Deel 1 — De bouw van het Oldehuis (1165)

1165 — Godfried van Rhenen laat een dwangburcht bouwen tegen de Friezen

In 1165 liet bisschop Godfried van Rhenen van Utrecht op het Hoge Land van Vollenhove een versterking bouwen. Volgens de historische overlevering moest deze het bisschoppelijke gezag beschermen tegen invallen van de Friese Stellingwervers. De versterking stond bekend als het Huys te Vollenho en werd eeuwen later het Oldehuis genoemd. Godfried, die van 1156 tot 1178 bisschop was, wilde zijn positie in het noordelijke Oversticht versterken. De bouw betekende dat Vollenhove niet langer uitsluitend een gebied met verspreide landbouwgronden en nederzettingen was. Het werd ook een plaats van waaruit een machtige kerkvorst zijn rechten kon verdedigen.

1165 — Een oudere versterking wordt vervangen door een stenen burcht

De geschiedenis van het kasteel begon mogelijk vóór het bekende bouwjaar 1165. Volgens Monumenten in Nederland: Overijssel verrees in de elfde eeuw al een versterkt huis op het Hoge Land. Omstreeks 1100 kwam daar een tufstenen kerkje bij. Godfried van Rhenen liet de oudere versterking volgens deze beschrijving rond 1170 vervangen door een omgrachte burcht. De nieuwe aanleg omvatte onder meer een donjon en een zaalgebouw. De oudste bouwfasen zijn niet volledig gereconstrueerd. Toch maakt de monumentenbeschrijving duidelijk dat het kasteel niet noodzakelijk in één bouwperiode ontstond. Vollenhove ontwikkelde zich vanuit een ouder bewoond en kerkelijk centrum tot een versterkte bisschoppelijke residentie.

1165 — Waarom de bisschop juist Vollenhove uitkiest

De ligging van Vollenhove maakte de plaats aantrekkelijk voor een landsheer die zijn gezag in het noorden wilde uitbreiden. Het Hoge Land stak uit boven omliggende veengebieden, moerassen en waterlopen. Vanuit deze verhoging bestonden verbindingen richting Steenwijk, Drenthe, Friesland en het noordelijke watergebied. De hogere grond bood mogelijkheden voor een versterking die minder kwetsbaar was voor natte omstandigheden dan een kasteel midden in het veen. Tegelijk vormden de moerassen natuurlijke hindernissen voor aanvallers. De bisschop kon vanuit Vollenhove een belangrijk deel van de noordelijke toegangen tot zijn machtsgebied bewaken. De waarde van deze plaats lag dus niet alleen in landbouwgrond, maar ook in haar bereikbaarheid.

1165 — Een conflict met Holland vergroot het belang van het Oldehuis

De stichting van de bisschoppelijke burcht vond plaats in een periode waarin Utrecht, Holland en verschillende Friese machthebbers invloed probeerden uit te oefenen op het noordelijke gebied. Godfried van Rhenen had onder meer te maken met graaf Floris III van Holland. De politieke belangstelling voor Friesland maakte de kuststrook en de waterverbindingen bijzonder belangrijk. Het Oldehuis kon dienen als steunpunt voor het bewaken van bisschoppelijke aanspraken. Niet iedere latere strijd met de Stellingwervers mag rechtstreeks uit dit conflict worden afgeleid, maar de grotere politieke achtergrond verklaart waarom de bisschop juist hier een vaste versterking wilde hebben. Vollenhove lag dicht bij het gebied waar verschillende machtsaanspraken elkaar ontmoetten.

1165 — Het kasteel krijgt een donjon, een zaalgebouw en een gracht

Het latere Oldehuis werd een omgrachte versterking met verschillende gebouwen. Volgens bouwhistorische beschrijvingen bevonden zich binnen de burcht onder meer een donjon en een zaalgebouw. De donjon bood mogelijkheden voor verdediging en verblijf, terwijl het zaalgebouw geschikt was voor bijeenkomsten en het ontvangen van aanzienlijke bezoekers. Een gracht beperkte de toegankelijkheid en maakte een aanval moeilijker. Het kasteel moest bovendien plaats bieden aan bewakers, dienaren en voorraden. De exacte indeling veranderde gedurende de volgende eeuwen. De versterking was niet alleen een militaire voorziening: zij bood de bisschop ook een herkenbare plaats waar hij als landsheer kon verblijven en zijn vertegenwoordigers konden werken.

 

Deel 2 — Het bisschoppelijke hof en de Friese ontginningen (1165)

 

1165 — Rond de burcht ontstaat een gemeenschap van dienaren en bewoners

Een kasteel kon niet functioneren zonder mensen die voor de dagelijkse werkzaamheden zorgden. Er waren bewakers nodig, maar ook personen die voedsel bereidden, gebouwen onderhielden, paarden verzorgden en voorraden beheerden. De bisschop beschikte daarnaast over geestelijken en bestuurlijke dienaren. Rond de versterking konden bewoners zich vestigen die van zulke werkzaamheden afhankelijk waren. Dat betekent niet dat de volledige latere stad al in 1165 bestond. De ontwikkeling verliep geleidelijk. Wel bood de aanwezigheid van het bisschoppelijke hof nieuwe mogelijkheden voor personen die niet uitsluitend van landbouw leefden. Daardoor kreeg Vollenhove steeds meer betekenis als ontmoetingsplaats tussen het platteland en het bestuur.

1165 — Het Oldehof en het Oldehuis vervullen verschillende functies

Voor de geschiedenis van Vollenhove is het belangrijk onderscheid te maken tussen het Oldehof en het Oldehuis. Het Oldehuis was de versterkte residentie van de bisschop. De naam Oldehof wordt verbonden met de oudere hof en de economische organisatie van de bisschoppelijke bezittingen. Een hof kon het middelpunt zijn van goederenbeheer en het ontvangen van landbouwproducten of andere inkomsten. Het kasteel was vooral ingericht voor verblijf, bestuur en verdediging. De twee functies hingen nauw samen, maar waren niet hetzelfde. Een bisschop die een versterking wilde onderhouden, had immers inkomsten nodig uit land, rechten en andere bezittingen. Het militaire gezag rustte daardoor mede op economische middelen.

1165 — De Friezen van Lammebruke krijgen toestemming nieuwe gronden te gebruiken

In hetzelfde jaar dat Godfried zijn positie bij Vollenhove versterkte, gaf hij de Friezen van Lammebruke toestemming grond te gebruiken in het gebied tussen de oude Lenne en Kuinre. Een oorkondenoverzicht noemt daarnaast de grenspunten Rutterikesdale en Wibernessate. De precieze ligging van deze twee plaatsen moet nog worden vastgesteld. De overeenkomst laat zien dat de bisschop belangstelling had voor de ontginning van het noordelijke veengebied. Nieuwe bewoners konden door het graven van watergangen en het bruikbaar maken van grond hun landbouwmogelijkheden vergroten. De bisschop kreeg hierdoor invloed op het gebruik van een gebied waar oudere Friese en plaatselijke aanspraken een rol speelden.

1165 — Voor iedere tien roeden moeten de Friezen jaarlijks één denier betalen

De overeenkomst met de Friezen van Lammebruke bevatte een concrete financiële bepaling. Volgens het negentiende-eeuwse oorkondenoverzicht moest voor iedere tien roeden grond jaarlijks één denier worden betaald, aangeduid als tiend. De exacte betekenis van de gebruikte oppervlaktemaat en de juridische aard van de heffing vragen controle van de oorspronkelijke Latijnse tekst. Toch geeft de vermelding een zeldzaam beeld van de financiële kant van de ontginningen. Een nieuw stuk landbouwgrond leverde niet uitsluitend voedsel op. Het kon ook een vaste inkomstenbron worden voor de bisschop. Zo werden bewoners en grondgebruik via een schriftelijke overeenkomst met het Utrechtse landsheerlijke gezag verbonden.

1165 — De bisschop behoudt de geestelijke en wereldlijke rechtspraak

De Friese kolonisten kregen grond onder voorwaarden in gebruik, maar de bisschop behield volgens het oorkondenoverzicht de wereldlijke en geestelijke rechtsmacht. Dat onderscheid was belangrijk. De bewoners konden akkers aanleggen en hun eigen huishoudens onderhouden, terwijl zij niet volledig buiten de bevoegdheden van Utrecht kwamen te staan. Geschillen over het gebruik van grond, de betaling van verplichtingen en kerkelijke aangelegenheden konden verschillende juridische kanten hebben. Grondgebruik was bovendien niet hetzelfde als volledige eigendom. De overeenkomst met Lammebruke toont hoe nauw de uitbreiding van landbouw, het ontvangen van inkomsten en het beschermen van bisschoppelijke rechten in de twaalfde eeuw met elkaar verbonden waren.

Deel 3 — Rechten, stormvloeden en het bestuur van Vollenhove (1165–1176)

1165–1170 — De bisschoppelijke rechten reiken verder dan het kasteel

De aanwezigheid van het Oldehuis betekende niet dat alle boerderijen in het Land van Vollenhove rechtstreeks eigendom van de bisschop waren. Er konden particuliere erven, gemeenschappelijk gebruikte gronden en bezittingen van kerkelijke instellingen bestaan. Ook plaatselijke families konden rechten hebben die ouder waren dan de bouw van de burcht. De bisschop kon bestuurlijke bevoegdheden bezitten zonder over iedere akker als eigenaar te beschikken. Dit onderscheid zou gedurende de middeleeuwen steeds belangrijker worden. Een landbouwer kon namelijk verplichtingen tegenover een grondbezitter hebben, terwijl de rechtspraak of andere landsheerlijke rechten bij Utrecht lagen. De bestuurlijke macht bestond daardoor uit verschillende, soms overlappende aanspraken.

1170 — Een grote stormvloed verandert het noordelijke waterlandschap

In 1170 werd het gebied rond het Almere getroffen door een zware stormvloed. De gebeurtenis droeg bij aan een langdurig proces waarbij het binnenwater steeds sterker onder invloed van de Noordzee kwam. De latere Zuiderzee ontstond niet in één keer, maar door veranderingen in kust, veenlandschap en waterverbindingen. Voor Vollenhove waren deze ontwikkelingen bijzonder belangrijk. Het Hoge Land lag relatief veilig boven de laaggelegen omgeving, maar de landbouwgronden daarbuiten werden kwetsbaarder. Tegelijk konden bredere waterverbindingen gunstig zijn voor scheepvaart en visserij. De bisschoppelijke versterking bevond zich voortaan in een landschap waarin de betekenis van de zee steeds groter werd.

1170 — De waterlopen rond Kuinre krijgen een andere betekenis

De stormvloeden en de geleidelijke uitbreiding van het noordelijke watergebied hadden gevolgen voor de omgeving van Kuinre. De rivier de Kuinder, ook bekend als de Tjonger, vormde een belangrijke verbinding tussen het binnenland en de kust. Door veranderingen in het waterlandschap konden bestaande afwateringsroutes en oevers verschuiven. Dit beïnvloedde de mogelijkheden voor vervoer, landbouw en de bescherming van nederzettingen. Voor de bisschop waren deze ontwikkelingen van belang omdat zijn aanspraken zich ook uitstrekten tot gebieden waar Friese gemeenschappen leefden. De kust was niet alleen een natuurlijke grens. Zij bood doorgangen waarlangs handelaren, vissers en gewapende groepen zich konden verplaatsen.

1170–1178 — De hogere grond beschermt Vollenhove niet tegen alle waterproblemen

Hoewel het Oldehuis op een hoger gelegen terrein stond, betekende dat niet dat water voor de inwoners onbelangrijk was. De omliggende veengronden konden bij langdurige regen of hoge waterstanden slecht bereikbaar worden. Op de keileemgronden zelf kon water blijven staan doordat de compacte ondergrond weinig doorliet. Wie landbouwgrond of wegen wilde gebruiken, moest rekening houden met verschillen in hoogte en bodem. De toenemende invloed van het noordelijke watergebied vergrootte de noodzaak om geschikte doorgangen te behouden. De combinatie van een relatief droge woonplaats en een natte omgeving maakte Vollenhove aantrekkelijk, maar vereiste voortdurend aanpassing aan het landschap.

1176 — Johannes wordt genoemd als schout van Vollenhove

In 1176 verschijnt volgens een plaatselijke bestuurshistorische reconstructie een Johannes als schout van Vollenhove in een oorkonde die met de abdij Dikninge is verbonden. De vermelding vormt een vroeg aanknopingspunt voor het onderzoek naar het bisschoppelijke bestuur. Een schout kon namens de landsheer taken vervullen op het gebied van rechtspraak en het handhaven van rechten. De precieze bevoegdheden verschilden per plaats en tijd. Het latere drostambt mag daarom niet zonder meer op deze vroege functionaris worden teruggeprojecteerd. Wel toont de naam Johannes dat het gezag van de bisschop niet alleen in het kasteelgebouw tot uitdrukking kwam, maar ook door personen die ter plaatse optraden.

Deel 4 — Het Oldehuis, de kloosters en het boerenleven (1178–1200)

1178 — Godfried van Rhenen overlijdt in Vollenhove

Op 27 mei 1178 overleed Godfried van Rhenen volgens de plaatselijke overlevering in Vollenhove. Zijn overlijden is bijzonder omdat het laat zien welke betekenis de noordelijke residentie tijdens zijn bestuur had gekregen. Godfried was verantwoordelijk geweest voor de versterking van het bisschoppelijke gezag en had afspraken gemaakt over de ontginning van gronden bij Kuinre. Zijn opvolgers erfden de rechten en verplichtingen die daarmee verbonden waren. Het overlijden van de bisschop betekende niet dat het Oldehuis zijn betekenis verloor. Het kasteel bleef een steunpunt van de Utrechtse kerk. Nieuwe bisschoppen moesten opnieuw rekening houden met de Stellingwerven en andere gemeenschappen die hun aanspraken niet zonder meer erkenden.

1180–1181 — Het klooster Ruinen bezit goederen in het Land van Vollenhove

De abdij van Ruinen, die later met Dikninge verbonden raakte, beschikte over goederen en inkomsten op verschillende plaatsen in Drenthe en Overijssel. In een goederenoverzicht uit omstreeks 1180–1181 wordt ook Vollenhove genoemd. Dat is belangrijk omdat de Utrechtse bisschop daarmee niet de enige kerkelijke belanghebbende in het gebied was. Ook kloosters konden grond bezitten of aanspraak maken op inkomsten uit boerenerven. Zulke bezittingen konden door schenkingen, aankopen en familieverbanden worden verworven. De goederen van Ruinen verbinden het Hoge Land met het Drentse achterland. Voor onderzoek naar de bewoners zijn deze kloosterarchieven waardevol omdat zij soms afzonderlijke erven, betalingen en personen noemen.

1180–1200 — De Oldehof levert voedsel voor de bisschoppelijke hofhouding

De bisschoppelijke residentie was afhankelijk van een omvangrijke aanvoer van voedsel en andere goederen. Volgens een historische beschrijving van het Oldehuis leverden boeren en vissers die bij het bisschoppelijke domein hoorden onder meer rogge, gerst, haver, boter, kaas, varkens, lammeren, kalveren, ganzen, veulens, turf en steuren. Ook geld en bijzondere producten, waaronder peper en schotels, worden genoemd. Deze opsomming geeft een beeld van de uiteenlopende middelen die voor een hofhouding nodig waren. Zij mag niet zonder nadere datering worden opgevat als een volledige rekening uit één bepaald jaar. De gegevens laten wel zien hoe landbouw, visserij en handel het verblijf van de bisschop mogelijk maakten.

1180–1200 — Rogge, gerst en haver vormen belangrijke inkomstenbronnen

Graan was onmisbaar voor het middeleeuwse bestaan. Rogge kon worden gebruikt voor brood, terwijl gerst en haver verschillende toepassingen hadden als voedsel, veevoer en handelsproduct. De keuze van gewassen hing samen met de bodemgesteldheid en de landbouwmethoden. Voor het Hoge Land van Vollenhove waren de verschillen tussen drogere zandgronden, keileem en natte laagten van belang. Boeren moesten voldoende produceren voor hun gezinnen, maar konden daarnaast verplicht zijn een deel van de opbrengst af te dragen. Zulke leveringen maakten deel uit van de economie waarop het bisschoppelijke domein berustte. De waarde van het Oldehuis lag daarom mede in de landbouwgronden van de omgeving.

1180–1200 — Boter, kaas, dieren en turf verbinden de boerderijen met het kasteel

Niet iedere verplichting werd in geld betaald. Een grondgebruiker kon ook producten of dieren leveren. Boter en kaas konden worden geproduceerd met melk van het vee, terwijl varkens, schapen en runderen belangrijke economische bezittingen vormden. Turf werd gewonnen uit de omliggende veengebieden en kon als brandstof worden gebruikt. Het vervoeren en bewaren van deze producten vergde arbeid. Voor sommige leveringen waren geschikte waterverbindingen een voordeel. De jaarlijkse opbrengsten waren bovendien afhankelijk van het weer en de omvang van de veestapel. De inkomsten van de bisschop waren daardoor niet onbeperkt. Zij moesten uiteindelijk worden voortgebracht door de mensen die op het platteland werkten.

Deel 5 — Grondbezit, erfgenamen en bisschoppelijke oorkonden (1180–1197)

1180–1200 — Het bezit van grond en het recht om haar te gebruiken blijven verschillend

Een boer kon een erf jarenlang gebruiken zonder daarvan volledig eigenaar te zijn. Sommige gronden behoorden tot het domein van de bisschop, andere waren verbonden met kloosters of aanzienlijke families. Ook gemeenschappelijk gebruikte weiden, bossen en andere terreinen konden bestaan. De verplichtingen verschilden per rechtsverhouding. Horigheid, pacht en leenbezit waren bovendien niet hetzelfde. Een horige kon aan persoonlijke en zakelijke verplichtingen gebonden zijn, terwijl een pachter op grond van een overeenkomst betaalde voor gebruik. Voor het vroegste Vollenhove ontbreken volledige overzichten van zulke verhoudingen. Toch moeten zij worden onderscheiden om te begrijpen hoe de inkomsten en bevoegdheden van het Oldehuis waren georganiseerd.

1180–1200 — Huwelijken en erfgenamen verbinden het plaatselijke bezit met andere families

De eigendom en het gebruik van grond veranderden niet uitsluitend door verkoop. Huwelijken konden rechten en bezittingen van families met elkaar verbinden. Wanneer een eigenaar overleed, kwamen erfgenamen in beeld die aanspraak maakten op goederen of inkomsten. Zulke overdrachten konden vervolgens in oorkonden worden vastgelegd. Voor aanzienlijke families was het behoud van grondbezit belangrijk omdat hun inkomsten en maatschappelijke positie daarvan afhankelijk konden zijn. Ook kleinere boerenerven konden door vererving worden verdeeld. De geschiedenis van Vollenhove moet daarom niet uitsluitend worden opgebouwd uit de namen van bisschoppen. Vrouwen, kinderen, schoonfamilies en erfgenamen speelden eveneens een rol in de ontwikkeling van het regionale bezit.

1192 — Bisschop Boudewijn beschermt vanuit Vollenhove de abdij Bloemkamp

In 1192 vaardigde bisschop Boudewijn van Utrecht vanuit Vollenhove een brief uit waarin hij het Friese klooster Bloemkamp onder zijn bescherming nam. De brief was gericht aan kerkelijke functionarissen, waaronder proosten, dekens en priesters. De bisschop verbood hun het klooster te benadelen en verbond daaraan de dreiging van kerkelijke straffen. De inhoud is bekend uit latere historische overlevering; de oorspronkelijke brief was volgens het negentiende-eeuwse overzicht niet teruggevonden. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat Vollenhove als plaats van bisschoppelijke besluitvorming werd gebruikt. Vanuit de residentie konden beslissingen worden genomen die gevolgen hadden voor religieuze instellingen in Friesland.

1192 — Een oorkonde uit Vollenhove krijgt betekenis tot ver buiten het Oversticht

De bescherming van Bloemkamp toont de verbinding tussen het bisschoppelijke hof en de kerkelijke wereld van Friesland. Een klooster kon bescherming zoeken tegen aantasting van zijn goederen of rechten. Wanneer een bisschop zulke bescherming verleende, kon de instelling zich op zijn gezag beroepen. Het uitvaardigen van documenten vereiste bovendien personen die de formulering, bekrachtiging en verdere verspreiding verzorgden. Daardoor was een bisschoppelijke residentie niet uitsluitend een plaats voor militaire bijeenkomsten. Er werd ook geschreven, onderhandeld en besloten. Voor Vollenhove is de brief van 1192 een aanwijzing dat de bestuurlijke betekenis van het Oldehuis binnen enkele tientallen jaren na zijn stichting al aanzienlijk was geworden.

1197 — Diederik van Ahr laat in Vollenhove munten slaan

In 1197 werd Diederik van Ahr bisschop van Utrecht. Volgens de plaatselijke chronologie liet hij in Vollenhove munten slaan om schulden en financiële verplichtingen te kunnen aflossen. Muntslag was een bijzondere bevoegdheid waarmee een landsheer zijn financiële positie kon beïnvloeden. Het vervaardigen van munten vereiste vakkennis en de beschikbaarheid van metaal, werktuigen en geschikte voorzieningen. De precieze munttypen en productieplaatsen moeten met numismatische gegevens worden gecontroleerd. De historische vermelding geeft Vollenhove een opmerkelijke plaats binnen de geldgeschiedenis. Naast het ontvangen van landbouwproducten en heffingen kon de bisschoppelijke residentie dus ook met muntproductie verbonden zijn.

Deel 6 — Dienstmannen, borgmannen en de kerk van Vollenhove (rond 1200)

Rond 1200 — De bisschop moet zijn verre gebied door vertegenwoordigers laten besturen

Utrecht lag op aanzienlijke afstand van Vollenhove. Een bisschop kon niet voortdurend aanwezig zijn op alle plaatsen waar zijn kerk rechten bezat. Daarom moest hij gebruikmaken van personen die namens hem optraden. Een schout kon betrokken zijn bij rechtspraak en het handhaven van landsheerlijke rechten. Een kastelein had verantwoordelijkheid voor het beheer en de verdediging van de versterking. Later konden de functies van kastelein, schout, rentmeester en drost door dezelfde persoon worden vervuld. Hun taken mogen echter niet voor iedere eeuw gelijk worden verondersteld. Juist de combinatie van afwezig landsheerlijk gezag en plaatselijke vertegenwoordigers maakte het bestuur van Vollenhove ingewikkeld.

Rond 1200 — De bisschoppelijke dienstmannen vormen de basis van de latere adel

Rond het Oldehuis waren dienstmannen actief die militaire, bestuurlijke of economische werkzaamheden voor de bisschop konden verrichten. Onder hen bevonden zich ministerialen, personen wier oorspronkelijke rechtspositie niet noodzakelijk gelijk was aan die van vrije edelen. Sommigen verwierven in de loop van de generaties aanzienlijke goederen en invloed. De families Van Putten, Radinc en andere plaatselijke geslachten worden in historische reconstructies met deze vroege wereld verbonden. De precieze familieverbanden zijn niet altijd met zekerheid vast te stellen. Wel vormt deze ontwikkeling de achtergrond van de latere Vollenhoofse borgmannen. Het kasteel trok personen aan wier nakomelingen belangrijke posities binnen het regionale grondbezit en bestuur konden verwerven.

Rond 1200 — De borgmannen moeten het kasteel kunnen verdedigen

De verdediging van een bisschoppelijke burcht vereiste gewapende mannen die voldoende vertrouwd waren met de versterking en haar omgeving. Borgmannen konden op grond van een leen of andere verplichting militaire diensten leveren. Zij beschikten over wapens die pasten bij hun tijd, waaronder zwaarden, speren, schilden en bogen. De uitrusting veranderde gedurende de volgende eeuwen. Niet iedere borgman hoefde voortdurend op het kasteel aanwezig te zijn. Diensten konden volgens vastgelegde afspraken worden verdeeld. Het bestaan van een gewapende bezetting gaf de bisschop mogelijkheden om zijn rechten daadwerkelijk te verdedigen. Tegelijk ontstond een groep personen met een bijzondere verhouding tot het Oldehuis en zijn beheerder.

Rond 1200 — De weg naar Steenwijk blijft belangrijk voor kerk en bestuur

De verbinding tussen Vollenhove en Steenwijk had zowel praktische als kerkelijke betekenis. Steenwijk was een ouder kerkelijk centrum en wordt beschouwd als de moederparochie van Vollenhove. De route tussen beide plaatsen liep door een landschap met hogere gronden en moeilijk begaanbare natte gebieden. Voor bewoners van Vollenhove, Leeuwte, Barsbeek, Wendel en Baarlo kon de afstand naar Steenwijk een bezwaar zijn wanneer zij kerkelijke diensten wilden bijwonen. Een kapel dichter bij huis bood daarom belangrijke voordelen. Ook voor bestuurders vormde de verbinding een belangrijke toegang tot het achterland. Via Steenwijk konden contacten worden onderhouden met Drentse en Friese gemeenschappen.

Rond 1200 — De oude kapel groeit uit tot een zelfstandige parochiekerk

De oudste kerk van Vollenhove was waarschijnlijk aanvankelijk verbonden met de bisschoppelijke residentie. Naarmate de plaatselijke gemeenschap groeide, ontstond behoefte aan een eigen parochie. De kapel kon pas volledig als parochiekerk functioneren wanneer ook de verzorging van een pastoor geregeld was. Daarvoor waren vaste inkomsten nodig. Volgens een historische reconstructie droeg de bisschop vermoedelijk bij aan de vorming van een pastoriefonds. De plaatselijke kerk bleef verbonden met Sint-Nicolaas, de heilige die ook bekendstond als beschermer van zeevarenden. De overgang naar een zelfstandige parochie vond vóór 1207 plaats. Het precieze jaar is niet bekend.

Deel 7 — De eerste pastoor, de schout en het bisschoppelijke gezag (1207–1221)

1207 — Pastoor Everardus verschijnt in een oorkonde

In 1207 wordt een geestelijke met de naam Everardus genoemd als pastoor van Volnaho. Deze vermelding is belangrijk omdat zij aantoont dat Vollenhove uiterlijk aan het begin van de dertiende eeuw een eigen parochieorganisatie had. De bewoners waren daardoor voor hun gewone kerkelijke leven niet meer volledig afhankelijk van de moederkerk in Steenwijk. De pastoor kon diensten verzorgen, geestelijke begeleiding bieden en deelnemen aan het plaatselijke gemeenschapsleven. Zijn onderhoud moest worden bekostigd uit daarvoor beschikbare inkomsten. De kerk vormde naast het Oldehuis een tweede herkenbaar middelpunt van Vollenhove. Daardoor kregen bestuur, geloof en dagelijks leven ieder een vaste plaats.

1211–1212 — De abdij Ruinen ontvangt tienden uit een huis in Vollenhove

In het Oorkondenboek van het Sticht Utrecht wordt een schenking vermeld waarbij bisschop Diederik aan het klooster Ruinen de tienden uit een huis in Vollenhove overdroeg. De akte wordt in verschillende verwijzingen rond 1211–1212 geplaatst. Het klooster bezat het betrokken huis volgens de beschrijving al geruime tijd. De tienden waren een afzonderlijk recht op een deel van bepaalde opbrengsten. Dat recht hoefde niet samen te vallen met het eigendom van alle grond of gebouwen. De schenking is waardevol omdat zij de economische verbondenheid tussen Vollenhove en de Drentse kloosterwereld concreet maakt. Ook de getuigen van de akte kunnen informatie geven over het toenmalige netwerk van machthebbers.

1213 — Een schout uit Vollenhove verschijnt tussen belangrijke getuigen

In een oorkondenverwijzing uit 1213 verschijnt een Thicard, aangeduid als schout van Vollenhove, tussen getuigen bij een rechtshandeling die betrekking had op bewoners van Wilsum en Zalk. Ook personen als Herman van Voorst, Wolter van IJsselmuiden en Hendrik van Kuinre worden daarbij genoemd. De precieze naamvormen en identificaties verdienen toetsing aan het oorkondenboek. De vermelding laat wel zien dat Vollenhoofse bestuurders contacten onderhielden buiten hun eigen gebied. Getuigen konden een belangrijke functie vervullen bij het bevestigen van juridische besluiten. De aanwezigheid van een schout toont hoe vertegenwoordigers van de bisschop betrokken raakten bij het grotere netwerk van rechtspraak, grondbezit en privileges in Overijssel.

1216 — Otto II van Lippe wordt bisschop van Utrecht

In 1216 begon het bestuur van Otto II van Lippe als bisschop van Utrecht. Zijn ambtsperiode zou sterk worden bepaald door conflicten met plaatselijke machthebbers in het oosten en noorden. De Utrechtse kerk beschikte over aanzienlijke rechten, maar het daadwerkelijk uitoefenen daarvan was niet overal vanzelfsprekend. Sommige ministerialen en regionale heren hadden sterke eigen belangen ontwikkeld. Otto wilde voorkomen dat zijn vertegenwoordigers zich aan zijn gezag onttrokken. Het Oldehuis bleef binnen deze machtsstrijd belangrijk. Van hieruit kon de bisschop zijn noordelijke rechten ondersteunen, terwijl het kasteel bescherming bood in een gebied waar Friesland, Drenthe en Overijssel politiek met elkaar verbonden waren.

1216–1221 — Opstandige ministerialen maken de bisschoppelijke macht onzeker

Otto II van Lippe kreeg te maken met verzet van dienaren en machthebbers die niet langer zonder meer zijn bevelen aanvaardden. Volgens de plaatselijke historische chronologie trad hij in 1216 hard op tegen opstandige ministerialen en werden bezittingen van tegenstanders in brand gestoken. Het conflict toont dat de belangen van de bisschop en die van zijn dienstmannen niet altijd gelijk waren. Sommige families waren door grondbezit en militaire functies invloedrijk geworden. De bisschop kon hun diensten nodig hebben, maar tegelijk vrezen dat zij te zelfstandig werden. Deze spanningen waren bijzonder belangrijk in Drenthe en de omgeving van Coevorden, waar de strijd later tot een militaire confrontatie zou leiden.

Deel 8 — De kruistocht, de heren van Coevorden en de Slag bij Ane (1218–1227)

1218 — Otto II van Lippe neemt deel aan de Vijfde Kruistocht

In 1218 nam bisschop Otto II van Lippe deel aan de Vijfde Kruistocht. Ook uit verschillende Friese gebieden vertrokken deelnemers naar het oostelijke Middellandse Zeegebied. De kruistocht laat zien hoe sterk de kerkelijke wereld van Utrecht verbonden was met gebeurtenissen buiten de Nederlanden. Voor Vollenhove zijn geen afzonderlijke deelnemers met zekerheid aangewezen die uitsluitend op basis van hun woonplaats met de bisschop kunnen worden verbonden. Wel maakte de reis duidelijk dat de landsheer gedurende langere tijd buiten zijn gebied kon verblijven. De dagelijkse uitoefening van zijn rechten moest dan doorgaan via vertegenwoordigers. Na zijn terugkeer kreeg Otto opnieuw te maken met de spanningen in Drenthe.

1221–1227 — De heren van Coevorden verzetten zich tegen Utrecht

Na zijn terugkeer uit het buitenland werd Otto geconfronteerd met de macht van regionale heren rond Coevorden. Vooral de familie Van Coevorden had een sterke positie opgebouwd. Het conflict hing samen met de vraag wie de grafelijke en andere landsheerlijke rechten in Drenthe daadwerkelijk mocht uitoefenen. De bisschop beriep zich op de bevoegdheden van de Utrechtse kerk, terwijl zijn tegenstanders hun eigen positie wilden behouden. Ook de Drentse gemeenschappen speelden een rol. Het ging niet uitsluitend om een persoonlijk geschil tussen twee edelen. De strijd betrof de verhouding tussen plaatselijke rechtsgewoonten, de machtspositie van regionale families en het gezag van een verre landsheer.

1227 — Vollenhove wordt het uitgangspunt voor een bisschoppelijk leger

In 1227 verzamelde Otto II van Lippe een grote strijdmacht om zijn tegenstanders in Drenthe te onderwerpen. Volgens regionale reconstructies speelde Vollenhove een rol bij de voorbereiding van deze veldtocht. Ridders uit verschillende delen van de Nederlanden sloten zich bij de bisschop aan. De tocht richting Drenthe verliep mede langs de Overijsselse Vecht. Via deze rivier konden schepen voedsel, uitrusting en andere benodigdheden vervoeren. De route maakt duidelijk hoe belangrijk het waternetwerk was voor militaire ondernemingen. Het Oldehuis was een versterkt steunpunt in de nabijheid van het strijdgebied. De bisschop verwachtte dat zijn leger voldoende macht bezat om de tegenstand bij Coevorden te breken.

28 juli 1227 — Het bisschoppelijke leger wordt bij Ane verslagen

Op 28 juli 1227 kwam het leger van Otto II van Lippe bij Ane, ten zuiden van Coevorden, tegenover de Drentse strijders en hun bondgenoten te staan. De bisschoppelijke ridders kwamen in moeilijkheden in het natte en moeilijk begaanbare terrein. Hun tegenstanders wisten daarvan gebruik te maken en brachten het leger een zware nederlaag toe. Otto II sneuvelde tijdens de strijd. Ook verschillende aanzienlijke edelen en andere strijders verloren het leven. De gebeurtenis maakte duidelijk dat militaire macht niet alleen werd bepaald door het aantal ridders of de kwaliteit van hun wapens. Kennis van het landschap en de organisatie van de tegenstander konden beslissend zijn.

1227 — De nederlaag bij Ane raakt ook de adel rond Vollenhove

Onder de gesneuvelden bij Ane bevonden zich volgens regionale overleveringen ook edelen die met het gebied rond Vollenhove verbonden waren. Hun dood kon gevolgen hebben voor gezinnen, erfgenamen en de verdere verdeling van goederen. Wanneer een leenman overleed, moest immers worden vastgesteld wie zijn rechten en verplichtingen zou overnemen. De nederlaag trof daardoor niet uitsluitend de bisschop en zijn militaire plannen. Ook de families die het landsheerlijke bestuur ondersteunden, konden hun positie zien veranderen. De strijd toont hoe gevaarlijk militaire dienst was voor personen die hun maatschappelijke betekenis mede aan hun verhouding met de bisschop ontleenden. Het Oldehuis bleef afhankelijk van zulke gewapende dienaren.

Deel 9 — De nasleep van Ane en de verdediging van het Oldehuis (1227–1250)

Na 1227 — Het Zwartewaterklooster herinnert aan de doden van de Slag bij Ane

De Slag bij Ane kreeg ook een religieuze nasleep. Bij de Overijsselse Vecht ontstond later het Zwartewaterklooster, dat volgens de overlevering mede verbonden was met de herdenking van de gesneuvelden. Voor de middeleeuwse samenleving was de zorg voor het zielenheil van overledenen belangrijk. Schenkingen aan religieuze instellingen konden worden gedaan met de bedoeling dat er voor overleden familieleden werd gebeden. De herinnering aan een militaire nederlaag kon daardoor eeuwenlang blijven voortbestaan binnen het kloosterleven. Voor Vollenhove is deze ontwikkeling van betekenis omdat zij de wereld van bisschoppen, ridders, families en kloosters met elkaar verbindt.

1227–1231 — Utrecht probeert na de nederlaag zijn gezag in Drenthe te herstellen

De dood van bisschop Otto II van Lippe betekende niet dat Utrecht zijn aanspraken op Drenthe opgaf. Zijn opvolgers erfden de grafelijke rechten die eerder door de koninklijke macht aan de Utrechtse kerk waren geschonken. De nederlaag bij Ane maakte echter duidelijk dat die rechten zonder militaire steun moeilijk konden worden uitgeoefend. Er waren onderhandelingen en nieuwe afspraken nodig om de verhouding met de Drentse gemeenschappen te herstellen. De bisschop moest rekening houden met families die een sterke plaatselijke machtspositie hadden opgebouwd. Voor Vollenhove bleef dit van belang omdat het Oldehuis als noordelijk steunpunt een rol kon spelen bij het beschermen van de Utrechtse belangen.

1231 — Tweeëndertig borgmannen worden verbonden aan de verdediging van Vollenhove

In een regionale historische reconstructie worden de vredesbesprekingen van 1231 verbonden met de verplichting om 32 borgmannen voor de verdediging van Vollenhove beschikbaar te stellen. Deze mannen zouden uit het Drentse gebied afkomstig zijn en militaire diensten aan het bisschoppelijke kasteel moeten verrichten. De regeling werd in verband gebracht met het herstel van de verhoudingen na de Slag bij Ane. Het genoemde aantal verdient controle aan de hand van de oorspronkelijke oorkonden en leenregisters. In latere bronnen komen ook zestien borglenen voor. Die aantallen hoeven niet hetzelfde te betekenen. Wel blijkt dat de verdediging van het Oldehuis verbonden was met een netwerk van dienstplichtige leenmannen.

1231 — Een borgman kan ver van het kasteel zijn grond bezitten

De militaire verplichtingen van borgmannen waren niet noodzakelijk gekoppeld aan landbouwgrond direct naast het Oldehuis. Volgens de plaatselijke geschiedschrijving konden bepaalde lenen tientallen kilometers van Vollenhove liggen, onder meer in Drenthe. Een leenman kon op zijn eigen goederen wonen, maar toch verplicht zijn gedurende bepaalde perioden op het kasteel dienst te verrichten. Voor de bisschop was dat voordelig omdat hij over gewapende ondersteuning kon beschikken zonder alle betrokken mannen voortdurend te huisvesten. Voor de borgmannen betekende de regeling dat hun bezit en militaire verplichtingen nauw met elkaar verbonden waren. Het niet nakomen van diensten kon gevolgen hebben voor de verhouding met de leenheer.

1231–1250 — De kastelein krijgt de leiding over bewaking en militaire diensten

Het Oldehuis werd beheerd door een kastelein die verantwoordelijk was voor de versterking en haar verdediging. Hij moest erop toezien dat de bezetting voldoende manschappen en uitrusting had. Borgmannen die op het kasteel verbleven, kregen volgens de plaatselijke historische beschrijving kost en inwoning. Hun bewapening bestond in deze periode uit wapens die geschikt waren voor gevechten bij een versterking. De organisatie vereiste afspraken over de duur van de dienst, de verdeling van verantwoordelijkheden en het onderhoud van de gebouwen. De kastelein vervulde daarmee een functie die verder ging dan het bewaren van sleutels. Hij was een belangrijke vertegenwoordiger van de bisschoppelijke militaire macht.

Deel 10 — Grondbezit, hofhouding en Friese ontginningen (1235–1247)

Rond 1235 — Het land van de bisschop wordt bestuurd via rechten op verschillende plaatsen

Het Land van Vollenhove omvatte meer dan de directe omgeving van het kasteel. Het bestuursgebied bestond uit verspreide nederzettingen, landbouwgronden, venen en waterlopen. Verschillende rechten konden bij verschillende instellingen of personen berusten. Het beheren van grond, het innen van heffingen en het uitvoeren van rechtspraak hoefden niet aan dezelfde functionaris te zijn toevertrouwd. Daardoor moest de bisschop gebruikmaken van een bestuurlijk netwerk. Een geschil over een erf kon andere personen raken dan een conflict over de jacht of de doorgang over een rivier. Het Oldehuis bood een vaste plaats waar vertegenwoordigers van de landsheer zulke aangelegenheden konden behandelen en waar afspraken werden vastgelegd.

Rond 1240 — De Oldehof ontvangt goederen waarmee het hofleven wordt onderhouden

De bisschoppelijke hofhouding had voedsel, brandstof en gebruiksvoorwerpen nodig. Die konden afkomstig zijn uit de opbrengsten van het domein, aankopen en bijzondere leveringsverplichtingen. De plaatselijke geschiedenis noemt onder meer rogge, haver, gerst, boter, kaas, varkens, lammeren, kalveren, ganzen, veulens, steuren, turf en geld. Ook peper en schotels maken deel uit van de overgeleverde opsomming. Zulke goederen geven inzicht in de veelzijdigheid van het middeleeuwse economische leven. Een verblijf van de bisschop met zijn gevolg kon aanzienlijke hoeveelheden verbruiken. Het beheer daarvan vereiste opslag, vervoer en personen die toezicht hielden op de ontvangen producten.

Rond 1240 — Niet iedere boer is vrij en niet iedere edelman is rijk

De middeleeuwse samenleving kende verschillende rechtsposities. Sommige bewoners bezaten eigen grond, terwijl anderen verplichtingen hadden tegenover een heer of kerkelijke instelling. Een horige kon aan bijzondere persoonlijke of zakelijke verplichtingen gebonden zijn. Een vrije boer kon eveneens pacht of andere lasten verschuldigd zijn. De maatschappelijke positie van een persoon werd daarom niet uitsluitend bepaald door zijn inkomen. Ook afkomst, grondrechten en persoonlijke vrijheid speelden een rol. Een edelman met weinig bezit kon een andere juridische status hebben dan een rijke boer. Voor het Land van Vollenhove moeten deze verschillen per familie of erf worden vastgesteld. Algemene aannames over alle bewoners zijn onvoldoende.

Rond 1240 — Huwelijken verbinden Vollenhoofse families met Drenthe en Salland

Voor de aanzienlijke families rond het Oldehuis waren huwelijken van groot belang. Zij konden nieuwe familiebanden leggen en aanspraken op landgoederen of inkomsten met zich meebrengen. Ook erfenissen konden goederen uit verschillende gebieden samenbrengen. Daardoor konden Vollenhoofse families bezit verwerven in Drenthe, Salland of andere delen van het Oversticht. Een huwelijk betekende niet altijd dat alle goederen onmiddellijk naar de familie van de echtgenoot overgingen. Huwelijksvoorwaarden, leenrechten en erfregels konden de overdracht beperken. Vrouwen konden bovendien zelf rechten op goederen bezitten of doorgeven. De verdere geschiedenis van de borgmannen en de latere havezaten kan daarom niet los worden gezien van de familieverbanden.

1247 — Een afschrift bewaart de oude afspraken over Lammebruke

In 1247 werd onder bisschop Otto een afschrift opgesteld dat de eerdere overeenkomst met de Friezen van Lammebruke uit 1165 bevestigde. Het document is bekend uit een negentiende-eeuws oorkondenoverzicht. Daarmee is de geschiedenis van de Friese ontginningen niet uitsluitend gebaseerd op latere mondelinge overlevering. De bepalingen over grondgebruik, betalingen en rechtspraak konden ook na tientallen jaren juridische betekenis houden. Nieuwe bewoners en erfgenamen hadden belang bij de voorwaarden waaronder hun voorgangers grond hadden ontvangen. Voor de bisschop vormde de akte een middel om oudere aanspraken te verdedigen. De schriftelijke overlevering verbindt de twaalfde-eeuwse ontginningen met de bestuurlijke geschiedenis van de volgende eeuw.

Deel 7 — De eerste pastoor, de schout en het bisschoppelijke gezag (1207–1221)

1207 — Pastoor Everardus verschijnt in een oorkonde

In 1207 wordt een geestelijke met de naam Everardus genoemd als pastoor van Volnaho. Deze vermelding is belangrijk omdat zij aantoont dat Vollenhove uiterlijk aan het begin van de dertiende eeuw een eigen parochieorganisatie had. De bewoners waren daardoor voor hun gewone kerkelijke leven niet meer volledig afhankelijk van de moederkerk in Steenwijk. De pastoor kon diensten verzorgen, geestelijke begeleiding bieden en deelnemen aan het plaatselijke gemeenschapsleven. Zijn onderhoud moest worden bekostigd uit daarvoor beschikbare inkomsten. De kerk vormde naast het Oldehuis een tweede herkenbaar middelpunt van Vollenhove. Daardoor kregen bestuur, geloof en dagelijks leven ieder een vaste plaats.

1211–1212 — De abdij Ruinen ontvangt tienden uit een huis in Vollenhove

In het Oorkondenboek van het Sticht Utrecht wordt een schenking vermeld waarbij bisschop Diederik aan het klooster Ruinen de tienden uit een huis in Vollenhove overdroeg. De akte wordt in verschillende verwijzingen rond 1211–1212 geplaatst. Het klooster bezat het betrokken huis volgens de beschrijving al geruime tijd. De tienden waren een afzonderlijk recht op een deel van bepaalde opbrengsten. Dat recht hoefde niet samen te vallen met het eigendom van alle grond of gebouwen. De schenking is waardevol omdat zij de economische verbondenheid tussen Vollenhove en de Drentse kloosterwereld concreet maakt. Ook de getuigen van de akte kunnen informatie geven over het toenmalige netwerk van machthebbers.

1213 — Een schout uit Vollenhove verschijnt tussen belangrijke getuigen

In een oorkondenverwijzing uit 1213 verschijnt een Thicard, aangeduid als schout van Vollenhove, tussen getuigen bij een rechtshandeling die betrekking had op bewoners van Wilsum en Zalk. Ook personen als Herman van Voorst, Wolter van IJsselmuiden en Hendrik van Kuinre worden daarbij genoemd. De precieze naamvormen en identificaties verdienen toetsing aan het oorkondenboek. De vermelding laat wel zien dat Vollenhoofse bestuurders contacten onderhielden buiten hun eigen gebied. Getuigen konden een belangrijke functie vervullen bij het bevestigen van juridische besluiten. De aanwezigheid van een schout toont hoe vertegenwoordigers van de bisschop betrokken raakten bij het grotere netwerk van rechtspraak, grondbezit en privileges in Overijssel.

1216 — Otto II van Lippe wordt bisschop van Utrecht

In 1216 begon het bestuur van Otto II van Lippe als bisschop van Utrecht. Zijn ambtsperiode zou sterk worden bepaald door conflicten met plaatselijke machthebbers in het oosten en noorden. De Utrechtse kerk beschikte over aanzienlijke rechten, maar het daadwerkelijk uitoefenen daarvan was niet overal vanzelfsprekend. Sommige ministerialen en regionale heren hadden sterke eigen belangen ontwikkeld. Otto wilde voorkomen dat zijn vertegenwoordigers zich aan zijn gezag onttrokken. Het Oldehuis bleef binnen deze machtsstrijd belangrijk. Van hieruit kon de bisschop zijn noordelijke rechten ondersteunen, terwijl het kasteel bescherming bood in een gebied waar Friesland, Drenthe en Overijssel politiek met elkaar verbonden waren.

1216–1221 — Opstandige ministerialen maken de bisschoppelijke macht onzeker

Otto II van Lippe kreeg te maken met verzet van dienaren en machthebbers die niet langer zonder meer zijn bevelen aanvaardden. Volgens de plaatselijke historische chronologie trad hij in 1216 hard op tegen opstandige ministerialen en werden bezittingen van tegenstanders in brand gestoken. Het conflict toont dat de belangen van de bisschop en die van zijn dienstmannen niet altijd gelijk waren. Sommige families waren door grondbezit en militaire functies invloedrijk geworden. De bisschop kon hun diensten nodig hebben, maar tegelijk vrezen dat zij te zelfstandig werden. Deze spanningen waren bijzonder belangrijk in Drenthe en de omgeving van Coevorden, waar de strijd later tot een militaire confrontatie zou leiden.

Deel 8 — De kruistocht, de heren van Coevorden en de Slag bij Ane (1218–1227)

1218 — Otto II van Lippe neemt deel aan de Vijfde Kruistocht

In 1218 nam bisschop Otto II van Lippe deel aan de Vijfde Kruistocht. Ook uit verschillende Friese gebieden vertrokken deelnemers naar het oostelijke Middellandse Zeegebied. De kruistocht laat zien hoe sterk de kerkelijke wereld van Utrecht verbonden was met gebeurtenissen buiten de Nederlanden. Voor Vollenhove zijn geen afzonderlijke deelnemers met zekerheid aangewezen die uitsluitend op basis van hun woonplaats met de bisschop kunnen worden verbonden. Wel maakte de reis duidelijk dat de landsheer gedurende langere tijd buiten zijn gebied kon verblijven. De dagelijkse uitoefening van zijn rechten moest dan doorgaan via vertegenwoordigers. Na zijn terugkeer kreeg Otto opnieuw te maken met de spanningen in Drenthe.

1221–1227 — De heren van Coevorden verzetten zich tegen Utrecht

Na zijn terugkeer uit het buitenland werd Otto geconfronteerd met de macht van regionale heren rond Coevorden. Vooral de familie Van Coevorden had een sterke positie opgebouwd. Het conflict hing samen met de vraag wie de grafelijke en andere landsheerlijke rechten in Drenthe daadwerkelijk mocht uitoefenen. De bisschop beriep zich op de bevoegdheden van de Utrechtse kerk, terwijl zijn tegenstanders hun eigen positie wilden behouden. Ook de Drentse gemeenschappen speelden een rol. Het ging niet uitsluitend om een persoonlijk geschil tussen twee edelen. De strijd betrof de verhouding tussen plaatselijke rechtsgewoonten, de machtspositie van regionale families en het gezag van een verre landsheer.

