Aan de rand van het Romeinse Rijk — Ezinge, Feddersen Wierde en de Noordzeekust (14–476 n.Chr.)
Een samenleving zonder landsgrenzen — Van de eerste kwelderbewoners en de Romeinse veldtochten tot veranderende nederzettingen, groeiende machtsverschillen en het einde van het West-Romeinse keizerschap.
Langs de zuidelijke Noordzeekust leefden in de eerste eeuwen van onze jaartelling gemeenschappen die niet door de grenzen van het huidige Nederland en Duitsland werden gescheiden. Tussen de Rijn, Eems, Weser en Elbe strekte zich een landschap uit van kwelders, getijdengeulen, riviermondingen, moerassen en hoger gelegen zandgronden. De zee bracht vruchtbaar slib, maar bedreigde tegelijkertijd de woonplaatsen van mensen en dieren. Hier ontstonden nederzettingen waarin landbouw, veeteelt, ambachtelijke productie en onderlinge uitwisseling de bestaansbasis vormden. Hun bewoners leefden buiten het directe Romeinse provinciale bestuur, maar stonden niet buiten de wereld die door Rome werd beïnvloed.
Twee nederzettingen maken deze geschiedenis bijzonder zichtbaar. Ezinge, in het huidige Groningen, en Feddersen Wierde, tussen de Weser en de Elbe, hebben uitzonderlijke archeologische gegevens opgeleverd over boerderijen, huishoudens, bezit, arbeid en sociale verschillen. Beide ontstonden in een vergelijkbaar kustlandschap, maar ontwikkelden zich niet op dezelfde manier. Ezinge bleef gedurende vele eeuwen een bewoonde plaats. Feddersen Wierde groeide uit tot een omvangrijke nederzetting waarin de verschillen tussen erven steeds duidelijker werden, voordat de bewoning in de vijfde eeuw eindigde. Hun geschiedenis laat zien hoe plaatselijke omstandigheden en maatschappelijke verhoudingen verschillende uitkomsten konden veroorzaken.
De kustbewoners onderhielden verbindingen met het achterland en met andere gebieden rond de Noordzee. Hout, natuursteen, aardewerk, metalen voorwerpen en later Romeinse goederen bereikten de nederzettingen via verschillende routes. Romeinse veldtochten, belastingen en grensconflicten konden het dagelijks leven beïnvloeden, terwijl plaatselijke gemeenschappen hun eigen gewoonten en bestaansmiddelen bleven ontwikkelen. De centrale vraag is hoe deze kustsamenleving tussen 14 en 476 n.Chr. veranderde onder invloed van landschap, arbeid, bezit, uitwisseling en Romeinse macht, en waarom sommige nederzettingen bleven bestaan terwijl andere werden verlaten. Het antwoord begint lang voordat Romeinse soldaten de noordelijke kust bereikten.
28 n.Chr. — Een belasting op runderhuiden brengt de Friezen in opstand
In het jaar 28 n.Chr. kwamen de Friezen in opstand tegen de Romeinse belastingheffing. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus moesten zij jaarlijks een hoeveelheid runderhuiden leveren. Wat aanvankelijk een beperkte verplichting was geweest, veranderde in een zware last toen de Romeinse bestuurder Olennius huiden verlangde van een formaat dat de plaatselijke veestapel nauwelijks kon leveren. De belastinginners namen vervolgens niet alleen dieren en huiden in beslag, maar volgens Tacitus ook grond en uiteindelijk mensen. Daarmee werd een bestuurlijke verplichting een directe bedreiging voor huishoudens die afhankelijk waren van hun vee, landbouwgrond en beschikbare arbeidskracht.
De Friezen vielen de vertegenwoordigers van het Romeinse gezag aan. Olennius zocht bescherming in een versterkte plaats die Tacitus Flevum noemt. Romeinse troepen onder leiding van Lucius Apronius werden ingezet om de opstand te onderdrukken. Bij de daaropvolgende gevechten leden de Romeinen verliezen, onder andere bij het Baduhennawoud. De precieze ligging van Flevum en het woud blijft onzeker. Ook kan het conflict niet zonder afzonderlijk bewijs worden verbonden met iedere nederzetting in het noordelijke kustgebied. Tacitus beschreef de gebeurtenissen vanuit een Romeins perspectief en gaf geen volledig beeld van de plaatselijke politieke organisatie.
Voor de bewoners van de kwelders vertegenwoordigde een rund veel meer dan een verhandelbaar dier. Het leverde melk, vlees, huiden, mest en nieuwe dieren voor de veestapel. Het verlies van vee kon de voedselvoorziening en economische mogelijkheden van een huishouden ernstig aantasten. De opstand laat daarom zien hoe de eisen van een groot rijk botsten met de bestaansmiddelen van plaatselijke gemeenschappen. Tegelijk bestonden de nederzettingen van Ezinge en Feddersen Wierde al lang voordat dit conflict uitbrak. Hun bewoners hadden eigen vormen van landbouw, ambacht en uitwisseling ontwikkeld. Om hun geschiedenis te begrijpen, moeten we teruggaan naar het ontstaan van het kustlandschap en de eerste bewoning.
De voorgeschiedenis — Van de eerste kwelderbewoners tot de komst van Rome (circa 650 v.Chr.–14 n.Chr.)
Vanaf ongeveer 650 v.Chr. ontstonden in delen van het noordelijke kustgebied duurzame nederzettingen op de kwelders. De bewoners vestigden zich bij voorkeur op natuurlijke verhogingen die door de afzetting van zand en slib waren gevormd. Deze kwelderwallen boden bescherming tegen gewone hoogwaterstanden, maar konden bij zware overstromingen alsnog onder water komen te staan. Aaneengesloten zeedijken bestonden nog niet. Getijdengeulen, slikvelden en graslanden vormden een voortdurend veranderend landschap. De bewoners moesten daarom rekening houden met de hoogte van hun woonplaatsen, de beschikbaarheid van zoet water en de veiligheid van hun dieren.
De vruchtbare graslanden boden goede mogelijkheden voor veeteelt. Runderen en schapen konden grazen op de kwelders, terwijl op voldoende hoge en goed ontwaterde plaatsen ook gewassen werden verbouwd. De boerderij vormde het middelpunt van het huishouden. In woonstalhuizen leefden mensen en dieren onder hetzelfde dak, waarbij afzonderlijke ruimten werden gebruikt voor wonen, opslag en het onderbrengen van vee. Deze inrichting maakte het mogelijk om dieren tijdens ongunstige weersomstandigheden te beschermen. De veestapel leverde voedsel, mest en materialen, maar bepaalde ook voor een belangrijk deel de economische mogelijkheden van het huishouden.
Vanaf circa 500 v.Chr. zijn in Ezinge vroege boerderijen en bewoningsfasen archeologisch herkenbaar. De bewoners gebruikten een woonplaats die gedurende opeenvolgende generaties werd aangepast. Wanneer de natuurlijke ondergrond onvoldoende bescherming bood, werd het terrein opgehoogd met klei, mest en ander materiaal. Door herhaalde ophogingen ontstond geleidelijk een wierde. Deze woonheuvel was geen bouwwerk dat in één keer werd aangelegd, maar het resultaat van langdurige bewoning en onderhoud. Oudere vloeren, afval, houten constructies en gebruiksvoorwerpen raakten onder nieuwe lagen bedolven. Daardoor bleef een uitzonderlijk archeologisch archief van het dagelijks leven bewaard.
De opgravingen van Ezinge hebben grote hoeveelheden houten voorwerpen en constructieonderdelen opgeleverd. Het hoge grondwater en de afdekking door klei en mest zorgden ervoor dat organisch materiaal bewaard bleef dat op drogere vindplaatsen meestal vergaat. Houten schalen, werktuigen, onderdelen van gebouwen en andere gebruiksvoorwerpen laten zien hoe veelzijdig dit materiaal werd toegepast. De vondsten behoren tot verschillende bewoningsfasen en mogen daarom niet zonder afzonderlijke datering aan de vroegste bewoners worden toegeschreven. Gezamenlijk tonen zij hoeveel kennis nodig was om boerderijen, hekken, gereedschappen en andere voorzieningen te vervaardigen en te onderhouden.
Juist de aanwezigheid van zoveel houten voorwerpen maakt een belangrijk probleem van de kwelderbewoners zichtbaar. Op de open graslanden groeiden nauwelijks bomen die geschikt waren voor zware bouwconstructies. Balken, palen en andere houten onderdelen moesten daarom uit het achterland worden aangevoerd. Ook natuursteen was niet overal beschikbaar. Bij Ezinge vormde de keileemopduiking van Noordhorn, op minder dan vijf kilometer afstand, een relatief nabije bron voor bepaalde stenen. Andere materialen konden via grotere uitwisselingsnetwerken worden verkregen. De kustbewoners waren dus nooit volledig geïsoleerd of zelfvoorzienend. Hun bestaan was afhankelijk van verbindingen met andere landschappen en gemeenschappen.
Binnen de huishoudens werd een groot deel van de noodzakelijke arbeid zelf verricht. Graan moest worden gemalen, voedsel bereid en opgeslagen, vee verzorgd en gebouwen onderhouden. Wol en plantaardige vezels konden worden verwerkt tot textiel. Spinklosjes, weefgewichten en andere archeologische voorwerpen geven aanwijzingen voor dergelijke werkzaamheden. Ook aardewerk speelde een belangrijke rol bij koken, bewaren en serveren. De vorm en vervaardiging van potten kunnen informatie opleveren over plaatselijke tradities en contacten tussen nederzettingen. Overeenkomsten tussen voorwerpen betekenen echter niet automatisch dat hun gebruikers tot één politiek georganiseerd volk behoorden.
In de derde en tweede eeuw vóór Christus veranderde de inrichting van verschillende nederzettingen. In Ezinge zijn voor de periode rond 200–100 v.Chr. aanwijzingen voor de verdeling en het gebruik van erven van betekenis. Boerderijen, afscheidingen en werkterreinen laten zien dat huishoudens bepaalde ruimten langdurig konden gebruiken. Zulke patronen kunnen wijzen op afspraken over grond en toegang, maar bewijzen niet automatisch dat er een juridisch stelsel van particulier eigendom bestond. Zonder geschreven documenten kan de archeologie vooral laten zien hoe de beschikbare ruimte feitelijk werd ingericht en hoe die inrichting gedurende opeenvolgende generaties veranderde.
Rond 100 v.Chr. ontstond verder oostelijk Feddersen Wierde, in het kustgebied tussen Weser en Elbe. De bewoners vestigden zich in een landschap waar graslanden mogelijkheden boden voor landbouw en veeteelt, terwijl getijdenwateren en riviermondingen verbindingen met andere gebieden vormden. De nederzetting ontwikkelde zich gedurende de volgende eeuwen tot een omvangrijke woonplaats. De latere opgravingen maakten het mogelijk om opeenvolgende boerderijen, erven en veranderingen in de inrichting te onderzoeken. Daardoor kan Feddersen Wierde met Ezinge worden vergeleken, zonder dat hun afzonderlijke ontwikkelingsgeschiedenissen met elkaar worden vereenzelvigd.
In de eerste eeuw vóór Christus veranderde de politieke wereld ten zuiden van het kustgebied. Julius Caesar veroverde grote delen van Gallië en Romeinse legers bereikten de Rijn. Vanaf 12 v.Chr. ondernam Drusus militaire expedities naar het noorden. Rome gebruikte rivieren en kustwateren voor de verplaatsing van troepen en voorraden. De aanwezigheid van grote legers bracht nieuwe mogelijkheden voor uitwisseling, maar ook het gevaar van dwang en gewapende conflicten. De kustbewoners werden daardoor steeds sterker geconfronteerd met de ambities van een macht die veel verder reikte dan hun eigen nederzettingen.
In 9 n.Chr. leed het Romeinse leger onder Publius Quinctilius Varus een vernietigende nederlaag tegen een coalitie van Germaanse strijders onder leiding van Arminius. De nederlaag maakte duidelijk dat Romeinse uitbreiding in Germania op grote weerstand stuitte. Zij betekende niet dat alle contacten tussen Rome en de noordelijke gebieden ophielden. Militaire operaties, diplomatie en uitwisseling gingen door. Toen Augustus in 14 n.Chr. overleed en Tiberius hem opvolgde, bestonden Ezinge en Feddersen Wierde al geruime tijd. Hun bewoners hadden een samenleving opgebouwd waarin landbouw, veeteelt, ambacht, grondgebruik en onderlinge contacten de bestaansbasis vormden.
14–50 — Romeinse veldtochten, belastingheffing en het voortbestaan van de kustgemeenschappen
Na de dood van Augustus in 14 n.Chr. bleef de verhouding tussen Romeinse militaire macht en de gemeenschappen ten oosten van de Rijn onzeker. Germanicus ondernam in de jaren 14–16 omvangrijke veldtochten in Germania. Daarbij gebruikte het Romeinse leger niet alleen landroutes, maar ook rivieren en kustwateren voor het vervoer van soldaten en voorraden. De Eems vormde een belangrijke toegang tot het noordelijke binnenland. Voor de kustbewoners waren deze waterwegen al lang bestaande verbindingen, maar zij kregen nu ook betekenis als routes waarlangs een buitenlands leger zijn macht probeerde uit te oefenen.
Bij Bentumersiel, aan de Eems, zijn archeologische aanwijzingen gevonden voor contacten met de Romeinse militaire wereld. De vondsten zijn belangrijk omdat zij laten zien hoe ver Romeinse activiteiten en goederen het noordelijke kustgebied konden bereiken. Niet ieder Romeins voorwerp bewijst echter de aanwezigheid van een permanent garnizoen. De betekenis van de vindplaats moet worden beoordeeld aan de hand van de datering, samenstelling en archeologische context van het materiaal. De terugtocht van Germanicus in 16 maakte bovendien geen einde aan de betekenis van de noordelijke rivieren als militaire en economische verbindingen.
De Friese opstand van 28 maakte duidelijk hoe kwetsbaar de verhouding tussen Rome en plaatselijke gemeenschappen bleef. De belastingheffing in runderhuiden raakte rechtstreeks aan de economische basis van veehoudende huishoudens. Het conflict liet zien dat politieke overheersing niet alleen zichtbaar werd door soldaten en versterkingen, maar ook door aanspraken op dieren, grond en arbeidskracht. De Romeinse schrijver Tacitus beschreef de gebeurtenissen vanuit het perspectief van de machthebbers. Voor de ontwikkeling van afzonderlijke nederzettingen zoals Ezinge en Feddersen Wierde blijven archeologische gegevens daarom noodzakelijk.
Een bijzonder voorwerp uit deze periode is het houten schrijftafeltje van Groot Tolsum. Het wordt verbonden met een Romeins juridisch document uit het jaar 29 en laat zien dat schriftelijke afspraken en rechtspraktijken uit de Romeinse wereld ook buiten de provinciale kerngebieden konden circuleren. De aanwezigheid van zo'n document betekent niet dat de gehele kustsamenleving volgens Romeins recht werd bestuurd. Het toont vooral dat bepaalde personen toegang konden hebben tot schriftelijke afspraken en juridische vormen die in de Romeinse wereld gebruikelijk waren.
Bij Winsum zijn eveneens Romeinse voorwerpen aangetroffen die bijdragen aan het beeld van contacten in de eerste eeuw. Zulke vondsten moeten afzonderlijk worden beoordeeld naar datering, herkomst en vindomstandigheden. Zij kunnen wijzen op handel, persoonlijke contacten of de verplaatsing van goederen, maar geven niet vanzelf antwoord op de vraag wie de voorwerpen bezat. In Ezinge veranderden ondertussen de boerderijen en erven. Voor de jaren 30–45 zijn opeenvolgende bouwfasen herkenbaar. Ook in Feddersen Wierde vonden ophogingen en veranderingen in de inrichting van het woonterrein plaats.
In 47 kwam het opnieuw tot Romeins militair optreden in het noordelijke kustgebied. Gannascus, die volgens Tacitus met de Chauken verbonden was, ondernam aanvallen langs de kust. De Romeinse bevelhebber Corbulo trad tegen hem op en probeerde de Romeinse positie te versterken. Keizer Claudius gaf uiteindelijk opdracht de troepen achter de Rijn terug te trekken. Daarmee werd de Rijn steeds duidelijker de militaire grens van het Romeinse bestuur in deze regio. De gemeenschappen verder noordelijk bleven buiten een duurzame Romeinse provinciale organisatie, maar niet buiten de economische en politieke invloed van het rijk.
50–100 — Boerderijen, handelscontacten en de crisis aan de Romeinse grens
Na het midden van de eerste eeuw ontwikkelde Ezinge zich verder als een nederzetting waarin opeenvolgende generaties hun boerderijen vernieuwden en het woonterrein bleven ophogen. Rond 50–60 zijn nieuwe fasen in de inrichting van huizen en erven herkenbaar. Het woonstalhuis bleef het centrum van het dagelijks bestaan. Hier werden dieren gehouden, voorraden opgeslagen en huishoudelijke werkzaamheden verricht. De plaats van een boerderij op de wierde bepaalde mede hoeveel ruimte een huishouden voor zijn werkzaamheden kon gebruiken. Afscheidingen, toegangen en werkterreinen vormden daarom belangrijke onderdelen van de onderlinge organisatie.
In Feddersen Wierde veranderde tussen ongeveer 50 en 75 de ruimtelijke inrichting van de nederzetting. Boerderijen werden aangepast en het woonterrein werd in opeenvolgende fasen verhoogd. De omvang van een huis of erf kan aanwijzingen geven voor de beschikbare arbeidskracht, de veestapel en de economische mogelijkheden van een huishouden. Toch is voorzichtigheid noodzakelijk: een groter gebouw betekent niet automatisch dat de bewoners politieke macht bezaten. Daarvoor moeten ook de ligging, bijgebouwen, vondsten en veranderingen gedurende verschillende bewoningsfasen worden onderzocht.
De materiële cultuur van deze periode laat een samenleving zien waarin landbouw en ambacht nauw verbonden bleven. Graan moest worden gemalen en opgeslagen, vee verzorgd en gereedschap hersteld. Maalstenen, houten voorwerpen, aardewerk en sporen van textielproductie maken zichtbaar hoe veelzijdig het werk binnen de huishoudens was. De aanwezigheid van wielen en andere onderdelen van vervoermiddelen toont bovendien het belang van vervoer over land, naast de verbindingen over water. De kwelderbewoners gebruikten de mogelijkheden van hun omgeving, maar moesten voortdurend materialen en kennis combineren om hun nederzettingen in stand te houden.
Vanaf de jaren zestig werd de Romeinse wereld opnieuw door politieke spanningen getroffen. Na de dood van Nero in 68 volgde een strijd om de keizerlijke macht. In 69–70 brak onder leiding van Julius Civilis een grote opstand uit in het Rijngebied. Romeinse versterkingen en nederzettingen werden aangevallen; ook Valkenburg aan de Oude Rijn werd verwoest. De opstand maakte duidelijk hoe kwetsbaar de Romeinse militaire organisatie kon worden wanneer plaatselijke bondgenoten en troepen zich tegen het gezag keerden. Voor de noordelijke kust betekende dit niet noodzakelijk een gelijktijdige crisis in iedere nederzetting.
Onder Vespasianus werd het Romeinse gezag langs de Rijn hersteld. In Ezinge en Feddersen Wierde gingen de plaatselijke ontwikkelingen ondertussen door. Huishoudens vernieuwden hun gebouwen, gebruikten hun erven en onderhielden contacten met andere nederzettingen. Tegen het einde van de eerste eeuw worden verschillen in de inrichting van erven steeds belangrijker voor het begrijpen van de sociale verhoudingen. Ook rituele handelingen en bijzondere deposities kunnen aanwijzingen geven voor de betekenis die bewoners aan plaatsen en voorwerpen hechtten. De eeuw eindigde met een kustsamenleving die buiten het Romeinse bestuur bleef, maar waarin de gevolgen van Romeinse aanwezigheid niet meer konden worden genegeerd.
100–150 — De groei van nederzettingen en de eerste zichtbare sociale verschillen
Aan het begin van de tweede eeuw bereikte het Romeinse Rijk onder Trajanus een grote territoriale omvang. De noordelijke kustgebieden tussen Eems, Weser en Elbe maakten echter geen deel uit van de Romeinse provinciale organisatie. Hun bewoners bleven hun eigen woonplaatsen gebruiken en onderhouden. De geschiedenis van deze gemeenschappen wordt daarom vooral zichtbaar door archeologische gegevens. In Ezinge geven opeenvolgende bouwlagen informatie over het gebruik van erven, de vernieuwing van boerderijen en de continuïteit van bewoning. Romeinse goederen tonen contacten met de wereld ten zuiden van de grens, maar bewijzen geen directe politieke onderwerping.
Onder Hadrianus, die van 117 tot 138 regeerde, verschoof de Romeinse nadruk sterker naar het bewaken en organiseren van bestaande grenzen. Voor de kustgemeenschappen betekende dit dat de militaire grens langs de Rijn een blijvende factor werd in de regionale verhoudingen. De oudere wierden in het Fivelgebied en andere delen van het noordelijke kustlandschap ontwikkelden zich ondertussen verder. De bewoning was niet overal even intensief en nederzettingen konden verschillende groeifasen doormaken. Het ontstaan van nieuwe woonplaatsen en de uitbreiding van bestaande wierden moeten daarom afzonderlijk worden onderzocht.
Verder oostelijk, tussen de Eems en de Weser, maakten gemeenschappen gebruik van vergelijkbare landschappelijke mogelijkheden. Graslanden boden ruimte voor veeteelt, terwijl getijdengeulen en riviermondingen verbindingen met andere gebieden vormden. De bewoners moesten bouwmaterialen, werktuigen en soms voedsel uitwisselen met mensen buiten hun eigen woonplaats. De verspreiding van aardewerk en andere voorwerpen laat zien dat zulke contacten over grotere afstanden mogelijk waren. Toch blijft het moeilijk om op basis van overeenkomsten in materiële cultuur precies vast te stellen welke taal de bewoners spraken of welke politieke verbonden zij vormden.
In Feddersen Wierde werden gedurende de tweede eeuw de eerste duidelijke verschillen tussen bepaalde erven zichtbaar. Sommige huishoudens beschikten over grotere gebouwen of een andere inrichting van hun woonterrein dan hun buren. Zulke verschillen kunnen samenhangen met veestapel, arbeidskracht, bezit of een bijzondere positie binnen de nederzetting. De ontwikkeling is van belang omdat zij laat zien dat een gemeenschap van boeren niet noodzakelijk uit volledig gelijkwaardige huishoudens bestond. Sociale verhoudingen konden veranderen zonder dat er sprake was van een stad, een vorstelijk hof of een geschreven bestuursorganisatie.
Tegen het midden van de tweede eeuw bestond langs de Noordzeekust een netwerk van nederzettingen met eigen ontwikkelingsgeschiedenissen. Ezinge bleef een langdurig gebruikte woonplaats, terwijl Feddersen Wierde een ontwikkeling doormaakte waarin verschillen tussen huishoudens steeds nadrukkelijker zichtbaar werden. De Romeinse wereld leverde goederen en beïnvloedde de omgeving, maar bepaalde niet volledig hoe de nederzettingen waren georganiseerd. Het landschap, de toegang tot grondstoffen en de plaatselijke verdeling van arbeid en bezit bleven minstens zo belangrijk. Daarmee ontstond de uitgangssituatie voor de veranderingen die in de tweede helft van de eeuw duidelijker naar voren zouden komen.
150–200 — Romeins zilver, plaatselijke ambachten en de groei van een uitzonderlijk erf
In de tweede helft van de tweede eeuw bereikten Romeinse goederen de kustgemeenschappen via uiteenlopende verbindingen. Munten, metalen voorwerpen, aardewerk en andere producten konden worden verplaatst door handel, persoonlijke contacten, geschenken of de terugkeer van mensen die elders hadden verbleven. Romeins zilver was daarbij niet uitsluitend van betekenis als geld volgens Romeinse maatstaven. Het metaal bezat ook een eigen waarde, ongeacht de plaats waar een munt was geslagen. De aanwezigheid van Romeinse munten bewijst daarom niet automatisch dat alle bewoners dezelfde munteenheid gebruikten.
Voorwerpen met voorstellingen van Romeinse godheden vormen een andere aanwijzing voor contacten tussen verschillende culturele werelden. Dergelijke beeldjes konden de kust bereiken zonder dat er ook Romeinse tempels of een officiële Romeinse eredienst werden gevestigd. Hun betekenis voor de plaatselijke gebruikers blijft vaak onzeker. Zij kunnen als religieuze voorwerpen zijn beschouwd, maar ook als bijzondere bezittingen of waardevolle geschenken. De archeologische context is daarom doorslaggevend. Een voorwerp dat in een nederzettingslaag wordt gevonden, vertelt iets anders dan een object dat bewust op een bijzondere plaats lijkt te zijn neergelegd.
In Feddersen Wierde ontwikkelde zich gedurende de tweede eeuw een erf dat door zijn omvang en inrichting opviel tussen de overige boerderijen. De groei van dit uitzonderlijke erf is een van de belangrijkste aanwijzingen voor veranderende sociale verhoudingen in de nederzetting. Het grotere woon- en werkterrein kan samenhangen met een omvangrijkere veestapel, meer beschikbare arbeidskracht of een bijzondere economische positie. Sommige onderzoekers verbinden zulke ontwikkelingen met het ontstaan van een leidende huishouding. Dat is een aannemelijke interpretatie, maar het archeologische bewijs maakt niet precies duidelijk welke formele bevoegdheden de bewoners hadden.
In Ezinge bleef het dagelijks leven ondertussen zichtbaar in de opeenvolging van gebouwen en gebruiksvoorwerpen. Houten gereedschap, aardewerk, constructieonderdelen en andere vondsten tonen de praktische kennis die nodig was om een boerderij op de kwelder te onderhouden. De bewoners moesten beschikken over materialen die plaatselijk beschikbaar waren en over producten die van elders kwamen. Dieren vormden een belangrijke bron van voedsel, mest, huiden en arbeidskracht. De grootte van een veestapel kon gevolgen hebben voor de economische mogelijkheden van een huishouden, maar de archeologie laat niet altijd zien hoe dieren juridisch of familiaal waren verdeeld.
Ook het onderhoud van de woonheuvels vroeg om samenwerking en langdurige investeringen. Klei en mest moesten worden aangevoerd en verwerkt, gebouwen moesten worden vernieuwd en het water moest waar mogelijk worden beheerst. Zulke werkzaamheden konden door afzonderlijke huishoudens worden uitgevoerd, maar de inrichting van een nederzetting bracht onvermijdelijk gezamenlijke belangen met zich mee. Wanneer een erf werd verhoogd of een toegang veranderde, kon dat gevolgen hebben voor aangrenzende woonplaatsen. De archeologische resten laten de uitkomst van zulke beslissingen zien, maar zelden de afspraken of conflicten die eraan voorafgingen.
200–250 — Bezit, werktuigen en Romeinse goederen in een veranderende kustwereld
Aan het begin van de derde eeuw bestond het Noordzeekustgebied uit een groot aantal nederzettingen met verschillende bewoningsgeschiedenissen. Ook West-Friesland maakte deel uit van deze bredere kustwereld, al verschilden de plaatselijke omstandigheden van die in Groningen en het gebied tussen Weser en Elbe. Woonplaatsen lagen op natuurlijke of kunstmatige verhogingen, terwijl waterwegen verbindingen met het achterland en andere kustgebieden boden. De bewoners waren afhankelijk van de beschikbaarheid van landbouwgrond, weiden en bouwmaterialen. Tegelijk bleven de onderlinge verhoudingen veranderen, doordat sommige huishoudens over meer ruimte, dieren of bijzondere voorwerpen konden beschikken dan andere.
In Ezinge werden bestaande erven in de derde eeuw opnieuw gebruikt en aangepast. De opeenvolgende bouwfasen laten zien dat de bewoners bleven investeren in hun woonplaats. Hout bleef een onmisbaar materiaal voor gebouwen, werktuigen en gebruiksvoorwerpen. Ook steen had grote praktische betekenis, onder meer voor het malen van graan en andere werkzaamheden. De waarde van zulke materialen hing samen met hun bruikbaarheid en de moeite die nodig was om ze naar de kwelder te brengen. Een houten werktuig of maalsteen vertegenwoordigde daardoor arbeid, kennis en toegang tot materialen buiten de nederzetting.
Romeins aardewerk bereikte in deze periode eveneens de noordelijke kust. De aanwezigheid van dergelijke producten maakt duidelijk dat de verbindingen met de Romeinse wereld bleven bestaan. De goederen konden via verschillende handels- en contactroutes worden verspreid. Niet ieder voorwerp was rechtstreeks door een Romeinse handelaar aangevoerd en niet iedere vondst kan precies aan een afzonderlijke reis worden gekoppeld. De herkomst, vorm, datering en vindomstandigheden moeten samen worden onderzocht. Vooral wanneer voorwerpen in latere lagen terechtkwamen, is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen het moment van vervaardiging, het gebruik en de uiteindelijke depositie.
Bijzonder zijn de bronzen beeldjes die in Ezinge zijn aangetroffen. Zij behoren tot de vondsten die laten zien dat voorwerpen met een Romeinse culturele achtergrond ook in een noordelijke wierdennederzetting aanwezig konden zijn. De beeldjes roepen vragen op over hun oorspronkelijke functie, de wijze waarop zij de kust bereikten en de betekenis die de bewoners eraan gaven. Een Romeinse godenvoorstelling hoeft niet te betekenen dat de eigenaar dezelfde religieuze opvattingen had als de oorspronkelijke vervaardiger. Zulke voorwerpen konden van betekenis veranderen wanneer zij tussen verschillende gemeenschappen werden uitgewisseld.
Andere vondsten uit Ezinge laten zien dat de bewoners vertrouwd waren met meten, wegen en het beoordelen van materialen. Zulke vaardigheden waren noodzakelijk bij ambachtelijke werkzaamheden en konden ook van belang zijn bij de uitwisseling van goederen. Het gebruik van gewichten of meetinstrumenten betekent echter niet dat de gehele kust één uniform geldstelsel kende. Het toont vooral dat bepaalde hoeveelheden en waarden konden worden vergeleken. Juist de combinatie van Romeinse goederen, plaatselijke werktuigen en praktische meetkennis maakt zichtbaar hoe de bewoners verschillende economische tradities met elkaar konden verbinden.
In Feddersen Wierde groeiden ondertussen de verschillen tussen grote en kleine boerenbedrijven. De archeologische gegevens laten niet alleen boerderijen zien, maar ook sporen van ambachtelijke werkzaamheden. De aanwezigheid van bijzondere werktuigen, metalen voorwerpen en andere vondsten maakt duidelijk dat de nederzetting meer was dan een verzameling identieke landbouwbedrijven. De plaatselijke economie kende verschillende vormen van arbeid en specialisatie. Toch blijft voorzichtigheid nodig bij het verbinden van afzonderlijke vondsten met vaste beroepen. Een medisch instrument of onderdeel van militaire uitrusting bewijst bijvoorbeeld niet zonder meer dat er permanent een arts of soldaat woonde.
250–300 — Romeinse grenscrises, het bronsdepot van Hallum en veranderende nederzettingen
Na 250 werd het Romeinse Rijk geconfronteerd met militaire aanvallen, politieke strijd en economische problemen. De verdediging van de Rijn bleef belangrijk, maar het rijk kon zijn macht niet overal op dezelfde manier handhaven. Voor de noordelijke kustgemeenschappen betekende dit dat de politieke omgeving opnieuw veranderde. De Romeinse wereld verdween niet uit hun bereik, maar de omstandigheden waaronder goederen, mensen en militaire groepen zich verplaatsten werden minder stabiel. Archeologische vondsten uit deze periode moeten daarom worden bekeken tegen de achtergrond van zowel plaatselijke ontwikkelingen als veranderingen in het grensgebied.
Het bronsdepot van Hallum vormt een bijzondere aanwijzing voor de betekenis van metaal in deze periode. Romeinse bronzen voorwerpen konden buiten hun oorspronkelijke gebruikscontext opnieuw waarde krijgen als materiaal. Beschadigde of verouderde voorwerpen hoefden niet waardeloos te worden. Zij konden worden verzameld, verhandeld, omgesmolten of op een andere manier hergebruikt. Een depot bewijst niet automatisch welke bestemming de voorwerpen uiteindelijk zouden hebben gekregen. Wel maakt het zichtbaar dat de kustbewoners deel uitmaakten van netwerken waarin metaal een belangrijke economische betekenis had, ook wanneer de oorspronkelijke Romeinse functie van een object was verdwenen.
In 260 vestigde Postumus een afzonderlijk keizerschap in het westelijke deel van het Romeinse Rijk. Het zogenoemde Gallische Keizerrijk bleef bestaan totdat Aurelianus in 274 de gebieden opnieuw onder het centrale Romeinse gezag bracht. Deze politieke ontwikkelingen veranderden de machtsverhoudingen langs de Rijn. Voor de noordelijke kust kunnen de gevolgen niet rechtstreeks uit de Romeinse gebeurtenissen worden afgeleid, maar zij vormen wel de achtergrond waartegen de circulatie van munten, metalen voorwerpen en andere goederen moet worden begrepen. De datering van afzonderlijke vondsten blijft daarbij belangrijker dan een algemene veronderstelling over handel tijdens de crisis.
In Ezinge bleef de lange bewoningsgeschiedenis zichtbaar in de ophogingslagen en de opeenvolgende gebouwen. De bewoners maakten gebruik van bestaande erven en pasten hun woonplaats aan veranderende omstandigheden aan. Houten voorwerpen, botmateriaal en andere vondsten tonen de veelzijdigheid van het dagelijks leven. Dierlijke resten kunnen informatie geven over voedselvoorziening, veeteelt, ambacht en bijzondere handelingen. Ook paardenbotten en resten van zeedieren, waaronder walvismateriaal, kunnen belangrijke aanwijzingen opleveren. Hun betekenis hangt echter af van de exacte vindplaats, datering en bewerkingssporen. Niet ieder bijzonder bot is automatisch bewijs voor een ritueel of een afzonderlijke economische activiteit.
Bij Eenumerhoogte zijn bijzondere dierlijke resten van belang voor het onderzoek naar de omgang met dieren en dierlijk materiaal in het wierdengebied. Dergelijke vondsten kunnen wijzen op voedselgebruik, ambachtelijke verwerking of andere vormen van menselijk handelen. De archeologische context bepaalt welke interpretaties aannemelijk zijn. Ook voorwerpen van bot, zoals werktuigen en mogelijk spelmateriaal, maken zichtbaar dat bewoners beschikbare grondstoffen op uiteenlopende manieren gebruikten. De combinatie van houten, stenen, metalen en benen voorwerpen laat zien hoe veelzijdig de materiële cultuur van de kustgemeenschappen was.
In Feddersen Wierde bleven de verschillen tussen huishoudens zichtbaar. De omvang en inrichting van erven wijzen op uiteenlopende economische mogelijkheden, maar geven geen rechtstreeks inzicht in alle sociale verplichtingen die tussen bewoners bestonden. Een groter erf kon meer dieren, opslagruimte en arbeidskracht vertegenwoordigen. Tegelijk kon een huishouden afhankelijk zijn van samenwerking met andere bewoners. De derde eeuw laat daarmee een samenleving zien waarin sociale verschillen en onderlinge afhankelijkheid naast elkaar konden bestaan. Aan het einde van de eeuw begon het Romeinse bestuur zich onder Diocletianus opnieuw te organiseren, terwijl de kustgemeenschappen hun eigen ontwikkeling voortzetten.
300–400 — Verlaten terpen, blijvende woonplaatsen en nieuwe verbindingen
In de vierde eeuw veranderde de bewoning van verschillende delen van het Noordzeekustgebied. Sommige nederzettingen werden kleiner of verlaten, terwijl andere in gebruik bleven. De ontwikkeling was niet overal gelijk. Onderzoek naar Friese terpen, waaronder Wijnaldum-Tjitsma, Wierum, Tritsum, Dongjum-Heringa, Arkum, Wommels en Sneek-Harinxmaland, laat zien dat plaatselijke bewoningsgeschiedenissen sterk konden verschillen. Ook Jelsum en Marssum zijn van betekenis bij het onderzoek naar continuïteit. Deze vindplaatsen mogen niet worden samengevoegd tot één algemeen verhaal over een volledig verlaten Friesland. Iedere terp moet op basis van haar eigen vondsten, bouwsporen en dateringen worden beoordeeld.
Bij Dongjum-Heringa zijn de opeenvolgende bodemlagen van betekenis voor het reconstrueren van het gebruik van de woonplaats. Zulke lagen kunnen oudere bewoning afdekken en daardoor beschermen, maar maken het tegelijkertijd noodzakelijk om voorwerpen zorgvuldig aan de juiste fase toe te wijzen. Ook de resultaten van hernieuwd onderzoek aan meerdere Friese terpen laten zien hoe belangrijk de oorspronkelijke opgravingsgegevens blijven. Oude vondsten kunnen met nieuwe dateringsmethoden opnieuw worden beoordeeld. Daardoor kan het beeld van bewoningscontinuïteit of onderbreking veranderen. Het ontbreken van vondsten uit een bepaalde periode bewijst bovendien niet altijd dat een woonplaats volledig verlaten was.
Ezinge bleef een belangrijke vindplaats voor het onderzoek naar langdurige bewoning. Het aardewerk vormt daarbij een omvangrijke bron van informatie. De studie van honderden potten, waaronder een onderzochte groep van 365 exemplaren, maakt het mogelijk veranderingen in vorm, vervaardiging en gebruik te volgen. Aardewerktradities kunnen wijzen op contacten en culturele veranderingen, maar hoeven niet rechtstreeks samen te vallen met de komst van een nieuwe bevolking. Ook Romeins tafelservies, waaronder terra sigillata uit verder gelegen productiegebieden, laat zien dat voorwerpen grote afstanden konden afleggen. Sommige objecten konden bovendien lang in gebruik blijven of een nieuwe functie krijgen.
De vierde eeuw was ook een periode waarin Romeins goud een bijzondere betekenis kreeg. In Ezinge zijn twee solidi bekend die inzicht bieden in contacten met de laat-Romeinse wereld. Gouden munten vertegenwoordigen een andere vorm van waarde dan de goederen die dagelijks op de boerderij werden gebruikt. Zij konden dienen als betaalmiddel, kostbaar bezit of materiaal waarvan de metaalwaarde belangrijk was. Hun aanwezigheid betekent niet dat alle bewoners regelmatig met goud betaalden. Integendeel, zulke vondsten kunnen juist wijzen op ongelijke toegang tot verre contacten en bijzondere vormen van bezit. De precieze betekenis hangt af van hun datering en vondstcontext.
De combinatie van goud, bijzondere voorwerpen en langdurige bewoning heeft geleid tot de vraag of Ezinge in bepaalde perioden een regionale centrumfunctie vervulde. Dat is een onderzoeksvraag die niet uitsluitend op basis van enkele kostbare vondsten kan worden beantwoord. Een centrale positie zou ook zichtbaar moeten zijn in de omvang van de nederzetting, de aard van de gebouwen, de verspreiding van goederen en de relaties met omliggende woonplaatsen. De aanwezigheid van kostbaar materiaal maakt sociale verschillen aannemelijk, maar bewijst niet automatisch het bestaan van een vorstelijk hof of een vast bestuurlijk centrum.
In Feddersen Wierde veranderde de nederzetting gedurende de vierde eeuw ingrijpend. De grote en kleine erven, de aanwezigheid van ambachtelijke werkzaamheden en de verbindingen met het Rijngebied blijven belangrijk voor het begrijpen van haar ontwikkeling. Maalstenen en andere voorwerpen tonen dat materialen van buiten het kustgebied werden aangevoerd. De bewoners combineerden landbouw en veeteelt met verschillende vormen van ambacht. Toch naderde de nederzetting het einde van haar bewoningsgeschiedenis. De oorzaken daarvan zijn niet met zekerheid vast te stellen. Veranderingen in landschap, economie, sociale verhoudingen en de verplaatsing van bewoners kunnen een rol hebben gespeeld.
Bij Fallward, in het gebied van de Wesermonding, zijn uitzonderlijk goed bewaarde graven aangetroffen. Deze vondsten maken zichtbaar hoe de omgang met de doden in het kustgebied kon verschillen van het dagelijks leven op de woonplaatsen. Grafgiften, houten voorwerpen en andere resten kunnen informatie geven over sociale positie, rituelen en materiële cultuur. Zij moeten echter binnen hun eigen datering worden behandeld. De aanwezigheid van bijzondere grafgiften bewijst niet zonder meer dat dezelfde gebruiken in Ezinge of Feddersen Wierde voorkwamen. De vergelijking tussen nederzettingen en grafvelden is waardevol, juist omdat zij verschillende onderdelen van de samenleving zichtbaar maken.
Tegen het einde van de vierde eeuw veranderden de politieke verhoudingen binnen het Romeinse Rijk opnieuw. In 395 werd het keizerlijke bestuur na de dood van Theodosius verdeeld tussen zijn zonen. Voor de kustgemeenschappen was dit geen aantoonbare plotselinge breuk, maar de grotere politieke wereld waarin hun contacten plaatsvonden veranderde wel. De verbindingen over de Noordzee, naar Brittannië en langs de grote riviermondingen bleven van betekenis. Ezinge en Feddersen Wierde laten ondertussen twee verschillende ontwikkelingen zien: een langdurig bewoonde wierde tegenover een nederzetting waarvan de bewoning geleidelijk naar haar einde ging.
400–450 — Oude woonplaatsen, nieuwe bewoners en een veranderende Noordzeewereld
In de vijfde eeuw veranderden de politieke verhoudingen in grote delen van Europa. Romeinse legers en bestuurders verloren in verschillende gebieden hun vroegere macht, terwijl nieuwe politieke verbonden ontstonden. De noordelijke kustgemeenschappen maakten geen deel uit van één gezamenlijke staat en reageerden niet overal op dezelfde manier op deze veranderingen. Sommige woonplaatsen werden opnieuw gebruikt, andere bleven bewoond en weer andere verdwenen. De archeologie laat daardoor geen eenvoudige overgang zien van één bevolking naar een andere. Zij toont een complex patroon van continuïteit, onderbreking, verplaatsing en nieuwe contacten.
Ezinge bleef deel uitmaken van deze veranderende kustwereld. De lange bewoningsgeschiedenis van de wierde laat zien dat een woonplaats zich gedurende vele generaties kon aanpassen. Gebouwen werden vernieuwd, erven veranderden en de materiële cultuur ontwikkelde zich verder. Ook Hallum kreeg opnieuw bewoners, terwijl Wijnaldum een nieuwe bewoningsfase doormaakte. Zulke ontwikkelingen wijzen op veranderingen in het gebruik van bestaande woonplaatsen. Zij bewijzen niet automatisch dat alle nieuwe bewoners van buiten het kustgebied kwamen. Ook plaatselijke verplaatsingen en de herorganisatie van bestaande gemeenschappen kunnen een rol hebben gespeeld.
Bij Ferwerd, Hallum en Finkum zijn leren schoenen uit de vijfde eeuw van betekenis voor het onderzoek naar kleding, ambacht en het dagelijks leven. Leer blijft alleen onder gunstige omstandigheden bewaard, waardoor dergelijke vondsten bijzonder waardevol zijn. Zij tonen niet alleen de vervaardiging en het gebruik van schoeisel, maar kunnen ook aanwijzingen geven voor technische kennis en contacten tussen verschillende gebieden. De vondsten moeten afzonderlijk worden gedateerd en onderzocht. Overeenkomsten in vorm hoeven niet automatisch te betekenen dat alle schoenen door dezelfde groep mensen werden gedragen of in dezelfde werkplaats werden vervaardigd.
In Hegebeintum veranderde het gebruik van een oude terp. Begravingen en resten van voedsel en dieren die met brandstapels in verband worden gebracht, geven inzicht in de omgang met de doden. Ook Oosterbeintum laat zien hoe een landschap dat eerder voor landbouw werd gebruikt later een andere betekenis kon krijgen. Daar werden graven aangelegd op een terrein waarvan oudere gebruikssporen bekend zijn. De overgang van akkerland naar begraafplaats maakt zichtbaar dat de betekenis van een plek gedurende de tijd kon veranderen. De aanwezigheid van graven vertelt echter niet vanzelfsprekend waar alle betrokken mensen woonden.
Aan de overzijde van de Noordzee veranderde ondertussen de situatie in Brittannië. De Romeinse militaire en bestuurlijke aanwezigheid nam in de vroege vijfde eeuw sterk af. Contacten tussen het vasteland en Brittannië bestonden al langer, maar kregen in deze periode nieuwe betekenissen. Mensen konden zich verplaatsen, goederen werden uitgewisseld en nieuwe politieke en culturele verbanden ontstonden. De namen Saksen, Angelen en Friezen komen in verschillende historische contexten voor, maar mogen niet zonder meer worden beschouwd als aanduidingen van onveranderlijke bevolkingen met vaste grenzen. Archeologische overeenkomsten kunnen contacten zichtbaar maken, maar bepalen niet automatisch de identiteit van de betrokken personen.
In Feddersen Wierde naderde de bewoning haar einde. De laatste fasen van de nederzetting tonen veranderingen in de inrichting en het gebruik van erven. De archeologische resten geven geen rechtstreeks verslag van het vertrek van de bewoners. Het is niet bekend of alle huishoudens gelijktijdig vertrokken of dat de nederzetting geleidelijk kleiner werd. Evenmin kan zonder aanvullend bewijs worden vastgesteld waar de laatste bewoners naartoe gingen. De geschiedenis van Feddersen Wierde maakt daardoor duidelijk dat het verdwijnen van een woonplaats niet noodzakelijk hetzelfde is als het verdwijnen van een bevolking uit het gehele kustgebied.
450–476 — Het einde van Feddersen Wierde en de wereld na Rome
In het midden van de vijfde eeuw bestond langs de Noordzeekust een samenleving waarin oude en nieuwe bewoningsplaatsen naast elkaar voorkwamen. Ezinge bleef een langdurig gebruikte wierde, terwijl Wijnaldum, Hegebeintum en andere plaatsen nieuwe fasen in hun geschiedenis doormaakten. De bewoners beschikten over verschillende vormen van materiële cultuur en onderhielden contacten met gebieden rond de Noordzee. Goud, gewichten en andere bijzondere voorwerpen kunnen aanwijzingen geven voor bezit en economische verschillen. Zij bewijzen echter niet dat alle gemeenschappen dezelfde waarden, betaalmiddelen of politieke organisatie kenden.
Schalenurnen en andere grafvondsten laten zien dat de omgang met de doden in deze periode veranderde. Bijzondere aardewerken vormen, voedselresten en grafgiften kunnen informatie geven over rituelen en sociale verhoudingen. De betekenis van gezamenlijke maaltijden of voedseloffers moet echter zorgvuldig worden onderzocht. Niet iedere vondst in een graf kan rechtstreeks aan één ritueel worden verbonden. Bij Hegebeintum en Oosterbeintum maken de grafvelden zichtbaar hoe mensen oudere landschappen opnieuw betekenis gaven. De aanleg van graven op of bij bestaande woonplaatsen en landbouwterreinen verbond het gebruik van grond met herinnering en de omgang met eerdere generaties.
Feddersen Wierde werd in de vijfde eeuw verlaten. Daarmee kwam een bewoningsgeschiedenis ten einde die rond 100 v.Chr. was begonnen. Gedurende die eeuwen was de nederzetting gegroeid, waren boerderijen vernieuwd en waren verschillen tussen huishoudens zichtbaar geworden. De grote en kleine erven, ambachtelijke werkzaamheden en aangevoerde materialen tonen een gemeenschap met uiteenlopende economische mogelijkheden. Het vertrek van de laatste bewoners blijft echter moeilijk te verklaren. De archeologische gegevens wijzen op het einde van het gebruik als nederzetting, maar geven geen zekerheid over de afzonderlijke beslissingen die daartoe leidden.
Ezinge kende een andere ontwikkeling. De wierde bleef bestaan als woonplaats, al veranderden de gebouwen, bewoners en materiële cultuur gedurende de eeuwen. Ook Wijnaldum ontwikkelde zich verder in een kustgebied waar nieuwe verbindingen en maatschappelijke verhoudingen ontstonden. De vergelijking met Feddersen Wierde laat zien dat gemeenschappen in een vergelijkbaar landschap niet noodzakelijk dezelfde toekomst hadden. De beschikbaarheid van grond, de inrichting van erven, de sociale organisatie en de mogelijkheden om contacten te onderhouden konden verschillende gevolgen hebben. De kustgeschiedenis was daarmee geen gelijkmatig proces waarin alle nederzettingen gelijktijdig groeiden of verdwenen.
In 476 werd Romulus Augustulus, de jonge keizer in het westen, door Odoaker afgezet. Deze gebeurtenis geldt traditioneel als het einde van het West-Romeinse keizerschap, al bleef het Oost-Romeinse Rijk bestaan en verdwenen Romeinse instellingen niet overal tegelijk. Voor de bewoners van Ezinge was 476 geen aantoonbare plotselinge breuk in het dagelijks bestaan. Zij leefden al eeuwen buiten het directe Romeinse provinciale bestuur. De betekenis van het jaar ligt vooral in de grotere politieke geschiedenis: het rijk dat gedurende eeuwen militaire, economische en culturele invloed op de Noordzeekust had uitgeoefend, verloor zijn afzonderlijke westelijke keizerschap.
De historische afsluiting — Een samenleving die haar eigen geschiedenis vormde
De geschiedenis van Ezinge en Feddersen Wierde laat zien dat de bewoners van de Noordzeekust niet uitsluitend kunnen worden begrepen vanuit hun verhouding tot het Romeinse Rijk. Hun samenleving was al eeuwen vóór de komst van Romeinse legers ontstaan. Zij bouwden boerderijen, verhoogden hun woonplaatsen, hielden vee, verbouwden gewassen en onderhielden verbindingen met het achterland. De zee vormde zowel een bedreiging als een mogelijkheid. Zij bracht vruchtbare afzettingen, maar maakte bescherming tegen het water noodzakelijk. Rivieren en getijdengeulen verbonden de kust met andere gebieden, terwijl het ontbreken van geschikte bouwmaterialen de bewoners afhankelijk maakte van uitwisseling.
Romeinse macht bracht nieuwe omstandigheden in deze bestaande wereld. De veldtochten van Germanicus, de belastingheffing die tot de Friese opstand van 28 leidde en het optreden van Corbulo in 47 tonen hoe militaire en politieke belangen de kust konden raken. Tegelijk bereikten Romeinse goederen de nederzettingen zonder dat deze daardoor automatisch onder Romeins bestuur kwamen. Het schrijftafeltje van Groot Tolsum, de Romeinse voorwerpen bij Winsum en de bronzen beeldjes van Ezinge maken verschillende vormen van contact zichtbaar. Zij laten zien dat juridische praktijken, goederen en culturele voorstellingen zich over politieke grenzen konden verplaatsen.
Binnen de nederzettingen veranderden ondertussen de sociale verhoudingen. De groei van een uitzonderlijk erf in Feddersen Wierde laat zien dat verschillen in bezit, ruimte en economische mogelijkheden belangrijker konden worden. De ontwikkeling van zulke verschillen was niet noodzakelijk het gevolg van Romeinse invloed. Zij kon ook voortkomen uit plaatselijke omstandigheden, de verdeling van grond en vee en de organisatie van arbeid. In Ezinge bleef vooral de langdurige voortzetting van bewoning zichtbaar. De uitzonderlijke conservering van houten voorwerpen en constructies maakt duidelijk hoeveel kennis en werk nodig waren om een nederzetting op de kwelder gedurende eeuwen in stand te houden.
Het uiteenlopende einde van beide nederzettingen vormt een van de belangrijkste uitkomsten van deze geschiedenis. Feddersen Wierde werd in de vijfde eeuw verlaten, terwijl Ezinge een veel langere bewoningsgeschiedenis kende. De precieze oorzaken van het vertrek uit Feddersen Wierde blijven onzeker. Het verschil toont echter dat gemeenschappen in een vergelijkbaar landschap niet noodzakelijk dezelfde toekomst hadden. Sociale organisatie, plaatselijke omstandigheden, economische mogelijkheden en verplaatsing van mensen konden tot verschillende ontwikkelingen leiden. De geschiedenis van de kust kan daarom niet worden teruggebracht tot één verhaal over Romeinse overheersing, Germaanse stammen of volksverhuizingen.
Toen in 476 het West-Romeinse keizerschap eindigde, bestond de wereld van de noordelijke kustbewoners nog altijd uit woonplaatsen, landbouwgrond, waterwegen en contacten met andere gemeenschappen. Sommige nederzettingen waren verdwenen, andere bleven bestaan en weer andere ontwikkelden zich in de volgende eeuwen opnieuw. De centrale historische ontwikkeling was niet de overgang van een geïsoleerde bevolking naar een Romeinse beschaving, maar de voortdurende aanpassing van bestaande kustgemeenschappen aan veranderende natuurlijke, economische en politieke omstandigheden. Ezinge en Feddersen Wierde laten zien hoe een samenleving zonder moderne landsgrenzen haar eigen geschiedenis vormde, terwijl de wereld rondom haar veranderde.
Lees verder — De geschiedenis van Ezinge, Feddersen Wierde en de Noordzeekust in acht delen
De geschiedenis van de Noordzeekust tussen 14 en 476 n.Chr. omvat veel meer dan de belangrijkste ontwikkelingen die in dit voorverhaal zijn beschreven. In acht afzonderlijke verdiepende verhalen worden de nederzettingen, archeologische vondsten, Romeinse contacten, maatschappelijke veranderingen en historische onzekerheden uitgebreider behandeld. Samen volgen zij de ontwikkeling van de kustgemeenschappen vanaf de eerste Romeinse veldtochten onder Tiberius tot het einde van het West-Romeinse keizerschap.
Deel 1 — De kustgemeenschappen en de Romeinse veldtochten (14–50)
De expedities van Germanicus, de Friese opstand van 28, het schrijftafeltje van Groot Tolsum en het optreden van Corbulo vormen de achtergrond voor de ontwikkeling van Ezinge en Feddersen Wierde in de eerste helft van de eerste eeuw.
Deel 2 — Leven naast de Romeinse grens (50–100)
Terwijl Romeinse legers de Rijn verdedigen en de opstand van Julius Civilis uitbreekt, ontwikkelen de kustbewoners hun boerderijen, ambachten en handelscontacten verder. De inrichting van erven maakt de eerste veranderingen in huishoudens zichtbaar.
Deel 3 — De kust groeit verder buiten het Romeinse Rijk (100–150)
Onder Trajanus, Hadrianus en Antoninus Pius blijven de noordelijke nederzettingen buiten het Romeinse bestuur. In Ezinge en Feddersen Wierde ontstaan nieuwe bouwfasen en worden verschillen tussen huishoudens geleidelijk duidelijker.
Deel 4 — Bezit, ambacht en groeiende verschillen (150–200)
Romeins zilver, bijzondere voorwerpen, landbouw en ambachtelijke productie laten zien hoe goederen en waarde zich over de kust verspreiden. In Feddersen Wierde groeit een uitzonderlijk erf dat vragen oproept over bezit en plaatselijke macht.
