Op 25 april 1492 werd Erasmus priester
Op 25 april 1492 ontvangt Erasmus de priesterwijding, onder het episcopaat van David van Bourgondië, bisschop van Utrecht. De Latijnse woorden die hij als kind in de Sint-Jan hoorde en later op school ontleedde, behoren nu tot zijn eigen ambt. Hij staat niet langer tussen de schooljongens. Rond hem bevinden zich geestelijken, liturgische gewaden en de voorwerpen die bij de mis horen. De handelingen zijn hem vertrouwd, maar zijn plaats is veranderd. Na jaren van school, kloosterleven, zang en studie behoort hij zelf tot de gewijde geestelijkheid. De dagelijkse klok van Steyn blijft ondertussen gewoon klinken.
Hij kan nu zelf aan het altaar staan, tussen kaarslicht, vaatwerk en gezongen gebed. Toch verandert zijn dagelijks leven niet plotseling in dat van een parochiepriester. De boeken blijven op tafel liggen. Brieven blijven komen en vertrekken. Willem Hermans, Servaas Rogier en Cornelis Gerards blijven deel van zijn wereld. Erasmus leest, schrijft en werkt verder binnen dezelfde kloostergemeenschap. De priesterwijding voegt een nieuwe taak en status toe, maar de gangen, maaltijden, diensten en studie-uren van Steyn blijven herkenbaar. Buiten de kloostermuur liggen Gouda, Utrecht en de wegen waarlangs vrienden en brieven hem bereiken.
In 1493 ging de kloosterpoort opnieuw open
In 1493 komt Erasmus in dienst van Hendrik van Bergen, bisschop van Kamerijk. Daarvoor krijgt hij toestemming Steyn te verlaten. Willem Hermans wil hem een deel van de reis begeleiden. Een brief laat zien dat Willem buiten de stad bij een reiswagen staat te wachten terwijl Erasmus wordt opgehouden. Het vertrek krijgt daardoor weinig plechtigs. Een vriend wacht, de wagen staat klaar, bagage moet mee en iemand blijft langer binnen dan gepland. Erasmus verlaat Steyn niet als iemand die zijn kloosterbanden heeft afgeschud. Hij blijft kanunnik, maar zijn dagelijkse omgeving verandert zodra de weg zich buiten de poort opent.
Achter hem blijven de vaste gebedsuren en dezelfde kloostergangen; voor hem ligt het huishouden van een bisschop die voortdurend met geestelijken, bestuurders en hovelingen te maken heeft. Erasmus reist mee, schrijft en verricht werkzaamheden waarvoor zijn Latijn bruikbaar is. De wereld wordt opnieuw beweeglijk. Een bed staat niet langer jarenlang in hetzelfde gebouw. Reizen, wachten, ontvangen worden en weer vertrekken horen voortaan bij zijn dagen. Brieven blijven belangrijk, want vrienden wonen nu op verschillende plaatsen. Steyn blijft bestaan, maar Erasmus hoort de kloosterbel niet meer iedere ochtend vanuit dezelfde kamer.
Deel 5 — Van bisschoppelijk hof naar Europese geleerdenwereld — 1493–1506
Aan het hof van Hendrik van Bergen veranderde zijn dagelijkse omgeving
Bij Hendrik van Bergen leeft Erasmus niet meer volgens het ritme van één klooster. De bisschop beweegt tussen kerk, familiebezit, hof en bestuur, en zijn gevolg beweegt mee. Brussel, Mechelen, Bergen-op-Zoom en andere plaatsen komen binnen bereik. Erasmus schrijft Latijn, verzorgt teksten en ontmoet geestelijken en hovelingen die andere werkzaamheden hebben dan de kanunniken van Steyn. Aan tafel worden brieven geopend, berichten besproken en reizen voorbereid. Paarden, boden en gasten horen bij het huishouden. De ene dag biedt uren voor studie, de volgende wordt bepaald door vertrek, bezoek of wachten op iemand die nog niet is aangekomen.
Zijn kleding en kerkelijke status reizen met hem mee, maar de omgeving verandert voortdurend. In een bisschoppelijk huishouden staan godsdienst en wereldlijk bestuur dicht naast elkaar. Een prelaat bezit boeken en kerkelijke verantwoordelijkheden, maar onderhoudt ook contacten met vorsten, edelen en bestuurders. Erasmus ziet deuren opengaan naar huizen waar hij als jonge kloosterling niet vanzelf zou zijn binnengekomen. Tegelijk blijft hij afhankelijk van degene in wiens dienst hij staat. Papier, kleding, voedsel en reizen kosten geld. Een geleerde kan uitstekend Latijn schrijven en toch moeten wachten tot een beschermheer toestemming geeft voor de volgende stap.
