanden en hooilanden. De omliggende venen en moerassen bemoeilijkten het verkeer. Daarom waren de verbindingen over de zandgronden naar Eelde en Vries belangrijk. Peize ontwikkelde zich geleidelijk tot een agrarisch centrum met afzonderlijke boerenerven en gemeenschappelijke gebruiksgronden.
De oudste bewoning van de Peizerhorst — 800–1100
Ten zuidoosten van Peize ontwikkelde zich bewoning op de hogere zandkoppen van de Peizerhorst. De bewoners konden akkers aanleggen en de lagere gronden langs het Eelderdiep gebruiken voor veeteelt. Volgens Piet Kodde kunnen verschillende oude boerderijplaatsen ouder zijn dan de elfde eeuw. De nederzetting was verbonden met Peize en Eelde door wegen en paden. Later ontstonden in dit gebied adellijke goederen, waaronder Ter Hansouwe. Er is echter geen bewijs dat het middeleeuwse steenhuis al in de vroegste bewoningsperiode bestond. De geschiedenis van de Peizerhorst moet daarom worden onderscheiden van de latere geschiedenis van de adellijke families die hier grond bezaten.
Het vroegmiddeleeuwse landbouwbedrijf — Vries en Noordenveld — 800–1200
De bewoners van de esdorpen leefden van akkerbouw en veeteelt. Graan werd op de hogere zandgronden verbouwd. Runderen leverden melk, vlees, mest en trekkracht. Schapen konden op open veldgronden worden geweid. Varkens maakten gebruik van bosgebieden waar voldoende voedsel aanwezig was. De lagere beekdalen leverden gras en hooi. De mest van het vee was belangrijk voor de vruchtbaarheid van de akkers. Daardoor vormden akkerbouw en veeteelt één samenhangend landbouwsysteem. Boerderijen hadden toegang nodig tot verschillende soorten grond. Het gemeenschappelijke gebruik daarvan zou later een belangrijke rol spelen bij de organisatie van de Drentse marken.
De eerste veenontginningen — Noord-Drenthe — 950–1200
Vanaf de late tiende eeuw werden delen van de lage veengebieden ten noorden van de Drentse zandgronden ontgonnen. Bewoners groeven sloten om water af te voeren en de grond geschikt te maken voor landbouw of veeteelt. Bij Roderwolde, Peizerwolde en Eelderwolde ontstonden nieuwe gebruiksgebieden en woonplaatsen. Ontwatering had echter gevolgen. Zodra water uit het veen verdween, begon de bodem in te klinken. Daardoor kwamen landbouwgronden lager te liggen en konden zij opnieuw natter worden. De bewoners moesten hun werkzaamheden aanpassen en soms hun woonplaatsen verplaatsen. Het proces verliep gedurende meerdere eeuwen en was afhankelijk van plaatselijke omstandigheden.
De veenterpen in de Peizer- en Eeldermaden — Achtste–twaalfde eeuw
In het noordelijke gedeelte van de Peizer- en Eeldermaden zijn kleine verhogingen gevonden die mogelijk al uit de achtste of negende eeuw dateren. Volgens onderzoek dat door IVN Peize werd gepubliceerd, kunnen sommige door herders zijn gebruikt als tijdelijke verblijfplaatsen. Tijdens drogere perioden konden dieren op de natte graslanden worden geweid. Bij hoge waterstanden waren deze gebieden moeilijk bereikbaar. De aanwezigheid van verhogingen bewijst niet dat er voortdurend bewoonde dorpen lagen. Zij tonen wel dat het landschap economisch werd gebruikt. De lage gronden konden naast gras ook riet, hout en mogelijk plaatselijk turf leveren.
De huisplaatsen in De Onlanden — 950–1400
Archeologisch onderzoek in De Onlanden bracht 62 middeleeuwse huisplaatsen aan het licht. Tien daarvan werden uitgebreider opgegraven. Johan Nicolay, Mans Schepers en Jeroen Zomer beschreven de resultaten. De bewoners leefden in een landschap met sloten, natte graslanden en ontwaterde veengronden. Sommige woonplaatsen werden verhoogd of opnieuw ingericht om overlast door water te beperken. Niet iedere verhoging ontstond op dezelfde wijze, waardoor onderzoekers onderscheid maken tussen huisplaatsen en veenterpen. Door de ontwatering begon de bodem in te klinken. Uiteindelijk werden sommige nederzettingen verlaten of verplaatst. De vondsten maken duidelijk hoe intensief het veengebied in de middeleeuwen werd gebruikt.
Het boerenleven in de Eelder- en Peizermaden — 1000–1400
In de Eelder- en Peizermaden zijn resten van middeleeuwse boerderijen gevonden. Een gebouw uit de twaalfde eeuw was ongeveer zeventien meter lang en vijfeneenhalve meter breed. Het bezat dikke zodenwanden, herhaaldelijk vernieuwde lemen vloeren en een haardplaats. Mogelijk werd een gedeelte gebruikt voor het onderbrengen van vee. J. van Doesburg behandelde de vondsten in het onderzoek Land van melk en honing. De bewoners voerden waarschijnlijk een gemengd landbouwbedrijf. Voor gespecialiseerde bierbrouwerij of grootschalige vetweiderij op deze specifieke huisplaats werden geen overtuigende aanwijzingen gevonden. Andere werkzaamheden elders in het veengebied kunnen daarmee niet worden uitgesloten.
De economische betekenis van veen en brandstof — 1000–1200
De venen van Noord-Drenthe konden behalve landbouwgronden ook brandstof leveren. Turf werd op geschikte plaatsen gestoken voor gebruik in woningen en bij ambachtelijke werkzaamheden. Hout bleef eveneens een belangrijke brandstof. Voor grote commerciële turfwinning rond Bunne, Vries en Peize vóór 1200 ontbreekt voldoende rechtstreeks bewijs. Er moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen plaatselijk gebruik van veen en latere georganiseerde vervening. De beschikbaarheid van brandstof was belangrijk voor het koken, het verwarmen van woningen, het bakken van brood en later ook voor de steenovens en brouwerijen. De ontwikkeling van deze activiteiten werd bepaald door grondbezit, bereikbaarheid en de aanwezigheid van waterwegen.
De Koningsweg tussen Balloo en Lieveren — Prehistorie–Middeleeuwen
Over de hogere zandgronden liep een oude verbinding tussen Balloo, Loon, Peelo, Rhee, Zeijen en Lieveren. Deze route wordt in historische en archeologische beschrijvingen de Koningsweg genoemd. Delen van het tracé kunnen een zeer oude oorsprong hebben. Bij Rhee zijn bewoningssporen uit verschillende perioden bekend. De weg volgde betrekkelijk droge gronden en maakte verplaatsingen tussen nederzettingen en landbouwgebieden mogelijk. Het is niet bewezen dat het volledige later bekende tracé gedurende alle eeuwen onveranderd bleef. Toch vormt de route een belangrijk aanknopingspunt voor het onderzoek naar de verbindingen tussen Vries, Zeijen, Roden en Groningen.
De Hooidijk, het Esveen en de Holtesch — Vries en Zeijen — Middeleeuwen
Ten westen van Vries lagen het Esveen, de Holtesch en verschillende oude verbindingen richting Zeijen. De Hooidijk wordt in plaatselijke historische beschrijvingen genoemd en later met de Holtenweg in verband gebracht. De hogere essen werden gebruikt voor akkerbouw, terwijl lagere gronden hooi en weidegrond leverden. Het vervoer van graan, hout, vee en hooi maakte wegen noodzakelijk. Oude veldnamen kunnen informatie bewaren over verdwenen bossen, natte gebieden en vroegere perceelsgrenzen. De precieze ouderdom en loop van de Hooidijk vóór 1600 moeten nog worden vastgesteld. De naam alleen vormt daarvoor geen voldoende bewijs.
De eerste houten kerken van Anloo — Negende–tiende eeuw
Onder de Magnuskerk van Anloo ontdekte archeoloog Albert van Giffen in 1942 resten van oudere kerkgebouwen. De vroegste voorgangers waren grotendeels van hout gebouwd en hadden lemen vloeren. Sommige bouwfasen worden in de negende en tiende eeuw geplaatst. Later ontstond een kleiner stenen kerkgebouw dat voorafging aan de huidige kerk. Ook werden oudere bewoningssporen aangetroffen. Pieter den Hengst behandelde deze onderzoeken in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 2016. De vondsten laten zien dat Anloo al vóór de romaanse steenbouw een kerkelijk centrum was. Zij bieden belangrijk vergelijkingsmateriaal voor de oudste kerken van Vries, Eelde, Norg en Roden.
De kerk van Norg en haar oudere voorgangers — Tiende–twaalfde eeuw
Ook onder de kerk van Norg werden resten van oudere houten gebouwen gevonden. De kerkplaats ontwikkelde zich voordat het bestaande stenen gebouw ontstond. Archeologische aanwijzingen voor paalkuilen en oudere constructies tonen dat hier meerdere bouwfasen mogelijk zijn geweest. Onderzoek naar de kindergraven en oude kerkhoven van Norg en Vries geeft inzicht in de ontwikkeling van het christelijke gemeenschapsleven. Niet alle gebouwen en begravingen kunnen nauwkeurig worden gedateerd. Wel blijkt dat Norg deel uitmaakte van een bredere ontwikkeling waarbij vroegmiddeleeuwse nederzettingen een vaste plaats voor erediensten en begravingen kregen. De geschiedenis van Norg sluit daardoor nauw aan bij Vries en Roden.
De kindergraven bij de Bonifatiuskerk — Vries — Omstreeks 1000
Tijdens opgravingen in 1946 en 1947 ontdekte Albert van Giffen bij de Bonifatiuskerk resten van oudere gebouwen en een opvallende groep kindergraven. Er werden ongeveer 153 kinderen begraven aangetroffen. De graven worden in verband gebracht met de vroege kerkfasen. Pieter den Hengst onderzocht deze vondsten later in zijn artikel Gedoopt of niet-gedoopt. Alleen op basis van de ligging van de graven kan niet worden vastgesteld of alle kinderen waren gedoopt. De vondsten tonen wel dat de kerk van Vries een belangrijke plaats innam bij de begravingen van de plaatselijke gemeenschap. Zij vormen een waardevolle bron voor de geschiedenis van het vroegmiddeleeuwse christendom.
De oudste kerk van Roden — Elfde–dertiende eeuw
Tijdens werkzaamheden in de Catharinakerk van Roden werden in 2016 veldkeien aangetroffen die mogelijk tot de fundering van een oudere houten kerk behoorden. Ook kwamen resten van oude vloeren, grafkelders en menselijk botmateriaal aan het licht. Onder de vermoedelijke houten voorganger lag een ongeveer een meter dikke donkere archeologische laag met plaatselijk brokken leem. Mogelijk waren hier nog oudere gebouwen aanwezig geweest. Pieter den Hengst en Fred G. van den Beemt onderzochten de vondsten. De huidige bakstenen kerk ontstond in de dertiende eeuw. Roden wordt al in 1139 als kerkplaats genoemd, zodat de geschiedenis van de parochie ouder is dan het bestaande stenen gebouw.
Vries als moederkerk van Noordenveld — Negende–twaalfde eeuw
Vries wordt beschouwd als een van de oudste moederparochies van Drenthe. In een vroege fase waren bewoners van omliggende nederzettingen aangewezen op het kerkelijke centrum van Vries. Naarmate de bevolking toenam, ontstonden zelfstandige parochies met eigen geestelijken, gebouwen en inkomsten. Eelde, Norg, Roden en Roderwolde worden in 1139 al afzonderlijk genoemd. De moederkerk van Vries behield haar betekenis door haar ouderdom, kerkelijke goederen en plaats binnen Noordenveld. De ontwikkeling laat zien hoe de kerkelijke organisatie samenhing met bevolkingsgroei en het ontstaan van vaste dorpsgemeenschappen. De oude parochiegrenzen en kerkelijke rechten zijn belangrijke bronnen voor de bestuurlijke geschiedenis van de streek.
De eerste stenen Bonifatiuskerk — Vries — Elfde–twaalfde eeuw
Na de houten voorgangers werd in Vries een kerk van tufsteen gebouwd. Vervolgens ontstond het romaanse kerkgebouw waarvan belangrijke delen bewaard zijn gebleven. De rijk versierde toren wordt in de tweede helft van de twaalfde eeuw geplaatst. Het huidige romaanse schip ontstond enkele decennia later. De muren waren zwaar uitgevoerd en voorzien van rondboogvensters. De aanvoer van tufsteen vereiste verbindingen met gebieden buiten Noord-Drenthe. Voor de bouw waren gespecialiseerde vaklieden en aanzienlijke financiële middelen nodig. De kerk stond op hoger terrein bij de Brink en vormde een centraal punt binnen de agrarische gemeenschap. Het gebouw toont de economische en kerkelijke betekenis van Vries.
De oorkonde over de Drentse kerken — 1139
In 1139 werd door bisschop Andreas van Cuijk van Utrecht een regeling over inkomsten uit verschillende Drentse kerken vastgelegd. De oorkonde noemt Anloo, Beilen, Vries, Eelde, Norg, Roden en Roderwolde. Anloo en Beilen moesten ieder acht ons zilver afdragen. Voor Vries gold vier ons, terwijl Eelde, Norg, Roden en Roderwolde ieder twee schellingen betaalden. De heffing werd aangeduid als debitum altariorum en hield verband met kerkelijke inkomsten die aan Oldenzaal waren verbonden. De regeling toont dat Noord-Drenthe vóór het midden van de twaalfde eeuw een ontwikkelde kerkelijke organisatie kende. Vries nam daarin een bijzondere positie in.
De eerste schriftelijke vermeldingen van Vries — 1139–1404
De naam Vries komt in verschillende middeleeuwse documenten voor. In een oorkonde uit 1139 verschijnt de schrijfwijze Vrees. Andere vermeldingen zijn bekend uit 1295, 1301, 1310, 1315, 1320, 1332 en 1335. De vormen Vrees, Vrese en Vres wisselen elkaar af. In 1382 wordt de buurschap Vries genoemd en in 1404 verschijnt opnieuw de naam Vrees. Jan ter Laak onderzocht deze vermeldingen. De plaatsnaam wordt mogelijk verklaard vanuit een oude persoonsnaam zoals Friese of Friso. Dit bewijst niet dat het dorp door bewoners uit het latere Friesland werd gesticht. De schriftelijke gegevens tonen vooral de ontwikkeling van de nederzetting en haar kerkelijke betekenis.
De bisschoppen van Utrecht en Noord-Drenthe — Twaalfde eeuw
De bisschoppen van Utrecht oefenden in de middeleeuwen wereldlijke aanspraken uit over Drenthe en Groningen. Zij waren afhankelijk van leenmannen, plaatselijke bestuurders en versterkte steunpunten om hun gezag te handhaven. Adellijke families bezaten tegelijkertijd eigen goederen en inkomstenrechten. Daardoor ontstonden conflicten over rechtspraak, bestuur en militaire macht. De familie Van Coevorden kreeg binnen deze verhoudingen een bijzondere positie. Ook de heren Van Peize en de schulten van Eelde waren verbonden met de regionale machtsstrijd. De geschiedenis van Noord-Drenthe kan daarom niet uitsluitend vanuit de afzonderlijke dorpen worden onderzocht. Zij maakte deel uit van de politieke verhoudingen binnen het Sticht Utrecht en het Heilige Roomse Rijk.
Bisschop Hartbert en zijn familie — 1139–1150
Hartbert van Bierum was van 1139 tot 1150 bisschop van Utrecht. Hij probeerde zijn gezag in Drenthe en Groningen te versterken door verwanten belangrijke functies te geven. Zijn broer Leffert werd verbonden met de prefectuur van Groningen en zijn broer Ludolf met Coevorden. Ook Lambert van Peize wordt in het familieverband genoemd. Deze personen hadden belangen bij bestuurlijke rechten, inkomsten en grondbezit. Hun posities waren niet zonder tegenstand. De macht van de bisschop en zijn vertegenwoordigers werd betwist door andere adellijke families en Groninger machtsgroepen. De conflicten zouden gedurende de volgende generaties gevolgen hebben voor de politieke geschiedenis van Peize en andere Noord-Drentse plaatsen.
Het mogelijke versterkte huis van Hartbert — Bunne — Omstreeks 1145
Volgens latere historische overleveringen liet bisschop Hartbert omstreeks 1145 bij Bunne een versterkt huis bouwen. Daarbij worden een kapel en mogelijk een bierbrouwerij genoemd. De ligging tussen Eelde, Peize en Vries zou passen bij een plaats van bestuurlijke betekenis. De moderne erfgoedinventarisatie van de Duitse Orde benadrukt echter dat niet bekend is of Bunne vóór 1276 daadwerkelijk een versterkt huis bezat. De vermeende stichting moet daarom als een nog niet bewezen historische traditie worden behandeld. Wel is duidelijk dat Bunne later een belangrijk goederencomplex werd. Vooral de mogelijke aanwezigheid van een kapel, brouwerij, grachten en gebouwen verdient verder onderzoek.
Lambert van Peize en de prefectuur van Groningen — 1150–1178
De middeleeuwse Quedam narracio beschrijft Lambert van Peize als broer van Leffert, prefect van Groningen. Lambert had twee zonen, Rudolf en Menzo. Na het overlijden van Leffert ontstond een conflict over de opvolging van de prefectuur. Lambert maakte aanspraak op het ambt, maar ook de kleinzonen van Leffert, de zonen van Godschalk van Seppenrade, wilden hun rechten behouden. Bisschop Godfried van Rhenen bepaalde uiteindelijk dat de drie kleinzonen gezamenlijk met de prefectuur werden beleend. Zij betaalden daarvoor driehonderd mark. Het geschil toont hoe bestuurlijke functies en inkomstenrechten nauw waren verbonden met familiebezit en erfopvolging.
Peize wordt als Pedge vermeld — 1165
De oudste algemeen aanvaarde schriftelijke vermelding van Peize dateert uit 1165. Het dorp wordt aangeduid als Pedge. De naam wordt gewoonlijk in verband gebracht met een nat of moerassig landschap. Dat past bij de ligging tussen het Eelderdiep en het Peizerdiep. Het dorp zelf bevond zich echter op een hogere zandrug die geschikt was voor bewoning en landbouw. De vermelding bewijst dat Peize toen al als plaats bekend was. Zij geeft geen nauwkeurige informatie over het aantal boerderijen of de stichting van de nederzetting. Archeologische gegevens en de ontwikkeling van oude landbouwgronden zijn nodig om de vroegere bewoningsgeschiedenis verder te reconstrueren.
Adolf en Rudolf van Peize — De verwoesting van hun huizen — 1177–1178
In de tweede helft van de twaalfde eeuw raakten de heren Van Peize betrokken bij conflicten rond Groningen en het bisschoppelijke gezag. Volgens historische reconstructies werden huizen van Adolf en Rudolf van Peize verwoest. Ook hun boomgaarden werden beschadigd of vernietigd. Daarmee werd niet alleen hun woonbezit getroffen, maar ook de landbouwproductie. De precieze aard van de huizen is onbekend. Het is mogelijk dat sommige gebouwen verdedigbaar waren, maar zij mogen niet zonder bewijs als stenen kastelen worden beschouwd. Evenmin staat vast dat zij op het terrein van het latere Huis te Peize stonden. De gebeurtenissen tonen de militaire betekenis van het regionale adellijke bezit.
Peize wordt een zelfstandig kerspel — Omstreeks 1190
Volgens de reconstructie van Piet Kodde werd Peize omstreeks 1190 als zelfstandig kerspel van Eelde afgescheiden. Een kerspel was het gebied waarvan de inwoners tot een eigen parochie behoorden. De nieuwe zelfstandigheid betekende dat bewoners hun kerkelijke verplichtingen in Peize konden vervullen. Mogelijk stond er aanvankelijk een houten kerk. De pastoor had voor zijn onderhoud een woning, landbouwgrond en inkomsten nodig. De kerk werd daardoor ook een economische instelling. De precieze datum van de zelfstandigheid moet nog worden gecontroleerd aan de hand van oorspronkelijke bronnen. Wel past de ontwikkeling bij de groei van de agrarische nederzettingen in Noordenveld.
De stichting van de abdij Aduard — 1192
In 1192 werd de cisterciënzer abdij van Sint-Bernardus in Aduard gesticht. De abdij groeide uit tot een belangrijke religieuze en economische instelling in Noord-Nederland. Zij verwierf landbouwgoederen, organiseerde ontginningen en ontwikkelde activiteiten rond de productie van bouwmaterialen. Vooral Foxwolde, Terheijl en het gebied van het Peizerdiep werden belangrijk door de aanwezigheid van potklei, veen en waterwegen. De abdij had grote hoeveelheden voedsel, hout, stenen en andere materialen nodig voor haar gebouwen en bewoners. Door het beheer van verspreide goederen ontstonden langdurige economische verbindingen tussen Aduard, Noord-Drenthe en het Groninger Westerkwartier.
Het Bentheimer doopvont van Peize — 1200–1225
De Johanneskerk van Peize bezit een bijzonder zandstenen doopvont dat vermoedelijk tussen 1200 en 1225 werd vervaardigd. Het is gehouwen uit Bentheimer zandsteen, waarschijnlijk afkomstig uit de omgeving van Gildehaus. De ronde kuip wordt gedragen door vier gebeeldhouwde leeuwen. De versiering bestaat onder meer uit palmetten, wijnranken, druiventrossen en boogvormige ornamenten. Het doopvont vormt een tastbare herinnering aan het middeleeuwse kerkelijke leven. De herkomst van de steen toont dat voorwerpen en bouwmaterialen over grote afstanden werden vervoerd. Via welke afzonderlijke weg of vaarroute het zware doopvont Peize bereikte, is niet bekend.
De stichting van klooster Yesse — Essen — 1215–1216
Omstreeks 1215–1216 werd bij Essen, ten zuiden van Groningen, het cisterciënzer vrouwenklooster Yesse gesticht. Het klooster bleef tot het einde van de zestiende eeuw bestaan. Archeologisch onderzoek bracht resten van gebouwen, religieuze voorwerpen en gebruiksgoederen aan het licht. Twee loden pauselijke zegels zijn bijzonder belangrijk. Zij behoorden aan Honorius III, paus van 1216 tot 1227, en Gregorius IX, paus van 1227 tot 1241. De oorspronkelijke brieven zijn verloren gegaan. De vondsten tonen echter dat het jonge klooster contacten had met de pauselijke administratie. Yesse vormde daarmee een religieuze instelling die met kerkelijke machtscentra buiten de eigen omgeving verbonden was.
De gebouwen en het dagelijks leven van klooster Yesse — Dertiende–vijftiende eeuw
Archeologische onderzoeken bij Yesse brachten aanwijzingen voor gebouwen, opslag en religieuze activiteiten aan het licht. Met grondradar en proefsleuven werd de ligging van onderdelen van het kloostercomplex onderzocht. Er werden ijzeren sleutels gevonden die vermoedelijk dienden voor deuren en kisten. Ook kwamen loden schrijfstiften, onderdelen van boeksluitingen en fragmenten van religieuze beeldjes tevoorschijn. De schrijfstiften konden worden gebruikt om hulplijnen op perkament aan te brengen. De vondsten tonen dat administratie en schriftgebruik een rol speelden. Onderzoekers ontdekten bovendien houten constructieresten die mogelijk dateren uit de periode vóór de stichting van het klooster. Hun oorspronkelijke functie is nog onzeker.
De strijd tussen Utrecht en Drenthe — Begin dertiende eeuw
Tijdens de eerste decennia van de dertiende eeuw waren de bestuurlijke verhoudingen in Drenthe bijzonder onrustig. De bisschoppen van Utrecht, de heren van Coevorden en verschillende Drentse en Groninger families streden om rechten en gezag. Deze conflicten waren verbonden met grondbezit, rechtspraak en militaire verplichtingen. De heren Van Peize hadden door hun familiebetrekkingen belangen bij de machtsstrijd. Ook in Groningen bestonden tegenstellingen tussen prefecten, stedelijke families en hun aanhangers. De oorlogen hadden gevolgen voor de dorpen en landbouwbedrijven. Gewapende groepen konden gebouwen vernielen, oogsten beschadigen en bewoners dwingen de strijdende partijen te ondersteunen.
De Slag bij Ane — 28 juli 1227
Op 28 juli 1227 vond bij Ane een veldslag plaats tussen het leger van bisschop Otto II van Utrecht en Drentse opstandelingen onder leiding van Rudolf van Coevorden. De bisschop werd verslagen en kwam om het leven. De strijd hield verband met langdurige conflicten over landsheerlijk gezag en plaatselijke rechten. Ook families uit Noord-Drenthe waren bij deze machtsverhoudingen betrokken. De nederlaag betekende niet dat de bisschoppen hun aanspraken op Drenthe opgaven. Er volgden nieuwe militaire ondernemingen. De Slag bij Ane vormde bovendien de achtergrond van afspraken over de stichting van een vrouwenklooster, waaruit later Maria in Campis zou ontstaan.
De strijd na Ane — Menzo en Hendrik van Peize — 1228–1231
Na de Slag bij Ane zette bisschop Wilbrand de strijd tegen Rudolf van Coevorden en diens bondgenoten voort. De Quedam narracio noemt ook personen uit de families Van Peize en Van Grasdorf. Menzo van Grasdorf wordt met de Peizer familie verbonden. Zijn zoon Hendrik raakte betrokken bij een gewapend conflict tijdens een kerkdienst in Nijenstede. Verschillende tegenstanders van de bisschoppelijke partij werden gevangengenomen. Volgens de kroniek vonden op 25 juli 1231 bij Hardenberg executies plaats. De tekst is opgesteld vanuit een bisschoppelijk gezichtspunt. De opgegeven familiebetrekkingen en de beschrijving van afzonderlijke gebeurtenissen moeten daarom kritisch worden beoordeeld.
De stichting van Maria in Campis — 1227–1261
Na de Slag bij Ane werd de stichting van een vrouwenklooster onderdeel van de afspraken tussen de bisschop en de Drenten. Het klooster ontstond tussen 1234 en 1246 en werd opgenomen in de cisterciënzer orde. Aanvankelijk lag het in de omgeving van Coevorden. De omstandigheden waren daar ongunstig, waarna de kloostergemeenschap toestemming vroeg om te verhuizen. Omstreeks 1260 vestigde zij zich bij Assen. Hier ontstond Maria in Campis, ook Mariënkamp genoemd. Het klooster verwierf landbouwgoederen, renten, tienden, bossen en veengronden. Deze bezittingen zouden Assen gedurende de middeleeuwen verbinden met verschillende dorpen in Noord-Drenthe.
De economische organisatie van Maria in Campis — Dertiende–zestiende eeuw
Het klooster Maria in Campis beschikte uiteindelijk over ongeveer veertig boerderijen, naast andere landbouwgronden en goederen. De gemeenschap was betrekkelijk klein, maar haar economische belangen reikten over een groot gebied. De inkomsten konden bestaan uit pachten, tienden, graan en andere landbouwproducten. Bij het klooster waren werkzaamheden verbonden aan een bakkerij, brouwerij, varkensstal, ziekenzaal en schoenmakerij. Naast de nonnen verbleven er lekenbroeders en andere helpers. Sommige bewoners ontvingen verzorging in ruil voor overgedragen goederen. Het klooster vormde daardoor een kleine economische gemeenschap die afhankelijk was van een uitgebreid netwerk van landerijen en landbouwbedrijven.
De eerste versterkte huizen van Drenthe — Twaalfde–dertiende eeuw
Naast gewone boerderijen ontstonden in Drenthe versterkte woonplaatsen van aanzienlijke families. Sommige bestonden uit kunstmatig opgeworpen heuvels met grachten en houten gebouwen. Bij Borgbarchien, tussen Ansen en Uffelte, werd een ongeveer drie meter hoge heuvel onderzocht. De oorspronkelijke gracht was ongeveer twintig meter breed. Er werden middeleeuws aardewerk en een ijzeren bijl gevonden, maar geen overtuigende resten van een bakstenen hoofdgebouw. Een houten versterking is daarom aannemelijk. Volker van Coevorden, die omstreeks 1195 bij Ansen zou hebben gewoond, wordt als mogelijke bezitter genoemd. De identificatie is echter niet bewezen. Ook bij Wittelte zijn mogelijke mottekastelen onderzocht.
De stenen Johanneskerk van Peize — Omstreeks 1270
Omstreeks 1270 verrees in Peize een stenen kerk op een hoger gedeelte van de zandrug. Voor de bouw werden grote bakstenen gebruikt, de zogenoemde kloostermoppen. De fundering bestond uit zwerfkeien. Het schip kreeg dikke muren met lisenen, verticale muurversterkingen die het gebouw in traveeën verdeelden. De vensters combineerden romaanse en vroeggotische kenmerken. Aan de oostzijde lag het koor en aan de westzijde werd een toren gebouwd. De kerk was gewijd aan Johannes de Doper. Het gebouw toont dat Peize in de dertiende eeuw over voldoende middelen beschikte om een aanzienlijk kerkelijk bouwwerk op te richten.
De Waterburcht van Eelde — 1266
Bij Eelde lag een omvangrijke middeleeuwse versterking die bekendstaat als de Waterburcht. Historische gegevens verbinden het complex met een conflict uit 1266 en leden van een plaatselijke schultenfamilie. Archeologisch onderzoek in 1987 en 1988 bracht aanwijzingen voor meerdere ringgrachten aan het licht. De binnenste onderzochte gracht was ongeveer tien meter breed. Mogelijk stond op een verhoogd terrein een houten verdedigingsgebouw. De versterking werd tijdens de machtsstrijd vernield, maar mogelijk later opnieuw gebruikt of hersteld. De precieze bouwfasen en de namen van alle betrokkenen moeten worden gecontroleerd. De vondsten tonen dat Eelde een plaats van bestuurlijke en militaire betekenis was.
De schulten van Eelde en hun machtspositie — Dertiende–veertiende eeuw
De schulten van Eelde waren betrokken bij het plaatselijke bestuur en de rechtspraak. Hun functie stond in verband met het gezag van de bisschop van Utrecht. De familie wordt ook met de Waterburcht in verband gebracht. Het bezit van een versterkte woonplaats kon haar machtspositie ondersteunen. In de veertiende eeuw bleef de schultenfamilie in historische documenten voorkomen. In 1339 wordt een schulte van Eelde genoemd bij een verbond tussen Drenthe, Coevorden, het Gorecht en Groningen. De bestuurlijke verhoudingen waren echter veranderlijk. Plaatselijke schulten konden aanzienlijke invloed uitoefenen, zonder dat hun macht volledig onafhankelijk was van de landsheer.
Ludolf van Bunne en de Duitse Orde — 1272–1276
Ludolf van Bunne behoorde tot een familie die goederen bezat in Noord-Drenthe en Groningen. In 1272 trad hij toe tot de Duitse Orde. Deze geestelijke ridderorde was tijdens de kruistochten ontstaan en ontwikkelde zich tot een internationale instelling met bezittingen in verschillende Europese gebieden. In 1276 schonk Ludolf zijn huis of erve in Bunne met andere goederen aan de orde. Daarmee ontstond de basis voor een nieuwe vestiging in Noord-Drenthe. Het uiterlijk van het oorspronkelijke huis is onbekend. Het kan een aanzienlijk gebouw zijn geweest, maar de aanwezigheid van een versterkte stenen burcht is niet bewezen. Ludolf bekleedde later belangrijke functies binnen de orde.
De Duitse Orde en haar internationale verbindingen — Dertiende eeuw
De Duitse Orde beschikte over een organisatie die was verdeeld in verschillende balijen. Voor Noord-Nederland waren onder andere Utrecht en Westfalen van betekenis. De orde bezat landerijen, kerken, huizen en inkomstenrechten. De opbrengsten daarvan ondersteunden haar religieuze en militaire activiteiten. De leden kwamen uit verschillende adellijke families en gebieden. De naam Duitse Orde betekent daarom niet dat alle ridders in Bunne uit één bepaalde Duitse streek afkomstig waren. Ook verbindingen met Overijssel, Utrecht en de noordelijke Nederlanden waren belangrijk. De schenking van Ludolf van Bunne bracht het plaatselijke grondbezit binnen een veel groter bestuurlijk en economisch netwerk.
De commanderij van Bunne — 1276–1302
De goederen die Ludolf van Bunne aan de Duitse Orde schonk, ontwikkelden zich tot een commanderij. Vanaf uiterlijk 1302 functioneerde Bunne als plaatselijk beheerscentrum van de orde. Aan het hoofd stond een commandeur. Volgens latere beschrijvingen verbleven er doorgaans slechts enkele broeders, waaronder een priester. De commanderij was dus geen grote abdij met tientallen bewoners. Zij beheerde landbouwgronden, erven, renten en kerkelijke rechten. De opbrengsten ondersteunden zowel het plaatselijke huis als de grotere organisatie. De ligging aan de Bunner Es en bij het dal van de Winderloop bood mogelijkheden voor landbouw en verbindingen met omliggende dorpen.
De kapel en de gebouwen van Bunne — Dertiende–veertiende eeuw
Bij de commanderij van Bunne hoorde een kapel die door een priesterbroeder van de Duitse Orde kon worden bediend. Daarnaast waren woongebouwen, landbouwvoorzieningen en opslagruimte nodig. Het goederencomplex lag bij de overgang van de Bunner Es naar het beekdal van de Winderloop. De latere beschrijvingen noemen een stenen huis, een boerderij en verschillende bijgebouwen. Grachten vormden een onderdeel van de aanleg. Het is niet bekend hoe het oudste complex eruitzag of wanneer alle afzonderlijke gebouwen werden opgetrokken. De kapel en het goederenbeheer tonen wel dat religieuze en economische werkzaamheden binnen één instelling samenkwamen. Het complex had daardoor betekenis voor Bunne en Winde.
Het refugiehuis van Bunne in Groningen — Dertiende–zestiende eeuw
De commanderij van Bunne beschikte over een huis in Groningen dat als refugiehuis bekendstaat. Het gebouw lag vermoedelijk aan de westzijde van de Folkingestraat. Ludolf van Bunne bezat in de jaren zeventig van de dertiende eeuw één of meer huizen in de stad. Een gedeelte daarvan werd aan de Duitse Orde overgedragen. Mogelijk ontstond uit deze bezittingen het latere refugiehuis. Een dergelijk gebouw kon worden gebruikt voor onderdak en zakelijke contacten. De precieze ligging is nog niet vastgesteld. De Groningse bezittingen tonen dat Bunne niet uitsluitend een landelijke landbouwvestiging was, maar rechtstreeks verbonden bleef met het stedelijke leven.
Donderen en Zeger van Donderen — 1276
In een oorkonde uit 1276 verschijnt Sigheri de Dunren, doorgaans weergegeven als Zeger van Donderen. De vermelding is belangrijk omdat zij een bewoner rechtstreeks met het dorp verbindt. Lange tijd werd 1413 als vroegste vermelding van Donderen gebruikt. De oorkonde uit 1276 brengt de schriftelijk aantoonbare geschiedenis aanzienlijk verder terug. Het dorp lag op een hogere langgerekte zandgrond tussen de Noorderesch en Zuideresch. De lagere gebieden boden grasland, veen en andere gebruiksgronden. Donderen had verbindingen met Vries, Bunne, Peize, Roden en Norg. Het bestaan van de naam in 1276 betekent niet dat de nederzetting toen pas ontstond. De bewoning kan ouder zijn geweest.
De schenking van het patronaatsrecht van Eelde — 1289
In 1289 schonk Gijsbert II van Buckhorst, met toestemming van zijn broer Walter, het patronaatsrecht van de kerk van Eelde aan het Duitse Huis in Utrecht. Het patronaatsrecht gaf invloed op de voordracht van geestelijken. De kerk was gewijd aan Maria en Sint Gangulphus. De schenking vond plaats bij de intrede van Gijsbert in de Duitse Orde. De oorspronkelijke herkomst van het recht binnen de familie Van Buckhorst is onbekend. Aanvankelijk werd het recht niet rechtstreeks door de commanderij van Bunne uitgeoefend. De schenking vormde wel het begin van een langdurige institutionele verbinding tussen de kerk van Eelde en de Duitse Orde.
Het Domkapittel van Utrecht en de kerk van Eelde — Dertiende–veertiende eeuw
Het patronaatsrecht van Eelde kende een ingewikkelde geschiedenis. Ook het Domkapittel van Utrecht beschouwde zich nog lange tijd als patronaatsheer van de kerk. De schenking uit 1289 had het recht echter met de Duitse Orde verbonden. Pas in 1399 werd de feitelijke uitoefening van het benoemingsrecht aan de commanderij van Bunne gekoppeld. Vanaf dat moment kreeg de commandeur invloed op de benoeming van de pastoor. De geschiedenis toont hoe kerkelijke rechten tussen verschillende instellingen konden verschuiven. Dergelijke rechten waren niet alleen religieus belangrijk. Zij konden ook samenhangen met inkomsten, landerijen en de maatschappelijke positie van de betrokken families.
De valkenpacht van de kerk van Vries — Vanaf 1296
De kerken van Vries, Anloo, Beilen en Westerbork waren verbonden met een bijzondere verplichting die bekendstond als valkenpacht. Volgens historische overzichten werd deze heffing aanvankelijk in natura ontvangen door de bisschop van Utrecht. Vanaf 1296 kwamen de opbrengsten rechtstreeks ten goede aan het kapittel van de Sint-Clemenskerk in Steenwijk. Later werd de verplichting omgezet in geldbetalingen. De heffing bleef tot in de zeventiende eeuw bestaan. De geschiedenis toont hoe oude kerkelijke inkomsten langdurig verbonden konden blijven met afzonderlijke Drentse parochies. Voor Vries is zij bijzonder omdat zij een financiële relatie met een instelling buiten Drenthe zichtbaar maakt.
De groei van Peize — Omstreeks 1300
Peize groeide gedurende de dertiende eeuw uit tot een grotere agrarische nederzetting. Piet Kodde schatte dat het dorp omstreeks 1300 ongeveer veertig boerderijen telde. Dit aantal blijft een historische reconstructie. De boeren gebruikten de hogere essen voor akkerbouw en de lagere gebieden langs de beken voor hooiwinning en veeteelt. Door bevolkingsgroei ontstond behoefte aan nieuwe landbouwgronden. De Peizerhorst en de randen van de venen boden mogelijkheden voor uitbreiding. De wegen en boerderijen vormden geen strak stratenpatroon. De inrichting van het dorp werd bepaald door oudere erven, de brink, de kerk en het beschikbare landbouwgebied.
De kloosterlijke steenproductie van Aduard — Dertiende eeuw
Met de groei van de abdij Aduard nam de behoefte aan bakstenen en andere bouwmaterialen toe. In 1240 begon onder abt Eylarus de bouw van een grote kloosterkerk. Volgens de abtenkroniek waren daarbij ongeveer tweehonderd lekenbroeders betrokken. Voor de bouw waren grote hoeveelheden klei, brandstof en arbeidskracht nodig. Het klooster ontwikkelde kennis van de baksteenproductie en kreeg belangen bij geschikte kleivoorraden. Naast klei uit de omgeving van Aduard werden later ook gebieden als Foxwolde en Terheijl belangrijk. Het vervoer over water was aantrekkelijk omdat stenen zwaar waren. Daardoor ontstond een economische verbinding tussen kloosterbouw en de grondstoffen van Noord-Drenthe.
De Kleibosch bij Foxwolde — Dertiende–veertiende eeuw
Bij Foxwolde lag De Kleibosch, waar dikke lagen potklei dicht onder het oppervlak voorkwamen. De klei was geschikt voor het vervaardigen van grote bakstenen en dakpannen. Het klooster Aduard wordt in historische onderzoeken verbonden met de exploitatie van deze grondstof. De werkzaamheden vereisten kleiputten, droogplaatsen, ovens en voldoende brandstof. Hout en mogelijk turf konden worden gebruikt om de ovens te stoken. De aanwezigheid van het Peizerdiep maakte vervoer naar andere plaatsen mogelijk. De naam Peizer Pan wordt later met de plaatselijke dakpannenproductie in verband gebracht. De precieze oorsprong van deze benaming is nog niet definitief bewezen.
De eerste tichelovens en kloostermoppen — Foxwolde — 1250–1400
De steenproductie rond Foxwolde leverde materiaal voor kerken, kloosters en andere belangrijke gebouwen. Grote bakstenen werden kloostermoppen genoemd. De klei werd uitgegraven, voorbereid en in vormen gebracht. Daarna moesten de stenen gedurende voldoende tijd drogen voordat zij in ovens konden worden gebakken. Voor het bakken waren gespecialiseerde arbeiders en grote hoeveelheden brandstof nodig. De producten konden via sloten en het Peizerdiep worden vervoerd. De aanwezigheid van kleiputten en oude veldnamen vormt een aanwijzing voor de ligging van vroegere bedrijven. Niet alle afzonderlijke ovens uit de middeleeuwen zijn archeologisch teruggevonden. De bedrijfsorganisatie blijft daarom voor deze vroege periode gedeeltelijk onbekend.
Het kloostervoorwerk Hoogeheem — Bij Hoogkerk — Omstreeks 1300
Bij Hoogkerk lag het Hoogeheem, een landbouwbedrijf dat met het klooster van Assen was verbonden. Archeologisch onderzoek toonde aan dat het terrein ongeveer 100 bij 200 meter groot was en door grachten werd begrensd. Houten onderdelen van een brug konden rond 1300 worden gedateerd. Op een verhoogd gedeelte stond een bijzonder grote boerderij van ongeveer 45 bij 11 meter. In de veertiende eeuw werd deze vervangen door een gebouw van ongeveer 36 bij 10 meter. De omvang toont dat het om een landbouwbedrijf ging dat veel groter was dan een gewoon boerenbedrijf. Het Hoogeheem verbond kloosterbezit met de exploitatie van het natte randgebied tussen Drenthe en Groningen.
De afwatering van Peize, Roden en Aduard — 1313
In 1313 maakten de abdij Aduard en vertegenwoordigers van Peize, Roden, Foxwolde en Lieuwerderwolde afspraken over hun gezamenlijke afwatering. Het ging om een nieuwe zijl en een zijltocht bij Arbere, ten noordwesten van Aduard. Het onderhoud werd tussen de betrokken partijen verdeeld. Ook moesten twee bruggen worden onderhouden, waaronder een wagenbrug bij Aduard en een kerkbrug bij Leegkerk. De overeenkomst toont dat de waterhuishouding van Noord-Drenthe afhankelijk was van voorzieningen die ver buiten de afzonderlijke dorpen lagen. De landbouwgronden konden alleen bruikbaar blijven wanneer water via het regionale stelsel voldoende werd afgevoerd.
Het Eelderdiep en het Peizerdiep — Veranderende waterlopen — Veertiende eeuw
Het Eelderdiep en het Peizerdiep voerden water af uit verschillende delen van Noord-Drenthe. Hun benedenlopen veranderden door natuurlijke processen en menselijke ingrepen. Op enig moment werd water uit het Eelderdiep westwaarts geleid, zodat het bij Eiteweerd in het Peizerdiep terechtkwam. De precieze datum van deze omlegging is onbekend. Het samenbrengen van water kon de uitwatering verbeteren, maar veranderde ook de verdeling van wateroverlast. Het ontbreken van Eelde als afzonderlijke deelnemer aan de overeenkomst van 1313 is een aanwijzing voor een andere toenmalige afwateringssituatie, maar geen doorslaggevend bewijs. De oude en latere lopen moeten daarom zorgvuldig worden onderscheiden.
De waterafspraken bij Schilligeham — 1323
In 1323 maakten verschillende gemeenschappen afspraken met de zijlvesten van Winsum over werkzaamheden bij Schilligeham. Ook Eelde behoorde tot de betrokken kerspelen. Dat betekent niet automatisch dat het Eelderdiep toen al met het Peizerdiep verbonden was. De oostelijke gronden van Eelde konden ook via de Drentsche Aa en het Reitdiep afwateren. De overeenkomst laat zien hoe ingewikkeld de waterhuishouding van Noord-Drenthe en Groningen was geworden. Verschillende stroomgebieden, sluizen en dorpsgemeenschappen waren van elkaar afhankelijk. Wie water wilde afvoeren, moest rekening houden met de belangen van benedenstrooms gelegen bewoners en met de kosten van onderhoud.
De nieuwe zijl en de verdeling van kosten — Omstreeks 1335
De uitwatering bij Arbere functioneerde niet altijd voldoende. Omstreeks 1335 ontstond opnieuw een geschil over het aanleggen en betalen van een sluis. Als scheidsrechters traden mannen op die eerder burgemeester van Groningen waren geweest. Zij moesten bepalen hoe de kosten en verplichtingen over de betrokken gemeenschappen werden verdeeld. Dergelijke geschillen betroffen niet alleen de technische werking van een zijl. Ook de vraag wie voordeel had van een watergang en wie daarvoor moest betalen was belangrijk. Een goede afwatering was noodzakelijk voor landbouw, bewoning en vervoer. Zonder voldoende waterafvoer konden lage percelen lange tijd onder water staan.
De heren en schulten van Eelde — Dertiende–veertiende eeuw
In de dertiende en veertiende eeuw werden de bestuurlijke verhoudingen van Eelde mede bepaald door plaatselijke schulten en aanzienlijke families. De schulte had een functie binnen de rechtspraak en het landsheerlijke bestuur. De familie die met de Waterburcht wordt verbonden, beschikte vermoedelijk over belangrijke plaatselijke rechten. In 1339 verschijnt een schulte van Eelde bij een verbond tussen Drenthe, Coevorden, het Gorecht en Groningen. De precieze verdeling van bestuurlijke bevoegdheden veranderde gedurende de tijd. De geschiedenis van de schulten maakt duidelijk dat Eelde niet uitsluitend een agrarisch dorp was, maar ook een plaats waar regionale bestuurlijke belangen samenkwamen.
De bronzen kookpot bij de kerk van Eelde — Veertiende eeuw
In 1867 werd bij de kerk van Eelde een bronzen kookpot gevonden die later in de veertiende eeuw werd gedateerd. Het voorwerp vertoonde bijzondere beschadigingen. Op de bodem waren twee pogingen zichtbaar om het metaal van binnenuit te doorboren. Ook bevond zich een grote deuk in de wand. Archeoloog Vincent van Vilsteren onderzocht vergelijkbare beschadigingen bij metalen potten en voerde experimenten uit. Volgens zijn onderzoek kunnen zulke vervormingen door doelbewuste slagen zijn ontstaan. Mogelijk werd de pot bewust onbruikbaar gemaakt voordat deze in de grond terechtkwam. De oorspronkelijke aanleiding blijft echter onbekend. De vondst vormt een bijzonder aanknopingspunt voor het middeleeuwse gebruik van metalen voorwerpen.
De middeleeuwse kerk van Eelde — Dertiende–vijftiende eeuw
De kerk van Eelde was gewijd aan Maria en Sint Gangulphus en stond op een iets hoger gelegen kerkhof. Van een oudere romaanse voorganger zijn bouwfragmenten bewaard gebleven. Het huidige bakstenen kerkgebouw ontstond grotendeels in de veertiende eeuw. Het kreeg een eenbeukig schip en een smaller koor. Een zware westtoren ontbreekt; het gebouw kreeg een dakruiter. De kerk vormde het religieuze centrum van een omvangrijk kerspel. Het patronaatsrecht was sinds 1289 verbonden met de Duitse Orde, maar haar precieze rol bij de bouw is onbekend. Het gebouw laat de ontwikkeling zien van plaatselijke kerkelijke instellingen en de aanvoer van bouwmaterialen.
Het testament van pastoor Swederus — Peize — 17 september 1360
Op 17 september 1360 stelde pastoor Swederus van Peize een testament op. Daarin noemde hij zijn zoon Dodo, die eveneens geestelijke was. Aan Dodo vermaakte hij zeven schellingen. Ook trof hij regelingen voor zijn andere kinderen en hun moeder. Het testament is opgenomen in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe onder nummer 491. Het document vormt een zeldzame persoonlijke bron voor het middeleeuwse dorpsleven. Het laat zien dat geestelijken niet altijd volgens het officiële kerkelijke ideaal van ongehuwdheid leefden. Daarnaast geeft het inzicht in persoonlijk bezit, erfopvolging en de familiebetrekkingen van een pastoor in het veertiende-eeuwse Peize.
De nieuwe afwatering bij Lieuwerderwolde — Omstreeks 1360
Omstreeks 1360 werden nieuwe maatregelen genomen om de afwatering ten westen van Groningen te verbeteren. Een akte van 25 augustus 1360 heeft betrekking op de waterstaatkundige verhoudingen. Voor Lieuwerderwolde ontstond een noordwaarts gerichte afvoerroute. De bestaande watergangen waren voortdurend aan verandering onderhevig. Veeninklinking, dichtslibbing en wateroverlast konden nieuwe werkzaamheden noodzakelijk maken. Het waterstelsel van Peize, Roderwolde, Aduard en Hoogkerk moest daarom steeds worden aangepast. De aanleg van nieuwe watergangen toont dat de ontginning van de lage veengebieden afhankelijk bleef van gezamenlijk onderhoud en investeringen. Het waterbeheer had gevolgen voor landbouw, wegen en plaatselijke inkomsten.
Ter Hansouwe als middeleeuws steenhuis — Peizerhorst — Veertiende eeuw
Aan De Horst bij Peize lag het adellijke Huis ter Hansouwe. Het oudste gedeelte wordt beschouwd als een middeleeuws steenhuis. Het gebouw stond op de overgang van hogere zandgronden naar het beekdal van het Eelderdiep. De familie Ter Hansouwe beschikte over landerijen en onderhield betrekkingen met Groningen. Een steenhuis vormde niet uitsluitend een woning, maar was ook een uitdrukking van maatschappelijke positie. Het bezit kon bestaan uit akkers, graslanden, inkomstenrechten en bijgebouwen. De precieze bouwfasen van het huidige complex moeten nog verder worden onderzocht. Ook is niet bewezen dat een eventuele oudere versterking op dezelfde plaats stond.
De familie Ter Hansouwe en Groningen — 1383–1395
Johan van der Hansouwe kocht in 1383 land bij Haren en trad in 1384 op als getuige bij een overeenkomst over tienden. Herman ter Hansouwe, mogelijk zijn zoon, behoorde in 1395 tot de Drenten die de bisschop van Utrecht huldigden. Deze vermeldingen tonen hoe een aanzienlijk Drents goederenbezit verbonden kon zijn met juridische en bestuurlijke activiteiten in Groningen. De familie bezat niet alleen grond bij Peize, maar maakte deel uit van een groter netwerk van families en instellingen. De verschillende transacties verdienen aandacht omdat zij kunnen helpen om de omvang van het bezit en de relaties tussen Peize, Eelde, Haren en Groningen te reconstrueren.
De zijlbrief van het Aduarderzijlvest — 1382
In 1382 werd het oudste bewaard gebleven reglement van het Aduarderzijlvest opgesteld. De oorspronkelijke Nederduitse zijlbrief is overgeleverd. Het document noemt onder andere Aduard, Lieuwerderwolde, Peize, Roden en Foxwolde als betrokken gebieden. De overeenkomst sloot aan bij oudere waterstaatkundige afspraken uit 1313. Het onderhoud van sluizen, zijltochten en andere watergangen was noodzakelijk voor de landbouw en bewoning. Door inklinking van veen en veranderingen in natuurlijke geulen bleef de afwatering kwetsbaar. De zijlbrief toont dat waterbeheer in de veertiende eeuw een georganiseerde bestuurlijke taak was geworden. Deelnemende gemeenschappen moesten rekening houden met gemeenschappelijke belangen en financiële verplichtingen.
De kloostergoederen in Rhee — Maria in Campis — 1382
Een oorkonde uit 1382 verbindt het klooster Maria in Campis met goederen in Rhee, ten noorden van Assen. Reinoud IV, heer van Coevorden, droeg daarin bezittingen aan het klooster over. Rhee lag aan een oude verbinding tussen Balloo, Loon, Peelo, Zeijen en Lieveren. Het gebied kende bovendien oudere bewoning. De schenking toont dat het klooster niet alleen rond Assen goederen bezat. Ook op grotere afstand lagen landbouwgronden die inkomsten konden opleveren. De ligging langs een oude weg was belangrijk voor de bereikbaarheid. De oorkonde vormt een concreet voorbeeld van de verbinding tussen kloosterbezit, agrarische economie en de hogere zandgronden van Noord-Drenthe.
Harssens als kerkplaats en versterkt goed — Veertiende eeuw
Harssens ontwikkelde zich bij Adorp tot een plaats met kerkelijke en adellijke betekenis. In 1365 wordt het genoemd als zelfstandige parochie met een kerk en steenhuis. Archeologisch onderzoek bracht later resten van verschillende bouwfasen aan het licht. Er werden middeleeuwse kogelpotscherven, kloostermoppen, dakpannen en resten van een latere borg gevonden. Ook kwamen menselijke skeletresten tevoorschijn die mogelijk afkomstig waren van het kerkhof van de verdwenen kerk. De onderzoekers Ben Westerink en Ernst Taayke onderzochten de geschiedenis van het terrein. Harssens vormt een belangrijk vergelijkingsvoorbeeld voor de combinatie van kerkelijk bezit, versterkte bewoning, steenbouw en waterwegen in het gebied rond Groningen.
De kerkelijke en bestuurlijke betekenis van Vries — Veertiende eeuw
In de veertiende eeuw bleef Vries een belangrijk dorp binnen Noordenveld. De kerk bezat een lange geschiedenis en was verbonden met de regionale kerkelijke organisatie. De schulte en andere plaatselijke bestuurders vervulden functies binnen de rechtspraak. De boeren waren afhankelijk van akkers, weiden en gemeenschappelijke gebruiksgronden. De ligging bij oude wegen maakte verbindingen mogelijk met Donderen, Bunne, Eelde, Peize en Groningen. De bronnen uit deze periode tonen dat bestuurlijke, kerkelijke en economische belangen steeds nauwer met elkaar samenhingen. Voor het begrijpen van het dorp zijn daarom zowel kerkelijke documenten als leenregisters, rechtszaken en gegevens over markegronden belangrijk.
De borglenen van Vollenhove — Drenthe — Veertiende eeuw
De bisschop van Utrecht beschikte over borglenen die verbonden waren met het kasteel Vollenhove. Drentse leenmannen konden verplicht zijn militaire diensten te verrichten. Bart Wever onderzocht zestien van deze lenen uit de veertiende eeuw. Daarbij worden onder andere het Mensingegoed in Roden, het Mesteringegoed in Anloo, het Woltingegoed in Gasteren en het Lippingegoed in Noordlaren genoemd. In een reconstructie voor 1379 verschijnt Steven Syghers als leenman van Mensinge. Ook Lamme Mesteringhe en Lefert Woltinghe komen voor. De gegevens tonen dat grondbezit in Drenthe verbonden kon zijn met militaire en bestuurlijke verplichtingen tegenover de bisschop.
De commanderij van Bunne en haar verspreide goederen — Veertiende eeuw
De commanderij van Bunne breidde gedurende de veertiende eeuw haar bezit uit door schenkingen van aanzienlijke families. De goederen bestonden uit landbouwgronden, erven, renten en kerkelijke rechten. Boeren konden pachten verschuldigd zijn in graan, dieren of andere producten. Het beheer vereiste contacten met verschillende dorpen en instellingen. De landbouwgoederen lagen niet noodzakelijk direct rond het ordehuis. Daardoor waren wegen en de bereikbaarheid van afzonderlijke percelen belangrijk. Ondanks de schenkingen groeide Bunne niet uit tot een van de rijkste huizen van de Duitse Orde. De economische positie bleef afhankelijk van pachtinkomsten en de kosten van het onderhoud van gebouwen en bewoners.
De eerste commandeurs van Bunne — Veertiende eeuw
De commandeur vertegenwoordigde de Duitse Orde bij het bestuur van de vestiging in Bunne. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van gebouwen, landbouwgoederen, inkomsten en zakelijke overeenkomsten. In historische overzichten wordt Ghiselbert Scade in 1371 als commandeur genoemd. De namen van verschillende andere commandeurs zijn bekend uit latere akten. Niet iedere vermelding geeft een volledige ambtstermijn aan. De oorspronkelijke documenten moeten daarom worden onderzocht om vast te stellen welke persoon wanneer het bestuur voerde en welke handelingen onder zijn verantwoordelijkheid plaatsvonden. De geschiedenis van de commandeurs vormt een belangrijke toegang tot de bezittingen en de economische organisatie van de Duitse Orde in Noord-Drenthe.
Het Drentse recht en de Etstoel — Veertiende eeuw
De Etstoel was het hoogste rechtscollege van Drenthe. Het behandelde geschillen over grondbezit, erfopvolging, rechten en verplichtingen. De rechtspraak werd uitgeoefend door etten uit de Drentse dingspillen. Plaatselijke schulten vervulden daarnaast een belangrijke rol in bestuur en rechtspraak. Voor Noord-Drenthe zijn deze rechtsbronnen bijzonder waardevol, omdat zij personen en goederen noemen die in andere documenten nauwelijks voorkomen. De ontwikkeling van het Drentse landrecht hield verband met de positie van boeren, eigenerfden en adellijke families. De uitspraken konden bepalend zijn voor de overdracht van erven, het gebruik van gemeenschappelijke gronden en de grenzen tussen afzonderlijke bezittingen.
De Drentse marken en waardelen — Middeleeuwen
De boeren gebruikten een gedeelte van hun gronden gezamenlijk binnen de boermarken. Deze gemeenschappelijke gebieden omvatten heidevelden, bossen, weiden, venen en andere onverdeelde gronden. Niet iedere bewoner had dezelfde rechten. Een waardeel vertegenwoordigde een aandeel in het gemeenschappelijke grondgebruik. Een volle waar was een volledig aandeel. De rechten konden verbonden zijn aan een bepaald erf en konden door vererving of overdracht veranderen. Het markebeheer bepaalde mede hoeveel vee kon worden geweid en waar hout, plaggen of andere producten mochten worden gewonnen. Ook het onderhoud van wegen, sloten en grenzen kon tot de gezamenlijke verplichtingen behoren.
Bunne en Winde als gemeenschappelijke boermarke — Middeleeuwen
Bunne en Winde vormden gedurende lange tijd samen een boermarke. De bewoners gebruikten de hogere akkers, lagere weiden, heidevelden en venen. Ook de commanderij van Bunne bezat landbouwgoederen binnen dit landschap. Daardoor konden boeren en een religieuze instelling tegelijkertijd belang hebben bij dezelfde wegen, waterlopen en gemeenschappelijke gronden. De verdeling van rechten was belangrijk voor het dagelijkse landbouwbedrijf. Wegen en sloten moesten worden onderhouden om percelen bereikbaar te houden. Oude markegrenzen en veldnamen kunnen helpen om de historische verdeling van het bezit te reconstrueren. Het gebied toont hoe landbouw en geestelijk grondbezit in de middeleeuwen met elkaar verweven waren.
De Brink van Vries — Middeleeuwen
De Brink van Vries vormde een gemeenschappelijke ruimte binnen de agrarische nederzetting. Volgens plaatselijk historisch onderzoek bevond de oudste bewoning zich vooral ten westen van de huidige Brink. Vries bezat vroeger drie brinken, waarvan de grote rechthoekige Kerkbrink bewaard bleef. De brink werd gebruikt om vee te verzamelen voordat het naar de gemeenschappelijke weiden ging. Ook konden bewoners en markegenoten er bijeenkomen om afspraken te maken. De ligging bij de kerk gaf de ruimte een belangrijke maatschappelijke functie. Het dorpscentrum werd daardoor zowel door het landbouwbedrijf als door de kerkelijke en bestuurlijke organisatie gevormd.
De betekenis van de oude Drentse wegen — Tot 1400
De wegen tussen Eelde, Peize, Vries, Bunne, Roden en Groningen werden bepaald door de ligging van hogere zandgronden en natte beekdalen. Reizigers gebruikten voorden, bruggen en waar nodig opgehoogde doorgangen. Een weg die in de zomer goed begaanbaar was, kon in natte perioden moeilijk toegankelijk worden. De historische routes waren belangrijk voor het vervoer van landbouwproducten, vee, hout en andere goederen. Ook geestelijke instellingen en adellijke families hadden belang bij betrouwbare verbindingen tussen hun verspreide bezittingen. Het bestaan van een latere weg bewijst echter niet dat het volledige tracé al in de middeleeuwen werd gebruikt. Daarom zijn oude kaarten, veldnamen en archeologische gegevens noodzakelijk.
De oude voorden en bruggen — Drenthe — Middeleeuwen
Beekovergangen bepaalden waar doorgaande wegen konden lopen. Reizigers maakten gebruik van ondiepe plaatsen waar de bodem stevig genoeg was om een beek over te steken. Dergelijke overgangen werden voorden genoemd. Bij sommige plaatsen werden houten of stenen constructies aangelegd. G.A. Coert onderzocht oude voorden en bruggen in Drenthe. Bij de Hunze werd ter hoogte van Bonnerklap een constructie van veldkeien en hout onderzocht die vermoedelijk als oversteek diende. De vondsten omvatten aardewerk, metalen voorwerpen en botmateriaal. Een vroegmiddeleeuwse mantelspeld vormt een opvallende aanwijzing voor ouder gebruik van het gebied. Deze vondsten tonen dat een voorde meer kon zijn dan een eenvoudige doorwaadbare plek.
De verbindingen over de Drentsche Aa — Middeleeuwen
De Drentsche Aa vormde aan de oostzijde van Noord-Drenthe een belangrijk watersysteem. De overgangen over de beek waren van betekenis voor wegen tussen Groningen, Rolde, Steenwijk en andere plaatsen. Bij de Amerbrug en de vroegere Amervoorde zijn aanwijzingen voor oude doorgangen gevonden. Archeologisch onderzoek bracht daarnaast de mogelijkheid van een verdwenen middeleeuwse watermolen naar voren. De precieze locatie en datering daarvan zijn nog niet overtuigend vastgesteld. De beekdalen konden worden gebruikt voor hooiwinning en beweiding, maar waren ook natuurlijke hindernissen voor verkeer. Hierdoor kregen enkele doorgangen een bijzondere betekenis binnen het regionale wegennet.
Het water als economische verbinding — Noord-Drenthe — Tot 1400
De natuurlijke waterlopen waren niet uitsluitend bedoeld voor afwatering. Waar de waterstand en bedding dat toelieten, konden zij ook worden gebruikt voor vervoer. Kleine schepen konden onder gunstige omstandigheden landbouwproducten, hout en andere goederen verplaatsen. De mogelijkheden verschilden per seizoen en per traject. Sommige watergangen waren natuurlijk, terwijl andere door mensen werden gegraven of aangepast. Vooral in de lage gebieden richting Groningen waren vaarverbindingen aantrekkelijk omdat wegen vaak nat en moeilijk begaanbaar waren. Het ontstaan van kloostergoederen en de productie van bouwmaterialen vergrootte het belang van watertransport. Voor afzonderlijke routes moet de middeleeuwse bevaarbaarheid nog verder worden aangetoond.
De middeleeuwse Alsengem van Lieveren — Twaalfde–dertiende eeuw
Bij Lieveren werd in 1862 een bijzondere glazen schijf gevonden waarop vier menselijke figuren waren ingekrast. Het voorwerp behoort tot de groep van de zogenoemde Alsengemmen. Vergelijkbare voorwerpen zijn bekend uit andere delen van Noordwest-Europa. Een verwant exemplaar werd later in Oslo gevonden, in een graf uit de dertiende eeuw. De oorspronkelijke functie van deze glazen voorwerpen is onzeker. Mogelijk werden zij gedragen als amulet, sieraad of herkenningsteken. De verspreiding toont culturele overeenkomsten tussen verschillende gebieden. Zij bewijst echter geen rechtstreekse handelsroute tussen Lieveren en Scandinavië. De vondst is belangrijk als zeldzaam middeleeuws voorwerp uit Noordenveld.
De nieuwe waterstaatkundige problemen — Noord-Drenthe — Veertiende eeuw
Door ontginning van het veen en het graven van sloten veranderde de waterhuishouding voortdurend. Zodra veengronden werden ontwaterd, begon het maaiveld te dalen. Daardoor konden landbouwpercelen opnieuw te nat worden en ontstond de behoefte aan betere afvoer. Ook het dichtslibben van natuurlijke waterlopen veroorzaakte problemen. De dorpen en kloosters moesten daarom samenwerken bij het onderhoud van sloten, zijlen en bruggen. De afspraken van 1313, 1323, 1335, 1360 en 1382 tonen dat het waterbeheer gedurende de veertiende eeuw steeds opnieuw moest worden geregeld. De landbouw en bewoning van de lage gebieden bleven sterk afhankelijk van deze voorzieningen.
De economische betekenis van Noordenveld rond 1400
Omstreeks 1400 vormden de hogere zandgronden en de omliggende veengebieden één samenhangend economisch landschap. Vries was een oud kerkelijk centrum. Peize en Roden waren belangrijke landbouwdorpen. Bunne huisvestte een commanderij van de Duitse Orde. Eelde had een geschiedenis van schulten, versterkte huizen en kerkelijke rechten. De kloosters van Werden, Aduard en Maria in Campis hadden bezittingen of belangen in de streek. De lage gebieden leverden grasland, veen, klei en andere grondstoffen. Wegen en waterlopen verbonden de landbouwplaatsen met Groningen en het Westerkwartier. Grondbezit, waterbeheer, religie en bestuur waren daardoor gedurende de middeleeuwen steeds nauwer met elkaar verweven.
De Rug van Tynaarloo en Noordenveld — Deel 2
Van omstreeks 1000 tot 1400
De eerste grote verdediging van Groningen — Omstreeks 1030
In de elfde eeuw werd Groningen voorzien van een omvangrijke aarden omwalling. Archeologisch onderzoek heeft vastgesteld dat de aanleg in de jaren na 1029 plaatsvond. De omwalling beschermde een gebied van ongeveer vijftig hectare. Daarbinnen lagen niet alleen huizen, maar ook erven en landbouwgronden. De wal vormde een belangrijk verschil met de dorpen op de Rug van Tynaarloo. Voor Peize, Eelde, Roden, Bunne en Vries is geen vergelijkbare dorpsomwalling uit deze periode bekend. De verdediging van Groningen laat zien dat de nederzetting al vroeg een bijzondere bestuurlijke en strategische positie kreeg.
Het graafschap Drenthe en de macht van Utrecht — 1024–1040
In 1024 verwierf de bisschop van Utrecht het graafschap Drenthe. In 1040 schonk koning Hendrik III bezittingen en rechten in Groningen aan dezelfde kerkelijke machthebber. Daarbij werden onder andere munt- en tolrechten genoemd. Groningen kreeg daardoor een andere positie dan de omringende Drentse landbouwdorpen. De bisschoppelijke vertegenwoordigers konden rechtspraak uitoefenen en inkomsten uit economische activiteiten verwerven. De ontwikkeling van Groningen tot een handels- en bestuurscentrum verliep vervolgens geleidelijk. De oorkonde van 1040 bewijst echter niet dat de bisschop toen al afzonderlijke tollen bezat bij Peize, Eelde, Roderwolde of De Punt.
Groningen en Drenthe — Het verschil in bestuur en economie
Het verschil tussen Groningen en Drenthe werd in de middeleeuwen steeds duidelijker. Drenthe bleef grotendeels georganiseerd rond esdorpen, plaatselijke rechtsgemeenschappen en landbouw. Groningen ontwikkelde zich tot een centrum van handel, rechtspraak en bestuurlijke macht. De stad kon gebruikmaken van haar ligging tussen de Hondsrug, de Drentsche Aa, de Hunze en het noordelijke kustgebied. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de stad Groningen, het Gorecht en de Friese Ommelanden. Die gebieden hadden niet steeds dezelfde machthebbers of rechtsregels. Het latere conflict tussen Groningen en Drenthe kwam mede voort uit hun verschillende bestuurlijke belangen.
Het verschil tussen Groningen en de Ommelanden — 1000–1200
Groningen had in de vroege middeleeuwen een sterke Drentse achtergrond, terwijl de noordelijke kleigebieden een Friese geschiedenis hadden. In Hunsingo, Fivelingo en het Westerkwartier waren de rechtsverhoudingen anders gegroeid dan op de Drentse zandgronden. Ook kerkelijk bestonden verschillen. Groningen en Drenthe waren verbonden met de bisschop van Utrecht, terwijl grote delen van de Friese Ommelanden tot het bisdom Münster behoorden. De stad Groningen lag daardoor op een overgang tussen verschillende bestuurlijke, kerkelijke en landschappelijke gebieden. Dat maakte de plaats geschikt voor handel, maar ook gevoelig voor conflicten over gezag.
De kerk van Vries krijgt stenen opvolgers — 900–1200
De oudste houten kerkgebouwen van Vries werden uiteindelijk vervangen door stenen voorgangers. Al vroeg werd tufsteen gebruikt, een bouwmateriaal dat van buiten Drenthe moest worden aangevoerd. De romaanse bouwfasen van de huidige Bonifatiuskerk stammen voornamelijk uit de elfde en twaalfde eeuw. De toren werd in de tweede helft van de twaalfde eeuw gebouwd, terwijl het romaanse schip in zijn huidige vorm grotendeels jonger is. De bouw vereiste gespecialiseerde werklieden en aanzienlijke middelen. De kerk werd een blijvend centrum binnen het landschap van essen en brinken. Ook voor het ontstaan van zelfstandige kerken in omliggende dorpen bleef Vries een belangrijk uitgangspunt.
De vroegste veenontginningen — 1000–1200
Vanaf de elfde en twaalfde eeuw werden delen van de Noord-Drentse veengebieden systematischer gebruikt en ontgonnen. Vanuit bestaande nederzettingen konden sloten worden gegraven om water af te voeren. Op de ontwaterde percelen werd aanvankelijk landbouw of veeteelt mogelijk. Door het verdwijnen en inklinken van veen daalde het maaiveld echter geleidelijk. Daardoor konden gronden die eerst bruikbaar waren later opnieuw te nat worden. Het proces verliep niet overal gelijktijdig. Bij Roderwolde, Peizerwold, Eelderwolde en de laagten ten noorden van Peize speelden plaatselijke omstandigheden een grote rol. De ontginningen maakten nieuwe landbouwgebieden toegankelijk, maar vergrootten tegelijk de afhankelijkheid van zorgvuldig waterbeheer.