Deel 5 — Boerenerven, macht en Romeinse goederen langs de Noordzee (200–250)
De derde eeuw brengt nieuwe contacten en veranderingen in de nederzettingen. Houten werktuigen, maalstenen, Romeins aardewerk, bronzen beeldjes en meetinstrumenten tonen de economische en culturele veelzijdigheid van het kustgebied.
Deel 6 — Romeinse crisis, metaalhandel en veranderende nederzettingen (250–300)
Terwijl het Romeinse Rijk door politieke en militaire crises wordt getroffen, blijven de bewoners van de noordelijke kwelders hun eigen bestaansmiddelen gebruiken. Het bronsdepot van Hallum en andere vondsten maken de betekenis van metaal en uitwisseling zichtbaar.
Deel 7 — Verlaten terpen, blijvende woonplaatsen en nieuwe verbindingen (300–400)
De vierde eeuw brengt veranderingen in bewoning, aardewerk en handelscontacten. Ezinge blijft bestaan, terwijl andere terpen worden verlaten. Romeins goud, bijzondere grafvondsten en de ontwikkeling van Feddersen Wierde laten uiteenlopende maatschappelijke veranderingen zien.
Deel 8 — Het verlaten van Feddersen Wierde en het einde van Rome (400–476)
In de vijfde eeuw veranderen de politieke wereld en de verbindingen rond de Noordzee. Feddersen Wierde wordt verlaten, andere nederzettingen blijven bestaan en nieuwe bewoningsfasen ontstaan in een kustwereld die ook na Rome voortleeft.
Aan de rand van het Romeinse Rijk — Ezinge, Feddersen Wierde en de Noordzeekust (14–476)
Een samenleving zonder landsgrenzen — De voorgeschiedenis van 650 v.Chr. tot 14 n.Chr.
Een kustwereld voordat Rome kwam
Lang voordat Romeinse legers de Rijn bereikten, woonden mensen langs de zuidelijke Noordzeekust in een landschap dat voortdurend veranderde. Tussen de Rijn, Eems, Weser en Elbe lagen kwelders, getijdengeulen, slikvelden, natuurlijke oeverwallen en hoger gelegen zandgronden. De zee bracht vruchtbaar slib, maar kon bij hoogwater ook grote stukken land overspoelen. Er bestonden nog geen aaneengesloten zeedijken die het water buiten hielden. Bewoners moesten daarom hun huizen zorgvuldig plaatsen, hun vee beschermen en rekening houden met de wisseling van de seizoenen. De kust vormde geen afgesloten gebied, maar een uitgestrekte leefwereld waarin water zowel een bedreiging als een verbinding was.
De gemeenschappen die hier leefden, kenden de grenzen van het huidige Nederland en Duitsland niet. Hun wereld werd bepaald door rivieren, bevaarbare geulen, graslanden, woonplaatsen en de verbindingen met het achterland. Ezinge lag in het kweldergebied van het huidige Groningen, terwijl Feddersen Wierde veel verder oostelijk ontstond, in het gebied tussen Weser en Elbe. Beide nederzettingen behoorden tot een bredere kustwereld waarin mensen met vergelijkbare omstandigheden te maken kregen. Toch waren zij niet vanzelfsprekend één volk, hadden zij geen aantoonbaar gemeenschappelijk bestuur en ontwikkelden hun nederzettingen zich niet op precies dezelfde manier. Juist de overeenkomsten én verschillen maken hun geschiedenis belangrijk.
De centrale vraag van dit verhaal is hoe de bewoners van deze kust, eeuwen voordat de Romeinen verschenen, een samenleving ontwikkelden waarin landschap, arbeid, bezit, onderlinge verhoudingen en contacten met andere gebieden hun bestaan bepaalden. Om dat te begrijpen, moeten we beginnen bij de eerste duurzame bewoning van de kwelders. Niet bij een veldslag, een vorst of een geschreven wet, maar bij de mensen die besloten hun huizen te bouwen op grond die regelmatig door zeewater werd omringd. Hun keuzes zouden het kustlandschap voor vele generaties veranderen en de basis leggen voor de nederzettingen die later met de Romeinse wereld in aanraking kwamen.
Vanaf circa 650 v.Chr. — De eerste bewoners van de kwelders
Vanaf ongeveer 650 v.Chr. ontstonden in delen van het noordelijke kustgebied duurzame nederzettingen op de kwelders. De bewoners kozen bij voorkeur natuurlijke verhogingen, zoals kwelderwallen die door opeenvolgende afzettingen van zand en slib waren ontstaan. Deze plaatsen boden bij gewone hoogwaterstanden meer bescherming dan de lager gelegen gronden. De vruchtbare graslanden waren geschikt voor het houden van runderen en schapen, terwijl op voldoende hoge en goed ontwaterde plekken ook gewassen konden worden verbouwd. De eerste kolonisten kwamen niet terecht in een leeg en onveranderlijk landschap. Zij vestigden zich in een omgeving waarin natuurlijke processen voortdurend nieuwe mogelijkheden en risico's schiepen.
Het besluit om op de kwelder te gaan wonen had grote gevolgen voor het dagelijkse leven. Een boerderij moest stevig genoeg zijn om harde wind en vocht te weerstaan. Voorraden moesten droog blijven en dieren moesten bij hoogwater veilig kunnen staan. De bewoners waren afhankelijk van de kwaliteit van het grasland, de beschikbaarheid van zoet water en de mogelijkheid om bouwmaterialen aan te voeren. Een slechte oogst of verlies van vee kon een huishouden zwaar treffen. Toch bood het kustgebied aanzienlijke voordelen. De uitgestrekte weiden konden grote kudden voeden en de vruchtbare bodem maakte langdurige bewoning mogelijk, zolang de bewoners erin slaagden hun woonplaatsen aan de veranderende omstandigheden aan te passen.
De oudste geschiedenis van Ezinge vraagt om een nauwkeurig onderscheid tussen de algemene kolonisatie van het kweldergebied en de datering van de nederzetting zelf. In oudere reconstructies werd de bewoning van Ezinge later geplaatst, terwijl nieuw onderzoek de vroege ontwikkeling van de wierde opnieuw heeft beoordeeld. Rond 500 v.Chr. zijn in ieder geval huizen uit de lange bewoningsgeschiedenis van Ezinge archeologisch te onderscheiden. De mogelijkheid van oudere bewoning moet aan de hand van afzonderlijke vondstcontexten worden beoordeeld. Het zou onjuist zijn de eerste kolonisatie van het hele kustgebied automatisch gelijk te stellen aan het begin van iedere afzonderlijke wierde. De kust werd niet overal tegelijk bewoond.
Een landschap zonder bossen
Wie op een vroege kwelder woonde, beschikte over gras, klei, water en ruimte voor dieren, maar had nauwelijks bomen in de onmiddellijke omgeving. Dat was een fundamenteel probleem, omdat vrijwel iedere boerderij hout nodig had. Dragende palen, dakconstructies, deuren, hekken en gereedschappen konden niet uitsluitend uit klei en gras worden vervaardigd. Voor zware onderdelen was stevig en duurzaam hout noodzakelijk. De bewoners moesten daarom gebruikmaken van materialen die buiten het eigen kweldergebied beschikbaar waren. Eikenhout en andere geschikte houtsoorten konden afkomstig zijn van de hogere gronden in het achterland. De noodzaak om hout te verkrijgen verbond kustnederzettingen al vroeg met andere landschappen.
Hout was niet alleen een bouwmateriaal. Het werd gebruikt voor schalen, kommen, handvatten, werktuigen, onderdelen van voertuigen en voorwerpen die bij de dagelijkse verzorging van dieren nodig waren. De uitzonderlijke conserveringsomstandigheden in terpen en wierden hebben veel van dergelijke materialen bewaard. Vooral in Ezinge konden houten voorwerpen en constructiedelen worden onderzocht die op gewone zandgronden vaak volledig zijn verdwenen. Dat betekent niet dat ieder bewaard voorwerp uit de vroegste bewoningsfase stamt. De vondsten bestrijken een lange periode en moeten afzonderlijk worden gedateerd. Samen laten zij wel zien hoe sterk de kustbewoners afhankelijk waren van een materiaal dat in hun eigen omgeving schaars was.
Ook natuursteen moest grotendeels van elders worden aangevoerd. In de mariene afzettingen rond Ezinge kwamen nauwelijks bruikbare stenen van nature voor. Een belangrijke nabijgelegen bron was de keileemopduiking bij Noordhorn, op minder dan vijf kilometer afstand. Daar konden stenen worden verzameld die door het landijs in een veel oudere periode waren achtergelaten. Voor maalstenen, slijpstenen en andere werktuigen waren soms bijzondere steensoorten nodig, waarvan de herkomst verder weg kon liggen. De archeologische verzameling uit de opgravingen van Ezinge bevat 127 bewaarde stukken natuursteen, maar die collectie is selectief. Zij vertegenwoordigt niet alle stenen die ooit in de nederzetting werden gebruikt.
Vanaf circa 500 v.Chr. — De boerderijen van Ezinge
De boerderij vormde het middelpunt van het leven in Ezinge. De bewoners bouwden langgerekte woonstalhuizen waarin mensen en dieren onder hetzelfde dak verbleven. Het gebouw was verdeeld in gedeelten met verschillende functies. In het woongedeelte konden bewoners koken, eten, slapen en allerlei werkzaamheden verrichten. In het stalgedeelte stonden runderen in afzonderlijke boxen, zodat dieren ook tijdens ongunstige weersomstandigheden konden worden verzorgd. Houten palen droegen het dak en wanden konden uit vlechtwerk en andere plaatselijk beschikbare materialen bestaan. De boerderij was daarmee veel meer dan een woning. Zij was tegelijk stal, werkplaats, opslagruimte en het economische centrum van een huishouden.
De inrichting van het woonstalhuis laat zien hoe nauw het bestaan van mensen en dieren met elkaar verbonden was. Runderen leverden vlees, melk, huiden en mest, terwijl hun bezit ook iets kon zeggen over de economische mogelijkheden van een huishouden. Mest was bovendien van betekenis voor het ophogen en onderhouden van de woonplaats. In de stal verzamelde zich organisch materiaal dat, vermengd met klei en ander afval, deel kon worden van nieuwe bewoningslagen. De aanwezigheid van stalboxen maakt het mogelijk om iets te zeggen over de ruimte die voor dieren beschikbaar was. Toch kan het totale aantal runderen van een huishouden niet zonder meer uit het aantal stalplaatsen worden afgeleid.
De geschiedenis van Ezinge bestaat uit veel meer dan één generatie boerderijen. In de moderne heranalyse van de opgravingen zijn 119 huizen onderscheiden uit een lange periode tussen ongeveer 500 v.Chr. en 900 n.Chr. Dat getal betreft dus niet uitsluitend de voorgeschiedenis van de Romeinse tijd. Het laat vooral zien hoe uitzonderlijk de opeenvolging van gebouwen is. Huizen werden afgebroken, vervangen, verplaatst of opnieuw ingericht. Nieuwe woonlagen kwamen boven oudere terecht. Daardoor ontstond een archeologisch archief waarin veranderingen in bouwwijze, ruimtegebruik en nederzettingsindeling over vele eeuwen kunnen worden gevolgd. De continuïteit van de woonplaats betekende niet dat haar inrichting onveranderd bleef.
De eerste woonhoogten — Bescherming tegen de zee
Het ontstaan van een wierde was een geleidelijk proces, maar niet noodzakelijk een volledig toevallige opeenhoping van afval. De bewoners brachten materiaal aan om hun woonplaatsen bruikbaar te houden. Klei, mest, plaggen en resten van oudere gebouwen konden bijdragen aan de verhoging van het bewoonde oppervlak. Door herhaald bouwen en ophogen kwamen oudere vloeren en constructies steeds dieper onder het nieuwe maaiveld te liggen. Zo ontstonden de dikke bewoningspakketten die archeologen later konden onderzoeken. De bescherming tegen hoogwater was daarbij een belangrijke overweging, maar ook het onderhouden en opnieuw inrichten van erven speelde een rol in de groei van de woonhoogte.
Over de vroegste ontwikkeling van Ezinge hebben archeologen verschillende opvattingen gehad. Albert Egges van Giffen reconstrueerde aanvankelijk een nederzetting die zich vanuit een betrekkelijk vlak begin ontwikkelde tot een verhoogde woonplaats. Later onderzoek, waaronder dat van J.W. Boersma, stelde de vraag of de eerste huizen al op een bewust aangebrachte verhoging stonden. Dat verschil is belangrijk. Wanneer bewoners vanaf het begin grond ophoogden, was de aanleg van de woonplaats niet alleen een reactie op eeuwenlange ophoping, maar ook een doelbewuste ingreep in het landschap. De archeologische sporen moeten daarom worden onderscheiden van de interpretaties die onderzoekers in verschillende perioden aan die sporen hebben gegeven.
De woonhoogte maakte langdurige bewoning mogelijk, maar bood geen onbeperkte veiligheid. De lagere gronden rondom de nederzetting bleven blootstaan aan het getij. Wegen, paden en toegang tot graslanden konden bij hoge waterstanden tijdelijk onbruikbaar worden. De bewoners moesten daarom rekening houden met de ligging van hun erven, de bereikbaarheid van hun dieren en de bescherming van voedselvoorraden. Het was een vorm van samenleven met de zee, niet van volledige beheersing ervan. Pas veel later zouden aaneengesloten zeedijken het kustlandschap ingrijpend veranderen. In de ijzertijd moesten de bewoners hun huizen en werkzaamheden aanpassen aan de natuurlijke dynamiek van het getijdengebied.
Van akker tot stal — Het werk van de kustbewoners
De economie van de kustnederzettingen berustte in belangrijke mate op veeteelt, maar de bewoners waren niet uitsluitend veehouders. Op geschikte gronden verbouwden zij gewassen die konden bijdragen aan de voedselvoorziening. De mogelijkheden voor akkerbouw verschilden van plaats tot plaats en waren afhankelijk van bodemhoogte, ontwatering en de invloed van zout water. Graan moest worden geoogst, gedroogd, opgeslagen en verwerkt voordat het als voedsel kon dienen. De combinatie van veeteelt en akkerbouw maakte huishoudens minder afhankelijk van één voedselbron. Toch bleef een mislukte oogst of een periode van uitzonderlijke overstromingen een bedreiging voor de voedselzekerheid.
Runderen namen een belangrijke plaats in binnen de economie. Hun betekenis ging verder dan de hoeveelheid vlees die zij konden leveren. Melk kon worden verwerkt tot houdbare voedingsmiddelen, huiden konden worden gebruikt voor leer en mest was waardevol voor de akkers en de woonplaats. Schapen leverden eveneens vlees, maar vooral hun wol bood mogelijkheden voor textielproductie. Varkens en andere huisdieren vulden het bestaan aan. De precieze samenstelling van de veestapel veranderde door de tijd en verschilde per nederzetting. Daarom moeten aantallen uit Feddersen Wierde niet zonder meer worden toegepast op Ezinge, waar de archeologische gegevens op andere manieren zijn verzameld.
Ook het water rondom de nederzettingen bood voedsel. Bewoners konden vissen, vogels vangen en andere natuurlijke hulpbronnen benutten. Netverzwaringen en andere visserijgerelateerde voorwerpen laten zien dat visvangst deel uitmaakte van het bestaan in het terpengebied. Toch is het niet verantwoord om iedere kustgemeenschap als een vissersdorp te beschrijven. De archeologische resten van woonstalhuizen en huisdieren tonen juist het grote belang van de agrarische economie. De zee leverde aanvullende mogelijkheden, terwijl de kwelderweiden de basis vormden voor veel huishoudens. Hoe groot het aandeel van vis, schelpdieren en wilde vogels in de dagelijkse voeding was, moet per vindplaats en periode worden vastgesteld.
Wol, vlas en de arbeid binnen het huishouden
De productie van kleding en andere textielgoederen vereiste langdurige arbeid. Wol moest worden verzameld, gereinigd, voorbereid, gesponnen en uiteindelijk geweven. Spinklosjes en weefgewichten behoren daarom tot de belangrijke archeologische aanwijzingen voor werkzaamheden die anders nauwelijks zichtbaar zouden zijn. In de kustnederzettingen kon een aanzienlijk deel van deze productie binnen huishoudens plaatsvinden. Dat betekent niet dat we precies weten wie alle werkzaamheden uitvoerde. De gebruikelijke voorstelling dat vrouwen uitsluitend het textiel maakten en mannen uitsluitend het vee verzorgden, kan niet voor ieder huishouden archeologisch worden bewezen. Wel staat vast dat textielproductie tijd, kennis en geschikte werktuigen vereiste.
Naast wol speelde vlas een rol als mogelijke grondstof voor textiel. Botanische vondsten uit het terpengebied wijzen op de aanwezigheid en verbouw van deze plant. Ook uit Ezinge zijn vlasresten bekend, waaronder zaden en stengeldelen. De verwerking van vlas was arbeidsintensief, omdat de vezels van de overige plantendelen moesten worden gescheiden voordat zij konden worden gesponnen. De aanwezigheid van vlas bewijst echter niet dat ieder stuk linnen in de nederzetting plaatselijk werd vervaardigd. Daarvoor zijn afzonderlijke gegevens over vezels, werktuigen en productieprocessen nodig. Het onderscheid tussen beschikbare grondstoffen en daadwerkelijk aangetoonde vervaardiging blijft daarom belangrijk.
Aardewerk en contacten tussen nederzettingen
Veel aardewerk in het kustgebied werd met de hand gevormd. Potten waren nodig voor het bewaren, bereiden en aanbieden van voedsel en dranken. Hun vorm, afwerking en versiering konden verschillen tussen huishoudens, nederzettingen en regio's. Daardoor vormt aardewerk een belangrijke bron voor het bestuderen van contacten tussen gemeenschappen. Een overeenkomst tussen potten uit verschillende gebieden kan wijzen op gedeelde technische tradities of onderlinge beïnvloeding. Toch hoeft een pot met een afwijkende vorm niet van ver te zijn ingevoerd. Ook een pottenbakker die naar een andere nederzetting verhuisde, kon vertrouwde vormen en technieken meenemen.
Dat maakt de verspreiding van aardewerkstijlen bijzonder interessant voor een samenleving zonder moderne landsgrenzen. Mensen konden zich verplaatsen door huwelijk, familiebanden, samenwerking of andere contacten. Een nieuwe bewoner kon kennis meebrengen die vervolgens binnen een ander huishouden werd toegepast. Het archeologische materiaal kan zulke bewegingen soms aannemelijk maken, maar zelden rechtstreeks bewijzen. Vooral voor de eeuwen vóór de Romeinse aanwezigheid moeten onderzoekers voorzichtig zijn met het verbinden van aardewerk aan vaste volksnamen. De latere Wierumstijl en de overeenkomsten met aardewerk oostelijk van de Eems zijn belangrijk, maar behoren tot een latere fase dan de vroegste bewoning van Ezinge.
Huizen, familie en de doden
Het huis was niet alleen de plaats waar mensen leefden en werkten. Het erf kon ook verbonden raken met herinneringen aan overleden familieleden. Archeologisch onderzoek in het terpengebied heeft menselijke resten aangetroffen die niet passen binnen het beeld van een afzonderlijk grafveld buiten de nederzetting. Sommige doden werden begraven, terwijl andere menselijke botten in bewoningslagen of bijzondere deposities terechtkwamen. Zulke vondsten kunnen wijzen op uiteenlopende manieren waarop gemeenschappen met hun doden omgingen. Toch is niet iedere losse schedel of ieder botfragment automatisch bewijs voor voorouderverering. De oorspronkelijke behandeling van het lichaam en de omstandigheden waarin de resten werden achtergelaten, moeten afzonderlijk worden onderzocht.
In een van de oudste opgegraven huizen van Ezinge werden bovendien opvallende dierlijke resten aangetroffen. Van Giffen interpreteerde deze als een mogelijk bouwoffer. Op oude foto's zijn onder meer resten van een paard en een rund herkenbaar. Over een derde dier bestaat onzekerheid, omdat het oorspronkelijke vondstboek en latere publicaties elkaar tegenspreken. Dit voorbeeld laat zien hoe moeilijk het kan zijn om de betekenis van een bijzondere vondst vast te stellen. Het bewust neerleggen van dierenresten kan een rituele handeling zijn geweest, maar de precieze bedoeling is onbekend. Een historische reconstructie moet die onzekerheid behouden in plaats van een onbekend geloofssysteem te verzinnen.
De vondsten uit latere eeuwen tonen dat de omgang met menselijke resten bijzonder uiteenlopend kon zijn. Een doorboord en gepolijst schedelfragment uit de eerste eeuw n.Chr. en een tot handvat verwerkt menselijk bot uit de tweede eeuw behoren tot de opmerkelijkste voorbeelden uit Ezinge. Deze voorwerpen mogen echter niet zonder meer worden gebruikt om rituelen van vijfhonderd jaar eerder te beschrijven. Zij maken wel duidelijk waarom de geschiedenis van de kustbewoners niet uitsluitend over landbouw en huizenbouw kan gaan. Ook de omgang met de dood, bijzondere voorwerpen en herinneringen aan mensen speelde een rol. Wat deze handelingen voor de betrokken bewoners betekenden, blijft grotendeels buiten ons bereik.
Circa 300–200 v.Chr. — De groei van de nederzettingen
Na enkele eeuwen bewoning waren de kustnederzettingen geen tijdelijke vestigingen meer. In Ezinge volgden nieuwe generaties de eerdere bewoners op en werden bestaande erven opnieuw ingericht. De ophoging van het woonoppervlak maakte het mogelijk om op dezelfde plaats te blijven wonen, terwijl de vorm van de nederzetting geleidelijk veranderde. De beschikbare ruimte moest worden verdeeld tussen huizen, doorgangen, opslagplaatsen en werkterreinen. Tegelijkertijd bleven de omliggende graslanden noodzakelijk voor het vee. Hierdoor ontstond een nauwe relatie tussen de inrichting van de wierde en het gebruik van de gronden daarbuiten. De ruimtelijke organisatie kan aanwijzingen geven voor de onderlinge verhoudingen tussen huishoudens.
De vraag wie over grond en vee beschikte, is belangrijk voor het begrijpen van de sociale verhoudingen. Een huishouden met veel runderen had andere mogelijkheden dan een huishouden met een kleinere veestapel. Meer dieren vereisten meer voer en voldoende stalruimte, maar konden ook meer producten opleveren. Toch kunnen archeologen bezit niet rechtstreeks aflezen uit iedere stalbox of ieder erf. Huishoudens konden samenwerken, dieren uitwisselen of gronden gezamenlijk gebruiken. Voor Ezinge zijn geen geschreven eigendomsregisters uit deze periode beschikbaar. De geschiedenis van bezit moet daarom worden gereconstrueerd uit gebouwen, sloten, erfgrenzen, dierlijke resten en de veranderingen die daarin door de tijd zichtbaar worden.
Rond 200–100 v.Chr. — De grondverdeling van Ezinge
In de latere ijzertijd ontwikkelde Ezinge een opvallende ruimtelijke structuur. De nederzetting kreeg een radiale indeling waarin erven en gebruikte terreinen als delen van een grotere woonplaats waren georganiseerd. In reconstructies worden wigvormige eenheden onderscheiden, met woonruimte op het hogere deel van de wierde en verbindingen met de gronden daarbuiten. Sloten konden helpen bij het afbakenen van verschillende gebruikszones. Deze inrichting is geïnterpreteerd als een aanwijzing voor een betrekkelijk evenwichtige verdeling tussen zelfstandige huishoudens. De vorm van de nederzetting laat daarmee iets zien van de manier waarop bewoners ruimte en toegang tot grond organiseerden.
Dat betekent niet dat alle inwoners even rijk of invloedrijk waren. Sommige huishoudens konden meer vee bezitten, betere contacten onderhouden of een grotere rol spelen bij gezamenlijke beslissingen. Een erf dat ongeveer even groot was als een ander erf, vertegenwoordigde niet noodzakelijk dezelfde hoeveelheid bezit. De archeologische reconstructie laat voor deze vroege fase echter geen duidelijk centraal hof zien dat alle overige boerderijen domineerde. Dat is belangrijk voor het grotere verhaal, omdat de kustgemeenschappen niet vanaf het begin als dorpen onder het gezag van één plaatselijke vorst moeten worden voorgesteld. Hun organisatie kon sterk berusten op afzonderlijke huishoudens en onderlinge afspraken.
De radiale indeling van Ezinge maakt bovendien zichtbaar dat een wierde niet uitsluitend het resultaat was van de strijd tegen het water. De nederzetting was ook een sociale ruimte. Huishoudens moesten rekening houden met elkaars gebouwen, toegangen, erfgrenzen en werkzaamheden. Wanneer een huis werd vervangen, kon dat gevolgen hebben voor de beschikbare ruimte van andere bewoners. Het onderhoud van gemeenschappelijke doorgangen en het gebruik van aangrenzende gronden vereisten waarschijnlijk afstemming. De precieze regels kennen we niet, maar de ruimtelijke structuur laat zien dat de nederzetting een georganiseerde gemeenschap was. Haar bewoners leefden niet als volledig afzonderlijke boeren op toevallig bij elkaar gelegen heuvels.
Circa 100 v.Chr. — Het ontstaan van Feddersen Wierde
Terwijl Ezinge al een lange bewoningsgeschiedenis had, ontstond verder oostelijk een nieuwe nederzetting die later een van de belangrijkste vergelijkingsplaatsen van de Noordzeekust zou worden. Feddersen Wierde lag in het gebied tussen Weser en Elbe. In de derde en tweede eeuw v.Chr. waren daar natuurlijke zand- en grindafzettingen ontstaan die geschikte plaatsen voor bewoning boden. In de eerste eeuw v.Chr. vestigden zich huishoudens op een natuurlijke verhoging. De nederzetting begon nog niet als een grote kunstmatige woonheuvel. Pas in latere eeuwen zou de ophoging met klei, mest en ander materiaal het karakteristieke beeld van een hoge dorpswierde opleveren.
In de vroegste fase van Feddersen Wierde zijn ongeveer vijf erven onderscheiden die in omvang betrekkelijk gelijkwaardig waren. Dat vroege nederzettingsbeeld vertoont overeenkomsten met de zelfstandige boerenhuishoudens die ook in Ezinge een belangrijke plaats innamen. De gebouwen waren ingericht voor wonen, werken en het houden van dieren. Een duidelijk dominerend hof, zoals dat in latere fasen van Feddersen Wierde herkenbaar zou worden, is voor het begin niet aangetoond. De ontwikkeling van sociale verschillen moet daarom chronologisch worden beschreven. Het zou onjuist zijn de machtsverhoudingen van de derde eeuw n.Chr. terug te projecteren op de bewoners die zich rond 100 v.Chr. vestigden.
De vergelijking tussen Ezinge en Feddersen Wierde laat zien hoe verschillend nederzettingen binnen één kustwereld konden ontstaan. Ezinge was al eeuwenlang bewoond en had een ingewikkelde geschiedenis van bouwen en ophogen achter zich. Feddersen Wierde begon veel later, op een natuurlijke verhoging waar een klein aantal boerenbedrijven zich vestigde. Beide gemeenschappen maakten gebruik van woonstalhuizen en waren sterk afhankelijk van vee en de vruchtbaarheid van het kustlandschap. Toch ontwikkelden hun erven en woonhoogten zich niet op hetzelfde moment. De overeenkomsten wijzen op gedeelde omstandigheden en bouwtradities, terwijl de verschillen waarschuwen tegen het beschrijven van de hele kust als één uniforme nederzettingscultuur.
58–27 v.Chr. — Een nieuwe macht aan de Rijn
Terwijl de bewoners van Ezinge en Feddersen Wierde hun boerderijen onderhielden, veranderden de politieke verhoudingen verder naar het zuiden ingrijpend. Tussen 58 en 50 v.Chr. voerde Julius Caesar zijn veroveringsoorlogen in Gallië. De Romeinse macht bereikte daarmee het gebied van de Rijn, die een steeds belangrijkere militaire en politieke grenszone werd. Caesar trok ook over de Rijn om zijn macht tegenover gemeenschappen aan de oostelijke oever te demonstreren. Deze gebeurtenissen vonden niet in Ezinge of Feddersen Wierde plaats, maar veranderden wel de grotere wereld waarmee de kustbewoners via rivieren en contacten met het achterland verbonden waren.
De Romeinse verovering van Gallië betekende niet dat de noordelijke kwelders onmiddellijk onder Romeins bestuur kwamen. Voor de bewoners van de kust bleef het dagelijkse bestaan voorlopig grotendeels bepaald door hun eigen boerderijen, dieren en plaatselijke verhoudingen. Toch was de opkomst van een grote militaire macht aan de Rijn een ontwikkeling met verstrekkende gevolgen. Rome beschikte over legers, vlooteenheden, belastingstelsels en een uitgebreid netwerk van wegen en nederzettingen. Wanneer die macht zich verder naar het noorden zou uitbreiden, konden plaatselijke gemeenschappen worden geconfronteerd met nieuwe verplichtingen, politieke bondgenootschappen en militaire eisen. De directe gevolgen voor afzonderlijke wierden zijn voor deze vroege periode nog nauwelijks aantoonbaar.
Na Caesars dood in 44 v.Chr. volgden nieuwe burgeroorlogen binnen de Romeinse wereld. Uiteindelijk kwam Octavianus als overwinnaar naar voren. In 27 v.Chr. kreeg hij de erenaam Augustus en begon de periode die gewoonlijk als het Romeinse keizerrijk wordt aangeduid. Onder Augustus werd de militaire organisatie langs de noordelijke grenzen verder ontwikkeld. Rome richtte zijn aandacht steeds nadrukkelijker op de gebieden tussen Rijn en Elbe. Voor de kustbewoners betekende dit dat de Romeinse wereld niet langer uitsluitend een verre macht ten zuiden van de Rijn was. Binnen enkele decennia zouden Romeinse legers en schepen daadwerkelijk de noordelijke rivieren en kustwateren bereiken.
12 v.Chr. — Drusus bereikt de Noordzeekust
In 12 v.Chr. begon Nero Claudius Drusus, een stiefzoon van Augustus, een reeks militaire operaties in het gebied ten noorden en oosten van de Rijn. Daarbij speelde de verbinding over water een belangrijke rol. De Romeinen konden gebruikmaken van rivieren en kustwateren om troepen en voorraden te verplaatsen. Volgens de geschreven overlevering kwamen zij in aanraking met de Frisii, die langs delen van de noordelijke kust leefden. De Romeinse operaties bereikten ook het gebied van de Chauci verder naar het oosten. Daarmee werd de Noordzeekust voor het eerst rechtstreeks betrokken bij de grote militaire expansiepolitiek van Augustus.
De Frisii kwamen volgens de Romeinse geschiedschrijving in een afhankelijkheidsrelatie tot Rome. Zij moesten onder meer runderhuiden leveren als tribuut. Dat was geen toevallige keuze. In een gebied waar veehouderij een belangrijk deel van de economie vormde, konden huiden een waardevol product zijn. Voor Rome waren dergelijke leveringen een manier om de onderwerping of afhankelijkheid van een gemeenschap zichtbaar te maken. Voor de betrokken bewoners konden zij een economische verplichting betekenen. De geschreven bronnen vertellen echter niet hoeveel huiden afzonderlijke huishoudens leverden of hoe die verplichting binnen de kustgemeenschappen werd verdeeld. Ook kan de regeling niet zonder bewijs rechtstreeks aan Ezinge worden toegeschreven.
De komst van Drusus betekende evenmin dat het hele kustgebied onmiddellijk in een Romeinse provincie veranderde. De Romeinse aanwezigheid bestond uit militaire operaties, diplomatieke contacten, bondgenootschappen en verschillende vormen van afhankelijkheid. De uitgestrekte kwelders, rivieren en getijdengeulen maakten verplaatsingen mogelijk, maar konden militaire bewegingen ook bemoeilijken. Bovendien verschilden de politieke omstandigheden per gemeenschap. De Frisii en Chauci waren namen die Romeinse schrijvers gebruikten voor groepen in het noordelijke kustgebied, maar hun grenzen waren niet gelijk aan die van moderne provincies of landen. De bewoners van Ezinge en Feddersen Wierde mogen daarom niet zonder meer als leden van twee scherp gescheiden nationale gemeenschappen worden voorgesteld.
9 v.Chr.–6 n.Chr. — Rome probeert zijn macht uit te breiden
Na de dood van Drusus in 9 v.Chr. gingen de Romeinse operaties in het gebied tussen Rijn en Elbe door. Zijn broer Tiberius speelde daarbij een belangrijke rol. Rome probeerde niet alleen vijandelijke legers te verslaan, maar ook politieke afhankelijkheid te organiseren. Gemeenschappen konden door verdragen, militaire druk, geschenken en verplichtingen aan het Romeinse gezag worden verbonden. Voor de noordelijke kust was vooral de beheersing van rivieren en toegangswegen van belang. De Rijn, Eems, Weser en Elbe vormden natuurlijke verbindingen waarlangs Romeinse troepen zich konden bewegen. Toch bleef de mate van daadwerkelijke Romeinse controle sterk afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden.
Voor de kustbewoners ontstond daarmee een nieuwe politieke werkelijkheid. Sommige plaatselijke leiders konden voordeel zien in samenwerking met Rome, bijvoorbeeld door toegang tot goederen, prestige of militaire bescherming. Anderen konden Romeinse verplichtingen als een bedreiging ervaren. Dat zijn aannemelijke mogelijkheden binnen de bredere Romeinse grenspolitiek, maar voor Ezinge en Feddersen Wierde ontbreken uit deze jaren geschreven berichten over concrete leiders of afzonderlijke politieke keuzes. Hun bewoners kunnen daarom niet eenvoudig als bondgenoten of tegenstanders van Rome worden ingedeeld. De archeologische geschiedenis laat vooral zien dat de agrarische nederzettingen bleven bestaan terwijl de politieke omstandigheden rondom de Rijn ingrijpend veranderden.
In 5 n.Chr. ondernam Tiberius opnieuw grote militaire operaties in het noordelijke gebied. Romeinse land- en vlootstrijdkrachten bereikten de Elbe en maakten duidelijk hoe ver de ambities van Augustus reikten. De Romeinen wilden hun invloed uitbreiden over een groot gebied dat vanuit de Rijn toegankelijk was. Toch betekende een succesvolle veldtocht niet automatisch dat iedere nederzetting permanent werd bestuurd. Een leger kon een rivier bereiken en vervolgens vertrekken, terwijl plaatselijke gemeenschappen hun eigen organisatie grotendeels behielden. Voor de bewoners van de kust kon de aanwezigheid van Rome daarom wisselend en onvoorspelbaar zijn. De nieuwe macht was indrukwekkend, maar nog niet overal duurzaam gevestigd.
9 n.Chr. — De nederlaag van Varus
In 9 n.Chr. leed Rome een zware nederlaag toen drie legioenen onder leiding van Publius Quinctilius Varus werden vernietigd door een coalitie onder leiding van Arminius. De strijd vond plaats in het binnenland van Germania en staat bekend als de Varusslag of de nederlaag in het Teutoburgerwoud. Voor Augustus was dit een ernstige tegenslag. Rome verloor niet alleen duizenden soldaten, maar werd ook geconfronteerd met de kwetsbaarheid van zijn pogingen om grote gebieden ten oosten van de Rijn onder blijvend gezag te brengen. De gebeurtenis had gevolgen voor de verdere militaire politiek in het noordwesten van Europa.
De nederlaag van Varus betekende niet dat Rome onmiddellijk alle militaire activiteiten ten oosten van de Rijn staakte. Ook in de daaropvolgende jaren zouden Romeinse legers opnieuw expedities ondernemen. Wel werd duidelijk dat de uitbreiding van het Romeinse bestuur in Germania veel moeilijker was dan de eerdere successen hadden doen vermoeden. Voor de kustgemeenschappen betekende dit dat hun politieke omgeving onzeker bleef. Rome kon nog steeds met legers en schepen verschijnen, terwijl de verhoudingen tussen plaatselijke groepen en de Romeinse macht veranderden. De kust lag daarmee in een gebied waar militaire invloed, diplomatie en plaatselijke zelfstandigheid naast elkaar konden bestaan.
Het zou onjuist zijn om de bewoners van Ezinge of Feddersen Wierde rechtstreeks bij de Varusslag te betrekken zonder daarvoor bewijs te hebben. Er zijn geen betrouwbare gegevens waaruit blijkt dat mannen uit deze afzonderlijke nederzettingen aan de strijd deelnamen. De betekenis van de gebeurtenis ligt voor hun geschiedenis vooral in de verandering van de bredere politieke verhoudingen. Terwijl de Romeinse macht haar grenzen en ambities opnieuw moest beoordelen, bleven de kustbewoners hun huizen onderhouden, hun vee verzorgen en hun erven ophogen. Juist dat verschil tussen de grote militaire geschiedenis en het langdurige bestaan van plaatselijke gemeenschappen vormt een belangrijk onderdeel van dit verhaal.
14 n.Chr. — Een nieuwe keizer, een oude kustwereld
Toen Augustus in 14 n.Chr. stierf, had Rome zich ontwikkeld tot een macht die het politieke landschap van grote delen van Europa beheerste. Zijn opvolger Tiberius erfde een rijk waarin de Rijn een belangrijke militaire grenszone was geworden. Ten oosten en noorden daarvan bestonden gemeenschappen die op uiteenlopende manieren met Rome verbonden waren. Sommige stonden onder sterke invloed, andere behielden meer zelfstandigheid en weer andere kwamen met Rome in conflict. De zuidelijke Noordzeekust maakte deel uit van deze ingewikkelde grenswereld. Haar bewoners leefden niet binnen één Romeinse provincie, maar waren evenmin volledig afgesloten van de macht die vanuit de Rijn naar het noorden reikte.
Ezinge was op dat moment al eeuwenlang bewoond. De wierde had een lange geschiedenis van huizenbouw, ophoging, veehouderij en veranderingen in de inrichting van de nederzetting achter zich. Feddersen Wierde was aanzienlijk jonger en bevond zich nog in een vroege fase van haar ontwikkeling. Beide nederzettingen steunden op huishoudens die afhankelijk waren van grond, dieren, arbeid en contacten met andere gebieden. De komst van Rome had de politieke omgeving veranderd, maar niet plotseling een einde gemaakt aan de bestaande manier van leven. De grote veranderingen in nederzettingsorganisatie, sociale verschillen en materiële cultuur zouden zich in de daaropvolgende eeuwen verder ontwikkelen.
Daarmee begint in 14 n.Chr. het hoofdverhaal van Ezinge, Feddersen Wierde en de Noordzeekust aan de rand van het Romeinse Rijk. De bewoners hadden al lang voordat Rome verscheen een samenleving opgebouwd waarin het landschap, de boerderij, het huishouden en de toegang tot grond centraal stonden. Zij waren verbonden met andere kustgebieden en het achterland, zonder dat daarvoor moderne landsgrenzen of één centraal bestuur nodig waren. In de eeuwen die volgden, zouden Romeinse veldtochten, belastingverplichtingen, goederenstromen en veranderende machtsverhoudingen nieuwe mogelijkheden en spanningen brengen. Maar de geschiedenis van deze kust begon niet met Rome. Zij begon met de mensen die eeuwen eerder besloten op de kwelders te blijven wonen.
Aan de rand van het Romeinse Rijk
Het noordelijke terpen- en wierdengebied van West-Friesland tot de Elbe (14–476 n.Chr.)
Deel 1 — 14–50 n.Chr. | De kustgemeenschappen en de Romeinse veldtochten
14 n.Chr. — Een nieuwe keizer, een bestaande kustsamenleving
Toen keizer Augustus op 19 augustus 14 n.Chr. stierf, veranderde de machtsverhouding aan de noordelijke grenzen van het Romeinse Rijk niet onmiddellijk. Zijn opvolger Tiberius erfde een rijk waarvan de Rijn een belangrijk militair steunpunt vormde. Ten noorden van die rivier lag een uitgestrekt kustgebied waarin mensen al eeuwenlang woonden, werkten en hun woonplaatsen tegen het water beschermden. Van West-Friesland en Westergo tot Oostergo, de Groningse wierden, Oost-Friesland en de gebieden tussen Eems, Weser en Elbe bestond een netwerk van nederzettingen. Rome had deze wereld niet geschapen, maar zijn militaire aanwezigheid begon de politieke omstandigheden ervan ingrijpend te beïnvloeden.
De kustbewoners vormden geen staat met één regering of een nauwkeurig afgebakend grondgebied. Hun gemeenschappen waren verbonden door getijdengeulen, rivieren, familiebanden, huwelijken en de uitwisseling van goederen en kennis. Romeinse schrijvers gebruikten namen als Frisii en Chauci, maar die aanduidingen vallen niet samen met moderne grenzen of nationaliteiten. Bovendien is niet bekend of alle bewoners van een gebied zichzelf met dezelfde naam aanduidden. Archeologische overeenkomsten tussen nederzettingen bewijzen evenmin dat zij één politieke gemeenschap vormden. De kustwereld bestond uit plaatselijke samenlevingen met eigen belangen, die tegelijk deel uitmaakten van een groter netwerk van contacten.
De Romeinse auteurs onderscheidden onder meer kleinere en grotere groepen Friezen en Chauken. De precieze ligging en betekenis van die indelingen zijn niet altijd duidelijk. Vooral in Groningen is voorzichtigheid noodzakelijk, omdat het aardewerk daar overeenkomsten vertoont met materiaal uit gebieden oostelijk van de Eems. Zulke overeenkomsten kunnen wijzen op contacten en verplaatsingen van mensen, maar vormen geen bewijs dat een bepaalde wierde door één van de genoemde groepen werd bestuurd. Het kustgebied moet daarom worden onderzocht vanuit de geschiedenis van zijn nederzettingen, huishoudens en materiële cultuur, zonder de politieke namen uit Romeinse teksten rechtstreeks op iedere archeologische vindplaats te leggen.
14 n.Chr. — Ezinge en Feddersen Wierde
Ezinge was in 14 n.Chr. al een oude nederzetting. De oudste opgegraven huisfasen gingen terug tot de vijfde eeuw v.Chr. Generaties bewoners hadden er woonstalhuizen gebouwd, erven onderhouden en het woonoppervlak verhoogd met klei, mest en ander materiaal. De nederzetting had een ruimtelijke indeling ontwikkeld waarin verschillende huishoudens naast elkaar leefden. Huizen, doorgangen en erfgrenzen moesten op elkaar worden afgestemd. De beschikbare ruimte was niet onbeperkt, terwijl de omliggende kweldergronden noodzakelijk bleven voor het vee. Ezinge was daardoor niet alleen een verzameling boerderijen, maar een gemeenschap waarin langdurige bewoning voortdurend nieuwe afspraken en aanpassingen vereiste.
Feddersen Wierde, verder oostelijk tussen Weser en Elbe, had een andere voorgeschiedenis. De nederzetting was in de eerste eeuw v.Chr. ontstaan op een natuurlijke verhoging. In de vroegste bewoningsfase stonden er ongeveer vijf boerenerven die betrekkelijk gelijkwaardig waren ingericht. De grote kunstmatige woonheuvel en de opvallende verschillen tussen sommige latere erfcomplexen waren nog niet ontwikkeld. Daardoor is het onjuist om de latere sociale verhoudingen van Feddersen Wierde terug te projecteren op het begin van de eerste eeuw. De nederzetting groeide vanuit een kleine groep agrarische huishoudens, terwijl Ezinge al een lange geschiedenis van herbouw en ophoging kende.
De vergelijking tussen beide plaatsen laat zien waarom het noordelijke kustgebied niet als één uniforme samenleving kan worden beschreven. In Ezinge moesten huishoudens hun plaats vinden binnen een oude, dichtbebouwde woonhoogte. In Feddersen Wierde was de ontwikkeling van de nederzetting jonger en aanvankelijk overzichtelijker. Toch waren er belangrijke overeenkomsten. Beide gemeenschappen gebruikten woonstalhuizen, hielden runderen en schapen en waren afhankelijk van grasland, geschikte bouwmaterialen en verbindingen met het achterland. Hun bewoners hadden geen Romeinse militaire organisatie nodig om hun landbouw te bedrijven of hun erven in te richten. De komst van Rome veranderde vooral de politieke omstandigheden rondom deze bestaande samenleving.
14–16 n.Chr. — Germanicus brengt de oorlog opnieuw naar het noorden
Na de dood van Augustus bleef de Romeinse nederlaag van 9 n.Chr. een zwaarwegend militair probleem. Drie legioenen onder Publius Quinctilius Varus waren verloren gegaan tijdens de strijd tegen een coalitie onder leiding van Arminius. Rome had zijn pogingen om grote delen van Germania blijvend te beheersen niet volledig opgegeven. Germanicus, de neef en aangenomen zoon van Tiberius, kreeg het bevel over de Rijnlegers en ondernam in 15 en 16 n.Chr. nieuwe veldtochten ten oosten van de rivier. Deze campagnes waren gericht op het herstellen van Romeins prestige, het bestrijden van tegenstanders en het veiligstellen van de positie van de legers langs de noordelijke grens.
De Romeinse veldtochten werden niet uitsluitend over land uitgevoerd. Germanicus maakte gebruik van een omvangrijke vloot om soldaten, paarden, wapens en voorraden te vervoeren. De rivieren en kustwateren van het noordwestelijke gebied boden mogelijkheden om grote afstanden af te leggen zonder voortdurend door moeilijk begaanbaar binnenland te trekken. Vooral de verbindingen via de Rijn, Eems en Weser waren militair belangrijk. Daarmee kreeg het kustlandschap een betekenis die verder ging dan de landbouw van zijn bewoners. Voor Rome vormden de waterwegen toegangswegen tot het binnenland. Voor de plaatselijke gemeenschappen waren het routes die al lang voor de Romeinse campagnes werden gebruikt.
In 15 n.Chr. trok Germanicus met zijn troepen opnieuw het gebied van de Germanen binnen. Tacitus beschrijft militaire operaties tegen verschillende groepen en de moeilijke omstandigheden waaronder de Romeinse legers zich moesten verplaatsen. Moerassen, rivieren en natte gronden konden de voortgang van soldaten belemmeren. Dezelfde landschappelijke eigenschappen die de kustbewoners hadden leren benutten, vormden voor een groot leger een logistiek probleem. Romeinse bevelhebbers moesten daarom rekening houden met de aanvoer van voedsel, de beschikbaarheid van transportmiddelen en de mogelijkheid om troepen veilig terug te trekken. De militaire geschiedenis van deze jaren is daardoor nauw verbonden met de natuurlijke omstandigheden van het noordwestelijke kustgebied.
15–16 n.Chr. — Bentumersiel aan de Eems
Aan de benedenloop van de Eems vormt Bentumersiel een belangrijke archeologische vindplaats voor het begrijpen van de Romeinse operaties. Hier zijn resten van een inheemse nederzetting aangetroffen, samen met Romeinse voorwerpen die op contacten met het leger wijzen. Tot het materiaal behoren onderdelen van militaire uitrusting, Romeins aardewerk en fragmenten van grote transportvaten. De vondsten worden in verband gebracht met de campagnes van Germanicus in 15 en 16 n.Chr. Daarmee biedt Bentumersiel een verbinding tussen de geschreven berichten over Romeinse vlootbewegingen en de archeologische werkelijkheid van het kustgebied. De plaats lag aan een waterweg die voor scheepvaart en bevoorrading van betekenis kon zijn.
De vondsten betekenen niet dat Bentumersiel zonder meer als een permanent Romeins fort kan worden beschouwd. Een duidelijk en langdurig bezet legerkamp is er niet overtuigend aangetoond. De plaats kan tijdelijk zijn gebruikt voor het aanlanden van schepen, het overbrengen van voorraden of contacten tussen Romeinse militairen en plaatselijke bewoners. Ook kunnen Romeinse voorwerpen op verschillende manieren in de nederzetting zijn terechtgekomen. Dat onderscheid is belangrijk. Een leger dat tijdelijk gebruikmaakt van een aanlegplaats oefent een andere vorm van macht uit dan een garnizoen dat jarenlang aanwezig blijft. De archeologische gegevens ondersteunen contact met de Romeinse militaire wereld, maar niet iedere mogelijke reconstructie van de functie van Bentumersiel.
De ligging van Bentumersiel maakt bovendien duidelijk dat de Eems geen grens vormde tussen twee volledig afzonderlijke samenlevingen. De rivier verbond het kustgebied met het achterland en met de Noordzee. Bewoners konden langs haar oevers wonen, vee houden en goederen verplaatsen, terwijl Romeinse schepen dezelfde route voor militaire doeleinden gebruikten. Daardoor konden plaatselijke en Romeinse belangen op één plek samenkomen. Voor de bewoners bood de aanwezigheid van een leger mogelijk gelegenheid om goederen te leveren of contacten te onderhouden. Tegelijkertijd kon zij onzekerheid veroorzaken wanneer soldaten voedsel, transportmiddelen of andere voorzieningen verlangden. Welke ervaringen afzonderlijke huishoudens hadden, is niet rechtstreeks overgeleverd.
16 n.Chr. — De terugtocht van Germanicus
In 16 n.Chr. ondernam Germanicus opnieuw grote operaties in Germania. Zijn legers vochten tegen strijdkrachten onder leiding van Arminius, terwijl de vloot een belangrijke rol speelde bij het transport. Tacitus beschrijft hoe de Romeinen na de veldtocht door zwaar weer werden getroffen. Schepen raakten verspreid en de terugtocht verliep onder moeilijke omstandigheden. De gebeurtenis laat zien hoe kwetsbaar zelfs een grote Romeinse militaire organisatie kon zijn wanneer zij afhankelijk was van kustwateren en weersomstandigheden. De Noordzee was voor de bewoners een vertrouwde leefomgeving, maar ook voor hen bleef zij een macht die niet volledig kon worden beheerst.
Na deze campagnes besloot Tiberius de grootschalige veroveringspolitiek ten oosten van de Rijn niet op dezelfde manier voort te zetten. Germanicus werd teruggeroepen en Rome concentreerde zijn permanente militaire aanwezigheid vooral langs de Rijn. Dat betekende niet dat alle contacten met de noordelijke kust werden verbroken. Rome bleef invloed uitoefenen door diplomatie, militaire dreiging, leveringsverplichtingen en contacten met plaatselijke groepen. De kustbewoners kwamen daardoor in een andere verhouding tot het rijk te staan dan gemeenschappen binnen de provinciale grenzen. Zij konden buiten het dagelijkse Romeinse bestuur blijven en toch gevolgen ondervinden van beslissingen die in de Romeinse legerplaatsen werden genomen.
16–28 n.Chr. — De economie achter de Romeinse contacten
Terwijl Romeinse bevelhebbers veldtochten organiseerden, bleef de veehouderij het fundament van veel kusthuishoudens. Runderen leverden melk, vlees, huiden en mest. Schapen waren belangrijk voor wol en voedsel, terwijl akkerbouw op geschikte gronden een aanvulling vormde. De dieren verbleven gedurende delen van het jaar in de stallen van de woonstalhuizen. Daardoor waren de afmetingen en inrichting van de gebouwen nauw verbonden met de agrarische economie. De beschikbare stalruimte kan archeologen aanwijzingen geven over de omvang van een bedrijf, maar niet rechtstreeks over het volledige bezit van een familie. Een huishouden kon bovendien dieren buiten de stal houden of gronden gezamenlijk gebruiken.
De productie van voedsel vereiste veel arbeid. Graan moest worden verbouwd of verkregen, gedroogd, opgeslagen en gemalen. Runderen moesten worden verzorgd en tijdens ongunstige weersomstandigheden voldoende voer krijgen. De kweldergraslanden waren vruchtbaar, maar niet overal geschikt voor akkerbouw. Wateroverlast, zoutinvloed en de ligging van de gronden bepaalden wat mogelijk was. De bewoners moesten daarom verschillende vormen van voedselproductie combineren. Het kustgebied was geen uitsluitend op veeteelt gerichte samenleving, maar vee speelde wel een bijzonder grote rol. Dat verklaart waarom Romeinse eisen aan de levering van runderhuiden zulke ingrijpende gevolgen konden krijgen voor de plaatselijke bevolking.
Ook de productie van kleding en huishoudelijke voorwerpen vroeg om gespecialiseerde kennis. Wol moest worden voorbereid, gesponnen en geweven. Spinklossen en weefgewichten vormen belangrijke archeologische aanwijzingen voor deze werkzaamheden. Hout werd gebruikt voor gereedschappen, vaatwerk, hekken en onderdelen van voertuigen. Bot en hoorn konden worden bewerkt tot naalden, priemen en andere kleine werktuigen. De bewoners waren voor een deel van hun grondstoffen afhankelijk van het achterland, omdat op de kwelders weinig bomen groeiden en bruikbare natuursteen schaars was. Deze verbindingen bestonden al vóór de Romeinse aanwezigheid en bleven tijdens de eerste eeuw van belang.
28 n.Chr. — De belasting op runderhuiden
In 28 n.Chr. kwam het in het gebied van de Frisii tot een gewelddadig conflict met Rome. Tacitus beschrijft hoe de Romeinse bestuurder Olennius de bestaande belasting in runderhuiden op een bijzonder zware manier liet innen. Volgens zijn verslag werden huiden verlangd die aan buitensporige eisen moesten voldoen. Daardoor ontstond een situatie waarin bewoners moeilijk aan hun verplichtingen konden voldoen. De belasting raakte rechtstreeks aan de veehouderij, die voor veel kusthuishoudens de economische basis vormde. Wat voor Rome een vorm van tribuut was, kon voor de bewoners betekenen dat zij een belangrijk deel van hun productie moesten afstaan.
De spanning liep uit op een opstand. De Frisii keerden zich tegen de belastinginners en de Romeinse aanwezigheid. Olennius zocht bescherming in het fort Flevum, waarvan de precieze ligging onderwerp van onderzoek is. De Romeinse bevelhebber Lucius Apronius ondernam vervolgens militaire actie om de opstand te onderdrukken. Tacitus beschrijft zware gevechten en aanzienlijke Romeinse verliezen. Ook noemt hij het heilige woud van Baduhenna, waar volgens zijn verslag een groot aantal Romeinse soldaten omkwam. De exacte ligging van deze plaats is onbekend. Daarom kan de strijd niet zonder voldoende bewijs aan één specifieke terp, wierde of moderne plaats worden verbonden.
De opstand van 28 n.Chr. laat zien hoe een bestaande verhouding tussen Rome en een plaatselijke gemeenschap kon veranderen door de manier waarop verplichtingen werden opgelegd. De Frisii waren volgens de Romeinse overlevering al sinds de tijd van Drusus aan Rome verbonden. Dat betekende niet dat iedere nieuwe belastingmaatregel zonder verzet werd aanvaard. Wanneer de eisen van Romeinse bestuurders het bezit en de bestaanszekerheid van huishoudens bedreigden, kon de samenwerking omslaan in conflict. De strijd ging daarmee niet alleen over politieke zelfstandigheid, maar ook over de verdeling van economische lasten. De Romeinse behoefte aan huiden botste met de mogelijkheden van de veehoudende bevolking.