In Halsteren vond hij in 1494 opnieuw zijn boeken
Wanneer in 1494 pest dreigt in de omgeving waar de bisschop verblijft, wijkt Erasmus uit naar diens buitenverblijf in Halsteren, vlak bij Bergen-op-Zoom. De drukte van het gevolg maakt plaats voor meer rust. Daar werkt hij opnieuw aan de Antibarbari. Op tafel liggen teksten en aantekeningen die al in zijn Steynse jaren begonnen waren. De gesprekken met vrienden en de discussies over klassieke geleerdheid keren in het werk terug. Jacob Batt uit Bergen-op-Zoom behoort tot de mensen met wie Erasmus in deze omgeving contact heeft. De buitenplaats wordt tijdelijk een werkplek waar de dag minder door reizen wordt opgebroken.
Buiten liggen landerijen en de wegen naar Bergen-op-Zoom; binnen buigt Erasmus zich over de tegenstelling tussen goede studie en onderwijs dat volgens hem te weinig van de klassieke schrijvers begrijpt. Namen uit zijn eigen kring verschijnen in het werk. De Antibarbari krijgt de vorm van gesprekken, alsof de discussies rond tafel gewoon op papier doorgaan. Erasmus schrijft niet in een grote universiteitsstad, maar op een buitenverblijf terwijl ziekte elders mensen op afstand houdt. De rust duurt niet voorgoed. Zijn wens verder te studeren blijft bestaan en in 1495 krijgt hij toestemming naar Parijs te vertrekken.
In 1495 bracht Parijs hem naar een universiteit van duizenden stemmen
Parijs is groter en drukker dan de steden waarin Erasmus tot dan toe heeft gestudeerd. Rond de universiteit bewegen studenten, geestelijken, meesters, boekverkopers en kopiisten uit verschillende landen. Hij krijgt onderdak in het Collège Montaigu, waar Jan Standonck een streng regime voert. De dag begint vroeg. Eten is eenvoudig, slaapruimten zijn onaangenaam en de discipline hard. Erasmus komt voor theologie, maar moet zijn lichaam tegelijk aanpassen aan een leefwijze die hem slecht bevalt. Buiten liggen straten vol boeken en lessen; binnen het college bepalen soberheid, gebed en regels een groot deel van het dagelijkse bestaan.
In collegezalen hoort hij disputaties waarin begrippen zorgvuldig worden onderscheiden en argumenten tegen elkaar worden gezet. De scholastieke methode vraagt een andere vorm van denken dan het lezen van Cicero, Valla of de dichters. Erasmus volgt lessen, maar zoekt daarnaast boeken en mensen bij wie taal en klassieke literatuur meer ruimte krijgen. Parijs bezit beide werelden tegelijk. Op straat kan hij een boekverkoper binnenlopen; in een collegezaal wachten theologische vraagstukken en formele redeneringen. Zijn geld is beperkt en zijn gezondheid kwetsbaar. In het voorjaar van 1496 wordt hij ziek en verlaat hij de stad om op krachten te komen.
In 1496 keerde hij terug naar Parijs zonder Montaigu
Na zijn ziekte verblijft Erasmus eerst bij zijn beschermers en bezoekt hij ook bekenden in Holland. In september 1496 is hij weer in Parijs. Het Collège Montaigu laat hij achter zich. Hij zoekt een andere woonplek en moet meer zelf regelen. Een kamer, eten, papier en boeken worden gewone kostenposten. De universiteit ligt nog altijd dichtbij, maar Erasmus leeft niet langer volledig binnen één college. De stad geeft hem daardoor meer ruimte en tegelijk meer zorgen. Geld moet ergens vandaan komen. Een beurs of kloostergemeenschap draagt niet vanzelf alle lasten. Hij schrijft brieven, zoekt contacten en probeert zijn studie voort te zetten.