1227 — Vollenhove wordt het uitgangspunt voor een bisschoppelijk leger

In 1227 verzamelde Otto II van Lippe een grote strijdmacht om zijn tegenstanders in Drenthe te onderwerpen. Volgens regionale reconstructies speelde Vollenhove een rol bij de voorbereiding van deze veldtocht. Ridders uit verschillende delen van de Nederlanden sloten zich bij de bisschop aan. De tocht richting Drenthe verliep mede langs de Overijsselse Vecht. Via deze rivier konden schepen voedsel, uitrusting en andere benodigdheden vervoeren. De route maakt duidelijk hoe belangrijk het waternetwerk was voor militaire ondernemingen. Het Oldehuis was een versterkt steunpunt in de nabijheid van het strijdgebied. De bisschop verwachtte dat zijn leger voldoende macht bezat om de tegenstand bij Coevorden te breken.

28 juli 1227 — Het bisschoppelijke leger wordt bij Ane verslagen

Op 28 juli 1227 kwam het leger van Otto II van Lippe bij Ane, ten zuiden van Coevorden, tegenover de Drentse strijders en hun bondgenoten te staan. De bisschoppelijke ridders kwamen in moeilijkheden in het natte en moeilijk begaanbare terrein. Hun tegenstanders wisten daarvan gebruik te maken en brachten het leger een zware nederlaag toe. Otto II sneuvelde tijdens de strijd. Ook verschillende aanzienlijke edelen en andere strijders verloren het leven. De gebeurtenis maakte duidelijk dat militaire macht niet alleen werd bepaald door het aantal ridders of de kwaliteit van hun wapens. Kennis van het landschap en de organisatie van de tegenstander konden beslissend zijn.

1227 — De nederlaag bij Ane raakt ook de adel rond Vollenhove

Onder de gesneuvelden bij Ane bevonden zich volgens regionale overleveringen ook edelen die met het gebied rond Vollenhove verbonden waren. Hun dood kon gevolgen hebben voor gezinnen, erfgenamen en de verdere verdeling van goederen. Wanneer een leenman overleed, moest immers worden vastgesteld wie zijn rechten en verplichtingen zou overnemen. De nederlaag trof daardoor niet uitsluitend de bisschop en zijn militaire plannen. Ook de families die het landsheerlijke bestuur ondersteunden, konden hun positie zien veranderen. De strijd toont hoe gevaarlijk militaire dienst was voor personen die hun maatschappelijke betekenis mede aan hun verhouding met de bisschop ontleenden. Het Oldehuis bleef afhankelijk van zulke gewapende dienaren.

Deel 9 — De nasleep van Ane en de verdediging van het Oldehuis (1227–1250)

Na 1227 — Het Zwartewaterklooster herinnert aan de doden van de Slag bij Ane

De Slag bij Ane kreeg ook een religieuze nasleep. Bij de Overijsselse Vecht ontstond later het Zwartewaterklooster, dat volgens de overlevering mede verbonden was met de herdenking van de gesneuvelden. Voor de middeleeuwse samenleving was de zorg voor het zielenheil van overledenen belangrijk. Schenkingen aan religieuze instellingen konden worden gedaan met de bedoeling dat er voor overleden familieleden werd gebeden. De herinnering aan een militaire nederlaag kon daardoor eeuwenlang blijven voortbestaan binnen het kloosterleven. Voor Vollenhove is deze ontwikkeling van betekenis omdat zij de wereld van bisschoppen, ridders, families en kloosters met elkaar verbindt.

1227–1231 — Utrecht probeert na de nederlaag zijn gezag in Drenthe te herstellen

De dood van bisschop Otto II van Lippe betekende niet dat Utrecht zijn aanspraken op Drenthe opgaf. Zijn opvolgers erfden de grafelijke rechten die eerder door de koninklijke macht aan de Utrechtse kerk waren geschonken. De nederlaag bij Ane maakte echter duidelijk dat die rechten zonder militaire steun moeilijk konden worden uitgeoefend. Er waren onderhandelingen en nieuwe afspraken nodig om de verhouding met de Drentse gemeenschappen te herstellen. De bisschop moest rekening houden met families die een sterke plaatselijke machtspositie hadden opgebouwd. Voor Vollenhove bleef dit van belang omdat het Oldehuis als noordelijk steunpunt een rol kon spelen bij het beschermen van de Utrechtse belangen.

1231 — Tweeëndertig borgmannen worden verbonden aan de verdediging van Vollenhove

In een regionale historische reconstructie worden de vredesbesprekingen van 1231 verbonden met de verplichting om 32 borgmannen voor de verdediging van Vollenhove beschikbaar te stellen. Deze mannen zouden uit het Drentse gebied afkomstig zijn en militaire diensten aan het bisschoppelijke kasteel moeten verrichten. De regeling werd in verband gebracht met het herstel van de verhoudingen na de Slag bij Ane. Het genoemde aantal verdient controle aan de hand van de oorspronkelijke oorkonden en leenregisters. In latere bronnen komen ook zestien borglenen voor. Die aantallen hoeven niet hetzelfde te betekenen. Wel blijkt dat de verdediging van het Oldehuis verbonden was met een netwerk van dienstplichtige leenmannen.

1231 — Een borgman kan ver van het kasteel zijn grond bezitten

De militaire verplichtingen van borgmannen waren niet noodzakelijk gekoppeld aan landbouwgrond direct naast het Oldehuis. Volgens de plaatselijke geschiedschrijving konden bepaalde lenen tientallen kilometers van Vollenhove liggen, onder meer in Drenthe. Een leenman kon op zijn eigen goederen wonen, maar toch verplicht zijn gedurende bepaalde perioden op het kasteel dienst te verrichten. Voor de bisschop was dat voordelig omdat hij over gewapende ondersteuning kon beschikken zonder alle betrokken mannen voortdurend te huisvesten. Voor de borgmannen betekende de regeling dat hun bezit en militaire verplichtingen nauw met elkaar verbonden waren. Het niet nakomen van diensten kon gevolgen hebben voor de verhouding met de leenheer.

1231–1250 — De kastelein krijgt de leiding over bewaking en militaire diensten

Het Oldehuis werd beheerd door een kastelein die verantwoordelijk was voor de versterking en haar verdediging. Hij moest erop toezien dat de bezetting voldoende manschappen en uitrusting had. Borgmannen die op het kasteel verbleven, kregen volgens de plaatselijke historische beschrijving kost en inwoning. Hun bewapening bestond in deze periode uit wapens die geschikt waren voor gevechten bij een versterking. De organisatie vereiste afspraken over de duur van de dienst, de verdeling van verantwoordelijkheden en het onderhoud van de gebouwen. De kastelein vervulde daarmee een functie die verder ging dan het bewaren van sleutels. Hij was een belangrijke vertegenwoordiger van de bisschoppelijke militaire macht.

Deel 10 — Grondbezit, hofhouding en Friese ontginningen (1235–1247)

Rond 1235 — Het land van de bisschop wordt bestuurd via rechten op verschillende plaatsen

Het Land van Vollenhove omvatte meer dan de directe omgeving van het kasteel. Het bestuursgebied bestond uit verspreide nederzettingen, landbouwgronden, venen en waterlopen. Verschillende rechten konden bij verschillende instellingen of personen berusten. Het beheren van grond, het innen van heffingen en het uitvoeren van rechtspraak hoefden niet aan dezelfde functionaris te zijn toevertrouwd. Daardoor moest de bisschop gebruikmaken van een bestuurlijk netwerk. Een geschil over een erf kon andere personen raken dan een conflict over de jacht of de doorgang over een rivier. Het Oldehuis bood een vaste plaats waar vertegenwoordigers van de landsheer zulke aangelegenheden konden behandelen en waar afspraken werden vastgelegd.

Rond 1240 — De Oldehof ontvangt goederen waarmee het hofleven wordt onderhouden

De bisschoppelijke hofhouding had voedsel, brandstof en gebruiksvoorwerpen nodig. Die konden afkomstig zijn uit de opbrengsten van het domein, aankopen en bijzondere leveringsverplichtingen. De plaatselijke geschiedenis noemt onder meer rogge, haver, gerst, boter, kaas, varkens, lammeren, kalveren, ganzen, veulens, steuren, turf en geld. Ook peper en schotels maken deel uit van de overgeleverde opsomming. Zulke goederen geven inzicht in de veelzijdigheid van het middeleeuwse economische leven. Een verblijf van de bisschop met zijn gevolg kon aanzienlijke hoeveelheden verbruiken. Het beheer daarvan vereiste opslag, vervoer en personen die toezicht hielden op de ontvangen producten.

Rond 1240 — Niet iedere boer is vrij en niet iedere edelman is rijk

De middeleeuwse samenleving kende verschillende rechtsposities. Sommige bewoners bezaten eigen grond, terwijl anderen verplichtingen hadden tegenover een heer of kerkelijke instelling. Een horige kon aan bijzondere persoonlijke of zakelijke verplichtingen gebonden zijn. Een vrije boer kon eveneens pacht of andere lasten verschuldigd zijn. De maatschappelijke positie van een persoon werd daarom niet uitsluitend bepaald door zijn inkomen. Ook afkomst, grondrechten en persoonlijke vrijheid speelden een rol. Een edelman met weinig bezit kon een andere juridische status hebben dan een rijke boer. Voor het Land van Vollenhove moeten deze verschillen per familie of erf worden vastgesteld. Algemene aannames over alle bewoners zijn onvoldoende.

Rond 1240 — Huwelijken verbinden Vollenhoofse families met Drenthe en Salland

Voor de aanzienlijke families rond het Oldehuis waren huwelijken van groot belang. Zij konden nieuwe familiebanden leggen en aanspraken op landgoederen of inkomsten met zich meebrengen. Ook erfenissen konden goederen uit verschillende gebieden samenbrengen. Daardoor konden Vollenhoofse families bezit verwerven in Drenthe, Salland of andere delen van het Oversticht. Een huwelijk betekende niet altijd dat alle goederen onmiddellijk naar de familie van de echtgenoot overgingen. Huwelijksvoorwaarden, leenrechten en erfregels konden de overdracht beperken. Vrouwen konden bovendien zelf rechten op goederen bezitten of doorgeven. De verdere geschiedenis van de borgmannen en de latere havezaten kan daarom niet los worden gezien van de familieverbanden.

1247 — Een afschrift bewaart de oude afspraken over Lammebruke

In 1247 werd onder bisschop Otto een afschrift opgesteld dat de eerdere overeenkomst met de Friezen van Lammebruke uit 1165 bevestigde. Het document is bekend uit een negentiende-eeuws oorkondenoverzicht. Daarmee is de geschiedenis van de Friese ontginningen niet uitsluitend gebaseerd op latere mondelinge overlevering. De bepalingen over grondgebruik, betalingen en rechtspraak konden ook na tientallen jaren juridische betekenis houden. Nieuwe bewoners en erfgenamen hadden belang bij de voorwaarden waaronder hun voorgangers grond hadden ontvangen. Voor de bisschop vormde de akte een middel om oudere aanspraken te verdedigen. De schriftelijke overlevering verbindt de twaalfde-eeuwse ontginningen met de bestuurlijke geschiedenis van de volgende eeuw.

Deel 14 — De belegering van het Oldehuis en de kerkelijke straffen (1309–1311)

1309 — Een houten stormgevaarte moet de verdediging doorbreken

Volgens latere historische beschrijvingen gebruikten de belegeraars in 1309 een houten stormgevaarte van drie verdiepingen. Het werktuig zou met dierenhuiden zijn bekleed om het tegen brand te beschermen. Vanuit de constructie konden aanvallers stenen werpen en pijlen afschieten. De verdedigers van het Oldehuis kregen volgens deze overlevering versterking, waarna het belegeringswerktuig in brand raakte en de aanvallers zich moesten terugtrekken. Niet alle technische bijzonderheden zijn onafhankelijk bevestigd door eigentijdse bronnen. Toch maakt het verhaal duidelijk hoe middeleeuwse belegeringen konden verlopen. Een verdediger moest niet alleen de toegang tot de burcht bewaken, maar ook voorbereid zijn op grote aanvalswerktuigen.

1309 — De kerk en huizen buiten het kasteel worden geplunderd

Tijdens de strijd rond het Oldehuis werden volgens de overlevering ook de kerk en verschillende huizen van bewoners beschadigd en geplunderd. De kerk was een belangrijk middelpunt van de plaatselijke gemeenschap en bezat religieuze voorwerpen en andere goederen. Voor de inwoners was de aanval daarom bijzonder ingrijpend. De bisschoppelijke versterking bood bescherming aan de militaire bezetting, maar niet automatisch aan alle bewoners van de nederzetting. Een aanval kon gezinnen hun voedselvoorraden, huisraad of onderdak kosten. De schade aan gebouwen vergde vervolgens middelen om deze opnieuw op te bouwen. De belegering toont dat een machtsstrijd tussen bisschop en Friese gemeenschappen rechtstreeks gevolgen had voor gewone inwoners.

24 augustus 1309 — De bisschop eist schadevergoeding van de Friezen

Na de aanval stelde bisschop Gwijde van Henegouwen de Stellingwervers en Schoterwervers verantwoordelijk voor de aangerichte schade. In een oorkonde van 24 augustus 1309 werden eisen gesteld om de geleden verliezen te vergoeden. Het conflict ging daarmee een nieuwe fase in. De bisschop probeerde niet alleen met soldaten zijn rechten te beschermen, maar gebruikte ook juridische en kerkelijke middelen. De schadevergoeding had betrekking op de gevolgen van aanvallen en vernielingen in zijn gebied. De oorspronkelijke oorkonde is belangrijk omdat zij de gebeurtenissen uit de sfeer van latere verhalen haalt. Zij geeft een concreet schriftelijk aanknopingspunt voor de oorlog die rond het Oldehuis werd gevoerd.

1310 — Utrecht legt de Friese gemeenschappen de kerkelijke ban op

Op 4 en 5 mei 1310 gelastte de bisschop van Utrecht dat de kerkelijke straffen tegen de Stellingwervers en Schoterwervers bekend werden gemaakt. De maatregelen omvatten excommunicatie en interdict. Excommunicatie hield uitsluiting uit de kerkelijke gemeenschap in. Een interdict kon de gewone openbare kerkelijke diensten in een gebied beperken. De bisschop gebruikte deze middelen om de Friezen tot gehoorzaamheid en vergoeding van schade te bewegen. Geestelijken kregen opdracht de maatregelen op zon- en feestdagen bekend te maken. De strijd werd daarmee niet alleen met wapens gevoerd. Ook de kerkelijke organisatie werd ingezet om politieke en financiële aanspraken kracht bij te zetten.

1311 — Ook de paus wordt betrokken bij het conflict over Vollenhove

In 1311 kreeg het conflict met de Stellingwervers aandacht vanuit de hogere kerkelijke organisatie. Op 25 april bevestigde de paus de excommunicatie. In juli volgden verdere verklaringen van kerkelijke functionarissen die de opgelegde straffen erkenden of bekendmaakten. Hierdoor kreeg de strijd tussen de bisschop en de Friese gemeenschappen betekenis tot buiten het Oversticht. De maatregelen waren bedoeld om weerstand tegen het bisschoppelijke gezag te breken. De oorspronkelijke aanleiding lag echter mede bij militaire aanvallen en schade aan goederen. Het voorbeeld toont hoe nauw de geestelijke en wereldlijke macht van een bisschop met elkaar verbonden konden zijn. Een lokaal conflict rond Vollenhove kon uiteindelijk in Rome terechtkomen.

Deel 15 — Vredesonderhandelingen en de nieuwe kastelein (1311–1313)

1311 — Een tweede belegering van het Oldehuis blijft mogelijk

Sommige historische beschrijvingen plaatsen een nieuwe aanval op Vollenhove in 1311. Andere verhalen lijken gebeurtenissen uit 1309 en 1311 door elkaar te halen. Daardoor is niet zeker of er werkelijk twee afzonderlijke belegeringen plaatsvonden of dat één aanval in latere geschiedschrijving verschillende dateringen kreeg. De oorkonden over de schadevergoeding en de kerkelijke straffen maken in ieder geval duidelijk dat het conflict gedurende meerdere jaren bleef voortduren. Voor Vollenhove betekende dit dat de bewoners ook na het eerste beleg met onzekerheid rekening moesten houden. De versterking bleef een belangrijk doelwit zolang de verhouding tussen Utrecht en de Friese gemeenschappen niet was hersteld.

1313 — Friese bemiddelaars proberen een einde aan de strijd te maken

In mei 1313 kwamen vertegenwoordigers van de bisschop en de gemeenschappen van Stellingwerf en Schoterwerf tot een regeling van hun geschillen. Daarbij speelden scheidslieden een belangrijke rol. Op 25 mei werd een uitspraak vastgelegd, waarna op 26 mei vertegenwoordigers van verschillende Friese gebieden verklaarden zich aan de regeling te zullen houden. De overeenkomst had onder meer betrekking op schadevergoeding en het herstel van rechten. Ook goederen en landbouwgronden bij IJsselham en Onna kwamen in de conflicten voor. De onderhandelingen tonen dat het bisschoppelijke gezag niet uitsluitend door militaire macht kon worden gehandhaafd. Uiteindelijk waren afspraken nodig die door de betrokken gemeenschappen werden aanvaard.

1313 — De strijd gaat niet alleen om kastelen, maar ook om landbouwgrond

De oorkonden over het conflict tussen Utrecht en de Stellingwerven bevatten verwijzingen naar gronden en boerderijen die onderwerp van geschil waren. IJsselham en Onna speelden daarbij een rol. Voor bewoners van deze gebieden waren rechten op akkers, erven en weilanden van direct economisch belang. Het verlies van grond kon gevolgen hebben voor het onderhoud van een gezin. Voor de bisschop ging het daarnaast om de vraag wie bevoegd was over bepaalde goederen en inkomsten te beschikken. De strijd rond Vollenhove moet daarom niet uitsluitend worden gezien als een oorlog tussen een kasteel en Friese strijders. Ook het bezit en gebruik van het omliggende land stond ter discussie.

1313 — Hermannus Vleisch van Kuinre wordt kastelein van Vollenhove

In 1313 stelde bisschop Gwijde van Henegouwen Hermannus Vleisch van Kuinre aan als kastelein van Vollenhove. Hermannus wordt daarnaast als schout genoemd. De combinatie van functies maakte hem een belangrijke vertegenwoordiger van de bisschop. Volgens de plaatselijke historische beschrijving was het moeilijk geworden iemand te vinden die het kasteleinschap wilde aanvaarden. De oorlogen hadden duidelijk gemaakt hoeveel risico de functie met zich meebracht. Hermannus kreeg daarom bijzondere rechten als beloning. Zijn benoeming verbindt de geschiedenis van het Oldehuis met de heren van Kuinre en de bestuurlijke verhoudingen in het noordelijke Oversticht. Het kasteleinschap was een functie met militaire, juridische en financiële betekenis.

1313 — Hermannus krijgt grond om een huis bij het kasteel te bouwen

Bij zijn benoeming ontving Hermannus Vleisch een terrein in de voorstad van het bisschoppelijke kasteel. Volgens de Latijnse akte was de grond bestemd om er een woning te bouwen. Dit is een belangrijk gegeven voor de vroege nederzettingsgeschiedenis van Vollenhove. Het laat zien dat de bisschop niet uitsluitend ruimte binnen de kasteelmuren beschikbaar stelde. Ook daarbuiten konden zijn dienaren een woonplaats krijgen. Zo ontstond een nauwe verbinding tussen het militaire centrum en de nederzetting ernaast. Het recht op de grond was verbonden met het kasteleinschap. Daarmee kreeg een bestuurder de mogelijkheid zich blijvend bij de plaats te vestigen waar hij zijn functie moest uitoefenen.

Deel 16 — Kuinre, de Stellingwerven en zeventien Friese parochies (1313–1320)

1313 — Vijftien pond uit Kampen worden bestemd voor het Vollenhoofse kasteleinschap

Hermannus Vleisch kreeg naast bouwgrond een jaarlijkse aanspraak op vijftien pond zwarte Tournooise munten uit de gruitinkomsten van Kampen. Gruit was een product dat in verband stond met de bierbereiding, terwijl het gruitrecht inkomsten kon opleveren. De betaling werd in de akte verbonden met het kasteelleen. Daarmee ontstond een bijzondere financiële relatie tussen Kampen en Vollenhove. Inkomsten uit de ene stad konden worden gebruikt om een functionaris op een bisschoppelijk kasteel te onderhouden. De regeling laat zien hoe het bestuur van Utrecht over verspreide middelen beschikte. De verdediging van Vollenhove werd mede mogelijk gemaakt door inkomsten die tientallen kilometers verder werden ontvangen.

1313 — De band tussen de heren van Kuinre en Vollenhove wordt sterker

De familieverbanden rond Hermannus Vleisch verbinden het kasteleinschap met de heren van Kuinre. Volgens een regionale reconstructie was Hermannus verwant aan personen die rechten bezaten in Kuinre, Urk en Emmeloord. De precieze genealogische verhoudingen moeten met leenakten en oorkonden worden gecontroleerd. Toch is de verbinding historisch belangrijk. Kuinre lag op een strategische plaats tussen het Friese grensgebied en het noordelijke waterlandschap. De heren van Kuinre hadden eigen politieke en economische belangen. Door een familielid bij het Oldehuis te plaatsen, ontstond een directe verbinding tussen twee versterkte machtscentra. Dat maakte de bestuurlijke verhoudingen ingewikkelder, maar bood ook mogelijkheden voor samenwerking.

1316–1318 — Het conflict met de Stellingwerven blijft onopgelost

Ondanks de afspraken van 1313 verdwenen de spanningen niet onmiddellijk. In oktober 1316 gelastte de paus opnieuw onderzoek naar de conflicten tussen de Stellingwervers en de bisschop. In januari 1318 volgden maatregelen om de plaatselijke machthebbers en gemeenschappen tot rust te brengen. De herhaalde kerkelijke betrokkenheid toont hoe moeilijk het was om de afspraken blijvend te laten naleven. Voor de bisschop ging het om het behoud van rechten en inkomsten. Voor de Friese gemeenschappen speelde hun zelfstandige positie een grote rol. De geschiedenis van Vollenhove bleef hierdoor verbonden met de strijd om de verhouding tussen centraal landsheerlijk gezag en plaatselijk bestuur.

9 september 1320 — Zeventien Friese parochies sluiten een overeenkomst met Utrecht

Op 9 september 1320 sloten vertegenwoordigers van zeventien parochies in Stellingwerf een overeenkomst met bisschop Frederik van Sierck. De gemeenschappen wilden worden ontslagen van de kerkelijke straffen die tijdens de eerdere conflicten waren opgelegd. Zij beloofden achterstallige betalingen alsnog te voldoen en hun toekomstige verplichtingen na te komen. De oorkonde noemt de betrokken parochies afzonderlijk. Voor veel dorpen vormt zij een van de oudste schriftelijke vermeldingen. De overeenkomst is bijzonder belangrijk voor Vollenhove omdat zij bepaalt dat de betalingen voortaan aan een vertegenwoordiger van de bisschop daar moesten worden voldaan. Zo werd Vollenhove een financieel en bestuurlijk middelpunt voor een groot Fries grensgebied.

1320 — De Friese dorpen worden met naam in de oorkonde vastgelegd

De overeenkomst van 1320 noemt Monekebure, Nieu-skerpensele, Spanghe, Nieuwestrinde, Boylo, Ostbrockop, Oldenlameren, Nieulameren, Nieholtwold, Oldeholtwold, Oldentrinde, Ostrinde, Wluegho, Holenpath, Ydzerde, Oldenbrockop en Westbrockop. De middeleeuwse schrijfwijzen komen niet altijd overeen met de huidige dorpsnamen. Sommige plaatsen zijn gemakkelijker te identificeren dan andere. De lijst toont hoe uitgestrekt het gebied was dat bij het conflict betrokken was. Het ging niet om één nederzetting, maar om een groot aantal gemeenschappen. Voor de geschiedenis van Vollenhove is deze oorkonde belangrijk omdat de vertegenwoordigers van al deze parochies financiële verplichtingen moesten nakomen tegenover een bisschoppelijke functionaris die in Vollenhove zetelde.

Deel 17 — Friese betalingen, Johan Redinc en het conflict over Giethoorn (1320–1327)

1320 — Vier Engelse sterlingen worden genoemd bij de achterstallige betalingen

De overeenkomst bevatte een financiële bepaling waarin vier Engelse sterlingen werden genoemd per verschuldigde eenheid, in de Latijnse formulering aangeduid als de qualibet talentata. De precieze berekening moet aan de volledige oorkonde worden getoetst. Wel staat vast dat de Friese parochies geld moesten betalen om hun eerdere verplichtingen na te komen. De jaarlijkse afdracht moest voortaan in handen komen van de bisschoppelijke functionaris te Vollenhove. Daarmee werd het Oldehuis verbonden met inkomsten uit een gebied dat ver buiten de latere stad lag. Deze regeling toont hoe kerkelijke straffen, politieke onderhandelingen en geldbetalingen met elkaar konden samenhangen.

1320 — De betalingen uit de Stellingwerven moeten in Vollenhove worden ontvangen

Een van de belangrijkste bepalingen van de overeenkomst was dat de jaarlijkse betalingen voortaan aan de vertegenwoordiger van de bisschop in Vollenhove moesten worden voldaan. Dit geeft het Oldehuis een duidelijke plaats binnen het financiële bestuur van de Utrechtse kerk. De functionaris moest kunnen vaststellen welke gemeenschappen betaalden en welke verplichtingen nog openstonden. Schriftelijke administratie was daarbij noodzakelijk. Voor de Friese dorpen betekende de afspraak dat zij een vaste verbinding kregen met het bisschoppelijke bestuurscentrum. Het kasteel was hierdoor niet alleen een militaire bedreiging of een symbool van landsheerlijke macht, maar ook een plaats waar inkomsten daadwerkelijk werden ontvangen en verantwoord.

1324 — Johan Redinc wordt schout en rentmeester van Vollenhove

Op 4 juli 1324 werd ridder Johan Redinc aangesteld als schout en rentmeester van Vollenhove. Zijn benoeming gold aanvankelijk voor vier jaar. De combinatie van functies gaf hem een belangrijke plaats binnen het bisschoppelijke bestuur. Als schout was hij betrokken bij rechtspraak en het handhaven van rechten. Als rentmeester hield hij toezicht op inkomsten en uitgaven. Dezelfde persoon kon daardoor juridische en financiële verantwoordelijkheden dragen. Johan Redinc wordt in 1329 nog vermeld. Zijn laatste rekening werd op 21 oktober van dat jaar goedgekeurd, toen hij inmiddels als voormalig schout en rentmeester werd aangeduid. Zulke gegevens maken het mogelijk de bestuurlijke geschiedenis aan afzonderlijke personen te verbinden.

1325 — Johan Redinc verschijnt bij een conflict met Drenthe

In november 1325 was Johan Redinc volgens de plaatselijke bestuurshistorische beschrijving aanwezig bij een bisschoppelijke uitspraak die betrekking had op de verhouding met Drenthe. De vermelding laat zien dat de schout en rentmeester van Vollenhove ook betrokken kon zijn bij aangelegenheden buiten de onmiddellijke omgeving van het kasteel. De conflicten met Drenthe waren sinds de Slag bij Ane niet volledig verdwenen. De bisschop bleef proberen zijn rechten te handhaven tegenover plaatselijke gemeenschappen en machthebbers. Personen als Johan Redinc konden daarbij een belangrijke rol spelen als getuige, bestuurder of uitvoerder van besluiten. Zijn loopbaan verbindt de dagelijkse administratie van Vollenhove met de bredere politieke strijd.

10 juni 1327 — Utrecht eist Giethoorn terug van de Stellingwervers

Op 10 juni 1327 kregen de gemeenschappen van Stellingwerf en Schoterwerf het verzoek Giethoorn, in de oorkonde Gheethorne genoemd, terug te geven aan de bisschop. Kerkelijke functionarissen verwezen daarbij naar bestaande overeenkomsten die volgens hen niet waren nagekomen. De gebeurtenis laat zien dat de machtsstrijd rond Vollenhove ook betrekking had op nederzettingen in het veengebied ten oosten en noorden van het Hoge Land. Giethoorn was daarmee geen volledig afgelegen gemeenschap buiten de politieke ontwikkelingen. De rechten op het gebied konden onderdeel zijn van conflicten tussen Utrecht en de Friese gemeenschappen. De oorkonde vormt een belangrijk aanknopingspunt voor de vroegste bestuurlijke geschiedenis van Giethoorn.

Deel 18 — Giethoorn, Kuinre en de Gelderse machtsovername (1327–1336)

20 augustus 1327 — De bewoners van Giethoorn hebben achterstallige betalingen

Een oorkonde van 20 augustus 1327 maakt duidelijk dat bewoners van Giethoorn achterliepen met betalingen aan de bisschop. Daarmee krijgt het conflict over het bezit of bestuur van de nederzetting ook een financiële kant. Het ging niet alleen om de vraag wie het gebied mocht besturen, maar ook om verplichtingen die uit dat gezag voortkwamen. Voor de betrokken bewoners konden zulke betalingen zwaar wegen. De opbrengst van landbouwgrond en veehouderij moest immers voldoende zijn om het eigen huishouden te onderhouden. De documenten tonen hoe bisschoppelijke rechten tot op het niveau van afzonderlijke nederzettingen financiële gevolgen konden hebben. Het Land van Vollenhove stond via zulke aanspraken in verbinding met Giethoorn.

1328 — Twaalf parochies sluiten zich bij de Stellingwervers aan

Op 26 mei 1328 wordt in een oorkondenoverzicht vermeld dat twaalf parochies zich bij de Friezen van Stellingwerf hadden aangesloten. Het gegeven toont dat de politieke en juridische conflicten niet tot één kleine groep bewoners beperkt bleven. Ook andere gemeenschappen konden betrokken raken bij de strijd om rechten en gehoorzaamheid. De vraag welke parochies precies deelnamen en welke verplichtingen zij aangingen, moet aan de oorspronkelijke documenten worden getoetst. Voor Utrecht betekende de uitbreiding van het verzet dat het moeilijker werd zijn aanspraken in het grensgebied te handhaven. Vollenhove bleef als versterkt bestuurscentrum nauw betrokken bij deze ontwikkelingen.

1330 — De graaf van Gelre probeert invloed te krijgen in Salland en Twente

Op 28 mei 1330 wordt een verzoek van de graaf van Gelre vermeld om met Salland en Twente te worden beleend. De achtergrond lag mede bij de problemen van de bisschop om zijn rechten tegenover Friese en andere tegenstanders te verdedigen. De Gelderse belangstelling laat zien dat de politieke zwakte van Utrecht mogelijkheden bood aan andere machthebbers. De graaf kon proberen zijn invloed uit te breiden door bestaande bisschoppelijke rechten over te nemen. Voor Vollenhove was dit belangrijk omdat het deel uitmaakte van het Oversticht, waar de bisschop eveneens onder druk stond. De strijd om de macht werd hierdoor steeds meer verbonden met financiële en juridische overeenkomsten tussen grote landsheren.

1331 — De graaf van Holland bevestigt leenrechten van Jan van Kuinre

Op 17 juli 1331 beleende de graaf van Holland ridder Jan van Kuinre met Hollandse leengoederen die eerder in handen van zijn neef Hendrik van Kuinre waren geweest. De gebeurtenis toont hoe de heren van Kuinre niet uitsluitend met Utrecht verbonden waren. Zij konden ook rechten van andere landsheren ontvangen. Daardoor ontstonden ingewikkelde politieke verhoudingen. Een familie kon belangen hebben in gebieden die onder verschillende graven of bisschoppen vielen. Voor Vollenhove was deze situatie relevant omdat Kuinre een belangrijk machtscentrum aan de noordelijke grens vormde. Het bezit van meerdere lenen bood kansen, maar kon ook tot tegenstrijdige verplichtingen leiden wanneer machthebbers met elkaar in conflict kwamen.

1336 — De bisschop moet Salland, Twente en Vollenhove aan Gelre verpanden

In 1336 kwamen belangrijke delen van het Oversticht door de financiële problemen van de bisschop in pand bij graaf Reinoud II van Gelre. Daarbij worden Salland, Twente en Vollenhove genoemd. Een verpanding betekende dat rechten als zekerheid tegenover een financiële verplichting konden worden overgedragen. De bisschop bleef historisch verbonden met het gebied, maar zijn mogelijkheden om bepaalde bevoegdheden uit te oefenen werden sterk beperkt. Voor de bewoners kon dit gevolgen hebben voor het bestuur en de ontvangst van heffingen. De graaf van Gelre kreeg hierdoor invloed zonder dat hij alle betrokken gronden persoonlijk hoefde te bezitten. De gebeurtenissen laten zien hoe geldnood de territoriale macht van een kerkvorst kon aantasten.

Deel 19 — De terugkeer van Utrecht en de rechten van Genemuiden (1336–1347)

1336–1346 — Gelderse bestuurders krijgen invloed op het Land van Vollenhove

Tijdens de periode waarin delen van het Oversticht waren verpand, traden ook vertegenwoordigers van de graaf van Gelre op. Voor Vollenhove wordt onder meer Dirk van der Straten genoemd als rentmeester in Gelderse dienst. Zijn aanwezigheid laat zien dat de verpanding gevolgen kon hebben voor het dagelijkse bestuur. Een rentmeester moest inkomsten beheren en verantwoording afleggen aan de machthebber die aanspraak maakte op deze gelden. Tegelijk bleven plaatselijke rechten en bestaande afspraken van belang. Een nieuwe politieke machthebber kon niet zonder meer iedere boerderij of ieder stuk grond opnieuw verdelen. De Gelderse periode maakte het ingewikkelde karakter van de bestuursorganisatie in Vollenhove opnieuw zichtbaar.

Rond 1340 — Het bezit van de bisschop wordt steeds sterker door schulden bedreigd

De financiële problemen van de Utrechtse bisschoppen hadden zich gedurende langere tijd opgebouwd. Oorlogen, militaire verplichtingen, het onderhoud van kastelen en andere uitgaven konden grote bedragen kosten. Wanneer inkomsten onvoldoende waren, konden rechten en goederen worden verpand. Voor de bewoners van het Oversticht betekende dit dat een politieke verandering niet altijd door een veldslag ontstond. Ook overeenkomsten tussen schuldeisers en landsheren konden het bestuur veranderen. Het Oldehuis bleef een belangrijke versterking, maar de bisschop kon zijn aanspraken alleen behouden wanneer hij voldoende financiële middelen had. De verhouding tussen grond, geld en macht werd daarmee een steeds belangrijker onderdeel van de geschiedenis van Vollenhove.

1346 — Jan van Arkel lost de Gelderse verpanding af

Bisschop Jan van Arkel slaagde er in 1346 in belangrijke Gelderse pandrechten op het Oversticht af te lossen. Daardoor kon Utrecht opnieuw rechtstreeks aanspraak maken op rechten in Salland, Twente en het Land van Vollenhove. De aflossing was een financiële en politieke overwinning. Zij betekende dat de bisschop zijn vroegere macht niet definitief had verloren. Voor de bewoners veranderde opnieuw de positie van de hoogste landsheer. De gebeurtenis maakte bovendien duidelijk dat steden en andere instellingen belang hadden bij een stabiel bestuur. Jan van Arkel wilde zijn positie versterken en kreeg in de volgende jaren de gelegenheid de verhouding met verschillende nederzettingen opnieuw vast te leggen.

1346 — Ook Genemuiden laat zijn stadsrechten opnieuw bevestigen

Op 2 maart 1346 bevestigde Jan van Arkel de rechten en vrijheden van de schepenen, raad en gemeenschap van Genemuiden. De stad had haar oorspronkelijke stadsrecht in 1275 van Jan van Nassau gekregen. De bevestiging laat zien hoe belangrijk oude privileges waren wanneer de politieke verhoudingen veranderden. Een nieuwe bisschop kon bestaande rechten opnieuw erkennen en daarmee zijn verhouding tot een stad versterken. Voor de verbinding tussen Genemuiden en Vollenhove was dit van betekenis vanwege de ligging aan het Zwarte Water. Genemuiden beheerde belangrijke doorgangen voor het vervoer tussen verschillende delen van Overijssel. De stadsrechten maakten duidelijk welke bevoegdheden de plaatselijke gemeenschap binnen het bisschoppelijke gebied mocht uitoefenen.

1347 — Genemuiden ontvangt visrechten tot aan De Voorst bij Vollenhove

In 1347 verkregen de inwoners van Genemuiden visrechten in een gebied dat zich uitstrekte van Waterstein, tegenover Zwartsluis, tot De Voorst onder Vollenhove. De regeling laat zien hoe ver de economische belangen van een kleinere stad langs het Zwarte Water konden reiken. Voor vissers was het bezit van duidelijke rechten belangrijk om conflicten met andere gebruikers te voorkomen. De ligging van De Voorst verbindt deze visgronden rechtstreeks met het landschap rond Vollenhove. De rechten op het water vormden daarmee een aanvulling op de aanspraken op landbouwgronden en bossen. Ook de visserij was een economische activiteit waarbij een landsheer bevoegdheden kon verlenen of bevestigen.

Deel 20 — Het veer, de Zwarte Dood en het ontstaan van de stad (1347–1350)

1347 — Het veer van Genemuiden verbindt Zwolle en Kampen met Vollenhove

Het veer over het Zwarte Water bij Genemuiden vormde een belangrijke schakel in het landverkeer. Reizigers die vanuit de omgeving van Zwolle of Kampen naar Vollenhove wilden gaan, moesten rekening houden met de oversteek. Het veerrecht kon inkomsten opleveren doordat voor het gebruik een vergoeding werd gevraagd. Volgens een historische beschrijving stond Jan van Arkel in 1347 zijn veerstal aan Genemuiden af onder voorwaarden, waaronder de levering van zestig pond was op het bisschoppelijke huis te Vollenhove. Het recht om een veer te exploiteren was daarmee niet alleen een praktische voorziening. Het was ook een waardevol bestuurlijk en financieel recht.

1349 — De Zwarte Dood bereikt Overijssel

Rond 1349 werd ook Overijssel getroffen door de grote pestepidemie die zich sinds 1347 over Europa had verspreid. De ziekte veroorzaakte in veel gebieden een uitzonderlijk hoge sterfte. Voor Vollenhove ontbreken voldoende plaatselijke gegevens om het aantal slachtoffers betrouwbaar vast te stellen. Daarom is niet bekend hoeveel huishoudens of landbouwbedrijven rechtstreeks werden getroffen. De pest kon echter ingrijpende gevolgen hebben voor het dagelijks leven. Wanneer gezinsleden overleden, werd het moeilijker om akkers te bewerken en dieren te verzorgen. Ook verplichtingen tegenover grondbezitters of kerkelijke instellingen konden onder druk komen te staan. De epidemie vormde een belangrijke achtergrond van de veranderingen in de veertiende-eeuwse samenleving.

1350 — Bij het Oldehuis groeit een herkenbare nieuwe stad

Omstreeks 1350 was de nederzetting bij het bisschoppelijke kasteel uitgegroeid tot een gemeenschap die een eigen stedelijke organisatie kon krijgen. Het gebied stond bekend als Opten Camp, een naam die in de stadsrechtoorkonde zou worden gebruikt. De ligging vóór het Oldehuis maakte duidelijk hoe nauw de nederzetting met de bisschoppelijke residentie verbonden was. Er woonden niet uitsluitend militaire dienaren, maar ook andere bewoners die van landbouw, ambacht en handel afhankelijk konden zijn. De behoefte aan vaste regels voor rechtspraak en bestuur nam toe. Voor de bisschop bood een georganiseerde stad voordelen omdat de inwoners konden bijdragen aan de verdediging en instandhouding van zijn noordelijke machtscentrum.

Rond 1350 — De eerste adellijke woonplaatsen ontstaan bij de nederzetting

De aanwezigheid van borgmannen en andere aanzienlijke dienaren had gevolgen voor de ontwikkeling van het gebied rondom het Oldehuis. Families die militaire of bestuurlijke functies vervulden, konden behoefte krijgen aan eigen woningen buiten de kasteelmuren. Sommige beschikten over leengoederen en andere bezittingen die hun een zelfstandige economische positie gaven. Uit deze ontwikkeling ontstonden later verschillende adellijke huizen die als havezaten bekend werden. Niet alle latere gebouwen bestonden al omstreeks 1350. De geschiedenis van huizen als Oldruitenborgh, Tweenijenhuizen en andere Vollenhoofse woonplaatsen moet daarom per afzonderlijk goed worden onderzocht. Wel begon de aanleg van een stad waarin het bisschoppelijke hof en aanzienlijke families naast elkaar bestonden.

Rond 1350 — Een regelmatig stratenplan ontstaat op het Hoge Land

De nieuwe stedelijke aanleg van Vollenhove kreeg een opvallend regelmatig karakter. Op de hogere gronden werden verschillende straten vrijwel evenwijdig aan elkaar aangelegd. De latere Visschersstraat, Kerkstraat en Bisschopstraat maakten deel uit van dit patroon. Kleinere stegen verbonden de grotere straten. Daardoor ontstond ruimte voor woningen, erven en andere voorzieningen. De regelmatige aanleg wijst op een bewuste inrichting van de groeiende nederzetting. Toch moet rekening worden gehouden met oudere gebouwen en grondeigendommen die al aanwezig waren. De nieuwe stad ontstond niet op volledig onbewoond terrein. Zij groeide rondom een kasteel en een kerk die al veel langer een centrale plaats hadden ingenomen.

Deel 21 — De stadsrechten van Vollenhove en het nieuwe stadsbestuur (1350–1354)

1350–1354 — De burgers willen duidelijkheid over bestuur en rechtspraak

De groei van de nederzetting bracht nieuwe vragen met zich mee. Wie mocht geschillen tussen burgers behandelen? Welke regels golden voor handel en het gebruik van gemeenschappelijke voorzieningen? Wie moest bijdragen aan de verdediging van het gebied? Voor een gemeenschap die steeds groter werd, waren schriftelijk vastgelegde rechten van groot belang. De bisschop kon dergelijke bevoegdheden verlenen zonder al zijn landsheerlijke rechten af te staan. Ook voor Jan van Arkel was dat aantrekkelijk. Een stad met eigen bestuur kon bijdragen aan de stabiliteit van het gebied rond het Oldehuis. De onderhandelingen over stadsrechten maakten daardoor deel uit van het bredere herstel van de Utrechtse macht.

13 juli 1354 — Jan van Arkel verleent Vollenhove stadsrechten

Op zondag 13 juli 1354 verleende bisschop Jan van Arkel stadsrechten aan de bewoners van Opten Camp, de nederzetting vóór zijn kasteel te Vollenhove. De oorkonde verwijst naar de trouwe diensten die de bewoners aan hem en zijn voorgangers hadden bewezen. Zij kregen rechten die aansloten bij die van andere steden in Salland. Het originele stadsrechtcharter is bewaard gebleven in het gemeentearchief van Steenwijkerland. In plaatselijke overleveringen wordt ook 12 juli genoemd, vanwege de datering op de vooravond van Sint-Margriet. Het wetenschappelijke Repertorium van Nederlandse stadsrechten hanteert 13 juli. De gebeurtenis veranderde de bestuurlijke positie van Vollenhove ingrijpend.

1354 — Zeven schepenen krijgen het recht de stad mede te besturen

Het nieuwe stadsrecht bepaalde dat de burgers ieder jaar zeven schepenen mochten kiezen. De verkiezing vond plaats op Sint-Pieters Stoel, 22 februari, in overleg met de schout van Vollenhove. De gekozen schepenen moesten vervolgens namens de bisschop worden beëdigd. Zij kregen bevoegdheden op het gebied van rechtspraak en stedelijke regelgeving. De schout bleef echter een belangrijke vertegenwoordiger van de landsheer. Daardoor werd Vollenhove geen volledig onafhankelijke gemeenschap. Het stadsbestuur kreeg vastgelegde rechten binnen het gebied van de bisschop. Deze combinatie van stedelijke zelfstandigheid en landsheerlijke invloed zou de politieke geschiedenis van Vollenhove gedurende de volgende eeuwen blijven bepalen.

1354 — De schepenen en de schout krijgen het recht stedelijke regels vast te stellen

De stadsrechtoorkonde verleende niet alleen het recht om schepenen te kiezen. Ook de bevoegdheid om keuren, plaatselijke rechtsregels, vast te stellen maakte deel uit van de privileges. Daarmee kon het bestuur bepaalde aangelegenheden binnen de stad regelen. Zulke voorschriften konden betrekking hebben op gedrag, handel of andere zaken waarvoor plaatselijke regels noodzakelijk waren. De bevoegdheden werden uitgeoefend binnen de grenzen van het stadsrecht. De bisschop hield als landsheer belangrijke rechten. Voor de burgers betekende de verandering dat zij voortaan een duidelijker eigen juridische organisatie hadden. De schriftelijke bepalingen konden bovendien worden gebruikt wanneer over de bevoegdheden van het stadsbestuur een geschil ontstond.

1354 — Niet-burgers kunnen voor dezelfde stedelijke heffing het dubbele betalen

De stadsrechtoorkonde bevatte een opvallende bepaling over personen die binnen het stedelijke gebied bepaalde heffingen verschuldigd waren, maar geen burgerrecht bezaten. Voor keuren, wilkeuren en accijnzen konden zij volgens de tekst het dubbele moeten betalen van een burger in een vergelijkbare situatie. Daarbij bleven bijzondere rechten van bisschoppelijke dienstmannen voorbehouden. De regeling maakte duidelijk dat het burgerrecht niet alleen een naam of eretitel was. Het kon directe financiële gevolgen hebben. Wie als burger werd erkend, kon bepaalde voordelen genieten die anderen niet hadden. Het onderscheid tussen burgers en buitenstaanders werd daarmee onderdeel van de stedelijke rechtsorde.

Deel 22 — De stadsrechten, het Oldehuis en de hernieuwde strijd met Friesland (1354–1361)

1354 — De bewoners van het kasteel krijgen burgerrechten zonder alle burgerplichten

Voor de personen die namens de bisschop op het Oldehuis woonden, bevatte de stadsrechtoorkonde een afzonderlijke bepaling. Zij mochten het burgerrecht van Vollenhove genieten, maar werden vrijgesteld van bepaalde verplichtingen. Volgens de tekst hoefden zij niet mee te graven of te waken en waren zij vrijgesteld van schatting en bede. Het onderscheid was belangrijk omdat de bezetting van het kasteel andere militaire en bestuurlijke taken had dan gewone burgers. De bisschop wilde de bijzondere positie van zijn dienaren behouden terwijl zij tegelijkertijd deel konden uitmaken van de stedelijke rechtsgemeenschap. Hierdoor bleven de stad en het Oldehuis nauw verbonden, maar niet volledig gelijkgesteld.

1354 — De stadsrechten gelden binnen grenzen die door de bisschop worden aangewezen

De stadsrechten hadden betrekking op een afgebakend stedelijk gebied. De oorkonde bepaalde dat de bisschop de grenzen zou aanwijzen waarbinnen de privileges golden. Dat was van groot belang, omdat Vollenhove omgeven werd door landbouwgronden, buurtschappen en adellijke bezittingen die niet automatisch dezelfde juridische positie kregen. Een bewoner van het Land van Vollenhove was niet zonder meer burger van de stad. De rechten konden verschillen naar woonplaats, grondbezit en persoonlijke status. De ontwikkeling van de stedelijke grenzen bepaalde daarmee wie aanspraak kon maken op de nieuwe privileges. Ook de aanleg van wegen, grachten en verdedigingswerken hing samen met de vraag welk gebied tot de stedelijke gemeenschap behoorde.

1354 — De stad wordt een eigen rechtsgemeenschap, maar het land blijft groter

Met de verlening van stadsrechten kreeg Vollenhove een nieuwe plaats binnen het Oversticht. De burgers beschikten voortaan over eigen bevoegdheden, terwijl het Oldehuis het centrum van landsheerlijk gezag bleef. Het Land van Vollenhove omvatte echter een veel groter gebied dan de nieuwe stad. Daar woonden boeren en andere grondgebruikers die met afzonderlijke rechtsverhoudingen te maken konden hebben. Ook kloosters en aanzienlijke families bezaten verspreide goederen. De nieuwe stad was daardoor geen vervanging van het bestaande landschap, maar een afzonderlijke bestuurlijke gemeenschap daarbinnen. De verhouding tussen stadsbestuur, bisschop, borgmannen en plattelandsbewoners zou in de volgende eeuwen steeds belangrijker worden.