Voor Ezinge, Westergo en de andere kustnederzettingen is niet vast te stellen welke afzonderlijke huishoudens aan de opstand deelnamen. Tacitus beschrijft het conflict vanuit een Romeins perspectief en noemt geen volledige lijst van betrokken woonplaatsen. Het zou daarom onjuist zijn om de bewoners van Ezinge rechtstreeks als strijders bij Baduhenna voor te stellen. Wel maakt het verslag duidelijk dat de Romeinse macht niet alleen via legers en schepen merkbaar werd. Ook belastingheffing kon de verhouding met plaatselijke gemeenschappen ingrijpend veranderen. De gevolgen waren waarschijnlijk het sterkst voelbaar bij huishoudens die voor hun bestaan afhankelijk waren van runderen en de producten die deze dieren leverden.
29 n.Chr. — Het schrijftafeltje van Groot Tolsum
Een van de opmerkelijkste aanwijzingen voor contacten met de Romeinse wereld is het houten schrijftafeltje van Groot Tolsum, bij Tzum in Westergo. Het voorwerp werd in 1914 tijdens een terpafgraving gevonden. Het dennenhouten schrijftafeltje had oorspronkelijk een waslaag waarop met een schrijfstift werd geschreven. De punt van de stift liet ook indrukken in het hout achter, waardoor delen van de tekst konden worden onderzocht. Het document is gedateerd op 23 februari 29 n.Chr. Lange tijd werd het gelezen als een overeenkomst over de verkoop van een koe. Een latere herlezing heeft echter een andere interpretatie opgeleverd.
Volgens die herlezing ging het om een schuldbekentenis waarbij een tot slaaf gemaakte persoon met de naam Carus en verschillende Romeinse militairen betrokken waren, onder wie een Bataaf. Daarmee kreeg het document een andere betekenis voor het begrijpen van de contacten tussen het kustgebied en het Romeinse leger. De tekst laat zien dat schriftelijke afspraken over schuld en bezit verbonden konden zijn met mensen die in Romeinse militaire kringen verkeerden. Ook menselijke onvrijheid komt daarmee in beeld. De Romeinse economie bestond niet uitsluitend uit de verplaatsing van aardewerk, wijn of metalen voorwerpen; ook mensen konden als bezit in juridische overeenkomsten voorkomen.
Het schrijftafeltje geldt als een van de vroegste en bijzonderste schriftelijke documenten uit het gebied van het huidige Nederland. De vindplaats bewijst echter niet dat de overeenkomst op Groot Tolsum zelf werd gesloten. Een houten document kon worden meegenomen en pas later op een andere plaats worden weggegooid of achtergelaten. Het is daarom niet mogelijk uit deze ene vondst af te leiden dat Westergo een Romeins bestuurscentrum, rechtbank of belastingkantoor bezat. De betekenis ligt vooral in het contact dat zichtbaar wordt. Schriftelijke juridische en economische praktijken uit de Romeinse wereld konden tot diep in het noordelijke kustgebied reiken.
De persoonlijke geschiedenis achter het document blijft grotendeels onbekend. We weten niet langs welke route het schrijftafeltje naar Westergo kwam, wie het uiteindelijk meenam of waarom het in de terp terechtkwam. Evenmin kan worden vastgesteld dat de bewoners van Groot Tolsum zelf betrokken waren bij de oorspronkelijke overeenkomst. Juist die onzekerheid is belangrijk. Een archeologische vondst heeft een plaats waar zij werd gevonden, maar haar vervaardiging, gebruik en verplaatsing kunnen zich elders hebben afgespeeld. Het schrijftafeltje toont daarom een verbinding tussen twee werelden zonder dat de precieze aard van die verbinding volledig kan worden gereconstrueerd.
29–40 n.Chr. — Romeinse voorwerpen bij Winsum
Ook Winsum-Bruggeburen in Friesland heeft vondsten opgeleverd die op vroege Romeinse contacten wijzen. P.C.J.A. Boeles beschreef er fragmenten van amforen, slanke kruiken en Romeins fijn aardewerk. Bijzonder was een scherf terra sigillata met een merk dat hij verbond aan de pottenbakker Gnaeus Ateius. Boeles vergeleek het materiaal met vondsten uit de Romeinse legerplaats Haltern aan de Lippe. Deze overeenkomsten brachten hem ertoe te veronderstellen dat Romeinse soldaten mogelijk al vóór de opstand van 28 n.Chr. bij Winsum aanwezig waren geweest. De vondsten vormen een aanwijzing voor contacten, maar bewijzen op zichzelf geen permanent militair steunpunt.
De betekenis van Winsum ligt juist in de onzekerheid over de manier waarop de voorwerpen daar terechtkwamen. Aardewerk kon door soldaten zijn gebruikt, maar ook door plaatselijke bewoners zijn verkregen. Een amfoorfragment kan wijzen op het vervoer van goederen zonder dat bekend is wie de inhoud uiteindelijk gebruikte. Een scherf met een pottenbakkersmerk vertelt iets over de productie van het voorwerp, maar niet automatisch over de plaats waar het voor het eerst werd gebruikt. Zonder overtuigende resten van militaire gebouwen of een duidelijk herkenbaar garnizoen blijft een Romeinse post een hypothese. Het onderscheid tussen contact, tijdelijke aanwezigheid en blijvende bezetting moet daarom behouden blijven.
Een andere opmerkelijke vondst uit Winsum is een hoeveelheid zilver die in 1861 bij de aanleg van een weg door de terp werd ontdekt. Volgens de oude beschrijving ging het om ongeveer zes en een half pond beschadigd zilverwerk, waaronder onderdelen van bekers, schalen en ringen. Boeles zag overeenkomsten met Romeinse zilvervondsten en bracht de beschadiging in verband met de Friese opstand van 28 n.Chr. Die koppeling blijft onbewezen. De oorspronkelijke vondstomstandigheden en nauwkeurige datering zijn onvoldoende om vast te stellen wanneer of waarom het zilver werd beschadigd of begraven. De vondst is belangrijk, maar kan niet als rechtstreeks bewijs voor de opstand dienen.
30–45 n.Chr. — De huizen en erven van Ezinge
In Ezinge bleef de nederzetting zich gedurende de eerste eeuw ontwikkelen. De beschikbare woonruimte werd door verschillende huishoudens gebruikt en oude huizen maakten plaats voor nieuwe gebouwen. Door herhaald ophogen kwamen vloeren en constructies boven oudere bewoningslagen te liggen. De ruimtelijke organisatie van de wierde was daarbij van groot belang. Huishoudens moesten rekening houden met toegangen, erfgrenzen en de ligging van hun gebouwen. De archeologische reconstructies tonen een langdurige ontwikkeling, maar niet iedere bouwfase kan op een exact kalenderjaar worden geplaatst. Daarom moet de geschiedenis van Ezinge in deze periode worden beschreven als een geleidelijk proces van herbouw, verdichting en verandering.
De huizen waren meer dan woningen. Zij vormden de plaats waar voedsel werd bereid, vee werd verzorgd, werktuigen werden onderhouden en goederen werden opgeslagen. De indeling van een woonstalhuis verbond de menselijke woonruimte rechtstreeks met het boerenbedrijf. De stal bood plaats aan dieren, terwijl de bewoners in andere delen van het gebouw werkten en leefden. De omvang van een huis kan aanwijzingen geven over de mogelijkheden van een huishouden, maar vertelt niet rechtstreeks wie de eigenaar was of welke positie de familie binnen de nederzetting innam. Zulke vragen vereisen vergelijking met andere gebouwen, voorwerpen en vondstcontexten.
De langdurige bewoning van Ezinge betekende bovendien dat nieuwe huizen werden gebouwd op plaatsen waar eerdere generaties hadden gewoond. De bodem bevatte resten van oudere vloeren, houten constructies, gebruiksvoorwerpen en bijzondere deposities. Daardoor kon de woonplaats voor de bewoners een betekenis hebben die verder ging dan de praktische waarde van de grond. Familiegeschiedenis en dagelijks gebruik kwamen er samen. Toch is niet bekend hoe afzonderlijke families hun rechten op erven vastlegden. De archeologie laat zien dat ruimte gedurende lange tijd werd gebruikt en opnieuw ingericht, maar niet welke afspraken of conflicten daarbij precies plaatsvonden.
30–45 n.Chr. — Feddersen Wierde en de eerste ophogingen
In Feddersen Wierde verliep de ontwikkeling anders. De nederzetting was jonger en bestond aanvankelijk uit boerenerven op een natuurlijke verhoging. In de eerste eeuw n.Chr. begon volgens de archeologische reconstructie een belangrijke verandering. De bewoners gingen afzonderlijke woonplaatsen ophogen met aarde, klei en stalmest. Daarmee ontstond geleidelijk de kunstmatige woonhoogte die later tot een omvangrijke wierde zou uitgroeien. Deze ontwikkeling was niet op één jaar te dateren en liep door in de tweede helft van de eerste eeuw. Zij moet daarom worden gezien als het begin van een langdurig proces, niet als een plotselinge aanleg van een volledig dorp.
Volgens Haarnagels reconstructie veranderde ook de ruimtelijke ordening van Feddersen Wierde. De oudere rijennederzetting maakte geleidelijk plaats voor een inrichting waarbij de erven rondom een open ruimte kwamen te liggen. Op langgerekte verhogingen werden nieuwe boerderijen gebouwd. Deze verandering vergde arbeid en afstemming tussen huishoudens. Er moest worden besloten waar de woonhoogten kwamen, welke doorgangen vrijbleven en hoe de beschikbare ruimte werd verdeeld. De ontwikkeling laat zien dat het ophogen van een nederzetting niet uitsluitend een technische reactie op wateroverlast was. Het kon ook de onderlinge verhoudingen en organisatie van de gemeenschap beïnvloeden.
De latere grote wierde van Feddersen ontstond pas door herhaalde ophogingen gedurende verschillende eeuwen. De afzonderlijke woonhoogten groeiden in de tweede en derde eeuw verder naar elkaar toe. Uiteindelijk ontstond een heuvel van ongeveer vier meter hoogte en bijna vier hectare oppervlakte. Die latere afmetingen mogen niet worden gebruikt als beschrijving van de nederzetting in 40 of 50 n.Chr. Voor deze vroege periode is vooral van belang dat de bewoners begonnen hun woonplaatsen bewust te verhogen en opnieuw te ordenen. Daarmee ontstond een ontwikkeling die duidelijk verschilde van de eeuwenoude verhoogde bewoning in Ezinge.
30–50 n.Chr. — Aardewerk, werktuigen en bijzondere deposities
Handgevormd aardewerk bleef in de kustnederzettingen een belangrijk onderdeel van het dagelijkse leven. Potten werden gebruikt voor koken, bewaren en het verwerken van voedsel. Hun vormen en versieringen verschilden per periode en regio. Daardoor kunnen archeologen veranderingen in technische tradities en contacten tussen gemeenschappen onderzoeken. Een overeenkomst tussen aardewerk uit Groningen en het gebied oostelijk van de Eems hoeft echter niet te betekenen dat beide nederzettingen onder één politiek gezag stonden. Kennis kon zich verspreiden doordat mensen verhuisden, trouwden of voorwerpen uitwisselden. De materiële cultuur weerspiegelt daardoor verbindingen die niet samenvallen met moderne grenzen.
In Groningen kwam tijdens de vroeg-Romeinse periode onder meer aardewerk in Wierumstijl voor. Deze stijl vertoont overeenkomsten met aardewerk uit gebieden oostelijk van de Eems. De verspreiding ervan kan wijzen op intensieve contacten en op de verplaatsing van mensen tussen nederzettingen. Een pot hoeft immers niet altijd als handelswaar te zijn vervoerd. Iemand die door huwelijk naar een andere gemeenschap verhuisde, kon daar potten blijven maken volgens de technieken die eerder waren geleerd. Dat is een mogelijke verklaring voor de verspreiding van aardewerkstijlen, geen bewijs voor een specifiek huwelijk of een vastgestelde migratieroute. De vondsten laten verbindingen zien, maar geen nauwkeurig overzicht van individuele levens.
In Ezinge is een bijzondere depositie uit de vroeg-Romeinse tijd bekend onder vondstnummer 1108. Zij bevatte grote delen van drie verbrande potten in Wierumstijl, twee verbrande weefgewichten en een onverbrand bewerkt fragment van een menselijke schedel. De combinatie van verbrande gebruiksvoorwerpen en menselijk bot maakt een bewuste handeling aannemelijk. Het schedelfragment kan als hanger of amulet zijn gebruikt. De precieze betekenis blijft onzeker. Het is niet bekend of de depositie verband hield met een huis, een familie, een overleden persoon of een andere gebeurtenis. Wel laat zij zien dat de woonplaats meer was dan een verzameling praktische gebouwen.
Ook natuurstenen werktuigen bleven belangrijk. In Ezinge zijn kubusvormige stenen aangetroffen die konden worden gebruikt om te kloppen, te wrijven, te schuren of als klein aambeeld. Twee goed gedateerde exemplaren behoren tot de vroeg-Romeinse tijd. Zulke werktuigen laten zien dat oudere technieken bleven bestaan terwijl nieuwe goederen uit de Romeinse wereld beschikbaar kwamen. Niet ieder werktuig werd vervangen zodra een andere vorm bekend raakte. De bewoners gebruikten materialen die geschikt waren voor hun werkzaamheden en die zij konden verkrijgen. De herkomst van natuursteen maakt bovendien duidelijk dat ook alledaagse voorwerpen onderdeel waren van verbindingen met het achterland.
40–47 n.Chr. — De Romeinse grens en de noordelijke waterwegen
Onder keizer Claudius bleef de Rijn een belangrijk uitgangspunt voor de Romeinse militaire organisatie. Forten, schepen en troepenconcentraties moesten de grens beschermen en de verbindingen binnen het rijk veiligstellen. De noordelijke kustwateren bleven daarbij van betekenis. Een leger dat langs de Rijn opereerde, moest rekening houden met de mogelijkheid dat groepen vanuit de kustgebieden over water aanvallen uitvoerden. Tegelijkertijd konden de rivieren worden gebruikt voor contacten en uitwisseling. Daardoor was de grens geen gesloten scheiding tussen een Romeinse en een niet-Romeinse wereld. Zij vormde een zone waarin verschillende belangen elkaar ontmoetten.
Bij Velsen in Noord-Holland bevond zich in de eerste helft van de eerste eeuw een Romeinse militaire haven- en vlootlocatie. Deze aanwezigheid toont dat Rome de noordelijke kustwateren strategisch belangrijk vond. De militaire positie bij Velsen moet echter worden onderscheiden van de agrarische nederzettingen in West-Friesland. De aanwezigheid van Romeinse soldaten aan de zuidelijke toegang tot het kustgebied bewijst niet dat alle noordelijker gelegen woonplaatsen rechtstreeks werden bestuurd. Wel maakte de vloot het mogelijk om langs de kust te opereren en verbindingen met het achterland te onderhouden. Voor de bewoners van de noordelijke kust bleef de Romeinse militaire macht daardoor een werkelijkheid waarmee zij rekening moesten houden.
47 n.Chr. — Gannascus en de strijd om de kust
In 47 n.Chr. trad de Romeinse bevelhebber Gnaeus Domitius Corbulo op tegen groepen die volgens de overlevering rooftochten uitvoerden in het gebied van de Romeinse grens. Daarbij wordt Gannascus genoemd, een leider die eerder in Romeinse militaire dienst zou hebben gestaan. Hij werd verbonden met de Chauci, een naam die Romeinse schrijvers gebruikten voor bevolkingsgroepen in delen van het kustgebied ten oosten van de Eems. De gebeurtenis laat zien dat militaire ervaring zich over de Romeinse grens kon verplaatsen. Iemand die het Romeinse leger kende, kon later optreden als tegenstander van dezelfde macht.
De strijd onder Corbulo ging niet uitsluitend over het bezit van land. Rivieren en kustwateren boden mogelijkheden voor snelle verplaatsingen en aanvallen op kwetsbare plaatsen. Voor Rome was het belangrijk om de veiligheid van zijn grensgebieden en waterwegen te handhaven. Voor groepen buiten de grens konden rooftochten een manier zijn om goederen te verkrijgen of politieke druk uit te oefenen. De geschreven bronnen vertellen vooral hoe Romeinse bevelhebbers op zulke gebeurtenissen reageerden. Zij geven veel minder inzicht in de belangen van de betrokken kustgemeenschappen. Daarom kan de strijd niet zonder meer worden voorgesteld als een gezamenlijke oorlog van alle bewoners tussen Eems en Elbe.
47 n.Chr. — Corbulo probeert het bestuur te veranderen
Corbulo beperkte zich volgens Tacitus niet tot militaire operaties. Hij probeerde ook opnieuw Romeins gezag over de Frisii te vestigen. Daarbij verlangde hij gijzelaars en wees hij hun een gebied toe. Bovendien probeerde hij een bestuursstructuur in te voeren met een raad, magistraten en regels. Daarmee ging zijn optreden verder dan het bestrijden van rooftochten of het beschermen van de Rijn. Rome wilde invloed uitoefenen op de manier waarop plaatselijke gemeenschappen werden bestuurd. Het ging om een poging politieke verhoudingen te veranderen, waarbij de bestaande zelfstandigheid van de betrokken groepen onder druk kwam te staan.
Het verlangen van gijzelaars was een middel om gehoorzaamheid af te dwingen. De betrokken families konden daardoor rechtstreeks worden geraakt door beslissingen van Romeinse bevelhebbers. Ook het aanwijzen van grondgebied en het opleggen van bestuursvormen konden ingrijpen in bestaande rechten en machtsverhoudingen. Toch weten we niet hoe afzonderlijke nederzettingen op deze maatregelen reageerden. Tacitus geeft geen beschrijving van een raad in Ezinge of een door Rome benoemde bestuurder in Westergo. Zijn verslag laat een Romeinse poging tot politieke ordening zien, maar bewijst niet dat die ordening in iedere kustgemeenschap daadwerkelijk werd ingevoerd of langdurig bleef functioneren.
Keizer Claudius beval uiteindelijk dat Corbulo zijn troepen achter de Rijn moest terugtrekken. Daarmee werd opnieuw duidelijk dat Rome niet bereid was het hele noordelijke kustgebied permanent te bezetten. De militaire grens bleef in hoofdzaak langs de Rijn georganiseerd. Dat betekende niet dat Rome alle invloed ten noorden ervan verloor. Plaatselijke leiders konden nog steeds contacten onderhouden met Romeinse bevelhebbers, goederen konden worden uitgewisseld en militaire ingrepen bleven mogelijk. De verhouding tussen het rijk en de kustgemeenschappen bestond daardoor uit een wisselende combinatie van afstand, samenwerking en conflict. Corbulo's optreden maakte vooral zichtbaar hoe ver Romeinse ambities konden reiken.
48–50 n.Chr. — Een samenleving die haar eigen karakter behield
Tegen het einde van de jaren veertig bleef het leven in de kustnederzettingen in belangrijke mate gebaseerd op plaatselijke landbouw en veehouderij. Huishoudens verzorgden hun dieren, onderhielden hun huizen en gebruikten de vruchtbare kweldergronden. Hout, steen en andere materialen werden via bestaande verbindingen aangevoerd. Romeinse voorwerpen konden in de nederzettingen terechtkomen, maar vervingen niet onmiddellijk de plaatselijke technieken. Handgevormd aardewerk bleef belangrijk en woonstalhuizen bleven het middelpunt van het agrarische bestaan. De komst van Rome had nieuwe contacten en politieke spanningen gebracht, zonder dat de kustbewoners hun bestaande samenleving volledig hadden opgegeven.
De verschillen tussen de nederzettingen bleven daarbij zichtbaar. Ezinge had een eeuwenoude bewoningsgeschiedenis en een ingewikkelde ruimtelijke organisatie. Feddersen Wierde groeide vanuit een jongere groep boerenerven en begon zijn woonplaatsen kunstmatig te verhogen. In Westergo en Oostergo lagen oude terpen naast jongere woonplaatsen. Langs de Eems, Weser en Elbe boden rivieren en kustwateren mogelijkheden voor verbindingen met andere gemeenschappen. Geen van deze gebieden kan zonder meer als een afzonderlijke nationale samenleving worden beschreven. De bewoners deelden landschappelijke omstandigheden en bepaalde materiële tradities, maar hun politieke organisatie en plaatselijke geschiedenis konden sterk verschillen.
In 50 n.Chr. had Rome zijn militaire grens langs de Rijn bevestigd, maar de noordelijke kust bleef nauw met de Romeinse wereld verbonden. De campagnes van Germanicus, de opstand van 28, het schrijftafeltje van Groot Tolsum, de vondsten bij Winsum en Bentumersiel en de strijd onder Corbulo laten verschillende vormen van contact zien. Soms trad Rome op met legers en schepen, soms met belastingeisen, juridische overeenkomsten of pogingen het bestuur te veranderen. De bewoners van de kust waren daarbij geen passieve toeschouwers. Zij konden samenwerken, goederen uitwisselen, zich verzetten of hun eigen bestaan voortzetten zonder rechtstreeks bij een militair conflict betrokken te raken.
Deel 2 — 50–100 n.Chr. | Leven naast de Romeinse grens
50 n.Chr. — Een kustwereld buiten het Romeinse bestuur
In het jaar 50 n.Chr. lag de noordelijke Noordzeekust buiten het gebied dat Rome rechtstreeks als provincie bestuurde. Keizer Claudius had enkele jaren eerder de terugtrekking van de troepen van Corbulo achter de Rijn bevolen. Daarmee verdween de Romeinse macht niet uit het leven van de kustbewoners, maar veranderde de manier waarop zij ermee te maken kregen. Van West-Friesland en Westergo tot Oostergo, de Groningse wierden, Oost-Friesland en het gebied tussen Weser en Elbe bleven plaatselijke gemeenschappen hun eigen landbouwgronden en nederzettingen beheren. De Rijn vormde een militaire grens, maar geen ondoordringbare scheiding tussen mensen, goederen en ideeën.
De kustgemeenschappen vormden geen staat die gezamenlijk tegenover Rome stond. De bewoners van Westergo, Oostergo, Hunsingo, Fivelingo en de gebieden verder oostelijk hadden verwante manieren van wonen en werken, maar hun nederzettingen kenden verschillende geschiedenissen. Ezinge bestond al eeuwen, terwijl Feddersen Wierde pas in de eerste eeuw v.Chr. was ontstaan. De Romeinse schrijvers gebruikten namen als Frisii en Chauci, maar die aanduidingen vertellen niet precies hoe afzonderlijke huishoudens zichzelf zagen. De archeologie toont vooral gemeenschappen die door het kustlandschap met elkaar verbonden waren. Hun onderlinge contacten liepen via familie, huwelijk, ruil, waterwegen en gedeelde technische kennis.
50–60 n.Chr. — Ezinge bereikt een nieuwe fase van groei
In Ezinge ontwikkelde de bewoning zich gedurende de eerste eeuw tot een omvangrijke nederzetting. Uit deze periode is bijzonder veel aardewerk bekend. Dat wijst op intensief gebruik van de woonplaats en mogelijk op een hoogtepunt in de vroege bewoningsomvang, al kan de hoeveelheid gevonden aardewerk niet rechtstreeks worden omgerekend naar een exact aantal inwoners. De huizen stonden binnen een ruimtelijke indeling die al lang vóór de Romeinse tijd was ontstaan. Oude gebouwen werden vervangen, erven opnieuw ingericht en ophogingslagen aangebracht. Door de langdurige bewoning kwamen steeds meer resten van huizen, vloeren, gebruiksvoorwerpen en afval boven elkaar te liggen.
Die groei had gevolgen voor de verhouding tussen de huishoudens. De ruimte op de wierde was beperkt, terwijl iedere familie een woning, stal, werkruimte en toegang tot de omliggende gronden nodig had. De bewoners moesten rekening houden met bestaande erven, doorgangen en plaatsen waar dieren werden gehouden. Volgens de interpretatie van Nieuwhof en Nicolay kan de ontwikkeling van Ezinge gepaard zijn gegaan met toenemende concurrentie tussen families. Die concurrentie hoeft niet tot openlijk geweld te hebben geleid. Zij kon ook zichtbaar worden in de manier waarop huishoudens hun bezit, herinneringen en aanspraken op bepaalde plaatsen binnen de nederzetting bevestigden.
De archeologie laat niet zien wie de belangrijkste families waren of welke personen besluiten namen over de verdeling van ruimte. Er zijn geen plaatselijke geschreven bestuursdocumenten uit deze periode overgeleverd die zulke verhoudingen rechtstreeks beschrijven. Toch is duidelijk dat een langdurig bewoonde wierde niet zonder afspraken kon functioneren. Wanneer een huis werd vervangen, moest rekening worden gehouden met de omliggende bebouwing. Wanneer een erf werd verhoogd, konden doorgangen en aangrenzende percelen worden beïnvloed. Het bestaan van een blijvende nederzetting wijst daarom op vormen van samenwerking, ook wanneer de afzonderlijke huishoudens verschillende economische mogelijkheden en belangen hadden.
50–70 n.Chr. — Rituelen en aanspraken op de woonplaats
Een bijzonder onderdeel van de geschiedenis van Ezinge wordt gevormd door de rituele deposities. Archeologen hebben op verschillende plaatsen bewust achtergelaten aardewerk, werktuigen, dierlijke resten en menselijke botten herkend. Sommige voorwerpen waren gebroken of verbrand voordat zij in de grond terechtkwamen. Opvallend is dat dergelijke deposities niet uitsluitend binnen huizen werden aangetroffen. Ook de ruimten tussen de gebouwen konden een bijzondere betekenis hebben. De vondsten laten zien dat de bewoners hun woonplaats niet alleen gebruikten voor landbouw, voedselbereiding en opslag. Bepaalde plekken konden verbonden zijn met herinneringen, bijzondere handelingen of aanspraken die voor de gemeenschap van belang waren.
Nieuwhof heeft voorgesteld dat de buitenruimte in Ezinge mogelijk functioneerde als een plaats waar huishoudens hun identiteit en onderlinge positie zichtbaar maakten. Wanneer families in een groeiende nederzetting aanspraken op ruimte of bezit wilden bevestigen, konden rituele handelingen daarbij een rol spelen. Dat blijft een archeologische interpretatie, geen rechtstreeks overgeleverd gebruiksvoorschrift. De betekenis van een depositie kan niet met zekerheid worden vastgesteld wanneer de woorden, gebaren en overtuigingen van de deelnemers onbekend zijn. Toch is de combinatie van bijzondere voorwerpen en zorgvuldig gekozen vindplaatsen belangrijk. Zij maakt aannemelijk dat sociale verhoudingen ook buiten het dagelijkse werk in de huizen werden vormgegeven.
Voor de pre-Romeinse en Romeinse ijzertijd samen zijn in Ezinge honderden rituele deposities geïdentificeerd. Een inventarisatie noemt ongeveer 350 deposities met honderden voorwerpen, terwijl latere onderzoeken een nog groter aantal mogelijke rituele sporen en contexten onderscheiden. Die aantallen vertegenwoordigen echter verschillende eeuwen. Zij mogen niet allemaal aan de periode 50–100 n.Chr. worden toegeschreven. Het belang voor deze periode ligt vooral in de samenhang tussen de groei van de nederzetting, het gebruik van de buitenruimte en de mogelijkheid dat families hun positie op uiteenlopende manieren bevestigden. De vondsten bieden daarmee een aanvulling op de geschiedenis van huizen en veehouderij.
50–75 n.Chr. — Feddersen Wierde verandert van vorm
Verder oostelijk, in het kustgebied tussen Weser en Elbe, maakte Feddersen Wierde in de eerste eeuw een ingrijpende verandering door. De nederzetting was oorspronkelijk ontstaan op een natuurlijke verhoging. De eerste boerenerven lagen nog niet op een grote kunstmatige wierde. Toen de bewoners hun woonplaatsen beter tegen overstromingen moesten beschermen, begonnen zij afzonderlijke erven op te hogen met aarde, klei en grote hoeveelheden stalmest. Daarmee ontstond een nieuwe fase in de geschiedenis van het dorp. Het ophogen was niet alleen een reactie op wateroverlast, maar veranderde ook de inrichting van de nederzetting en de verhouding tussen de verschillende erven.
Volgens de reconstructie van Werner Haarnagel werden langgerekte verhogingen aangelegd waarop de boerenbedrijven kwamen te staan. Deze lagen rondom een open ruimte en vormden samen een nieuwe dorpsindeling. De oudere rangschikking van de erven maakte geleidelijk plaats voor een meer radiale ordening. Dat was een belangrijke verandering, omdat de bewoners niet eenvoudig ieder hun eigen huis verhoogden zonder rekening te houden met de buren. De ligging van de woonhoogten, doorgangen en open ruimte moest op elkaar worden afgestemd. De nieuwe inrichting wijst daardoor op gezamenlijke besluitvorming en een aanzienlijke hoeveelheid arbeid, ook al kennen we de personen die deze werkzaamheden organiseerden niet.
De ophogingen van Feddersen Wierde moeten strikt chronologisch worden bekeken. De eerste kunstmatige woonhoogten ontstonden in de eerste eeuw n.Chr., maar de grote gezamenlijke wierde groeide pas gedurende de daaropvolgende eeuwen. Uiteindelijk bereikte zij een hoogte van ongeveer vier meter en een oppervlakte van bijna vier hectare. Die latere afmetingen beschrijven dus niet de nederzetting van 60 of 75 n.Chr. Ook de samensmelting van afzonderlijke woonhoogten vond geleidelijk plaats. Het verschil met Ezinge is wezenlijk. In Ezinge bestond de verhoogde nederzetting al eeuwen; in Feddersen Wierde werd juist tijdens de Romeinse periode een nieuwe manier van wonen op kunstmatige hoogten ontwikkeld.
50–75 n.Chr. — Het woonstalhuis als middelpunt van bezit en arbeid
In beide nederzettingen vormde het woonstalhuis de kern van het boerenbedrijf. Mensen en vee leefden binnen hetzelfde langgerekte gebouw, maar in afzonderlijke ruimten. In het woongedeelte werd voedsel bereid en vonden huishoudelijke werkzaamheden plaats. Het stalgedeelte bood beschutting aan dieren die voor melk, vlees, huiden, wol en mest van belang waren. De aanwezigheid van stalruimte maakte het mogelijk om vee tijdens ongunstige omstandigheden dicht bij huis te houden. Tegelijkertijd was de boerderij een opslagplaats voor materialen, werktuigen en voedsel. Het huis vertegenwoordigde daardoor niet alleen woonruimte, maar ook een belangrijk deel van de economische mogelijkheden van een huishouden.
Bij Feddersen Wierde zijn verschillen in de afmetingen en inrichting van woonstalhuizen onderzocht. In sommige reconstructies konden grotere gebouwen ongeveer vierentwintig tot dertig runderen huisvesten, terwijl voor middelgrote en kleinere huizen lagere aantallen zijn voorgesteld. Deze cijfers moeten aan de juiste bouwfasen worden verbonden en kunnen niet zonder meer op alle boerderijen uit 50–100 n.Chr. worden toegepast. Zij laten wel zien hoe archeologen verschillen tussen huishoudens proberen te onderzoeken. De omvang van een stal kan aanwijzingen geven voor de schaal van een boerenbedrijf, maar vormt geen volledige inventaris van het bezit van de bewoners.
De veehouderij was afhankelijk van het omliggende landschap. Runderen konden grazen op de kweldergronden, terwijl de bewoners voldoende voer moesten verzamelen voor perioden waarin begrazing moeilijk was. Schapen leverden wol en andere producten. Op geschikte plaatsen werden gewassen verbouwd, maar niet alle gronden waren even bruikbaar voor akkerbouw. De invloed van zout water, de hoogte van de kwelders en de bereikbaarheid van de percelen bepaalden mede wat mogelijk was. Daardoor moesten huishoudens hun werkzaamheden aanpassen aan plaatselijke omstandigheden. De verschillen tussen Westergo, Groningen en het gebied tussen Weser en Elbe waren niet alleen cultureel, maar ook landschappelijk bepaald.
55–75 n.Chr. — Graan, opslag en maalstenen
Naast de veehouderij bleef de verwerking van graan belangrijk. Graan moest worden geoogst, gedroogd, bewaard en uiteindelijk gemalen voordat het als voedsel kon worden gebruikt. Daarvoor waren opslagvoorzieningen en maalwerktuigen nodig. In verschillende nederzettingen zijn sporen van opslaggebouwen, kuilen en werktuigen aangetroffen, al verschillen hun datering en functie per vindplaats. Bij Feddersen Wierde zijn in de opeenvolgende bewoningsfasen talrijke bijgebouwen en opslagconstructies onderzocht. Die mogen niet allemaal tegelijkertijd in de eerste eeuw worden geplaatst. Zij tonen vooral hoe de organisatie van een boerenbedrijf gedurende meerdere generaties veranderde.
Een bijzondere vondst uit Paddepoel II is een handmolensteen die in de eerste eeuw bewust gebroken onder een haard werd geplaatst. De positie van het fragment maakt het aannemelijk dat de steen niet uitsluitend als gewoon afval werd gebruikt. Mogelijk had het achterlaten ervan een bijzondere betekenis bij de aanleg of het gebruik van de haard. Die betekenis is echter niet met zekerheid vast te stellen. Ook uit Paddepoel II en III zijn kubusvormige stenen bekend die voor verschillende werkzaamheden konden dienen. Niet iedere steen met gebruikssporen was een maalsteen. Sommige werden gebruikt om te kloppen, te wrijven, te schuren of als klein aambeeld.
De beschikbaarheid van natuursteen vormde een praktisch probleem in het kweldergebied. In de mariene kleiafzettingen rond Ezinge kwamen nauwelijks bruikbare stenen van nature voor. De bewoners moesten geschikt materiaal daarom van elders verkrijgen. De keileemopduiking bij Noordhorn, op korte afstand van Ezinge, bood een belangrijke mogelijkheid om stenen te verzamelen. Andere soorten kwamen uit verder gelegen gebieden, waaronder de Eifel. De aanwezigheid van zulke materialen bewijst dat huishoudens verbindingen met het achterland onderhielden. Niet ieder voorwerp hoeft rechtstreeks door de uiteindelijke gebruiker te zijn gehaald; materialen konden ook via tussenpersonen en opeenvolgende uitwisselingen worden verplaatst.
55–80 n.Chr. — Hout, wielen en vervoer
De bewoners van het kustgebied waren sterk afhankelijk van hout. Zij gebruikten het voor de constructie van huizen, hekken, deuren, gereedschappen, kommen en andere huishoudelijke voorwerpen. Op de open kwelders groeiden weinig grote bomen, waardoor geschikt bouwhout en hout voor gespecialiseerde voorwerpen deels van elders moesten worden aangevoerd. De natte omstandigheden in Ezinge en Feddersen Wierde zorgden ervoor dat uitzonderlijk veel organisch materiaal bewaard bleef. Daardoor kennen archeologen niet alleen aardewerk en metalen voorwerpen, maar ook houten onderdelen die op drogere vindplaatsen meestal zijn verdwenen. Deze vondsten geven een veel vollediger beeld van het dagelijkse werk.
De kustbewoners verplaatsten zich niet uitsluitend over water. Uit Ezinge zijn resten van meerdere houten schijfwielen en spaakwielen bekend. Ook Feddersen Wierde heeft wagenonderdelen opgeleverd, waaronder fragmenten die in de eerste eeuw n.Chr. worden geplaatst. Een reconstructie betreft een groot samengesteld spaakwiel van ongeveer 124 centimeter doorsnede met twaalf spaken. Zulke voorwerpen tonen dat de bewoners over technische kennis beschikten om voertuigen te bouwen en te onderhouden. Karren en wagens waren bruikbaar voor het vervoer van landbouwproducten, mest, bouwmateriaal en andere goederen over geschikte routes. De afzonderlijke wielen moeten wel volgens hun eigen vondstcontext worden gedateerd.
Het gebruik van wagens betekent niet dat het kustgebied over een uitgebreid stelsel van verharde wegen beschikte. De mogelijkheden voor vervoer over land waren afhankelijk van de toestand van de bodem, de aanwezigheid van droge routes en de seizoenen. Getijdengeulen, rivieren en kustwateren bleven daarom van groot belang. Een boot kon goederen vervoeren langs plaatsen die over land moeilijk bereikbaar waren. Het dagelijkse verkeer bestond waarschijnlijk uit een combinatie van verschillende vervoerswijzen. Juist de aanwezigheid van zowel wagenonderdelen als voorwerpen die van ver kwamen, maakt duidelijk dat de kustbewoners hun verbindingen met het achterland op uiteenlopende manieren onderhielden.
60–80 n.Chr. — Aardewerk, huwelijk en verplaatsing van mensen
Handgevormd aardewerk bleef in de nederzettingen van de noordelijke kust een belangrijk onderdeel van het dagelijks leven. Potten werden gebruikt voor het bereiden en bewaren van voedsel en voor andere huishoudelijke werkzaamheden. De vormen en versieringen konden per gebied verschillen. In Groningen kwam onder meer aardewerk in Wierumstijl voor, met overeenkomsten met materiaal uit gebieden oostelijk van de Eems. Zulke overeenkomsten zijn belangrijk, omdat zij laten zien dat technische tradities zich over grote afstanden konden verspreiden. Zij bewijzen echter niet dat alle bewoners tot één volk behoorden of onder hetzelfde politieke gezag stonden.
Aardewerkstijlen konden zich op verschillende manieren verspreiden. Een pot kon als voorwerp worden uitgewisseld, maar de kennis om een bepaald type pot te maken kon ook met mensen meereizen. Wanneer iemand door huwelijk of verhuizing in een andere nederzetting ging wonen, konden aangeleerde technieken daar worden voortgezet. Zo kon een stijl in een nieuwe omgeving verschijnen zonder dat er sprake was van grootschalige handel. Dit is een mogelijke verklaring voor overeenkomsten tussen kustgebieden, geen bewijs voor specifieke huwelijken tussen Ezinge en Feddersen Wierde. De vondsten tonen verbindingen, maar de persoonlijke levensgeschiedenissen achter die verbindingen blijven grotendeels onbekend.
60–80 n.Chr. — Romeinse goederen bereiken de kust
De aanwezigheid van Romeinse voorwerpen in het noordelijke kustgebied laat zien dat de terugtrekking achter de Rijn de contacten niet beëindigde. Romeins aardewerk, bronzen voorwerpen, mantelspelden en andere goederen konden langs verschillende routes naar de nederzettingen komen. Sommige voorwerpen waren oorspronkelijk bestemd voor militair gebruik, terwijl andere onderdeel waren van de Romeinse huishoudelijke cultuur. Eenmaal buiten het rijk konden zij een nieuwe functie krijgen. Een Romeinse pot kon worden gebruikt om voedsel te bewaren, terwijl een metalen voorwerp kon worden gerepareerd, omgesmolten of opnieuw worden uitgewisseld. De herkomst van een voorwerp bepaalde dus niet noodzakelijk zijn uiteindelijke gebruik.
Uit Blija zijn onder meer een bronzen Mercuriusbeeldje, een lamp, een mantelspeld en een gestempelde terra-nigrabeker bekend. Ook Marrum heeft een fragment van een bronzen zeef opgeleverd. Bij Krewerd, Saaksum en Fransum is Romeins aardewerk gevonden. Deze vindplaatsen tonen de verspreiding van Romeinse producten over verschillende delen van het kustgebied. Niet alle genoemde voorwerpen zijn echter nauwkeurig aan 50–100 n.Chr. te dateren. Daarom mogen zij niet zonder afzonderlijke vondstcontrole worden voorgesteld als goederen die precies in deze halve eeuw werden gebruikt. Hun betekenis ligt vooralsnog vooral in het bredere patroon van contacten tijdens de Romeinse periode.
Romeinse importgoederen betekenen bovendien niet dat de bewoners hun eigen materiële cultuur opgaven. Het grootste deel van het dagelijkse aardewerk bleef plaatselijk en met de hand vervaardigd. Woonstalhuizen bleven het middelpunt van het boerenbedrijf en traditionele werktuigen bleven in gebruik. De komst van nieuwe goederen kon bestaande werkzaamheden aanvullen zonder deze volledig te veranderen. Sommige voorwerpen waren praktisch, andere konden vanwege hun bijzondere vorm, materiaal of herkomst gewaardeerd worden. De archeologie maakt echter niet altijd duidelijk waarom een huishouden een bepaald voorwerp bezat. Een Romeinse mantelspeld kan wijzen op contact met het leger, maar ook via verschillende eigenaren zijn doorgegeven.
60–90 n.Chr. — De Eems, Weser en Elbe als verbindingswegen
De Eems, Weser en Elbe vormden belangrijke verbindingen tussen de Noordzee en het achterland. Langs deze rivieren konden goederen, mensen en technische kennis worden verplaatst. Bij Bentumersiel aan de Eems waren al in het begin van de eerste eeuw Romeinse militaire contacten zichtbaar geworden. Verder oostelijk lagen plaatsen zoals Elsfleth-Hogenkamp bij de Hunte en Weser, waar vondsten wijzen op contacten met de Romeinse wereld. Ook bij Assel aan de Elbe zijn Romeinse munten en metalen voorwerpen bekend. Deze vindplaatsen maken duidelijk dat Romeinse producten niet uitsluitend via één route langs de kust werden verspreid.
De vondsten van Elsfleth-Hogenkamp en Assel beslaan echter verschillende perioden. Daarom kunnen zij niet zonder verdere datering volledig aan de jaren 50–100 worden toegeschreven. Het is belangrijk onderscheid te maken tussen de aanwezigheid van een Romeins voorwerp en de periode waarin het op een bepaalde plaats werd gebruikt of achtergelaten. Een munt kon lang blijven circuleren, terwijl een metalen voorwerp opnieuw kon worden gebruikt. De riviermondingen waren bovendien niet allemaal op hetzelfde moment even belangrijk. Het kustgebied bestond uit een netwerk van veranderende verbindingen, waarin plaatselijke omstandigheden en menselijke keuzes bepaalden welke routes werden benut.
68–69 n.Chr. — Een keizerrijk in crisis
In 68 n.Chr. eindigde de regering van keizer Nero. Zijn dood werd gevolgd door een periode van strijd om de keizerlijke macht. In 69 n.Chr. volgden verschillende keizers elkaar in korte tijd op en vochten Romeinse legers tegen elkaar. De politieke crisis speelde zich grotendeels buiten het noordelijke terpen- en wierdengebied af, maar had gevolgen voor de militaire organisatie langs de Rijn. Soldaten die normaal de grens moesten bewaken, raakten betrokken bij conflicten over de opvolging van de keizer. Daardoor veranderden de machtsverhoudingen in een gebied waar verschillende plaatselijke gemeenschappen al lange tijd contacten met Rome onderhielden.
De crisis liet zien dat het Romeinse leger geen organisatie was die volledig buiten de politiek stond. Legioenen en hulptroepen konden een belangrijke rol spelen bij het aanwijzen of ondersteunen van een keizer. Voor de bewoners van de noordelijke kust was dat van betekenis omdat dezelfde militaire organisatie die eerder belastingen had afgedwongen of rooftochten had bestreden, nu door interne conflicten werd verzwakt. Toch is niet bekend hoe afzonderlijke huishoudens in Ezinge of Feddersen Wierde op deze gebeurtenissen reageerden. Er zijn geen plaatselijke verslagen overgeleverd die vertellen of bewoners de Romeinse crisis bespraken, benutten of nauwelijks opmerkten.
69–70 n.Chr. — De opstand van Julius Civilis
In 69 n.Chr. brak in het Rijngebied de opstand van Julius Civilis uit. Civilis was een Bataafse leider met ervaring in Romeinse militaire dienst. Hij maakte gebruik van de politieke verdeeldheid binnen het rijk en kreeg steun van verschillende groepen die ontevreden waren over hun verhouding tot Rome. De strijd ontwikkelde zich tot een ernstig conflict rond de Rijn. Romeinse legerplaatsen werden aangevallen en sommige garnizoenen kwamen in grote moeilijkheden. De opstand laat zien hoe de afhankelijkheid van plaatselijke bondgenoten en hulptroepen een kwetsbaarheid kon worden wanneer de belangen van Romeinse bevelhebbers en regionale leiders uiteenliepen.
De gebeurtenissen rond de Bataafse Opstand moeten niet worden voorgesteld als een gezamenlijke opstand van alle kustbewoners tussen West-Friesland en de Elbe. De bronnen geven geen aanleiding om iedere terp of wierde rechtstreeks bij de strijd te betrekken. Wel was de opstand van belang voor de politieke omgeving van de noordelijke kust. Zij liet zien dat groepen buiten en binnen de Romeinse grens konden samenwerken, terwijl personen met militaire ervaring aan verschillende kanten van een conflict terechtkwamen. Net als bij Gannascus in 47 n.Chr. blijkt dat Romeinse militaire dienst niet noodzakelijk betekende dat iemand voor de rest van zijn leven de belangen van Rome bleef dienen.
69–70 n.Chr. — Valkenburg wordt verwoest
Bij Valkenburg aan de Oude Rijn hebben archeologen opeenvolgende Romeinse legerplaatsen onderzocht. Een belangrijke vernietigingslaag behoort tot de periode van de Bataafse Opstand in 69–70 n.Chr. Daarboven zijn latere bouwfasen aangetroffen. De vindplaats laat daardoor zien dat het conflict niet uitsluitend uit geschreven berichten bekend is. Ook in de bodem bleven sporen van verwoesting en wederopbouw bewaard. Voor de geschiedenis van de noordelijke kust is Valkenburg van betekenis omdat het een concreet beeld geeft van de militaire wereld waarmee de kustgemeenschappen in verbinding stonden. Het fort zelf maakte echter deel uit van de Romeinse grensorganisatie.
De vernietiging van een fort betekende niet dat de Romeinse aanwezigheid langs de Rijn voorgoed verdween. Na het herstel van het keizerlijke gezag werden legerplaatsen opnieuw ingericht en versterkt. De opstand maakte duidelijk dat de grensverdediging afhankelijk was van betrouwbare troepen, voldoende voorraden en de mogelijkheid om snel op bedreigingen te reageren. Voor de noordelijke kustgemeenschappen veranderde daarmee de politieke omgeving opnieuw. De Romeinse macht had een ernstige crisis doorgemaakt, maar bleef bestaan. De nederzettingen ten noorden van de grens werden niet daardoor automatisch onderdeel van het rijk, terwijl hun contacten met de militaire wereld konden voortduren.
70–80 n.Chr. — Vespasianus herstelt het Romeinse gezag
Na de burgeroorlogen kwam Vespasianus aan de macht. Onder zijn regering werd het Romeinse gezag in het Rijngebied hersteld en de militaire organisatie opnieuw versterkt. Voor de kustbewoners betekende dit dat de grens opnieuw werd bewaakt door een rijk dat over aanzienlijke militaire middelen beschikte. De Rijn bleef de belangrijkste scheiding tussen rechtstreeks Romeins bestuur en de gebieden daarbuiten. Toch was die grens niet volledig gesloten. Mensen konden in Romeinse militaire dienst treden, goederen konden worden uitgewisseld en contacten tussen plaatselijke gemeenschappen en het rijk bleven mogelijk. De politieke zelfstandigheid van een nederzetting betekende daarom niet dat zij economisch geïsoleerd was.
De betekenis van Romeinse goederen veranderde mogelijk naarmate zij vaker beschikbaar kwamen, maar dat proces verliep niet overal gelijk. Een voorwerp kon in de ene nederzetting zeldzaam zijn en elders vaker voorkomen. Bovendien zegt de aanwezigheid van een bijzonder voorwerp niet zonder meer iets over de omvang van het bezit van de eigenaar. Bij Feddersen Wierde is later onderzocht hoe Romeinse importgoederen over de erven waren verspreid. De resultaten waarschuwen tegen de gedachte dat alle goederen uit het rijk uitsluitend bij één machtige familie terechtkwamen. Voor de periode 70–80 moet echter eerst worden vastgesteld welke vondsten werkelijk uit deze bewoningsfasen afkomstig zijn.
70–90 n.Chr. — De bewoners blijven hun huizen vernieuwen
In Ezinge bleef de bestaande woonplaats voortdurend onderhoud vragen. Houten onderdelen van huizen konden vergaan en moesten worden vervangen. Vloeren werden vernieuwd en erven konden opnieuw worden verhoogd. Door de ophoping van klei, mest en andere materialen ontstonden nieuwe bewoningslagen boven oudere resten. De archeologische conservering maakt het mogelijk om verschillende bouwfasen te onderscheiden, maar niet iedere verandering is tot op enkele jaren nauwkeurig te dateren. Daarom moet de ontwikkeling van de nederzetting als een langdurig proces worden beschreven. De bewoners maakten gebruik van oudere erven, terwijl zij hun huizen en werkruimten aan nieuwe omstandigheden aanpasten.
Bij Feddersen Wierde ging het ophogen van afzonderlijke erven eveneens door. De nieuwe ruimtelijke organisatie vormde de basis voor verdere veranderingen in de volgende eeuwen. Het ontstaan van een grotere woonhoogte was afhankelijk van herhaalde arbeid door opeenvolgende generaties. Mest en klei moesten worden verzameld, vervoerd en op de juiste plaatsen aangebracht. Daarna moesten huizen opnieuw worden gebouwd of aangepast. Zulke werkzaamheden vergden tijd en materiaal. Het ophogen van een nederzetting was daarom niet alleen een technische oplossing voor wateroverlast, maar ook een economische investering. De bewoners moesten arbeid besteden aan hun woonplaats die niet rechtstreeks voedsel of andere producten opleverde.
75–95 n.Chr. — Huishoudens en sociale verschillen
De ontwikkeling van Ezinge en Feddersen Wierde maakt het mogelijk om sociale verschillen binnen kustnederzettingen te onderzoeken. In Ezinge wijzen de ruimtelijke indeling, de groei van de bewoning en bijzondere deposities mogelijk op veranderende verhoudingen tussen families. In Feddersen Wierde bieden de verschillen tussen boerderijen en erven aanwijzingen voor uiteenlopende economische mogelijkheden. Toch moeten zulke verschillen zorgvuldig worden geïnterpreteerd. Een groter huis kan meer stalruimte hebben geboden, maar hoeft niet te betekenen dat de bewoners een erfelijk recht hadden om andere families te besturen. De archeologie toont bezit en gebruiksmogelijkheden meestal duidelijker dan formele politieke macht.
De latere ontwikkeling van het grote erfcomplex dat bij Feddersen Wierde als Herrenhof bekendstaat, is belangrijk voor de geschiedenis van sociale ongelijkheid. Die latere situatie mag echter niet zonder meer naar het einde van de eerste eeuw worden verplaatst. De nederzetting veranderde gedurende meerdere eeuwen en de verhouding tussen grote en kleine boerenbedrijven ontwikkelde zich geleidelijk. Ook de verspreiding van Romeinse importvoorwerpen moet per bewoningsfase worden onderzocht. De gedachte dat een groter erf automatisch alle handel met Rome beheerste, wordt door de vondstverspreiding niet zonder meer ondersteund. Sociale ongelijkheid moet daarom uit verschillende soorten bewijsmateriaal samen worden gereconstrueerd.
80–100 n.Chr. — Arbeid, bezit en het dagelijkse bestaan
Voor de meeste bewoners van het kustgebied werd het dagelijks leven bepaald door werkzaamheden die ieder jaar terugkeerden. Dieren moesten worden verzorgd, voedsel moest worden bereid en opgeslagen, huizen moesten worden onderhouden en gereedschappen gerepareerd. Wol werd gesponnen en geweven, hout werd bewerkt en aardewerk bleef nodig voor het huishouden. De verschillende werkzaamheden waren met elkaar verbonden. Veeteelt leverde mest die kon worden gebruikt voor landbouw en ophoging, terwijl akkerbouw en andere vormen van voedselproductie noodzakelijk bleven om huishoudens te onderhouden. De economische mogelijkheden van een familie hingen daardoor niet uitsluitend af van één soort bezit.
Het bezit van vee, geschikte gronden, gebouwen en werktuigen kon verschillen tussen huishoudens veroorzaken. Een familie met meer dieren had mogelijk ook meer arbeid en stalruimte nodig. Een groter boerenbedrijf kon extra opslagruimte verlangen en beschikte misschien over meer mogelijkheden om goederen uit te wisselen. Toch weten we niet precies hoe grondbezit in iedere nederzetting was geregeld. Sommige gronden kunnen door afzonderlijke huishoudens zijn gebruikt, terwijl andere werkzaamheden of voorzieningen gezamenlijk werden georganiseerd. De archeologische resten geven geen volledig overzicht van eigendomsrechten. Zij laten wel zien dat de agrarische economie nauw verbonden was met de inrichting van huizen en erven.
80–100 n.Chr. — Geloof, herinnering en voorouders
De bijzondere deposities uit Ezinge herinneren eraan dat de bewoners niet uitsluitend vanuit economische belangen handelden. Menselijke botten, bewust gebroken voorwerpen en zorgvuldig geplaatste vondsten kunnen wijzen op handelingen die verband hielden met herinnering, bescherming of de positie van families. De precieze betekenis van zulke gebruiken is niet rechtstreeks overgeleverd. Romeinse schrijvers beschreven soms religieuze praktijken van bevolkingsgroepen buiten het rijk, maar hun berichten kunnen niet zonder meer worden gebruikt om iedere archeologische depositie in Ezinge te verklaren. De vondsten moeten daarom vanuit hun eigen context worden onderzocht, met aandacht voor plaats, datering en de combinatie van voorwerpen.
Het is mogelijk dat bepaalde rituelen een rol speelden bij de bevestiging van familiebanden of aanspraken op een woonplaats. Een wierde waarop generaties achtereen hadden gewoond, bevatte immers niet alleen gebouwen en afval, maar ook resten van vroegere bewoners. De grond kon daardoor een bijzondere betekenis krijgen voor de families die er bleven wonen. Toch kan niet worden vastgesteld dat iedere depositie een voorouderritueel vertegenwoordigde. Sommige voorwerpen kunnen bij de aanleg van een gebouw zijn achtergelaten, andere bij een bijzondere gebeurtenis. Het onderscheid tussen dagelijks gebruik, afvalverwerking en rituele handelingen blijft een belangrijk onderdeel van het archeologische onderzoek.
90–100 n.Chr. — Twee nederzettingen, verschillende ontwikkelingen
Tegen het einde van de eerste eeuw waren Ezinge en Feddersen Wierde beide uitgegroeid tot belangrijke voorbeelden van langdurige bewoning in het noordelijke kustgebied. Hun ontwikkeling was echter niet identiek. Ezinge kende al eeuwen een verhoogde woonplaats met een ingewikkelde ruimtelijke indeling. De grote hoeveelheid aardewerk uit de eerste eeuw wijst op intensieve bewoning, terwijl bijzondere deposities mogelijk verband hielden met de onderlinge positie van huishoudens. Feddersen Wierde bevond zich juist in een fase waarin afzonderlijke woonhoogten en een nieuwe dorpsordening steeds belangrijker werden. Beide nederzettingen reageerden op de mogelijkheden en beperkingen van het kwelderlandschap.