Parijs biedt ondertussen meer dan officiële colleges. Erasmus beweegt tussen boekverkopers, studenten en geleerden die klassieke teksten lezen. Robert Gaguin behoort tot de bekende Franse humanisten met wie hij contact krijgt; ook Fausto Andrelini, de Italiaanse dichter, bevindt zich in deze kring. Gesprekken gaan over stijl, poëzie en Latijn. Een manuscript kan van hand tot hand gaan voordat een drukker het ooit ziet. Erasmus laat werk lezen en leest dat van anderen. Zijn dagen bestaan daardoor uit twee heel verschillende kanten: zorgen over inkomen en kamerhuur, en uren waarin een Latijnse zin uitgebreid kan worden besproken.
Privélessen hielden hem in Parijs aan het werk
Erasmus verdient geld door jonge mannen uit welgestelde families les te geven. Hij zit nu zelf tegenover leerlingen. Grammatica, briefschrijven en stijl die hij in Gouda en Deventer moest oefenen, legt hij aan anderen uit. Een goede brief moet niet alleen grammaticaal kloppen, maar passend en helder zijn. De lessen leveren inkomsten, maar kosten ook tijd. Daarna wachten zijn eigen boeken. Soms schuift dezelfde tafel van onderwijs naar studie: eerst een leerling, daarna een klassiek auteur, vervolgens een brief aan een vriend of beschermer. Parijs houdt hem bezig van vroeg tot laat.
Een leerling brengt soms meer dan lesgeld. Via leerlingen ontstaan contacten met families en reizigers die veel grotere netwerken hebben dan Erasmus zelf. William Blount, Lord Mountjoy, behoort tot de jonge mannen die hij onderwijst. De Engelsman spreekt over zijn land, zijn relaties en geleerden aan de overzijde van het Kanaal. Erasmus luistert. Engeland was vanuit Gouda en Steyn een verre naam; nu zit iemand uit die wereld tegenover hem. Ondertussen moet een volgende rekening betaald worden en wacht weer een les. De geleerdenwereld en het dagelijkse bestaan liggen opnieuw op dezelfde tafel.
Jacob Batt zocht beschermers voor een geleerde zonder vast inkomen
Jacob Batt blijft voor Erasmus een belangrijke tussenpersoon in de Nederlanden. Vanuit Bergen-op-Zoom en later via zijn contacten probeert hij geld en bescherming voor hem te vinden. Een belangrijke naam wordt Anna van Borssele, vrouwe van Veere. Erasmus schrijft brieven waarin boeken, plannen en financiële zorgen dicht bij elkaar staan. Een studiereis klinkt verheven, maar vraagt geld voor paarden, schepen, onderdak en eten. Een nieuw boek is nuttig, maar moet eerst gekocht kunnen worden. Batt kent mensen met bezit; Erasmus kent teksten. Brieven moeten die werelden met elkaar verbinden.
Erasmus reist daardoor geregeld tussen Frankrijk en de Nederlanden. Parijs blijft belangrijk, maar niet als vaste thuisplaats. Veere, Bergen-op-Zoom, Holland en andere plaatsen verschijnen in zijn correspondentie. Soms wacht hij op geld dat is beloofd; soms vraagt hij opnieuw om steun. Beschermers kunnen deuren openen, maar hun aandacht kan ook verschuiven. Erasmus draagt daarom brieven van aanbeveling mee en onderhoudt verschillende contacten tegelijk. Zijn boeken reizen mee in kisten of tassen. Bij iedere verplaatsing moet worden gekozen wat meegaat en wat achterblijft. Een geleerd leven blijkt opvallend veel praktisch geregel te vragen.
In 1499 voer hij met Lord Mountjoy naar Engeland
In 1499 steekt Erasmus met William Blount, Lord Mountjoy, het Kanaal over. Engeland brengt nieuwe huizen, nieuwe gezichten en een andere geleerdenkring binnen bereik. In Londen ontmoet hij Thomas More, jong, geleerd en scherp in gesprek. In Oxford leert hij John Colet kennen. Ook William Grocyn en Thomas Linacre behoren tot de kring waarin Grieks en klassieke geleerdheid veel serieuzer worden beoefend dan Erasmus op veel andere plaatsen heeft gezien. Maaltijden kunnen overgaan in lange gesprekken. Een tekst wordt genoemd, iemand haalt een boek, een ander werpt een bezwaar op. Erasmus luistert en praat mee.