1354 — De oude bisschoppelijke nederzetting begint aan een nieuwe geschiedenis

Bijna twee eeuwen na de bouw van de bisschoppelijke burcht had Vollenhove een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. Het Oldehuis was ontstaan als versterking tegen de Friese grensgebieden en had daarna dienstgedaan als residentie, bestuurscentrum en plaats van rechtspraak. Borgmannen en kasteleinen waren betrokken geraakt bij de verdediging. Boeren, vissers, handelaren, kloosters en aanzienlijke families leverden de goederen en inkomsten waarop het bestaan van het machtscentrum berustte. Oorlogen met Drenthe en de Stellingwerven hadden het gebied geteisterd, terwijl waterwegen verbindingen met andere streken boden. Door het stadsrecht van Jan van Arkel kregen de burgers nu een eigen plaats binnen deze ingewikkelde wereld van macht en bezit.

1361 — Jan van Arkel trekt opnieuw tegen de Stellingwervers ten strijde

Hoewel Vollenhove inmiddels stadsrechten had gekregen, bleef de strijd om het bisschoppelijke gezag in het noordelijke Oversticht voortduren. In 1361 ondernam bisschop Jan van Arkel twee strafexpedities tegen de Stellingwervers, die weigerden opgelegde schattingen te betalen. Tijdens de tweede tocht werd Blesdijke in brand gestoken. De gebeurtenissen laten zien dat de conflicten uit de dertiende en vroege veertiende eeuw nog altijd doorwerkten. Voor Vollenhove was deze strijd belangrijk omdat het Oldehuis een strategisch steunpunt aan de grens van het Friese gebied vormde. De oorlog ging opnieuw over de vraag wie belastingen mocht opleggen, betalingen kon afdwingen en de plaatselijke gemeenschappen mocht besturen.

Deel 23 — Het eerste dijkrecht, bevestigde stadsrechten en financiële problemen (1363–1368)

1363 — Het oudste bekende dijkrecht van Vollenhove wordt vastgelegd

In 1363 werd het oudste bekende dijkrecht van het schoutambt Vollenhove vastgelegd. Daarmee kreeg het onderhoud van de waterkeringen een duidelijke juridische basis. De dijken moesten landbouwgronden en nederzettingen beschermen tegen de toenemende invloed van de Zuiderzee. Voor afzonderlijke grondbezitters was het onderhoud van waterkeringen moeilijk te organiseren, omdat een beschadiging op één plaats ook andere gebieden kon bedreigen. Daarom waren gezamenlijke afspraken noodzakelijk. Het dijkrecht maakte deel uit van de ontwikkeling van georganiseerd waterbeheer in het noordelijke Oversticht. Het document vormt een belangrijke voorloper van de latere waterschapsorganisatie, hoewel het moderne waterschap toen nog niet bestond.

1363 — De Zuiderzeedijk krijgt ook betekenis als verkeersverbinding

De dijken rond het Land van Vollenhove dienden niet uitsluitend om het water tegen te houden. Zij konden ook als landverbinding tussen nederzettingen worden gebruikt. In een landschap met moerassen, laaggelegen weilanden en moeilijk begaanbare veengronden bood een verhoogd dijklichaam soms een bruikbare route. De Zuiderzeedijk bestond waarschijnlijk uit oudere plaatselijke waterkeringen die geleidelijk met elkaar verbonden waren geraakt. Onder Jan van Arkel werd de waterkerende functie beter geregeld. Het onderhoud was van belang voor landbouwers, reizigers en bestuurders. Een doorgebroken dijk kon niet alleen overstromingen veroorzaken, maar ook het verkeer tussen Vollenhove en de omliggende plaatsen ernstig belemmeren.

6 mei 1365 — Jan van Virneburg bevestigt de stadsrechten van Vollenhove

Op 6 mei 1365 bevestigde bisschop Jan van Virneburg de stadsrechten die Jan van Arkel in 1354 aan Vollenhove had verleend. Een dergelijke bevestiging was belangrijk wanneer een nieuwe landsheer aantrad. De stad wilde zeker weten dat haar eerder verkregen rechten geldig bleven. Het ging onder meer om de bijzondere positie van de burgers, de bevoegdheden van de schepenen en de verhouding tot het bisschoppelijke bestuur. De bevestiging maakte duidelijk dat stedelijke rechten niet uitsluitend afhankelijk mochten zijn van de persoonlijke welwillendheid van één bisschop. Tegelijk bleef Utrecht de hoogste landsheerlijke macht uitoefenen. De stad behield haar privileges, maar werd daardoor niet politiek onafhankelijk.

1365 — Het huis van een verbannen burger mag niet worden afgebroken

Bij de bevestiging van de stadsrechten in 1365 werd een nieuwe bepaling toegevoegd. Het huis van een verbannen poorter mocht niet worden afgebroken. Deze regel biedt een bijzonder inzicht in de juridische bescherming van stedelijk bezit. Verbanning kon een zware straf zijn, waarbij een persoon de stad moest verlaten. Toch betekende dit niet automatisch dat zijn woning vernietigd mocht worden. De bescherming was belangrijk voor gezinnen en mogelijke erfgenamen die belang hadden bij het behoud van het huis. De bepaling laat zien dat stadsrechten niet uitsluitend betrekking hadden op bestuur en belastingen. Ook de gevolgen van strafrechtelijke maatregelen voor woningen en bezittingen konden afzonderlijk worden geregeld.

1368 — Het Oldehuis wordt als zekerheid voor financiële verplichtingen gebruikt

De financiële problemen van de Utrechtse bisschoppen verdwenen niet na het herstel van hun gezag onder Jan van Arkel. Volgens de plaatselijke geschiedenis werd het Oldehuis in 1368 door de bisschop aan zijn borgen verpand. De versterking had daarmee niet alleen een militaire en bestuurlijke, maar ook een financiële betekenis. Een kasteel vertegenwoordigde rechten, inkomsten en invloed die als zekerheid voor schulden konden dienen. Voor de mensen die op het Oldehuis werkten, kon een verpanding veranderingen in het beheer veroorzaken. Het voorbeeld toont hoe kwetsbaar de macht van Utrecht bleef wanneer een landsheer onvoldoende geld beschikbaar had om zijn verplichtingen na te komen.

Deel 24 — Het Heilige Geestgasthuis, de verpanding en bisschop Floris (1370–1380)

1370 — Het Heilige Geestgasthuis krijgt een plaats in Vollenhove

Omstreeks 1370 bestond in Vollenhove het Heilige Geestgasthuis, een instelling voor de verzorging van behoeftige mensen en zieken. De precieze stichting kan ouder zijn, maar uit dit jaar zijn belangrijke kerkelijke gegevens bewaard gebleven. Een gasthuis was in de middeleeuwen niet hetzelfde als een modern ziekenhuis. Het kon onderdak, voedsel en geestelijke verzorging bieden aan mensen die niet zelfstandig in hun onderhoud konden voorzien. De instelling was afhankelijk van schenkingen, inkomsten uit bezittingen en ondersteuning door weldoeners. Daardoor kreeg Vollenhove naast het bisschoppelijke kasteel en de parochiekerk een nieuwe instelling die zich rechtstreeks met de zorg voor kwetsbare inwoners bezighield.

1370 — De kapel van het Heilige Geestgasthuis wordt kerkelijk gewijd

In 1370 verklaarde een pauselijke afgevaardigde dat het koor van het hospitaal te Vollenhove en het altaar ter ere van Jezus, de Heilige Maagd en Maria Magdalena waren gewijd. Daarbij werd een aflaat van veertig dagen toegezegd aan personen die het gasthuis begunstigden. De regeling stimuleerde mensen om geld, goederen of andere inkomsten aan de instelling te schenken. De kapel bood gelegenheid tot gebed en religieuze verzorging van de bewoners. Daarmee waren armenzorg en geloof nauw verbonden. De kapel is een bijzonder tastbaar overblijfsel van deze geschiedenis. Het oorspronkelijke gasthuis verdween later, maar het middeleeuwse kapelgebouw bleef bewaard.

1371 — Bisschop Jan van Virneburg verpandt opnieuw rechten in Vollenhove

In 1371 wordt in de plaatselijke historische chronologie opnieuw een verpanding van Vollenhove onder bisschop Jan van Virneburg genoemd. Dit gebeurde aan het einde van zijn bisschoppelijke bestuursperiode. De precieze inhoud van de overeenkomst en de betrokken schuldeisers moeten aan de oorspronkelijke documenten worden getoetst. De gebeurtenis past binnen de financiële moeilijkheden waarmee Utrecht gedurende de veertiende eeuw herhaaldelijk werd geconfronteerd. Een bisschop had militaire en bestuurlijke verplichtingen, maar beschikte niet altijd over voldoende inkomsten om deze te betalen. Voor Vollenhove betekende dit dat de waarde van het Oldehuis en zijn rechten ook in financiële onderhandelingen een belangrijke rol bleef spelen.

1378 — Floris van Wevelinkhoven probeert de bisschoppelijke macht te herstellen

In 1378 werd Floris van Wevelinkhoven aangewezen als bisschop van Utrecht. Hij had eerder de bisschopszetel van Münster bekleed en kreeg te maken met een wereldlijk gebied waarin aanzienlijke schulden en conflicten bestonden. Floris wilde de invloed van de Utrechtse kerk tegenover zelfstandige edelen versterken. Hij slaagde erin belangrijke verpande rechten terug te krijgen, waaronder die van Vollenhove en Diepenheim. Het Oldehuis bleef voor hem een belangrijke residentie. Zijn bestuur laat zien dat de bisschoppelijke macht niet uitsluitend afhing van gewapende strijd. Door schulden af te lossen, overeenkomsten te sluiten en steun van steden te verkrijgen, kon een landsheer zijn positie eveneens versterken.

1380 — De strijd tegen Evert van Essen toont de macht van de Overijsselse adel

Omstreeks 1380 kwam bisschop Floris van Wevelinkhoven in conflict met Evert van Essen, die het kasteel Eerde bezat. Evert had door zijn gewapende optreden een sterke zelfstandige positie opgebouwd. Zelfs Kampen voelde zich gedwongen afspraken met hem te maken. Floris wist de IJsselsteden uiteindelijk bij zijn optreden tegen Evert te betrekken. Het kasteel Eerde werd belegerd en na de overgave verwoest. De gebeurtenis is belangrijk voor Vollenhove omdat Evert via familieverbanden en lenen ook met het noordelijke Oversticht verbonden was. De strijd maakte duidelijk dat edelen met versterkte huizen niet altijd gehoorzame dienaren van de bisschop waren. Hun zelfstandigheid kon een bedreiging voor zijn gezag vormen.

Deel 25 — De eerste adellijke huizen en nieuwe kerkelijke bezittingen (1382–1388)

1382 — Tweenijenhuizen verschijnt als bisschoppelijk leengoed

In een leenmannenlijst uit 1382 wordt Tweenijenhuizen bij Vollenhove genoemd. Het goed was verbonden met Evert van Essen, die gehuwd was met Margaretha van Eerde, een dochter van Johan Reding. De historische naam verwijst mogelijk naar twee oudere hofsteden die op of nabij het terrein hadden gelegen. Het bezit vormde onderdeel van een netwerk van leengoederen en familieverbindingen. Daardoor kon een aanzienlijk persoon rechten bezitten op meerdere plaatsen zonder overal zelf te wonen. De vermelding van Tweenijenhuizen is belangrijk voor de latere ontwikkeling van de Vollenhoofse havezaten. Zij vormt een vroeg schriftelijk aanknopingspunt voor een adellijk bezit dat eeuwenlang in de plaatselijke geschiedenis zou blijven voorkomen.

1382 — De familie Van den Rutenberg verschijnt in het bestuur van Vollenhove

In 1382 komt Egbert Hake van den Rutenberg in de archieven voor als schout van Vollenhove. Ook de naam Rutenberg wordt in deze periode met adellijk bezit verbonden. De familie was afkomstig uit de omgeving van Hardenberg en had banden met andere aanzienlijke geslachten. Later zou Oldruitenborgh tot de bekendste adellijke huizen van Vollenhove behoren. De oudste vermeldingen mogen echter niet zonder meer worden gelijkgesteld aan het nog bestaande gebouw, dat uit latere bouwfasen bestaat. De familie Van den Rutenberg laat zien hoe bestuurlijke functies en particulier grondbezit elkaar konden versterken. Een schout was vertegenwoordiger van de landsheer, maar kon tegelijkertijd eigen bezittingen en familiebelangen hebben.

1383 — De Sint-Odulphusvicarie op het Oldehuis komt onder bisschoppelijke invloed

In 1383 vond een ruiling plaats tussen bisschop Floris van Wevelinkhoven en het klooster Sint-Odulf te Stavoren. Daarbij verkreeg de bisschop het patronaatsrecht van de Sint-Odulphusvicarie op het kasteel van Vollenhove en rechten die met de kerk van Emelwerde verbonden waren. Een vicarie was een geestelijke stichting waarvoor bepaalde inkomsten beschikbaar werden gesteld. De verbonden geestelijke kon diensten verrichten bij een altaar en gebeden opdragen. Het patronaatsrecht hield onder meer verband met de bevoegdheid om iemand voor een geestelijke functie voor te dragen. De regeling verbindt het Oldehuis met de kloosterwereld van Friesland en toont dat het kasteel ook een eigen religieuze organisatie kende.

6 februari 1385 — Het Heilige Geestgasthuis koopt het goed Opper Hoegheboeket

Op 6 februari 1385 kocht het Heilige Geestgasthuis van Vollenhove het goed Opper Hoegheboeket. Deze aankoop vormt een belangrijk bewijs dat het gasthuis meer was dan een gebouw waarin mensen werden verzorgd. De instelling beschikte over middelen om grondbezit te verwerven en daarmee mogelijk duurzame inkomsten veilig te stellen. Landbouwgrond kon opbrengsten leveren waarmee voedsel, brandstof en andere benodigdheden werden betaald. Voor het gasthuis was een dergelijke economische basis belangrijk omdat de dagelijkse verzorging van zieken en behoeftigen voortdurend kosten met zich meebracht. Het bezit van grond kon bovendien op langere termijn inkomsten opleveren. De aankoop laat zien hoe liefdadigheid, landbouw en vermogensbeheer binnen één middeleeuwse instelling samenkwamen.

10 april 1388 — Johan Hagen ontvangt een leengoed dat later met Oldhagensdorp verbonden raakt

Op 10 april 1388 beleende bisschop Floris van Wevelinkhoven Johan Hagen met een erf en goederen in het kerspel Vollenhove, waaronder grond bij Puthove en De Voorst. De goederen waren eerder verbonden geweest met de familie Schuring uit het Friese gebied. Volgens de plaatselijke geschiedschrijving waren zij deze rechten kwijtgeraakt wegens hun betrokkenheid bij een inval in het Land van Vollenhove in 1382. Met de belening beloonde de bisschop een nieuwe leenman en versterkte hij zijn greep op het gebied. De verworven bezittingen vormden later de kern van goederen die bij Oldhagensdorp hoorden. De naam Hagensdorp ontstond overigens pas veel later.

Deel 26 — De bisschoppelijke macht, de heren van Kuinre en de Moderne Devotie (1389–1398)

1389 — Egbert van den Rutenberg belooft zijn versterkte huis niet tegen de bisschop te gebruiken

In 1389 beloofde Egbert Hake van den Rutenberg dat hij zijn opnieuw opgebouwde huis Rutenberg niet verder zou versterken en het niet tegen de bisschop of de steden Zwolle, Kampen en Deventer zou gebruiken. Deze afspraak laat zien hoe moeilijk het voor de landsheer was om zelfstandige edelen onder controle te houden. Een versterkt huis kon dienen als woonplaats, maar ook als militair steunpunt. Egbert was eerder als schout van Vollenhove vermeld. Zijn familie bezat rechten en goederen in verschillende delen van Overijssel. Of het in de overeenkomst genoemde huis dezelfde locatie had als het latere Oldruitenborgh, blijft een vraag die afzonderlijk onderzocht moet worden.

1393 — De dood van Floris van Wevelinkhoven beëindigt een belangrijk bisschoppelijk bestuur

Op 4 april 1393 overleed bisschop Floris van Wevelinkhoven. De plaatselijke Vollenhoofse chronologie verbindt zijn overlijden met Vollenhove, terwijl de Duitse biografische overlevering Hardenberg als sterfplaats noemt. De plaats verdient daarom nader bronnenonderzoek. Tijdens zijn bestuur had Floris geprobeerd de schulden van het bisdom te verminderen en de macht van zelfstandige edelen terug te dringen. Het Oldehuis was voor hem een belangrijke noordelijke residentie geweest. Zijn overlijden betekende een nieuwe machtswisseling binnen Utrecht. Voor Vollenhove was de keuze van zijn opvolger belangrijk, omdat de positie van het kasteel, de borgmannen en de plaatselijke bestuurders afhankelijk bleef van de landsheerlijke politiek.

1393 — Frederik van Blankenheim wordt de nieuwe bisschop van Utrecht

Na het overlijden van Floris van Wevelinkhoven kwam Frederik van Blankenheim aan het hoofd van het bisdom Utrecht. Hij was eerder bisschop van Straatsburg geweest en zou tot 1423 regeren. Frederik wilde de wereldlijke macht van de Utrechtse kerk versterken. Daarbij kreeg hij te maken met conflicten in Gelre, Drenthe, Friesland en het Oversticht. Voor zijn militaire ondernemingen had hij geld, soldaten en steun van de steden nodig. Vollenhove bleef binnen dit grotere machtsgebied van betekenis vanwege het Oldehuis en zijn ligging aan de noordelijke grens. De nieuwe bisschop moest niet alleen bestaande rechten behouden, maar ook proberen verloren invloed terug te winnen.

1397 — De eerste afspraken over de verkoop van de heerlijkheid Kuinre

In 1397 ontstonden afspraken tussen Herman van Kuinre en bisschop Frederik van Blankenheim over de overdracht van de heerlijkheid Kuinre. Volgens een genealogische reconstructie werd op 3 mei aanvankelijk een regeling met vierhonderd oude schilden en erfpachtsrechten getroffen. Later zou dit zijn veranderd in een koopsom van 6.200 oude Franse schilden, te betalen bij de overdracht in 1407. De precieze verhouding tussen de verschillende overeenkomsten moet aan de oorspronkelijke akten worden getoetst. Voor Utrecht was Kuinre van groot strategisch belang. De heerlijkheid lag tussen het Oversticht, Friesland en de noordelijke waterwegen. Overname zou de zelfstandige machtspositie van de heren van Kuinre beperken.

1398 — Johannes van Ommen verlaat de Agnietenberg bij Zwolle

In 1398 veranderde de religieuze gemeenschap op de Agnietenberg bij Zwolle in een regulier klooster. Johannes van Ommen, een vrijwel blinde broeder die afkomstig was uit de kring van de Moderne Devotie, wilde zijn oorspronkelijke levenswijze voortzetten. De beweging was ontstaan onder invloed van Geert Grote uit Deventer. Haar volgelingen legden grote nadruk op eenvoud, gebed, arbeid en een gemeenschappelijk leven. Johannes kon zich niet volledig vinden in de nieuwe kloosterorganisatie op de Agnietenberg. Daarom vertrok hij met enkele gelijkgestemde broeders naar het Land van Vollenhove. Hun komst zou leiden tot een nieuwe religieuze gemeenschap die de geschiedenis van de streek eeuwenlang beïnvloedde.

Deel 27 — Johannes van Ommen, Sint-Janskamp en het ontstaan van Clarenberg (1399–1405)

1399 — Johannes van Ommen sticht de gemeenschap Sint-Janskamp

In 1399 vestigde Johannes van Ommen zich met enkele medebroeders op een plaats buiten Vollenhove. Hier ontstond de religieuze gemeenschap Sint-Janskamp, waaruit later het dorp Sint Jansklooster zou groeien. Sommige historische beschrijvingen plaatsen het begin al in 1398, toen Johannes de Agnietenberg verliet. De nieuwe gemeenschap was verbonden met de Moderne Devotie. De broeders wilden gezamenlijk leven, werken en bidden zonder onmiddellijk alle regels van een traditionele kloosterorde te aanvaarden. De omgeving bood ruimte voor gebouwen, landbouwgrond en andere voorzieningen. Voor het Land van Vollenhove betekende de stichting dat een nieuwe religieuze instelling ontstond naast de bestaande parochies, kloosterbezittingen en bisschoppelijke residentie.

1399 — De broeders kiezen voor armoede, eenvoud en een gezamenlijk bestaan

Johannes van Ommen wilde een gemeenschap vormen waarin geestelijken en leken gezamenlijk verantwoordelijkheid droegen voor hun levensonderhoud. De broeders deelden hun dagelijkse bezittingen en besteedden veel tijd aan gebed en arbeid. Zij wilden geestelijke verdieping bereiken zonder zich volledig van de buitenwereld af te sluiten. Deze levenswijze week op onderdelen af van die van traditionele kloosters. De eerste bewoners legden niet noodzakelijk dezelfde blijvende kloostergeloften af als leden van een erkende orde. Daardoor konden spanningen ontstaan met de kerkelijke leiding. Toch sprak hun levenswijze veel mensen aan. De gemeenschap bij Vollenhove werd onderdeel van een groter netwerk van geestelijke vernieuwing.

Rond 1400 — In Sint-Janskamp worden boeken geschreven en ambachten uitgeoefend

Het dagelijkse leven van de broeders van Sint-Janskamp bestond niet uitsluitend uit religieuze oefeningen. Zij hielden zich ook bezig met het afschrijven van liturgische boeken en het vervaardigen van perkament. Daarnaast worden werkzaamheden genoemd als graanmalen, timmeren en smeden. Het verrichten van lichamelijke arbeid paste bij de idealen van de Moderne Devotie. De broeders wilden zoveel mogelijk bijdragen aan hun eigen onderhoud. Het overschrijven van boeken vereiste geduld, kennis van schrift en voldoende materialen. Zo werd Sint-Janskamp ook een plaats waar praktische vaardigheden en religieuze kennis samenkwamen. De verbinding met Zwolle maakte contacten met andere gemeenschappen mogelijk, terwijl de omliggende landbouwgronden voedsel en inkomsten konden leveren.

Rond 1400 — Schenkingen verbinden Sint-Janskamp met de families van Vollenhove

De gemeenschap van Sint-Janskamp kreeg steun van weldoeners uit Vollenhove en andere delen van Overijssel. Zij konden geld, landbouwgrond, jaarlijkse graanleveringen of andere inkomsten schenken. In het overgeleverde necrologium, een register waarin overleden personen werden herdacht, komen later onder meer leden van de families Van den Rutenberg en Van der Eze voor. Ook plaatselijke bestuurders en inwoners van Zwolle waren met de gemeenschap verbonden. Niet iedere schenking kan precies rond 1400 worden gedateerd. De gegevens tonen wel hoe de kloostergemeenschap gaandeweg een netwerk van bezit en persoonlijke relaties opbouwde. Religieuze betrokkenheid en economische ondersteuning gingen daarbij dikwijls samen.

1405 — Bij de Landpoort ontstaat een vrouwengemeenschap die Clarenberg zal heten

Omstreeks 1405 vestigde zich op een verhoging buiten Vollenhove een religieuze vrouwengemeenschap. Zij stond in verbinding met de broeders van Sint-Janskamp en de idealen van de Moderne Devotie. De plaats werd aangeduid als Oppenberghe, gelegen ten oosten van de stad bij de Landpoort. De vrouwen kozen later de naam Clarenberg, verwijzend naar Clara van Assisi. Zij vormden een gemeenschap waarin gezamenlijk gebed en een sober bestaan centraal stonden. Hun positie was bijzonder omdat vrouwen hier buiten een traditioneel kloosterverband een religieus leven konden opbouwen. Voor Vollenhove ontstond daarmee een nieuwe instelling die nauw verbonden was met de stad en haar bewoners.

Deel 28 — De eerste zusters en de aankoop van Kuinre (1405–1407)

3 april 1405 — Wobbe wordt herdacht als een van de vroegste zusters

Het necrologium van Sint-Janskamp bevat op 3 april 1405 een vermelding van Wobbe, die als onze zuster wordt aangeduid. Deze vermelding is belangrijk voor het onderzoek naar de vroegste religieuze vrouwengemeenschap bij Vollenhove. Zij maakt duidelijk dat de geschiedenis van Clarenberg niet uitsluitend uit gebouwen, grondbezit en bisschoppelijke besluiten bestaat. Ook individuele vrouwen maakten deel uit van het religieuze netwerk. Over Wobbes afkomst, familie en dagelijkse werkzaamheden zijn uit deze vermelding geen uitgebreide gegevens bekend. Haar naam is echter bewaard gebleven doordat de gemeenschap de herinnering aan overleden betrokkenen vastlegde. Zulke registers kunnen helpen bij het reconstrueren van de geschiedenis van gewone mensen.

15 februari 1406 — Trude, de vrouw van Henrick Wynters, wordt herdacht

Op 15 februari 1406 vermeldt het necrologium van Sint-Janskamp Trude, de vrouw van Henrick Wynters. Zij wordt eveneens als zuster aangeduid. Haar vermelding laat zien dat de religieuze beweging niet uitsluitend ongehuwde vrouwen aantrok. Ook gehuwde vrouwen konden onder bepaalde voorwaarden verbonden zijn met gemeenschappen die volgens de Derde Regel van Franciscus leefden. Daarbij speelde de toestemming van de echtgenoot een rol. De positie van Trude vormt daarom een interessant aanknopingspunt voor de verhouding tussen huwelijk, gezin en religieuze toewijding. Haar eigen levensgeschiedenis is slechts gedeeltelijk bekend. Toch bleef haar naam eeuwenlang bewaard binnen de schriftelijke herinnering van de gemeenschap.

22 augustus 1407 — Herman van Kuinre draagt zijn heerlijkheid over aan Utrecht

Op Sint-Hippolytusdag, 22 augustus 1407, droegen Herman van Kuinre en zijn zonen Herman en Hendrik het huis, de kasteelberg en de heerlijkheid Kuinre over aan bisschop Frederik van Blankenheim. De koopsom bedroeg 6.200 oude Franse schilden. Daarmee kwam een belangrijk strategisch gebied onder rechtstreeks bisschoppelijk gezag. De heren van Kuinre hadden lange tijd een zelfstandige machtspositie gehad en waren betrokken geweest bij conflicten en handelsproblemen in het noordelijke watergebied. Voor Vollenhove betekende de overdracht dat de bisschop niet langer uitsluitend vanuit het Oldehuis invloed kon uitoefenen op de Friese grens. Ook Kuinre werd nu een rechtstreeks bestuurbaar steunpunt.

1407 — Deventer, Kampen en Zwolle schieten 4.500 schilden voor

De aankoop van Kuinre was voor bisschop Frederik van Blankenheim een kostbare onderneming. De steden Deventer, Kampen en Zwolle schoten gezamenlijk 4.500 oude schilden voor. Dit bedrag is vastgelegd in de overgeleverde documenten over de transactie. De steden hadden belang bij een veiliger handelsgebied en wilden voorkomen dat zelfstandige machthebbers de verbindingen over land en water konden bedreigen. Hun financiële ondersteuning ging daarom samen met afspraken over het bestuur van de heerlijkheid. Voor Vollenhove maakte de regeling duidelijk hoe nauw het Oldehuis en het noordelijke grensgebied verbonden waren met de belangen van de grote IJsselsteden. Geld, handelsveiligheid en landsheerlijke macht waren niet van elkaar te scheiden.

14 oktober 1407 — De kasteleinen van Kuinre beschermen de rechten van de drie steden

Op 14 oktober 1407 verklaarden Wolter Morreaen en Huge Bensingh, kasteleinen van Kuinre, dat zij de heerlijkheid en het kasteel niet zouden overdragen voordat de drie IJsselsteden waren voldaan voor de voorgeschoten 4.500 oude schilden. Dit is een bijzonder voorbeeld van financiële zekerheid die rechtstreeks met een versterkt huis werd verbonden. Het bestuur van een kasteel was hierdoor niet uitsluitend een militaire aangelegenheid. De kasteleinen moesten ook rekening houden met de rechten van stedelijke geldschieters. Bovendien wilden de steden invloed houden op de benoeming van de ambtman. De nieuwe regeling beperkte de kans dat Kuinre opnieuw buiten hun belangen om in andere handen terechtkwam.

Deel 29 — De Friese hooilanden, de kloosterorde en de familie Van den Rutenberg (1408–1412)

1408 — Frederik van Blankenheim probeert de conflicten over Friese hooilanden te beëindigen

In 1408 probeerde bisschop Frederik van Blankenheim opnieuw orde te brengen in de langdurige conflicten over hooilanden in het Friese Broek. Boeren uit Stellingwerf en Schoterland gebruikten gronden waarop Utrecht rechten liet gelden. Al in de veertiende eeuw waren daarover overeenkomsten gesloten, maar de geschillen waren niet verdwenen. De bisschop verlangde betaling van achterstallige verplichtingen. Voor de betrokken boeren waren de hooilanden economisch belangrijk omdat zij er wintervoer voor hun vee konden winnen. Het conflict ging daarom niet alleen om politieke gehoorzaamheid, maar ook om het gebruik van vruchtbare graslanden. De overeenkomst van 1408 bouwde voort op eerdere regelingen uit 1313.

1408 — Drie Engelse sterlingen per pondemaat worden als jaarlijkse pacht vastgesteld

De overeenkomst over de Friese hooilanden bevatte een concrete betalingsregeling. Voor iedere betrokken parochie werd vastgesteld welke achterstallige pacht verschuldigd was. Daarnaast moesten gebruikers voortaan per pondemaat hooiland jaarlijks drie Engelse sterlingen betalen. Een pondemaat was een Friese oppervlaktemaat waarvan de precieze omvang regionaal kon verschillen. Het vastleggen van de heffing maakte de financiële aanspraken van de bisschop beter controleerbaar. Voor boeren betekende de regeling dat hun gebruiksrechten met een vaste betaling werden verbonden. De inkomsten vloeiden voort uit gebieden waarover Utrecht al lang aanspraken had gemaakt. Toch bleef de bereidheid tot betalen beperkt, waardoor enkele jaren later opnieuw gewapende conflicten ontstonden.

1409 — Sint-Janskamp sluit zich aan bij de Derde Orde van Franciscus

In 1409 besloten Johannes van Ommen en zijn medebroeders van Sint-Janskamp zich aan te sluiten bij de Derde Orde van Franciscus. Daarmee kreeg de gemeenschap een duidelijkere plaats binnen de erkende kerkelijke organisatie. De broeders bleven hun idealen van eenvoud, gezamenlijk leven en arbeid nastreven, maar vielen voortaan onder een vastgelegd religieus verband. Zij behoorden tot de zogenoemde tertiarissen. De keuze kwam mede voort uit de behoefte aan bestuurlijke zekerheid en kerkelijke erkenning. Johannes van Ommen bleef de gemeenschap leiden. Zijn invloed reikte ook naar andere religieuze instellingen. Sint-Janskamp groeide uit tot een belangrijk centrum van de franciscaanse derde-ordebeweging in de noordelijke Nederlanden.

1411 — De naam Clarenberg verschijnt voor de vrouwengemeenschap buiten Vollenhove

In 1411 wordt Clarenberg als religieuze gemeenschap buiten Vollenhove vermeld. De vrouwen woonden op een hoogte bij de Landpoort, op een terrein dat later bekend zou blijven als de Begijnenkamp. Hun gemeenschap was ontstaan vanuit de geestelijke vernieuwingsbeweging die ook Sint-Janskamp had voortgebracht. De naam verwees naar Clara van Assisi, terwijl de ligging op een verhoging de toevoeging berg verklaarde. De zusters leefden volgens de uitgangspunten van de Derde Regel van Franciscus. Hun bestaan was mede afhankelijk van schenkingen en inkomsten uit bezittingen. Met de erkenning van Clarenberg kreeg de stad een tweede instelling waarin de Moderne Devotie duidelijk zichtbaar werd.

1412 — Pelgrim van den Rutenberg schenkt inkomsten bij Leeuwte aan Dikninge

In 1412 schonken Pelgrim van den Rutenberg en zijn vrouw Margriete van der Eze een rente uit land bij Dorremeer, in de omgeving van Leeuwte, aan de abdij Dikninge. De schenking hield verband met de opname van hun dochter Margrete in het klooster. Als getuigen worden onder anderen hun zoon Steven en Pelgrims broer Roelof van den Rutenberg genoemd. Omdat Pelgrim zelf schout van Vollenhove was, trad zijn plaatsvervanger bij de rechtshandeling op. De akte is bijzonder omdat zij verschillende generaties van één familie zichtbaar maakt. Zij toont bovendien hoe adellijk grondbezit, de religieuze bestemming van een dochter en inkomsten uit het Land van Vollenhove met elkaar verbonden waren.

Deel 30 — De oorlog tegen de Stellingwervers en de strijd om de Friese hooilanden (1413)

1413 — De Stellingwervers weigeren opnieuw de bisschoppelijke heffingen te betalen

In 1413 brak opnieuw oorlog uit tussen bisschop Frederik van Blankenheim en de Friese gemeenschappen van Stellingwerf. De oorzaak lag in het langdurige conflict over het gebruik van de hooilanden in het Friese Broek en de betalingen die Utrecht daarvoor verlangde. Al in 1408 waren nieuwe afspraken gemaakt, maar de bisschop vond dat deze onvoldoende werden nagekomen. Voor de boeren waren de hooilanden van groot economisch belang omdat zij er gras konden maaien voor hun vee. Voor Frederik ging het daarnaast om de erkenning van zijn landsheerlijke rechten. Het conflict verbond landbouwgrond, belastingen en politieke zelfstandigheid opnieuw met elkaar.

Juni 1413 — Frederik van Blankenheim trekt tweemaal over de Linde Friesland binnen

In juni 1413 stak bisschop Frederik van Blankenheim volgens historische beschrijvingen tweemaal met een leger de Linde over. Deze rivier vormde een belangrijke natuurlijke scheiding tussen het noordelijke Oversticht en de Friese gebieden. Tijdens de veldtochten werden nederzettingen en landbouwbedrijven aangevallen. Ook Berkoop, het latere Oldeberkoop, werd geplunderd. De bisschop wilde de Stellingwervers dwingen alsnog zijn aanspraken te erkennen. De tocht laat zien dat het bezit van kastelen en militaire steunpunten slechts één onderdeel van de landsheerlijke macht vormde. Wanneer onderhandelingen mislukten, kon de bisschop proberen zijn rechten met gewapende troepen af te dwingen. Voor de plaatselijke bevolking betekende dat groot gevaar.

1413 — Bij Peperga worden de Stellingwervers verslagen

Tijdens de veldtocht van 1413 kwam het bisschoppelijke leger bij Peperga tegenover strijders uit Stellingwerf te staan. De Friese troepen leden volgens de historische overlevering een nederlaag en moesten zich terugtrekken. Het gevecht maakte duidelijk dat de gemeenschappen hun zelfstandigheid niet uitsluitend via onderhandelingen probeerden te verdedigen. Zij waren ook bereid gewapend verzet te bieden. Toch beschikte Frederik van Blankenheim over militaire middelen waarmee hij het gebied onder druk kon zetten. De strijd speelde zich af in hetzelfde grensland waar Utrecht al sinds de dertiende eeuw met de Stellingwervers in conflict was. Vollenhove bleef als bisschoppelijk bestuurscentrum nauw met deze gebeurtenissen verbonden.

1413 — Blesdijke wordt opnieuw verwoest en het kasteel bij Spangen aangevallen

De veldtocht ging gepaard met zware vernielingen. Volgens regionale geschiedschrijving werd Blesdijke opnieuw in brand gestoken. Het dorp had ook tijdens de strafexpedities van 1361 ernstige schade geleden. Verder wordt de verwoesting van een versterkt huis bij Spangen vermeld. Zulke aanvallen waren bedoeld om de machtspositie van tegenstanders te breken, maar troffen eveneens de landbouw en het dagelijks bestaan. Wanneer huizen en voorraden verloren gingen, konden bewoners moeilijk aan hun verplichtingen voldoen. Het oorlogsgeweld maakte daardoor ook de economische problemen groter. De strijd tussen de bisschop en de Friezen was voor gewone gezinnen geen abstract geschil over rechten, maar een directe bedreiging van hun bestaanszekerheid.

1413 — Scheidsrechters proberen de geschillen over de hooilanden te beëindigen

Na de militaire confrontaties kwamen vertegenwoordigers van de bisschop en de Stellingwervers opnieuw bijeen om hun geschillen te regelen. Daarbij werden scheidsrechters ingeschakeld. De onderhandelingen bouwden voort op eerdere overeenkomsten uit 1313 en 1408. Centraal stond opnieuw de vergoeding voor het gebruik van hooilanden waarop Utrecht aanspraken maakte. De langdurige voorgeschiedenis toont dat militaire overwinningen niet vanzelf tot blijvende gehoorzaamheid leidden. Er moesten ook afspraken worden gemaakt over betalingen, grondgebruik en de rechten van afzonderlijke gemeenschappen. Voor Vollenhove was deze regeling belangrijk omdat het bisschoppelijke bestuur al tientallen jaren betrokken was bij het ontvangen van inkomsten uit het Friese grensgebied.

Deel 31 — Vrede, familiebezit en de broeders van Sint-Janskamp (1413–1420)

1413 — Utrecht en de IJsselsteden vernieuwen hun bondgenootschap met Friesland

In 1413 werd ook een verbond gesloten tussen bisschop Frederik van Blankenheim, Utrecht, Amersfoort, Deventer, Kampen en Zwolle enerzijds en vertegenwoordigers van Oostergo, Westergo, Stellingwerf en Schoterland anderzijds. Volgens een historisch overzicht van Kampen was het verbond voor veertig jaar bedoeld. Het moest bijdragen aan de bescherming van verkeer en handel. Zulke overeenkomsten waren belangrijk omdat kooplieden afhankelijk waren van veilige doorgangen door gebieden die onder verschillende machthebbers vielen. Het bondgenootschap laat zien dat militaire conflicten en economische samenwerking naast elkaar konden bestaan. De bisschop had belang bij het handhaven van zijn rechten, terwijl de steden vooral behoefte hadden aan betrouwbare handelsverbindingen.

1418 — Blesdijke krijgt een nieuwe kerk na een periode van oorlog en waterproblemen

Volgens de plaatselijke geschiedschrijving werd in 1418 in Blesdijke een nieuwe kerk gebouwd op de plaats waar later opnieuw een kerk zou verrijzen. Het dorp had in de voorafgaande decennia zwaar geleden onder oorlogen met de bisschop van Utrecht. Tegelijk veroorzaakte de ontwatering van de veengebieden problemen. Door het inklinken van het veen kwamen delen van het landschap lager te liggen en werd wateroverlast steeds moeilijker te beheersen. De bewoners moesten daarom rekening houden met de ligging van hun huizen en landbouwgronden. De kerkbouw vormt een bijzonder onderdeel van deze geschiedenis: naast de herinnering aan vernielingen bleef er behoefte aan een gemeenschappelijk religieus middelpunt.

1418 — Pelgrim van den Rutenberg bestuurt ook Blankenham en IJsselham

In 1418 wordt Pelgrim van den Rutenberg niet alleen met het bestuur van Vollenhove verbonden, maar ook genoemd als schout van Blankenham en IJsselham. Daarmee kreeg deze aanzienlijke familie een bestuurlijke positie in meerdere delen van het noordelijke Oversticht. Een schout moest namens de landsheer toezien op de uitvoering van bepaalde rechten en kon betrokken zijn bij rechtspraak. De combinatie van verschillende functies maakte het mogelijk dat één persoon in meerdere gebieden invloed uitoefende. Pelgrim bezat daarnaast familiegoederen en had via zijn huwelijk met Margriete van der Eze verbindingen met andere aanzienlijke families. Zijn loopbaan laat zien hoe bestuur, grondbezit en familiebelangen nauw samenhingen.

1418–1426 — De familie Sloet krijgt een plaats tussen de aanzienlijke families van Vollenhove

In de eerste helft van de vijftiende eeuw werd de familie Sloet steeds duidelijker zichtbaar binnen de Vollenhoofse adel. De Canon van Vollenhove verbindt de vroege geschiedenis van het geslacht met deze periode. Op een lijst van de ridderschap uit 1426 komen twee leden van de familie voor. Omstreeks dezelfde tijd kreeg het geslacht rechten op Tweenijenhuizen, dat een belangrijk familiebezit zou worden. De Sloeten waren leenmannen die in dienst van de bisschop konden optreden. Later zouden verschillende takken van de familie een groot aantal havezaten bezitten. De vroege vermeldingen laten zien hoe een familie door grondbezit en bestuurlijke functies een blijvende positie kon opbouwen.

1 september 1420 — Johannes van Ommen overlijdt op Sint-Janskamp

Op 1 september 1420 overleed Johannes van Ommen, de stichter van de gemeenschap Sint-Janskamp bij Vollenhove. Hij had sinds zijn vertrek van de Agnietenberg een religieuze leefgemeenschap opgebouwd die verbonden was met de Moderne Devotie. De broeders leefden gezamenlijk, verzorgden religieuze diensten en voorzagen door verschillende werkzaamheden in hun onderhoud. In 1409 hadden zij zich aangesloten bij de Derde Orde van Franciscus. De dood van Johannes betekende dat de gemeenschap voortaan zonder haar stichter moest functioneren. Zijn opvolgers konden verder bouwen op de organisatie en bezittingen die inmiddels waren ontstaan. Sint-Janskamp bleef daardoor ook na 1420 een belangrijk religieus centrum in het Land van Vollenhove.

Deel 32 — Het stadszegel, de Mariakerk en de burgerlijke schenkingen (1420–1423)

1420 — Het oudste bewaarde stadszegel toont Sint-Nicolaas tussen twee torens

Uit 1420 dateert het oudste bewaarde zegel van de stad Vollenhove. Het toont een bisschoppelijke figuur in een bouwwerk met twee torens. Deze voorstelling wordt uitgelegd als Sint-Nicolaas, de patroonheilige van de parochiekerk en beschermheilige van zeevarenden. Rondom staat een Latijns opschrift dat verwijst naar de burgergemeenschap van Vollenhove en Campus Dei, Godsakker. Het zegel werd gebruikt om officiële stedelijke documenten te bekrachtigen. Daarmee kreeg het stadsbestuur een herkenbaar symbool van zijn juridische bevoegdheden. Het beeld verbond de religieuze identiteit van de stad met haar zelfstandige bestuurlijke positie. Het zegel is bovendien een belangrijk overblijfsel van de middeleeuwse stedelijke geschiedenis.

1422 — De vrede van Culemborg beëindigt een gevaarlijke oorlog rond Utrecht

Onder Frederik van Blankenheim raakte het bisdom Utrecht verwikkeld in conflicten met Holland en Gelre. In 1420 waren de spanningen zo hoog opgelopen dat ook koning Sigismund zich met de strijd bemoeide. Op 27 juli 1422 kwam met de vrede van Culemborg een einde aan deze oorlogsfase. Voor de bisschop was het van groot belang zijn gebied bijeen te houden. De gebeurtenissen speelden zich niet uitsluitend rond Vollenhove af, maar hadden betekenis voor het gehele Sticht en Oversticht. Oorlogen vergden geld, soldaten en politieke steun. De vrede schiep ruimte om opnieuw aandacht te besteden aan het bestuur en aan plaatselijke kerkelijke instellingen.

14 mei 1423 — De burgers van Vollenhove stichten een kapel ter ere van Maria

Op 14 mei 1423 verklaarden schepenen, raad en burgers van Vollenhove dat zij een nieuwe kapel ter ere van de Heilige Maagd Maria hadden gesticht. De kapel kwam aan de Bisschopstraat te staan en zou later bekend worden als de Kleine Kerk of Mariakerk. Het initiatief was niet plotseling ontstaan. Al in 1402 hadden Heyne Belyenzoon en zijn vrouw Mylle een huis en hofstede in de Bisschopstraat beschikbaar gesteld voor de bouw van een Mariakapel. De stichting van 1423 bouwde op zulke eerdere voorbereidingen voort. De burgers handelden met toestemming van de pastoor van de bestaande parochiekerk en zorgden voor inkomsten waarmee de nieuwe religieuze voorziening kon worden onderhouden.

1423 — Burgers schenken geld, akkers, gerst en huizen aan de nieuwe kapel

De stichtingsakte van de Mariakapel noemt verschillende inwoners die goederen beschikbaar stelden. Johannes Mulert schonk inkomsten uit zijn bezittingen bij Westen. Jutta van Oostenwolde stelde jaarlijks een schepel gerst beschikbaar uit grond bij de weg naar de Benten. Wilhelmus van Ede schonk twee akkers bij de bisschoppelijke windmolen. Dydaens de timmerman en zijn vrouw droegen een huis en erf bij de Oosterpoort over. Ook Nicolaas Ottens en zijn vrouw deden een geldelijke schenking uit een erf buiten de stadsgracht. Deze vermeldingen zijn bijzonder waardevol omdat zij namen, beroepen, landbouwgronden en straten met elkaar verbinden. Zij tonen hoe burgers gezamenlijk een kerkelijke instelling mogelijk maakten.

23 juni 1423 — De bisschop keurt de stichting van de Mariakapel goed

Op 23 juni 1423 keurde bisschop Frederik van Blankenheim de stichting van de Mariakapel in Vollenhove goed. Het stadsbestuur had oorspronkelijk Nicolaas van Lingen voorgedragen voor de geestelijke functie bij de kapel. De bisschop wees echter Ludolf van Lingen aan, een geestelijke die ook met het bisdom Osnabrück verbonden was. Zijn benoeming toont dat de plaatselijke initiatiefnemers niet volledig zelfstandig over alle kerkelijke functies konden beslissen. De bisschop hield invloed op de benoeming van geestelijken en de organisatie van religieuze instellingen. Voor Vollenhove betekende de goedkeuring dat de kapel een officiële plaats kreeg naast de oudere Sint-Nicolaaskerk en de bestaande gasthuis- en kloostergemeenschappen.

Deel 33 — De opvolgingsstrijd, de ridderschap en de stadsverdediging (1423–1426)

9 oktober 1423 — Frederik van Blankenheim overlijdt en laat een verdeeld bisdom achter

Op 9 oktober 1423 overleed bisschop Frederik van Blankenheim na een bestuursperiode van ongeveer dertig jaar. Tijdens zijn regering had Utrecht zijn aanspraken in verschillende grensgebieden weten te versterken. Ook de aankoop van Kuinre en de strijd tegen de Stellingwervers waren belangrijke gebeurtenissen geweest. Zijn overlijden maakte de weg vrij voor een nieuwe bisschopskeuze. Daarbij ontstonden onmiddellijk meningsverschillen tussen kerkelijke en wereldlijke machthebbers. De strijd zou uitgroeien tot het Utrechtse Schisma, waarin meerdere kandidaten aanspraak maakten op het bisschopsambt. Voor Vollenhove was deze onzekerheid van belang omdat het Oldehuis een landsheerlijke residentie bleef en plaatselijke bestuurders moesten weten welke bisschop zij moesten gehoorzamen.

1423–1425 — Rudolf van Diepholt en Zweder van Culemborg strijden om Utrecht

Na de dood van Frederik van Blankenheim kozen invloedrijke Utrechtse geestelijken Rudolf van Diepholt als kandidaat voor de bisschopszetel. Paus Martinus V steunde uiteindelijk echter Zweder van Culemborg. Hierdoor ontstond een conflict dat ook buiten de stad Utrecht grote gevolgen had. Vooral in het Oversticht vond Rudolf belangrijke steun bij edelen en steden. Zweder beschikte daarentegen over kerkelijke erkenning en steun uit andere politieke kringen, waaronder de Bourgondische. De strijd maakte duidelijk dat de verkiezing van een bisschop niet uitsluitend een religieuze aangelegenheid was. Wie het ambt verkreeg, kon ook aanspraak maken op kastelen, belastingen en het wereldlijke bestuur van aanzienlijke gebieden.