De verschillen tonen dat de kustbewoners niet volgens één vast ontwikkelingspatroon leefden. De ene nederzetting kon groeien binnen een oude woonhoogte, terwijl elders nieuwe erven werden aangelegd en opgehoogd. De ene gemeenschap beschikte mogelijk over meer ruimte dan de andere. Ook de toegang tot hout, steen, geschikte landbouwgronden en waterwegen kon verschillen. Toch bleven de overeenkomsten groot genoeg om de nederzettingen met elkaar te vergelijken. Woonstalhuizen, veehouderij, handgevormd aardewerk en het onderhoud van kunstmatige woonhoogten waren belangrijke onderdelen van het bestaan. De archeologie maakt daardoor zowel regionale verbindingen als plaatselijke verschillen zichtbaar.
100 n.Chr. — Een kustsamenleving naast een machtig rijk
Rond 100 n.Chr. was de Romeinse grens langs de Rijn stevig verankerd. De politieke crisis van 69–70 was voorbij en de militaire organisatie was opnieuw opgebouwd. Ten noorden van de grens bleven de kustgemeenschappen buiten het rechtstreekse provinciale bestuur. Toch waren zij niet afgesneden van de Romeinse wereld. Romeinse voorwerpen bereikten verschillende nederzettingen, terwijl rivieren en kustwateren verbindingen mogelijk maakten met het Rijngebied en verder gelegen plaatsen. De aanwezigheid van importgoederen laat contacten zien, maar niet automatisch politieke onderwerping. Het onderscheid tussen militaire macht, economische uitwisseling en plaatselijke zelfstandigheid bleef daarom van groot belang.
Voor de bewoners van Ezinge, Feddersen Wierde en de andere terpen en wierden stond het eigen huishouden centraal. Daar werden dieren verzorgd, voedsel bereid, voorwerpen gemaakt en bezit onderhouden. Tegelijkertijd was geen huishouden volledig onafhankelijk van zijn omgeving. Bouwmateriaal moest worden verkregen, waterwegen werden gebruikt en het onderhoud van de woonplaats vereiste afspraken met buren. Families konden samenwerken en tegelijkertijd met elkaar concurreren om ruimte en economische mogelijkheden. De archeologie laat zien dat deze verhoudingen veranderden, maar niet overal op dezelfde manier. De kustsamenleving was verbonden door landschap en contacten, zonder dat zij één centraal bestuur vormde.
De eerste eeuw na Christus eindigde daarmee zonder dat Rome het volledige kustgebied van West-Friesland tot de Elbe had veroverd. Het rijk oefende grote invloed uit, maar de plaatselijke gemeenschappen bleven hun eigen geschiedenis ontwikkelen. In Ezinge werd de langdurige bewoning steeds duidelijker verbonden met de verdeling van ruimte en de positie van huishoudens. In Feddersen Wierde vormden kunstmatige woonhoogten de basis voor een nieuwe dorpsstructuur. De komende eeuwen zouden nieuwe sociale verschillen, verdere ophogingen en veranderende contacten met Rome brengen. De ontwikkeling van deze samenleving werd echter niet alleen door de macht van de keizers bepaald, maar evenzeer door de arbeid, keuzes en onderlinge verhoudingen van de kustbewoners.
Aan de rand van het Romeinse Rijk
Het noordelijke terpen- en wierdengebied van West-Friesland tot de Elbe (14–476 n.Chr.)
Deel 3 — 100–150 n.Chr. | De kust groeit verder buiten het Romeinse Rijk
Aan het begin van de tweede eeuw strekte zich langs de zuidelijke Noordzee een landschap uit van kwelders, getijdengeulen, oeverwallen, veengronden en kunstmatig verhoogde woonplaatsen. Van Noord-Holland en West-Friesland via Westergo, Oostergo, Middag-Humsterland, Hunsingo en Fivelingo tot de Eems, Weser en Elbe leefden gemeenschappen die hun bestaan op de mogelijkheden van dat landschap hadden ingericht. Runderen graasden op de kwelders, akkers lagen op geschikte hogere gronden en huizen werden gebouwd op plaatsen die bescherming boden tegen het water. Sommige nederzettingen waren klein gebleven, andere waren gedurende vele generaties uitgegroeid tot omvangrijke woonhoogten. Overal moesten bewoners grond, vee, arbeid en woonruimte met elkaar in evenwicht brengen.
Die gemeenschappen vormden geen staat met één bestuur of een gemeenschappelijke hoofdstad. Romeinse schrijvers gebruikten namen als Frisii en Chauci, maar daarmee beschreven zij niet de volledige verscheidenheid aan nederzettingen langs de kust. Ook bestonden de moderne grenzen tussen Nederland en Duitsland niet. Bewoners konden langs de kust en over rivieren met elkaar in contact staan zonder aan dezelfde machthebber onderworpen te zijn. Ezinge werd al sinds ongeveer 650 v.Chr. bewoond, terwijl Feddersen Wierde veel later was ontstaan. Ook Middelstum, Spijk en Tzum hadden een lange voorgeschiedenis. De tweede eeuw begon daarom niet met een nieuwe samenleving, maar met veranderingen binnen een kustgebied dat al eeuwenlang bewoond was.
100–117 — Buiten het rijk van Trajanus
Toen keizer Trajanus in 98 de Romeinse macht overnam, lag de belangrijkste militaire grens in het noordwesten langs de Rijn. Romeinse legereenheden bewaakten de rivier en de verbindingen met de provincies ten zuiden ervan. Het noordelijke kustgebied werd niet opnieuw als geheel onder Romeins bestuur gebracht. Toch betekende de grens geen afsluiting. Romeinse munten, aardewerk, metalen voorwerpen en andere goederen bereikten nederzettingen buiten het rijk. Zij konden via handel, persoonlijke contacten, reizigers of tussenpersonen worden doorgegeven. Hoe dat voor ieder afzonderlijk voorwerp gebeurde, is meestal onbekend. De bewoners namen zulke goederen op in een samenleving waarin de eigen huizenbouw, landbouw en ambachtelijke tradities bleven bestaan.
In Noord-Holland lag de bewoning verspreid over hogere delen van het veen en andere geschikte gronden. Rond Schagen zijn bij Witte Paal, Muggenburg en Lagedijk resten uit de Romeinse tijd onderzocht. Schagen-Witte Paal II leverde nederzettingssporen op die globaal tussen 100 en 250 n.Chr. worden geplaatst. Aardewerk, dierlijke resten, kuilen en greppels wijzen op huishoudens die landbouw en veehouderij combineerden. De bewoners hadden toegang tot plaatselijk vervaardigde gebruiksvoorwerpen en tot goederen die van buiten kwamen. Het onderzoek toont geen grote Romeinse stad, maar een agrarisch landschap waarin verschillende erven en nederzettingen naast elkaar bestonden.
Bij Schagen-Muggenburg kwamen eveneens kuilen, greppels, kleivloeren en vondstconcentraties aan het licht. Ook is een begraving bekend. De oorspronkelijke bebouwing is moeilijk volledig te reconstrueren, omdat een deel van het veen door oxidatie is verdwenen. Sommige huizen kunnen daardoor minder duidelijke sporen hebben achtergelaten dan oorspronkelijk aanwezig waren. Een verbrande vondstlaag is verschillend geïnterpreteerd. Mogelijk ontstond zij door menselijke activiteit, maar een latere veenbrand is eveneens als verklaring voorgesteld. Er is daarom geen grond om hier een gewelddadige aanval of een plaatselijke oorlog te beschrijven. De resten laten vooral zien hoe bewoning door latere veranderingen in de bodem gedeeltelijk onzichtbaar werd.
Bij Witte Paal Zuidoost zijn terra sigillata, Romeins glas en greppelsporen gevonden. Een deel van dit materiaal behoort al tot de eerste eeuw en vormt de voorgeschiedenis van de tweede-eeuwse bewoning. Ook Schagen-Lagedijk, Schagerbrug-Vesdo en Dorregeest bij Uitgeest passen binnen de langere geschiedenis van bewoning op en langs veengronden. De afzonderlijke dateringen verschillen. Zij mogen daarom niet zonder meer als gelijktijdige nederzettingen rond 100 worden voorgesteld. Wel maken zij duidelijk dat bewoners zich al eerder op geschikte plekken hadden gevestigd en dat sommige woonplaatsen werden verplaatst, verlaten of opnieuw gebruikt wanneer de omstandigheden veranderden.
In Westergo lag onder het latere Oldehoofsterkerkhof in Leeuwarden een boerderij die rond het begin van de tweede eeuw werd gebruikt. Archeologen vonden houten constructiedelen, waaronder zware eiken planken die als vlonder bij een ingang waren toegepast. Het hout bleek afkomstig van een oudere boomstamboot, waarschijnlijk vervaardigd in het tweede kwart van de eerste eeuw. Een vaartuig dat niet langer geschikt was voor vervoer, kreeg daarmee een nieuwe bestemming op een boerenerf. In het grotendeels boomloze kweldergebied was bruikbaar hout waardevol. De vondst verbindt de geschiedenis van scheepvaart, huizenbouw en hergebruik binnen één huishouden.
De boerderij onder Leeuwarden stond niet in een Romeinse stad, maar in een agrarisch landschap van waterlopen, natuurlijke hoogten en woonplaatsen. Hout, klei, zoden en ander beschikbaar materiaal vormden de basis van de bebouwing. Wanneer een huis werd vernieuwd, konden oudere constructiedelen opnieuw worden gebruikt. Een erf was daardoor geen onveranderlijke plaats. De bewoners moesten vloeren herstellen, toegangen aanpassen en soms het terrein verhogen. Zulke werkzaamheden vroegen arbeid die naast het verzorgen van vee en het verbouwen van gewassen moest worden verricht. De herhaalde vernieuwing maakte een woonplaats tot een plek waar opeenvolgende generaties op dezelfde grond voortbouwden.
Bij Arkum werd een oudere woonhoogte na een onderbreking opnieuw gebruikt. De nieuwe bewoningsfase wordt globaal tussen 100 en 250 n.Chr. gedateerd. Een bestaande hoogte kon aantrekkelijk zijn omdat het terrein al eerder geschikt was gebleken voor bewoning. Waarom de plaats aanvankelijk werd verlaten en waarom bewoners terugkeerden, weten we niet. Arkum maakt wel duidelijk dat de ontwikkeling van de terpen niet overal uit voortdurende groei bestond. Sommige woonplaatsen bleven lange tijd in gebruik, terwijl andere perioden van verlatenheid kenden. De geschiedenis van het kustgebied omvatte daardoor ook verplaatsing, terugkeer en veranderend gebruik van oude erven.
Bij Sneek-Harinxmaland waren de omstandigheden anders. De nederzetting had wortels in de late ijzertijd en kende in de eerste en tweede eeuw werkzaamheden waarbij veel materiaal werd verbrand. Archeologen vonden dikke lagen as en verbrande klei. Mogelijk werd kleiige of zandige turf als brandstof gebruikt. De resten kunnen verband houden met aardewerkproductie, maar ook zoutwinning is als verklaring genoemd. Buiten het huispodium lagen rechthoekige kuilen van ongeveer een meter breed en twee tot drie meter lang. Daar kan zouthoudend veen zijn gewonnen. De precieze activiteit staat niet vast, maar de vondsten wijzen op herhaald gebruik van brandstof en grondstoffen.
De betekenis van Harinxmaland ligt in de werkzaamheden die naast het boerenbedrijf konden plaatsvinden. Wie turf groef, klei verwerkte of aardewerk bakte, had geschikte werkruimte, brandstof en tijd nodig. Zulke activiteiten konden binnen een huishouden worden gecombineerd met het houden van dieren en het verbouwen van gewassen. Er is geen bewijs voor een afzonderlijk centrum van gespecialiseerde zoutproducenten. Toch maakt de vindplaats duidelijk dat het economische bestaan op de terpen niet uitsluitend uit veehouderij bestond. Bewoners gebruikten hun omgeving op verschillende manieren en konden daarmee materialen vervaardigen die voor hun eigen huishouden of voor anderen bruikbaar waren.
Bij Hatsum, nabij Dronrijp, werd een woonhoogte opgebouwd uit kwelderzoden die waarschijnlijk in de omgeving waren gestoken. Albert Egges van Giffen onderzocht de terp tussen 1921 en 1923. De oudste kunstmatige verhoging bereikte uiteindelijk een hoogte van meer dan een meter en werd volgens de oorspronkelijke datering uiterlijk in de tweede eeuw aangelegd. Daarna volgden nieuwe lagen van zoden, mest, stro en ander materiaal. Iedere ophoging veranderde de hoogte en inrichting van het erf. Een terp was geen bouwwerk dat eenmaal werd voltooid, maar een woonplaats die voortdurend onderhoud nodig had.
Naast de eerste woonhoogte van Hatsum lag een diepe voorziening voor zoet water. Toen de terp werd uitgebreid, raakte een deel daarvan opgevuld en werd hogerop opnieuw een watervoorziening ingericht. De bewoners konden hun huis beschermen door het terrein te verhogen, maar moesten tegelijk zorgen dat mensen en dieren konden drinken. In een landschap waar zout en brak water regelmatig binnendrongen, was zoet water onmisbaar. Bij Dronrijp werd rond het begin van onze jaartelling een grote dobbe aangelegd met een doorsnede van ongeveer 25 meter en een diepte van bijna drie meter. De voorziening toont hoeveel arbeid een boerenbedrijf in de watervoorziening kon investeren.
Een grote drinkplaats was vooral belangrijk voor huishoudens met veel vee. Runderen leverden melk, vlees, huiden, mest en mogelijk trekkracht, maar hadden dagelijks water en voer nodig. De omvang van een veestapel bepaalde mede hoeveel stalruimte en grasland nodig waren. Daarmee kon bezit van dieren economische voordelen opleveren, maar ook aanzienlijke verplichtingen meebrengen. Niet ieder huishouden beschikte noodzakelijk over dezelfde mogelijkheden. De archeologie laat verschillen in gebouwen en voorzieningen zien, maar vertelt niet rechtstreeks hoe grond en vee juridisch waren verdeeld. De bewoners moesten hun bestaan organiseren zonder dat hun plaatselijke afspraken schriftelijk zijn overgeleverd.
De woonstalhuizen vormden het middelpunt van het boerenbedrijf. Mensen en dieren verbleven onder hetzelfde dak, maar in verschillende gedeelten. Het vee kon worden beschermd wanneer de kwelders tijdelijk niet geschikt waren voor beweiding. Daarnaast waren opslagplaatsen nodig voor graan, werktuigen en waarschijnlijk veevoer. Gerst was een belangrijk gewas; ook andere graansoorten en vlas komen in het onderzoek naar voren. De mogelijkheden voor akkerbouw verschilden per bodem en ligging. Een iets hoger gelegen stuk grond kon bruikbaarder zijn dan een lager terrein dat vaker overstroomde. De toegang tot geschikte akkers en graslanden moet daardoor van groot belang zijn geweest.
Ook de vervaardiging van kleding vroeg veel arbeid. Schapen leverden wol, maar tussen het levende dier en een geweven stof lagen het voorbereiden van de vezels, het spinnen en het weven. In Feddersen Wierde zijn spintollen, weefgewichten en daadwerkelijk bewaarde wollen stoffen aangetroffen. Een bijzonder fragment in Panamabinding dateert uit de eerste eeuw en behoort dus tot de voorgeschiedenis van de tweede-eeuwse productie. Modern vezelonderzoek wijst op het gebruik van verschillende wolkwaliteiten. De vondsten laten zien dat textielproductie technische kennis vereiste. Zij bewijzen niet dat alle wevers afzonderlijke beroepsambachtslieden waren die niet meer aan het boerenbedrijf deelnamen.
117–138 — Hadrianus en de oudere wierden van het Fivelgebied
Toen Trajanus in 117 overleed, werd Hadrianus keizer. De Romeinse militaire aanwezigheid langs de Rijn bleef voor de noordelijke kust een belangrijke politieke achtergrond. Toch veranderde het gebied niet in een Romeinse provincie. Een munt van Hadrianus bereikte de wierde Lellens, gelegen op een oude oever van de Fivel. De munt werd tussen 117 en 138 geslagen, maar kan pas later in de nederzetting terecht zijn gekomen. Munten konden immers lange tijd in omloop blijven. De vondst maakt de verbinding met het Romeinse geldstelsel zichtbaar, zonder te onthullen wie de munt meenam of waarvoor zij werd gebruikt.
Lellens leverde daarnaast een gouden armband en eenvoudige benen werktuigen op. De voorwerpen tonen verschillende kanten van dezelfde woonplaats. De benen werktuigen verwijzen naar dagelijkse werkzaamheden, terwijl goud een bijzondere waarde vertegenwoordigde. Toch kan uit de armband geen plaatselijke vorst of erfelijke elite worden afgeleid. De oorspronkelijke eigenaar en de omstandigheden waarin het voorwerp werd achtergelaten, zijn onbekend. Wel blijkt dat kostbare materialen een agrarische nederzetting konden bereiken zonder dat de bewoners hun eigen bouwtradities en bestaanswijze opgaven. Het bijzondere bezit stond niet los van het gewone boerenleven, maar maakte er deel van uit.
Langs de Fivel lagen meer oude woonplaatsen. Middelstum ontstond op een oeverwal en groeide uit verschillende oorspronkelijke huiswierden. De latere grote dorpswierde was dus niet in één keer aangelegd. Generaties bewoners verhoogden afzonderlijke erven, waarna de woonhoogten geleidelijk naar elkaar toe groeiden. Uit Middelstum kwamen handgevormd aardewerk, benen naalden, kralen en een bijzonder aardewerken maskerfragment tevoorschijn. De vondsten bestrijken verschillende perioden. De naalden kunnen met ambachtelijk werk verband houden en de kralen met persoonlijke versiering. De functie van het maskerfragment blijft onzeker; een rituele betekenis kan niet zonder aanvullende aanwijzingen worden vastgesteld.
Bij Spijk waren de oudste aanwijzingen voor activiteit al omstreeks de zevende eeuw v.Chr. aanwezig. De latere wierde kreeg een opvallende radiale vorm met ringwegen en erven die als spaken naar buiten lopen. Die huidige structuur kan echter niet rechtstreeks aan de tweede eeuw worden toegeschreven. Ophogingen, herverkavelingen en latere bebouwing hebben het terrein veranderd. Hetzelfde geldt voor andere oude wierden. De moderne dorpsvorm kan oudere elementen bewaren, maar is geen betrouwbare plattegrond van een nederzetting rond 125 n.Chr. De geschiedenis moet daarom vanuit de opgegraven bouwfasen worden gereconstrueerd.
De oude Fiveloevers verbonden plaatsen als Westerwijtwerd, Middelstum, Toornwerd, Kantens, Eelswerd, Rottum en Usquert. Hun bewoningsgeschiedenissen verschilden, maar de ligging langs hetzelfde stelsel van kwelderwallen en geulen maakte contacten mogelijk. De oevers boden hoger terrein, terwijl de waterlopen vervoer en visserij konden ondersteunen. Bij Usquert zijn netverzwaringen en benen naalden bekend. De eerste wijzen op het gebruik van visnetten, de tweede op werkzaamheden met vezels, leer of andere materialen. Zulke gewone voorwerpen vertellen veel over het bestaan, ook wanneer zij minder opvallend zijn dan goud of Romeinse munten.
Bij Usquert werden in 1896 bovendien drie zware granieten blokken in een driehoek aangetroffen tijdens funderingswerk voor een kerktoren. Hun functie en datering zijn onbekend. Een verband met voorchristelijke rechtspraak is voorgesteld, maar niet bewezen. Daarom kunnen de blokken niet worden gebruikt om een tweede-eeuwse bestuursinstelling te reconstrueren. De vondst maakt vooral duidelijk hoe belangrijk het is om archeologische waarnemingen te onderscheiden van latere verklaringen. Een bijzondere opstelling van stenen kan vragen oproepen zonder dat de antwoorden bewaard zijn gebleven.
In Stitswerd, binnen de boog van kwelderwallen tussen Adorp, Warffum, Usquert en Middelstum, zijn bewoningslagen uit de eerste tot vierde eeuw bekend. De nederzetting leverde kleine smelthaarden voor bronsbewerking, Romeinse munten en aardewerk op. De afzonderlijke haarden kunnen niet allemaal nauwkeurig tussen 100 en 150 worden geplaatst. Zij tonen wel dat plaatselijke metaalbewerking deel uitmaakte van de langere bewoningsgeschiedenis. Beschadigde voorwerpen konden opnieuw worden gesmolten, zodat ingevoerd metaal uiteindelijk een plaatselijk vervaardigd object werd. De bewoners waren niet uitsluitend ontvangers van afgewerkte producten, maar konden materialen zelf verwerken.
Bij Adorp-Spoorwegwierde waren nog oudere bewoningslagen aanwezig. De nederzetting leverde aardewerk van het Wierum-type uit de eerste en vroege tweede eeuw op, naast een Romeinse mantelspeld, een denarius, een granieten werktuig en voorwerpen die met spinnen en weven samenhangen. Ook is een sleedoornpit bekend. De vondsten behoren niet allemaal tot één bewoningsfase. Hun gezamenlijke betekenis ligt in de combinatie van landbouw, huishoudelijk werk en contacten buiten de onmiddellijke omgeving. Een Romeinse mantelspeld en een plaatselijk vervaardigde pot konden binnen dezelfde langdurig bewoonde wierde terechtkomen, zonder dat alle bewoners dezelfde gewoonten hadden.
Ezinge — Huishouden, herinnering en grond
In Ezinge bleven de huizen en erven deel uitmaken van een nederzetting die al eeuwen werd bewoond. De opgravingen van Van Giffen maakten opeenvolgende bouwfasen zichtbaar. Huizen werden vernieuwd en erven opnieuw ingericht, terwijl de beschikbare ruimte begrensd bleef door aangrenzende woonplaatsen. Zulke veranderingen moeten gevolgen hebben gehad voor toegangspaden, opslag, stallen en het gebruik van de omliggende grond. Hoe bewoners daarover afspraken maakten, is onbekend. Wel toont de herhaalde bouw op dezelfde plaats dat afzonderlijke erven een langdurige geschiedenis konden hebben.
In de eerste helft van de tweede eeuw werd in Ezinge een uitzonderlijk voorwerp vervaardigd uit de schacht van een menselijke bovenarm. Het object, vondstnummer 1932-1104, is 11,6 centimeter lang en 1,8 centimeter breed. Beide uiteinden waren zorgvuldig afgewerkt en het oppervlak vertoonde een sterke glans. Het voorwerp werd in een haard gevonden, samen met onder andere een handvat van schapenbot en een complete pot. De afwerking en glans wijzen erop dat het menselijke bot daadwerkelijk als handvat of greep is gebruikt. Waarom juist deze grondstof werd gekozen, blijft onbekend.
Onder het glanzende oppervlak waren parallelle krassen zichtbaar. Wietske Prummel herkende deze waarschijnlijk als vraatsporen van een hond. Dat zou betekenen dat het bot toegankelijk was geweest voor een dier voordat iemand het bewerkte en langdurig gebruikte. De menselijke herkomst maakt het voorwerp bijzonder, maar bewijst niet welke betekenis de eigenaar eraan gaf. Het kan een persoonlijke, familiale of rituele functie hebben gehad. Het blijft eveneens mogelijk dat verschillende betekenissen samenkwamen. De vondst laat in ieder geval zien dat menselijke resten soms binnen de woonomgeving werden bewaard en opnieuw gebruikt.
Bij een eerdere bouwfase van vermoedelijk hetzelfde huis was een andere bijzondere depositie aangetroffen. Die bevatte drie verbrande potten, twee verbrande weefgewichten en een bewerkt fragment van een menselijke schedel. Deze vondst dateert uit de eerste eeuw en behoort dus tot de voorgeschiedenis van het humerushandvat. Toch is de nabijheid van beide vondstcomplexen belangrijk. Op ongeveer dezelfde woonplaats werden gedurende verschillende generaties menselijke resten en huishoudelijke voorwerpen op ongebruikelijke wijze behandeld. Of dat een doorlopende familietraditie vertegenwoordigt, kan niet worden vastgesteld. De vondsten maken wel duidelijk dat een erf meer betekenis kon hebben dan alleen die van werk- en woonplaats.
Het onderzoek naar Ezinge wijst erop dat de zichtbare traditie van losse menselijke botten in huishoudelijke context in het begin van de tweede eeuw afnam. Het oudste voorbeeld uit de nederzetting dateert uit de vijfde eeuw v.Chr.; de jongste duidelijke voorbeelden behoren tot het begin van de tweede eeuw. Mogelijk veranderde de manier waarop bewoners hun doden herdachten of hun band met een erf tot uitdrukking brachten. Dat is een interpretatie, geen rechtstreeks beschreven geloofspraktijk. Toch kan de combinatie van langdurige bewoning, herbouw en bijzondere deposities helpen begrijpen waarom een woonplaats voor families meer kon betekenen dan een willekeurig stuk grond.
Ook de gewone materiële cultuur van Ezinge verdient aandacht. In de zeeklei rond de wierde kwam nauwelijks bruikbare natuursteen voor. Bewoners konden keien verkrijgen uit de keileem bij Noordhorn, terwijl andere steensoorten van verder werden aangevoerd. De bewaarde natuursteencollectie omvat 127 stukken, maar is selectief verzameld. Maalstenen, slijpstenen en andere werktuigen waren noodzakelijk voor het verwerken van graan en het onderhouden van gereedschap. De herkomst van zulke materialen toont dat een boerenhuishouden afhankelijk kon zijn van verbindingen buiten de kwelder, ook wanneer het voor zijn voedsel grotendeels op de eigen omgeving steunde.
Een klein aardewerken smeltkroesje uit Ezinge wijst bovendien op mogelijke plaatselijke metaalbewerking. Het wordt met de midden-Romeinse tijd verbonden, maar is niet nauwkeurig genoeg gedateerd om uitsluitend in 100–150 te worden geplaatst. De vondst laat zien welke vragen naast de studie van afgewerkte metalen voorwerpen moeten worden gesteld. Werd metaal ter plaatse gesmolten, hersteld of opnieuw gebruikt? Welke grondstoffen waren beschikbaar en hoeveel vakkennis was nodig? Zonder volledige vondstcontext kunnen die vragen niet allemaal worden beantwoord. Het kroesje blijft daarom een aanwijzing voor ambacht, geen bewijs voor een grote gespecialiseerde werkplaats.
De oostelijke kust — Van de Eems tot de Weser
Aan de overzijde van de Eems lagen nederzettingen die tegenwoordig tot Duitsland behoren, maar in de Romeinse tijd deel uitmaakten van hetzelfde uitgestrekte kustlandschap. Bij Eilsum, Esens, Backemoor en Weener zijn sporen uit de Romeinse keizertijd onderzocht. De afzonderlijke bewoningsfasen verschillen. Bij Backemoor werd ongeveer 3.800 vierkante meter opgegraven en werden meer dan duizend sporen geregistreerd, waarvan een belangrijk deel met de Romeinse keizertijd samenhangt. Daarmee biedt de vindplaats meer informatie dan een losse munt of scherf. De huizen, kuilen en greppels moeten echter per fase worden gedateerd voordat de ontwikkeling rond 125 kan worden beschreven.
Ook Weener is belangrijk voor de bewoning langs de Eems. Onderzoek in 2008 en 2010 leverde nederzettingssporen uit de Romeinse tijd op. De ligging aan een grote rivier maakte contacten mogelijk, maar bewijst op zichzelf niet dat Weener een handelscentrum was. Daarvoor zouden concrete aanwijzingen nodig zijn voor goederenoverslag, aanlegplaatsen of bijzondere productie. Eilsum en Esens tonen eveneens dat bewoning niet beperkt bleef tot de bekendste grote wierden. Hun nederzettingskuilen en andere resten moeten worden onderzocht als onderdelen van plaatselijke huishoudens, waarvan de geschiedenis niet volledig uit de latere dorpsnamen kan worden afgeleid.
Bij Brill, in de omgeving van Esens, werden 21 langhuizen, twee bijgebouwen en verschillende voorraadgebouwen onderzocht. De aantallen vertegenwoordigen opeenvolgende bewoningsfasen, geen dorp waarin al die gebouwen gelijktijdig stonden. Thomas D. Lehmann onderscheidde vijf aardewerkfasen die samen een lange periode bestrijken, vanaf de tijd rond het begin van onze jaartelling tot de eerste helft van de vijfde eeuw. Brill is daardoor bijzonder geschikt om veranderingen in huizenbouw en materiële cultuur te volgen. De vondsten wijzen op verbindingen met gebieden die tegenwoordig tot Nederland behoren, met het Elbe-Wesergebied en met de Romeinse provincies.
Brill maakt duidelijk waarom de kustgemeenschappen niet vanuit moderne landsgrenzen moeten worden beschreven. Vergelijkbare bouwvormen, aardewerktradities en gebruiksvoorwerpen konden zich over grote afstanden verspreiden. Toch hoefde een overeenkomst in potvorm niet te betekenen dat bewoners onder dezelfde leider stonden. Technieken konden worden overgenomen, mensen konden verhuizen en goederen konden worden uitgewisseld. De afzonderlijke nederzettingen bleven herkenbaar door hun eigen bewoningsfasen. Voor het verhaal van de tweede eeuw is daarom niet alleen belangrijk dát contacten bestonden, maar ook hoe verschillende plaatsen de ontvangen materialen en technieken in hun eigen bestaan opnamen.
Feddersen Wierde — De eerste duidelijke verschillen tussen erven
Aan de Weser ontwikkelde Feddersen Wierde zich vanuit een nederzetting van oorspronkelijk ongeveer vijf boerenerven. In latere fasen groeide het aantal erven. Over de gehele opgegraven bewoningsgeschiedenis zijn ongeveer 175 gebouwen en ruim 140 voorraadgebouwen geïnventariseerd. Deze aantallen mogen niet worden opgevat als de omvang van de nederzetting rond 125 n.Chr. Zij laten vooral zien hoeveel huizen en opslagvoorzieningen gedurende opeenvolgende generaties werden gebouwd en vervangen. De bewoners moesten hun erven telkens aanpassen aan de beschikbare ruimte, de omvang van hun veestapel en hun behoefte aan opslag.
Vanaf het einde van de eerste eeuw ontwikkelde zich in Feddersen Wierde een groter samengesteld erf. In de tweede eeuw werden verschillen tussen huizen en stallen duidelijker zichtbaar. Werner Haarnagel gebruikte het aantal rundplaatsen als aanwijzing voor de economische positie van huishoudens. Volgens zijn interpretatie konden kleine boerenbedrijven met minder dan ongeveer twaalf rundplaatsen mogelijk niet volledig zelfstandig functioneren. Grotere bedrijven zouden meer vee, opslag en economische mogelijkheden hebben gehad. Dat model is invloedrijk, maar de grootte van een stal bewijst niet wie eigenaar van de dieren was of welke verplichtingen tussen huishoudens bestonden.
De verschillen in bebouwing maken wel een belangrijke ontwikkeling zichtbaar. Een huishouden met meer stalruimte kon onder gunstige omstandigheden meer dieren onderbrengen. Dat kon gevolgen hebben voor de hoeveelheid melk, mest, huiden en beschikbare trekkracht. Maar vee kon ook gezamenlijk worden gehouden of op andere plaatsen verblijven. Een klein huis kon behoren tot een familie die gespecialiseerd werk verrichtte, zonder noodzakelijk afhankelijk te zijn van een grotere boer. De archeologie laat dus economische ongelijkheid zien in de vorm van gebouwen en voorzieningen, terwijl de precieze sociale verhoudingen onderwerp van onderzoek blijven.
Naast de landbouw werden in Feddersen Wierde hout, wol, bot, leer en metaal verwerkt. Sommige gebouwen hadden weinig of geen stalruimte. Haarnagel zag daarin mogelijke woningen van ambachtslieden die afhankelijk waren van grotere boerenbedrijven. Die verklaring is niet de enige mogelijkheid. Werkzaamheden konden binnen huishoudens worden gecombineerd en verschillende verwanten konden dezelfde voorzieningen gebruiken. De vondsten tonen dat ambachtelijke kennis aanwezig was, maar niet dat één groot erf alle productie beheerste. Juist het onderscheid tussen aantoonbare bouwverschillen en veronderstelde afhankelijkheid is nodig om de sociale geschiedenis zorgvuldig te schrijven.
De nederzetting leverde houten kommen, troggen, gereedschappen en wagenonderdelen op. Hout kon worden gesneden, gedraaid, gezaagd en opnieuw gebruikt. Omdat grote bomen niet overal in de kwelder groeiden, moesten geschikte stammen of bewerkte onderdelen uit andere landschappen worden verkregen. Ook het vervoer over land is zichtbaar in de wagenonderdelen. Uit Ezinge zijn verschillende houten schijf- en spaakwielen bekend; Feddersen Wierde leverde onder andere een massief wiel van ongeveer 84 centimeter en grotere samengestelde spaakwielen op. De vondsten bestrijken verschillende fasen, maar tonen dat vervoer niet uitsluitend over water plaatsvond.
138–150 — Een veranderende samenleving zonder nieuwe landsgrens
In 138 overleed Hadrianus en volgde Antoninus Pius hem op. De Romeinse grensorganisatie bleef voor de kustbewoners een belangrijke politieke achtergrond. De aanwezigheid van Romeinse goederen veranderde echter niet automatisch hun bestuur. In de kustnederzettingen bleven woonstalhuizen, handgevormd aardewerk, plaatselijke ambachten en het gebruik van kweldergrond belangrijk. Tegelijkertijd werden verschillen tussen huishoudens zichtbaarder, vooral in Feddersen Wierde. In Ezinge bleef de lange geschiedenis van herbouw en bijzondere deposities opvallend. De vergelijking laat zien dat kustgemeenschappen zich niet allemaal op dezelfde manier ontwikkelden.
Ook het landschap zelf bleef verandering afdwingen. Bij Peins-Oost en Wijnaldum-Tjitsma zijn vroege zodendijken bekend, waarvan sommige ouder zijn dan de tweede eeuw. Bij Dongjum-Heringa werd een zodendijk aangetroffen die waarschijnlijk uit de tweede eeuw dateert. Zulke werken waren veel kleiner dan de latere middeleeuwse zeedijken. Zij konden plaatselijk een erf, akker of stuk grasland beschermen. De aanleg vroeg arbeid en kennis van waterstromen. Wie verantwoordelijk was voor onderhoud, weten we niet. Wel blijkt dat bewoners niet uitsluitend op de hoogte van hun huizen vertrouwden, maar ook probeerden het omliggende terrein bruikbaar te houden.
Bij Wier, aan de voormalige Middelzee, was rond het begin van onze jaartelling een woonplaats ontstaan. De ligging maakte een combinatie van landbouw, veehouderij, visserij en vervoer mogelijk. De latere kerkterp werd aanzienlijk hoger, maar dat reliëf is het resultaat van eeuwenlange ophoging en verandering. Voor de bewoners rond 150 waren de toenmalige waterlopen belangrijker dan de latere dorpsgrenzen. Hetzelfde geldt voor andere plaatsen langs de Friese kust. Een nederzetting kon door haar ligging toegang hebben tot bepaalde gronden en routes, terwijl een nabijgelegen woonplaats met andere omstandigheden te maken had.
Tegen 150 n.Chr. bestond het kustgebied uit een netwerk van oude en jongere woonplaatsen. Sommige waren gegroeid, andere na onderbreking opnieuw gebruikt. Bewoners hielden runderen en schapen, verbouwden gewassen, verwerkten hout en steen en maakten kleding en gereedschap. Romeinse voorwerpen bereikten verschillende nederzettingen, maar de dagelijkse organisatie bleef grotendeels plaatselijk. Het belangrijkste verschil met de voorafgaande eeuw lag niet in een plotselinge verandering van levenswijze. Het was de geleidelijke ontwikkeling van grotere erven, verschillende economische mogelijkheden en nieuwe manieren waarop goederen en bijzondere voorwerpen binnen bestaande gemeenschappen werden gebruikt.
Deel 4 — 150–200 n.Chr. | Bezit, ambacht en groeiende verschillen
Rond 150 n.Chr. was het noordelijke kustgebied geen verzameling geïsoleerde boerenplaatsen. De voormalige Middelzee, de Fivel, de Hunze, de Eems, de Weser en de Elbe vormden onderdelen van een landschap waarin waterwegen mensen en materialen konden verbinden. Over deze routes konden hout, steen, metalen voorwerpen en landbouwproducten worden vervoerd. Toch betekende een verbinding niet dat iedere nederzetting dezelfde goederen ontving. Sommige plaatsen leverden veel Romeinse vondsten op, andere vooral handgevormd aardewerk en resten van het boerenbedrijf. De verschillen roepen een belangrijke vraag op: welke huishoudens konden profiteren van toegang tot grond, vee, vakkennis en verre contacten?
150–161 — Romeins zilver en plaatselijke waarde
Onder Antoninus Pius bleef Rome een machtig rijk met een georganiseerd geldstelsel en militaire grenzen. In het noordelijke kustgebied circuleerden Romeinse voorwerpen buiten het provinciale bestuur. Een bijzonder concreet voorbeeld is de zilveren denarius die in Franeker werd gevonden. De munt werd in 158 of 159 geslagen en kwam uiteindelijk in een oude terpsloot terecht. De muntdatum is nauwkeurig, maar het verliesmoment niet. Zij kan lang na het slaan in Franeker zijn beland. Daarom vormt zij een bewijs voor de aanwezigheid van Romeins zilver, niet voor een rechtstreeks contact tussen een inwoner en een Romeinse soldaat in 159.
Franeker was ontstaan op een natuurlijke kwelderwal en kende al bewoning vanaf ongeveer 200 of 150 v.Chr. De sloot waarin de denarius werd gevonden, bevatte ook materiaal uit de eerste tot derde eeuw. Het Romeinse zilver lag dus tussen resten van een langdurig gebruikte woonplaats. De munt laat zien dat voorwerpen uit het Romeinse geldstelsel in een samenleving terechtkwamen waar huizenbouw en landbouw grotendeels volgens eigen tradities verliepen. Of bewoners er dagelijks mee betaalden, weten we niet. Gewicht, metaalgehalte en herkenbaarheid konden buiten het rijk eveneens van betekenis zijn.
Ook Winsum-Bruggeburen leverde een opvallende verzameling Romeinse voorwerpen op. Daar zijn ongeveer 22 denarii, Romeins aardewerk, amforen, een bronzen kom, bijzonder metalen vaatwerk en een sleutel met een zwijnskop bekend. Deze vondsten hebben niet allemaal dezelfde datering en vormen geen gesloten vondstcomplex uit 150–200. Toch tonen zij dat de nederzetting gedurende de Romeinse tijd toegang had tot goederen die elders werden vervaardigd. De voorwerpen kunnen via handel, geschenken, persoonlijke contacten of andere vormen van overdracht zijn aangekomen. Zonder aanvullende gegevens kan niet worden vastgesteld welke verklaring voor ieder afzonderlijk object geldt.
De vergelijking tussen Franeker en Winsum laat zien dat waarde verschillende vormen kon aannemen. Een munt vertegenwoordigde officieel een bepaalde waarde binnen het Romeinse rijk, maar kon buiten de grens ook als stuk zilver aantrekkelijk zijn. Een bronzen kom of bijzondere sleutel kon door gebruik, materiaal of herkomst worden gewaardeerd. Zulke voorwerpen hoefden niet uitsluitend bij een rijke familie te horen, maar hun ongelijke verspreiding verdient onderzoek. De archeologie maakt verschillen in bezit zichtbaar, zonder rechtstreeks te onthullen hoe die verschillen waren ontstaan of welke rechten de eigenaars tegenover anderen hadden.
Een Romeinse unster uit Ezinge hoort bij dezelfde vragen over goederen en waarde. Met een unster konden voorwerpen worden gewogen door een verschuifbaar gewicht langs een arm te bewegen. Het instrument laat zien dat een Romeins weegwerktuig in de materiële cultuur van de nederzetting voorkwam. De precieze datering moet afzonderlijk worden vastgesteld; daarom is het geen sluitend bewijs voor handelspraktijken tussen 150 en 200. Wel maakt de vondst duidelijk dat de kustbewoners niet uitsluitend met potten en sieraden in contact kwamen, maar ook met hulpmiddelen waarmee hoeveelheden konden worden vastgesteld.
Bij Fatum, in de omgeving van Tzum, werd een compleet bronzen Romeins zegeldoosje gevonden. Een vergelijkbaar voorwerp is bekend uit Hatsum. Zulke doosjes konden zegels beschermen waarmee documenten of schrijftafeltjes werden afgesloten. Zij verbinden het kustgebied met de materiële wereld van Romeinse administratie en schriftgebruik. Het eerder gevonden schrijftafeltje van Groot Tolsum, gedateerd op 23 februari 29 n.Chr., toont dat zulke contacten al veel eerder bestonden. De zegeldoosjes zijn niet nauwkeurig genoeg gedateerd om ze uitsluitend aan de tweede helft van de tweede eeuw toe te schrijven. Zij blijven daarom onderdeel van de bredere contactgeschiedenis.
161–180 — Nederzettingen en bezit langs de kust
Na de dood van Antoninus Pius in 161 kwamen Marcus Aurelius en Lucius Verus aan de macht. Het rijk kreeg te maken met oorlogen aan andere grenzen. Voor het noordelijke kustgebied is geen rechtstreekse koppeling tussen die oorlogen en een specifieke verwoesting van terpen of wierden aangetoond. De bewoners bleven hun erven gebruiken en aanpassen. In Noord-Holland zijn bij Schagen-Muggenburg I en IV nederzettingsfasen bekend die globaal tussen 100 en 300 worden geplaatst. De brede datering vraagt voorzichtigheid, maar maakt duidelijk dat het gebied rond Schagen ook in de tweede eeuw deel uitmaakte van een bewoond landschap.
Bij Schagen-Lagedijk, Witte Paal en Muggenburg kwamen kuilen, greppels, aardewerk en andere nederzettingssporen tevoorschijn. Aan de Lauriestraat werd terra sigillata gevonden; bij de Gedempte Gracht kwamen vondsten en een kuil met potten aan het licht. Bij Rapenpad en Nieuwstraat werd een kuil met veen en tweede-eeuws aardewerk aangetroffen. Ook uit de Oranjebuurt zijn Romeinse vondsten bekend. Deze locaties mogen niet zonder onderzoek als één aaneengesloten dorp worden voorgesteld. Zij tonen wel dat de bewoning en het gebruik van het landschap rond Schagen verspreid waren over meerdere plekken.
De bewoners van Noord-Holland hadden te maken met andere bodemomstandigheden dan veel Friese en Groningse terpboeren. Veenoxidatie en latere landschappelijke veranderingen hebben bovendien een deel van de archeologische sporen vernietigd. Daardoor is het moeilijk om de oorspronkelijke omvang van huizen en nederzettingen vast te stellen. De vondsten van Romeins aardewerk en glas wijzen op contacten buiten het eigen gebied, terwijl handgevormde potten en gewone gebruikssporen het plaatselijke bestaan zichtbaar maken. De overeenkomsten met andere kustgebieden zijn belangrijk, maar betekenen niet dat overal dezelfde nederzettingsvorm of politieke organisatie bestond.
In het Groningse Fivelgebied bleef Lellens deel uitmaken van een ouder bewoningslandschap. Handgevormd aardewerk uit ongeveer 200 v.Chr. tot 200 n.Chr., de munt van Hadrianus, een gouden armband en eenvoudige benen werktuigen tonen verschillende aspecten van de woonplaats. De voorwerpen hoeven niet gelijktijdig te zijn gebruikt. Het goud kan wijzen op bijzonder bezit, maar bewijst geen erfelijke machtspositie. De benen werktuigen verwijzen naar het werk dat dagelijks moest worden verricht. Juist de combinatie maakt duidelijk dat kostbare voorwerpen niet los van het agrarische bestaan mogen worden beschreven.
Verder oostelijk lagen Holwierde, Katmis en Bansum bij waterlopen in het Eemsgebied. De afzonderlijke woonhoogten hadden hun eigen geschiedenis en waren niet vanaf het begin één grote nederzetting. Ook Termunten en Woldendorp kenden bewoning die vóór de Romeinse tijd was begonnen. Hun ligging hing samen met hogere delen van het kwelderlandschap en met geulen die later veranderden. De moderne kustlijn kan daarom niet zonder meer als uitgangspunt worden gebruikt. Voor bewoners rond 175 waren de toenmalige waterlopen bepalend voor vervoer, bereikbaarheid en de mogelijkheid om bruikbare grond te bereiken.
Bij Farmsum groeide de latere grote woonhoogte uit verschillende huiswierden. In het oude noordwestelijke dorpsdeel zijn nog meerdere kruinen herkenbaar. Uit de plaats is handgevormd aardewerk bekend dat breed tussen de eerste en vierde eeuw wordt gedateerd. Ook Weiwerd, Geefsweer, Amsweer, Heveskes, Termunten en Woldendorp lagen op of bij oude kwelderruggen. Hun onderlinge ligging maakt duidelijk dat bewoning niet willekeurig over het landschap was verspreid. De bewoners kozen plaatsen die bescherming en toegang tot grond en water boden. De latere dorpsvormen mogen echter niet rechtstreeks als tweede-eeuwse nederzettingsplannen worden gelezen.
Bij Stitswerd zijn Romeinse munten, aardewerk en kleine smelthaarden voor bronsbewerking bekend. De werkplaatsen zijn niet allemaal nauwkeurig aan 150–200 te koppelen, maar tonen dat plaatselijke metaalbewerking deel uitmaakte van de langere geschiedenis. Een beschadigde mantelspeld of een ander metalen voorwerp kon opnieuw worden verwerkt. Daardoor hoefde een ingevoerd object niet als herkenbaar Romeins voorwerp bewaard te blijven. Het metaal kon een nieuw gebruik krijgen binnen de nederzetting. De vondsten laten zien hoe invoer, hergebruik en vakkennis met elkaar verbonden waren.
Uit Warffum is een Romeinse schildknop, een umbo, bekend. Het metalen middendeel van een schild kon de hand beschermen en het schild verstevigen. De vondst brengt bewapening in beeld, maar bewijst niet dat in Warffum een Romeins garnizoen lag. Ook is de datering onvoldoende nauwkeurig om het voorwerp zonder voorbehoud aan 150–200 toe te wijzen. Daarnaast zijn uit Warffum netverzwaringen bekend. Die verwijzen naar het gebruik van visnetten en daarmee naar de waterlopen rond de nederzetting. De latere grote omvang en rechthoekige dorpsstructuur van Warffum mogen niet rechtstreeks op de tweede eeuw worden teruggeprojecteerd.
Ook Stedum kende een samengestelde bewoningsgeschiedenis. Het latere dorp bestaat uit twee wierden die pas later sterker met elkaar verbonden raakten. Uit de plaats zijn Romeinse beeldjes en aardewerk bekend. De precieze voorstelling, datering en vondstcontext van de beeldjes zijn niet volledig vastgesteld. Daarom kunnen zij niet worden gebruikt als bewijs voor een bepaalde tempel of plaatselijke cultus. Bij Loppersum werd een Romeins bronzen napje gevonden, naast netverzwaringen. De combinatie van bijzonder metaalwerk en gewone gebruiksvoorwerpen laat zien hoe verre contacten en plaatselijke activiteiten binnen dezelfde kustwereld konden voorkomen.
Romeinse godenbeelden zonder Romeinse tempels
Bij Pingjum werd een bronzen Mercuriusbeeldje gevonden dat in de tweede of derde eeuw wordt gedateerd. Mercurius was in de Romeinse wereld onder andere verbonden met handel en verkeer. De vondst bewijst niet dat de bewoners van Pingjum een Romeinse tempel hadden of dezelfde religieuze gebruiken volgden als bewoners van een Romeinse stad. Bovendien kende Pingjum een belangrijke onderbreking in de bewoning rond het begin van onze jaartelling. Het beeldje kan daarom niet zonder verdere controle als bewijs voor onafgebroken plaatselijke bewoning worden gebruikt.
Ook uit Blija en Kimswerd zijn Mercuriusbeeldjes bekend. Het exemplaar van Kimswerd wordt met productie in de late eerste eeuw verbonden, maar kan later in de bodem terecht zijn gekomen. De beeldjes tonen dat afbeeldingen van Romeinse godheden de kust bereikten. Wat bewoners ermee deden, blijft onzeker. Zij konden een religieuze betekenis hebben, als geschenk worden ontvangen of als bijzonder bezit worden bewaard. Hun aanwezigheid bewijst geen algemene overgang naar Romeinse godsdienst. De betekenis van een voorwerp kon veranderen wanneer het vanuit zijn oorspronkelijke omgeving in een andere samenleving terechtkwam.
Bij Hatsum zijn minstens zeventig fragmenten van Romeinse dakpannen verzameld. Vergelijkbaar materiaal is bekend uit de omgeving van Dronrijp. Oudere onderzoekers overwogen of zulke vondsten op een Romeinse villa konden wijzen. Daarvoor ontbreekt overtuigend bewijs: een bijbehorend stenen villacomplex is niet aangetoond. Dakpannen konden worden verplaatst of hergebruikt. De vondsten zijn daarom belangrijk als Romeins bouwmateriaal, maar tonen niet dat de bewoners hun woonstalhuizen opgaven en Romeinse stenen huizen gingen bouwen. De plaatselijke bouwtradities bleven in de tweede eeuw een belangrijk onderdeel van de kustsamenleving.
Feddersen Wierde — De groei van een uitzonderlijk erf
In Feddersen Wierde werden in de loop van de tweede eeuw verschillen in de bebouwing steeds duidelijker. Het grotere samengestelde erf dat eerder was ontstaan, ontwikkelde zich verder. Binnen het complex verschenen grotere gebouwen en opslagvoorzieningen. Tegen het einde van de eeuw wordt ook een opvallende hal zonder het gebruikelijke stalgedeelte met deze ontwikkeling verbonden. Werner Haarnagel interpreteerde het geheel als de residentie van een plaatselijke machthebber, de zogenoemde Herrenhof. De uitzonderlijke architectuur is aantoonbaar, maar de precieze maatschappelijke betekenis blijft onderwerp van discussie.
Een groot erf kon economische voordelen hebben. Meer stalruimte bood mogelijkheden om meer dieren te houden, terwijl grotere opslagvoorzieningen het bewaren van landbouwproducten en materialen vergemakkelijkten. Een bijzonder gebouw zonder stalruimte kan voor bijeenkomsten, ontvangst of andere activiteiten zijn gebruikt. Toch weten we niet wie daar bijeenkwamen of welke besluiten zij namen. Er zijn geen plaatselijke schriftelijke documenten die een leider, zijn bevoegdheden of zijn bezit beschrijven. De term Herrenhof blijft daarom een onderzoeksinterpretatie. Het gebouw toont verschil in inrichting, maar bewijst geen erfelijke vorstenmacht.
De sloten en omheiningen rond delen van Feddersen Wierde maakten de ruimtelijke verschillen tussen erven zichtbaar. Haarnagel beschouwde sommige afbakeningen als grenzen van bezit en zag groepen erven als economische eenheden. Volgens zijn model konden kleinere huishoudens afhankelijk zijn geweest van grotere boerenbedrijven. Later onderzoek heeft die voorstelling genuanceerd. Een sloot kon water afvoeren, een erf begrenzen of beide functies hebben. Ook konden verwante families gezamenlijk grond gebruiken. De plattegronden tonen de indeling van de nederzetting, maar niet de juridische afspraken die bewoners onderling maakten.
Hetzelfde probleem speelt bij de interpretatie van ambachtelijke activiteiten. Haarnagel meende dat de grotere hof een centrale rol had in productie en verdeling. Later onderzoek naar ijzer- en non-ferrometaalbewerking herkende echter meerdere concentraties van productieafval binnen de nederzetting. Metaalbewerking was dus niet uitsluitend rond één erf geconcentreerd. Bovendien kon afval tijdens latere ophogingen worden verplaatst. De vindplaats van slakken hoeft daarom niet precies de oorspronkelijke werkplaats aan te wijzen. De bijzondere positie van het grote erf blijft zichtbaar, maar volledige controle over alle ambachtelijke productie is niet aangetoond.
Tegen het einde van de tweede eeuw werd binnen het grotere erfcomplex een afzonderlijke ruimte voor metaalbewerking ingericht. Het verwerken van ijzer en andere metalen vroeg brandstof, gereedschap, grondstoffen en vakkennis. Houtskool en metaal moesten beschikbaar zijn, terwijl een werkplaats zo moest worden ingericht dat vuur en afval beheersbaar bleven. De aanwezigheid van zo'n ruimte wijst op een herkenbare plaats voor gespecialiseerd werk. Zij bewijst echter niet dat alle ambachtslieden afhankelijk waren van één eigenaar. De verschillende vondstconcentraties laten juist zien dat productie op meerdere plekken binnen de nederzetting voorkwam.
De totale metaalcollectie van Feddersen Wierde is omvangrijk. Jörn Schuster beschreef 109 mantelspelden of fragmenten, waarvan 82 voldoende bewaard waren om typologisch te worden ingedeeld. Daarnaast zijn gordelbeslag, naalden, armringen, vingerringen, paardentuig en ruiteruitrusting bekend. De verzameling beslaat meerdere eeuwen en kan niet volledig aan 150–200 worden toegeschreven. De verschillende typen mantelspelden wijzen op verbindingen met het Elbegebied, het Rijn-Wesergebied en andere delen van Noordwest-Europa. De voorwerpen laten zien dat kleding, versiering en contacten over afstand met elkaar verbonden konden zijn.
Ook messen, scharen, sleutels en andere metalen werktuigen maakten deel uit van de materiële cultuur. Sommige konden ter plaatse zijn vervaardigd, andere van buiten zijn gekomen. Een afgewerkt voorwerp onthult niet vanzelf waar het is gemaakt. Metaal kon bovendien worden hersteld of opnieuw gesmolten. De studie van zulke vondsten moet daarom worden verbonden met productieafval en de fasering van de gebouwen. De nederzetting was geen eenvoudige tegenstelling tussen rijke boeren en afhankelijke ambachtslieden. Zij bestond uit huishoudens waarvan de werkzaamheden, voorzieningen en economische mogelijkheden verschilden, terwijl hun onderlinge rechten grotendeels onbekend blijven.
De aanwezigheid van paardentuig en ruiteruitrusting laat zien dat paarden meer konden betekenen dan dieren op de kwelder. Zij konden worden gebruikt voor vervoer en verplaatsing en vertegenwoordigden mogelijk waardevol bezit. Sommige bijzondere onderdelen uit de totale collectie zijn later dan de tweede eeuw. Daarom kan niet ieder stuk uitrusting worden verbonden met de bewoners rond 175. De vondsten maken wel duidelijk dat vervoer over land een plaats had naast de verbindingen over water. Wagens en trekdieren waren nodig om bouwmateriaal, landbouwproducten en andere lasten te verplaatsen.
De textielproductie bleef eveneens belangrijk. Feddersen Wierde leverde spintollen, weefgewichten, wollen stoffen en leer op. Onderzoek naar de vezels wijst op verschillende wolkwaliteiten. De productie vroeg kennis van schapen, het voorbereiden van vezels, het spinnen van garens en het weven. Sommige huishoudens kunnen hierin vaardiger zijn geweest dan andere. De vondsten bewijzen echter geen afzonderlijke georganiseerde exportindustrie. Hetzelfde geldt voor de verwerking van hout en bot. Ambachtelijke specialisatie kon groeien binnen een samenleving waarin landbouw en veehouderij de economische basis bleven.