Roderwolde — De uitbreiding van de bewoning in het veen — 1000–1150
Ten noorden van Roden begonnen bewoners in de elfde eeuw delen van het veenlandschap te ontginnen. Daarbij werden afwateringssloten gegraven en landbouwpercelen aangelegd. De eerste bewoningsplaatsen lagen noordelijker dan het tegenwoordige Roderwolde. Het dorp ontwikkelde zich langs een ontginningsas die verband hield met de langgerekte verkaveling. In 1139 wordt Roderwolde in een bisschoppelijke oorkonde genoemd en beschikte het over een kerkelijke gemeenschap. De ontginning veranderde de natuurlijke waterhuishouding. Naarmate het veen lager kwam te liggen, namen de problemen met natte gronden toe. De bewoningsgeschiedenis van Roderwolde is daarom nauw verbonden met het water.
De ontginning van Roderwolde — 1000–1150
Vanaf de elfde eeuw ontwikkelde zich ten noorden van Roden een nieuw landbouwgebied. Boeren legden lange afwateringssloten aan in het veen en maakten akkers geschikt voor de verbouw van graan. Roderwolde werd in de middeleeuwen een belangrijke producent van rogge. De oudste bewoningsas lag verder noordelijk dan het huidige dorp, in de omgeving van Sandebuur. In 1139 werd Roderwolde voor het eerst schriftelijk vermeld. Archeologisch onderzoek bij Matsloot toont aan dat de inrichting van het veenlandschap al in de elfde en twaalfde eeuw plaatsvond. De ontwatering veroorzaakte vervolgens bodemdaling en toenemende wateroverlast.
De Matsloot — Een gegraven verbinding in een ouder waterlandschap
De Matsloot ligt tussen het Peizerdiep en het Leekstermeer, in een gebied met oude veengeulen en afwateringssystemen. Een belangrijke correctie is dat de Matsloot in historische landschapsbeschrijvingen als een gegraven waterloop wordt aangeduid. Dat sluit niet uit dat bestaande natuurlijke laagten bij de aanleg zijn benut. De waterloop diende voor de afwatering van het omliggende veengebied en werd later ook als vaarwater gebruikt. Voor een volledige reconstructie moeten we de aanlegdatum, de oudere geulen en de bevaarbaarheid afzonderlijk vaststellen. De huidige Matsloot mag daarom niet rechtstreeks als een natuurlijke rivier uit de negende eeuw worden beschouwd.
De gevolgen van ontwatering — Elfde en twaalfde eeuw
Het graven van sloten maakte landbouw in delen van het veen mogelijk, maar veroorzaakte een langdurige verandering van het landschap. Door de afvoer van water begon het veen samen te drukken en te verteren. De daling van het maaiveld betekende dat eerder bruikbare landbouwgronden geleidelijk natter konden worden. Boeren moesten nieuwe sloten graven en soms hun woonplaatsen aanpassen of verplaatsen. Tegelijkertijd kon de invloed van hoge waterstanden vanuit het noordelijke kustgebied toenemen. De problemen ontstonden niet overal tegelijk. De plaatselijke bodemopbouw, de ligging van de waterlopen en de snelheid van de ontginning bepaalden hoe sterk het landschap veranderde.
Eelde en de kerkelijke herindeling — 1139
In een bron uit 1139 worden Vries en verschillende kerken in het omringende Noordenveld genoemd. Eelde, Norg, Roden en Roderwolde waren inmiddels kerkelijk zelfstandiger geworden ten opzichte van het oude centrum Vries. Dat wijst op groei van de bevolking en de agrarische nederzettingen. De kerk van Eelde werd later gewijd aan Maria en Sint Gangulphus. Zij stond op hoger terrein binnen het dorp en vormde het centrum van een uitgestrekte parochie. De stichting van afzonderlijke kerken betekende ook dat kerkelijke inkomsten en rechten opnieuw verdeeld moesten worden. De ontwikkeling maakte duidelijk dat Noord-Drenthe niet langer uitsluitend vanuit één centrale kerkplaats werd bediend.
Hartbert van Utrecht en zijn Drentse belangen — 1139–1150
Bisschop Hartbert van Utrecht was zowel een geestelijk leider als een wereldlijk machthebber. Drenthe behoorde tot het gebied waar de bisschop zijn gezag probeerde uit te oefenen. Daarbij waren kerkelijke rechten, plaatselijke bestuurders en adellijke families belangrijke middelen. Historische reconstructies verbinden Hartbert met Lambertus, een familielid of vertrouweling die in Peize als bisschoppelijk dienstman zou zijn opgetreden. De precieze familieverhouding en de wijze van aanstelling zijn niet volledig vast te stellen. Wel past deze verbinding bij de pogingen van de Utrechtse bisschoppen om invloed uit te oefenen in het noorden van hun machtsgebied. De daaropvolgende conflicten tonen hoe omstreden dat gezag kon zijn.
Bisschop Hartbert en het bestuur van het noorden — 1139–1150
Hartbert van Utrecht werd in 1139 bisschop en speelde een belangrijke rol in de machtsverhoudingen tussen Groningen en Drenthe. Hij was afkomstig uit het noordelijke gebied en beschikte over familieverbindingen die voor het bestuur van betekenis waren. In de historische overlevering worden zijn verwanten Leffard en Ludolf verbonden met de machtsuitoefening in Groningen en Coevorden. Hierdoor ontstonden verschillende regionale machtscentra binnen het bisschoppelijke gezag. Groningen ontwikkelde zich steeds verder als bestuurlijke plaats, terwijl de Drentse gebieden hun eigen plaatselijke verhoudingen behielden. Deze ontwikkeling vormde een achtergrond voor de conflicten die in de dertiende eeuw zouden volgen.
Peize verschijnt als Pedge — 1165
De oudste bekende schriftelijke vermelding van Peize dateert uit 1165, wanneer de plaats als Pedge wordt aangeduid. De naam wordt in verband gebracht met het vochtige landschap waarin de nederzetting lag. Peize zelf bevond zich op hogere zandgrond, maar werd omgeven door beekdalen en moerassen. De ligging bood landbouwmogelijkheden en maakte het tegelijk noodzakelijk dat bewoners zorgvuldig met wegen en water omgingen. Door de aanwezigheid van adellijke dienstmannen kreeg het dorp ook een bestuurlijke en militaire betekenis. De geschiedenis van Peize kan daarom niet los worden gezien van die van Eelde, Vries, het Westerkwartier en de stad Groningen.
Adolf en Rudolf van Peize in de regionale strijd — 1177–1178
In de tweede helft van de twaalfde eeuw speelden leden van de familie Van Peize een rol in de conflicten rond Groningen en het bisschoppelijke gezag. In het onderzoek worden Adolf en Rudolf van Peize genoemd in verband met strijd en vernieling van bezittingen. Daarbij zouden huizen en boomgaarden zijn verwoest. De precieze onderlinge verwantschap en de toeschrijving van afzonderlijke gebeurtenissen moeten met de middeleeuwse kronieken worden gecontroleerd. Duidelijk is wel dat de aanwezigheid van een adellijke familie gevolgen had voor het dorp. Peize was niet alleen een agrarische nederzetting, maar lag ook binnen een gebied waar plaatselijke heren, bisschoppelijke vertegenwoordigers en Groninger machtsgroepen tegenover elkaar stonden.
De heren van Peize en hun conflicten — 1177–1178
In de twaalfde eeuw beschikten adellijke families in de omgeving van Peize over aanzienlijke plaatselijke invloed. Adolf en Rudolf van Peize worden genoemd in verband met gewelddadige conflicten in 1177 en 1178. Daarbij werden huizen en boomgaarden vernield. Deze gebeurtenissen tonen dat de strijd om macht in Noord-Drenthe zich niet beperkte tot Groningen en Coevorden. Ook plaatselijke edelen waren betrokken bij conflicten over gezag en bezittingen. Het bestaan van aanzienlijke huizen in Peize betekent echter niet automatisch dat deze gebouwen als kastelen waren versterkt. Daarvoor zijn afzonderlijke archeologische of schriftelijke aanwijzingen nodig.
De opkomst van versterkte huizen — 1150–1250
In Noord-Drenthe ontstonden versterkte woonplaatsen van families met bestuurlijke en militaire invloed. Hun ligging werd mede bepaald door de bereikbaarheid van wegen en natuurlijke waterbarrières. Bij Peize, Eelde en elders waren zulke huizen belangrijk voor de controle over bezit en plaatselijke rechten. Versterkingen konden bestaan uit opgeworpen heuvels, grachten, houten gebouwen en later stenen woonhuizen. De vormen verschilden per plaats en periode. Niet ieder adellijk huis was een kasteel en niet elke latere havezate had dezelfde rechten als een middeleeuwse versterking. Bij het reconstrueren van deze gebouwen moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen archeologische resten, schriftelijke vermeldingen en latere plaatselijke overleveringen.
De strijd rond Groningen en de Slag bij Ane — 1200–1233
In het begin van de dertiende eeuw waren de machtsverhoudingen in Drenthe bijzonder onrustig. De bisschoppen van Utrecht, de heren van Coevorden en verschillende Drentse en Groninger groepen streden om gezag en rechten. In 1227 werd het bisschoppelijke leger bij Ane verslagen. De gebeurtenissen hadden gevolgen voor het gehele Drentse gebied, ook voor Noord-Drenthe. Namen uit de familie Van Peize, waaronder Lambert, Rudolf en Menzo, komen in de historische overlevering van deze conflicten voor. De precieze rollen moeten aan de oorspronkelijke teksten worden getoetst. De strijd maakte duidelijk dat de lokale adel niet vanzelfsprekend gehoorzaamde aan de landsheer.
De veenterpen — Bewoning tussen 1000 en 1400
De Peizer- en Eeldermaden werden gedurende de middeleeuwen intensiever gebruikt. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat tussen ongeveer 1000 en 1400 mensen op verschillende plaatsen in het veen woonden en werkten. Zij gebruikten opgehoogde woonplaatsen, tegenwoordig bekend als veenterpen. Bij de Peizerweering liggen veertien bekende terpen en drie mogelijke terpen uit de periode 1200–1300. Ook in het Matslootgebied zijn groepen huisplaatsen aangetroffen. Door ontwatering kon het maaiveld zakken, waardoor de omgeving van bestaande boerderijen steeds natter werd. De archeologische vondsten tonen hoe bewoners zich aan veranderende waterstanden probeerden aan te passen.
De haarden van de veenbewoners — Peizer- en Eeldermaden, twaalfde eeuw
Een opgraving in 2006 leverde belangrijke gegevens over de woningen op de veenterpen. De onderzoekers vonden een gebouw van ongeveer 17 bij 5,5 meter met lemen vloeren en een ingegraven haard. De haard was verschillende keren vernieuwd. Daarnaast kwamen grote scherven van kogelpotaardewerk tevoorschijn. De vondsten dateren uit de twaalfde eeuw en tonen dat de bewoners hun voedsel bereidden en vuur gebruikten in de woning. Het onderzoek wees niet op een afzonderlijke grote bakoven of brouwerij. De aangetroffen haard behoorde waarschijnlijk tot een gewoon agrarisch huishouden.
Het brandhout kwam van de hogere zandgronden — Peizermaden, twaalfde eeuw
Een bijzonder resultaat van het botanische onderzoek is de vondst van eikenhoutskool en beukenhout bij de middeleeuwse huisplaatsen. Eiken en beuken groeiden niet vanzelfsprekend op de dikke veenpakketten. De onderzoekers concludeerden daarom dat hout vermoedelijk vanaf de nabijgelegen zandgronden werd aangevoerd. Dat wijst op een economische verbinding tussen de bewoners van de natte veengebieden en de hogere gronden rond Peize, Eelde en Roden. Vooral eikenhout was geschikt om een heet vuur te maken. Deze vondst laat zien dat de veenbewoners niet uitsluitend afhankelijk waren van turf. Ook brandhout uit het Drentse achterland had waarde.
Vervening en vervoer over water — 1100–1200
De winning van turf en het ontginnen van nieuwe landbouwgrond maakten waterwegen belangrijker. Turf was zwaar en kon bij voldoende waterdiepte gemakkelijker per boot dan over onverharde wegen worden vervoerd. Voor het Leekstermeergebied weten we dat turf werd gewonnen, maar voor de twaalfde eeuw is nog niet aangetoond welke schipsloten daarvoor werden gebruikt. Ook weten we niet of er toen al regelmatig platbodems tussen Roderwolde, Peize en Groningen voeren. Pas vanaf de dertiende eeuw zijn in andere delen van het Hunzegebied duidelijkere aanwijzingen voor georganiseerde turfwinning. De grote commerciële verveningen in Drenthe kwamen nog veel later.
De grote bierpotten — Roderwolde en Peizermaden, 1200–1300
Archeoloog Vincent van Vilsteren publiceerde in 1992 een onderzoek naar bijzondere aardewerkvondsten uit Noord-Drentse veenterpen. Hij wees op uitzonderlijk grote potten, soms met een inhoud van meer dan honderd liter. Daarnaast waren er aardewerken stampers, deksels, komforen en potten met tuiten of openingen aangetroffen. Van Vilsteren stelde dat deze voorwerpen geschikt konden zijn voor het brouwen van bier. Volgens zijn hypothese hadden sommige veenbewoners zich gespecialiseerd in bierproductie voor Groningen. De Encyclopedie Drenthe nam deze verklaring over, maar de oorspronkelijke interpretatie is niet onomstreden.
Een archeologische correctie op de bierbrouwerijen — Peizermaden, 2010–2024
Het onderzoek Land van melk en honing? uit 2010 bracht een belangrijke correctie. Bij een onderzochte huisplaats werden geen concrete aanwijzingen voor bedrijfsmatig bierbrouwen gevonden. Onder de plantenresten ontbraken herkenbare kiemen die op het mouten van graan konden wijzen. De resten in sommige kookpotten pasten juist bij voedselbereiding met peulvruchten. De archeologen concludeerden dat de onderzochte huisplaats waarschijnlijk een normaal boerenbedrijf was. Ook Jeroen Zomer en Marcel IJsselstijn behandelden de bierverklaring in hun onderzoek uit 2024 als een hypothese. Bierproductie blijft daarmee mogelijk, maar is niet voor alle veenterpen bewezen.
De ontwikkeling van Roderwolde en Peizerwold — 1100–1350
Roderwolde en Peizerwold ontstonden in gebieden waar vanuit oudere zandnederzettingen nieuwe gronden in gebruik werden genomen. De ontginning van het veen gebeurde door het graven van sloten en het aanleggen van percelen. Sommige nederzettingen kregen een langgerekte vorm langs wegen of ontginningslijnen. Het gebruik van de grond veranderde wanneer het ontwaterde veen begon in te klinken. Akkerbouw kon daardoor plaatsmaken voor grasland. De afwatering verliep via het Peizerdiep en kleinere watergangen. De ontwikkeling van deze nederzettingen is belangrijk omdat zij de verbinding vormden tussen de oudere Drentse zanddorpen en de lage gebieden richting Leekstermeer en Groningen.
De zee kwam opnieuw dichter bij het veen — Twaalfde en dertiende eeuw
Door de ontginning en ontwatering van het kustveen veranderden de hoogteverschillen tussen het land en de waterlopen. De veengronden daalden, terwijl in sommige getijdengeulen juist nieuwe klei werd afgezet. Daardoor konden gebieden die eerder betrekkelijk hoog en droog lagen gevoeliger worden voor overstromingen. De ontwikkeling vond plaats in samenhang met veranderingen van de kust en de waterafvoer. In de omgeving van Roderwolde zijn aanwijzingen voor latere zoutwaterinvloed gevonden. Dat betekent echter niet dat het gebied in de tiende eeuw al een open zeearm was. De geschiedenis van het water moet per periode worden gereconstrueerd.
Turf, zomerwater en winterwater — 1000–1300
Voor het vervoer van turf waren de seizoenen belangrijk. Het steken en drogen van turf was vooral geschikt voor perioden waarin voldoende droog weer kon worden verwacht. Natte turf moest eerst drogen voordat zij als brandstof kon worden gebruikt. Het vervoer over water stelde andere eisen. In de zomer konden ondiepe waterlopen te weinig water bevatten voor een beladen platbodem. In natte perioden was de beschikbare waterdiepte groter, maar konden sterke stroming, overstromingen en in de winter ijs het vervoer hinderen. De meest geschikte periode voor het winnen van turf viel dus niet noodzakelijk samen met de beste bevaarbaarheid. Voor het Peizerdiep rond 1100 ontbreken nog betrouwbare maandelijkse waterstandsgegevens.
De eerste grote steenovens — Aduard, Foxwolde en Zuidlaren, 1200–1300
In de dertiende eeuw groeide de vraag naar gebakken bouwstenen sterk. De abdij van Aduard en de kerk van Roderwolde werden volgens de provincie Drenthe gebouwd met kloostermoppen uit de Foxwolmer Kleidobben. De Kleibosch bood daarvoor een gunstige combinatie van potklei, hout, turf en een vaarverbinding via het Peizerdiep. Ook bij Zuidlaren werden kloostermoppen in veldovens gebakken, met turf uit het Zuidlaarderveen als brandstof. De productie vroeg kleigravers, steenvormers, ovenarbeiders en vervoerders. Hier wordt de economische samenhang tussen veenwinning, brandstof, waterwegen en bouwactiviteiten duidelijk aantoonbaar.
De eerste aantoonbare handelsrechten voor turf — Aduard, 1250
Op 20 oktober 1250 kreeg de abdij van Aduard van Hendrik van Vianden, bisschop-elect van Utrecht, een privilege voor het vervoer en de handel in onder andere hout, turf en vee. Het recht had betrekking op gebieden onder bisschoppelijk gezag en was van betekenis voor het verkeer met Groningen en Drenthe. Dit is een veel sterker bewijs voor georganiseerde brandstofhandel dan de veronderstelling dat al in het jaar 1000 turf naar Groningen werd gebracht. De abdij ontwikkelde later grote belangen in de venen aan de oostzijde van de Hunze. In 1262 verwierf zij belangrijke veengronden bij Zuidlaren.
De strijd tussen de bisschop, Groningen en Drenthe — 1227–1234
In 1227 kwam het bij Ane tot een grote militaire confrontatie tussen het leger van de bisschop van Utrecht en zijn tegenstanders in Drenthe. De bisschop werd verslagen en kwam om het leven. De strijd hield daarmee niet op. Ook in de daaropvolgende jaren vonden militaire acties plaats. De machtsverhoudingen tussen Groningen, de bisschoppelijke vertegenwoordigers en de Drentse gemeenschap bleven onzeker. Het zou onjuist zijn deze oorlog uitsluitend als een strijd van alle Groningers tegen alle Drenten te beschouwen. Verschillende families en gebieden kozen uiteenlopende zijden. De conflicten maakten de controle over wegen, toegangen en versterkte plaatsen belangrijker.
De Johanneskerk van Peize — Tweede helft dertiende eeuw
In de tweede helft van de dertiende eeuw werd in Peize een stenen kerk gebouwd die gewijd was aan Johannes de Doper. Het gebouw verrees bij de oude dorpskern en werd opgetrokken in een laatromaanse bouwstijl. Het gebruik van grote bakstenen, zogenoemde kloostermoppen, laat zien dat de steenbouw in deze periode belangrijker werd. In de kerk bevindt zich een romaans zandstenen doopvont met een ronde kuip die door vier leeuwenfiguren wordt gedragen. Het doopvont is voorzien van versieringen met onder andere bladeren en banden. De kerk vormde een zichtbaar centrum voor de plaatselijke gemeenschap en voor het kerkelijke grondbezit.
De Kleibosch en de komst van de steenindustrie — Dertiende eeuw
Bij Foxwolde, tussen Roderwolde en Peize, ligt De Kleibosch. In de ondergrond bevindt zich een dikke laag potklei die geschikt was voor verschillende soorten aardewerk en bouwmateriaal. Vanaf de dertiende eeuw werd deze grondstof benut. Monniken van de cisterciënzerabdij Aduard worden in verband gebracht met de productie van grote bakstenen en dakpannen. De klei werd uit kuilen gewonnen, verwerkt en gedroogd voordat zij in ovens kon worden gebakken. De diepe sloten en watergangen in het gebied maakten het vervoer van grondstoffen en eindproducten mogelijk. Het werk vereiste brandstof, arbeidskrachten en geschikte terreinen om de stenen te drogen en te bakken.
Tichelovens, kloostermoppen en de Peizer Pan — 1250–1500
De steenindustrie rond De Kleibosch leverde materiaal voor gebouwen in de omliggende dorpen en mogelijk ook voor verder weg gelegen bouwplaatsen. Grote bakstenen werden kloostermoppen genoemd. Daarnaast konden dakpannen en andere gebakken producten worden vervaardigd. De naam Peizer Pan wordt in plaatselijk historisch onderzoek verbonden met de productie van dakpannen in deze streek. Dat is een aannemelijke verklaring, maar niet elk detail van deze benaming is door middeleeuwse bronnen bevestigd. De ovens moesten voldoende hitte bereiken om de klei duurzaam te bakken. Daarmee was de productie sterk afhankelijk van een betrouwbare aanvoer van brandstof en van het vervoer via sloten en rivieren.
De waterburcht van Eelde — 1266
In 1266 begonnen de zonen van de Drentse schulte Rodger met de bouw van een waterburcht bij Eelde. De versterking bestond uit een kunstmatig opgeworpen heuvel met een omvangrijk stelsel van grachten en wallen. Volgens de middeleeuwse kroniek werd het complex nog tijdens de aanleg verwoest. Archeologisch onderzoek heeft resten van de verdedigingswerken aan het licht gebracht. Of de burcht later volledig werd herbouwd, staat niet vast. Oudere beschrijvingen plaatsen de stichting soms rond 1040, maar die vroege datering is niet overtuigend aangetoond. De gebeurtenissen van 1266 vormen het betrouwbare historische uitgangspunt voor de militaire geschiedenis van deze plaats.
De Waterburcht van Eelde — 1266
Ten zuiden van het dorp Eelde werd in 1266 een versterking aangelegd door zonen van een Drentse schulte, die in de bronnen met de naam Roger of Rodger wordt verbonden. Het kasteel bestond uit een opgeworpen heuvel met een stelsel van grachten en wallen. Waarschijnlijk stond op de heuvel een houten verdedigingsgebouw. De versterking werd nog tijdens de bouw of kort daarna verwoest. Mogelijk is zij later opnieuw opgebouwd. Het totale burchtterrein was bijzonder groot en moet een belangrijke plaats in de machtsstrijd hebben ingenomen. Oudere beweringen over verwoestingen in 1040 en 1241 zijn onvoldoende betrouwbaar om als vaststaande bouwgeschiedenis te gebruiken.
De schulten van Eelde en de rechtsmacht — 1200–1339
De schulten van Eelde vervulden een belangrijke bestuurlijke en juridische functie. Hun gezag stond in verband met de organisatie van de bisschoppelijke macht in Drenthe. In de dertiende eeuw worden leden van deze familie verbonden met de Waterburcht. Het bezit van een versterkte woonplaats kon hun positie ondersteunen, maar de precieze verdeling van rechten bleef onderwerp van strijd. De schulten van Eelde bleven tot in de veertiende eeuw een rol spelen. In 1339 wordt een schulte van Eelde genoemd bij een verbond tussen Drenthe, Coevorden, het Gorecht en Groningen. Daarna verdwijnt de familie geleidelijk uit de bronnen als drager van de bijzondere titel schulte van Drenthe.
Ludolf van Bunne en zijn Duitse verbindingen — 1272–1276
Ludolf van Bunne trad in 1272 toe tot de Duitse Orde, een geestelijke ridderorde die in de kruistochtentijd was ontstaan. In 1276 schonk hij zijn huis of erf met andere goederen in Bunne aan deze orde. Daarmee kreeg de Duitse Orde een blijvende bezitsbasis in Noord-Drenthe. De naam Duitse Orde betekent niet dat alle betrokken ridders uit één Duitse streek afkomstig waren. De organisatie had bezittingen en leden in verschillende gebieden van het Duitse Rijk en daarbuiten. Ook adellijke netwerken uit Westfalen, Overijssel, Utrecht en de noordelijke Nederlanden waren belangrijk. Voor Bunne moeten de herkomst en verwantschap van afzonderlijke broeders steeds afzonderlijk worden onderzocht.
Bunne en de Duitse Orde — Vanaf 1276
Ludolf van Bunne schonk in 1276 zijn huis en bijbehorende bezittingen aan de Duitse Orde. Daarmee ontstond de basis voor een religieuze en economische vestiging van deze ridderorde in Noord-Drenthe. De Duitse Orde had verbindingen met Westfalen en de Utrechtse balije. Vanaf 1302 wordt Bunne als commanderij vermeld. Het ordehuis beschikte over landbouwbezit en kerkelijke inkomsten. De aanwezigheid van ridders betekent echter niet automatisch dat Bunne als militair grensfort werd gebruikt. In oudere beschrijvingen wordt een bisschoppelijke burcht rond 1145 genoemd. De bouwkundige erfgoedinventarisatie uit 2023 stelt dat een versterkt huis vóór 1276 niet is aangetoond.
Het ontstaan van de commanderij Bunne — 1276–1302
De geschonken goederen van Ludolf ontwikkelden zich tot een commanderij van de Duitse Orde. Een commanderij was een lokaal ordehuis dat bezittingen beheerde en inkomsten leverde aan de grotere ordeorganisatie. Vanaf 1302 is Bunne als commanderij aantoonbaar. Het huis telde vermoedelijk slechts enkele broeders, onder wie een priester. Naast het woongebouw waren landbouwgoederen en een kapel van belang. Bunne lag aan de noordwestzijde van de Bunner Es, nabij de overgang naar het dal van de Winderloop en de vochtige gronden richting het Bunnerveen. De ligging maakte landbouw mogelijk, maar bood ook toegang tot andere goederen en verbindingen in Noord-Drenthe.
Gijsbert van Buckhorst en de kerk van Eelde — 1289
In 1289 schonk de Overijsselse edelman Gijsbert II van Buckhorst, met toestemming van zijn broer Walter, het patronaatsrecht van de kerk van Eelde aan het Duitse Huis te Utrecht. Patronaatsrecht had onder meer betrekking op de bevoegdheid een kandidaat voor het pastoorsambt voor te dragen. De schenking vond plaats bij de intrede van Gijsbert in de Duitse Orde. Hoe de familie Van Buckhorst het recht eerder had verkregen, is niet bekend. Deze gebeurtenis toont dat de kerk van Eelde verbonden was met adellijke families buiten Drenthe. Pas later werd de uitoefening van het recht rechtstreeks gekoppeld aan de commanderij van Bunne.
Peize groeit uit tot een belangrijk dorp — Omstreeks 1300
Rond 1300 was Peize volgens historische reconstructies gegroeid tot ongeveer veertig boerderijen. Daarmee behoorde het tot de grotere dorpen van Noordenveld. De bewoners gebruikten de essen voor akkerbouw en hadden graslanden in de richting van de beken. Naar het noorden en westen ontstonden nieuwe ontginningsgebieden. De bevolking was afhankelijk van wegen die de hogere gronden met Eelde, Vries en Roden verbonden. Tegelijk werden watergangen steeds belangrijker voor het vervoer van producten. De groei bracht ook meer behoefte aan duidelijke afspraken over gemeenschappelijke gronden, onderhoud van sloten en wegen, kerkelijke bijdragen en het gebruik van hooilanden.
Het kloostervoorwerk Hoogeheem — Circa 1300
In het lage gebied bij Hoogkerk lag het Hoogeheem, een landbouwbedrijf dat verbonden was met het klooster van Assen. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat het terrein ongeveer 100 bij 200 meter groot was en door grachten werd begrensd. Houten onderdelen van een brug konden rond 1300 worden gedateerd. Op een verhoogd gedeelte stond een uitzonderlijk grote boerderij van ongeveer 45 bij 11 meter. In de veertiende eeuw werd die vervangen door een gebouw van ongeveer 36 bij 10 meter. De omvang en inrichting wijzen op een landbouwbedrijf dat veel groter was dan een gewoon boerenervencomplex. Het Hoogeheem toont hoe kloosters betrokken waren bij de exploitatie van de natte randgebieden.
Hoogeheem — Een kloosterboerderij aan het water rond 1300
Bij Matsloot 12, ten zuidwesten van Groningen, is het voormalige Hoogeheem opgegraven. Dit was een voorwerk, een agrarische buitenvestiging, van het klooster Mariënkamp in Assen. De bewoners maakten gebruik van een kunstmatig verhoogd terrein in het natte veenlandschap. Het complex was omgeven door een brede gracht en bereikbaar via een houten brug. Dendrochronologisch onderzoek dateerde de oudste brugfase rond 1300. Onder het verhoogde terrein waren oudere veen- en kleilagen bewaard gebleven. De opgraving toont dat kloosterbezit, landbouw, waterbeheer en bereikbaarheid in dit landschap nauw met elkaar samenhingen.
De brug van Hoogeheem — 1301–1392
De opgraving van Hoogeheem leverde bijzonder nauwkeurige gegevens op over de toegang tot het kloostervoorwerk. De omringende gracht was ongeveer acht meter breed en twee tot drie meter diep. De houten brug lag aan de zuidwestzijde van het complex. Onderzoekers konden verschillende bouwfasen onderscheiden aan de hand van de bewaard gebleven eikenhouten brugpijlers. De oudste fase dateert van omstreeks 1301. Nieuwe fasen zijn vastgesteld rond 1330, 1361 en 1392. De brug werd dus gedurende de veertiende eeuw regelmatig onderhouden of vernieuwd. Dit vormt concreet bewijs voor het blijvende belang van een betrouwbare toegang tot het agrarische complex.
De afwatering bij Aduard — 1313
In 1313 maakten verschillende belanghebbenden afspraken over de afvoer van water uit het gebied tussen Drenthe en het Groninger Westerkwartier. Peize, Roden en Foxwolde behoorden tot de gemeenschappen die betrokken waren bij de afwatering richting Arbere, ten noorden van Aduard. Daar werd een zijl aangelegd om het water te kunnen lozen. De afvoer van het Peizerdiep speelde hierbij een belangrijke rol. Opvallend is dat Eelde in deze regeling niet als afzonderlijke deelnemer wordt genoemd. Dat vormt een aanwijzing dat het Eelderdiep toen mogelijk nog niet met het Peizerdiep was verenigd. Het waterbeheer was een gezamenlijke onderneming van dorpen, grondbezitters en instellingen.
De waterstaatkundige samenwerking tussen Peize, Roden en Aduard — 1313
In 1313 maakten de abdij van Aduard en vertegenwoordigers van Lieuwerderwolde, Peize, Roden en Foxwolde afspraken over de afwatering. Het water uit de Drentse gebieden moest via de lagergelegen Groninger landen kunnen wegstromen. Daarbij waren sloten, zijlen en bruggen noodzakelijk. De overeenkomst maakte duidelijk dat de waterhuishouding niet door één dorp afzonderlijk kon worden geregeld. Wanneer een watergang benedenstrooms verstopt raakte, konden verder zuidelijk gelegen landbouwgronden onder water komen te staan. De afspraken verbonden de belangen van Drentse boeren met die van de abdij en de bewoners van het Groningse laagland. Het waterbeheer overschreed daarmee bestuurlijke grenzen.
Het Eelderdiep en de verandering van de waterlopen — Veertiende eeuw
Het Eelderdiep en Peizerdiep voerden water af uit verschillende delen van Noord-Drenthe. Hun benedenlopen veranderden door natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. Op enig moment werd water uit het Eelderdiep westwaarts geleid, zodat het bij Eiteweerd in het Peizerdiep terechtkwam. De precieze datum van deze omlegging is niet bekend. Een grotere waterafvoer via één rivier kon voordelen opleveren, onder andere doordat de stroming een uitwateringsgeul beter openhield. De ingreep hing waarschijnlijk samen met de pogingen om wateroverlast rond Hoogkerk en het Westerkwartier te beperken. De ontwikkeling toont dat middeleeuwse waterlopen niet zonder meer gelijkgesteld kunnen worden aan hun latere loop.
Nieuwe waterafspraken bij Schilligeham — 1323
In 1323 maakten verschillende gemeenschappen afspraken met de zijlvesten van Winsum over werkzaamheden bij Schilligeham. Ook Eelde behoorde tot de betrokken kerspelen. Dat betekent echter niet automatisch dat het Eelderdiep toen al met het Peizerdiep verbonden was. De oostelijke gronden van Eelde konden namelijk via de Drentsche Aa en het Reitdiep afwateren. De afspraken laten zien hoe ingewikkeld de waterhuishouding van Noord-Drenthe en Groningen inmiddels was geworden. Verschillende stroomgebieden, sluizen en dorpsgemeenschappen waren onderling afhankelijk. Wie water wilde afvoeren, moest rekening houden met de belangen van benedenstrooms gelegen bewoners en met de kosten van onderhoud.
De nieuwe zijl en de verdeling van kosten — Omstreeks 1335
De uitwatering bij Arbere bleek niet voldoende te functioneren. Omstreeks 1335 ontstond daarom opnieuw een geschil over het aanleggen en betalen van een sluis. Als scheidsrechters traden mannen op die eerder burgemeester van Groningen waren geweest. Zij moesten bepalen hoe de lasten over de betrokken gemeenschappen werden verdeeld. Dergelijke conflicten gingen niet alleen over technische voorzieningen. Ze raakten ook aan de vraag welke dorpen voordeel hadden van een watergang en hoeveel zij daarvoor moesten bijdragen. Het onderhoud van een zijl was van groot belang voor landbouw, bewoning en vervoer. Zonder voldoende afwatering konden lage percelen lange tijd onder water staan.
De grens tussen Groningen en Drenthe werd een rechtskwestie — Dertiende en veertiende eeuw
In de dertiende en veertiende eeuw kreeg het verschil tussen Groningen en Drenthe steeds duidelijker juridische gevolgen. Groningen beschikte over stedelijke rechten en ontwikkelde eigen bestuurlijke instellingen. In Drenthe bleef de rechtspleging verbonden aan het landrecht en de plaatselijke vertegenwoordigers. Geschillen konden ontstaan wanneer Groningse burgers en Drentse bewoners tegenover elkaar kwamen te staan. Daarnaast maakten handelscontacten en grondbezit de onderlinge afhankelijkheid groot. De grens was niet uitsluitend een lijn tussen twee gebieden. Het ging ook om de vraag welke rechter bevoegd was, wie bescherming moest bieden en welke rechten inwoners over de grens konden uitoefenen.
De vrede tussen Groningen, Peize en Roden — 1352
Op 21 maart 1352 werd een overeenkomst gesloten tussen Groningen en verschillende vertegenwoordigers uit Drenthe. Onder de betrokkenen bevonden zich Johan van Ruinen, Egbert van Peize en inwoners van Peize, Roden en Roderwolde. De overeenkomst moest een einde maken aan eerdere conflicten, waaronder roof, brandstichting en gevangenneming. Ook werd geregeld dat Groningse burgers en Drentse bewoners bij wederzijdse geschillen gebruik konden maken van het toepasselijke stadsrecht of landrecht. Deze oorkonde toont rechtstreeks hoe nauw de politieke belangen van Groningen verbonden waren met de dorpen ten westen en zuiden van de stad. Vrede en bescherming waren noodzakelijk voor het verkeer.
Swederus van Peize en zijn testament — 17 september 1360
Een bijzonder document uit de geschiedenis van Peize is het testament van pastoor Swederus, gedateerd 17 september 1360. Daarin wordt zijn zoon Dodo genoemd, die eveneens geestelijke was. Swederus kende hem zeven schellingen toe. Ook bepaalde hij hoe zijn huisraad onder zijn kinderen en hun moeder verdeeld moest worden. Het testament is belangrijk omdat het een rechtstreeks beeld geeft van familieverhoudingen en bezit van een middeleeuwse geestelijke. Het laat zien dat de werkelijkheid van het kerkelijke leven niet altijd overeenkwam met de officiële voorschriften. Bovendien bewijst het dat de kerk van Peize in de veertiende eeuw eigen geestelijken had die over persoonlijke goederen beschikten.
Nieuwe afwatering voor Lieuwerderwolde — Omstreeks 1360
Omstreeks 1360 werd opnieuw gewerkt aan het verbeteren van de afwatering ten westen van Groningen. Voor het lage gebied van Lieuwerderwolde ontstond een noordwaarts gerichte afvoerroute. Een akte van 25 augustus 1360 heeft betrekking op de waterstaatkundige verhoudingen. De bestaande waterlopen waren voortdurend aan verandering onderhevig. Veeninklinking, dichtslibbing en het binnendringen van water uit noordelijke richting konden nieuwe maatregelen noodzakelijk maken. Het waterstelsel van Peize, Roderwolde, Aduard en Hoogkerk moest daarom steeds worden aangepast. De aanleg van nieuwe watergangen laat zien dat de ontginning van veengronden alleen mogelijk bleef door voortdurend onderhoud en gezamenlijke investeringen.
De zijlbrief van het Aduarderzijlvest — 1382
De zijlbrief van 1382 vormt een belangrijk document voor de geschiedenis van het regionale waterbeheer. In deze regeling werden rechten en verplichtingen van betrokken gemeenschappen vastgelegd. Aduard, Lieuwerderwolde, Peize, Roden en Foxwolde bleven samenwerken bij de afwatering. Het document maakt duidelijk dat het stelsel uit 1313 niet slechts een tijdelijke voorziening was geweest, maar deel uitmaakte van een langdurig georganiseerd waterverband. De zijlbrief is ook van belang voor de bestuurlijke geschiedenis. Boeren, geestelijke instellingen en plaatselijke machthebbers moesten samen regels aanvaarden over werkzaamheden die geen enkel dorp zelfstandig kon uitvoeren. Waterbeheer werd zo een vorm van regionaal bestuur.
De familie Ter Hansouwe aan het Eelderdiep — Veertiende eeuw
Bij de Horst tussen Peize en Eelde lag het goed Ter Hansouwe. De familie die haar naam aan het bezit ontleende, behoorde tot de aanzienlijke geslachten in het grensgebied van Drenthe en Groningen. Het goed lag op een gunstige plaats langs het Eelderdiep, met toegang tot hogere zandgronden en lager gelegen landbouwgebieden. Een deel van het huidige steenhuis wordt met de late middeleeuwen verbonden. Het gebouw en de grond eromheen vormen een belangrijke schakel tussen de geschiedenis van Peize en die van de stad Groningen. De familie bezat niet alleen agrarische goederen, maar onderhield ook bestuurlijke en economische betrekkingen buiten het dorp.
Herman ter Hansouwe en zijn Groninger betrekkingen — 1383–1418
In 1383 verwierf Johan van der Hansouwe land bij Haren. Herman ter Hansouwe, mogelijk een familielid uit de volgende generatie, komt in 1395 voor onder de Drenten die de bisschop huldden. In 1405 behoorde hij tot de verwantenkring van Johan ten Hove, die rechten in het gericht Selwerd bezat. In 1413 werden Herman en zijn zonen Otto en Johan genoemd onder uit Groningen verdreven burgers. Ondanks deze betrokkenheid bij het stedelijke leven hield Herman bezit in Peize. In 1418 wordt zijn erfgoed daar nog vermeld. De familie laat zien hoe de grens tussen Drentse landadel en Groninger burgerelite in de praktijk werd overschreden.
De verandering van de Oude Riet — 1200–1400
De afwatering van het Zuidelijk Westerkwartier veranderde sterk toen de oude getijdengeulen geleidelijk dichtslibden en de omliggende veengronden daalden. Waar eerder water door een natuurlijke bedding kon stromen, werd afvoer steeds moeilijker. Sommige voormalige geulen kwamen door opslibbing hoger te liggen dan het omliggende land. Hierdoor ontstond behoefte aan nieuwe afwateringsverbindingen. Mensen groeven waterlopen, bouwden dammen en gebruikten zijlen om water te kunnen lozen. De werkzaamheden betroffen zowel landbouwgebieden als nederzettingen. Het ontstaan van gegraven waterwegen was daarom niet alleen een verbetering voor de scheepvaart, maar vooral een antwoord op de veranderende waterhuishouding.
Het Wolddiep en de waterstaatkundige afspraken — 1385
In 1385 werden tussen vertegenwoordigers van Langewold en Vredewold afspraken gemaakt over de afwatering in het Zuidelijk Westerkwartier. Deze overeenkomst wordt in verband gebracht met de verlenging van het Wolddiep. De ontwikkeling van dergelijke gegraven waterwegen was noodzakelijk geworden doordat de oude natuurlijke afwatering via de Oude Riet steeds moeilijker functioneerde. Het Wolddiep vormde een belangrijk onderdeel van een groter systeem van sloten, kanalen en waterwerken. De afspraken tonen dat afwatering niet meer uitsluitend een plaatselijke aangelegenheid was. Verschillende gebieden moesten samenwerken omdat ingrepen in één deel van het landschap gevolgen konden hebben voor andere gebieden.
De ontwikkeling van de kleine scheepvaart — Veertiende eeuw
In de veertiende eeuw werden verschillende Drentse waterlopen gebruikt voor het vervoer van turf. De scheepvaart was nog bescheiden en maakte gebruik van kleine vaartuigen die geschikt waren voor ondiepe waterwegen. Historische beschrijvingen noemen schepen van ongeveer acht tot tien meter lang, tweeënhalve meter breed en met een geringe diepgang. De mogelijkheid om zware goederen over water te vervoeren had grote economische voordelen. Tegelijkertijd bleven de schepen afhankelijk van de plaatselijke waterstand. Ondiepe geulen, dammen en bruggen konden het verkeer beperken. Het bestaan van deze scheepvaart in de veertiende eeuw bewijst niet automatisch dat dezelfde routes al in 800 bevaarbaar waren.
De Punt — Een natuurlijke oversteek tussen Groningen en Drenthe
De doorgang bij De Punt lag op een belangrijke verbinding tussen het Drentse achterland en Groningen. De Drentsche Aa vormde hier een natuurlijke hindernis voor het verkeer over land. Reizigers moesten de beek oversteken om hun route te vervolgen. De naam De Punt wordt in verband gebracht met een pont waarmee men het water kon passeren. Een oversteek kon zowel economisch als militair belangrijk zijn. Wie de doorgang beheerste, kon invloed uitoefenen op het verkeer. Voor de periode rond 1000 is echter nog geen betrouwbare vermelding van een tolpost, brug of versterking op deze specifieke plaats gevonden.
De Duitse Orde krijgt meer invloed in Eelde — 1399
Vanaf 1399 kon de commanderij van Bunne daadwerkelijk de pastoor van Eelde benoemen. Het patronaatsrecht was al in 1289 aan de Duitse Orde geschonken, maar de rechtstreekse koppeling aan Bunne ontstond later. Daardoor werden de commanderij en de parochie nauwer met elkaar verbonden. De Duitse Orde kon inkomsten uit kerkelijke rechten en landbouwbezittingen combineren met het beheer van haar eigen ordehuis. Het Domkapittel van Utrecht bleef echter aanspraken op het patronaat houden. De verhoudingen tussen zulke instellingen waren niet altijd eenvoudig. Een recht dat formeel aan één instelling toebehoorde, kon in de dagelijkse praktijk door een andere worden uitgeoefend.
Groningen en de groei van de bierbrouwerijen — 1300–1500
Naarmate Groningen groeide, werd het brouwen van bier een belangrijke stedelijke bedrijfstak. Het oudste bewaard gebleven stuk van het Groninger brouwersgilde dateert uit 1424 en vermeldt 273 leden. In 1436 waren er 562 ingeschreven. Niet iedereen was daadwerkelijk beroepsbrouwer, maar de cijfers laten zien hoe invloedrijk het gilde inmiddels was. Brouwerijen lagen vooral bij de Drentsche Aa, waar water voor het brouwproces beschikbaar was. De productie vroeg graan, brandstof, vaten en vervoer. Voor de omliggende veengebieden ontstond hierdoor een groeiende afzetmarkt. Ook het gebruik van turf voor brouwerijen krijgt in deze latere periode een duidelijke economische betekenis.
De Rug van Tynaarloo en Noordenveld — Deel 3
Van 1400 tot 1634
De koningsoorkonde voor Drenthe — 1398
Op 24 februari 1398 vaardigde rooms-koning Wenzel van Luxemburg een oorkonde uit over de landsheerlijke positie van Drenthe en Coevorden. C.A. van Kalveen onderzocht dit document in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1976, bladzijden 8–20. De oorkonde, overgeleverd in een later afschrift, ondersteunde de aanspraken van de bisschop van Utrecht op het bestuur van Drenthe. De achtergrond was de strijd met de familie Van Coevorden, die een belangrijke regionale machtspositie bezat. Het document toont aan dat Drentse bestuursconflicten verbonden waren met de politiek van het Heilige Roomse Rijk. Een rechtstreeks verband tussen deze oorkonde en de commanderij van Bunne is niet aangetoond.
De Etstoel en het landrecht van Drenthe — 1399–1412
De Etstoel was het hoogste rechtscollege van Drenthe en behandelde geschillen over grondbezit, erfenissen, gebruiksrechten en andere juridische aangelegenheden. De etten kwamen uit de verschillende Drentse dingspillen. Plaatselijke schulten hadden eveneens een belangrijke functie binnen het rechtsverkeer. F. Keverling Buisman onderzocht de bijeenkomsten tussen 1399 en 1412 en de verhouding tot het landrecht van 1412. De uitspraken zijn van groot belang voor de geschiedenis van Eelde, Peize, Vries, Bunne en Roden. Zij noemen personen en goederen die in andere bronnen nauwelijks voorkomen. De rechtspraak vormt daardoor een belangrijke bron voor het reconstrueren van familierelaties en bezit.
Het Aduarderdiep en nieuwe uitwateringsmogelijkheden — Omstreeks 1400
De oude uitwateringsmogelijkheden bij Aduard hadden steeds meer problemen met dichtslibbing. Omstreeks 1400 werd daarom het Aduarderdiep naar het noorden doorgetrokken, zodat het water verder richting het gebied tussen Feerwerd en Garnwerd kon worden geleid. In 1407 wordt de blokzijl van Aduard genoemd. De aanleg was van groot belang voor de landbouwgronden rond Peize, Roden, Foxwolde en Lieuwerderwolde. Het was een ingrijpende aanpassing van het regionale watersysteem. De geschiedenis van deze kanalen toont dat natuurlijke rivieren en gegraven waterlopen geleidelijk één samenhangend netwerk vormden, waarin ontwatering en vervoer elkaar konden versterken.
Het Aduarderdiep en de nieuwe uitwatering — Omstreeks 1400
De oude afwateringsmogelijkheden bij Aduard hadden steeds meer problemen met dichtslibbing en veranderende waterstanden. Omstreeks 1400 werd het Aduarderdiep verder naar het noorden doorgetrokken, richting het gebied tussen Feerwerd en Garnwerd. In 1407 wordt de blokzijl van Aduard genoemd. De werkzaamheden waren belangrijk voor de landbouwgronden van Peize, Roden, Foxwolde en Lieuwerderwolde. Het regionale waterstelsel werd hierdoor opnieuw aangepast. De ontwikkeling toont dat natuurlijke rivieren en gegraven watergangen geleidelijk één samenhangend netwerk vormden. Voor landbouwers was vooral de afvoer van overtollig water belangrijk, terwijl sommige watergangen ook voor vervoer konden worden gebruikt.
De militaire afsluiting van toegangswegen — 1400–1405
Tijdens de conflicten tussen Groningen, de bisschop van Utrecht en verschillende regionale machthebbers werden de wegen naar de stad een militair aandachtspunt. Bisschop Frederik van Blankenheim probeerde zijn gezag over Groningen en het Gorecht te herstellen. In deze periode worden versterkingen genoemd waarmee toegangswegen konden worden afgesloten. Bij Noordlaren en in het gebied van de Drentsche Aa lagen strategisch belangrijke doorgangen. Ook Peize en Eelde komen in verband met militaire maatregelen voor. De gebeurtenissen tonen dat het controleren van wegen niet alleen bescherming bood, maar ook kon worden gebruikt om handel en voedselvoorziening van Groningen onder druk te zetten.
De bisschoppelijke versterking bij Peize — 1400–1405
Tijdens de Utrechts-Groningse oorlog probeerde bisschop Frederik van Blankenheim de toegangswegen naar Groningen te controleren. Hij liet daarvoor verschillende versterkingen aanleggen. Een daarvan lag bij Peize. Volgens de reconstructie van Diana Spiekhout werd deze versterking niet vóór 1400 gebouwd en in 1405 alweer afgebroken. De exacte locatie is onbekend. Een ligging bij een doorgaande weg of vaarverbinding zou passen bij het doel om het verkeer naar Groningen te hinderen. Bij archeologisch onderzoek op het terrein van het latere Huis te Peize werden geen overtuigende resten van deze versterking gevonden. Beide bouwwerken mogen daarom niet zonder bewijs met elkaar worden vereenzelvigd.
Bisschop Frederik van Blankenheim en de kastelen — 1405
In 1405 trad bisschop Frederik van Blankenheim op tegen versterkingen in het noorden van zijn machtsgebied. In historische overzichten wordt de afbraak van vestingwerken bij Eelde genoemd. Ook Peize wordt in verband gebracht met de bestrijding van versterkte huizen. De precieze ligging en bouwgeschiedenis van de afzonderlijke bouwwerken moeten zorgvuldig worden onderscheiden. Bij Eelde was de Waterburcht al uit oudere bronnen bekend, maar het is niet zeker welke onderdelen in 1405 nog bruikbaar waren. De maatregelen tonen het streven van de bisschop om particuliere militaire machtsposities te beperken. Versterkte huizen waren niet alleen woningen, maar konden ook invloed geven op wegen en rechtsgebieden.
De versterkingen van Eelde en de bisschop — 1405
Ook de versterkte plaatsen bij Eelde werden betrokken bij de politieke en militaire conflicten van de vroege vijftiende eeuw. In historische overzichten wordt vermeld dat bisschop Frederik van Blankenheim in 1405 tegen plaatselijke versterkingen optrad. Daarbij wordt de afbraak van vestingwerken bij Eelde genoemd. De Waterburcht was al uit oudere bronnen bekend, maar het is onzeker welke onderdelen in 1405 nog bruikbaar waren. De bisschop probeerde de zelfstandige militaire positie van plaatselijke machthebbers te beperken. Versterkte huizen konden immers niet alleen dienen als woningen, maar ook invloed geven op wegen, rechten en de toegang tot belangrijke gebieden.
Gisela Pype en het bezit van Mensinge — Roden — 1407–1408
In 1407 en 1408 ontstond een rechtsgeding over de vraag of Gisela Pype als weduwe haar overleden echtgenoot mocht opvolgen in het bezit van Mensinge bij Roden. Het geschil betrof een leen waarbij afkomst en familiebetrekkingen belangrijk waren. Popke Datema onderzocht deze kwestie aan de hand van genealogische gegevens en familiewapens. Daarbij kwamen onder andere de namen Johan Hidding, Fosse Sygers, Van Norch, Bavinge en Drijntsman naar voren. Niet alle voorgestelde verwantschappen zijn bewezen. De zaak toont hoe ingewikkeld de erfopvolging van adellijke goederen kon zijn. Grondbezit vertegenwoordigde niet alleen inkomsten, maar ook maatschappelijke positie en rechten.
De strijd om de toegangswegen naar Groningen — 1400–1450
De verbindingen tussen Groningen en Drenthe kregen tijdens de politieke conflicten van de vijftiende eeuw een militaire betekenis. Legers en gewapende groepen zochten routes over de hogere gronden en door de moerassige randgebieden. Eelde en Paterswolde lagen aan een toegangsrichting vanuit Drenthe naar Groningen. Ook de weg langs De Punt en de overgang over de Drentsche Aa waren belangrijk. In de strijd rond Groninger machtsgroepen worden verplaatsingen van gewapende mannen via Eelde en de Paterswolderdijk genoemd. Zulke gebeurtenissen maken duidelijk dat de wegen niet uitsluitend werden gebruikt voor landbouw en handel. Het beheersen van doorgangen kon een voordeel opleveren bij belegeringen en regionale conflicten.
De strijd om de wegen naar Groningen — 1400–1450
De wegen tussen Noord-Drenthe en Groningen waren gedurende de vijftiende eeuw niet uitsluitend van economisch belang. Zij konden ook worden gebruikt voor militaire verplaatsingen. De routes via Eelde, Paterswolde, Peize en De Punt boden toegang tot de stad en het Gorecht. In de conflicten rond Groninger machtsgroepen worden gewapende verplaatsingen via Eelde en de Paterswolderdijk genoemd. De hogere zandgronden boden betrouwbare doorgangen, terwijl de natte venen en beekdalen het verkeer beperkten. Het beheersen van een brug, voorde of dijk kon daarom een militair voordeel opleveren. De strategische betekenis verschilde echter per route en periode.
Het herstel van de commanderij Bunne — 1415
In 1415 werden werkzaamheden uitgevoerd aan de commanderij Bunne en de bijbehorende kapel. Voor het herstel werd een lening van 150 gulden verkregen van de commanderij Schoten, eveneens een huis van de Duitse Orde. Het bedrag laat zien dat onderhoud en herstel van het complex aanzienlijke kosten met zich meebrachten. Bunne beschikte niet over een grote gemeenschap, maar bezat gebouwen die geschikt moesten zijn voor bewoning, landbouw en religieuze werkzaamheden. De financiële verbinding met Schoten bevestigt dat Bunne onderdeel was van een groter netwerk van ordehuizen. De commanderij functioneerde niet als een zelfstandig klooster, maar bleef afhankelijk van de organisatie en de bezittingen van de orde.
Het herstel van de commanderij Bunne — 1415
In 1415 werden werkzaamheden uitgevoerd aan de gebouwen van de commanderij Bunne. Het ordehuis en de kapel hadden onderhoud nodig. Voor het herstel werd een lening van 150 gulden verkregen van de commanderij Schoten, eveneens een huis van de Duitse Orde. Het bedrag toont dat de werkzaamheden aanzienlijke kosten met zich meebrachten. De commanderij beschikte over landbouwinkomsten, maar die waren niet altijd voldoende voor grote uitgaven. De financiële verbinding met Schoten maakt duidelijk dat Bunne deel uitmaakte van een groter netwerk van ordehuizen. De plaatselijke instelling was daardoor niet volledig zelfstandig in haar financiële en bestuurlijke organisatie.
Herman ter Hansouwe en Groningen — 1405–1413
Herman ter Hansouwe behoorde tot een aanzienlijke familie met bezittingen bij Peize en bestuurlijke betrekkingen met Groningen. In 1405 wordt hij genoemd binnen de verwantenkring van Johan ten Hove, die belangen had bij het gerecht van Selwerd. Tijdens politieke onrust in Groningen verschenen Herman en zijn zonen Otto en Johan in 1413 onder de verdreven burgers. De familie bleef tegelijkertijd verbonden met haar Drentse goederen. Deze gebeurtenissen laten zien dat een plaatselijke grondbezitter ook een belangrijke positie in het stedelijke leven kon innemen. De politieke spanningen in Groningen konden daardoor gevolgen hebben voor families die buiten de stad landgoederen bezaten.
Jan van der Lynden als commandeur — Bunne — 1418
In historische overzichten van de Duitse Orde wordt Jan van der Lynden in 1418 als commandeur van Bunne genoemd. De commandeur was verantwoordelijk voor het beheer van de gebouwen, goederen en inkomsten. Hij vertegenwoordigde de orde bij overeenkomsten over pacht, grondruil en andere zakelijke handelingen. Het jaar 1418 is bijzonder belangrijk omdat toen een grondruil met Herman ter Hansouwe wordt vermeld. Het is mogelijk dat Jan van der Lynden daarbij rechtstreeks betrokken was. Dat kan echter pas worden vastgesteld wanneer de oorspronkelijke akte is onderzocht. Zijn naam vormt daarmee een belangrijk aanknopingspunt voor verder onderzoek naar de bestuurlijke en economische betrekkingen van Bunne.
Ter Hansouwe en de landruil met Bunne — 1418
In 1418 komt Herman ter Hansouwe voor in verband met erfgoed bij Peize en een grondruil met de Duitse Orde. De betrokken goederen laten zien hoe het bezit van adellijke families en geestelijke instellingen in kleine percelen verspreid kon liggen. Door ruil konden landbezitters hun bezittingen dichter bij elkaar brengen of de toegang tot landbouwgrond verbeteren. Het bestaan van zulke akten is belangrijk voor het reconstrueren van de geschiedenis van Ter Hansouwe. Niet alleen de gebouwen, maar ook hooilanden, akkers en gebruiksrechten bepaalden de waarde van een goed. De betrekkingen tussen Bunne en Peize waren daarmee zowel economisch als bestuurlijk van betekenis.
De grondruil tussen Ter Hansouwe en Bunne — 1418
In 1418 ruilde Herman ter Hansouwe volgens een historische publicatie goederen met de commanderij van Bunne. Herman stond landerijen in Lieverwoude af en ontving daarvoor gronden bij Ter Hansouwe. De transactie toont dat een Drentse adellijke familie en een geestelijke ridderorde zakelijke betrekkingen onderhielden. Grondruil kon worden gebruikt om verspreide percelen dichter bij elkaar te brengen of de bereikbaarheid van landbouwgronden te verbeteren. Voor de geschiedenis van Peize is dit een belangrijk document, omdat het Ter Hansouwe rechtstreeks met de Duitse Orde verbindt. De exacte ligging en omvang van de betrokken percelen moeten nog uit de oorspronkelijke akte worden vastgesteld.
De brand in Maria in Campis — Assen — 13 juni 1418
Op 13 juni 1418 werd het klooster Maria in Campis bij Assen door een zware brand getroffen. De kloosterkerk, de klokkentoren en verschillende andere gebouwen gingen verloren. De wederopbouw verliep moeizaam doordat de financiële middelen beperkt waren. In 1421 verleende bisschop Frederik van Blankenheim een aflaat aan personen die bijdroegen aan het herstel. De brand maakte duidelijk hoe kwetsbaar gebouwen waren waarin hout en andere brandbare materialen waren verwerkt. Het herstel vereiste aanzienlijke hoeveelheden bouwmateriaal en arbeidskracht. De opbrengsten uit verspreide kloostergoederen waren daarom belangrijk voor het voortbestaan van de gemeenschap.
Het gotische koor van Vries — Omstreeks 1425
Omstreeks 1425 werd de romaanse kerk van Vries aan de oostzijde veranderd door de bouw van een gotisch koor. De oudere apsis maakte plaats voor een ruimer koorgedeelte. De bouw toont dat de kerk in de vijftiende eeuw nog altijd over middelen en een belangrijke positie beschikte. Het koor hoorde bij de ruimte waar het hoofdaltaar stond en de geestelijkheid de eredienst verzorgde. De bouw vond plaats voordat de Duitse Orde het patronaatsrecht van Vries verwierf. Daarom kan de orde niet zonder meer als opdrachtgever van deze bouwfase worden beschouwd. Het gebouw laat verschillende eeuwen van kerkelijke ontwikkeling naast elkaar zien.
Het gotische koor van de Bonifatiuskerk — Vries — Omstreeks 1425
Omstreeks 1425 werd het oudere romaanse koor van de Bonifatiuskerk in Vries vervangen door een groter gotisch koor. Het nieuwe gedeelte kreeg een driezijdige sluiting en hogere vensters. Het romaanse schip en de toren bleven behouden. De uitbreiding veranderde het uiterlijk van de kerk aanzienlijk. Voor de werkzaamheden waren gespecialiseerde vaklieden en bouwmaterialen nodig die niet allemaal uit de directe omgeving afkomstig waren. De verbouwing laat zien dat Vries nog altijd een belangrijk kerkelijk centrum was. De Duitse Orde had op dat moment de kerkelijke rechten van Vries nog niet verworven. Daarom kan de bouw niet zonder aanvullend bewijs aan de commanderij worden toegeschreven.
Het erve Ter Aard — De verkoop van bezit door de Duitse Orde — 1436
In 1436 verkocht de Duitse Orde het erve Ter Aard aan Roleff ter Aert. De verkoop is een concrete aanwijzing dat het grondbezit van de commanderij niet voortdurend werd uitgebreid. Erven vormden belangrijke economische eenheden, omdat zij landbouwgrond, bedrijfsgebouwen en verplichtingen konden omvatten. De verkoop betekende dat een deel van het bezit aan een andere eigenaar werd overgedragen. Voor de commanderij kon dit financiële middelen opleveren, maar tegelijkertijd verdwenen toekomstige inkomsten uit het verkochte goed. Het is belangrijk de ligging en de bijbehorende rechten van Ter Aard nader te onderzoeken. De akte kan informatie bevatten over landbouw, pachtverhoudingen en plaatselijk grondbezit.
De verkoop van het erve Ter Aard — 1436
In 1436 verkocht de Duitse Orde het erve Ter Aard aan Roleff ter Aert. De verkoop vormt een concrete aanwijzing dat het grondbezit van de commanderij niet voortdurend werd uitgebreid. Een erf kon bestaan uit een boerderij, landbouwgrond en verschillende gebruiksrechten. Door de verkoop ontving de orde geld, maar verloor zij de toekomstige inkomsten uit het goed. De transactie kan verband hebben gehouden met financiële behoeften of veranderingen in het beheer. De precieze ligging en de rechten die bij het erf hoorden, moeten nog nader worden onderzocht. De akte vormt een belangrijk voorbeeld van de overgang van goederen uit geestelijk naar ander bezit.
Johan Hiddingh en het Tybingegoed — Norg — 1439
Het Tybingegoed, ook Pellenrockgoed genoemd, was een leen van het Gelderse huis Keppel. In 1439 ontving Johan Hiddingh, bijgenaamd Pipe, het goed bij Norg in leen. De familie Hiddingh had ook belangen in Roden. Daarmee werd het Drentse grondbezit verbonden met leenheren buiten het gewest. Leengoederen konden verplichtingen en voorwaarden met zich meebrengen die bij iedere overdracht opnieuw moesten worden bevestigd. Het Tybingegoed bleef gedurende lange tijd met dezelfde familierelaties verbonden. De geschiedenis toont hoe adellijk bezit in Noordenveld deel uitmaakte van een groter netwerk van Gelderse en Drentse rechten.
Lemferdinge en Steven ter Borch — Eelde — 1447
De oudste bekende vermelding van Lemferdinge bij Eelde dateert uit 1447. In dat jaar kreeg Steven ter Borch bij zijn huwelijk met Grete van Echten het goed Hof tho Lemferdinck van zijn ouders. Het bezit lag in het agrarische landschap van Eelde en behoorde tot de goederen van een aanzienlijke familie. De geschiedenis van Lemferdinge toont hoe land, familiebetrekkingen en huwelijk met elkaar samenhingen. Het latere landgoed ontwikkelde zich pas in volgende eeuwen tot het bekende buitenverblijf. Voor de vijftiende eeuw moet vooral worden gedacht aan een adellijk bezit met landbouwgronden en bijbehorende gebouwen. De familie Ter Borch speelde ook elders in Eelde een rol.
Het kerkbestuur van Peize — 1451
In 1451 legde de bisschop van Utrecht regels vast voor het beheer van de goederen van de kerk van Peize. Volgens de beschrijving van Piet Kodde moest het kerspel periodiek een kerkvoogd kiezen uit de hoofden van de huishoudens. De kerkvoogden moesten verantwoording afleggen over inkomsten en bezittingen. De pastorie beschikte over een boerderij, landerijen en andere rechten. Daarmee was de kerk niet alleen een religieuze instelling, maar ook een plaatselijke economische organisatie. De regels tonen dat inwoners rechtstreeks betrokken waren bij het beheer van kerkelijke goederen en dat de dorpsgemeenschap invloed had op de uitvoering van bepaalde kerkelijke verplichtingen.
Otto ter Hansouwe als burgemeester en brouwer — 1454
Otto ter Hansouwe, een zoon van Herman, bracht de familiegeschiedenis van Peize rechtstreeks in verbinding met de stad Groningen. Hij wordt in de bronnen vermeld als brouwer en was in 1454 burgemeester van Groningen. Zijn loopbaan laat zien dat leden van adellijke of aanzienlijke Drentse families actief konden worden in het bestuur en de economie van de stad. Het brouwersbedrijf was in de middeleeuwen een belangrijke stedelijke nijverheid. Bier werd niet uitsluitend voor de eigen huishouding bereid, maar ook voor verkoop en handel geproduceerd. De aanwezigheid van Otto in deze bedrijfstak is bijzonder relevant voor het latere onderzoek naar hopteelt en bierproductie rond Peize.
Otto ter Hansouwe als burgemeester en brouwer — Groningen — 1454
Otto ter Hansouwe behoorde tot een familie die haar Drentse grondbezit combineerde met functies in Groningen. In 1454 was hij burgemeester van de stad. Ook wordt hij verbonden met het Groninger brouwersgilde. De combinatie van grondbezit, bestuur en stedelijke nijverheid kwam vaker voor onder aanzienlijke families. Landgoederen konden landbouwproducten en inkomsten leveren, terwijl stedelijke functies toegang boden tot handel en politieke invloed. De betrokkenheid van Otto bij het brouwersbedrijf is bijzonder belangrijk voor de geschiedenis van Peize. In latere eeuwen zou dit dorp bekend worden door de hopteelt. De oudste familieverbindingen met de bierproductie zijn echter al in de vijftiende eeuw zichtbaar.
Het Mensingegoed en een volle waar — Roden — 1457
In 1457 werd Johan Hiddingh beleend met het Mensingegoed bij Roden en een volle waar. Een volle waar was een volledig aandeel in de gemeenschappelijke gebruiksrechten van een boermarke. Dergelijke rechten konden betrekking hebben op weidegronden, heidevelden, houtgebruik en andere voorzieningen. Het bezit van een volle waar vertegenwoordigde daardoor economische waarde. De combinatie met Mensinge toont dat een adellijk goederencomplex niet uitsluitend bestond uit particuliere landbouwgronden. Ook rechten binnen de marke konden onderdeel zijn van een leen. De geschiedenis verbindt de familie Hiddingh met de bestuurlijke en agrarische organisatie van Noordenveld.
De Sint-Bonifatiusvicarie van Vries — 1457–1497
In de Bonifatiuskerk bevonden zich naast het hoofdaltaar twee zijaltaren. Eén daarvan was gewijd aan Bonifatius. Aan dit altaar was een vicarie verbonden, een stichting waarvan de inkomsten werden gebruikt voor een priester en voorgeschreven religieuze diensten. Oorkonden uit 1457, 1484 en 1497 vermelden deze Sint-Bonifatiusvicarie. De stichting kon beschikken over eigen landerijen, renten en andere inkomsten. De documenten zijn belangrijk omdat zij mogelijk namen bevatten van schenkers, geestelijken en beheerders. De oorspronkelijke teksten moeten nog worden onderzocht om de omvang van het bezit en de afzonderlijke familiebetrekkingen nauwkeurig vast te stellen.
Wolter van Overhagen als commandeur van Bunne — 1458–1487
Wolter van Overhagen wordt in verschillende historische bronnen als commandeur van Bunne genoemd. Zijn naam komt voor in 1458, 1462, 1466, 1474 en 1487. In oudere documenten bestaan verschillende schrijfwijzen, waaronder Ouerhagen, Auerhaghen en Averhaghen. De vermeldingen wijzen op een langdurige betrokkenheid bij het bestuur en goederenbeheer van de commanderij. Zijn afkomst en familierelaties vragen verder onderzoek. Een bijzonder belangrijk moment was de verwerving van de kerkelijke rechten van Vries in 1466. De oorspronkelijke akten kunnen meer informatie geven over de inkomsten, landbouwgronden en zakelijke overeenkomsten die tijdens zijn bestuur werden geregeld.
De Duitse Orde verwerft het patronaat van Vries — 1466
In 1466 verwierf commandeur Wolter van Overhagen namens de Duitse Orde het patronaatsrecht van de Bonifatiuskerk in Vries. Daarmee kreeg de commanderij Bunne invloed op zowel Vries als Eelde. Een priesterbroeder van Bunne kon de geestelijke verzorging van de betrokken parochies op zich nemen. De aankoop betekende niet dat de Duitse Orde de kerk van Vries had gesticht of haar belangrijkste middeleeuwse bouwfasen had uitgevoerd. Die waren immers ouder. Wel kreeg de orde nu een sterkere positie binnen het kerkelijke netwerk van Noord-Drenthe. Ook de inkomsten en benoemingsrechten die met de parochie waren verbonden, waren van belang.
De Duitse Orde verwerft de kerk van Vries — 1466
In 1466 verwierf commandeur Wolter van Overhagen namens de Duitse Orde de kerkelijke rechten van Vries. Daarmee kreeg de commanderij van Bunne invloed op zowel Vries als Eelde. Het patronaatsrecht van Eelde was al in 1289 aan de orde geschonken en werd vanaf 1399 door Bunne uitgeoefend. De rechten van Vries kwamen aanzienlijk later in haar bezit. Een priesterbroeder kon betrokken zijn bij de geestelijke verzorging van de parochie. De verwerving was belangrijk voor het benoemen van geestelijken en voor de inkomsten die aan kerkelijke rechten verbonden waren. De orde had de kerk van Vries echter niet gesticht of haar oudste bouwfasen uitgevoerd.
De Punt — Brug, tol en versterking aan de Drentsche Aa
Bij De Punt kwamen oude landroutes samen bij een oversteek van de Drentsche Aa. De natuurlijke verhoging door het natte beekdal maakte deze plaats bijzonder geschikt voor verkeer. In 1456 bouwde Groningen de Punterbrug. In 1467 verwierf het stadsbestuur grond met een huis naast de overgang. De plaats kreeg betekenis voor het vervoer van handelsgoederen en vee. In 1505 liet hertog George van Saksen hier de versterking Weerdenbras aanleggen. Anders dan bij Peize of Schelfhorst zijn de brugfunctie, de tolgeschiedenis en de militaire betekenis van deze doorgang rechtstreeks historisch gedocumenteerd.