1424 — De Ridderschap van Vollenhove wordt een herkenbare bestuurlijke groep

In de eerste helft van de vijftiende eeuw kreeg de Vollenhoofse ridderschap een steeds duidelijker plaats binnen het landsheerlijke bestuur. Volgens de Canon van Vollenhove bestond deze groep al vóór 1425. Zij was ontstaan uit families die oorspronkelijk als gewapende dienstmannen en borgmannen aan de bisschop verbonden waren. Door lenen, huwelijken en erfopvolging hadden sommige families aanzienlijk grondbezit verworven. De ridderschap vormde samen met de adellijke groepen van Salland en Twente een belangrijk onderdeel van de Overijsselse politieke samenleving. Haar leden konden de landsheer adviseren en bestuursfuncties vervullen. Zo ontwikkelde de oude militaire dienstplicht zich geleidelijk tot een positie van bestuurlijke invloed.

Rond 1425 — Vollenhove krijgt een duidelijker stelsel van stadsgrachten en wallen

Rond 1425 werd Vollenhove verder omgeven door grachten en stadswallen. De stadsgracht bestond op onderdelen al eerder: een akte uit 1407 noemt de gracht van de Kamp als grens van een erf. In de vijftiende eeuw groeide de verdediging uit tot een duidelijker samenhangend stelsel. De uitgegraven grond kon aan de binnenzijde worden gebruikt om een wal op te werpen. Doornhagen en houten versterkingen maakten het voor aanvallers moeilijker de stad binnen te komen. Poorten en bruggen regelden het verkeer. De verdedigingswerken beschermden niet uitsluitend woningen. Zij omsloten ook gedeelten van het stedelijke bezit en raakten aan de erven van aanzienlijke families.

1426 — Pelgrim van den Rutenberg wordt in Diepenheim gevangen gehouden

In 1426 werd Pelgrim van den Rutenberg, die eerder als schout en drost van Vollenhove was opgetreden, in Diepenheim gevangen gehouden. De plaatselijke historische overlevering verbindt zijn gevangenschap met Rudolf van Diepholt en de politieke spanningen van deze periode. Pelgrim kreeg volgens de bewaarde beschrijving toestemming onder voorwaarden vrij te komen. Hij moest beloven terug te keren wanneer dat van hem werd verlangd. Zijn zonen Egbert en Boldewijn verbonden zich eveneens aan de gemaakte afspraken en stelden daarbij hun aanspraken op het vaderlijke bezit in het geding. De gebeurtenis toont hoe politieke conflicten invloed konden hebben op afzonderlijke families. Niet alleen ambten, maar ook goederen en erfgenamen konden bij zulke regelingen betrokken raken.

Deel 34 — De erkenning van Rudolf van Diepholt en zijn wijding op het Oldehuis (1426–1433)

1426–1430 — Rudolf van Diepholt probeert zijn gezag over het Oversticht veilig te stellen

Na de dood van Frederik van Blankenheim bleef de Utrechtse bisschopszetel jarenlang onderwerp van strijd. Rudolf van Diepholt beschikte over aanzienlijke steun in het Oversticht, terwijl zijn tegenstander Zweder van Culemborg door andere machthebbers werd gesteund. Voor Vollenhove waren deze ontwikkelingen belangrijk omdat het Oldehuis een van de belangrijkste bisschoppelijke residenties in het noorden vormde. De plaatselijke bestuurders, borgmannen en adellijke families moesten rekening houden met de vraag wie zij als landsheer erkenden. Ook de steden Deventer, Kampen en Zwolle speelden een belangrijke rol. Zonder hun financiële en politieke steun was het voor een bisschop moeilijk zijn wereldlijke rechten te handhaven.

1430 — Rudolf van Diepholt wordt officieel als bisschop van Utrecht erkend

In 1430 werd Rudolf van Diepholt na jaren van strijd officieel in zijn ambt bevestigd. Zijn tegenstander Zweder van Culemborg kreeg een andere bisschoppelijke titel aangeboden, maar legde zich niet blijvend bij deze oplossing neer. Daardoor verdwenen de politieke en kerkelijke spanningen niet onmiddellijk. Rudolf had vooral in het Oversticht een sterke machtsbasis opgebouwd. Voor Vollenhove betekende zijn erkenning dat de positie van de landsheer duidelijker werd. Het Oldehuis bleef een belangrijke plaats waar hij kon verblijven en zijn bestuur kon organiseren. De geschiedenis van deze bisschopskeuze toont dat kerkelijke erkenning, politieke bondgenoten en militaire macht in de vijftiende eeuw nauw met elkaar verbonden waren.

1431 — Arnoldus Cluise belooft drie missen per week in de Mariakerk

In 1431 beloofde priester Arnoldus Cluise aan de schepenen, raad en gemeenschap van Vollenhove dat hij de Onze Lieve Vrouwekapel persoonlijk zou bedienen. Hij moest er iedere week drie missen opdragen. Deze afspraak is bijzonder omdat zij de betrokkenheid van het stadsbestuur bij het religieuze leven zichtbaar maakt. De Mariakerk was in 1423 op initiatief van burgers gesticht. Voor het onderhouden van de diensten waren inkomsten uit schenkingen en goederen beschikbaar gesteld. De verplichting van Arnoldus toont dat zulke stichtingen concrete werkzaamheden van geestelijken met zich meebrachten. De kapel was daardoor niet uitsluitend een gebouw, maar een instelling met vaste religieuze diensten en financiële verplichtingen.

1433 — Rudolf van Diepholt wordt op het Oldehuis tot bisschop gewijd

In 1433 vond op het Oldehuis te Vollenhove de bisschopswijding van Rudolf van Diepholt plaats. Dit was een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de stad. Rudolf was al jarenlang betrokken geweest bij de strijd om de Utrechtse bisschopszetel, maar kreeg nu ook de kerkelijke wijding die bij zijn ambt hoorde. De keuze voor Vollenhove onderstreepte de betekenis van het kasteel als bisschoppelijke residentie. Hier beschikte hij over een versterkte verblijfplaats en een bestuurlijke omgeving waarin hij op vertrouwde vertegenwoordigers kon rekenen. De plechtigheid verbond het noordelijke stadje rechtstreeks met de hoogste kerkelijke en wereldlijke macht van Utrecht.

1433 — Het Oldehuis ontwikkelt zich verder tot een representatieve bisschoppelijke residentie

Tijdens het bestuur van Rudolf van Diepholt kreeg het Oldehuis steeds sterker het karakter van een woon- en bestuurskasteel. De vroegere militaire functie bleef bestaan, maar daarnaast werd ruimte gemaakt voor ontvangst, rechtspraak en bestuurlijke bijeenkomsten. De bouwgeschiedenis verbindt met deze periode de ontwikkeling van het zogenoemde drostenhuis, met vertrekken voor belangrijke gasten en functionarissen. Een bisschop had bij zijn verblijf niet alleen soldaten nodig, maar ook geestelijken, schrijvers, raadgevers en huishoudelijke dienaren. De residentie moest daarom uiteenlopende werkzaamheden kunnen ondersteunen. Vollenhove was in deze periode meer dan een kleine vestingstad. Het vormde een plaats waar besluiten werden genomen die grote delen van het Oversticht konden raken.

Deel 35 — De bisschopsstrijd, de Rollecate en de familie Van den Rutenberg (1434–1438)

1434 — Walraven van Meurs wordt een nieuwe tegenstander van Rudolf van Diepholt

Na het overlijden van Zweder van Culemborg in 1433 kwam Walraven van Meurs naar voren als nieuwe tegenstander van Rudolf van Diepholt. De strijd om de Utrechtse bisschopszetel bleef daardoor voortduren. Walraven beschikte over kerkelijke en politieke steun, terwijl Rudolf zijn wereldlijke machtspositie in belangrijke delen van het Sticht en Oversticht behield. Voor Vollenhove was deze situatie belangrijk omdat een bisschoppelijke residentie afhankelijk was van de erkenning van de landsheer. Wanneer verschillende personen aanspraak maakten op hetzelfde ambt, konden ook de rechten op kastelen en inkomsten ter discussie staan. De ontwikkelingen maakten duidelijk hoe kwetsbaar het landsheerlijke bestuur bleef tijdens kerkelijke conflicten.

1435 — Het Concilie van Bazel erkent Walraven van Meurs

In 1435 sprak het Concilie van Bazel zich uit ten gunste van Walraven van Meurs als bisschop van Utrecht. Rudolf van Diepholt legde zich niet bij deze beslissing neer en bleef zijn wereldlijke macht uitoefenen. Hierdoor ontstond opnieuw een ingewikkelde verhouding tussen kerkelijke erkenning en daadwerkelijk bestuur. In het Oversticht bezat Rudolf nog altijd belangrijke steunpunten. Het Oldehuis in Vollenhove was daarvan een van de voornaamste. Voor de bevolking betekende het conflict niet noodzakelijk dat het dagelijkse leven volledig stilviel. Boeren bleven hun grond bewerken en de stedelijke bestuurders moesten rechtspraak en inkomsten regelen. Toch kon de onzekerheid invloed hebben op benoemingen en politieke verplichtingen.

1437 — Alfer van IJsselmuiden wordt burger van Vollenhove

In 1437 verkreeg Alfer van IJsselmuiden het burgerrecht van Vollenhove. Zijn familie zou later nauw verbonden raken met de havezate Rollecate, gelegen buiten de stad aan de weg richting Zwolle. De oudste geschiedenis van dit bezit moet voorzichtig worden beschreven. De latere Rollecate was niet noodzakelijk hetzelfde gebouw als de hofstede die in de vijftiende eeuw bestond. De vermelding van Alfer toont wel hoe aanzienlijke families hun positie zowel binnen als buiten de stad konden ontwikkelen. Burgerrecht en adellijk grondbezit hoefden elkaar niet uit te sluiten. De familie Van IJsselmuiden kreeg later ook bestuurlijke functies bij het Oldehuis en binnen het Land van Vollenhove.

1437 — Johan van den Rutenberg krijgt burgerrecht in de stad

In hetzelfde jaar 1437 werd ook Johan van den Rutenberg als burger van Vollenhove vermeld. De familie Van den Rutenberg behoorde al langer tot de aanzienlijke geslachten van het noordelijke Oversticht. Verschillende familieleden hadden functies als schout, rentmeester of drost vervuld. Hun goederen lagen niet uitsluitend binnen de stad, maar ook in het omliggende landschap. De opname van Johan in de burgergemeenschap laat zien dat de stedelijke en adellijke wereld elkaar konden overlappen. Een persoon kon rechten bezitten op een adellijk goed en tegelijkertijd verbonden zijn met het stadsbestuur. Voor genealogisch onderzoek zijn dergelijke burgervermeldingen belangrijk omdat zij personen aan een bepaald jaar en een bepaalde plaats verbinden.

1438 — Rudolf van Diepholt en Walraven van Meurs bereiken een vergelijk

In 1438 kwam een vergelijk tot stand tussen Rudolf van Diepholt en Walraven van Meurs. De overeenkomst moest een einde maken aan de voortdurende onzekerheid over het bisschopsambt. Rudolf behield echter een belangrijke wereldlijke machtspositie en de politieke tegenstellingen verdwenen niet volledig. De strijd had duidelijk gemaakt hoe sterk de belangen van Utrecht verbonden waren met het Duitse grensgebied en de Bourgondische politiek. Vooral de pogingen om invloed uit te oefenen op de bisschopszetel van Münster hadden aanzienlijke kosten veroorzaakt. Voor Vollenhove bleef het Oldehuis onder Rudolf een belangrijke bestuursplaats. Hier kon hij beschikken over zijn eigen functionarissen, inkomsten en contacten met de Overijsselse adel.

Deel 36 — De stadsgracht, geestelijke inkomsten en nieuwe bestuurders (1438–1444)

1438 — De familie Van den Rutenberg krijgt rechten op een gedeelte van de stadsgracht

In 1438 kreeg een lid van de familie Van den Rutenberg volgens de plaatselijke geschiedschrijving van het stadsbestuur de beschikking over een gedeelte van de stadsgracht. Dit deel grensde aan de zuidzijde van een familiebezit. De regeling is belangrijk omdat zij laat zien hoe nauw de stedelijke verdedigingswerken met particuliere percelen verbonden konden zijn. Een gracht diende voor de bescherming van de stad, maar grensde tegelijkertijd aan woningen, hoven en erven. Het gebruik van zulke grond kon daarom aanleiding geven tot afzonderlijke afspraken. Voor de geschiedenis van Oldruitenborgh vormt deze vermelding een aanknopingspunt bij het reconstrueren van de oudste bebouwing en perceelsgrenzen.

1441 — Willem van Lingen verschijnt als opvolger bij de Mariakerk

In 1441 blijkt Ludolf van Lingen, die eerder met de Mariakapel verbonden was geweest, waarschijnlijk overleden te zijn. Zijn plaats werd ingenomen door Willem van Lingen. Mogelijk bestond tussen beiden een familieverband, maar de precieze verwantschap is niet vastgesteld. De vermelding maakt duidelijk dat een vicarie of kapellanie niet uitsluitend uit een altaar bestond. Aan de geestelijke functie waren inkomsten en verplichtingen verbonden die bij het overlijden van de betrokken persoon opnieuw moesten worden geregeld. De stad en kerkelijke bestuurders hadden belang bij een voortzetting van de diensten. Zo bleef de Mariakerk een instelling met eigen goederen, geestelijken en juridische afspraken.

1443 — Gerrit van IJsselmuiden wordt kastelein van het Oldehuis

In 1443 begon de ambtsperiode van Gerrit van IJsselmuiden als kastelein van Vollenhove. Hij zou deze functie volgens de plaatselijke bestuursoverzichten tot 1465 vervullen. Gerrit was verbonden met de Eze, een adellijk goed dat eerder met de heren van Kuinre in verband werd gebracht. Zijn aanstelling laat zien hoe invloedrijke families functies in het bisschoppelijke bestuur konden verwerven. De kastelein was verantwoordelijk voor belangrijke belangen van de landsheer bij het Oldehuis. Daarbij konden militaire, bestuurlijke en financiële werkzaamheden samenkomen. De positie bood aanzien, maar bracht ook verplichtingen mee. Gerrit trad op tijdens de laatste decennia waarin Vollenhove een bijzonder belangrijke bisschoppelijke residentie was.

1443 — Johan Johanszoon de bakker wordt burger van Vollenhove

In 1443 werd Johan Johanszoon, aangeduid als bakker, opgenomen als burger van Vollenhove. Zijn naam behoort tot de vroegste concrete vermeldingen van personen die in de stad met het bakkersambacht verbonden waren. Brood was een onmisbaar dagelijks voedingsmiddel, terwijl het bakken ervan vakkennis, brandstof en de beschikbaarheid van graan vereiste. De stad had daarom belang bij een betrouwbare broodvoorziening. Het burgerrecht kon bovendien bepalen welke rechten en verplichtingen een ambachtsman binnen de stedelijke gemeenschap had. De vermelding van Johan maakt zichtbaar dat Vollenhove niet uitsluitend werd bewoond door geestelijken en adellijke families. Ook gespecialiseerde ambachtslieden maakten deel uit van het stedelijke leven.

1444 — Geert Berentszoon verschijnt als tweede met naam bekende bakker

In 1444 werd Geert Berentszoon als burger van Vollenhove ingeschreven. Hij wordt eveneens met het bakkersambacht verbonden. Zijn vermelding volgt kort op die van Johan Johanszoon uit 1443. Samen vormen deze gegevens een waardevol aanknopingspunt voor onderzoek naar het ontstaan van een herkenbare beroepsgroep binnen de stad. Bakkers waren afhankelijk van aanvoer van meel en graan, geschikte ovens en voldoende brandstof. Hun producten werden verkocht aan inwoners die niet altijd zelf brood konden bakken. De stedelijke overheid zou later uitgebreide voorschriften voor het gewicht en de kwaliteit van brood vastleggen. De vijftiende-eeuwse vermeldingen laten zien dat de beroepsmatige broodbereiding toen al duidelijk aanwezig was.

Deel 37 — Clarenberg, de gilden, de Haare en de nieuwe kerkbouw (1445–1450)

1445 — Rudolf van Diepholt beslist over de belastingvrijstelling van Clarenberg

In 1445 deed bisschop Rudolf van Diepholt uitspraak in een geschil tussen het vrouwenklooster Clarenberg en de omwonenden over de belasting op kloostergoederen. De vrijstelling gold volgens de historische beschrijving uitsluitend voor de boerderij en het terrein waarop het klooster stond. Ook het erf Ten Doerganck maakte deel uit van de betrokken bezittingen. De gronden lagen tussen de hofstede van Alfer van IJsselmuiden en de stadsgracht. Het conflict laat zien dat religieuze instellingen niet vanzelfsprekend over volledige belastingvrijheid beschikten. Hun rechten konden worden betwist door andere bewoners. De bisschop moest daarom bepalen welke goederen onder de bijzondere bescherming vielen en welke verplichtingen bleven bestaan.

1445 — Het Sint-Antoniusgilde krijgt een plaats in de armenzorg van Vollenhove

Het Sint-Antoniusgilde en het daarbij behorende proveniershuis worden in de plaatselijke geschiedenis vanaf 1445 vermeld. De instelling was gericht op de ondersteuning van arme, zieke en oudere mensen. Een proveniershuis bood verzorging aan personen die daarvoor onder bepaalde voorwaarden middelen hadden ingebracht. De gildebroeders hielpen bij het verkrijgen van inkomsten en het in stand houden van de instelling. Anders dan een gewoon ambachtsgilde had deze broederschap vooral een sociale en religieuze betekenis. De leden kwamen later jaarlijks op 17 januari bijeen, de feestdag van Sint-Antonius. De vermelding toont hoe de burgers naast het Heilige Geestgasthuis nog andere vormen van georganiseerde armenzorg ontwikkelden.

1445 — Het Onze Lieve Vrouwegilde bezit inkomsten uit stedelijke huizen

In 1445 wordt bij de Mariakerk een gilde van Onze Lieve Vrouwe genoemd in verband met pachtinkomsten uit een huis. Daarmee verschijnt naast de geestelijken en het stadsbestuur een religieuze broederschap die betrokken was bij de economische ondersteuning van de kerkelijke gemeenschap. Pachten konden worden gebruikt voor de instandhouding van een altaar, geestelijke diensten of andere afgesproken verplichtingen. Het beheer van zulke inkomsten vereiste nauwkeurige afspraken over betaling en bezit. De vermelding maakt duidelijk dat het stedelijke religieuze leven uit meerdere organisaties bestond. Burgers konden niet alleen een kerkgebouw helpen stichten, maar ook deelnemen aan instellingen die de voortzetting van religieuze activiteiten mogelijk maakten.

1448 — De Haare wordt genoemd bij een huwelijk tussen aanzienlijke families

In 1448 wordt het goed De Haare buiten Vollenhove genoemd bij afspraken over een huwelijk. Johan van der Eze trad op als borg voor zijn dochter Johanna, die trouwde met Wigbold van Warmelo, rechter in het gebied van Kedingen en Diepenheim. Bij de regeling waren tienden uit gronden op De Haar betrokken die moesten worden afgedragen aan Herman Hagen en diens moeder Machtelt de Vos van Steenwijk. De betaling hield verband met het bezoek van de bisschop aan Vollenhove. De akte toont hoe huwelijken, landbouwinkomsten en leenrechten met elkaar verbonden waren. Het latere Slotenhagen ontwikkelde zich vanuit zulke oudere goederen en familiebezittingen.

1450 — De Mariakerk krijgt een toren en de vernieuwing van de Sint-Nicolaaskerk begint

Omstreeks 1450 begon een nieuwe bouwfase in de kerkelijke geschiedenis van Vollenhove. Bij de Mariakerk aan de Bisschopstraat werd begonnen met een losstaande vierkante toren, die volgens de plaatselijke bouwgeschiedenis in 1458 werd voltooid. Het kerkgebouw zou later verder worden uitgebreid. In dezelfde periode begon de ontwikkeling van de huidige Grote of Sint-Nicolaaskerk, die in verschillende bouwfasen de oudere parochiekerk verving. De bouw werd over meerdere decennia uitgevoerd en was omstreeks 1485 ver gevorderd. Beide kerken tonen hoe sterk de stad zich sinds het verkrijgen van stadsrechten had ontwikkeld. Zij waren religieuze centra, maar ook herkenbare gebouwen die het stadsbeeld bepaalden.

Deel 38 — Het stadsbestuur, de kerken en het Heilige Kruis (1450–1451)

1450 — Rudolf van Diepholt verandert de verkiezing van het stadsbestuur

In 1450 veranderde bisschop Rudolf van Diepholt de manier waarop de stedelijke bestuurders van Vollenhove werden gekozen. De zeven aftredende schepenen moesten voortaan zeven personen uit de burgergemeenschap aanwijzen. Deze kwamen samen met de zeven aftredende gezworenen op het raadhuis bijeen. Door loting werd bepaald welke zeven personen als kiescollege zouden optreden. De regeling veranderde de verhouding tussen het bestaande stadsbestuur en de burgers. Zij laat zien dat de verkiezing van schepenen niet uitsluitend een plaatselijke aangelegenheid was. De bisschop behield als landsheer invloed op de organisatie van het bestuur. Zijn privilege vormde een belangrijk document binnen de latere geschiedenis van de stedelijke rechten.

1450 — De bisschop beperkt de invloed van de adellijke families in de stadsraad

Het privilege van 1450 bevatte ook een bijzondere beperking voor de zogenoemde haveluden, de aanzienlijke bewoners van adellijke huizen. Er mochten niet meer dan vier vertegenwoordigers van deze groep in het stedelijke bestuur worden gekozen. Daarvan konden twee schepen en twee raadslid zijn. De bepaling was waarschijnlijk bedoeld om te voorkomen dat de aanzienlijke families het bestuur volledig gingen beheersen. Deze families bezaten immers veel grond en vervulden vaak bestuurlijke functies voor de bisschop. Vollenhove kende daardoor een bijzondere verhouding tussen burgerij en adel. De regeling maakte duidelijk dat het stadsbestuur een eigen gemeenschap vertegenwoordigde en niet uitsluitend het verlengstuk van de bisschoppelijke hofhouding mocht worden.

Omstreeks 1450 — De Grote Sint-Nicolaaskerk krijgt haar monumentale vorm

Omstreeks 1450 was de vernieuwing van de Grote of Sint-Nicolaaskerk in volle ontwikkeling. Het gebouw kreeg de vorm van een tweebeukige hallenkerk, waarbij beide beuken vrijwel even groot werden uitgevoerd. Iedere beuk kreeg een koor met een vijfzijdige sluiting. Deze bouwvorm was bijzonder, omdat bij veel andere kerken het hoofdschip groter was dan de zijbeuken. De kerk werd in verschillende fasen opgetrokken. Oudere koorgedeelten werden opgenomen in het grotere bouwplan. De bouw vergde bakstenen, hout, vaklieden en aanzienlijke financiële middelen. De omvang van het gebouw laat zien welke betekenis Vollenhove inmiddels als kerkelijk en bestuurlijk centrum had gekregen. De werkzaamheden zouden tot ongeveer 1485 doorgaan.

1450 — Bij de Mariakerk begint de bouw van een vrijstaande toren

In 1450 begon men bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Bisschopstraat met de bouw van een vierkante toren. Deze stond aanvankelijk los van het bestaande kerkgebouw. Aan de zuidzijde kreeg de toren een afzonderlijke traptoren. Volgens de plaatselijke bouwgeschiedenis verwees de oorspronkelijke vorm met twee spitsen naar Maria met het Kind Jezus. De torenbouw was een omvangrijke onderneming voor een betrekkelijk kleine stad. Er waren metselaars, timmerlieden en materialen nodig, terwijl het stadsbestuur en de kerkmeesters voor voldoende inkomsten moesten zorgen. De werkzaamheden duurden meerdere jaren. Pas in 1458 blijkt uit een bewaarde akte hoe men geld bijeenbracht om de resterende bouwkosten te betalen.

15 augustus 1451 — Rudolf schenkt een verguld zilveren reliekkruis aan de parochiekerk

Op 15 augustus 1451 schonk bisschop Rudolf van Diepholt aan de parochiekerk van Vollenhove een verguld zilveren kruis met een relikwie van het Heilige Kruis. Het voorwerp werd tijdens de mis gebruikt wanneer de bisschop aanwezig was. De schenking toont de persoonlijke verbondenheid van Rudolf met de kerkelijke gemeenschap van Vollenhove. Op 18 oktober van hetzelfde jaar erkende hij dat hij het kruis en de relikwie met toestemming van de kerkvoogden in gebruik had ontvangen. Hij moest het voorwerp op verzoek teruggeven. Deze afspraak is bijzonder omdat zij onderscheid maakt tussen het eigendom van de parochiekerk en het tijdelijke gebruik door de bisschop. Het kostbare kruis bleef kerkelijk bezit.

Deel 39 — De dood van Rudolf en de Bourgondische machtsovername (1455–1456)

20 maart 1455 — Bisschop Rudolf van Diepholt overlijdt op het Oldehuis

Op 20 maart 1455 overleed bisschop Rudolf van Diepholt volgens de Vollenhoofse historische chronologie op het Oldehuis. Hij had meer dan dertig jaar een belangrijke plaats ingenomen binnen het bestuur van Utrecht en het Oversticht. Zijn regering werd gekenmerkt door conflicten over de bisschopszetel, financiële problemen en pogingen om de landsheerlijke macht te behouden. Voor Vollenhove had Rudolf bijzondere betekenis. Hij was in 1433 op het Oldehuis tot bisschop gewijd en had de residentie verder laten ontwikkelen. Zijn overlijden maakte de plaats opnieuw belangrijk in de geschiedenis van het bisdom. Tegelijk ontstond onzekerheid over de opvolging, waarbij verschillende kerkelijke en wereldlijke machthebbers eigen belangen hadden.

1455 — Het hart van Rudolf van Diepholt wordt in de Grote Kerk herdacht

De Grote Sint-Nicolaaskerk bewaart een bijzondere herinnering aan bisschop Rudolf van Diepholt. Volgens de historische overlevering werd zijn hart na zijn overlijden in Vollenhove in de kerk begraven. Op het hoge koor bevindt zich een gedenksteen met zijn wapen, verbonden met het wapen van het bisdom Utrecht. De gewoonte om bij aanzienlijke personen het hart afzonderlijk te begraven kwam in de middeleeuwen vaker voor. Een dergelijke plaats van herinnering benadrukte de band tussen de overledene en een bepaalde kerk of gemeenschap. Voor Vollenhove is het monument belangrijk omdat het de aanwezigheid van de bisschoppelijke hofhouding verbindt met een nog bestaand gebouw. De precieze begrafenisomstandigheden verdienen afzonderlijke controle.

1455 — Gijsbrecht van Brederode wordt gekozen, maar Filips de Goede steunt zijn zoon David

Na de dood van Rudolf van Diepholt kozen de Utrechtse kapittels Gijsbrecht van Brederode als zijn opvolger. De Bourgondische hertog Filips de Goede wilde echter dat zijn buitenechtelijke zoon David van Bourgondië bisschop werd. Daardoor ontstond opnieuw een conflict over de macht in Utrecht. De strijd ging niet alleen om een kerkelijke functie. De bisschop bezat ook kastelen, belastingen en bestuurlijke rechten in het Oversticht. De Overijsselse ridderschap en de steden hadden weinig belangstelling voor een landsheer die sterk afhankelijk was van Bourgondië. Zij wilden hun bestaande rechten beschermen. Voor Vollenhove betekende de opvolgingsstrijd dat ook de toekomst van het Oldehuis en zijn bestuur ter discussie kwam te staan.

Augustus–september 1456 — Filips de Goede belegert Deventer om zijn zoon als landsheer te laten erkennen

In augustus 1456 trok Filips de Goede met een groot leger tegen het Oversticht op. Deventer, een van de belangrijkste steden van het gebied, weigerde David van Bourgondië als bisschop en landsheer te erkennen. De stad werd belegerd en hield ongeveer vijf weken stand. In september kwam een einde aan het verzet. De onderwerping van Deventer bracht ook andere steden en aanzienlijke families ertoe de nieuwe machthebber te erkennen. Voor Vollenhove waren de gevolgen groot. De strijd maakte duidelijk dat de Bourgondische dynastie bereid was militaire middelen in te zetten om haar invloed uit te breiden. De positie van de plaatselijke adel en de bestaande stedelijke vrijheden bleven daarbij belangrijke onderhandelingspunten.

16 september 1456 — David bevestigt de rechten van Vollenhove en de andere gebieden van het Oversticht

Op 16 september 1456 beloofde bisschop David van Bourgondië aan Deventer, Kampen en Zwolle dat hij de bestaande privileges van verschillende kastelen en gebieden zou handhaven. In de oorkonde worden onder meer Arkestein, Holten, Diepenheim, Coevorden, Kuinre en Vollenhove genoemd. Ook de rechten van de ridderschap en de landrechten van Salland, Vollenhove, Twente en Drenthe werden bevestigd. Deze toezegging was van groot politiek belang. David kreeg het gezag over het Oversticht, maar moest tegelijk erkennen dat bestaande rechten en gewoonten niet zomaar konden worden afgeschaft. De drie IJsselsteden traden hierbij op als belangrijke verdedigers van de privileges van het gehele gebied.

Deel 40 — David van Bourgondië, het Oldehuis en de Mariakerk (1456–1461)

1456 — David van Bourgondië bevestigt ook de stadsrechten van Vollenhove

Bij zijn aantreden bevestigde David van Bourgondië eveneens de stadsrechten van Vollenhove. Deze rechten waren in 1354 door bisschop Jan van Arkel verleend en vormden de basis van het plaatselijke stadsbestuur. De bevestiging was belangrijk omdat de nieuwe bisschop zijn gezag tegen aanzienlijke weerstand had moeten vestigen. Het stadsbestuur wilde zekerheid over de bevoegdheden van schepenen, raad en burgers. David behield zijn landsheerlijke rechten, maar erkende de bijzondere juridische positie van Vollenhove. Het Oldehuis werd opnieuw een bisschoppelijke residentie onder een andere landsheer. De verhouding tussen stad en kasteel bleef daardoor bestaan, hoewel de politieke machtsverhoudingen inmiddels door de Bourgondische invloed waren veranderd.

24 oktober 1456 — Een nieuwe kastelein van Vollenhove moet eerst zekerheid geven aan de drie IJsselsteden

Op 24 oktober 1456 legde bisschop David van Bourgondië een opmerkelijke belofte vast tegenover Deventer, Kampen en Zwolle. Hij zou voortaan geen nieuwe ambtman of kastelein op het Oldehuis aanstellen voordat deze aan de drie steden de gebruikelijke verzekering had gegeven. De bepaling toont hoeveel belang de IJsselsteden hechtten aan het beheer van de bisschoppelijke kastelen. Een kastelein beschikte immers over een versterking die militair kon worden gebruikt. Wanneer hij zich tegen de steden keerde, kon dat hun veiligheid en handelsverbindingen bedreigen. De oorkonde maakte daarom de benoeming van een belangrijke Vollenhoofse functionaris mede afhankelijk van afspraken die met andere Overijsselse steden waren gemaakt.

29 november 1458 — Drie kerkmeesters ontvangen 52 Rijnse gulden voor de Mariatoren

Op 29 november 1458 verklaarden de kerkmeesters en bouwmeesters Johan Barchorst, Herman Wissene en Wolter Roede Beerntsen dat zij geld hadden ontvangen voor de voltooiing van de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekapel. Het bedrag bedroeg 52 Rijnse gulden en was afkomstig van de priester Geert Hobing. Daartegenover namen de kerkmeesters een verplichting over om jaarlijks tweeënhalve Rijnse gulden en een oort rente te betalen. De akte biedt een bijzonder inzicht in de financiering van middeleeuwse kerkbouw. Het bouwen van een toren was niet uitsluitend afhankelijk van giften. Ook renten en andere financiële overeenkomsten werden gebruikt om de werkzaamheden mogelijk te maken. De drie genoemde mannen waren rechtstreeks bij de bouw betrokken.

2 december 1460 — Geestelijken uit Kampen kunnen naar de schout van Vollenhove worden gebracht

Op 2 december 1460 vaardigde bisschop David van Bourgondië een regeling uit voor de behandeling van geestelijken die in Kampen strafbare feiten hadden gepleegd. Volgens het Kamper charterregister mochten zij onder bepaalde voorwaarden worden aangehouden en onder veilig geleide naar het slot van Vollenhove worden gebracht. Daar moesten zij aan de schout worden overgedragen. De regeling laat zien dat het Oldehuis een functie had binnen de kerkelijke rechtspraak die verder reikte dan de eigen stad. Het onderscheid tussen wereldlijke en geestelijke rechtsmacht maakte de behandeling van zulke zaken ingewikkeld. De bisschop behield bovendien bepaalde bevoegdheden over de verdere afhandeling van de strafzaak en eventuele financiële regelingen.

20 februari 1461 — David geeft toestemming om de Mariakerk te vergroten

Op 20 februari 1461 gaf bisschop David van Bourgondië aan het bestuur van Vollenhove toestemming om de Onze-Lieve-Vrouwekapel verder uit te breiden. De bestaande kerk werd naar het westen verlengd, zodat zij met de eerder vrijstaande toren verbonden kon worden. Ook de bijbehorende pastorie maakte deel uit van de plannen. Om de kosten te financieren mochten de betrokken bestuurders bepaalde kleine renten verkopen en het geld opnieuw beleggen. De regeling laat zien dat de stedelijke overheid een actieve rol vervulde bij de ontwikkeling van de kerkgebouwen. Het stadsbestuur had bovendien het recht kandidaten voor geestelijke functies bij de kapel voor te dragen. De uitbreiding gaf de kerk haar herkenbare langgerekte vorm.

Deel 41 — Steurvangst, bieraccijnzen en de stedelijke molen (1461–1465)

20 februari 1461 — Vollenhoofse vissers krijgen rechten op de steurvangst bij het Kamperzand

Op 20 februari 1461 ontvingen de inwoners van Vollenhove van bisschop David van Bourgondië een privilege betreffende de steurvangst. De burgers mochten hun netten plaatsen op het Kamperzand, waar ook vissers uit Kampen belangen hadden. Daartegenover moest een tiende deel van de verkoopopbrengst van de steur aan de bisschop worden afgedragen. Steur was een waardevolle vis die grote bedragen kon opbrengen. De vangst vond vooral in het voorjaar en de zomer plaats. Het recht om op bepaalde plaatsen te vissen had daardoor aanzienlijke economische betekenis. Tegelijk ontstonden gemakkelijk conflicten wanneer vissers uit verschillende plaatsen aanspraak maakten op hetzelfde water en dezelfde visgronden.

20 februari 1461 — Bier, wijn, waaggelden en tollen worden voor een lange periode aan de stad verpacht

Op 20 februari 1461 kreeg Vollenhove van David van Bourgondië belangrijke inkomstenrechten. Het ging om accijnzen op bier en wijn, de waag en bepaalde tollen. Volgens een Kamper charterregister bedroeg de jaarlijkse pacht 160 pond en gold de regeling voor 75 jaar. Een historische studie van het Vollenhoofse stadsrecht noemt daarentegen een periode van 50 jaar. Dit verschil moet aan de hand van de oorspronkelijke privilegebrief nader worden onderzocht. De regeling was economisch belangrijk. De stad kon inkomsten verkrijgen uit handel en verbruik, maar moest daarvoor zelf aan de bisschop betalen. De opbrengsten konden worden gebruikt voor bestuur, waterkeringen en andere stedelijke voorzieningen.

1461 — Vollenhoofse brouwers en tappers worden tegen concurrentie beschermd

De privileges van 1461 bevatten ook bepalingen ter bescherming van de plaatselijke bierbereiding. In oudere regelingen uit 1395 en 1429 was het tappen van ingevoerd bier binnen het Land van Vollenhove al beperkt. David van Bourgondië versterkte deze bescherming door voor bepaalde brouwers en tappers buiten een aangewezen gebied een dubbele accijns te bepalen. Daardoor konden plaatselijke ondernemers een gunstiger economische positie krijgen. Tegelijk verbond de bisschop zich ertoe niet zomaar een nieuwe waag in de nabijheid van Vollenhove toe te laten. Beide bepalingen tonen hoe stedelijke privileges konden dienen om handel en nijverheid te beschermen. Het ging niet om volledig vrije concurrentie, maar om nauwkeurig geregelde economische rechten.

24 oktober 1461 — De bisschop grijpt in bij een conflict tussen Kampen en de geestelijken van Vollenhove

Op 24 oktober 1461 gaf bisschop David van Bourgondië een bevel uit nadat bestuurders van Kampen hadden geklaagd over geestelijken in Vollenhove. Volgens het charterregister weigerden deze geestelijken bepaalde dagvaardingen en bevelen van de Utrechtse kerk bekend te maken en uit te voeren. De stukken waren op verzoek van Kampen uitgevaardigd. David vond dat de weigering de kerkelijke rechtspraak en de privileges van de stad Kampen aantastte. Hij beval dat de betrokken opdrachten alsnog moesten worden uitgevoerd en dreigde bij verdere weigering met straffen. De gebeurtenis laat zien hoe ook geestelijken in Vollenhove betrokken konden raken bij juridische conflicten tussen verschillende steden en kerkelijke instellingen.

1465 — De stad Vollenhove beschikt over een eigen windmolen op de oude molenberg

In 1465 wordt een windmolen vermeld die eigendom was van de stad Vollenhove. Het ging om een standaardmolen op een verhoging bij de zuidoostelijke stadswal, tussen de Landpoort en het terrein waar later de Toutenburg zou verrijzen. De molen was belangrijk voor het malen van graan tot meel. Eerder had ook de bisschop windmolens bezeten, onder meer bij het Hoge Goor. De aanwezigheid van afzonderlijke bisschoppelijke en stedelijke molens toont hoe economische rechten verdeeld konden zijn. Wie graan wilde laten malen, was afhankelijk van de beschikbare maalvoorzieningen en de daarbij geldende afspraken. De stedelijke molen bleef eeuwenlang een herkenbaar onderdeel van het Vollenhoofse stadslandschap.

Deel 42 — Evert Kruse, de borgmannen en het Oldehuis (1465–1466)

27 september 1465 — Evert Kruse krijgt het bestuur van Vollenhove in handen

Op 27 september 1465 wordt Evert Kruse, ook geschreven als Kruese, genoemd als kastelein, schout en rentmeester van Vollenhove. Hij was daarnaast ambtman van Hasselt. De combinatie van deze functies gaf hem een belangrijke positie binnen het bisschoppelijke bestuur. Als kastelein was hij verantwoordelijk voor het Oldehuis, terwijl hij als schout en rentmeester ook betrokken was bij rechtspraak en de ontvangst van inkomsten. Zijn werkzaamheden beperkten zich daardoor niet tot het kasteel. Hij vertegenwoordigde de landsheer eveneens in het grotere bestuursgebied. De vermelding is opgenomen in een historisch onderzoek naar de functionarissen van bisschop David van Bourgondië en geeft een nauwkeurig gedateerd aanknopingspunt voor de Vollenhoofse bestuurshistorie.

14 oktober 1465 — Evert Kruse belooft het Oldehuis voor Utrecht te bewaren

Op 14 oktober 1465 legde Evert Kruse een verklaring af over het beheer van het bisschoppelijke kasteel te Vollenhove. Hij beloofde het slot te bewaren ten behoeve van het Sticht Utrecht en daarbij de voorwaarden na te leven die met de drie IJsselsteden waren afgesproken. De verklaring is overgeleverd in het oude archief van Kampen. Zij maakte duidelijk dat een kastelein niet uitsluitend aan de bisschop persoonlijk verantwoording verschuldigd kon zijn. Ook Deventer, Kampen en Zwolle hadden belang bij de veiligheid van het Oldehuis. De steden wilden voorkomen dat een versterking tegen hun belangen werd gebruikt. Het document toont hoe militaire verantwoordelijkheid door schriftelijke verplichtingen werd geregeld.

1465 — Vier aanzienlijke mannen bezegelen de afspraken over het kasteel

De verklaring van Evert Kruse werd niet alleen door hemzelf bevestigd. Ook Gerrit van IJsselmuiden, Herman Hagen, Gerrit die Witte en Lubbert Peterszoon legden een eed af en bezegelden de afspraken. Deze vier personen worden afzonderlijk genoemd in het Kamper charterregister. Hun deelname toont dat het beheer van het Oldehuis verbonden was met een netwerk van aanzienlijke mannen die verantwoordelijkheid namen voor de gemaakte verplichtingen. Sommige familienamen komen ook elders in de geschiedenis van Vollenhove voor. Niet iedere getuige mag echter zonder aanvullend onderzoek met een bepaalde havezate worden vereenzelvigd. De gezamenlijke bezegeling maakte de overeenkomst juridisch sterker en gaf de betrokken steden meer zekerheid over het beheer van de versterking.

November 1465 — Johannes Gheye verbindt de Vollenhoofse geestelijkheid met Kampen

In november 1465 verschijnt Johannes Gheye in een oorkonde over de benoeming van een geestelijke aan de Sint-Nicolaaskerk van Kampen. Hij was op dat moment vicaris bij het altaar van Sint-Andreas en Sint-Thomas in Vollenhove. Martinus Voerne en zijn vrouw Jutte droegen hem voor als vicaris van een nieuw gestichte geestelijke bediening in Kampen. De voordracht werd aan de proost en aartsdiaken van Deventer voorgelegd. Na de vereiste afkondigingen volgde de kerkelijke bevestiging. De akte is belangrijk omdat zij een met naam bekende Vollenhoofse geestelijke verbindt met een andere IJsselstad. Geestelijke functies en inkomsten konden dus binnen een groter kerkelijk netwerk worden overgedragen.

1465–1466 — De verdediging van Vollenhove berust op afspraken tussen bisschop, adel en steden

De oorkonden uit 1465 laten zien hoe ingewikkeld het bestuur van een bisschoppelijk kasteel was geworden. Het Oldehuis behoorde tot het machtsgebied van David van Bourgondië, maar bij de benoeming en beëdiging van de kastelein speelden ook de drie grote IJsselsteden een rol. Daarnaast traden aanzienlijke mannen uit de omgeving als medeondertekenaars op. De afspraken moesten voorkomen dat de versterking voor persoonlijke of politieke doeleinden werd gebruikt die strijdig waren met de belangen van Utrecht en de steden. Voor de inwoners van Vollenhove was een betrouwbaar kasteelbestuur belangrijk. Een militaire machtswisseling kon immers gevolgen hebben voor de rechtspraak, de veiligheid en de dagelijkse ontvangst van heffingen.

Deel 43 — Oorkonden, boerenerven en adellijke familieverbanden (1466–1470)

1 oktober 1466 — Een bisschoppelijke oorkonde wordt in Vollenhove uitgevaardigd

Op 1 oktober 1466 werd volgens het onderzoek naar het landsheerlijke bestuur onder David van Bourgondië een document te Vollenhove uitgevaardigd waarin Godard van Reede voorkomt. Hij wordt aangeduid als kastelein van Blankenborch en ambtman van Twente. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat Vollenhove een plaats bleef waar bestuurders uit verschillende delen van het Oversticht bij juridische of politieke aangelegenheden betrokken konden worden. De precieze inhoud van de akte vraagt nadere bestudering. Wel staat vast dat het bisschoppelijke bestuur over een netwerk van kastelen, ambtenaren en schriftelijke overeenkomsten beschikte. Het Oldehuis maakte deel uit van dit grotere bestuursstelsel.

7 november 1466 — Een schout van Kolderveen legt de verkoop van tien mud rogge vast

Op 7 november 1466 verklaarde Herman Pauwelszoon, schout van Kolderveen, dat Arend Lambertzoon, zijn vrouw Beerte en zijn moeder Wygmoet jaarlijks tien mud goede pachtrogge hadden verkocht aan Roelof Hesselszoon en diens vrouw Geertrud. De rogge werd berekend volgens de Zwolse maat en was verbonden aan een erf in Kolderveen. De akte is bijzonder omdat zij verschillende familieleden afzonderlijk noemt. De rechten van Wygmoet, de moeder van Arend, werden in de overdracht betrokken. Het document laat zien dat landbouwinkomsten verhandelbaar waren en dat zulke overeenkomsten schriftelijk werden vastgelegd. De aanwezigheid van een schout en getuigen moest de rechtsgeldigheid van de overdracht verzekeren.

1466–1470 — De boerderijen van het achterland leveren verhandelbare inkomsten

De oorkonde uit Kolderveen maakt duidelijk dat een boerderij meer kon vertegenwoordigen dan de grond en gebouwen alleen. Op een erf konden jaarlijkse verplichtingen rusten die aan andere personen werden betaald. Rogge kon daarmee een vastgestelde economische waarde vertegenwoordigen. De rechthebbende hoefde niet noodzakelijk zelf de akker te bewerken. Voor landbouwers betekende dit dat een gedeelte van hun oogst al bestemd kon zijn voor anderen. Ook erfgenamen konden aanspraak maken op dergelijke inkomsten. Deze rechtsverhoudingen zijn belangrijk voor de geschiedenis van het Land van Vollenhove, omdat veel aanzienlijke families hun bezit niet alleen uit woonhuizen en hoeven, maar ook uit afzonderlijke renten, pachten en tienden opbouwden.

7 juni 1470 — Tien edelen staan gezamenlijk garant voor een grote lijfrente

Op 7 juni 1470 verbonden tien aanzienlijke mannen zich aan een financiële regeling rond Willem van Buckhorst. Het ging om een lijfrente voor Swane van Buckhorst, de weduwe van Johan van Buckhorst. Onder de medeondertekenaars bevonden zich Herman Hagen, Gerrit van IJsselmuiden en Otto van den Rutenberg. Ook Wolter Stelling, Dirk van der Schulenborch, Geert van Wijtmen, Dirk van Voorst, Steven Kampherbeke en de broers Johan en Jacob van Ittersum worden genoemd. De overeenkomst toont hoe adellijke familieverbanden verschillende delen van Overijssel met elkaar verbonden. De betrokken mannen namen gezamenlijk verantwoordelijkheid voor een financiële verplichting die oorspronkelijk op een familierelatie berustte.

1470 — De borgstellers moeten met paarden en een knecht in Kampen verschijnen

De overeenkomst van 1470 bevatte een opmerkelijke bepaling voor het geval Willem van Buckhorst zijn verplichtingen niet nakwam. De tien borgstellers moesten dan op aanmaning in Kampen verschijnen, ieder met minstens twee rijpaarden en een knecht. Zij moesten verblijven in een eerzame herberg die door het stadsbestuur werd aangewezen. Daar mochten zij niet vertrekken voordat de financiële verplichtingen waren nagekomen. Deze vorm van zekerheidstelling maakte het voor aanzienlijke mannen bijzonder onaantrekkelijk om hun beloften te breken. Hun aanwezigheid in de herberg bracht immers aanzienlijke kosten met zich mee. De regeling toont hoe familie-eer, persoonlijke verplichtingen en financiële zekerheid in de vijftiende eeuw met elkaar verbonden waren.

Deel 44 — Adel, kerkelijke goederen en het bestuur onder David van Bourgondië (1470–1480)

1470 — Herman Hagen en Otto van den Rutenberg behoren tot een groter adellijk netwerk

De namen Herman Hagen en Otto van den Rutenberg in de borgstelling van 1470 zijn bijzonder waardevol voor het onderzoek naar de aanzienlijke families rond Vollenhove. Beide geslachten komen ook in oudere bronnen over grondbezit en bisschoppelijke dienst voor. Hun deelname aan dezelfde overeenkomst toont dat familiebelangen zich over verschillende plaatsen konden uitstrekken. Een edelman kon rechten bezitten op het platteland, verwant zijn aan families uit andere gebieden en tegelijkertijd betrokken worden bij financiële transacties van de IJsselsteden. Zulke verbindingen droegen bij aan de vorming van de Overijsselse ridderschap. De concrete rechten en verwantschappen van afzonderlijke personen moeten wel steeds aan de oorspronkelijke oorkonden worden getoetst.

1470–1475 — Kloosters en families strijden om de bestemming van erfenissen

In de vijftiende eeuw konden kloosters en religieuze gemeenschappen door schenkingen en erfenissen nieuwe bezittingen verwerven. Voor families betekende dit soms dat grond of geld buiten het eigen geslacht terechtkwam. Steden probeerden daarom regels vast te leggen die een onbeperkte overgang van goederen naar kloosters voorkwamen. In Kampen werd in 1470 bepaald dat bepaalde geërfde goederen niet blijvend in kloosterbezit mochten blijven, maar na het overlijden van de betrokken persoon opnieuw aan bloedverwanten moesten toevallen. Die regeling gold niet automatisch voor Vollenhove. Zij laat echter zien welke juridische vragen ook bij de goederen van Sint-Janskamp, Clarenberg en andere religieuze instellingen konden spelen.