De maalstenen tonen een andere kant van de verbindingen. Naast plaatselijk verkregen steen werden in Feddersen Wierde maalstenen van Rijnlands basalt gebruikt. Zulke zware voorwerpen moesten over aanzienlijke afstanden worden vervoerd. Hun functie was alledaags: graan malen voor voedselbereiding. Juist daarom zijn zij belangrijk. Niet alleen sieraden en kostbaar vaatwerk bereikten de kust; ook werktuigen voor dagelijks gebruik konden van ver komen. De sterke toename van Rijnlands basalt in de vierde en vijfde eeuw behoort tot een latere ontwikkeling en mag niet op de tweede eeuw worden teruggeprojecteerd.
Ezinge — Het dagelijks leven achter de importvondsten
Ook in Ezinge bereikte Romeins tafelservies de nederzetting. In de totale collectie zijn 172 fragmenten terra sigillata geïdentificeerd; Feddersen Wierde leverde ongeveer 230 fragmenten op. Deze aantallen bestrijken meerdere eeuwen en zijn geen telling van uitsluitend tweede-eeuwse import. Sommige scherven uit Ezinge werden na breuk opnieuw bewerkt tot hangers, netverzwaringen, speelsteentjes of mogelijk amuletten. Een Romeinse kom kon daardoor na haar oorspronkelijke gebruik een nieuwe functie krijgen. De waarde van een voorwerp lag niet alleen in zijn herkomst, maar ook in wat bewoners ermee deden.
De opgravingen van Ezinge leverden daarnaast vuurbokken, bakplaten, zeven of kaasvormen, speelsteentjes en gereedschap voor spinnen en weven op. De afzonderlijke vondsten behoren tot verschillende bewoningsfasen. Samen tonen zij hoeveel werkzaamheden binnen een wierde plaatsvonden. Voedsel moest worden bereid en bewaard, zuivel kon worden verwerkt, kleding moest worden gemaakt en werktuigen onderhouden. Zulke activiteiten zijn minder opvallend dan een gouden armband of Romeinse munt, maar zij vormden het grootste deel van het dagelijks bestaan. Een geschiedenis van de kustbewoners kan daarom niet uitsluitend vanuit bijzondere import worden geschreven.
De vergelijking tussen Ezinge en Feddersen Wierde blijft belangrijk. In Feddersen Wierde zijn de verschillen tussen grotere en kleinere erven duidelijk zichtbaar. In Ezinge valt vooral de lange geschiedenis van herbouw, ophoging en bijzondere deposities op. Dat betekent niet dat Ezinge geen economische verschillen kende of dat Feddersen Wierde geen rituele handelingen kende. Het betekent dat de bewaarde gegevens andere aspecten van het bestaan zichtbaar maken. De archeologie laat geen volledige samenleving achter, maar een selectie van sporen die door bodemomstandigheden, latere verstoring en opgravingsmethoden is bepaald.
Dieren als bezit, arbeidskracht en grondstof
Runderen, schapen, paarden, varkens en honden maakten deel uit van het bestaan op de terpen. Runderen leverden melk, vlees, huiden, mest en trekkracht. Schapen leverden wol en voedsel. Paarden konden voor vervoer worden gebruikt, terwijl honden verschillende taken rond erven en vee konden vervullen. De dierlijke resten tonen bovendien dat botten na de dood van een dier opnieuw konden worden gebruikt. Een runderrib kon worden bewerkt tot schraper of polijstwerktuig. Zo waren dieren niet alleen een bron van voedsel, maar ook van materialen en arbeid.
Bij Jelsum en Dronrijp-Oost zijn runderbotten gevonden met veranderingen die mogelijk samenhangen met langdurige trekbelasting. Zulke afwijkingen kunnen ontstaan wanneer dieren gedurende langere tijd zwaar werk verrichten. Zij maken het gebruik van runderen als trekdieren aannemelijk, maar vertellen niet rechtstreeks of zij een ploeg, wagen of andere last trokken. Een volwassen trekdier kon jarenlang arbeid leveren en daarmee economisch waardevol zijn. Tegelijkertijd moest het dier worden gevoerd, verzorgd en gehuisvest. Het bezit van vee bracht dus zowel mogelijkheden als verplichtingen met zich mee.
Bij Oosterbeintum werd in een sloot uit de midden-Romeinse tijd een merrie van ongeveer tien tot elf jaar oud gevonden. Het dier lag op de rug met de poten omhoog. Verschillende pootbeenderen ontbraken en op een spaakbeen werden mogelijke hondenvraatsporen herkend. De vondst toont dat het kadaver na de dood toegankelijk kon zijn voor andere dieren. De ongebruikelijke ligging bewijst geen offer. Een groot dier kon bij het verplaatsen of terechtkomen in een sloot in een bijzondere positie belanden. De brede datering verhindert bovendien dat de vondst uitsluitend aan 150–200 wordt gekoppeld.
Oosterbeintum leverde ook een afzonderlijke paardenschedel met onderkaken op, geregistreerd als vondstnummer 312, spoor 70. Op de botten werden geen duidelijke snijsporen vastgesteld. De schedel kan bewust afzonderlijk zijn behandeld, maar ook na het uiteenvallen van een kadaver in de sloot zijn beland. Bij Dronrijp-Oost werd een vrijwel compleet skelet van een volwassen merrie aangetroffen in een kuil of voormalige waterput. Het dier lag eveneens op de rug, met de benen omhoog. Deze vondst is geregistreerd als nummer 610, spoor 300. De geschatte schofthoogte bedroeg ongeveer 128 tot 136 centimeter.
Op de botten van de merrie uit Dronrijp-Oost werden geen duidelijke slachtsporen vastgesteld. Daardoor zijn er geen aanwijzingen dat het dier op de gebruikelijke manier in stukken werd verdeeld. Het ontbreken van zulke sporen bewijst echter geen bijzondere begrafenis. Bij Dronrijp-Zuid werd daarnaast een onderkaak van een hengst gevonden in een waterplaats, geregistreerd als vondstnummer 128, spoor 3007. Op het bot zijn mogelijke snijsporen herkend. De vondsten laten zien dat paardelijke resten op verschillende manieren in de bodem terechtkwamen. De precieze handelingen moeten per vondstcontext worden onderzocht.
Ook materiaal uit zee werd gebruikt. Bij Dronrijp-Zuid werd een walviswervel met aangebrachte gaten gevonden, vondstnummer 188, spoor 5007. Een tweede bewerkt stuk walvisbot is geregistreerd als nummer 209, spoor 170. De bewerking laat zien dat het bot als bruikbaar materiaal werd beschouwd. Dat betekent niet dat de bewoners zelf op walvissen jaagden. Het materiaal kan afkomstig zijn geweest van een aangespoeld dier of via anderen zijn verkregen. De vondsten verbinden de bewoners van de terpen met de mogelijkheden van de Noordzee, zonder georganiseerde walvisvaart te bewijzen.
Bij Jelsum werd een fragment van een walvisschedel aangetroffen, vondstnummer 101, spoor 251, afkomstig uit een terplaag uit de Romeinse tijd. Het fragment werd aan een noordkaper toegeschreven. Een groot schedelbot kon als grondstof zijn meegenomen, maar de oorspronkelijke herkomst blijft onbekend. De vondst moet daarom niet als rechtstreeks bewijs voor de jacht op grote walvissen worden beschreven. Samen met de bewerkte resten van Dronrijp-Zuid toont zij wel dat bewoners niet uitsluitend materiaal van hun eigen vee gebruikten. Ook de zee kon grondstoffen leveren die op een terp werden verwerkt.
Bij Achlum werd een polijstwerktuig van een middenvoetsbeen van een rund gevonden, geregistreerd als nummer 276, spoor 236. Uit Jelsum zijn vergelijkbare bewerkte runderbotten bekend met de vondstnummers 102, 303, 535 en 657. Zulke voorwerpen konden worden gebruikt om materialen glad te maken of samen te drukken. Hun precieze functie moet uit vorm en gebruikssporen worden afgeleid. De vondsten maken zichtbaar dat de verwerking van dierlijke resten onderdeel van het gewone ambacht was. Een bot dat na de slacht overbleef, kon een tweede leven krijgen als werktuig.
Bij Jelsum werd een benen priem van een lang runderbot gevonden, vondstnummer 298, spoor 234. Dronrijp-Zuid leverde een priem op van het scheenbeen van een jong schaap of een jonge geit, vondstnummer 159, spoor 4013. Bij Dronrijp-Oost werd een vergelijkbare priem van een schapenscheenbeen aangetroffen, nummer 391, spoor 2046. De punt was afgebroken. Zulke werktuigen konden worden gebruikt om gaten te maken in leer of andere materialen. De vondsten verbinden veehouderij en ambacht rechtstreeks met elkaar: dieren leverden niet alleen voedsel, maar ook het materiaal voor gereedschap.
Bij Jelsum werden twee teenkootjes van paarden gevonden die als speelstukken zijn geïnterpreteerd, vondstnummer 661, spoor 282. In een van de botten was een gat geboord. De spelregels zijn onbekend, maar de bewerking toont dat de botten een andere functie kregen. Bij Oosterbeintum werd een doorboord fragment van schedelbot van een rund of paard aangetroffen, nummer 765, spoor 254. Het wordt als hanger geïnterpreteerd en kan versiering of een persoonlijke betekenis hebben gehad. Zulke kleine voorwerpen laten zien dat niet ieder bewerkt bot uitsluitend voor zwaar werk was bestemd.
Honden behoorden eveneens tot de woonomgeving. Bij Jelsum zijn hondenbotten geregistreerd onder onder andere de vondstnummers 69, 395 en 1069. Bij Oosterbeintum werd een menselijk opperarmbeen met hondenvraatsporen gevonden, nummer 32, spoor 15. Zonder aanvullende context kan niet worden vastgesteld hoe het bot toegankelijk werd voor een hond. De vondst mag daarom niet als bewijs voor een specifieke begrafenis- of offerpraktijk worden gebruikt. Zij laat wel zien dat de omgang met menselijke en dierlijke resten ingewikkelder kon zijn dan de gebruikelijke scheiding tussen graven en huishoudelijk afval suggereert.
Grond, water en het onderhoud van woonplaatsen
De landbouw bleef naast de veehouderij bestaan. Bij Oosterbeintum zijn ploegsporen bekend die aantonen dat de bodem daadwerkelijk werd bewerkt. De precieze datering van iedere akkerfase moet afzonderlijk worden vastgesteld. De vondsten maken duidelijk dat de kwelders niet uitsluitend als grasland werden gebruikt. Waar de bodem hoog en geschikt genoeg was, konden bewoners gewassen verbouwen. De beschikbaarheid van bruikbare akkers moet voor huishoudens belangrijk zijn geweest. Niet iedere familie beschikte noodzakelijk over dezelfde hoeveelheid geschikte grond, maar de verdeling daarvan is niet schriftelijk overgeleverd.
Ook het onderhoud van terpen en wierden vroeg voortdurende arbeid. Mest, zoden, klei en bouwafval werden gebruikt om erven te verhogen. Bij Hatsum en andere plaatsen zijn opeenvolgende ophogingslagen zichtbaar. Iedere verhoging kon gevolgen hebben voor de toegang tot huizen, de afvoer van water en de plaats van bijgebouwen. Wanneer verschillende huishoudens dicht bij elkaar woonden, moesten hun werkzaamheden op elkaar worden afgestemd. De archeologie toont de veranderende indeling van de nederzetting, maar niet wie daarover besliste. De noodzaak van samenwerking betekent niet automatisch dat één bestuurder het werk organiseerde.
Bij Dongjum-Heringa werd een kleine zodendijk gevonden die waarschijnlijk uit de tweede eeuw dateert. Ook Wijnaldum-Tjitsma leverde vroege waterkerende constructies op. Deze werken vormden nog geen gesloten zeewering zoals de latere middeleeuwse dijken. Zij konden plaatselijk een erf, akker of stuk grasland beschermen. De aanleg vroeg het verplaatsen van grond en het onderhouden van de constructie. Dat bewoners zulke werken aanlegden, laat zien dat zij hun landschap actief probeerden te beïnvloeden. Hoe de arbeid werd verdeeld en welke huishoudens van de bescherming profiteerden, blijft onbekend.
Bij Sneek-Harinxmaland werden boven oudere aslagen nieuwe kleilagen aangetroffen die globaal in de tweede of derde eeuw worden geplaatst. In de flanken bleven afdrukken van koeienpoten bewaard. Zij vormen een direct spoor van dieren die over nat terrein liepen. Waar stalplattegronden vooral iets vertellen over de inrichting van gebouwen, laten deze afdrukken het gebruik van de nederzettingsrand zien. De woonplaats werd later verlaten en door nieuwe afzettingen bedekt. Het precieze moment daarvan kan niet met zekerheid binnen 150–200 worden geplaatst. De vondsten tonen hoe sterk bewoning en landschap met elkaar verbonden bleven.
De Eems, Weser en Elbe aan het einde van de tweede eeuw
Verder oostelijk bleven nederzettingen langs de Eems, Weser en Elbe deel uitmaken van dezelfde brede kustwereld. Elsfleth-Hogenkamp leverde munten, mantelspelden en aanwijzingen voor ambachtelijke activiteiten op. Bij Assel aan de Elbe zijn eveneens Romeinse metalen voorwerpen bekend. De vondsten beslaan verschillende perioden en kunnen niet allemaal aan 150–200 worden toegewezen. Hun betekenis ligt in de verbindingen tussen kust, rivieren en achterland. Goederen konden zich over grote afstanden verplaatsen zonder dat iedere nederzetting rechtstreeks contact met de oorspronkelijke producent hoefde te hebben.
In Oost-Friesland blijft Brill een belangrijke vergelijkingsplaats. De 21 onderzochte langhuizen, twee bijgebouwen en verschillende voorraadgebouwen vertegenwoordigen een lange bewoningsgeschiedenis. De vijf aardewerkfasen van Thomas D. Lehmann maken het mogelijk om veranderingen in huizenbouw en materiële cultuur te onderscheiden. Ook Backemoor, Weener, Eilsum en Esens behoren tot het bredere beeld. Hun afzonderlijke fasen moeten nauwkeurig worden vastgesteld voordat ze met de tweede helft van de tweede eeuw worden verbonden. De vindplaatsen tonen dat de kustsamenleving niet ophield bij de Eems en evenmin uitsluitend vanuit Feddersen Wierde kan worden verklaard.
De verspreiding van mantelspelden, aardewerk en andere gebruiksvoorwerpen toont contacten tussen het Rijngebied, de Eems, de Weser en de Elbe. Sommige materialen kwamen van ver, terwijl andere volgens plaatselijke tradities werden vervaardigd. Een gedeelde potvorm of vergelijkbare huisplattegrond bewijst geen gemeenschappelijk bestuur. De bewoners konden technieken overnemen zonder hun eigen gewoonten volledig te veranderen. De kust vormde daarmee een verbonden historisch landschap, maar geen staat met één machthebber. De verschillen tussen de nederzettingen bleven zichtbaar in hun huizen, voorwerpen en opeenvolgende bewoningsfasen.
180–200 — Grotere erven, maar geen gezamenlijk kustbestuur
Na de dood van Marcus Aurelius in 180 regeerde Commodus tot 192. Daarna volgde een periode van strijd om de Romeinse keizersmacht. Die gebeurtenissen hadden gevolgen voor het rijk, maar er is geen rechtstreeks bewijs dat zij in deze jaren tot een gezamenlijke politieke omwenteling in het noordelijke terpen- en wierdengebied leidden. De kustbewoners bleven hun eigen woonplaatsen gebruiken. In Feddersen Wierde waren grotere verschillen tussen erven zichtbaar geworden. In Ezinge bleef de lange geschiedenis van herbouw en bijzondere deposities van belang. Elders ontwikkelden nederzettingen zich volgens hun eigen omstandigheden.
De groei van grotere erven maakte bezit en arbeid waarschijnlijk belangrijker voor de onderlinge verhoudingen. Een huishouden met veel vee en opslagruimte kon meer economische mogelijkheden hebben dan een klein huishouden. Tegelijkertijd kon een familie zonder grote stal beschikken over vakkennis, contacten of andere middelen. De archeologie laat verschillen in gebouwen en voorwerpen zien, maar niet de volledige verdeling van grond en rechten. Daarom kan de ontwikkeling van Feddersen Wierde niet eenvoudig worden beschreven als de opkomst van een vorst die alle boeren beheerste. De zichtbare ongelijkheid vraagt om onderzoek, niet om een onbewezen bestuursmodel.
Rond 200 n.Chr. bleef het noordelijke kustgebied overwegend agrarisch. De bewoners verzorgden hun dieren, bewerkten akkers, vervaardigden kleding, verwerkten hout, steen en metaal en verhoogden hun woonplaatsen. Romeinse munten, aardewerk en andere voorwerpen bereikten verschillende nederzettingen, zonder dat het gebied als geheel onder Romeins bestuur kwam. Sommige huishoudens beschikten over grotere gebouwen of bijzondere voorwerpen, maar de verschillen waren niet overal hetzelfde. Ezinge, Feddersen Wierde, Schagen en de Oost-Friese nederzettingen tonen ieder een andere ontwikkeling binnen een verbonden kustlandschap.
De belangrijkste verandering van de tweede eeuw lag daardoor niet in een plotselinge breuk met het verleden. Oude woonplaatsen werden vernieuwd, verlaten of opnieuw gebruikt. Sommige erven groeiden en ambachtelijke werkzaamheden werden op verschillende plaatsen herkenbaar. De verbindingen met Rome en andere kustgebieden bleven bestaan, terwijl plaatselijke tradities in huizenbouw, aardewerk en landbouw voortduurden. Tegen het einde van de eeuw was een nieuwe uitgangssituatie ontstaan. De verschillen tussen huishoudens waren op sommige plaatsen duidelijker zichtbaar en de kustbewoners bleven afhankelijk van een landschap dat zij konden aanpassen, maar nooit volledig beheersen.
Bronverantwoording
Deze herwerking is gebaseerd op de eerder samengestelde verhaaltekst en de daarin verwerkte archeologische onderzoeksgegevens over Ezinge, Feddersen Wierde, Noord-Holland, Friesland, Groningen en het Duitse kustgebied. De genoemde vondstnummers, vindplaatsen en brede dateringen zijn behouden. Waar voorwerpen of nederzettingsfasen niet nauwkeurig binnen 100–150 of 150–200 n.Chr. kunnen worden geplaatst, zijn zij als oudere voorgeschiedenis of bredere archeologische context behandeld.
De interpretaties van de Herrenhof, sociale afhankelijkheid, bijzondere deposities en mogelijke rituele handelingen zijn onderscheiden van rechtstreeks aantoonbare vondstgegevens. Deze versie is een stilistische en chronologische herwerking; zij vervangt geen volledige controle van alle oorspronkelijke opgravingspublicaties en vondstcatalogi.
Aan de rand van het Romeinse Rijk — Ezinge, Feddersen Wierde en de Noordzeekust (14–476)
Deel 5 — 200–250 n.Chr. | Boerenerven, macht en Romeinse goederen langs de Noordzee
200 — Een kustgebied van boerenerven en woonheuvels
Aan het begin van de derde eeuw lag tussen de Noord-Hollandse kust en de Elbe een uitgestrekt gebied van kwelders, kreken, riviermondingen en verhoogde woonplaatsen. De bewoners van West-Friesland, Westergo, Oostergo, Middag-Humsterland, Hunsingo, Fivelingo en de kuststreken langs de Eems, Weser en Elbe leefden in gemeenschappen die door waterwegen, verwantschappen en uitwisseling met elkaar verbonden waren. Zij vormden geen staat met één bestuur. De Romeinse grens langs de Rijn verdeelde het gebied in verschillende politieke werelden, maar hield de verplaatsing van goederen en mensen niet tegen. De kustbewoners bleven hun bestaan grotendeels organiseren rond landbouw, veeteelt en het onderhoud van hun woonplaatsen.
Het landschap bepaalde waar mensen konden wonen en werken. De hogere kwelderwallen boden mogelijkheden voor bewoning en akkerbouw, terwijl lagere gronden vooral als weidegebied werden gebruikt. Op veel plaatsen hadden opeenvolgende generaties de woonplaatsen verhoogd met klei, mest en ander materiaal. De boerderij vormde het middelpunt van het huishouden. Daar leefden mensen en dieren, werden voedselvoorraden bewaard en vonden werkzaamheden plaats die nodig waren om het bedrijf voort te zetten. Een grote veestapel vroeg meer stalruimte, meer voer en meer arbeid. Daardoor konden verschillen tussen huishoudens ook zichtbaar worden in de omvang van hun gebouwen.
200–210 — West-Friesland blijft onderdeel van de kustwereld
In West-Friesland lagen nederzettingen rond het huidige Schagen, waaronder Witte Paal II en Muggenburg. Archeologisch onderzoek heeft daar sporen van bewoning, greppels, kuilen, aardewerk en agrarisch grondgebruik opgeleverd. De omstandigheden waaronder die resten bewaard bleven, verschillen van die op de Groningse wierden. Door bodemveranderingen en het verdwijnen van ondiepe sporen zijn niet overal volledige huisplattegronden herkenbaar. Het ontbreken van zulke plattegronden betekent daarom niet dat er weinig huizen stonden. De nederzettingen moeten worden onderzocht vanuit hun eigen bodemgeschiedenis, zonder de beter bewaarde gebouwen van Ezinge of Feddersen Wierde als vanzelfsprekend model te gebruiken.
Het handgevormde aardewerk uit de West-Friese nederzettingen vertoont overeenkomsten met dat uit andere delen van het Noordzeekustgebied. Zulke overeenkomsten wijzen op gedeelde technische tradities en contacten, maar bewijzen geen gemeenschappelijk bestuur. Ook Romeinse goederen bereikten deze omgeving, al waren zij niet op iedere vindplaats even talrijk. Voorwerpen konden bovendien lange tijd worden gebruikt voordat zij in de bodem terechtkwamen. Een scherf uit een derde-eeuwse bewoningslaag hoeft niet in diezelfde periode te zijn vervaardigd. Dat onderscheid is belangrijk wanneer de ontwikkelingen rond Schagen worden vergeleken met die in Westergo, Oostergo en Groningen.
210–220 — Ezinge bouwt voort op een eeuwenoude nederzetting
Ezinge had rond 200 al een lange bewoningsgeschiedenis. De eerste vestiging in het kweldergebied wordt omstreeks 650 v.Chr. geplaatst. Daarna hadden bewoners de woonplaats herhaaldelijk verhoogd, waardoor oude vloeren, huisresten en gebruiksvoorwerpen onder nieuwe bewoningslagen verdwenen. De opgravingen die Albert Egges van Giffen tussen 1923 en 1934 uitvoerde, maakten de opeenvolging van gebouwen en erven uitzonderlijk goed zichtbaar. De hoge grondwaterstand en de ophogingen met klei en mest hadden bovendien veel hout geconserveerd. Daardoor is niet alleen bekend welke soorten voorwerpen werden gebruikt, maar ook hoe bepaalde houten constructies waren gemaakt.
De derde-eeuwse bewoners erfden dus geen onbeschreven landschap. Zij leefden op een plaats die door eerdere generaties was ingericht en voortdurend moest worden onderhouden. Huizen werden hersteld of vervangen, vloeren verhoogd en erven opnieuw ingedeeld. Veehouderij bleef belangrijk, terwijl aardewerk, hout, bot, steen en metaal voor uiteenlopende werkzaamheden werden gebruikt. De totale vondstcollectie van Ezinge omvat bijna twintigduizend handgevormde aardewerkstukken en scherven, met een gezamenlijk gewicht van ongeveer 1.025 kilogram. Dat indrukwekkende aantal vertegenwoordigt echter een lange bewoningsgeschiedenis en mag niet als uitsluitend derde-eeuwse productie worden opgevoerd.
220–230 — Hout, steen en de waarde van materialen
In het boomarme kwelderlandschap waren geschikte bouwmaterialen niet overal direct beschikbaar. Groot constructiehout moest uit andere gebieden worden aangevoerd of uit oudere voorwerpen en gebouwen worden hergebruikt. Ook natuursteen kwam in de mariene afzettingen rond Ezinge niet van nature voor. De dichtstbijzijnde belangrijke vindplaats van geschikte stenen lag bij de keileemopduiking van Noordhorn, op minder dan vijf kilometer afstand. Verder weg gelegen herkomstgebieden konden eveneens bijdragen aan de steenvoorraad. Een steen die op een erf werd gebruikt, vertegenwoordigde daardoor niet alleen materiaal, maar ook de arbeid die nodig was om hem te verkrijgen en te vervoeren.
Uit de opgravingen van Ezinge zijn 127 stukken natuursteen bewaard gebleven, maar de verzameling is selectief en geeft geen volledig beeld van alle stenen die ooit op de wierde aanwezig waren. Slijpstenen, wrijfstenen en andere werktuigen laten zien dat steen voor verschillende werkzaamheden werd benut. De functie van ieder exemplaar moet afzonderlijk worden vastgesteld aan de hand van vorm en gebruikssporen. Hetzelfde geldt voor benen gereedschappen. Sommige botten werden bewerkt tot priemen, gladmakers of andere hulpmiddelen. Zulke voorwerpen maken het dagelijkse werk zichtbaar dat achter de bouw van huizen, de verzorging van dieren en de vervaardiging van kleding en gebruiksgoederen schuilging.
220–230 — Romeins aardewerk bereikt de wierden
Tussen het plaatselijke aardewerk kwamen ook Romeinse importproducten terecht. Een opvallende categorie was terra sigillata, fijn aardewerk dat binnen het Romeinse Rijk in verschillende productiecentra werd vervaardigd. La Graufesenque, Lezoux, Rheinzabern en Trier behoren tot de bekende productiegebieden, maar niet iedere scherf uit Ezinge kan zonder nader onderzoek aan één van deze plaatsen worden toegeschreven. Een schaal kon na vervaardiging verschillende eigenaren en tussenpersonen passeren voordat zij een wierde bereikte. De aanwezigheid van Romeins aardewerk toont daarom verbindingen met de Romeinse wereld, maar niet noodzakelijk rechtstreeks contact met de pottenbakkerij waar het werd gemaakt.
In de onderzochte gegevens over Ezinge wordt een verzameling van 172 stukken terra sigillata genoemd. Daarbij is ook sprake van hergebruik, onder meer van bewerkte scherven die mogelijk als hangertje of amulet dienden. Het precieze aantal hergebruikte stukken en de oorspronkelijke catalogusgegevens vragen nog controle. Het verschijnsel zelf is belangrijk: een gebroken Romeinse schaal hoefde niet waardeloos te zijn. Een scherf kon worden bijgewerkt en een nieuwe functie krijgen. Daarmee werd het voorwerp opgenomen in plaatselijke gebruiken die niet noodzakelijk overeenkwamen met zijn oorspronkelijke Romeinse bestemming.
230–240 — Wegen en waarde bepalen in Ezinge
Onder de bijzondere Romeinse voorwerpen uit Ezinge bevindt zich een unster, een weeginstrument met ongelijke armen en een verschuifbaar gewicht. Daarmee konden goederen of materialen worden afgewogen. De vondst laat zien dat een techniek die in de Romeinse wereld veel werd toegepast ook het noordelijke kustgebied bereikte. Het is niet bekend wie het instrument bezat, wat ermee werd gewogen of wanneer het precies in gebruik was. Toch is de vondst belangrijk voor de geschiedenis van uitwisseling. Zij maakt duidelijk dat het vaststellen van hoeveelheden niet uitsluitend afhankelijk hoefde te zijn van schattingen of onderlinge afspraken.
Naast weeginstrumenten bereikten ook Romeinse munten de kust. Zulke munten konden bij betalingen worden gebruikt, maar eveneens worden bewaard als kostbaar metaal, doorgegeven als geschenk of verwerkt tot andere voorwerpen. Een munt bewijst daarom niet automatisch dat de hele omgeving deelnam aan het Romeinse geldstelsel. Evenmin kan uit de aanwezigheid van een unster worden afgeleid dat Ezinge een officiële markt of een Romeins belastingkantoor bezat. De vondsten tonen wel dat de bewoners bekend konden raken met manieren om hoeveelheden en waarde vast te stellen die ook buiten hun eigen nederzetting werden toegepast.
230–240 — De bronzen beeldjes van Ezinge
Drie bijzondere bronzen beeldjes uit Ezinge laten zien hoe ver voorwerpen met Romeinse afbeeldingen konden reizen. Het bekendste stelt Jupiter voor, de oppergod van de Romeinse godenwereld. Daarnaast zijn een menselijke figuur, mogelijk een soldaat of ruiter, en een haantje gevonden. Het haantje droeg oorspronkelijk een versiering met email. Vergelijkbare voorwerpen uit de Romeinse wereld wijzen op een vervaardiging in de late tweede of vroege derde eeuw. De datum waarop het beeldje daadwerkelijk in Ezinge terechtkwam, is echter niet vastgesteld. Een voorwerp kon tientallen jaren of langer in gebruik blijven.
Voor het Jupiterbeeldje wordt in museale beschrijvingen een datering rond het midden van de derde eeuw genoemd. De oorspronkelijke archeologische context van de drie beeldjes is echter onvoldoende betrouwbaar om hun depositie precies vast te stellen. Daarom mogen zij niet worden behandeld als voorwerpen uit één gelijktijdige huisinventaris. Hun aanwezigheid toont Romeinse religieuze en militaire beeldtaal op een Groningse wierde, maar bewijst niet dat de bewoners een Jupitertempel bezaten of dat er Romeinse soldaten waren gelegerd. De voorwerpen konden als geschenk, handelswaar, persoonlijk bezit of erfstuk zijn aangekomen en daarna een andere betekenis hebben gekregen.
240 — Sieraden, zegelstenen en persoonlijke voorwerpen
Ook kleinere vondsten verbinden Ezinge met de Romeinse wereld. Tot de bijzondere objecten behoren een smaragdkraal en een zegelsteen met een samengesteld wezen, een chimaera. In de voorstelling zijn kenmerken van verschillende figuren verwerkt, waaronder een haan en de koppen van een paard, ram en mens. Dergelijke voorwerpen hadden een andere functie dan een kookpot of een stuk gereedschap. Zij konden worden gedragen, bewaard of gebruikt om een persoonlijke positie zichtbaar te maken. Toch is de identiteit van de bezitters onbekend en kan niet worden vastgesteld welke betekenis zij zelf aan deze voorwerpen gaven.
De combinatie van beeldjes, sieraden, zegelstenen, aardewerk en een weeginstrument maakt duidelijk dat de contacten van Ezinge verder reikten dan de uitwisseling van gewone landbouwproducten. Dat betekent niet dat alle voorwerpen op dezelfde manier werden verkregen. Een kostbaar object kon langs een reeks tussenpersonen reizen, terwijl een ander voorwerp mogelijk door iemand persoonlijk werd meegebracht. De verschillende vondstcontexten en dateringen verhinderen een eenvoudige reconstructie van één handelsroute. Wat zichtbaar wordt, is een kustgemeenschap die vreemde materialen en afbeeldingen kon opnemen zonder haar eigen huizenbouw en economische basis volledig te veranderen.
240–250 — Feddersen Wierde groeit uit tot een grotere nederzetting
Aan de kust bij de monding van de Weser ontwikkelde Feddersen Wierde zich gedurende de eerste eeuwen na Christus van een kleine nederzetting tot een omvangrijker geheel van boerenerven. De opgravingen onder leiding van Werner Haarnagel maakten het mogelijk opeenvolgende bouwfasen te onderscheiden. De woonstalhuizen waren langgerekte gebouwen waarin mensen en dieren onder één dak verbleven, maar in verschillende ruimten. De indeling van de stallen biedt aanwijzingen voor de omvang van de veestapels. Daardoor kunnen verschillen tussen huishoudens worden onderzocht zonder uitsluitend af te gaan op kostbare losse vondsten.
Voor een van de nederzettingsfasen, horizont 5, worden 25 boerenbedrijven onderscheiden, naast twee halgebouwen, drie ambachtshuizen en kleinere bijgebouwen. Het is belangrijk dat deze aantallen bij de juiste archeologische fase blijven. Zij mogen niet worden voorgesteld als een exacte telling van alle boerderijen in het jaar 250. De reconstructies van de stalcapaciteit onderscheiden grotere bedrijven met plaats voor ongeveer 24 tot 30 runderen, middelgrote met ongeveer 20 tot 22 en kleinere met ongeveer 12 tot 18. Het gaat daarbij om geschatte capaciteit op basis van gebouwen, niet om daadwerkelijk getelde dieren.
240–250 — Grote en kleine boerenbedrijven
De verschillen in stalruimte hadden economische betekenis. Een huishouden dat meer runderen kon houden, beschikte mogelijk over grotere mogelijkheden om melk, vlees, huiden, trekkracht en mest te produceren. Daartegenover stonden hogere eisen aan voer, verzorging, grondgebruik en arbeid. Een groot bedrijf was dus niet uitsluitend een teken van bezit, maar ook een omvangrijkere organisatie van het dagelijks werk. Een kleiner huishouden kon minder vee huisvesten en had mogelijk minder ruimte om tegenvallers op te vangen. De archeologie maakt deze verschillen zichtbaar, maar vertelt niet rechtstreeks wie eigenaar van de grond was of hoe arbeid tussen familieleden en anderen werd verdeeld.
De grotere gebouwen van Feddersen Wierde hebben geleid tot discussies over sociale hiërarchie. Een bijzonder gebouwencomplex staat bekend als het Herrenhof, letterlijk het erf van een heer. Die naam is een interpretatie van de archeologische situatie en geen overgeleverde historische titel van de bewoner. Het complex kan wijzen op een vooraanstaand huishouden, maar bewijst niet dat één familie alle handel, grond of rechtspraak beheerste. Verschillen in bezit en aanzien zijn aannemelijk; de precieze inrichting van het bestuur blijft onbekend. Daarmee laat Feddersen Wierde sociale ongelijkheid zien zonder dat er een volledig politiek stelsel uit kan worden gereconstrueerd.
240–250 — Ambachtelijke productie in Feddersen Wierde
Naast veehouderij speelde ambachtelijke productie een belangrijke rol. In Feddersen Wierde werd ijzer gesmeed en werden koperlegeringen verwerkt. Ook hout, bot en andere materialen werden gebruikt voor gereedschap en huishoudelijke voorwerpen. De aanwezigheid van grondstoffen, productieafval en werktuigen maakt duidelijk dat de bewoners niet uitsluitend afgewerkte producten van elders ontvingen. Zij konden materialen zelf bewerken en aanpassen. Dat was belangrijk in een omgeving waar metaal en groot constructiehout niet overal direct beschikbaar waren. Hergebruik verminderde de noodzaak om telkens nieuw materiaal te verkrijgen.
De studie van Jörn Schuster omvat 254 non-ferrometalen voorwerpen uit Feddersen Wierde. Daarvan worden 243 binnen een brede periode geplaatst, van ongeveer het midden van de eerste eeuw v.Chr. tot het midden of de tweede helft van de vijfde eeuw n.Chr. Onder de vondsten bevinden zich 109 fibulae of fragmenten van mantelspelden, waarvan 82 typologisch konden worden ingedeeld. Verder zijn er naalden, gespen, gordelonderdelen, ringen, vaatwerk, paardentuig, grondstoffen en productieafval. Deze aantallen vertegenwoordigen de onderzochte collectie over meerdere eeuwen en mogen niet als uitsluitend derde-eeuwse vondsten worden gepresenteerd.
240–250 — Medische voorwerpen, sporen en militaire uitrusting
De vondstcollectie uit Feddersen Wierde omvat ook voorwerpen die minder direct met het boerenbedrijf verbonden lijken. Er zijn onder meer een pincet en een instrumentonderdeel gevonden dat mogelijk met oogheelkundige handelingen verband houdt. Daarnaast zijn paardentuig, vier ijzeren sporen en onderdelen van militaire gordels bekend. Zulke vondsten laten zien dat technische kennis en persoonlijke uitrusting uit een grotere wereld de nederzetting bereikten. Een onderdeel van Romeinse militaire uitrusting hoeft echter niet door een Romeinse soldaat op de wierde te zijn achtergelaten. Het kon ook later worden verhandeld, geërfd of opnieuw gebruikt.
Onder de metalen objecten bevindt zich bovendien een sleutel en een voorwerp dat mogelijk als maatstaf, gewicht of speelpen heeft gediend. De verschillende interpretaties van dat laatste object moeten behouden blijven. Het is geen bewezen weeggewicht en kan daarom niet zonder voorbehoud naast de Romeinse unster van Ezinge worden geplaatst. Ook een bijzondere vuurslagsteen met Scandinavische kenmerken behoort tot de bredere vondstcollectie. Zulke objecten zijn belangrijk voor het onderzoek naar contacten, maar hun afzonderlijke dateringen moeten worden gecontroleerd voordat zij aan de jaren 240–250 worden gekoppeld.
250 — Een verbonden kust zonder centraal bestuur
Halverwege de derde eeuw waren de gemeenschappen tussen West-Friesland en de Elbe nog altijd in belangrijke mate afhankelijk van landbouw en veeteelt. Tegelijkertijd laten de vondsten zien dat zij niet geïsoleerd leefden. Romeins aardewerk, metalen gebruiksvoorwerpen, munten, sieraden en instrumenten bereikten verschillende nederzettingen. De verdeling van deze goederen was ongelijk, evenals de omvang van de boerenbedrijven. Dat wijst op verschillen in economische mogelijkheden, maar niet automatisch op één bestuursvorm. Voor de meeste kustgemeenschappen ontbreken geschreven gegevens over de manier waarop besluiten werden genomen, geschillen werden beslecht of gebruiksrechten werden verdeeld.
De wereld waarmee deze bewoners verbonden waren, begon intussen ingrijpend te veranderen. Binnen het Romeinse Rijk namen politieke conflicten en militaire problemen toe. Keizers werden afgezet of vermoord en legeraanvoerders streden om de macht. De gevolgen daarvan voor de kustgemeenschappen zijn niet overal rechtstreeks aantoonbaar. Wel veranderde de politieke omgeving waaruit een deel van hun goederen afkomstig was. De volgende vijftig jaar zouden daarom niet alleen worden gekenmerkt door veranderingen binnen het Romeinse Rijk, maar ook door het voortbestaan en de aanpassing van plaatselijke nederzettingen langs de Noordzee.
Deel 6 — 250–300 n.Chr. | Romeinse crisis, metaalhandel en veranderende nederzettingen
250–260 — De Romeinse crisis bereikt het Rijngebied
Rond het midden van de derde eeuw raakte het Romeinse Rijk verwikkeld in een langdurige periode van militaire en politieke onrust. Legeraanvoerders streden om de keizerlijke macht, grensgebieden werden bedreigd en het centrale gezag stond onder druk. De Rijn bleef een belangrijke militaire grens, maar de organisatie van de Romeinse provincies veranderde onder invloed van deze conflicten. Voor de kustbewoners ten noorden van de rivier betekende dit dat de politieke wereld waarmee zij al generaties contacten onderhielden minder stabiel werd. Het is echter niet bewezen dat iedere machtswisseling onmiddellijk merkbare gevolgen had voor de boerenerven in Friesland, Groningen of langs de Weser.
De landbouw en veeteelt bleven de basis van het plaatselijke bestaan. Huishoudens moesten hun dieren verzorgen, gebouwen onderhouden en geschikte gronden blijven gebruiken, ongeacht wie op dat moment de Romeinse keizer was. Wel konden veranderingen in de beschikbaarheid van Romeinse goederen of in de contacten langs de grens van invloed zijn op de mogelijkheden om bepaalde materialen te verkrijgen. De archeologie toont dat oudere voorwerpen langdurig werden gebruikt en soms een nieuwe bestemming kregen. Daardoor is de aanwezigheid van een Romeins product niet altijd een aanwijzing voor een nieuwe levering in de periode waarin het uiteindelijk werd achtergelaten.
250–260 — Het bronsdepot van Hallum
Een van de belangrijkste vondstcomplexen voor het begrijpen van de metaalcirculatie is het bronsdepot dat in 2007 bij Hallum werd ontdekt. De verzameling bestaat uit 1.417 fragmenten van brons en andere koperlegeringen, met een gezamenlijk gewicht van bijna vier kilogram. Daaronder bevinden zich verknipte stukken van Romeinse ketels, een deel van een munt, een koperbaar, een wijnzeef en reparatieplaten. De verzameling laat zien dat metalen voorwerpen niet uitsluitend als complete gebruiksgoederen circuleerden. Een ketel kon eerst worden gebruikt, vervolgens worden hersteld en uiteindelijk worden verknipt om het materiaal opnieuw te verwerken.
Onder de herkenbare ketelfragmenten bevinden zich onderdelen van het Westland-type, het Östland-type en het oudere Juellinge-type. De verschillende typen maken duidelijk dat niet alle stukken op hetzelfde moment hoeven te zijn vervaardigd. Archeometallurgisch onderzoek heeft bovendien geholpen om de samenstelling van de koperlegeringen te bestuderen. Het depot wordt in de derde eeuw geplaatst, maar afzonderlijke voorwerpen kunnen aanzienlijk ouder zijn. De onderzoekers hebben de mogelijkheid geopperd dat het materiaal een voorraad van een koperbewerker vormde die werd begraven en niet meer werd opgehaald. De precieze omstandigheden van die begraving zijn niet bekend.
250–260 — Hergebruik maakt Romeins metaal opnieuw waardevol
Het Hallumer depot toont hoe een Romeins voorwerp een nieuwe economische functie kon krijgen nadat het oorspronkelijke gebruik was beëindigd. Een bronzen ketel vertegenwoordigde niet alleen de waarde van het vaatwerk zelf, maar ook die van het metaal waaruit hij was vervaardigd. Reparatieplaten wijzen op pogingen om voorwerpen langer bruikbaar te houden. Verknipte stukken laten een volgende fase zien waarin het materiaal mogelijk bestemd was om te worden omgesmolten. De verzameling verbindt daardoor Romeinse productie met plaatselijke metaalverwerking en laat zien dat materialen gedurende lange tijd waarde konden behouden.
De vondst bewijst niet dat Hallum een centrale handelsplaats voor het hele kustgebied was. Evenmin is bekend of de voorraad aan één ambachtsman, een huishouden of meerdere personen toebehoorde. Wel maakt de omvang van de verzameling duidelijk dat metaal in grotere hoeveelheden kon worden bijeengebracht. De combinatie van verschillende keteltypen, muntmateriaal en andere koperlegeringen past bij een economie waarin voorwerpen uit uiteenlopende herkomstgebieden opnieuw werden gebruikt. De waarde van metaal lag niet noodzakelijk in zijn Romeinse oorsprong, maar ook in de mogelijkheden die het bood voor nieuwe productie.
259–268 — Postumus wordt keizer in het Romeinse westen
In 260 ontstond onder Postumus een afzonderlijk machtsgebied in het westen van het Romeinse Rijk. Dit Gallische Keizerrijk omvatte gedurende een deel van zijn bestaan ook de Rijnprovincies. Postumus liet eigen munten slaan en presenteerde zich als keizer. Voor de gemeenschappen ten noorden van de Rijn veranderde daarmee de politieke organisatie van het gebied waarmee zij al lange tijd contacten onderhielden. De gebeurtenissen speelden zich binnen de Romeinse machtswereld af, maar de munten en andere producten uit dat gebied konden ook buiten de rijksgrens terechtkomen.
Uit de omgeving van Hallum zijn drie Romeinse munten bekend die afzonderlijk van het bronsdepot moeten worden behandeld. Het gaat om een antoninianus van Postumus uit de periode 259–268, een denarius van Lucilla uit ongeveer 175 en een sterk versleten as uit de tweede eeuw. De munt van Postumus vormt een concrete verbinding met het Gallische Keizerrijk. De twee oudere munten laten zien dat geldstukken lang konden circuleren voordat zij verloren gingen. Hun aanwezigheid bewijst geen rechtstreeks politiek gezag van Postumus over Hallum en evenmin dat alle drie de munten op hetzelfde moment werden gebruikt.
260–270 — Munten, metaal en de betekenis van waarde
De munten uit Hallum passen in een breder beeld van Romeinse geldstukken die buiten het formele bestuursgebied van het rijk terechtkwamen. Een munt kon bij een betaling worden gebruikt, maar ook worden bewaard als metaalvoorraad, sieraad of persoonlijk bezit. Zonder duidelijke vondstcontext is het niet mogelijk voor ieder exemplaar de oorspronkelijke functie vast te stellen. De aanwezigheid van verschillende muntsoorten en ouderdommen toont wel dat Romeins geld niet uitsluitend binnen de rijksgrenzen circuleerde. De politieke grens en de verspreiding van voorwerpen vielen niet samen.
De Romeinse unster uit Ezinge maakt dit beeld interessanter. Zij toont dat ook technieken om hoeveelheden af te wegen het kustgebied bereikten. Toch kan uit de combinatie van munten en een weeginstrument niet worden geconcludeerd dat alle kustgemeenschappen één gemeenschappelijke muntwaarde hanteerden. Daarvoor ontbreken voldoende gegevens over transacties, gewichten en gebruikscontexten. Wat wel zichtbaar wordt, is een samenleving waarin verschillende manieren om waarde vast te stellen naast elkaar konden bestaan. Vee, gebruiksgoederen, metalen en munten konden elk betekenis hebben binnen plaatselijke uitwisseling en contacten over grotere afstanden.
270–274 — Het Gallische Keizerrijk verdwijnt
Na de dood van Postumus bleef het Gallische Keizerrijk nog enkele jaren bestaan. In 274 bracht keizer Aurelianus het westelijke machtsgebied opnieuw onder het centrale Romeinse gezag. Daarmee veranderde de politieke organisatie van de Rijnprovincies opnieuw. Voor de kustbewoners buiten het rijk betekende deze gebeurtenis niet dat hun eigen nederzettingen plotseling een andere bestuursvorm kregen. De Romeinse keizer kon gezag uitoefenen over provincies en legers, maar er is geen bewijs dat hij rechtstreeks het dagelijks bestuur van Ezinge, Hallum of Feddersen Wierde bepaalde.
De gebeurtenissen maken wel duidelijk dat de herkomstwereld van veel Romeinse voorwerpen voortdurend veranderde. Een munt kon zijn geslagen onder een keizer wiens gezag later werd betwist of beëindigd. Een bronzen ketel kon in gebruik blijven terwijl de politieke grenzen binnen het rijk verschoven. Daardoor mogen veranderingen in de Romeinse geschiedenis niet rechtstreeks worden vertaald naar de datering van ieder voorwerp op een wierde. De archeologische geschiedenis van de kust moet vanuit de plaatselijke bewoningslagen worden opgebouwd en vervolgens met de grotere politieke ontwikkelingen worden verbonden.
270–280 — Feddersen Wierde blijft een nederzetting van boeren en ambachtslieden
In Feddersen Wierde bleef het boerenbedrijf nauw verbonden met ambachtelijke productie. De woonstalhuizen boden ruimte aan huishoudens en dieren, terwijl op en rond de erven verschillende materialen werden verwerkt. Metaalbewerking, houtbewerking en het gebruik van bot als grondstof maakten deel uit van deze economie. De vondsten van gereedschap, grondstoffen en productieafval laten zien dat de bewoners niet uitsluitend afhankelijk waren van de aanvoer van complete gebruiksvoorwerpen. Zij konden materialen repareren, aanpassen en opnieuw gebruiken. Dat was belangrijk in een landschap waarin bepaalde grondstoffen niet direct beschikbaar waren.
De metaalcollectie omvat messen, scharen, sleutels, naalden, sieraden, paardentuig, sporen en onderdelen van uitrusting die overeenkomsten vertonen met Romeinse militaire voorwerpen. Ook medische of verzorgingsinstrumenten komen voor. Deze vondsten vertegenwoordigen verschillende fasen van de nederzettingsgeschiedenis en kunnen niet allemaal aan de jaren 270–280 worden toegeschreven. Zij tonen wel dat de materiële cultuur van Feddersen Wierde veelzijdig was. Het dagelijks bestaan werd niet uitsluitend bepaald door de omvang van de veestapel, maar ook door de beschikbaarheid van gereedschap, technische kennis en contacten met andere gebieden.
270–280 — De verschillen tussen huishoudens blijven zichtbaar
De huisplattegronden van Feddersen Wierde tonen dat huishoudens niet allemaal over dezelfde ruimte beschikten. Grotere woonstalhuizen konden meer vee herbergen dan kleinere gebouwen. Dat verschil had gevolgen voor de hoeveelheid arbeid die nodig was en voor de mogelijkheden om producten te verkrijgen of uit te wisselen. Toch is het niet mogelijk om uit de omvang van een stal rechtstreeks het aantal familieleden, knechten of afhankelijke arbeiders af te leiden. Evenmin zijn de regels bekend waarmee grondgebruik en bezit tussen generaties werden overgedragen. De archeologie toont verschillen in economische mogelijkheden, maar niet de volledige maatschappelijke verhoudingen.
Het Herrenhof blijft in dit verband belangrijk. De omvang en samenstelling van het complex kunnen wijzen op een huishouden met bijzondere middelen en aanzien. Maar de vroegere voorstelling van één familie die de volledige handel of productie beheerste, is onvoldoende bewezen. Ook andere huishoudens konden vee houden, goederen vervaardigen en contacten onderhouden. Macht hoeft bovendien niet uitsluitend op bezit te hebben berust. Verwantschappen, persoonlijke relaties en het vermogen om samenwerking te organiseren kunnen een rol hebben gespeeld, maar hun precieze betekenis is archeologisch moeilijk vast te stellen. Daarom moet sociale ongelijkheid worden beschreven zonder een onbekende bestuursstructuur in te vullen.
280–290 — Ezinge bewaart de sporen van dagelijkse arbeid
In Ezinge bleven huizen, erven en werkplaatsen deel uitmaken van een woonplaats die al vele eeuwen bestond. De opeenvolgende ophogingen beschermden oudere bouwresten en gebruiksvoorwerpen. Houten objecten zijn daarbij bijzonder belangrijk, omdat zij op veel andere vindplaatsen verloren zijn gegaan. Samen met werktuigen van steen, bot en metaal laten zij zien hoe mensen materialen bewerkten, gebouwen onderhielden en voorwerpen vervaardigden. Het gebruik van steen is opvallend omdat natuursteen niet vanzelf in de mariene afzettingen rond de wierde voorkwam. Iedere geschikte steen moest van elders worden gehaald.
Ook uit andere terpen en wierden zijn benen werktuigen bekend die bij het bewerken, gladmaken of doorboren van materialen kunnen zijn gebruikt. Voorbeelden zijn een mogelijk polijstwerktuig van rundbot uit Achlum, vondstnummer 276 uit spoor 236, en verschillende bewerkte runderbotten uit Jelsum, waaronder de nummers 102, 303, 535 en 657. Deze voorwerpen behoren tot de bredere archeologische vergelijking en zijn niet zonder aanvullende context aan de jaren 280–290 toe te wijzen. Hun belang ligt in het aantonen van werkzaamheden die in de geschiedenis gemakkelijk verdwijnen achter de opvallendere Romeinse sieraden en metalen voorwerpen.
280–290 — Botten als werktuig, spelmateriaal en bijzondere vondst
De vondstcollecties uit de kustnederzettingen bevatten meer dan botten van geslachte dieren. Sommige zijn doelbewust bewerkt. Uit Jelsum is een benen priem bekend als vondstnummer 298 uit spoor 234. Uit Dronrijp-Zuid komt een priem met nummer 159 uit spoor 4013 en uit Dronrijp-Oost een exemplaar met nummer 391 uit spoor 2046. Bij Jelsum zijn bovendien als speelstukken geïnterpreteerde teenbotten van paarden bekend, waaronder vondstnummer 661 uit spoor 282. Dergelijke voorwerpen maken zichtbaar hoe dierlijk materiaal na de slacht een nieuwe bestemming kon krijgen.
Niet iedere bijzondere botvondst is echter een werktuig. Uit Oosterbeintum is een doorboord schedelfragment bekend, vondstnummer 765 uit spoor 254, dat als hanger is geïnterpreteerd. Bij Jelsum zijn hondenbotten geregistreerd onder onder meer de nummers 69, 395 en 1069. Een menselijk opperarmbeen uit Oosterbeintum, nummer 32 uit spoor 15, vertoont knaagsporen van een hond. Zulke vondsten vragen om afzonderlijke beoordeling. Zij mogen niet zonder bewijs worden verklaard als ritueel, geweld of een uitzonderlijke begrafenispraktijk. Ook de datering van iedere vondstcontext moet apart worden vastgesteld.
280–290 — Paarden, walvissen en andere dieren in het vondstmateriaal
Bij verschillende terpopgravingen zijn opvallende dierlijke resten aangetroffen. Uit Oosterbeintum is een paardenschedel bekend, vondstnummer 312 uit spoor 70. In Dronrijp-Oost werd een merrie geregistreerd als nummer 610 uit spoor 300, terwijl uit Dronrijp-Zuid een onderkaak van een hengst bekend is als nummer 128 uit spoor 3007. Zulke vondsten kunnen belangrijke informatie geven over de omgang met paarden, maar hun betekenis hangt af van de precieze ligging en samenhang met andere resten. Een begraven of achtergelaten paard hoeft niet automatisch een offerdier te zijn geweest.
Ook resten van zeedieren behoren tot het archeologische materiaal. Uit Dronrijp-Zuid is een walviswervel bekend als vondstnummer 188 uit spoor 5007. Een ander walvisbot is geregistreerd als nummer 209 uit spoor 170. Uit Jelsum komt een schedel van een noordkaper, vondstnummer 101 uit spoor 251. Zulke vondsten tonen dat grote zeedieren op verschillende manieren in het kustgebied terecht konden komen. Het is zonder aanvullende gegevens niet mogelijk te bepalen of ieder bot afkomstig was van een aangespoeld dier, doelbewuste vangst of later hergebruik. Evenmin behoren al deze vondsten noodzakelijk tot de derde eeuw.
290 — Eenumerhoogte en de bijzondere dierlijke resten
Ook Eenumerhoogte heeft een gevarieerde verzameling bijzondere vondsten opgeleverd. Daaronder bevinden zich resten van een beer, elandgewei, een schedel van een oeros en een vogelbeeldje. Daarnaast is een houten doosje bekend dat in verband is gebracht met de Romeinse wereld en mogelijk voor medische of cosmetische voorwerpen werd gebruikt. De combinatie is opvallend, maar de voorwerpen vertegenwoordigen niet noodzakelijk één gelijktijdige vondstgroep. De oorspronkelijke dateringen en contexten moeten afzonderlijk worden beoordeeld voordat zij een vaste plaats binnen de jaren 250–300 kunnen krijgen.
De vondsten maken duidelijk dat het materiële leven op de wierden niet uitsluitend uit landbouwgereedschap en aardewerk bestond. Dieren leverden grondstoffen, maar hun resten konden ook een andere betekenis krijgen. Een bijzonder gewei, een bewerkte schedel of een vogelvoorstelling kan onderdeel zijn geweest van persoonlijke gebruiken waarvan de precieze achtergrond onbekend blijft. Het houten doosje laat bovendien zien dat kleine gebruiksvoorwerpen met een bijzondere vorm het kustgebied bereikten. Toch is de functie niet in alle gevallen met zekerheid vast te stellen. De archeologische interpretatie moet daarom dicht bij de afzonderlijke vondst blijven.