De tol van De Punt — 1465–1505
De oversteek bij De Punt ontwikkelde zich in de vijftiende eeuw tot een gecontroleerde verbinding. Volgens de provinciale erfgoedbeschrijving liet Groningen in 1465 de Punterbrug bouwen. In 1467 verwierf de stad het huis en de grond bij de overgang. De plaats werd gebruikt voor tolheffing en kon tevens reizigers en hun dieren onderdak bieden. In 1505 werd achter de bebouwing het blokhuis Weerdenbras aangelegd. Daarmee kwamen verkeerscontrole en militaire verdediging op dezelfde plaats samen. Het brugjaartal 1456 uit oudere beschrijvingen moet met de vermelding 1465 worden vergeleken. De opdrachtgever van Weerdenbras verdient eveneens afzonderlijke broncontrole.
De Punt en de tol op de grens — 1467
Bij De Punt lag een belangrijke oversteek over de Drentsche Aa. Hier liep een weg vanuit Drenthe richting het Gorecht en Groningen. In 1467 kreeg Groningen de beschikking over de tol bij deze grensovergang. Passanten en vervoerders moesten rekening houden met stedelijke heffingen. Ook handelsgoederen, waaronder bier, konden aan belastingen worden onderworpen. De Punt vormde daardoor een economische grens tussen verschillende rechtsgebieden. De oversteek was strategisch belangrijk omdat niet iedere plaats langs de rivier geschikt was om met wagens, vee of goederen het water te passeren. De ligging van De Punt moet daarom worden begrepen vanuit zowel de natuurlijke omstandigheden als de Groninger handelspolitiek.
De Punt als doorgang en tolplaats — 1467
Bij De Punt lag een belangrijke oversteek over de Drentsche Aa. Hier liep een landverbinding vanuit Drenthe richting het Gorecht en Groningen. Volgens de aangeleverde historische reconstructie kreeg Groningen in 1467 de beschikking over een tol bij deze grensovergang. Passanten en vervoerders konden daardoor met heffingen te maken krijgen. Ook goederen, waaronder bier, konden onder stedelijke belastingen vallen. De precieze tolrechten uit 1467 moeten nog met de oorspronkelijke akten worden gecontroleerd. De ligging van de doorgang was strategisch belangrijk omdat niet iedere plaats langs de Drentsche Aa geschikt was voor het oversteken met wagens en vee.
De grensgeschillen van het Geelbroek — 1473–1474
Het Geelbroek was een moerassig gebied dat werd gebruikt door de buurschappen Anreep, Halen en Witten. In 1473 werd een grenssteen geplaatst, maar bewoners van Halen zouden deze hebben verplaatst. Een rechtsgeding in 1474 stelde Anreep in het gelijk. De geschiedenis werd onderzocht door G. Stoit in Ons Waardeel. Het conflict laat zien hoe belangrijk gemeenschappelijke gronden waren. Heidevelden, moerassen en andere ongecultiveerde terreinen konden aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigen. De kwestie biedt vergelijkingsmateriaal voor de marken van Vries, Eelde, Peize, Roden en Norg, waar grensstenen, sloten en oude gebruiksrechten eveneens van betekenis waren.
Mensinge komt bij de familie Van Ewsum — Roden — 1485
In 1485 kocht Onno van Ewsum Mensinge bij Roden. Volgens historische beschrijvingen verwierf hij daarbij ook het collatierecht van de kerk. Dit gaf de familie invloed op de benoeming van geestelijken. De combinatie van een adellijk huis en kerkelijke benoemingsrechten versterkte de maatschappelijke positie van de eigenaar. Later kwamen bij archeologisch onderzoek onder de Catharinakerk vermoedelijke grafkelders van de familie Van Ewsum aan het licht. Hun precieze aanlegdatum is niet vastgesteld. Mensinge werd een belangrijk bezit binnen het grotere netwerk van de Van Ewsums, dat zich uitstrekte over verschillende delen van Drenthe en Groningen.
De familie Lewe krijgt Ter Hansouwe — Vijftiende eeuw
Na de oudere bewoners kwam Ter Hansouwe in handen van de familie Lewe. Geert Lewe, die volgens historische gegevens in 1481 overleed, was burgemeester van Groningen en verwierf het bezit via zijn familie. Zijn zoon Wigbolt zette de Peizer tak voort. De overgang verbond het middeleeuwse steenhuis met een familie die aanzienlijke belangen had in Groningen en de Ommelanden. In sommige latere beschrijvingen wordt een Geert Lewe bij een verhuizing omstreeks 1520 genoemd. Dit kan niet zonder nader onderzoek dezelfde persoon zijn als de in 1481 overleden Geert. De genealogische opvolging moet daarom zorgvuldig worden gecontroleerd.
De oude kleiputten bij Foxwolde — 1492
In 1492 werd land in de marke van Roden verkocht waarop eerder kleiputten waren gegraven. De vermelding vormt een vroege schriftelijke aanwijzing voor de potkleiwinning bij Foxwolde. De economische waarde van het terrein werd niet uitsluitend bepaald door de geschiktheid voor landbouw. Ook de klei kon een belangrijke inkomstenbron vormen. De uitgegraven kuilen beïnvloedden het landschap en mogelijk de plaatselijke waterhuishouding. De ligging bij Foxwolde en het Peizerdiep bood voordelen voor het vervoer. De akte kan meer informatie bevatten over de oorspronkelijke eigenaar, de begrenzing en het gebruik van de grond. De exacte ligging van de oudste kleiputten moet nog worden gereconstrueerd.
De familie Lewe en het collatierecht van Peize — 1498
In 1498 wordt Wigbolt Lewe genoemd als bezitter van het collatierecht van de kerk van Peize. Dit recht gaf invloed op de benoeming van de pastoor. Het vormde een belangrijk onderdeel van de maatschappelijke positie van de familie. De Lewes beschikten daarmee over meer dan landbouwgronden en gebouwen. Ook kerkelijke rechten konden onderdeel zijn van hun bezit en invloed. Piet Kodde benadrukt dat een rechtstreekse familierelatie tussen de twaalfde-eeuwse heren Van Peize en de latere familie Lewe niet bewezen is. Het collatierecht moet daarom als een afzonderlijk overgeleverd recht worden onderzocht. De geschiedenis toont de nauwe verwevenheid van adel en kerkelijk bestuur.
De landbouwgrondruil bij Zeijen — 1502
Een akte uit 1502 vermeldt een grondruil in de omgeving van Zeijen. Dergelijke documenten geven inzicht in de wijze waarop middeleeuwse landbouwbezittingen werden beheerd. Grond kon deel uitmaken van familiebezit, kerkelijke goederen of het bezit van aanzienlijke families. Door ruil konden akkers en weidegronden dichter bij bestaande erven worden gebracht. De waarde van een perceel hing niet alleen af van de oppervlakte, maar ook van de bodem, ligging en gebruiksrechten. De akte laat zien dat het landbouwlandschap voortdurend veranderde door eigendomsoverdrachten. Ook oude wegen en grenzen konden daardoor een andere betekenis krijgen.
De verkoop van het Carslotingegoed — Foxwolde — 1506
In 1506 verkochten Jacob, Egbert en Johan Landes het Carslotingegoed aan Johan de Mepsche uit Roden. Het bezit omvatte een huis, hof, schuur, bouwland, hooiland, een kerkstoel in Roden en visrechten. Het lag in een gebied waar ook de abdij Aduard economische activiteiten had. De akte laat zien dat een goederencomplex veel meer kon omvatten dan alleen een boerderij. Ook rechten op visserij en kerkelijke voorzieningen konden waarde vertegenwoordigen. Later kwamen de goederen in verband met het klooster Bergum en de familie Van Ewsum. De geschiedenis toont hoe landbouwgrond, kerkelijke rechten en bedrijfsactiviteiten gezamenlijk werden overgedragen.
De bouw van het Huis te Peize — 1511–1529
Tussen 1511 en 1529 liet Wigbolt Lewe een aanzienlijk nieuw huis bouwen in het centrum van Peize. Zijn echtgenote was Wobbe ten Grave. Het nieuwe gebouw verrees op een terrein dat bekendstond als de Borgklip. Mogelijk had daar eerder een adellijke woning gestaan, maar archeologisch bewijs voor een middeleeuwse voorganger ontbreekt. De familie Lewe beschikte dankzij haar grondbezit en handelsactiviteiten over aanzienlijke inkomsten. Het is aannemelijk dat voor de bouw bakstenen werden gebruikt uit de omgeving van de Kleibosch, maar de herkomst van de afzonderlijke stenen is niet aangetoond. Het Huis te Peize werd later een belangrijke Drentse havezate.
Het Huis te Peize wordt gebouwd — 1511–1529
Tussen 1511 en 1529 liet Wigbolt Lewe een aanzienlijk nieuw huis bouwen in het centrum van Peize. Het gebouw verrees op een terrein dat bekendstond als de Borgklip. Zijn echtgenote was Wobbe ten Grave. Mogelijk had op dezelfde plaats eerder een adellijke woning gestaan, maar overtuigend archeologisch bewijs ontbreekt. Het nieuwe Huis te Peize werd later een belangrijke Drentse havezate. Voor de bouw waren bakstenen, hout, kalk en andere materialen nodig. Bakstenen uit de Kleibosch zouden geschikt zijn geweest, maar de herkomst van de afzonderlijke partijen is niet aangetoond. Het huis werd een belangrijk centrum van het bezit van de familie Lewe.
Wigbolt Lewe en Johan ter Borch in Eelde — 1514
Een onderzoek van Redmer Alma naar de Ommelander ridderschap bevat een bijzondere vermelding uit 1514. Op 23 maart van dat jaar kwamen verschillende edellieden bijeen in het klooster Selwerd bij Groningen. Onder hen waren Wigbolt Lewe en Johan ter Borch, die met een zuster van Wigbolt was getrouwd. Volgens de onderzochte bron werden beide mannen aangeduid als bewoners van Eelde, binnen het Sticht Utrecht. Dat is opmerkelijk omdat Wigbolt tevens met Peize en Ter Hansouwe verbonden was. De vermelding toont hoe nauw de bestuurlijke en familiale betrekkingen tussen Eelde, Peize en Groningen waren. De precieze betekenis van de plaatsaanduiding Eelde verdient nader onderzoek.
Wigbolt Lewe en Johan ter Borch in Eelde — 23 maart 1514
Op 23 maart 1514 kwamen verschillende edellieden bijeen in het klooster Selwerd bij Groningen. Onder hen waren Wigbolt Lewe en Johan ter Borch, die met een zuster van Wigbolt was getrouwd. Volgens het onderzoek van Redmer Alma werden beide mannen in de bron aangeduid als bewoners van Eelde binnen het Sticht Utrecht. Dit is opmerkelijk omdat Wigbolt eveneens met Peize verbonden was. De vermelding toont hoe nauw de familiebetrekkingen tussen Eelde, Peize en Groningen waren. De precieze betekenis van de woonplaatsaanduiding moet nog worden onderzocht. De bijeenkomst vormt een belangrijk aanknopingspunt voor het netwerk van de Noord-Drentse adel.
De kerkklok van Vries — 1517
In 1517 goot Wolter Schonenborch een klok voor de kerk van Vries. De klok behoort tot de tastbare herinneringen aan de laatste periode waarin de Duitse Orde de kerkelijke benoemingsrechten bezat. Het vervaardigen van een grote kerkklok vereiste gespecialiseerde kennis, een aanzienlijke hoeveelheid metaal en een zorgvuldig ingericht gietproces. Klokken hadden een belangrijke functie in het dagelijkse dorpsleven. Zij riepen de bewoners op voor de eredienst en konden ook worden gebruikt om belangrijke gebeurtenissen bekend te maken. De aanwezigheid van een klokgieter en zijn werk toont de verbinding tussen de Drentse dorpen en gespecialiseerde ambachtslieden buiten de streek.
De kerkklok van Vries — 1517
In 1517 werd voor de Bonifatiuskerk van Vries een bronzen klok gegoten. In de aangeleverde historische teksten wordt de gieter zowel Wolter als Willem Schonenborch genoemd. Dit verschil moet nog worden gecontroleerd aan de hand van de oorspronkelijke klokinscriptie of betrouwbare historische documentatie. Het vervaardigen van een grote kerkklok vereiste gespecialiseerde vakkennis en kostbare grondstoffen. De klok had een belangrijke plaats binnen het dorpsleven. Zij riep de bewoners op voor de eredienst en kon worden gebruikt om gebeurtenissen bekend te maken. Omdat de Duitse Orde de kerkelijke rechten bezat, kan zij betrokken zijn geweest bij de opdracht. De financiering is echter niet vastgesteld.
De familie Lewe — Een tegenstrijdigheid in de persoonsdatering
Bij de geschiedenis van Ter Hansouwe en het Huis te Peize bestaat een belangrijk probleem met de persoonschronologie. De Historische Vereniging Pezie-Peize beschrijft een verhuizing van Geert Lewe omstreeks 1520. De Encyclopedie Drenthe noemt echter een Geert Lewe die al in 1481 overleed en vermeldt diens zoon Wigbolt als bouwer van het Huis te Peize tussen 1511 en 1529. Deze gegevens zijn in hun huidige vorm niet met elkaar te verenigen. Mogelijk zijn personen of generaties met elkaar verward. Zonder controle van de oorspronkelijke familieakten mag de verhuizing niet zonder voorbehoud aan dezelfde Geert Lewe worden toegeschreven.
Geert Lewe en het nieuwe Huis te Peize — Omstreeks 1520
Omstreeks 1520 verplaatste Geert Lewe zijn woonplaats van Ter Hansouwe aan de Horst naar een nieuw adellijk huis in het centrum van Peize. Het nieuwe Huis te Peize werd een belangrijk bezit van de familie Lewe. Met de verhuizing werd ook het recht van havezate verbonden aan het nieuwe huis. Voor de bouw waren aanzienlijke hoeveelheden baksteen nodig. Het is aannemelijk dat een deel van het materiaal uit de kleigebieden rond Peize kwam, maar de precieze herkomst van alle stenen is niet aangetoond. De bouw laat zien hoe de economische mogelijkheden van de streek konden worden benut voor het versterken van de maatschappelijke positie van een adellijke familie.
De verplaatsing van het adellijke bezit bij Peize — Omstreeks 1520
In latere historische beschrijvingen wordt vermeld dat een lid van de familie Lewe omstreeks 1520 vanuit Ter Hansouwe naar het nieuwe Huis te Peize verhuisde. Daarbij verschijnt soms de naam Geert Lewe. Omdat een eerdere Geert Lewe volgens dezelfde onderzoekstraditie in 1481 overleed, moet de identificatie worden gecontroleerd. De ontwikkeling past bij de bouw van het Huis te Peize onder Wigbolt Lewe. De verplaatsing zou een belangrijke verandering hebben betekend voor de verdeling van het familiebezit. Ter Hansouwe bleef een afzonderlijk goederencomplex, terwijl het nieuwe huis in Peize een centrum van adellijke bewoning en bestuur werd.
Ter Hansouwe en Huis te Peize — Grondbezit en bouwmateriaal
De geschiedenis van de familie Lewe verbindt Peize met het Eelderdiep en de potkleiwinning. Volgens onderzoek van de Historische Vereniging Pezie-Peize woonde Geert Lewe tot omstreeks 1520 in het steenhuis Ter Hansouwe, bij de huidige Horst. Daarna verhuisde hij naar het nieuwe Huis te Peize. De onderzoekers achten het waarschijnlijk dat voor de bouw stenen uit de Kleibosch werden gebruikt. De familie beschikte over belangen in de kleiwinning, steenproductie en waterverbindingen. Hier zien we hoe grondbezit, natuurlijke grondstoffen, handelsrechten en een adellijk woonhuis samen konden komen. De vermoedelijke herkomst van de bouwstenen moet wel als hypothese blijven staan.
Het Huis te Peize — Wat de archeologen terugvonden
Bij het voormalige Huis te Peize vonden archeologische onderzoeken plaats in 1959, 1999 en 2000. Daarbij werden de ligging van de grachten en de voormalige brug vastgesteld. Het huis kende verschillende bouwfasen. De bekende bouwcampagne onder Wigbolt Lewe wordt tussen 1511 en 1529 geplaatst. De grachten tonen dat het complex een afzonderlijk ingericht en beschermd terrein vormde. De aanwezigheid van een brug betekent dat de toegang naar het huis op een bepaalde plaats was geconcentreerd. Dat bewijst niet dat het Huis te Peize een openbare grenspost was. Wel laat het zien hoe adellijke bewoning en de beheersing van toegang tot een erf konden samengaan.
De scheepvaart op het Peizerdiep — Vijftiende en zestiende eeuw
Het Peizerdiep vormde een belangrijke afwateringsroute vanuit het westelijke deel van Noord-Drenthe. De waterloop verbond de omgeving van Peize en Foxwolde met het noordelijke veengebied. In 1525 wordt scheepvaart op het Peizerdiep vermeld. Daarmee beschikken we over een concreet historisch aanknopingspunt voor de bevaarbaarheid. Het vervoer van goederen was aantrekkelijk omdat zware vrachten over water gemakkelijker konden worden verplaatst dan over onverharde landwegen. De bruikbaarheid van de rivier was echter afhankelijk van de waterstand en het onderhoud van de vaargeul. Voor oudere eeuwen moeten de omvang en regelmaat van de scheepvaart nog afzonderlijk worden vastgesteld.
De oudste steenovens bij de Wehorst — Voor 1526
Bij de Wehorst in de omgeving van Foxwolde lag een oud tichelwerk dat vermoedelijk al vóór 1492 buiten gebruik raakte. Een akte uit 1526 verwees nog naar het terrein waar vroeger een steenoven had gestaan. De vermelding toont dat steenproductie hier al vóór de grote bouwactiviteiten van de zestiende eeuw plaatsvond. Het bedrijf werd in verband gebracht met de familie Van Ewsum. De aanwezigheid van klei, brandstof en waterwegen maakte de locatie geschikt voor de productie van bakstenen en dakpannen. De exacte ligging van het oudste tichelwerk moet nog met archeologische gegevens en historische kaarten worden vastgesteld.
Wigbolt Lewesloot — Een conflict over het vaarrecht in 1527
Een bijzonder document uit 1527 laat zien hoe belangrijk de toegang tot een waterweg kon zijn. Groninger potten- en pannenbakkers maakten gebruik van de Wigbolt Lewesloot om potklei te vervoeren. Over dat gebruik ontstond een geschil met Wigbolt Lewe. Drost, Etten en burgemeesters van Groningen traden op als scheidsrechters. Zij bepaalden dat de pottenbakkers de sloot mochten blijven gebruiken, maar jaarlijks aan Lewe een kwart wijn of de geldwaarde daarvan moesten betalen. Dit is concreet bewijs voor economisch gezag over een vaarverbinding, zonder dat het noodzakelijk een officiële landsheerlijke tolplaats was.
De Wigbolt Lewesloot — Peize — 1527
In 1527 ontstond een geschil over het gebruik van de Wigbolt Lewesloot. De sloot was verbonden met de potkleihandel en bood toegang tot het Oude Diep. Groninger potten- en pannenbakkers maakten gebruik van de vaarweg. Wigbolt Lewe maakte aanspraak op inkomsten uit dit gebruik. De drost en etten van Drenthe traden samen met vertegenwoordigers van Groningen op als scheidsrechters. De uitspraak bepaalde dat de bakkers de sloot mochten blijven bevaren, maar daarvoor jaarlijks een kwart wijn of de geldwaarde daarvan aan Wigbolt moesten betalen. Dit is een rechtstreeks gedocumenteerd voorbeeld van particuliere economische rechten op een vaarweg.
De Wigbolt Lewesloot — 1527
In 1527 ontstond een geschil over het gebruik van de Wigbolt Lewesloot bij Peize. De sloot was belangrijk voor het vervoer van potklei en producten van de steen- en pannenbakkers. Wigbolt Lewe maakte aanspraak op rechten over deze vaarweg, terwijl Groninger pottenbakkers de verbinding wilden blijven gebruiken. Drost, etten en burgemeesters van Groningen traden op als scheidsrechters. Zij bepaalden dat de potten- en pannenbakkers de sloot mochten bevaren, maar dat daarvoor jaarlijks een kwart wijn of de geldwaarde daarvan aan Wigbolt Lewe moest worden betaald. Het document levert rechtstreeks bewijs voor het economische belang van de waterwegen en voor particuliere rechten op het vervoer.
Het economische belang van de Wigbolt Lewesloot — 1527–1532
De Wigbolt Lewesloot toont hoe kleine gegraven waterwegen belangrijk konden zijn voor de handel. Potklei was zwaar en over slechte wegen moeilijk te vervoeren. Een verbinding met het Oude Diep maakte het transport naar Groningen aantrekkelijker. De overeenkomst uit 1527 bewijst dat het gebruik van een vaarweg economische waarde vertegenwoordigde. Het ging niet noodzakelijk om een algemene openbare tol, maar om een specifieke betaling aan de eigenaar. De bron toont ook hoe nauw Drentse grondbezitters en Groninger ambachtslieden met elkaar verbonden waren. Kleiwinning, schippers, pottenbakkers en pannenbakkers maakten deel uit van hetzelfde economische netwerk.
Het verschil tussen tolrecht en particulier vaarrecht — 1040–1527
De economische controle over waterwegen kon verschillende vormen aannemen. In Groningen waren vanaf 1040 tolrechten verbonden aan de rechten van de landsheer. Bij De Punt ontwikkelde zich later een tolplaats bij een belangrijke oversteek. De Wigbolt Lewesloot laat een andere situatie zien. Daar moest een vergoeding worden betaald voor het gebruik van een waterloop die aan een particuliere eigenaar toebehoorde. Dit verschil is belangrijk. Niet iedere betaling voor het vervoer van goederen was een openbare tol. Soms ging het om een gebruiksrecht, een vergoeding voor toegang of een overeenkomst tussen een eigenaar en degenen die de waterweg gebruikten.
De economische betekenis van schipsloten — Zestiende eeuw
De ontwikkeling van de potkleiwinning rond Foxwolde en Peize laat zien waarom kleine waterwegen economisch belangrijk konden zijn. Voor het vervoer van zware klei en bakstenen was een verbinding met het Peizerdiep aantrekkelijk. Een schipsloot hoefde niet bijzonder breed te zijn wanneer zij geschikt was voor kleine vaartuigen. Wel moest voldoende water aanwezig zijn en moest het kanaal aansluiten op een bevaarbare route. Voor een eigenaar kon het beheer van zo'n verbinding inkomsten opleveren. Het conflict van 1527 bewijst dat vaarrechten daadwerkelijk economische waarde hadden. Het is daarmee een belangrijk voorbeeld van de samenhang tussen grondbezit, industrie en waterbeheer.
De erfenis van Steven ter Borch — 5 april 1529
Op 5 april 1529 deed de Etstoel uitspraak in een geschil tussen Reint Sigers en Jan Grijp over de nalatenschap van Steven ter Borch. De zaak verbindt verschillende aanzienlijke families met elkaar. Reint de Sigers ther Borch werd later ette van Noordenveld. Zijn eerste echtgenote Eltike overleed in 1545, waarna hij met Anna Wayer trouwde. De familiegeschiedenis is mede bekend uit grafzerken, wapens en genealogische onderzoeken. De erfeniskwestie laat zien hoe grondbezit aanleiding kon geven tot langdurige juridische conflicten. De afzonderlijke goederen en de definitieve verdeling moeten nog uit de volledige uitspraak worden vastgesteld.
Wigbolt Lewe als hoofdeling van Peize — 1529–1537
Wigbolt Lewe behoorde tot de aanzienlijke families met belangen in Drenthe en de Groninger Ommelanden. In 1531 wordt hij in een onderzoek van Redmer Alma als hoofdeling van Peize vermeld. De titel hoofdeling was vooral bekend uit de Ommelanden en werd in Drenthe niet algemeen gebruikt. Wigbolt was eerst getrouwd met Wobbe ten Grave. Op 7 oktober 1529 werd een huwelijkscontract opgesteld voor zijn tweede huwelijk met Timen de Zuere, dochter van Hendrick de Zuere en Alijt van der Vene. Zijn maatschappelijke positie was verbonden met grondbezit, kerkelijke rechten en economische activiteiten. Daarmee stond hij in contact met verschillende adellijke families.
Het klooster Aduard wint potklei bij Terheijl — 1531
In 1531 kreeg de abt van Aduard toestemming om potklei te winnen in het gebied bij Terheijl en de marke van Roden. De klei werd gebruikt voor de vervaardiging van bakstenen en dakpannen. Voor het bakken waren brandstof, ovens en arbeidskrachten nodig. De winning moest plaatsvinden binnen de rechten van de plaatselijke markegenoten. Daardoor was toestemming voor het gebruik van de grond belangrijk. De overeenkomst toont hoe een kloosterlijke onderneming afhankelijk was van plaatselijke eigendomsrechten. De aanwezigheid van watergangen maakte vervoer van de zware producten mogelijk. Terheijl ontwikkelde zich daarmee tot een belangrijk gebied voor landbouw en de productie van bouwmaterialen.
Wigbolt Lewe en de potaarde van Foxwolde — 1532
In 1532 verwierf Wigbolt Lewe rechten om potaarde uit een perceel bij Foxwolde te verkopen. De exacte ligging van het terrein is in de onderzochte documenten niet aangegeven. De vermelding bewijst dat de familie Lewe rechtstreeks betrokken was bij de exploitatie van klei. Pottenbakkers en pannenbakkers konden de grondstof gebruiken voor de vervaardiging van hun producten. De klei moest naar geschikte werkplaatsen worden vervoerd. Waterwegen waren daarvoor bijzonder aantrekkelijk. De rechten op potaarde vormden een economische aanvulling op het landbouwbezit. De familie Lewe zou ook in latere generaties belangen behouden bij de steen- en dakpannenindustrie.
De oudste zekere vermelding van Schelfhorst — Eelde — 1536
De oudste zekere schriftelijke vermelding van het huis Schelfhorst dateert uit 1536. In een schuldbekentenis wordt gesproken over werkzaamheden aan het huis in het kerspel Eelde. Het gebouw lag bij de noordelijke rand van het Drentse zandgebied, dicht bij Groningen en de natte overgangsgronden. Het huis werd omgeven door grachten en behoorde tot een groter goederenbezit. De oorspronkelijke bouwvorm is niet volledig bekend. De vermelding vormt een belangrijk uitgangspunt voor de geschiedenis van Schelfhorst. Oudere functies als grenspost, tolplaats of militaire versterking moeten afzonderlijk worden bewezen. Alleen de ligging is daarvoor onvoldoende.
Het ontstaan van Schelfhorst als versterkt huis — 1536
De oudste zekere schriftelijke vermelding van het huis Schelfhorst dateert uit 1536. In een schuldbekentenis wordt gesproken over werkzaamheden aan het huis in het kerspel Eelde. Het ging om een aanzienlijk gebouw bij de noordelijke rand van het Drentse zandgebied. De ligging dicht bij Groningen en de natte overgangsgronden maakte Schelfhorst bijzonder. Het huis werd omgeven door grachten en behoorde tot een groter bezit. De precieze oorspronkelijke bouwvorm is niet volledig bekend. De vermelding uit 1536 levert wel een belangrijk uitgangspunt voor de geschiedenis van het huis. Oudere functies als grenspost of tolplaats moeten afzonderlijk worden bewezen en mogen niet alleen uit de ligging worden afgeleid.
Joost Lewe en Elisabeth Addinga — 1538
Joost Lewe, geboren omstreeks 1510, behoorde tot de vooraanstaande leden van de familie Lewe in Peize. Op 21 mei 1538 trouwde hij in Zandeweer met Elisabeth Addinga. Daarmee werd opnieuw een verbinding gelegd tussen de Drentse landadel en een aanzienlijke familie uit het Groninger gebied. Joost beschikte over belangrijke bezittingen en speelde later een rol in de bestuurlijke en politieke geschiedenis van Drenthe. Zijn positie was niet uitsluitend gebaseerd op het bezit van een adellijk huis. Ook landbouwgronden, inkomsten uit kleiwinning, economische rechten en familiebetrekkingen waren belangrijk. Zijn leven zou uiteindelijk sterk worden beïnvloed door de godsdienstige en militaire conflicten van de zestiende eeuw.
Joost Lewe en Elisabeth Addinga — 1538
Joost Lewe, zoon van Wigbolt Lewe en Wobbe ten Grave, trouwde in mei 1538 met Elisabeth Addinga. Zij was verbonden met aanzienlijke families in Westerwolde en de Groninger Ommelanden. Volgens historische publicaties kreeg het echtpaar acht kinderen. Joost was hoofdeling van Peize en Westernieland en behoorde tot de Drentse ridderschap. Zijn huwelijk versterkte de familieverbindingen tussen Drenthe, Groningen en Oost-Friesland. De familie beschikte over landgoederen en had belangen bij landbouw, handel en bestuur. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog zouden deze relaties belangrijk worden omdat de bescherming van personen en goederen steeds moeilijker werd.
De wederopbouw van Mensinge — Roden — 1541
Johan van Ewsum begon in 1541 met omvangrijke bouw- en herstelwerkzaamheden aan Mensinge. Het huis had eerder schade opgelopen door oorlogsgeweld. Voor de wederopbouw waren grote hoeveelheden bakstenen, dakpannen, kalk en andere bouwmaterialen nodig. Uit zijn rekeningen blijkt dat Doe Ticheler op 18 september 1541 een betaling van 64 rijderguldens ontving voor 29.500 stenen. Een schipper uit Holland bracht negen tonnen steenkalk. Groninger schippers vervoerden verschillende bouwmaterialen. De goederen werden bij een aanlegplaats nabij de Wehorst overgeladen en vervolgens met wagens en sleden naar Mensinge gebracht. Deze gegevens vormen een bijzondere bron voor de zestiende-eeuwse bouweconomie.
Menso Alting wordt geboren in Eelde — 9 november 1541
Op 9 november 1541 werd Menso Alting in Eelde geboren. Zijn vader, Rudolf of Roelof Alting, bekleedde het ambt van schulte. Menso groeide daarmee op in een familie die verbonden was met het plaatselijke bestuur. Hij kreeg onderwijs in Groningen en studeerde later onder meer in Duitse steden. Aanvankelijk was hij bestemd voor een katholieke geestelijke loopbaan. Tijdens zijn studie veranderden zijn godsdienstige overtuigingen. Hij zou uitgroeien tot een belangrijke vertegenwoordiger van de gereformeerde Reformatie in Noord-Nederland en Oost-Friesland. Zijn levensloop laat zien hoe de verbindingen tussen Eelde, Groningen en Duitse gebieden niet alleen bestuurlijk en economisch, maar ook intellectueel en religieus van betekenis waren.
Menso Alting wordt geboren in Eelde — 1541
Menso Alting werd in 1541 in Eelde geboren. Zijn vader Rudolf Alting wordt in de historische teksten verbonden met een bestuurlijke functie; de precieze aanduiding daarvan vraagt controle. Zijn moeder was Ernica Schierbeek. Menso kreeg onderwijs in Groningen en studeerde later onder andere in Münster en Keulen. Aanvankelijk was hij bestemd voor een katholieke geestelijke loopbaan. Tijdens zijn verdere ontwikkeling raakte hij geïnteresseerd in de denkbeelden van de Reformatie. Hij zou uitgroeien tot een belangrijke vertegenwoordiger van de gereformeerde kerk in Noord-Nederland en Oost-Friesland. Zijn levensloop toont de contacten tussen Eelde, Groningen en Duitse steden.
Reint de Sigers ther Borch als ette — Noordenveld — 1542–1550
Reint de Sigers ther Borch wordt in 1542 en 1550 als ette van Noordenveld genoemd. Als lid van de Etstoel nam hij deel aan de rechtspraak van Drenthe. Zijn familie was verbonden met Eelde en andere delen van Noord-Drenthe. De combinatie van grondbezit, juridische geschillen en bestuurlijke functies maakte de familie maatschappelijk belangrijk. De naam Ter Borch komt in verschillende familietakken voor. Niet iedere vermelding mag daarom zonder nader onderzoek aan dezelfde persoon worden gekoppeld. De geschiedenis is mede bekend uit grafzerken, familiewapens en genealogische publicaties. De oorspronkelijke uitspraken van de Etstoel kunnen meer inzicht geven in de betrokken goederen.
Eltike Sigers en haar grafsteen — Eelde — 1545
Eltike Sigers overleed in 1545. Haar grafsteen in de kerk van Eelde vormt een belangrijke bron voor de familiegeschiedenis. De zerk bevat heraldische voorstellingen die met verschillende aanzienlijke families worden verbonden. In historische onderzoeken komen onder andere de namen Schaffer en Ripperda voor. De betekenis van de afzonderlijke wapens moet zorgvuldig worden vastgesteld. Een familiewapen kan informatie geven over afkomst en huwelijk, maar bewijst niet automatisch eigendom van een bepaald goed. De grafsteen vormt een belangrijke aanvulling op de documenten over Steven ter Borch, Reint Sigers en de bestuurlijke functies van hun familie in Noordenveld.
Joost Lewe als ette van Noordenveld — 1548–1559
Tussen 1548 en 1559 was Joost Lewe ette van Noordenveld. De etten hadden een belangrijke functie binnen de Drentse rechtspraak. Zij namen deel aan de Etstoel, het hoogste rechtscollege van het gewest. De functie vereiste aanzien en een zekere maatschappelijke positie. Als grondbezitter en lid van de ridderschap had Joost invloed op bestuurlijke en juridische aangelegenheden. De Etstoel behandelde geschillen tussen inwoners, grondbezitters en andere belanghebbenden. Daardoor bestond er een verbinding tussen het adellijke bezit van Peize en het bestuur van het gehele landschap Drenthe. Joost zou later ook een rol spelen bij de politieke gebeurtenissen tijdens de Opstand.
Joost Lewe als ette van Noordenveld — 1548–1559
Tussen 1548 en 1559 vervulde Joost Lewe de functie van ette van Noordenveld. De etten namen deel aan de Etstoel, het hoogste rechtscollege van Drenthe. Zij behandelden geschillen over grondbezit, erfenissen, rechten en verplichtingen. Joost was als aanzienlijk grondbezitter en lid van de ridderschap verbonden met het gewestelijke bestuur. Zijn positie toont hoe adellijke families invloed konden uitoefenen buiten hun afzonderlijke landgoederen. De combinatie van bestuurlijke functies en economische belangen kwam vaker voor. Tijdens de Nederlandse Opstand zou deze positie politieke risico's met zich meebrengen. De belangen van de familie Lewe lagen immers in verschillende gebieden.
Het brouwhuis van Mensinge — Roden — 1550
Bij Mensinge werd in 1550 een brouwhuis gebouwd. De vermelding maakt duidelijk dat een adellijk goederencomplex meer omvatte dan een woonhuis met landbouwgronden. Voor bierbereiding waren graan, water, brandstof en geschikte gebouwen noodzakelijk. Een brouwhuis kon dienen voor de voedsel- en drankvoorziening van het eigen huishouden en personeel. Of Mensinge ook op grotere schaal bier voor verkoop produceerde, is niet bewezen. Daarvoor zijn aanvullende gegevens uit rekeningen en inventarissen nodig. De vermelding vormt een belangrijk aanknopingspunt voor het onderzoek naar de economische organisatie van Mensinge en de betekenis van bierbereiding in Noord-Drenthe.
Het nieuwe huis bij de Wehorst — Omstreeks 1550
Johan van Ewsum liet omstreeks 1550 een nieuw huis bij de Wehorst bouwen. Volgens zijn rekeningen werden drieduizend oude stenen opnieuw gebruikt, drieduizend nieuwe stenen van zijn moeder verkregen en nog eens zesduizend nieuwe stenen aangekocht. Voor de vloeren waren ongeveer duizend estrikken nodig. De materialen werden gedeeltelijk over water aangevoerd en vervolgens met wagens vervoerd. De werkzaamheden tonen hoe een adellijke eigenaar gebruikmaakte van plaatselijke en regionale leveranciers. De Wehorst was bovendien verbonden met de steenindustrie. Later zouden vanuit dit gebied aanzienlijke hoeveelheden dakpannen naar Bunne worden vervoerd. De bouwgegevens vormen een concrete bron voor de ontwikkeling van de tichelwerken.
De financiële problemen van Bunne — 1550–1563
In de zestiende eeuw verslechterde de financiële positie van de commanderij Bunne. Volgens historische overzichten was sprake van wanbeheer en onvoldoende inkomsten. In 1551 wordt Peter van Hemert genoemd als een afgezette commandeur. De kosten van gebouwen, bewoners en andere verplichtingen drukten op de financiën. De landbouwgoederen leverden nog altijd inkomsten, maar de exploitatie was problematisch. Het dagelijkse beheer kwam steeds meer in handen van rentmeesters. Uiteindelijk besloot het hogere bestuur van de Duitse Orde het bezit over te dragen. Daarmee kwam een einde aan een langdurige periode waarin Bunne als zelfstandige plaatselijke ordevestiging had gefunctioneerd.
De bezittingen van Bunne in 1553
Een beschrijving uit 1553 noemt een stenen hoofdgebouw, vijf erven en drie keuterplaatsen in Bunne. Daarnaast beschikte de Duitse Orde over renten, tienden en kerkelijke rechten. Deze gegevens geven een concreet beeld van het goederencomplex. De afzonderlijke erven konden door boeren worden gebruikt, terwijl de orde aanspraken behield op bepaalde opbrengsten. De keuterplaatsen wijzen op kleinere landbouwbedrijven naast de grotere erven. De aanwezigheid van verschillende inkomstenbronnen maakte de commanderij economisch veelzijdig. Toch was het beheer onvoldoende winstgevend. De exacte ligging van alle goederen en de omvang van hun landbouwgronden moeten nog met de oorspronkelijke beschrijving worden vastgesteld.
De rentmeesters van Bunne — Midden zestiende eeuw
Toen de commanderij financieel in moeilijkheden verkeerde, werd een belangrijk gedeelte van het beheer door rentmeesters uitgevoerd. In historische overzichten verschijnt Reiner van Limburg omstreeks 1553 als beheerder. Later komt Liberius Forster voor in de rekeningen van het voormalige ordehuis. Een rentmeester hield toezicht op inkomsten, uitgaven, pachten en achterstallige betalingen. Zijn functie moet worden onderscheiden van die van de commandeur. De oorspronkelijke rekeningen zijn belangrijk omdat zij gegevens kunnen bevatten over landbouw, bouwmateriaal, vervoer en de toestand van de gebouwen. Zij bieden daardoor inzicht in het dagelijkse economische beheer van een middeleeuws goederencomplex.
De verlenging van de potkleirechten van Aduard — 1558
In 1558 werd een nieuwe overeenkomst gesloten over het gebruik van potkleigronden in de marke van Roden. Het klooster Aduard kon daardoor zijn werkzaamheden voortzetten. De nieuwe huurperiode moest in 1561 beginnen. De overeenkomst werd gesloten met vertegenwoordigers van de markegenoten. Een gedeelte van de opbrengsten werd verbonden met werkzaamheden aan waterwegen. Dit toont dat de steenindustrie afhankelijk was van bruikbare verbindingen. De productie van bakstenen en dakpannen vereiste niet alleen klei en brandstof, maar ook vervoer naar afnemers. Het onderhoud van watergangen was daardoor een economisch belang van zowel de kloosterlijke ondernemers als de plaatselijke grondbezitters.
Het Carslotingegoed komt bij Johan van Ewsum — 1559
Johan van Ewsum probeerde gedurende meerdere jaren goederen van het Carslotingegoed bij Foxwolde te verwerven. Hij deed voorstellen in 1553 en 1556, maar pas in 1559 kwam een definitieve overeenkomst tot stand. De goederen van het klooster Bergum werden geruild tegen landerijen van Van Ewsum in Dantumawoude. Bij de overdracht hoorde een tichelwerk. Van Ewsum moest jaarlijks ongeveer tweeduizend tot vierduizend dakpannen aan het klooster leveren. De regeling toont dat grondbezit en productiecapaciteit gezamenlijk economische waarde hadden. De overeenkomst verbond Drenthe en Friesland door een langdurige verplichting tot het leveren van bouwmaterialen.
De commanderij Bunne in de zestiende eeuw — 1500–1565
De commanderij Bunne bleef in de zestiende eeuw een bezit van de Duitse Orde. Het complex bestond uit verschillende gebouwen, waaronder een stenen huis, een boerenhuis en een kapel. De landbouwgronden leverden inkomsten, terwijl de kerkelijke rechten in Eelde en Vries bestuurlijk van betekenis waren. In deze periode ontstonden problemen met de exploitatie van de commanderij. Er was sprake van wanbeheer en de opbrengsten voldeden onvoldoende aan de verwachtingen van het hogere ordebestuur. De landcommandeur zocht daarom naar een andere bestemming voor het bezit. De situatie leidde uiteindelijk tot de beëindiging van de rechtstreekse aanwezigheid van de Duitse Orde in Bunne.
De Noord Hem en de verbetering van de scheepvaart — 1563
Een akte uit 1563 verwijst naar graafwerkzaamheden ten behoeve van de scheepvaart bij de Noord Hem. De vermelding toont dat bestaande waterverbindingen werden aangepast om het vervoer van goederen gemakkelijker te maken. In een landschap met ondiepe sloten en wisselende waterstanden kon uitdieping noodzakelijk zijn. Vooral voor de kleiwinning en steenindustrie rond Peize en Foxwolde waren dergelijke werkzaamheden belangrijk. De exacte ligging van de Noord Hem moet nog met kaarten en oorspronkelijke akten worden vastgesteld. De vermelding vormt echter een afzonderlijk bewijs dat het verbeteren van vaarwegen in de zestiende eeuw een onderwerp van concrete economische afspraken was.
Nieuwe vaarwegen en de Noord Hem — 1563
In een akte uit 1563 wordt graafwerk genoemd dat verband hield met de scheepvaart en de Noord Hem. De vermelding is belangrijk voor het onderzoek naar het netwerk van watergangen ten westen en noordwesten van Peize. Daar waren het Eelderdiep, Peizerdiep, kleinere sloten en de Matsloot van belang voor de afwatering en het vervoer. Niet elke watergang was het hele jaar door even goed bevaarbaar. De bruikbaarheid was afhankelijk van waterstand, onderhoud, slibvorming en de afmetingen van het vaartuig. Voor zware producten zoals klei en bakstenen konden zulke verbindingen bijzonder waardevol zijn. De akte toont dat het verbeteren van vaarmogelijkheden een onderwerp van concrete afspraken was.
De overeenkomst over de commanderij van Bunne — 1563
In 1563 werd besloten de commanderij Bunne met haar bezittingen en rechten over te dragen aan de familie Van Ewsum. Tegenover de overdracht stonden goederen bij Woudsend in Friesland. De overeenkomst maakte deel uit van de pogingen van de Duitse Orde om haar financiële positie te verbeteren. Bunne leverde onvoldoende inkomsten op en het beheer was problematisch geworden. Voor de familie Van Ewsum waren de landbouwgronden, gebouwen en kerkelijke rechten aantrekkelijk. In de bronnen worden verschillende personen en dateringen genoemd. Daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen de oorspronkelijke beslissing en de latere uitvoering van de transactie.
De verkoop en ruil van de commanderij — 1563–1565
Tussen 1563 en 1565 kwam een einde aan de bestaande verhouding tussen de Duitse Orde, de commanderij Bunne en de kerken van Eelde en Vries. Rechten en bezittingen werden overgedragen of geruild met leden van de familie Van Ewsum. In de bronnen worden Johan en Casper van Ewsum bij de transacties genoemd; de verschillende onderdelen moeten per akte worden onderscheiden. In 1565 ruilde Casper van Ewsum Friese bezittingen bij Woudsend tegen de commanderij Bunne. Het bezit was aantrekkelijk vanwege de ligging aan het veengebied en de economische mogelijkheden. De Van Ewsums probeerden het voormalige ordehuis later als havezate te laten erkennen.
Casper en Johan van Ewsum — De uitvoering van de ruil — 1565
De erfgoedinventarisatie van de Duitse Orde noemt 1565 als jaar van de daadwerkelijke ruil. Daarbij verschijnt Casper van Ewsum als betrokken partij. Hij ruilde goederen bij Woudsend tegen de commanderij van Bunne. Johan van Ewsum wordt in andere documenten als verkrijger genoemd. Mogelijk hadden de verschillende namen en dateringen betrekking op afzonderlijke rechtshandelingen. De oorspronkelijke overdrachtsakten zijn nodig om de precieze gang van zaken vast te stellen. De ruil betekende dat het voormalige ordehuis met zijn landerijen en inkomsten in adellijke handen kwam. Daarmee eindigde de rechtstreekse aanwezigheid van de Duitse Orde als plaatselijke eigenaar.
De kerkelijke rechten van Eelde en Vries — 1563–1565
Bij de overdracht van Bunne veranderde ook de positie van de kerkelijke rechten. Het patronaatsrecht van Eelde werd betrokken bij de overeenkomst van 1563. Voor Vries vermeldt de erfgoedinventarisatie dat het collatierecht in 1565 aan Johan van Ewsum werd verkocht. Daarmee eindigde de rechtstreekse bestuurlijke verbinding tussen beide parochies en de Duitse Orde. De rechten bleven echter van betekenis voor het benoemen van geestelijken en het beheer van inkomsten. De geschiedenis toont hoe een overdracht van landbouwgrond en gebouwen tegelijkertijd gevolgen kon hebben voor het kerkelijke leven. Het bezit van een kerkelijk recht betekende niet dat alle goederen van de parochie particulier eigendom waren.
De commanderij wordt het Huis te Bunne — 1565–1600
Na de overdracht aan de familie Van Ewsum veranderde het karakter van Bunne. Het voormalige ordehuis werd voortaan als adellijk bezit beheerd en kreeg de naam Huis te Bunne. De nieuwe eigenaren en hun opvolgers probeerden het complex als havezate te laten erkennen. Een dergelijke erkenning kon belangrijk zijn voor de adellijke positie en bestuurlijke rechten van de eigenaar. Het vroegere hoofdgebouw, de boerderij, kapel en grachten vormden nog onderdelen van het complex. De precieze verbouwingen tijdens de tweede helft van de zestiende eeuw zijn niet volledig bekend. Het terrein bleef echter een belangrijk centrum van grondbezit en inkomsten.
De steen- en dakpannenindustrie van Foxwolde — Zestiende eeuw
De steenindustrie bij Foxwolde was een georganiseerde bedrijfstak waarin verschillende beroepen samenkwamen. De eigenaar van de grond kon zelf een oven exploiteren, maar kon deze ook aan een gespecialiseerde tichelaar verhuren. Arbeiders groeven klei, bereidden deze voor, vormden stenen en dakpannen en verzorgden het drogen en bakken. Voor de ovens was veel brandstof nodig. Schippers en voerlieden zorgden voor het transport. De productie was afhankelijk van de beschikbaarheid van waterwegen, arbeid en geschikte grondstoffen. De contracten van de families Lewe en Van Ewsum tonen dat steenbakkerijen ook een belangrijke bron van pachtinkomsten konden vormen.
De potklei als handelsproduct — 1520–1560
De familie Lewe bezat en exploiteerde kleipercelen in de omgeving van De Kleibosch en het Peizerdiep. De grondstof was geschikt voor pottenbakkers en voor de vervaardiging van bakstenen en dakpannen. Vervoer over water was belangrijk omdat ruwe klei en gebakken producten zwaar waren. De aanwezigheid van de Wigbolt Lewesloot toont dat afzonderlijke watergangen onderdeel waren van de handelsorganisatie. Pottenbakkers in Groningen konden rechtstreeks belang hebben bij de winning rond Peize. De kleiwinning leverde inkomsten aan bezitters van de grond en bood werkgelegenheid aan de betrokken arbeiders. Daarmee was de streek niet uitsluitend afhankelijk van akkerbouw en veeteelt.
Foxwolde — De ontwikkeling van een middeleeuwse bouwindustrie
Bij Foxwolde kwam potklei dicht aan het oppervlak voor. Het materiaal was geschikt voor het vervaardigen van bakstenen en dakpannen. De aanwezigheid van brandstof en een verbinding met het Peizerdiep maakte de plaats aantrekkelijk voor productie en vervoer. Het klooster Aduard had belangen bij de kleiwinning en steenbakkerijen. Later kregen ook adellijke families uit Peize en omgeving een belangrijke positie in deze nijverheid. Smalle schipsloten verbonden de winningsplaatsen met het grotere watersysteem. De zware lading kon vervolgens per praam worden vervoerd. Daarmee werd een natuurlijke grondstof onderdeel van een regionale bouweconomie.
Klooster Aduard en de handel in bouwmateriaal — Late middeleeuwen
Het klooster Aduard had een groot economisch belang bij de productie en het gebruik van bouwmaterialen. Voor kerkelijke en agrarische gebouwen waren grote hoeveelheden bakstenen nodig. De kleigronden rond Foxwolde en Peize boden mogelijkheden voor steen- en pannenproductie. Waterverbindingen maakten het vervoer van zware ladingen aantrekkelijk. Het klooster beschikte over bezittingen en economische betrekkingen die zich uitstrekten over verschillende gebieden. Daardoor kwamen Drentse grondstoffen terecht in een netwerk dat ook Groningen en het Westerkwartier omvatte. De exacte ouderdom van afzonderlijke schipsloten en tichelwerken moet steeds aan historische documenten of archeologische gegevens worden ontleend.
Terheijl en de Swarte Rijth — Zestiende eeuw
Terheijl was een uithof van het klooster Aduard en vormde een centrum voor landbouw, potkleiwinning en mogelijk turfwinning. Onderzoekers Esgo Kuiper en Theo Spek onderzochten in 2015 de ligging van oude steenovens en waterwegen. Daarbij kwam de Swarte Rijth ter sprake, een vermoedelijk gegraven waterloop die verbinding kon bieden met de Leek en het gebied richting Groningen. De precieze historische loop is nog niet volledig vastgesteld. Het onderzoek laat zien hoe een klooster economische activiteiten kon combineren. Grondstoffen, brandstof, landbouwproducten en bouwmaterialen moesten immers vanuit verspreide goederen worden vervoerd. De beschikbaarheid van vaarwegen was daarvoor van grote betekenis.
Schulten, kosterijen en onderwijs — Vijftiende–zestiende eeuw
De dagelijkse organisatie van de Drentse dorpen werd beïnvloed door de schulte, de kerkelijke functionarissen en de gemeenschappen van grondbezitters. Een schulte was betrokken bij de rechtspraak en het plaatselijke bestuur. De pastoor verzorgde de eredienst en beheerde samen met andere betrokkenen kerkelijke bezittingen. Kosters vervulden praktische taken rond de kerk en konden een rol spelen bij het onderwijs. In de zestiende eeuw worden schoolmeesters ook uitdrukkelijk genoemd in kerkelijke en bestuurlijke regelingen. Het bestaan van zulke functies betekent niet dat ieder dorp over een afzonderlijk, permanent schoolgebouw beschikte. Onderwijs kon op verschillende manieren worden georganiseerd en stond sterk onder kerkelijke invloed.
Hopteelt en de bierbrouwerijen — Vijftiende–zestiende eeuw
In Noord-Drenthe ontwikkelde de hopteelt zich tot een belangrijke agrarische activiteit. Hop werd gebruikt bij de bereiding van bier en kon als handelsgewas worden verkocht. Vooral Peize, maar ook Eelde en andere dorpen, werden later bekend om deze teelt. De nabijheid van Groningen was gunstig omdat daar een omvangrijke markt voor landbouwproducten bestond. Brouwers hadden belang bij een betrouwbare aanvoer van hop, graan en brandstof. Al in de vijftiende eeuw zijn familieverbindingen tussen Peize en het Groninger brouwersbedrijf aantoonbaar, zoals bij Otto ter Hansouwe. De precieze omvang van de hopteelt vóór 1600 is moeilijker vast te stellen dan die in de zeventiende eeuw.
Peize en de hophandel — Vijftiende en zestiende eeuw
Peize was niet alleen door zijn potklei verbonden met de Groningse economie. De omgeving stond ook bekend om de verbouw van hop, een grondstof die bij het bierbrouwen werd gebruikt. De Nieuwe Groninger Encyclopedie noemt de Peizer hopbel uitdrukkelijk als een product dat Groningse brouwerijen uit Noord-Drenthe betrokken. Een Gronings brouwvoorschrift uit 1476 geeft bovendien nauwkeurige hoeveelheden gerst en haver aan en laat zien hoe ver de productie inmiddels was georganiseerd. Deze latere handel bewijst niet dat hop rond 1000 al een belangrijk handelsgewas in Peize was. Wel toont zij hoe de landbouw van Noord-Drenthe uiteindelijk onderdeel werd van de stedelijke bierindustrie.
Bier, gerst en plaatselijke nijverheid — 1500–1600
Bier was in de zestiende eeuw een belangrijk dagelijks en commercieel product. Voor het brouwen waren water, graan, brandstof en in toenemende mate hop nodig. Op de Noord-Drentse zandgronden konden graansoorten worden verbouwd die voor mouterij geschikt waren. De bossen, houtwallen en andere brandstofbronnen speelden een rol bij het verwarmen van brouwketels. Groningen was een belangrijke afzetmarkt en beschermde de eigen bierhandel onder meer door heffingen op concurrerende producten. Bij De Punt werd op ingevoerd bier uit steden als Bremen en Hamburg accijns geheven. De geschiedenis van bier verbindt daarmee landbouw in Drenthe, stedelijke nijverheid, tolheffing en internationale handelsbetrekkingen.
Schelfhorst — De versterkte positie bij Eelde
Het voormalige huis Schelfhorst lag bij Paterswolde, nabij het Eelderdiep. Archeologische gegevens beschrijven een woontoren die door een gracht werd omgeven. Het terrein heeft een beschermde status vanwege zijn hoge archeologische waarde. Het huis wordt voor het eerst in 1536 schriftelijk genoemd, maar is ouder. In de omgeving zijn aardewerkfragmenten en andere vondsten uit de late middeleeuwen en latere perioden aangetroffen. De positie bij de overgang van hogere zandgronden naar het natte noordelijke landschap maakt een strategische betekenis voorstelbaar. Of de bewoners tol hieven of het verkeer namens een overheid controleerden, is nog niet aangetoond.
De verhuur van het tichelwerk bij Foxwolde — 1566
In 1566 verhuurden Johan van Ewsum en zijn vrouw Anna van Burmania het Carslotingegoed met het bijbehorende tichelwerk aan Johan en Harmen Wolters en hun vrouwen. Het contract omvatte landerijen, een huis, de oven en gronden waaruit klei en brandstof konden worden gewonnen. De huurders moesten een aanzienlijk gedeelte van de productie aan Van Ewsum afstaan. Volgens de voorwaarden was de helft van de opbrengst voor de eigenaar bestemd, ook wanneer de verkoop van dakpannen tegenviel. De overeenkomst toont hoe een steenoven door gespecialiseerde ondernemers kon worden geëxploiteerd zonder dat zij zelf eigenaar van de grond waren.
Menso Alting en de eerste hervormingsbeweging — 1564–1567
Menso Alting werd in 1564 benoemd tot pastoor van Sleen. Hij had onderwijs gevolgd in Groningen en Duitse steden. Tijdens zijn ontwikkeling raakte hij steeds sterker overtuigd van de ideeën van de Reformatie. In 1566 werd hij in Heidelberg geschikt bevonden voor het gereformeerde predikantschap. De komst van de hertog van Alva maakte zijn positie gevaarlijk. In 1567 verliet hij de Nederlanden. Zijn levensloop toont hoe de godsdienstige veranderingen van de zestiende eeuw verbonden waren met contacten tussen Drenthe, Groningen en het Duitse achterland. De kerken van Eelde, Peize en Vries bleven voorlopig grotendeels onder de bestaande katholieke geestelijkheid functioneren.
De Reformatie bereikt Noord-Drenthe — 1560–1567
De godsdienstige veranderingen van de zestiende eeuw bereikten ook Noord-Drenthe. Nieuwe opvattingen werden verspreid door predikers, studenten en personen die contacten onderhielden met Duitse steden. Menso Alting studeerde in Heidelberg en werd in 1566 geschikt bevonden voor het gereformeerde predikambt. Hij preekte onder meer in de omgeving van Groningen en was werkzaam in Sleen. De komst van de hertog van Alva maakte zijn positie gevaarlijk en in 1567 verliet hij de Nederlanden. De dorpskerken in Eelde, Peize en Vries bleven voorlopig grotendeels onder de bestaande katholieke geestelijkheid functioneren. De overgang naar een gereformeerde kerkorganisatie zou pas later worden afgedwongen.
De rentmeester Liberius Forster — Bunne — 1565–1568
Na de overdracht van Bunne werd het beheer van het goederencomplex opnieuw georganiseerd. Rentmeester Liberius Forster hield toezicht op inkomsten, uitgaven en achterstallige pachten. De gebouwen hadden onderhoud nodig en er werden aanzienlijke hoeveelheden bouwmateriaal aangevoerd. In september 1568 kwamen ongeveer 19.000 dakpannen naar Bunne, afkomstig van het tichelwerk bij de Wehorst. De rekeningen geven daarmee een bijzonder concreet beeld van de economische organisatie achter het herstel. De werkzaamheden vereisten afspraken met tichelaars, vervoerders en arbeiders. Het voormalige ordehuis bleef dus ook na de overdracht belangrijk voor de plaatselijke nijverheid en landbouw.
De levering van 19.000 dakpannen aan Bunne — September 1568
In september 1568 werden ongeveer 19.000 dakpannen naar Bunne vervoerd. Zij waren afkomstig van het tichelwerk bij de Wehorst, dat met de familie Van Ewsum verbonden was. Voor de productie waren potklei, brandstof, arbeid en ovens noodzakelijk. Daarna moesten de zware pannen per wagen naar het voormalige commanderijcomplex worden gebracht. De omvang van de levering wijst op aanzienlijke bouw- of herstelwerkzaamheden. De gebeurtenis vormt een rechtstreeks bewijs van de economische verbinding tussen verschillende goederen van dezelfde adellijke familie. De productie van bouwmaterialen kon worden gebruikt voor het onderhoud en de uitbreiding van gebouwen die elders in Noord-Drenthe lagen.
De Nederlandse Opstand en Noord-Drenthe — 1568–1594
De Nederlandse Opstand tegen het Spaanse gezag had ook gevolgen voor de dorpen van Noord-Drenthe. Het gebied lag tussen Groningen, Friesland en het Drentse binnenland. Legers en gewapende groepen maakten gebruik van de doorgaande wegen. Bewoners konden worden geconfronteerd met inkwartiering, belastingen, plundering en schade aan gebouwen. Ook het vervoer van landbouwproducten en bouwmaterialen kon worden verstoord. De economische belangen van adellijke families waren daardoor kwetsbaar. Kerkelijke instellingen kregen te maken met de toenemende spanningen tussen katholieken en aanhangers van de Reformatie. De gevolgen verschilden per plaats en moeten aan de hand van kronieken en archiefstukken worden gereconstrueerd.
De Tachtigjarige Oorlog en de Drentse wegen — 1568–1580
Na het uitbreken van de Nederlandse Opstand kreeg Drenthe te maken met troepenbewegingen, inkwartiering en de gevolgen van oorlogvoering. De doorgaande wegen naar Groningen waren daarbij bijzonder belangrijk. Soldaten gebruikten de verbindingen over de zandruggen, terwijl de natte gebieden hun verplaatsingen konden bemoeilijken. Eelde, Peize, Vries, Roden en De Punt lagen langs of nabij routes waarover strijdende partijen het noorden konden bereiken. De bevolking moest rekening houden met militaire belastingen, plundering en schade aan bezit. De oorlog had bovendien invloed op handel en landbouw. Voor afzonderlijke gebeurtenissen moeten de kronieken en plaatselijke archieven worden gebruikt, omdat de omstandigheden per dorp konden verschillen.
De kerkelijke goederen van Peize en de eigenerfden — 1575
In 1575 worden Jodocus Leeuwen en andere eigenerfden van Peize genoemd als collators van de kerk. Eigenerfden waren zelfstandige grondbezitters die door hun bezit rechten en verplichtingen binnen de dorpsgemeenschap hadden. Het optreden van meerdere collators toont dat kerkelijke benoemingsrechten niet altijd uitsluitend bij één adellijke familie lagen. De verhouding tussen de eigenerfden en de familie Lewe verdient nader onderzoek. Kerkelijk bestuur was immers verbonden met landerijen, inkomsten en patronaatsrechten. De vermelding van Jodocus Leeuwen is belangrijk voor de geschiedenis van de plaatselijke machtsverhoudingen. Zij toont ook dat de dorpsgemeenschap een rol kon spelen bij kerkelijke benoemingen.
Menso Alting in Emden — 1575–1599
Vanaf 1575 werkte Menso Alting als gereformeerd predikant in Emden. De Oost-Friese stad was een belangrijk toevluchtsoord voor protestanten uit de Nederlanden. Alting ontwikkelde zich tot een invloedrijke geestelijke en onderhield contacten met Nederlandse bestuurders en andere predikanten. Zijn afkomst uit Eelde maakte zijn betrokkenheid bij de hervorming van Groningen en Drenthe bijzonder. Vanuit Emden kon hij deelnemen aan de ontwikkeling van de gereformeerde kerkorganisatie in Noord-Nederland. De verbinding tussen Eelde, Groningen en Oost-Friesland laat zien dat de religieuze geschiedenis van Noord-Drenthe niet uitsluitend binnen de grenzen van het gewest werd bepaald.
De markescheiding van Peize — 15 juli 1577
Op 15 juli 1577 kwamen de markegenoten van Peize bijeen voor de verdeling van gezamenlijke gronden. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen hoge en lage gronden, heidevelden, groenlanden, houtgronden en venen. De verschillende grondsoorten hadden ieder een eigen economische waarde. Hoge gronden waren vooral geschikt voor akkerbouw, terwijl lage gebieden konden worden gebruikt voor hooiwinning en veeteelt. Heide, bos en veen leverden andere producten. De markescheiding geeft inzicht in oude perceelsgrenzen en het gebruik van het landschap. Door de vermelding van afzonderlijke goederen kunnen sommige historische locaties mogelijk met oude kaarten worden teruggevonden.
De markescheiding van Peize en het tichelwerk — 1577
In de markescheiding van Peize uit 1577 wordt melding gemaakt van een tichelwerk dat aan Joost Lewe toebehoorde. Het lag bij gronden die worden aangeduid met namen als Smeerveen, Driebergendijk en Neystechterwech, later verbonden met de Scharenhulsedijk. Dit document vormt een belangrijke aanwijzing voor de plaatselijke organisatie van de steenindustrie. Joost Lewe bezat niet alleen een adellijke woning, maar had ook economische belangen in de vervaardiging van bakstenen en dakpannen. Het tichelwerk moet worden gezien als onderdeel van een groter netwerk van kleipercelen, watergangen en afzetmarkten. De ligging van het bedrijf maakt de relatie tussen landbouw, nijverheid en vervoer zichtbaar.
Het tichelwerk van Joost Lewe — Peize — 1577
De markescheiding van Peize uit 1577 noemt een tichelwerk dat met Joost Lewe verbonden was. Het perceel lag bij gronden die werden aangeduid met namen als Smeerveen, Driebergendijk en Neystechterwech, later verbonden met de Scharenhulsedijk. De vermelding toont dat de steenindustrie een herkenbaar onderdeel van het landschap was geworden. Het tichelwerk diende zelfs als oriëntatiepunt bij het vaststellen van grenzen. De eigendomsaanduiding en de precieze ligging moeten nog aan de oorspronkelijke markescheidingsakte worden getoetst. De bron laat wel zien hoe landbouw, grondstoffenwinning en het beheer van gemeenschappelijke gronden met elkaar verweven waren.
Joost Lewe en de politieke keuze van Drenthe — 1579–1580
In 1579 werd de Unie van Utrecht gesloten. De Drentse ridderschap en eigenerfden moesten bepalen hoe zij zich tot de opstandige gewesten zouden verhouden. In een historische beschrijving wordt vermeld dat vertegenwoordigers in 1580 in het Grollerholt besloten zich bij de Unie aan te sluiten. Joost Lewe zou daarbij als eerste hebben ondertekend. Andere teksten verbinden zijn politieke optreden met 1579. De precieze datum van het Drentse besluit moet daarom met de oorspronkelijke akte worden vastgesteld. Duidelijk is dat Joost behoorde tot de aanzienlijke Drenten die tijdens de Nederlandse Opstand voor moeilijke politieke keuzes kwamen te staan.
Joost Lewe en de Unie van Utrecht — 1579
In 1579 werd de Unie van Utrecht gesloten. Joost Lewe behoorde tot de aanzienlijke Drenten die betrokken waren bij de politieke keuze voor samenwerking met de opstandige gewesten. Zijn positie laat zien dat de adel van Noord-Drenthe rechtstreeks betrokken raakte bij de grote politieke tegenstellingen van de Nederlandse Opstand. Het was echter een tijd waarin oude loyaliteiten en nieuwe belangen voortdurend veranderden. De verhouding tussen Drenthe, Groningen en de opstandige gewesten was bijzonder ingewikkeld. Voor een edelman met landgoederen, familiebanden en economische belangen aan beide kanten van het conflict kon een politieke keuze grote persoonlijke gevolgen hebben.
Rennenberg kiest de Spaanse zijde — 3 maart 1580
Op 3 maart 1580 koos stadhouder George van Lalaing, graaf van Rennenberg, de zijde van de Spaanse koning. De gebeurtenis bracht grote verwarring in het noorden. Drentse edellieden die eerder de Opstand hadden gesteund, moesten opnieuw hun positie bepalen. Ook Joost Lewe kreeg met deze veranderde omstandigheden te maken. De politieke keuze was niet uitsluitend een kwestie van geloofsovertuiging. Families moesten rekening houden met de bescherming van hun landgoederen, inkomsten en verwanten. De verhoudingen tussen Groningen, Friesland, Drenthe en Oost-Friesland waren bijzonder ingewikkeld. De oorlog bracht onzekerheid over bezit en persoonlijke veiligheid.
Rennenberg en de politieke ommekeer — 1580
In 1580 koos stadhouder George van Lalaing, graaf van Rennenberg, opnieuw de zijde van de Spaanse koning. Deze gebeurtenis bracht grote verwarring in het noorden. Joost Lewe voelde zich door de nieuwe situatie bedreigd en verbleef gedurende een periode in Oost-Friesland. Zijn familiebetrekkingen boden daar mogelijkheden voor onderdak. De politieke veranderingen hadden gevolgen voor de positie en het bezit van de betrokken edelen. In de jaren daarna was het niet altijd mogelijk een eenvoudige scheiding te maken tussen katholieke en gereformeerde families of tussen voor- en tegenstanders van de Opstand. Persoonlijke veiligheid en het behoud van bezittingen speelden eveneens een grote rol.
De vlucht van de familie Lewe naar Oost-Friesland — 1580–1582
Na de politieke veranderingen van 1580 vertrok Joost Lewe naar Oost-Friesland. Hij vond volgens historische gegevens onderdak bij zijn dochter in Uplewert. Zijn zonen Jurgen en Johan verbleven in Norden en Spiers. Zoon Wigbolt bleef betrokken bij het beheer van de bezittingen in Peize. Tijdens de ballingschap correspondeerden de familieleden met elkaar. Johan Lewe schreef een brief aan zijn vader waarop Joost noteerde dat hij deze op 11 december 1582 had ontvangen. De brief is bijzonder waardevol omdat zij de verblijfplaatsen en onderlinge contacten van de familie tijdens de oorlog concreet zichtbaar maakt. De gebeurtenissen tonen het belang van familieverbindingen over de grens.
De brand bij het Huis te Peize — 1 augustus 1582
Op 1 augustus 1582 vielen Staatse soldaten vanuit Friesland Noord-Drenthe binnen. Daarbij werd het schathuis van het Huis te Peize in brand gestoken. De aanval hield verband met de politieke positie van Joost Lewe. Een schathuis was een bijgebouw van een aanzienlijk huis en kon worden gebruikt voor landbouwactiviteiten, opslag en het onderbrengen van personeel of dieren. De verwoesting betekende daarom meer dan alleen schade aan een afzonderlijk gebouw. In hetzelfde jaar werden de kerkklokken van Peize in veiligheid gebracht. Zij werden in bewaring gegeven aan Hendrik Helmers in Groningen, die nog vijftig Emder gulden van de kerkvoogdij tegoed had. De gebeurtenissen tonen hoe direct de oorlog het dorpsleven raakte.
De verbranding van het schathuis bij Peize — 1 augustus 1582
Op 1 augustus 1582 werd volgens de kroniekschrijver Rengers het schathuis van Joost Lewe bij het Huis te Peize door Staatse soldaten uit Friesland in brand gestoken. De aanval hield verband met zijn politieke verzoening met de Spaanse partij. Een schathuis was een bijgebouw van een aanzienlijk huis en kon dienen voor landbouw, opslag en andere werkzaamheden. De brand veroorzaakte daardoor niet alleen schade aan een gebouw, maar trof ook de economische organisatie van het landgoed. De gebeurtenis toont hoe rechtstreeks de Tachtigjarige Oorlog gevolgen had voor de plaatselijke adel. De veiligheid van huizen en landbouwbedrijven kon niet meer vanzelfsprekend worden gegarandeerd.
De kerkklokken van Peize worden weggehaald — 1582
In hetzelfde jaar waarin het schathuis van Joost Lewe werd verwoest, besloten de kerkvoogden van Peize hun kerkklokken in veiligheid te brengen. Zij vreesden dat soldaten de klokken zouden meenemen of beschadigen. De klokken werden naar Groningen vervoerd en in bewaring gegeven bij Hendrik Helmers. Deze had nog een vordering van vijftig Emder gulden op de kerkvoogdij van Peize. De gebeurtenis maakt duidelijk dat ook kerkelijke bezittingen tijdens de oorlog gevaar liepen. Tegelijk toont de betaling in Emder guldens de financiële verbindingen tussen Drenthe, Groningen en Oost-Friesland. De bescherming van kerkgoederen was daarmee onderdeel van de oorlogsgeschiedenis van het dorp.