1475 — De inkomsten uit land en pacht blijven bepalend voor de bisschoppelijke macht

Omstreeks 1475 was het bestuur van het Oversticht nog altijd sterk afhankelijk van inkomsten uit landbouwgrond, lenen, pachten, tollen en bijzondere heffingen. De bisschop beschikte over verschillende functionarissen die deze middelen moesten beheren. Voor Vollenhove waren de rentmeester en de schout bijzonder belangrijk. Zij hielden toezicht op verplichtingen die niet uitsluitend binnen de stad verschuldigd waren. De inkomsten uit verspreide gebieden konden worden gebruikt voor het onderhoud van kastelen, bestuurlijke werkzaamheden en andere uitgaven. Tegelijk beschikten aanzienlijke families en kloosters over eigen renten. Hierdoor bestonden verschillende economische systemen naast elkaar. Het onderscheid tussen grondbezit en het recht op inkomsten bleef voor de bevolking van grote betekenis.

1477 — David van Bourgondië moet rekening houden met de rechten van de Staten

In 1477 werd de verhouding tussen bisschop David van Bourgondië en de vertegenwoordigers van zijn gebied opnieuw onderwerp van onderhandelingen. In het Nedersticht werden onder meer afspraken gemaakt over de plaats waar bepaalde tollen mochten worden geheven. Een historische studie vermeldt dat David op 28 juli beloofde de tol van Wijk bij Duurstede naar Rhenen terug te brengen. Deze regeling betrof niet rechtstreeks Vollenhove, maar toont wel hoe landsheerlijke inkomsten aan politieke onderhandelingen onderworpen konden zijn. Ook de Overijsselse steden en ridderschap hadden belang bij de bescherming van bestaande rechten. De bisschop kon zijn financiële bevoegdheden niet zonder voortdurende weerstand of overleg uitbreiden.

Omstreeks 1480 — Vollenhove blijft verbonden met de handelswegen van de IJsselsteden

Voor de inwoners van Vollenhove waren verbindingen met Zwolle, Kampen en Deventer van groot belang. Over water konden grotere hoeveelheden goederen worden vervoerd, terwijl reizigers over land afhankelijk bleven van wegen, dijken en oversteekplaatsen. Via Genemuiden en het Zwarte Water bestonden verbindingen met Zwolle. De scheepvaart over de Zuiderzee bood contacten met andere kustgebieden. Het stadsbestuur beschikte over rechten op accijnzen en bepaalde tollen, terwijl de bisschop aanspraak hield op vastgestelde inkomsten. De ligging bood kansen voor handel, maar maakte Vollenhove ook afhankelijk van de veiligheid van de vaarroutes. Stormen, oorlogen en politieke geschillen konden het vervoer ernstig hinderen.

Deel 45 — De klokkentoren, het uurwerk en de voltooiing van de Grote Kerk (1480–1485)

Omstreeks 1480 — Naast de Sint-Nicolaaskerk verrijst een afzonderlijke klokkentoren

Volgens de plaatselijke bouwgeschiedenis verrees omstreeks 1480 bij de Grote Sint-Nicolaaskerk een afzonderlijke klokkentoren. De toren stond aan de Bovenplaats, niet ver van de Zuiderzee. Anders dan bij veel andere kerken maakte hij geen deel uit van het eigenlijke kerkgebouw. De lage, stevige toren kreeg meerdere geledingen en bood ruimte aan een klokkenstoel. De precieze bouwdatering is niet volledig zeker; monumentenbeschrijvingen verbinden de toren ook met het begin van de zestiende eeuw. De toren had zowel een religieuze als een praktische functie. Klokken konden de inwoners oproepen voor kerkdiensten, maar waren eveneens belangrijk voor het openbare leven van de stad.

Omstreeks 1480 — Een mechanisch uurwerk regelt het dagelijkse leven van de stad

Uit historisch onderzoek naar oude torenuurwerken blijkt dat Vollenhove waarschijnlijk al in de late vijftiende eeuw over een mechanisch uurwerk beschikte. Een uurwerk dat later in Lambertschaag terechtkwam, wordt rond 1480 gedateerd en is mogelijk afkomstig uit Vollenhove. Die herkomst is echter niet volledig bewezen. Mechanische torenuurwerken waren kostbare apparaten die door gespecialiseerde ambachtslieden werden vervaardigd. Zij konden de uren aangeven met behulp van een slagwerk op een klok. Voor de bevolking was een openbare tijdaanduiding van groot praktisch belang. Kerkdiensten, bestuurlijke bijeenkomsten en werkzaamheden konden hierdoor gemakkelijker worden afgestemd. Het onderhoud vereiste personen die het mechaniek konden controleren en opwinden.

1482 — Klokkengieter Geert van Wou vervaardigt een klok die later in Vollenhove voorkomt

In 1482 goot de beroemde klokkengieter Geert van Wou in Kampen een bronzen luidklok die later in Vollenhove werd aangetroffen. De klok droeg een Latijns opschrift met de namen Jezus, Maria en Johannes en de naam van de maker. Mogelijk was zij oorspronkelijk uit voorraad geleverd. De eerste plaats waar de klok in Vollenhove hing, is niet met zekerheid bekend. Historici hebben verschillende mogelijkheden genoemd, waaronder een kerkelijke toren, het oude raadhuis of een andere stedelijke voorziening. Later kwam zij terecht in de toren van de Mariakerk. De klok vormt een tastbaar voorbeeld van de verbinding tussen gespecialiseerde metaalbewerking in Kampen en het religieuze leven van Vollenhove.

12 juni 1484 — Vollenhove verschijnt opnieuw als plaats van bisschoppelijke bestuurszaken

Op 12 juni 1484 werd volgens een studie over het bestuur onder David van Bourgondië een document te Vollenhove uitgevaardigd waarin Tyman ten Bussche voorkomt als schout van Zwolle. De vermelding is opgenomen in een overzicht van de personen die bij het landsheerlijke bestuur betrokken waren. Zij laat zien dat Vollenhove aan het einde van de vijftiende eeuw een plaats bleef waar zaken werden behandeld die verder reikten dan het eigen stadsgebied. Vertegenwoordigers van andere steden konden hier bij bestuurlijke handelingen betrokken zijn. Het Oldehuis bood daarvoor een geschikte omgeving. De precieze inhoud van het document moet nog worden onderzocht, maar de datum vormt een waardevol aanknopingspunt.

1485 — De Grote Sint-Nicolaaskerk krijgt haar vrijwel voltooide laatgotische vorm

Omstreeks 1485 was de belangrijkste bouwfase van de huidige Grote Sint-Nicolaaskerk in Vollenhove voltooid. Het oudere kerkgebouw was in verschillende perioden vervangen en uitgebreid. De nieuwe kerk kreeg twee vrijwel even grote beuken, elk met een eigen koorafsluiting. De slanke zuilen, hoge vensters en houten tongewelven gaven het gebouw een monumentaal karakter. Het bijzondere visnetpatroon van de gewelven behoort tot de opvallendste kenmerken van de kerk. Niet alle onderdelen ontstonden tegelijkertijd. De sacristie, de traptoren en verschillende toegangen werden later toegevoegd. De voltooiing van de hoofdvorm maakte duidelijk welke middelen de kerkelijke gemeenschap gedurende de vijftiende eeuw had weten bijeen te brengen.

Deel 42 — Evert Kruse, de borgmannen en het Oldehuis (1465–1466)

27 september 1465 — Evert Kruse krijgt het bestuur van Vollenhove in handen

Op 27 september 1465 wordt Evert Kruse, ook geschreven als Kruese, genoemd als kastelein, schout en rentmeester van Vollenhove. Hij was daarnaast ambtman van Hasselt. De combinatie van deze functies gaf hem een belangrijke positie binnen het bisschoppelijke bestuur. Als kastelein was hij verantwoordelijk voor het Oldehuis, terwijl hij als schout en rentmeester ook betrokken was bij rechtspraak en de ontvangst van inkomsten. Zijn werkzaamheden beperkten zich daardoor niet tot het kasteel. Hij vertegenwoordigde de landsheer eveneens in het grotere bestuursgebied. De vermelding is opgenomen in een historisch onderzoek naar de functionarissen van bisschop David van Bourgondië en geeft een nauwkeurig gedateerd aanknopingspunt voor de Vollenhoofse bestuurshistorie.

14 oktober 1465 — Evert Kruse belooft het Oldehuis voor Utrecht te bewaren

Op 14 oktober 1465 legde Evert Kruse een verklaring af over het beheer van het bisschoppelijke kasteel te Vollenhove. Hij beloofde het slot te bewaren ten behoeve van het Sticht Utrecht en daarbij de voorwaarden na te leven die met de drie IJsselsteden waren afgesproken. De verklaring is overgeleverd in het oude archief van Kampen. Zij maakte duidelijk dat een kastelein niet uitsluitend aan de bisschop persoonlijk verantwoording verschuldigd kon zijn. Ook Deventer, Kampen en Zwolle hadden belang bij de veiligheid van het Oldehuis. De steden wilden voorkomen dat een versterking tegen hun belangen werd gebruikt. Het document toont hoe militaire verantwoordelijkheid door schriftelijke verplichtingen werd geregeld.

1465 — Vier aanzienlijke mannen bezegelen de afspraken over het kasteel

De verklaring van Evert Kruse werd niet alleen door hemzelf bevestigd. Ook Gerrit van IJsselmuiden, Herman Hagen, Gerrit die Witte en Lubbert Peterszoon legden een eed af en bezegelden de afspraken. Deze vier personen worden afzonderlijk genoemd in het Kamper charterregister. Hun deelname toont dat het beheer van het Oldehuis verbonden was met een netwerk van aanzienlijke mannen die verantwoordelijkheid namen voor de gemaakte verplichtingen. Sommige familienamen komen ook elders in de geschiedenis van Vollenhove voor. Niet iedere getuige mag echter zonder aanvullend onderzoek met een bepaalde havezate worden vereenzelvigd. De gezamenlijke bezegeling maakte de overeenkomst juridisch sterker en gaf de betrokken steden meer zekerheid over het beheer van de versterking.

November 1465 — Johannes Gheye verbindt de Vollenhoofse geestelijkheid met Kampen

In november 1465 verschijnt Johannes Gheye in een oorkonde over de benoeming van een geestelijke aan de Sint-Nicolaaskerk van Kampen. Hij was op dat moment vicaris bij het altaar van Sint-Andreas en Sint-Thomas in Vollenhove. Martinus Voerne en zijn vrouw Jutte droegen hem voor als vicaris van een nieuw gestichte geestelijke bediening in Kampen. De voordracht werd aan de proost en aartsdiaken van Deventer voorgelegd. Na de vereiste afkondigingen volgde de kerkelijke bevestiging. De akte is belangrijk omdat zij een met naam bekende Vollenhoofse geestelijke verbindt met een andere IJsselstad. Geestelijke functies en inkomsten konden dus binnen een groter kerkelijk netwerk worden overgedragen.

1465–1466 — De verdediging van Vollenhove berust op afspraken tussen bisschop, adel en steden

De oorkonden uit 1465 laten zien hoe ingewikkeld het bestuur van een bisschoppelijk kasteel was geworden. Het Oldehuis behoorde tot het machtsgebied van David van Bourgondië, maar bij de benoeming en beëdiging van de kastelein speelden ook de drie grote IJsselsteden een rol. Daarnaast traden aanzienlijke mannen uit de omgeving als medeondertekenaars op. De afspraken moesten voorkomen dat de versterking voor persoonlijke of politieke doeleinden werd gebruikt die strijdig waren met de belangen van Utrecht en de steden. Voor de inwoners van Vollenhove was een betrouwbaar kasteelbestuur belangrijk. Een militaire machtswisseling kon immers gevolgen hebben voor de rechtspraak, de veiligheid en de dagelijkse ontvangst van heffingen.

Deel 43 — Oorkonden, boerenerven en adellijke familieverbanden (1466–1470)

1 oktober 1466 — Een bisschoppelijke oorkonde wordt in Vollenhove uitgevaardigd

Op 1 oktober 1466 werd volgens het onderzoek naar het landsheerlijke bestuur onder David van Bourgondië een document te Vollenhove uitgevaardigd waarin Godard van Reede voorkomt. Hij wordt aangeduid als kastelein van Blankenborch en ambtman van Twente. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat Vollenhove een plaats bleef waar bestuurders uit verschillende delen van het Oversticht bij juridische of politieke aangelegenheden betrokken konden worden. De precieze inhoud van de akte vraagt nadere bestudering. Wel staat vast dat het bisschoppelijke bestuur over een netwerk van kastelen, ambtenaren en schriftelijke overeenkomsten beschikte. Het Oldehuis maakte deel uit van dit grotere bestuursstelsel.

7 november 1466 — Een schout van Kolderveen legt de verkoop van tien mud rogge vast

Op 7 november 1466 verklaarde Herman Pauwelszoon, schout van Kolderveen, dat Arend Lambertzoon, zijn vrouw Beerte en zijn moeder Wygmoet jaarlijks tien mud goede pachtrogge hadden verkocht aan Roelof Hesselszoon en diens vrouw Geertrud. De rogge werd berekend volgens de Zwolse maat en was verbonden aan een erf in Kolderveen. De akte is bijzonder omdat zij verschillende familieleden afzonderlijk noemt. De rechten van Wygmoet, de moeder van Arend, werden in de overdracht betrokken. Het document laat zien dat landbouwinkomsten verhandelbaar waren en dat zulke overeenkomsten schriftelijk werden vastgelegd. De aanwezigheid van een schout en getuigen moest de rechtsgeldigheid van de overdracht verzekeren.

1466–1470 — De boerderijen van het achterland leveren verhandelbare inkomsten

De oorkonde uit Kolderveen maakt duidelijk dat een boerderij meer kon vertegenwoordigen dan de grond en gebouwen alleen. Op een erf konden jaarlijkse verplichtingen rusten die aan andere personen werden betaald. Rogge kon daarmee een vastgestelde economische waarde vertegenwoordigen. De rechthebbende hoefde niet noodzakelijk zelf de akker te bewerken. Voor landbouwers betekende dit dat een gedeelte van hun oogst al bestemd kon zijn voor anderen. Ook erfgenamen konden aanspraak maken op dergelijke inkomsten. Deze rechtsverhoudingen zijn belangrijk voor de geschiedenis van het Land van Vollenhove, omdat veel aanzienlijke families hun bezit niet alleen uit woonhuizen en hoeven, maar ook uit afzonderlijke renten, pachten en tienden opbouwden.

7 juni 1470 — Tien edelen staan gezamenlijk garant voor een grote lijfrente

Op 7 juni 1470 verbonden tien aanzienlijke mannen zich aan een financiële regeling rond Willem van Buckhorst. Het ging om een lijfrente voor Swane van Buckhorst, de weduwe van Johan van Buckhorst. Onder de medeondertekenaars bevonden zich Herman Hagen, Gerrit van IJsselmuiden en Otto van den Rutenberg. Ook Wolter Stelling, Dirk van der Schulenborch, Geert van Wijtmen, Dirk van Voorst, Steven Kampherbeke en de broers Johan en Jacob van Ittersum worden genoemd. De overeenkomst toont hoe adellijke familieverbanden verschillende delen van Overijssel met elkaar verbonden. De betrokken mannen namen gezamenlijk verantwoordelijkheid voor een financiële verplichting die oorspronkelijk op een familierelatie berustte.

1470 — De borgstellers moeten met paarden en een knecht in Kampen verschijnen

De overeenkomst van 1470 bevatte een opmerkelijke bepaling voor het geval Willem van Buckhorst zijn verplichtingen niet nakwam. De tien borgstellers moesten dan op aanmaning in Kampen verschijnen, ieder met minstens twee rijpaarden en een knecht. Zij moesten verblijven in een eerzame herberg die door het stadsbestuur werd aangewezen. Daar mochten zij niet vertrekken voordat de financiële verplichtingen waren nagekomen. Deze vorm van zekerheidstelling maakte het voor aanzienlijke mannen bijzonder onaantrekkelijk om hun beloften te breken. Hun aanwezigheid in de herberg bracht immers aanzienlijke kosten met zich mee. De regeling toont hoe familie-eer, persoonlijke verplichtingen en financiële zekerheid in de vijftiende eeuw met elkaar verbonden waren.

Deel 44 — Adel, kerkelijke goederen en het bestuur onder David van Bourgondië (1470–1480)

1470 — Herman Hagen en Otto van den Rutenberg behoren tot een groter adellijk netwerk

De namen Herman Hagen en Otto van den Rutenberg in de borgstelling van 1470 zijn bijzonder waardevol voor het onderzoek naar de aanzienlijke families rond Vollenhove. Beide geslachten komen ook in oudere bronnen over grondbezit en bisschoppelijke dienst voor. Hun deelname aan dezelfde overeenkomst toont dat familiebelangen zich over verschillende plaatsen konden uitstrekken. Een edelman kon rechten bezitten op het platteland, verwant zijn aan families uit andere gebieden en tegelijkertijd betrokken worden bij financiële transacties van de IJsselsteden. Zulke verbindingen droegen bij aan de vorming van de Overijsselse ridderschap. De concrete rechten en verwantschappen van afzonderlijke personen moeten wel steeds aan de oorspronkelijke oorkonden worden getoetst.

1470–1475 — Kloosters en families strijden om de bestemming van erfenissen

In de vijftiende eeuw konden kloosters en religieuze gemeenschappen door schenkingen en erfenissen nieuwe bezittingen verwerven. Voor families betekende dit soms dat grond of geld buiten het eigen geslacht terechtkwam. Steden probeerden daarom regels vast te leggen die een onbeperkte overgang van goederen naar kloosters voorkwamen. In Kampen werd in 1470 bepaald dat bepaalde geërfde goederen niet blijvend in kloosterbezit mochten blijven, maar na het overlijden van de betrokken persoon opnieuw aan bloedverwanten moesten toevallen. Die regeling gold niet automatisch voor Vollenhove. Zij laat echter zien welke juridische vragen ook bij de goederen van Sint-Janskamp, Clarenberg en andere religieuze instellingen konden spelen.

1475 — De inkomsten uit land en pacht blijven bepalend voor de bisschoppelijke macht

Omstreeks 1475 was het bestuur van het Oversticht nog altijd sterk afhankelijk van inkomsten uit landbouwgrond, lenen, pachten, tollen en bijzondere heffingen. De bisschop beschikte over verschillende functionarissen die deze middelen moesten beheren. Voor Vollenhove waren de rentmeester en de schout bijzonder belangrijk. Zij hielden toezicht op verplichtingen die niet uitsluitend binnen de stad verschuldigd waren. De inkomsten uit verspreide gebieden konden worden gebruikt voor het onderhoud van kastelen, bestuurlijke werkzaamheden en andere uitgaven. Tegelijk beschikten aanzienlijke families en kloosters over eigen renten. Hierdoor bestonden verschillende economische systemen naast elkaar. Het onderscheid tussen grondbezit en het recht op inkomsten bleef voor de bevolking van grote betekenis.

1477 — David van Bourgondië moet rekening houden met de rechten van de Staten

In 1477 werd de verhouding tussen bisschop David van Bourgondië en de vertegenwoordigers van zijn gebied opnieuw onderwerp van onderhandelingen. In het Nedersticht werden onder meer afspraken gemaakt over de plaats waar bepaalde tollen mochten worden geheven. Een historische studie vermeldt dat David op 28 juli beloofde de tol van Wijk bij Duurstede naar Rhenen terug te brengen. Deze regeling betrof niet rechtstreeks Vollenhove, maar toont wel hoe landsheerlijke inkomsten aan politieke onderhandelingen onderworpen konden zijn. Ook de Overijsselse steden en ridderschap hadden belang bij de bescherming van bestaande rechten. De bisschop kon zijn financiële bevoegdheden niet zonder voortdurende weerstand of overleg uitbreiden.

Omstreeks 1480 — Vollenhove blijft verbonden met de handelswegen van de IJsselsteden

Voor de inwoners van Vollenhove waren verbindingen met Zwolle, Kampen en Deventer van groot belang. Over water konden grotere hoeveelheden goederen worden vervoerd, terwijl reizigers over land afhankelijk bleven van wegen, dijken en oversteekplaatsen. Via Genemuiden en het Zwarte Water bestonden verbindingen met Zwolle. De scheepvaart over de Zuiderzee bood contacten met andere kustgebieden. Het stadsbestuur beschikte over rechten op accijnzen en bepaalde tollen, terwijl de bisschop aanspraak hield op vastgestelde inkomsten. De ligging bood kansen voor handel, maar maakte Vollenhove ook afhankelijk van de veiligheid van de vaarroutes. Stormen, oorlogen en politieke geschillen konden het vervoer ernstig hinderen.

Deel 45 — De klokkentoren, het uurwerk en de voltooiing van de Grote Kerk (1480–1485)

Omstreeks 1480 — Naast de Sint-Nicolaaskerk verrijst een afzonderlijke klokkentoren

Volgens de plaatselijke bouwgeschiedenis verrees omstreeks 1480 bij de Grote Sint-Nicolaaskerk een afzonderlijke klokkentoren. De toren stond aan de Bovenplaats, niet ver van de Zuiderzee. Anders dan bij veel andere kerken maakte hij geen deel uit van het eigenlijke kerkgebouw. De lage, stevige toren kreeg meerdere geledingen en bood ruimte aan een klokkenstoel. De precieze bouwdatering is niet volledig zeker; monumentenbeschrijvingen verbinden de toren ook met het begin van de zestiende eeuw. De toren had zowel een religieuze als een praktische functie. Klokken konden de inwoners oproepen voor kerkdiensten, maar waren eveneens belangrijk voor het openbare leven van de stad.

Omstreeks 1480 — Een mechanisch uurwerk regelt het dagelijkse leven van de stad

Uit historisch onderzoek naar oude torenuurwerken blijkt dat Vollenhove waarschijnlijk al in de late vijftiende eeuw over een mechanisch uurwerk beschikte. Een uurwerk dat later in Lambertschaag terechtkwam, wordt rond 1480 gedateerd en is mogelijk afkomstig uit Vollenhove. Die herkomst is echter niet volledig bewezen. Mechanische torenuurwerken waren kostbare apparaten die door gespecialiseerde ambachtslieden werden vervaardigd. Zij konden de uren aangeven met behulp van een slagwerk op een klok. Voor de bevolking was een openbare tijdaanduiding van groot praktisch belang. Kerkdiensten, bestuurlijke bijeenkomsten en werkzaamheden konden hierdoor gemakkelijker worden afgestemd. Het onderhoud vereiste personen die het mechaniek konden controleren en opwinden.

1482 — Klokkengieter Geert van Wou vervaardigt een klok die later in Vollenhove voorkomt

In 1482 goot de beroemde klokkengieter Geert van Wou in Kampen een bronzen luidklok die later in Vollenhove werd aangetroffen. De klok droeg een Latijns opschrift met de namen Jezus, Maria en Johannes en de naam van de maker. Mogelijk was zij oorspronkelijk uit voorraad geleverd. De eerste plaats waar de klok in Vollenhove hing, is niet met zekerheid bekend. Historici hebben verschillende mogelijkheden genoemd, waaronder een kerkelijke toren, het oude raadhuis of een andere stedelijke voorziening. Later kwam zij terecht in de toren van de Mariakerk. De klok vormt een tastbaar voorbeeld van de verbinding tussen gespecialiseerde metaalbewerking in Kampen en het religieuze leven van Vollenhove.

12 juni 1484 — Vollenhove verschijnt opnieuw als plaats van bisschoppelijke bestuurszaken

Op 12 juni 1484 werd volgens een studie over het bestuur onder David van Bourgondië een document te Vollenhove uitgevaardigd waarin Tyman ten Bussche voorkomt als schout van Zwolle. De vermelding is opgenomen in een overzicht van de personen die bij het landsheerlijke bestuur betrokken waren. Zij laat zien dat Vollenhove aan het einde van de vijftiende eeuw een plaats bleef waar zaken werden behandeld die verder reikten dan het eigen stadsgebied. Vertegenwoordigers van andere steden konden hier bij bestuurlijke handelingen betrokken zijn. Het Oldehuis bood daarvoor een geschikte omgeving. De precieze inhoud van het document moet nog worden onderzocht, maar de datum vormt een waardevol aanknopingspunt.

1485 — De Grote Sint-Nicolaaskerk krijgt haar vrijwel voltooide laatgotische vorm

Omstreeks 1485 was de belangrijkste bouwfase van de huidige Grote Sint-Nicolaaskerk in Vollenhove voltooid. Het oudere kerkgebouw was in verschillende perioden vervangen en uitgebreid. De nieuwe kerk kreeg twee vrijwel even grote beuken, elk met een eigen koorafsluiting. De slanke zuilen, hoge vensters en houten tongewelven gaven het gebouw een monumentaal karakter. Het bijzondere visnetpatroon van de gewelven behoort tot de opvallendste kenmerken van de kerk. Niet alle onderdelen ontstonden tegelijkertijd. De sacristie, de traptoren en verschillende toegangen werden later toegevoegd. De voltooiing van de hoofdvorm maakte duidelijk welke middelen de kerkelijke gemeenschap gedurende de vijftiende eeuw had weten bijeen te brengen.

Deel 50 — Frederik van Baden en de benoeming van Georg Schenck (1497–1502)

1497–1500 — Frederik van Baden laat zijn gebieden door een reizende kanselarij besturen

Na zijn inhuldiging als bisschop van Utrecht bleef Frederik van Baden verantwoordelijk voor het bestuur van het Sticht en Oversticht. Hij beschikte over een kanselarij die met hem kon meereizen en waarin brieven, benoemingen en andere rechtshandelingen werden opgesteld. Zijn bestuur was in de eerste jaren betrekkelijk rustig. Anders dan zijn voorganger David van Bourgondië voerde Frederik aanvankelijk een minder sterk centraliserende politiek. Hij hield rekening met de bestaande rechten van de ridderschap en de steden. Voor Vollenhove betekende dit dat het Oldehuis een belangrijk landsheerlijk bestuurscentrum bleef. Plaatselijke functionarissen moesten inkomsten ontvangen, rechtspraak ondersteunen en de versterking onderhouden, ook wanneer de bisschop zelf elders verbleef.

1500 — Frederik van Baden reserveert 900 Rijnse goudguldens voor zijn nagedachtenis

In 1500 liet bisschop Frederik van Baden bijzondere bepalingen over de kerkelijke herdenking na zijn overlijden opnemen. Voor zijn memorie werd een bedrag van 900 Rijnse goudguldens gereserveerd. De geestelijken moesten volgens vastgestelde voorschriften nachtelijke gebedsdiensten en processies uitvoeren. Deze uitgaven tonen hoe nauw persoonlijk vermogen, religieuze verplichtingen en het bisschoppelijke ambt met elkaar verbonden waren. Een kerkvorst kon tijdens zijn leven vastleggen hoe hij na zijn overlijden herdacht wilde worden. De regeling had vooral betrekking op Utrecht, maar biedt inzicht in de financiële wereld van de landsheer die ook over Vollenhove regeerde. Het bestuur van Frederik kende daardoor zowel wereldlijke als omvangrijke kerkelijke verplichtingen.

1501 — De gevangeniskelders van het Oldehuis worden gebruikt voor geestelijke gevangenen

In een historische beschrijving van het Oldehuis wordt 1501 genoemd als een van de jaren waarin de gevangeniskelders werden gebruikt voor het opsluiten van geestelijken. Ook uit eerdere en latere eeuwen zijn dergelijke vermeldingen bekend. De Utrechtse bisschop bezat naast wereldlijke bevoegdheden een eigen kerkelijke rechtsmacht. Geestelijken die van ernstige overtredingen werden beschuldigd, konden daardoor volgens andere regels worden behandeld dan gewone burgers. Het Oldehuis bood ruimte voor tijdelijke bewaring. De precieze identiteit van de in 1501 opgesloten persoon en de aanleiding voor zijn gevangenschap worden in het geraadpleegde overzicht niet vermeld. Wel toont de vermelding dat de versterking nog altijd als plaats van kerkelijke rechtspraak en bewaring functioneerde.

1502 — Het vertrek van Herman Kruse opent de weg voor een nieuwe drost

Tot 1502 werd Vollenhove bestuurd door Herman Kruse, een functionaris uit Kampen die eerder eveneens een belangrijke plaats binnen het bisschoppelijke bestuur had ingenomen. Volgens een plaatselijk drostenoverzicht verbleef hij tijdens zijn laatste levensfase ziek in Sint-Jansklooster. Hij zou Georg Schenck van Toutenburg als zijn opvolger hebben aanbevolen. De vermelding laat zien hoe persoonlijke relaties invloed konden hebben op de benoeming van belangrijke bestuurders. Een landsheer moest iemand vinden die hij vertrouwde en die bovendien over voldoende aanzien beschikte om het Oldehuis te beheren. De functie bracht verantwoordelijkheid mee voor militaire verdediging, inkomsten en bestuurlijke zaken in een gebied waar verschillende adellijke families en steden belangen hadden.

17 november 1502 — Georg Schenck zweert trouw als drost van Vollenhove

Op 17 november 1502 legde Georg, ook Jurriaan genoemd, Schenck van Toutenburg in Zwolle de vereiste eed af als drost van Vollenhove. De gebeurtenis is vastgelegd in het register van Overijsselse ambtenaren van Anthony van Mierlo. Bij de plechtigheid waren Gerrit Mulert, rentmeester van Salland, Barthold van der Eze en Hendrik en Herman Hagen aanwezig. Schenck moest beloven het bisschoppelijke kasteel te bewaren overeenkomstig de privileges van Deventer, Kampen en Zwolle. De drie IJsselsteden hadden daarmee invloed op de voorwaarden waaronder het Oldehuis werd beheerd. Georg kreeg eveneens verantwoordelijkheden in Kuinre. Zijn benoeming betekende het begin van een lange en invloedrijke loopbaan in het noordelijke Oversticht.

Deel 51 — De familie Schenck en het dagelijkse leven op het Oldehuis (1502–1505)

1502 — Georg Schenck verbindt het drostambt met de heerlijkheid Kuinre

Frederik van Baden vertrouwde Georg Schenck niet uitsluitend het bestuur van Vollenhove toe. Hij werd ook met het kasteleinschap van Kuinre verbonden. De heerlijkheid was in 1407 door bisschop Frederik van Blankenheim aangekocht en had grote betekenis voor de noordelijke grens van het Oversticht. Vanuit Kuinre bestonden verbindingen met Friesland en de Zuiderzee. Voor Schenck betekende de combinatie van functies dat hij verantwoordelijkheden droeg in een uitgestrekt gebied met verschillende belangen. Hij moest rekening houden met de bisschoppelijke rechten, de veiligheid van de kastelen en de positie van plaatselijke families. Zijn huwelijk met Anna de Vos van Steenwijk versterkte bovendien zijn banden met de regionale adel.

1503 — Frederik Schenck wordt geboren en zal later aartsbisschop van Utrecht worden

In 1503 werd Frederik Schenck van Toutenburg geboren, een zoon van Georg Schenck en Anna de Vos van Steenwijk. Zijn geboorte wordt met Vollenhove verbonden. De jongen werd vermoedelijk genoemd naar bisschop Frederik van Baden, de beschermheer van zijn vader. De familie behoorde inmiddels tot de aanzienlijke kringen van het Oversticht. Frederik zou later een geestelijke loopbaan volgen en rechten studeren. In 1559 werd hij benoemd tot eerste aartsbisschop van Utrecht na de kerkelijke herindeling van de Nederlanden. Daarmee kreeg de familie Schenck niet alleen binnen het wereldlijke bestuur, maar ook binnen de hoogste kerkelijke organisatie een belangrijke positie. De geboorte vormt een vroeg beginpunt van deze latere ontwikkeling.

1504 — Georg Schenck verschijnt op de landdagen van de Overijsselse ridderschap

In 1504 verscheen Georg Schenck voor het eerst als riddermatige op de landdagen van de Overijsselse ridderschap. Deze bijeenkomsten waren belangrijk voor het overleg tussen de aanzienlijke families en het landsheerlijke bestuur. De ridderschap vertegenwoordigde een groep grondbezitters die aanspraak kon maken op bijzondere rechten en bestuurlijke invloed. Niet iedere edelman kreeg automatisch toegang. De erkenning van Schenck toont dat hij zijn positie in de regio had weten te versterken. Door zijn ambt en zijn huwelijk met Anna de Vos van Steenwijk beschikte hij over contacten binnen verschillende adellijke geslachten. Voor Vollenhove betekende dit dat de drost niet uitsluitend een buitenlandse dienaar van de bisschop bleef, maar steeds sterker deel ging uitmaken van de regionale machtsstructuur.

1504–1505 — De rekeningen tonen de stallen, voorraadkamers en werkplaatsen van het Oldehuis

Uit de rentmeestersrekening van 1504–1505 en de latere rekening van 1507–1508 blijkt hoe uitgebreid het Oldehuis inmiddels was ingericht. In de voorburg bevonden zich een lange stal en een afzonderlijke hoevemeestersstal. De daken van deze gebouwen waren met pannen bedekt, terwijl op het hoofdgebouw leien lagen. Binnen het kasteel waren onder meer een bottelarij, een melkkamer, een bakkerij en kelders voor vlees en bier aanwezig. De gebouwen waren dus niet uitsluitend bedoeld voor militaire verdediging. Zij moesten ook het dagelijkse leven van een grote huishouding mogelijk maken. Voedsel moest worden bereid, bewaard en verdeeld, terwijl paarden, wagens en andere middelen voortdurend verzorging nodig hadden.

1504–1505 — Een glazenmaker uit Kampen onderhoudt de vertrekken van de bisschop

De rekeningen van het Oldehuis noemen een glazenmaker uit Kampen die verschillende ramen controleerde en herstelde. Hij werkte onder meer bij de slotkapel, de poort, de kamer van de bisschop, de schrijfkamer, de zilverkamer en de kinderkamer. Ook bij de stenen wenteltrap, de bakkerij en andere vertrekken werden werkzaamheden verricht. Daarnaast moesten schoorstenen worden gereinigd in de keuken, de grote zaal en verwarmde kamers. Deze opsomming geeft een zeldzaam concreet beeld van het kasteel. Er waren ruimten voor bestuur, bewoning, voedselbereiding en religieuze diensten. Het inschakelen van een vakman uit Kampen toont bovendien dat het onderhoud van de bisschoppelijke residentie afhankelijk was van gespecialiseerde ambachtslieden uit andere steden.

Deel 52 — De Gelderse oorlogsdreiging en de stormvloed van 1507 (1505–1507)

1505 — De geboorte van Lodewijk Schenck vergroot het gezin van de drost

In 1505 werd Lodewijk Schenck van Toutenburg geboren, de tweede zoon van Georg Schenck en Anna de Vos van Steenwijk. De familie woonde in deze periode in de omgeving van het Oldehuis, waar Georg zijn werkzaamheden als drost vervulde. De geboorte van Lodewijk maakte de toekomst van het geslacht belangrijker, omdat meerdere zonen rechten en goederen konden erven. Voor aanzienlijke families werden opvoeding, huwelijken en mogelijke bestuurlijke of militaire loopbanen zorgvuldig overwogen. Lodewijk zou uiteindelijk niet oud worden. Volgens de plaatselijke genealogische overlevering overleed hij in 1526 in Spanje. Zijn levensgeschiedenis laat zien hoe de familie Schenck al vroeg verbindingen kreeg met gebieden buiten de Nederlanden.

1505–1507 — De strijd tussen Gelre en de Habsburgers bedreigt de handelswegen

Vanaf ongeveer 1505 namen de spanningen tussen hertog Karel van Gelre en de Habsburgse machthebbers opnieuw toe. Gelderse troepen voerden aanvallen uit in verschillende grensgebieden en probeerden hun invloed te behouden. Ook Kuinre werd volgens een plaatselijke historische beschrijving gedurende deze strijd een keer overrompeld. Voor Vollenhove waren de gevolgen belangrijk omdat reizigers en handelaren niet overal veilig konden passeren. De verbinding over land tussen Utrecht en het Oversticht liep door gebieden waar gewapende groepen actief waren. Daarom werd vervoer over de Zuiderzee soms als veiliger beschouwd. Ook schepen konden echter worden bedreigd, waardoor voor belangrijke transporten begeleiding door gewapende vaartuigen nodig kon zijn.

Najaar 1507 — Georg Schenck reist met twaalf gewapende begeleiders naar Wijk bij Duurstede

In het najaar van 1507 reisde Georg Schenck op bevel van bisschop Frederik van Baden vanuit Vollenhove naar Wijk bij Duurstede. Volgens zijn overgeleverde rekening vertrok hij rond Sint-Lambertusdag en gebruikte hij een Rijnschip met twaalf begeleiders. Zij moesten helpen de vracht tijdens de reis te beschermen. De tocht verliep over water, omdat de wegen door de Gelderse oorlogsdreiging niet overal veilig waren. In Wijk bij Duurstede verbleven Schencks dienaren in een herberg met de naam De Wildeman. De rekening vermeldt ook hun verblijfskosten. Daardoor weten we niet alleen dat Schenck naar de bisschop reisde, maar ook hoe het vervoer en de verzorging van zijn gevolg werden georganiseerd.

Oktober 1507 — Schenck raakt tijdens de terugreis bij Schokland door de storm ingesloten

Na toestemming om terug te keren reisde Georg Schenck via Utrecht naar Amsterdam. Daar moest hij twee nachten wachten omdat het weer slecht was. Vervolgens voer hij richting Vollenhove. Bij Ens op Schokland werd het gezelschap door zware storm en stijgend water overvallen. De waterstand werd zo hoog dat Schenck en zijn begeleiders hun toevlucht op de zolders moesten zoeken. Zij bleven daar een dag en een nacht. De overgeleverde rekening beschrijft hoe acht mannen hem uiteindelijk met een boot van de zolder ophaalden en naar een Rijnschip brachten. Deze gebeurtenis vormt een uitzonderlijk persoonlijk verslag van de gevaarlijke omstandigheden op en rond de Zuiderzee tijdens de stormvloed van 1507.

16 oktober 1507 — De Gallusvloed beschadigt de dijken rond Vollenhove

Op 16 oktober 1507 werd het Zuiderzeegebied getroffen door de zware stormvloed die bekendstaat als de Gallusvloed. Ook rond Vollenhove ontstond aanzienlijke schade. Georg Schenck kon na zijn verblijf op Schokland niet rechtstreeks naar de stad terugkeren. Via een schipper uit Ens bereikte hij De Noorde, bij de Barsbeker dijk. Daar moest hij overnachten omdat de dijken waren doorgebroken en zowel binnen als buiten de waterkeringen grote gebieden onder water stonden. De overstroming maakte duidelijk hoe kwetsbaar de verbindingen rond het Hoge Land waren. Het kasteel lag op hogere grond, maar wegen, weilanden en de lager gelegen buurtschappen konden door één zware storm onbereikbaar worden.

Deel 53 — Dijkherstel, veehandel en de toekomstige Toutenburg (1507–1511)

1507–1508 — Herman Holtiker en zijn arbeiders herstellen de dijk bij de Benten

Na de stormvloed moesten verschillende bisschoppelijke dijken worden hersteld. Bij de Benten, in de omgeving van Vollenhove, verzorgde Herman Holtiker gedurende zes dagen het vervoer van rijshout, staken, planken en palen met wagens en paarden. Hij kreeg daarvoor zes stuivers per dag bovenop zijn kost. Hendrik Engbertsen, Jacob Lammen, Bene Hugen en Roe Geert werkten vervolgens ieder zes dagen aan het verwerken van de materialen. Zij ontvingen drie stuivers per dag. Ook moest verloren dijkgrond worden aangevuld. Geert Jansen verrichtte daarvoor zeven dagen wagenwerk. De rekening toont precies hoe het herstel van een beschadigde waterkering werd georganiseerd. Verschillende personen kregen afzonderlijke werkzaamheden en betalingen toegewezen.

1507–1508 — De Barsbeker dijk wordt hersteld met hout, aarde en jonge wilgen

Ook de dijk bij Barsbeek was door de storm zwaar beschadigd. Herman Holtiker bracht gedurende negen dagen met zijn wagens en paarden rijshout, planken en palen aan. Hendrik Engbertsen, Bene Hugen, Jacob Lammen, Roe Geert en Egbert op de Borchgraven werkten ieder zes dagen aan het herstel. Zij verwerkten houten constructies en plantten jonge wilgen om de waterkering te verstevigen. Johan Gerritsen bracht gedurende tien dagen nieuwe aarde aan. Verder werden herstelwerkzaamheden aanbesteed bij de Grote Zijl, De Noorde en de Hofmaat. De totale schadepost voor de bisschoppelijke dijken werd berekend op 36 Rijnse guldens en 18 stuivers. Daarnaast moest ook het leien dak van het Oldehuis worden gerepareerd.

1507–1508 — Ossen en varkens worden vanuit Vollenhove naar andere markten vervoerd

De rekeningen van Georg Schenck geven ook een bijzonder beeld van de veehandel. Voor het vervoer van ossen over de Zuiderzee werden oorlogsschepen ingezet om de vracht tegen vijandelijke aanvallen te beschermen. Bij de stormvloed lukte het niet de dieren in te schepen. Later werd na onderhandelingen met Gelderse autoriteiten een vrijgeleide verkregen voor 54 ossen, die via Hattem en Elburg naar het Sticht werden gedreven. Ook vertrok vanuit Vollenhove een schip met ongeveer zeventig tot tachtig vette varkens naar de Eem. Deze dieren waren eerder uit Twente aangevoerd. De gegevens tonen dat Vollenhove een belangrijke schakel vormde tussen de veeteelt in het achterland en afnemers elders.

1509 — Georg Schenck koopt de havezate Batinge bij Dwingeloo terug voor zijn familie

In 1509 kocht Georg Schenck van Toutenburg de havezate Batinge bij Dwingeloo. Dit bezit was eerder verbonden geweest met de familie van zijn vrouw Anna de Vos van Steenwijk. Anna had Batinge in 1484 na het overlijden van haar vader Coenraad geërfd, maar het goed in 1495 aan een oom verkocht. Vervolgens was het via andere familieleden overgegaan. Door de aankoop in 1509 kwam Batinge opnieuw binnen haar directe familiekring terecht. Het huis was een versterkte adellijke woonplaats met bijbehorende gronden en rechten. Voor Georg betekende de aankoop dat zijn positie niet uitsluitend op zijn drostambt in Vollenhove berustte. Hij beschikte nu ook over een belangrijk particulier bezit in Drenthe.

1510–1511 — De geboorte van Maria Schenck en een grondgift buiten de Bentpoort

Omstreeks 1510 werd Maria Schenck van Toutenburg geboren, een dochter van Georg Schenck en Anna de Vos van Steenwijk. Zij zou later abdis van het klooster Rijnsburg worden. In 1511 kreeg haar vader van het stadsbestuur van Vollenhove een stuk grond ten zuiden van de stadsgracht, buiten de Bentpoort. De schenking werd gedaan uit erkentelijkheid voor zijn diensten als drost. Het terrein was daarvoor gebruikt als oefenplaats van de stedelijke schutterij en stond bekend als de Doelen. De ligging was belangrijk omdat Georg hier later een eigen residentie kon laten bouwen. Vanaf 1524 ontstond op deze plaats het kasteel Toutenburg, dat een van de grootste adellijke woonkastelen van het Oversticht zou worden.

Deel 54 — Leengoederen, Coevorden en de familie Van Westerholt (1512–1513)

16 mei 1512 — Georg Schenck ontvangt opnieuw grond in het kerspel Vollenhove

Op 16 mei 1512 werd Georg Schenck van Toutenburg beleend met een stuk grond in het kerspel Vollenhove. De belening wordt vermeld in het Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek, dat zijn loopbaan aan de hand van historische documenten reconstrueert. Georg was sinds 1502 betrokken bij het beheer van het Oldehuis en het bestuur van het Land van Vollenhove. Daarnaast beschikte hij door zijn huwelijk met Anna de Vos van Steenwijk over belangrijke familieverbindingen in Drenthe en Overijssel. De nieuwe belening versterkte zijn economische positie. Het bezit van grond was voor een edelman belangrijk, omdat inkomsten uit pacht en landbouw zijn huishouding en militaire verplichtingen konden ondersteunen.

1512 — Roelof van Münster bezet opnieuw het kasteel van Coevorden

In 1512 maakte Roelof van Münster zich opnieuw meester van het kasteel van Coevorden. Hij was eerder drost van Drenthe geweest, maar was met bisschop Frederik van Baden in conflict geraakt. Coevorden was een strategische versterking aan de zuidoostelijke toegang tot Drenthe. Wie het kasteel beheerste, kon belangrijke wegen en doorgangen controleren. De bisschop beschouwde het optreden van zijn voormalige dienaar als een aantasting van zijn rechten. Roelof vond daarentegen steun bij tegenstanders van Utrecht. Voor Vollenhove was deze machtsstrijd van betekenis omdat beide kastelen deel uitmaakten van het verdedigingsstelsel van het Oversticht. De gebeurtenissen herinnerden aan de oudere conflicten rond Coevorden en de Drentse gemeenschappen.

1513 — Het bisschoppelijke leger belegert Coevorden gedurende drie maanden

Volgens negentiende-eeuwse beschrijvingen van de Drentse geschiedenis werd Coevorden in 1513 gedurende ongeveer drie maanden belegerd. De bisschop kreeg steun van de drie Overijsselse steden Deventer, Kampen en Zwolle. De verdedigers probeerden de belegeraars met berichten over naderende versterkingen uit Oost-Friesland onzeker te maken. Uiteindelijk moesten zij het kasteel overgeven, mede doordat voedsel en andere voorraden uitgeput raakten. De strijd toont hoe belangrijk de samenwerking tussen bisschop en steden was. Zonder geld, manschappen en bevoorrading konden langdurige militaire ondernemingen moeilijk worden uitgevoerd. Ook Vollenhove bleef afhankelijk van zulke samenwerkingsverbanden, omdat het Oldehuis in vergelijkbare omstandigheden verdedigd zou moeten worden.

1513 — Everwijn van Bentheim krijgt het bestuur van Coevorden en Drenthe

Na de herovering van Coevorden benoemde bisschop Frederik van Baden, met instemming van de drie Overijsselse steden, graaf Everwijn van Bentheim en Steinfurt tot drost van Coevorden en Drenthe. Deze benoeming was van groot belang voor de verhouding tussen Utrecht en het Drentse gebied. Een drost vertegenwoordigde de landsheer bij rechtspraak, bestuur en militaire aangelegenheden. De betrokkenheid van Deventer, Kampen en Zwolle maakte duidelijk dat de bisschop zulke benoemingen niet zonder overleg kon regelen. Voor het Land van Vollenhove bestond een vergelijkbare situatie. Ook hier waren aanzienlijke functionarissen verantwoordelijk voor een versterkt bestuurscentrum. De geschiedenis van beide drostambten laat zien hoe Utrecht probeerde zijn verspreide gebieden te besturen.

1513 — Borchard van Westerholt trouwt met Roelofje de Vos van Steenwijk

In 1513 trouwde Borchard van Westerholt, een edelman uit Westfalen, met Roelofje de Vos van Steenwijk. Zij behoorde tot een aanzienlijke familie die goederen in Drenthe en Overijssel bezat. Door het huwelijk kreeg Borchard toegang tot het netwerk van de Vollenhoofse adel. Hij zou later een belangrijke bestuurlijke en militaire loopbaan opbouwen. Vanaf 1521 werd hij drost van Vollenhove en beheerder van het Oldehuis. Tijdens zijn bestuur werden delen van het kasteelcomplex vernieuwd. De huwelijksverbintenis toont hoe buitenlandse edelen zich door familiebanden in het Oversticht konden vestigen. Ook de familie van Georg Schenck was door een huwelijk met een dochter Van Steenwijk verbonden geraakt.

Deel 55 — De Vollenhoofse brouwers, de schout en de Mariakerk (1514)

1514 — Het stadsbestuur vernieuwt de voorschriften voor het brouwen van bier

In 1514 maakten de bestuurders van Vollenhove nieuwe afspraken met de plaatselijke bierbrouwers. De regeling bouwde voort op eerdere verordeningen uit 1498, vastgesteld onder Herman Kruse, en uit 1505, tijdens het bestuur van Georg Schenck. Daarmee blijkt dat het brouwen van bier al tientallen jaren aan stedelijke voorschriften was onderworpen. De regels hadden betrekking op de verkoop en prijs van het bier. Voor het stadsbestuur was dit belangrijk omdat bier een veelgebruikt consumptieproduct vormde. Bovendien konden brouwerijen inkomsten opleveren uit accijnzen. De ordonnantie toont dat de economische organisatie van Vollenhove niet uitsluitend werd bepaald door visserij en landbouw, maar ook door gespecialiseerde ambachtelijke productie.