De kerkelijke wereld blijft voortdurend aanwezig. Colet is geestelijke, maar leest de brieven van Paulus op een manier die Erasmus opvalt. Niet iedere zin wordt onmiddellijk bedekt met een laag latere commentaren; de tekst zelf krijgt ruimte. Grocyn kent Grieks, Linacre heeft in Italië gestudeerd. Erasmus merkt hoeveel hem nog ontbreekt om Griekse bronnen zonder tussenpersoon te lezen. Engeland biedt geen rustig eindpunt. Het confronteert hem juist met nieuwe boeken en talen. De avonden met More en de gesprekken in Oxford maken de lijst van teksten die hij nog wil lezen alleen maar langer.
John Colet bracht Paulus opnieuw naar de leestafel
In Oxford hoort Erasmus Colet spreken over de brieven van Paulus. De woorden worden binnen hun verband gelezen. Personen, omstandigheden en bedoeling van de schrijver krijgen aandacht. Erasmus kent Paulus uit de Latijnse Bijbel, preken en liturgie, maar hier wordt dezelfde tekst behandeld alsof iedere formulering opnieuw bekeken moet worden. Een vertrouwde passage kan daardoor anders klinken. Colet vraagt niet alleen om uitleg uit bestaande commentaren. Hij keert steeds weer terug naar de brief zelf en naar de man die hem geschreven heeft.
Voor Erasmus wordt Grieks daardoor steeds minder een taal die vooral bij bewonderde humanisten hoort. Zonder Grieks blijft hij bij het Nieuwe Testament afhankelijk van vertalingen. Hij oefent verder. Woorden worden opgezocht, vormen ontleed en passages naast Latijn gelegd. Het kost tijd. Zijn kennis groeit niet door één gesprek of één boek. Aan tafel en in brieven duiken telkens Griekse woorden op die opnieuw aandacht vragen. De jongen die in Gouda Latijn probeerde te volgen, zit nu als volwassen priester opnieuw met grammatica voor zich.
Bij Dover bleef een deel van zijn geld achter
In januari 1500 vertrekt Erasmus uit Engeland. Vrienden hebben hem geld meegegeven, maar bij Dover stuit hij op regels die de uitvoer van munt en edelmetaal beperken. Een deel van het geld wordt in beslag genomen. De reis krijgt plotseling een ander karakter. Wat bedoeld was om hem op het continent te helpen, blijft bij de grens achter. Erasmus kan redeneren over klassieke auteurs en Bijbelteksten, maar een douaneregel laat zich daar niet mee veranderen. Een schip wacht en de overtocht moet worden gemaakt met minder geld dan gepland.
Aan de andere kant van het Kanaal beginnen dezelfde vragen opnieuw: verblijf, eten, boeken en inkomsten. Brieven aan vrienden moeten uitleggen wat er is gebeurd. De gebeurtenis past bij het reizende bestaan waarin grenzen niet alleen lijnen op een kaart zijn. Havens controleren goederen en geld; steden heffen rechten; wegen kosten tijd. Een geleerde reist niet door een abstract Europa van bibliotheken. Tussen twee gesprekken over teksten liggen schepen, paarden, herbergen, ziekte en ambtenaren. Erasmus gaat verder naar Frankrijk, opnieuw met zijn boeken en correspondentie als belangrijkste vaste bezit.
In 1500 verscheen de eerste Adagia
In Parijs verschijnt in 1500 de eerste kleine vorm van de Adagia. Erasmus verzamelt honderden Griekse en Latijnse spreuken en geeft uitleg bij hun gebruik. Sommige bestaan uit slechts enkele woorden. Achter zo’n korte uitdrukking kan echter een passage van Cicero, Horatius, Plautus of een andere oude schrijver liggen. Erasmus zoekt de bron en bekijkt de context. Zijn boek is daardoor tegelijk verzameling en leeswijzer. Een uitdrukking die al eeuwen rondgaat, krijgt haar oude omgeving terug. Het dunne boekje kan gemakkelijk worden meegenomen en door andere studenten en schrijvers worden gebruikt.
Na de druk is het werk voor Erasmus niet klaar. Nieuwe spreuken duiken op zodra hij verder leest. Een boek dat eerst voltooid leek, begint opnieuw te groeien. In bibliotheken noteert hij formuleringen; vrienden wijzen hem op teksten; nieuwe Griekse bronnen leveren aanvullingen. De drukpers maakt van één verzameling een boek, maar zij houdt Erasmus niet tegen opnieuw te verzamelen. De Adagia reist daardoor met hem mee als een werk dat telkens kan worden uitgebreid. In dezelfde jaren blijven ook andere teksten op zijn schrijftafel liggen. Er is altijd een volgende passage die nog gecontroleerd of toegevoegd kan worden.