De gerechtelijke verkoop van Schelfhorst — Eelde — 1583
In 1583 werd het huis Schelfhorst gerechtelijk verkocht. Het goed was eerder verbonden geweest met de familie Van Ewsum. In 1565 behoorde het aan Clara van Ewsum toe, weduwe Ripperda en vrouwe van Hinte. De verkoop wordt eveneens besproken in de aantekeningen bij de kroniek van Abel Eppens. Daarbij verschijnt de naam Writzerus Sandfoerth, die betrokken was bij financiële transacties en borgstellingen. Volgens de eerdere onderzoeksgegevens werd Schelfhorst voor 1.200 gulden verkocht aan Bartholomeus Tyars. De precieze voorwaarden moeten nog met de oorspronkelijke akte worden gecontroleerd. Het dossier toont hoe schulden, familiebezit en oorlogsomstandigheden op elkaar konden ingrijpen.
Schelfhorst en de gerechtelijke verkoop — 1583
In 1583 werd Schelfhorst gerechtelijk verkocht. Het goed was eerder verbonden geweest met de familie Van Ewsum. In 1565 behoorde het aan Clara van Ewsum toe, weduwe Ripperda en vrouwe van Hinte. De verkoop wordt ook besproken in de aantekeningen bij de kroniek van Abel Eppens. Daarbij komen namen voor als Writzerus Sandfoerth, die betrokken was bij financiële transacties en borgstellingen. Volgens de eerdere onderzoeksgegevens werd Schelfhorst voor 1.200 gulden verkocht aan Bartholomeus Tyars. De precieze voorwaarden en betrokken personen moeten aan de oorspronkelijke akte worden getoetst. Het dossier laat zien hoe familiebezit, schulden en de oorlogsomstandigheden op elkaar konden ingrijpen.
Abel Eppens en het leven in oorlogstijd — 1560–1589
Abel Eppens tho Equart beschreef in zijn kroniek talrijke gebeurtenissen tijdens de Nederlandse Opstand. Zijn werk is belangrijk voor de geschiedenis van Groningen, de Ommelanden en de aangrenzende Drentse gebieden. De kroniek geeft informatie over oorlog, religieuze tegenstellingen, vluchtelingen, familiebetrekkingen en de gevolgen van soldatenbewegingen. Ook plaatsen zoals Eelde, Peize, Schelfhorst en Bunne komen in het bredere onderzoeksverband naar voren. Eppens schreef vanuit zijn eigen overtuiging en positie. Zijn verslag moet daarom kritisch worden gelezen en waar mogelijk worden vergeleken met archiefakten. Juist de combinatie van persoonlijke waarnemingen en juridische documenten maakt een nauwkeuriger reconstructie van de gebeurtenissen mogelijk.
Abel Eppens en de oorlog in Noord-Nederland — 1560–1589
Abel Eppens tho Equart beschreef in zijn kroniek talrijke gebeurtenissen tijdens de Nederlandse Opstand. Zijn werk is belangrijk voor de geschiedenis van Groningen, de Ommelanden en de aangrenzende Drentse gebieden. De kroniek geeft informatie over oorlog, religieuze tegenstellingen, vluchtelingen, familiebetrekkingen en de gevolgen van troepenbewegingen. Plaatsen als Eelde, Peize, Schelfhorst en Bunne komen in het bredere onderzoeksverband voor. Eppens schreef vanuit zijn eigen overtuiging en maatschappelijke positie. Zijn verslag moet daarom kritisch worden gelezen. De combinatie van kroniekgegevens en oorspronkelijke juridische documenten biedt mogelijkheden om de gebeurtenissen nauwkeuriger te reconstrueren.
Joost Lewe verandert opnieuw van politieke positie — 1582–1589
Joost Lewe verzoende zich gedurende de oorlog met de Spaanse partij. Volgens de kroniekschrijver Rengers werd daarbij aangevoerd dat hij zich steeds als een trouwe onderdaan en goed katholiek had gedragen. Zijn veranderde positie hing mede samen met de dreiging dat zijn goederen in beslag zouden worden genomen. Uiteindelijk vond hij met zijn echtgenote bescherming in de Spaansgezinde stad Groningen. Daar overleed Joost in 1589. Hij werd begraven in het koor van de Broerkerk. Zijn echtgenote overleed volgens latere historische beschrijvingen in 1590. Zijn levensloop toont hoe politieke overtuiging, godsdienst en bescherming van familiebezit met elkaar verweven waren.
De verdeling van het bezit van de familie Lewe — Omstreeks 1590
Na het overlijden van Joost Lewe en zijn echtgenote werden de familiebezittingen verdeeld. Een boedelscheiding van 24 januari 1590 vormt hiervoor een belangrijke bron. Het Huis te Peize kwam in verband met zoon Wigbolt Lewe voor. Over de opvolging van Ter Hansouwe geven de geraadpleegde publicaties verschillende informatie. Sommige noemen dochter Oede Lewe, terwijl andere Johan Lewe als eigenaar vermelden. Mogelijk gaat het om verschillende momenten in de bezitsgeschiedenis. De oorspronkelijke erfdeling moet dit verduidelijken. Wel is duidelijk dat beide huizen gedurende de zestiende eeuw tot het bezit van dezelfde familie hadden behoord.
Ter Hansouwe en de familie Lewe — Omstreeks 1590
Na het overlijden van Joost Lewe in 1589 werden goederen binnen de familie verdeeld. Een boedelscheiding van 24 januari 1590 vormt daarvoor een belangrijke archiefbron. Bij de verdeling speelden het Huis te Peize en Ter Hansouwe een rol. Wigbolt Lewe wordt in verband gebracht met het bezit in Peize, terwijl Oede Lewe betrokken was bij Ter Hansouwe. Rond 1590 werd bij Ter Hansouwe een uitgebreider boerenbedrijf ingericht. Daarmee veranderde het gebruik van het oude steenhuis. Het gebouw bleef bestaan, maar werd sterker verbonden met een agrarische bedrijfsvoering. De geschiedenis laat zien hoe aanzienlijke huizen door vererving en verandering van gebruik een nieuwe functie konden krijgen.
Ter Hansouwe krijgt een andere functie — Omstreeks 1590
Rond 1590 werd bij Ter Hansouwe een uitgebreider boerenbedrijf ingericht. Daarmee veranderde het gebruik van het oude steenhuis. Het gebouw bleef bestaan, maar werd sterker verbonden met agrarische werkzaamheden en het beheer van landbouwgrond. De ontwikkeling past bij de veranderingen in het familiebezit na het overlijden van Joost Lewe. Adellijke huizen konden door vererving, schulden en gewijzigde economische omstandigheden een andere functie krijgen. De oudste bouwdelen bleven soms behouden, terwijl nieuwe bedrijfsgebouwen werden toegevoegd. De geschiedenis van Ter Hansouwe toont hoe een middeleeuws steenhuis gedurende de zestiende eeuw kon veranderen zonder dat het oorspronkelijke goederencomplex volledig verdween.
De herovering van Coevorden — 1592
In 1592 werd Coevorden door Staatse troepen veroverd. De stad en het kasteel waren belangrijk voor de toegang tot Drenthe. De verovering veranderde de militaire verhoudingen in het noorden. De wegen tussen Coevorden, Assen, Vries, Eelde, Peize en Groningen bleven belangrijk voor troepen en goederenvervoer. Voor de bevolking betekende de verandering niet dat alle oorlogsschade onmiddellijk ophield. Inkwartiering, belastingen en onzekerheid bleven mogelijk. Wel ontstond een nieuwe situatie waarin het Staatse gezag zich verder over Drenthe kon uitbreiden. De gebeurtenissen vormden de aanloop naar de verovering van Groningen twee jaar later.
De herovering van Coevorden en Groningen — 1592–1594
In 1592 veroverden Staatse troepen Coevorden. Twee jaar later, in 1594, werd ook de stad Groningen ingenomen. De Reductie van Groningen maakte een einde aan de Spaanse machtspositie in de stad. Deze gebeurtenissen veranderden de politieke omstandigheden voor heel Noord-Drenthe. De wegen tussen Coevorden, Vries, Eelde, Peize en Groningen bleven belangrijk, maar het bestuur kreeg een andere richting. De oorlog was daarmee niet voorbij. Wel ontstonden nieuwe mogelijkheden om de gewestelijke organisatie en de kerkelijke verhoudingen te veranderen. De eeuwenoude band tussen Drenthe en het kerkelijke gezag van Utrecht had al eerder aan betekenis verloren; nu kreeg de gereformeerde Republiek steeds meer invloed.
De Reductie van Groningen — 22 juli 1594
Op 22 juli 1594 kwam Groningen onder het gezag van de Republiek. Deze gebeurtenis staat bekend als de Reductie van Groningen. Daarmee veranderden de politieke verhoudingen in Noord-Nederland ingrijpend. Ook Drenthe kwam sterker onder invloed van het nieuwe bestuur. Voor adellijke families en kerkelijke instellingen betekende de overgang dat oude rechten opnieuw moesten worden beoordeeld. De gereformeerde kerk kreeg een steeds belangrijkere positie. Katholieke instellingen verloren geleidelijk hun bescherming. De wegen en waterlopen tussen Noord-Drenthe en Groningen bleven belangrijk voor landbouw en handel. De politieke veranderingen vormden daarmee het begin van een nieuwe periode, zonder dat de oude economische verbindingen verdwenen.
Het verdwijnen van klooster Yesse — Essen — 1594–1595
Klooster Yesse bij Essen bleef gedurende de late middeleeuwen een belangrijke religieuze instelling. De godsdienstige en politieke veranderingen van de zestiende eeuw hadden echter grote gevolgen voor kloostergemeenschappen. De oorlogsomstandigheden en de Reformatie droegen bij aan het einde van Yesse, dat omstreeks 1594–1595 werd verlaten. Het kloosterterrein bleef daarna resten van de middeleeuwse bebouwing bewaren. Latere archeologische onderzoeken brachten bouwmateriaal, sleutels, schrijfvoorwerpen en religieuze objecten aan het licht. Daarmee kwam informatie beschikbaar over een instelling waarvan veel oorspronkelijke schriftelijke bronnen verloren waren gegaan. De geschiedenis toont hoe de religieuze verandering ook gevolgen had voor gebouwen en grondbezit.
Het klooster Maria in Campis aan het einde van de zestiende eeuw — Assen
Maria in Campis bleef gedurende de zestiende eeuw bestaan, maar kreeg te maken met financiële problemen en veranderende godsdienstige omstandigheden. De gemeenschap was klein en beschikte over landbouwbedrijven, landerijen, bossen en andere inkomsten. Door de Nederlandse Opstand werd haar positie onzeker. Na de Reductie van Groningen in 1594 veranderde ook het politieke gezag in Drenthe. Het nieuwe bestuur kreeg steeds meer belangstelling voor de kloostergoederen. Tegen het einde van de eeuw stond het voortbestaan van de instelling onder druk. De uiteindelijke bestuurlijke beëindiging volgde pas na 1600. De geschiedenis van deze bezittingen bleef echter van betekenis voor de latere ontwikkeling van Assen en Noord-Drenthe.
Willem Lodewijk wordt stadhouder van Drenthe — 1596
In 1596 werd Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg stadhouder van Drenthe. Hij zette zich in voor een nauwere aansluiting van het gewest bij de bestuurlijke en godsdienstige organisatie van de Republiek. Vooral de invoering van de gereformeerde kerkorde kreeg zijn aandacht. De bestaande katholieke parochies vormden het uitgangspunt, maar geestelijken moesten zich aanpassen aan nieuwe voorschriften. In Eelde, Peize en Vries bestonden verschillende kerkelijke rechten en bezittingen. Daardoor verliep de verandering niet overal op dezelfde manier. De maatregelen van Willem Lodewijk vormden een belangrijke stap in de reorganisatie van de kerkelijke en bestuurlijke verhoudingen.
Willem Lodewijk en het bestuur van Drenthe — 1596
In 1596 werd Willem Lodewijk van Nassau benoemd tot stadhouder van Drenthe. Hij wilde het gewest nauwer verbinden met de bestuurlijke en godsdienstige organisatie van de Republiek. Vooral de invoering van de gereformeerde kerkorde kreeg zijn aandacht. De bestaande katholieke parochies vormden daarvoor het uitgangspunt, maar geestelijken moesten zich aanpassen aan nieuwe voorschriften. De dorpen Eelde, Peize en Vries hadden ieder hun eigen geschiedenis van kerkelijke goederen en benoemingsrechten. Daardoor verliep de overgang niet overal op dezelfde manier. De maatregelen van Willem Lodewijk vormden een belangrijke stap in de reorganisatie van het kerkelijke leven aan het einde van de zestiende eeuw.
Het tichelwerk van Joost Lewe — Foxwolde — 1596
In een huurcontract uit 1596 komt een tichelwerk bij Foxwolde voor dat eigendom was van Joost Lewe, een zoon van Wigbolt Lewe. De tichelaar Lyckel Jansen huurde het bedrijf samen met een bijbehorende boerderij. Hij moest daarvoor jaarlijks een vastgestelde pacht betalen. De overeenkomst laat zien dat de eigenaar de steenproductie niet noodzakelijk zelf uitvoerde. Een gespecialiseerde tichelaar kon verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse werkzaamheden. De aanwezigheid van klei, brandstof, ovens en waterwegen maakte het bedrijf economisch aantrekkelijk. Het contract vormt een belangrijk bewijs voor de georganiseerde steen- en dakpannenproductie aan het einde van de zestiende eeuw.
De landbouw en hopteelt van Peize — 1570–1600
Peize was aan het einde van de zestiende eeuw een landbouwdorp met verschillende economische activiteiten. De bewoners verbouwden graan op de essen en hielden vee op de hogere en lagere gronden. Langs de beken lagen hooilanden. Daarnaast werd hop verbouwd, een gewas dat belangrijk was voor de bereiding van bier. De nabijheid van Groningen bood mogelijkheden voor verkoop. De aanwezigheid van steenovens en potkleigronden maakte Peize bovendien minder uitsluitend afhankelijk van landbouw. Het dorp combineerde akkerbouw, veeteelt, hopteelt, grondstoffenwinning en handel. De precieze omvang van de afzonderlijke bedrijfstakken kan nog niet volledig worden vastgesteld.
De pastoriegoederen van Peize — 1598
In 1598 werd een opgave gemaakt van de bezittingen en inkomsten van de pastorie van Peize. Daarbij werden een huis met een grote tuin en appelhof genoemd, drie zaai- of weidekampen, zes hoppekampen, veertien mud bouwland en dertig mat hooiland. Ook beschikte de pastorie over een volle waar, een aandeel in de gemeenschappelijk gebruikte markegronden. Volgens een latere bron betaalden ruim veertig buurhuizen jaarlijks een daalder. Deze opgave toont dat de kerk over aanzienlijke economische middelen beschikte. De zes hoppekampen vormen bovendien rechtstreeks bewijs dat hopteelt al vóór 1600 onderdeel was van het landbouwbedrijf in Peize.
De hoppekampen van de pastorie van Peize — 1598
Een opgave van de bezittingen en inkomsten van de pastorie van Peize uit 1598 geeft een bijzonder gedetailleerd beeld van het economische bestaan van de kerk. Tot de goederen behoorden een huis met een grote tuin en appelhof, drie zaai- of weidekampen, zes hoppekampen, veertien mud bouwland en dertig mat hooiland. Daarnaast waren er andere rechten en geldelijke inkomsten. Van ruim veertig buurhuizen werd jaarlijks een daalder ontvangen. De zes hoppekampen vormen rechtstreeks bewijs dat hopteelt aan het einde van de zestiende eeuw een belangrijk onderdeel van het Peizer grondgebruik was. De pastorie was daarmee niet alleen een kerkelijke instelling, maar ook een aanzienlijke bezitter van landbouwgrond.
Hop als handelsgewas — Peize — Zestiende eeuw
Hop werd gebruikt bij het brouwen van bier en kon daardoor als handelsgewas worden verkocht. Voor de teelt waren geschikte gronden, mest, hopstaken en arbeidskracht nodig. Na de oogst moest de hop worden gedroogd en opgeslagen. Peize werd in de zeventiende eeuw bekend om zijn omvangrijke hopteelt. De goederenopgave van de pastorie uit 1598 toont echter dat de teelt al eerder bestond. In latere bronnen wordt voor 1642 een veel grotere productie beschreven. Die latere omvang mag niet zonder bewijs naar de zestiende eeuw worden teruggeprojecteerd. De gegevens tonen wel dat de ontwikkeling van gespecialiseerde landbouw al vóór 1600 was begonnen.
Het bevel tot kerkelijke hervorming — 10 mei 1598
Op 10 mei 1598 gaf stadhouder Willem Lodewijk opdracht aan de bestaande katholieke geestelijken en andere kerkelijke functionarissen om hun woningen en kerkelijke goederen binnen drie weken te verlaten. Geestelijken die bereid waren over te gaan tot de gereformeerde leer konden worden onderzocht en eventueel een nieuwe functie krijgen. De uitvoering verliep veel langzamer dan het bevel voorschreef. De maatregel had grote gevolgen voor de dorpsgemeenschappen, omdat pastorieën en kerken ook landbouwgoederen en inkomsten bezaten. Het ging niet alleen om een verandering van geloofsopvatting, maar ook om het beheer van gebouwen, landerijen, benoemingsrechten en het plaatselijke onderwijs.
Het bevel tot invoering van de Reformatie — 10 mei 1598
Op 10 mei 1598 gaf het nieuwe bestuur opdracht aan katholieke pastoors, priesters, vicarissen en schoolmeesters om hun kerkelijke werkzaamheden te beëindigen. Ook moesten zij volgens het bevel hun woningen en bepaalde kerkelijke goederen verlaten. Geestelijken die bereid waren de gereformeerde leer te aanvaarden, konden worden onderzocht om mogelijk als predikant verder te werken. De uitvoering verliep niet overal even snel. De maatregel had grote gevolgen voor dorpen waarin de kerk ook landbouwgronden en inkomsten beheerde. De overgang was daarom niet uitsluitend een verandering van geloof. Ook het beheer van gebouwen, benoemingsrechten en plaatselijk onderwijs werd opnieuw geregeld.
Vries als een van de belangrijke hervormde kerspelen — 1598
Bij de invoering van de Reformatie werd onderzocht welke Drentse kerspelen voldoende inkomsten hadden om een gereformeerde predikant te onderhouden. Vries behoorde tot zeven plaatsen die daarvoor geschikt werden geacht. De andere waren Meppel, Diever, Havelte, Kolderveen, Anloo en Coevorden. De selectie toont dat Vries aan het einde van de zestiende eeuw nog steeds een belangrijke kerkelijke positie innam. De inkomsten van de parochie waren kennelijk groot genoeg om een geestelijke te onderhouden. De nieuwe kerkelijke organisatie bouwde gedeeltelijk voort op oudere goederen en rechten. Tegelijk ontstonden vragen over de eigendom en bestemming van bezittingen uit de katholieke periode.
Eilardus Huisman als predikant van Vries — 1598–1599
Eilardus Huisman was aan het einde van de zestiende eeuw katholiek priester in Vries. Tijdens de invoering van de Reformatie sloot hij zich aan bij de gereformeerde geloofsrichting. Op 11 december 1599 werd hij door stadhouder Willem Lodewijk als predikant van Vries aangewezen. Zijn overgang toont hoe de nieuwe kerkelijke organisatie gedeeltelijk gebruikmaakte van geestelijken die eerder in de katholieke kerk werkzaam waren geweest. Niet iedere pastoor werd onmiddellijk vervangen. Wel moesten de geestelijken zich aanpassen aan andere voorschriften en geloofsopvattingen. De benoeming van Huisman markeert een belangrijke verandering in de geschiedenis van de Bonifatiuskerk.
Menso Alting en de gereformeerde veranderingen — 1594–1600
Na de Reductie van Groningen kreeg de gereformeerde kerk meer gelegenheid haar organisatie uit te breiden. Menso Alting, afkomstig uit Eelde en inmiddels werkzaam in Emden, speelde daarbij een belangrijke adviserende rol. Zijn ervaringen in Oost-Friesland en zijn contacten met predikanten maakten hem tot een invloedrijke figuur. De invoering van de Reformatie in Drenthe verliep echter niet zonder weerstand. Plaatselijke pastoors en bewoners waren niet vanzelfsprekend bereid hun bestaande kerkelijke gewoonten op te geven. Het ontstaan van een gereformeerde kerkorganisatie betekende ook dat nieuwe regels moesten worden vastgesteld voor benoemingen, kerkelijk bezit, onderwijs en toezicht op de geestelijkheid.
Eelde, Peize en Roden houden hun pastoors — 1600
Aan het einde van de zestiende eeuw was de overgang naar de gereformeerde kerk in Noord-Drenthe nog niet voltooid. In september 1600 wordt vastgesteld dat in een groot deel van Drenthe predikanten waren aangesteld, maar dat dit voor verschillende dorpen in Noordenveld nog niet gold. Vries vormde daarbij een uitzondering. In Peize, Roden en Eelde waren nog katholieke pastoors werkzaam die niet op de gereformeerde kerkvergaderingen waren verschenen. Dit laat zien dat de kerkelijke reorganisatie minder snel verliep dan de nieuwe overheid wenste. De geschiedenis van Noord-Drenthe eindigt in 1600 daarom niet met een afgeronde godsdienstige verandering, maar met een overgang die nog jaren zou doorwerken.
Het landbouwlandschap rond Vries — 1600
Rond 1600 bleef Vries een agrarische nederzetting met een oude kerkelijke en bestuurlijke betekenis. De boeren gebruikten de essen voor akkerbouw en de lagere gronden voor hooiwinning en veeteelt. De omliggende dorpen Bunne, Donderen, Tynaarlo, Yde en Zeijen waren verbonden door wegen, markegronden en economische betrekkingen. Oude veldnamen en grenzen herinnerden aan gezamenlijk grondgebruik. De ligging op hogere zandgronden bleef bepalend voor de nederzettingen. De natte beekdalen en venen vereisten onderhoud van sloten, wegen en doorgangen. De overgang naar de gereformeerde kerk veranderde de religieuze organisatie, maar niet onmiddellijk de agrarische basis van het dagelijks leven.
Peize tussen landbouw, nijverheid en handel — 1600
Omstreeks 1600 was Peize uitgegroeid tot een belangrijk dorp van Noordenveld. De landbouw vormde de economische basis, maar daarnaast waren hopteelt, kleiwinning en steenbakkerijen van betekenis. De families Van Peize, Ter Hansouwe en Lewe hadden in verschillende perioden invloed op het plaatselijke grondbezit. Het Huis te Peize en Ter Hansouwe vormden aanzienlijke goederencomplexen. De waterwegen waren belangrijk voor het transport van grondstoffen en bouwmaterialen. De Wigbolt Lewesloot en de Noord Hem tonen dat het gebruik van vaarwegen economisch werd geregeld. De oorlog had de politieke verhoudingen veranderd, terwijl de overgang naar de gereformeerde kerk nog niet volledig was voltooid.
Bunne na het vertrek van de Duitse Orde — 1600
Bunne had aan het einde van de zestiende eeuw zijn functie als commanderij van de Duitse Orde verloren. Het voormalige ordehuis was overgegaan in adellijk bezit en stond bekend als het Huis te Bunne. De gebouwen, landbouwgronden en inkomsten bleven van economische betekenis. De kapel had waarschijnlijk haar oorspronkelijke functie verloren. De vroegere kerkelijke rechten waren overgedragen of in een andere bestuurlijke positie terechtgekomen. De plaatselijke bevolking bleef afhankelijk van landbouw en de gemeenschappelijke gronden van Bunne en Winde. De geschiedenis toont hoe een religieus goederencomplex kon veranderen in een adellijk bezit, terwijl delen van de oudere economische organisatie bleven voortbestaan.
Eelde en Paterswolde aan het einde van de zestiende eeuw — 1600
Eelde was aan het einde van de zestiende eeuw een oud landbouwdorp met een belangrijke kerk en een geschiedenis van schulten en versterkte huizen. Lemferdinge, Schelfhorst en andere goederen vormden onderdeel van het plaatselijke adellijke bezit. Paterswolde ontwikkelde zich verder als nederzetting langs de weg richting Groningen en de lagere noordelijke gronden. De bewoners gebruikten akkers, graslanden en andere natuurlijke hulpbronnen. De natte gebieden bleven moeilijk bereikbaar en vereisten onderhoud van wegen en watergangen. De politieke veranderingen na 1594 en de invoering van de Reformatie hadden gevolgen voor de kerkelijke rechten en het bestuur. Het agrarische landschap bleef echter grotendeels herkenbaar.
Roden en Norg rond 1600
Roden en Norg waren oude esdorpen met een geschiedenis van kerken, markegronden, leenrechten en aanzienlijke families. Bij Roden vormde Mensinge een belangrijk adellijk bezit. De familie Van Ewsum combineerde landbouw, bouwprojecten, kerkelijke rechten en belangen bij de steenindustrie. In Norg waren goederen verbonden met de familie Hiddingh en het Gelderse huis Keppel. De boermarken bepaalden het gebruik van gemeenschappelijke gronden. Beide dorpen waren door wegen en landbouwverbindingen verbonden met de rest van Noordenveld. De politieke veranderingen van de zestiende eeuw beïnvloedden het bestuur en het kerkelijke leven, maar de landbouw bleef de belangrijkste bestaansbasis.
Het landschap van de Rug van Tynaarloo rond 1600
Rond 1600 bestond Noord-Drenthe uit een netwerk van oude zanddorpen, ontgonnen veengebieden, beekdalen, wegen en watergangen. Vries was een vroeg kerkelijk centrum gebleven. Eelde had een geschiedenis van schulten, versterkte huizen en verbindingen met Groningen. Peize was uitgegroeid tot een belangrijk agrarisch dorp met kleiwinning, tichelwerken, watervervoer en hopteelt. Bunne had zijn functie als commanderij van de Duitse Orde verloren. Paterswolde en Eelderwolde waren ontwikkeld langs de natte noordelijke rand van het zandgebied. Zeijen, Donderen, Yde en Tynaarlo behielden hun betekenis binnen het oudere agrarische landschap. De natuurlijke ruggen en beekdalen bepaalden nog altijd de samenhang tussen deze plaatsen.
Noord-Drenthe tussen oude rechten en nieuwe machtsverhoudingen — 1600
Aan het begin van de zeventiende eeuw was de samenleving op de Rug van Tynaarloo het resultaat van een lange geschiedenis. De bewoning was ontstaan op de hogere gronden die door het landijs waren gevormd. In de prehistorie hadden landbouwers akkers, boerderijen en grafmonumenten aangelegd. Tijdens de middeleeuwen kwamen daar kerken, kloostergoederen, versterkte huizen en ontginningsgebieden bij. Waterbeheer verbond Drentse dorpen met het Groninger Westerkwartier. Adellijke families en geestelijke instellingen beheerden land, rechtspraak en handelsmogelijkheden. De Tachtigjarige Oorlog bracht nieuwe politieke verhoudingen en de Reformatie veranderde het kerkelijke leven. Toch bleven de oude landschappelijke verbindingen de basis vormen van landbouw, vervoer en bewoning.
De omvang van de latere hopteelt — Een aanwijzing vanuit 1642
Hoewel het verhaal tot 1600 loopt, helpt een telling uit 1642 om de betekenis van de oudere hopteelt te begrijpen. In dat jaar werden in Peize 85.340 hoppekuilen geregistreerd, zonder de hopteelt van de heer Ripperda mee te rekenen. Deze telling bewijst niet dat de teelt rond 1500 al dezelfde omvang had. Wel laat zij zien dat de hopproductie zich tot een bijzonder belangrijke bedrijfstak had ontwikkeld. De vermelding van zes hoppekampen bij de pastorie in 1598 vormt een rechtstreeks aanknopingspunt voor de voorafgaande periode. De combinatie van hop, graan, bierbrouwerijen en regionale handel maakt Peize tot een belangrijk voorbeeld van gespecialiseerde landbouw in Noord-Drenthe.
De kaart van 1634 — Een momentopname van een ouder landschap
De kaart uit 1634 waarmee ons onderzoek begon, toont een landschap dat al eeuwenlang door mensen was veranderd. Dorpen, grenzen, wegen, waterlopen en bebouwing waren inmiddels opgenomen in een groter economisch en bestuurlijk netwerk. De kaart mag daarom niet rechtstreeks worden gebruikt om het landschap rond 820 te reconstrueren. De AHN-hoogtekaart, bodemkaart en geomorfologische kaart helpen om oudere natuurlijke structuren te herkennen. Maar ook het huidige reliëf is veranderd door veeninklinking, ontwatering, landbouw en moderne waterwerken. Vooral in De Onlanden zijn sinds 2012 nieuwe slenken gegraven die niet als middeleeuwse waterlopen mogen worden beschouwd.
De vijf doorgangen tussen Groningen en Noord-Drenthe — 1000–1600
In het onderzoeksgebied zijn vijf verbindingen bijzonder belangrijk. De overgang vanuit Roden naar Roderwolde gaf toegang tot het westelijke veengebied. Peize vormde een verbinding tussen zandgronden, het Peizerdiep en de potkleiwinning. Bij Nietap lag de doorgang richting Leek en het Westerkwartier. Schelfhorst bevond zich bij de overgang van het gebied van Eelde naar het noordelijke laagland. De Punt lag bij de oversteek van de Drentsche Aa op de hoofdroute naar Groningen. Deze plaatsen ontwikkelden zich niet gelijktijdig. Hun functies als nederzetting, vaarweg, handelsplaats, versterkt huis of tolplaats moeten daarom afzonderlijk worden onderzocht.
Roden en Roderwolde — De doorgang naar het westelijke veen
Roden lag op hogere zandgrond en vormde een uitgangspunt voor de ontginning van het noordelijk gelegen veen. Vanuit deze omgeving ontstond Roderwolde, waar bewoners in de elfde eeuw nieuwe landbouwgronden aanlegden. Het Peizerdiep en de aangrenzende natte gebieden bepaalden mede de bereikbaarheid. Een verbinding naar het Westerkwartier moest rekening houden met de natuurlijke waterlopen, veengronden en plaatselijke zandhoogten. Het gebied was daardoor niet in ieder seizoen even toegankelijk. De politieke betekenis blijkt onder andere uit de vrede van 1352, waarbij inwoners van Roden en Roderwolde betrokken waren. Een specifieke tolpost uit de elfde eeuw is hier niet aangetoond.
Peize — De doorgang van landbouw naar handelsnijverheid
Peize ontstond op hogere zandgronden tussen het Peizerdiep en het Eelderdiep. De ligging bood mogelijkheden voor landbouw en voor contacten met de omliggende gebieden. In de middeleeuwen waren hier aanzienlijke families gevestigd. Later kreeg de plaats economische betekenis door de potkleiwinning, steenproductie en het vervoer van bouwmateriaal. De familie Lewe bezat huizen, grond en belangen in deze nijverheid. In 1527 werd het gebruik van een schipsloot onderwerp van een juridisch geschil. Daarmee is voor Peize rechtstreeks aangetoond dat de toegang tot een vaarweg economisch kon worden gecontroleerd. Dat is iets anders dan het bestaan van een oude grensvesting.
Nietap en Leek — De doorgang naar het Westerkwartier
Bij Nietap en Leek kwamen de Drentse zandgronden en het lagere landschap van het Westerkwartier samen. De Thedemaborg had hier vanaf de vijftiende eeuw een belangrijke plaatselijke betekenis. De latere grensnederzetting Nietap ontwikkelde zich vooral vanaf de zeventiende eeuw. Verschillen tussen de belastingstelsels van Groningen en Drenthe maakten de grens aantrekkelijk voor handelaren en herbergiers. Tolhuizen en handelsactiviteiten kregen daardoor betekenis. Deze latere ontwikkeling mag niet worden teruggeplaatst naar het jaar 1000. De archeologische resten van de Thedemaborg tonen een oudere adellijke aanwezigheid, maar leveren op zichzelf geen bewijs voor een vroegmiddeleeuwse grens- of tolpost.
Eelde en Schelfhorst — De overgang naar Groningen
Eelde lag op hogere zandgrond ten zuiden van Groningen. Ten noorden daarvan bevonden zich de natte gebieden van Eelderwolde en de Peizer- en Eeldermaden. De waterburcht van Eelde uit 1266 en het latere versterkte huis Schelfhorst tonen dat aanzienlijke families in dit gebied versterkte woonplaatsen bezaten. De ligging aan de rand van het laagland maakte deze plaatsen interessant voor onderzoek naar toegangswegen en grondbezit. Toch zijn hun functies niet gelijk. De waterburcht is verbonden met een concreet dertiende-eeuws conflict. Voor Schelfhorst is een officiële functie als grenspost of tolplaats nog niet bewezen.
De Punt — De doorgang van Drenthe naar de stad Groningen
De Punt onderscheidde zich van de andere doorgangen doordat hier de Drentsche Aa moest worden overgestoken. De plaats maakte deel uit van een belangrijke route van het zuidelijke achterland naar Groningen. De bouw van de Punterbrug en de verwerving van het tolrecht tonen dat Groningen de oversteek wilde beheersen. De aanleg van Weerdenbras in 1505 voegde daar een militaire functie aan toe. Hier zien we duidelijk hoe een natuurlijke hindernis kon veranderen in een bestuurlijk en economisch controlepunt. Het bestaan van de latere brug en versterking maakt een oudere oversteek aannemelijk, maar bewijst geen tolpost omstreeks 1000.
Het verschil tussen de vijf doorgangen — Landschap en macht
De vijf doorgangen laten zien dat verkeer tussen Groningen en Drenthe niet overal op dezelfde manier werd beheerst. De Punt was een oversteek van een beek met een aantoonbare brug- en tolgeschiedenis. Peize beschikte over een vaarweg waarvoor in 1527 een vergoeding werd geregeld. Nietap ontwikkelde zich later tot een handelsplaats aan de bestuurlijke grens. Schelfhorst was een versterkt woonhuis waarvan een publieke controlefunctie niet is aangetoond. Roden en Roderwolde vormden vooral een overgang van zandgronden naar ontgonnen veenland. De geografische ligging maakte deze plaatsen belangrijk, maar hun politieke en economische functies verschilden aanzienlijk.
De vijf oude toegangsrichtingen naar Groningen — Middeleeuwen
De hogere zandgronden van Noord-Drenthe boden verschillende wegen naar Groningen. Belangrijke richtingen liepen via De Punt en de Drentsche Aa, via Eelde en Schelfhorst, via Peize en de Horst, vanuit Roden naar Roderwolde en via Nietap naar Leek. Deze verbindingen gebruikten droge ruggen en doorgangen door de natte gebieden. Sommige routes hadden een militaire en economische betekenis. De ligging van versterkte huizen, bruggen en latere tolplaatsen sluit daarbij aan. Het is echter niet bewezen dat alle vijf routes gedurende de volledige middeleeuwen dezelfde loop hadden. De afzonderlijke verbindingen moeten met oude kaarten, oorkonden en archeologische gegevens worden gereconstrueerd.
De doorgang Roden–Roderwolde — Middeleeuwen
Vanuit Roden liepen verbindingen naar het noordelijker gelegen Roderwolde en de veengebieden bij het Peizerdiep. De hogere zandgronden bij Roden boden betrouwbare woon- en landbouwplaatsen, terwijl verder noordelijk ontgonnen veenpercelen en natte graslanden lagen. Het verkeer moest gebruikmaken van droge stroken en aangelegde paden of dijken. Deze doorgang werd belangrijker naarmate de veengebieden in gebruik kwamen. Ook de ligging van kloosterbezittingen en landbouwbedrijven speelde een rol. De exacte loop van de oudste route is niet op ieder punt vastgesteld. De doorgang moet daarom worden gezien als een historisch gegroeide verbinding, niet noodzakelijk als één onveranderlijke middeleeuwse weg.
De doorgang bij Peize en de Horst — Middeleeuwen
Peize lag op een hoge zandrug tussen twee stroomgebieden. Vanuit het dorp liepen verbindingen naar de Horst, het Eelderdiep, het Peizerdiep en de landbouwgebieden daarbuiten. Deze ligging maakte het dorp tot een overgangsplaats tussen droge agrarische gronden en lager gelegen vervoersroutes. Bij de Horst lag Ter Hansouwe, terwijl het Peizerdiep verder westelijk toegang gaf tot waterverbindingen met Groningen en het Westerkwartier. Door de uitbreiding van de steenindustrie en kleiwinning nam het economische belang van deze verbindingen toe. De verschillende dijken en sloten rond Peize moeten afzonderlijk worden gedateerd, omdat latere namen niet automatisch een middeleeuwse oorsprong bewijzen.
De doorgang Nietap–Leek — Middeleeuwen
Ten westen van Roden en Peize vormde het gebied van Nietap en Leek een overgang van Drentse zandgronden naar de lagere gronden van het Groninger Westerkwartier. De omgeving kende veen, watergangen en plaatselijk moeilijk begaanbare stroken. De naam Leek hangt samen met een waterloop die in de historische ontwikkeling van de streek belangrijk was. Wegen en bruggen maakten verbindingen mogelijk tussen Drenthe en het Westerkwartier. In de vijftiende en zestiende eeuw kregen nabijgelegen versterkte huizen en adellijke bezittingen betekenis voor de controle over het gebied. De oudste route moet worden onderscheiden van de later aangelegde en verbeterde wegen.
De doorgang Schelfhorst–Eelde — Middeleeuwen–zestiende eeuw
Ten noorden van Eelde lag bij Schelfhorst een belangrijke overgang naar de lagere gronden richting Groningen. De locatie bevond zich dicht bij de grens van Drenthe en het Gorecht. Wegen via Eelde, Paterswolde en de noordelijke zandgronden boden mogelijkheden om het natte gebied te naderen. Voor het gebruik van sommige trajecten waren dijken, verhoogde paden of bruggen nodig. Het latere huis Schelfhorst lag op een plaats die zowel agrarisch als strategisch betekenis kon hebben. Dat het huis in de zestiende eeuw wordt genoemd, bewijst echter niet dat alle veronderstelde oudere wegen en grensfuncties toen al in dezelfde vorm bestonden.
De oversteek bij De Punt — Middeleeuwen–zestiende eeuw
De oversteek over de Drentsche Aa bij De Punt vormde een afzonderlijke toegangsroute tot Groningen. Anders dan de verbindingen door de Peizer- en Eeldermaden ging het hier om het passeren van een belangrijke beek op de oostelijke zijde van het onderzochte gebied. De oversteek lag aan een doorgaande landverbinding en kreeg daardoor economische en bestuurlijke betekenis. Tolheffing en grensbewaking maakten duidelijk dat de doorgang onder bijzondere aandacht stond. De latere bebouwing van De Punt mag niet zonder meer worden teruggeprojecteerd op de middeleeuwen. Het oudste belang van deze plaats lag vooral bij de rivierovergang en de weg.
Andere doorgangen door het Noord-Drentse waterland — Middeleeuwen
Naast de vijf beschreven verbindingsrichtingen bestonden andere oude overgangen. De Bonnerklap over het Hunzesysteem, mogelijke oude voorden bij het Zuidlaardermeer en verhoogde paden door de Peizer- en Eeldermaden behoren tot de landschappelijke aanwijzingen die nader onderzoek verdienen. Ook het gebruik van veenwegen kan in sommige gebieden zeer oud zijn. De aanwezigheid van een latere weg of brug levert echter niet vanzelf bewijs voor een prehistorisch of vroegmiddeleeuws tracé. Bij iedere doorgang moeten archeologische resten, hoogtekaarten, waterlopen en historische vermeldingen afzonderlijk worden beoordeeld. Juist de combinatie van hoge ruggen, smalle waterovergangen en uitgestrekte venen verklaart het belang van zulke plaatsen.
Ter Hansouwe en de verbouwing van het steenhuis — Vijftiende eeuw
Het huidige Huis ter Hansouwe bewaart bouwsporen die deels uit de late middeleeuwen stammen. Mogelijk heeft op dezelfde plaats al in de dertiende eeuw een ouder huis gestaan. De bebouwing veranderde in de loop van de tijd door uitbreidingen en vervangingen. Het steenhuis was meer dan een gewone houten boerderij en vormde het centrum van een belangrijk goederenbezit. De aanwezigheid van kloostermoppen en oude muuropeningen geeft inzicht in verschillende bouwfasen. De geschiedenis van het huis moet zorgvuldig worden onderscheiden van overleveringen over verplaatsingen of verdelingen tussen familieleden. Zonder bijbehorende akten kan niet worden vastgesteld welke onderdelen precies op welke datum werden verplaatst.
Eelderwolde en de noordelijke veenontginning — Dertiende–zestiende eeuw
Eelderwolde ontstond waarschijnlijk in de dertiende eeuw op een lage zandrug in het gebied ten noorden van Eelde. De plaats behoorde tot de marke Eelde en bleef lange tijd een kleine nederzetting. De bewoners gebruikten landbouwgronden en hielden vee. Het omringende landschap was nat en de bereikbaarheid bleef een probleem. Wegen zoals de Eelderwolder Hooiweg en de verbindingen richting Groningen kregen daardoor betekenis. Ook de Eeldermaden waren belangrijk als gebied met graslanden en watergangen. Latere gegevens vermelden acht boerderijen in 1630, maar dat aantal mag niet zonder meer worden gebruikt als telling voor de middeleeuwen. Het dorp laat vooral de langdurige ontwikkeling van de veenrand zien.
Paterswolde en de ontginning van de noordelijke gronden — Late middeleeuwen
Paterswolde ontwikkelde zich als wegdorp ten noorden van Eelde. De nederzetting hing samen met het gebruik en de ontginning van de laaggelegen gronden richting het latere Paterswoldsemeer. De naam en de geschiedenis van het dorp moeten worden geplaatst tegen de achtergrond van kerkelijke goederen, landbouw en de ontwikkeling van wegen. Anders dan de oudere esdorpen lag Paterswolde sterker langs een doorgaande verbinding. De bewoners gebruikten akkers, graslanden en andere natuurlijke hulpbronnen. Het gebied bleef door de aanwezigheid van veen en water moeilijker te ontginnen dan de droge zandgronden. De latere buitenplaatsen ontstonden pas in een heel andere economische en maatschappelijke periode.
De handelswaarde van het Peizerdiep — 13e–16e eeuw
Het Peizerdiep speelde een belangrijke rol bij de afwatering en het vervoer van goederen. De waterloop verbond het achterland van Peize en Foxwolde met het gebied richting Groningen. Voor zware bouwmaterialen, zoals potklei, bakstenen en dakpannen, was vervoer over water aantrekkelijk. Vanuit de kleiputten en productieplaatsen liepen kleinere watergangen naar het diep. De bevaarbaarheid was afhankelijk van de waterstand, de diepte en het onderhoud. Het is niet aangetoond dat alle later bekende vaarroutes in de middeleeuwen al dezelfde loop hadden. De overeenkomst over de Wigbolt Lewesloot uit 1527 bewijst echter dat plaatselijke vaarwegen ook toen al economische betekenis hadden.
De Grote Matsloot en het netwerk van vaarwegen — Middeleeuwen–1600
De Grote Matsloot maakte deel uit van het waterstelsel tussen Noord-Drenthe en het Groningerland. De natuurlijke afwatering verliep via beken, sloten en lage veengebieden. Sommige watergangen konden onder gunstige omstandigheden voor vervoer worden gebruikt. Het onderscheid tussen natuurlijke beeklopen, gegraven sloten en bevaarbare verbindingen is belangrijk. De historische samenhang met het Peizerdiep, de Wigbolt Lewesloot en de Noord Hem verdient verder onderzoek. Een watergang die in de achttiende eeuw bevaarbaar was, hoeft in de zestiende eeuw niet dezelfde diepte te hebben gehad. De beschikbare akten tonen wel dat watertransport economisch waardevol kon zijn.
De oude wegen en de bestuurlijke macht — Tot 1600
De hogere zandgronden boden belangrijke verbindingen tussen de Drentse dorpen en Groningen. De routes via Vries, Eelde, Peize, Roden en De Punt waren afhankelijk van geschikte doorgangen door beekdalen en natte gebieden. Waar bruggen, voorden of dijken noodzakelijk waren, konden onderhoudsverplichtingen en soms tolrechten ontstaan. De ligging van versterkte huizen en adellijke goederen sloot gedeeltelijk aan bij deze verkeersverbindingen. Toch mag niet iedere latere weg als een onveranderd middeleeuws tracé worden beschouwd. De geschiedenis van de wegen moet worden gereconstrueerd met kaarten, veldnamen, oorkonden en archeologische vondsten. Zij vormt een belangrijk onderdeel van de bestuurlijke en economische ontwikkeling van Noord-Drenthe.
De waterwegen en de economie van Noord-Drenthe — Tot 1600
De waterlopen waren belangrijk voor de ontwikkeling van Noord-Drenthe. Het Eelderdiep, Peizerdiep, de Drentsche Aa, Matsloot en verschillende kleinere watergangen zorgden voor afwatering en konden plaatselijk voor vervoer worden gebruikt. De bevaarbaarheid verschilde per seizoen en traject. Door ontginning, bodemdaling en het graven van nieuwe sloten veranderde het waterstelsel voortdurend. De overeenkomsten over het Aduarderzijlvest tonen dat waterbeheer een gezamenlijke bestuurlijke taak was. De Wigbolt Lewesloot en de werkzaamheden bij de Noord Hem vormen concrete voorbeelden van economische belangstelling voor vaarwegen. Landbouw, kleiwinning, steenproductie en handel waren daardoor nauw verbonden met de beschikbaarheid van watertransport.
De families en instellingen van de Rug van Tynaarloo — Tot 1600
De geschiedenis van de Rug van Tynaarloo en Noordenveld werd mede bepaald door aanzienlijke families en geestelijke instellingen. De heren Van Peize, de families Ter Hansouwe, Lewe, Van Ewsum, Ter Borch, Hiddingh en andere geslachten bezaten goederen en vervulden bestuurlijke functies. De bisschoppen van Utrecht oefenden landsheerlijke aanspraken uit. De abdij Werden had oude verbindingen met Noord-Drenthe, terwijl Aduard en Maria in Campis landbouwgoederen en andere inkomsten beheerden. De Duitse Orde bezat de commanderij van Bunne en kerkelijke rechten in Eelde en Vries. De verschillende instellingen hadden eigen belangen, maar hun goederen en rechten raakten regelmatig met elkaar verweven.
De economie van de Rug van Tynaarloo — Landbouw, bier en ovens — Tot 1600
De economische ontwikkeling van de streek was gebaseerd op de verschillende mogelijkheden van het landschap. Op de hogere zandgronden lagen boerderijen en graanakkers. De beekdalen leverden hooi en weidegrond. Bossen en venen boden hout en brandstof. Bij Foxwolde en Terheijl werd potklei gewonnen voor de productie van bakstenen en dakpannen. Bij Mensinge en binnen kloosterlijke instellingen waren brouwerijen of brouwhuizen aanwezig. In Peize ontwikkelde zich de hopteelt, die verbonden was met de bierproductie. Wegen en waterlopen maakten het vervoer van producten mogelijk. Deze activiteiten tonen dat Noord-Drenthe vóór 1600 veel meer was dan uitsluitend een gebied van traditionele akkerbouw.
Groningen en Drenthe — Van brandstof voor eigen gebruik naar een handelsproduct
Tussen 800 en 1200 waren de zanddorpen in Noord-Drenthe hoofdzakelijk landbouwgemeenschappen. Hun inwoners beschikten over akkers, vee en plaatselijke brandstoffen. In het veenlandschap ontstonden vanaf de tiende en elfde eeuw nieuwe ontginningen. Turf kon toen al worden gebruikt voor verwarming en voedselbereiding, maar het is niet vastgesteld hoeveel daarvan naar Groningen werd vervoerd. In de dertiende eeuw werd die verbinding beter zichtbaar. Kloosters gingen turf winnen, steenovens vroegen veel brandstof en handelsrechten werden schriftelijk vastgelegd. De groeiende bierindustrie vergrootte later eveneens de behoefte aan brandstof en landbouwproducten. Groningen werd daarmee steeds sterker verbonden met zijn Drentse achterland.
De belangrijkste uitkomst — Brandstof, brouwerijen en vaarwegen
Voor het onderzoek naar de Rug van Tynaarloo moeten we niet uitsluitend kijken waar boten konden varen. We moeten ook vaststellen waar de brandstof werd gewonnen, waar zij werd verbruikt en welke bedrijven daarvan afhankelijk waren. De opgravingen tonen aan dat bewoners van de veengebieden al in de twaalfde eeuw brandhout van de hogere zandgronden gebruikten. De dertiende-eeuwse steenovens geven vervolgens een duidelijk bewijs voor een industriële behoefte aan turf. De Groningse bierbrouwerijen werden later een belangrijke afnemer van brandstof en landbouwproducten. Voor de periode vóór 1200 blijft de omvang van de turfhandel tussen Peize, Roderwolde en Groningen onzeker.
De samenhang — Van zelfstandig landbouwgebied naar economische controle
De belangrijkste ontwikkeling die uit ons onderzoek naar voren komt, is de geleidelijke verandering van een agrarisch landschap naar een gebied met steeds sterker georganiseerde economische belangen. De oorspronkelijke bewoners gebruikten de zandhoogten, bossen, graslanden en beekdalen. Later ontstonden uitgebreidere ontginningen, kerkelijke bezittingen, steenbakkerijen en handelsverbindingen. De waterwegen maakten vervoer mogelijk, maar boden tegelijkertijd kansen om toegang en gebruiksrechten te controleren. Bij Peize is dat in 1527 rechtstreeks aantoonbaar. Bij De Punt ontwikkelde een natuurlijke oversteek zich tot een brug- en tolplaats. Voor Nietap en Schelfhorst moeten de precieze functies van de versterkte huizen nog verder worden onderzocht.
De ontwikkeling van het gebied — Van 800 tot 1634
Tussen 800 en 1634 veranderde het gebied tussen Groningen en Noord-Drenthe ingrijpend. Aanvankelijk bepaalden de hogere zandgronden, de natuurlijke beken en de uitgestrekte veenmoerassen de bereikbaarheid. De zee beïnvloedde vooral het noordelijke getijdengebied. Vanaf de tiende en elfde eeuw veranderden ontginningen de waterhuishouding. Groningen ontwikkelde zich tot een versterkt bestuurlijk en handelscentrum. In de daaropvolgende eeuwen ontstonden nieuwe waterwegen, kloosterbezittingen, versterkte huizen en economische bedrijven. Het vervoer van turf, potklei en bouwmateriaal kreeg steeds meer betekenis. Uiteindelijk werden sommige doorgangen rechtstreeks verbonden met tolrechten, particuliere vaarrechten en militaire verdediging.
Wat nog niet is vastgesteld — De situatie omstreeks 1000
Voor het jaar 1000 ontbreken nog nauwkeurige gegevens over de bevaarbaarheid van afzonderlijke waterlopen tussen Peize, Roderwolde, Eelde en Groningen. Ook de exacte grens van de getijdeninvloed is nog niet voor iedere periode vastgesteld. De aanwezigheid van een natuurlijke waterloop bewijst niet dat een beladen platbodem haar kon bevaren. Evenmin bewijst een latere versterking dat dezelfde plaats al in de elfde eeuw militair werd bewaakt. De belangrijkste onderzoeksvragen blijven daarom de oorspronkelijke veenhoogte, de waterstanden per seizoen, de ligging van natuurlijke geulen en de oudste gebruiksrechten. Met archeologische boringen, oude oorkonden en landschapsreconstructies kunnen deze vragen verder worden onderzocht.
De historische bronnen en het verdere onderzoek — Tot 1600
Deze geschiedenis is samengesteld uit de aangeleverde onderzoeken uit de Nieuwe Drentse Volksalmanak, De Spieker, Ons Waardeel, Waardeel, het Drents Genealogisch Jaarboek en plaatselijke historische publicaties over Eelde, Peize, Vries, Roden en de omliggende dorpen. Daarnaast zijn gegevens verwerkt uit archeologische onderzoeken, oorkonden, leenregisters, kronieken en studies over kloosters, adellijke families en waterbeheer. Niet alle oorspronkelijke publicaties zijn integraal gecontroleerd. Daarom blijven sommige dateringen, genealogische relaties en eigendomsverhoudingen voorlopig. Voor het verdere onderzoek zijn vooral de oorspronkelijke akten belangrijk, evenals oude kaarten, archeologische documentatie en de registers van de kerkelijke instellingen.
Het belang van de historische jaarboeken — Een geschiedenis van duizenden jaren
De historische jaarboeken en archeologische tijdschriften maken het mogelijk om de geschiedenis van Noord-Drenthe over duizenden jaren te reconstrueren. De prehistorische onderzoeken tonen de eerste landbouwers, grafheuvels en akkers. De middeleeuwse oorkonden laten zien hoe kerken, kloosters en adellijke families hun bezittingen beheerden. De rekeningen van de steenindustrie geven inzicht in arbeid, productie en vervoer. De kronieken over de Tachtigjarige Oorlog maken duidelijk welke gevolgen politieke conflicten voor inwoners en grondbezitters hadden. Gezamenlijk tonen deze bronnen dat de Rug van Tynaarloo geen geïsoleerd landschap was. De streek stond voortdurend in verbinding met Groningen, Friesland, Overijssel, Utrecht en het Duitse achterland.
De familie Rading verbindt Vollenhove met de Duitse Orde — 1278
In 1278 schonk Bartold Rading, ook Radinc of Reding genoemd, 42 morgen land bij Breukelen aan het Duitse Huis in Utrecht. Hij behoorde tot een aanzienlijke familie uit de omgeving van Vollenhove, die daarnaast verwantschapsbetrekkingen had met andere Overijsselse adellijke geslachten. Zijn schenking laat zien dat de Duitse Orde in dezelfde periode waarin haar vestiging in Bunne ontstond, ook elders in het bisdom Utrecht goederen verwierf. De familie Rading beschikte over land, huizen en rechten die over verschillende gewesten waren verspreid. Die geografische spreiding was kenmerkend voor het netwerk waarbinnen ook de Drentse commanderij zich ontwikkelde.
Aleid Rading en haar zonen schenken hun goederen — 28 oktober 1284
Op 28 oktober 1284 verklaarde Aleid Rading, echtgenote van ordebroeder Bartold Rading, dat zij samen met haar zonen Wolter en Bartholomeus tot de Duitse Orde wilde toetreden. Bartholomeus was toen nog minderjarig. De familie schonk goederen en rechten aan het Duitse Huis bij Utrecht, waaronder bezittingen in de omgeving van Vollenhove. De schenking omvatte onder voorwaarden ook rechten op huizen en grond. De bezitsgeschiedenis van de familie reikte verder naar Wanneperveen en andere plaatsen. De stukken bewijzen een nauwe verbinding met de Duitse Orde, maar niet dat alle geschonken goederen rechtstreeks aan Bunne werden toegewezen.
De familie Rading en de familie Van Echten — dertiende–veertiende eeuw
De familie Rading had volgens het genealogische onderzoek van J.W. Schaap betrekkingen met verschillende aanzienlijke geslachten, waaronder de familie Van Echten. Een latere Else of Helst Redinc was gehuwd met Johan van Echten. Ook de families Van Almelo en Van Eerde komen in het onderzoek voor. Deze betrekkingen zijn interessant omdat de naam Van Echten later eveneens verschijnt in de geschiedenis van Lemferdinge bij Eelde. Een rechtstreeks familieverband tussen de schenking van 1284 en het huwelijk van Steven ter Borch met Grete van Echten in 1447 is daarmee nog niet bewezen. De familienamen vormen wel aanknopingspunten voor aanvullend genealogisch onderzoek.
Ludolf van Bunne wordt landcommandeur — 1286–1288
Ludolf van Bunne was niet uitsluitend een plaatselijke grondbezitter die goederen aan de Duitse Orde schonk. Volgens een door Johan de Wal in 1847 besproken oudere lijst bekleedde een Ludolphus van Bunne van 1286 tot 1288 de functie van landcommandeur van de Balije Utrecht. Als deze identificatie juist is, bereikte de stichter van het Drentse ordehuis een hoge bestuursfunctie binnen de internationale organisatie. De landcommandeur hield toezicht op verschillende commanderijen en hun inkomsten. De vermelding vormt bovendien een aanwijzing dat Bunne al vroeg met Utrecht verbonden was. Over de precieze bestuurlijke verhouding met de Balije Westfalen bestond echter verschil van mening.
De schenking van Gijsbert van Buckhorst nader bekeken — december 1289
Johan de Wal beschreef in 1847 een oorspronkelijke, bezegelde oorkonde over het patronaatsrecht van de kerk van Eelde. De akte was geschreven op perkament en gedateerd op de zondag na Sint-Luciag, dus in december 1289. Daarin droeg Gijsbert van Buckhorst, schildknaap, het kerkelijke recht over aan de Duitse Orde bij Utrecht. Zijn broer Wolter had daarmee ingestemd. Volgens De Wal gebeurde de overdracht op verzoek van Wolter, die zelf tot de orde zou toetreden. De erfgoedinventarisatie van 2023 verbindt de schenking juist met Gijsberts toetreding. Het oorspronkelijke document is nodig om deze uiteenlopende verklaringen definitief te beoordelen.
Het Zilbingegoed in Witten en de erfpacht van het Domkapittel — vanaf 1302
Een belangrijk onderdeel van het bezit van Bunne lag in Witten, ten westen van Assen. Historicus P.N. Noomen vermeldt in zijn onderzoek naar het middeleeuwse Rolder dingspel dat de commanderij daar het Zilbingegoed van het Domkapittel van Utrecht in erfpacht hield. Daarnaast had zij rechten op vijf andere goederen in Witten. Erfpacht hield in dat een instelling grond langdurig mocht gebruiken of exploiteren tegen een vaste verplichting aan de oorspronkelijke rechthebbende. De Duitse Orde stond daardoor niet bovenaan iedere eigendomsverhouding. In Witten bestonden verschillende lagen van grondbezit, pacht en oudere kerkelijke aanspraken naast elkaar.
De commanderij ontvangt inkomsten uit de grote tienden — eerste helft veertiende eeuw
Een inkomstenregister van het Domkapittel van Utrecht uit de eerste helft van de veertiende eeuw vermeldt dat de commanderij Bunne de grote tiende van de parochie Bunne pachtte. Een grote tiende had voornamelijk betrekking op de opbrengsten van belangrijke akkerbouwgewassen. De orde kon daardoor een deel van de oogst ontvangen zonder zelf alle betrokken akkers te bewerken. Het tiendrecht moet worden onderscheiden van het eigendom van een boerenbedrijf. Voor de bewoners maakte dat verschil in het dagelijkse landbouwgebruik weinig uit: zij moesten hun verplichtingen aan de rechthebbende nakomen. Voor de commanderij vormden zulke opbrengsten een belangrijke economische basis.
Was Bunne eerst onderdeel van de Balije Westfalen? — 1280–1347
In oudere geschiedschrijving wordt vermeld dat Bunne aanvankelijk bij de Balije Westfalen hoorde. Volgens een overlevering zou landcommandeur Goossen van Ghernaer of Van Gaarne de commanderij tussen 1340 en 1347 voor 1.500 pond hebben gekocht en bij Utrecht hebben gevoegd. Johan de Wal plaatste in 1847 vraagtekens bij deze voorstelling. Hij wees erop dat Ludolf van Bunne al in 1286 landcommandeur van Utrecht was geweest en dat de schenking van de kerk van Eelde in 1289 eveneens aan Utrecht was gericht. Een definitieve overdrachtsakte tussen Westfalen en Utrecht werd niet aangewezen. De precieze bestuurlijke geschiedenis blijft daardoor onzeker.
Voppa Reynaerman draagt goederen over voor verzorging — 1354
In 1354 sloot Voppa Reynaerman een overeenkomst met de commanderij Bunne. Daarbij werden bezittingen aan de Duitse Orde overgedragen in ruil voor levenslange verzorging. Een dergelijke overeenkomst bood iemand de mogelijkheid inkomsten en goederen te gebruiken om het eigen levensonderhoud veilig te stellen. Voor de commanderij betekende dit dat zij niet alleen nieuwe bezittingen verwierf, maar ook een blijvende verplichting op zich nam. De waarde van de overeenkomst hing af van de opbrengsten van de goederen en van de kosten van de beloofde verzorging. De vermelding laat een maatschappelijke functie van de commanderij zien die verder ging dan landbouwbeheer.
Een verzorgingsovereenkomst komt voor de Etstoel — 1407
In 1407 ontstond een juridisch geschil over een overeenkomst waarbij goederen waren overgedragen tegen levenslange ondersteuning. De zaak werd behandeld voor de Drentse Etstoel, het hoogste rechtscollege van het landschap. De omstandigheden vertonen overeenkomsten met de transactie van Voppa Reynaerman uit 1354. Zulke geschillen ontstonden wanneer partijen van mening verschilden over de uitvoering van overeengekomen verplichtingen. Voor de commanderij waren deze contracten belangrijk omdat zij zowel inkomsten als onderhoudskosten konden veroorzaken. De betrokkenheid van de Etstoel toont bovendien dat de Duitse Orde in Drenthe onderworpen kon zijn aan plaatselijke rechtsprocedures over haar goederen en verplichtingen.
Berend van Ebbinchove wil Bunne verlaten — eerste helft vijftiende eeuw
De ridderbroeder Berend van Ebbinchove was in de eerste helft van de vijftiende eeuw verbonden aan de commanderij Bunne. Hij verzocht de landcommandeur hem naar een ander ordehuis over te plaatsen. In een latere beschrijving wordt hij aangeduid als de schele broeder en wordt Bunne voorgesteld als een arm huis waar onvoldoende voedsel beschikbaar was. De overlevering laat zien dat het leven in een kleine commanderij minder aantrekkelijk kon zijn dan het aanzien van een ridderorde deed vermoeden. De precieze bewoordingen van zijn verzoek moeten nog worden vergeleken met de oorspronkelijke brief en de daarop gebaseerde historische publicaties.
De reis van Berend van Ebbinchove naar Pruisen — 1431–1432
Berend van Ebbinchove wordt vervolgens in verband gebracht met de commanderij Ootmarsum. In 1431 of 1432 ontving hij daar een vergoeding voor de voortzetting van zijn reis naar Pruisen. Dit gebied lag aan de Oostzee en vormde eeuwenlang een belangrijk machtscentrum van de Duitse Orde. De reis toont dat de broeders van Bunne niet uitsluitend binnen Drenthe werden ingezet. Overplaatsingen konden plaatsvinden tussen verschillende ordehuizen en bestuursgebieden. Ootmarsum vormde daarbij een mogelijke tussenstation tussen Noord-Drenthe en de grotere internationale organisatie. Welke opdracht Berend in Pruisen kreeg en waar hij uiteindelijk terechtkwam, is niet vastgesteld.
Bunne en de abdij Assen verbieden Balloo het Geelbroek te gebruiken — 1445
In 1445 ontstond een ernstig conflict over het Geelbroek, een groenlandgebied in de marke van Witten. De commanderij Bunne en de abdij Assen traden gezamenlijk op als rechthebbenden. Na hoog opgelopen geschillen wisten zij te bereiken dat de bewoners van Balloo het gebied niet langer mochten gebruiken. Dit gegeven werd door P.N. Noomen opgenomen in zijn onderzoek naar de middeleeuwse geschiedenis van het Rolder dingspel. De zaak vormt een belangrijk nieuw bewijs voor de gezamenlijke belangen van beide geestelijke instellingen. Het Geelbroek had economische betekenis als groenland, waarvan vooral hooiwinning en beweiding afhankelijk konden zijn.
De abdij Assen en de commanderij Bunne beheersen Witten — vijftiende eeuw
Volgens P.N. Noomen waren in de late middeleeuwen waarschijnlijk alle erven van Witten in handen van de abdij Assen en de commanderij Bunne. De twee instellingen hadden daarmee een grote invloed op het landbouwgebied. De bewoners van de afzonderlijke erven konden de grond zelf bewerken, maar waren afhankelijk van verplichtingen tegenover hun grondheren. De instellingen bezaten niet noodzakelijk alle rechten op dezelfde wijze. Sommige goederen werden in eigendom gehouden, terwijl andere in erfpacht of volgens oudere domeinrechten werden beheerd. De geschiedenis van Witten laat zien dat geestelijke instellingen een groot gedeelte van de agrarische economie konden controleren.
De verkoop van pachten uit Ykinghegoed en Bonekinghegoed — 1458
In 1458 verkocht de commanderij inkomsten uit de graanpachten van het Ykinghegoed en het Bonekinghegoed. De transactie vond plaats tijdens het bestuur van Wolter van Overhagen, die in deze periode als commandeur wordt genoemd. Graanpachten waren vaste verplichtingen van boeren om jaarlijks een bepaalde hoeveelheid graan aan de rechthebbende te leveren. Zulke inkomsten konden afzonderlijk worden verkocht zonder dat noodzakelijk de gehele boerderij van eigenaar veranderde. Voor de Duitse Orde betekende de verkoop dat zij direct over geld kon beschikken, maar toekomstige opbrengsten verloor. Het besluit was onderdeel van een reeks veranderingen in het goederenbeheer.
De kleine tiende van Lutke Bonekinghegoed — 1462
In 1462 ruilde de commanderij land in Witten tegen de kleine tiende van het Lutke Bonekinghegoed. Deze transactie verschilde van de eerdere verkoop van graanpachten. Een kleine tiende had doorgaans betrekking op kleinere landbouwopbrengsten of producten uit de veehouderij. Door zulke rechten te verwerven, kon de orde verschillende soorten inkomsten combineren. De naam Lutke wijst op een kleiner goed of een afzonderlijk onderdeel van een groter goederencomplex. Het is niet zeker hoe de betrokken percelen precies lagen. De transactie bevestigt dat de commanderij haar economische rechten voortdurend opnieuw samenstelde door verkoop, ruil en verwerving.
De abdij Assen verkrijgt de goederen van Bunne in Witten — uiterlijk 1487
In de tweede helft van de vijftiende eeuw droeg de commanderij Bunne haar bezittingen in Witten aan de abdij Assen over. Volgens P.N. Noomen beschikte de abdij vanaf 1487 over de gehele buurschap. Daarmee verloor de Duitse Orde een belangrijk deel van haar vroegere grondbezit buiten de onmiddellijke omgeving van Bunne. Voor Assen betekende de verwerving juist een verdere concentratie van landbouwgrond en pachtinkomsten. De overgang past bij een bredere verandering waarbij geestelijke instellingen hun verspreide bezittingen probeerden te ordenen. De precieze afzonderlijke overdrachten moeten nog aan de hand van de oorspronkelijke akten worden vastgesteld.
Roerderik van Voorst onderhandelt over roggepachten — 1503
Een in de bekende commandeurslijsten vaak ontbrekende bestuurder is Roerderik van Voorst. Johan de Wal vond zijn naam in brieven uit het archief van de Duitse Orde. In 1503 onderhandelde Roerderik als commandeur van Bunne met de landcommandeur over de wederkoop van een verplichting tot het leveren van enkele mudden rogge. Wederkoop betekende dat een eerder gevestigde verplichting volgens overeengekomen voorwaarden kon worden teruggekocht of afgekocht. De zaak toont dat de financiële administratie van de commanderij ook uit langlopende verplichtingen bestond. Roerderik vormt daarmee een belangrijke aanvulling op de reeks bekende bestuurders van het ordehuis.
Landcommandeur Wolter van Amstel benoemt de pastoor van Eelde — 8 november 1531
Op 8 november 1531 benoemde landcommandeur Wolter van Amstel van Mijnden de priester Johan Hemrickinge tot pastoor van Eelde. Hij volgde Luyken Korenpoert op, die zijn functie had neergelegd. De benoeming is bekend uit een oorspronkelijk bezegelde akte die Johan de Wal in 1847 beschreef. Het document toont dat de Duitse Orde haar patronaatsrecht daadwerkelijk gebruikte. De landcommandeur in Utrecht bleef verantwoordelijk voor belangrijke kerkelijke benoemingen, terwijl Bunne als plaatselijk ordehuis aan de kerk van Eelde verbonden was. De namen van beide geestelijken geven bovendien aanknopingspunten voor het onderzoek naar de zestiende-eeuwse parochiebevolking.
Pastoor Joannes Krithe legt zijn ambt neer — 14 april 1559
Op 14 april 1559 legde Joannes Krithe zijn ambt als pastoor van Eelde neer. Volgens de bewaard gebleven akte deed hij dit tegenover landcommandeur Albert van Egmond van Merenstein, die hem eerder had aangesteld. De akte werd op papier geschreven, ondertekend en bezegeld. De vermelding is belangrijk omdat zij bevestigt dat de Balije Utrecht nog kort voor het einde van de commanderij Bunne invloed had op de geestelijke bediening van Eelde. De pastoorsbenoeming liep niet rechtstreeks via de bisschop alleen, maar was verbonden met de oude patronaatsrechten die de Duitse Orde sinds de dertiende eeuw bezat.
De eigenerfden van Eelde verzoeken om Antonius Gottfridus — 1 juni 1559
Op 1 juni 1559 richtten de eigenerfden en andere inwoners van het kerspel Eelde een verzoek aan landcommandeur Albert van Egmond van Merenstein. Zij wilden dat de priester Antonius Gottfridus tot nieuwe pastoor werd benoemd. Een eigenerfde was iemand die eigen grond bezat en op grond daarvan een erkende plaats in de dorpsgemeenschap innam. Het gezamenlijke verzoek toont dat de bewoners belangstelling hadden voor de keuze van hun geestelijke. De officiële bevoegdheid bleef echter verbonden aan het patronaatsrecht. Deze akte is bijzonder omdat zowel de plaatselijke gemeenschap als het internationale bestuur van de Duitse Orde daarin zichtbaar worden.
De oude overdracht van Bunne wordt koninklijk bevestigd — 1563–1564
De overdracht van de commanderij aan de familie Van Ewsum begon volgens latere rechtsdocumenten met een overeenkomst van 29 november 1563. De afwikkeling werd voortgezet in 1564. Op 12 mei van dat jaar keurde koning Filips II de daarmee verbonden goederenruil goed. Op 9 november 1564 volgde een akte waarin de definitieve uitvoering werd bevestigd. De stukken werden in een juridische memorie van 5 december 1627 opnieuw genoemd. Daardoor is de overdracht beter te dateren dan op basis van een algemene vermelding van 1565. De verschillende jaartallen in de historische literatuur moeten worden onderscheiden van de afzonderlijke rechtshandelingen.