1514 — Philip Crouwell, Arent te Watersteen en Geert Cock worden als brouwers genoemd

De bierverordening van 1514 noemt drie Vollenhoofse brouwers met naam: Philip Crouwell, Arent te Watersteen en Geert Cock. Zij moesten zich houden aan de bestaande en nieuwe voorschriften. In de akte werd onder meer bepaald dat een ton bier voortaan 25 stuivers kostte. Voor kleinere hoeveelheden werden afzonderlijke prijzen genoemd: een vane drie butkens en een kanne drie placken. De precieze inhoud van deze maten moet aan plaatselijke bronnen worden getoetst. De vermelding is bijzonder waardevol omdat zij concrete ambachtslieden zichtbaar maakt. Hun namen geven een beeld van de stedelijke beroepsbevolking, die in veel historische verhalen vrijwel uitsluitend achter de namen van bestuurders en edelen verborgen blijft.

1514 — Schout Wynolt Kost vertegenwoordigt Georg Schenck bij het stadsbestuur

Bij het vaststellen van de bierverordening trad Wynolt Kost als schout op namens Georg Schenck, de drost en ambtman van het Land van Vollenhove. Ook burgemeesters, schepenen, raad en gezworen gemeente waren bij de regeling betrokken. Dit laat zien dat de stad een eigen bestuurlijke organisatie bezat, maar bij belangrijke besluiten rekening moest houden met het landsheerlijke gezag. Wynolt Kost was eveneens betrokken bij de rechtspraak in Wanneperveen. Zijn naam komt in verschillende documenten uit het begin van de zestiende eeuw voor. Daardoor kunnen zijn werkzaamheden over meerdere jaren worden gevolgd. De bierverordening verbindt hem rechtstreeks met de economische belangen van de plaatselijke brouwers.

10 augustus 1514 — Theodericus Scouwen wordt benoemd aan het Sint-Andreasaltaar

Op 10 augustus 1514 werd meester Theodericus Scouwen benoemd tot vicaris van het Sint-Andreasaltaar in de Mariakapel van Vollenhove. De functie was vrijgekomen door het overlijden van Hesselus Volkeri. De voordracht kwam van Henricus ten Velde, pastoor van Vollenhove, en van Andreas en Thomas, erfgenamen van Fredericus de Maken. De benoeming laat zien dat afzonderlijke altaren binnen een kerk eigen geestelijken en inkomsten konden hebben. Ook erfgenamen van vroegere stichters konden invloed behouden op de voordracht van een nieuwe vicaris. De Mariakerk vormde hierdoor niet alleen een plaats waar burgers gezamenlijk diensten bijwoonden, maar ook een instelling waarin verschillende familiegebonden religieuze rechten bestonden.

3 november 1514 — Groningen erkent Karel van Gelre als landsheer

Op 3 november 1514 erkende de stad Groningen hertog Karel van Gelre als landsheer. Daarmee veranderden de politieke verhoudingen in het noorden ingrijpend. Groningen had eerder steun gezocht bij graaf Edzard van Oost-Friesland tegen de aanspraken van de Saksische machthebbers. Toen deze bescherming onvoldoende bleek, wendden de bestuurders zich tot Gelre. Voor bisschop Frederik van Baden was dit ongunstig. Hij had zelf aanspraken op Groningen en moest rekening houden met een steeds sterkere Gelderse tegenstander. De verbindingen tussen Drenthe, Friesland en het Oversticht werden daardoor opnieuw bedreigd. Vollenhove lag in een gebied waar militaire en politieke belangen van verschillende machthebbers dicht bij elkaar kwamen.

Deel 56 — De Mariakerk, het Overijsselse landrecht en de strijd om Friesland (1515–1516)

4 maart 1515 — Arnoldus Hammynck wordt benoemd aan de Mariakerk

Op 4 maart 1515 werd meester Arnoldus Hammynck benoemd tot de eeuwige kapellanie van Sint-Maria te Vollenhove. De functie was vrijgekomen door het overlijden van Ernestus van IJsselmuiden. Burgemeesters en schepenen van de stad hadden het recht een opvolger voor te dragen. De kerkelijke instelling gaf vervolgens opdracht de nieuwe geestelijke in zijn functie te bevestigen. Daarbij wordt Henricus ten Velde als deken genoemd. De akte maakt duidelijk dat het stadsbestuur nog altijd een belangrijke rol speelde bij de Mariakerk, die ruim negentig jaar eerder op initiatief van burgers was gesticht. De benoeming verbindt kerkelijke inkomsten, stedelijke rechten en individuele geestelijken met elkaar.

8 juni 1515 — De bisschop bespreekt de ontmanteling van de versterkingen bij Coevorden

Op 8 juni 1515 schreef bisschop Frederik van Baden over plannen om de versterkingen van Coevorden te verminderen. Zowel inwoners van Coevorden als vertegenwoordigers van Ridderschap en Steden hadden hun bezorgdheid uitgesproken. De bisschop verklaarde dat de werkzaamheden met hun eerdere instemming waren begonnen. Hij stemde ermee in dat de poorten bleven staan en dat de grachten niet werden gedempt, maar verlangde wel aanpassing van de wallen. Het document toont hoe moeilijk het was om de verdediging van een strategische plaats te veranderen. Een versterking kon bescherming bieden, maar eveneens een gevaar vormen wanneer zij in handen van een tegenstander viel. Vergelijkbare overwegingen speelden bij het Oldehuis.

9 augustus 1515 — Op het Oldehuis worden verbeteringen van het Overijsselse landrecht bezegeld

Op 9 augustus 1515 kwamen vertegenwoordigers van de ridderschappen van Salland, Twente en Vollenhove en van de steden Deventer, Kampen en Zwolle bijeen op het Oldehuis. Daar werden verbeteringen van het Overijsselse landrecht bezegeld. Het landrecht bevatte rechtsregels die voor het grotere gebied buiten de afzonderlijke stedelijke rechtsgemeenschappen van belang waren. De gebeurtenis toont hoe belangrijk Vollenhove als bestuurscentrum bleef. Hier werden niet uitsluitend plaatselijke geschillen behandeld, maar ook besluiten vastgelegd die het gehele Oversticht konden raken. De aanwezigheid van vertegenwoordigers uit verschillende kwartieren maakte bovendien duidelijk dat het bestuur berustte op onderhandelingen tussen ridderschap, steden en landsheerlijk gezag.

19 augustus 1515 — Georg Schenck verschijnt als raadsheer van Frederik van Baden

Op 19 augustus 1515 wordt Georg Schenck van Toutenburg in een historische biografische bron vermeld als raad van bisschop Frederik van Baden. Daarmee blijkt dat hij niet uitsluitend plaatselijke functies in Vollenhove vervulde. Hij behoorde ook tot de personen die de bisschop bij belangrijke bestuurlijke aangelegenheden konden adviseren. Georg combineerde zijn positie als drost met militaire ervaring en familieverbindingen binnen de Overijsselse adel. Zijn invloed was daardoor groter geworden dan bij zijn benoeming in 1502. Voor Vollenhove betekende dit dat de hoogste plaatselijke bestuurder rechtstreeks toegang had tot de omgeving van de landsheer. Zulke relaties konden van betekenis zijn bij benoemingen, geschillen en de toekenning van rechten.

1515–1516 — De overdracht van Friesland aan Karel van Habsburg vergroot de oorlogsdreiging

In 1515 droeg hertog Joris van Saksen zijn aanspraken op Friesland over aan Karel van Habsburg. Daarmee werd de strijd om Friesland onderdeel van het grotere conflict tussen Habsburg en Gelre. Karel van Gelre beschikte over steun in verschillende Friese gebieden en probeerde de Habsburgse uitbreiding tegen te houden. De feitelijke macht was daardoor verdeeld. Ook Groningen en Drenthe kregen met gewapende troepen en politieke onzekerheid te maken. Voor Vollenhove waren de ontwikkelingen belangrijk vanwege de verbindingen over de Zuiderzee en de routes naar het noordelijke achterland. Een schipper of handelaar moest rekening houden met verschillende machthebbers die aanspraken maakten op doorgangen, havens en goederen.

Deel 57 — Een nieuwe bisschop, Erasmus en het dagelijks bestuur van Vollenhove (1517–1520)

1517 — Frederik van Baden doet afstand van het bisschopsambt

In 1517 eindigde het bestuur van Frederik van Baden als bisschop van Utrecht. Zijn regering was steeds zwaarder belast geraakt door oorlogen, politieke geschillen en financiële verplichtingen. Onder invloed van Karel van Habsburg werd een regeling getroffen waarbij Frederik zijn bisschoppelijke positie afstond aan Filips van Bourgondië. Daartegenover stonden financiële afspraken en inkomsten voor de aftredende bisschop. Frederik trok zich terug en overleed op 24 september 1517 in Lier. Voor Vollenhove betekende zijn aftreden een belangrijke verandering. De nieuwe landsheer moest beslissen welke bestuurders hij zou handhaven. Georg Schenck bleef echter voorlopig verbonden met het Oldehuis en de bestuursfuncties die hij onder Frederik had verkregen.

6 december 1517 — Filips van Bourgondië schrijft vanuit het Oldehuis aan Erasmus

Op 6 december 1517 schreef bisschop Filips van Bourgondië vanuit zijn kasteel te Vollenhove een brief aan de humanist Desiderius Erasmus. De brief is bewaard gebleven in de correspondentie van Erasmus en vormt een bijzonder bewijs van de culturele betekenis van het Oldehuis. Filips bedankte Erasmus voor zijn schrijven en sprak zijn waardering uit voor diens werk Querela pacis, de Klacht van de Vrede. Hij moedigde Erasmus aan zijn wetenschappelijke werkzaamheden voort te zetten. De brief laat zien dat Vollenhove niet uitsluitend een militair en bestuurlijk centrum was. Vanuit het bisschoppelijke verblijf werden ook contacten onderhouden met internationaal bekende geleerden. Het Oldehuis maakte daarmee deel uit van de humanistische wereld van Europa.

10 juli 1518 — Georg Schenck ontvangt opnieuw een belening in Vollenhove

Op 10 juli 1518 werd Georg Schenck van Toutenburg opnieuw beleend met grond in het kerspel Vollenhove. Eerder was een belening uit 1512 vermeld. De twee documenten tonen dat Georg ook na de komst van bisschop Filips van Bourgondië zijn positie in de streek behield. Hij beschikte niet uitsluitend over bestuurlijke inkomsten uit het drostambt, maar verwierf daarnaast eigen rechten op land. Voor een adellijke familie waren zulke goederen belangrijk bij de opbouw van een blijvend vermogen. De verdere ontwikkeling van het bezit buiten de Bentpoort zou later leiden tot de bouw van Toutenburg. De exacte ligging en juridische voorwaarden van de belening uit 1518 verdienen controle aan de oorspronkelijke leenakte.

4 maart 1519 — Een erfpacht uit Barsbeek wordt voor de schout van Vollenhove overgedragen

Op 4 maart 1519 legde schout Wynolt Kost een rechtshandeling vast waarbij Peter Hermanszoon de Oude en zijn vrouw Eemze een jaarlijkse erfpacht van één mud winterrogge overdroegen aan Geert Gosenszoon en zijn vrouw Geze. De rogge kwam uit een erf bij Barsbeek. De akte noemt verschillende aangrenzende goederen, waaronder bezit van Willem Sloet en het goed Knaeholte. Ook de broeders van Sint-Janskamp worden genoemd als aangrenzende grondbezitters. Als keurnoten traden Johan Vos in de Leeuwte en Hendrik Evertsszoon op. De vermelding is waardevol omdat zij plaatselijke bewoners, vrouwen, landbouwgronden en juridische functies met elkaar verbindt. Zij toont bovendien hoe nauwkeurig de grenzen van een erf konden worden beschreven.

1520 — Filips van Bourgondië bevestigt het bestuur van Schenck en de rechten van Wynolt Kost

In 1520 werden verschillende bestuurlijke functies in het Land van Vollenhove opnieuw geregeld. Op 2 maart droeg bisschop Filips van Bourgondië het schoutambt van Wanneperveen op aan Wynolt Kost. Daarbij werd rekening gehouden met zestig Franse schilden die eerder waren betaald om een financiële last op het ambt af te lossen. Op 11 augustus vertrouwde Filips aan Georg Schenck opnieuw het kasteel, het drost- en rentmeestersambt van Vollenhove en het ambt Hasselt toe. Daarmee bleven beide mannen belangrijke vertegenwoordigers van het landsheerlijke bestuur. De regelingen tonen dat een nieuwe bisschop bestaande ambten niet eenvoudig liet verdwijnen. Benoemingen, financiële aanspraken en persoonlijke verplichtingen moesten opnieuw schriftelijk worden bevestigd.

Deel 58 — Het Oldehuis, de bisschoppelijke kapellen en een nieuwe drost (1521)

24 maart 1521 — Georg Schenck begint zijn nieuwe loopbaan als stadhouder van Friesland

Op 24 maart 1521 verscheen Georg Schenck van Toutenburg in Leeuwarden met zijn aanstelling als stadhouder van Friesland. Hij volgde Willem van Roggendorf op en kreeg van Karel V de opdracht de Habsburgse macht in Friesland te versterken. Schenck was sinds 1502 nauw verbonden geweest met Vollenhove, waar hij functies als drost, kastelein en rentmeester had bekleed. Door zijn nieuwe benoeming veranderde zijn positie ingrijpend. Hij werd verantwoordelijk voor militaire en bestuurlijke aangelegenheden in een gebied waar Karel van Gelre nog veel aanhangers had. Zijn familie en bezittingen bleven echter met Vollenhove verbonden. Het stadje zou later zelfs zijn belangrijkste particuliere residentie worden.

1521 — Een inventaris beschrijft het oratorium en de vertrekken van het Oldehuis

Uit 1521 is een uitvoerige beschrijving van het Oldehuis bewaard gebleven. Het gebouw tussen de toren en de poort telde vier vertrekken. Vanaf de poort kwam men eerst in het oratorium, een afzonderlijke ruimte voor gebed en geestelijke overweging. Hier stonden een zitbank en een vierkante tafel. Op de verdieping erboven bevond zich een bed met een dubbel matras, een peluw en een bruine wollen deken. De eigenlijke dagkamer van de bisschop lag aan de andere zijde van het binnenplein, in het gebouw dat later het Drostenhuis werd genoemd. Deze inventaris laat zien hoe het kasteel behalve voor verdediging ook voor bewoning en religieuze activiteiten was ingericht.

1521 — De nieuwe slotkapel bezit misboeken, gewaden en liturgische voorwerpen

In de inventaris van 1521 wordt een vertrek aangeduid als de Nieuwe Kapel. Daarnaast lag de gerfkamer, de ruimte waarin de benodigdheden voor de eredienst werden bewaard. Hier stonden een kast, een stoel, twee banken en een lessenaar. In de kast hingen onder meer een kazuifel, een albe, een manipel van rood fluweel en twee oudere kazuifels. Verder waren er twee misboeken, kandelaars, een wijwatervat en voorwerpen voor het gebruik tijdens de mis aanwezig. De vermelding geeft een uitzonderlijk beeld van het religieuze leven binnen een bisschoppelijke residentie. De kapel was geen afzonderlijke parochiekerk, maar maakte deel uit van de huishouding en het bestuur van het kasteel.

1521 — De oude kapel in de toren wordt gebruikt voor wapens en gevangenen

Dezelfde inventaris maakt duidelijk dat de oude slotkapel inmiddels een andere bestemming had gekregen. Het vertrek lag vermoedelijk in de grote woontoren en werd niet langer als gewone gebedsruimte gebruikt. Er stond een klein kanon met een voorraad buskruit. Daarnaast bevonden zich een handmolen en vier houten blokken waarmee gevangenen aan hun benen konden worden vastgezet. De combinatie van wapens en gevangenismiddelen toont hoe ruimtes binnen het Oldehuis gedurende de eeuwen veranderden. Een vroegere kapel kon haar religieuze functie verliezen wanneer elders een nieuwe gebedsruimte werd ingericht. Het kasteel bleef daardoor voortdurend aangepast aan nieuwe militaire, bestuurlijke en praktische behoeften.

23 november 1521 — Borchard van Westerholt wordt aangesteld om het Oldehuis te beschermen

Op 23 november 1521 werd Borchard van Westerholt, een Westfaalse edelman, aangesteld als kastelein van het Oldehuis. De steden Kampen en Deventer hadden op zijn benoeming aangedrongen omdat het kasteel onvoldoende beschermd was en gemakkelijk in vijandelijke handen kon vallen. Borchard was in 1513 getrouwd met Roelofje, ook Rudolpha genoemd, de Vos van Steenwijk. Daardoor bezat hij belangrijke familieverbindingen in Vollenhove en Drenthe. Zijn benoeming was opmerkelijk omdat het gebruikelijk was eerst overleg te voeren voordat een buitenstaander een dergelijke functie kreeg. De dreiging van Gelderse troepen woog echter zwaar. Borchard zou tot zijn overlijden in 1540 drost van Vollenhove blijven.

Deel 59 — De Gelderse oorlog en de strijd om de noordelijke kastelen (1522–1523)

1522 — Georg Schenck lijdt bij Genemuiden een zware nederlaag

In 1522 kwam Georg Schenck bij Genemuiden tegenover Gelderse troepen te staan. Zijn tegenstander was Casper van Merwick, die steun kreeg van hertog Karel van Gelre. Schenck had eerder vanuit het gebied rond Hasselt geprobeerd belangrijke versterkingen onder Habsburgse controle te brengen. Bij Genemuiden werd zijn leger echter verslagen. Volgens een oudere biografische beschrijving verloor hij een groot aantal manschappen en aanzienlijke hoeveelheden buit. Zelf raakte hij gewond en wist hij zich ternauwernood in veiligheid te brengen. De nederlaag was van grote betekenis voor het Oversticht. De Gelderse hertog kon opnieuw verschillende strategische plaatsen innemen. Voor Vollenhove betekende dit dat de oorlogsdreiging dicht bij de stad bleef.

1522 — De verwonding van Schenck zal hem jarenlang blijven achtervolgen

Tijdens de strijd bij Genemuiden werd Georg Schenck door een schot uit een vuurwapen getroffen. De verwonding aan zijn been genas volgens latere beschrijvingen nooit volledig. Er ontstond een langdurige aandoening die uiteindelijk met zijn overlijden in 1540 in verband werd gebracht. De gebeurtenis toont dat de oorlogvoering aan het begin van de zestiende eeuw sterk veranderde. Naast zwaarden, lansen en ander traditioneel wapentuig werden steeds vaker handvuurwapens gebruikt. Een getroffen bevelhebber kon ondanks een ernstige verwonding zijn loopbaan voortzetten, maar de gevolgen bleven soms jarenlang merkbaar. Schenck zou nog verschillende militaire ondernemingen leiden voordat hij zich uiteindelijk op zijn kasteel Toutenburg terugtrok.

1522 — Coevorden en Diepenheim komen opnieuw in Gelderse handen

De Gelderse overwinning bij Genemuiden maakte het mogelijk opnieuw invloed uit te oefenen op Coevorden en Diepenheim. Beide kastelen waren van groot strategisch belang. Coevorden beheerste een belangrijke toegang tot Drenthe, terwijl Diepenheim een versterking vormde aan de oostelijke zijde van Overijssel. In september 1522 werd Coevorden belegerd en uiteindelijk overgegeven. De Gelderse bevelhebber Johan Selbach kreeg daar vervolgens een belangrijke functie. Voor het Oversticht betekende deze ontwikkeling dat verschillende verbindingswegen opnieuw werden bedreigd. De steden en ridderschap konden niet meer vanzelfsprekend vertrouwen op de militaire bescherming van de bisschop. Deze onzekerheid zou enkele jaren later bijdragen aan hun beslissing om Karel V als landsheer te erkennen.

1523 — Georg Schenck probeert de Gelderse macht in Friesland te breken

In 1523 zette Georg Schenck zijn militaire ondernemingen in Friesland voort. Hij werkte daarbij samen met andere bevelhebbers die namens Karel V optraden. Workum werd opnieuw aangevallen en ingenomen. Tijdens de strijd raakten belangrijke gebouwen beschadigd, waaronder het versterkte huis dat met de naam Dwang-van-Workum werd verbonden. De oorlog speelde zich niet uitsluitend bij kastelen af. Ook dorpen, boerderijen en landbouwgronden kregen te maken met plunderingen en vernielingen. Voor het Habsburgse bestuur was beheersing van Friesland belangrijk vanwege de handelsverbindingen en de politieke positie van Groningen. Schenck probeerde de Gelderse bezettingen van elkaar af te snijden en afzonderlijk tot overgave te dwingen.

27 augustus 1523 — Dokkum valt en ook Sloten en Lemmer verliezen hun Gelderse steunpunten

Op 27 augustus 1523 werd Dokkum na een belegering door de troepen van Georg Schenck ingenomen. De versterkte stad was een van de belangrijkste overgebleven steunpunten van zijn tegenstanders in Friesland. Tijdens de gevechten liep Schenck opnieuw een verwonding op, ditmaal aan zijn schouder. Na Dokkum kwamen ook Sloten en de versterking bij Lemmer onder Habsburgse controle. Daarmee werd de Gelderse invloed in Friesland sterk teruggedrongen. Voor Vollenhove waren deze gebeurtenissen belangrijk vanwege de nabijheid van Lemmer en de vaarroutes over de Zuiderzee. Wanneer de noordelijke kustplaatsen onder dezelfde landsheer vielen, konden handelsverbindingen gemakkelijker worden beschermd. Toch bleef de Gelderse dreiging in andere delen van het noorden bestaan.

Deel 60 — Een nieuwe bisschop, de uitbreiding van Vollenhove en de bouw van Toutenburg (1524–1526)

7 april 1524 — Bisschop Filips van Bourgondië overlijdt op kasteel Duurstede

Op 7 april 1524 overleed bisschop Filips van Bourgondië op kasteel Duurstede. Hij had sinds 1517 het bisdom Utrecht bestuurd. Filips stond bekend om zijn belangstelling voor kunst, geleerdheid en het humanisme. In 1517 had hij vanuit het Oldehuis een brief aan Erasmus geschreven. Zijn overlijden vond plaats terwijl het Sticht en Oversticht zwaar onder druk stonden van de Gelderse oorlog. De Utrechtse kapittels moesten opnieuw een opvolger kiezen. Verschillende vorsten wilden invloed uitoefenen op deze beslissing, omdat de bisschop nog altijd over omvangrijke wereldlijke rechten beschikte. Voor Vollenhove betekende het overlijden dat de toekomst van het Oldehuis opnieuw afhankelijk werd van de machtsstrijd rond de bisschopszetel.

Mei 1524 — Hendrik van Beieren wordt gekozen als nieuwe bisschop van Utrecht

In mei 1524 kozen de Utrechtse kapittels Hendrik van Beieren als opvolger van Filips van Bourgondië. Hendrik behoorde tot het huis Wittelsbach en had al verschillende kerkelijke functies vervuld. Zijn verkiezing vond plaats in een periode waarin vorsten sterk probeerden de benoeming van bisschoppen te beïnvloeden. Karel V en Karel van Gelre hadden ieder hun eigen politieke voorkeuren. Hendrik moest een bisdom besturen dat financieel verzwakt was en waarvan verschillende gebieden door oorlogen werden bedreigd. Voor het Oversticht was zijn positie bijzonder moeilijk. De steden en ridderschap wilden hun oude rechten behouden, maar verlangden ook bescherming tegen Gelderse aanvallen. Deze tegenstrijdige belangen zouden zijn regering uiteindelijk ondermijnen.

1524 — Georg Schenck begint buiten de Bentpoort met de bouw van kasteel Toutenburg

In 1524 begon Georg Schenck van Toutenburg met de bouw van zijn nieuwe kasteel ten zuiden van de stad Vollenhove. Het terrein lag buiten de Bentpoort, op grond die hij in 1511 gedeeltelijk van het stadsbestuur had ontvangen. Daarnaast verwierf hij aangrenzende percelen, onder andere bij bezittingen van de familie Radinc en de zusters van Clarenberg. Het bouwwerk kreeg de naam Toutenburg, ontleend aan het voorouderlijke bezit van zijn familie bij Jena in Duitsland. Georg wilde hiermee een eigen residentie vestigen die niet afhankelijk was van zijn functie op het Oldehuis. De bouw werd in verschillende fasen uitgevoerd en duurde langer dan de eerste werkzaamheden deden vermoeden.

Omstreeks 1525 — De stadsgracht wordt verlegd en Vollenhove krijgt een nieuwe oostelijke toegang

Omstreeks 1525 veranderde de oostelijke stadsverdediging van Vollenhove. De stadsgracht werd verder naar het oosten verlegd. Daardoor moesten ook bestaande straten worden aangepast. De Nieuwestraat, later Kerkstraat genoemd, kreeg een gewijzigd verloop in de richting van de nieuwe Landpoort. Ook de Hofstraat of Achtersteeg, de latere Groenestraat, werd op deze toegang aangesloten. De vernieuwde verdediging omvatte bovendien nieuwe waltorens. Deze veranderingen waren belangrijk omdat de stad hierdoor een duidelijkere begrenzing kreeg. De situatie is later herkenbaar op de stadsplattegrond van Jacob van Deventer uit omstreeks 1560. De uitbreiding vond plaats terwijl buiten de stad ook het kasteel Toutenburg werd gebouwd.

17 november 1526 — Na het overlijden van Anna trouwt Georg Schenck met Johanna van Egmond

In 1526 overleed Anna de Vos van Steenwijk, de eerste vrouw van Georg Schenck. Zij had hem via haar familie belangrijke bezittingen in Drenthe en Overijssel gebracht, waaronder rechten op Batinge. Op 17 november 1526 trouwde Georg opnieuw, ditmaal met Johanna van Egmond, dochter van graaf Johan van Egmond. Daardoor ontstonden nieuwe familieverbindingen met de hogere adel van de Nederlanden. Johanna was verwant aan de familie van Willem van Nassau, de vader van Willem van Oranje. Uit het tweede huwelijk werden verschillende kinderen geboren, onder wie Karel, Jurriaan en Johan. De huwelijksverbintenis laat zien hoe Georg zijn positie niet alleen door militaire benoemingen, maar ook door familiebanden versterkte.

Deel 61 — De laatste bisschoppelijke oorlog en de overgang naar Karel V (1527–1528)

Juni 1527 — Ernst Schenck sneuvelt tijdens de strijd bij Hattem

In juni 1527 probeerden Georg Schenck en zijn medestanders de Gelderse positie bij Hattem aan te vallen. Daarbij sneuvelde zijn broer Ernst Schenck. Volgens de familiegeschiedenis werd Ernst vervolgens begraven in de Sint-Michaëlskerk van Zwolle. Ook een andere broer, Willem Schenck, was betrokken bij militaire ondernemingen in de Nederlanden. De dood van Ernst maakte duidelijk dat de langdurige oorlog niet uitsluitend onbekende soldaten trof. Ook aanzienlijke families verloren verwanten tijdens de strijd. Hattem lag aan de IJssel en was strategisch belangrijk vanwege de verbinding met Gelderland. De pogingen om deze plaats te veroveren stonden in verband met de bredere strijd tussen de Habsburgers en Karel van Gelre.

27 november 1527 — Hendrik van Beieren zoekt bescherming bij het Habsburgse bestuur

In 1527 verslechterde de positie van bisschop Hendrik van Beieren sterk. Tijdens conflicten in Utrecht kregen zijn tegenstanders steun van Gelderse troepen. Hendrik beschikte niet over voldoende militaire middelen om zijn gebieden zelfstandig te beschermen. Op 27 november 1527 kwam daarom bij Schoonhoven een overeenkomst tot stand waarbij Habsburgse hulp werd toegezegd. Daartegenover moest de bisschop ingrijpende voorwaarden aanvaarden met betrekking tot zijn wereldlijke rechten. Voor het Oversticht betekende dit een keerpunt. De bestaande landsheer kon zijn gezag niet langer zonder steun van een machtige vorst handhaven. De vertegenwoordigers van Overijssel begonnen daarom rechtstreeks te onderhandelen over een overgang naar Karel V.

7 januari 1528 — Ridderschap en Steden van Overijssel aanvaarden Karel V als nieuwe landsheer

Op 7 januari 1528 sloten de Staten van Overijssel een overeenkomst waarbij zij Karel V als hun nieuwe erfheer aanvaardden, onder voorwaarden die verband hielden met de toestemming van de bisschop. De vertegenwoordigers verlangden bescherming tegen de Gelderse troepen en bevestiging van hun bestaande vrijheden, gewoonten en privileges. Karel moest zich bovendien inzetten voor het terugwinnen van gebieden die aan Overijssel waren onttrokken. Voor Vollenhove betekende deze overeenkomst het einde van een eeuwenlange politieke ontwikkeling waarin de bisschoppen van Utrecht als wereldlijke landsheren hadden opgetreden. De overgang verliep niet door één eenvoudige handeling, maar via afspraken, erkenningen en militaire ondersteuning. Het Oversticht kreeg daarmee een nieuwe plaats binnen de Habsburgse Nederlanden.

21 maart 1528 — Georg Schenck wordt namens Karel V als stadhouder in Kampen erkend

Op 21 maart 1528 werd Georg Schenck van Toutenburg in Kampen als vertegenwoordiger van Karel V gehuldigd. De nieuwe machtsverhouding maakte hem tot een van de belangrijkste bestuurders van Overijssel. Kort daarna, op 31 maart, werd hij ook in Zwolle plechtig ontvangen. De steden verwachtten dat de nieuwe landsheer hun privileges zou beschermen en voor meer veiligheid zou zorgen. Voor Georg betekende de benoeming dat zijn invloed verder reikte dan Friesland. Vollenhove kreeg daardoor een bijzondere positie. De voormalige drost van het Oldehuis was nu de vertegenwoordiger van de keizer in een groter gebied. Zijn eigen kasteel Toutenburg zou uitgroeien tot een belangrijk centrum van dat bestuur.

3 oktober 1528 — De vrede van Gorinchem bevestigt de nieuwe machtsverhoudingen

Op 3 oktober 1528 werd de vrede van Gorinchem gesloten tussen Karel V en hertog Karel van Gelre. De Gelderse hertog moest zijn aanspraken op het Nedersticht en Oversticht opgeven. Daarmee werd de overgang naar Habsburgs bestuur politiek bevestigd. Niet alle noordelijke gebieden kwamen onmiddellijk onder rechtstreekse controle van Karel V. Groningen, de Ommelanden, Drenthe en Coevorden bleven voorlopig afzonderlijke strijdpunten. Voor Vollenhove was de verandering desondanks ingrijpend. De bisschop behield een kerkelijke positie, maar verloor zijn wereldlijke landsheerlijke macht. Het Oldehuis bleef bestaan als bestuurlijk en militair centrum, terwijl de nieuwe stadhouder Georg Schenck steeds belangrijker werd voor het gehele noordelijke gebied.

Deel 62 — Toutenburg, stedelijke huizen en de bestuurlijke macht van de stadhouder (1529–1532)

1529 — Het kerkelijke bestuur en het wereldlijke bestuur raken verder gescheiden

Na de overdracht aan Karel V moest de organisatie van het voormalige bisdom Utrecht opnieuw worden ingericht. De bisschop verloor zijn wereldlijke macht, maar de kerkelijke functies verdwenen niet. In 1529 kreeg Willem van Enckenvoirt de Utrechtse bisschopszetel. Hij behoorde tot de invloedrijke geestelijken aan het pauselijke hof. Voor Vollenhove betekende de scheiding dat de landsheerlijke bevelen voortaan vanuit het Habsburgse bestuur kwamen, terwijl de kerken onder de bestaande kerkelijke organisatie bleven vallen. De Grote Kerk, de Mariakerk en de religieuze instellingen hielden daardoor hun eigen geestelijke verantwoordelijkheden. De drost, de stadhouder en de stedelijke bestuurders moesten voortaan rekening houden met deze veranderde verdeling van bevoegdheden.

1529–1530 — Toutenburg groeit uit tot een woonkasteel met grachten en torens

Tijdens de jaren na 1528 vorderde de bouw van kasteel Toutenburg buiten de Bentpoort. Georg Schenck liet een omvangrijk complex aanleggen met een vrijwel vierkante plattegrond. Aan de westzijde kwam een indrukwekkende toegang tussen torens. De oostelijke hoeken kregen eveneens torens, later herkenbaar aan hun bijzondere bekroningen. Het kasteel werd omgeven door water en was via een brug bereikbaar. De vertrekken werden ondergebracht in verschillende bouwdelen rond een binnenplaats. Hoewel Toutenburg het uiterlijk van een sterke burcht kreeg, was het vooral een representatief woonkasteel. De muren waren voor moderne belegeringskanonnen niet uitzonderlijk zwaar. De aanleg onderstreepte vooral de maatschappelijke positie en rijkdom van de stadhouder.

Omstreeks 1530 — Het huis Eckelenboom aan de Bisschopstraat wordt uitgebreid

Omstreeks 1530 begon een belangrijke bouwfase aan het huis Eckelenboom, op de hoek van de Bentstraat en de Bisschopstraat. Het oudste gedeelte van het gebouw stamde uit de vijftiende eeuw. Volgens bouwhistorisch onderzoek werd tussen ongeveer 1530 en 1540 aan de zuidzijde een nieuwe vleugel toegevoegd. Hierbij verdween een oudere topgevel aan de oostkant. Eckelenboom stond ook bekend als het Wittenhuis. Het was een van de grotere stedelijke huizen van Vollenhove. De uitbreiding is belangrijk omdat zij laat zien dat niet uitsluitend kastelen en havezaten werden vergroot. Ook binnen de stad beschikten aanzienlijke bewoners over voldoende middelen om hun woonhuizen te vernieuwen en uit te breiden.

1531 — Een nieuwe bouwfase geeft Toutenburg zijn monumentale toegang

In 1531 begon volgens een bewaard opschrift boven een van de poorten opnieuw een belangrijke bouwfase van Toutenburg. De hoofdbouw was inmiddels ver gevorderd, al zouden latere werkzaamheden nog tientallen jaren doorgaan. Het kasteel beschikte over onderkelderde bouwdelen, woonvertrekken en een indrukwekkend poortgebouw. Bij de ingang konden bezoekers zien dat de eigenaar niet zomaar een plaatselijke edelman was. Georg Schenck vertegenwoordigde Karel V en had grote invloed op het bestuur van Friesland en Overijssel. Het kasteel droeg de naam van zijn voorouderlijke bezit in het Duitse gebied bij Jena. Daarmee verbond de stadhouder zijn afkomst met zijn nieuwe machtspositie in de Nederlanden.

1531 — Georg Schenck wordt ridder in de Orde van het Gulden Vlies

In 1531 werd Georg Schenck van Toutenburg opgenomen in de Orde van het Gulden Vlies. De plechtigheid vond plaats tijdens het kapittel van de orde in Doornik. Het Gulden Vlies behoorde tot de belangrijkste ridderorden van Europa en stond onder bescherming van de Habsburgse vorsten. Het lidmaatschap was voorbehouden aan een beperkte groep aanzienlijke personen. Georg bevond zich daardoor in een gezelschap van koningen, vorsten en hoge edelen. De onderscheiding vormde een erkenning van zijn militaire prestaties en zijn trouw aan Karel V. Voor Vollenhove was dit bijzonder, omdat de eigenaar van Toutenburg nu tot een van de meest prestigieuze adellijke netwerken van Europa behoorde.

Deel 63 — De vroege Reformatie en de opkomst van de wederdopers (1532–1535)

1532–1533 — De nieuwe geloofsbewegingen bereiken ook het noordelijke Oversticht

In de jaren dertig van de zestiende eeuw verspreidden nieuwe religieuze opvattingen zich door de noordelijke Nederlanden. Naast de ideeën van Luther ontstonden bewegingen waarin de doop van volwassen gelovigen centraal stond. Deze groepen worden in historische bronnen vaak wederdopers genoemd. De aanhangers waren onderling verdeeld en hadden niet allemaal dezelfde opvattingen over geweld en maatschappelijk bestuur. In het noordelijke Oversticht ontstonden contacten tussen gelovigen uit verschillende steden en dorpen. Giethoorn en Steenwijk worden in latere bronnen genoemd als plaatsen waar dergelijke ideeën aanhang kregen. Voor het katholieke bestuur vormde deze ontwikkeling een bedreiging voor de bestaande kerkelijke orde en de traditionele maatschappelijke verhoudingen.

Maart 1534 — Schepen met wederdopers worden bij Genemuiden tegengehouden

In maart 1534 trokken grote groepen wederdopers vanuit Holland, Zeeland en Vlaanderen richting Zwolle. Zij wilden zich aansluiten bij geloofsgenoten die naar Münster wilden reizen. Een deel van hen kwam over water. Bij Genemuiden werden hun schepen echter tegengehouden. De vaartuigen werden in beslag genomen en de opvarenden kregen opdracht terug te keren. De gebeurtenis toont hoe belangrijk de waterverbindingen door het noordelijke Oversticht waren. Niet alleen goederen en soldaten maakten gebruik van de routes tussen de Zuiderzee en Zwolle. Ook religieuze bewegingen konden zich via dezelfde wegen verspreiden. Voor de bestuurders vormde de doortocht een ernstig veiligheidsvraagstuk, omdat Münster inmiddels het centrum van een radicale wederdopersbeweging was geworden.

1534 — In Zwolle worden ongeveer honderd wederdopers gearresteerd

Ook in Zwolle werd in 1534 tegen de wederdopers opgetreden. Volgens de regionale geschiedschrijving werden ongeveer honderd personen gevangengenomen. Zeven leiders werden terechtgesteld. De harde maatregelen hingen samen met de angst voor de ontwikkelingen in Münster, waar een radicale wederdopersbeweging het stadsbestuur had overgenomen. De autoriteiten in Overijssel vreesden dat vergelijkbare gebeurtenissen ook in hun gebied konden plaatsvinden. Toch mogen niet alle wederdopers met de gewelddadige beweging in Münster worden vereenzelvigd. Veel aanhangers wilden vooral hun geloof op een andere manier beleven. Voor Vollenhove en de omringende dorpen betekenden de vervolgingen dat religieuze overtuigingen steeds vaker aanleiding konden geven tot gerechtelijke onderzoeken en zware straffen.

30 maart 1535 — Wederdopers bezetten het klooster Bloemkamp bij Bolsward

Op 30 maart 1535 bezette een groep wederdopers de cisterciënzerabdij Bloemkamp, ook Oldeklooster genoemd, bij Bolsward. De kloosterbewoners werden verdreven en religieuze voorwerpen beschadigd. De bezetters probeerden van het complex een versterkte verblijfplaats te maken. Zij gebruikten daarbij de muren en gebouwen van de abdij. Het optreden vond plaats tegen de achtergrond van de strijd rond Münster. Voor het Habsburgse bestuur was de bezetting onaanvaardbaar. Georg Schenck kreeg de opdracht tegen de groep op te treden. De gebeurtenis laat zien hoe religieuze conflicten in korte tijd een militair karakter konden krijgen. Een bestaand klooster werd hierdoor veranderd in een plaats waar gewapende confrontaties dreigden.

1535 — Georg Schenck heroverde Bloemkamp en laat de overlevenden zwaar straffen

Georg Schenck trok in 1535 met zijn troepen tegen de wederdopers in Bloemkamp op. Na een gewelddadige confrontatie werd het klooster heroverd. Een deel van de bezetters kwam tijdens de strijd om het leven. Overlevenden werden gevangengenomen en vervolgens zwaar gestraft. Historische beschrijvingen noemen ophanging, onthoofding en verdrinking. Ook vrouwen behoorden tot de slachtoffers van de vervolging. De gebeurtenissen tonen een harde kant van het optreden van de stadhouder. Dezelfde man die in Vollenhove een indrukwekkend woonkasteel liet bouwen, was verantwoordelijk voor militaire en gerechtelijke acties tegen religieuze tegenstanders. De herovering van Bloemkamp werd in de Habsburgse omgeving als herstel van de orde beschouwd, maar ging met groot menselijk leed gepaard.

Deel 64 — Groningen, Drenthe en de vervolging van geloofsgroepen (1536–1539)

8 juni 1536 — Groningen erkent Karel V en ontvangt Georg Schenck als vertegenwoordiger

Op 8 juni 1536 kwam een overeenkomst tot stand waarbij de stad Groningen zich aan Karel V onderwierp. Georg Schenck trad daarbij op als vertegenwoordiger van de keizer. De voorwaarden werden schriftelijk vastgelegd en omvatten afspraken over rechten, privileges en het bestuur. Daarmee kwam een einde aan een periode waarin Groningen sterk onder invloed van Gelre had gestaan. De overeenkomst werd op 26 juni door vertegenwoordigers van de stad en Ommelanden bevestigd. Voor Vollenhove was deze ontwikkeling bijzonder belangrijk. De eigenaar van Toutenburg werd nu ook een van de belangrijkste bestuurders van Groningen. Daarmee groeide zijn invloed over een groot gedeelte van de noordelijke Nederlanden.

September 1536 — Delfzijl en Appingedam komen onder Habsburgs gezag

Na de onderwerping van Groningen richtte Georg Schenck zijn aandacht op andere versterkte plaatsen in de Ommelanden. In september 1536 kwamen onder meer Appingedam en Delfzijl onder Habsburgse controle. Voor Appingedam is een overgaveverdrag van 6 september bewaard gebleven. Delfzijl was vooral belangrijk vanwege zijn ligging aan de monding van de Eems. Vanuit deze plaats konden verbindingen over water en langs de kust worden gecontroleerd. Bij de militaire ondernemingen werden verschillende versterkingen aangepast of afgebroken. De veroveringen betekenden dat de Gelderse invloed in het gebied verder werd teruggedrongen. Voor Schenck vormden zij een belangrijke stap in de uitbreiding van zijn bestuurlijke macht.

10 november 1536 — Het kasteel van Coevorden wordt aan Georg Schenck overgegeven

Op 10 november 1536 moest Johan Selbach, de Gelderse bevelhebber van Coevorden, het kasteel overgeven aan Georg Schenck. De versterking was sinds 1522 een belangrijk steunpunt van Gelre geweest. Door de herovering kwam de strategische toegang tot Drenthe weer onder Habsburgse controle. Schenck kreeg vervolgens ook belangrijke bestuurlijke functies in Drenthe en Coevorden. Zijn macht beperkte zich daardoor niet langer tot Friesland en Overijssel. De herovering was eveneens van betekenis voor reizigers en handelaren die de wegen tussen het noorden en het oosten gebruikten. Coevorden beheerste immers een doorgang die tijdens oorlogen gemakkelijk door een vijandelijke kasteelbezetting kon worden afgesloten.

1536–1537 — Georg Schenck krijgt ook invloed op Wedde, Westerwolde en Diepenheim

De veroveringen van 1536 versterkten de positie van Georg Schenck in verschillende grensgebieden. Hij verkreeg rechten op de heerlijkheid Wedde en Westerwolde, terwijl ook Diepenheim opnieuw onder Habsburgse controle kwam. Het huis te Wedde was een belangrijke versterking aan de oostelijke zijde van Groningen. Schenck liet het complex verder aanpassen en zijn familiewapen aanbrengen. Diepenheim had eveneens lange tijd een rol gespeeld in de strijd tussen Gelre en Utrecht. De herovering maakte duidelijk dat kastelen meer waren dan adellijke woonplaatsen. Zij boden gelegenheid om wegen, belastingen en rechtsgebieden te beheersen. Vanuit zijn bezittingen in Vollenhove kon Schenck nu beschikken over een uitgebreid netwerk van bestuurlijke steunpunten.

1538 — De bekentenis van Jan van Batenburg noemt geloofsgenoten in Giethoorn en Steenwijk

In 1538 werd Jan van Batenburg, leider van een gewelddadige wederdopersgroep, in Vilvoorde verhoord. Tijdens zijn bekentenis noemde hij personen in Giethoorn en Steenwijk die mogelijk met de beweging verbonden waren. Onder de namen uit Giethoorn komen heer Bartel, heer Gerrit Roelof en Jan Scheel voor. Van Batenburg verklaarde echter niet zeker te weten of zij daadwerkelijk waren herdoopt. De bekentenis leidde tot nieuwe belangstelling van de autoriteiten voor het noordwestelijke Oversticht. Philips van Uytwijck werd als onderzoeker naar Overijssel gezonden en moest samenwerken met de stadhouder en de drost van Vollenhove. Het document toont dat de religieuze onrust ook de kleine dorpen en watergebieden rond Vollenhove had bereikt.

Deel 65 — Het overlijden van Georg Schenck en de opvolging op het Oldehuis (1540–1541)

2 februari 1540 — Georg Schenck van Toutenburg overlijdt op zijn kasteel in Vollenhove

Op 2 februari 1540 overleed Georg Schenck van Toutenburg op zijn kasteel bij Vollenhove. Volgens verschillende historische bronnen waren de gevolgen van de verwonding die hij in 1522 bij Genemuiden had opgelopen een belangrijke oorzaak van zijn overlijden. Hij had een uitzonderlijke loopbaan achter de rug. Vanuit het drostambt van Vollenhove was hij opgeklommen tot stadhouder van Friesland, Overijssel, Groningen en Drenthe. Bovendien was hij ridder van het Gulden Vlies geworden en had hij omvangrijke bezittingen verworven. Zijn overlijden betekende dat de noordelijke Nederlanden een belangrijke militaire en bestuurlijke figuur verloren. Voor Vollenhove eindigde de periode waarin Toutenburg de persoonlijke residentie van deze machtige stadhouder was.

17 maart 1540 — Georg Schenck wordt in de Grote Kerk van Vollenhove begraven

Op 17 maart 1540 werd Georg Schenck van Toutenburg bijgezet in de Grote Sint-Nicolaaskerk van Vollenhove. Zijn graf bevond zich volgens de plaatselijke geschiedschrijving onder het hoge koor, in de grafkelder die met Toutenburg verbonden was. Bij de plechtigheid waren aanzienlijke personen uit Overijssel en vertegenwoordigers van de drie IJsselsteden aanwezig. Georg werd naast zijn eerste vrouw Anna de Vos van Steenwijk begraven. Zijn dood maakte een nieuwe bestuurlijke benoeming noodzakelijk. Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren, volgde hem als stadhouder in de noordelijke gebieden op. Toch bleef Toutenburg als familiebezit bestaan. De erfgenamen van Georg behielden daardoor een belangrijke plaats binnen de Vollenhoofse adel.

17 december 1540 — Drost Borchard van Westerholt overlijdt

Op 17 december 1540 overleed Borchard van Westerholt, die sinds 1521 drost van Vollenhove was geweest. Hij had de overgang van bisschoppelijk naar Habsburgs bestuur meegemaakt en vervulde zijn functie zowel onder de laatste bisschoppen als onder Karel V. Tijdens zijn bestuur werden delen van het Oldehuis vernieuwd en gemoderniseerd. Borchard behoorde door zijn huwelijk met Roelofje de Vos van Steenwijk tot een aanzienlijk familienetwerk. Hij werd begraven in de Grote Sint-Nicolaaskerk, waar zijn grafzerk bewaard is gebleven. Zijn overlijden volgde nog geen jaar na dat van Georg Schenck. Daardoor verdwenen in korte tijd twee bestuurders die gedurende tientallen jaren een belangrijke plaats in het Land van Vollenhove hadden ingenomen.

14 juni 1541 — Herman van Westerholt krijgt het drost- en rentmeestersambt van Vollenhove

Op 14 juni 1541 werd Herman van Westerholt benoemd tot drost en rentmeester van Vollenhove en het ambt Hasselt. De benoeming is terug te vinden in de archiefinventaris van het Nationaal Archief. Herman was waarschijnlijk een zoon van Borchard van Westerholt en Rudolpha de Vos van Steenwijk. Door zijn benoeming bleef het drostambt binnen hetzelfde familienetwerk. Hij moest toezien op de uitvoering van landsheerlijke rechten, het beheer van inkomsten en de rechtspraak in het gebied. De functie omvatte bovendien verantwoordelijkheden rond het Oldehuis. Herman zou het ambt tot 1552 bekleden. Zijn latere bestuur werd gekenmerkt door conflicten over de vervolging van wederdopers en de behandeling van verdachten uit Giethoorn.