In Leuven werd Erasmus opnieuw leerling
Rond 1502 verblijft Erasmus langere tijd in Leuven. De universiteit brengt theologen, studenten en boekencollecties bijeen. Adrianus van Utrecht behoort er tot de vooraanstaande geleerden. Erasmus krijgt mogelijkheden om zich steviger aan het universitaire leven te verbinden, maar zijn dagen gaan vooral naar studie. Grieks vraagt steeds meer aandacht. De letters kent hij, maar werkelijk lezen vraagt vocabulaire, grammatica en uren oefenen. Een geleerd man kan opnieuw tegenover een taal zitten als een schooljongen. Woordenboeken en grammatica’s liggen open naast teksten die hij wil begrijpen.
Leuven biedt hem ook toegang tot handschriften die elders moeilijk bereikbaar zijn. In 1504 stuit hij op Lorenzo Valla’s aantekeningen bij het Nieuwe Testament. Valla vergelijkt de Latijnse Bijbel met het Grieks en bespreekt plaatsen waar de tekst anders gelezen kan worden. Voor Erasmus is het geen onbekende naam: hij verdedigde Valla al in Steyn. Nu ligt een werk voor hem waarin filologische aandacht rechtstreeks op de Bijbel wordt toegepast. Hij leest, schrijft over het manuscript en helpt het later naar de drukpers. Dezelfde nauwkeurigheid die bij klassieke teksten geldt, ligt hier voor een christelijke tekst open op tafel.
In 1506 lag Italië werkelijk voor hem
In 1506 vertrekt Erasmus opnieuw uit Noord-Europa. Hij reist als begeleider en leraar van de zonen van Battista Boerio, de Genuese arts van koning Hendrik VII. De route voert via Frankrijk en vervolgens over de Alpen. Bagage, boeken en paarden moeten mee over bergwegen die weinig lijken op de vlakke omgeving van Gouda of Steyn. Onderweg schrijft Erasmus. Na de afdaling ligt Turijn voor hem. Op 4 september 1506 ontvangt hij daar na een mondeling examen de doctorsgraad in de theologie.
Van Turijn gaat de reis verder. Bologna is door oorlogsomstandigheden moeilijk bereikbaar en de route buigt naar Florence. Italië bestaat niet alleen uit de namen Agricola ooit had meegebracht naar Deventer. Erasmus loopt nu zelf door steden met universiteiten, kloosters, kerken, paleizen en bibliotheken. Latijn maakt gesprekken mogelijk; Grieks opent andere boeken. In logementen moeten kamers geregeld worden, onderweg wachten paarden en aan een schrijftafel blijven brieven liggen die naar het noorden moeten. De Italiaanse reis is tegelijk studie, werk en voortdurend verplaatsen. Achter iedere nieuwe stad ligt alweer een volgende weg.
Deel 6 — Van Venetië naar Bazel — Tekst, drukpers en het Nieuwe Testament, 1506–1516
Italië bracht hem tussen kerken, bibliotheken en oorlog
Vanuit Turijn en Florence bereikt Erasmus uiteindelijk Bologna. De stad beleeft de intocht van paus Julius II, die niet alleen als geestelijk leider maar ook als wereldlijk vorst optreedt. Pauselijke ceremonie, soldaten en stedelijke politiek lopen dicht naast elkaar. Erasmus ziet opnieuw een Kerk die heel anders oogt dan het sobere leven van Steyn. Grote plechtigheden vullen straten; binnen bibliotheken liggen ondertussen oude teksten op lezers te wachten. Hij reist later verder langs steden als Padua en Rome. Iedere plaats brengt andere contacten, handschriften en beschermers.
In kerken ziet hij marmer, schilderingen en kostbare liturgie; in studeerkamers liggen perkament en papier. Dezelfde stad kan een groot kerkelijk feest en een gesprek over een Griekse zin bevatten. Erasmus schrijft brieven, ontmoet geleerden en blijft teksten verzamelen. Italië geeft hem geen lange rust. Hij reist, verblijft enkele maanden, vertrekt opnieuw en zoekt onderweg naar boeken die in Noord-Europa moeilijk te vinden zijn. Soms brengt een bibliotheek iets nieuws, soms een geleerde die een handschrift bezit. Zijn bagage groeit niet alleen met kleding, maar met aantekeningen, afschriften en plannen voor volgende uitgaven.