Het verschil tussen Johan en Casper van Ewsum — 1563–1565
Over de verkrijger van Bunne bevatten de historische publicaties tegenstrijdige gegevens. Een oudere oorkondenreeks noemt Johan van Ewsum als partij bij de overdracht van 1563. De erfgoedinventarisatie van 2023 vermeldt bij de beschrijving van het gebouw echter Casper van Ewsum en het jaar 1565. Op een andere bladzijde noemt dezelfde inventarisatie opnieuw Johan en 1563. Mogelijk verwijzen de vermeldingen naar verschillende fasen van de overeenkomst, maar dit is nog niet bewezen. Voor een definitieve reconstructie moeten de namen en familiebetrekkingen worden vergeleken met de oorspronkelijke akten uit 1563 en 1564 en de latere eigendomsstukken.
Joost van Ewsum verkoopt het collatierecht van Eelde — 1597
In 1597 droeg Joost van Ewsum het collatierecht van de kerk van Eelde over aan Johan Emans. Daarmee werd een recht dat in 1289 aan de Duitse Orde was geschonken opnieuw afzonderlijk verhandeld. Het collatierecht gaf invloed op de voordracht of benoeming van een geestelijke en was niet hetzelfde als het eigendom van de kerk of het kerkgebouw. De overdracht vond plaats in een periode waarin de Reformatie steeds sterker doordrong in Noord-Drenthe. Oude particuliere rechten bleven echter bestaan, ook wanneer het geloof en de organisatie van de kerk veranderden. Hierdoor ontstonden in de volgende eeuw verschillende rechtsgeschillen.
De oude kerkelijke rechten blijven bestaan — omstreeks 1600
Aan het einde van de zestiende eeuw bestond de commanderij Bunne niet meer als katholieke ordegemeenschap. Toch verdwenen haar vroegere rechten niet onmiddellijk. De goederen waren in particuliere handen gekomen, terwijl de rechten op de kerken van Eelde en Vries afzonderlijk konden worden overgedragen. Ook de kapelgoederen, tienden en vroegere vicarie-inkomsten bleven van betekenis. De invoering van de gereformeerde kerkorganisatie veroorzaakte nieuwe vragen over het recht op deze inkomsten. Daarmee begon een volgende fase in de geschiedenis van Bunne. Niet langer stond de ridderorde centraal, maar de strijd tussen particuliere eigenaren, kerkbestuurders en de Drentse overheid.
Johan Emans en de erfgenamen van Johan Krijthe — 1603
In 1603 ging het collatierecht van Eelde over van Johan Emans op de voogden van de kinderen van Johan Krijthe. Deze overdracht vormt de volgende schakel in de geschiedenis van het recht dat oorspronkelijk door de familie Van Buckhorst aan de Duitse Orde was gegeven. Het beheer namens minderjarige kinderen laat zien dat kerkelijke rechten inmiddels als vererfbaar bezit werden behandeld. Voor de kerkelijke gemeente was dit van belang omdat de rechthebbende invloed kon uitoefenen op de benoeming van de predikant. De veranderde godsdienstige verhoudingen maakten dergelijke particuliere aanspraken steeds vaker onderwerp van discussie.
Lemferdinge en de inkomsten van de Sint-Gangulphusvicarie — 16 mei 1605
Op 16 mei 1605 moesten drost en gedeputeerden optreden omdat de gereformeerde predikant van Eelde onvoldoende inkomsten ontving. Onno Boltha hield inkomsten van de Sint-Catharinavicarie achter. Daarnaast werd A. van Dulman van Lemferdinge genoemd in verband met inkomsten van de Sint-Gangulphusvicarie in Paterswolde. Vicarieën waren geestelijke stichtingen waarvan de opbrengsten bestemd waren voor bepaalde religieuze diensten of geestelijken. De inkomsten bleven ook na de Reformatie onderwerp van aanspraken. Deze zaak is bijzonder omdat zij Lemferdinge rechtstreeks verbindt met het oude kerkelijke inkomstenstelsel van Eelde. Een eigendomsband tussen Lemferdinge en de commanderij Bunne is daarmee niet bewezen.
Het voormalige kerkhof van Bunne wordt opgeëist — 12 februari 1608
Op 12 februari 1608 behandelden drost en gedeputeerden een geschil over de grond waarop vroeger de kapel en het kerkhof van Bunne hadden gelegen. De kerkvoogden van Vries maakten aanspraak op het terrein en wilden de opbrengsten gebruiken voor het onderhoud van hun kerk. Tegenover hen stonden erfgenamen van Johan Krijthe, die rechten op goederen van het voormalige Huis te Bunne bezaten. De eis van de kerkvoogden werd afgewezen. Bij de beslissing speelde de overdracht van de goederen aan Johan van Ewsum in 1563 een belangrijke rol. Daardoor bleef zelfs het oude kapelterrein een onderwerp van juridische strijd.
Scheepings erve in Yde moet rogge en haver leveren — 11 juni 1613
Op 11 juni 1613 behandelde de Drentse overheid opnieuw een conflict over inkomsten van de voormalige kapel van Bunne. Scheepings erve in Yde was jaarlijks één mud rogge en twee mud haver verschuldigd aan de kapel. Na het verdwijnen van de katholieke gemeenschap ontstond onenigheid over de bestemming van deze opbrengsten. De kerkelijke bestuurders wilden de pacht voor de nieuwe kerkelijke organisatie gebruiken. Anna Ockinga, weduwe van Van Ewsum, verdedigde de aanspraken van de particuliere eigenaren. Zij moest aantonen dat de opbrengsten niet oorspronkelijk voor geestelijke diensten in de kapel waren bestemd.
Daniël van Wahren verwerft het recht op Eelde — 1619–1620
In 1619 kwam het collatierecht van Eelde bij Peter Folckerts terecht. Op 16 september 1620 verkocht hij het aan Daniël van Wahren van Bunne. De nieuwe eigenaar beriep zich vervolgens op zijn recht om invloed uit te oefenen op de beroeping van de predikant. Toen de gemeente Henricus Bottichius als predikant wilde aanstellen, ontstond onenigheid over de bevoegdheid van de collator. De overheid liet de kerkelijke beroeping doorgaan zonder alle particuliere aanspraken definitief te erkennen. Het conflict toont hoe een middeleeuws patronaatsrecht van de Duitse Orde in de gereformeerde kerk tot nieuwe bestuurlijke problemen leidde.
Evert Lewe van Asinga verkrijgt het collatierecht — 1631
In 1631 kwam het collatierecht van Eelde in handen van Evert Lewe van Asinga. De familie Lewe bezat aanzienlijke goederen in Groningen en Noord-Drenthe, waaronder belangen bij Ter Hansouw en landbouwbedrijven in Zeijen. Evert Lewe behoorde tot een familie die haar positie had opgebouwd door grondbezit, huwelijken en bestuurlijke betrekkingen. Door de verwerving van het collatierecht kreeg zij ook invloed op het kerkelijke leven van Eelde. Het recht ging later over op Everts zoon Joost Lewe van Ter Hansouw. Daarmee ontstond een directe verbinding tussen de vroegere commanderijrechten van Bunne en een adellijke familie uit de omgeving van Peize.
Johan Dulman van Lemferdinge sluit een overeenkomst — 5 maart 1639
De geschillen over de inkomsten van de Sint-Gangulphusvicarie duurden tientallen jaren. Uiteindelijk werd met jonkheer Johan Dulman van Lemferdinge een overeenkomst gesloten. Daarin werd bepaald dat de predikant van Eelde en zijn opvolgers jaarlijks vijftig Emder gulden uit de inkomsten van de vicarie zouden ontvangen. Daarnaast werd eenmaal vijftig daalders voor proceskosten toegekend. De Landdag van Drenthe keurde de regeling op 5 maart 1639 goed. De zaak maakt duidelijk dat de eigenaren van Lemferdinge een blijvende positie hadden binnen het beheer van de kerkelijke inkomsten van Eelde. De oorspronkelijke middeleeuwse rechten werkten daardoor nog lang door.
Joost Lewe en Johan van Welvelde ruilen grond tegen kerkelijke macht — 1648–1649
In 1648 verkocht Johan van Welvelde van Oosterbroek zijn helft van een boerenbedrijf in Zeijen aan Joost Lewe van Ter Hansouw. Het ging om het erf dat door Claes Jans werd gebruikt. Joost Lewe bezat de andere helft al. De koopsom bedroeg tweeduizend Carolusgulden en moest in mei 1649 worden betaald. Bij deze overeenkomst droeg Joost Lewe het collatierecht van Eelde over aan Van Welvelde. De transactie toont hoe landbouwgrond en kerkelijke rechten rechtstreeks met elkaar konden worden verbonden. Voor de geschiedenis van de Rug van Tynaarlo is dit een belangrijke schakel tussen Ter Hansouw, Zeijen en Oosterbroek.
Vijf van de zestien waardelen in Zeijen — 1648–1654
Na de verwerving van het aandeel van Johan van Welvelde beschikte Joost Lewe over twee aanzienlijke boerenerven in Zeijen. Het ene erf, verbonden met het oude Brinckingegoed, vertegenwoordigde drieënhalf waardeel. Het andere, waarin Claes Jans als meier werkzaam was, omvatte anderhalf waardeel. Samen bezat Joost daarmee vijf van de zestien waardelen van de boermarke. Een waardeel vertegenwoordigde een aandeel in de gemeenschappelijke rechten en verplichtingen op de onverdeelde markegronden. Het bezit gaf Lewe aanzienlijke invloed op landbouw, beweiding en het gebruik van gemeenschappelijke gronden. De transactie laat de economische betekenis van adellijk grondbezit zien.
Johan van Welvelde bevestigt zijn positie in de kerk van Eelde — 1649
Johan van Welvelde, eigenaar van Oosterbroek, schonk in 1649 een zilveren avondmaalsbeker aan de kerk van Eelde. Op de beker liet hij vastleggen dat hij de enige collator van de kerk was. Ook de wapens van Van Welvelde en Ripperda werden aangebracht. Zijn echtgenote Anna Alegonda Ripperda behoorde tot een aanzienlijke familie die eveneens bezittingen en verwantschapsbetrekkingen in Noord-Drenthe had. De schenking was daarmee niet uitsluitend een religieuze gift. Zij bevestigde ook de maatschappelijke positie van het echtpaar. Het collatierecht dat eeuwen eerder aan de Duitse Orde was geschonken, werd zo opnieuw zichtbaar verbonden met een adellijk huis.
Van de commanderij Bunne naar het bezit van de Drentse adel — dertiende–zeventiende eeuw
De aanvullende gegevens laten zien dat de invloed van de Duitse Orde op Noord-Drenthe veel verder reikte dan het terrein van Huis te Bunne. De instelling bezat goederen in Witten, verwierf tienden en pachtinkomsten en kwam in aanraking met de abdij Assen, boeren uit Balloo en adellijke families uit Overijssel en Groningen. De rechtszaken van 1354, 1407, 1445, 1608 en 1613 tonen hoe grondbezit en verplichtingen tot conflicten konden leiden. Na de opheffing van de commanderij gingen de oude rechten over op families als Van Ewsum, Van Wahren, Lewe en Van Welvelde. Daardoor bleef de invloed van Bunne nog generaties bestaan.
Aanvullingen op de geschiedenis van de Rug van Tynaarloo — Bunne, Eelde, Vries en Noordenveld
Het aantal boerenerven in Bunne — 1420
In 1420 bestond Bunne volgens de historische gegevens die zijn opgenomen in de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Tynaarlo uit tien erven. Dat geeft een concreter beeld van de omvang van de nederzetting dan de algemene beschrijvingen van een klein esdorp. De erven lagen binnen een agrarische gemeenschap die gezamenlijk gebruikmaakte van bouwland, weidegronden en woeste gronden. Bunne vormde samen met Winde één marke. De commanderij van de Duitse Orde maakte deel uit van dit landschap, maar de tien erven mogen niet zonder meer allemaal tot haar eigendom worden gerekend. De afzonderlijke eigendomsverhoudingen moeten uit oudere goederenregisters blijken.
De omvang van de marke Bunne en Winde — Vijftiende eeuw
De boermarke Bunne en Winde omvatte meer dan alleen de bebouwde erven. De bewoners hadden belangen bij de Bunneresch, de graslanden langs het Winderdiep en de heide- en veengronden verder westelijk. Binnen een marke waren het gebruik van weidegrond, het steken van plaggen en de toegang tot gemeenschappelijke gronden verbonden aan bestaande rechten. De commanderij bezat afzonderlijke landerijen, maar haar verhouding tot de markegenoten moet nauwkeuriger worden onderzocht. De telling van tien erven uit 1420 is daarvoor een belangrijk uitgangspunt. In 1672 telde Bunne volgens een latere telling twintig erven, wat op een langdurige verandering in de nederzetting wijst.
Leffert Coerts en de pannenbakkerij bij Foxwolde — 1551
In 1551 sloot de prior van het klooster Bergum een huurovereenkomst met de tichelaar Leffert Coerts en zijn vrouw over land en werkzaamheden bij Foxwolde. Bij de overeenkomst hoorde het gebruik van een halve waar in de gemeenschappelijke houtgronden, zes dagwerken zwarte turf en zestien dagwerken witte turf. De turf was belangrijk als brandstof voor de productie van bakstenen en dakpannen. Het woonhuis van het echtpaar behoorde hun zelf toe. De overeenkomst laat zien dat het klooster eigenaar van grond en rechten kon zijn, terwijl gespecialiseerde ambachtslieden zelfstandig gebouwen bezaten en verantwoordelijk waren voor het gebruik van de oven.
De dakpannen van Leffert Coerts — 1551–1553
De overeenkomst met Leffert Coerts bepaalde dat over 1551 en 1552 jaarlijks tienduizend onbeschadigde dakpannen bij het Peizerdiep moesten worden afgeleverd. De levering moest rond Sint-Michaëlsdag op 29 september plaatsvinden. Voor 1553 werden achtduizend goed gebakken rode dakpannen als huur vastgesteld. De aantallen geven een concreet beeld van de productiecapaciteit van het bedrijf. De huurders mochten zonder toestemming van het klooster geen aanvullende huizen bij het tichelwerk bouwen en mochten niet onbeperkt voor eigen rekening stenen bakken. De voorwaarden tonen hoe nauwkeurig productie, grondgebruik en het gebruik van een vaarweg economisch werden geregeld.
De organist Hermanno in Eelde — 1563
In het kasboek van Henricus Lontzenius, de laatste abt van het benedictijnenklooster Selwerd bij Groningen, wordt in het begin van 1563 een organist uit Eelde genoemd. Hij heette Hermanno en ontving bij zijn huwelijk een gift van één daalder en één ridder. De gift werd overgebracht door Peter, die organist van Selwerd was. Dit is de oudste nu bekende schriftelijke vermelding van een organist in Eelde. Zijn achternaam en verdere levensloop zijn niet bekend. De gebeurtenis bewijst wel dat de kerk van Eelde vóór de Reformatie een organist had en dat er persoonlijke contacten met klooster Selwerd bestonden.
Het kasboek van Henricus Lontzenius — 1560–1563
De huwelijksgift aan Hermanno is afkomstig uit een belangrijke administratieve bron. Henricus Lontzenius hield tussen 1560 en 1563 een kasboek bij waarin ontvangsten, betalingen, geschenken en contacten met andere personen werden geregistreerd. Het oorspronkelijke document bevindt zich in het archief van het klooster Selwerd bij de Groninger Archieven, toegang 172, inventarisnummer 27. De vermelding van Hermanno staat op folio 87 verso. Het kasboek werd in 2003 uitgegeven door F.J. Bakker, R.I.A. Nip en E. Schut. Daarmee beschikken we over een nauwkeurige archiefverwijzing naar een persoon die anders vrijwel geheel uit de geschiedenis van Eelde verdwenen zou zijn.
Hieronymus Godfridus en Justus Velsius — 6 januari 1564
Op 6 januari 1564 werd de Groningse jurist dr. Hieronymus Godfridus volgens het dagboek van Egbert Alting uit de stad en haar rechtsgebied verbannen. Hij had onderdak verleend aan Justus Velsius, een geleerde arts en filosoof die vanwege zijn godsdienstige opvattingen met de autoriteiten in conflict was geraakt. De Groningse Raad had Godfridus verboden Velsius in zijn huis te ontvangen. Omdat hij dat verbod negeerde, volgde zijn verbanning. Het bericht laat zien hoe religieuze en politieke spanningen het leven van individuele juristen en geleerden beïnvloedden. De gebeurtenis krijgt bijzondere betekenis doordat Godfridus kort daarna als huurder van het Huis te Bunne verschijnt.
Hieronymus Godfridus huurt het Huis te Bunne — 1565
Een voetnoot in de wetenschappelijke uitgave van het Diarium van Egbert Alting vermeldt dat dr. Hieronymus Godfridus in 1565 het Huis te Bunne huurde van Johan van Ewsum. Godfridus was eerder als advocaat voor Johan werkzaam geweest. Deze vermelding is afkomstig uit het familiearchief Van Ewsum, oude inventarisnummer 258, regest 563. Zij maakt duidelijk dat het voormalige ordehuis kort na de overdracht daadwerkelijk kon worden verhuurd. De nieuwe huurder was geen landbouwknecht of ordebroeder, maar een jurist die eerder met het stadsbestuur van Groningen in conflict was gekomen. Waarom hij het huis huurde en hoelang hij er verbleef, is niet vastgesteld.
Bunne en de godsdienstige spanningen rond Groningen — 1564–1565
De aanwezigheid van Hieronymus Godfridus brengt een nieuwe verbinding tussen Bunne en de religieuze geschiedenis van Groningen aan het licht. In 1564 kwam Godfridus in moeilijkheden door het bieden van onderdak aan Justus Velsius. Een jaar later huurde hij de voormalige commanderij. De twee gebeurtenissen zijn afzonderlijk gedocumenteerd, maar er bestaat geen bewijs dat het Huis te Bunne als schuilplaats voor Velsius werd gebruikt. Ook is niet aangetoond dat Johan van Ewsum het huis om godsdienstige redenen verhuurde. De relatie laat vooral zien dat het oude ordebezit in deze jaren onderdeel werd van de particuliere bezittingen en contacten van een invloedrijke Groningse familie.
De weduwe Froma in Bunne — 1583
In de kroniek van Abel Eppens tho Equart wordt een weduwe uit de familie Froma genoemd die in Bunne in Drenthe verbleef of daar goederen bezat. De vermelding komt voor in een beschrijving van belastingen tijdens de oorlog. Verlaten en verbrande huizen moesten volgens de besproken regeling een gedeelte van de heffing betalen, terwijl nog bestaande huizen volledig werden aangeslagen. Ook achterstallige betalingen konden worden gevorderd. De weduwe Froma werd samen met Brosema in Noorddijk genoemd als iemand die met dergelijke lasten werd geconfronteerd, ondanks het ontbreken van huurinkomsten. De bron noemt geen exacte woning of het aantal goederen dat zij bezat.
De belastingen op verlaten goederen tijdens de oorlog — 1583
De vermelding van de weduwe Froma laat zien dat de financiële gevolgen van de oorlog niet uitsluitend werden bepaald door plundering of de aanwezigheid van soldaten. Ook grondbezitters die geen inkomsten meer ontvingen, konden verplicht blijven belasting te betalen. Abel Eppens beschreef hoe verschillende groepen eigenaren onder deze regeling vielen. Dat maakte het bezit van huizen en landerijen tijdens de Nederlandse Opstand tot een financieel risico. Voor Bunne is dit een concrete aanwijzing dat de oorlog doorwerkte in het dagelijkse goederenbeheer. De kroniek geeft echter geen volledige beschrijving van de schade aan de nederzetting en evenmin van de persoonlijke omstandigheden van de weduwe.
De voormalige kapel van Bunne verdwijnt — Vóór 1602
Na de overdracht aan de familie Van Ewsum verloor het Huis te Bunne geleidelijk zijn functie als religieuze vestiging. De bouwhistorische inventarisatie vermeldt dat de kapel in 1602 al verdwenen was. Daarmee staat vast dat een onderdeel van de middeleeuwse commanderij vóór dat jaar was afgebroken of niet meer als zelfstandig gebouw bestond. De exacte datum en de omstandigheden van de verdwijning zijn onbekend. Ook is niet aangetoond of bouwmateriaal werd hergebruikt in andere gebouwen. Het voormalige kapelterrein bleef later wel juridisch belangrijk. In 1608 ontstond immers een conflict over de grond waarop de kapel en het kerkhof hadden gelegen.
Het oude stenen huis blijft nog bestaan — 1645
Een beschrijving uit 1645 noemt bij Bunne een oud stenen huis met twee verdiepingen. Het gebouw was ongeveer 21 meter lang en bijna zes meter breed. Volgens de bouwhistorische inventarisatie betrof het waarschijnlijk het vroegere hoofdgebouw van de commanderij. Mogelijk lagen de twee bouwlagen boven een kelder. Het gebouw moet aanzienlijk groter zijn geweest dan een eenvoudige boerenwoning. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat niet alle middeleeuwse bebouwing onmiddellijk na de overdracht van 1563–1565 verdween. Het oude stenen hoofdgebouw bleef nog lange tijd onderdeel van het complex, hoewel de oorspronkelijke religieuze functie al was beëindigd.
De familie Van Ubbena en de kerk van Vries — 1661–1676
De geschiedenis van de kerkelijke rechten van Vries kreeg een ander verloop dan die van Eelde. In 1661 werd bij een kerkelijke visitatie vastgesteld dat de kerk van Vries een nieuwe preekstoel had gekregen van een lid van de familie Van Ubbena van Bunne. In 1664 schonken Joachim Frans van Ubbena en Christina van Warin een zilveren avondmaalsbeker. Joachim Frans wordt in hetzelfde jaar als collator genoemd. Na zijn overlijden trad zijn weduwe in 1670 en 1676 als rechthebbende op. De betrokkenheid van deze familie laat zien dat de voormalige rechten van de Duitse Orde nog lang verbonden bleven met het particuliere bezit van Bunne.
De familie Van Welvelde blijft verbonden met Eelde — 1682
Na het overlijden van Johan van Welvelde van Oosterbroek in 1681 of 1682 ging het collatierecht van de kerk van Eelde over op zijn neef Otto van Welvelde. Otto was een zoon van Zeino Joachim van Welvelde. Daarmee bleef het recht binnen dezelfde adellijke familie, hoewel de opvolging niet rechtstreeks van vader op zoon verliep. Johan had eerder geld nagelaten aan de kerk en de armen van Eelde. Ook Otto wordt in de latere kerkgeschiedenis met schenkingen verbonden. Het collatierecht vormde ondertussen een afzonderlijke vermogenswaarde die door erfenis kon overgaan en invloed gaf op de benoeming van predikanten.
Catharina Beatrix van Burmania en Oosterbroek — 1691–1710
Otto van Welvelde overleed vóór 1691. Zijn weduwe Catharina Beatrix van Burmania bleef daarna verbonden aan de rechten van Eelde. Zij overleed op 29 april 1710 te Oosterbroek. Haar zoon Zeino Jan van Welvelde was kort daarvoor zonder kinderen overleden. Daardoor kwam de erfopvolging uiteindelijk terecht bij haar dochter Josina Susanna van Welvelde, die gehuwd was met Sjuck Gerrold van Burmania. De bezittingen en rechten rond Oosterbroek werden op deze manier door huwelijken en erfenissen overgedragen. De geschiedenis laat zien dat het kerkelijke benoemingsrecht niet automatisch verdween wanneer de oorspronkelijke rechthebbende overleed.
De familie Burmania krijgt invloed in Drenthe — 1710–1719
Door het huwelijk van Josina Susanna van Welvelde met Sjuck Gerrold van Burmania kwamen de rechten van Eelde in een nieuw familieverband terecht. Burmania vestigde zich op Oosterbroek en werd in 1719 opgenomen in de Drentse ridderschap. Daarmee bezat de familie niet alleen landbouwgronden en kerkelijke rechten, maar verwierf zij ook een erkende plaats binnen de bestuurlijke bovenlaag van het gewest. Het collatierecht van Eelde was inmiddels al eeuwenoud en kon worden teruggevoerd op de schenking aan de Duitse Orde in 1289. De oorspronkelijke kerkelijke instelling was verdwenen, maar het recht bleef onderdeel van de adellijke vermogensvorming.
De familie Burmania Rengers volgt op — 1747
Duco Gerrold Martena van Burmania erfde de betrokken rechten van zijn vader Sjuck Gerrold van Burmania. Hij overleed in 1747 zonder kinderen. Daarom was eerder een erfopvolging geregeld waarbij Sjuck Gerrold Juckema van Burmania Rengers als erfgenaam werd aangenomen. Deze behoorde via zijn moeder Titia Barbara van Burmania tot de familie en was tevens verbonden met het Groningse geslacht Rengers van Farmsum. Door deze opvolging kwamen het collatierecht en de maatschappelijke belangen van Oosterbroek opnieuw bij een andere familie terecht. Het recht van Eelde bleef daarmee onderdeel van een netwerk dat zich uitstrekte over zowel Drenthe als Groningen.
Het collatierecht van Vries wordt verkocht — 6 november 1766
In Vries was het benoemingsrecht van de kerk verbonden gebleven met de bezitters van het voormalige Huis te Bunne. Op 6 november 1766 werd dit collatierecht verkocht aan zes inwoners: Floris Baving, Jan Brouwer, Hendrik Meiringh, Sikke Swartwold, Jan Oortwijn en Willem Baving. Daarmee veranderde de uitoefening van het recht ingrijpend. Het was niet langer uitsluitend verbonden aan één adellijk eigenaar van het vroegere commanderijgoed. Meerdere plaatselijke rechthebbenden kregen gezamenlijk invloed. Door latere vererving nam het aantal belanghebbenden verder toe. De verkoop vormt een belangrijk verschil tussen de ontwikkeling van de oude kerkelijke rechten van Vries en die van Eelde.
Tonco Modderman koopt het recht van Eelde — 1781
In 1781 kwam het collatierecht van Eelde door verkoop in handen van mr. Tonco Modderman en zijn echtgenote Antonia Forsten. De verkoper was Sjuck Gerrold Juckema van Burmania Rengers. Daarmee ging het oude benoemingsrecht van een adellijk familieverband over op een nieuwe eigenaar die eveneens belangrijke economische en maatschappelijke belangen had. De familie Modderman was betrokken bij handel, industrie en bestuur in Groningen. Voor de geschiedenis van Eelde is vooral van belang dat het collatierecht afzonderlijk overdraagbaar bleef. De verkoop van dit recht mag niet zonder aanvullende koopakten worden gelijkgesteld met de overdracht van alle landerijen en gebouwen van Oosterbroek.
Tonco Modderman betaalt voor het herstel van het kerkorgel — 1787
Een rekening uit 1787 noemt Tonco Modderman als enige collator van Eelde bij werkzaamheden aan het kerkorgel. De orgelmaker Dirk Lohman ontving op 4 september twintig gouden dukaten voor herstelwerkzaamheden. Daarnaast werden verdere vergoedingen besproken wegens de langere duur van het werk en de diensten van zijn zoon. De werkzaamheden betroffen onder andere de stemming van het instrument en veranderingen aan de windvoorziening. Deze rekening laat zien dat de collator niet uitsluitend een juridisch recht bezat, maar ook financieel betrokken kon zijn bij het kerkgebouw. Het is een concrete verbinding tussen de familie Modderman, Oosterbroek en de muziektraditie van Eelde.
De rechten komen bij Wiardus Hora Siccama — 1818
In 1818 kwamen de rechten van Eelde volgens de negentiende-eeuwse geschiedschrijving grotendeels terecht bij Anna Maria Catharina Modderman en haar echtgenoot mr. Wiardus Hora Siccama. Zij waren door familiebanden verbonden met Tonco Modderman. Hora Siccama woonde op Oosterbroek en beschouwde zich als bezitter van het uitsluitende collatierecht van de hervormde gemeente. Dat recht werd eeuwenlang gebruikt bij het voordragen of benoemen van geestelijken. In de negentiende eeuw ontstond echter discussie over de vraag of deze bevoegdheid ook betrekking had op andere kerkelijke functionarissen, zoals de organist en de koster, of op de plaatselijke schoolmeester.
De oude grachten staan nog op de kadastrale kaart — 1832
De kadastrale minuutkaart uit 1832 vormt een belangrijke bron voor de ligging van de voormalige commanderij. Het terrein bestond uit twee rechthoekige delen die vroeger door grachten waren omsloten. Het westelijke gedeelte wordt in de bouwhistorische reconstructie verbonden met het hoofdgebouw. Op het oostelijke gedeelte stonden vermoedelijk andere gebouwen die voor de bedrijfsvoering noodzakelijk waren. De kaart maakt het mogelijk de oude indeling te vergelijken met het huidige terrein. Zij toont echter niet rechtstreeks hoe de gebouwen er in de dertiende eeuw uitzagen. Daarvoor zijn oudere beschrijvingen en archeologische gegevens nodig. De kaart blijft waardevol omdat een deel van de oorspronkelijke terreinvorm later verdween.
De verdwenen schilderijen van Bunne — 1847
In 1847 beschreef mr. J. de Wal in het tijdschrift De Gids een boerenwoning in Bunne waarin tot enkele jaren daarvoor nog schilderijen aanwezig waren die herinnerden aan een vroeger aanzienlijk gebouw. Hij noemde een voorstelling van de opstanding van Christus, een Drents landschap en een schilderij van een jonge vrouw die haar wereldlijke kleding verwisselde voor een geestelijk gewaad. De Wal vroeg zich af waar deze werken gebleven waren. De afbeeldingen vormen mogelijk een herinnering aan de vroegere religieuze functie van het complex. Hun ouderdom, makers en latere verblijfplaats zijn echter niet vastgesteld. Het is evenmin bewezen dat alle schilderijen oorspronkelijk voor de commanderij werden vervaardigd.
Het proces van Hora Siccama tegen Eelde — 1847–1850
In 1847 begon een rechtszaak waarin Wiardus Hora Siccama van Oosterbroek zijn collatierecht tegenover het gemeentebestuur en de kerkelijke bestuurders van Eelde verdedigde. Het geschil betrof de vraag hoever de benoemingsbevoegdheid van de collator reikte. De onmiddellijke aanleiding lag onder meer bij de benoeming van Rijkel Warner Koiter tot schoolmeester en diens kerkelijke werkzaamheden. Hora Siccama meende aanspraak te kunnen maken op meer benoemingsrechten dan alleen die van de predikant. Daarbij werden oude documenten aangehaald die teruggingen tot de Duitse Orde en de overdracht van Bunne aan de familie Van Ewsum.
De Hoge Raad begrenst het oude benoemingsrecht — 3 mei 1850
Op 3 mei 1850 deed de Hoge Raad uitspraak in het geschil over het collatierecht van Eelde. De rechterlijke beslissing beperkte de aanspraken tot de bevoegdheden die bij het herstel van het collatierecht na de Franse tijd wettelijk waren erkend. Daarmee kon het recht niet zonder meer worden uitgebreid tot de benoeming van andere functionarissen dan de predikant. Het gemeentebestuur en de kerkelijke bestuurders van Eelde werden hierdoor in het gelijk gesteld. De zaak laat zien hoe een recht dat in 1289 aan een middeleeuwse ridderorde was geschonken, ruim vijf eeuwen later nog onderwerp werd van een moderne rechtszaak.
Archeologisch onderzoek naar de verdwenen grachten — 2000
In 2000 werd bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein van het voormalige Huis te Bunne. Met boringen werden sporen van het oude grachtenstelsel teruggevonden. De grachten bleken met zand en puin te zijn gevuld. Daarmee werd bevestigd dat het complex ooit omgracht was geweest, zoals ook op oudere kaarten is te herkennen. Van het middeleeuwse hoofdgebouw zijn bovengronds geen overtuigend identificeerbare resten bewaard gebleven. In de bestaande bebouwing komen wel oude grote bakstenen voor, die mogelijk van vroegere gebouwen afkomstig zijn. Het onderzoek levert geen volledige plattegrond van de commanderij op, maar vormt een belangrijke fysieke bevestiging van het verdwenen gebouwencomplex.
De geschiedenis van Bunne blijft zichtbaar in het landschap
De geschiedenis van Bunne kan inmiddels worden gevolgd van een middeleeuws landbouwdorp met tien erven in 1420 tot een voormalige commanderij, een adellijk goederencomplex en uiteindelijk een boerenbedrijf. De Duitse Orde bracht kerkelijke rechten en landbezit samen. De familie Van Ewsum verbond het huis met de bouwactiviteiten en steenindustrie rond Roden. In de zestiende eeuw verschijnen bovendien concrete personen zoals Hieronymus Godfridus en de weduwe Froma. Na de Reformatie werkten de kerkelijke rechten nog eeuwenlang door in de families Van Wahren, Lewe, Van Welvelde, Burmania, Rengers, Modderman en Hora Siccama. De archeologische resten en oude kaarten maken duidelijk dat het verdwenen huis nog altijd onderdeel is van de historische ontwikkeling van Noord-Drenthe.
Rug van Tynaarlo — De ontbrekende geschiedenis van boerenerven, kloosterbezit en adellijke families (1335–1600)
De abdij Assen en de pastoor van Zweelo ruilen rechten — Ter Aard — 1335
In 1335 werd een overeenkomst gesloten over rechten op het erve Ter Aard, gelegen bij Zeijen binnen het kerspel Vries. De betrokken partijen waren de abdij Maria in Campis te Assen en de pastoor van Zweelo. De rechtshandeling betrof de huisplaats en de daarbij behorende landerijen. De overeenkomst toont dat kerkelijke instellingen ook inkomsten en rechten konden bezitten buiten hun eigen parochie. Een pastoor kon beschikken over grondgebonden inkomsten, terwijl een klooster meerdere landbouwbedrijven verspreid over Drenthe beheerde. De akte is bewaard gebleven in het archief van de abdij Assen, toegang 0439, inventarisnummer 105.
Daem Syen raakt verwikkeld in een geschil met de abdij — Zeijen — 1404
In 1404 werd een geschil tussen Daem Syen en de abdij Assen behandeld door de Drentse Etstoel. Daem had nog een aantal mudden graan aan het klooster te betalen. De bron spreekt over achterstallige leveringen, maar vermeldt in het geraadpleegde overzicht niet hoeveel graan precies verschuldigd was. Het conflict toont hoe belangrijk vaste graanpachten waren voor de inkomsten van geestelijke instellingen. Een klooster hoefde de betrokken landbouwgrond niet zelf te bewerken. De gebruiker van het land kon verplicht zijn jaarlijks een bepaalde hoeveelheid van de oogst af te dragen. Bij betalingsachterstand kon het geschil voor de Drentse rechtspraak worden gebracht.
Johan Barringhe verschijnt tweemaal voor de Etstoel — Zeijen — 1436
In de rechtspraak van de Etstoel wordt Johan Barringhe in 1436 tweemaal genoemd als partij in een geschil. Zijn naam komt voor in de ordelen die betrekking hebben op de periode 1399–1447, onder de nummers 2050 en 2084. De familie was verbonden met het Barringhegoed in Zeijen, een landbouwcomplex waarvan later verschillende inkomsten en eigendomsrechten aan de abdij Assen werden overgedragen. De inhoud van de twee rechtszaken is in het geraadpleegde overzicht niet uitgewerkt. Wel is duidelijk dat Johan Barringhe al vóór de grote kloostertransacties van de jaren 1460 een herkenbare plaats innam binnen de plaatselijke bezitsverhoudingen.
De belastinglijst van Zeijen noemt vijf inwoners — Omstreeks 1450
Een vijftiende-eeuwse schattingslijst, teruggevonden in het gemeentearchief van Zwolle, noemt vijf belastingplichtigen uit Zeijen. Het gaat om Elis die Backer, Jan Baringe, Jan Hyckinge, Roloff Levinge en Bage. De eerste vier werden ieder voor twee schilden aangeslagen. Achter de naam Bage staan twee afzonderlijke bedragen, waaronder Rijnsguldens. Volgens de historische interpretatie kan dit betekenen dat hij voor twee erven werd aangeslagen. Daarmee zou de lijst zes belaste erven vertegenwoordigen. De telling geeft echter geen volledig overzicht van alle boerderijen. Adellijke goederen, geestelijke instellingen, pastorieën en kosterijen konden namelijk van deze belasting zijn vrijgesteld.
De belasting op boerenerven en de vrijstellingen — Zeijen — Vijftiende eeuw
De Zwolse schattingslijst toont dat de bisschoppelijke belastingdruk niet gelijk over alle bezitters was verdeeld. De aanslag werd gekoppeld aan het landbouwbedrijf en de economische positie van de grondgebruiker. Een volledig erf werd volgens de latere analyse doorgaans aangeslagen voor twee schilden. Een Rijnsgulden vertegenwoordigde daarbij ongeveer twee derde van een schild. De lijst noemt de gewone belastingplichtigen, maar laat vrijgestelde instellingen grotendeels buiten beschouwing. Dat verklaart ook waarom de abdij Assen niet als gewone belastingplichtige voorkomt. Bij het reconstrueren van de omvang van Zeijen moeten daarom zowel de schattingslijst als de afzonderlijke klooster- en familieakten worden gebruikt.
Albert Schomaker schenkt rogge aan de abdij Assen — Zeijen — 1457
In 1457 droeg Albert Schomaker een jaarlijkse roggerente uit het Westenbringegoed in Zeijen over aan de abdij Assen. Hij had dit recht eerder gekocht van Daem Westebringe. Albert verklaarde dat de overdracht plaatsvond met het oog op zijn zielenheil. Het boerenbedrijf werd op dat moment gebruikt door Ludeken die Beylssche en Hannekin, de weduwe van Johan. Bij de rechtshandeling was broeder Henrick Schadinge aanwezig, die als hofmeester van het klooster optrad. Namens de boeren van Zeijen verschenen Johan Campinge, Tydeman Avinge en Henrick Brinckinge. De akte toont hoe een jaarlijks recht op graan door particuliere schenkingen kloosterbezit kon worden.
Roleff ter Aert en zijn familie verkopen hun erf — Ter Aard — 1459
In 1459 verkochten Roleff ter Aert, zijn dochter Grete en haar zoon Johan het erve Ter Aard aan Golde Stellinges, abdis van het klooster Assen. Het ging om het huis, de huisplaats en alle bijbehorende landerijen binnen de buurschap Zeijen en het kerspel Vries. De familie verwees naar de akte uit 1436, toen Roleff het erf van de Duitse Orde in Bunne had gekocht. Bij de officiële overdracht traden Ludeken Bavynge en Ludeken Levinge op namens de boeren. Johan Campynge bezegelde het document. Daarmee kwam voormalig bezit van de Duitse Orde via een particuliere familie terecht bij een andere geestelijke instelling.
Een roggerente uit het Barringhegoed wordt overgedragen — Zeijen — 1460
In 1460 werd een jaarlijkse roggerente uit het Barringhegoed in Zeijen overgedragen. Het ging om één vaste mud rogge volgens Groninger maat, verschuldigd uit het goed van Johan Barringhe. De akte maakt duidelijk dat afzonderlijke inkomsten uit een boerenbedrijf juridisch verhandelbaar waren. Een eigenaar kon een recht op graan bezitten zonder zelf de landerijen te bewerken. Voor het klooster Assen waren dergelijke inkomsten aantrekkelijk omdat zij jaarlijks terugkeerden. De vermelding van de Groninger maat is belangrijk: graanbetalingen konden in verschillende regionale maten worden vastgesteld. Voor een vergelijking van hoeveelheden moet daarom steeds worden nagegaan welke maat de oorspronkelijke akte gebruikte.
Johan Hiddinge en Reyner Boekens verkopen graanrechten — Peize en Zeijen — 1461
In 1461 verkochten Johan Hiddinge en Reyner Boekens, beiden afkomstig uit Peize, inkomsten uit het Westenbringegoed in Zeijen aan abdis Golde Stellinges van het klooster Assen. Johan Hiddinge droeg jaarlijkse rechten op rogge en mout over, terwijl Reyner Boekens eveneens vaste leveringen uit hetzelfde erf verkocht. De akte noemt Egbert als koopmeester van het klooster. Bij de overdracht waren Otto ter Hansouwe, Tideman Avinge, Johan Campinge, Johan Ydinge en Johan Levinge betrokken. Johan Ebbinge bezegelde de overeenkomst. Deze transactie toont dat inwoners van Peize inkomsten konden bezitten uit landbouwbedrijven in Zeijen, zonder daar zelf te wonen.
Otto ter Hansouwe en de boeren van Zeijen bevestigen de overdracht — 1461
Bij de overdracht van de graanrechten uit het Westenbringegoed trad Otto ter Hansouwe op als een van de betrokken personen. Hij behoorde tot de aanzienlijke familie Ter Hansouwe uit de omgeving van Peize, die ook met het bestuur en de brouwnijverheid van Groningen verbonden was. Naast Otto worden Tideman Avinge, Johan Campinge, Johan Ydinge en Johan Levinge genoemd. De aanwezigheid van deze mannen laat zien dat de verkoop van grondgebonden inkomsten niet uitsluitend tussen verkoper en koper werd afgehandeld. Ook vertegenwoordigers van de plaatselijke boeren en personen met aanzien moesten de rechtshandeling erkennen of begeleiden.
De familie Barringhe verkoopt haar erf — Zeijen en Peize — 1468
In 1468 verkocht de familie Barringhe het Barringhegoed aan abdis Golde Stellinges van de abdij Assen. De verkopers waren Johan Ghysselen, schoonzoon van Johan Barringhe, en Johan en Coep, twee zonen van Johan Barringhe. De goederen lagen binnen en buiten de kerspelen Vries en Peize. Bij de onderhandelingen werden Henric Campinge en Tyman Avinge betrokken. Tyde Levinge, Ludeken Levinge en Johan Levinge vertegenwoordigden de boeren van Zeijen bij de officiële overdracht. De akte is bijzonder omdat zij duidelijk maakt dat een Zeijens boerenbedrijf ook rechten en percelen in het naburige kerspel Peize kon omvatten.
De haverinkomsten uit het Barringhegoed — Zeijen — 1468
In hetzelfde jaar 1468 werden aanvullende inkomsten uit het Barringhegoed aan de abdij Assen overgedragen. Johan Hiddinge trad daarbij namens de boeren van Zeijen op. De akte had betrekking op een jaarlijkse hoeveelheid havermout of havergerelateerde graanrente. De exacte hoeveelheid moet volgens de oorspronkelijke maatnotatie worden gelezen. De overdracht vormt een aanvulling op de verkoop van het erf zelf. Zij laat zien dat landbouwgoederen uit verschillende onderdelen konden bestaan: de boerderij, akkers, graslanden, gebruiksrechten en afzonderlijke verplichtingen tot graanlevering. Een klooster kon deze onderdelen door meerdere overeenkomsten geleidelijk in handen krijgen.
Baroldus Grevens betwist het eigendom van het Westenbringegoed — 1479
In 1479 ontstond een geschil tussen Baroldus Grevens, ook geschreven als Greuens, en de abdij Assen over rechten op het Westenbringegoed in Zeijen. De kwestie betrof het eigendomsrecht van het goed, dat in de voorafgaande decennia door verschillende overdrachten steeds nauwer met het klooster was verbonden. In 1457 had Albert Schomaker al een roggerente overgedragen en in 1461 hadden Johan Hiddinge en Reyner Boekens aanvullende rechten verkocht. Dat betekende echter niet automatisch dat de abdij alle aanspraken op het boerenbedrijf onbetwist bezat. De zaak uit 1479 laat zien dat opeenvolgende schenkingen en verkopen tot juridische onzekerheid konden leiden.
Wigbolt Lewe behoudt de toegang tot zijn grond — Zeijen — 25 april 1502
Op 25 april 1502 vond een grondruil plaats tussen Wigbolt Lewe en Henrick Knasse. Henrick kreeg twee akkers op de es van Zeijen, die aansloten op ander land van dezelfde eigenaar. Wigbolt Lewe ontving de Vordinghekamp. Hij liet uitdrukkelijk vastleggen dat hijzelf en zijn meiers de bestaande weg mochten blijven gebruiken. Een meier was een pachter of gebruiker van een landbouwbedrijf. Het voorbehouden weggebruik was belangrijk voor het bereiken van de akkers en het vervoer van landbouwproducten. De akte toont dat een grondruil ook gevolgen had voor oude toegangsrechten. Een perceel was immers weinig waard wanneer het niet bereikbaar bleef.
Aleff Campinge koopt de Heerdemaeth — Zeijen — 1509
In 1509 kocht Aleff Campinge van de markegenoten van Zeijen een stuk grond dat Heerdemaeth werd genoemd. Zijn echtgenote Yeyen stemde met de aankoop in. Bij de overeenkomst verplichtte Aleff zich blijvend tot het betalen van belastingen, schattingen en andere lasten die verbonden waren aan de Vordinghekamp binnen de marke Zeijen. De overdracht werd bevestigd door Johan Levinge en Johan Lippinge namens de boeren. Ook Helpryck Levinge en broeder Willem Grues van het klooster Assen waren betrokken. De akte toont dat een particuliere grondverwerving niet betekende dat alle gemeenschappelijke verplichtingen verdwenen. Het gebruik van markegronden bleef aan plaatselijke regels gebonden.
Het ontstaan van de naam Aleffs erve — Zeijen — 1509–1600
Rond 1600 wordt in de administratie van voormalige kloostergoederen een erf in Zeijen genoemd als Aleffs erve, ook geschreven als Aelefs erve. Het is mogelijk dat deze naam verband houdt met Aleff Campinge, die in 1509 de Heerdemaeth kocht. Dat verband is echter niet bewezen. De naam Campinge komt in meerdere vijftiende- en zestiende-eeuwse akten voor, onder andere bij Johan en Henrick Campinge. Het erf bleef ook na 1600 gedurende lange tijd onder de naam Aleffs erve bekend. De ontwikkeling van deze erfnaam is belangrijk voor het terugvinden van oude percelen en voor de reconstructie van de bezitsgeschiedenis.
Johan ter Aert koopt een verblijfplaats in de abdij — Assen — 1556
In 1556 sloot Johan ter Aert een overeenkomst met de abdij Assen. Voor 160 Emder gulden verkreeg hij volgens een proveniersbrief het recht op een verblijfplaats binnen het kloostercomplex. Een provenier was iemand die tegen betaling recht op bepaalde voorzieningen of verzorging had verworven. Johan kreeg het gebruik van de helft van de hof en mocht vrij zijn eigen werkzaamheden verrichten. Hij moest wel zelf een bed meebrengen en ervoor zorgen dat het dak van zijn verblijf waterdicht bleef. De overeenkomst toont dat het klooster niet alleen een geestelijke instelling was, maar ook woonruimte en een vorm van bestaanszekerheid kon bieden.
Het Levinge-erve behoort aan de Johannieters van Warffum — Zeijen — 1563–1575
In Zeijen lag een boerenbedrijf dat bekendstond als het Levinge-erve, ook geschreven als Leuinge- of Leninge-erve. Het behoorde tot de bezittingen van de Johannietercommanderij van Warffum in Groningen. De Johannieters waren een andere geestelijke ridderorde dan de Duitse Orde, die in Bunne gevestigd was geweest. De commanderij Warffum bestond al in de dertiende eeuw en kende een grote gemeenschap van vrouwelijke religieuzen. In 1540 werden daar ongeveer tachtig nonnen vermeld. Ook deze orde beheerde landbouwgoederen buiten de eigen vestigingsplaats. Het Levinge-erve toont dat verschillende internationale ridderorden tegelijkertijd economische belangen in Noord-Drenthe konden bezitten.
De Johannieters raken verwikkeld in rechtsgeschillen — Zeijen — 1563–1575
Tussen 1563 en 1575 ontstonden verschillende geschillen over het Levinge-erve in Zeijen. De kwesties werden behandeld binnen de Drentse rechtspraak, waaronder de goorspraak en lotting. Het ging om rechten en inkomsten uit een boerenbedrijf dat aan de commanderij Warffum verbonden was. De precieze inhoud van iedere afzonderlijke procedure moet nog uit de oorspronkelijke uitspraken worden vastgesteld. De reeks toont echter dat het bezit van een geestelijke instelling ook tijdens de Nederlandse Opstand aanleiding kon geven tot conflicten. De orde bezat aanspraken op de opbrengsten van haar erf, terwijl plaatselijke bewoners en pachters bij de feitelijke levering betrokken waren.
Herman Spoldes neemt elf mudden rogge met geweld — Vries en Zeijen — 1575
In 1575 werd Herman Spoldes ervan beschuldigd elf mudden rogge met geweld te hebben weggenomen. De rogge was afkomstig van het Levinge-erve in Zeijen, dat aan de Johannietercommanderij Warffum behoorde. Een gedeelte van het graan werd van een wagen in Vries gehaald en het overige uit de woning van meier Roeloff Sobringe in Zeijen. De zaak kwam voor de Drentse rechtspraak. Het conflict is bijzonder omdat het concrete personen, plaatsen en een hoeveelheid landbouwproducten noemt. De gebeurtenis toont dat de inning van pachten niet altijd zonder weerstand verliep en dat vervoer over de dorpswegen kwetsbaar kon zijn voor ingrijpen door anderen.
Elisabeth Addinga verdeelt het bezit van de familie Lewe — 1590
Na het overlijden van Joost Lewe liet zijn weduwe Elisabeth Addinga een omvangrijke boedelscheiding opstellen. Het document besloeg ongeveer twintig bladzijden en beschreef bezittingen in Groningen en Drenthe. Het echtpaar had drie zonen, Wigbold, Georgen of Jurgen en Johan, en vijf dochters: Wobbe, Anna, Alyt, Margaretha en Oede. Wigbold ontving onder meer goederen in Noordsleen, Loon en Peize. Johan kreeg verschillende andere bezittingen, waaronder een erf in Zeijen. Bij de verdeling werd zorgvuldig vastgelegd welke landerijen, markerechten en inkomsten bij de afzonderlijke goederen moesten blijven. Daardoor vormt de boedelscheiding een belangrijke bron voor de landbouwgeschiedenis.
Het erf van Johan Lewe verbindt Zeijen met de Peizermaden — 1590
Bij de boedelscheiding van 1590 kreeg Johan Lewe een aanzienlijk landbouwbedrijf in Zeijen. Het erf omvatte ongeveer 63 mudden bouwland en beschikte over waardelen binnen de boermarke. Daarnaast hoorde er hooiland bij in de Peizermaden en in de marke Zeijen. De oude namen Schrandeweer, Gloesweer en Ruyghe Hemme werden in de verdelingsakte genoemd. Ook hout, veen, eikelschaarrechten en andere gebruiksrechten waren aan het erf verbonden. Eikelschaarrechten hadden betrekking op het gebruik van bosgrond, onder meer voor varkens die eikels zochten. De akte laat zien hoe uitgestrekt en gevarieerd het bezit van één boerenbedrijf kon zijn.
Drie Peizer percelen blijven bij het erf in Zeijen — 1590
Bij de verdeling van de bezittingen van de familie Lewe werd een opvallende uitzondering gemaakt. Wigbold Lewe ontving verschillende goederen in Peize, waaronder drie waardelen binnen de boermarke. Toch werden drie afzonderlijk genoemde percelen in Peize uit zijn erfdeel gehouden. Zij moesten verbonden blijven aan het erf in Zeijen dat zijn broer Johan ontving. Daarmee werd vastgelegd dat landbouwgrond aan de ene zijde van een kerspelgrens economisch bij een boerenbedrijf in een ander kerspel kon horen. Het besluit toont dat oude gebruiksrechten en de samenhang van een landbouwbedrijf soms zwaarder wogen dan de geografische ligging van afzonderlijke percelen.
Margaretha van Eijrthen verpandt rechten bij het Peizerdiep — Rhee — 1591
In 1591 sloot Margaretha van Eijrthen, abdis van Maria in Campis te Assen, een overeenkomst over een stuk land dat van oudsher bij het erve Rhee hoorde. Het perceel lag bij het Peizerdiep en werd aangeduid met de naam Henloep, achter een plaats die in de akte Drincken Buis werd genoemd. De overeenkomst gold voor vijf jaar en betrof 25 daalders. De abdis behield het recht om binnen die termijn het bedrag terug te betalen en weer vrij over de grond te beschikken. Daardoor had de afspraak kenmerken van een verpanding of terugkoopbare overdracht. Zij toont dat de kloostergoederen zich uitstrekten tot buiten Rhee zelf.
Het Aduarder erve in Zeijen verschijnt in de rekeningen — Vanaf 1595
Vanaf 1595 wordt in de rekeningen van de Groninger rentmeester een erf in Zeijen genoemd dat bekendstond als het Adewerder-erve, Adwerder-erve of Awarder-erve. Het behoorde oorspronkelijk tot de bezittingen van de cisterciënzer abdij Aduard in het Westerkwartier. De vermelding toont dat deze Groninger instelling niet alleen belangen had bij potkleiwinning en steenproductie rond Roden en Terheijl, maar ook gewone landbouwgoederen verder landinwaarts bezat. Het erf lag binnen het kerspel Vries. De inkomsten werden in graan vastgesteld. Door de rentmeestersrekeningen is het mogelijk de gebruikers en de jaarlijkse opbrengsten van het boerenbedrijf te volgen.
De familie Sickinghe raakt verbonden met het bezit in Zeijen — Omstreeks 1590–1600
Wobbe Lewe, een dochter van Joost Lewe en Elisabeth Addinga, huwde Harmen Sickinghe uit een aanzienlijke Groningse familie. Harmen was een zoon van Johan Sickinghe en diens echtgenote Anna. De voorwaarden van het huwelijk werden schriftelijk vastgelegd en door de betrokken vaders ondertekend. Van de zijde van Wobbe Lewe kwamen onder meer omvangrijke landerijen in Uithuizermeeden in het huwelijk mee. De familie Sickinghe bezat later ook het Roevers-erve in Zeijen. De precieze overgang van dat erf blijkt pas uit een akte van 1605. De verbinding tussen Lewe en Sickinghe laat zien hoe huwelijk en vererving de verspreiding van adellijk grondbezit bepaalden.
De Drentse kloostererven worden landschapsbezit — 1598
In 1598 kwam door de invoering van het gereformeerde bestuur een einde aan het zelfstandige goederenbeheer van de abdij Assen. De bezittingen gingen over naar het Landschap Drenthe. Volgens de historische erfregistratie betrof dit onder meer drie boerenerven in Zeijen, één erf in Ter Aard en één in Rhee. Het ging om goederen die gedurende eeuwen door aankopen, schenkingen en ruiltransacties bij het klooster waren gekomen. De boeren verdwenen niet van hun land, maar kregen voortaan met een andere eigenaar en beheerder te maken. De jaarlijkse pachtverplichtingen bleven van belang, terwijl de inkomsten onder toezicht van de landschappelijke rentmeester kwamen.
De oude kloostererven blijven herkenbaar in de administratie — 1598–1600
De overgang van de kloosterbezittingen naar het Landschap Drenthe betekende niet dat de oude erfstructuur onmiddellijk verdween. Namen als Westenbringegoed, Barringhegoed en Aleffs erve bleven herkenbaar binnen de administratie van de voormalige abdijgoederen. De rentmeester moest vastleggen welke boeren de erven gebruikten, hoeveel land erbij hoorde en welke jaarlijkse pachten verschuldigd waren. Hierdoor werden de oude landbouwcomplexen ook onder een nieuwe eigenaar afzonderlijk gevolgd. Voor de historische reconstructie is dit belangrijk. De rentmeestersverslagen geven een verbinding tussen middeleeuwse schenkingsakten en latere gegevens over boerenfamilies, landgebruik, pachtachterstanden en veranderingen aan de gebouwen.
Geert Witsinge betaalt pacht voor het Aduarder erve — Zeijen — 1599–1600
Aan het einde van de zestiende eeuw gebruikte Geert Witsinge het voormalige Aduarder erve in Zeijen. In een rekening uit 1599 werd voor zijn erf een jaarlijkse pacht van vijftieneneenhalf mud zomer- en winterrogge vermeld. In 1600 wordt een hoeveelheid van veertien mudden genoemd. Johan Drent was betrokken bij het dorsen van het graan. De afzonderlijke hoeveelheden maken duidelijk dat pachten konden veranderen en dat de rentmeester nauwkeurig onderscheid maakte tussen verschillende graansoorten en leveringen. Het boerenbedrijf lag binnen het kerspel Vries, maar de financiële administratie werd vanuit Groningen gevoerd. Zo bleef Zeijen economisch verbonden met het voormalige kloosterbezit van Aduard.
Zeijen als knooppunt van kloostergoederen en adellijk bezit — Omstreeks 1600
Omstreeks 1600 bestond Zeijen uit landbouwbedrijven met uiteenlopende eigendomsachtergronden. De voormalige abdij Assen had er verschillende erven bezeten, waaronder het Westenbringegoed, Barringhegoed en Aleffs erve. De abdij Aduard bezat het Aduarder erve en de Johannieters van Warffum hadden rechten op het Levinge-erve. Daarnaast beschikten de Groningse families Lewe en Sickinghe over landbouwgoederen. De boeren zelf gebruikten de essen, hooilanden en gemeenschappelijke markegronden. Het dorp was daardoor verbonden met Assen, Groningen, Warffum, Peize en het Peizerdiep. Achter de afzonderlijke erven gingen uiteenlopende rechtsverhoudingen, pachtverplichtingen en familiebetrekkingen schuil.
De historische betekenis van de ontbrekende erfakten — 1335–1600
De oorkonden over Ter Aard, Zeijen en Rhee maken duidelijk hoe middeleeuws grondbezit in Noord-Drenthe functioneerde. Het bezit bestond niet uitsluitend uit boerderijen en akkers. Ook hooilanden, veengronden, houtrechten, markeaandelen, toegangswegen en jaarlijkse leveringen van rogge, haver en mout hadden economische waarde. De Duitse Orde in Bunne, de abdij Assen, de abdij Aduard en de Johannieters van Warffum bezaten ieder afzonderlijke rechten. Families als Ter Aert, Barringhe, Campinge, Hiddinge, Levinge, Lewe en Sickinghe waren daarbij betrokken. Door het vergelijken van de akten wordt zichtbaar hoe deze rechten tussen 1335 en 1600 van eigenaar veranderden en hoe de boerenbedrijven ondanks die veranderingen bleven bestaan.
Rug van Tynaarloo — Aanvullende geschiedenis van land, wegen, handel en macht tussen 1000 en 1600
De abdij Werden registreert bezit in Lieuwerderwolde — Omstreeks 1000–1160
De abdij Werden, gelegen aan de Ruhr in het huidige Duitsland, bezat gedurende de middeleeuwen goederen en inkomsten in verschillende delen van het noordelijke Nederland. In haar goederenlijsten komt de naam Liuvurtherowalda voor, die door Jan van den Broek met Lieuwerderwolde wordt verbonden. Dit gebied lag westelijk van Groningen, in de richting van Hoogkerk en de latere ontginningen bij het Peizerdiep. De vermeldingen vormen aanwijzingen voor vroeg gebruik van het land en voor economische verplichtingen aan een verafgelegen geestelijke instelling. In een latere Werdense lijst van omstreeks 1160 komt Lieuwerderwolde opnieuw voor. De precieze omvang en ligging van de afzonderlijke goederen blijven onderwerp van onderzoek.
Bron: Jan van den Broek, Groningen, een stad apart, blz. 219–220.
Een Werdense inkomstenpost noemt Haribergi — Omstreeks 1000
In dezelfde inkomstenlijst van de abdij Werden staat na de vermelding van Liuvurtherowalda een opmerkelijke Latijnse aantekening: ad curtem et in Haribergi 1 libram. Er wordt een geldbedrag van één pond genoemd in verband met een hof en een plaats of bezit dat Haribergi wordt genoemd. Van den Broek onderzoekt of deze formulering betrekking heeft op afzonderlijke bezittingen of op goederen die bij een andere hof horen. De betekenis is niet definitief vastgesteld. De vermelding is vooral belangrijk omdat zij laat zien hoe ingewikkeld de organisatie van vroegmiddeleeuws grondbezit was. Niet iedere genoemde plaats is zonder meer met een huidige nederzetting gelijk te stellen.
Bron: Van den Broek, blz. 220.
De Rug van Tynaarlo bereikt het gebied bij Bangeweer — Middeleeuwen
Bij Bangeweer, ten zuiden van Hoogkerk, beschrijft Van den Broek een langgerekte natuurlijke hoogte die hij tot de Rug van Tynaarlo rekent. Hier lag een betrekkelijk droge strook tussen de lage gronden van het Eelderdiep en het gebied richting Groningen. De aanwezigheid van hoger terrein kan belangrijk zijn geweest voor de oudste wegen, de verkaveling en de ligging van nederzettingen. Het oude Eelderdiep doorbrak deze rug ten zuiden van de latere verbinding tussen Groningen en Hoogkerk. De naam Bangeweer is volgens de auteur ontstaan uit Bawingeweer, mogelijk verbonden met een persoonsnaam Bawe. De exacte vroegere rivierlopen zijn gedeeltelijk gereconstrueerd.
Bron: Van den Broek, blz. 244, 266 en 364–365.
De oude grens bij Paterswolde volgt het natuurlijke landschap — Middeleeuwen
De grens tussen het Gorecht en Drenthe liep volgens de historische reconstructie van Van den Broek niet overal langs een kunstmatig getrokken lijn. Vanuit de omgeving van Glimmen volgde zij gedeelten van de Drentsche Aa en de Oude Aa. Bij Vennebroek, ten oosten van Paterswolde, bereikte de grens de Eelderdijk, tegenwoordig de Meerweg. Vandaar liep zij naar de driesprong van Hoofdweg en Meerweg. Deze dijk lag dwars op de natuurlijke afwateringsrichting en functioneerde als een zijdwende, bedoeld om water uit verschillende ontginningsgebieden van elkaar te scheiden. Daarmee werd een waterstaatkundige voorziening tegelijk een bestuurlijke grens.
Bron: Van den Broek, blz. 209–211.
Nutspete beschermt een toegang over de Hondsrug — 1227–1232
In de oorlog tussen de Utrechtse bisschop en de Drenten komt een versterking voor die Nutspete of Mitspete werd genoemd. Van den Broek onderzoekt de mogelijkheid dat deze lag bij de Hoge Hereweg tussen Glimmen en Noordlaren. Daar vormde een natuurlijke laagte een hindernis voor het verkeer. Een leger dat vanuit Drenthe naar Groningen wilde trekken, moest rekening houden met deze doorgang. De sterkte wordt in verband gebracht met de Drentse tegenstand tegen de bisschoppelijke prefecten. Tijdens de gevechten van 1227–1232 werd om de toegang herhaaldelijk gestreden. De identificatie met de later genoemde versterking bij Lare blijft een historische reconstructie.
Bron: Van den Broek, blz. 296–298.
De verdwenen versterking Knerdawinkel bij Peize — 1227–1242
De Gelkingen, een aanzienlijke machtsgroep in Groningen, beschikten volgens een middeleeuwse bron over een versterking in de omgeving van Peize. In de kroniek van Menko van Wittewierum verschijnt een naam die in verschillende historische uitgaven anders werd gelezen. Oudere onderzoekers gebruikten Knerdawinkel, terwijl latere uitgaven Lenerdawinkel of Lieuwerdawinkel vermeldden. Van den Broek onderzocht het handschrift in de Universiteitsbibliotheek Groningen en concludeerde dat Knerdawinkel de juiste lezing is. Daarmee vervalt de belangrijkste naamkundige aanwijzing om de sterkte bij Lieuwerderwolde te zoeken. De oorspronkelijke ligging van deze versterking is nog onbekend.
Bron: Van den Broek, blz. 288 en 373–374, noot 288.
Ridder Thizo uit de Eelder schultenfamilie voert oorlog — 1242
In 1242 kwamen de Gelkingen opnieuw in verzet tegen de prefectenpartij van Groningen. Zij werkten samen met ridder Thizo, afkomstig uit de familie van de schulten van Eelde. Ook een zekere Rudolf en een groepering die Papelingen werd genoemd, namen deel aan het verbond. De tegenstanders wilden de macht van de zonen van prefect Egbert breken. Tijdens de strijd werd Eelde in brand gestoken en werden de huizen van de heren van Peize verwoest. Ook de Gronenburg en een versterking van de Gelkingen gingen verloren. De gebeurtenissen tonen dat Noord-Drentse adellijke families rechtstreeks deelnamen aan de politieke strijd rond Groningen.
Bron: Van den Broek, blz. 289–290.
Adolf en Rudolf van Peize treden op bij de Groningse markt — 1250
Volgens de kroniek van Menko van Wittewierum raakten prefect Koenraad van Groningen en de ridders Adolf en Rudolf van Peize betrokken bij gewelddadige conflicten met Friese marktbezoekers. Daarbij werden paarden in beslag genomen en vooraanstaande mannen uit Fivelgo gevangengezet. De gebeurtenissen maakten deel uit van een groter geschil over handelsvrijheid en het optreden van de Groningse machthebbers. Ook de prijzen van aangevoerd graan veroorzaakten spanningen. Uiteindelijk gingen Hunsingo en Fivelgo nauwer samenwerken tegen de prefectenpartij. De vermelding van beide ridders is belangrijk voor de geschiedenis van de familie Van Peize, omdat hun politieke en economische optreden hiermee rechtstreeks wordt beschreven.
Bron: Van den Broek, blz. 290–291.
De pastoor van Anloo moet de handelsvrijheid beschermen — 25 oktober 1250
Bisschop Hendrik van Vianden verleende in 1250 bijzondere bescherming aan de economische werkzaamheden van het klooster Aduard. De kloosterbeheerders moesten vrij kunnen handelen en goederen vervoeren zonder onrechtmatige plaatselijke heffingen. Daarbij werden hout, turf en vee afzonderlijk genoemd. De bisschop gaf de pastoor van Anloo opdracht dit besluit bekend te maken en zo nodig met kerkelijke maatregelen op te treden tegen overtreders. Ook de schulte van Eelde, de burggraaf van Coevorden en de prefect van Groningen werden bij de uitvoering betrokken. Deze oorkonde vormt een rechtstreekse verbinding tussen Drentse ambtenaren, het klooster Aduard en de handel in landbouwproducten en brandstoffen.
Bron: Van den Broek, blz. 291.
Een gewapende inval in Drenterwolde kost vele levens — 1259
De kroniekschrijver Menko beschrijft een inval die bisschop Hendrik van Vianden in 1259 liet uitvoeren in de vier parochies van Drenterwolde. De aanleiding was een bijzondere belasting die de bisschop wilde opleggen. Hij kreeg steun van gewapende Drenten. Nadat de indringers vier huizen in brand hadden gestoken, kwamen inwoners van Drenterwolde en naburige Friezen uit Fivelgo tegen hen in verzet. Volgens Menko sneuvelden twintig aanvallers en verdronken nog eens honderd mannen tijdens hun vlucht door de Hunze. Andere strijders werden verwond, ontwapend of gevangengenomen. De aantallen zijn afkomstig uit de middeleeuwse kroniek en niet onafhankelijk vastgesteld.
Bron: Van den Broek, blz. 301–302.
Het Gorecht en Drenthe verschillen in oude belastingverplichtingen — Dertiende–veertiende eeuw
De rechten van de Utrechtse kerk en haar vertegenwoordigers bestonden niet alleen uit de bevoegdheid recht te spreken. Ook vaste inkomsten uit landbouwgebieden maakten deel uit van het landsheerlijke bezit. In verschillende dorpen werden zogenaamde schuldmudden geheven, verplichtingen die doorgaans in graan werden voldaan. Van den Broek wijst erop dat de positie van Kropswolde en Wolfsbarge afweek van die van andere Gorechter dorpen. De verklaring daarvoor hangt mogelijk samen met de vroegere grens tussen Drenthe en het gebied van de Groningse prefect. Het onderzoek toont dat bestuurlijke grenzen niet noodzakelijk samenvielen met de dagelijkse landbouw- en belastingpraktijk.
Bron: Van den Broek, blz. 297–302.
Agneza ontvangt jaarlijks zesduizend turven uit Kropswolde — 1332
In 1332 verklaarde Agneza, een vrouwelijke vertegenwoordiger van de oude prefectenfamilie, dat Kropswolde haar bepaalde inkomsten verschuldigd was. Het ging niet alleen om schuldmudden, maar ook om een jaarlijkse levering van zesduizend turven voor het steenhuis dat in de bron vant hoff wordt genoemd. De vermelding is bijzonder omdat zij een concrete hoeveelheid brandstof noemt en daarmee de economische betekenis van turf in de vroege veertiende eeuw zichtbaar maakt. Turf was belangrijk voor verwarming en andere werkzaamheden. De levering toont bovendien hoe landbouwdorpen en veengebieden konden bijdragen aan het onderhoud van een aanzienlijke woning en haar bewoners.
Bron: Van den Broek, blz. 297–298.
Groningen moet betrouwbare maten en munten gebruiken — 30 juni 1338
Een scheidsrechterlijke uitspraak van 30 juni 1338 moest een einde maken aan langdurige conflicten tussen Groningen en verschillende omliggende gebieden. De Groningse kooplieden mochten hun handelspartners niet benadelen door afwijkende maten, gewichten of munten te gebruiken. De afspraken betroffen rechtstreeks de betrouwbaarheid van de markt. Wanneer boeren of kooplieden uit Drenthe en de Friese landen hun goederen verkochten, moesten zij erop kunnen vertrouwen dat zij correct werden betaald. De uitspraak werd mede mogelijk gemaakt door geestelijken en vertegenwoordigers uit verschillende gebieden. Het document laat zien dat het economische belang van Groningen afhankelijk bleef van afspraken met zijn achterland.
Bron: Van den Broek, blz. 51–52.
Dodingehorn en Pishorn begrenzen een beschermde handelsweg — 5 juni 1339
Het vredesverdrag van 1339 tussen Groningen en Drenthe omschreef een gebied dat liep van Dodingehorn tot Pishorn. Van den Broek beschouwt dit als de corridor waarover de Drentselaan, de latere Peizerweg, liep. Het ging om een betrekkelijk smalle verbinding door de natte gebieden westelijk van Groningen. De partijen beloofden veiligheid voor het verkeer en maakten afspraken over gezamenlijke verplichtingen. Drenthe zou daarvan twee derde dragen, terwijl Groningen en Go samen het resterende derde deel voor hun rekening namen. De oorspronkelijke oorkonde is belangrijk omdat zij een verkeersverbinding niet uitsluitend geografisch, maar ook juridisch en bestuurlijk omschrijft.