290–300 — Romeinse voorwerpen blijven langer in gebruik
Aan het einde van de derde eeuw konden in een kustnederzetting voorwerpen aanwezig zijn die tientallen jaren of zelfs generaties eerder waren vervaardigd. Het Hallumer bronsdepot laat dat zien door de combinatie van verschillende keteltypen. De oudere munten uit de omgeving van Hallum vormen een vergelijkbaar voorbeeld. Ook de bijzondere Romeinse objecten uit Ezinge kunnen niet zonder meer aan één moment van bewoning worden gekoppeld. De productiedatum, de periode van gebruik en het moment waarop een voorwerp in de bodem terechtkwam, zijn drie verschillende gegevens.
Dat onderscheid is noodzakelijk om de geschiedenis van de kustgemeenschappen betrouwbaar te reconstrueren. Een Romeinse scherf uit een latere laag bewijst niet dat de schaal pas toen werd aangevoerd. Een militaire gordelgesp hoeft niet tijdens een militaire gebeurtenis te zijn verloren. Een religieus beeldje hoeft niet in een tempel te hebben gestaan. Juist het langdurige gebruik en hergebruik van voorwerpen laat zien hoe materialen in de plaatselijke economie werden opgenomen. De bewoners waren niet alleen ontvangers van goederen uit de Romeinse wereld, maar bepaalden ook zelf hoe zij die voorwerpen verder gebruikten.
300 — Een kustwereld die bleef veranderen
Rond 300 bestond het gebied tussen de Noord-Hollandse kust en de Elbe nog steeds uit verschillende gemeenschappen. Hun geschiedenis werd gevormd door het landschap, de mogelijkheden voor landbouw en veeteelt, de beschikbaarheid van grondstoffen en de contacten met andere gebieden. De Romeinse politieke crisis had het bestuur ten zuiden van de Rijn veranderd, maar niet rechtstreeks één nieuwe bestuursvorm aan de noordelijke kust opgelegd. De bewoners bleven hun huizen onderhouden, dieren verzorgen en woonplaatsen aanpassen. Tegelijkertijd konden veranderingen in de grotere wereld invloed hebben op de goederen die zij verkregen en de contacten die zij onderhielden.
De vergelijking tussen Ezinge, Feddersen Wierde, Hallum en de andere kustnederzettingen maakt vooral de verscheidenheid zichtbaar. Feddersen Wierde toont verschillen in boerenbedrijven en ambachtelijke productie. Ezinge bewaart een uitzonderlijke reeks huizen, houten voorwerpen en Romeinse importen. Hallum levert een bijzonder inzicht in het verzamelen en hergebruiken van koperlegeringen. West-Friesland en de Friese en Groningse terpen laten zien dat bewoning en materiële cultuur zich niet overal op dezelfde manier ontwikkelden. De kust was verbonden, maar niet uniform. Dat onderscheid blijft bepalend voor de geschiedenis van de vierde eeuw.
Deel 7 — 300–350 n.Chr. | Een kustlandschap waarin nederzettingen verdwijnen en andere blijven bestaan
Aan het begin van de vierde eeuw lag langs de zuidelijke Noordzee een kustgebied waarin de verschillen tussen nederzettingen steeds groter werden. Van West-Friesland via Westergo, Oostergo, Middag-Humsterland, Hunsingo en Fivelingo tot de Eems, Weser en Elbe lagen oude woonhoogten tussen kwelders, kreken en riviermondingen. Sommige nederzettingen hadden een bewoningsgeschiedenis van vele eeuwen. Andere waren later ontstaan of hadden al perioden van verlatenheid doorgemaakt. De bewoners vormden geen staat met gezamenlijke landsgrenzen. Zij waren verbonden door landbouwtradities, waterwegen, verwantschap en uitwisseling, maar hun plaatselijke omstandigheden verschilden. Juist die verschillen werden in de vierde eeuw steeds belangrijker.
De veranderingen waren niet plotseling begonnen. In de derde eeuw waren verschillende Friese en Groningse nederzettingen al kleiner geworden of tijdelijk verlaten. Tegelijk bleef Feddersen Wierde een omvangrijke woonplaats, met grote woonstalhuizen, opslaggebouwen en ambachtelijke werkzaamheden. Ezinge had eveneens zijn bewoning behouden. Het kustgebied kende daardoor geen gelijktijdige ineenstorting. Een woonplaats kon kleiner worden terwijl een andere bleef functioneren. De archeologische vraag is niet alleen waarom mensen vertrokken, maar ook waarom sommige gemeenschappen bleven. Daarbij moeten de geschiedenis van afzonderlijke erven, de bruikbaarheid van het omliggende land en de verbindingen met andere nederzettingen worden onderzocht.
In het Romeinse Rijk was ondertussen een nieuwe bestuursorganisatie ontstaan. Diocletianus had vanaf 284 geprobeerd de keizerlijke macht en de militaire verdediging te versterken. Onder Constantijn, die vanaf 306 een belangrijke rol speelde en in 324 alleenheerser werd, veranderde het rijk verder. De Rijn bleef een militaire grens, maar de Romeinse aanwezigheid was geen onveranderlijke werkelijkheid. De bewoners van Ezinge en Feddersen Wierde leefden buiten het gewone Romeinse provinciebestuur. Dat betekende niet dat zij geïsoleerd waren. Voorwerpen, grondstoffen en persoonlijke contacten konden de grens oversteken. Welke invloed afzonderlijke keizerlijke hervormingen op een bepaald kustdorp hadden, is echter niet rechtstreeks bekend.
De vierde-eeuwse bewoningsgeschiedenis moet vooral worden gereconstrueerd uit aardewerk, huisplattegronden, ophogingslagen, sloten en andere archeologische resten. Schriftelijke berichten over de afzonderlijke huishoudens ontbreken. Daardoor is het moeilijk om politieke gebeurtenissen precies met plaatselijke veranderingen te verbinden. Wanneer een terp rond 325 werd verlaten, bewijst dat niet dat de bewoners door een Romeinse oorlog zijn verdreven. Evenmin mag een overstroming als oorzaak worden aangenomen zonder passende landschappelijke aanwijzingen. De archeologie laat vaak zien dát een nederzetting veranderde, maar niet onmiddellijk waarom. Dat onderscheid is noodzakelijk om van de vierde eeuw geen verhaal van één algemene ramp te maken.
Wijnaldum-Tjitsma — een woonplaats wordt verlaten
Een van de duidelijkste voorbeelden is Wijnaldum-Tjitsma in Westergo. De grote opgravingen van 1991 tot 1993 maakten een langdurige nederzettingsgeschiedenis zichtbaar. De bewoning eindigde daar waarschijnlijk uiterlijk rond 325 n.Chr. Daarna bleef de plaats ongeveer een eeuw zonder aantoonbare bewoning. Pas omstreeks 425 werd zij opnieuw gebruikt. Deze onderbreking is belangrijk omdat de locatie eeuwenlang aantrekkelijk was geweest voor landbouw en bewoning. Het landschap verdween niet toen de bewoners vertrokken. De oude woonplaats bleef bestaan, maar de gemeenschap die haar gebruikte hield op daar herkenbare archeologische sporen achter te laten. De reden voor het vertrek is niet bewezen.
Wijnaldum-Tjitsma lag in een kustlandschap waar bewoners al vroeg waterkerende constructies en ophogingen hadden aangelegd. Het onderhouden van een terp was een voortdurende investering in arbeid. Huizen moesten worden vernieuwd, grond moest worden opgehoogd en de toegang tot akkers en weiden moest bruikbaar blijven. Dat een dergelijke woonplaats toch werd verlaten, laat zien dat de hoogte van de terp niet de enige voorwaarde voor voortbestaan was. Wanneer het omliggende land minder geschikt werd, kon ook een veilige woonheuvel zijn economische betekenis verliezen. Voor Wijnaldum blijft dat een mogelijke verklaring, geen aangetoonde oorzaak van het vertrek rond 325.
De opgravingen van Wijnaldum leverden ook veel informatie op over het dagelijks leven. Naast aardewerk en sieraden kwamen kammen, glazen voorwerpen, lepels, muziekinstrumenten en grote hoeveelheden dierlijke resten aan het licht. Deze vondsten behoren tot verschillende bewoningsfasen en mogen niet allemaal aan de vierde eeuw worden toegeschreven. Hun betekenis ligt in de mogelijkheid om de oudere Romeinse bewoning met de latere vroegmiddeleeuwse gemeenschap te vergelijken. De hervatting van de bewoning rond 425 bewijst niet dat dezelfde families terugkeerden. De archeologie toont de onderbreking, maar niet de persoonlijke geschiedenis van degenen die vertrokken.
Wierum, Tritsum en andere Friese woonplaatsen
De onderbreking in Wijnaldum vormt een belangrijk ijkpunt voor andere Friese terpen. Bij Wierum ontbreekt overtuigend bewijs voor bewoning in de laat-Romeinse periode. Ook Tritsum lijkt na de derde eeuw een bewoningsonderbreking te kennen. Zulke plaatsen hebben bijgedragen aan het beeld van een sterk teruglopende bevolking in het noordelijke kustgebied. Toch mogen zij niet zonder meer als gelijktijdig verlaten nederzettingen worden behandeld. De beschikbare vondsten en de nauwkeurigheid van dateringen verschillen per terp. Een afwezigheid van vierde-eeuws aardewerk kan wijzen op verlatenheid, maar ook samenhangen met de omvang van een opgraving of met de herkenbaarheid van aardewerktypen.
Bij Hallum is de derde-eeuwse bewoning onder meer zichtbaar door de vondst van 1.417 geknipte en gebroken fragmenten Romeins koper en brons, met een gezamenlijk gewicht van bijna vier kilogram. Het materiaal werd tijdens onderzoek in 2007 aangetroffen en omvat onder meer fragmenten van bronzen ketels, een muntfragment, een koperbaar, een wijnzeef en reparatieplaten. Deze vondst laat zien dat Romeinse metalen voorwerpen werden verzameld en mogelijk opnieuw verwerkt. Voor de vierde eeuw is het beeld van Hallum minder duidelijk. Het derde-eeuwse metaaldepot mag niet als bewijs voor onafgebroken bewoning tot 350 worden gebruikt.
Ook Harssens, ten noorden van Groningen, laat een verandering in de bewoningsintensiteit zien. Uit oudere fasen is aanzienlijk meer aardewerk bekend dan uit latere perioden. De hoeveelheid vondstmateriaal neemt af, maar die afname kan niet rechtstreeks worden omgerekend naar een exact aantal bewoners. Sommige huishoudens kunnen zijn vertrokken terwijl andere bleven. Ook kan het onderzochte terrein niet alle bewoningssporen hebben omvat. De latere vondsten uit Harssens zijn schaars. Vooral voor de periode na 400 is weinig aardewerk bekend. De ontwikkeling van Harssens onderstreept dat de vierde eeuw per vindplaats moet worden beoordeeld, zonder het hele Groningse wierdengebied als verlaten te beschrijven.
Bij Leeuwarden-Oldehoofsterkerkhof zijn eveneens veranderingen in de bewoning vastgesteld. De plaats was al veel eerder in gebruik en leverde onder andere resten op van een oude boomstamboot die als bouwmateriaal was hergebruikt. Die boot behoort niet tot de vierde eeuw, maar toont de langdurige omgang met hout en watervervoer in het gebied. De latere bewoningsgeschiedenis kent perioden van terugval. Voor een nauwkeurige reconstructie moeten de verschillende opgravingsfasen afzonderlijk worden gedateerd. Het bestaan van een vroegere nederzetting bewijst niet dat zij gedurende de gehele Romeinse tijd even intensief bewoond bleef.
Dongjum-Heringa — een terp onder een nieuwe bodemlaag
Een belangrijke vergelijking met Wijnaldum-Tjitsma komt uit Dongjum, waar archeologen in 1998 de resten van de terp Heringa onderzochten. Twee haaks op elkaar staande bodemprofielen van ongeveer drie meter hoog maakten verschillende fasen van bewoning en ophoging zichtbaar. De nederzetting begon waarschijnlijk in het laatste kwart van de tweede eeuw als een kleine huiswierde en werd daarna uitgebreid. Boven de Romeinse bewoningslagen lag een betrekkelijk gelijkmatige afzetting van ongeveer 25 tot 30 centimeter dik. Die opeenvolging laat zien dat de woonplaats een duidelijke verandering doormaakte, maar de afdekkende laag bewijst op zichzelf niet waardoor dat gebeurde.
Dongjum-Heringa is belangrijk omdat een verlaten of minder intensief gebruikte terp niet uitsluitend aan de hand van ontbrekend aardewerk hoeft te worden herkend. De bodemopbouw kan eveneens aanwijzingen geven voor veranderend gebruik. Toch moet worden vastgesteld of een laag door natuurlijke afzetting, menselijke activiteit of een combinatie daarvan ontstond. De vondsten uit de onderliggende en bovenliggende lagen bepalen mede de chronologie. Daardoor vormt Dongjum een waardevolle aanvulling op Wijnaldum, Wierum en Tritsum, zonder dat al deze plaatsen als slachtoffers van dezelfde gebeurtenis worden voorgesteld.
Zes Friese terpen opnieuw onderzocht
Tussen 2006 en 2012 werden bij Anjum, Achlum, Jelsum, Firdgum, Oosterbeintum en Dronrijp opnieuw delen van terpen onderzocht. De resultaten zijn onder meer verwerkt in Friese terpen in doorsnede. Landschap, bewoning en exploitatie, van Johan Nicolay en Gilles de Langen, verschenen in 2023. De onderzoeken brachten verschillen in de aanleg, ophoging en bewoning van de woonheuvels aan het licht. Daardoor kan de ontwikkeling van de vierde eeuw beter worden geplaatst binnen een langere geschiedenis van plaatselijke veranderingen. Niet iedere terp ontstond op hetzelfde moment en niet iedere gemeenschap reageerde op dezelfde manier op veranderingen in het landschap.
Voor het onderzoek naar de vierde-eeuwse bevolkingsafname zijn deze opgravingen vooral waardevol omdat zij een vergelijking tussen afzonderlijke woonplaatsen mogelijk maken. De aanwezigheid van een oude Romeinse bewoningslaag bewijst geen voortdurende bewoning tot 350. Omgekeerd kan een klein aantal laat-Romeinse scherven erop wijzen dat een nederzetting langer werd gebruikt dan vroeger werd aangenomen. De onderzoeksresultaten moeten daarom per terp worden gelezen. Vooral Jelsum verdient aandacht, omdat nieuwe aardewerkdateringen het eerdere beeld van een bewoningsonderbreking hebben veranderd. De andere vijf terpen leveren noodzakelijke vergelijkingsgegevens, maar niet automatisch hetzelfde resultaat.
Arkum, Wommels en Sneek-Harinxmaland
De bewoningsgeschiedenis van Westergo wordt vollediger wanneer ook Arkum, Wommels en Sneek-Harinxmaland worden betrokken. Het projectonderzoek noemt Arkum als een plaats die opnieuw verlaten raakte, Wommels als nederzetting met een langdurige bewoningsonderbreking en Harinxmaland als woonplaats die uiteindelijk door afzettingen werd bedekt. Deze ontwikkelingen laten zien dat de geschiedenis van een terp niet uitsluitend wordt bepaald door de hoogte van de woonheuvel. Ook de bruikbaarheid van omliggende gronden, veranderingen in waterlopen en de plaatselijke bewoningsgeschiedenis waren van betekenis. De afzonderlijke dateringen zijn echter niet voldoende scherp om alle drie de gebeurtenissen precies rond 325 te plaatsen.
De vergelijking met Wijnaldum-Tjitsma maakt duidelijk dat het begrip bewoningshiaat verschillende situaties kan omvatten. Soms zijn oudere en jongere bewoningsfasen duidelijk van elkaar gescheiden. Elders ontbreekt slechts herkenbaar materiaal uit een bepaalde periode. Ook kunnen natuurlijke afzettingen oudere erven hebben afgedekt. Voor een betrouwbare reconstructie moet daarom worden vastgesteld of mensen werkelijk vertrokken, of het onderzochte terrein slechts tijdelijk een andere functie kreeg, en wanneer bewoning eventueel terugkeerde. Het kustlandschap verloor niet overal tegelijk zijn bewoners. Juist de verschillen tussen de afzonderlijke terpen vormen de kern van de vierde-eeuwse geschiedenis.
West-Friesland en de afzonderlijke ontwikkeling van het westelijke kustgebied
Verder naar het westen en zuiden kende West-Friesland eveneens een eigen nederzettingsgeschiedenis. Het gebied mag niet worden samengevoegd met Westergo alsof overal dezelfde omstandigheden golden. De kust, het achterland en de verbindingen met het Rijngebied verschilden van die rond de Eems en Weser. Ook in de vierde eeuw waren de landschappelijke omstandigheden bepalend voor de mogelijkheden van landbouw en veehouderij. Voor een afzonderlijke West-Friese vindplaats is echter meer nodig dan een algemene regionale vergelijking: zonder gedateerde huisplattegronden, aardewerk of andere vondsten kan geen specifieke bewoningsgeschiedenis tussen 300 en 350 worden vastgesteld. Die beperking moet zichtbaar blijven.
De oudere nederzettingen rond Schagen, waaronder Muggenburg en Witte Paal, maken deel uit van deze langere kustgeschiedenis. Zij tonen dat ook ten westen van het Friese terpengebied gemeenschappen leefden die afhankelijk waren van veehouderij, akkerbouw en de inrichting van hun erven. Hun Romeinse bewoningsfasen mogen echter niet automatisch tot in de vierde eeuw worden doorgetrokken. Voor een vergelijking met Ezinge en Feddersen Wierde zijn goed gedateerde vondstgroepen noodzakelijk. Het ontbreken daarvan verhindert een volledige reconstructie, maar vormt geen reden om West-Friesland uit het geografische verhaal te verwijderen.
Jelsum en Marssum — aanwijzingen voor continuïteit
Een andere belangrijke vindplaats is Jelsum. Nieuw onderzoek naar aardewerk uit de terp heeft aanleiding gegeven om een eerder aangenomen bewoningsonderbreking opnieuw te beoordelen. De mogelijkheid dat de bewoning ook in de vierde eeuw doorging, is belangrijk voor het gehele Friese kustgebied. Jelsum laat zien dat oude dateringen kunnen veranderen wanneer aardewerk opnieuw wordt onderzocht. Een type dat vroeger uitsluitend aan de derde eeuw werd toegeschreven, kan bij een gewijzigde chronologie ook later voorkomen. Daardoor kan een vermeend bewoningshiaat kleiner worden of verdwijnen. De uitkomst hangt af van de vondstcontexten en de betrouwbaarheid van de nieuwe dateringen.
Ook Marssum wordt genoemd als mogelijke plaats waar de bewoning langer doorging dan vroeger werd aangenomen. Het beschikbare beeld is minder duidelijk dan bij Ezinge. Daarom moet Marssum niet zonder verdere controle als bewezen onafgebroken bewoonde vierde-eeuwse nederzetting worden gepresenteerd. De betekenis ligt juist in de mogelijkheid dat meer plaatsen de regionale terugval hebben overleefd. Een kustlandschap waarin sommige terpen werden verlaten en andere bewoond bleven, kan niet worden verklaard met één algemene bevolkingsverplaatsing. Verschillen in landgebruik, toegang tot water, verwantschap en plaatselijke economische mogelijkheden kunnen een rol hebben gespeeld, maar zijn niet voor iedere terp afzonderlijk aantoonbaar.
De erven die bleven bestaan
Wie rond 325 op een bewoonde wierde bleef wonen, had niet alleen een verhoogde woonplaats nodig. Het huishouden moest kunnen beschikken over bruikbaar grasland, akkers, drinkwater, bouwmateriaal en voldoende mensen om het werk uit te voeren. Runderen vroegen dagelijks verzorging en in de winter was opgeslagen voer noodzakelijk. Graan moest worden verbouwd, gedroogd, bewaard en gemalen. De aanleg en het onderhoud van ophogingen kostten eveneens arbeid. Daardoor kon een terp die eeuwenlang veilig was geweest toch haar betekenis verliezen wanneer de omliggende landbouwgrond minder bruikbaar werd. Het voortbestaan van een nederzetting hing niet uitsluitend af van haar hoogte, maar van de samenhang tussen woonplaats, land en gemeenschap.
De kleinere gemeenschap van Ezinge moest vergelijkbare werkzaamheden blijven uitvoeren. Huizen werden vernieuwd, dieren verzorgd en voorraden aangelegd. De afname van het aantal bewoners betekende dat dezelfde woonplaats door minder huishoudens kon worden gebruikt. Dat bood mogelijk meer ruimte per erf, maar kon ook betekenen dat minder mensen beschikbaar waren voor gezamenlijk onderhoud. Hoe de bewoners hun werkzaamheden verdeelden, is niet schriftelijk vastgelegd. De archeologische continuïteit laat wel zien dat zij de bestaande wierde bleven benutten en hun bebouwing aan veranderende omstandigheden aanpasten. Daarmee verschilde Ezinge wezenlijk van Wijnaldum-Tjitsma, waar de plaatselijke bewoning rond 325 ophield.
Ezinge — een wierde die bewoond bleef
Ezinge vormt het belangrijkste voorbeeld van langdurige bewoningscontinuïteit in het Groningse wierdengebied. De nederzetting was al eeuwen vóór het begin van onze jaartelling ontstaan. In de Romeinse periode werden de erven herhaaldelijk vernieuwd en opgehoogd. Oudere interpretaties gingen soms uit van een onderbreking in de vierde eeuw. Nieuw onderzoek naar het aardewerk heeft dat beeld gecorrigeerd. Er is geen overtuigend bewijs dat Ezinge volledig werd verlaten. De gemeenschap werd wel kleiner en de inrichting van de woonplaats veranderde. Daardoor biedt Ezinge de mogelijkheid te onderzoeken hoe een nederzetting ingrijpende veranderingen doormaakte zonder dat haar bewoningsgeschiedenis volledig werd afgebroken.
De betekenis van Ezinge ligt niet alleen in de aanwezigheid van vierde-eeuws aardewerk. De opeenvolging van gebouwen, mestlagen, paden en andere resten laat zien dat de woonplaats over een lange periode werd gebruikt. De beroemde opgravingen van Albert Egges van Giffen tussen 1923 en 1934 maakten een groot deel van deze geschiedenis zichtbaar. De oude documentatie werd later opnieuw onderzocht. Daardoor konden sommige dateringen worden herzien. De oorspronkelijke opgravingen waren uitzonderlijk belangrijk, maar niet alle vondsten werden op dezelfde manier verzameld of bewaard. Bij de reconstructie van de vierde eeuw moeten daarom zowel de oude veldtekeningen als het opnieuw onderzochte materiaal worden betrokken.
Ezinge — 365 potten en een veranderende aardewerktraditie
Het opnieuw onderzochte aardewerk uit Ezinge biedt een uitzonderlijk gedetailleerd beeld van de late bewoning. Naast de eerder genoemde 153 archeologische contexten zijn in een afzonderlijke aardewerkstudie fragmenten van 365 individuele potten uit de vierde en vijfde eeuw onderscheiden. Daarvan waren 255 exemplaren herkenbaar aan randfragmenten of voldoende complete profielen. Binnen de onderzochte groep kwamen 135 exemplaren van type G7 voor. Deze aantallen mogen niet bij elkaar worden opgeteld alsof zij hetzelfde meten. Het ene getal betreft vondstcontexten, het andere afzonderlijke potten en het derde een bepaalde aardewerkvorm.
De omvang van de aardewerkcollectie maakt Ezinge bijzonder waardevol voor de vraag of de bewoning werkelijk werd onderbroken. Een enkele losse scherf zou daarvoor onvoldoende bewijs zijn. Een grotere verzameling uit verschillende contexten biedt meer mogelijkheden om de opeenvolging van bewoningsfasen te onderzoeken. Toch bestrijken de 365 potten zowel de vierde als de vijfde eeuw. Zij kunnen daarom niet allemaal aan de jaren 300–350 worden toegeschreven. De verdeling over beide eeuwen moet afzonderlijk worden onderzocht. De belangrijkste conclusie blijft dat het oudere beeld van een volledig verlaten Ezinge niet langer overtuigend is.
In de eerdere bewoningsfasen van Ezinge stonden huizen vaak in een min of meer radiale ordening op de wierde. De inrichting maakte het mogelijk om de beschikbare ruimte over verschillende erven te verdelen. Toen de bevolking later kleiner werd, veranderde de noodzaak om de ruimte op dezelfde manier te organiseren. Huizen konden verder uit elkaar komen te liggen en een andere oriëntatie krijgen. De duidelijkste aanwijzingen voor deze verandering behoren vooral tot de late vierde en vijfde eeuw. Zij mogen niet volledig naar 300 worden teruggeschoven. Wel begon de ontwikkeling van een kleinere gemeenschap al eerder zichtbaar te worden.
De afname van het aantal bewoners betekende niet noodzakelijk dat alle economische activiteiten verdwenen. Een kleiner huishouden moest nog steeds vee verzorgen, voedsel bewaren en gebouwen onderhouden. Ook bleven materialen uit andere gebieden beschikbaar. Het aardewerk van Ezinge laat een combinatie zien van plaatselijke tradities en veranderingen in vormgeving. Romeinse importgoederen waren eerder al aanwezig geweest, maar de hoeveelheid en samenstelling daarvan verschilden per periode. Een afname van import kan wijzen op veranderende contacten. Zij kan echter ook samenhangen met hergebruik, langere gebruiksduur of verschillen in de manier waarop voorwerpen werden weggegooid.
Romeins tafelservies uit verre productiegebieden
Bijzonder belangrijk is het Romeinse tafelservies uit Ezinge. Van de 172 geïdentificeerde fragmenten terra sigillata behoren 137 tot een eerdere importfase en 35 tot een latere groep. Onder dat latere materiaal bevinden zich Late-Argonnewaar, één fragment Oxfordshirewaar en 25 fragmenten African Red Slip Ware. Deze aantallen laten zien dat verschillende Romeinse productiegebieden in de vondstcollectie vertegenwoordigd zijn. De naam African Red Slip verwijst naar aardewerkproductie in Romeins Noord-Afrika, niet naar een rechtstreeks bezoek van een Ezinger bewoner aan die streek. De afzonderlijke fragmenten moeten bovendien naar vervaardigingsdatum en vondstcontext worden beoordeeld voordat zij aan een deel van de vierde eeuw kunnen worden toegeschreven.
De late importwaar is vooral van belang omdat zij het beeld van volledige afzondering tegenspreekt. Terwijl verschillende Friese terpen hun bewoners verloren, bleven bepaalde goederen uit de Romeinse wereld het noordelijke kustgebied bereiken. Zulke voorwerpen konden via een reeks tussenpersonen worden doorgegeven. De aanwezigheid van Oxfordshirewaar, Argonnewaar en African Red Slip Ware in één nederzettingscollectie betekent niet dat Ezinge rechtstreekse handelsverbindingen met alle productiegebieden onderhield. Wel toont zij dat de kustgemeenschap deel bleef uitmaken van verspreidingsnetwerken die veel verder reikten dan de eigen kwelders. De precieze betekenis van die contacten voor de plaatselijke economie blijft moeilijk vast te stellen.
Steen, maalstenen en de dagelijkse voedselbereiding
De vondsten van natuursteen uit Ezinge zijn voor deze ontwikkeling eveneens belangrijk. In de oude opgravingscollectie bleven 127 stukken natuursteen bewaard, afkomstig uit verschillende bewoningsfasen. De collectie is selectief en geeft geen volledige telling van het oorspronkelijke gebruik. Wetstenen, slijpstenen, polijststenen en basaltlava-handmolens laten zien dat de bewoners werktuigen gebruikten waarvoor grondstoffen van buiten de kwelder nodig waren. Sommige stenen kwamen uit de omgeving van Noordhorn, andere uit verder gelegen gebieden. De afzonderlijke dateringen moeten worden gerespecteerd. Het totale materiaal bewijst niet dat alle genoemde steensoorten juist tussen 300 en 350 werden aangevoerd.
De basaltlava-handmolens zijn een belangrijk voorbeeld van de verbinding tussen landbouw en verre grondstoffen. De bewoners verbouwden graan, maar hadden voor het malen daarvan geschikte stenen nodig. Basaltlava uit het Eifelgebied kon via het Rijnland en verschillende tussenstations de kust bereiken. In Ezinge zijn ten minste dertien exemplaren van dergelijke maalstenen bekend uit de gehele opgravingscollectie. Dat aantal mag niet worden voorgesteld als een telling van gelijktijdig gebruikte molens in de vierde eeuw. De vondsten tonen vooral dat het dagelijks bereiden van voedsel afhankelijk kon zijn van materialen die honderden kilometers verderop waren gewonnen.
Feddersen Wierde — een grote nederzetting verandert
Bij Feddersen Wierde bleef de bewoning in de eerste helft van de vierde eeuw eveneens bestaan. De nederzetting had in de tweede en derde eeuw een grote omvang bereikt en beschikte over verschillende soorten erven. De opgravingen onder leiding van Werner Haarnagel documenteerden ongeveer 175 woongebouwen en meer dan 140 spiekers uit de gehele bewoningsgeschiedenis. In de vierde eeuw veranderde de ruimtelijke organisatie. Grote agrarische verbanden werden minder duidelijk en kleinere gebouwen kregen een grotere plaats in het nederzettingsbeeld. De ontwikkeling was geleidelijk. Feddersen Wierde werd niet rond 300 plotseling verlaten.
Het grote erfcomplex dat Haarnagel als Herrenhof beschreef, bleef een belangrijk onderdeel van de interpretatie. De omvangrijke gebouwen, bijzondere hal en opslagvoorzieningen onderscheiden het complex van kleinere erven. Toch blijft onzeker welke politieke of economische macht de bewoners bezaten. Er is geen plaatselijke schriftelijke bron die een heer, bestuurder of erfelijke leider noemt. De archeologie toont verschillen in ruimte en gebouwfunctie, maar geen volledig bekend bestuurssysteem. In de vierde eeuw veranderde bovendien de verhouding tussen de grote hof en de overige erven. De term Herrenhof moet daarom als een onderzoeksinterpretatie worden gebruikt, niet als een historische titel.
Een bijzondere aanwijzing voor sociale verschillen is de verspreiding van vierde-eeuwse munten binnen Feddersen Wierde. Volgens de in het projectonderzoek besproken interpretatie zijn bekende munten uit deze periode vooral of uitsluitend in de zone van de Herrenhof aangetroffen. Dat kan betekenen dat verre contacten en waardevolle goederen sterker bij bepaalde huishoudens waren geconcentreerd. De verklaring blijft voorzichtig. Munten konden toevallig verloren raken en de vindbaarheid van kleine metalen voorwerpen hangt af van de opgravingsmethode. Toch maakt deze ruimtelijke concentratie het mogelijk om de grote hof niet alleen aan gebouwen, maar ook aan de verspreiding van bijzondere vondsten te toetsen.
Grote en kleine erven — bezit, vee en opslag
Bij Feddersen Wierde zijn de verschillen tussen huishoudens archeologisch beter zichtbaar dan op veel andere plaatsen. Grote woonstalhuizen boden ruimte aan meer vee dan kleinere gebouwen. De opslagplaatsen laten bovendien zien dat niet alle erven dezelfde mogelijkheden hadden om landbouwproducten te bewaren. Zulke verschillen konden gevolgen hebben voor de hoeveelheid voedsel en andere middelen waarover een huishouden beschikte. Zij bewijzen echter niet dat de bewoners van de grote erven automatisch eigenaar waren van alle omliggende grond. Ook is onbekend welke afspraken er bestonden over het gebruik van weiden, de verdeling van arbeid en de toegang tot gemeenschappelijke voorzieningen.
De Herrenhof maakt de vraag naar sociale verschillen bijzonder concreet. Het complex onderscheidde zich door omvangrijke gebouwen, opslagvoorzieningen en een bijzondere hal. Dat wijst op een huishouden of groep huishoudens met andere materiële mogelijkheden dan sommige kleinere erven. Wanneer vierde-eeuwse munten inderdaad vooral in deze zone voorkwamen, kan ook de toegang tot waardevolle voorwerpen ongelijk verdeeld zijn geweest. De gebouwen en vondsten maken een invloedrijke positie aannemelijk, maar vertellen niet welke rechten daaruit voortkwamen. Er is geen bewijs voor een plaatselijke belastingheffer, een erfelijke bestuurder of verplichte afdrachten aan de bewoners van de hof.
Een grote hal kon ruimte bieden aan bijeenkomsten, het ontvangen van gasten of gezamenlijke activiteiten. De nabijheid van bijzondere aardewerkvormen maakt die mogelijkheid interessant. Toch mag het gebouw niet zonder verdere aanwijzingen als bestuurszaal worden beschreven. De politieke organisatie van Feddersen Wierde is niet uit geschreven regels bekend. Invloed kan hebben berust op bezit, verwantschap, toegang tot goederen of de mogelijkheid om anderen bij werkzaamheden te betrekken. Welke van die factoren in de vierde eeuw doorslaggevend waren, blijft onzeker. Juist daarom moeten de grote hof, de kleinere erven, de opslaggebouwen en de verspreiding van bijzondere vondsten gezamenlijk worden onderzocht.
Ambacht, landbouw en dagelijks werk
Ambachtelijke werkzaamheden bleven in Feddersen Wierde zichtbaar. De vondsten omvatten resten van ijzerbewerking, het verwerken van non-ferrometalen, houtbewerking en textielproductie. Slakken, smeltkroezen en andere productieafvalstukken wijzen op technische kennis. Tegelijk kunnen sommige afvalconcentraties door latere ophogingen zijn verplaatst. De plaats waar een voorwerp werd gevonden, hoeft daarom niet precies de oorspronkelijke werkplaats te zijn geweest. De aanwezigheid van kleinere gebouwen zonder grote stalruimte kan op een grotere betekenis van ambacht wijzen. Toch is niet bewezen dat de bewoners van zulke gebouwen volledig van gespecialiseerde productie leefden.
De landbouw bleef een belangrijke bestaansbasis. Runderen hadden stalruimte, grasland en wintervoer nodig. Bedekte gerst en andere gewassen werden verbouwd op geschikte akkers. Het onderhouden van een grote wierde vergde bovendien arbeid. Klei, mest en bouwmateriaal moesten worden aangevoerd. Huizen werden vernieuwd en afwateringsvoorzieningen moesten bruikbaar blijven. De groei van een woonheuvel kon de gebouwen beschermen, maar niet vanzelf de akkers en weiden rondom het dorp. Wanneer het omliggende land minder bruikbaar werd, konden ook grote nederzettingen onder druk komen te staan. Voor Feddersen Wierde is echter geen afzonderlijke vierde-eeuwse overstroming als bewezen oorzaak van de latere achteruitgang vastgesteld.
Het onderzoek naar Feddersen Wierde toont ook de beperkingen van aantallen gebouwen. De volledige opgravingsplattegrond bevat resten uit opeenvolgende eeuwen. Wanneer alle huizen en spiekers samen worden geteld, ontstaat een indrukwekkend beeld, maar geen momentopname van het dorp in 325. Voor de vierde eeuw moet worden vastgesteld welke gebouwen werkelijk gelijktijdig bestonden. Ook de omvang van stalruimten en opslaggebouwen moet per bouwfase worden beoordeeld. Alleen dan kan worden onderzocht of het aantal boerenbedrijven afnam en of ambachtelijke activiteiten relatief belangrijker werden. Een algemene vergelijking van grote en kleine huizen is daarvoor onvoldoende.
Romeinse maalstenen en een netwerk naar de Rijn
De maalstenen van Feddersen Wierde voegen een belangrijk gegeven toe aan het beeld van de vierde eeuw. In de projectdocumentatie wordt vermeld dat in een vergelijking van maalstenen uit de vierde en vijfde eeuw ongeveer 62 procent uit ingevoerd basalt bestond. Dat percentage heeft betrekking op de onderzochte vondstgroep en mag niet zonder controle worden toegepast op alle maalstenen van de nederzetting. De aanwijzing is niettemin belangrijk. Een maalsteen was een dagelijks werktuig voor het verwerken van graan, geen voorwerp dat uitsluitend als teken van aanzien werd bewaard. De aanwezigheid van basalt uit het Rijnlandse productiegebied laat zien dat grondstoffen van buiten het kustgebied ook in latere bewoningsfasen betekenis behielden.
De vergelijking met Ezinge is daarbij verhelderend. Ook daar zijn basaltlava-handmolens gevonden, naast andere werktuigen van natuursteen. Het malen van graan verbond het dagelijkse werk in een huishouden met de aanvoer van materiaal uit verafgelegen gebieden. Dat betekent niet dat ieder huishouden rechtstreeks met kooplieden uit het Rijnland handelde. De stenen konden via verschillende tussenpersonen worden verspreid en lange tijd in gebruik blijven. Wel maken zij duidelijk dat de economische wereld van de kustbewoners niet ophield bij hun eigen kwelders. Zelfs waar de bevolking terugliep, konden bepaalde verbindingen en technische gewoonten blijven bestaan.
De Eems, Weser en Elbe — contacten blijven bestaan
Langs de Eems, Weser en Elbe bleven eveneens verschillende nederzettingen en contactplaatsen in gebruik. Bentumersiel, aan de Eems, is vooral bekend door vroeg-Romeinse militaire contacten, maar de vindplaats bleef in ieder geval tot in de vierde eeuw functioneren. De verschillende vondstgroepen moeten chronologisch worden onderscheiden. Materiaal dat verband houdt met de campagnes van Germanicus in 15 en 16 n.Chr. behoort niet tot de vierde eeuw. Latere vondsten tonen dat de plaats ook daarna betekenis had. Daarmee vormt Bentumersiel een belangrijke schakel in de vergelijking tussen het Groningse kustgebied en de oostelijker gelegen riviermondingen.
Een uitzonderlijke vondst bij Bentumersiel is een rijk crematiegraf uit het begin van de vierde eeuw. Het graf bevatte drie Romeinse bronzen vaten, glazen kralen en bijna een kilogram gesmolten glas, waarschijnlijk afkomstig van verschillende glazen voorwerpen. De combinatie is bijzonder omdat kostbare importgoederen in een grafcontext werden achtergelaten. Het brons en glas waren daarmee aan het dagelijkse gebruik onttrokken. De vondst toont dat Romeinse materialen in deze periode nog aanwezig waren aan de Eems. Zij bewijst niet dat de begraven persoon een Romeinse bestuurder was of dat alle inwoners van Bentumersiel over vergelijkbare rijkdom beschikten.
Het graf van Bentumersiel is ook belangrijk voor het onderzoek naar sociale verschillen. Een rijk uitgeruste begraving kan wijzen op een bijzondere positie van de overledene of diens familie. Toch vertelt het graf niet welke rechten of verplichtingen deze persoon tijdens het leven bezat. De Romeinse bronzen vaten kunnen door handel, geschenken, persoonlijke contacten of hergebruik in het kustgebied terechtgekomen zijn. Het gesmolten glas maakt bovendien duidelijk dat niet alle voorwerpen in hun oorspronkelijke vorm bewaard bleven. De archeologische betekenis ligt daarom zowel in de kostbare materialen als in de wijze waarop zij uiteindelijk werden achtergelaten.
Ook Elsfleth-Hogenkamp, bij de Hunte, en Assel aan de Elbe behoren tot de plaatsen waar Romeinse voorwerpen en aanwijzingen voor metaalbewerking zijn aangetroffen. De vondsten bestrijken uiteenlopende perioden. Hun betekenis ligt in de mogelijkheid om contacten via de riviermondingen te onderzoeken. Niet alle Romeinse goederen hoefden via de Rijn en de Friese kust te zijn verspreid. De Weser en Elbe boden eveneens verbindingen met het achterland. Voor de periode 300–350 moet echter per vondst worden vastgesteld of zij werkelijk uit deze jaren stamt. Een algemene Romeinse muntcollectie is daarvoor onvoldoende.
De Groningse wierden — verschillende plaatselijke geschiedenissen
In het Groningse wierdengebied bleef de verspreiding van nederzettingen nauw verbonden met oude waterlopen. Middelstum, Lellens, Toornwerd, Kantens, Eelswerd, Rottum en Usquert lagen in het gebied van de Fivel en aangrenzende kwelderwallen. Verder oostelijk lagen Holwierde, Termunten, Farmsum, Weiwerd, Geefsweer, Amsweer, Heveskes en Woldendorp. De bewoningsgeschiedenis van deze plaatsen verschilt. Sommige leverden materiaal uit de Romeinse periode, maar dat bewijst niet dat zij allemaal tussen 300 en 350 even intensief bewoond waren. De afzonderlijke dateringen moeten worden behouden om de veranderingen binnen het gehele kustgebied te kunnen begrijpen.
Rond 325 was de noordelijke kust daardoor geen volledig verlaten gebied, maar ook geen ononderbroken reeks bloeiende nederzettingen. Wijnaldum-Tjitsma kende een duidelijke onderbreking. Bij andere Friese terpen was terugval zichtbaar. Ezinge bleef bewoond, terwijl Jelsum en mogelijk Marssum eveneens aanwijzingen voor continuïteit leverden. Feddersen Wierde bleef verder oostelijk een belangrijke nederzetting. De verschillen kunnen niet met één oorzaak worden verklaard. Veranderingen in waterhuishouding, landbouwmogelijkheden, sociale verbindingen en contacten met de Romeinse wereld kunnen elkaar hebben beïnvloed. Voor afzonderlijke families blijven de beslissingen die tot vertrek of voortbestaan leidden grotendeels onbekend.
Tegen 350 was de tegenstelling tussen blijvende en verlaten woonplaatsen een van de belangrijkste kenmerken van het kustgebied geworden. De bewoners die bleven, gebruikten een landschap waarin sommige oude erven hun functie hadden verloren. Zij konden bestaande ophogingen, waterwegen en bouwmaterialen blijven benutten. Andere gemeenschappen verdwenen uit het archeologische beeld. Dat betekende niet dat hun bewoners noodzakelijk stierven of het gehele kustgebied verlieten. Zij kunnen naar andere nederzettingen of het achterland zijn verhuisd. De archeologie laat de verlaten woonplaats zien, maar meestal niet de bestemming van degenen die vertrokken. Daarmee begon de tweede helft van de vierde eeuw in een sterk veranderd kustlandschap.
Deel 8 — 350–400 n.Chr. | Minder bewoners, nieuwe contacten en een veranderende samenleving
Rond 350 n.Chr. bestond de zuidelijke Noordzeekust uit een landschap waarin oude nederzettingspatronen gedeeltelijk waren uiteengevallen. Sommige terpen en wierden waren verlaten, andere werden nog bewoond. De veranderingen waren het duidelijkst in delen van Friesland, maar ook in Groningen en langs de Duitse kust waren verschillen zichtbaar. Het was geen wereld waarin alle bewoners tegelijk verdwenen. De mensen die bleven, moesten hun huizen onderhouden, vee verzorgen en grond gebruiken in een landschap dat voortdurend veranderde. Tegelijk bleef de Romeinse wereld een belangrijke buur. De kustgemeenschappen maakten deel uit van bredere contacten, zonder dat zij één gezamenlijk politiek bestuur vormden.
In het Romeinse Rijk bleven de militaire verhoudingen langs de Rijn veranderen. Constantius II was vanaf 337 een van de opvolgers van Constantijn en werd later alleenheerser. De grensgebieden werden getroffen door conflicten en militaire campagnes. In 355 kreeg Julianus een belangrijke militaire positie in Gallië. Twee jaar later versloeg hij bij Straatsburg een leger van Alamannische groepen. Deze gebeurtenissen tonen de militaire betekenis van het Rijngebied. Voor de bewoners van Ezinge en Feddersen Wierde zijn echter geen rechtstreekse deelname of plaatselijke gevolgen van deze veldslag aangetoond. De Romeinse politieke geschiedenis vormt daarom de achtergrond, niet de volledige verklaring van hun bestaan.
De namen waarmee Romeinse auteurs bevolkingsgroepen aanduidden, moeten voorzichtig worden gebruikt. In de derde en vierde eeuw verschenen Franken en Saksen in Romeinse berichten over gebieden ten noorden en oosten van het rijk. Die namen waren niet noodzakelijk gelijk aan de identiteit van ieder afzonderlijk kustdorp. Een bewoner van een wierde langs de Eems kan niet uitsluitend op basis van de ligging als Saks worden aangeduid. Evenmin bewijst een bepaald aardewerktype dat alle gebruikers ervan tot dezelfde bevolkingsgroep behoorden. Archeologische overeenkomsten kunnen ontstaan door uitwisseling, navolging, verwantschap of verplaatsing van mensen. Die mogelijkheden moeten afzonderlijk worden beoordeeld.
Friesland — verlaten terpen en blijvende gemeenschappen
In Friesland was de bewoningsafname inmiddels op meerdere plaatsen zichtbaar. Wijnaldum-Tjitsma bleef na het einde van de bewoning rond 325 voorlopig verlaten. De hervatting wordt pas omstreeks 425 geplaatst. Daarmee valt de gehele periode 350–400 binnen de onderbreking die bij de opgravingen van 1991 tot 1993 werd vastgesteld. De oude terp bleef in het landschap aanwezig, maar leverde geen overtuigend bewijs voor een doorgaande plaatselijke gemeenschap. Dat onderscheid is belangrijk. Een geschikte woonhoogte kan blijven bestaan zonder dat mensen haar gebruiken. De latere hervatting van bewoning betekent niet automatisch dat dezelfde families terugkeerden.
Bij Wierum en Tritsum ontbreken eveneens overtuigende aanwijzingen voor een onafgebroken laat-Romeinse bewoning. De precieze perioden van terugval verschillen per plaats. Bij Hallum, Harssens en Leeuwarden-Oldehoofsterkerkhof zijn eveneens veranderingen zichtbaar. Deze vindplaatsen laten zien dat de terugval niet tot één kleine streek beperkt bleef. Toch is het niet verantwoord om alle genoemde plaatsen als gelijktijdig verlaten te beschrijven. De opgravingsomstandigheden verschillen en niet overal zijn evenveel goed gedateerde vondsten beschikbaar. Een schaarse vierde-eeuwse vondstgroep kan op weinig bewoners wijzen, maar ook het gevolg zijn van beperkte opgravingen of latere verstoring.
De vergelijking met Jelsum maakt de regionale ontwikkeling ingewikkelder. Nieuw aardewerkonderzoek heeft de mogelijkheid van bewoningscontinuïteit in de vierde eeuw versterkt. Ook Marssum wordt als mogelijke plaats met doorgaande bewoning genoemd. Daarmee ontstaat een landschap waarin sommige gemeenschappen bleven bestaan terwijl naburige woonplaatsen werden verlaten. De vraag waarom dat gebeurde, is niet eenvoudig te beantwoorden. Verschillen in de hoogte van terpen, de beschikbaarheid van landbouwgrond en de ligging aan waterlopen kunnen een rol hebben gespeeld. Ook de geschiedenis van families en hun onderlinge verbindingen kan van betekenis zijn geweest. Zulke sociale factoren zijn archeologisch echter moeilijk rechtstreeks vast te stellen.
Ezinge — bewoningscontinuïteit in een veranderende wereld
Ezinge bleef een van de belangrijkste bewoonde plaatsen in het Groningse kustgebied. Het onderzoek naar aardewerk uit de vierde en vijfde eeuw heeft laten zien dat de nederzetting niet volledig werd verlaten. Uit 153 verschillende archeologische contexten is materiaal uit deze brede periode bekend. Die verspreiding maakt het onwaarschijnlijk dat alle late vondsten uitsluitend afkomstig zijn van enkele toevallige bezoekers. Tegelijk mag het totale aantal contexten niet als een telling voor 350–400 worden gebruikt. Een deel van het materiaal behoort tot de vijfde eeuw. De vondsten tonen continuïteit over een langere periode, terwijl de omvang van de gemeenschap veranderde.
De huizen van Ezinge werden in de late vierde en vijfde eeuw anders over de wierde verdeeld. De oudere, min of meer radiale ordening werd minder strikt. Grotere afstanden tussen gebouwen konden ontstaan doordat minder huishoudens op de woonheuvel aanwezig waren. De jongere huisplattegronden tonen dat de gemeenschap haar bestaande woonplaats anders ging gebruiken. Dat hoeft geen volledige verandering van bevolking te betekenen. Dezelfde families of hun nakomelingen konden andere bouwvormen toepassen wanneer hun omstandigheden veranderden. Het is evenmin uitgesloten dat nieuwe bewoners zich bij de overblijvende gemeenschap aansloten. De archeologie kan beide processen niet altijd van elkaar onderscheiden.
De verandering van huisvormen had gevolgen voor het dagelijks leven. In oudere woonstalhuizen waren mensen en vee onder één dak ondergebracht. De inrichting van stalruimten laat zien hoeveel aandacht werd besteed aan het verzorgen van runderen. In latere fasen veranderden sommige gebouwtypen en werd de verdeling van werkzaamheden over het erf anders. Kleine bijgebouwen konden een grotere betekenis krijgen. De duidelijkste aanwijzingen voor rijen hutkommen behoren vooral tot de overgang naar de vijfde eeuw en de periode daarna. Zij mogen daarom niet zonder afzonderlijke datering als algemeen kenmerk van Ezinge in 360 worden beschreven.
Hutkommen waren kleine gebouwen met een verdiept vloerniveau. In Ezinge zijn zij uit latere bewoningsfasen bekend, soms in rijen bij grotere huizen. Zulke gebouwen konden voor ambachtelijke werkzaamheden worden gebruikt. In één hutkom werden tien loden ringen gevonden die waarschijnlijk als weefgewichten functioneerden. De vondst is belangrijk voor het onderzoek naar textielproductie, maar de precieze plaats binnen de late vierde en vijfde eeuw moet worden behouden. Het bestaan van een hutkom bewijst niet automatisch dat een nieuwe bevolkingsgroep was aangekomen. Een bestaande gemeenschap kon nieuwe gebouwtypen overnemen wanneer die praktisch bruikbaar waren.
Textiel, arbeid en de economie van kleinere nederzettingen
Textielproductie was al eeuwenlang onderdeel van het leven langs de Noordzee. Spinklossen, weefgewichten en andere werktuigen zijn op verschillende terpen en wierden gevonden. Wol van schapen kon worden verwerkt tot garen en stoffen. Ook vlas was in het kustgebied bekend. In Feddersen Wierde zijn aanwijzingen voor spinnen en weven aangetroffen. De werkzaamheden konden binnen huishoudens plaatsvinden of in afzonderlijke gebouwen worden uitgevoerd. De aanwezigheid van gespecialiseerde werktuigen bewijst niet dat alle textiel voor een verre markt werd geproduceerd. Een groot deel kan voor eigen gebruik of uitwisseling tussen naburige huishoudens bestemd zijn geweest.
De economie van een kleinere nederzetting hoefde niet eenvoudiger te zijn dan die van een grotere. Wanneer minder mensen op een wierde woonden, moesten zij nog steeds beschikken over voedsel, werktuigen, bouwmateriaal en contacten met andere gemeenschappen. Sommige werkzaamheden konden moeilijker worden wanneer ervaren ambachtslieden vertrokken. Andere activiteiten konden juist meer binnen afzonderlijke huishoudens worden uitgevoerd. De archeologie maakt zulke veranderingen slechts gedeeltelijk zichtbaar. Een kleiner aantal huizen betekent niet automatisch dat iedere vorm van gespecialiseerde arbeid verdween. De overblijvende bewoners konden hun werk anders organiseren en bestaande materialen opnieuw gebruiken.
Romeins goud — twee solidi uit Ezinge
Juist in Ezinge zijn uit de late Romeinse tijd twee opmerkelijke gouden munten bekend. De eerste is een solidus van keizer Valentinianus I, geslagen in Antiochië tussen 364 en 367. De tweede is een solidus van Arcadius, geslagen in Mediolanum, het huidige Milaan, tussen 395 en 402. Beide munten werden in 1937 geregistreerd en bevinden zich in het Groninger Museum. De oorspronkelijke archeologische vondstomstandigheden zijn onvoldoende gedocumenteerd. Daarom kan niet worden vastgesteld wanneer zij precies verloren gingen of werden achtergelaten. De munt van Arcadius behoort bovendien tot een slagperiode die over de grens van het jaar 400 heen loopt.
De solidus van Valentinianus I is bijzonder omdat de munt in het oostelijke Middellandse Zeegebied werd vervaardigd en uiteindelijk in Ezinge terechtkwam. Dat betekent niet dat een inwoner van Ezinge zelf naar Antiochië reisde. De munt kon via soldij, diplomatieke betalingen, geschenken, buit of verschillende tussenpersonen zijn verspreid. Hetzelfde geldt voor de munt van Arcadius uit Milaan. De twee productieplaatsen maken duidelijk hoe groot de geografische afstand kon zijn tussen de plaats waar een voorwerp werd gemaakt en de plaats waar het uiteindelijk werd gevonden. De routes waarlangs deze afzonderlijke munten Ezinge bereikten, zijn onbekend.
Een solidus had binnen het Romeinse Rijk een vastgestelde betekenis als gouden munt. Buiten de Romeinse provincies kon vooral de hoeveelheid goud belangrijk zijn. De munt kon worden bewaard, doorgegeven, omgesmolten of gebruikt om een verplichting of geschenk van aanzienlijke waarde te vertegenwoordigen. Daarmee was een Romeinse munt niet noodzakelijk onderdeel van een plaatselijke geldeconomie waarin alle goederen vaste muntprijzen hadden. De aanwezigheid van twee solidi toont wel dat uitzonderlijk waardevol materiaal de wierde bereikte. Zij bewijst niet dat iedere bewoner over Romeins geld beschikte of dat de gemeenschap volgens Romeinse fiscale regels functioneerde.
Goud, gewicht en de ongelijke toegang tot verre contacten
De gouden solidus van Valentinianus I uit Ezinge maakt zichtbaar dat de toegang tot waardevolle goederen niet volledig verdween toen verschillende kustnederzettingen kleiner werden. De munt werd tussen 364 en 367 in Antiochië geslagen, op grote afstand van het Groningse kustgebied. Hoe zij Ezinge bereikte, is onbekend. Binnen het Romeinse Rijk maakte een solidus deel uit van een georganiseerd muntstelsel. Buiten de rijksgrens kon ook de hoeveelheid goud bepalend zijn voor zijn waarde. De munt kan daardoor in een andere economische en sociale omgeving zijn gebruikt dan waarvoor zij oorspronkelijk was vervaardigd. De vondst zegt echter niets rechtstreeks over het vermogen van andere huishoudens op de wierde.
Voor de betekenis van goud is ook het gebruik van weeginstrumenten van belang. Uit Ezinge is een unster bekend, een instrument waarmee gewicht kon worden bepaald. Dat maakt het mogelijk om na te denken over een economie waarin de waarde van bepaalde goederen of metalen door wegen werd gecontroleerd. De precieze datering en vondstcontext van de unster moeten echter afzonderlijk worden vastgesteld. Zonder die controle mag het instrument niet rechtstreeks aan de solidi van Valentinianus en Arcadius worden gekoppeld. De combinatie van muntvondsten en weegtechniek is onderzoeksmatig belangrijk, maar bewijst geen specifieke transactie in de vierde eeuw.