1541 — Johanna van Egmond overlijdt en de jonge erfgenamen blijven op Toutenburg achter

In augustus 1541 overleed Johanna van Egmond, de tweede vrouw van Georg Schenck van Toutenburg. Zij was na zijn dood met meerdere jonge kinderen achtergebleven. Haar zoon Karel was nog minderjarig. Ook de positie van de andere erfgenamen moest worden geregeld. Uit het eerste huwelijk van Georg waren Frederik Schenck, die een geestelijke loopbaan volgde, en Maria Schenck, later abdis van Rijnsburg, nog in leven. De verdeling van het vermogen bracht daardoor verschillende familietakken bij elkaar. Tot de nalatenschap behoorden grote bezittingen en inkomsten in meerdere gewesten. Toutenburg bleef voor de familie van bijzondere betekenis, maar het beheer ervan zou voortaan door erfgenamen en vertegenwoordigers worden voortgezet.

Deel 66 — De erfenis van Toutenburg en het einde van de Gelderse oorlogen (1542–1543)

1542 — Bij de Bentpoort wordt een nieuwe toegang tot Toutenburg gebouwd

In 1542 werd bij de Bentpoort van Vollenhove een kleine toegangspoort gebouwd aan het begin van de oprijlaan naar kasteel Toutenburg. Deze laan zou later bekendstaan als de Donkere Allee. Het kasteel was gesticht door Georg Schenck van Toutenburg, die in 1540 was overleden. De nieuwe toegang maakte deel uit van het omvangrijke adellijke complex buiten de stadsgracht. Bezoekers die vanaf Vollenhove naar Toutenburg reisden, kwamen via deze route bij het woonkasteel. Van de kleine poort zijn geen herkenbare resten bewaard gebleven. De vermelding uit 1542 is daarom belangrijk voor het reconstrueren van de oorspronkelijke toegang en de verhouding tussen de Bentpoort, de stadsgracht en het kasteelterrein.

1542 — De minderjarige Karel Schenck raakt verwikkeld in een strijd om zijn vaders nalatenschap

Na het overlijden van Georg Schenck ontstond een ingewikkeld geschil over zijn nalatenschap. Zijn zoon Karel uit het tweede huwelijk met Johanna van Egmond was nog minderjarig. Georg had hem tot belangrijkste erfgenaam gemaakt, maar zijn oudere kinderen Frederik en Maria uit het eerste huwelijk met Anna de Vos van Steenwijk maakten eveneens aanspraken op goederen en inkomsten. Frederik Schenck probeerde invloed te krijgen op de voogdij over zijn halfbroer. Daarmee zouden ook het beheer van Toutenburg en andere bezittingen onder zijn invloed kunnen komen. Voor Karel was een betrouwbare voogd belangrijk, omdat hij nog niet zelfstandig over zijn vermogen mocht beschikken. Het familieconflict zou jarenlang voortduren.

1 juni 1543 — Sint-Janskamp verkoopt een rente aan Karel Schenck van Toutenburg

Op 1 juni 1543 verkocht het klooster Sint-Janskamp aan Karel Schenck van Toutenburg een rente die op kloostergoederen rustte. De transactie is vermeld in de geschiedenis van het kasteel. Zij toont dat religieuze instellingen en aanzienlijke families in Vollenhove niet uitsluitend door geloof en persoonlijke betrekkingen met elkaar verbonden waren. Ook financiële overeenkomsten speelden een belangrijke rol. Kloosters beschikten over landbouwgrond en andere bezittingen waaruit jaarlijkse inkomsten voortkwamen. Zulke renten konden worden verkocht om geld beschikbaar te krijgen. Voor de familie Schenck betekende de aankoop dat haar rechten op inkomsten uit het omliggende gebied werden uitgebreid. De overeenkomst werd gesloten terwijl Karel nog onder voogdij stond.

Zomer 1543 — Maarten van Rossum bedreigt opnieuw het Gelderse grensgebied en Kampen

In de zomer van 1543 bereikte de strijd tussen keizer Karel V en de Gelderse machthebbers opnieuw een hoogtepunt. De Gelderse legeraanvoerder Maarten van Rossum trok door verschillende gebieden en veroverde in juli Amersfoort. Volgens de Overijsselse geschiedschrijving dreigde hij vervolgens ook Kampen te belegeren. Voor Vollenhove waren deze gebeurtenissen belangrijk vanwege de nauwe economische en bestuurlijke verbindingen met Kampen. De bevolking kende nog de verhalen over de Gelderse aanvallen in de voorafgaande decennia. Hoewel Georg Schenck inmiddels was overleden, bleef de streek afhankelijk van de verdediging door Habsburgse troepen en de versterkte steden. De oorlog maakte opnieuw duidelijk hoe kwetsbaar de verbindingen tussen de IJssel en de Zuiderzee waren.

7 september 1543 — De vrede van Venlo beëindigt de langdurige strijd met Gelre

Op 7 september 1543 kwam bij Venlo een overeenkomst tot stand waardoor hertog Willem van Gulik-Kleef-Berg afstand moest doen van zijn aanspraken op Gelre en Zutphen. Keizer Karel V bracht deze gebieden onder zijn gezag. Daarmee eindigde de langdurige Gelderse machtsstrijd die het Oversticht tientallen jaren had bedreigd. Het bijbehorende tractaat bevestigde belangrijke rechten en privileges, al ontstonden later conflicten over de uitleg daarvan. Voor Vollenhove betekende de vrede dat het aangrenzende Gelre niet langer door een vijandige landsheer werd bestuurd. Handelaren konden daardoor op meer veiligheid hopen. Toch bleef het Habsburgse bestuur betrokken bij andere oorlogen en nam de druk op de bevolking door belastingen en religieuze vervolgingen toe.

Deel 67 — Keizerlijke visserijrechten en de erkenning van Toutenburg als havezate (1544–1547)

1544 — De voogdij over Karel Schenck blijft een bron van conflicten

In de jaren na de dood van Georg Schenck bleef het beheer van Toutenburg onderwerp van strijd tussen zijn erfgenamen. Frederik Schenck, de oudste zoon, wilde meer invloed krijgen op de goederen die aan zijn minderjarige halfbroer Karel waren toegewezen. Ook Maria Schenck, die een kerkelijke loopbaan had gevolgd en abdis van Rijnsburg was geworden, maakte aanspraak op inkomsten. De beheerder Jan van Hensburgh zou Frederik bij een poging het kasteel te betreden hebben geweigerd. Bartholomeus van Twenbergen, eerder secretaris van Georg, kreeg een belangrijke plaats in de voogdij. Het conflict toont dat de rijkdom van een aanzienlijke familie niet vanzelf tot zekerheid leidde. Erfenissen konden juist jarenlang verdeeldheid veroorzaken.

18 januari 1545 — Karel V bevestigt de bijzondere visserijrechten van Overijssel

Op 18 januari 1545 nam keizer Karel V een besluit dat later een belangrijke rol zou spelen in de strijd om de visserij op de Zuiderzee. Volgens de Overijsselse uitleg mochten Hollandse waterschippers niet zonder meer binnen de beschermde viswateren bij de Overijsselse kust vissen. Vollenhove, Kampen, Genemuiden en andere plaatsen beriepen zich op oudere rechten die hun door vroegere landsheren waren verleend. De visserij was economisch belangrijk omdat veel inwoners van de opbrengst afhankelijk waren. Vooral de vangst van steur, paling en andere zoetwatervissen leverde inkomsten op. Het keizerlijke besluit maakte echter geen einde aan de meningsverschillen. Hollandse vissers bleven zich op hun gewoonterecht beroepen.

1545 — Een schikking moet de erfenisstrijd binnen de familie Schenck beëindigen

In 1545 werd door bemiddeling van bisschop Georgius van Egmond een regeling getroffen tussen de verschillende erfgenamen van Georg Schenck van Toutenburg. Frederik en Maria Schenck kregen aanspraken op lijfrenten, terwijl Karel de belangrijkste onroerende goederen behield. Daaronder vielen Toutenburg en het kasteel te Wedde. De overeenkomst was bedoeld om verdere conflicten over het vermogen te voorkomen. Toch bleef de uitvoering ingewikkeld. Bartholomeus van Twenbergen moest toezien op het beheer van de goederen en de belangen van Karel beschermen. De regeling laat zien hoe een familiegeschil over een adellijke nalatenschap kon worden voorgelegd aan invloedrijke geestelijken en aan het hoogste landsheerlijke gezag.

1546 — Karel Schenck verschijnt als riddermatige op de Overijsselse landdag

In 1546 verscheen Karel Schenck van Toutenburg als lid van de Overijsselse ridderschap op een landdag. Hij was inmiddels meerderjarig geworden en kon daardoor zelf optreden binnen de bestuurlijke wereld van de aanzienlijke grondbezitters. Zijn aanwezigheid had ook betekenis voor de status van Toutenburg. Het kasteel werd voortaan als havezate beschouwd, een adellijk goed waaraan politieke rechten verbonden konden zijn. Voor de familie Schenck betekende dit dat zij niet alleen over een indrukwekkende woonplaats beschikte, maar ook over een erkende positie binnen het provinciale bestuur. De overgang van minderjarige erfgenaam naar zelfstandig lid van de ridderschap vormde een belangrijke stap in Karels leven.

4 februari 1547 — In Brussel worden de beperkingen voor Hollandse vissers opnieuw bevestigd

Op 4 februari 1547 werd in Brussel opnieuw een besluit vastgelegd dat betrekking had op de visserijgeschillen tussen Holland en Overijssel. Daarbij werd aangesloten bij de keizerlijke regeling van januari 1545. De plaatselijke vissers van Vollenhove en de andere Overijsselse kustplaatsen wilden voorkomen dat Hollandse waterschepen met sleepnetten dicht bij hun kust kwamen. Zij meenden dat de grote schepen vis wegvingen waarop zij vanouds rechten hadden. Hollandse schippers voerden daartegen aan dat zij en hun voorouders al generaties in deze wateren visten. Het besluit betekende daardoor niet dat beide partijen de kwestie als opgelost beschouwden. De strijd zou zich juist ontwikkelen tot een uitgebreid juridisch conflict.

Deel 68 — Visserijgrenzen, de graaf van Aremberg en de familie Sloet (1547–1549)

1547 — Herman van Westerholt legt de rechten van de Overijsselse vissers schriftelijk vast

In 1547 stelde drost Herman van Westerholt een verklaring op over de visserij in de wateren bij Vollenhove. Dit document werd later gebruikt tijdens het grote proces tussen Holland en Overijssel in 1556. De drost verdedigde de bijzondere rechten van de plaatselijke vissers. Volgens de Overijsselse opvatting mochten buitenlandse schippers niet zonder toestemming gebruikmaken van de beschermde visgronden. De verklaring vormde een belangrijk bewijsstuk omdat Westerholt als landsheerlijk bestuurder optrad. Zijn woorden kregen daardoor meer gewicht dan een gewone persoonlijke klacht. Tegelijk bleef de tegenpartij vasthouden aan de opvatting dat het water van de Zuiderzee in beginsel voor iedereen toegankelijk was.

1547 — Jean de Ligne trouwt met Margaretha van der Marck, erfgename van Aremberg

In 1547 trouwde Jean de Ligne met Margaretha van der Marck, de erfgename van de bezittingen en titels van Aremberg. Margaretha was afkomstig uit een aanzienlijk adellijk geslacht dat goederen in verschillende gebieden bezat. Door het huwelijk kreeg Jean nieuwe titels en een belangrijke positie binnen de Habsburgse adel. De naam Aremberg zou later rechtstreeks met Vollenhove verbonden raken. Jean de Ligne was namelijk bestemd voor een belangrijke bestuurlijke loopbaan in de noordelijke Nederlanden. Zijn huwelijk laat zien hoe machtige families door erfopvolging en huwelijksverbintenissen grote bezittingen konden samenbrengen. De nieuwe graaf kreeg hierdoor zowel militaire verplichtingen als uitgebreide persoonlijke belangen in verschillende gewesten.

13 juni 1548 — De rechten van Karel Schenck op Toutenburg worden opnieuw bevestigd

Op 13 juni 1548 werd in Deventer een verklaring opgesteld waarbij Johan van Ittersum, drost van IJsselmuiden, betrokken was. Volgens de geschiedenis van de familie Schenck ging het om de bevestiging van Karels rechten op de onroerende goederen uit de nalatenschap van zijn vader. Daaronder vielen Toutenburg en het kasteel te Wedde. De regeling sloot aan op de eerder getroffen schikking met Frederik en Maria Schenck. Voor Karel was deze erkenning belangrijk omdat zijn familieleden nog altijd aanspraken op delen van het vermogen maakten. Een schriftelijke bevestiging kon bij latere conflicten als bewijs worden gebruikt. De akte toont hoe noodzakelijk documenten waren voor het veiligstellen van adellijke rechten.

1548 — Jean de Ligne wordt stadhouder van de noordelijke gewesten

Na het overlijden van Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren, werd Jean de Ligne, graaf van Aremberg, benoemd tot stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel. Daarmee kreeg Vollenhove opnieuw een belangrijke bestuurder die nauw met de Habsburgse regering verbonden was. De stadhouder vertegenwoordigde de landsheer bij militaire en bestuurlijke aangelegenheden. Hij moest de privileges van de gewesten erkennen, maar tegelijk toezien op de uitvoering van koninklijke bevelen. Het Oldehuis kreeg onder hem opnieuw betekenis als residentie. Anders dan Georg Schenck, die zijn eigen kasteel Toutenburg had laten bouwen, zou Aremberg later vooral gebruikmaken van de bestaande landsheerlijke versterking. Zijn gezin werd eveneens met Vollenhove verbonden.

1549 — Johan Sloet trouwt met Everdina de Vos van Steenwijk

In 1549 trouwde Johan Sloet, later bekend als Jan Sloet de Oude, met Everdina de Vos van Steenwijk. Johan was afkomstig uit een aanzienlijke Vollenhoofse familie en een zoon van Jan Sloet van Tweenijenhuizen en Mechteld van Apeldoorn. Everdina behoorde tot het geslacht De Vos van Steenwijk, dat al eeuwen goederen en bestuurlijke functies in het noordelijke Oversticht bezat. Het huwelijk verbond verschillende adellijke bezittingen en familiekringen met elkaar. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, onder wie Johan Sloet de Jonge en Coenraad Sloet. Beide zonen zouden later een belangrijke politieke loopbaan volgen. Johan de Oude werd bovendien in 1552 zelf drost van Vollenhove.

Deel 69 — Nieuwe erfgenamen, de vervolging in Giethoorn en de wisseling van drost (1550–1552)

1550 — Op het Oldehuis wordt Karel van Aremberg geboren

In 1550 werd in Vollenhove Karel, ook Charles genoemd, de Ligne geboren, een zoon van stadhouder Jean de Ligne en Margaretha van der Marck. De geboorte wordt in de plaatselijke geschiedenis met het Oldehuis verbonden. Het kind behoorde tot een van de aanzienlijkste adellijke families van de Habsburgse Nederlanden. Later zou hij een belangrijke rol spelen binnen het huis Arenberg en ridder van het Gulden Vlies worden. Zijn geboorte toont dat het Oldehuis niet uitsluitend een plaats voor vergaderingen, rechtspraak en militaire zaken was. Het kasteel functioneerde eveneens als verblijfplaats van een stadhouderlijk gezin. Kinderen, bedienden en huishoudelijk personeel maakten daardoor deel uit van het dagelijkse leven binnen de muren.

1551 — Arent Sloet ontvangt de havezate Tweenijenhuizen in leen

In 1551 werd Arent Sloet beleend met Tweenijenhuizen, een belangrijk adellijk goed bij Vollenhove. Arent was een oudere broer van Johan Sloet de Oude en maakte al sinds 1536 deel uit van de Overijsselse ridderschap. Door de belening kreeg hij een duidelijk omschreven positie binnen het familiebezit. Tweenijenhuizen behoorde tot de goederen waarmee de familie Sloet haar maatschappelijke aanzien had opgebouwd. Het bezit van een havezate kon later een voorwaarde vormen voor deelname aan het provinciale bestuur. Arent trouwde in 1549 met Juriana van Keppel. Uit hun huwelijk werden verschillende kinderen geboren. De geschiedenis van Tweenijenhuizen toont hoe adellijke goederen door erfopvolging, leenrecht en huwelijk binnen een familie konden blijven.

1551 — Drost Herman van Westerholt laat de goederen van Jacob Wichersen uit Giethoorn in beslag nemen

In 1551 liet drost Herman van Westerholt de goederen van Jacob Wichersen uit Giethoorn in beslag nemen. Jacob werd ervan verdacht te behoren tot de wederdopers, een geloofsgroep die door de katholieke autoriteiten werd vervolgd. Volgens de historische beschrijving had hij jarenlang betrekkelijk ongemoeid kunnen leven. De inbeslagneming betekende daarom een ingrijpende verandering. Bezittingen waren essentieel voor het onderhoud van een gezin en voor de uitoefening van landbouw of andere werkzaamheden. Jacob probeerde zijn goederen terug te krijgen, maar de drost wilde daar niet aan meewerken. De gebeurtenis maakt duidelijk dat religieuze vervolging niet uitsluitend bestond uit gevangenneming of terechtstelling. Ook het verlies van eigendom kon mensen zwaar treffen.

1551 — Jacob Wichersen neemt wraak met brandstichting en het doden van vee

Volgens de regionale geschiedschrijving reageerde Jacob Wichersen op de inbeslagneming van zijn goederen met gewelddadige vergeldingsacties. Hij zou schuren en korenmijten van drost Herman van Westerholt in brand hebben gestoken en ossen hebben gedood die in het weiland liepen. Deze beschuldigingen tonen hoe een religieus conflict kon uitgroeien tot een persoonlijk en economisch geschil. Brandstichting bedreigde niet alleen gebouwen, maar ook de voedselvoorraden en inkomsten van een eigenaar. Het doden van vee veroorzaakte eveneens grote financiële schade. De bronnen beschrijven de gebeurtenissen vanuit de gerechtelijke en bestuurlijke omgeving. Daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen de overgeleverde beschuldigingen en feiten die afzonderlijk met processtukken kunnen worden bevestigd.

1552 — Herman van Westerholt wordt ontslagen en Johan Sloet krijgt het drostambt

In 1552 werd Herman van Westerholt door landvoogdes Maria van Hongarije uit zijn functie als drost van Vollenhove ontheven. Een van de verwijten was dat hij onvoldoende streng zou zijn opgetreden tegen de zogenoemde moordbranders in Giethoorn. Zijn opvolger werd Johan Sloet de Oude, die ook met het kasteleinschap van Kuinre werd verbonden. Daarmee kwam een lid van een oude Vollenhoofse familie aan het hoofd van het drostambt. De wisseling maakte duidelijk dat de centrale regering bereid was in te grijpen wanneer zij het optreden van plaatselijke bestuurders onvoldoende vond. Voor de inwoners veranderde daarmee de persoon die verantwoordelijk was voor rechtspraak, openbare orde en verschillende landsheerlijke rechten.

Deel 70 — Nieuwe rentmeesters en de strijd met Hollandse waterschippers (1552–1556)

15 april 1552 — Engelbert van Ensse wordt genoemd bij het rentmeesterschap van Vollenhove en Kuinre

Op 15 april 1552 werd Engelbert van Ensse opgenomen in een archiefstuk over de financiële zekerheidstelling voor het rentmeesterschap van Vollenhove en Kuinre. Het document wordt genoemd in de inventaris van de Grafelijkheidsrekenkamer. Een rentmeester moest namens de landsheer inkomsten ontvangen en daarover rekening afleggen. Het ging onder meer om pachten, renten en andere betalingen uit een uitgestrekt gebied. De functie vereiste betrouwbaarheid omdat de beheerder met aanzienlijke bedragen kon omgaan. De zekerheidstelling moest voorkomen dat de landsheer schade leed wanneer een ambtenaar zijn verplichtingen niet nakwam. De vermelding toont dat naast de drost ook afzonderlijke financiële functionarissen bij het bestuur van het Land van Vollenhove betrokken waren.

1553–1555 — De grote Hollandse waterschepen bedreigen de plaatselijke nettenvisserij

In het midden van de zestiende eeuw namen de conflicten tussen Hollandse en Overijsselse vissers toe. Hollandse waterschepen gebruikten grote kuilnetten die tijdens het varen door het water werden gesleept. Deze netten konden zowel grote als kleine vissen vangen. De Vollenhoofse vissers werkten veel met staande netten en meenden dat de sleepnetten hun visgronden beschadigden. Bovendien konden de zware kuilen bestaande netten vernielen. De Hollandse schippers betoogden dat zij al generaties op de Zuiderzee visten en dat hun bedrijvigheid noodzakelijk was voor hun levensonderhoud. Voor beide groepen stond veel op het spel. Het conflict ging niet uitsluitend om juridische rechten, maar ook om de toekomst van hun gezinnen.

13 september 1555 — Johan Sloet vraagt bewapende schepen tegen de Hollandse vissers

Op 13 september 1555 schreef drost Johan Sloet dat Hollandse waterschippers dagelijks binnen de beschermde Overijsselse viswateren kwamen vissen. Volgens zijn bericht zouden zij zelfs van plan zijn plaatselijke schepen in de nacht aan te vallen en tot zinken te brengen. Sommige Hollandse vaartuigen zouden over geschut en andere wapens beschikken. Sloet stelde daarom voor vanuit Kampen, Kuinre en Vollenhove schepen met kanonnen in te zetten. Daarmee wilde hij de Hollandse vissers uit het betwiste gebied verdrijven. De brief toont hoe ernstig het conflict inmiddels was geworden. Een economisch geschil over visgronden dreigde te veranderen in een gewapende confrontatie tussen vissersgemeenschappen die onder dezelfde landsheer vielen.

Begin 1556 — Het schip van de Amsterdamse visser Tyman Jacobszoon wordt in Zwartsluis vastgelegd

Begin 1556 liet Johan Sloet het waterschip van de Amsterdamse visser Tyman Jacobszoon naar Zwartsluis brengen en daar aan de ketting leggen. Tyman was ongeveer 42 jaar oud en voer al sinds zijn jeugd op de Zuiderzee. Als twaalfjarige had hij op het schip van zijn vader gewerkt. Later zette hij de onderneming met zijn broers voort. Hij viste bij Urk, Schokland, Friesland en steeds vaker aan de Overijsselse kust. Volgens zijn eigen verklaring had hij daar jarenlang zonder grote problemen kunnen werken. De aanhouding van zijn schip betekende dat hij tijdelijk niet verder kon vissen. Zijn zaak werd onderdeel van een veel groter proces over de rechten op het water.

Juli 1556 — Dertig getuigen worden gehoord in het proces tussen Holland en Overijssel

In juli 1556 begon een uitgebreid juridisch onderzoek naar de visserijgeschillen tussen Overijssel en de Hollandse kustplaatsen. Er werden dertig getuigen gehoord, van wie 28 zelf waterschipper waren. Zij kwamen onder meer uit Amsterdam, Uitdam, Bunschoten, Marken, Spaarndam, Naarden, Muiden en Katwoude. De mannen vertelden waar zij hadden gevist, welke schepen zij gebruikten en welke conflicten zij met Overijsselse vissers hadden meegemaakt. De oudste getuigen konden zich gebeurtenissen uit het einde van de vijftiende eeuw herinneren. Hun verklaringen vormen een uitzonderlijke bron over het dagelijkse werk op de Zuiderzee. Niet alleen bestuurders, maar ook gewone vissers komen hierin uitgebreid aan het woord.

Deel 71 — De getuigen van de Zuiderzee en de nieuwe bewoner van het Oldehuis (1556–1559)

1556 — De getuigen beschrijven een sterk groeiende vloot van waterschepen

Uit de getuigenverklaringen van 1556 blijkt dat de vloot Hollandse waterschepen in de voorafgaande vijftig jaar sterk was gegroeid. Voor Amsterdam werden ongeveer 36 tot 40 vaartuigen genoemd, terwijl men zich uit 1508 slechts vier of vijf herinnerde. Bunschoten zou inmiddels achttien of negentien waterschepen tellen. Ook uit Harderwijk, Uitdam en andere kustplaatsen kwamen dergelijke vaartuigen. Een Amsterdamse schipper schatte het totale aantal op ongeveer 130. Overijssel sprak zelfs over 150 schepen. De broeders van Sint-Janskamp beschikten volgens de verklaringen eveneens over een waterschip. De gegevens tonen hoe belangrijk deze vorm van visserij was geworden voor de economie van het gehele Zuiderzeegebied.

1556 — Karel Schenck maakt afspraken over vier stukken geschut voor Toutenburg

In 1556 sloot Karel Schenck van Toutenburg een overeenkomst met afgevaardigden van Kampen over de betaling van vier stukken geschut. Volgens de plaatselijke kasteelgeschiedenis ging het vermoedelijk om kleine draaibare kanonnen die bij de toegangstorens konden worden opgesteld. Daarmee kon vooral de westelijke zijde van het kasteel worden bestreken. Toutenburg was een representatief woonkasteel, maar beschikte nog altijd over militaire voorzieningen. De overeenkomst toont bovendien dat de eigenaar betrokken bleef bij de stedelijke en regionale veiligheidsbelangen. De precieze opstelling van de kanonnen is niet met zekerheid bekend. Ook moet onderscheid worden gemaakt tussen de daadwerkelijk vastgelegde aanschaf en latere reconstructies van hun mogelijke plaatsing.

12 maart 1557 — Hollandse vissers keren ondanks de eerdere besluiten massaal terug

Op 12 maart 1557 werd opnieuw geklaagd over Hollandse waterschippers die binnen de Overijsselse visgrenzen actief waren. Volgens de berichten verschenen soms twintig, dertig, veertig of zelfs vijftig schepen tegelijk. Onder hen zouden vier vaartuigen met geschut en bewapende manschappen zijn geweest. De klachten laten zien dat de eerdere keizerlijke besluiten en het proces van 1556 geen onmiddellijk einde aan het geschil hadden gemaakt. De Hollandse vissers bleven zich beroepen op hun oude gewoonte om de zee vrij te gebruiken. De Overijsselse bestuurders zagen hun optreden als een aantasting van de plaatselijke rechten. De strijd werd daardoor niet alleen op het water, maar ook via juridische procedures voortgezet.

20 juni 1557 — Johan Sloet moet het Oldehuis afstaan aan stadhouder Aremberg

Op 20 juni 1557 werd Johan Sloet de Oude ontslagen als kastelein en bewaarder van het Oldehuis. De stadhouder Jean de Ligne, graaf van Aremberg, kreeg toestemming het kasteel voortaan uitsluitend met zijn gezin te bewonen en te beheren. Sloet bleef wel drost van Vollenhove. Hierdoor werden twee functies die eerder door dezelfde persoon konden worden vervuld van elkaar gescheiden. Voor Sloet was dit een belangrijke verandering, omdat hij de beschikking over de versterkte residentie verloor. Voor Aremberg betekende het dat het Oldehuis zijn eigen gezinswoning en bestuurscentrum werd. Zijn echtgenote Margaretha van der Marck en hun kinderen maakten daardoor deel uit van de dagelijkse kasteelhuishouding.

3 november 1558 — Lambertus Warneri wordt aan de Mariakapel verbonden

Op 3 november 1558 werd Lambertus Warneri uit Zwolle voorgedragen voor de eeuwige kapellanie van de Mariakapel in Vollenhove. De functie was vrijgekomen door het vertrek of de ongehoorzaamheid van Philippus Cost. Burgemeesters, schepenen en raad van Vollenhove traden als voordragende partij op. De benoeming is bewaard gebleven in een kerkelijk register. Zij maakt duidelijk dat de Mariakerk nog altijd beschikte over afzonderlijke geestelijke functies met eigen inkomsten en verplichtingen. De vermelding van ongehoorzaamheid is bijzonder, maar de precieze aanleiding wordt in het korte regest niet uitgelegd. Het document laat zien dat personele conflicten binnen kerkelijke instellingen ook in de zestiende eeuw via officiële procedures werden geregeld.

Deel 72 — Nieuwe grenzen op de Zuiderzee en de opkomst van aartsbisschop Frederik Schenck (1559–1563)

1559 — De Grote Raad van Mechelen doet opnieuw uitspraak over de visgronden

In 1559 werd de langdurige strijd tussen Holland en Overijssel over de visserij op de Zuiderzee opnieuw juridisch behandeld. Volgens de historische beschrijving van de Vollenhoofse visserij bepaalde de Grote Raad van Mechelen een scheiding tussen de verschillende visgebieden. De uitspraak werd door Holland gunstig ontvangen. Voor de vissers van Vollenhove was zij teleurstellend omdat zij hun oudere exclusieve rechten wilden handhaven. Toch bracht de beslissing geen blijvende rust. De schippers bleven elkaar beschuldigen van het overschrijden van grenzen en het beschadigen van netten. Het conflict toont hoe moeilijk het was om een watergebied te verdelen waarin vissen zich vrij verplaatsten en schippers verschillende technieken gebruikten.

1560 — Herman van Westerholt krijgt opnieuw een functie als kastelein van Diepenheim

In 1560 werd Herman van Westerholt, de voormalige drost van Vollenhove, kastelein van het slot Diepenheim. Hij had zijn eerdere functie in 1552 verloren na het conflict over de wederdopers en de brandstichtingen in Giethoorn. Zijn nieuwe benoeming laat zien dat het ontslag niet het einde van zijn bestuurlijke loopbaan betekende. Diepenheim was een belangrijk adellijk en landsheerlijk steunpunt in het oosten van Overijssel. Een kastelein moest toezien op het beheer en de beveiliging van de versterking. Herman bleef bovendien door familiebanden met de Vollenhoofse adel verbonden. Zijn loopbaan toont hoe ervaren bestuurders soms na een periode van ongenade opnieuw een belangrijke positie konden verkrijgen.

13 november 1561 — Frederik Schenck van Toutenburg wordt aartsbisschop van Utrecht

Op 13 november 1561 werd Frederik Schenck van Toutenburg benoemd tot eerste aartsbisschop van Utrecht binnen de nieuwe kerkelijke indeling van de Nederlanden. Hij was de oudste zoon van Georg Schenck en Anna de Vos van Steenwijk. Frederik had een geestelijke loopbaan gevolgd en beschikte over aanzienlijke kerkelijke inkomsten. Zijn benoeming was een gevolg van de hervorming van de bisdommen die paus Paulus IV in 1559 had goedgekeurd. Utrecht kreeg hierdoor een hogere plaats binnen de katholieke kerkelijke organisatie. Voor Vollenhove was dit bijzonder: een zoon van de vroegere stadhouder en bouwer van Toutenburg werd nu een van de hoogste katholieke geestelijken in de Nederlanden.

15 januari 1562 — Wycherus Gerardi uit Vollenhove wordt benoemd aan de Mariakapel

Op 15 januari 1562 werd Wycherus Gerardi uit Vollenhove benoemd tot de eeuwige kapellanie van de Mariakapel. Zijn voorganger Lambertus Warneri uit Zwolle had de functie afgestaan of was ervan ontheven. Burgemeesters, schepenen en raad van Vollenhove droegen de nieuwe geestelijke voor. De akte noemt ook Fredericus Hessinge, die als kerkelijk commissaris bevoegdheden uitoefende in het gebied van Vollenhove en Steenwijk. De benoeming laat zien hoe de stedelijke overheid en de kerkelijke organisatie met elkaar bleven samenwerken. Voor de inwoners betekende dit dat de Mariakapel nog altijd beschikte over een eigen geestelijke voorziening, naast de grotere Sint-Nicolaaskerk en de religieuze gemeenschappen buiten de stad.

1563 — Johan Sloet de Oude wordt opnieuw als drost en kastelein van Kuinre vermeld

In 1563 wordt Johan Sloet de Oude in het register van Overijsselse ambtenaren genoemd als drost van Vollenhove en kastelein van de heerlijkheid Kuinre. De vermelding bevestigt dat hij zijn bestuurlijke functies bleef vervullen nadat hij in 1557 het Oldehuis aan stadhouder Aremberg had moeten afstaan. Zijn positie berustte op verschillende rechten en verantwoordelijkheden. Als drost was hij betrokken bij rechtspraak en het landsheerlijke bestuur van het grotere gebied. Als kastelein van Kuinre had hij bovendien verplichtingen rond een strategische plaats bij de Friese grens. De combinatie van functies toont hoe invloedrijk de familie Sloet inmiddels was geworden binnen het noordelijke Oversticht.

Deel 73 — De achteruitgang van de steurvangst en de godsdienstige spanningen (1564–1566)

1564 — De steurvangst bij Vollenhove is teruggelopen tot ongeveer dertig à vijftig vissen

In 1564 werd volgens de geschiedenis van de Vollenhoofse visserij nog maar een betrekkelijk klein aantal steuren gevangen. Waar men vroeger ongeveer 250 steuren per jaar noemde, was dit aantal inmiddels teruggelopen tot ongeveer dertig à vijftig. De plaatselijke vissers gaven vooral de Hollandse waterschepen en hun sleepnetten de schuld. Daarnaast veranderde het milieu van de Zuiderzee door toenemende verzilting en andere ontwikkelingen. De precieze oorzaak van de achteruitgang kan niet uit de historische klachten alleen worden vastgesteld. De cijfers tonen wel dat de steurvangst voor Vollenhove een belangrijk economisch vraagstuk was geworden. Een vissoort die vroeger veel inkomsten kon opleveren, werd steeds schaarser.

11 januari 1565 — Karel Schenck verplicht de boeren van Batinge hun rogge bij Toutenburg te leveren

Op 11 januari 1565 legde Karel Schenck van Toutenburg nieuwe voorwaarden vast voor zijn pachters bij Dwingeloo, waar hij rechten bezat op het goed Batinge. De overeenkomst werd op kasteel Toutenburg opgesteld. De boeren moesten hun verschuldigde rogge afleveren bij het kasteel of aan de waterkant bij Vollenhove. Vanaf die plaats kon het graan op kosten van de heer verder worden vervoerd. Wie de verplichting niet nakwam, kon zijn pacht verliezen. Deze regeling is bijzonder omdat zij de economische verbinding tussen Drenthe en Vollenhove concreet zichtbaar maakt. Het graan uit het achterland werd over land naar de stad gebracht en kon vervolgens over water verder worden vervoerd.

1565 — Stadhouder Aremberg waarschuwt voor verboden geloofsbijeenkomsten bij Giethoorn

In 1565 vroeg stadhouder Jean de Ligne, graaf van Aremberg, aan het bestuur van Kampen om beter toezicht te houden op de waterrijke gebieden waar inwoners van Giethoorn religieuze bijeenkomsten organiseerden. Deze samenkomsten werden door de katholieke autoriteiten als ketters beschouwd. De moeilijk toegankelijke omgeving van Giethoorn, met haar vaarten, eilanden en verspreide erven, maakte controle lastig. De waarschuwing toont dat nieuwe geloofsopvattingen niet uitsluitend in grote steden werden verspreid. Ook onder bewoners van het noordwestelijke Overijsselse platteland bestonden gemeenschappen die afstand namen van de officiële kerk. Niet iedere aanhanger was betrokken bij geweld. Voor veel gelovigen ging het vooral om hun overtuiging en de mogelijkheid gezamenlijk bijeen te komen.

1566 — De Beeldenstorm veroorzaakt ook in Overijssel grote spanningen

In 1566 verspreidde de Beeldenstorm zich vanuit de zuidelijke Nederlanden naar verschillende noordelijke gebieden. Ook in Overijssel ontstonden spanningen over het gebruik van kerkgebouwen en de vrijheid van protestantse samenkomsten. Sommige steden overwogen afzonderlijke kerken beschikbaar te stellen aan aanhangers van de nieuwe leer. Stadhouder Aremberg verzette zich tegen maatregelen die hij in strijd achtte met de bevelen van de landsheer. Hij probeerde ordeverstoringen te voorkomen en dreigde met straffen. Voor Vollenhove was de situatie bijzonder omdat de stad zowel katholieke kerken als kloostergemeenschappen kende. Een plaatselijke beeldenstorm in Vollenhove in 1566 is met de geraadpleegde bronnen echter niet afzonderlijk aangetoond. Wel raakte de stad betrokken bij de politieke strijd over godsdienstige veranderingen.

December 1566 — Aremberg dreigt het Zwarte Water af te sluiten voor de scheepvaart naar Zwolle

In december 1566 verscherpte het conflict tussen stadhouder Aremberg en de bestuurders van Zwolle. De Zwolse magistraat had ruimte willen bieden aan protestantse godsdienstoefeningen. Aremberg beschouwde dit als een aantasting van het bestaande gezag. Hij dreigde daarom met militaire maatregelen. Volgens onderzoek van de Zwolse Historische Vereniging gaf hij de drost van Vollenhove en de schout van Hasselt opdracht het Zwarte Water af te sluiten wanneer Zwolle de godsdienstige vernieuwingen zou toestaan. Deze dreiging was economisch bijzonder ernstig. Het Zwarte Water vormde een belangrijke verbinding tussen Zwolle en de Zuiderzee. Door schepen tegen te houden konden handel, voedselvoorziening en vervoer worden getroffen. Vollenhove werd daarmee rechtstreeks betrokken bij een godsdienstig conflict dat zich vooral in Zwolle afspeelde.

Deel 74 — Het weeshuis, de vlucht van Johan Sloet en de dood van Aremberg (1567–1568)

1567 — Pastoor Johan Vuyst sticht een weeshuis aan de Oldestraat

In 1567 nam pastoor Johan Vuyst het initiatief tot de stichting van een weeshuis in Vollenhove. Hij verscheen voor het stadsbestuur en verklaarde dat hij al lange tijd een opvanghuis wilde oprichten voor kinderen die hun vader en moeder hadden verloren. Aan de Oldestraat, de latere Visscherstraat, had hij tegenover het Sint-Antoniusgasthuis een stenen gebouw laten oprichten. Verschillende inwoners hadden jaarlijkse bijdragen toegezegd om de verzorging van de kinderen mogelijk te maken. De instelling kwam niet uit het niets voort. Al in 1432 werd een Kinderhues genoemd en in 1560 waren schenkingen gedaan voor een nieuw weeshuis. De stichting verbond particuliere liefdadigheid met stedelijk bestuur.

1567 — Het stadsbestuur stelt achttien artikelen vast voor de verzorging van wezen

Na de verklaring van pastoor Johan Vuyst stelde het Vollenhoofse stadsbestuur een ordonnantie voor het nieuwe weeshuis vast. Deze bestond uit achttien artikelen en moest regelen hoe de instelling werd bestuurd en onderhouden. De zorg voor ouderloze kinderen werd daarmee een georganiseerde stedelijke verantwoordelijkheid. Het gebouw stond tegenover het Sint-Antoniusgasthuis, zodat verschillende vormen van armenzorg dicht bij elkaar waren gevestigd. Voor het onderhoud waren schenkingen, renten en jaarlijkse bijdragen noodzakelijk. De stichting wordt doorgaans in 1567 geplaatst, hoewel een later gevonden gevelsteen met 1576 in verband wordt gebracht. Mogelijk verwijzen deze jaartallen naar verschillende fasen van de stichting en de bouw.

1567 — Johan Sloet de Oude wordt als vijand van de Spaanse koning beschouwd

In 1567 raakte Johan Sloet de Oude, een van de invloedrijkste edelen van Vollenhove, openlijk in conflict met het bewind van koning Filips II. Hij werd als rebel en vijand van de koning aangemerkt. Sloet had jarenlang belangrijke bestuurlijke functies vervuld en was sinds 1552 drost van Vollenhove geweest. Hij beschikte bovendien over uitgebreide familieverbindingen binnen de Overijsselse ridderschap. Zijn keuze voor de opstandige partij maakte het gevaarlijk om in het gebied te blijven. Volgens de plaatselijke geschiedschrijving week hij vermoedelijk uit naar Emden of een andere plaats buiten het bereik van de koninklijke autoriteiten. Zijn vertrek verzwakte de positie van de protestantsgezinde adel rond Vollenhove.

1567 — De komst van Alva maakt de godsdienstige tegenstellingen gevaarlijker

In augustus 1567 arriveerde de hertog van Alva met een leger in de Nederlanden. Koning Filips II had hem opdracht gegeven de orde te herstellen na de Beeldenstorm en het toenemende verzet tegen het koninklijke bestuur. Alva liet invloedrijke tegenstanders arresteren en stelde de Raad van Beroerten in. Deze rechtbank kreeg een beruchte reputatie vanwege de vele onderzoeken, veroordelingen en confiscaties. Ook in Overijssel werden bestuurders en aanzienlijke families gedwongen hun politieke houding opnieuw te bepalen. Voor Vollenhove was de situatie bijzonder ingewikkeld. Stadhouder Aremberg bleef trouw aan de koning, terwijl Johan Sloet zich bij diens tegenstanders aansloot. De politieke verdeeldheid liep daardoor dwars door de plaatselijke bestuurswereld.

23 mei 1568 — Stadhouder Aremberg sneuvelt bij Heiligerlee

Op 23 mei 1568 vond bij Heiligerlee een veldslag plaats tussen koninklijke troepen onder Jean de Ligne, graaf van Aremberg, en een opstandig leger onder Lodewijk en Adolf van Nassau. Aremberg was sinds 1548 stadhouder van de noordelijke gewesten en had jarenlang met zijn gezin op het Oldehuis in Vollenhove gewoond. Tijdens de strijd sneuvelden zowel hij als Adolf van Nassau. De overwinning van de opstandelingen kreeg later grote symbolische betekenis als een van de eerste militaire successen van de Nederlandse Opstand. Voor Vollenhove betekende de dood van Aremberg het verlies van een bewoner die een belangrijke plaats in het bestuurlijke en sociale leven had ingenomen.

Deel 75 — Het vertrek van de stadhouderlijke familie en de eerste jaren van de Opstand (1568–1572)

1568 — Margaretha van der Marck verlaat het Oldehuis met haar kinderen

Na het sneuvelen van Jean de Ligne bleef zijn echtgenote Margaretha van der Marck achter met tien kinderen. Het gezin had jarenlang op het Oldehuis gewoond, waar enkele kinderen waren geboren. De dood van de stadhouder maakte aan deze periode een einde. Margaretha verliet Vollenhove en keerde volgens de plaatselijke geschiedenis terug naar Zevenbergen. Met haar vertrek verloor de stad haar positie als vaste verblijfplaats van de noordelijke stadhouderlijke familie. Het Oldehuis bleef een landsheerlijk kasteel, maar werd voortaan sterker verbonden met militaire en plaatselijke bestuursfuncties. De aanwezigheid van een groot adellijk huishouden had eerder personeel, leveranciers en andere voorzieningen naar de stad gebracht.

1569 — George Westendorp uit Vollenhove wordt juridisch adviseur van Groningen

In 1569 begon George Westendorp uit Vollenhove zijn werkzaamheden als syndicus, of juridisch adviseur, van de stad Groningen. Hij was omstreeks 1535 geboren en noemde zichzelf een petekind van Georg Schenck van Toutenburg. Mogelijk was zijn vader als rentmeester aan de familie Schenck verbonden geweest. Westendorp had rechten gestudeerd en ontwikkelde zich tot een ervaren bestuurder en geschiedschrijver. Zijn loopbaan bracht hem later bij het Hof van Friesland en verschillende koninklijke landvoogden. Hij bleef trouw aan het katholieke geloof en het Spaanse gezag. Voor de geschiedenis van Vollenhove is hij bijzonder waardevol omdat hij gebeurtenissen uit zijn eigen tijd beschreef en herinneringen aan oudere plaatselijke kerkelijke instellingen vastlegde.

1571 — Karel Schenck overlijdt en de toekomst van Toutenburg wordt onzeker

In 1571 overleed Karel Schenck van Toutenburg, de zoon van Georg Schenck en Johanna van Egmond. Hij was de belangrijkste erfgenaam van zijn vader geweest en had verschillende bezittingen in Overijssel, Drenthe en elders beheerd. Karel liet geen wettige kinderen na die zonder meer zijn volledige nalatenschap konden voortzetten. Daardoor ontstonden nieuwe vragen over de verdeling van zijn bezittingen. Zijn oudere halfbroer Frederik Schenck, inmiddels aartsbisschop van Utrecht, beschouwde zichzelf als een belangrijke erfgenaam. Tot de nalatenschap behoorden Toutenburg, Batinge en andere goederen. Het overlijden leidde tot juridische handelingen die uitzonderlijk veel informatie opleverden over de inrichting en het bezit van het Vollenhoofse kasteel.

1571 — De inventaris van Toutenburg beschrijft de zalen, schilderijen en kostbaarheden

Na Karels overlijden liet aartsbisschop Frederik Schenck een gerechtelijke inventaris van Toutenburg opstellen. Daarin worden talrijke vertrekken genoemd, waaronder de grote stenen zaal, het oude salon, de garderobe, de harnaskamer, de bisschopskamer, de bottelarij, de bierkelder en de wijnkelder. Ook waren er een keuken, een poortkamer, een meidenkamer en andere vertrekken. Op verschillende plaatsen hingen schilderijen, waaronder religieuze voorstellingen en familieportretten. In een kamer bevond zich een afbeelding van Georg Schenck en Johanna van Egmond. Bij de kostbaarheden waren vergulde bekers die Georg van de stad Groningen had ontvangen. De inventaris geeft een zeldzaam gedetailleerd beeld van het dagelijks leven in een zestiende-eeuwse adellijke residentie.

1 april 1572 — De inname van Den Briel verandert de machtsverhoudingen op het water

Op 1 april 1572 namen de watergeuzen Den Briel in. Deze gebeurtenis werd een belangrijk keerpunt in de Nederlandse Opstand. Verschillende kustplaatsen gingen in de daaropvolgende maanden over naar de opstandige partij. Ook Enkhuizen kwam onder hun invloed, waardoor de geuzen een belangrijke positie op de Zuiderzee kregen. Voor Vollenhove was dat van grote betekenis. De stad lag aan waterwegen waarlangs schepen uit Holland, Friesland en Overijssel elkaar ontmoetten. Dezelfde verbindingen die handel en visserij mogelijk maakten, konden nu worden gebruikt voor plotselinge militaire aanvallen. De plaatselijke verdediging moest rekening houden met vijanden die over zee konden verschijnen en zich snel weer konden terugtrekken.

Deel 76 — De watergeuzen, het kerkzilver en de tijdelijke bezetting van Overijssel (1572)

Juli 1572 — De watergeuzen landen bij Vollenhove en bezetten Toutenburg

In de tweede helft van juli 1572 probeerden de watergeuzen de kustverbinding tussen Overijssel en Friesland onder controle te krijgen. Een eerste onderneming mislukte, maar korte tijd later slaagden zij erin Vollenhove binnen te dringen. Ook het kasteel Toutenburg werd bezet. De aanval kwam vanuit de Zuiderzee, waar de geuzen inmiddels over een sterke vloot beschikten. Vollenhove was kwetsbaar omdat de verdediging van de stad niet op een langdurige strijd met een grote militaire macht was ingericht. De aanvallers wilden de kustweg en de nabijgelegen plaatsen beheersen. Hun optreden vormde een onderdeel van de bredere pogingen de Spaanse verbindingen en steunpunten in het noorden te verzwakken.

1572 — De Grote Kerk wordt geplunderd en geestelijken worden ontvoerd

Tijdens de geuzenaanval van 1572 werd de Grote Sint-Nicolaaskerk geplunderd. Kostbare voorwerpen en kerkzilver werden meegenomen. Volgens de plaatselijke historische overlevering namen de aanvallers ook een pastoor en een kapelaan gevangen. Tijdens de terugreis over de Zuiderzee zouden de geestelijken bij Marken overboord zijn gezet. De precieze afloop van beide persoonlijke levensgeschiedenissen vraagt onderzoek naar onafhankelijke contemporaine bronnen. De gebeurtenis laat zien hoe gevaarlijk de Opstand voor geestelijken kon zijn. Voor katholieke inwoners was de aanval niet uitsluitend een militaire bezetting van hun stad. Ook hun kerkgebouw en religieuze bezittingen werden getroffen. De buit werd volgens latere beschrijvingen naar het geuzengebied overgebracht.

1572 — Emmeloord op Schokland wordt getroffen tijdens de geuzenacties

Na hun optreden bij Vollenhove trokken geuzen ook naar Emmeloord op Schokland. Daar werden goederen geroofd en liep de bevolking schade op. De plaatselijke geschiedenis verbindt deze aanval met het verdwijnen van een kerkklok. Over de precieze route en de lotgevallen van afzonderlijke voorwerpen bestaan verschillende overleveringen. Het gebied rond Schokland was kwetsbaar omdat schepen er gemakkelijk konden landen. De bewoners waren voor handel en vervoer afhankelijk van dezelfde Zuiderzee die nu een militair strijdtoneel was geworden. Niet alleen versterkte steden werden aangevallen. Ook kleinere eilandgemeenschappen liepen gevaar wanneer gewapende groepen voedsel, geld of kostbaarheden zochten. Voor de bewoners betekenden zulke invallen verlies van bezit en voortdurende onzekerheid.