Bron: Van den Broek, blz. 311–312.
Roelof Predekere moet de reizigers naar Groningen met rust laten — 21 december 1355
Roelof Predekere behoorde tot de kring van de oude prefectenfamilie. Hij was verwant aan Adolf van Selwerd en bezat een versterkte woning in de omgeving van de latere Zernikelaan bij Groningen. Van den Broek verbindt hem met een burcht die mogelijk het verkeer over de nabijgelegen wegen kon beïnvloeden. Op 21 december 1355 beloofde Roelof dat hij vreemdelingen en mensen uit de omgeving voortaan niet meer zou lastigvallen wanneer zij van of naar Groningen reisden. Deze verklaring vormt een belangrijke aanwijzing voor het gebruik van versterkte huizen om macht uit te oefenen over het verkeer. De precieze ligging van zijn woning is niet vastgesteld.
Bron: Van den Broek, blz. 294 en 303–304.
Reinold van Coevorden moet de Drentse versterking afbreken — 2 juni 1357
Na de strijd om het kasteel van Selwerd kwamen Groningen, Hunsingo, Reinold van Coevorden en het landschap Drenthe opnieuw tot afspraken. In een akte van 2 juni 1357 verklaarden Reinold en de Drenten dat Selwerd was verwoest. Zij beloofden vervolgens hun eigen versterking, in de bron aangeduid als de veste up der were, eveneens af te breken. Bovendien mochten zij tussen die plaats en Groningen geen nieuwe burcht bouwen. Van den Broek brengt deze versterking in verband met Nutspete en de oudere sterkte bij Lare. Het verdrag toont dat de strijd om de doorgangen naar Groningen nog lang na de Slag bij Ane bleef voortduren.
Bron: Van den Broek, blz. 297–298.
De oude benedenloop van het Peizerdiep bij Wierum — Omstreeks 1360
Het Peizerdiep had volgens Van den Broek oorspronkelijk verschillende benedenlopen. Een oostelijke tak kronkelde in noordelijke richting langs de omgeving van de latere boerderij Het Hool en bereikte het open water bij Wierum. Een andere verbinding liep westelijker langs Aduard. Toen de afwatering steeds moeilijker werd, ontstonden plannen om de rivier opnieuw via Wierum te laten uitmonden. In 1360 werd daarover gesproken. Voor een goed functionerende zijl was het noodzakelijk dat het water uit de Drentse Aa en de Hunze onder controle kon worden gehouden. Het staat niet vast of de geplande nieuwe monding daadwerkelijk is uitgevoerd.
Bron: Van den Broek, blz. 247–249.
De Friese landschappen vergaderen in Groningen — 9 september 1361
In 1361 kwamen vertegenwoordigers van verschillende Friese gebieden bijeen in Groningen om oudere afspraken over samenwerking en vrijheid te vernieuwen. Daarbij werd verwezen naar de traditie van de Upstalboom, waar afgevaardigden van de Friese landen gezamenlijk rechts- en vredeskwesties behandelden. De bijeenkomst laat zien dat Groningen in de veertiende eeuw niet uitsluitend een marktstad was, maar ook een politiek ontmoetingspunt voor omliggende landschappen. De deelnemers spraken over regelmatige toekomstige bijeenkomsten. Van den Broek betwijfelt of deze in de praktijk steeds plaatsvonden. De oorkonde vormt wel bewijs voor de omvang van de politieke verbindingen rond Groningen.
Bron: Van den Broek, blz. 312.
De stoklegging als Drentse vorm van grondoverdracht — 1379–1415
In Lieuwerderwolde kwam een rechtsgebruik voor dat Van den Broek in verband brengt met de gebruiken van Drenthe en het Gorecht. Bij de overdracht van grond werd een stok gelegd als zichtbaar teken dat de vorige rechthebbende afstand deed van zijn bezit. Het ritueel wordt stoklegging genoemd. In het archief van het Heilige Geest Gasthuis te Groningen vond Van den Broek vier oorkonden uit de periode 1379–1415 waarin deze handeling voorkomt. Het is opmerkelijk omdat de gewoonte afweek van het recht dat elders in de Friese landschappen gebruikelijk was. De akten kunnen daarom aanwijzingen opleveren voor oudere juridische verbindingen tussen Groningen en Drenthe.
Bron: Van den Broek, blz. 258–259 en 367–368.
Het steenhuis Hoytingehuis wordt verkocht — 14 september 1379
Een oorkonde van 14 september 1379 vermeldt de overdracht van het steenhuis Hoytingehuis, ook Hoytum genoemd, in Lieuwerderwolde. Het huis wordt door Van den Broek in verband gebracht met een latere boerderij ten zuiden van de Legeweg, westelijk van Vinkhuizen. Het gaat niet om het eveneens in de omgeving gelegen Hooihuis. De akte behoort tot de groep grondoverdrachten waarbij het ritueel van stoklegging werd gebruikt. Zij vormt daardoor een bron voor zowel de aanwezigheid van aanzienlijke stenen woningen als de plaatselijke juridische gebruiken. De precieze identificatie van het oude steenhuis moet met historische kaarten en perceelsgegevens worden gecontroleerd.
Bron: Van den Broek, blz. 367–368.
Twee schulten treden op bij beslag op grond — 1392–1395
Uit de jaren 1392 en 1393 zijn oorkonden bewaard waarin het stadsbestuur van Groningen samen met een schulte optreedt bij de overdracht van onroerend goed aan schuldeisers. De betrokken landerijen lagen in Lieuwerderwolde. In 1392 wordt Heyne ter Bruggen genoemd en in 1393 Barwolt Calmers. Ida van Selwerd verwees in 1395 nog naar Heyne ter Bruggen als haar schulte. Van den Broek verbindt deze gegevens met de veranderingen die ontstonden toen Groningen in december 1392 het Gericht van Selwerd van het Utrechtse domkapittel pachtte. De akten laten zien dat een verandering van machthebber ook gevolgen kon hebben voor de plaatselijke rechtspraak.
Bron: Van den Broek, blz. 259–260 en 368.
Verhaxemahuis en de verkoop van kerkeland — 1402–1415
In een oorkonde van 22 september 1402 wordt gesproken over de overdracht van aanspraken op Verhaxemahuis onder Leegkerk. Het gebouw behoorde tot de steenhuizen en aanzienlijkere erven in het westelijke land rond Groningen. Een daaropvolgende akte van 21 januari 1403 behandelt zestien grazen land uit Dorkwerd. In 1415 kwam daarnaast vijf grazen kerkeland van Hoogkerk voor in de overdrachten. De stukken berusten in het archief van het Heilige Geest Gasthuis. Zij maken zichtbaar hoe landbouwgrond, stenen woonhuizen, kerkelijke bezittingen en schulden met elkaar verbonden waren. De afzonderlijke transacties verdienen nader onderzoek naar de namen van verkopers, kopers en getuigen.
Bron: Van den Broek, blz. 367–368.
De Drentselaan mocht niet het hele jaar worden geschouwd — 1422
De weg van Groningen naar Eelde en Peize liep gedeeltelijk over dijken door lage, natte gronden. In een instructie uit 1422 voor de dijkrechters staat dat zij de zogenaamde Lane niet mochten schouwen tussen Allerheiligen en Sint-Pieter, dus van 1 november tot 29 juni. Schouwen betekende het controleren van de staat van dijken en andere onderhoudsplichtige werken. Van den Broek ziet deze bepaling als aanwijzing voor de bijzondere omstandigheden in het gebied. Gedurende een groot gedeelte van het jaar konden waterstand en bodemgesteldheid werkzaamheden bemoeilijken. Het bestaan van de bepaling bewijst niet dat de weg al die tijd volledig onbegaanbaar was.
Bron: Van den Broek, blz. 231–233.
Roden wordt aangewezen voor gezamenlijke rechtsvergaderingen — 21 mei 1425
Een overeenkomst van 21 mei 1425 tussen Groningen, het Westerkwartier en het Friese Opsterland bepaalde dat vertegenwoordigers van de betrokken gebieden gezamenlijke rechtsvergaderingen in Roden mochten houden. Zulke bijeenkomsten werden warven genoemd. Zij konden dienen om geschillen tussen personen uit verschillende rechtsgebieden te behandelen. De vermelding is bijzonder omdat Roden hiermee niet alleen als landbouwdorp voorkomt, maar als mogelijke ontmoetingsplaats voor bovenlokale rechtspraak. De keuze voor Roden hangt vermoedelijk samen met de bereikbaarheid vanuit Drenthe, Groningen en Friesland. Of alle toegestane bijeenkomsten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden is niet bekend.
Bron: Van den Broek, blz. 59 en 178. Oorspronkelijke akte: Stadsarchief Groningen, regest 137.
Het Westerstadshamrik krijgt een nieuwe afwatering — 11 november 1434
Het Westerstadshamrik, het landbouwgebied ten westen van de Groningse binnenstad, kampte met problemen bij de waterafvoer. In 1434 kreeg het gebied toestemming om via het Scharmerzijlvest en het latere Damsterdiep naar de Eems af te wateren. Hiervoor waren nieuwe watergangen en voorzieningen nodig om water uit de aangrenzende gebieden van Selwerd en Paddepoel tegen te houden. De Penningsdijk vormde daarbij een belangrijke waterscheiding. De regeling laat zien dat de ontwatering van landbouwgronden steeds vaker afhankelijk werd van kunstmatige verbindingen met andere stroomgebieden. De verandering had eveneens gevolgen voor de rechten van aangrenzende grondbezitters.
Bron: Van den Broek, blz. 279.
De dijkrechters komen bijeen op het Akerkhof — 22 februari 1441
Op 22 februari 1441 maakten de bewoners van Lieuwerderwolde, Gelkingeland en de Middel- en Zuiderbuurschap van Neerwolde afspraken over gezamenlijk dijkonderhoud. Zij zouden jaarlijks op de feestdag van Sint-Petrus' Stoel, eveneens 22 februari, op het Akerkhof in Groningen bijeenkomen. De vergadering begon wanneer de grote klok werd geluid. Wie zonder geldige reden afwezig was, moest een kan wijn betalen. Tijdens deze bijeenkomsten werden onder andere dijkrechters gekozen. De locatie is bijzonder omdat zulke vergaderingen niet op het gewone raadhuis werden gehouden. Zij tonen het afzonderlijke belang van het westelijke landbouw- en watergebied voor Groningen.
Bron: Van den Broek, blz. 236–238. Oorkonde: Stadsarchief Groningen, regest 171.
Groningen koopt een gedeelte van de Drentselaan — 10 februari 1447
De stad Groningen kocht op 10 februari 1447 een deel van de weg die vanuit de richting Peize naar Groningen liep. Het betreffende wegvak lag op Drentse grond, tussen de grens met het Gorecht en de brug over het Eelderdiep. De verkoper was Ludeken Wigboldes. Van den Broek beschouwt de aankoop als aanwijzing dat een oorspronkelijk particuliere verbinding inmiddels een groter openbaar belang had gekregen. De weg was noodzakelijk voor verkeer tussen Groningen en het Drentse achterland. De akte maakt duidelijk dat niet alle doorgaande wegen vanouds eigendom waren van een overheid. Ook particuliere grondbezitters konden belangrijke delen van verkeersroutes bezitten.
Bron: Van den Broek, blz. 363, noot 136. Oorkonde: Stadsarchief Groningen, regest 184.
De Hoensloot krijgt toestemming voor een watermolen — 1453
In 1453 verleende het stadsbestuur van Groningen toestemming om op de Hoensloot een watermolen te plaatsen. De molen moest dienen voor het afvoeren van overtollig water uit landerijen die onder de Groningse rechtsmacht vielen. Het Aduarderzijlvest was bij de regeling betrokken. Het toezicht werd opgedragen aan drie vertegenwoordigers: één uit Groningen, één uit Hoogkerk en één uit Leegkerk. De Hoensloot bestond al eerder en speelde een rol in de afwatering van de Noord- en Zuidhoen. De toestemming uit 1453 laat zien dat kunstmatige bemaling een aanvulling werd op het bestaande stelsel van sloten en sluizen. Het gaat om een concrete bestuurlijke overeenkomst, niet slechts om een latere kaartvermelding.
Bron: Van den Broek, blz. 363, noot 137. Archief Aduarderzijlvest, inventarisnummer 35, regest 9.
Het Groninger stapelrecht bepaalt waar boeren hun goederen mogen verkopen — Vijftiende eeuw
Groningen probeerde zijn positie als handelscentrum te versterken door te bepalen waar goederen uit de omliggende Friese landschappen mochten worden gekocht en verkocht. Het Gildrecht, onder leiding van een olderman, bewaakte de belangen van de stedelijke kooplieden. Producten als graan, vee, boter en kaas moesten via de Groningse markt worden verhandeld. Deze regels veroorzaakten herhaaldelijk conflicten met Ommelander grondbezitters en kooplieden, die meer vrijheid verlangden. De bepalingen golden niet automatisch in dezelfde vorm voor Eelde, Peize en Roden. Toch hadden zij invloed op het bredere handelsnetwerk waarvan ook Noord-Drenthe deel uitmaakte.
Bron: Van den Broek, blz. 61–66 en 408–410.
De Groningse bierbrouwers krijgen bescherming — 6 augustus 1473
In het Grote Verbond van 1473 werden bepalingen opgenomen die de Groningse bierbrouwers moesten beschermen tegen concurrentie uit de Ommelanden. In de betrokken gebieden mocht niet zonder meer bier worden verkocht dat buiten Groningen was gebrouwen. Ook het brouwen voor handelsdoeleinden werd beperkt. Daarnaast bevatte het verbond regels over de uitvoer van graan. Voor boeren en handelaren betekenden zulke bepalingen dat de stad invloed probeerde uit te oefenen op de afzet van landbouwproducten en op de verwerking daarvan tot bier. Op 23 december 1482 werd het verbond verlengd. De precieze toepassing buiten de aangesloten Ommelander gebieden moet afzonderlijk worden vastgesteld.
Bron: Van den Broek, blz. 61–62.
Groningen en Münster ontwerpen een nieuwe handelsweg — 28 september 1457
In 1457 maakten Groningen en vertegenwoordigers van Münster afspraken over een rechtstreekse handelsroute tussen Münsterland en de stad Groningen. De weg moest via Westerwolde, het Oldambt en Duurswold lopen. Daarmee konden handelaren de haven van Emden vermijden, waar verplichtingen tot het betalen van tol en het aanbieden van goederen ter verkoop bestonden. De verdragspartijen spraken over vrije doorgang en een onderhoudsbijdrage voor de weg. Het oorspronkelijke stuk bleef echter zonder de aangekondigde bezegeling en de overeenkomst lijkt niet te zijn uitgevoerd. Het plan toont wel hoe groot het economische belang van een onbelemmerde verbinding met Westfalen was.
Bron: Van den Broek, blz. 411–412.
Een kanaal moet Emden overbodig maken — 29 september 1483
Op 29 september 1483 maakten Groningen en de bisschop van Münster plannen voor een nieuwe vaarverbinding tussen de Eems en Groningen. Het kanaal zou vanaf Heede naar de Westerwoldse Aa worden gegraven. Via bestaande en nieuw aan te passen watergangen moest het verkeer vervolgens Groningen bereiken. Het doel was de Emder haven en de daar geheven tollen te omzeilen. De kroniekschrijver Sicke Benninge beschreef het project later als een kostbare mislukking. Bernhard Alting meende in de zeventiende eeuw nog resten van graafwerk te kunnen herkennen. Van den Broek kan niet vaststellen hoeveel van het kanaal daadwerkelijk werd aangelegd.
Bron: Van den Broek, blz. 411–413.
Berend Coenders verliest koeien en zijn versterkte woning — 1504–1506
Berend Coenders, die als schulte van Haren optrad, bezat een aanzienlijke omgrachte woning te Helpman. Volgens de kroniek van Sicke Benninge werd hij in 1504 beroofd van achttien melkkoeien. Tijdens de vijandelijkheden rond Groningen werd zijn bezit opnieuw getroffen. Op 3 februari 1506 staken soldaten vanuit de schans Weerdenbras de woning in brand, ondanks eerder betaalde brandschatting. Het huis werd beschreven als een omvangrijke hofstede met grachten, bruggen, poorten en een boerderij. Twee dagen later werd een groot deel van Helpman verwoest. De gebeurtenissen laten zien hoe militaire strijd rechtstreeks gevolgen had voor agrarische bedrijven en aanzienlijke buitenhuizen.
Bron: Van den Broek, blz. 385, noot 481.
Groningse kooplieden laten in Westfalen schepen bouwen — Vóór 1529
Volgens getuigenverklaringen uit 1544 voeren Groningse handelaren vroeger geregeld via de Eems naar Westfalen om hout te kopen. Zij lieten ter plaatse soms een schip bouwen uit het aangekochte hout en gebruikten dat vaartuig vervolgens om de overgebleven balken en planken naar Groningen te vervoeren. Zo konden scheepsbouw en houttransport deel uitmaken van dezelfde handelsreis. Tot 1529 betaalden de schippers volgens hun verklaringen slechts de gewone tol bij Emden. Daarna werden nieuwe heffingen verlangd en moesten zij rekening houden met het Emder stapelrecht. De bron maakt zichtbaar hoe nauw scheepsbouw, houtkoop en internationale binnenvaart samenhingen.
Bron: Van den Broek, blz. 417–418.
Het Heilige Geest Gasthuis laat een steenoven bouwen — 21 februari 1543
Het Heilige Geest Gasthuis bezat kleigronden in de omgeving van Dorkwerd. Op 21 februari 1543 werd een overeenkomst gesloten met Johan Cartow en zijn vrouw over de huur van ongeveer acht hectare land. Zij moesten er een tichelwerk aanleggen, voorzien van een oven en een turfloods. De huurvoorwaarden omvatten de levering van dertigduizend bakstenen aan het gasthuis. Bovendien moest een gedeelte van de jaarlijkse pacht eveneens in bakstenen worden voldaan. In de omgeving stond ook een oudere steenbakkerij van het klooster Selwerd. De akte toont dat geestelijke instellingen hun grond niet alleen voor landbouw, maar ook voor industriële productie exploiteerden.
Bron: Van den Broek, blz. 260 en 368.
Groningse schuitmakers getuigen tegen het Emder stapelrecht — 2 mei 1544
Op 2 mei 1544 werden in Groningen negen schuitmakers en houtkopers gehoord over de beperkingen die zij bij het passeren van Emden ondervonden. Zij verklaarden dat zij gedurende vele jaren met hun schepen de Eems hadden bevaren zonder bijzondere betalingen voor de voorbijvaart. Sinds 1529 moesten zij volgens hun verklaringen echter nieuwe bedragen afdragen. Sommige schippers hadden vier tot tien daalders moeten betalen om met schip en lading verder te mogen varen. Het stadsbestuur verzamelde deze verklaringen om aan te tonen dat Emden oude handelsgewoonten had veranderd. De stukken geven concrete informatie over het werk en de ervaringen van zestiende-eeuwse schippers.
Bron: Van den Broek, blz. 421–422.
Veehandelaren en koperslagers beschrijven nieuwe tollen — 20 mei 1544
Op 20 mei 1544 werden opnieuw getuigen gehoord in het handelsgeschil tussen Groningen en Emden. Ditmaal ging het om zes veehandelaren en vier kooplieden die handelden in koper- en tinwerk. De veehandelaren verklaarden dat zij vroeger één krumstert per os betaalden, terwijl vanaf 1541 aanzienlijk hogere bedragen werden verlangd. Koperslagers en tingieters vertelden dat voor het vervoer van oude en nieuwe metalen voorwerpen eveneens aanvullende heffingen waren ingevoerd. Sommige goederen waren zelfs in beslag genomen. De verklaringen tonen hoe een conflict tussen overheden rechtstreeks invloed had op afzonderlijke ambachtslieden, schippers en veehandelaren.
Bron: Van den Broek, blz. 421–423.
Herman Abbring verbindt het Drentse kerkbestuur met Brussel — 1520–1550
Dr. Herman Abbring kwam in de jaren twintig van de zestiende eeuw voor als deken van Drenthe. Later trad hij in dienst van het stadsbestuur van Groningen. Op 15 november 1548 werd hij benoemd tot rechtsgeleerd secretaris of syndicus. In die functie hield hij zich bezig met de rechten van het Gorecht en met de diplomatieke onderhandelingen over de handel langs Emden. Hij onderhield contacten met bestuurders in Brussel, onder wie Viglius van Aytta. De loopbaan van Abbring is bijzonder omdat één persoon verbonden was met de Drentse kerkelijke organisatie, de Groningse stedelijke regering en de centrale Habsburgse administratie.
Bron: Van den Broek, blz. 389–390 en 440.
Een vastgehouden houtschip leidt tot onderhandelingen in Appingedam — 1550
In februari 1550 werd opnieuw een Groninger schipper getroffen door de maatregelen van het Emder stadsbestuur. Hij had hout gekocht en wilde met zijn lading de Eems passeren, maar werd aangehouden. De kwestie leidde tot nieuwe besprekingen tussen de betrokken overheden. Op 14 mei 1550 kwamen vertegenwoordigers van Groningen en Emden bijeen in Appingedam. Herman Abbring speelde bij de voorbereiding een rol. Ondanks de onderhandelingen bleef het geschil bestaan. Groningen overwoog zelfs proeftransporten te organiseren om te onderzoeken hoe de Emders hun voorschriften toepasten. Het voorval toont hoe een afzonderlijk schip aanleiding kon worden voor diplomatiek overleg.
Bron: Van den Broek, blz. 449–460.
Getuigen uit Haren aan de Eems en Friesoythe worden gehoord — Augustus 1557
De Groningse overheid bleef proberen haar aanspraken op vrije scheepvaart langs Emden te bewijzen. In augustus 1557 liet Herman Abbring eenentwintig getuigen horen in Haren aan de Eems en Friesoythe. Dit gebeurde met toestemming van de bisschop van Münster. De getuigen moesten verklaren welke rechten en gebruiken vroeger golden bij het vervoeren van goederen over de Eems. Hun verklaringen waren belangrijk omdat de stad Groningen wilde aantonen dat de Emder verplichtingen niet vanouds in dezelfde vorm hadden bestaan. De verhoren vormen een bron voor oude handelspraktijken, maar moeten worden gelezen als verklaringen die binnen een juridisch geschil werden afgelegd.
Bron: Van den Broek, blz. 474–476.
Johan Julsing schrijft een geheim aanvalsplan op — Zomer 1587
Tijdens de oorlog tegen het Spaanse gezag werd een plan opgesteld om Groningen met een verrassingsaanval in te nemen. De bewaard gebleven Latijnse tekst is geschreven in het handschrift van Johan Julsing, de gereformeerde stadssecretaris van Groningen. Julsing werkte in een stad die onder koningsgezind bestuur stond en werd wegens zijn overtuigingen en contacten met argwaan bekeken. Van den Broek benadrukt dat het handschrift bewijst wie de tekst heeft opgeschreven, maar niet wie de bedenker van het plan was. De ontdekking is belangrijk omdat zij laat zien hoe geheime militaire plannen via personen binnen het stedelijke bestuur konden worden verspreid.
Bron: Van den Broek, blz. 538–544.
Het Staatse leger wil honderd zwemmers inzetten — Oktober 1587
Het aanvalsplan van Willem Lodewijk voorzag in een verrassingsaanval op Groningen. Een groep van ongeveer honderd mannen moest de stadsgracht overzwemmen en de bewaking bij de Apoort uitschakelen. Wanneer de poort eenmaal was geopend, kon de hoofdmacht de stad binnentrekken. Verschillende bevelhebbers kregen afzonderlijke opdrachten. De onderneming vereiste een nauwkeurige samenwerking tussen troepen die over land en water naderden. De verslagen noemen onder anderen Caspar van Ewsum, Sybrand van Kamminga en Doeko Martena. Het plan werd uiteindelijk niet uitgevoerd zoals bedoeld, doordat de militaire operatie al eerder bij de oversteek van de Leek vastliep.
Bron: Van den Broek, blz. 554–557.
Een schipbrug over de Leek moet het leger doorlaten — 4 oktober 1587
Bij Niezijl moest een deel van het Staatse leger een waterovergang passeren. De garnizoenscommandant Gerrit de Jonge, die zelf ervaring had als timmerman, had daarvoor een schipbrug laten aanleggen. Ook moesten schuiten en paarden worden verzameld om manschappen en materieel te verplaatsen. Het plan was afhankelijk van de omstandigheden tijdens de nachtelijke overtocht. De Leek stond onder invloed van wisselende waterstanden en het getij. De brug moest voldoende stevig zijn om de benodigde troepen te dragen. Daarmee hing het succes van een omvangrijke militaire onderneming af van een betrekkelijk kleine, maar onmisbare waterbouwkundige voorziening.
Bron: Van den Broek, blz. 551–553 en 561–563.
Springtij en noordenwind verhinderen de aanval op Groningen — 4–5 oktober 1587
In de nacht van 4 op 5 oktober 1587 werd het springtij door een harde noordenwind extra opgestuwd. Daardoor steeg het water bij Niezijl zo sterk dat de aangelegde schipbrug niet meer bruikbaar was. De Staatse troepen konden de geplande overtocht niet uitvoeren. Hiermee kwam de gehele verrassingsaanval op Groningen tot stilstand. Na afloop ontstond discussie over de verantwoordelijkheid van Gerrit de Jonge, die de brug had laten bouwen. Volgens sommigen had hij onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden, terwijl anderen het als ongelukkige samenloop zagen. De gebeurtenis toont hoe de waterstand het verloop van de oorlog kon bepalen.
Bron: Van den Broek, blz. 561–563.
Eelderwolde levert bomen voor de versterking van Groningen — November 1587
Na de mislukte Staatse aanval besloot het koningsgezinde stadsbestuur Groningen beter te versterken. Stadsbouwmeester Gerrit Kistemaker onderzocht welke bomen geschikt waren om palissaden bij de stadsgrachten en toegangswegen aan te leggen. In de bossen van Eelderwolde en Kropswolde stonden volgens zijn onderzoek bruikbare stammen. Ook grondeigenaren in Wolfsbarge en Westerbroek werden bij het verzamelen van hout betrokken. De bomen behoorden aan particulieren, kerspelen of geestelijke instellingen en konden daarom niet zonder meer worden gekapt. De stad moest onderhandelen over de leveringen. Hiermee is een directe economische verbinding tussen het Noord-Drentse achterland en de Groningse oorlogsverdediging vastgelegd.
Bron: Van den Broek, blz. 565–567.
Het klooster Assen helpt Groningen met 471 bomen — 1587
Voor het versterken van Groningen werden in 1587 gezamenlijk 471 bomen beschikbaar gesteld. Tot de betrokken instellingen behoorden verschillende kloosters, waaronder Aduard, Warffum, Selwerd en Assen. Ook het kerspel Kropswolde en particuliere eigenaren leverden hout. De bomen waren nodig voor palissaden en andere verdedigingswerken rondom de stad. Het aantal maakt duidelijk hoeveel materiaal nodig was voor het versterken van een vroegmoderne stad. De betrokkenheid van het klooster Assen is bijzonder voor de geschiedenis van Drenthe. De instelling bezat niet alleen landbouwgoederen, maar beschikte ook over houtopstanden die bij grote werkzaamheden economisch en militair betekenis konden krijgen.
Bron: Van den Broek, blz. 566–567.
De drost van Coevorden moet Drentse houtzagers sturen — 1587
Het verzamelen van honderden boomstammen loste niet alle problemen van het Groningse stadsbestuur op. De stammen moesten worden gezaagd, bewerkt en op maat gemaakt voordat zij als verdedigingsmateriaal konden dienen. In Groningen waren daarvoor onvoldoende gespecialiseerde arbeiders beschikbaar. Daarom verzocht het stadsbestuur de drost van Coevorden om professionele houtzagers uit Drenthe naar de stad te sturen. Deze moesten helpen de grote hoeveelheid hout binnen een beperkte periode te verwerken. Het is een concreet voorbeeld van gespecialiseerde arbeid die van het Drentse platteland naar de stad werd gehaald. De oorlog bracht daardoor niet alleen soldaten, maar ook ambachtslieden in beweging.
Bron: Van den Broek, blz. 566–567.
Jonge Groningers vanaf achttien jaar moeten de stad bewaken — December 1587
Na de mislukte Staatse aanval bleef Groningen rekening houden met een nieuwe belegering. Het burgerleger telde acht vendels met samen ongeveer 1.145 weerbare mannen. De voortdurende bewaking van poorten, wallen en andere versterkingen vergde echter meer personeel. Daarom besloot het stadsbestuur dat ook vrijgezellen en jongens vanaf achttien jaar aan de verdediging moesten deelnemen. Voor deze jongemannen werd een afzonderlijk vendel opgericht met eigen officieren en een eigen vaandel. Op 30 december 1587 kwam de nieuwe eenheid bijeen. De maatregel laat zien hoe de oorlog het dagelijkse leven en de verplichtingen van de stedelijke bevolking veranderde.
Bron: Van den Broek, blz. 567–569.
Menso Alting en de opstand van Emden — 18 maart 1595
Menso Alting, geboren in Eelde in 1541, ontwikkelde zich tot een invloedrijke gereformeerde predikant in Emden. Zijn werkzaamheden stonden in verbinding met de godsdienstige veranderingen in Groningen en Drenthe. Op 18 maart 1595 kwam de bevolking van Emden in opstand tegen de Oostfriese graaf. Alting speelde bij deze omwenteling een belangrijke rol. De Staten-Generaal gingen zich vervolgens met de bestuurlijke verhoudingen in de havenstad bemoeien. De gebeurtenissen tonen dat de politieke en religieuze veranderingen na de inname van Groningen in 1594 niet bij de Nederlandse grenzen ophielden. Vanuit zijn geboortestreek had Alting een levenslange verbinding met het gebied rondom Groningen behouden.
Bron: Van den Broek, blz. 478–480.
De grenzen tussen Drenthe en Groningen blijven onderwerp van onderzoek — Tot 1600
De geschiedenis van de Rug van Tynaarloo wordt niet alleen bepaald door de gebeurtenissen in de afzonderlijke dorpen. Ook de grenzen tussen Drenthe, het Gorecht en de Groningse stadsvrijheid waren belangrijk. De oude Drentselaan, de Drentsche Aa, het Eelderdiep, het Peizerdiep en kleinere sloten konden daarbij als grenzen of verbindingswegen functioneren. Van den Broek laat zien dat grenslijnen soms veranderden door ontginning, vergravingen en nieuwe waterwerken. Een vermelding in een oorkonde moet daarom steeds worden geplaatst tegen de geografische situatie van de eigen tijd. Het gebruik van latere kaarten kan helpen, maar bewijst niet automatisch dat dezelfde grenzen eeuwen eerder al bestonden.
Bron: Van den Broek, blz. 209–282 en 354–371.
Het historische netwerk van Noord-Drenthe en Groningen — Terugblik tot 1600
De aanvullende bronnen tonen hoe de dorpen op en rond de Rug van Tynaarloo verbonden waren met een veel groter netwerk. Eelde leverde schulten die bij regionale conflicten betrokken waren. De heren van Peize speelden een rol bij de Groningse machtsstrijd. Roden kwam voor als mogelijke plaats voor bovenlokale rechtspraak. De waterwegen maakten verbindingen met het Westerkwartier mogelijk en het klooster Aduard kreeg bescherming voor het vervoer van hout, turf en vee. In de zestiende eeuw waren handelaren via de Eems verbonden met Westfalen, terwijl de oorlog zelfs Drentse houtzagers en bomen naar Groningen bracht. Het landschap, de economie en het bestuur waren daardoor voortdurend met elkaar verweven.
Bron: Jan van den Broek, Groningen, een stad apart. Over het verleden van een eigenzinnige stad (1000–1600), Rijksuniversiteit Groningen, 2007.
Rug van Tynaarloo — Aanvullende geschiedenis van ontginningen, heren, wegen en oorlog, 1000–1600
De Werdense bezittingen in Lieuwerderwolde — Omstreeks 1000–1160
De abdij Werden aan de Ruhr beschikte al in de elfde eeuw over inkomsten uit het gebied ten westen van Groningen. In de goederenlijsten wordt Liuvurtherowalda genoemd, dat door Jan van den Broek met Lieuwerderwolde wordt verbonden. Omstreeks 1160 bezat de abdij daar volgens een latere lijst nog 21 grazen land. Deze bezittingen waren onderdeel van een veel groter netwerk waarin landbouwgoederen op grote afstand van het klooster inkomsten opleverden. Het bestaan van de Werdense rechten toont dat de natte gronden bij Hoogkerk en het Peizerdiep reeds vroeg een economische betekenis hadden. De precieze ligging van de afzonderlijke percelen is niet vastgesteld.
Bron: Jan van den Broek, Groningen, een stad apart (2007), blz. 218–221.
Luthgerus verkoopt het land Selwerd aan de abdij Ruinen — 1196
In 1196 verkocht Luthgerus, die het land Selwerd van de Utrechtse kerk in leen hield, dit bezit aan de benedictijnse abdij te Ruinen. De overdracht moest de stichting van een nieuw klooster mogelijk maken. Het land werd in de oorkonde terra Selewrt genoemd. Een nauwkeurige oppervlakte of uitgebreide grensomschrijving ontbreekt. Van den Broek wijst erop dat zulke goederen vaak omringd waren door moerassen, waterlopen en onontgonnen gronden. Hun werkelijke omvang kon door verdere ontginning veranderen. De verkoop maakt duidelijk dat het gebied rond Groningen al vóór 1200 verbonden was met religieuze instellingen en hun grondbezit in Drenthe.
Bron: Van den Broek, blz. 221–222.
Akkerbouw op veengrond en het gebruik van klei — Elfde–dertiende eeuw
Bij de ontginning van de natte woldgebieden ontstonden problemen doordat het veen na ontwatering begon te oxideren en in te klinken. Daardoor zakte het maaiveld en werd de afvoer van water steeds moeilijker. Van den Broek beschrijft een opmerkelijke landbouwmethode waarbij bewoners kalkrijke klei uit de ondergrond omhoog haalden en over de veengrond verspreidden. Zo probeerden zij landbouw mogelijk te houden. Bij Euvelgunne en Lewenborg zijn sporen van dergelijke kleiwinning gevonden. De vondsten laten zien dat middeleeuwse boeren niet uitsluitend op natuurlijke bodemvruchtbaarheid vertrouwden. Zij veranderden hun akkers actief om langer opbrengsten te kunnen verkrijgen.
Bron: Van den Broek, blz. 217–218.
De oude veennederzettingen worden opnieuw verkaveld — Twaalfde–veertiende eeuw
Archeologisch en bodemkundig onderzoek toont dat sommige natte gebieden rond Groningen verschillende bewonings- en ontginningsfasen hebben gekend. In Ruskenveen en Gravenburg werden oudere sporen aangetroffen die niet aansluiten op de latere verkaveling. Van den Broek concludeert voorzichtig dat delen van het land mogelijk een tijdlang te nat zijn geweest voor permanente bewoning. Daarna werden nieuwe sloten gegraven en percelen anders ingedeeld. Elders bleven de oudere verkavelingslijnen juist gedeeltelijk bestaan. Het landschap veranderde dus niet overal gelijktijdig. Dit onderscheid is belangrijk voor de geschiedenis van de Peizer- en Eeldermaden, waar bewoners eveneens te maken kregen met bodemdaling en toenemende wateroverlast.
Bron: Van den Broek, blz. 222–223.
Knerdawinkel en de omstreden versterking bij Peize — 1227–1242
De kroniek van Wittewierum beschrijft een versterking van de Gelkingen die in verband werd gebracht met de omgeving van Peize. Over de naam bestond lange tijd verschil van mening. In oudere uitgaven werd Knerdawinkel gelezen, terwijl in andere transcripties Lenerdawinkel of Lieuwerdawinkel voorkwam. Van den Broek onderzocht het handschrift en verdedigde de lezing Knerdawinkel. Daardoor is er onvoldoende grond om de versterking uitsluitend op basis van haar naam in Lieuwerderwolde te plaatsen. De precieze locatie is nog onbekend. De vermelding bevestigt wel dat de tegenstanders van de prefecten beschikten over verdedigbare steunpunten in het gebied tussen Groningen en Drenthe.
Bron: Van den Broek, blz. 288 en 373–374.
De inval van bisschop Hendrik van Vianden — Drenterwolde — 1259
In 1259 probeerde bisschop Hendrik van Vianden volgens de kroniekschrijver Menko een bijzondere belasting te heffen in de vier parochies van Drenterwolde. Daarbij maakte hij gebruik van gewapende Drentse helpers. De aanvallers trokken de nederzettingen binnen en staken vier huizen in brand. Bewoners van Drenterwolde en hun Friese buren uit Fivelgo kwamen vervolgens in verzet. Volgens Menko werden twintig aanvallers gedood en verdronken honderd anderen tijdens hun vlucht door de Hunze. Andere mannen raakten gewond of werden gevangengenomen. De aantallen zijn afkomstig uit de middeleeuwse kroniek. De gebeurtenis laat zien dat belastingheffing en landsheerlijk gezag tot gewapend verzet konden leiden.
Bron: Van den Broek, blz. 301–302.
Agneza en de zesduizend turven uit Kropswolde — 1332
In 1332 verklaarde Agneza, een vrouw uit de oude Groningse prefectenfamilie, dat zij recht had op inkomsten uit Kropswolde. De verplichtingen bestonden onder andere uit schuldmudden, een vaste heffing in landbouwproducten. Daarnaast moest Kropswolde volgens haar verklaring jaarlijks zesduizend turven leveren voor het steenhuis dat vant hoff werd genoemd. Dit is een bijzonder concreet gegeven over de economische betekenis van de veengebieden. Turf werd niet uitsluitend voor eigen gebruik gewonnen, maar kon ook als vaste jaarlijkse verplichting worden afgedragen. De vermelding toont hoe aanzienlijke families hun positie mede ontleenden aan inkomsten uit landbouw, veenwinning en het bezit van rechten.
Bron: Van den Broek, blz. 297–298.
De rookpenning uit vier Drenterwolder dorpen — Dertiende–veertiende eeuw
De bewoners van Noorddijk, Middelbert, Engelbert en Westerbroek moesten oude heffingen betalen die verband hielden met het bisschoppelijke gezag. Van ieder huis of iedere vuurplaats werd een rookpenning verlangd. Noorddijk, Middelbert en Engelbert betaalden daarvoor een halve stuiver; Westerbroek betaalde twee plakken of een derde stuiver. In schrikkeljaren werd het dubbele geheven. Ook Drenthe kende rookgeld, waarvan adellijke en geestelijke personen waren uitgezonderd. Dergelijke heffingen maakten zichtbaar wie onder het gezag van de landsheer viel. Zij laten bovendien zien dat ook betrekkelijk jonge ontginningsdorpen onderdeel werden van een stelsel van vaste rechten en verplichtingen.
Bron: Van den Broek, blz. 294–295.
De schuldmudden uit Noorddijk, Middelbert, Engelbert en Westerbroek — Veertiende eeuw
Naast de rookpenning moesten vier dorpen van Drenterwolde jaarlijks een vaste hoeveelheid haver afdragen. Noorddijk was aangeslagen voor achttien mud, Middelbert voor twaalf, Engelbert voor elf en Westerbroek voor zeven mud. De betaling moest rond Sint-Thomasavond op 20 december plaatsvinden. Volgens Van den Broek hing deze heffing samen met het bisschoppelijke foreestrecht, het recht dat de landsheer op vroeger woeste grond kon uitoefenen. Mogelijk vormde de belasting een compromis tussen oudere gebruiksrechten van boeren en de aanspraken van de bisschop. De verschillen tussen de dorpen geven aanwijzingen voor hun omvang, het aantal landbouwbedrijven en hun economische ontwikkeling.
Bron: Van den Broek, blz. 295.
De bisschop moet de precarie persoonlijk ophalen — Drenthe — 1344
De precarie, ook bede genoemd, was een oude belasting die de erkenning van het bisschoppelijke gezag tot uitdrukking bracht. In 1344 werd bepaald dat de bisschop deze heffing persoonlijk moest komen opeisen bij Hulsvoorde in de omgeving van Coevorden of op de Bisschopsberg bij Havelte. Wanneer hij niet verscheen, verviel volgens de regeling de betalingsplicht. Het was een opmerkelijke beperking van de bevoegdheid van de landsheer. De belasting werd op basis van grondbezit geheven en moest in beginsel ieder schrikkeljaar worden betaald. Voor de geschiedenis van Noord-Drenthe is de bepaling belangrijk omdat zij laat zien dat oude rechtsregels ook aan de bisschop verplichtingen oplegden.
Bron: Van den Broek, blz. 295.
Roelof Predekere moet reizigers ongemoeid laten — Groningen — 21 december 1355
Roelof Predekere behoorde tot de verwantenkring van de oude prefectenfamilie. Hij was een neef van Adolf van Selwerd en bezat volgens historische gegevens een versterkte woning bij Groningen. Van den Broek verbindt deze mogelijk met de burchtresten die bij de huidige Zernikelaan zijn aangetroffen. Op 21 december 1355 beloofde Roelof dat hij zowel vreemdelingen als mensen uit de omgeving niet langer zou lastigvallen wanneer zij van of naar Groningen reisden. De overeenkomst laat zien hoe een burchtheer invloed kon uitoefenen op de veiligheid van handelswegen. De precieze ligging van zijn versterking is niet bewezen.
Bron: Van den Broek, blz. 294 en 303–304.
De Drentse versterking moet worden afgebroken — 2 juni 1357
Na de strijd tegen Groningen sloten Reinold van Coevorden en het landschap Drenthe nieuwe afspraken met hun tegenstanders. Op 2 juni 1357 beloofden zij een versterking af te breken die in de oorkonde de veste up der were werd genoemd. Bovendien mochten zij tussen die plaats en Groningen geen nieuwe burcht bouwen. Van den Broek brengt deze versterking in verband met Nutspete en de eerder vermelde sterkte bij Lare. Als die identificatie juist is, speelde de doorgang bij Glimmen en Noordlaren nog tot ver in de veertiende eeuw een militaire rol. De overeenkomst moest voorkomen dat nieuwe versterkingen opnieuw de toegang tussen Groningen en Drenthe zouden bedreigen.
Bron: Van den Broek, blz. 297–298.
Reynerus Elmersna en Herdericus tho Bawingewere — Hoogkerk — 1379
Een oorkonde van 14 september 1379 noemt twee personen die betrokken waren bij de overdracht van het steenhuis Hoytingehuis in Lieuwerderwolde. Onder de getuigen bevonden zich Reynerus Elmersna en Herdericus tho Bawingewere, die met Hoogkerk verbonden waren. De naam Bawingeweer is een oudere schrijfwijze die verband houdt met het latere Bangeweer. Volgens Van den Broek kan de naam worden verklaard als het grondbezit van de mensen van een persoon Bawe. De akte is belangrijk omdat zij niet alleen een steenhuis en een grondtransactie vermeldt, maar ook concrete inwoners of bezitters uit het gebied op naam vastlegt.
Bron: Van den Broek, blz. 364, noot 154.
Het Drentse recht van stoklegging bij grondverkoop — 1379–1415
Bij verschillende grondoverdrachten in Lieuwerderwolde werd een rechtshandeling toegepast die ook in Drenthe en het Gorecht bekend was. De eigenaar legde in aanwezigheid van rechtsgenoten een stok op de grond om te tonen dat hij afstand deed van zijn rechten. Deze handeling werd stoklegging genoemd. Van den Broek vond vier akten uit de jaren 1379–1415 waarin deze gewoonte voorkomt. De goederen werden overgedragen aan het Heilige Geest Gasthuis in Groningen. Het gebruik van de stoklegging is opvallend omdat het verschilde van de gebruikelijke Friese rechtspraktijk. Mogelijk wijst het op oudere bestuurlijke of juridische banden tussen Lieuwerderwolde en het Gorecht.
Bron: Van den Broek, blz. 258 en 367–368.
De Penningsdijk en een nieuw afwateringsgebied — Groningen — 1434–1435
In 1434 verkreeg het Westerstadshamrik toestemming om via het Scharmerzijlvest naar de Eems af te wateren. Het gebied moest daarvoor worden beschermd tegen water dat vanuit Selwerd en Paddepoel toestroomde. Een belangrijke voorziening was de Penningsdijk, die verschillende afwateringsgebieden van elkaar scheidde. In maart 1435 volgden afspraken over de afvoer van water uit Selwerd en Paddepoel onder het Reitdiep door. Dit maakte het waterbeheer ingewikkelder, omdat een kunstmatige verbinding door het ene stroomgebied naar een ander moest worden geleid. Het voorbeeld toont hoe ontginning en bodemdaling steeds grotere waterstaatswerken noodzakelijk maakten.
Bron: Van den Broek, blz. 279.
De stad koopt de Drentselaan van Ludeken Wigboldes — 10 februari 1447
Op 10 februari 1447 kocht Groningen een gedeelte van de Drentselaan van Ludeken Wigboldes. Het betrof volgens Van den Broek de wagenweg tussen de grens van Drenthe en het Gorecht en de brug over het Eelderdiep. Ludeken Wigboldes had aanzienlijke belangen in de lage landerijen ten zuiden van Hoogkerk. De verkoop laat zien dat belangrijke doorgaande wegen gedeeltelijk particulier eigendom konden zijn. Van den Broek vermoedt dat de betekenis van deze verbinding voor het verkeer inmiddels zo groot was geworden dat Groningen haar in eigen bezit wilde nemen. De akte geeft een concreet voorbeeld van stedelijke invloed op Drentse verkeerswegen.
Bron: Van den Broek, blz. 363, noot 136. Stadsarchief Groningen, regest 184.
De watermolen op de Hoensloot — Hoogkerk en Leegkerk — 1453
In 1453 verleende Groningen toestemming aan het Aduarderzijlvest om een watermolen op de Hoensloot te plaatsen. De molen moest water uit lage landerijen afvoeren die tot de Groningse rechtsmacht behoorden. Voor het toezicht werd een bestuur van drie personen ingesteld. Groningen, Hoogkerk en Leegkerk mochten ieder één vertegenwoordiger aanwijzen. De Hoensloot bestond toen al langer en was betrokken bij de afwatering van de Noord- en Zuidhoen. De vermelding vormt een belangrijk bewijs voor kunstmatige bemaling in de vijftiende eeuw. Zij toont bovendien dat de aanleg van een molen niet alleen een technische onderneming was, maar ook bestuurlijke afspraken vereiste.
Bron: Van den Broek, blz. 363, noot 137. Archief Aduarderzijlvest, inventarisnummer 35, regest 9.
Groningen heeft achterstallige betalingen aan Utrecht — 1513–1514
Hoewel Groningen graaf Edzard van Oost-Friesland in 1506 als beschermheer had aangenomen, bleven oude rechten van de Utrechtse bisschop bestaan. Volgens de kroniek van Sicke Benninge moest Groningen jaarlijks honderd Rijnse guldens betalen voor het schultambt van Haren. In 1513 bedroeg de achterstand zevenhonderd gulden. De stad probeerde daarop de verhouding met Utrecht opnieuw te regelen. Volgens Benninge zou de bisschop in totaal twaalfhonderd gulden ontvangen, verdeeld over twee betalingstermijnen. Van den Broek benadrukt dat niet vaststaat of deze bedragen werkelijk volledig zijn voldaan. De kwestie laat zien dat het Gorecht een financieel waardevol bestuursgebied bleef.
Bron: Van den Broek, blz. 323–324.
Berend Coenders eist vergoeding voor oorlogsschade — 2 maart 1515
Berend Coenders, die als schulte van Haren en ambtman van het Gericht van Selwerd optrad, had tijdens de strijd rond Groningen grote schade geleden. Zijn woning te Helpman was in brand gestoken en zijn inkomsten uit het Gorecht waren teruggelopen. In een akte van 2 maart 1515 verklaarde hij dat zijn totale schade duizend gulden bedroeg. Willem van Ooy, vertegenwoordiger van hertog Karel van Gelre, kende hem daarvoor een financiële regeling toe. Coenders wilde gedurende meerdere jaren de gebruikelijke pacht aan de Utrechtse bisschop niet betalen. De akte toont hoe landsheerlijke rechten, particuliere oorlogsschade en bestuurlijke inkomsten met elkaar werden verrekend.
Bron: Van den Broek, blz. 325–326.
Johan Cartow moet dertigduizend bakstenen leveren — Dorkwerd — 1543
Het Heilige Geest Gasthuis te Groningen bezat grond bij Dorkwerd waarop klei kon worden gewonnen. Op 21 februari 1543 kregen Johan Cartow en zijn vrouw toestemming ongeveer acht hectare land te huren. De huurvoorwaarden bepaalden dat zij er een tichelwerk moesten bouwen, voorzien van een steenoven en turfloods. Bovendien moesten zij dertigduizend bakstenen aan het gasthuis leveren en een gedeelte van de jaarlijkse pacht in baksteen voldoen. Het klooster Selwerd bezat in dezelfde omgeving een oudere steenbakkerij. Het is een waardevol vergelijkingsvoorbeeld voor de steenindustrie rond Foxwolde: grondbezit, brandstof, ovenbouw en vaste leveringen werden nauwkeurig contractueel geregeld.
Bron: Van den Broek, blz. 260 en 368.
Een mislukte verrassingsaanval door hoog water — Niezijl — 4–5 oktober 1587
Willem Lodewijk bereidde in 1587 een verrassingsaanval op Groningen voor. Een gedeelte van het leger moest bij Niezijl over de Leek worden gebracht. Gerrit de Jonge, garnizoenscommandant en ervaren timmerman, had daarvoor een schipbrug aangelegd. Tijdens de nacht van 4 op 5 oktober werd het springtij door een harde noordenwind opgestuwd. Het water steeg zo sterk dat de overtocht niet kon worden uitgevoerd. Daardoor mislukte de gehele onderneming voordat de geplande geheime aanval op de Apoort kon beginnen. De gebeurtenis laat zien dat de waterstand niet alleen landbouw en handel beïnvloedde, maar ook het verloop van militaire operaties.
Bron: Van den Broek, blz. 561–563.
De bossen van Eelderwolde leveren hout aan Groningen — 1587
Na de mislukte Staatse aanval op Groningen besloot het koningsgezinde stadsbestuur de stad beter te versterken. Stadsbouwmeester Gerrit Kistemaker onderzocht welke bomen geschikt waren voor de nieuwe verdedigingswerken. In de houtingen van Eelderwolde en Kropswolde stonden volgens zijn onderzoek bruikbare stammen. Ook eigenaren in Wolfsbarge en Westerbroek werden bij het verzamelen van hout betrokken. De stad moest met de afzonderlijke bezitters onderhandelen omdat de bomen tot particuliere, kerkelijke en gemeenschappelijke eigendommen behoorden. Deze gebeurtenis vormt een concrete verbinding tussen het Drentse achterland en de verdediging van Groningen. Het hout werd een belangrijk onderdeel van de militaire bevoorrading.
Bron: Van den Broek, blz. 565–567.
De kloosters en grondbezitters leveren 471 bomen — November 1587
In november 1587 werden gezamenlijk 471 bomen beschikbaar gesteld voor het versterken van de vesting Groningen. Onder de betrokken instellingen waren de kloosters Aduard, Warffum, Selwerd en Assen. Ook het kerspel Kropswolde en particuliere grondbezitters droegen bij. De stammen waren bedoeld voor palissaden en andere verdedigingswerken. De gezamenlijke levering geeft een indruk van de hoeveelheid materiaal die voor zulke werkzaamheden nodig was. Vooral de betrokkenheid van het klooster Assen is van belang voor de geschiedenis van Noord-Drenthe. De instelling leverde niet alleen landbouwinkomsten uit haar goederen, maar beschikte ook over natuurlijke hulpbronnen die tijdens de oorlog werden aangesproken.
Bron: Van den Broek, blz. 566–567.
De drost van Coevorden moet Drentse houtzagers sturen — 1587
De aanvoer van honderden bomen leverde een nieuw probleem op. De stammen moesten worden gezaagd en bewerkt voordat ze in de verdedigingswerken gebruikt konden worden. In Groningen waren onvoldoende gespecialiseerde vaklieden beschikbaar. Daarom verzocht het stadsbestuur de drost van Coevorden om professionele houtzagers uit Drenthe naar Groningen te sturen. Zij moesten helpen het hout binnen een beperkte periode te verwerken. De gebeurtenis laat zien dat de oorlog niet alleen het bezit van de Drentse kloosters en grondbezitters raakte. Ook gespecialiseerde ambachtslieden uit het achterland konden worden opgeroepen om werkzaamheden voor de stad uit te voeren. De verdediging van Groningen was afhankelijk van mensen en materialen uit een groot gebied.
Bron: Van den Broek, blz. 566–567.
Aanvullend verhaal — Rug van Tynaarloo en Noordenveld
Nieuwe historische gegevens uit het onderzoek van de Historische Vereniging Oud Vries — prehistorie tot 1600.
Vier pingoruïnes langs het Paasveen — Bunne en Donderen — Laatste ijstijd
Tussen Bunne en Donderen liggen langs het Paasveen vier bijzondere ronde laagten. Zij bevinden zich op de westelijke helling van het dal van de Runsloot, een bovenloop van het Eelderdiep. Tijdens de laatste ijstijd kon hier grondwater onder de bevroren bodem samenkomen en tot grote ijslichamen aangroeien. Toen deze smolten, bleven komvormige laagten achter. In de kommen verzamelde zich water en ontstond later veen. De vier pingoruïnes liggen als een snoer achter elkaar. Hun aanwezigheid verklaart waarom het landschap tussen de Bunneresch en Donderen plaatselijk zo sterk afwisselde tussen droge zandgronden en natte, moeilijk begaanbare terreinen.
Het Bolleveen bij Taarlo — Houten wagenwielen en andere veenvondsten — 2e–5e eeuw
Ten noordwesten van Taarlo ligt het Bolleveen, een klein veengebied waarin bijzondere archeologische vondsten zijn gedaan. Bij werkzaamheden kwamen aardewerken potten, houten voorwerpen, leren schoenen, mensenhaar, runderhoorns en onderdelen van wagenwielen tevoorschijn. Daaronder bevonden zich halffabricaten van spaakwielen en een compleet houten wiel. De vondsten worden grotendeels in de Romeinse tijd en de daaropvolgende eeuwen geplaatst. Archeologen vermoeden dat het veen gedurende een lange periode als plaats voor rituele deposities werd gebruikt. De combinatie van voorwerpen is bijzonder, omdat niet alles eenvoudig als weggegooid huishoudelijk afval kan worden verklaard. Een religieuze betekenis blijft echter een interpretatie.
Het jachtrecht van de bisschop van Utrecht — Drenthe — 944
Op 26 november 944 bevestigde koning Otto I rechten van de Utrechtse kerk in Drenthe. Daarbij speelde het recht om in bossen en andere wildernisgebieden te jagen een belangrijke rol. Zulke rechten worden aangeduid als wildban. Zij konden betrekking hebben op groot wild, waaronder herten en wilde zwijnen. De regeling laat zien dat bosgebieden niet uitsluitend economische betekenis hadden als leverancier van hout en voedsel. Ook het recht om wild te vangen kon onderdeel zijn van de landsheerlijke macht. De koninklijke bevestiging vormde een belangrijke stap in de ontwikkeling van het gezag van de Utrechtse bisschoppen. Voor afzonderlijke bossen rond Vries en Bunne moeten de plaatselijke rechten nog worden onderzocht.
De bronzen schotel uit het Langwansveen — Bunne — 12e–13e eeuw
In het Langwansveen bij Bunne werd een bijzondere middeleeuwse bronzen schotel gevonden. Het overgebleven middengedeelte werd in 1950 opgenomen in de collectie van het Drents Museum. Op het voorwerp is een gekroonde figuur afgebeeld die een zwaard draagt en een voorwerp vasthoudt dat op een gebouw met torens lijkt. Archeoloog Vincent van Vilsteren onderzocht de vondst en dateerde het schoteltype in de twaalfde of vroege dertiende eeuw. Daarmee is de schotel vermoedelijk ouder dan de commanderij van de Duitse Orde, die in 1276 ontstond. Vergelijkbare bronzen schotels zijn gevonden in rivieren, venen en andere natte gebieden. Mogelijk werden sommige bewust achtergelaten.
De verdwenen bronzen schotels van Peize en Zeijen — 12e–13e eeuw
Het onderzoek naar de bronzen schotel van Bunne bracht nog twee Drentse vondsten aan het licht. Uit oudere schriftelijke vermeldingen blijkt dat ook bij Peize en Zeijen bronzen schotels uit het veen tevoorschijn kwamen. Beide voorwerpen zijn later verloren gegaan, waardoor hun versiering en exacte datering niet opnieuw kunnen worden onderzocht. De drie vindplaatsen zijn opvallend omdat zij zich bevinden in het gebied van oude zandnederzettingen en moerassige laagten. Vergelijkbare schotels worden in verband gebracht met religieuze gebruiken, maar de oorspronkelijke bedoeling is niet altijd duidelijk. De vondsten wijzen in ieder geval op de aanwezigheid van kostbare metalen voorwerpen buiten de gewone nederzettingen.
Gelmarus van Yde bij een belangrijke kerkelijke overdracht — 1207
In een oorkonde uit 1207 wordt Gelmarus van Ide, tegenwoordig Gelmarus van Yde genoemd, als getuige vermeld. Het document heeft betrekking op een overeenkomst waarbij Fredericus, abt van het klooster Ruinen, de kerken van Steenwijk en Borne en de kapel van Westerbork aan de bisschop van Utrecht overdroeg. Daartegenover stond de kerk van Beilen. Onder de getuigen bevonden zich Rudolf en Mense van Peize, Hendrik van Norg, Barthold van Eelde en Wesensz van Bunne. De aanwezigheid van deze mannen laat zien dat verschillende aanzienlijke personen uit Noord-Drenthe betrokken waren bij kerkelijke rechtshandelingen. Gelmarus vertegenwoordigt daarmee een vroege schriftelijke verbinding tussen Yde en het bisschoppelijke netwerk.
De abdij van Werden verkoopt haar Drentse bezittingen — 2 januari 1282
Op 2 januari 1282 verkocht de abdij van Werden haar bezittingen in Drenthe aan het prinsbisdom Münster. Volgens de historische vermelding omvatte de overdracht niet alleen landbouwgoederen, maar ook patronaatsrechten en andere bevoegdheden. Deze transactie betekende een belangrijke verandering in het beheer van de vroegmiddeleeuwse goederen van Werden. De abdij had sinds de tijd van Theodgrim en Ricfrid belangen in het gebied dat in oude documenten Arlo werd genoemd. De verkoop maakt duidelijk dat oude kloostergoederen gedurende de middeleeuwen van eigenaar konden veranderen. Welke rechten op afzonderlijke kerken en erven rond Vries daadwerkelijk onder deze overdracht vielen, moet met de oorspronkelijke akte worden vastgesteld.
De Peesterpaal en de Peelerpaals — Oude grenzen rond Vries — Middeleeuwen
De Drentse boermarken moesten hun gebruiksgronden tegen aanspraken van naburige gemeenschappen beschermen. Vanaf de middeleeuwen werden markegrenzen steeds nauwkeuriger vastgelegd. Waar geen beek of andere natuurlijke afscheiding aanwezig was, konden stenen en palen als grensmarkering dienen. Bij Vries zijn de Peesterpaal op het Zeijerveld en de Peelerpaals bij de grens met Peelo bekende voorbeelden. De Peesterpaal lag in het grensgebied van Vries, Norg en Assen. Dergelijke markeringen waren belangrijk omdat heidevelden, bossen, hooilanden en veengronden economische waarde vertegenwoordigden. Verplaatste grensstenen konden aanleiding geven tot conflicten. De exacte ouderdom van de afzonderlijke palen is niet vastgesteld.
De bescherming van het Noordholt — Roden en Noordenveld — 1492
In 1492 werden afspraken gemaakt over het toezicht op de houtkap in het Noordholt bij Roden. Daarbij waren de abt van Aduard en vertegenwoordigers van aanzienlijke families betrokken. Genoemd worden Hidde van Ewsum, Johan Thedema en een lid van de familie De Mepsche. De regeling laat zien dat het gebruik van bossen niet volledig vrij was. Waardevol eikenhout was nodig voor de bouw van huizen, schuren, bruggen, wagens en andere voorzieningen. Grondbezitters hadden er belang bij dat bomen niet ongecontroleerd verdwenen. De betrokkenheid van kloosterlijke en adellijke bestuurders toont hoe bosbeheer deel uitmaakte van de economische machtsverhoudingen in het grensgebied tussen Drenthe en Groningen.
De watermolen van Oudemolen — Drentsche Aa — 1498
De buurtschap Oudemolen dankt haar naam aan een vroegere watermolen in de Drentsche Aa. In 1498 verschijnt de plaatsnaam als ter Oldenmolen. De molen gebruikte de stroming van het Oudemolensche Diep om graan te malen. Een watermolen was economisch belangrijk omdat boeren uit omliggende dorpen er hun graan konden laten verwerken. Voor het aandrijven van het waterrad moest voldoende water beschikbaar zijn. De aanwezigheid van een stuw kon gevolgen hebben voor de waterstand en de afwatering van aangrenzende gronden. De precieze stichting van de molen is onbekend. Een soms genoemde datering van 1422 berust op een later gerapporteerde vondst en is niet onafhankelijk bevestigd.
Henrick Knasse en Wigbolt Lewe behouden een oud weggebruik — Zeijen — 1502
In 1502 vond bij Zeijen een grondruil plaats tussen Henrick Knasse en Wigbolt Lewe. Knasse kreeg twee akkers op de es van Zeijen, die aansloten bij land dat hij al bezat. Wigbolt Lewe verkreeg daarvoor het Vordinghekamp. De overeenkomst bevatte een bijzonder voorbehoud. Lewe wilde de bestaande weg blijven gebruiken zoals zijn pachters dat eerder hadden gedaan. De akte verwijst daarbij naar het gebruik door zijn meiers. Daarmee vormt zij een concreet voorbeeld van een weggebruikrecht dat bij een grondoverdracht uitdrukkelijk werd beschermd. Het document toont dat een akker niet alleen waarde had door de bodem en oppervlakte, maar ook door de mogelijkheid om deze te bereiken.
Het kerspel Vries wordt voor 38 ploegen aangeslagen — 1524
Een belastingverdeling uit 1524 geeft inzicht in de economische betekenis van Vries binnen Drenthe. Het gewest moest bijdragen aan de kosten van soldaten die Hasselt bezet hielden voor de bisschop van Utrecht. Voor de verdeling werd uitgegaan van 600 ploegen als belastinggrondslag. Het kerspel Vries werd voor 38 ploegen aangeslagen. Anloo telde 44,5 ploegen, terwijl Norg er 11 had. Roden en Peize werden ieder voor 10 ploegen aangeslagen en Eelde voor 5. De ploeg was een fiscale rekeneenheid en mag niet zonder meer worden gelijkgesteld aan één bestaand landbouwbedrijf. De cijfers tonen wel dat Vries een aanzienlijk aandeel in de gewestelijke belasting droeg.
Een beschuldiging van tovenarij tijdens de goorsprake — Eelde — 23 maart 1574
Op 23 maart 1574 vond in Eelde een goorsprake voor Noordenveld plaats, onder toezicht van drost Evert van Ensse. Jan Rotgers diende een klacht in tegen Fenne Alberts. Volgens hem had Fenne over zijn vrouw verteld dat zij kon toveren. Albert, de echtgenoot van Fenne en meier in De Helle, ontkende namens haar dat zij deze beschuldiging had uitgesproken. De aanwezige buren bepaalden dat Jan Rotgers binnen twee weken bewijs moest leveren. Het geschil toont hoe ernstig een beschuldiging van tovenarij binnen de dorpsgemeenschap kon zijn. Tegelijkertijd blijkt dat de rechtspraak verlangde dat beschuldigingen werden onderbouwd. De afloop van de zaak is niet vastgesteld.
De koster van Roden beschuldigt een vrouw van melktovenarij — Vries — 15 juni 1577
Tijdens een goorsprake in Vries op 15 juni 1577 kwam opnieuw een beschuldiging van tovenarij aan de orde. De koster van Roden, heer Willem, had de vrouw van Roeloff Staels tijdens een openbare bijeenkomst een melktovenares genoemd. De buren van Roden brachten de zaak voor de rechtspraak. Zij verlangden dat Willem binnen twee weken zijn beschuldiging zou bewijzen. Wanneer hij dat niet kon, moest hij volgens het landrecht zelf de gevolgen dragen. De koster ging tegen de beslissing in beroep. De zaak maakt duidelijk dat beschuldigingen rond melk, vee en vermeende bovennatuurlijke krachten binnen de landbouwgemeenschap konden ontstaan. De betrokken vrouw werd hiermee niet als schuldig bewezen.
De watermolen en de twee huizen bij Oudemolen — 1579
Een vermelding uit 1579 beschrijft bij Oudemolen een watermolen en twee huizen die in bezit waren van de familie Homan uit Vries. Daarmee krijgen we een concreter beeld van de kleine nederzetting langs de Drentsche Aa. De molen was niet uitsluitend een technisch bouwwerk, maar maakte deel uit van een goederencomplex met bebouwing en eigendomsrechten. Het malen van graan verbond de plaats met boeren uit de omliggende dorpen. Over de omvang van het maalgebied bestaan latere vermeldingen waarin veertien dorpen en buurtschappen worden genoemd. Of die verplichting reeds in 1579 voor alle veertien bestond, moet nog worden vastgesteld. De eigendomsvermelding toont wel de economische betekenis van deze plaats.
Abdis Margaretha van Eyrthen verhuurt land bij het Peizerdiep — 1591
In 1591 verhuurde Margaretha van Eyrthen, abdis van Maria in Campis te Assen, een stuk land dat tot de goederen van het klooster behoorde. Het perceel lag bij het Peizerdiep en werd aangeduid met de naam Henloep, achter een plaats die in de bron als Drincken Buis wordt omschreven. De verhuur gold voor vijf jaar en bedroeg 25 daalders. De abdis behield zich het recht voor om door terugbetaling van het bedrag opnieuw over het land te beschikken. Deze overeenkomst vormt een concrete verbinding tussen het klooster van Assen, de goederen bij Rhee en de landbouwgronden langs het Peizerdiep. Zij toont bovendien hoe kloosterbezit tijdens de oorlogsjaren financieel werd benut.
De inkomsten en schulden van Maria in Campis — Assen — 1570–1599
Margaretha van Eyrthen bestuurde het klooster Maria in Campis tijdens bijzonder moeilijke jaren. Reeds omstreeks 1570 werd de slechte financiële toestand van de instelling opgemerkt door de abt van Morimond. Tijdens de Nederlandse Opstand namen de lasten toe door inkwartieringen, opeisingen en andere oorlogsomstandigheden. De abdis moest herhaaldelijk geld lenen. Dirc Bylen, die gehuwd was met haar zuster Geertrui Eyrthen, werd door de abt van Aduard als rentmeester aangesteld en beheerde tussen 1588 en 1598 de inkomsten. De financiële problemen tonen dat een klooster met aanzienlijke landerijen toch onvoldoende beschikbare middelen kon hebben. Het bezit van grond betekende niet dat pachten onder oorlogsomstandigheden gemakkelijk konden worden geïnd.
Rug van Tynaarloo — Aanvullende geschiedenis van oude bossen, grafvelden, middeleeuwse vondsten en markerechten
Het verdwenen oerbos van Roderwolde — Roderwolde en Matsloot — Circa 8000–5000 v.Chr.
Ten noorden van Roderwolde lag duizenden jaren geleden een uitgestrekt bos met grove dennen, berken en eiken. Dit landschap bestond voordat zich hier de grote veengebieden ontwikkelden. Tijdens werkzaamheden in het Stobbenven kwamen in 2008 talrijke oude boomstammen en wortelstronken tevoorschijn. Onderzoekers Henk Woldring en Jeroen Zomer onderzochten het hout en de vroegere begroeiing. Sommige bomen bleken tussen 7.000 en 10.000 jaar oud. Het onderzoek maakt duidelijk dat de omgeving van Roderwolde niet altijd een open veenmoeras was. Vóór de veenvorming groeiden hier omvangrijke bossen waarvan de resten duizenden jaren onder de grond bewaard bleven.
Het water verdrinkt het dennenbos — Roderwolde — Vroege Holoceen
Het oorspronkelijke dennenbos bij Roderwolde groeide tijdens een betrekkelijk droge periode. De bomen konden zich vestigen op plaatsen waar de zandondergrond voldoende droog bleef. Toen de grondwaterstand steeg, veranderden de omstandigheden. De wortels raakten langdurig verzadigd met water en de bomen konden zich uiteindelijk niet handhaven. Zij vielen om en werden geleidelijk door veen bedekt. Onderzoek van de jaarringen wees uit dat sommige dennen gelijktijdig stierven. Dat wijst op een verandering van de leefomstandigheden en niet uitsluitend op ouderdom. De conservering was uitzonderlijk goed doordat zuurstofarm grondwater het hout tegen volledige verrotting beschermde.
De oudste eiken van Noord-Nederland — Stobbenven bij Roderwolde — Circa 6000 v.Chr.
Naast dennen werden in het Stobbenven ook uitzonderlijk oude eiken aangetroffen. Een van de onderzochte bomen bleek ongeveer 7.800 jaar oud en werd door de provincie Drenthe beschreven als de oudste destijds bekende fossiele eik van Nederland. Sommige onderzochte eiken hadden honderden jaren kunnen groeien voordat het stijgende grondwater ook hun bestaan onmogelijk maakte. De vondsten tonen dat het boslandschap in verschillende perioden veranderde. Eerst domineerden dennen, waarna plaatselijk ook eiken en berken voorkwamen. Voor de geschiedenis van Noordenveld is dit belangrijk omdat de natuurlijke oorsprong van de latere moerasgebieden hiermee veel nauwkeuriger kan worden gereconstrueerd.