De vraag wie toegang had tot zulke voorwerpen raakt aan de sociale verhoudingen binnen de nederzettingen. Een gouden munt vertegenwoordigde aanzienlijk meer materiaalwaarde dan een gewone aardewerken pot. Het bezit ervan kon daardoor een bijzondere positie zichtbaar maken. Toch is niet bekend of de solidus van Valentinianus aan een grootgrondbezitter, een reiziger, een voormalige soldaat of een ander persoon toebehoorde. Ook de plaats waar de munt uiteindelijk werd achtergelaten, is onvoldoende gedocumenteerd. De vondst kan daarom niet aan één huishouden worden toegewezen. Zij toont de aanwezigheid van goud in Ezinge, maar niet de volledige verdeling van rijkdom binnen de gemeenschap.
Ezinge als mogelijk regionaal centrum
De twee gouden munten roepen ook de vraag op of Ezinge binnen het kustgebied een bijzondere positie innam. Annet Nieuwhof heeft voorzichtig geopperd dat de wierde in de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen mogelijk een regionaal centrum was. Daarbij spelen niet alleen de solidi een rol, maar ook de doorgaande bewoning, de relatief grote hoeveelheid drinkbekers uit de midden-Romeinse tijd en bijzondere vondsten uit latere eeuwen. Het gaat nadrukkelijk om een hypothese. Er is geen geschreven bestuursarchief van Ezinge en geen met zekerheid geïdentificeerd bestuursgebouw. De aanwezigheid van goud maakt een plaats nog niet automatisch tot de zetel van een vorst.
De hypothese van een regionaal centrum krijgt meer betekenis wanneer de vondsten over een lange periode worden vergeleken. In de midden-Romeinse tijd waren drinkbekers opvallend aanwezig. In de vierde eeuw bleven contacten met de Romeinse wereld zichtbaar door importaardewerk en goud. In latere eeuwen verschenen Schalenurnen, veel Merovingisch draaischijfaardewerk en een bijzondere gouden zwaardknop met almandijninleg. Die laatste vondsten behoren niet tot de vierde eeuw en worden daarom als latere contactlaag behandeld. Zij kunnen wel helpen om de langdurige betekenis van de woonplaats te onderzoeken. Continuïteit van bewoning is echter niet hetzelfde als continuïteit van politieke macht.
Terra sigillata krijgt een tweede leven
De late Romeinse aardewerkvondsten uit Ezinge laten eveneens zien dat de gemeenschap niet volledig geïsoleerd raakte. Van de 172 fragmenten terra sigillata behoren 35 tot een latere groep. Daaronder bevinden zich Late-Argonnewaar, één fragment Oxfordshirewaar en 25 fragmenten African Red Slip Ware. De aanwezigheid van dit materiaal toont verbindingen met de Romeinse productie- en verspreidingswereld. De vondsten mogen niet worden voorgesteld als bewijs voor rechtstreekse reizen naar Noord-Afrika, Gallië of Brittannië. Goederen konden verschillende keren van eigenaar wisselen voordat zij de noordelijke kust bereikten. Hun aanwezigheid toont bereik, maar niet de volledige route.
Een afzonderlijk fragment importaardewerk vertelt bovendien niet hoeveel mensen het voorwerp gebruikten. Een schaal kon binnen een huishouden lange tijd worden bewaard en na breuk gedeeltelijk worden hergebruikt. Scherven konden later in ophogingsmateriaal terechtkomen. Daarom is het noodzakelijk om de vondstcontext te onderscheiden van de vervaardigingsperiode. De late terra sigillata uit Ezinge vormt een belangrijke aanwijzing voor contacten, maar niet ieder fragment kan zonder meer precies tussen 350 en 400 worden geplaatst. Voor een betrouwbare chronologie moeten de verschillende productietypen en hun bekende dateringen afzonderlijk worden gebruikt.
De Romeinse terra sigillata uit Ezinge kreeg na beschadiging soms een tweede leven. Scherven werden bewerkt tot hangertjes, netverzwaarders, speelsteentjes en mogelijk amuletten. Daardoor veranderde een voorwerp dat oorspronkelijk als tafelservies was vervaardigd in een object met een heel andere functie. Een publicatie van Annet Nieuwhof uit 2024 benadrukt hoe opvallend dit hergebruik is. Voor de eerste twee importfasen wordt een zeer hoog aandeel secundair gebruikte fragmenten genoemd, ongeveer tachtig procent. Dat percentage betreft vooral ouder Romeins materiaal en mag daarom niet worden voorgesteld als een afzonderlijke telling voor de jaren 350–400.
Het hergebruik is belangrijk omdat het laat zien dat Romeinse voorwerpen niet uitsluitend als voorbeelden van buitenlandse luxe werden gewaardeerd. Ook het materiaal, de kleur en de mogelijkheden om een scherf opnieuw te bewerken konden betekenis hebben. De rode kleur van terra sigillata kan volgens de onderzoeksinterpretatie een bijzondere aantrekkingskracht hebben gehad, maar de precieze symbolische betekenis is niet bewezen. De vondsten verbinden dagelijkse arbeid met persoonlijke gebruiken. Zij laten bovendien zien dat een voorwerp nog lang nadat het oorspronkelijke servies was gebroken een plaats kon behouden binnen het leven van een kustgemeenschap.
Aardewerktradities en de vraag naar migratie
In de vierde en vijfde eeuw veranderde ook het handgevormde aardewerk langs de Noordzeekust. De vormen en versieringen vertonen overeenkomsten tussen verschillende nederzettingen, maar blijven plaatselijk verschillend. Een vergelijking van Ezinge, Midlaren-De Bloemert en Feddersen Wierde laat zien dat overeenkomsten niet automatisch op één bevolkingsverplaatsing wijzen. Nieuwe vormen konden door contact, navolging of uitwisseling worden verspreid. De term Angelsaksisch, die in archeologische literatuur voor bepaalde stijlen wordt gebruikt, mag daarom niet zonder meer als aanduiding van de afkomst van iedere pottenbakker worden behandeld. Materiële cultuur en persoonlijke identiteit vallen niet noodzakelijk samen.
In de onderzochte aardewerkvergelijking zijn 2.571 relevante exemplaren uit Feddersen Wierde betrokken. Deze werden vergeleken met kleinere verzamelingen uit Ezinge en Midlaren-De Bloemert. Grote potten kwamen op verschillende plaatsen voor, maar de verhoudingen tussen vormen verschilden. Ezinge had relatief veel brede potten van het type G7, terwijl Feddersen Wierde meer smalle vormen en relatief meer kommen en schalen kende. Deze verschillen zijn belangrijk voor het dagelijks leven. Zij kunnen samenhangen met uiteenlopende gewoonten bij koken, bewaren, serveren en drinken. Een gedeelde aardewerkstijl betekende dus niet dat alle huishoudens langs de kust hetzelfde leefden.
Nieuw materiaalonderzoek naar aardewerk in Angelsaksische stijl heeft laten zien dat vormgeving, grondstofkeuze en afwerking afzonderlijk moeten worden bestudeerd. De verspreiding van vergelijkbare potvormen tussen Noord-Nederland en Noordwest-Duitsland hoeft niet uitsluitend het gevolg te zijn geweest van grootschalige volksverhuizingen. Technieken en stijlen konden ook via contacten tussen bestaande gemeenschappen worden overgenomen. Dat is vooral belangrijk voor Ezinge, waar de bewoning doorging terwijl de aardewerkvormen veranderden. De aanwezigheid van nieuw aardewerk vormt daardoor geen zelfstandig bewijs dat de oudere bevolking volledig werd vervangen.
Voor de vergelijking met Feddersen Wierde is dit onderscheid eveneens belangrijk. De beide nederzettingen deelden bepaalde aardewerktradities, maar verschilden in de verhoudingen tussen potvormen en in hun bewoningsgeschiedenis. Een overeenkomst in een versieringsmotief kan wijzen op contact, terwijl verschillen in de samenstelling van het vaatwerk op uiteenlopende dagelijkse gewoonten kunnen duiden. Pas wanneer aardewerk wordt gecombineerd met huisplattegronden, begravingen en andere vondstcategorieën kan de mogelijkheid van migratie verder worden onderzocht. De vierde eeuw moet daarom niet worden beschreven als een eenvoudige vervanging van het ene volk door het andere.
Schalenurnen, gezamenlijke maaltijden en sociale macht
Een bijzondere groep binnen het latere aardewerk bestaat uit Schalenurnen. Zulke vormen zijn zowel uit Ezinge als uit Feddersen Wierde bekend. Bij Feddersen Wierde concentreerde een bepaalde variant zich opvallend rond de zone van de Herrenhof en de als mogelijke vergaderhal geïnterpreteerde bebouwing. Nieuwhof heeft daarom de mogelijkheid besproken dat deze schalen een rol speelden bij gezamenlijke of ceremoniële maaltijden. De vergelijking is betekenisvol, maar de relevante vondsten bestrijken ook de vijfde eeuw. Zij mogen niet allemaal als bewijs voor bijeenkomsten in de jaren 350–400 worden gebruikt.
Het mogelijke gebruik van Schalenurnen bij gezamenlijke maaltijden verbindt het onderzoek naar aardewerk met de vraag naar sociale macht. Eten en drinken konden gelegenheden zijn waarop verwantschap, gastvrijheid en onderlinge verplichtingen werden bevestigd. Een bijzondere schaal kon als geschenk worden doorgegeven of bij een bijeenkomst worden gebruikt. Zulke handelingen kunnen politieke betekenis hebben gehad zonder dat er een formele staat bestond. De concentratie rond de Herrenhof maakt deze mogelijkheid interessant. Toch is er geen rechtstreeks bewijs voor diplomatieke bijeenkomsten tussen Ezinge en Feddersen Wierde. De interpretatie blijft een hypothese die aan vondstcontexten moet worden getoetst.
Feddersen Wierde — boeren en veelzijdige ambachtslieden
Feddersen Wierde bleef in de tweede helft van de vierde eeuw een belangrijke nederzetting langs de Weser-Elbekust. De woonheuvel was gedurende eeuwen opgehoogd en bereikte uiteindelijk een oppervlakte van ongeveer vier hectare. De bewoners hadden een ingewikkeld geheel van huizen, opslaggebouwen en erven opgebouwd. Toch veranderde de nederzetting in de late bewoningsfasen. Grote agrarische verbanden werden minder duidelijk, terwijl kleinere woonstalhuizen en gebouwen met weinig stalruimte relatief belangrijker werden. Dat wijst op veranderingen in de economische organisatie. Het bewijst echter niet dat de landbouw volledig plaatsmaakte voor ambachtelijke productie.
De grote hofstructuur bleef volgens Haarnagels reconstructie langer herkenbaar dan sommige omliggende boerenerven. Dat is belangrijk voor de vraag of bepaalde huishoudens hun bijzondere positie konden behouden terwijl de nederzetting kleiner werd. Toch blijft de politieke betekenis van het complex onzeker. Een grote hal kan ruimte hebben geboden voor bijeenkomsten, maar er is geen schriftelijke bron die een vierde-eeuwse bestuurder van Feddersen Wierde noemt. Evenmin kan worden vastgesteld dat de overige bewoners verplicht waren arbeid of producten aan één familie af te dragen. De archeologische verschillen tonen een ongelijke verdeling van ruimte en middelen, niet een volledig bekend machtsstelsel.
De verspreiding van vierde-eeuwse munten rond de Herrenhof geeft aan deze vraag een extra dimensie. Wanneer waardevolle of bijzondere voorwerpen zich vooral in één deel van de nederzetting concentreren, kan dat wijzen op verschillen in toegang tot verre contacten. Een groot erfcomplex beschikte mogelijk over meer middelen om gasten te ontvangen, voorraden te bewaren of goederen uit te wisselen. Toch blijft het mogelijk dat de concentratie gedeeltelijk door toeval, vondstomstandigheden of latere verstoring is ontstaan. De munten moeten daarom samen met de gebouwen en andere vondsten worden onderzocht. Alleen hun aanwezigheid is onvoldoende om een vast politiek bestuur te reconstrueren.
De ambachtelijke productie van Feddersen Wierde moet niet worden voorgesteld als een verzameling volledig gescheiden beroepen. Jörn Schuster en Patrice de Rijk hebben juist gewezen op het belang van veelzijdige vaklieden. Metaalbewerking kon op betrekkelijk kleine schaal plaatsvinden, terwijl dezelfde mensen ook landbouw bedreven of andere materialen bewerkten. De aanwezigheid van slakken, smeltkroezen en gereedschap bewijst technische kennis, maar niet dat iedere werkplaats door een voltijdse beroepsambachtsman werd gebruikt. Ook het onderscheid tussen de grote Herrenhof en kleinere erven mag niet automatisch worden vertaald naar een hiërarchie waarin alle ambachtslieden afhankelijk waren van één leider.
Die combinatie van werkzaamheden past bij een samenleving waarin huishoudens verschillende economische taken moesten uitvoeren. Runderen moesten worden verzorgd, graan moest worden gemalen, gebouwen werden onderhouden en metalen voorwerpen konden worden gerepareerd. Daarnaast waren spinnen, weven en houtbewerking noodzakelijk. De conservering van wol, leer en hout in Feddersen Wierde maakt een deel van deze activiteiten uitzonderlijk goed zichtbaar. De vondsten tonen een gevarieerde arbeidswereld, maar vertellen niet precies welke werkzaamheden door vrouwen, mannen, kinderen of afhankelijke personen werden uitgevoerd. De sociale organisatie van het werk blijft daarom gedeeltelijk onbekend.
Maalstenen verbinden Feddersen Wierde met het Rijnland
De maalstenen uit Feddersen Wierde tonen dat de bewoners voor belangrijke dagelijkse werkzaamheden afhankelijk bleven van materialen uit andere gebieden. Naast maalstenen van regionale steensoorten zijn exemplaren van basaltlava uit het Rijnland gevonden. Volgens een in het projectonderzoek besproken telling bestond in de vierde en vijfde eeuw ongeveer 62 procent van de maalstenen uit ingevoerd basalt. De oorspronkelijke telling en de precieze afbakening van deze periode moeten nog afzonderlijk worden gecontroleerd. Het gegeven is niettemin belangrijk omdat het om zware gebruiksvoorwerpen gaat die voor het malen van graan nodig waren.
Een basaltmaalsteen vertegenwoordigde een andere vorm van contact dan een gouden munt of een kostbaar sieraad. Het voorwerp was bedoeld voor herhaald dagelijks gebruik en moest ondanks zijn gewicht over grote afstanden worden vervoerd. Dat kon alleen wanneer verbindingen tussen productiegebieden, tussenpersonen en kustnederzettingen bleven functioneren. De aanwezigheid van zulke maalstenen betekent niet dat een bewoner van Feddersen Wierde persoonlijk naar de Eifel reisde. Zij toont wel dat veranderingen in de omvang en inrichting van de nederzetting niet noodzakelijk gepaard gingen met het verdwijnen van alle verre economische contacten.
De veranderende bestaansbasis van Feddersen Wierde
De verandering van Feddersen Wierde moet worden verbonden met het omliggende landschap. Een hoge woonheuvel beschermde de huizen tegen water, maar niet automatisch de landbouwgrond. Wanneer kwelders natter of zouter werden, konden graslanden en akkers minder bruikbaar worden. Ook de bereikbaarheid van de nederzetting kon veranderen. Zulke ontwikkelingen konden de bestaansbasis van boerenbedrijven onder druk zetten. Haarnagel noemde veranderingen in de zee-invloed en herhaalde overstromingen als mogelijke oorzaken van de latere verlatenheid. Die verklaringen zijn niet als enige bewezen oorzaak vastgesteld. Bovendien werd Feddersen Wierde niet al vóór 400 volledig verlaten.
De contacten van Feddersen Wierde met andere gebieden bleven van belang. De nederzetting had eerder Romeinse munten, terra sigillata, mantelspelden, metalen voorwerpen en basaltmaalstenen ontvangen. In totaal zijn ongeveer 230 fragmenten terra sigillata uit de nederzetting bekend. Dat aantal betreft de gehele relevante bewoningsgeschiedenis, niet uitsluitend de vierde eeuw. Sommige materialen waren afkomstig uit het Rijngebied of van nog verder weg. De latere bewoningsfasen moeten afzonderlijk worden onderzocht om vast te stellen welke verbindingen bleven bestaan. Een afname van herkenbare Romeinse import betekent niet noodzakelijk dat alle uitwisseling stopte.
Fallward — uitzonderlijk bewaarde graven
Een belangrijke aanvullende vindplaats in de omgeving van Feddersen Wierde is Fallward. Daar zijn graven uit de vierde en vijfde eeuw onderzocht waarin door de natte bodem uitzonderlijk veel houten materiaal bewaard bleef. De vondsten geven informatie over houten grafconstructies, persoonlijke bezittingen en de omgang met overledenen. De conservering maakt Fallward bijzonder waardevol, omdat hout op veel andere plaatsen grotendeels is verdwenen. De graven mogen echter niet zonder meer aan bewoners van Feddersen Wierde worden toegeschreven. Fallward is een afzonderlijke vindplaats en de verschillende graven moeten ieder naar datering en vondstinhoud worden beoordeeld.
De vergelijking tussen Fallward en Feddersen Wierde laat zien waarom nederzettingen en grafvelden samen moeten worden onderzocht. Feddersen Wierde biedt een uitzonderlijk beeld van huizen, erven, opslaggebouwen en ambachtelijke activiteiten. Fallward laat juist zien welke voorwerpen en houten constructies bij begravingen konden worden gebruikt. Niet alles wat in een graf wordt gevonden, kwam noodzakelijk uit het dagelijks huishouden van de overledene. Sommige objecten kunnen speciaal voor de begrafenis zijn gemaakt of geselecteerd. Daardoor vullen beide vindplaatsen elkaar aan, maar kunnen hun vondsten niet zonder meer als één archeologische verzameling worden behandeld.
Bentumersiel en de waarde van Romeinse goederen
Bij Bentumersiel aan de Eems was al aan het begin van de vierde eeuw een bijzonder rijk crematiegraf aangelegd. De drie Romeinse bronzen vaten, glazen kralen en bijna een kilogram gesmolten glas laten zien dat kostbare goederen in het kustgebied aanwezig bleven. Hoewel de begraving ouder is dan 350, vormt zij een belangrijke voorgeschiedenis voor de tweede helft van de eeuw. De vondst laat zien dat waardevolle Romeinse goederen nog in het noordelijke kustgebied aanwezig waren toen elders nederzettingen al terugliepen. Zij bewijst niet dat Bentumersiel gedurende de gehele vierde eeuw even rijk bleef, maar maakt duidelijk dat veranderingen regionaal ongelijk verliepen.
Het crematiegraf van Bentumersiel laat ook zien dat kostbare voorwerpen een andere betekenis konden krijgen wanneer zij in een graf werden geplaatst. Bronzen vaten en glas waren niet langer beschikbaar voor dagelijks gebruik. Hun depositie maakte deel uit van de behandeling van de overledene. De precieze betekenis van deze handeling blijft onbekend. Zij kan verband hebben gehouden met status, familiebanden of andere opvattingen over de doden. De vondst mag niet worden gebruikt om zonder verdere aanwijzingen een vaste politieke rang aan de begraven persoon toe te kennen. Evenmin bewijst Romeins vaatwerk dat de overledene een Romeinse identiteit bezat.
De Groningse kust en het Eemsgebied
In het Groningse kustgebied bleven de oude waterlopen van betekenis. De Fivel, de Hunze en de verbindingen met de Eems boden mogelijkheden voor vervoer en contacten met het achterland. De nederzettingen rond Middelstum, Lellens, Stitswerd, Warffum, Loppersum, Holwierde en Termunten hadden echter verschillende bewoningsgeschiedenissen. Voor sommige plaatsen is Romeins materiaal bekend, maar dat kan uit eerdere eeuwen stammen. Het is daarom noodzakelijk om de vierde-eeuwse bewoning te onderscheiden van de algemene aanwezigheid van Romeinse vondsten. Een mantelspeld uit de tweede eeuw bewijst geen bewoning rond 375, tenzij de vondstcontext daarvoor aanvullende aanwijzingen levert.
Hetzelfde geldt voor Farmsum, Weiwerd, Geefsweer, Amsweer, Heveskes en Woldendorp. Deze nederzettingen lagen in het Eemsgebied, waar oude kwelderwallen en waterlopen de mogelijkheden voor bewoning bepaalden. Sommige plaatsen leverden aardewerk uit verschillende eeuwen op. Andere zijn slechts gedeeltelijk onderzocht of door latere ingrepen verstoord. Het is niet verantwoord om alle vondstplaatsen als gelijktijdige vierde-eeuwse dorpen op een kaart te zetten. De archeologie moet eerst vaststellen welke nederzettingen werkelijk in gebruik waren. Pas daarna kan worden onderzocht hoe de bewoning zich langs de Eems ontwikkelde.
De Noordzee, Brittannië en veranderende contacten
De vierde eeuw was ook een periode waarin contacten over de Noordzee geleidelijk veranderden. De gebieden langs de Weser en Elbe stonden in verbinding met andere kuststreken, waaronder de oostkust van Brittannië. In de late vierde en vooral de vijfde eeuw worden bevolkingsverplaatsingen over de Noordzee aannemelijk. Voor de jaren 350–400 moet echter voorzichtig worden omgegaan met de omvang en richting van zulke bewegingen. Een nieuwe aardewerkvorm kan door reizigers, verwanten of handel zijn verspreid. Zij bewijst niet dat een complete nederzetting is verhuisd. De migratiegeschiedenis moet daarom worden opgebouwd uit meerdere soorten archeologische en historische gegevens.
In 367 werd Romeins Brittannië getroffen door een ernstige militaire crisis die in de moderne geschiedschrijving vaak de Grote Samenzwering wordt genoemd. Romeinse bronnen beschrijven aanvallen en onrust waarbij verschillende groepen betrokken waren. Deze gebeurtenissen tonen dat de Noordzee en de gebieden rond het Kanaal deel uitmaakten van een ingewikkelde militaire wereld. Zij bewijzen echter niet dat de bewoners van Feddersen Wierde of Ezinge aan de aanvallen deelnamen. Het zou onjuist zijn om iedere kustgemeenschap ten oosten van de Rijn met de Saksische groepen uit Romeinse teksten gelijk te stellen. De namen in die teksten hebben een andere bewijskracht dan plaatselijke archeologische vondsten.
Romeinse oorlogen en de grenzen van het bewijs
De militaire crises van het Romeinse Rijk konden gevolgen hebben voor de verspreiding van goederen en mensen langs de noordelijke grenzen. De campagnes van Julianus in Gallië en de onrust in Brittannië in 367 laten zien dat de militaire situatie in de tweede helft van de vierde eeuw instabiel bleef. Romeinse soldaten ontvingen betalingen en legers hadden voedsel, kleding, uitrusting en transport nodig. Zulke behoeften konden economische contacten buiten de provincies stimuleren. Voor Ezinge en Feddersen Wierde is echter niet vastgesteld dat hun bewoners rechtstreeks leveringen aan Romeinse troepen verzorgden. Een algemeen militair verband mag daarom niet worden voorgesteld als een bewezen plaatselijke inkomstenbron.
De solidus van Valentinianus I past chronologisch in deze periode van militaire en bestuurlijke veranderingen. Goud kon het Romeinse Rijk verlaten via betalingen, geschenken, persoonlijke contacten of andere vormen van overdracht. Welke weg deze munt aflegde, is onbekend. Haar aanwezigheid maakt wel duidelijk dat de politieke grens langs de Rijn geen volledige economische afsluiting vormde. De bewoners van de kust waren geen Romeinse provinciebewoners, maar konden voorwerpen gebruiken die binnen het rijk een officiële geldwaarde hadden. Daarmee bestonden verschillende economische gewoonten naast elkaar, zonder dat één gezamenlijk bestuur of één uniforme plaatselijke markt hoeft te worden aangenomen.
Geloof, rituelen en de grenzen van de archeologie
In de daaropvolgende decennia veranderde ook de Romeinse politieke en religieuze wereld. Keizer Theodosius I regeerde vanaf 379 in het oostelijke deel van het rijk en werd later alleenheerser. Het christendom kreeg binnen de keizerlijke staat een steeds sterkere positie. Voor de noordelijke kust buiten de Rijn is daarmee echter geen algemene bekering aangetoond. De bewoners van Ezinge en Feddersen Wierde lieten geen geschreven geloofsbelijdenissen achter. Bijzondere dierlijke deposities, menselijke resten en andere vondsten kunnen iets vertellen over rituelen, maar niet zonder meer over de namen van vereerde goden. Romeinse beeldjes uit oudere lagen bewijzen evenmin dat de plaatselijke religie volledig Romeins was geworden.
De omgang met ritueel en begraving verschilde bovendien per plaats en periode. In Ezinge zijn bijzondere deposities en menselijke resten uit verschillende eeuwen bekend. Sommige voorwerpen werden bij gebouwen achtergelaten, andere bij begravingen. De betekenis van zulke handelingen kan in de loop van de tijd zijn veranderd. Een oudere traditie hoeft niet onafgebroken te zijn voortgezet. Ook de aanwezigheid van een bijzonder voorwerp in een vierde-eeuwse context bewijst niet dat het voorwerp in diezelfde eeuw werd vervaardigd. Voor rituele interpretaties is daarom dezelfde chronologische zorgvuldigheid nodig als voor munten, aardewerk en gebouwen.
Veranderende sociale netwerken en het landschap
De ontwikkeling van de kustgemeenschappen werd waarschijnlijk mede beïnvloed door veranderende sociale netwerken. Wanneer een nederzetting werd verlaten, konden verwanten en uitwisselingspartners elders terechtkomen. Daardoor veranderden mogelijk de mogelijkheden om voedsel, werktuigen of bouwmateriaal te verkrijgen. Een kleine gemeenschap kon kwetsbaar worden wanneer te veel huishoudens vertrokken. Tegelijk kon een grotere of gunstig gelegen nederzetting nieuwe bewoners aantrekken. Zulke processen zijn historisch aannemelijk, maar meestal niet rechtstreeks uit één opgraving te bewijzen. De archeologie toont vooral veranderingen in bewoning, voorwerpen en gebouwen. De persoonlijke keuzes van afzonderlijke families blijven grotendeels onbekend.
De veranderingen in het landschap moeten eveneens voorzichtig worden verklaard. Langs de Noordzee konden stormvloeden, verzilting, veranderingen in kreken en verschuivende kwelders gevolgen hebben voor landbouw en vervoer. Een terp beschermde de woonplaats, maar niet alle grond waarop het huishouden afhankelijk was. Toch is er geen bewijs voor één grote stormvloed die rond 375 alle Friese en Groningse terpen tegelijk onbewoonbaar maakte. De bewoningsgeschiedenis laat juist verschillende ontwikkelingen zien. Sommige plaatsen waren al eerder verlaten, andere bleven bestaan. Dat maakt een combinatie van landschappelijke, economische en sociale factoren waarschijnlijker dan één uniforme verklaring.
De verschillen tussen huishoudens bleven bestaan
In de tweede helft van de vierde eeuw veranderden de nederzettingen langs de Noordzee, maar daarmee verdwenen niet alle verschillen tussen huishoudens. In Feddersen Wierde bleven grote en kleine gebouwen naast elkaar voorkomen. Sommige erven beschikten over meer stalruimte en opslagmogelijkheden dan andere. De aanwezigheid van ambachtelijke werkzaamheden laat bovendien zien dat niet ieder gebouw uitsluitend voor landbouw werd gebruikt. Zulke verschillen kunnen wijzen op uiteenlopende bestaansmiddelen. Een huishouden met veel vee had andere dagelijkse verplichtingen dan een huishouden dat vooral werktuigen vervaardigde. Hoe producten, arbeid en gebruiksrechten tussen de bewoners werden verdeeld, blijft echter grotendeels buiten het bereik van de archeologie.
Ook in Ezinge kunnen de veranderingen in de bebouwing gevolgen hebben gehad voor de onderlinge verhoudingen. Wanneer minder huishoudens op de wierde woonden, veranderde mogelijk de verdeling van beschikbare ruimte. Bestaande erven konden worden verlaten, samengevoegd of anders gebruikt. Het archeologische materiaal toont veranderingen in de inrichting van de nederzetting, maar legt geen eigendomsoverdrachten vast. Er zijn geen plaatselijke contracten bekend waarin staat wie een huis, akker of weide erfde. Daardoor kunnen de veranderingen in bezit niet op dezelfde manier worden gevolgd als in latere eeuwen met geschreven oorkonden. De ruimtelijke veranderingen blijven wel belangrijke aanwijzingen voor een samenleving die zich opnieuw organiseerde.
Ezinge en Feddersen Wierde — twee verschillende ontwikkelingen
Ezinge laat zien hoe een gemeenschap ondanks zulke veranderingen kon blijven functioneren. De nederzetting werd kleiner, maar de bewoning hield niet volledig op. De ruimtelijke inrichting veranderde en nieuwe aardewerkvormen verschenen. In de overgang naar de vijfde eeuw kwamen ook andere gebouwtypen in gebruik. De aanwezigheid van materiaal uit verschillende late contexten maakt Ezinge tot een sleutelplaats voor het onderzoek naar continuïteit. Het is mogelijk dat bewoners uit andere, verlaten nederzettingen zich bij de gemeenschap aansloten, maar dat is niet rechtstreeks bewezen. Evenmin kan worden aangenomen dat alle latere bewoners afstamden van de families die er eeuwen eerder woonden.
Feddersen Wierde laat een andere ontwikkeling zien. De nederzetting bleef gedurende de vierde eeuw functioneren, maar de eerdere organisatie van grote boerenerven veranderde. De uiteindelijke verlatenheid behoort tot de vijfde eeuw. Daardoor vormt Feddersen Wierde geen bewijs voor een algemene kustverlating rond 350. De vergelijking met Ezinge is juist waardevol omdat beide nederzettingen op verschillende manieren reageerden op veranderingen in hun omgeving. Ezinge bleef later in afgeslankte vorm bewoond, terwijl Feddersen Wierde uiteindelijk een duidelijke onderbreking kende. De redenen voor dat verschil zijn niet volledig bekend.
395–400 — Het Romeinse Rijk verandert opnieuw
Tegen het einde van de vierde eeuw waren de oude verhoudingen langs de Noordzee ingrijpend veranderd. Veel Friese terpen kenden een bewoningsonderbreking, terwijl andere plaatsen bleven bestaan. In Groningen bleef Ezinge een belangrijk voorbeeld van continuïteit. Verder oostelijk was Feddersen Wierde nog bewoond. De Romeinse wereld kende ondertussen nieuwe politieke en militaire spanningen. De contacten met het rijk verdwenen niet volledig, maar veranderden van karakter. De kustbewoners leefden daardoor in een wereld waarin oude landbouwtradities voortbestonden terwijl nederzettingen, sociale netwerken en de verspreiding van goederen opnieuw werden gevormd.
In 395 overleed Theodosius I. Het Romeinse Rijk werd daarna bestuurd door zijn zonen Arcadius en Honorius, ieder in een eigen rijksdeel. Deze politieke verdeling betekende niet dat de noordelijke kustgemeenschappen onmiddellijk een nieuwe machtsstructuur kregen. Zij lagen nog steeds buiten het gewone Romeinse provinciebestuur. Voor hun dagelijks bestaan bleven grond, water, vee en onderlinge samenwerking van groot belang. Toch veranderde de wereld waarmee zij contacten onderhielden. De vijfde eeuw zou nieuwe bewegingen van mensen en goederen brengen. Sommige oude woonplaatsen werden opnieuw gebruikt, andere verloren uiteindelijk hun bewoners.
De solidus van Arcadius uit Ezinge past bij deze overgang. De munt werd in Milaan geslagen tussen 395 en 402 en kan dus niet uitsluitend als een vondst uit de vierde eeuw worden behandeld. Zij behoort tot de overgang van de vierde naar de vijfde eeuw. Dat maakt haar niet minder belangrijk. Integendeel, de munt laat zien dat waardevolle Romeinse goederen ook in deze periode de noordelijke kust konden bereiken. De oorspronkelijke vondstomstandigheden zijn echter onvoldoende bekend om te bepalen wanneer de munt in Ezinge terechtkwam. De slagdatum vormt alleen de vroegst mogelijke grens voor haar latere gebruik en depositie.
Een kustsamenleving die niet overal dezelfde richting koos
Tegen het einde van de vierde eeuw hadden de verschillen tussen de nederzettingen een blijvend karakter gekregen. Wijnaldum-Tjitsma was verlaten gebleven, terwijl Ezinge nog werd bewoond. Feddersen Wierde functioneerde eveneens voort, al veranderde daar de verhouding tussen grote boerenerven en kleinere gebouwen. Die ontwikkelingen laten zich niet herleiden tot één beslissing of één ramp. De bewoners waren afhankelijk van bruikbare landbouwgrond, vee, arbeidskracht en contacten met andere gemeenschappen. Wanneer een van die voorwaarden veranderde, kon een nederzetting onder druk komen te staan. Waarom de ene gemeenschap vertrok en de andere bleef, is alleen door vergelijking van afzonderlijke vindplaatsen te benaderen.
De vierde eeuw eindigde daardoor niet met het verdwijnen van de gehele Noordzeekustsamenleving. Sommige woonplaatsen verloren hun bewoners, andere behielden een kleinere gemeenschap en weer andere zouden in de vijfde eeuw opnieuw worden gebruikt. Romeinse voorwerpen bleven het kustgebied bereiken, terwijl plaatselijke bouw- en aardewerktradities veranderden. De grote hof van Feddersen Wierde, de doorgaande bewoning van Ezinge en de verlaten terp van Wijnaldum tonen verschillende uitkomsten binnen een verbonden landschap. Rond 400 bestond geen gezamenlijk kustbestuur dat deze veranderingen bepaalde. De geschiedenis werd zichtbaar in afzonderlijke erven, nederzettingen en contacten waarvan de onderlinge betekenis steeds opnieuw veranderde.
Aan de rand van het Romeinse Rijk — Ezinge, Feddersen Wierde en de Noordzeekust (14–476)
Deel 9 — 400–450 n.Chr. | Oude woonplaatsen, nieuwe bewoners en een veranderende Noordzeewereld
Rond het jaar 400 lag tussen de Friese kust en de monding van de Elbe een landschap waarin eeuwenoude nederzettingspatronen ingrijpend waren veranderd. Sommige terpen en wierden lagen verlaten tussen de kwelders. Andere werden nog bewoond, maar hadden minder huizen dan vroeger. Het verschil tussen Friesland, Groningen en de kustgebieden langs de Eems, Weser en Elbe was opvallend. Er bestond geen gemeenschappelijke staat die over al deze woonplaatsen heerste. De bewoners waren afhankelijk van hun landbouwgrond, hun verwanten en hun contacten met andere gemeenschappen. Juist die verbindingen bepaalden mede welke nederzettingen konden blijven bestaan.
De terugval was al in de derde en vierde eeuw begonnen. In Wijnaldum-Tjitsma eindigde de bewoning waarschijnlijk rond 325, terwijl Ezinge bleef bestaan. Ook Feddersen Wierde had de vierde eeuw overleefd. Deze verschillen zijn belangrijk omdat zij laten zien dat het kustgebied niet door één gebeurtenis werd ontvolkt. Een verandering in waterhuishouding kon een woonplaats treffen zonder dat een andere dezelfde gevolgen ondervond. Ook de beschikbaarheid van akkers, graslanden en verbindingsroutes verschilde per streek. De archeologie toont de gevolgen van zulke veranderingen, maar meestal niet de precieze beslissing waardoor een huishouden vertrok of bleef.
In het Romeinse Rijk was ondertussen een nieuwe politieke situatie ontstaan. Na de dood van Theodosius I in 395 bestuurden Arcadius en Honorius de oostelijke en westelijke rijksdelen. Het West-Romeinse bestuur had steeds grotere moeite om zijn militaire verplichtingen na te komen. De Rijn bleef een belangrijke grens, maar de verdediging was afhankelijk van een ingewikkeld stelsel van Romeinse troepen, bondgenoten en plaatselijke machthebbers. Voor de bewoners van Ezinge betekende dat niet dat een Romeinse gouverneur plotseling zijn gezag verloor. Zij hadden immers niet onder het gewone provinciebestuur geleefd. Wel veranderde de politieke wereld waarmee zij verbonden waren.
Goud uit het Romeinse Rijk
De gouden solidi uit Ezinge behoren tot deze overgangsperiode. Een munt van Valentinianus I werd tussen 364 en 367 in Antiochië geslagen. Een tweede solidus, van Arcadius, werd tussen 395 en 402 in Milaan vervaardigd. Beide munten werden in 1937 geregistreerd en bevinden zich in het Groninger Museum. Hun oorspronkelijke vondstomstandigheden zijn onvoldoende bekend. Daardoor kan niet worden vastgesteld wanneer zij precies op de wierde terechtkwamen. De munt van Arcadius kan zowel aan het einde van de vierde als in de vijfde eeuw zijn verspreid. Zij vormt dus een belangrijke verbinding met deze periode, maar geen nauwkeurig gedateerde gebeurtenis.
Het goud laat zien dat kostbare Romeinse voorwerpen ook buiten de rijksgrens circuleerden. Een solidus kon via militaire betalingen, geschenken, diplomatieke contacten, buit of verschillende tussenpersonen worden doorgegeven. De muntwaarde binnen het Romeinse Rijk hoefde niet dezelfde betekenis te hebben als de waarde die men in Ezinge aan het goud toekende. Een gouden munt vertegenwoordigde een aanzienlijke hoeveelheid edelmetaal, maar bewijst niet dat alle bewoners met Romeinse munten betaalden. Ook de uit Ezinge bekende unster, een weeginstrument, kan niet zonder controle van de eigen datering rechtstreeks aan deze twee solidi worden verbonden.
Die unster verdient niettemin een plaats in de geschiedenis van de kustbewoners. Het instrument had ongelijke armen en werkte met een verschuifbaar gewicht. Daarmee konden goederen worden gewogen zonder dat voor ieder gewicht een afzonderlijk tegengewicht nodig was. De vondst toont dat een Romeins weegwerktuig Ezinge had bereikt. Zij bewijst niet wie het instrument gebruikte, welke goederen werden gewogen of of het nog in de vijfde eeuw functioneerde. Het onderscheid is wezenlijk. De aanwezigheid van een weeginstrument en gouden munten maakt het bestaan van waarde- en gewichtsverhoudingen voorstelbaar, maar levert geen bewijs voor een plaatselijke muntmarkt naar Romeins voorbeeld.
Ook andere Romeinse voorwerpen uit Ezinge tonen hoe breed de contacten vóór en rond deze overgangsperiode waren geweest. Er zijn drie bronzen beeldjes bekend: een voorstelling van Jupiter, een soldaat en een haantje dat oorspronkelijk een met email versierd rugschild droeg. Daarnaast behoren een smaragdkraal en een zegelsteen met een samengesteld dierfiguur tot de bijzondere vondsten. Op die zegelsteen zijn kenmerken van een haan, paard, ram en mens verenigd. Zulke voorwerpen konden als sieraden, geschenken of persoonlijke bezittingen worden gebruikt. Hun aanwezigheid bewijst niet dat de bewoners de Romeinse godsdienst of bestuurscultuur volledig hadden overgenomen.
Deze verzameling is vooral belangrijk als voorgeschiedenis van de vijfde eeuw. De afzonderlijke beeldjes, de smaragdkraal, de zegelsteen en de unster mogen niet zonder nauwkeurige datering als vijfde-eeuwse vondsten worden gepresenteerd. Zij laten wel zien dat Ezinge al lang vóór 400 deel uitmaakte van verbindingen die veel verder reikten dan de Groningse kwelders. Wanneer later een gouden solidus op de wierde terechtkwam, gebeurde dat dus niet in een gemeenschap die voor het eerst met Romeinse goederen kennismaakte. De bewoners beschikten over een lange geschiedenis van uitwisseling, hergebruik en omgang met voorwerpen uit andere gebieden.
De Romeinse grens verandert
In 406 of 407 werd de Rijnverdediging ernstig ontregeld door de overtocht van verschillende groepen naar Gallië. De precieze chronologie en omvang van deze gebeurtenissen worden in de geschiedschrijving besproken. Voor het kustgebied buiten het rijk waren de gevolgen niet rechtstreeks vastgelegd. Toch veranderde de betekenis van de Romeinse grens. Militaire macht, toegang tot goud en persoonlijke verbindingen met Romeinse bevelhebbers konden nieuwe mogelijkheden bieden. Het is aannemelijk dat dergelijke ontwikkelingen ook de noordelijke contacten beïnvloedden. Er is echter geen bewijs dat een bepaalde familie uit Ezinge of Feddersen Wierde bij de gebeurtenissen aan de Rijn betrokken was.
De Romeinse terugval betekende niet dat alle bestaande goederenstromen onmiddellijk ophielden. Uit Ezinge is een opmerkelijke verzameling Romeins importaardewerk bekend. Van de 172 fragmenten terra sigillata behoren 35 tot een latere groep. Daaronder bevinden zich Late-Argonnewaar, één fragment Oxfordshirewaar en 25 fragmenten African Red Slip Ware. Deze producten verwijzen naar verschillende productiegebieden binnen de Romeinse wereld. Niet alle fragmenten zijn precies in de vijfde eeuw te dateren. Toch tonen zij dat de geschiedenis van de contacten met het rijk niet bij de vroegere Romeinse campagnes eindigde. Voorwerpen konden bovendien lang worden gebruikt voordat zij in de bodem belandden.
Het verschil tussen productieplaats en vindplaats is bij deze aardewerkvondsten van groot belang. Een schaal die in een Romeinse werkplaats werd vervaardigd, hoefde niet rechtstreeks door een Romeinse koopman naar Ezinge te zijn gebracht. Zij kon via verschillende nederzettingen, persoonlijke contacten en ruiltransacties reizen. Eenmaal aangekomen kon zij jarenlang worden gebruikt, gerepareerd of bewaard. De uiteindelijke vondstlaag vertelt daarom niet noodzakelijk wanneer het voorwerp de kust bereikte. Juist de combinatie van verschillende importgroepen maakt duidelijk dat Ezinge geen volledig afgesloten gemeenschap was, terwijl de afzonderlijke routes en gebruikers grotendeels onbekend blijven.
Ezinge blijft bestaan
Ezinge bleef in deze periode een bewoonde wierde. Dat is een van de belangrijkste uitkomsten van het hernieuwde onderzoek naar de opgravingen van Albert Egges van Giffen uit 1923–1934. Oudere interpretaties gingen soms uit van een volledige bewoningsonderbreking in de vierde eeuw. De herbestudering van aardewerk en nederzettingssporen heeft dat beeld gewijzigd. In 153 archeologische contexten is materiaal uit de vierde en vijfde eeuw aangetroffen. Dat aantal betreft beide eeuwen samen en mag niet als een telling van afzonderlijke vijfde-eeuwse huizen worden gebruikt. Het ondersteunt wel het beeld van een gemeenschap die bleef bestaan terwijl andere nederzettingen werden verlaten.
De verandering in Ezinge is zichtbaar in de inrichting van de woonplaats. In oudere fasen stonden huizen in een min of meer radiale ordening op de wierde. De erven waren daardoor over de beschikbare ruimte verdeeld. In de late vierde en vijfde eeuw veranderde dit patroon. De grote huizen van de door onderzoekers onderscheiden fase 10, ongeveer 375–500, stonden verder uit elkaar en volgden niet meer allemaal de vroegere richting. Dat kan samenhangen met een kleinere bevolking. Wanneer minder huishoudens dezelfde woonhoogte gebruikten, was een strakke verdeling van de ruimte minder noodzakelijk.
Het voortbestaan van Ezinge betekende niet dat alle oude gewoonten onveranderd bleven. Nieuwe aardewerkvormen, andere gebouwen en mogelijk nieuwe bewoners veranderden de nederzetting. Het is denkbaar dat families uit verlaten terpen zich bij de overblijvende gemeenschap aansloten. Ook kunnen mensen uit verder oostelijk gelegen kustgebieden zijn gekomen. De archeologie kan dergelijke bewegingen niet altijd rechtstreeks vaststellen. Een nieuwe potvorm bewijst niet dat de eigenaar elders geboren was. Omgekeerd kan een migrant plaatselijk aardewerk hebben gebruikt. De geschiedenis van Ezinge moet daarom worden begrepen als een mogelijke combinatie van plaatselijke continuïteit en nieuwe contacten.
In de late vierde en vijfde eeuw verschenen bij sommige erven van Ezinge kleine gedeeltelijk ingegraven gebouwen, de zogenoemde hutkommen. Zij verschilden van de oudere grote woonstalhuizen. Sommige stonden in rijen naast grotere gebouwen. Hun functie kon per gebouw verschillen. Hutkommen worden vaak in verband gebracht met ambachtelijke werkzaamheden, maar niet ieder exemplaar was noodzakelijk een werkplaats. De combinatie van grote woongebouwen en kleine bijgebouwen laat zien dat de verdeling van arbeid over het erf veranderde. De nauwkeurige datering van afzonderlijke hutkommen blijft van belang om de ontwikkeling binnen de vijfde eeuw te reconstrueren.
In één hutkom van Ezinge werden tien loden ringen aangetroffen die waarschijnlijk als weefgewichten zijn gebruikt. Deze vondst maakt de betekenis van textielproductie tastbaar. De bewoners hielden schapen, beschikten over wol en konden met spinklossen en weefgereedschap stoffen vervaardigen. Vlas was eveneens een bekende grondstof in het kustgebied. Het maken van kleding, dekens en andere textielproducten vergde veel arbeid. De loden ringen tonen dat daarbij specifieke hulpmiddelen werden gebruikt. Zij bewijzen niet dat het betreffende huishouden uitsluitend voor een verre markt produceerde. Textiel kon ook binnen de eigen gemeenschap worden gebruikt of uitgewisseld.
Naast textielproductie bleef metaalbewerking belangrijk. In Ezinge en Feddersen Wierde zijn uit verschillende perioden aanwijzingen voor het bewerken en hergebruiken van metalen bekend. Bij Hallum werd in 2007 een verzameling van 1.417 bronzen en koperen fragmenten gevonden, samen bijna vier kilogram zwaar. Daaronder bevonden zich verknipte Romeinse ketels, delen van een munt, een koperbaar, een wijnzeef en reparatieplaten. De vondst is belangrijk voor het begrip van hergebruik, maar vormt geen rechtstreeks bewijs voor metaalbewerking in Ezinge tussen 400 en 450. De precieze datering van de Hallumer depositie moet afzonderlijk worden behandeld.
Ook het kleine aardewerken smeltkroesje uit Ezinge behoort tot de aanwijzingen voor plaatselijke metaalbewerking. Het werd vermoedelijk in de midden-Romeinse tijd gebruikt om brons te smelten. Daarmee is het ouder dan de periode die hier centraal staat. Toch helpt het de ontwikkeling van het ambacht te begrijpen. De bewoners hoefden metalen voorwerpen niet uitsluitend als afgewerkte producten te ontvangen. Zij konden grondstoffen bewerken, beschadigde voorwerpen herstellen en oud metaal opnieuw gebruiken. Of dezelfde werkzaamheden in iedere vijfde-eeuwse huisgroep plaatsvonden, moet uit afzonderlijke vondstcontexten blijken.
Hallum krijgt opnieuw bewoners
Niet alleen Wijnaldum-Tjitsma kreeg in de vijfde eeuw opnieuw bewoners. Ook Hallum levert aanwijzingen voor een nieuwe bewoningsfase. Een fibula die rond 425 wordt gedateerd, vormt daarvoor een belangrijk aanknopingspunt. Bij opgravingen in 2007 werden bovendien resten uit de vierde en vijfde eeuw gevonden. In de vijfde en zesde eeuw werd de terp aanzienlijk uitgebreid, zowel in hoogte als in zuidwestelijke richting. Die latere groei laat zien dat Hallum opnieuw een belangrijke woonplaats werd. De fibula is echter geen bewijs voor het exacte jaar waarin de eerste bewoners terugkeerden. De vroegste fase moet worden onderscheiden van de uitbreiding in volgende generaties.
Hallum laat daarmee zien dat de ontwikkeling van de Friese terpen niet uitsluitend uit verlatenheid bestond. Sommige oude woonhoogten kregen opnieuw betekenis, terwijl andere langer zonder aantoonbare bewoning bleven. De uitbreiding van een terp vergde arbeid en materiaal. Klei, mest en ander ophogingsmateriaal moesten worden aangevoerd en verdeeld, terwijl huizen en erven opnieuw werden ingericht. Dat veronderstelt bewoners die bereid waren in de woonplaats te investeren. Hoe die werkzaamheden werden georganiseerd, is niet bekend. De vondsten bewijzen geen centraal bestuur, maar maken wel duidelijk dat het voortbestaan van een terp afhankelijk was van langdurige samenwerking.
Aardewerk, kleding en veranderende contacten
Het handgevormde aardewerk vormt een belangrijke aanwijzing voor veranderende verbindingen rond de Noordzee. In Friesland en Groningen verschenen vormen en versieringen die overeenkomsten vertonen met aardewerk uit Noordwest-Duitsland en gebieden rond de Elbe. In de archeologische literatuur worden zulke stijlen vaak Angelsaksisch genoemd. Die benaming verwijst naar herkenbare aardewerktradities, maar kan niet zonder meer worden gebruikt om de afkomst van iedere bewoner vast te stellen. Potten konden worden nagevolgd en technieken konden via huwelijk, bezoek of uitwisseling worden verspreid. De verspreiding van een stijl toont culturele contacten, niet automatisch de verplaatsing van een volledig volk.
Vindplaatsen als Dongjum, Peins, Englum en Achlum worden in het onderzoek genoemd bij de verspreiding van deze nieuwe aardewerktradities. Hun afzonderlijke bewoningsgeschiedenissen moeten echter worden onderscheiden. Een vondst van vijfde-eeuws aardewerk bewijst dat een bepaalde vorm of traditie aanwezig was, maar niet dat de hele terp onafgebroken sinds de Romeinse tijd bewoond bleef. Sommige woonplaatsen kunnen na een onderbreking opnieuw zijn gebruikt. Andere kunnen bestaande bewoners hebben behouden. Voor iedere vindplaats zijn de combinatie van aardewerk, gebouwsporen en stratigrafie noodzakelijk om dat verschil te beoordelen.
De vergelijking tussen Ezinge en Midlaren-De Bloemert laat zien dat ook het Drentse achterland bij deze ontwikkelingen moet worden betrokken. In het aardewerkonderzoek zijn beide vindplaatsen vergeleken met Feddersen Wierde, waarvoor een verzameling van 2.571 relevante exemplaren werd onderzocht. De verhoudingen tussen grote potten, smalle vormen, kommen en schalen verschilden. Ezinge had relatief veel brede potten van het type G7. Feddersen Wierde kende andere verhoudingen, met relatief meer smalle vormen en kommen. De vondsten tonen dat de gemeenschappen niet één uniforme huishoudelijke cultuur hadden, zelfs wanneer zij vergelijkbare aardewerktradities deelden.
Metalen kledingonderdelen bieden een tweede mogelijkheid om verbindingen te onderzoeken. Feddersen Wierde leverde 109 fibulae of fragmenten op, waarvan 82 typologisch konden worden ingedeeld. De typen wijzen op contacten met het Elbegebied, het Rijn-Wesergebied en westelijker kuststreken. Niet alle fibulae dateren uit de vijfde eeuw; de verzameling bestrijkt een veel langere bewoningsperiode. Toch is zij belangrijk voor het begrijpen van de wereld waarin de laatste bewoners leefden. Kleding kon met een metalen speld worden vastgemaakt, terwijl de vorm van die speld tegelijk iets kon zeggen over mode, bezit en contacten.
Een fibula uit een bepaalde streek bewijst niet dat de drager daar geboren was. Voorwerpen konden worden gekocht, geruild, geschonken of nagemaakt. Ook een kledingstijl kon zich verspreiden zonder dat grote groepen mensen verhuisden. Andersom konden migranten voorwerpen gebruiken die op hun nieuwe woonplaats werden vervaardigd. Daarom moeten kledingonderdelen worden vergeleken met aardewerk, huisplattegronden, grafgebruiken en andere vondsten. Alleen de combinatie kan aanwijzingen geven voor veranderingen in de bevolking. De afzonderlijke herkomst van een metalen speld blijft een ander vraagstuk dan de herkomst van degene die haar droeg.
Ferwerd, Hallum en Finkum — leren schoenen uit de vijfde eeuw
Uit verschillende Friese terpen zijn uitzonderlijk goed bewaarde leren schoenen bekend. In het Fries Museum bevinden zich tien min of meer complete exemplaren en fragmenten van nog eens negen schoenen of zolen, afkomstig uit onder andere Ferwerd, Hallum en Finkum. Later uitgevoerde koolstofdateringen plaatsen het merendeel rond de vijfde eeuw. De vondsten maken een onderdeel van het dagelijks leven zichtbaar dat op veel archeologische vindplaatsen volledig is verdwenen. Leer kon worden gesneden, genaaid, gedragen en gerepareerd. De schoenen vertellen iets over kleding en vakmanschap, maar niet rechtstreeks over de afkomst van de mensen die ze droegen.
De leren schoenen laten bovendien zien hoe belangrijk de conserveringsomstandigheden van de terpen zijn. In natte bodemlagen konden materialen bewaard blijven die op droge zandgronden doorgaans vergingen. Daardoor beschikken onderzoekers over directe resten van schoeisel, terwijl elders vooral metalen kledingonderdelen overbleven. De schoenen moeten afzonderlijk worden gedateerd en vergeleken, want niet ieder exemplaar behoort noodzakelijk tot dezelfde generatie. Toch tonen zij dat de vijfde-eeuwse bewoners niet uitsluitend door hun aardewerk en huizen herkenbaar zijn. Ook hun dagelijkse gebruiksvoorwerpen maken deel uit van de geschiedenis van arbeid, bezit en onderlinge contacten.
Brittannië en de overkant van de Noordzee
Rond 410 werd de Romeinse militaire aanwezigheid in Brittannië ingrijpend veranderd. Het keizerlijke bestuur verloor daar zijn vroegere samenhang en plaatselijke machtsverhoudingen kregen meer gewicht. De precieze betekenis van het traditionele jaartal 410 blijft onderwerp van historisch onderzoek. Voor de Noordzeekust betekende het verdwijnen van het Romeinse provinciebestuur in Brittannië niet dat alle contacten over zee ophielden. Integendeel, in de vijfde eeuw namen verbindingen en bevolkingsverplaatsingen tussen delen van het continent en de Britse oostkust een belangrijke plaats in. De omvang en richting daarvan moeten echter per streek worden onderzocht.