In Venetië kwam hij terecht bij Aldus Manutius
Begin 1508 bereikt Erasmus Venetië en gaat hij werken met Aldus Manutius. De beroemde drukker heeft Griekse en Latijnse boeken op zijn naam staan en beschikt over lettertypen waarmee beide talen kunnen worden gezet. Erasmus verblijft in het huishouden van Aldus en diens schoonvader Andrea Torresani. Daar liggen werk en dagelijks leven dicht bij elkaar. Manuscripten komen binnen, geleerden bezoeken het huis en drukproeven moeten worden nagezien. Erasmus brengt zijn Adagia mee en begint onmiddellijk verder uit te breiden. De verzameling blijkt veel groter te kunnen worden dan de Parijse uitgave van 1500.
De drukpers wacht ondertussen niet tot Erasmus rustig klaar is. Nieuwe spreuken worden toegevoegd terwijl andere delen al worden gezet. Griekse geleerden helpen hem bij moeilijk bereikbare teksten en wijzen hem op handschriften. Zetters hebben kopij nodig. Correcties moeten terug voordat een vel verder kan. De dagen vullen zich met lezen, schrijven, overleggen en verbeteren. In september 1508 verschijnt de sterk uitgebreide Venetiaanse Adagia. Wat in Parijs een betrekkelijk klein boek was, is uitgegroeid tot duizenden spreuken met commentaar. De exemplaren verlaten de drukkerij terwijl Erasmus alweer nieuwe fouten en mogelijkheden tot verbetering ziet.
Grieks werd dagelijks gereedschap
In Venetië ligt Grieks niet meer als een zeldzame taal aan de rand van zijn studie. Griekse handschriften liggen werkelijk voor hem en geleerden die de taal beheersen zijn in de omgeving van Aldus aanwezig. Erasmus kan een Latijnse formulering naast een Griekse passage leggen en precies zien waar woorden uit elkaar lopen. Een accent, uitgang of verkeerd gelezen letter kan verschil maken. De taal vraagt nog altijd concentratie. Hij leest langzaam genoeg om fouten op te merken en snel genoeg om de drukkerij niet voortdurend te laten wachten.
Ook de zetters werken met Grieks. Metalen letters nemen de plaats in van de hand van een kopiist. Een fout die vroeger in één handschrift stond, kan door de pers in honderden exemplaren worden verspreid. Proefbladen moeten daarom opnieuw worden bekeken. Erasmus schrijft in de kantlijn, schrapt, voegt toe en geeft het vel terug. Daarna wordt opnieuw gezet. De werkplaats maakt tekstkritiek zichtbaar als handwerk: ogen die vergelijken, vingers die letters verplaatsen, papier dat opnieuw van de pers komt. Buiten beweegt Venetië over kades en kanalen; binnen beweegt één zin soms urenlang heen en weer.
In 1509 keerde Erasmus terug naar Engeland
Na zijn Italiaanse jaren vertrekt Erasmus in 1509 naar Engeland. Onderweg denkt hij aan Thomas More en aan de menselijke dwaasheden die hij overal heeft gezien. Daaruit groeit de Lof der Zotheid. In Engeland werkt hij het stuk verder uit. Niet Erasmus zelf, maar Zotheid neemt het woord. Zij prijst zichzelf en raakt tijdens haar rede bijna iedereen: geleerden, geestelijken, hovelingen, vorsten en gewone mensen. De toon is speels, maar de herkenbare menselijke zwakheden verdwijnen daardoor niet. IJdelheid, eerzucht, hebzucht en geleerd vertoon krijgen allemaal een plaats.
Thomas More hoort bij de onmiddellijke omgeving waarin het werk ontstaat; zelfs de Griekse klank van zijn familienaam speelt in Erasmus’ woordspel mee. De tekst gaat vervolgens naar de drukker en verschijnt in 1511. Lezers hoeven Erasmus niet persoonlijk te kennen om de stem van Zotheid te horen. Een boek kan verder reizen dan een brief en een veel groter publiek bereiken. Ondertussen blijft Erasmus zelf bewegen tussen Londen, Cambridge en andere plaatsen. De Lof der Zotheid ligt bij lezers terwijl de schrijver alweer met heel andere teksten bezig is.