Een onbekend grafveld aan de Wester Esch — Tynaarlo — 4e–9e eeuw
Bij werkzaamheden aan de aansluiting van Tynaarlo op de A28 werd in 1992 een vroegmiddeleeuws grafveld ontdekt. De vindplaats lag bij de Wester Esch, op de hogere zandgronden van het dorp. Archeoloog Vincent van Vilsteren beschreef de ontdekking in 1993. De eerste vondsten bestonden onder andere uit aardewerk in Angelsaksische stijl en bronzen voorwerpen. Bij een beperkte opgraving kwamen zowel crematiegraven als langwerpige grafkuilen aan het licht. De onderzoekers vermoedden dat het grafveld vanaf de vierde of vijfde eeuw werd gebruikt en mogelijk tot in de negende eeuw in gebruik bleef. Daarmee is dit een belangrijke vindplaats voor de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Tynaarlo.
Crematiegraven en begravingen naast elkaar — Tynaarlo — 5e–8e eeuw
Het grafveld van Tynaarlo bevatte verschillende vormen van begraving. In sommige kuilen werden verbrande menselijke resten gevonden, terwijl andere kuilen langwerpig waren en op begravingen van niet-gecremeerde personen wezen. Deze verschillen passen bij de veranderingen in de begrafenisgebruiken tijdens de late Romeinse tijd en vroege middeleeuwen. In Noord-Nederland bleven crematies lange tijd voorkomen, terwijl begraving van complete lichamen eveneens gebruikelijk werd. De vondsten tonen niet automatisch dat alle begraven personen tot dezelfde familie of nederzetting behoorden. Wel vormen ze een aanwijzing dat het gebied van de Wester Esch gedurende verschillende generaties voor begrafenissen werd gebruikt.
Angelsaksisch aardewerk bij Tynaarlo — Wester Esch — 5e–6e eeuw
Tussen de vondsten uit het grafveld van Tynaarlo bevond zich aardewerk dat archeologen als Angelsaksisch of Angelsaksisch beïnvloed beschrijven. Deze benaming verwijst vooral naar de vorm, vervaardiging en versiering van de potten. Zij betekent niet noodzakelijk dat de overledenen uit Engeland afkomstig waren. Vergelijkbare aardewerkvormen kwamen in de vijfde en zesde eeuw in verschillende delen van Noord-Nederland en het Noord-Duitse kustgebied voor. De vondsten maken Tynaarlo belangrijk voor het onderzoek naar contacten en culturele veranderingen na het einde van de Romeinse tijd. Een rechtstreekse verbinding met specifieke Saksische families kan uit het aardewerk niet worden afgeleid.
Wat het grafveld vertelt over het vroege dorp — Tynaarlo — 5e–9e eeuw
Het grafveld bij de Wester Esch is van grote betekenis omdat schriftelijke bronnen over het vroegmiddeleeuwse Tynaarlo schaars zijn. Graven kunnen aanwijzingen leveren over de aanwezigheid van een gemeenschap voordat deze in oorkonden verschijnt. Het oorspronkelijke grafveld werd echter slechts gedeeltelijk opgegraven. Daardoor zijn de volledige omvang, het aantal begravingen en de exacte gebruiksduur niet bekend. Ook is niet vastgesteld waar alle bijbehorende woonerven lagen. De vindplaats laat wel zien dat de hogere zandgronden van Tynaarlo in deze eeuwen werden gebruikt. Daarmee vormt zij een belangrijke schakel tussen de oudere prehistorische bewoning en de latere ontwikkeling van het esdorp.
Een vroege ruiterwereld in Drenthe — Zwinderen — 10e–11e eeuw
Tijdens het graven van een kanaal bij Zwinderen werden in 1858 twee middeleeuwse stijgbeugels ontdekt. Bij de voorwerpen lagen enkele botten en een houten stok. Vincent van Vilsteren onderzocht de vondst en vergeleek de stijgbeugels met voorbeelden uit Noord-Europa. Een exemplaar was geheel van ijzer vervaardigd. Het andere had een metalen bekleding en een opvallende versiering. De voorwerpen worden waarschijnlijk in de tiende of elfde eeuw gedateerd. Zij behoren tot de uitrusting van mensen die paarden als rijdieren gebruikten. De vondst vormt een aanwijzing voor de aanwezigheid van relatief kostbare ruiteruitrusting in het vroegmiddeleeuwse Drenthe.
Noordelijke verbindingen via ruiteruitrusting — Zwinderen en Emmen — 10e–11e eeuw
De stijgbeugels van Zwinderen vertonen overeenkomsten met voorwerpen uit Scandinavië en Noord-Duitsland. Ook bij de Olde Akkers in Emmen werd een bijzonder bronzen beslagstuk gevonden. Vincent van Vilsteren onderzocht dit voorwerp en kwam tot de conclusie dat het waarschijnlijk bij een stijgbeugel had gehoord. Het werd in de Ottoonse periode geplaatst. Dergelijke vondsten laten zien dat in Drenthe voorwerpen voorkwamen waarvan de vormen ook elders in Noord-Europa bekend waren. Dat kan samenhangen met handel, reizende ambachtslieden of de uitwisseling van goederen. De vondsten bewijzen niet dat de oorspronkelijke eigenaren uit Scandinavië kwamen.
Een bronzen schotel in het Langwansveen — Bunne — 12e–13e eeuw
In het Langwansveen bij Bunne werd een bijzonder fragment van een middeleeuwse bronzen schotel gevonden. Het Drents Museum verwierf het voorwerp in 1950. Op de schotel staat een gekroonde figuur met in één hand een zwaard en in de andere een voorwerp dat uit drie verdiepingen lijkt te bestaan. De voorstelling heeft onderzoekers lange tijd beziggehouden. Aanvankelijk werd gedacht dat Ludolf van Bunne, de latere schenker van de commanderijgoederen, was afgebeeld. Vincent van Vilsteren betwijfelde deze verklaring. De schotel behoort waarschijnlijk tot een twaalfde- of vroeg-dertiende-eeuws type en kan dus ouder zijn dan de stichting van de commanderij.
De bronzen schotel en de Duitse Orde — Bunne — 12e–13e eeuw
De vindplaats van de bronzen schotel lag ongeveer een kilometer van de voormalige commanderij van de Duitse Orde. Dat maakt een rechtstreeks verband tussen het voorwerp en de ordebroeders onzeker. Het Langwansveen was in 1830 bovendien nog gemeenschappelijk bezit, wat erop wijst dat het veentje waarschijnlijk niet bij de commanderij hoorde. Toch blijft de vondst bijzonder vanwege de mogelijke religieuze betekenis. Vergelijkbare bronzen schotels werden in andere Europese gebieden soms binnen religieuze gemeenschappen gebruikt. De afbeelding op het voorwerp en de natte vindplaats kunnen op een symbolische functie wijzen. De oorspronkelijke eigenaar en de reden waarom de schotel in het veen terechtkwam, blijven onbekend.
Twee andere bronzen schotels uit de venen — Peize en Zeijen — 12e–13e eeuw
Naast de bronzen schotel van Bunne zijn uit historische vermeldingen nog twee vergelijkbare vondsten bekend. De ene werd in een veen bij Peize gevonden en de andere bij Zeijen. Beide voorwerpen zijn inmiddels verdwenen, waardoor zij niet opnieuw onderzocht kunnen worden. Hun bestaan is alleen door oudere schriftelijke gegevens bekend. Deze drie vondsten maken duidelijk dat bronzen schotels in verschillende delen van Noord-Drenthe in natte gebieden terechtkwamen. Het is verleidelijk daarin een gezamenlijk gebruik te herkennen, maar daarvoor ontbreken voldoende gegevens. Vooral de precieze vindplaatsen, voorstellingen en omstandigheden van de vondsten zouden nodig zijn om hun oorspronkelijke betekenis vast te stellen.
Offers en bijgeloof in het middeleeuwse veen — Bunne, Peize en Zeijen — 12e–13e eeuw
Veel middeleeuwse bronzen schotels uit Europa zijn gevonden in rivieren, meren, bronnen en venen. Onderzoekers hebben daarom voorgesteld dat sommige schotels bewust in het water werden achtergelaten. Mogelijk ging het om offers, religieuze handelingen of gebruiken die herinnerden aan oudere tradities. Vincent van Vilsteren plaatste de Drentse vondsten binnen deze discussie. Hij wees erop dat zulke voorwerpen zowel een christelijke als een oudere symbolische betekenis konden hebben. Voor Bunne bestaat echter geen bewijs dat een priesterbroeder van de Duitse Orde de schotel in het Langwansveen heeft achtergelaten. Het onderzoek toont vooral hoe moeilijk het is om archeologische vondsten aan een specifieke overtuiging te verbinden.
Een verdwenen dorp met vijf erven — Orvelterveen — 1362
Ten noordoosten van Orvelte lag in de middeleeuwen het dorp Orvelterveen. In 1362 werd de nederzetting met vijf erven genoemd. De bewoners maakten gebruik van landbouwgronden op de overgang tussen hogere zandgronden en natte veengebieden. De plaatselijke geschiedenis is bijzonder omdat het dorp later verdween. Bij turfwerkzaamheden in 1911 werden middeleeuwse aardewerkscherven, tinnen voorwerpen en lemen dorsvloeren ontdekt. Ook kwam later een oude waterput aan het licht. Deze resten tonen dat hier daadwerkelijk boerderijen hebben gestaan. Orvelterveen vormt een vergelijkingsvoorbeeld voor de kwetsbaarheid van middeleeuwse ontginningsnederzettingen in natte gebieden.
Het belang van het Zuidholt — Roden — 1437–1492
Ten zuiden van Roden lag vroeger een bosgebied dat in historische bronnen Zuidholt werd genoemd. Van dit bos is een scheidingsakte uit 1437 bekend. De rechten op het bos waren verdeeld in zestien waardelen. Een waardeel vertegenwoordigde een aandeel in de gemeenschappelijke gebruiksrechten en verplichtingen. Vijf van de zestien waardelen behoorden aan de abt van Aduard. Daardoor was het Groninger klooster rechtstreeks betrokken bij het beheer van bosgrond in Drenthe. Het Zuidholt vormde samen met het Noordholt en het Lieverder Holt een belangrijk onderdeel van het vroegere boslandschap rond Roden en Lieveren.
Vier toezichthouders over het bos — Roden en Lieveren — 7 mei 1492
Op 7 mei 1492 werd een bijzonder bosreglement opgesteld voor de bossen bij Roden en Lieveren. Daarin werd het toezicht verdeeld onder vier belangrijke personen. Het ging om de abt van Aduard of zijn vertegenwoordiger, Hidde van Ewsum, Johan Thedema en Johan de Mepsche. Johan Thedema was burgemeester van Groningen, terwijl de families Van Ewsum en De Mepsche aanzienlijke belangen in Drenthe hadden. Iedere toezichthouder moest gedurende een deel van de vierjarige cyclus toezicht houden. Het reglement maakt duidelijk dat het gezamenlijke bosbeheer niet uitsluitend een zaak van boeren was, maar ook onder invloed stond van kloosters en vooraanstaande families.
De boeren en keuters krijgen verschillende rechten — Roden en Lieveren — 1492
Het bosreglement van 1492 maakte onderscheid tussen gewaarden en keuters. Gewaarden waren bezitters van erkende aandelen in de gemeenschappelijke gronden. Zij mochten volgens de regels gebruikmaken van hout, weidegronden en andere opbrengsten. Keuters hadden minder uitgebreide rechten. Zij mochten onder andere niet zonder toestemming rijshout kappen of meidoorns uittrekken. Gewaarden konden voor eigen gebruik wel elzenhout winnen om stelen voor harken, hooivorken en zeisen te maken. Ook de visserij werd geregeld. Keuters mochten niet zomaar met sleepnetten, andere netten of korven vissen. Zo werden sociale verschillen binnen de dorpsgemeenschap zichtbaar in het dagelijkse grondgebruik.
Een ton bier als straf voor vuur in het bos — Roden en Lieveren — 1492
De boswetten bevatten opmerkelijke straffen voor overtredingen. Wie zonder toestemming vuur stookte, moest aan de toezichthouders een ton bier betalen. Daarnaast gold op Sint-Catharinadag, 25 november, een geldelijke verplichting. Ook voor het onbevoegd kappen van rijshout werd een boete in bier opgelegd. Voor het omhakken van eikenbomen en jonge eiken golden afzonderlijke geldboetes. Het reglement laat zien dat brand en ongecontroleerde houtkap als ernstige bedreigingen voor de gemeenschappelijke bossen werden beschouwd. Bier was hierbij niet alleen een drank voor dagelijks gebruik, maar kon ook dienen als een praktisch betaalmiddel binnen de uitvoering van plaatselijke regels.
De lijkweg door het bos — Roden en Lieveren — 1492
Een bijzonder onderdeel van het bosreglement betreft de zogenoemde reewech, een lijkweg. Wanneer de weg gebreken vertoonde, moesten de toezichthouders bepalen welke werkzaamheden noodzakelijk waren. Daarmee werd het onderhoud van deze doorgang onderdeel van het gemeenschappelijke bosbeheer. Een lijkweg kon worden gebruikt voor het vervoeren van overledenen naar een kerk of begraafplaats. De vermelding vormt een aanwijzing dat bossen niet alleen voor houtkap en beweiding belangrijk waren. Er liepen ook wegen doorheen die een functie hadden voor het verkeer tussen nederzettingen. De precieze loop van deze historische lijkweg moet nog afzonderlijk worden gereconstrueerd.
Nieuwe eiken voor iedere twee runderen — Roden en Lieveren — 1492–1521
In het bosreglement werd bepaald dat voor iedere twee runderen die in het bos graasden een nieuwe eikentelg moest worden geplant. Wie zich niet aan deze verplichting hield, kon een ton bier als boete krijgen. Het voorschrift is opvallend omdat het bescherming van het bos verbond met het gebruik ervan als weidegrond. De bewoners wilden voorkomen dat beweiding en houtkap de toekomstige houtvoorziening zouden vernietigen. In 1521 werd bovendien vastgelegd dat niemand zonder toestemming een meiboom uit het bos mocht halen. De regels tonen dat bosbeheer een langdurige verantwoordelijkheid was, waarbij het economisch gebruik van bomen en vee moest worden gecombineerd.
De muntschat van Zuidlaren en de godsdienstoorlog — Zuidlaren — 1572–1580
Bij bouwwerkzaamheden op het terrein van Dennenoord in Zuidlaren werd in 1928 een grote verzameling kleine munten ontdekt. Het ging om ruim drieduizend zestiende-eeuwse munten met een betrekkelijk geringe geldwaarde. Vincent van Vilsteren en muntdeskundige Jan van der Wis onderzochten de schat opnieuw. De samenstelling wees op geld dat oorspronkelijk als kerkelijke offergave was verzameld. De onderzoekers brachten de munten in verband met de Sint-Eusebiuskerk in Arnhem, waar tijdens de godsdienstige onrust kerkgeld kan zijn geroofd. De schat werd vermoedelijk tussen 1572 en 1580 in Zuidlaren verborgen. Hoe de munten daar terechtkwamen, is onbekend.
De betekenis van verborgen kerkgeld — Zuidlaren en Arnhem — 1572–1580
De muntschat van Zuidlaren is bijzonder omdat het geen gewone verzameling kostbare gouden of zilveren munten was. Veel exemplaren hadden een lage waarde en sommige vertoonden sporen van buigen of beschadiging. Bij religieuze gebruiken konden munten bewust worden vervormd voordat zij als offergave werden achtergelaten. De onderzoekers vermoeden dat de schat afkomstig was uit een kerkelijk offerblok. Mogelijk werden de munten tijdens de Nederlandse Opstand meegenomen en vervolgens in Drenthe verborgen. De vondst verbindt de geschiedenis van Zuidlaren met de bredere godsdienstige conflicten in de Nederlanden. De identiteit van degene die het geld verborg, is niet vastgesteld.
Rug van Tynaarloo — Verdere aanvullingen over kloosterbezit, bisschoppelijke kastelen en verdwenen verdedigingswerken, 1196–1514
Luthgerus verkoopt het land Selwerd aan de abdij Ruinen — 1196
In 1196 verkocht Luthgerus, een leenman van de Utrechtse kerk, het land Selwerd aan de benedictijnerabdij te Ruinen. De verkoop moest de stichting van een nieuw klooster mogelijk maken. Het betrokken bezit werd in de oorkonde terra Selewrt genoemd. De grenzen en oppervlakte werden niet nauwkeurig vastgelegd. Jan van den Broek vermoedt dat het terrein grotendeels werd omsloten door natuurlijke waterlopen, moerassen en moeilijk toegankelijk land. De overdracht laat zien dat de abdij Ruinen al vóór 1200 betrokken raakte bij het grondbezit rondom Groningen. Daarmee bestond een rechtstreekse verbinding tussen een Drentse kloosterinstelling en de ontwikkeling van het Gorecht.
Bron: Jan van den Broek, Groningen, een stad apart (2007), blz. 220–222.
Groningen pacht de rechten van het Gorecht — 1392
In 1392 wist Groningen belangrijke bestuurlijke rechten over het Gorecht te verwerven. De stad pachtte deze voor honderd jaar van het Utrechtse domkapittel en moest daarvoor jaarlijks 83½ oude Franse schilden betalen. Het ging niet om de volledige eigendom van alle grond, maar om landsheerlijke bevoegdheden en inkomstenrechten. De bisschoppelijke tafelgoederen bleven buiten de overdracht. Het stadsbestuur kreeg hierdoor een sterkere positie tegenover de Drentse en Gorechtse dorpen. Bisschop Frederik van Blankenheim beschouwde de groeiende zelfstandigheid van Groningen echter als een bedreiging voor zijn eigen gezag. De overeenkomst vormde daarmee een belangrijke achtergrond voor de oorlog die in 1400 begon.
Bron: Diana Spiekhout, De Vijf van Frederik (2016), blz. 34.
Frederik van Blankenheim onderwerpt de burggraaf van Coevorden — 1395
Bisschop Frederik van Blankenheim wilde het landsheerlijke gezag in Drenthe herstellen. In 1395 belegerde hij het kasteel van Coevorden en wist hij de ongehoorzame burggraaf Reinoud IV uit zijn ambt te verwijderen. Daarmee kreeg de bisschop opnieuw directe invloed op een van de belangrijkste militaire en bestuurlijke steunpunten van Drenthe. Coevorden beheerste een oude toegangsroute vanuit het Duitse achterland naar het noorden. De overwinning gaf Frederik de gelegenheid zijn aandacht op Groningen en het Gorecht te richten. De stad had juist geprobeerd zelfstandiger te worden. De uiteenlopende belangen maakten een nieuwe machtsstrijd tussen Utrecht en Groningen steeds waarschijnlijker.
Bron: Spiekhout, De Vijf van Frederik, blz. 34.
Het verwoeste Onstaborg leidt tot oorlog — Groningen — 1400
In 1400 verwoestte Groningen het stamslot van de familie Onsta bij Sauwerd. De Onsta's behoorden tot de Vetkopersgezinde machthebbers in het Groninger gebied en hadden bisschop Frederik van Blankenheim financieel gesteund. Volgens de kroniekschrijver Johan van Lemego vormde de aanval op hun bezit een belangrijke aanleiding voor het optreden van de bisschop tegen Groningen. Frederik trok met een leger naar het noorden en belegerde de stad gedurende ongeveer drie weken. Vanaf de Kempkensberg liet hij geschut opstellen om Groningen te beschieten. De verdedigers ontvingen echter versterkingen en voorraden, waardoor de bisschop de stad niet kon onderwerpen.
Bron: Spiekhout, blz. 34–35.
Frederik laat vijf kastelen bouwen om Groningen af te sluiten — 1400–1405
Toen het niet lukte Groningen met een belegering te onderwerpen, zette bisschop Frederik van Blankenheim zijn strijd op andere wijze voort. Hij liet versterkingen bouwen langs de toegangswegen en waterverbindingen ten zuiden van de stad. In het vredesverdrag van 1405 worden vijf kastelen genoemd: Blankeweer, Blankevoorde, Peize, Eelde en Ammerkehorn. De bedoeling was het handelsverkeer en de aanvoer van goederen naar Groningen te bemoeilijken. Daarmee werden de wegen door Noord-Drenthe onderdeel van een groter militair plan. Niet alle kastelen hadden dezelfde omvang of betekenis. Van sommige is alleen de historische naam bekend gebleven en ontbreekt nog steeds een vastgestelde locatie.
Bron: Spiekhout, blz. 30–31 en 35–37.
De wapenstilstand stelt grenzen aan de kastelenbouw — 1401
In 1401 kwamen bisschop Frederik van Blankenheim en Groningen een wapenstilstand overeen. Daarbij werd bepaald dat de bisschop in Drenthe en het Gorecht geen nieuwe kastelen mocht bouwen. Ook mocht de bestaande versterking Blankeweer niet verder worden uitgebreid. De bepalingen laten zien hoe belangrijk het beheer van militaire steunpunten inmiddels was geworden. Het ging niet alleen om aanvallen op de stad zelf, maar ook om de mogelijkheid het handelsverkeer, de bevoorrading en de wegen naar Drenthe af te sluiten. De wapenstilstand maakte geen definitief einde aan het conflict. Pas in 1405 kwam een regeling tot stand waarin ook de afbraak van de versterkingen werd voorgeschreven.
Bron: Spiekhout, blz. 35–36.
Blankeweer krijgt soldaten uit de Overijsselse steden — 1400–1405
Blankeweer was waarschijnlijk de belangrijkste van de vijf bisschoppelijke versterkingen. Uit de stadsrekeningen van Deventer blijkt dat tijdens de oorlog geld werd besteed aan het onderhoud en de bezetting van dit steunpunt. De manschappen kwamen onder meer uit Zwolle, Deventer en Kampen. Mogelijk leverden ook Utrecht en Amersfoort soldaten. De bezetting stond onder leiding van een kastelein. Groningen klaagde in een brief aan Keulen dat kooplieden op de vrije koningsweg door de soldaten bij Blankeweer werden gehinderd. Zo blijkt dat het kasteel niet alleen een militaire functie had, maar rechtstreeks ingreep in de handel tussen Groningen en de zuidelijke gebieden.
Bron: Spiekhout, blz. 35–36.
Groningen zoekt via Münster een weg om de blokkade heen — 1400–1405
De blokkade van de zuidelijke toegangswegen bracht het handelsverkeer van Groningen in moeilijkheden. De bisschoppelijke versterkingen maakten het voor kooplieden gevaarlijk of onmogelijk bepaalde routes te gebruiken. Groningen probeerde daarom steun te vinden bij de Hanzesteden. Toen dit onvoldoende opleverde, sloot het stadsbestuur een overeenkomst met de bisschop van Münster. Via diens gebied konden handelsgoederen naar Groningen worden vervoerd zonder de door Frederik beheerste wegen te gebruiken. De gebeurtenis toont hoe belangrijk internationale verbindingen waren voor een stad die van handel afhankelijk was. Ook het Duitse achterland speelde daardoor een rechtstreekse rol in de strijd om Groningen.
Bron: Spiekhout, blz. 35–36.
Het bisschoppelijke kasteel bij Peize blijft onvindbaar — 1400–1405
Een van de vijf kastelen stond volgens het vredesverdrag van 1405 bij Peize. Diana Spiekhout onderzocht of dit kasteel kon worden verbonden met bestaande of verdwenen versterkte huizen. Het latere Huis te Peize levert daarvoor geen overtuigend bewijs. Ook Ter Hansouwe kan niet zonder nader onderzoek met het bisschoppelijke kasteel worden vereenzelvigd. Dat gebouw bevat wel oude bakstenen, maar de geschiedenis van zijn middeleeuwse voorgangers is onduidelijk. Mogelijk bouwde Frederik een tijdelijke versterking bij een belangrijke weg of waterovergang. De exacte locatie is tot dusver niet gevonden. Het kasteel van Frederik moet daarom als een afzonderlijke, verdwenen versterking worden behandeld.
Bron: Spiekhout, blz. 36–37.
Het kasteel bij Eelde en de oudere Waterburcht — 1400–1405
Ook bij Eelde wordt een bisschoppelijk kasteel genoemd. In het dorp bestonden al oudere versterkte huizen, waaronder de Waterburcht, ook Ter Borch genoemd. Deze wordt verbonden met de Eelder schultenfamilie. Het is mogelijk dat Frederik van Blankenheim een bestaande versterking tijdelijk heeft gebruikt voor zijn militaire blokkade. Ook kan hij een geheel nieuwe versterking hebben laten bouwen. Spiekhout onderzocht historische kaarten, luchtfoto's en hoogtegegevens, maar vond geen overtuigende locatie voor het in 1405 genoemde kasteel. Daarom mag de Waterburcht niet zonder bewijs met het bisschoppelijke steunpunt worden gelijkgesteld. De Eelder versterking blijft een afzonderlijke historische onderzoeksvraag.
Bron: Spiekhout, blz. 37.
Ammerkehorn beheerst de Hunze en de route naar Zuidlaren — 1400–1405
Een van de bisschoppelijke kastelen droeg de naam Ammerkehorn. Jan van den Broek lokaliseerde deze plaats in een oude meander of rivierbocht van de Hunze. De ligging was strategisch belangrijk. Vanaf deze omgeving kon het verkeer over de Hunze en het pas gegraven Schuitendiep worden beïnvloed. Daarnaast liep aan de oostzijde van het Zuidlaardermeer een verbinding tussen Groningen en het zuidelijke achterland. Een versterking bij Ammerkehorn kon daarmee zowel land- als waterverkeer onder controle houden. Diana Spiekhout kon de vermoedelijke plaats aanwijzen, maar vond geen overtuigende resten van het kasteel op luchtfoto's, historische kaarten of hoogtebeelden.
Bron: Spiekhout, blz. 37.
Blankevoorde en de mogelijke versterking bij Nije Waarken — 1400–1405
Het kasteel Blankevoorde wordt in het verdrag van 1405 genoemd, maar de oude plaatsnaam is later verdwenen. Het woord voorde wijst op een doorwaadbare plaats, vermoedelijk waar een weg een rivier kruiste. Bij Glimmen ligt langs de Drentsche Aa een terrein dat bekendstaat als Nije Waarken. Op oude luchtfoto's zijn daar sporen zichtbaar van een rechthoekige omgrachting en funderingen van een bakstenen gebouw. Het terrein zou daarom een kandidaat kunnen zijn voor Blankevoorde. Een nauwkeurige datering ontbreekt echter. Het is ook mogelijk dat Blankevoorde bij een andere doorwaadbare plaats lag. De identificatie blijft voorlopig een historische hypothese.
Bron: Spiekhout, blz. 37–38.
De landweer door het Besloten Veen — Glimmen en Noordlaren — 1400–1405
Bij het Besloten Veen tussen Glimmen en Noordlaren zijn op hoogtebeelden verschillende oude greppels en wallen herkenbaar. Diana Spiekhout onderzocht deze als mogelijke resten van de landweer die Frederik van Blankenheim tijdens zijn oorlog tegen Groningen liet aanleggen. Het onderzochte stelsel loopt ongeveer 2.050 meter van de omgeving van de Pollseweg naar de Lageweg. Op verschillende plaatsen zijn twee tot vijf parallelle greppels te onderscheiden. Mogelijk stonden er vroeger ook palissaden, hindernissen en bewakingsposten. Het Besloten Veen was al een natuurlijke hindernis. Door de aanleg van een landweer kon de doorgang over de Hondsrug nog sterker worden afgesloten.
Bron: Spiekhout, blz. 38–41.
Het Bolwerk bij Noordlaren heeft meerdere grachten en wallen — Middeleeuwen
Bij Noordlaren ligt het terrein dat bekendstaat als Het Bolwerk. Een beschrijving uit 1848 vermeldt een ronde versterking met een binnenplein van ongeveer veertig tot vijftig meter doorsnede. Daaromheen lagen verschillende wallen en grachten. Uit luchtfoto's is een buitendiameter van ongeveer 140 meter gereconstrueerd. De versterking werd vroeger in verband gebracht met Nutspete, het Drentse steunpunt uit de dertiende eeuw. Diana Spiekhout betwijfelt deze identificatie. Volgens haar kan Het Bolwerk eerder een onderdeel van de landweer van bisschop Frederik zijn geweest, mogelijk zelfs het kasteel Blankeweer. Archeologisch dateringsonderzoek is noodzakelijk om tussen deze verklaringen te kunnen kiezen.
Bron: Spiekhout, blz. 38–41.
Een onbekende versterking bij Wolfsbarge — Mogelijk omstreeks 1400
Bij Wolfsbarge, ten oosten van het Zuidlaardermeer, liggen resten van een omgrachte versterking. De buitenste grachten hadden een doorsnede van ongeveer 115 meter. Archeoloog Henk Groenendijk onderzocht het terrein in 1986. De grachten waren in het pleistocene dekzand ingegraven. Er werden onder andere baksteenfragmenten, dakpanresten, hout, keien en mogelijk huttenleem gevonden. Het vondstmateriaal was onvoldoende om de aanleg nauwkeurig te dateren. Diana Spiekhout merkte op dat de vorm overeenkomsten vertoont met Het Bolwerk bij Noordlaren. Mogelijk was Wolfsbarge onderdeel van Frederiks verdedigingsstelsel, maar zelfs de mogelijkheid van een zesde bisschoppelijke versterking blijft open.
Bron: Spiekhout, blz. 42–43.
Het vredesverdrag schrijft de afbraak van vijf kastelen voor — 1405
Op 28 september 1405 verbonden Ommelander geestelijken en zes Groningse burgers zich aan de voorwaarden van een vredesregeling. De vrede tussen bisschop Frederik van Blankenheim en Groningen met de Ommelanden werd op 18 oktober in Coevorden afgekondigd. Een belangrijke bepaling was dat de vijf tijdens de oorlog gebouwde kastelen moesten worden afgebroken. Daarbij werden Blankeweer, Blankevoorde, Peize, Eelde en Ammerkehorn afzonderlijk genoemd. De afbraak moest verhinderen dat de bisschop de wegen naar Groningen opnieuw met dezelfde steunpunten kon afsluiten. Niet alle verdedigingswerken verdwenen volledig. Van Blankeweer waren in de zestiende eeuw nog resten zichtbaar.
Bron: Spiekhout, blz. 30–31 en 35–36.
De Saksen leggen opnieuw een landweer bij Blankeweer aan — 1514
In 1514 werden bij Blankeweer opnieuw verdedigingswerken aangelegd, ditmaal door de Saksen. De aanleg vond plaats in een landschap waar ruim een eeuw eerder bisschop Frederik van Blankenheim de toegangswegen had laten afsluiten. Het is mogelijk dat de Saksen delen van de oudere landweer opnieuw gebruikten. De historische beschrijvingen maken echter niet duidelijk welke gedeelten daadwerkelijk uit de vijftiende eeuw stamden en welke later werden aangelegd. Ook moderne militaire ingrepen hebben sporen in het Besloten Veen achtergelaten. Daardoor is het niet verantwoord iedere zichtbare wal of greppel zonder meer aan Frederik toe te schrijven. De verschillende gebruiksfasen moeten archeologisch worden onderscheiden.
Bron: Spiekhout, blz. 38–41.
Aanvullingen op de Rug van Tynaarloo — Peize, de oude adellijke families en hun bezittingen (1212–1600)
Rudolf van Peize bij de verpanding van kloostertienden — 1212–1213
In 1212 of 1213 verklaarde ridder Volker van Coevorden dat hij samen met zijn zoon Rudolf tiendrechten in Spier en Echten aan het klooster Ruinen had verpand. Bij deze rechtshandeling trad Rudolf van Peize op als getuige. Ook Egbert van Groningen, Johan van Ruinen, Engelbert van Steenwijk en schulte Bertold waren aanwezig. Tiendrechten gaven aanspraak op een gedeelte van de landbouwopbrengsten en konden als zekerheid voor schulden dienen. De oorkonde, opgenomen in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe onder nummer 53, toont hoe Rudolf van Peize betrokken was bij financiële overeenkomsten tussen aanzienlijke families en geestelijke instellingen buiten zijn eigen woongebied.
Rudolf van Peize en de inkomsten van het Utrechtse Domkapittel — Omstreeks 1225
Een inkomstenregister van het Domkapittel van Utrecht vermeldt Rudolf van Peize onder de personen die aan deze kerkelijke instelling betalingen verschuldigd waren. In dezelfde lijst komen Menso van Roden, Rudolf van Langelo, Rudolf van Norch, Otto van Zeegse, Albert van Uffelte, Herman van Voorst, Rudolf van Coevorden en schulte Bartold voor. Ook wordt een Menso genoemd, mogelijk een familielid van Rudolf. De vermelding maakt duidelijk dat het Domkapittel inkomstenrechten bezat die verspreid lagen over Drenthe. De precieze ligging van de afzonderlijke goederen blijkt niet uit deze naamlijst. Bovendien bestaan in de latere literatuur verschillende dateringen van het register.
Adolf en Rudolf van Peize bij een schenking in Appelscha — Maart 1247
In maart 1247 verbleef bisschop Otto III van Utrecht in Ruinen. Daar bevestigde hij de overdracht van tiendrechten van twee hoeven in Appelscha aan het klooster Ruinen. Onder de getuigen bevonden zich Gijsbert van Buchorst, Pelgrim van Putten, Wolter Radinc van Vollenhove en Rudolf van Norch. Ook Adolf en Rudolf van Peize waren aanwezig. De overeenkomst toont dat personen uit Peize betrokken waren bij bisschoppelijke rechtshandelingen die zich tot in het Friese grensgebied uitstrekten. In de overlevering bestaat verschil over hun maatschappelijke positie: sommige beschrijvingen noemen hen ridders, andere geestelijken. De Latijnse getuigenlijst moet uitsluitsel geven.
Arnoldus van Peize verdedigt de rechten van klooster Yesse — 1249
In 1249 ontstond een geschil tussen het vrouwenklooster Yesse bij Haren en de bewoners van Kropswolde. Het conflict betrof land dat in het moeras was ontgonnen en de verplichtingen die daaraan verbonden waren. Arnoldus van Peize trad samen met een monnik en Barnoldus, zoon van Eppo Hilecinga, op als vertegenwoordiger van het klooster. De Groninger prefecten Egbert en Egbert waren bij de behandeling betrokken. De kloostervertegenwoordigers beriepen zich op rechten voor drie ontgonnen weren en Pollingeweer. De verplichtingen hadden onder andere betrekking op tienden, kerkbouw en de zijl. De precieze oorkondedatum is in de overlevering niet geheel eenduidig.
Drie ridders uit Peize bij het kloostergeschil — 1249
De oorkonde over het geschil tussen Yesse en Kropswolde noemt drie ridders uit Peize: Atholfus, Rodulfus en Folkerus. Zij traden op als getuigen bij de vastlegging van de verklaring. Verder worden Egbertus, deken in Groningen, Sicco, priester van Noordlaren, en verschillende andere geestelijken genoemd. De aanwezigheid van drie ridders uit dezelfde plaats wijst op een aanzienlijk adellijk netwerk. Volgens historicus Jan van den Broek zullen zij hebben ingestaan voor de verklaring van Arnoldus van Peize. De akte toont hoe plaatselijke adel, kerkelijke instellingen en de prefecten van Groningen gezamenlijk betrokken waren bij het vaststellen van rechten in ontgonnen moerasgebieden.
Adolf en Folkert van Peize bij de tienden van Anderen — 14 augustus 1254
Op 14 augustus 1254 deed Frederik, abt van Rottum, uitspraak in een geschil tussen Herman van Noordlaren en zijn zonen enerzijds en het klooster Ruinen anderzijds. Het conflict ging over tiendrechten in Anderen. Onder de aanwezigen bevonden zich Bernard en Willibrand, geestelijken uit Groningen, en de ridders Rudolf van Norch en Rudolf van Langelo. Ook Adolf en Folkert van Peize traden als getuigen op. De overeenkomst laat zien dat de adellijke families uit Noord-Drenthe betrokken waren bij het beheer van landbouwinkomsten in andere Drentse dorpen. Kloostergoederen, adellijke rechten en plaatselijke landbouw waren daardoor nauw met elkaar verbonden.
Folkert van Peize en de abdij van Assen — 20 oktober 1302
Op 20 oktober 1302 droegen markegenoten van Witten goederen en gebruiksrechten over aan het cisterciënzer vrouwenklooster Maria in Campis te Assen. Onder de betrokken personen worden Saspoldus en Rodolphus van Loon, Bertoldus en Lambergis van Heilerslo, Bolo Woltinge, Jacobus Hovinghe, Johannes Aldebenekinge, Wicher van Steenwijk, Eicko van Zuidlaren, Jacob van Ghijsselte en Folkert van Peize genoemd. De abdij verwierf belangen in verschillende landbouwerven. Markegronden waren van belang voor beweiding en ander gemeenschappelijk grondgebruik. De oorkonde toont opnieuw dat de familie Van Peize buiten de eigen nederzetting bij grondoverdrachten betrokken was. Of Folkert dezelfde persoon was als de getuige uit 1254, is niet vastgesteld.
Engelbert van Peize en het huwelijk van de familie Van der Ese — 1 mei 1313
Op 1 mei 1313 werd een huwelijksovereenkomst gesloten tussen Johan van der Ese en Herman Vleisch van Kuinre. Johan beloofde dat zijn zoon Herman van der Ese zou trouwen met Lise, dochter van Herman Vleisch. De toekomstige bruidegom was via zijn moeder een kleinzoon van ridder Engelbert van Peize. Ook Roelof van Peize trad als medezegelaar op. De overeenkomst verbindt de families Van Peize, Van der Ese en Van Kuinre. Huwelijken binnen deze families hadden niet alleen persoonlijke betekenis, maar konden gevolgen hebben voor grondbezit, erfrechten en leenverplichtingen. De latere afstamming van deze familietakken moet met afzonderlijke oorkonden worden gecontroleerd.
Rudolf van Peize verkoopt tienden aan de boeren van Benneveld — 23 oktober 1313
Op 23 oktober 1313 verklaarde Rudolf van Peize, zoon van ridder Engelbert van Peize, dat hij de helft van zijn tiendrechten in Benneveld aan de bewoners van die buurtschap had verkocht. De overeenkomst is opgenomen in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe onder nummer 245. Tiendrechten vormden een inkomstenbron doordat een gedeelte van de agrarische opbrengst moest worden afgestaan. Door de verkoop kregen de bewoners zelf zeggenschap over een deel van deze rechten. De transactie maakt duidelijk dat landbouwgemeenschappen gezamenlijk financiële verplichtingen konden overnemen van adellijke grondbezitters. Rudolf bezat daarmee aantoonbaar belangen buiten Peize, in het gebied van Zuidoost-Drenthe.
Rudolf van Peize bij de erfdeling van de heren van Almelo — 4 juli 1323
Op 4 juli 1323 verklaarden Johan en Egbert van Almelo dat zij hun gezamenlijke nalatenschap hadden verdeeld. De verdeling vond plaats overeenkomstig een uitspraak waarbij Johan, graaf van Bentheim, en andere aanzienlijke personen betrokken waren. In de oorkonde wordt ook Rudolf van Peize genoemd. Zijn aanwezigheid past bij de uitgebreide bezits- en familiebetrekkingen tussen de heren Van Peize en de adel van Twente. De verdeling van een nalatenschap kon betrekking hebben op boerderijen, leengoederen, tienden en andere inkomstenrechten. Voor het reconstrueren van de familierelaties is het van belang de precieze rol van Rudolf in deze overeenkomst vast te stellen.
Roelof van Peize staat borg voor een bisschoppelijke schuld — 25 januari 1326
In een oorkonde van 25 januari 1326 wordt Roelof van Peize genoemd onder de personen die borg bleven voor een schuld van de bisschop van Utrecht aan de heer van Keppel. Ook Egbert van Groenenberg trad als borg op. Een borg stelde zich aansprakelijk wanneer de oorspronkelijke schuldenaar zijn verplichtingen niet nakwam. Daardoor konden aanzienlijke families financieel betrokken raken bij het beleid van een bisschop of andere landsheer. De vermelding toont dat Roelof van Peize niet alleen over lokale rechten beschikte, maar voldoende aanzien had om bij een dergelijke financiële overeenkomst op te treden. De hoogte en voorwaarden van de schuld verdienen nader onderzoek.
Rudolf van Peize en zijn vier zonen verkopen goederen in Halen — 3 november 1334
Op 3 november 1334 verkocht Rudolf van Peize, zoon van ridder Engelbert van Peize, samen met zijn vier zonen goederen in Halen. De zonen worden genoemd als Eggelbertus, Rodolphus, Bernardus en Hermannus. De oudste zoon Eggelbertus was meerderjarig en trad als medezegelaar op. De helft van de goederen kwam aan het klooster Assen. De andere helft werd overgedragen aan Henricus, pastoor van Eelde, en diens broer Hermannus Schultinghe. De transactie verbindt de families Van Peize en Schultinghe met de abdij van Assen. De aanwezigheid van de vier zonen is bijzonder waardevol voor het reconstrueren van de genealogie.
De herwijding van de kerk van Peize — 1335
Een bisschoppelijke rekening uit 1335 vermeldt een wijding van de kerk van Peize. De Latijnse aanduiding luidt consecracio ecclesie in Pese. Omdat de stenen Johanneskerk al in de dertiende eeuw bestond, beschouwt historicus Jan van den Broek dit waarschijnlijk als een herwijding. Hij legt een mogelijk verband met conflicten tussen Drenthe en de bisschop van Utrecht, waarbij kerkelijke straffen kunnen zijn opgelegd. In 1328 hadden Drentse vertegenwoordigers immers gevraagd om een wijbisschop die kerken opnieuw kon wijden en kinderen het vormsel kon toedienen. De herwijding is gedocumenteerd; het verband met een eerder interdict blijft een historische hypothese.
Johan ter Hansouwe verkrijgt de tienden van Noordsleen — 7 september 1376
Op 7 september 1376 verklaarde Reinold van Coevorden dat hij Johan ter Hansouwe en zijn erfgenamen had beleend met de tienden van Noordsleen. Deze inkomstenrechten waren eerder door Goedert van den Hove aan de leenheer overgedragen. De akte vermeldt dat de tienden als leen van de heerlijkheid Coevorden moesten worden gehouden. Zij vormden een blijvende aanspraak op landbouwopbrengsten. De oorkonde wordt genoemd in het huisarchief van het Huis te Peize, inventarisnummer 85, regest 1. De overeenkomst maakt duidelijk dat Johan ter Hansouwe inkomsten bezat buiten de onmiddellijke omgeving van Peize en deelnam aan het leenstelsel van de heren van Coevorden.
Roelof van Echten koopt de Blicmaat in de Peizer marke — 1381
In 1381 kocht Roelof, ook Rudolf genoemd, van Echten grond in de marke van Peize. Het perceel droeg de naam Blicmaat en grensde volgens de overgeleverde beschrijving aan de westzijde aan Roden. Roelof behoorde tot de familie Van Echten, die bezittingen had in verschillende delen van Drenthe. De aankoop laat zien dat het grondbezit van deze familie zich ook naar Noordenveld uitbreidde. De Blicmaat kan een landbouwperceel of hooiland zijn geweest, maar het gebruik is nog niet nauwkeurig vastgesteld. De oude perceelsnaam is belangrijk voor onderzoek naar markegrenzen en de ligging van vroegere landbouwgronden.
Roelof van Peize verkoopt het Bouhues bij Enschede — 13 juli 1405
Op 13 juli 1405 verklaarden Rolef van Peyze en zijn kinderen Herman, Everd en Jutte dat zij het erf en goed Bouhues hadden verkocht aan Johan Henrixsoene van Besten. Het bezit lag in de buurtschap Lynre, tegenwoordig verbonden met Lonneker, in het kerspel Enschede. De rechtshandeling vond plaats voor Herman Luefoghen, richter van Enschede. Ook Wylleken Hughinc, Berend Swaferinck en Johan Swaferinck worden als gerechtspersonen genoemd. Volgens de genealogische beschrijving is de oorspronkelijke oorkonde bewaard gebleven, maar zijn de zegels verloren gegaan. De verkoop toont dat de familie Van Peize ook in Twente over landbouwgoederen beschikte.
Herman van Peize en de kerkelijke rechten van Zuidoost-Drenthe — 1433
Op 2 augustus 1433 werd Herman van Peize uit de Almelose familietak vermeld als bezitter van patronaatsrechten van de kerken van Emmen, Odoorn en Schoonebeek en de vicarie van Emmen. Hij had deze rechten volgens de leenregistratie verkregen na het overlijden van zijn vader Roelof van Peize. Patronaatsrecht gaf invloed op de voordracht van geestelijken voor een kerkelijke functie. Het betekende niet dat de bezitter eigenaar van het kerkgebouw was. Herman was gehuwd met Aleid van Harderwijk en bezat daarnaast leengoederen in Twente. In 1457 werden zijn kerkelijke rechten opnieuw vermeld. Het bezit verbond zijn familie met verschillende Drentse parochies.
Otto ter Hansouwe bij het huwelijk van Steven ter Borch — 11 september 1447
Op 11 september 1447 werden huwelijksvoorwaarden opgesteld voor Steven ter Borch Stevenszoon en Grete, dochter van Johan van Echten. Als vertegenwoordigers traden Rodoff Entes, Otto ter Hansouwe, Folkeer Maurissingh en Roloff van Ummen op. Steven ter Borch zou aan zijn zoon de tienden van Norg, de hof te Lemferdinge, gronden op de Nijen Ackeren en bezittingen in Paterswolde overdragen. Johan van Echten stelde inkomsten uit tienden in Lede en goederen bij Hasselt beschikbaar. Voor het geval Steven eerder zou overlijden, werden voorzieningen voor Grete getroffen. De akte verbindt Ter Hansouwe rechtstreeks met de families Ter Borch en Van Echten.
Herman van Peize betaalt een schuld met vier mudden rogge — 1453
In 1453 verklaarde Herman van Peize dat hij wegens een schuld aan Lubbert Tijessoene en diens vrouw jaarlijks vier mudden rogge zou leveren. De betaling moest komen uit de opbrengsten van zijn erf Groot Hulscher in Zenderen, bij Borne. In 1453 en 1454 werd Herman opnieuw met dit leengoed in verband gebracht. Graanrenten waren een veelgebruikte manier om schulden en andere financiële verplichtingen te regelen. De schuldeiser kreeg daardoor aanspraak op een vaste hoeveelheid landbouwproduct, terwijl het erf als bedrijf bleef bestaan. De vermelding toont hoe landbouwopbrengsten konden worden gebruikt voor financiering binnen adellijke families.
Herman van Peize en de Onze-Lieve-Vrouwevicarie — 1470
In 1470 schonken Herman van Peize en zijn echtgenote Aleid van Harderwijk een aanzienlijk gedeelte van hun goederen aan de nieuw gestichte Onze-Lieve-Vrouwevicarie in de kerk van Almelo. Een vicarie was een kerkelijke stichting waarvan de inkomsten werden gebruikt voor de bezoldiging van een geestelijke. De betrokken vicaris moest zielemissen lezen en tijdens de jaarlijkse herdenkingsdagen van de schenkers waskaarsen laten branden. De schenking toont hoe landbouwbezit en inkomstenrechten konden worden ingezet voor religieuze verplichtingen. Het onderzoek van Heemkundevereniging Borne vermoedt dat Herman en Aleid kinderloos bleven, maar daarvoor is nog afzonderlijke bevestiging nodig.
Aleid van Peize erft de Vogelsanck bij Almelo — 11 juli 1478
Op 11 juli 1478 werd Aleid van Peize beleend met het goed Vogelsanck bij Almelo. Zij volgde haar overleden broer Herman op. Haar zoon Otto van Bellinchave trad bij deze rechtshandeling als hulder op. Tot de familiebezittingen behoorden ook tiendrechten bij Agelo en Vasse. De Vogelsanck werd later bekend als de Bellinkhof. De overgang toont dat vrouwen een belangrijke rol konden spelen bij de vererving van adellijke goederen. De rechten gingen niet uitsluitend via mannelijke erfgenamen over. De familie Bellinchave raakte door Aleid verbonden met het oudere bezit van de Van Peizes in Twente en met hun historische betrekkingen in Drenthe.
Albert van Steenwijk ontvangt de oude kerkelijke rechten — 6 maart 1482
Op 6 maart 1482 beleende de bisschop van Utrecht Albert van Steenwijk met de patronaatsrechten van de kerken van Emmen, Odoorn en Schoonebeek en de vicarie van Emmen. Deze rechten waren eerder verbonden geweest met Herman van Peize en zijn voorouders. Het ging om een zogenoemd vijfmarksleen. Bij de overdracht werd bepaald dat een eerdere voordracht van Anthonijs ten Apel voor de kerk van Emmen geldig moest blijven. Die voordracht was gedaan door Johan Stelling, kastelein van Coevorden en ambtman en rentmeester van Drenthe. De akte vormt een concreet voorbeeld van de overdracht van kerkelijke rechten tussen adellijke families.
Leffert Coerts en Peter huren het tichelwerk in Foxwolde — 1551
In 1551 sloot het klooster Bergum een overeenkomst met Leffert Coerts en zijn vrouw Peter over het tichelwerk in Foxwolde. Bij de huur hoorden landerijen, een halve waar houtrechten, zes dagwerken zwarte turf en zestien dagwerken witte turf. Leffert en Peter woonden al bij het bedrijf en bezaten hun woning. De overeenkomst bevatte nauwkeurige voorwaarden voor de exploitatie. Zonder toestemming van het klooster mochten zij geen nieuwe woningen bouwen, geen andere landerijen huren en niet onbeperkt stenen voor eigen rekening produceren. Het contract toont hoe een klooster de productie van bouwmaterialen controleerde via huurvoorwaarden en leveringsverplichtingen.
Tienduizend dakpannen als betaling aan het klooster Bergum — 1551–1553
Leffert Coerts en zijn vrouw Peter moesten volgens hun overeenkomst in 1551 en 1552 jaarlijks 10.000 onbeschadigde dakpannen leveren. De aflevering moest plaatsvinden bij het Peizerdiep, omstreeks de feestdag van Sint-Michaël op 29 september. Voor 1553 werd een verplichting vastgesteld van 8.000 goede rode dakpannen. Daarmee zijn niet alleen de productiehoeveelheden bekend, maar ook een afleverplaats en een tijdstip. De pannen dienden als betaling voor verplichtingen die met hun bezit en het tichelwerk samenhingen. Het Peizerdiep functioneerde daarbij als handels- en overslagplaats voor bouwmaterialen uit Foxwolde. De levering toont de bedrijfsmatige omvang van de pannenbakkerij.
Anna Gortemaker en de woningen bij de Foxwolder steenovens — 1566
Toen Johan van Ewsum en Anna van Burmania in 1566 het tichelwerk bij Foxwolde aan Johan en Harmen Wolters verhuurden, werd een inventaris van de bezittingen opgesteld. Daarin werden niet alleen de kleigronden en de oven genoemd, maar ook verschillende woningen. Leffert Coerts en zijn vrouw Peter kwamen nog steeds in de beschrijving voor. Daarnaast wordt een kleiner huis genoemd waarin Anna Gortemaker woonde. Deze vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat bij de steenbakkerij meerdere huishoudens betrokken waren. Het tichelwerk vormde daarmee een afzonderlijk arbeids- en wooncomplex waarin productie, huisvesting en grondgebruik samenkwamen.
De familie Van Peize tussen Drenthe, Groningen en Twente — Tot 1600
De middeleeuwse oorkonden maken duidelijk dat de heren Van Peize gedurende verschillende generaties betrokken waren bij een uitgestrekt netwerk van goederen en rechten. Zij traden op bij overeenkomsten met de kloosters Ruinen, Yesse en Assen, bezaten tiendrechten in Benneveld en Halen en hadden betrekkingen met de families Van Coevorden, Van Norch, Van Echten, Van der Ese, Van Kuinre en Van Steenwijk. Een familietak verwierf bezittingen in Twente en kerkelijke rechten in Zuidoost-Drenthe. Niet iedere genealogische verbinding is bewezen. De oorkonden laten echter zien dat Peize in de middeleeuwen onderdeel was van een veel groter bestuurlijk, economisch en kerkelijk netwerk.
Rug van Tynaarloo — Aanvullende geschiedenis van Eelde en Paterswolde
De laatste katholieke pastoor van Eelde — 1602
De invoering van de Reformatie in Drenthe verliep niet overal even snel. In Eelde bleef de katholieke pastoor Berent Hammius nog enkele jaren werkzaam nadat het nieuwe bestuur in 1598 opdracht had gegeven de kerkelijke organisatie te veranderen. In 1602 moest hij zijn functie neerleggen en werd Johan de Bruyne de eerste gereformeerde predikant van Eelde. Het dorp werd bij de kerkelijke indeling onder de classis Rolde gebracht. Het collatierecht, waarmee invloed op de benoeming van een predikant kon worden uitgeoefend, bleef verbonden met particuliere bezitters. Hierdoor veranderde de godsdienstige organisatie, terwijl oudere bestuurlijke en economische rechten bleven voortbestaan.
De oude korenmolen van Eelde — 8 mei 1606
Op 8 mei 1606 werd de korenmolen van Eelde vermeld in een vergadering van Drost en Gedeputeerden van Drenthe. De eigenaar, Hopman Wessels, had nog een financiële verplichting tegenover het Landschap Drenthe. De molen stond aan de huidige Molenweg in het Zuideinde, op een verhoging die bekendstond als de Molenberg. Het was een standerdmolen waarin het graan van boeren uit Eelde en omliggende buurtschappen werd gemalen. De weg sloot aan op de Lange Steeg, de Esweg en de verbinding richting Yde. Daarmee was de molen bereikbaar vanuit verschillende landbouwgebieden op de hogere gronden van de Rug van Tynaarloo.
Hindrick en de molenaars van Eelde — 1630–1770
In het belastingregister van 1630 wordt Hindrick als molenaar van Eelde genoemd. Hij woonde bij de Molenweg, waar de molen op een afzonderlijke verhoging stond. In het haardstedenregister van 1675 verschijnt de naam Dije Molder. De korenmolen had een belangrijke plaats in het agrarische bestaan, omdat boeren hun graan hier konden laten verwerken. In 1770 werd bij de komst van een nieuwe molenaar een afzonderlijk molenaarshuis gebouwd, tegenwoordig Molenweg 9. Het bedrijf bleef gedurende verschillende generaties bestaan. De geschiedenis laat zien dat graanproductie, wegen en plaatselijke nijverheid nauw met elkaar verbonden waren.
Zudden, schadden en plaggen — Brandstof en bemesting op de Drentse zandgronden
Naast hout en turf gebruikten de boeren van Eelde, Bunne, Yde, Vries en Peize ook heideplaggen en venige zoden. Zudden en schadden konden worden gedroogd en als brandstof dienen. Andere plaggen werden gebruikt als strooisel in de potstal, waar zij zich vermengden met mest van het vee. Dit mengsel werd vervolgens naar de essen gebracht om de vruchtbaarheid van het bouwland te onderhouden. Vooral vanaf de vroegmoderne tijd werd deze bemestingswijze belangrijk. Daardoor waren de heidevelden economisch onmisbaar. Het gebruik ervan werd binnen de boermarken geregeld en hing samen met de rechten van de afzonderlijke boerenerven.
Pieter Hesselink uit Westfalen — Een nieuwe familieverbinding in 1623
In 1623 vestigde Pieter Hesselink zich in Deventer. Hij was afkomstig uit Bocholt in Westfalen en werkte als bombazijnwerker, een ambachtsman in de textielnijverheid. Volgens de familiegeschiedenis had hij zijn geboortestreek om godsdienstige redenen verlaten. Zijn nakomelingen verspreidden zich over verschillende Nederlandse steden. Kleinzoon Willem Jacobs Hesselink, geboren in 1648 in Enkhuizen, trouwde in 1677 met Albertje Arends Blok uit Groningen. Willem was bakker en koopman. Latere familieleden waren actief in handel, nijverheid en grondbezit. Via hen ontstond uiteindelijk een verbinding met de buitenplaatsen rond Paterswolde, waaronder De Braak.
Het Schultenhuis wordt Nijsinghhuis — 1654–1670
Het oude Schultenhuis aan de huidige Hoofdweg 80 bleef lange tijd verbonden met de familie Alting. In 1654 werd het gebouw verbouwd. Roelfien Alting, een afstammeling uit deze familie, trouwde met Jan Nijsingh, advocaat en landschrijver van Drenthe. Zij gingen in het familiehuis wonen. In 1669 deelden schulte Johan Alting en Jan Nijsingh het gebouw nog. Een jaar later kwam het huis in handen van de familie Nijsingh en verloor het zijn vroegere functie als Schultenhuis. Het gebouw werd later bekend als Nijsinghhuis. De geschiedenis maakt duidelijk hoe het ambt van schulte en het bezit van voorname woningen met familiebetrekkingen samenhingen.
Vennebroek krijgt de status van havezate — 1689
Vennebroek behoorde tot de voorname woonplaatsen van Paterswolde en kreeg in 1689 de status van havezate. Het bezit omvatte een herenhuis, landbouwgronden en andere bijbehorende voorzieningen. Een havezate was niet uitsluitend een aanzienlijk woongebouw, maar kon onder bepaalde voorwaarden ook toegang geven tot de Drentse ridderschap. Het grondbezit leverde inkomsten op uit landbouw, verpachting en andere rechten. Het huidige huis dateert uit de negentiende eeuw, maar werd gebouwd op de plaats van een oudere voorganger. De geschiedenis van Vennebroek is verbonden met verschillende aanzienlijke families uit Groningen en Drenthe die hier grond en woonhuizen bezaten.
Schelfhorst en De Braak — Een belangrijke verkoopakte uit 1705
In 1705 verkochten Egbert Veelkens ter Schelfhorst en zijn vrouw Tecla Cloot ter Schelfhorst de buitenplaats De Braak met omliggende percelen aan secretaris L. Nijsingh en zijn vrouw Arendina Emmius. De akte is van belang omdat zij een concrete verbinding legt tussen Schelfhorst, De Braak en de familie Nijsingh. Het bezit bestond uit meer dan een afzonderlijk woonhuis. Ook de bijbehorende landerijen maakten deel uit van de overdracht. In de archiefinventaris van Ol Eel is het document opgenomen onder nummer 446, met een latere transcriptie en een kadastraal kaartje. De oorspronkelijke akte behoort tot het Trip-archief in Groningen.
De beschildering van de Eelder kerk — 1715
In 1715 werd het koor van de Dorpskerk van Eelde opnieuw ingericht. Sjuck Gerrold van Burmania, eigenaar van Oosterbroek, was betrokken bij de verfraaiing van het kerkinterieur. Het houten koorplafond kreeg schilderingen met symbolische voorstellingen van leven en dood, vrouwenfiguren, engelen en familiewapens. Daarmee kwamen godsdienstige voorstellingen en de maatschappelijke positie van belangrijke families samen. De huidige schilderingen zijn grotendeels negentiende-eeuwse kopieën van de oorspronkelijke decoratie. Bij latere restauraties werd aandacht besteed aan het behoud en herstel ervan. De kerk vormt hierdoor ook een bron voor de geschiedenis van de adellijke families van Eelde.
De oude veeneigenaren — Het Neerwold rond 1737–1751
In het archief van Ol Eel bevinden zich uittreksels uit registers van eigenaren van veenland ten westen van Haren. De registers bestrijken onder meer de perioden 1737–1740 en 1747–1751. Dit gebied maakte deel uit van het Neerwold, waar later het Paterswoldsemeer ontstond. De documenten zijn belangrijk omdat zij eigenaars en afzonderlijke veenpercelen kunnen verbinden met de latere turfwinning. Het veen was niet alleen een natuurlijk landschap, maar vertegenwoordigde ook economisch bezit. De ontginning en verkoop ervan konden inkomsten opleveren. De oorspronkelijke registers moeten verder worden onderzocht om de namen en de omvang van het bezit nauwkeurig vast te stellen.
Tonco Modderman verandert Oosterbroek — 1781
In 1781 kocht Tonco Modderman de havezate Oosterbroek. Het bestaande landgoed werd door hem opnieuw ingericht. Hij liet rechte lanen aanleggen, waaronder de huidige Molenlaan en Kerklaan. Ook ontstonden een sterrenbos en een moestuin. Bij een sterrenbos komen verschillende lanen op één punt samen, waardoor een overzichtelijke geometrische aanleg ontstaat. De veranderingen pasten bij de voorkeur van welgestelde eigenaren voor regelmatig aangelegde buitenplaatsen. Het landgoed behield tegelijkertijd zijn economische betekenis door de aanwezigheid van landbouwgronden en andere bezittingen. Moddermans werkzaamheden vormden een nieuwe fase in de geschiedenis van Oosterbroek en veranderden blijvend het omringende landschap.
Van Bunne naar Eelde — Het huwelijk van Jan Jans Ebels in 1798
Jan Jans Ebels werd in Bunne geboren en op 12 januari 1766 in Vries gedoopt. Hij was een zoon van Jan Jans en Elisabeth Tijmens Odding. Op 18 mei 1798 werden huwelijkse voorwaarden vastgelegd voor zijn huwelijk met Geertruid Ebbinge, die op 28 februari 1773 in Haren was gedoopt. Haar ouders waren Hindrik Ebbinge en Harmpje Geerts Hoiting. Het kerkelijke huwelijk vond op 15 juni 1798 in Eelde plaats. Onder de betrokken familieleden en getuigen kwamen onder meer Jan Pathuis, Gelmer Gelmers en Willem Assies voor. De huwelijksgegevens verbinden boerenfamilies uit Bunne, Vries, Haren, Eelde en Peize.
De verdeling van Lemferdinge — 1811
In 1811 kwam het omvangrijke landgoed Lemferdinge in afzonderlijke delen te koop. Het herenhuis en het oostelijke schathuis verdwenen, terwijl het westelijke schathuis behouden bleef. Eerder had generaal Jean Baptiste Dumonceau op Lemferdinge gewoond. Onder zijn invloed waren tuinen en parkbossen aangelegd. Door de verkoop veranderde de eigendomsstructuur van het vroegere adellijke bezit. Afzonderlijke terreinen konden voortaan worden ontwikkeld tot nieuwe buitenplaatsen. Uit deze verdeling ontstonden onder meer De Duinen en Vosbergen. De geschiedenis laat zien hoe een oude havezate uiteenviel en haar gronden nieuwe functies kregen. In het huidige landschap zijn gedeelten van de oorspronkelijke aanleg nog herkenbaar.
De Franse militaire kaart van Eelde — 1812
Tijdens de Franse overheersing werden in Noord-Nederland militaire kaarten vervaardigd waarop wegen, boerderijen, bruggen en waterlopen nauwkeurig werden weergegeven. De kaart van Eelde en omgeving uit 1812 is bijzonder belangrijk omdat zij het landschap toont voordat veel negentiende-eeuwse veranderingen plaatsvonden. Bij Paterswolde, Eelderwolde en de Peizer- en Eeldermaden zijn wegen en dijken herkenbaar die later werden aangepast of verdwenen. Tot de belangrijke namen behoren de Drentsche Dijk, de Noorderdijk, de Zuiderdijk en de Helmerdijk. Ook het Eelderdiep en de aangrenzende landbouwgronden zijn weergegeven. De kaart vormt daardoor een waardevolle bron voor de reconstructie van oude verbindingen.
De Duinen ontstaat uit het bezit van Lemferdinge — 1824
Na de verdeling van Lemferdinge ontwikkelde zich het landgoed De Duinen. De naam verwees naar het heuvelachtige terrein, dat eerder onder meer als De Duinekamp bekendstond. In 1824 werd een nieuw herenhuis gebouwd, midden in een laan. Het gebouw kreeg een neoclassicistische vormgeving. Rondom ontstond een park met sierbeplanting, een langgerekte vijver en kleine bruggen. Het gebied veranderde daarmee van een onderdeel van een oudere adellijke bezitting in een zelfstandige buitenplaats. De aanleg toont hoe de negentiende-eeuwse eigenaren het landschap naar hun smaak veranderden. Oude landbouwgrond werd opgenomen in een parkachtig geheel.
Abraham Hesselink koopt De Braak — 1827
In 1827 kocht Abraham Derks Hesselink het landgoed De Braak van Johan Conrad van Hasselt. De aankoopprijs bedroeg 11.000 gulden en het bezit had een oppervlakte van ongeveer 24 hectare. Bij de overdracht hoorden onder meer vier bunder hooiland aan de Duiksloot, zitplaatsen in de kerk van Eelde, grafrechten, een stemrecht in de Paterswolder Schopsloot en visrechten in het Heerendiep. De vermelding van deze rechten laat zien dat een buitenplaats niet alleen uit land en gebouwen bestond. Kerkelijke rechten en invloed op het waterbeheer konden eveneens economische waarde vertegenwoordigen. Abraham gebruikte het bezit eerst als zomerverblijf en vestigde zich er in 1837.
Oosterbroek wordt naar hoger terrein verplaatst — 1830
In 1830 liet Wiardus Hora Siccama het huis Oosterbroek naar hoger gelegen terrein verplaatsen. De oude woonplaats was gevoelig voor wateroverlast. Wiardus was door zijn huwelijk met een dochter van Tonco Modderman met het landgoed verbonden. Bij de nieuwe aanleg werd gekozen voor de Engelse landschapsstijl, die sterk afweek van de eerdere geometrische inrichting. Slingerende paden, heuvels en waterpartijen moesten het park een natuurlijker uiterlijk geven. De verplaatsing van het herenhuis toont dat zelfs aanzienlijke buitenplaatsen afhankelijk bleven van de plaatselijke waterhuishouding. Het oudere sterrenbos en verschillende lanen bleven als herkenbare onderdelen van het landschap bestaan.
De familie Brink en het verspreide boerenbezit — 1840–1871
De familie Brink komt in verschillende negentiende-eeuwse akten voor. In 1840 werd een huis met erf, appelhof en percelen in Eelde aan Roelof Brink toegewezen. In 1860 liet zijn weduwe Egberdina Buring een voogdijregeling vastleggen voor hun zoon Hindrik. Een verkoopakte uit 1868 noemt Roelof Brink te Helmersdijk, Folkert Hoving te Donderen, Albert Brink te Peizerhorst, Lammert Brink te Winde en hun zwager Aldert Ebbinge te Peize. In 1871 werd opnieuw hooiland verkocht, waaronder De Bruijlingsmade. De documenten tonen dat boerenbezit en familiebetrekkingen zich over verschillende dorpen van Noordenveld uitstrekten.
Vennebroek krijgt een nieuw herenhuis — 1848
In 1848 werd op Vennebroek een nieuw herenhuis gebouwd in opdracht van Joan Hendrik van Iddekinge. Het kwam op de plaats van een ouder huis uit de zeventiende eeuw. Het nieuwe gebouw kreeg een regelmatige, neoclassicistische vormgeving. Bij het landgoed hoorden een boerderij, dienstgebouwen, tuinen en lanen. Het bezit bleef verbonden met de landbouw en de exploitatie van omliggende gronden. De negentiende-eeuwse vernieuwing maakte van Vennebroek een buitenplaats die aansloot bij de woonwensen van welgestelde families. Het landgoed bleef tegelijk herkenbaar als onderdeel van de oudere gordel van havezaten en buitenplaatsen tussen Paterswolde en Groningen.
De drie verdwenen korenmolens van Eelde — 1848–1924
Naast de oude korenmolen aan de Molenweg kreeg Eelde in 1848 een tweede molen aan de Hoofdweg. Deze werd gebouwd op grond die drie zonen van bakker Uge Uges van hun ouders hadden gekocht. De molen bleef tot 1896 bestaan. In 1898 verscheen nog een molen aan de Kerkhoflaan, die tot 1924 in bedrijf was. De oudste molen aan de Molenweg brandde in 1870 af en werd in 1871 als achtkantige bovenkruier herbouwd. In 1894 volgde opnieuw een brand, waarna de molen werd hersteld. In 1919 werd zij definitief afgebroken. Daarmee verdwenen de vroegere windmolens geleidelijk uit het Eelder landschap.
De kerk van Eelde beschreven en getekend — 1869
In 1869 onderzocht J.E.H. Hooft van Iddekinge de oude Dorpskerk van Eelde. Zijn familie had banden met Vennebroek. Hij beschreef bouwkundige bijzonderheden en maakte tekeningen van het kerkgebouw. Daarbij besteedde hij aandacht aan tufsteen, oude toegangen, vensters, het koor en historische grafzerken. Ook behandelde hij de vroegere katholieke inrichting van de kerk. Hij vermeldde de verering van Maria, Sint-Catharina en Sint-Gangulphus. Zijn veronderstelling dat een oudere kerk in 1256 was verwoest, is niet bewezen. De beschrijving blijft waardevol omdat zij onderdelen vastlegde voordat het kerkgebouw door latere restauraties opnieuw veranderde.
Hooghullen — Een nieuw herenhuis bij Oosterbroek — 1878
Bij Oosterbroek werd in de negentiende eeuw het herenhuis Hooghullen gebouwd. Een gevelsteen noemt september 1878 en de jonkheren Frans, Harco en Willem Rengers Hora Siccama als opdrachtgevers. Hun vader Wiardus Hora Siccama woonde op het nabijgelegen Oosterbroek. Het nieuwe huis stond tussen de oude toegangswegen van het landgoed en kreeg een neorenaissancistische vormgeving. In 1890 kwam het bezit in handen van een vereniging die zich bezighield met de behandeling van drankmisbruik. Daarmee veranderde de functie van een particuliere buitenplaats in een maatschappelijke instelling. Het gebouw bleef deel uitmaken van de landgoederengordel van Eelde.
De Franse kaart en het veranderende wegennet — Negentiende eeuw
De oude verbindingen tussen Eelde, Paterswolde, Eelderwolde en Groningen werden in de negentiende eeuw ingrijpend aangepast. De Hooiweg en verschillende kleinere wegen bleven bestaan, maar kregen geleidelijk concurrentie van verbeterde en verharde hoofdwegen. In de jaren rond 1867–1870 werd de verbinding richting Groningen verbeterd. Voor sommige wegen werd tol geheven. Hierdoor konden landbouwproducten, bouwmaterialen en andere goederen regelmatiger worden vervoerd. De oude Franse kaarten en latere kadastrale opnamen maken het mogelijk deze veranderingen nauwkeurig te volgen. Zij tonen bovendien dat de ligging van wegen nauw samenhing met de hogere zandgronden en de doorgangen door het natte laagland.