De gebieden langs de Weser en Elbe waren voor die ontwikkelingen van bijzonder belang. Daar lagen nederzettingen met lange bewoningsgeschiedenissen en verbindingen met het achterland. De bevolking beschikte over ervaring met landbouw, ambacht en vervoer over water. Groepen uit Noordwest-Duitsland namen deel aan de migraties naar Brittannië, maar niet iedere bewoner van een kustdorp vertrok. Sommige families bleven op hun oude woonplaatsen, andere verhuisden naar het binnenland of naar naburige nederzettingen. De archeologie kan zulke bewegingen niet altijd aan afzonderlijke huishoudens koppelen. Daarom is het onjuist om een hele kustbevolking uitsluitend als emigranten naar Engeland te beschrijven.
De contacten met Brittannië kunnen niet los worden gezien van de plaatselijke economie. Een huishouden dat beschikte over vee, wol, voedselvoorraden of metaal kon deelnemen aan uitwisseling zonder zelf de zee over te steken. Goederen konden via verschillende gemeenschappen worden doorgegeven. Ook persoonlijke relaties konden over grote afstanden worden onderhouden. Het is voorstelbaar dat migraties zulke verbindingen versterkten, maar de vondsten uit Ezinge en Feddersen Wierde bewijzen niet dat iedere overeenkomst met Brittannië door een verhuizing ontstond. De kustbewoners leefden in een netwerk van contacten waarin handel, verwantschap en verplaatsing naast elkaar konden bestaan.
Feddersen Wierde en de laatste bewoningsfasen
Feddersen Wierde bleef in de eerste helft van de vijfde eeuw nog bestaan. De nederzetting had eeuwenlang een omvangrijk geheel van woonstalhuizen, opslaggebouwen en erven gekend. De oudere opgravingen documenteerden ongeveer 175 woongebouwen en 144 spiekers uit de gehele bewoningsgeschiedenis. Deze aantallen mogen niet als gelijktijdige gebouwen worden voorgesteld. In de latere fasen veranderde de organisatie van de nederzetting. Kleinere gebouwen en ambachtelijke activiteiten kregen relatief meer betekenis, terwijl de grote agrarische structuur minder duidelijk werd. Het was een langdurige verandering, geen plotselinge verdwijning op één vastgestelde datum.
De door Werner Haarnagel als Herrenhof aangeduide hofzone bleef een opvallend onderdeel van de nederzetting. De grote gebouwen, opslagvoorzieningen en mogelijk voor bijeenkomsten gebruikte hal onderscheiden dit gebied van kleinere erven. In de vierde eeuw waren munten vooral in deze zone aangetroffen, wat mogelijk wijst op een bijzondere toegang tot waardevolle goederen. Voor de vijfde eeuw blijft de vraag bestaan of dezelfde sociale verhoudingen voortduurden. Een herkenbaar groot erf bewijst niet dat één familie generatieslang dezelfde politieke macht behield. Ook de interpretatie van een vergaderhal moet worden onderscheiden van een schriftelijk aangetoonde bestuursfunctie.
De metaalvondsten geven het leven in Feddersen Wierde een concreter gezicht. Jörn Schuster catalogiseerde 254 non-ferrometalen objecten, waarvan 243 binnen de lange periode van ongeveer het midden van de eerste eeuw vóór Christus tot het midden of de tweede helft van de vijfde eeuw vallen. Naast fibulae omvat de verzameling gordelgespen, beslag, naalden, armringen, vingerringen, metalen vaatwerk, medische instrumenten, onderdelen van paardentuig en ruiteruitrusting. Deze aantallen beschrijven de onderzochte collectie over meerdere eeuwen. Zij mogen niet worden gelezen alsof al deze voorwerpen tijdens de laatste bewoningsfase gelijktijdig aanwezig waren.
Bijzonder zijn de vondsten die met persoonlijke uitrusting en paardrijden samenhangen. Tot de verzameling behoren een zwaardriemhouder, beslag dat mogelijk met wapendracht verbonden was en vier ijzeren ruitersporen. Ook een Scandinavische vuurslagsteen wordt genoemd. Dergelijke voorwerpen tonen dat het materiële leven meer omvatte dan landbouwgereedschap. Paarden konden belangrijk zijn voor vervoer en voor personen met bijzondere middelen of taken. Een zwaardriemhouder kan wijzen op bewapening, maar bewijst niet dat de eigenaar een beroepssoldaat was. Voor ieder voorwerp moeten de oorspronkelijke functie, datering en archeologische vindplaats worden onderscheiden.
Andere vondsten brengen juist het gewone huishoudelijke leven dichterbij. Sleutels, messen, scharen en naalden waren praktische voorwerpen die konden worden bewaard en doorgegeven. Een sleutel wijst op iets dat kon worden afgesloten, zoals een kist of voorraadruimte. Scharen kunnen bij het bewerken van wol of het scheren van schapen zijn gebruikt. Naalden waren noodzakelijk voor het vervaardigen en herstellen van kleding. Zulke kleine voorwerpen laten zien dat bezit niet uitsluitend uit land, vee en gebouwen bestond. Ook gereedschap en persoonlijke bezittingen konden waardevol zijn, vooral wanneer het benodigde metaal van elders moest komen.
Onder de metalen voorwerpen bevindt zich bovendien een object waarvoor Schuster verschillende mogelijke functies openlaat. Het zou een maatstaf, gewicht of speelpen kunnen zijn. Deze onzekerheid is belangrijk. Een raadselachtig metalen voorwerp mag niet zonder aanvullend bewijs worden gebruikt om een volledig handelssysteem met vaste gewichten te reconstrueren. Voor Feddersen Wierde is op basis van deze vondst geen complete handelsweegschaal met bijbehorende gewichtenset aangetoond. Dat onderscheid maakt ook de vergelijking met Ezinge duidelijker. Daar is een Romeinse unster bekend, maar de aanwezigheid van beide voorwerpen bewijst geen gezamenlijk georganiseerd gewichts- of geldstelsel.
Metaalbewerking was niet noodzakelijk beperkt tot één centraal erf. Slakken, smeltkroezen en ander productieafval zijn in Feddersen Wierde op verschillende plaatsen aangetroffen. Daardoor is de oudere voorstelling van ambachtslieden die allemaal afhankelijk waren van de Herrenhof genuanceerd. Sommige bewoners kunnen naast de landbouw metalen voorwerpen hebben gemaakt of gerepareerd. De hoeveelheid productieafval is niet overal groot genoeg om voltijdse specialisatie aan te nemen. Voor de laatste bewoningsfase moet bovendien worden vastgesteld welke werkplaatsen toen nog actief waren. De aanwezigheid van oudere smeltresten bewijst niet automatisch dat er rond 440 nog op dezelfde plaats werd gegoten.
Schalenurnen en gezamenlijke maaltijden
De aardewerkvondsten van Feddersen Wierde geven aanvullende informatie over sociale bijeenkomsten. Een bijzondere groep vormen de zogenoemde Schalenurnen, die ook uit Ezinge bekend zijn. Sommige varianten kwamen in Feddersen Wierde opvallend voor rond de Herrenhof en de als mogelijke vergaderhal geïnterpreteerde gebouwen. Annet Nieuwhof heeft de mogelijkheid besproken dat dergelijke schalen bij gezamenlijke of ceremoniële maaltijden werden gebruikt. Het is voorstelbaar dat het aanbieden van eten en drinken hielp om sociale banden en verplichtingen te bevestigen. Toch is niet bewezen dat iedere Schalenurne voor een feestmaal of politieke bijeenkomst werd vervaardigd.
De betekenis van gezamenlijke maaltijden kan niet los worden gezien van de verdeling van voedsel en bezit. Grote boerenerven beschikten mogelijk over meer vee, opslagruimte en arbeidskracht dan kleinere huishoudens. Het ontvangen van gasten kon aanzien geven, maar ook verplichtingen scheppen. Een bijeenkomst op een groot erf kon een gelegenheid zijn om geschillen te bespreken, relaties te onderhouden of goederen uit te wisselen. Zulke mogelijkheden passen bij het archeologische beeld, maar de namen van plaatselijke leiders ontbreken. Feddersen Wierde mag daarom niet worden beschreven alsof een volledig bekend vorstelijk bestuur over het dorp heerste.
De vergelijking met Ezinge maakt duidelijk dat sociale verschillen niet overal op dezelfde manier zichtbaar werden. In Feddersen Wierde springt de omvangrijke hofzone in het oog. Ezinge toont juist een langdurige bewoning waarin de verdeling van erven aanvankelijk relatief gelijkmatig lijkt. De bijzondere betekenis van Ezinge wordt eerder zichtbaar door continuïteit, importgoederen, rituele vondsten en later ook kostbare voorwerpen. Een deel van dat verschil kan werkelijk zijn geweest. Een ander deel kan samenhangen met de verschillende opgravingsmethoden en de bewaring van de resten. Geen van beide nederzettingen mag zonder meer als standaardmodel voor het gehele kustgebied worden gebruikt.
Ook het omliggende landschap bleef bepalend. Een wierde kon eeuwenlang worden opgehoogd, maar de akkers en weiden lagen daarbuiten. Veranderingen in kreken, verzilting of waterstanden konden de bruikbaarheid van het land verminderen. Een hoge woonplaats bood bescherming aan huizen en voorraden, maar niet automatisch aan het vee of de voedselproductie. Zulke omstandigheden kunnen hebben bijgedragen aan de achteruitgang van sommige nederzettingen. Voor Feddersen Wierde is echter geen afzonderlijke overstroming bewezen die alle bewoners rond 425 verdreef. De landschappelijke verklaring moet daarom worden gecombineerd met mogelijke economische en sociale veranderingen.
Fallward — graven in het gebied van de Wesermonding
Bij Fallward, in het gebied van de Wesermonding, zijn graven uit de vierde en vijfde eeuw onderzocht waarin uitzonderlijk veel houten materiaal bewaard bleef. De natte bodem beschermde houten grafconstructies en andere voorwerpen die elders vaak vergaan. De vondsten zijn belangrijk voor de reconstructie van begrafenisgebruiken en persoonlijke bezittingen. Fallward is geen onderdeel van Feddersen Wierde, maar een afzonderlijke vindplaats. De graven mogen daarom niet automatisch aan inwoners van de wierde worden toegeschreven. Hun betekenis ligt in de vergelijking tussen het leven in nederzettingen en de wijze waarop mensen in dezelfde bredere kustregio werden begraven.
De grafvondsten van Fallward tonen ook hoe onvolledig het gewone archeologische beeld kan zijn. Op veel terpen zijn vooral aardewerk, botten, metaal en verkleurde bouwsporen overgebleven. Houten voorwerpen verdwenen wanneer zij niet langdurig onder natte omstandigheden bewaard bleven. Daardoor kan een grafveld met goede conservering veel rijker lijken dan een nederzetting waarvan het hout is vergaan. Bij vergelijkingen moet daarom rekening worden gehouden met verschillen in bodemomstandigheden. Een grotere hoeveelheid bewaarde houten voorwerpen betekent niet automatisch dat de oorspronkelijke gemeenschap over meer houten goederen beschikte dan andere kustbewoners.
Fallward maakt bovendien duidelijk dat de geschiedenis van de Noordzeekust niet uitsluitend uit nederzettingen kan worden gereconstrueerd. In woonlagen worden vooral sporen van bouwen, werken, eten en weggooien aangetroffen. Graven tonen welke voorwerpen bij een overledene werden achtergelaten en hoe de gemeenschap afscheid nam. Dat kan informatie geven over persoonlijke bezittingen en sociale verschillen, maar niet zonder meer over het dagelijkse gebruik van ieder voorwerp. De keuze voor een grafgift kan een bijzondere betekenis hebben gehad. Daarom vullen nederzettings- en grafonderzoek elkaar aan zonder dat hun vondsten rechtstreeks als dezelfde soort gegevens mogen worden behandeld.
Wijnaldum krijgt opnieuw bewoners
In Friesland werd ondertussen een oude woonplaats opnieuw gebruikt. Bij Wijnaldum-Tjitsma begon de bewoning waarschijnlijk omstreeks 425, na een onderbreking van ongeveer een eeuw. De hervatting is een van de belangrijkste gebeurtenissen in de vijfde-eeuwse geschiedenis van Westergo. Een terp die generatieslang geen duidelijke bewoningssporen had opgeleverd, kreeg opnieuw bewoners. De oude ophoging bood een geschikte plaats om huizen te bouwen. Toch weten we niet of de nieuwe bewoners afstamden van families die er rond 325 waren vertrokken. Ook hun herkomst kan niet uitsluitend uit de nieuwe aardewerkvormen worden afgeleid.
Het archeologische onderzoek van Wijnaldum omvat meer dan aardewerk alleen. Ook huispodia, woonstalhuizen, waterwerken en sporen van metaalbewerking zijn onderzocht. Deze gegevens maken het mogelijk om de inrichting van de terp en de organisatie van werkzaamheden over een langere periode te reconstrueren. Niet iedere structuur behoort echter tot de eerste generatie bewoners na 425. Sommige gebouwen en werkplaatsen kunnen aanzienlijk jonger zijn. Voor de geschiedenis van de vijfde eeuw moeten de afzonderlijke dateringen worden onderscheiden. Anders ontstaat ten onrechte het beeld dat alle later aangetroffen voorzieningen al bij de hervatting van de bewoning aanwezig waren.
De hervatting van Wijnaldum was geen terugkeer naar precies dezelfde samenleving als vóór de onderbreking. De bewoners leefden in een kustgebied waarin nederzettingen, contacten en aardewerktradities waren veranderd. De Romeinse provinciale wereld aan de Rijn en in Brittannië had zijn vroegere vorm verloren. Nieuwe verbindingen met Noordwest-Duitsland en andere Noordzeestreken werden belangrijk. Wijnaldum zou in latere eeuwen uitgroeien tot een plaats waar uitzonderlijk kostbare voorwerpen terechtkwamen. Dat latere belang mag niet zonder meer worden teruggeprojecteerd naar 425. De hernieuwde bewoning vormt het begin van een nieuwe ontwikkeling, niet het bewijs dat er toen al een koninklijk hof bestond.
Het verschil tussen Wijnaldum en Ezinge is daardoor bijzonder groot. In Wijnaldum was een duidelijke bewoningsonderbreking zichtbaar, terwijl Ezinge zijn gemeenschap had behouden. Beide plaatsen konden in de vijfde eeuw vergelijkbare aardewerktradities gebruiken zonder dezelfde voorgeschiedenis te hebben. Een archeologische overeenkomst in het jaar 440 vertelt daarom niet automatisch hoe de bevolking zich in de voorgaande eeuw had ontwikkeld. Voor het onderzoek naar migratie is dit een belangrijk onderscheid. Nieuwe bewoners en bestaande bewoners konden uiteindelijk vergelijkbare voorwerpen gebruiken, terwijl hun familiegeschiedenissen sterk verschilden.
Hegebeintum — een nieuwe bestemming voor een oude terp
Het grafveld van Hegebeintum voegt een ander soort bewijs aan deze geschiedenis toe. Bij de commerciële afgraving van de terp kwamen in 1904 talrijke menselijke graven aan het licht. Uiteindelijk werden meer dan 142 graven geregistreerd, naast drie hondengraven. Het werkelijke aantal begravingen kan groter zijn geweest, omdat delen van de terp al waren verdwenen voordat zij zorgvuldig konden worden onderzocht. Het grafveld wordt globaal tussen ongeveer 400 en 730 gedateerd. Daarmee raakt het begin ervan aan de periode waarin ook elders in Friesland de bewoning veranderde. Niet iedere aangetroffen begraving behoort echter tot de eerste helft van de vijfde eeuw.
De graven van Hegebeintum laten zien dat de geschiedenis van een terp niet uitsluitend uit huizen en akkers bestaat. Een plaats kon ook worden gebruikt om overledenen te begraven, met voorwerpen die voor de gemeenschap betekenis hadden. De aanwezigheid van wapens, sieraden en andere grafgiften wijst op verschillende manieren om een overledene te presenteren. Toch kan een graf niet rechtstreeks worden gelezen als een volledig overzicht van iemands bezit. Sommige voorwerpen kunnen speciaal voor de begrafenis zijn gekozen. Bovendien verschillen de dateringen van de graven, zodat de hele verzameling niet als één vijfde-eeuwse gemeenschap mag worden beschreven.
Onder de bijzondere graven bevindt zich graf 42, waarin onder meer een langsax, speerpunt en klapmes werden aangetroffen. Graf 132 bevatte een ango, een karakteristieke speervorm die globaal tussen 450 en 550 wordt geplaatst. Deze graven zijn belangrijk voor het onderzoek naar wapendracht en begrafenisgebruiken, maar zij kunnen niet zonder verdere datering in de jaren 400–450 worden ondergebracht. Vooral de ango overschrijdt de grens tussen deel 9 en deel 10 en kan zelfs na 476 in het graf zijn terechtgekomen. De vondsten blijven daarom herkenbaar als een ruim gedateerde grafveldlaag.
Hegebeintum — voedsel en dieren op de brandstapel
De crematiegraven van Hegebeintum bieden aanvullende informatie over de omgang met overledenen. Van 97 onderzochte crematiegraven bevatten tien herkenbare meegecremeerde dierlijke resten. Het ging onder meer om runderen en schapen of geiten. Sommige ribben, wervels en andere vleesdragende botten zijn geïnterpreteerd als resten van voedsel dat met de overledene op de brandstapel werd gelegd. In een kindergraf kwamen juist hand- en voetwortelbeentjes zonder vleesrijke delen voor. Onderzoekers houden rekening met de mogelijkheid dat het kind in een dierenhuid werd gecremeerd. De afzonderlijke graven moeten nog nauwkeurig worden gedateerd voordat deze gebruiken specifiek aan 400–476 worden verbonden.
De dierlijke resten laten zien dat begrafenisrituelen niet uitsluitend uit het neerleggen van wapens en sieraden bestonden. Ook voedsel en dieren konden een plaats krijgen bij het afscheid van een overledene. De betekenis daarvan blijft gedeeltelijk onbekend, omdat schriftelijke verklaringen van de betrokken gemeenschappen ontbreken. De aanwezigheid van vleesdragende botten maakt een voedselgave aannemelijk, maar bewijst niet hoe de deelnemers het ritueel zelf uitlegden. De mogelijkheid van een dierenhuid in het kindergraf is eveneens een interpretatie, geen rechtstreeks waargenomen handeling. Juist zulke verschillen tussen vondst en verklaring moeten bij het onderzoek zichtbaar blijven.
Oosterbeintum — akkers, graven en veranderend gebruik van het landschap
Ook Oosterbeintum is belangrijk voor de overgang van de Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen. Het grafveld werd vanaf ongeveer de vijfde eeuw tot in de eerste helft van de achtste eeuw gebruikt. Afhankelijk van de tellingswijze zijn ongeveer 110 tot 163 begravingen en crematiecomplexen herkend. Daaronder bevinden zich 21 urnbegravingen, een brandstapelkuil, vijf brandkuilen, tientallen brandvlekken en lichaamsgraven. Deze verscheidenheid laat zien dat de omgang met overledenen niet overal dezelfde vorm had. De afzonderlijke begravingen moeten echter nauwkeurig worden gedateerd voordat zij aan een bepaald deel van de vijfde eeuw kunnen worden verbonden.
Onder de grafgiften van Oosterbeintum bevinden zich fibulae, kralen, spinklosjes, een sax en een lanspunt. Ook resten van honden en paarden kwamen voor. De vondsten maken het mogelijk om kleding, persoonlijke bezittingen en wapendracht te onderzoeken, maar de aanwezigheid van een wapen betekent niet automatisch dat de overledene tijdens het leven een beroepskrijger was. De betekenis van dierlijke resten verschilt eveneens per grafcontext. Zij kunnen onderdeel zijn geweest van een begrafenisritueel zonder dat daaruit een vaste godsdienstige overtuiging kan worden gereconstrueerd. Voor de jaren vóór 450 blijft bovendien de precieze datering van de afzonderlijke vondsten doorslaggevend.
Bijzonder aan Oosterbeintum is dat onder het grafveld oudere landbouwsporen liggen. Op dezelfde plaats zijn dus verschillende vormen van landgebruik zichtbaar: akkerbouw, mogelijk bewoning en later begravingen. Daarmee toont de vindplaats hoe een landschap van functie kon veranderen zonder dat het zijn betekenis voor de gemeenschap verloor. Een terrein dat eerder voedsel had voortgebracht, werd later gebruikt voor de doden. De archeologische opeenvolging bewijst niet dat dezelfde families al die eeuwen aanwezig waren. Zij laat wel zien dat oude woon- en landbouwplaatsen in nieuwe sociale omstandigheden opnieuw konden worden gebruikt.
Verschillende ontwikkelingen binnen één kustwereld
Verder oostelijk bleven de Eems en de kust van Groningen belangrijke verbindingsgebieden. Nederzettingen als Farmsum, Holwierde, Termunten, Loppersum, Middelstum en Warffum lagen bij oude waterlopen en kwelderwallen. Niet voor al deze plaatsen is de bewoning tussen 400 en 450 even nauwkeurig vastgesteld. Vondsten uit de Romeinse periode kunnen ouder zijn dan de vijfde-eeuwse bewoning. De afzonderlijke chronologie blijft daarom noodzakelijk. De aanwezigheid van Ezinge toont in ieder geval dat het Groningse kustgebied niet volledig werd verlaten. De verbindingen met de Eems en de oostelijker gelegen kust kunnen daarbij een rol hebben gespeeld.
Ook Adorp heeft aanvullende archeologische gegevens opgeleverd. Bij onderzoek in 2021 werden onder meer een draadfibula, een spinklos en Romeinse voorwerpen genoemd. Deze vondsten zijn belangrijk voor het bredere beeld van kleding, textielproductie en contacten in het Groningse terpengebied. Zij kunnen echter niet zonder afzonderlijke datering in de vijfde eeuw worden geplaatst. De aanwezigheid van Romeinse voorwerpen bewijst evenmin dat de vindplaats rond 425 nog dezelfde functie had als tijdens de Romeinse periode. Het onderzoek van Adorp vormt daarom een aanvullende bron voor de lange geschiedenis van de kust, niet automatisch een rechtstreeks bewijs voor de jaren 400–450.
De contacten met de gebieden langs de Weser en Elbe helpen verklaren waarom moderne landsgrenzen weinig betekenis hebben voor deze geschiedenis. Een bewoner van Ezinge kon via waterwegen en tussenpersonen in verbinding staan met gemeenschappen die tegenwoordig in Duitsland liggen. De bewoners van Feddersen Wierde konden op hun beurt contacten onderhouden met het Rijnland, Brittannië en andere delen van de Noordzeewereld. Zulke relaties waren niet noodzakelijk georganiseerd door een centrale overheid. Zij konden voortkomen uit verwantschap, gastvrijheid, persoonlijke verplichtingen, uitwisseling en militaire contacten. De archeologie toont vooral de voorwerpen en bouwvormen die deze relaties achterlieten.
Tegen het midden van de vijfde eeuw werd duidelijk dat de belangrijkste vergelijkingsplaatsen een verschillende toekomst tegemoetgingen. Ezinge bleef bewoond en paste zijn bebouwing en materiële cultuur aan. Feddersen Wierde verloor geleidelijk zijn oude economische en ruimtelijke samenhang. De nederzetting zou in de vijfde eeuw worden verlaten, al is de exacte einddatum niet met zekerheid op 450 vast te leggen. Wijnaldum was juist opnieuw bewoond geraakt. De grafvelden van Hegebeintum en Oosterbeintum laten daarnaast zien dat ook de omgang met de doden een belangrijke bron voor deze veranderende samenleving vormt.
Deel 10 — 450–476 n.Chr. | Het einde van een oude wierde en de wereld na Rome
Rond 450 n.Chr. was de zuidelijke Noordzeekust geen leeg landschap, maar de verdeling van de bevolking was ingrijpend veranderd. Oude terpen lagen verlaten naast woonplaatsen waar nog steeds huizen werden gebouwd. In Westergo was Wijnaldum opnieuw in gebruik genomen. In Groningen bleef Ezinge bewoond. Verder oostelijk naderde Feddersen Wierde het einde van zijn lange eerste bewoningsgeschiedenis. De bewoners leefden in een wereld waarin de Romeinse keizerlijke macht in het westen sterk was verzwakt. Toch bleven de dagelijkse bestaansvoorwaarden herkenbaar: grond, water, vee, voedsel, werktuigen en samenwerking tussen huishoudens.
De politieke gebeurtenissen in het Romeinse Rijk vormden de achtergrond van deze veranderingen. In 451 vond in Gallië de grote veldslag plaats waarbij een coalitie onder de Romeinse bevelhebber Aëtius tegenover de troepen van Attila stond. De strijd laat zien dat het West-Romeinse gezag afhankelijk was geworden van ingewikkelde militaire bondgenootschappen. Voor Ezinge en Feddersen Wierde is geen rechtstreekse betrokkenheid bij deze veldslag aangetoond. Het zou daarom onjuist zijn om de plaatselijke bewoningsgeschiedenis als een onmiddellijk gevolg van deze oorlog te beschrijven. De gebeurtenissen tonen vooral hoe anders de Romeinse politieke wereld inmiddels functioneerde.
In 454 werd Aëtius op bevel van keizer Valentinianus III gedood. Een jaar later werd de keizer zelf vermoord. Rome werd in 455 door de Vandalen geplunderd. Deze gebeurtenissen ondermijnden het West-Romeinse keizerschap verder. Voor de noordelijke kust buiten het rijk veranderde daardoor niet van de ene dag op de andere het dagelijks bestuur. De bewoners hadden al eeuwenlang hun eigen plaatselijke gemeenschappen onderhouden. Wel konden veranderingen in Romeinse militaire betalingen en persoonlijke verbindingen gevolgen hebben voor de verspreiding van waardevolle goederen. De precieze invloed daarvan op afzonderlijke wierden blijft onbekend.
Goud, gewichten en de betekenis van bezit
De twee gouden solidi uit Ezinge zijn in dit verband opnieuw belangrijk. Zij behoren tot de laatste eeuwen van de Romeinse keizerlijke geldcirculatie in het westen, maar hun vondstomstandigheden zijn onvoldoende bekend om een rechtstreeks verband met een vijfde-eeuwse politieke gebeurtenis te leggen. De munt van Arcadius, geslagen tussen 395 en 402, kon tientallen jaren later nog in omloop zijn geweest. Goud behield immers zijn waarde als edelmetaal, ook wanneer de oorspronkelijke keizer niet meer regeerde. De aanwezigheid van dergelijke munten toont verre verbindingen, maar niet dat Ezinge onder het gezag van een Romeinse keizer stond.
Het onderscheid tussen politieke macht en economische waarde is van groot belang. Een gouden munt kon in een groot gebied herkenbaar zijn als een hoeveelheid kostbaar metaal. Dat betekende niet dat overal dezelfde belastingen, wetten of prijzen golden. Ook buiten het rijk konden mensen goud wegen, bewaren en doorgeven. De unster uit Ezinge laat zien dat weegtechniek in de archeologische verzameling vertegenwoordigd is, maar de precieze datering van het instrument moet afzonderlijk worden gecontroleerd. Er is geen bewezen transactie waarbij de gevonden solidi met deze unster werden gewogen. De vondsten maken een onderzoek naar waarde mogelijk, maar leveren geen volledig plaatselijk geldstelsel op.
De verzameling uit Feddersen Wierde biedt een nuttige vergelijking. Daar is een metalen object gevonden dat mogelijk een gewicht, maatstaf of speelpen was. Omdat de functie niet vaststaat, kan het niet als bewijs voor dezelfde weegtechniek als in Ezinge worden gebruikt. De overige metalen voorwerpen tonen wel dat kostbaar materiaal verschillende betekenissen kon hebben. Een fibula hield kleding bijeen, een sleutel kon bezit afsluiten en paardentuig maakte deel uit van een bijzondere uitrusting. Zulke goederen konden worden bewaard, hergebruikt of doorgegeven. Hun waarde hing niet uitsluitend af van de hoeveelheid metaal.
Ezinge — een woonplaats die zich aanpast
In Ezinge bleef het leven doorgaan. De huizen stonden in de vijfde eeuw minder dicht op elkaar dan in sommige oudere bewoningsfasen. De radiale ordening van de erven was grotendeels verdwenen. De bewoners maakten gebruik van de bestaande woonheuvel, maar richtten haar anders in. Sommige grote huizen stonden op ruimere afstand van elkaar. Daarbij verschenen kleine bijgebouwen en hutkommen. Deze veranderingen kunnen samenhangen met een kleinere bevolking en een andere organisatie van huishoudelijke arbeid. Zij hoeven niet te betekenen dat alle oude bewoners waren vertrokken. Continuïteit van de woonplaats en verandering van de gemeenschap konden gelijktijdig optreden.
De hutkommen tonen dat het erf een andere indeling kreeg. Het waren gedeeltelijk ingegraven gebouwtjes die naast grotere huizen konden staan. Sommige werden waarschijnlijk gebruikt voor ambachtelijke werkzaamheden. De tien loden ringen die in één hutkom zijn gevonden, worden als mogelijke weefgewichten geïnterpreteerd. Zij maken zichtbaar hoe specifieke werkzaamheden een eigen plaats op het erf konden krijgen. Ook metaalbewerking wordt voor de late vierde en vijfde eeuw genoemd. De precieze functie van iedere hutkom blijft afhankelijk van de vondsten en bouwsporen. Niet ieder klein gebouw was noodzakelijk een werkplaats.
De veranderingen in de bebouwing hadden gevolgen voor het dagelijks leven. In oudere woonstalhuizen stonden mensen en vee vaak onder één dak. Runderen leverden melk, vlees, huiden en mest. Schapen leverden wol en andere producten. De bewoners moesten voldoende grasland en wintervoer beschikbaar hebben. Ook in de vijfde eeuw bleef die agrarische basis belangrijk. De aanwezigheid van ambachtelijke gebouwen betekent niet dat de landbouw was verdwenen. Het is waarschijnlijker dat huishoudens verschillende werkzaamheden combineerden. Sommige producten werden binnen het gezin gemaakt, terwijl andere via contacten met naburige nederzettingen werden verkregen.
Het onderhoud van de wierde bleef eveneens arbeid vragen. De woonheuvel was gedurende vele eeuwen opgehoogd met klei, mest en ander materiaal. Huizen moesten worden vernieuwd en paden bruikbaar gehouden. De hoge grondwaterstand had eerder uitzonderlijke hoeveelheden hout geconserveerd. Daardoor kon bij de opgravingen van Ezinge een bijzonder beeld ontstaan van houten werktuigen en bouwonderdelen uit verschillende eeuwen. De volledige houtcollectie bestrijkt echter een veel langere periode dan 450–476. Oudere houten voorwerpen mogen niet zonder afzonderlijke datering als gebruiksvoorwerpen van de laatste generatie vóór 476 worden beschreven.
Het aardewerk van Ezinge laat zien dat de bewoners deel uitmaakten van veranderende Noordzeeverbindingen. In de vijfde eeuw kwamen handgevormde potten voor die overeenkomsten vertonen met aardewerktradities uit Noordwest-Duitsland en andere gebieden rond de Noordzee. De vormen en versieringen veranderden, maar het gebruik van plaatselijk vervaardigd aardewerk bleef belangrijk. Een nieuwe stijl hoeft geen volledige bevolkingsvervanging te betekenen. Bestaande bewoners konden andere vormen gaan maken, terwijl nieuwkomers oudere plaatselijke gewoonten konden overnemen. De archeologie kan die processen niet uitsluitend uit de versiering van een pot reconstrueren.
Schalenurnen, voedsel en sociale verschillen
De Schalenurnen vormen een bijzonder onderdeel van deze veranderende aardewerkwereld. Dergelijke schalen zijn zowel uit Ezinge als uit Feddersen Wierde bekend. De mogelijke relatie met gezamenlijke maaltijden en sociale bijeenkomsten is vooral besproken vanwege hun verspreiding rond de grote hofzone van Feddersen Wierde. Ook in Ezinge kunnen bijzondere drink- en serveergewoonten een rol hebben gespeeld. Toch is niet aangetoond dat beide nederzettingen dezelfde politieke gebruiken hadden. De vormen van de schalen, hun datering en hun vondstcontexten moeten afzonderlijk worden beoordeeld. Hun aanwezigheid toont overeenkomsten in materiële cultuur, geen bewezen gemeenschappelijk bestuur.
In de vijfde eeuw werd de positie van Ezinge mogelijk belangrijker doordat verschillende andere nederzettingen waren verlaten. Een plaats die bleef bestaan, kon contacten en voorzieningen behouden die elders verdwenen. De bewoners konden gebruikmaken van bestaande ophogingen, waterwegen en opgebouwde kennis van het landschap. Het is mogelijk dat Ezinge een ontmoetingsplaats of regionaal centrum werd. Die interpretatie wordt ondersteund door de lange bewoningsgeschiedenis en bijzondere vondsten uit verschillende perioden. Toch ontbreekt een geschreven bron die een vijfde-eeuwse bestuurder van Ezinge noemt. De aanwezigheid van kostbare voorwerpen bewijst niet dat er een koninklijke residentie stond.
De sociale verschillen binnen Ezinge zijn minder duidelijk in de gebouwen zichtbaar dan in Feddersen Wierde. De grote hofzone van Feddersen Wierde vormde een opvallend onderdeel van de nederzettingsstructuur. In Ezinge waren de oudere erven relatief gelijkmatig verdeeld. Dat betekent niet dat alle bewoners evenveel bezaten. Sommige families kunnen meer vee, grond, arbeidskracht of waardevolle goederen hebben gehad. Zulke verschillen zijn archeologisch niet altijd eenvoudig te herkennen. Ook de opgravingsgeschiedenis speelt een rol. De vondsten van Van Giffen werden in een andere periode en met andere onderzoeksmethoden verzameld dan het materiaal uit Feddersen Wierde.
Feddersen Wierde — het einde van de eerste bewoning
In Feddersen Wierde kwam in de vijfde eeuw een einde aan de eerste grote bewoningsfase. De nederzetting had sinds ongeveer 100 v.Chr. bestaan en was gedurende vele generaties opgehoogd. Zij had een omvangrijk geheel van woonstalhuizen, spiekers, ambachtelijke gebouwen en bijzondere erfcomplexen gekend. De opgravingen documenteerden de ontwikkeling van een kleine nederzetting tot een woonheuvel van ongeveer vier hectare. De laatste bewoningsfasen tonen veranderingen in de omvang en inrichting van de erven. Uiteindelijk werden de huizen verlaten. De archeologie kan het einde echter niet met zekerheid aan één afzonderlijk jaar tussen 450 en 476 verbinden.
De verlatenheid van Feddersen Wierde is vaak in verband gebracht met de migraties naar Brittannië. In de vijfde eeuw vestigden zich groepen uit verschillende Noordzeestreken aan de overzijde van de zee. De gebieden langs de Weser en Elbe maakten deel uit van de wereld waaruit zulke migranten afkomstig konden zijn. Dat maakt een verband met het einde van Feddersen Wierde mogelijk. Het bewijst echter niet dat alle bewoners naar Engeland vertrokken. Sommige families kunnen naar de hogere Geest, naar andere wierden of verder landinwaarts zijn verhuisd. De verlaten nederzetting toont waar zij niet langer woonden, maar niet waar iedereen terechtkwam.
De oudere museale en archeologische interpretaties legden soms een rechtstreeks verband tussen de verlatenheid van Feddersen Wierde en de Angelsaksische migratie. Moderne bronkritiek vraagt om meer terughoudendheid. Het huidige onderzoek plaatst een duidelijke bewoningsonderbreking in de late vijfde en zesde eeuw. De plaats werd pas in de zevende of achtste eeuw opnieuw gebruikt. Dat betekent dat het einde van de eerste bewoning niet noodzakelijk al rond 450 volledig was bereikt. De geschiedenis van Feddersen Wierde moet daarom als een geleidelijk proces worden beschreven, waarvan de laatste fasen niet overal even nauwkeurig te dateren zijn.
Het verdwijnen van de nederzetting kan verschillende oorzaken hebben gehad. Veranderingen in de waterhuishouding konden landbouwgrond minder bruikbaar maken. Het vertrek van huishoudens kon de samenwerking bij het onderhoud van gebouwen en voorzieningen bemoeilijken. Ook veranderende contacten over zee kunnen een rol hebben gespeeld. Wanneer bepaalde families vertrokken, konden andere volgen. Toch is geen van deze verklaringen afzonderlijk als volledige oorzaak bewezen. De grote woonheuvel zelf bleef bestaan, maar een hoge woonplaats was onvoldoende wanneer de economische en sociale basis van de gemeenschap veranderde. De archeologie laat vooral het uiteindelijke resultaat zien.
De omvangrijke vondstcatalogus maakt duidelijk wat er bij het verdwijnen van de nederzetting op het spel stond. Gedurende eeuwen hadden de bewoners huizen gebouwd, graan opgeslagen, vee gehouden, kleding gemaakt, ijzer gesmeed en non-ferrometaal verwerkt. De fibulae, gordelonderdelen, ringen, messen, scharen, sleutels en naalden tonen het dagelijkse gebruik van kleine waardevolle voorwerpen. Paardentuig, sporen en wapengerelateerd beslag laten daarnaast andere activiteiten zien. De verzameling bestrijkt echter de volledige bewoningsgeschiedenis. Zij mag niet worden voorgesteld als de inventaris die één laatste generatie rond 470 achterliet.
Het einde van Feddersen Wierde betekende niet dat alle gemeenschappen langs de Weser en Elbe verdwenen. De kust kende verschillende nederzettingen en grafvelden met uiteenlopende bewoningsgeschiedenissen. Fallward bleef belangrijk voor het onderzoek naar vierde- en vijfde-eeuwse begravingen. Daar waren houten grafconstructies en voorwerpen uitzonderlijk goed bewaard gebleven. De vondsten tonen dat de bevolking van de bredere kustregio beschikte over kennis van houtbewerking en bijzondere begrafenisgebruiken. Zij bewijzen niet dat de mensen die bij Fallward werden begraven afkomstig waren uit Feddersen Wierde. Beide vindplaatsen moeten afzonderlijk worden onderzocht.
De vergelijking tussen Feddersen Wierde en Fallward laat zien hoe verschillend archeologische bronnen kunnen zijn. In Feddersen Wierde werden vooral huizen, erven, opslaggebouwen en productieplaatsen onderzocht. In Fallward leveren graven informatie over de omgang met overledenen en over voorwerpen die bij een begrafenis werden achtergelaten. Een rijk graf kan wijzen op een bijzondere sociale positie, maar vertelt niet rechtstreeks welke rechten de overledene tijdens het leven had. Ook kan een voorwerp speciaal voor een begrafenis zijn geselecteerd. De grafvondsten vullen het nederzettingsonderzoek aan zonder dat zij dezelfde vragen op dezelfde manier beantwoorden.
Hegebeintum — wapens, graven en een veranderende samenleving
In Friesland bieden de grafvelden van Hegebeintum en Oosterbeintum een belangrijk tegenwicht tegen het nederzettingsonderzoek. Hegebeintum leverde meer dan 142 geregistreerde menselijke graven en drie hondengraven op. De vondsten kwamen tijdens de afgraving van de terp in 1904 aan het licht. Het grafveld werd over een lange periode gebruikt, globaal van ongeveer 400 tot 730. Daardoor omvat het verschillende generaties en veranderende begrafenisgebruiken. Het is niet mogelijk om alle grafgiften aan de jaren 450–476 toe te schrijven. De vroegste begravingen zijn voor deze periode van belang, maar moeten van het latere materiaal worden onderscheiden.
Graf 132 bevatte een ango, een bijzondere speer die globaal tussen 450 en 550 wordt gedateerd. Daarmee behoort het voorwerp tot een periode die onze einddatum overschrijdt. Het kan vóór of na 476 zijn begraven. De vondst toont dat wapens een plaats konden krijgen in de begrafenisgebruiken van de vroege middeleeuwen, maar zij bewijst niet dat in 460 een gewapende elite over Hegebeintum heerste. Ook graf 42, met een langsax, speerpunt en klapmes, moet afzonderlijk worden gedateerd. De combinatie van wapens en persoonlijke voorwerpen is betekenisvol, maar een graf is geen rechtstreeks verslag van een krijgersleven.
De aanwezigheid van drie hondengraven maakt Hegebeintum bijzonder. Dieren konden kennelijk een plaats krijgen binnen het begrafenislandschap. Wat deze begravingen precies betekenden, is moeilijk vast te stellen. Zij kunnen verband houden met de betekenis van honden voor mensen, maar de vondsten leveren geen geschreven verklaring van het ritueel. Bovendien is de datering van ieder dierengraf afzonderlijk van belang. De grafvelden laten zien dat dieren niet uitsluitend als voedselbron of arbeidskracht in de archeologische geschiedenis voorkomen. Ook de omgang met dieren na hun dood kan informatie geven over sociale gebruiken en de betekenis die mensen aan bepaalde dieren hechtten.
Oosterbeintum — de doden op een oud landbouwterrein
Oosterbeintum laat eveneens een langdurig grafgebruik zien. Het terrein werd vanaf ongeveer de vijfde eeuw tot in de eerste helft van de achtste eeuw voor begravingen gebruikt. Onderzoekers herkenden, afhankelijk van de telling, ongeveer 110 tot 163 begravingen en crematiecomplexen. De verscheidenheid is groot: urnbegravingen, brandkuilen, brandvlekken, een brandstapelkuil en lichaamsgraven kwamen naast elkaar voor. Deze gegevens tonen dat de omgang met de doden niet gedurende de hele periode hetzelfde bleef. De precieze ontwikkeling moet uit de afzonderlijke grafcontexten worden gereconstrueerd. Een vijfde-eeuwse begrafenis kan niet zonder meer met een zevende-eeuwse worden gelijkgesteld.
De grafgiften omvatten fibulae, kralen, spinklosjes, een sax en een lanspunt. Ook honden- en paardenresten werden aangetroffen. Zulke voorwerpen en dierlijke resten maken zichtbaar dat kleding, persoonlijke presentatie, werk en mogelijk bewapening een plaats konden krijgen bij een begrafenis. De aanwezigheid van spinklosjes kan een verband leggen met textielproductie, maar vertelt niet hoeveel textiel de overledene tijdens het leven vervaardigde. Evenmin kan een speerpunt zonder meer als bewijs voor een militair ambt worden gebruikt. De archeologische betekenis ligt in de combinatie van voorwerpen, grafvormen, dateringen en de plaats van de begraving.
Bij Oosterbeintum liggen oudere landbouwsporen onder het grafveld. Dat maakt de vindplaats bijzonder voor de geschiedenis van het landschap. Dezelfde plaats kon eerst worden gebruikt om gewassen te verbouwen en later om overledenen te begraven. De verandering in gebruik kan samenhangen met een andere inrichting van het nederzettingsgebied, maar de precieze aanleiding is onbekend. Het terrein bleef betekenis houden, ook wanneer de oorspronkelijke functie veranderde. Daarmee vormt Oosterbeintum een aanvulling op Wijnaldum en Ezinge: niet alleen de bewoning, maar ook de omgang met oude grond en bestaande woonplaatsen veranderde in de vijfde eeuw.
Wijnaldum — het begin van een nieuwe bewoningsgeschiedenis
In Westergo kreeg Wijnaldum-Tjitsma inmiddels een nieuwe bewoningsgeschiedenis. De plaats was omstreeks 425 opnieuw in gebruik genomen, nadat zij ongeveer een eeuw verlaten was geweest. Tegen 450 woonde er dus weer een gemeenschap op de oude terp. De nieuwe bewoners gebruikten een landschap dat door eerdere generaties was gevormd, maar leefden in andere politieke en economische omstandigheden. De hervatting van bewoning maakt Wijnaldum tot een belangrijk contrast met Feddersen Wierde. Terwijl de ene nederzetting opnieuw werd gebruikt, naderde de andere het einde van haar oude bewoningsfase.
De latere betekenis van Wijnaldum is bekend door de beroemde gouden mantelspeld waarvan in 1953 een groot fragment werd gevonden. De speld werd echter rond 600 vervaardigd en behoort niet tot de periode 450–476. Zij mag daarom niet worden gebruikt als bewijs dat Wijnaldum in 460 al een koninklijk machtscentrum was. De vondst laat wel zien dat de hernieuwde bewoning uiteindelijk deel werd van een wereld waarin goud, sieraden en bovenregionale contacten een grote rol speelden. De ontwikkeling tussen de hervatting rond 425 en de rijkdom van de zevende eeuw moet afzonderlijk worden onderzocht.
Ook de huispodia, woonstalhuizen, waterwerken en sporen van metaalbewerking uit Wijnaldum moeten over hun eigen bewoningsfasen worden verdeeld. Het bestaan van dergelijke voorzieningen maakt duidelijk dat de terp meer was dan een eenvoudige verzameling aardewerkscherven. Er werd gebouwd, gewerkt en rekening gehouden met de omstandigheden van het landschap. Toch kan niet iedere onderzochte structuur aan de eerste vijftig jaar na de hervatting worden toegeschreven. Voor de jaren 450–476 moet worden vastgesteld welke huizen daadwerkelijk in gebruik waren. Alleen dan kan de groei van de nederzetting worden onderscheiden van haar latere ontwikkeling.
Een kustlandschap met verschillende bewoners
De geschiedenis van andere Friese terpen bleef uiteenlopen. Sommige plaatsen die in de derde of vierde eeuw waren verlaten, kregen opnieuw bewoners. Andere bleven langer zonder aantoonbare bewoning. Dongjum, Peins, Englum en Achlum worden genoemd bij de verspreiding van aardewerk dat overeenkomsten vertoont met Angelsaksische tradities. Dat materiaal moet per vindplaats worden gedateerd. Een overeenkomst in versiering is onvoldoende om alle bewoners als nieuw aangekomen Saksen of Angelen te beschrijven. De vijfde-eeuwse kustsamenleving kan zowel bestaande families als nieuwkomers hebben omvat. Hun onderlinge relaties zijn slechts gedeeltelijk uit de vondsten te reconstrueren.
In Groningen was de bewoningscontinuïteit van Ezinge bijzonder, maar niet noodzakelijk uniek. Jelsum en Marssum hebben voor Friesland al laten zien dat oudere aannames over een volledig bewoningshiaat opnieuw moeten worden beoordeeld. Ook in Groningen kunnen sommige kleinere woonplaatsen langer zijn blijven bestaan dan vroeger werd gedacht. De beschikbare gegevens zijn echter niet overal even volledig. Het is daarom onjuist om op basis van enkele bekende opgravingen een exacte bevolkingskaart voor 475 te tekenen. De archeologie toont een onregelmatig verspreid netwerk van bewoning, met belangrijke verschillen in onderzoeksgeschiedenis en dateringsmogelijkheden.
De ligging van de Groningse wierden aan oude waterlopen bleef van belang. De Hunze, de Fivel en de verbindingen met de Eems boden mogelijkheden voor vervoer en contacten. Middelstum, Loppersum, Holwierde, Termunten, Farmsum en andere nederzettingen maakten deel uit van een landschap waarin bewoning en water nauw verbonden waren. De plaatselijke geschiedenis van deze wierden verschilt en niet alle vijfde-eeuwse fasen zijn even duidelijk bekend. Toch laat de voortzetting van de bewoning in Ezinge zien dat de Groningse kust niet volledig uit de Noordzeewereld verdween. De verbindingen met het oostelijke kustgebied kunnen daarbij van betekenis zijn geweest.
De term Friezen krijgt in deze periode een ingewikkelde betekenis. Romeinse auteurs hadden eeuwen eerder over de Frisii geschreven. In de vroege middeleeuwen verschijnen opnieuw namen die met Friezen worden verbonden. Het is echter niet bewezen dat alle gemeenschappen tussen deze perioden onafgebroken dezelfde politieke of etnische identiteit behielden. De bewoningsonderbrekingen in delen van Friesland maken een eenvoudige gelijkstelling problematisch. Tegelijk toont Ezinge dat plaatselijke continuïteit mogelijk was. De geschiedenis van de Friese kust moet daarom niet worden voorgesteld als die van één onveranderlijk volk dat gedurende vele eeuwen dezelfde grenzen en instellingen bezat.
Hetzelfde geldt voor de Saksen en Angelen. Romeinse en vroegmiddeleeuwse auteurs gebruikten zulke namen voor groepen die niet altijd precies geografisch of politiek waren afgebakend. Archeologische aardewerkstijlen kunnen overeenkomsten vertonen met gebieden die later met deze namen werden verbonden. Toch kan een pot niet rechtstreeks vertellen hoe de maker zichzelf noemde. De migraties naar Brittannië waren werkelijk, maar de samenstelling van de groepen was waarschijnlijk ingewikkeld. Mensen konden zich bij bestaande gemeenschappen aansluiten, nieuwe relaties aangaan en andere gewoonten overnemen. Daardoor veranderden identiteiten samen met de sociale en politieke omstandigheden.
De macht in het kustgebied was evenmin georganiseerd volgens de grenzen van latere landen. De huidige scheiding tussen Nederland en Duitsland bestond niet. Ezinge en Feddersen Wierde lagen in een wereld van waterwegen, kustverbindingen en plaatselijke gemeenschappen. Verschillen in rijkdom en invloed konden bestaan zonder dat één centraal gezag het gehele gebied bestuurde. De grote hofzone van Feddersen Wierde en de bijzondere vondsten van Ezinge laten zien dat sommige huishoudens mogelijk meer middelen of contacten hadden dan andere. Zij bewijzen niet dat beide nederzettingen deel uitmaakten van één koninkrijk of dat dezelfde leider over het hele kustgebied heerste.
476 — het einde van het West-Romeinse keizerschap
Tegen 470 was het West-Romeinse keizerschap sterk afhankelijk geworden van militaire machthebbers die achter de troon stonden. Keizers volgden elkaar snel op en beschikten niet meer over de middelen die hun voorgangers eeuwen eerder hadden gehad. De politieke betekenis van Rome bleef groot, maar het daadwerkelijke bestuur in het westen was versnipperd. Voor de noordelijke kust buiten het rijk was dit geen plotseling verlies van een eigen Romeinse overheid. De bewoners hadden hun plaatselijke samenleving altijd grotendeels zelf georganiseerd. Wel veranderde de wereld waarin Romeinse militaire dienst, betalingen en politieke relaties een rol konden spelen.
In 475 werd Romulus Augustulus in het westen als keizer naar voren geschoven. Een jaar later zette Odoaker hem af. Het jaar 476 geldt daarom traditioneel als het einde van het West-Romeinse keizerschap. Dat jaartal is belangrijk voor de geschiedenis van het rijk, maar het betekende niet dat op dezelfde dag alle Romeinse instellingen en gebruiken verdwenen. Het oostelijke keizerschap bleef bestaan en in verschillende westelijke gebieden leefden Romeinse bestuurlijke tradities voort. Ook de verspreiding van Romeinse voorwerpen hield niet onmiddellijk op. De politieke gebeurtenis en de veranderingen in de materiële cultuur moeten daarom van elkaar worden onderscheiden.
Voor de bewoners van Ezinge was 476 waarschijnlijk geen duidelijk herkenbare breuk in het dagelijks bestaan. Zij moesten nog steeds voedsel produceren, vee verzorgen, gebouwen onderhouden en contacten met andere gemeenschappen onderhouden. Hun wierde bleef bewoond. In Wijnaldum was inmiddels een nieuwe nederzettingsfase begonnen. Feddersen Wierde daarentegen bevond zich in de periode waarin de oude bewoning ten einde kwam. De drie plaatsen laten zien dat de ondergang van het West-Romeinse keizerschap niet samenviel met één algemene verandering langs de Noordzee. De plaatselijke ontwikkelingen hadden hun eigen voorgeschiedenis en verliepen in een verschillend tempo.
De geschiedenis na 476 — afzonderlijke contactlaag
De beroemde mantelspeld van Wijnaldum, de gouden zwaardknop van Ezinge, Merovingisch draaischijfaardewerk en de latere herbewoning van Feddersen Wierde behoren tot de ontwikkelingen na de einddatum van dit verhaal. Zij zijn belangrijk omdat zij laten zien dat de Noordzeekust ook na het verdwijnen van het West-Romeinse keizerschap verbonden bleef met andere gebieden. De gouden zwaardknop uit Ezinge, versierd met almandijn, behoort tot het begin van de zevende eeuw. De mantelspeld van Wijnaldum wordt rond 600 geplaatst. Geen van beide mag als rechtstreeks bewijs voor een vijfde-eeuwse leider worden gebruikt.
Ook de latere graven van Hegebeintum moeten afzonderlijk worden behandeld. Graf 48 bevatte een vrouw van ongeveer veertig tot vijftig jaar oud, begraven in een uitgeholde boomstamkist. Bij haar lagen onder meer 121 kralen van schelpkalk. Deze vrouw, die later de naam Beitske kreeg, behoort tot de zevende eeuw. Haar graf is belangrijk voor het onderzoek naar persoonlijke bezittingen en begrafenisgebruiken, maar mag niet worden opgenomen als een gebeurtenis uit 450–476. Hetzelfde geldt voor de jongere graven van Oosterbeintum en voor voorwerpen waarvan de datering duidelijk in de zesde of zevende eeuw valt.
De geschiedenis van de terpen en wierden tussen 14 en 476 laat daarmee een samenleving zien die nooit eenvoudig als Romeins of niet-Romeins kan worden beschreven. De bewoners leefden buiten de gewone provinciale grenzen, maar gebruikten voorwerpen die uit het rijk afkomstig waren. Zij verbouwden gewassen en hielden vee op hun eigen erven, maar hadden voor sommige werktuigen en materialen contacten met verre gebieden nodig. Sommige gemeenschappen ontwikkelden opvallende verschillen in bezit en bebouwing. Andere bleven kleinschaliger. De archeologie toont een wereld van plaatselijke keuzes en bovenregionale verbindingen, zonder dat daarvoor moderne landsgrenzen nodig waren.
Het verschil tussen Ezinge en Feddersen Wierde vormt uiteindelijk de belangrijkste vergelijking. Beide nederzettingen waren ontstaan in het kustgebied en hadden eeuwenlang landbouw, ambacht en uitwisseling gecombineerd. Feddersen Wierde ontwikkelde een opvallende hofzone en werd in de vijfde eeuw verlaten. Ezinge behield zijn bewoning, veranderde van inrichting en bleef ook na de Romeinse tijd bestaan. Wijnaldum laat daarnaast zien dat een verlaten terp opnieuw betekenis kon krijgen. Geen van deze ontwikkelingen kan met één verklaring worden samengevat. Landschap, economie, sociale relaties en migratie beïnvloedden elkaar, maar hun betekenis verschilde per plaats.
Toen het West-Romeinse keizerschap in 476 eindigde, bleef de Noordzeekust een bewoond en veranderend landschap. De Romeinse grens had eeuwenlang contacten mogelijk gemaakt en beperkt, maar had de kustgemeenschappen nooit volledig van elkaar gescheiden. Goud, aardewerk, maalstenen, metalen werktuigen en nieuwe bouwvormen hadden zich over grote afstanden verspreid. Mensen waren gebleven, vertrokken en teruggekeerd. Ezinge bleef bestaan, Wijnaldum begon aan een nieuwe geschiedenis en Feddersen Wierde verloor zijn oude bewoners. Daarmee eindigt het verhaal niet met de ondergang van één rijk, maar met een kustsamenleving die haar eigen weg verderging.