In Cambridge lag het Nieuwe Testament steeds vaker open
Tijdens zijn Engelse jaren verblijft Erasmus ook in Cambridge. Hij doceert en studeert, maar zijn aandacht gaat steeds sterker naar het Nieuwe Testament en de kerkvaders. De Latijnse Vulgaat kent hij uit kerk, school en klooster. Nu ligt er steeds vaker Grieks naast. Een bekend vers kan in de twee talen net anders zijn opgebouwd. Een woord dat in het Latijn vertrouwd klinkt, dwingt in het Grieks tot opnieuw kijken. Erasmus schrijft aantekeningen en probeert de tekst niet alleen te lezen, maar ook te beoordelen.
Ook Hieronymus krijgt veel aandacht. Zijn brieven en bijbelwerk verbinden klassieke taalbeheersing met christelijke geleerdheid. Voor Erasmus liggen daarom soms meerdere boeken tegelijk open: een Griekse tekst, een Latijnse Bijbel, aantekeningen en een kerkvader. Een vergelijking kan een nieuwe vraag opleveren die weer een ander boek nodig maakt. Het werk groeit langzaam, zonder dat al precies vaststaat in welke vorm het gedrukt zal worden. Cambridge biedt colleges en kerkelijke contacten, maar aan zijn schrijftafel bestaat de dag vooral uit terugkeren naar dezelfde regels.
Bazel trok hem eerst door een boek naar zich toe
Terwijl Erasmus in Engeland werkt, verschijnt in Bazel bij Johann Froben een herdruk van zijn Adagia. De drukker en zijn omgeving hebben toegang tot een groot handelsnetwerk voor boeken. Een herziene kopij van Erasmus komt uiteindelijk eveneens bij Froben terecht. Wanneer Erasmus in augustus 1514 zelf naar Bazel reist, ligt daar dus al werk van hem op de planken. Froben wil nieuwe uitgaven maken en heeft bovendien plannen rond de werken van Hieronymus. Voor Erasmus betekent dat een drukkerij die grote Latijnse projecten aankan.
De reis naar Bazel voert langs steden waar geleerden hem ontvangen. Eenmaal aangekomen wacht geen rustige vakantie. De herziene Adagia moet verder worden voorbereid en de uitgave van Hieronymus vraagt controle van teksten en handschriften. Beatus Rhenanus behoort tot de mensen rond de drukkerij. Brieven komen binnen uit andere landen, boeken worden aangevoerd en geleerden lopen binnen en buiten. Erasmus krijgt een tafel in een omgeving waar een manuscript snel in een drukproef kan veranderen. Het geluid van de pers ligt dichterbij dan in een kloosterbibliotheek.
In 1514 kwam Erasmus zelf tussen de Bazelse persen terecht
Bazel ligt aan de Rijn en leeft van handel, universiteit en drukwerk. Bij Froben wordt papier in grote hoeveelheden aangevoerd. Zetters rangschikken metalen letters regel voor regel; perslieden leggen vellen klaar; correctoren zoeken fouten. Erasmus zit ertussen met eigen kopij en geleende handschriften. Een tekst kan ’s morgens nog in zijn hand liggen en korte tijd later als proefvel terugkomen. Hij leest opnieuw. Een verkeerde letter krijgt een streep, een woord een toevoeging, een zin soms een andere vorm.
Ook de Adagia groeit weer. Erasmus schrijft in oktober 1514 dat het werk opnieuw bijna een ander boek is geworden. Tegelijk slokt Hieronymus uren op. Manuscripten verschillen, passages moeten worden gecontroleerd en aantekeningen toegevoegd. Erasmus schrijft aan Ulrich Zasius dat het verbeteren en annoteren van Hieronymus hem veel inspanning kost. De drukkerij houdt verschillende projecten tegelijk in beweging. Op de ene tafel ligt een kerkvader, op de andere een verzameling klassieke spreuken. Erasmus loopt ertussen met pennen, notities en vragen.
Bij Froben werd haast onderdeel van het tekstwerk
In 1515 wordt het werk aan het Nieuwe Testament steeds dringender. Froben wil drukken en Erasmus heeft verschillende Griekse handschriften tot zijn beschikking, maar niet één daarvan bevat zonder problemen precies de tekst die hij nodig heeft. Hij vergelijkt lezingen, maakt keuzes en werkt daarnaast aan een eigen Latijnse versie. Ook de aantekeningen groeien. Iedere afwijking van de vertrouwde Vulgaat kan vragen oproepen en moet daarom worden uitgelegd. De zetters wachten ondertussen op kopij. Een geleerde kan nog een handschrift willen raadplegen; een drukker denkt ook aan papier, loon en verkoop.