Heiko Bekkering — Een schrijver uit Eelde — 1872–1901
Heiko Bekkering werd op 15 maart 1838 in Groningen geboren en vestigde zich in 1872 in Eelde. Hij hield zich intensief bezig met lezen en schrijven. Door zijn nachtelijke wandelingen kreeg hij de bijnaam Koos Oel. In 1879 schreef hij de historische roman Uit de tijd der Schieringers en Vetkoopers, waarin de Friese twisten van de veertiende en vijftiende eeuw centraal stonden. In 1884 stuurde hij het manuscript naar redacteur Willinge Gratama, maar het werd niet gepubliceerd. Een nieuwe versie voltooide hij op 21 september 1892. Daarin verwerkte hij ook historische en topografische bijzonderheden over Eelde en Paterswolde. Het manuscript bleef bewaard.
Vosbergen — Van boerderij tot buitenplaats — 1894–1917
Vosbergen ontstond op gronden die vroeger tot Lemferdinge hadden behoord. Het terrein omvatte heide, zand, kleine veentjes en landbouwgrond. In de negentiende eeuw werd het geleidelijk omgevormd tot een parklandschap. In 1894 werd het woongedeelte van een bestaande boerderij verbouwd tot zomerhuis. In 1917 liet het echtpaar Kraus-Groeneveld het gebouw opnieuw veranderen. Het bezit groeide uit tot verschillende boerderijen en vele tientallen hectaren grond. De oude hoofdlanen waren al vóór 1800 onderdeel van de verbinding tussen Paterswolde en Oosterbroek. Daarmee bleven vroegere verkeerswegen herkenbaar binnen een veel jongere landschappelijke aanleg.
De oprichting van de Eelder melkfabriek — 30 januari 1896
Op 30 januari 1896 werd bij notaris Robertus Driessens in Zuidlaren de Coöperatieve Roomboterfabriek Eelde opgericht. Zeven landbouwers traden daarbij op voor zichzelf en namens een grotere groep betrokkenen uit Eelde en Paterswolde. Het maatschappelijk kapitaal bedroeg 3.000 gulden, verdeeld in aandelen van tien gulden. Het eerste bestuur bestond onder meer uit voorzitter J. Harlief, secretaris J. Swartwolt en penningmeester K. Dussel. De oprichting betekende een belangrijke verandering voor het boerenbedrijf. Melk kon voortaan gezamenlijk worden verwerkt tot boter. Daardoor ontstonden betere mogelijkheden voor kwaliteitscontrole, afzet en gezamenlijke aankoop van landbouwbenodigdheden.
De dagelijkse melkaanvoer — De Eelder zuivelfabriek na 1896
De boeren brachten hun melk naar de coöperatieve fabriek, waar zij gezamenlijk tot boter werd verwerkt. Melkbussen werden opgehaald en na het legen opnieuw gevuld met ondermelk of karnemelk, die onder meer als veevoer werd gebruikt. De melkprijs werd bepaald door het vetgehalte. Regelmatige controles stimuleerden de verbetering van de kwaliteit en de hygiëne. De fabriek ging bovendien veevoer en kunstmest gezamenlijk inkopen. Hierdoor konden boeren goedkoper bedrijfsbenodigdheden verkrijgen. De melkfabriek werd een belangrijk onderdeel van de plaatselijke economie. De oude verbinding tussen akkerbouw, grasland en veehouderij kreeg daarmee een nieuwe industriële organisatie.
De aardbeienteelt in Paterswolde — Een nieuwe inkomstenbron vanaf 1898
Aan het einde van de negentiende eeuw ontwikkelde zich rond Paterswolde een gespecialiseerde teelt van aardbeien, groenten en andere tuinbouwproducten. De nabijheid van Groningen bood een belangrijke afzetmarkt. In een krantenbericht uit augustus 1898 werd beschreven hoe arbeiders door de verbouw van aardbeien en groenten hun inkomsten konden verbeteren. Een kweker zou op elf are grond voor ruim tweehonderd gulden aan aardbeien hebben verkocht. Deze opbrengst laat zien dat intensieve tuinbouw op een betrekkelijk klein perceel financieel aantrekkelijk kon zijn. De ontwikkeling vormde een belangrijke aanvulling op de oudere landbouw en veehouderij.
Het Friescheveen — Van turfwinning naar open water — Negentiende eeuw
Het Friescheveen ontstond grotendeels door het afgraven van laagveen in de eerste helft van de negentiende eeuw. Turfgravers verwijderden het veen en legden het gewonnen materiaal te drogen op smalle stroken, de legakkers. De uitgegraven petgaten liepen vol water. Door golfslag verdwenen later veel legakkers, waardoor grotere wateroppervlakten ontstonden. Dit landschap was daarmee rechtstreeks het gevolg van economische activiteiten. De turfwinning leverde brandstof aan huishoudens en bedrijven, onder meer in Groningen. De vroegere veenpercelen veranderden geleidelijk in een gebied met open water, rietlanden en moerasbos. De verandering betekende ook dat het land andere gebruiksmogelijkheden kreeg.
De familie Camphuis koopt Friescheveen — 1907–1909
In 1907 kocht de familie Camphuis het Friescheveen. Aanvankelijk beschikte zij over een zomerhuisje op een eilandje. In 1909 liet de familie Huis Friescheveen bouwen. Het gebouw bood vanuit vrijwel alle vertrekken uitzicht over het water. Na de aankoop van Vennebroek in 1912 werd het huis verhuurd. Onder de huurders bevonden zich dominee Pierson, het Diaconessenhuis en later het Academisch Ziekenhuis van Groningen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw door de bezetter gevorderd. Het vroegere turfgebied kreeg daardoor een nieuwe functie als zomerverblijf en recreatiegebied. De veranderingen weerspiegelen de groeiende betekenis van het landschap voor stedelijke bezoekers.
De Pottenpoort van Vennebroek — 1913
Pieter Arnold Camphuis kocht Vennebroek in 1912 en liet het landgoed vervolgens vernieuwen. In 1913 werd de monumentale Pottenpoort opgericht als nieuwe toegang tot het bezit. De bakstenen pijlers kregen natuurstenen versieringen en siervazen. De oorspronkelijke vazen zijn volgens de plaatselijke geschiedenis in 1919 aan Het Loo verkocht. Bij de verlegging van de Hoofdweg werd de poort in 1938 of 1939 verplaatst. Het landgoed kreeg daarnaast een kleinere Leeuwenpoort. Ook werden het herenhuis en de dienstgebouwen aangepast. De toegangspoorten tonen hoe de eigenaren het aanzien van een historische buitenplaats in de twintigste eeuw opnieuw vormgaven.
De blikwal — Gronings afval in het Friescheveen
Langs het Friescheveen ligt een dijk die bekendstaat als de blikwal. Na 1900 werd deze op verschillende plaatsen verstevigd met afval uit Groningen. Tussen het materiaal bevonden zich ook zaden en plantenresten uit stadstuinen. Daardoor groeiden langs de dijk later onder meer appelbomen, druiven, frambozen en aalbessen. Ook kwamen oude potten, pannen en andere huishoudelijke voorwerpen in de grond terecht. De blikwal is een bijzonder voorbeeld van de economische verbinding tussen Groningen en het omliggende platteland. Waar vroeger turf als brandstof naar de stad werd vervoerd, kwam later stedelijk afval terug om een waterkering te verstevigen.
De tuinbouwschool van Paterswolde — 1915–1922
Gezina Bähler-Boerma, bewoonster van Lemferdinge, nam in 1915 het initiatief voor een dorpshuis in Eelde-Paterswolde. Het gebouw werd gebruikt voor onderwijs, verenigingsleven en andere maatschappelijke activiteiten. Er werden ook land- en tuinbouwcursussen georganiseerd. De groeiende belangstelling voor gespecialiseerde teelten leidde in 1922 tot de oprichting van een tuinbouwschool in Paterswolde. Leerlingen kregen onderwijs in onder meer snoeien, enten, oculeren en bijenteelt. De school sloot aan bij de veranderende economie van het dorp. Naast de traditionele landbouw werd de tuinbouw steeds belangrijker en ontstonden mogelijkheden voor gespecialiseerde bedrijven en geschoolde arbeidskrachten.
De boerenfamilies in de twintigste eeuw — Het bezit van Van Bruggen
In de archiefverzameling van Ol Eel bevindt zich een afzonderlijke verhandeling over de familie Van Bruggen in Eelde. Deze behandelt de opkomst van het geslacht en het verdwijnen van de familienaam in mannelijke lijn. Van H. van Bruggen zijn documenten uit 1918 bewaard gebleven die betrekking hebben op de registratie van vee en de toewijzing van veevoer en kunstmest. Dergelijke bescheiden laten zien dat landbouwbedrijven steeds sterker afhankelijk werden van overheidsmaatregelen en georganiseerde distributie. De documenten zijn tevens belangrijk voor de familiegeschiedenis. Door ze te verbinden met oudere kadastrale gegevens kunnen de ontwikkeling van afzonderlijke boerenerven en het bezit van landbouwgronden worden onderzocht.
De betekenis van de nieuwe historische gegevens — Eelde en Paterswolde
De aanvullende geschiedenis laat zien dat Eelde en Paterswolde na de middeleeuwen belangrijke veranderingen doormaakten. De korenmolens verwerkten het graan van de boeren. De melkfabriek bracht de zuivelproductie onder gezamenlijk beheer. Tuinbouw en aardbeienteelt boden nieuwe inkomstenmogelijkheden. Buitenplaatsen als Oosterbroek, Vennebroek, Lemferdinge, De Braak, De Duinen en Vosbergen veranderden de inrichting van het landschap. Tegelijk bleven oude boerderijen, grondrechten, wegen en waterlopen herkenbaar. De verbinding met Groningen was bij vrijwel iedere ontwikkeling belangrijk. Daarmee sluit deze latere geschiedenis rechtstreeks aan op het oudere verhaal van de Rug van Tynaarloo, waarin landschap, landbouw, grondbezit en vervoer steeds nauw met elkaar verbonden waren.
De Rug van Tynaarloo en Noordenveld — Aanvullende geschiedenis tot 1600
De inrichting van de middeleeuwse boerderijen — Noord-Drenthe — 900–1400
De middeleeuwse boerderijen op de Drentse zandgronden waren ingericht voor een landbouwbedrijf waarin mensen en vee nauw met elkaar samenleefden. Archeoloog H.T. Waterbolk onderzocht deze ontwikkeling in Koeien in de kubbing?, gepubliceerd in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 2011. Bij boerderijen van het type Gasselte B bevonden zich langs de buitenzijden smalle ruimten, zogenaamde kubbingen. Mogelijk werden daar runderen gestald, terwijl het middengedeelte voor andere werkzaamheden beschikbaar bleef. Sommige gebouwen waren negentien tot tweeëndertig meter lang. De mest van het vee was belangrijk voor het onderhoud van de akkers. Deze bouwvorm biedt vergelijkingsmateriaal voor boerderijen in Vries, Eelde, Peize, Roden en Norg.
De zes middeleeuwse erven van Pesse — 900–1400
Bij archeologisch onderzoek in het oude centrum van Pesse werden zes middeleeuwse erven onderzocht. De bewoning dateert uit de periode tussen ongeveer 900 en 1400. Onder de historische erfnamen bevinden zich Waninge, Tissinge en Paddinge. H.R. Reinders en H.T. Waterbolk beschreven het onderzoek in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 2009. De vondsten zijn bijzonder omdat de archeologische nederzetting gedeeltelijk met later bekende erfnamen kan worden verbonden. Pesse bestond niet uitsluitend uit zelfstandige boerenbezittingen. Ook de bisschop van Utrecht, het klooster Dickninge en het kapittel van Sint-Pieter in Utrecht bezaten goederen in de omgeving. Daardoor bestond een ingewikkelde verhouding tussen landbouw, leenrecht en markegebruik.
De oorsprong van het Drentse schultmolt — Mogelijk 944–1227
Het schultmolt was een oude verplichting die verband hield met het ambt van de schulte. Popke Datema onderzocht de oorsprong in het artikel De oorsprong van het schultmolt: 944 of 1227?, verschenen in Ons Waardeel van 1992. De titel maakt duidelijk dat de datering van deze heffing onderwerp van discussie is. Het schultmolt kon een rol spelen bij de verplichtingen van boerenerven en het onderscheid tussen verschillende soorten grondbezit. In de marke van Norg werd bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen waardelen die wel en niet met schultmolt waren belast. Voor Eelde, Peize, Vries en Roden moet nog worden vastgesteld welke erven deze verplichting droegen.
De stichting van het benedictijner klooster bij Ruinen — 1141
In 1141 ontstond bij Ruinen een benedictijner klooster, gesticht met steun van de familie Van Ruinen en de bisschop van Utrecht. Het klooster lag aanvankelijk in de omgeving van het adellijke kasteel en de kerk van Ruinen. Daarmee waren kerkelijke stichting, bisschoppelijke macht en plaatselijk adellijk grondbezit vanaf het begin verbonden. IJsbrand Boonstra en Theo Spek onderzochten deze geschiedenis in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 2022. Het klooster groeide uit tot een omvangrijke grondbezitter en verwierf inkomsten uit landbouwbedrijven. De geschiedenis is belangrijk voor vergelijking met de commanderij van Bunne, de abdij Assen en de kloosteruithof Terheijl.
Dickninge en de ontginning van het Reestdal — Vanaf 1200
Omstreeks 1200 verwierf het klooster bij Ruinen van het kapittel van Sint-Jan in Utrecht rechten die verband hielden met de ontginning van natte gronden. Deze rechten maakten het mogelijk om invloed uit te oefenen op de ontwikkeling van het Reestdal. Het ging om een landschap waarin veen, beekdalen en hogere zandgronden naast elkaar voorkwamen. Door ontwatering en het aanleggen van landbouwpercelen ontstonden nieuwe mogelijkheden voor bewoning en voedselproductie. Het onderzoek van Boonstra en Spek laat zien hoe de bisschop, kerkelijke instellingen en adellijke grondbezitters bij de ontginning betrokken waren. Vergelijkbare vragen spelen bij de middeleeuwse ontginningen rond Roderwolde en de Eelder- en Peizermaden.
De waterput van het klooster Maria in Campis — Assen — 1277
Tijdens bouwwerkzaamheden bij het Drents Museum in 2011 werden resten gevonden van een zware middeleeuwse waterput. Onder de stenen constructie lagen eikenhouten balken. Onderzoek van de jaarringen wees uit dat de bomen in 1277 waren gekapt. De put werd vermoedelijk kort daarna aangelegd en behoorde tot de eerste periode van het klooster Maria in Campis in Assen. De vondst werd beschreven door W.A.B. van der Sanden en H. van Westing in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 2011. De put maakt duidelijk dat het jonge klooster beschikte over een zorgvuldig aangelegde watervoorziening. De bouw vereiste hout, steen, gespecialiseerde arbeid en kennis van de plaatselijke bodem.
De Drentse valkenpacht — Vries en Anloo — Dertiende tot zestiende eeuw
De middeleeuwse kerken van Vries, Anloo, Beilen en Westerbork waren verbonden met een bijzondere verplichting die bekendstaat als de valkenpacht. H.M. Luning onderzocht deze geschiedenis in Drentse valken voor de bisschop, verschenen in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 2009. De verplichting hield verband met kerkelijke inkomsten en de rechten van de bisschop van Utrecht. Vanaf het einde van de dertiende eeuw speelde ook het kapittel van Sint-Clemens in Steenwijk een rol. In latere tijd kon de verplichting in geld worden voldaan. Het onderzoek geeft een nieuwe aanwijzing voor de economische verbindingen tussen Drentse parochies en kerkelijke instellingen buiten de streek.
De kapel van Bultinge bij Pesse — Vanaf 1335
In 1335 ontstond bij Bultinge, nabij Pesse, een kapel die kerkelijk verbonden bleef met Ruinen. De inwoners hoefden daardoor niet voor iedere godsdienstige bijeenkomst de langere weg naar de moederkerk af te leggen. Het was vooral in natte perioden belangrijk dat zij dichter bij hun woonplaatsen een kerkelijke voorziening hadden. H.R. Reinders en H.T. Waterbolk behandelden de geschiedenis van de kapel in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 2009. De ligging van de vroegere kapel is bekend uit historische gegevens, maar de resten waren bij hun onderzoek nog niet archeologisch opgegraven. De kapel laat zien hoe groeiende landbouwgemeenschappen eigen religieuze voorzieningen ontwikkelden.
De heilige Magnus en de rechtspraak in Anloo — Middeleeuwen
De kerk van Anloo was gewijd aan Sint Magnus, wiens feestdag op 19 augustus werd gevierd. Op deze datum kwam volgens de Drentse rechtstraditie de Etstoel in Anloo bijeen. De drost en de etten behandelden juridische geschillen die vanuit verschillende delen van Drenthe werden aangebracht. Daardoor vervulde Anloo naast zijn kerkelijke functie ook een belangrijke bestuurlijke rol. H.J. Panman behandelde de achtergrond van Sint Magnus in Ons Waardeel van 1989. De combinatie van een kerkelijke feestdag en een rechtszitting laat zien hoe godsdienst en bestuur in de middeleeuwse samenleving verbonden waren. Ook inwoners en grondbezitters van Noordenveld konden bij de Etstoel betrokken raken.
Het verschil tussen buurschap en markgenootschap — Middeleeuwen
Niet iedere bewoner van een Drents dorp bezat automatisch dezelfde rechten op de gemeenschappelijke gronden. Bernard Slicher van Bath onderzocht dit onderscheid in Buurschap en markgenootschap, opnieuw beschouwd, gepubliceerd in Ons Waardeel van 1983. De buurschap vormde de plaatselijke gemeenschap, terwijl het gebruik van heide, bos, weidegrond en andere gezamenlijke bezittingen verbonden kon zijn met waardelen. Jan Heringa verdedigde een andere opvatting over de verhouding tussen de buurschap en de marke. Het verschil tussen beide interpretaties is belangrijk voor de geschiedenis van Eelde, Peize, Bunne, Roden en Norg. Het bepaalt mede hoe eigendom, gebruiksrechten en bestuurlijke bevoegdheden historisch moeten worden gereconstrueerd.
De omvang van het kloosterbezit van Dickninge — 1325–1598
In 1325 verhuisde het benedictijner klooster van Ruinen naar Dickninge, op een dekzandrug bij de Reest. Vanuit deze plaats beheerde de kloostergemeenschap een uitgebreid goederencomplex. Onderzoek van IJsbrand Boonstra en Theo Spek heeft aangetoond dat het klooster 54 boerderijen bezat binnen ongeveer dertig kilometer van de abdij. De inkomsten uit deze bedrijven waren noodzakelijk voor het onderhoud van de gebouwen en het levensonderhoud van de kloostergemeenschap. Daarnaast speelden rechten op ontginningen een belangrijke rol. Dickninge bleef tot de Reformatie van 1598 bestaan. Het onderzoek toont hoe belangrijk kloosters waren voor de economische ontwikkeling van het middeleeuwse Drenthe.
De kapel van Hulsvoort als bestuurlijke grensplaats — 1402
Tussen Coevorden en Dalen lag de verdwenen kapel van Hulsvoort, ook Hulsvoorde genoemd. Deze plaats had een bijzondere betekenis doordat het rechtsgebied van Coevorden en dat van Drenthe daar op elkaar aansloten. In 1402 werden bij Hulsvoort rechtshandelingen verricht die samenhingen met de afstand van de rechten van Reinoud IV van Coevorden aan de bisschop van Utrecht. Coevorden kende andere rechtsverhoudingen dan het Drentse landrecht. De kapel was daardoor een geschikte plaats voor plechtigheden waarbij vertegenwoordigers van verschillende rechtsgebieden aanwezig moesten zijn. C.F. Janssen behandelde deze geschiedenis in Ons Waardeel van 1983. De kapel bleef ook later een bestuurlijke vergaderplaats.
De eed van de Drentse etten — Vijftiende en zestiende eeuw
De leden van de Drentse Etstoel moesten hun rechtsprekende functie volgens vastgelegde regels vervullen. J.E. Ennik onderzocht het formulier van de etten-eed in Ons Waardeel van 1983. De ambtseed maakte deel uit van de juridische organisatie waarin de drost en 24 etten rechtszaken behandelden. De etten waren afkomstig uit de zes Drentse dingspillen en vertegenwoordigden daarmee verschillende gebieden. Voor Noordenveld is dit onderzoek belangrijk omdat ook plaatselijke grondbezitters tot ette konden worden benoemd. Reint de Sigers ther Borch uit Eelde bekleedde bijvoorbeeld in 1542 en 1550 deze functie. De exacte tekst en ouderdom van het eedsformulier moeten nog met de oorspronkelijke publicatie worden gecontroleerd.
De scherprechters en de uitvoering van straffen — Drenthe — 1407–1600
L.H. van Schelt onderzocht de geschiedenis van de Drentse scherprechters vanaf 1407 in een artikel uit Ons Waardeel van 1983. De scherprechter was belast met het uitvoeren van bepaalde lichamelijke straffen en doodvonnissen. Hij maakte deel uit van een rechtssysteem waarin de drost, plaatselijke rechters en de gemeenschap verschillende functies vervulden. Strafzaken konden betrekking hebben op diefstal, geweld, doodslag en andere misdrijven. Niet iedere overtreding leidde tot een lichamelijke straf; ook geldboetes kwamen voor. Het onderzoek biedt mogelijkheden om de geschiedenis van rechtspraak en strafuitvoering vóór 1600 verder uit te werken. De namen van afzonderlijke scherprechters moeten nog uit het volledige artikel worden overgenomen.
De plaatselijke rechtsregels van Roden — 1492–1521
In Roden bestond een verzameling plaatselijke voorschriften die bekendstaat als de Rodense willekeur. H.W. Assies onderzocht in Ons Waardeel van 1987 de datering ervan, waarbij de jaren 1492 en 1521 tegenover elkaar werden geplaatst. Een andere bronnenuitgave verbindt een versie van de willekeur met 1495. De bepalingen betroffen onder andere het gebruik van gemeenschappelijke gronden, het schutten van vee en het opleggen van boetes. Daarbij werden plaatselijke akkers, wegen en veldnamen genoemd. De regeling toont hoe de bewoners hun dagelijkse landbouwbelangen organiseerden. Voor ons onderzoek zijn vooral de genoemde gronden en grenspunten interessant, omdat zij kunnen helpen bij de reconstructie van het zestiende-eeuwse landschap van Roden.
De familie Ten Holte en de erfenis van De Mepsche — Omstreeks 1486–1529
Redmer Alma en Cor de Graaf onderzochten de familie Hubbelding, later bekend als Ten Holte en Oving, in het Drents Genealogisch Jaarboek van 2015. De familie was verbonden met bisschoppelijke leengoederen en verschillende Drentse en Groninger geslachten. Roelof ten Holte trouwde vóór 1486 met Geertruyt Meysteringe en later met Trudeken Writzers. Ook de nalatenschap van Johan de Mepsche, overleden omstreeks 1529, speelde een rol. Onder de betrokken erfgenamen worden Bernier ten Holte, Hendrick Klencke en Roelof Buiting genoemd. Deze namen zijn belangrijk voor het onderzoeken van de verspreiding van adellijk bezit en de verbindingen tussen families rond Roden, Peize en Eelde.
De overlijdensvermeldingen in het missaal van Koekange — 1506–1580
Een bijzonder middeleeuws kerkelijk boek uit Koekange bevat overlijdensvermeldingen uit de periode 1506–1580. Redmer Alma onderzocht deze gegevens in het Drents Genealogisch Jaarboek van 2018/2019. Het boek was oorspronkelijk een missaal, waarin de gebeden en andere teksten voor de katholieke mis stonden. De aanvullingen met namen van overledenen geven een zeldzame inkijk in de plaatselijke gemeenschap vóór de invoering van de gereformeerde kerkorganisatie. Zulke vermeldingen kunnen van belang zijn bij het reconstrueren van families, geestelijke verplichtingen en persoonlijke herdenkingen. Voor andere Drentse dorpen moet worden onderzocht of vergelijkbare namenlijsten of aantekeningen in oude kerkboeken bewaard zijn gebleven.
De erfenis van Egbert van Deveren — 1548–1554
Egbert van Deveren, ook Rentinck genoemd, overleed tussen 1544 en 1548. Zijn weduwe Evert Grevinge raakte vervolgens betrokken bij verschillende geschillen over de nalatenschap. In 1548 kwamen zaken voor de Etstoel waarbij de broers van haar overleden echtgenoot en kinderen uit een eerder huwelijk waren betrokken. Ook Egbertien Egberts, de vrouw van Jacob Meyers, maakte aanspraak op een gedeelte van het familiebezit. In 1554 werd Evert Grevinge voor bepaalde geërfde goederen in het gelijk gesteld. De familiegeschiedenis sluit aan bij het Rentinge-erf in Leggeloo, dat Johan Renttinghe in 1493 aan het klooster Dickninge had verkocht. De rechtszaken tonen het belang van erfrecht en familiebetrekkingen.
De familie Lunsingh op het Huis te Westervelde — 1553
In 1553 wordt de familie Lunsingh, ook Lunsche genoemd, als eigenaar van het Huis te Westervelde vermeld. Het huis lag bij Norg en was verbonden met aanzienlijke grondbezitters in de omgeving. Door huwelijk was de familie Lunsingh verwant met het geslacht Knasse, dat grote bezittingen rond Een had. Een aanzienlijk deel van deze goederen ging later op de Lunsinghs over. H.M. Luning en F. Keverling Buisman onderzochten het bezit in Ons Waardeel van 1982. Het Huis te Westervelde had vermoedelijk oudere bouwfasen waarvan grote middeleeuwse bakstenen getuigen. De geschiedenis vormt een belangrijk voorbeeld van de overdracht van goederen door huwelijken binnen de bovenlaag van de Drentse samenleving.
De verdeling van het Tissinge-goed — Pesse — 1575
Het Tissinge-goed bij Pesse was een leengoed dat in de middeleeuwse leenregisters voorkomt. De geschiedenis ervan werd onderzocht door Geert Mulder in het Drents Genealogisch Jaarboek van 2015. De opeenvolgende bezitters waren verbonden met de namen Tesseling, Cluwens, Tiesse en Tissinge. In 1575 werden Roelof Wolters Tissinge en zijn broer Johan ieder met de helft van het bezit beleend. Zij waren zonen van Wolter Coop Cluwenszoon. De verdeling laat zien hoe een leengoed binnen een familie kon worden overgedragen zonder dat het oorspronkelijke leenverband onmiddellijk verdween. Het vormt vergelijkingsmateriaal voor het Mensingegoed bij Roden en het Tybingegoed bij Norg.
Johan van den Camp en het kloosterbezit van Dickninge — 1579
Bij Dunningen, ten noorden van de Reest, bezat het klooster Dickninge goederen die later in particuliere handen kwamen. In 1579 verwierf Johan van den Camp van het klooster een erf in de Dunninger marke. Bij de overdracht hoorden een huis, hof en verschillende landbouwgronden. J. Belonje onderzocht de familie Van den Camp op Dunningen in Ons Waardeel van 1982. Een juffer Van den Clooster wordt al in 1520 met Dunningen verbonden. De akte uit 1579 laat zien dat kloosterbezit ook vóór de officiële Reformatie door overeenkomsten kon overgaan naar aanzienlijke families. De mogelijke familieverbinding met Lemferdinge bij Paterswolde vraagt nog afzonderlijk genealogisch onderzoek.
De bronzen potjes van Donderen en Neuss — Late middeleeuwen
V.T. van Vilsteren, B.J.H. van Os en A. Pappot publiceerden in 2019 het onderzoek Twee broertjes van brons. Daarin wordt een laatmiddeleeuws bronzen potje uit Donderen vergeleken met een verwant voorwerp uit Neuss, een stad aan de Rijn in Duitsland. De vergelijking is bijzonder omdat de twee vondsten afkomstig zijn uit verschillende gebieden. Bronzen gebruiksvoorwerpen konden via handel, persoonlijk bezit en andere contacten over grote afstanden worden verspreid. De overeenkomst tussen de potjes bewijst niet dat het exemplaar uit Donderen rechtstreeks uit Neuss afkomstig was. De vondst biedt wel een nieuw aanknopingspunt voor onderzoek naar de materiële cultuur en contacten van Noord-Drenthe.
Hulsvoort blijft een bestuurlijke ontmoetingsplaats — 1585–1596
De kapel van Hulsvoort bleef gedurende de zestiende eeuw in gebruik voor bestuurlijke bijeenkomsten. Op 23 oktober 1585 werden er rekeningen van de landschrijver Jan Mus afgesloten in aanwezigheid van de drost en andere vertegenwoordigers. Een oudere publicatie vermeldt bovendien een brief van 14 januari 1596 waarin Hendrik de Vos van Steenwijk zijn neef Dethmar van den Clooster uitnodigde om op 24 januari voor beraad in Hulsvoort aanwezig te zijn. Tegelijk bestaan er berichten dat de kapel omstreeks 1595 werd afgebroken en de stenen elders werden gebruikt. De exacte bouwkundige toestand in 1596 is daarom onzeker. De correspondentie bevestigt in ieder geval het voortbestaan van Hulsvoort als herkenbare vergaderplaats.
De veranderingen in het Drentse grondbezit — Tot 1600
De onderzoeken naar Pesse, Dickninge, Westervelde, Dunningen en de verschillende leengoederen tonen hoe ingewikkeld het Drentse grondbezit vóór 1600 was georganiseerd. Sommige boeren bezaten hun grond zelfstandig, terwijl anderen goederen gebruikten die toebehoorden aan kloosters, adellijke families, kapittels of leenheren. Daarnaast konden afzonderlijke rechten op tienden, weiden, bossen en gemeenschappelijke gronden bestaan. Door huwelijk, vererving, verkoop of ruil veranderde de verdeling van deze bezittingen voortdurend. De juridische geschiedenis is daardoor noodzakelijk voor het begrijpen van de landbouw en economie. Voor de Rug van Tynaarloo geldt hetzelfde, vooral bij Eelde, Peize, Bunne, Vries en de landgoederen langs de oude verbindingswegen.
De Rug van Tynaarloo — Nieuwe archeologische aanvullingen uit De Spieker tot 1600
Neanderthalers op de Zeijerrug — Peest en Noordsche Veld — Omstreeks 50.000 jaar geleden
Bij Peest, aan de westzijde van de Zeijerrug en dicht bij het Oostervoortsche Diep, ligt een bijzondere vindplaats van neanderthalers. In 2007 werd het terrein door archeologen onder leiding van Marcel Niekus herkend als een belangrijke concentratie van vuurstenen werktuigen. Bij onderzoek in 2011 werden bijna 300 voorwerpen opgegraven. Het totale aantal aangetroffen bewerkte stenen groeide later tot ongeveer 650. Daaronder bevinden zich vuistbijlen, schaven, messen en afslagen. De vindplaats is de grootste bekende oppervlaktevindplaats van neanderthalerwerktuigen in de noordelijke helft van Nederland. Het onderzoek toont dat de hogere zandgronden en de nabijgelegen beekdalen al ongeveer 50.000 jaar geleden door mensen werden gebruikt.
Rendierjagers langs de Drentsche Aa — Sassenhein en Haren — Late oude steentijd
Bij Sassenhein, in de omgeving van Haren, werd in 1982 een vindplaats uit de late oude steentijd onderzocht. De vuurstenen werktuigen worden verbonden met de Haveltegroep, een late fase van de Hamburgcultuur. De jagers verbleven aan de rand van het dal van de Drentsche Aa. Onder de aangetroffen werktuigen bevonden zich opvallend veel boren en mogelijke vuurslagstenen. Onderzoekers bestudeerden de mogelijkheid dat de boren werden gebruikt voor de bewerking van bot en gewei. Daarmee konden bijvoorbeeld spitsen, naalden en andere kleine voorwerpen worden vervaardigd. De vondsten tonen dat het gebied tussen de noordelijke zandgronden en Groningen al lang vóór de landbouw aantrekkelijk was voor menselijke activiteiten.
De oudste boomstamkano — Pesse — 8250–7550 v.Chr.
In het Blikkenveen bij Pesse werd in 1955 tijdens werkzaamheden voor de aanleg van de latere A28 een uitgeholde boomstam ontdekt. Onderzoek wees uit dat het ging om een kano uit de middensteentijd. Het vaartuig was vervaardigd uit een grove den en had een lengte van ongeveer drie meter en een breedte van 44 centimeter. De kano behoort tot de oudste bekende vaartuigen ter wereld. Lange tijd bestond twijfel over de functie van het voorwerp. In 2001 werd daarom een replica gebouwd en op het water beproefd. De proef toonde dat de constructie bruikbaar was als vaartuig. Daarmee vormt de kano een belangrijk bewijs voor het gebruik van water door de jagers en verzamelaars van Drenthe.
Een houten weg door de Slokkert — Norg, Westervelde en Een — 2300–2200 v.Chr.
Tijdens werkzaamheden aan de Slokkert werd eind 2013 een prehistorische houten weg aangetroffen. De constructie lag in het natte beekdal tussen hoger gelegen zandgronden. Het wegdek was ongeveer vier meter breed en bestond voornamelijk uit elzenhout, takken en houten onderliggers. De hoge grondwaterstand had het hout gedurende duizenden jaren geconserveerd. Koolstofdatering wees op een aanleg tussen ongeveer 2300 en 2200 voor Christus, tijdens de klokbekercultuur. De weg was breed genoeg om mensen, vee en mogelijk karren over het moerassige terrein te laten passeren. De vondst vormt een concreet bewijs dat de prehistorische bewoners van Noord-Drenthe moeilijke beekovergangen met aangelegde wegen konden overbruggen.
De houten veenbruggen van Smilde — Omstreeks 220 v.Chr.
Bij Smilde zijn resten van twee prehistorische houten veenbruggen bekend. Eén daarvan werd in 1982 opnieuw ontdekt en in mei en juni 1983 door archeologen onder leiding van W.A. Casparie onderzocht. In een gedeelte van 18,70 meter werden 156 stammen van elzenhout aangetroffen. De stammen waren ongeveer 7 tot 22 centimeter dik. De constructie was afgedekt met heideplaggen, waarschijnlijk om het oppervlak beter begaanbaar te maken. Koolstofdateringen wezen op een aanleg rond 220 voor Christus. De oorspronkelijke lengten van de twee veenwegen worden geschat op ongeveer 280 en 170 meter. De vondsten laten zien dat ook tijdens de ijzertijd aanzienlijke inspanningen werden verricht om moerassen over te steken.
De grote boerennederzetting van Daalkampen — Borger — 1200 v.Chr.–begin jaartelling
Bij Borger ligt Daalkampen, een van de omvangrijkste onderzochte prehistorische nederzettingsgebieden van Drenthe. Sinds 1994 zijn hier opgravingen uitgevoerd. Archeologen van RAAP, onder wie Janneke Hielkema, ontdekten meer dan honderd huisplattegronden uit de late bronstijd en ijzertijd. De bewoners leefden in houten woonstalhuizen, waarin mensen en vee onder hetzelfde dak verbleven. Rond de gebouwen lagen kleinere opslagplaatsen, spiekers en voorraadkuilen. Er werden onder andere aardewerk en stenen werktuigen aangetroffen. De boeren verbouwden graansoorten zoals gerst, emmertarwe en gierst. Rond het begin van de jaartelling verdween de bewoning grotendeels en werd het terrein langdurig als landbouwgrond gebruikt.
De oudste bewoningssporen bij Rolde — 250 v.Chr.–1500
Bij uitbreiding van de begraafplaats van Rolde werden archeologische sporen aangetroffen uit verschillende perioden. Een graanschuur kon omstreeks 250 voor Christus worden gedateerd. Daarnaast werden resten van een boerderij uit de vroege middeleeuwen gevonden. De vindplaats ligt in de omgeving van de Jacobuskerk en de hunebedden D17 en D18. Daarmee komen prehistorische grafmonumenten, landbouwactiviteiten en middeleeuwse bewoning op korte afstand van elkaar voor. Rolde lag bovendien aan een oude verbinding over de Drentse zandgronden. De plaats ontwikkelde zich tot een belangrijk kerkelijk en bestuurlijk centrum. De vondsten bieden vergelijkingsmateriaal voor de langdurige bewoning rond Vries, Zeijen, Tynaarlo en Eelde.
De middeleeuwse erven en waardelen van Pesse — 900–1600
Ten zuiden van de weg van Pesse naar Oostering zijn zes middeleeuwse erven uit de periode 900–1400 onderzocht. Onder de bekende erfnamen bevinden zich Waninge, Tissinge en Paddinge. Vanaf de twaalfde eeuw zijn schriftelijke gegevens over het grondbezit bewaard gebleven. Tissinge was een leen van de bisschop van Utrecht. Blekinge, Kusinge en Bultinge behoorden tot het klooster Dikninge, terwijl Rundering in Kraloo eigendom was van het kapittel van Sint-Pieter in Utrecht. Op de Pesser es lag bovendien een kapel bij Bultinge. De documenten vermelden aan- en verkoop van grond, belastingen en waardelen in de gemeenschappelijke marke. Dit vormt belangrijk vergelijkingsmateriaal voor de bezitsrechten in Peize, Vries, Bunne en Noordenveld.
De Klinkenberg en de strijd om de wegen — Gees — Omstreeks 1239
Bij Gees lag het middeleeuwse mottekasteel De Klinkenberg, op een strategische plaats langs de verbinding tussen Coevorden en Ruinen. Het kasteel bestond uit een kunstmatig opgeworpen heuvel waarop een houten toren stond. Daarnaast bevond zich een lager gelegen, eveneens omgracht voorterrein met houten gebouwen. Archeologen vonden in de gracht een brugpaal, vervaardigd uit een boom die rond 1239 werd gekapt. In deze periode bestonden ernstige conflicten tussen de bisschop van Utrecht en de heren van Coevorden. De versterking lag bij een doorgang door het veengebied. Wie het kasteel precies liet bouwen, is onbekend. De vondst laat zien hoe belangrijk controle over middeleeuwse landwegen kon zijn.
Oude karrensporen en veranderende landwegen — Doldersummerveld — Middeleeuwen
Op het Doldersummerveld zijn bundels oude karrensporen bewaard gebleven die herinneren aan historische verbindingen tussen Friesland en Drenthe. Doordat karren telkens dezelfde zandige doorgangen gebruikten, sleten diepe geulen in de bodem. Wanneer een spoor te diep of te nat werd, ontstond daarnaast een nieuwe rijbaan. Zo konden brede bundels evenwijdige sporen ontstaan. Amateurhistoricus Jan Douma onderzocht deze oude wegen mede met behulp van hoogtekaarten. De exacte ouderdom van afzonderlijke sporen is niet vastgesteld. Het verschijnsel laat zien dat wegen vóór 1600 niet noodzakelijk een onveranderlijk tracé hadden. Voor de doorgangen bij Bunne, De Punt en Schelfhorst vormt dit een bruikbaar vergelijkingsmodel.
De oude Herepoort en de verbinding met Drenthe — Groningen — Vijftiende eeuw
In de vijftiende eeuw beschikte Groningen over een versterkte toegang aan de zuidzijde van de stad. Deze Herepoort vormde een belangrijk onderdeel van de stadsverdediging. Bij archeologisch onderzoek op het Hereplein in 2021 ontdekten medewerkers van Antea Group funderingen van de oude poort. Stadsarcheoloog Gert Kortekaas verbond de vondsten met eerder onderzoek dat Albert Egges van Giffen in 1957 had uitgevoerd. De poort lag aan de zuidelijke toegangsrichting vanuit het Drentse achterland. Boeren, kooplieden en andere reizigers konden via deze route de stad bereiken. De vondst is belangrijk voor de geschiedenis van de wegen tussen Groningen, Haren, Eelde en andere plaatsen op de Drentse zandgronden.
De muntschat van Zuidlaren en de godsdienststrijd — 1572–1580
In 1928 ontdekten arbeiders op het terrein van Dennenoord bij Zuidlaren een aardewerken kruik met ruim drieduizend kleine munten. Archeoloog Vincent van Vilsteren en muntdeskundige Jan van der Wis onderzochten de samenstelling en de herkomst. Veel munten waren verbogen, doorboord of opnieuw platgeslagen. Volgens hun reconstructie gaat het waarschijnlijk om katholiek offergeld dat tijdens de godsdienstige onrust uit de Sint-Eusebiuskerk in Arnhem werd geroofd. De munten zouden vervolgens in Zuidlaren zijn verborgen. Bijzonder is de mogelijkheid dat gelovigen munten ombogen wanneer zij een heilige om hulp vroegen. De vondst verbindt alledaagse religieuze gebruiken met de gewelddadige veranderingen tijdens de Nederlandse Opstand.
Aanvulling — De abdij van Assen, de Duitse Orde en de macht over het Noord-Drentse landschap (1259–1580)
De hof en de watermolen van Deurze komen in kloosterbezit — 1259
In 1259 bevestigde graaf Otto van Bentheim een belangrijke goederenruil met de abdij Maria in Campis, die toen bij Coevorden gevestigd was. Hako, zoon van de overleden ridder Stephanus van Hardenberg, droeg een hof met een molen en bijbehorende rechten in Deurze over aan het klooster. Bij de overeenkomst hoorde ook een jaarlijkse opbrengst van vier Groninger ponden uit Noordwolde bij Roden. Daartegenover stond de overdracht van andere kloosterrechten en goederen in de omgeving van Coevorden. De oorkonde toont dat de abdij al vóór haar verdere ontwikkeling in Assen beschikte over landbouwbedrijven, molens en inkomsten uit verschillende delen van Drenthe.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 1.
Margareta van Eelde en de schenking van de tienden van Benneveld — 1286
In 1286 schonk ridder Henricus van Eelde, samen met zijn zonen Rotgherus en Thizo, een belangrijk inkomstenrecht aan het vrouwenklooster Maria in Campis te Assen. De schenking hield verband met de opname van zijn dochter Margareta in de kloostergemeenschap. Het ging om de grove tienden van het huis Husinga in Benneveld. Grove tienden werden geheven over belangrijke landbouwproducten, vooral graan. De familie verklaarde dat zij deze inkomsten niet als leen, maar in eigendom bezat. De overeenkomst laat zien hoe adellijke families uit Eelde landbouwinkomsten gebruikten om de intrede van een dochter in een klooster mogelijk te maken.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 3.
De heren van Eelde dragen goederen in Assen over — 1294
Op 19 augustus 1294 vond een overdracht plaats die van groot belang is voor de vroege geschiedenis van Assen. De ridders Rodolphus, Weiger genoemd, en Reinerus droegen samen met Jacobus en Adolfus, zonen van Ludolphus van Eelde, de zogenoemde villa in Assen over aan de abdij. De overeenkomst werd mede bekrachtigd met het landschapszegel van Drenthe. Met villa werd in deze context een landelijke nederzetting of goederencomplex aangeduid, niet een modern woonhuis. De oorkonde bewijst dat de heren Van Eelde bezittingen hadden buiten hun eigen dorp. Hun grondbezit speelde daarmee een rol in de ontwikkeling van Assen als kloostercentrum.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 5.
Een kloostergeschil wordt in Peize beslecht — 1303
In april 1303 werd in Peize uitspraak gedaan in een geschil tussen de abdij van Assen en Rotgherus van Eelde, schulte van Drenthe. Als scheidsrechters traden de abt van Aduard, Pelegrimus van Vollenhove, deken van Drenthe, Wicherus, deken van Steenwijk, en Philippus, kanunnik van Steenwijk, op. De abdij kreeg het eigendomsrecht op de grove tienden van het huis Husinge in Benneveld toegewezen. Daartegenover moest zij jaarlijks drie malder rogge uit de tienden van het huis Avekinge aan Rotgherus afdragen. De uitspraak toont dat Peize een plaats kon zijn waar belangrijke kerkelijke en bestuurlijke rechtszaken werden afgehandeld.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 9.
Het Domkapittel van Utrecht en het Nordincghengoed in Witten — 1304
In 1304 verkocht het kapittel van de Sint-Pieterskerk te Utrecht het huis Nordincghen in Witten aan de abdij van Assen. De overeenkomst werd gesloten door proost Fredericus de Zyrkes, deken Ghyselbertus en het kapittel, met toestemming van Bolo Woltinghe uit Leggelo. Bolo en zijn voorouders hadden het goed van de Utrechtse proosdij gehouden. Opmerkelijk is dat de proosdij bepaalde rechten op Bolo en zijn kinderen voorbehield. Daardoor was de overdracht meer dan een gewone verkoop van grond. Zij laat zien dat in Witten oudere persoonlijke afhankelijkheden, kerkelijk grondbezit en kloosterrechten naast elkaar konden bestaan.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 10.
De paus grijpt in bij bedreigingen van de abdij — 1321
In 1321 richtte paus Johannes XXII zich vanuit Avignon tot de abt van Klaarkamp in Friesland. De abdij van Assen had geklaagd over bedreigingen, roof en het onrechtmatig onttrekken van kloostergoederen. De paus droeg de abt op bescherming te bieden en verdwenen bezittingen zo nodig met kerkelijke maatregelen terug te vorderen. In een afzonderlijke opdracht werden graaf Johan van Bentheim en verschillende edelen en krijgslieden genoemd, onder wie Henricus van Nurech, Hermannus van Laghe, Adolfus van Brantelghete en Adolfus van Twickele. De klachten betroffen onder andere runderen. Het klooster was dus voor zijn bezittingen afhankelijk van bescherming tegen wereldlijke machthebbers.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regesten 13–15.
Een conflict over goederen in Halen na de verkoop door Van Peize — 1335
De overdracht van de goederen van Rudolf van Peize en zijn vier zonen in Halen in 1334 leidde tot een vervolg. In 1335 verklaarde Roelf van Peize tegenover de abt en twee broeders van het klooster Dickninge dat zij geen betalingen aan Otto van Norg mochten doen voor de tienden van Halen. Roelf beschouwde zichzelf als de rechthebbende en verwees naar de eerder verkochte goederen en rechten. Bij de overdracht waren het klooster Assen, Ludolph Schultinghe en diens broer Herman betrokken. Het geschil toont dat de verkoop van grond en tienden niet automatisch alle aanspraken van andere machthebbers beëindigde.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 17.
Henricus to Weste verbindt zijn nalatenschap aan de abdij — Eelde, 1341
In 1341 sloot Henricus, een priester uit Eelde die to Weste werd genoemd, een overeenkomst met de abdij van Assen. Hij beloofde zijn bezittingen, voor zover hij daarover niet anders zou beschikken, aan het klooster na te laten. De abdij nam hem daarop op in haar geestelijke broederschap en beloofde hem desgewenst binnen de kloostergemeenschap op te nemen. De overeenkomst werd mede bezegeld door Henricus, pastoor van Eelde, Johannes Swanekens, pastoor van de Mariakerk in Groningen, en Bertoldus Albringhe uit Eelde. Daarmee verschijnt een netwerk van geestelijken en aanzienlijke inwoners dat Eelde rechtstreeks met Groningen en Assen verbond.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 20.
De watermolen en de veengronden van Coevorden worden geruild — 1341
In 1341 kwam Reynold van Coevorden met de abdij van Assen overeen verschillende goederen en gebruiksrechten te ruilen. Reynold verkreeg het goed ten Vene met een watermolen, terwijl de abdij veengronden tussen de Crosmat en Padinghe, bouwland en bijbehorende hooilanden ontving. In de overeenkomst werden de toegang tot het veen, het recht van overweg en de verplichtingen van bewoners nauwkeurig geregeld. Onder de personen die het document mede bekrachtigden bevonden zich Henricus, pastoor van Eelde, en Bertold Albringhe. Hun deelname toont dat de geestelijkheid en aanzienlijke families uit Eelde ook betrokken waren bij overeenkomsten over watermolens, veen en landbouw buiten hun eigen dorp.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 21.
De hof van Deurze wordt vrijgesteld van klokrogge — 1357
In 1357 ontstond een geschil over de verplichting tot het leveren van klokrogge door twee goederen van de abdij van Assen in Deurze. De betrokken bezittingen stonden bekend als de Hofwaer en de Bullenwaer. Alef van Ansen, geestelijke te Rolde, en Diderich Diderixzone Maes, koster van dezelfde plaats, hielpen een overeenkomst tot stand brengen. Tegen betaling van een geldsom werden de goederen vrijgesteld van de vroegere graanlevering aan de kosterij van Rolde. De regeling laat zien hoe een landbouwbedrijf niet alleen pacht en tienden verschuldigd kon zijn, maar ook kerkelijke lasten die door afkoop konden verdwijnen.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 22.
Een veeroof bij Roderwoldermaden leidt tot schadevergoeding — 1358
Een oorkonde uit 1358 beschrijft een conflict rond de bezittingen van de abdij van Assen bij Roderwoldermaden. Rodolphus, bijgenaamd Predeker, had vee en andere goederen uit een kloosterschuur geroofd. Na zijn overlijden moest zijn weduwe Wytetis schadevergoeding geven. Ridder Egbertus van Peize en Johannes Hundeken uit Eelde stelden zich daarvoor borg. De vermelding toont dat de kloostergoederen in het lage gebied van Roderwolde niet alleen belangrijk waren voor veehouderij en opslag, maar ook blootstonden aan gewelddadige conflicten. De aanwezigheid van borgstellers uit Peize en Eelde laat zien hoe zulke geschillen via aanzienlijke plaatselijke personen werden geregeld.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 23.
Het testament van Henricus to Weste wordt bevestigd — Eelde, 1360
In 1360 liet Henricus to Weste, priester van Eelde, zijn testament opstellen. Daarin wees hij, na aftrek van afzonderlijke legaten, de abdij van Assen als erfgenaam aan. Een belangrijke rol kreeg broeder Johannes, die als grangiarius van de abdij werd aangeduid. Deze functionaris was betrokken bij het beheer van een kloosterhoeve of landbouwbedrijf en werd mede-executeur van het testament. Ook Henricus Ottonis Polleman trad op als executeur. Op 2 juni 1360 bevestigde Marcelius, pastoor van Zuidlaren en deken van Drenthe, de testamentaire regeling. De documenten geven inzicht in de persoonlijke bezittingen, geestelijke betrekkingen en erfregelingen van een middeleeuwse priester uit Eelde.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regesten 24 en 25.
De boeren van Witten bepalen de hoogte van een bisschoppelijke pacht — 1369
In 1369 ontstond onenigheid over de pacht die vanuit het Banninghegoed in Witten aan de bisschop van Utrecht moest worden betaald. Bernt Heyhinck, scholaster van Deventer en functionaris van de bisschop, had aanspraak gemaakt op inkomsten uit dit erf. De inwoners van Witten werden onder ede gehoord en verklaarden dat het goed slechts twee mudden rogge verschuldigd was. Bernt erkende daarop dat hij geen hoger bedrag van de abdij van Assen mocht vorderen. De zaak toont hoe belangrijk verklaringen van plaatselijke boeren waren bij het vaststellen van oude rechten. Ook blijkt dat bisschoppelijke inkomsten en kloosterbezit op hetzelfde landbouwbedrijf konden rusten.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 27.
Het klooster Dickninge behoudt het recht op onderdak in Halen — 1374
In 1374 moesten de abdijen van Dickninge en Assen een geschil oplossen over het recht van herberg in de hof te Halen. Dickninge bezat het oude recht om tweemaal per jaar, eenmaal tijdens het groeiseizoen en eenmaal tijdens de graanoogst, onderdak en verzorging te verlangen. De abt mocht zelf met drie begeleiders en vier paarden komen, of twee personen met twee paarden sturen. Wanneer de abdij Assen de gasten niet wilde ontvangen, mocht Dickninge elders onderdak zoeken en de dubbele kosten verhalen. De uitspraak laat zien dat bezit van een hof niet betekende dat alle oude rechten van andere kloosters waren verdwenen.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 28.
Het recht van herberg in Halen wordt afgekocht — 1398
In 1398 maakten de abdijen van Dickninge en Assen een einde aan het oude recht van herberg op de hof te Halen. Dickninge zou voortaan niet langer tweemaal per jaar aanspraak maken op verblijf, verzorging en onderdak voor paarden en begeleiders. In plaats daarvan moest de hofmeester jaarlijks twee Groninger mudden rogge afleveren in Ruinen. Daarmee veranderde een persoonlijke verplichting tot ontvangst en gastvrijheid in een vaste landbouwrente. De overeenkomst laat zien hoe middeleeuwse kloosterrechten geleidelijk konden worden omgezet in beter berekenbare inkomsten. Voor de landbouwbedrijven betekende dit dat oude lasten bleven bestaan, maar in een andere vorm werden voldaan.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 31.
Lutgart Schultinge van Eelde bezit inkomsten in Groningen — 1425
Op Palmzondag 1425 droeg Lutgart Schultinge uit Eelde, weduwe van Henric Schultinge, een rente over aan Egbert van Banlo. De jaarlijkse opbrengst bedroeg anderhalf oud gouden keizerschild en was verbonden aan het stenen huis van Blideke Enens aan de oostzijde van de Boteringestraat in Groningen. De overeenkomst werd officieel vastgelegd door het Groningse stadsbestuur. Deze vermelding toont dat personen uit Eelde ook inkomstenrechten op stedelijke huizen konden bezitten. De familienaam Schultinge komt eveneens voor in de veertiende-eeuwse oorkonden over de goederen van Rudolf van Peize. Of hier sprake is van een rechtstreekse familielijn moet nog worden vastgesteld.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 39.
De Deurzerbrug en de Deurzerdijk behoren tot een oud wegstelsel — 1439
In 1439 deed Wilhelmus Jolinge, pastoor van Zuidlaren en deken van Drenthe, uitspraak in een geschil over de Deurzerbrug en de Deurzerdijk. De abdij van Assen en de inwoners van Anreep en Witten stonden tegenover de inwoners van Balloo. De brug en de dijk werden erkend als rechtmatige wegverbinding van de eerstgenoemde partijen. De inwoners van Balloo mochten hun vee niet dagelijks over deze route naar de weilanden van Anreep drijven, ook wanneer zij daar eigen rechten of grond bezaten. Gewoon verkeer te voet, te paard of met wagens bleef wel toegestaan. De uitspraak toont het verschil tussen openbaar reizen en plaatselijke veedrijfrechten.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 46.
De bisschop beschermt de abdij tegen wereldlijke rechtspraak — 1444
In 1444 vaardigde bisschop Rudolf van Diepholt van Utrecht een bevel uit ter bescherming van de abdij van Assen. Volgens de klacht waren kloosterlingen door wereldlijke rechters in Drenthe en Kropswolde voor het gerecht gedaagd, terwijl zij aanspraak maakten op bijzondere kerkelijke rechtsbescherming. De bisschop verbood dat zulke procedures zonder inachtneming van de kerkelijke voorrechten werden voortgezet. Personen die een geschil met de abdij hadden, moesten hun zaak via de bevoegde kerkelijke instanties laten behandelen. Dit geeft inzicht in de bestuurlijke verhoudingen tussen de bisschop, de kloosters en de wereldlijke rechtscolleges in Noord-Drenthe.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 53.
Een geschil over de hofstede Folkeringe in Gasteren — 1460
In 1460 ontstond een geschil tussen abdis Golde Stellinges van Assen en Teso Strael over de hofstede Folkeringe in Gasteren, binnen het kerspel Anloo. De abdis had het bezit verkocht aan de gebroeders Reynerus en Wijgherus Woltinge. Teso Strael betwistte deze verkoop omdat hij zich op verwantschap met de abdis beriep. De Utrechtse bisschop David van Bourgondië droeg de behandeling over aan Adolfus Lichtvoet, pastoor van Anloo en deken van Drenthe. Deze verklaarde de verkoop rechtsgeldig en wees de aanspraken van Teso af. De uitspraak laat zien dat familieverwantschap niet zonder meer recht gaf op goederen die tot het kloostervermogen behoorden.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regesten 73 en 74.
Een molen, een huis en graaninkomsten in Yde en Winde — 1487
Op 4 september 1487 sloten landcommandeur Johan van Drongelen en commandeur Wolter van Overhagen een uitgebreide overeenkomst met de abdij van Assen. De Duitse Orde verkocht onder andere een erf met markerechten in Witten en inkomsten uit verschillende landbouwgoederen. Daarnaast werden rechten uit Schultinghegoed geruild tegen een molen, een huis en twee renten van elk twee mudden rogge in de buurschappen Yde en Winde, behorend tot het kerspel Vries. De overeenkomst toont dat het bezit van de commanderij in Bunne niet beperkt bleef tot het kloostergebouw en zijn directe omgeving. Ook molens, huizen en landbouwinkomsten in andere buurschappen maakten deel uit van haar economische netwerk.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 103.
De nalatenschap van Yeye Hovinge en het veen van Annerveen — 1498
In 1498 deden burgemeesters en raad van Groningen uitspraak in een erfenisgeschil tussen de abdij van Assen en de familie van Roeloff ten Holte. Het ging om de nalatenschap van Yeye Hovinge. Aan de kinderen van Roeloff werden onder meer een half erf bij Zeegse, graaninkomsten bij het Oestermoer, vier grazen land in de Vogelsanck en veengrond op Annerveen toegewezen. Ook verschillende geldrenten behoorden tot hun aandeel. De abdis ontving de overige onroerende goederen en een belangrijk gedeelte van de roerende nalatenschap. Deze uitspraak maakt duidelijk dat families en kloosters gelijktijdig rechten hadden in landbouwgebieden, beekdalen en veengebieden.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 113.
De abdij van Assen financiert de strijd tegen Gelre — 1510
In 1510 blijkt dat de abdij van Assen ook buiten Drenthe een financiële rol vervulde. Bisschop Frederik van Baden van Utrecht, vertegenwoordigers van de ridderschappen van Salland, Twente en Vollenhove en de stadsbesturen van Deventer, Kampen en Zwolle leenden geld van de abdij voor de verdediging tegen de hertog van Gelre. Op 29 maart werd een lening van 150 goudguldens bevestigd, met een jaarlijkse rente van vijf procent. Op 16 augustus werd een tweede lening van 250 goudguldens vastgelegd. De twee overeenkomsten laten zien dat kloostervermogen werd ingezet bij militaire en politieke conflicten. De abdij trad daarbij op als geldschieter van regionale machthebbers.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regesten 124 en 125.
De abdij krijgt vrijstelling van brug- en weggeld bij De Punt — 1515
In 1515 verleenden burgemeesters en raad van Groningen aan de abdij van Assen vrijstelling van weg- en bruggeld bij de Punterbrug. De vrijstelling had betrekking op het gebruik van deze belangrijke doorgang over de Drentsche Aa. De abdij hoefde daardoor niet dezelfde heffingen te betalen als gewone reizigers en vervoerders. Ook werd vrijstelling van accijns verleend voor wijn en Hamburger bier dat voor eigen gebruik was bestemd. De overeenkomst vormt een rechtstreeks bewijs dat de Punterbrug deel uitmaakte van het economische verkeer tussen Groningen en Drenthe. De stad kon bijzondere voorrechten verlenen aan instellingen waarmee zij goede betrekkingen onderhield.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 126.
Hamburger bier en wijn passeren de belastinggrens bij De Punt — 1515
De vermelding van Hamburger bier in de vrijstellingsbrief van 1515 is bijzonder voor de geschiedenis van de oude handelswegen. Groningen verleende de abdij van Assen het recht om wijn en bier voor eigen gebruik zonder stedelijke accijns te verkrijgen. Hamburger bier was een bekend handelsproduct uit de Noord-Duitse havenstad Hamburg. De oorkonde bewijst dat dit bier in de belastingregeling voor het klooster een afzonderlijk herkenbaar product was. Zij vermeldt echter niet hoeveel vaten werkelijk werden aangevoerd. Wel laat de akte zien dat drank, stedelijke belastingen en de oversteek bij De Punt met elkaar verbonden waren.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 126.
De abdij levert hout voor de herstelling van de Punterbrug — 1529
In 1529 werd de Punterbrug hersteld. De abdij van Assen leverde daarvoor twee zogenoemde jukken hout. Het Groningse stadsbestuur verklaarde vervolgens dat één daarvan vrijwillig was gegeven, uit goede nabuurschap en vriendschap. Die verklaring was juridisch belangrijk. Wanneer een instelling eenmaal aan het onderhoud van een brug had bijgedragen, kon later discussie ontstaan of zij daartoe voortdurend verplicht was. Door de vrijwilligheid uitdrukkelijk vast te leggen, werd voorkomen dat deze gift zonder meer als bewijs van een blijvende onderhoudsplicht gold. De akte is daarmee een belangrijke bron voor de geschiedenis van brugbouw, houtgebruik en de verdeling van kosten aan de Drents-Groningse grens.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 131.
De boeren van Witten getuigen over oud broekland in Geelbroek — 1534
In 1534 werden negen inwoners van Witten gehoord in een geschil over een terrein dat in de oorkonde het Blyck werd genoemd. De abdij van Assen wilde aantonen dat deze grond binnen de Witter marke lag. Volgens de getuigen was het gebied vroeger broekland geweest, maar hadden inwoners van Halen het tot hooiland gemaakt. Zowel de abdij als de commandeur van Bunne had er gebruiksrechten. De verklaring werd vastgelegd door Hinricus Krythe, pastoor van Norg en commissaris van de deken van Drenthe. Ook de inwoners van Anreep waren opgeroepen, maar vroegen drie weken bedenktijd voordat zij hun verklaring zouden afleggen.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 134.
De grenzen van het Geelbroek worden vastgelegd — 1534
In 1534 werd een belangrijk geschil tussen de abdijen van Dickninge en Assen over het gebruik van het Geelbroek door bemiddeling beëindigd. Als scheidsrechters traden Berent van Munster, heer van Ruinen, en Coenraet de Vos van Steenwijk op. Het betwiste broekland lag tussen de Anreper marke in het oosten, de Wetering in het westen, de Halersloot in het noorden en de Haler marke in het zuiden. De boeren van beide abdijen en die van Reinolt van den Klooster mochten het gebied gezamenlijk gebruiken. Eerst moest het gras worden gehooid; daarna mocht het vee worden geweid. Daarmee werden de seizoensgebonden gebruiksrechten uitdrukkelijk geregeld.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 135.
Dickninge krijgt acht mudden rogge voor het verlies van oude rechten — 1534
De regeling over het Geelbroek uit 1534 bevatte meer dan alleen bepalingen over het hooien en beweiden van gemeenschappelijke grond. Het klooster Dickninge had vroeger grove en smalle tienden en het recht van herberg bezeten over de hof te Halen. Als onderdeel van de nieuwe overeenkomst zou Dickninge die rechten niet langer kunnen opeisen. Daartegenover verplichtte de abdij van Assen zich jaarlijks acht Groninger mudden rogge te betalen. Deze regeling laat zien hoe landbouwopbrengsten werden gebruikt om oude rechten tussen kloosters af te kopen. Het Geelbroek was daarmee niet alleen een moerassig landschap, maar ook het onderwerp van belangrijke financiële afspraken.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 135.
Een plaats in het klooster voor een kudde schapen — 1546
In 1546 sloot Ludtger Segringhe een bijzondere overeenkomst met de abdij van Assen. Hij droeg 31 schapen over en kreeg daarvoor een plaats en verzorging in het klooster. Daartegenover moest hij helpen bij de werkzaamheden die hij nog kon verrichten. Voor een aanvullende betaling van twaalf Emder guldens verkreeg hij het recht om rond het middaguur een kroes bier uit de kloosterkelder te halen. De overeenkomst werd mede bekrachtigd door Steven Broyls, schulte van Rolde. Deze proveniersbrief is waardevol omdat zij de economische waarde van schapen, verzorging, arbeid en bier in één document samenbrengt.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 140.
De kloosterpoortier moet helpen bij bakken en brouwen — 1555
In 1555 betaalde Hynryck Eggynghe bijna 117 Emder guldens voor een plaats als provenier binnen de abdij van Assen. Hij moest de kloosterpoorten zorgvuldig bewaken, helpen bij de uitdeling aan armen en deelnemen aan het bakken en brouwen. Zijn werkzaamheden tonen dat een provenier niet altijd uitsluitend van verzorging leefde. In ruil voor onderdak en levensonderhoud konden ook arbeidsverplichtingen bestaan. De vermelding van bakken en brouwen bewijst dat dergelijke werkzaamheden binnen de bedrijfsvoering van de abdij waren georganiseerd. De overeenkomst werd mede bezegeld door Steven Broeyls, schulte van Rolde.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 142.
Abdis Eelteke Roltemans stelt regels op voor Witten en Geelbroek — 1556
In 1556 stelde abdis Eelteke Roltemans samen met de inwoners van Witten een zogenoemde willekeur vast. Daarin werden regels opgenomen over het gebruik van de es, de gemeenschappelijke markegronden en de waterlopen van Geelbroek. Ook het onderhoud en de schouw van wegen en wateren werden geregeld. Schouw betekende dat werd gecontroleerd of de inwoners hun onderhoudsverplichtingen waren nagekomen. Daarnaast bevatte de overeenkomst voorschriften voor het houden van runderen en schapen en voor een jaarlijkse dingdag, waarop plaatselijke aangelegenheden konden worden behandeld. De akte toont dat de abdij samen met de bewoners regels opstelde voor het dagelijks beheer van het landbouwlandschap.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 144.
Claes van Wetsinghe krijgt onderdak als kloosterorganist — 1558
In 1558 kreeg Claes van Wetsinghe voor tien Emder guldens een plaats als provenier in de abdij van Assen. Daartegenover moest hij als organist het kloosterorgel bespelen. Daarnaast beloofde hij vreedzaam om te gaan met de broeders en andere aanwezigen en zich niet te mengen in aangelegenheden die hem niet betroffen. De overeenkomst toont dat de abdij over een orgel beschikte en dat de muzikale verzorging onderdeel uitmaakte van de kloosterorganisatie. De achternaam Van Wetsinghe kan op een geografische herkomst wijzen, maar bewijst op zichzelf niet dat Claes in de buurschap Wetsinge geboren was. Daarvoor zijn aanvullende persoonsbronnen nodig.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 146.
Johan Ballen betaalt vierhonderd gulden voor zijn verzorging — 1560
In 1560 ontving Johan Ballen tegen betaling van vierhonderd Arnhemse guldens een plaats en verzorging in de abdij van Assen. Hij moest de kloosterpoort bewaken, meewerken aan de uitdeling voor armen, deelnemen aan het landbouwbedrijf en allerlei werkzaamheden buiten het kloostergebouw verrichten. Bovendien moest hij volgens zijn beurt helpen bij het bakken en brouwen. De overeenkomst toont hoe nauw verzorging en arbeid met elkaar verbonden waren. De abdij beschikte hierdoor niet alleen over inkomsten uit een eenmalige betaling, maar ook over arbeidskracht voor haar landbouw- en huishoudelijke activiteiten.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 148.
Hylle Nessynge werkt in de kloostertuin en bij het bakken — 1561
Op 24 februari 1561 kreeg Hylle Nessynge een plaats als provenierster in de abdij van Assen. Haar broers Henrick en Aerent Nessynge zouden daarvoor in termijnen vierhonderd Arnhemse guldens betalen. Hylle moest de kloostertuin verzorgen en bewerken, spinnen, helpen bij de landbouw en deelnemen aan het bakken. Zij moest bovendien zelf een bed met toebehoren meebrengen. Wanneer zij binnen een jaar zou overlijden, mochten haar verwanten het bed en haar kasgeld terugnemen, maar behield de abdij het overeengekomen bedrag. De overeenkomst geeft een zeldzaam concreet beeld van de werkzaamheden en financiële verplichtingen van een vrouw die binnen een kloostergemeenschap woonde.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 149.
Een schapenhoeder mag acht eigen schapen in het kloosterschot houden — 1566
In 1566 kreeg Johan Tijies, ook Grewynch genoemd, voor honderd Emder guldens een plaats in de abdij van Assen. Zijn belangrijkste taak was het toezicht op de kloosterschapen. Daarnaast moest hij op zijn beurt helpen bij het bakken en brouwen en waar mogelijk deelnemen aan de landbouwwerkzaamheden. Hij moest zelf een bed meebrengen. Een bijzonder onderdeel van de overeenkomst was dat hij acht eigen schapen in het schapenschot van de abdij mocht houden, mits hij de kosten daarvan zelf droeg. De proveniersbrief laat zien dat de kloosterkudde en particulier vee op dezelfde plaats konden worden gehouden, zonder dat het eigendom samenviel.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 153.
Het financieel verval van de abdij komt aan het licht — 1570
Op 21 mei 1570 stelde Johannes, abt van Morimond en vertegenwoordiger van de cisterciënzer orde, ernstige misstanden vast bij de abdij van Assen. Volgens zijn verklaring hadden eerdere abdissen verschillende onroerende goederen en inkomsten verkocht of voor lange tijd verhuurd, waardoor het klooster financieel was verzwakt. Hij maakte in het bijzonder bezwaar tegen de verkoop van land in Mastenbroek aan Robertus ter Beeck, ontvanger van de koning in Salland. Die verkoop werd door hem ongeldig verklaard. De abt droeg op de rechten van de abdij te herstellen. De oorkonde toont dat de financiële problemen niet uitsluitend met oorlogsschade samenhingen, maar ook met het beheer van het kloosterbezit.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 156.
De abt van Aduard houdt toezicht op het goederenbeheer van Assen — 1580
In 1580 verhuurde de abdij van Assen met toestemming van de abt van Aduard een stuk land buiten de Apoort van Groningen. De abt werd in de oorkonde aangeduid als geestelijk toezichthouder en visitator van Assen. Het ging om een heerd land tussen de Hoornsedijk en het Kranenland, ten zuiden van de Drentse Laan. Geerdt Arents en zijn vrouw Alijt kregen het gebruik voor twaalf jaar tegen een financiële regeling van 465 daalders. Ook werd het recht van voorkoop en voorhuur vastgelegd. Het document laat zien dat de abdij in de laatste decennia van de zestiende eeuw nog grond bezat en financiële overeenkomsten afsloot onder toezicht van een ander cisterciënzer klooster.
Bron: Drents Archief, toegang 0439, regest 159.