Een proefvel komt terug met fouten die tijdens het zetten zijn ontstaan. Erasmus leest opnieuw, soms samen met mensen uit Frobens kring. Johannes Oecolampadius helpt bij het werk; andere geleerden leveren eveneens kennis en handschriften. Een correctie die vandaag wordt aangebracht, moet morgen in de volgende fase van het drukproces zitten. De snelheid is groter dan bij het overschrijven van één boek in een klooster. Erasmus kent de zorg voor één letter al sinds zijn jeugd. Nu kan die ene letter in een hele oplage terechtkomen als niemand haar op tijd ziet.
Het Grieks kwam naast de vertrouwde Latijnse Bijbel te liggen
Op de werktafel liggen de Griekse handschriften naast Latijnse teksten. Erasmus vergelijkt regel voor regel. Niet ieder Grieks manuscript geeft dezelfde lezing. Soms ontbreekt een passage; soms verschillen woorden of volgorde. Hij moet kiezen terwijl niet altijd een beter handschrift beschikbaar is. Daarnaast schrijft hij een nieuwe Latijnse vertaling. De vertrouwde Vulgaat blijft voortdurend aanwezig, juist omdat afwijkingen daarvan onmiddellijk opvallen. Een klein verschil in vertaling kan gevolgen hebben voor de manier waarop een vers wordt begrepen.
Erasmus noteert daarom verklaringen bij veel plaatsen. Grammatica, betekenis en gebruik van een Grieks woord worden besproken. Soms verwijst hij naar kerkvaders die dezelfde passage kenden. Het werk is geen stille kopie van één oud boek. Verschillende getuigen liggen tegelijk open en spreken elkaar niet altijd na. Dezelfde methode die hij bij Valla en klassieke auteurs heeft gezien, wordt hier toegepast op het Nieuwe Testament. Rond de tafel blijft het gewone drukkerijleven doorgaan: vellen drogen, zetters vragen kopij en brieven worden binnengebracht.
In februari 1516 kwam het Novum Instrumentum van de pers
In februari 1516 verschijnt bij Johann Froben het Novum Instrumentum omne. De Griekse tekst staat naast Erasmus’ Latijnse vertaling; uitvoerige annotaties volgen. Het boek is snel tot stand gekomen en Erasmus weet dat niet iedere tekstplaats hem tevreden kan stellen. Sommige gebruikte Griekse handschriften zijn jong en op bepaalde plaatsen onvolledig. Toch liggen de gedrukte vellen nu gebonden op tafel. De tekst die maandenlang uit losse handschriften, notities en proefdrukken bestond, heeft een vaste vorm gekregen.
Exemplaren verlaten Bazel langs dezelfde handelsroutes waarover papier en boeken de stad binnenkomen. Zij gaan naar boekverkopers, geleerden, kloosters, hoven en universiteiten. Tegelijk blijft de drukkerij werken. De grote uitgave van Hieronymus nadert eveneens haar voltooiing en nieuwe teksten liggen klaar. Froben schrijft in juni 1516 over afgeronde en bijna afgeronde werken en zelfs over een tijdelijk tekort aan papier. De persen stoppen niet omdat één belangrijk boek gereed is. Terwijl exemplaren van het Novum Instrumentum al onderweg zijn, worden in Bazel nieuwe vellen gezet en gedrukt.
De werktafel bleef vol liggen
Voor Erasmus liggen Grieks, Latijn, Bijbelteksten, kerkvaders en klassieke schrijvers door elkaar op tafel. Een handschrift wordt opengeslagen. Een passage krijgt een merkteken. Iemand brengt een nieuw proefvel binnen. Een zetfout wordt doorgestreept en een ontbrekend woord in de kantlijn geschreven. Verderop wachten brieven die nog antwoord moeten krijgen. Buiten stroomt de Rijn langs Bazel en vertrekken karren en schepen met pakken papier en gedrukte boeken.
Binnen gaat het werk verder. Erasmus buigt zich opnieuw over een regel. Een corrector wacht op zijn beslissing. Daarna gaat het blad terug naar de drukkerij.