Augustus 1572 — Willem van den Bergh neemt Kampen, Zwolle en andere plaatsen in

In de zomer van 1572 trok graaf Willem van den Bergh, een zwager van Willem van Oranje, met opstandige troepen Overijssel binnen. Op 9 augustus kwam Kampen in zijn handen. Ook Zwolle ging over naar de opstandige partij. Verder werden Hasselt, Genemuiden, Meppel en Steenwijk ingenomen. Daardoor ontstond tijdelijk een groot aaneengesloten gebied waarin de opstandelingen invloed uitoefenden. Voor Vollenhove had deze ontwikkeling grote gevolgen. Het omliggende platteland kwam binnen het bereik van troepen die namens Oranje optraden. Tijdens de korte bezettingsperiode werden katholieke bestuurders ontslagen en verschillende kerken en kloosters geplunderd. De snelle verandering liet zien hoe weinig zekerheid de bestaande machtsverhoudingen nog boden.

November 1572 — Don Frederik herstelt het koninklijke gezag in Overijssel

In november 1572 moesten de troepen van Willem van den Bergh terugwijken voor het oprukkende leger van Don Frederik, de zoon van de hertog van Alva. Kampen en Zwolle zochten opnieuw aansluiting bij de Spaanse koning en vroegen om vergiffenis voor hun tijdelijke overgang naar de Opstand. In verschillende steden kwamen koningsgezinde garnizoenen te liggen. De bevolking kreeg daardoor opnieuw te maken met militaire verplichtingen en de kosten van ingekwartierde soldaten. Voor Vollenhove betekende de terugkeer van het koninklijke gezag dat de gebeurtenissen van de zomer geen blijvende machtswisseling hadden gebracht. De stad lag nog altijd tussen gebieden waar verschillende partijen om de macht streden.

Deel 77 — Toutenburg, de Pacificatie van Gent en het einde van de Spaanse overheersing in Overijssel (1573–1577)

7 februari 1573 — Frederik Schenck wordt met Batinge beleend en versterkt zijn erfelijke rechten

Op 7 februari 1573 werd aartsbisschop Frederik Schenck van Toutenburg opnieuw beleend met het goed Batinge bij Dwingeloo. Ook zijn aanspraken op de overige bezittingen van zijn overleden halfbroer Karel kregen in deze periode verdere juridische erkenning. Frederik beschikte over omvangrijke kerkelijke inkomsten, maar bezat daarnaast particuliere goederen. Daarmee was hij niet uitsluitend geestelijke, maar ook een belangrijke grondbezitter. Tot de bezittingen behoorde het kasteel Toutenburg bij Vollenhove, dat hij af en toe gebruikte. De ingewikkelde erfenis maakte duidelijk hoe moeilijk het onderscheid tussen familiebezit en kerkelijke functies kon zijn. Na Frederiks overlijden zou deze kwestie opnieuw tot langdurige procedures leiden.

4 maart 1575 — Toutenburg wordt voor tien jaar aan Jan van Wilp verpacht

Op 4 maart 1575 werd kasteel Toutenburg met de bijbehorende bezittingen verhuurd aan Jan van Wilp, secretaris van Hasselt. De overeenkomst gold voor tien jaar en vermeldde een jaarlijkse pachtsom van 2.000 gulden. Het bedrag laat zien dat het niet uitsluitend om de bewoning van een kasteel ging. Ook de inkomsten uit bijbehorende gronden en rechten maakten deel uit van het geheel. De aartsbisschop kon hierdoor opbrengsten uit zijn bezit ontvangen zonder voortdurend zelf in Vollenhove aanwezig te zijn. Voor Jan van Wilp betekende de overeenkomst dat hij verantwoordelijk werd voor het beheer van aanzienlijke goederen. Zijn naam zou later opnieuw verschijnen tijdens de oorlogshandelingen rond Hasselt.

1575 — Pastoor Johan Vuyst krijgt opdracht het zilverwerk van Toutenburg naar Utrecht te sturen

In verband met het beheer van Toutenburg kreeg pastoor Johan Vuyst opdracht kostbaar zilverwerk uit het kasteel veilig te stellen. Het ging onder meer om grote en kleine credensbekers en ander tafelzilver. De voorwerpen moesten worden ingepakt en naar Utrecht worden gestuurd. Deze opdracht onderstreept de vertrouwenspositie van de pastoor. Hij was niet uitsluitend betrokken bij kerkelijke diensten en het weeshuis, maar werd ook ingeschakeld voor particuliere belangen van aartsbisschop Frederik Schenck. Het zilver vertegenwoordigde een aanzienlijke financiële en persoonlijke waarde. Tijdens de onzekere oorlogsjaren was het bewaren van dergelijke bezittingen in een verafgelegen kasteel niet zonder risico. De opdracht verbindt de huishouding van Toutenburg met het kerkelijke netwerk van Utrecht.

16 december 1576 — Overijssel sluit zich onder voorwaarden aan bij de Pacificatie van Gent

Op 16 december 1576 verbonden de Staten van Overijssel zich onder voorwaarden aan de Pacificatie van Gent. De overeenkomst tussen verschillende Nederlandse gewesten was gericht op het beëindigen van de oorlog en het verwijderen van buitenlandse soldaten. Voor Overijssel was vooral het vertrek van de koningsgezinde garnizoenen uit de IJsselsteden belangrijk. Deventer en Kampen konden zich door de aanwezige soldaten niet onmiddellijk vrij bij de nieuwe afspraken aansluiten. Ook bestonden meningsverschillen over de positie van het katholieke geloof. De Overijsselse vertegenwoordigers wilden hun bestaande religieuze en bestuurlijke rechten behouden. Voor Vollenhove betekende de Pacificatie nog geen onmiddellijke vrede. Het gebied bleef afhankelijk van gebeurtenissen in de omliggende steden.

12 en 26 april 1577 — George Westendorp reist via zijn geboorteplaats Vollenhove

Het bewaarde reisdagboek van George Westendorp vermeldt dat hij op 12 april 1577 Vollenhove aandeed tijdens zijn reis naar Brussel. Op 26 april kwam hij opnieuw door de stad tijdens zijn terugreis. Westendorp was inmiddels werkzaam als raadsheer bij het Hof van Friesland en bleef sterk verbonden met het katholieke en koningsgezinde bestuur. Zijn aantekeningen zijn belangrijk omdat zij concrete reisdagen en plaatsen vastleggen. Een reiziger van zijn positie maakte gebruik van bestaande wegen en waterverbindingen en kon tijdens de tocht contact onderhouden met familieleden en plaatselijke bestuurders. De bezoeken tonen dat Vollenhove ondanks de oorlog nog altijd een halte kon zijn op reizen tussen het noorden en de zuidelijke Nederlanden.

Deel 78 — De terugkeer van Johan Sloet en de Beeldenstorm van Vollenhove (1578–1579)

7 april 1578 — Rennenberg wordt als stadhouder van Overijssel aanvaard

Op 7 april 1578 aanvaardden vertegenwoordigers van de Overijsselse ridderschap en de stad Zwolle George van Lalaing, graaf van Rennenberg, als stadhouder. Rennenberg stond op dat moment aan de zijde van de Staten-Generaal en Willem van Oranje. Zijn benoeming was belangrijk omdat nog verschillende steden en versterkingen onder koningsgezind gezag stonden. De nieuwe stadhouder moest proberen het gebied bestuurlijk en militair bijeen te brengen. Voor Vollenhove betekende zijn komst dat de verhouding tussen plaatselijke adel en het hogere bestuur opnieuw veranderde. Katholieke en protestantsgezinde families moesten hun positie bepalen. Rennenberg presenteerde zich aanvankelijk als een bestuurder die samenwerking tussen verschillende groepen mogelijk wilde maken.

20 juli 1578 — Kampen gaat over naar de Staatse partij

Op 20 juli 1578 kwam Kampen na een belegering in handen van de Staatse partij. De stad had jarenlang een koningsgezind garnizoen moeten huisvesten. De inwoners hadden daarover herhaaldelijk geklaagd, onder meer vanwege de kosten en het gedrag van slechtbetaalde soldaten. Met de overgave veranderde ook de politieke positie van het omliggende gebied. Johan Sloet de Oude keerde in deze periode terug en werd in Kampen bij de militaire leiding betrokken. Hij trad op als plaatsvervanger van stadhouder Rennenberg. Voor Vollenhove was de overgang van Kampen belangrijk omdat beide steden via de Zuiderzee en de Overijsselse bestuursorganen nauw verbonden waren. De komst van Staatse troepen leidde echter niet onmiddellijk tot rust.

1578 — Bij de Willibrordkapel in Vollenhove wordt een oud altaar vernield

In 1578 vond in Vollenhove een gebeurtenis plaats die later als een plaatselijke Beeldenstorm werd beschreven. Volgens George Westendorp stond aan de oostzijde van het Kerkplein een kapel die aan Willibrord was gewijd. Bij de overbrenging van religieuze voorwerpen naar de nabijgelegen Sint-Nicolaaskerk werd een oud altaar vernield. Westendorp beschouwde dit als een ernstige aantasting van een heilige plaats. Hij schreef dat Johan Sloet de Oude de vernieling had kunnen verhinderen, maar niet ingreep. De precieze datum en de aanwezigheid van Sloet zijn niet onafhankelijk vastgesteld. Het verhaal is belangrijk omdat het laat zien hoe de godsdienstige verdeeldheid binnen een kleine stad tot vernieling van religieus erfgoed kon leiden.

1578 — Twee mannen worden in de katholieke overlevering met de vernieling verbonden

Een latere katholieke beschrijving van Arnold Waeijer noemt een scheepstimmerman en een man uit Oost-Friesland als betrokkenen bij de vernieling van een houten Christusbeeld. In het plaatselijke onderzoek worden zij in verband gebracht met de namen Marc en Jan Kniphuijs. Mogelijk behoorden zij tot troepen die vanuit het Staatse Kampen naar Vollenhove waren gekomen. De identificatie is echter niet met zekerheid bewezen. Waeijer was pas in 1606 geboren en kon geen ooggetuige zijn geweest. Zijn verhaal berustte vermoedelijk op herinneringen die binnen katholieke families werden doorgegeven. Het onderzoek is bijzonder omdat een oudere tekst van Westendorp en een latere katholieke overlevering gedeeltelijk op dezelfde gebeurtenis lijken te wijzen.

1579 — Johan Sloet de Jonge wordt drost van Vollenhove

In 1579 werd Johan Sloet de Jonge aangesteld als drost van Vollenhove en kastelein van Kuinre. Hij volgde daarmee zijn vader Johan Sloet de Oude op, die een belangrijke rol speelde binnen de opstandige partij. De jonge Johan was omstreeks 1550 geboren en behoorde tot de aanzienlijke familie Sloet. Zijn benoeming vond plaats onder het bestuur van stadhouder Rennenberg, die toen nog aan Staatse zijde stond. Het drostambt was belangrijk voor de rechtspraak en het plaatselijke bestuur. De overgang binnen dezelfde familie betekende dat de Sloeten hun invloed behielden. Tegelijk werden de politieke tegenstellingen steeds groter, waardoor het ambt in de daaropvolgende jaren met aanzienlijke militaire problemen verbonden zou raken.

Deel 79 — Het overlopen van Rennenberg en de strijd om Steenwijk (1580)

3 maart 1580 — Rennenberg kiest in Groningen opnieuw de zijde van Filips II

Op 3 maart 1580 veranderde graaf Rennenberg in Groningen van politieke partij. Hij verklaarde zich opnieuw trouw aan koning Filips II en keerde zich tegen de Staten-Generaal. Zijn beslissing werd door de opstandelingen als verraad beschouwd, terwijl zijn katholieke medestanders haar juist als herstel van de wettige gehoorzaamheid zagen. Rennenberg kreeg steun van verschillende aanzienlijke families. De plaatselijke geschiedenis noemt ook Hendrik Hagen uit Vollenhove als mogelijke betrokkenheid bij de koningsgezinde kring, maar zijn precieze rol is niet bewezen. Het overlopen veroorzaakte een nieuwe militaire crisis. Groningen, Drenthe en delen van Overijssel werden opnieuw strijdgebied. Voor Vollenhove ontstond daardoor het gevaar van een aanval vanuit het noordoosten.

6 maart 1580 — Overijssel bevestigt zijn aansluiting bij de Unie van Utrecht

Op 6 maart 1580 verklaarden vertegenwoordigers van Overijssel tijdens een landdag te Kampen dat het gewest zich bij de Unie van Utrecht aansloot. Onder de ondertekenaars bevonden zich Johan Sloet de Oude en Eggerik van Ripperda. De Unie was in januari 1579 gesloten en vormde een belangrijk samenwerkingsverband tussen de opstandige gewesten. Het besluit kwam slechts drie dagen na het overlopen van Rennenberg. Daardoor had de aansluiting een bijzonder militair en politiek gewicht. De vertegenwoordigers wilden de positie van Overijssel binnen de opstandige gewesten versterken. Voor Vollenhove betekende dit dat het stadsbestuur en de drost rekening moesten houden met een landsheerlijk gezag dat niet langer vanzelfsprekend vanuit de Spaanse koning werd uitgeoefend.

1580 — Sonoy begint Zwartsluis te versterken om de noordelijke waterwegen te beschermen

In 1580 begon Diederik Sonoy, gouverneur van Noord-Holland, met de aanleg van een schans bij Zwartsluis. De werkzaamheden vonden plaats op verzoek van Friese calvinisten en met medeweten van Willem van Oranje en de drost van Vollenhove. Binnen de Overijsselse Staten bestond echter weerstand tegen het plan. De versterking was strategisch belangrijk omdat Zwartsluis aan de verbinding tussen het Zwarte Water, de Zuiderzee en het achterland lag. Wie de plaats beheerste, kon scheepvaart en troepenvervoer beïnvloeden. De bouw verliep niet zonder problemen. Ook andere Staatse bevelhebbers wilden de plaats versterken. Het gebied kreeg daardoor steeds meer betekenis als verdedigingslinie tegen troepen die vanuit Drenthe en Groningen konden oprukken.

Augustus 1580 — Aartsbisschop Frederik Schenck overlijdt zonder testament

In augustus 1580 overleed aartsbisschop Frederik Schenck van Toutenburg op kasteel Duurstede. De plaatselijke bronnen noemen 25 augustus, terwijl andere onderzoeken 28 augustus vermelden. Frederik was de oudste zoon van Georg Schenck en had sinds 1561 het aartsbisdom Utrecht geleid. Naast zijn kerkelijke functie beschikte hij over grote particuliere bezittingen, waaronder Toutenburg en Batinge. Omdat hij geen testament naliet, ontstond een langdurig geschil tussen verschillende familieleden en kerkelijke instellingen. De erfgenamen beriepen zich op oudere afspraken en verwantschappen. Voor Vollenhove betekende zijn overlijden dat opnieuw onzekerheid ontstond over de toekomst van het grote kasteel buiten de Bentpoort. De juridische procedures zouden nog vele jaren voortduren.

18–23 oktober 1580 — Rennenberg belegert Steenwijk en neemt Kuinre in

Op 18 oktober 1580 verscheen Rennenberg met zijn leger voor Steenwijk. De stad was strategisch belangrijk omdat zij toegang gaf tot de routes tussen Overijssel en Friesland. Enkele dagen later, omstreeks 23 oktober, kwam ook Kuinre in zijn handen. Daarmee werd de positie van het Land van Vollenhove ernstig bedreigd. Rennenberg probeerde de verbindingen tussen de Staatse gebieden af te snijden. In Steenwijk organiseerden verdedigers onder leiding van onder anderen Johan van den Kornput de weerstand. Vollenhove en de omliggende plaatsen moesten rekening houden met aanvallen en met de vraag hoe zij soldaten konden ondersteunen. De oorlog bracht daardoor opnieuw onzekerheid voor boeren, schippers en plaatselijke bestuurders.

Deel 80 — Steenwijk, Sint-Janskamp en de gevechten langs het Zwarte Water (1580–1581)

Oktober 1580 — Twee vendels uit Vollenhove versterken de verdediging van Steenwijk

Tijdens de eerste dagen van het beleg van Steenwijk arriveerden twee vendels soldaten uit Vollenhove om de verdedigers te versterken. Een vendel was een militaire eenheid die doorgaans ongeveer honderd tot honderdvijftig manschappen kon tellen. De versterking kwam op een kritiek moment, kort nadat Johan van den Kornput in de stad was aangekomen. Voor Vollenhove betekende het vertrek van zoveel soldaten dat de eigen verdediging verzwakte. Toch was het behoud van Steenwijk van groot strategisch belang. Wanneer Rennenberg de stad innam, kon hij de doorgang naar Friesland beheersen. De ondersteuning liet zien dat de verdediging van afzonderlijke plaatsen niet los van elkaar kon worden georganiseerd.

17 november 1580 — Rennenberg valt de Staatse troepen in Sint-Janskamp aan

Op 17 november 1580 ondernam Rennenberg een aanval op het klooster Sint-Janskamp bij Vollenhove. In het klooster waren zes vendels Staatse soldaten ondergebracht die betrokken waren bij de pogingen Steenwijk te ontzetten. Rennenberg wilde deze militaire dreiging in zijn achterland uitschakelen. Hij begon met beschietingen en liet vervolgens zijn troepen oprukken. De verdedigers konden aanvankelijk weerstand bieden, maar moesten uiteindelijk wijken. De aanval had grote gevolgen voor het kloostercomplex. Een religieuze gemeenschap die sinds het einde van de veertiende eeuw bestond, was nu onderdeel geworden van een militair strijdtoneel. Het optreden van beide legers bracht schade toe aan gebouwen die oorspronkelijk voor gebed en gemeenschappelijk leven waren opgericht.

November 1580 — Zwartsluis wordt in brand gestoken tijdens de terugtocht

Terwijl Rennenberg tegen de Staatse troepen in Sint-Janskamp optrad, verslechterde ook de positie van de bezetting in Zwartsluis. De verdedigers verlieten de plaats en staken bij hun terugtocht een deel van het dorp in brand. Vervolgens weken zij over het Zwarte Water uit. De gebeurtenis toont hoe burgers tussen de strijdende partijen terechtkwamen. Een leger kon gebouwen vernielen om te voorkomen dat de tegenstander daarvan gebruikmaakte. Voor de bewoners betekende dit verlies van woningen, opslagplaatsen en mogelijk bedrijfsmiddelen. Zwartsluis was bovendien belangrijk voor scheepvaart en goederenvervoer. De brand verzwakte daardoor niet alleen de plaatselijke bevolking, maar ook de economische verbinding tussen Zwolle, Vollenhove en de Zuiderzee.

December 1580 — De Engelse bevelhebber John Norris vestigt zich in Zwartsluis

In december 1580 vestigde de Engelse overste John Norris, ook geschreven als Norreys of Norrits, zich met nieuwe Staatse troepen in Zwartsluis. Zijn opdracht was bij te dragen aan het ontzet van Steenwijk. De aanwezigheid van Engelse soldaten toont dat de Nederlandse Opstand inmiddels een internationaal karakter had gekregen. Buitenlandse bevelhebbers en huurlingen speelden een belangrijke rol aan beide zijden. Norris probeerde vanuit Zwartsluis de verbinding met de belegerde stad te herstellen. Daarbij werd ook gekeken naar de mogelijkheden van kleine vaartuigen en het gebruik van ondergelopen land. Het waterrijke landschap rond Vollenhove, Giethoorn en Blokzijl kon militaire bewegingen vertragen, maar bood tegelijk mogelijkheden voor bevoorrading over water.

Januari 1581 — Sonoy neemt Blokzijl in en gebruikt de sluis voor de oorlogvoering

In januari 1581 slaagden Staatse troepen onder Diederik Sonoy erin Blokzijl in te nemen. Kort daarna werd een schans aangelegd om de plaats beter te beschermen. De sluis was van groot militair belang. Door water in het achterland toe te laten, konden gebieden onderlopen en werd het moeilijker voor grote legers om over land op te rukken. Tegelijk konden kleine boten gebruikmaken van de waterwegen. De Staatse bevelhebbers hoopten zo de verbinding met Steenwijk te verbeteren. In de omgeving van Giethoorn werd eveneens gevochten. Daar werden gebouwen in brand gestoken om de tegenstander te verdrijven. Voor de inwoners van de verspreide buurtschappen betekende de strijd dat zelfs moeilijk bereikbare gebieden niet langer veilig waren.

Deel 81 — De verovering van Vollenhove en het nieuwe grensgebied (1581–1585)

24–28 januari 1581 — De strijd om Sint-Janskamp eindigt met de inname van Toutenburg

Op 24 januari 1581 werd Sint-Janskamp opnieuw het toneel van zware gevechten. Rennenberg viel de Staatse troepen onder John Norris aan en gebruikte daarbij onder meer kanonnen. Drie dagen lang werd rondom het klooster gevochten. Nieuwe Staatse versterkingen vanuit Blokzijl dwongen Rennenberg uiteindelijk zijn aanval af te breken. Kort daarna richtten de Staatse bevelhebbers zich op Vollenhove. Op 28 januari wisselde kasteel Toutenburg van bezetter en kwam het in Staatse handen. De verovering was belangrijk omdat het grote adellijke complex ten zuiden van de stad lag en als militair steunpunt kon worden gebruikt. Het kasteel liep tijdens de bezetting aanzienlijke schade op. De strijd maakte zichtbaar dat zelfs indrukwekkende woonkastelen kwetsbaar waren voor moderne oorlogvoering.

31 januari 1581 — Het Oldehuis wordt op de koningsgezinde bezetting veroverd

Op 31 januari 1581 kwam ook het Oldehuis in handen van de Staatse troepen. Daarmee verloren de koningsgezinden hun belangrijkste versterking binnen Vollenhove. Het kasteel had sinds de twaalfde eeuw een centrale plaats ingenomen in het bestuur van het Land van Vollenhove. Eerst hadden Utrechtse bisschoppen er verbleven, later drosten en stadhouders van de Habsburgse landsheer. Nu werd het complex gebruikt door soldaten die zich tegen Filips II keerden. Bij de militaire bezetting ontstond schade aan gebouwen en verdedigingswerken. De verovering van beide kastelen betekende dat de Staatse partij Vollenhove voorlopig kon beheersen. Het Oldehuis verloor hierdoor steeds meer het karakter van een representatieve landsheerlijke residentie.

1581 — De katholieke pastoor verliest zijn functie en een gereformeerde predikant wordt gezocht

Na de Staatse machtswisseling van 1581 verloor de katholieke pastoor van Vollenhove zijn officiële positie. De nieuwe machthebbers wilden de gereformeerde eredienst mogelijk maken. Petrus Deken werd in 1581 als mogelijke predikant beroepen, maar hij nam de functie vermoedelijk niet aan. De overgang verliep daardoor langzaam. Een gereformeerde kerkorganisatie kon niet eenvoudig worden opgebouwd zolang de stad door oorlogsgeweld werd bedreigd. Ook de houding van de inwoners was van betekenis. Niet iedereen had de katholieke overtuiging verlaten. In juni 1581 vertrokken bovendien de troepen van Norris weer uit de kastelen. De bewaring van Toutenburg werd daarna aan inwoners toevertrouwd, onder leiding van een edelman.

1582 — De inname van Hasselt en het verlies van Steenwijk veranderen opnieuw de frontlijn

Op 26 oktober 1582 kwam Hasselt opnieuw onder Staatse controle. Tijdens de gebeurtenissen werden bij Jan van Wilp goederen geroofd die aan Toutenburg toebehoorden en bij hem in bewaring waren gegeven. Enkele weken later, op 16 november, werd Steenwijk door koningsgezinde troepen bij verrassing ingenomen. Daardoor ontstond een nieuwe bedreiging voor Vollenhove. De grens tussen de strijdende partijen kwam dichter bij de Zuiderzeekust te liggen. De Staatse troepen konden vooral nog vertrouwen op de verbinding over de kustdijk via Zwartsluis, Vollenhove en Blokzijl naar Kuinre. Deze route was belangrijk voor de verbinding met Friesland en voor het vervoer van voedsel, turf en andere goederen. De bevolking bleef daardoor in een kwetsbaar grensgebied wonen.

31 juli 1585 — De familie Van den Boetzelaer wordt als erfgenaam van Toutenburg erkend

Op 31 juli 1585 erkende het Hof van Utrecht Joachim, Steven en Oswald van den Boetzelaer als erfgenamen van bezittingen uit de nalatenschap van Frederik Schenck van Toutenburg. Ook hun oom Christoffel Schenck werd bij de aanspraken betrokken. De drie broers waren zonen van Anna Schenck, een dochter van Willem Schenck, de broer van Georg Schenck. Daarmee kwam Toutenburg binnen een nieuwe familietak terecht. De erkenning beëindigde niet alle juridische geschillen. Andere verwanten bleven aanspraken maken op inkomsten en goederen. Bovendien was het kasteel tijdens de oorlog beschadigd. De nieuwe eigenaren moesten daarom niet alleen hun rechten verdedigen, maar ook bepalen hoe de gebouwen opnieuw veilig bewoond en onderhouden konden worden.

Deel 74 — Het weeshuis, de vlucht van Johan Sloet en de dood van Aremberg (1567–1568)

1567 — Pastoor Johan Vuyst sticht een weeshuis aan de Oldestraat

In 1567 nam pastoor Johan Vuyst het initiatief tot de stichting van een weeshuis in Vollenhove. Hij verscheen voor het stadsbestuur en verklaarde dat hij al lange tijd een opvanghuis wilde oprichten voor kinderen die hun vader en moeder hadden verloren. Aan de Oldestraat, de latere Visscherstraat, had hij tegenover het Sint-Antoniusgasthuis een stenen gebouw laten oprichten. Verschillende inwoners hadden jaarlijkse bijdragen toegezegd om de verzorging van de kinderen mogelijk te maken. De instelling kwam niet uit het niets voort. Al in 1432 werd een Kinderhues genoemd en in 1560 waren schenkingen gedaan voor een nieuw weeshuis. De stichting verbond particuliere liefdadigheid met stedelijk bestuur.

1567 — Het stadsbestuur stelt achttien artikelen vast voor de verzorging van wezen

Na de verklaring van pastoor Johan Vuyst stelde het Vollenhoofse stadsbestuur een ordonnantie voor het nieuwe weeshuis vast. Deze bestond uit achttien artikelen en moest regelen hoe de instelling werd bestuurd en onderhouden. De zorg voor ouderloze kinderen werd daarmee een georganiseerde stedelijke verantwoordelijkheid. Het gebouw stond tegenover het Sint-Antoniusgasthuis, zodat verschillende vormen van armenzorg dicht bij elkaar waren gevestigd. Voor het onderhoud waren schenkingen, renten en jaarlijkse bijdragen noodzakelijk. De stichting wordt doorgaans in 1567 geplaatst, hoewel een later gevonden gevelsteen met 1576 in verband wordt gebracht. Mogelijk verwijzen deze jaartallen naar verschillende fasen van de stichting en de bouw.

1567 — Johan Sloet de Oude wordt als vijand van de Spaanse koning beschouwd

In 1567 raakte Johan Sloet de Oude, een van de invloedrijkste edelen van Vollenhove, openlijk in conflict met het bewind van koning Filips II. Hij werd als rebel en vijand van de koning aangemerkt. Sloet had jarenlang belangrijke bestuurlijke functies vervuld en was sinds 1552 drost van Vollenhove geweest. Hij beschikte bovendien over uitgebreide familieverbindingen binnen de Overijsselse ridderschap. Zijn keuze voor de opstandige partij maakte het gevaarlijk om in het gebied te blijven. Volgens de plaatselijke geschiedschrijving week hij vermoedelijk uit naar Emden of een andere plaats buiten het bereik van de koninklijke autoriteiten. Zijn vertrek verzwakte de positie van de protestantsgezinde adel rond Vollenhove.

1567 — De komst van Alva maakt de godsdienstige tegenstellingen gevaarlijker

In augustus 1567 arriveerde de hertog van Alva met een leger in de Nederlanden. Koning Filips II had hem opdracht gegeven de orde te herstellen na de Beeldenstorm en het toenemende verzet tegen het koninklijke bestuur. Alva liet invloedrijke tegenstanders arresteren en stelde de Raad van Beroerten in. Deze rechtbank kreeg een beruchte reputatie vanwege de vele onderzoeken, veroordelingen en confiscaties. Ook in Overijssel werden bestuurders en aanzienlijke families gedwongen hun politieke houding opnieuw te bepalen. Voor Vollenhove was de situatie bijzonder ingewikkeld. Stadhouder Aremberg bleef trouw aan de koning, terwijl Johan Sloet zich bij diens tegenstanders aansloot. De politieke verdeeldheid liep daardoor dwars door de plaatselijke bestuurswereld.

23 mei 1568 — Stadhouder Aremberg sneuvelt bij Heiligerlee

Op 23 mei 1568 vond bij Heiligerlee een veldslag plaats tussen koninklijke troepen onder Jean de Ligne, graaf van Aremberg, en een opstandig leger onder Lodewijk en Adolf van Nassau. Aremberg was sinds 1548 stadhouder van de noordelijke gewesten en had jarenlang met zijn gezin op het Oldehuis in Vollenhove gewoond. Tijdens de strijd sneuvelden zowel hij als Adolf van Nassau. De overwinning van de opstandelingen kreeg later grote symbolische betekenis als een van de eerste militaire successen van de Nederlandse Opstand. Voor Vollenhove betekende de dood van Aremberg het verlies van een bewoner die een belangrijke plaats in het bestuurlijke en sociale leven had ingenomen.

Deel 75 — Het vertrek van de stadhouderlijke familie en de eerste jaren van de Opstand (1568–1572)

1568 — Margaretha van der Marck verlaat het Oldehuis met haar kinderen

Na het sneuvelen van Jean de Ligne bleef zijn echtgenote Margaretha van der Marck achter met tien kinderen. Het gezin had jarenlang op het Oldehuis gewoond, waar enkele kinderen waren geboren. De dood van de stadhouder maakte aan deze periode een einde. Margaretha verliet Vollenhove en keerde volgens de plaatselijke geschiedenis terug naar Zevenbergen. Met haar vertrek verloor de stad haar positie als vaste verblijfplaats van de noordelijke stadhouderlijke familie. Het Oldehuis bleef een landsheerlijk kasteel, maar werd voortaan sterker verbonden met militaire en plaatselijke bestuursfuncties. De aanwezigheid van een groot adellijk huishouden had eerder personeel, leveranciers en andere voorzieningen naar de stad gebracht.

1569 — George Westendorp uit Vollenhove wordt juridisch adviseur van Groningen

In 1569 begon George Westendorp uit Vollenhove zijn werkzaamheden als syndicus, of juridisch adviseur, van de stad Groningen. Hij was omstreeks 1535 geboren en noemde zichzelf een petekind van Georg Schenck van Toutenburg. Mogelijk was zijn vader als rentmeester aan de familie Schenck verbonden geweest. Westendorp had rechten gestudeerd en ontwikkelde zich tot een ervaren bestuurder en geschiedschrijver. Zijn loopbaan bracht hem later bij het Hof van Friesland en verschillende koninklijke landvoogden. Hij bleef trouw aan het katholieke geloof en het Spaanse gezag. Voor de geschiedenis van Vollenhove is hij bijzonder waardevol omdat hij gebeurtenissen uit zijn eigen tijd beschreef en herinneringen aan oudere plaatselijke kerkelijke instellingen vastlegde.

1571 — Karel Schenck overlijdt en de toekomst van Toutenburg wordt onzeker

In 1571 overleed Karel Schenck van Toutenburg, de zoon van Georg Schenck en Johanna van Egmond. Hij was de belangrijkste erfgenaam van zijn vader geweest en had verschillende bezittingen in Overijssel, Drenthe en elders beheerd. Karel liet geen wettige kinderen na die zonder meer zijn volledige nalatenschap konden voortzetten. Daardoor ontstonden nieuwe vragen over de verdeling van zijn bezittingen. Zijn oudere halfbroer Frederik Schenck, inmiddels aartsbisschop van Utrecht, beschouwde zichzelf als een belangrijke erfgenaam. Tot de nalatenschap behoorden Toutenburg, Batinge en andere goederen. Het overlijden leidde tot juridische handelingen die uitzonderlijk veel informatie opleverden over de inrichting en het bezit van het Vollenhoofse kasteel.

1571 — De inventaris van Toutenburg beschrijft de zalen, schilderijen en kostbaarheden

Na Karels overlijden liet aartsbisschop Frederik Schenck een gerechtelijke inventaris van Toutenburg opstellen. Daarin worden talrijke vertrekken genoemd, waaronder de grote stenen zaal, het oude salon, de garderobe, de harnaskamer, de bisschopskamer, de bottelarij, de bierkelder en de wijnkelder. Ook waren er een keuken, een poortkamer, een meidenkamer en andere vertrekken. Op verschillende plaatsen hingen schilderijen, waaronder religieuze voorstellingen en familieportretten. In een kamer bevond zich een afbeelding van Georg Schenck en Johanna van Egmond. Bij de kostbaarheden waren vergulde bekers die Georg van de stad Groningen had ontvangen. De inventaris geeft een zeldzaam gedetailleerd beeld van het dagelijks leven in een zestiende-eeuwse adellijke residentie.

1 april 1572 — De inname van Den Briel verandert de machtsverhoudingen op het water

Op 1 april 1572 namen de watergeuzen Den Briel in. Deze gebeurtenis werd een belangrijk keerpunt in de Nederlandse Opstand. Verschillende kustplaatsen gingen in de daaropvolgende maanden over naar de opstandige partij. Ook Enkhuizen kwam onder hun invloed, waardoor de geuzen een belangrijke positie op de Zuiderzee kregen. Voor Vollenhove was dat van grote betekenis. De stad lag aan waterwegen waarlangs schepen uit Holland, Friesland en Overijssel elkaar ontmoetten. Dezelfde verbindingen die handel en visserij mogelijk maakten, konden nu worden gebruikt voor plotselinge militaire aanvallen. De plaatselijke verdediging moest rekening houden met vijanden die over zee konden verschijnen en zich snel weer konden terugtrekken.

Deel 76 — De watergeuzen, het kerkzilver en de tijdelijke bezetting van Overijssel (1572)

Juli 1572 — De watergeuzen landen bij Vollenhove en bezetten Toutenburg

In de tweede helft van juli 1572 probeerden de watergeuzen de kustverbinding tussen Overijssel en Friesland onder controle te krijgen. Een eerste onderneming mislukte, maar korte tijd later slaagden zij erin Vollenhove binnen te dringen. Ook het kasteel Toutenburg werd bezet. De aanval kwam vanuit de Zuiderzee, waar de geuzen inmiddels over een sterke vloot beschikten. Vollenhove was kwetsbaar omdat de verdediging van de stad niet op een langdurige strijd met een grote militaire macht was ingericht. De aanvallers wilden de kustweg en de nabijgelegen plaatsen beheersen. Hun optreden vormde een onderdeel van de bredere pogingen de Spaanse verbindingen en steunpunten in het noorden te verzwakken.

1572 — De Grote Kerk wordt geplunderd en geestelijken worden ontvoerd

Tijdens de geuzenaanval van 1572 werd de Grote Sint-Nicolaaskerk geplunderd. Kostbare voorwerpen en kerkzilver werden meegenomen. Volgens de plaatselijke historische overlevering namen de aanvallers ook een pastoor en een kapelaan gevangen. Tijdens de terugreis over de Zuiderzee zouden de geestelijken bij Marken overboord zijn gezet. De precieze afloop van beide persoonlijke levensgeschiedenissen vraagt onderzoek naar onafhankelijke contemporaine bronnen. De gebeurtenis laat zien hoe gevaarlijk de Opstand voor geestelijken kon zijn. Voor katholieke inwoners was de aanval niet uitsluitend een militaire bezetting van hun stad. Ook hun kerkgebouw en religieuze bezittingen werden getroffen. De buit werd volgens latere beschrijvingen naar het geuzengebied overgebracht.

1572 — Emmeloord op Schokland wordt getroffen tijdens de geuzenacties

Na hun optreden bij Vollenhove trokken geuzen ook naar Emmeloord op Schokland. Daar werden goederen geroofd en liep de bevolking schade op. De plaatselijke geschiedenis verbindt deze aanval met het verdwijnen van een kerkklok. Over de precieze route en de lotgevallen van afzonderlijke voorwerpen bestaan verschillende overleveringen. Het gebied rond Schokland was kwetsbaar omdat schepen er gemakkelijk konden landen. De bewoners waren voor handel en vervoer afhankelijk van dezelfde Zuiderzee die nu een militair strijdtoneel was geworden. Niet alleen versterkte steden werden aangevallen. Ook kleinere eilandgemeenschappen liepen gevaar wanneer gewapende groepen voedsel, geld of kostbaarheden zochten. Voor de bewoners betekenden zulke invallen verlies van bezit en voortdurende onzekerheid.

Augustus 1572 — Willem van den Bergh neemt Kampen, Zwolle en andere plaatsen in

In de zomer van 1572 trok graaf Willem van den Bergh, een zwager van Willem van Oranje, met opstandige troepen Overijssel binnen. Op 9 augustus kwam Kampen in zijn handen. Ook Zwolle ging over naar de opstandige partij. Verder werden Hasselt, Genemuiden, Meppel en Steenwijk ingenomen. Daardoor ontstond tijdelijk een groot aaneengesloten gebied waarin de opstandelingen invloed uitoefenden. Voor Vollenhove had deze ontwikkeling grote gevolgen. Het omliggende platteland kwam binnen het bereik van troepen die namens Oranje optraden. Tijdens de korte bezettingsperiode werden katholieke bestuurders ontslagen en verschillende kerken en kloosters geplunderd. De snelle verandering liet zien hoe weinig zekerheid de bestaande machtsverhoudingen nog boden.

November 1572 — Don Frederik herstelt het koninklijke gezag in Overijssel

In november 1572 moesten de troepen van Willem van den Bergh terugwijken voor het oprukkende leger van Don Frederik, de zoon van de hertog van Alva. Kampen en Zwolle zochten opnieuw aansluiting bij de Spaanse koning en vroegen om vergiffenis voor hun tijdelijke overgang naar de Opstand. In verschillende steden kwamen koningsgezinde garnizoenen te liggen. De bevolking kreeg daardoor opnieuw te maken met militaire verplichtingen en de kosten van ingekwartierde soldaten. Voor Vollenhove betekende de terugkeer van het koninklijke gezag dat de gebeurtenissen van de zomer geen blijvende machtswisseling hadden gebracht. De stad lag nog altijd tussen gebieden waar verschillende partijen om de macht streden.

Deel 77 — Toutenburg, de Pacificatie van Gent en het einde van de Spaanse overheersing in Overijssel (1573–1577)

7 februari 1573 — Frederik Schenck wordt met Batinge beleend en versterkt zijn erfelijke rechten

Op 7 februari 1573 werd aartsbisschop Frederik Schenck van Toutenburg opnieuw beleend met het goed Batinge bij Dwingeloo. Ook zijn aanspraken op de overige bezittingen van zijn overleden halfbroer Karel kregen in deze periode verdere juridische erkenning. Frederik beschikte over omvangrijke kerkelijke inkomsten, maar bezat daarnaast particuliere goederen. Daarmee was hij niet uitsluitend geestelijke, maar ook een belangrijke grondbezitter. Tot de bezittingen behoorde het kasteel Toutenburg bij Vollenhove, dat hij af en toe gebruikte. De ingewikkelde erfenis maakte duidelijk hoe moeilijk het onderscheid tussen familiebezit en kerkelijke functies kon zijn. Na Frederiks overlijden zou deze kwestie opnieuw tot langdurige procedures leiden.

4 maart 1575 — Toutenburg wordt voor tien jaar aan Jan van Wilp verpacht

Op 4 maart 1575 werd kasteel Toutenburg met de bijbehorende bezittingen verhuurd aan Jan van Wilp, secretaris van Hasselt. De overeenkomst gold voor tien jaar en vermeldde een jaarlijkse pachtsom van 2.000 gulden. Het bedrag laat zien dat het niet uitsluitend om de bewoning van een kasteel ging. Ook de inkomsten uit bijbehorende gronden en rechten maakten deel uit van het geheel. De aartsbisschop kon hierdoor opbrengsten uit zijn bezit ontvangen zonder voortdurend zelf in Vollenhove aanwezig te zijn. Voor Jan van Wilp betekende de overeenkomst dat hij verantwoordelijk werd voor het beheer van aanzienlijke goederen. Zijn naam zou later opnieuw verschijnen tijdens de oorlogshandelingen rond Hasselt.

1575 — Pastoor Johan Vuyst krijgt opdracht het zilverwerk van Toutenburg naar Utrecht te sturen

In verband met het beheer van Toutenburg kreeg pastoor Johan Vuyst opdracht kostbaar zilverwerk uit het kasteel veilig te stellen. Het ging onder meer om grote en kleine credensbekers en ander tafelzilver. De voorwerpen moesten worden ingepakt en naar Utrecht worden gestuurd. Deze opdracht onderstreept de vertrouwenspositie van de pastoor. Hij was niet uitsluitend betrokken bij kerkelijke diensten en het weeshuis, maar werd ook ingeschakeld voor particuliere belangen van aartsbisschop Frederik Schenck. Het zilver vertegenwoordigde een aanzienlijke financiële en persoonlijke waarde. Tijdens de onzekere oorlogsjaren was het bewaren van dergelijke bezittingen in een verafgelegen kasteel niet zonder risico. De opdracht verbindt de huishouding van Toutenburg met het kerkelijke netwerk van Utrecht.

16 december 1576 — Overijssel sluit zich onder voorwaarden aan bij de Pacificatie van Gent

Op 16 december 1576 verbonden de Staten van Overijssel zich onder voorwaarden aan de Pacificatie van Gent. De overeenkomst tussen verschillende Nederlandse gewesten was gericht op het beëindigen van de oorlog en het verwijderen van buitenlandse soldaten. Voor Overijssel was vooral het vertrek van de koningsgezinde garnizoenen uit de IJsselsteden belangrijk. Deventer en Kampen konden zich door de aanwezige soldaten niet onmiddellijk vrij bij de nieuwe afspraken aansluiten. Ook bestonden meningsverschillen over de positie van het katholieke geloof. De Overijsselse vertegenwoordigers wilden hun bestaande religieuze en bestuurlijke rechten behouden. Voor Vollenhove betekende de Pacificatie nog geen onmiddellijke vrede. Het gebied bleef afhankelijk van gebeurtenissen in de omliggende steden.

12 en 26 april 1577 — George Westendorp reist via zijn geboorteplaats Vollenhove

Het bewaarde reisdagboek van George Westendorp vermeldt dat hij op 12 april 1577 Vollenhove aandeed tijdens zijn reis naar Brussel. Op 26 april kwam hij opnieuw door de stad tijdens zijn terugreis. Westendorp was inmiddels werkzaam als raadsheer bij het Hof van Friesland en bleef sterk verbonden met het katholieke en koningsgezinde bestuur. Zijn aantekeningen zijn belangrijk omdat zij concrete reisdagen en plaatsen vastleggen. Een reiziger van zijn positie maakte gebruik van bestaande wegen en waterverbindingen en kon tijdens de tocht contact onderhouden met familieleden en plaatselijke bestuurders. De bezoeken tonen dat Vollenhove ondanks de oorlog nog altijd een halte kon zijn op reizen tussen het noorden en de zuidelijke Nederlanden.

Deel 78 — De terugkeer van Johan Sloet en de Beeldenstorm van Vollenhove (1578–1579)

7 april 1578 — Rennenberg wordt als stadhouder van Overijssel aanvaard

Op 7 april 1578 aanvaardden vertegenwoordigers van de Overijsselse ridderschap en de stad Zwolle George van Lalaing, graaf van Rennenberg, als stadhouder. Rennenberg stond op dat moment aan de zijde van de Staten-Generaal en Willem van Oranje. Zijn benoeming was belangrijk omdat nog verschillende steden en versterkingen onder koningsgezind gezag stonden. De nieuwe stadhouder moest proberen het gebied bestuurlijk en militair bijeen te brengen. Voor Vollenhove betekende zijn komst dat de verhouding tussen plaatselijke adel en het hogere bestuur opnieuw veranderde. Katholieke en protestantsgezinde families moesten hun positie bepalen. Rennenberg presenteerde zich aanvankelijk als een bestuurder die samenwerking tussen verschillende groepen mogelijk wilde maken.

20 juli 1578 — Kampen gaat over naar de Staatse partij

Op 20 juli 1578 kwam Kampen na een belegering in handen van de Staatse partij. De stad had jarenlang een koningsgezind garnizoen moeten huisvesten. De inwoners hadden daarover herhaaldelijk geklaagd, onder meer vanwege de kosten en het gedrag van slechtbetaalde soldaten. Met de overgave veranderde ook de politieke positie van het omliggende gebied. Johan Sloet de Oude keerde in deze periode terug en werd in Kampen bij de militaire leiding betrokken. Hij trad op als plaatsvervanger van stadhouder Rennenberg. Voor Vollenhove was de overgang van Kampen belangrijk omdat beide steden via de Zuiderzee en de Overijsselse bestuursorganen nauw verbonden waren. De komst van Staatse troepen leidde echter niet onmiddellijk tot rust.

1578 — Bij de Willibrordkapel in Vollenhove wordt een oud altaar vernield

In 1578 vond in Vollenhove een gebeurtenis plaats die later als een plaatselijke Beeldenstorm werd beschreven. Volgens George Westendorp stond aan de oostzijde van het Kerkplein een kapel die aan Willibrord was gewijd. Bij de overbrenging van religieuze voorwerpen naar de nabijgelegen Sint-Nicolaaskerk werd een oud altaar vernield. Westendorp beschouwde dit als een ernstige aantasting van een heilige plaats. Hij schreef dat Johan Sloet de Oude de vernieling had kunnen verhinderen, maar niet ingreep. De precieze datum en de aanwezigheid van Sloet zijn niet onafhankelijk vastgesteld. Het verhaal is belangrijk omdat het laat zien hoe de godsdienstige verdeeldheid binnen een kleine stad tot vernieling van religieus erfgoed kon leiden.

1578 — Twee mannen worden in de katholieke overlevering met de vernieling verbonden

Een latere katholieke beschrijving van Arnold Waeijer noemt een scheepstimmerman en een man uit Oost-Friesland als betrokkenen bij de vernieling van een houten Christusbeeld. In het plaatselijke onderzoek worden zij in verband gebracht met de namen Marc en Jan Kniphuijs. Mogelijk behoorden zij tot troepen die vanuit het Staatse Kampen naar Vollenhove waren gekomen. De identificatie is echter niet met zekerheid bewezen. Waeijer was pas in 1606 geboren en kon geen ooggetuige zijn geweest. Zijn verhaal berustte vermoedelijk op herinneringen die binnen katholieke families werden doorgegeven. Het onderzoek is bijzonder omdat een oudere tekst van Westendorp en een latere katholieke overlevering gedeeltelijk op dezelfde gebeurtenis lijken te wijzen.

1579 — Johan Sloet de Jonge wordt drost van Vollenhove

In 1579 werd Johan Sloet de Jonge aangesteld als drost van Vollenhove en kastelein van Kuinre. Hij volgde daarmee zijn vader Johan Sloet de Oude op, die een belangrijke rol speelde binnen de opstandige partij. De jonge Johan was omstreeks 1550 geboren en behoorde tot de aanzienlijke familie Sloet. Zijn benoeming vond plaats onder het bestuur van stadhouder Rennenberg, die toen nog aan Staatse zijde stond. Het drostambt was belangrijk voor de rechtspraak en het plaatselijke bestuur. De overgang binnen dezelfde familie betekende dat de Sloeten hun invloed behielden. Tegelijk werden de politieke tegenstellingen steeds groter, waardoor het ambt in de daaropvolgende jaren met aanzienlijke militaire problemen verbonden zou raken.

Deel 79 — Het overlopen van Rennenberg en de strijd om Steenwijk (1580)

3 maart 1580 — Rennenberg kiest in Groningen opnieuw de zijde van Filips II

Op 3 maart 1580 veranderde graaf Rennenberg in Groningen van politieke partij. Hij verklaarde zich opnieuw trouw aan koning Filips II en keerde zich tegen de Staten-Generaal. Zijn beslissing werd door de opstandelingen als verraad beschouwd, terwijl zijn katholieke medestanders haar juist als herstel van de wettige gehoorzaamheid zagen. Rennenberg kreeg steun van verschillende aanzienlijke families. De plaatselijke geschiedenis noemt ook Hendrik Hagen uit Vollenhove als mogelijke betrokkenheid bij de koningsgezinde kring, maar zijn precieze rol is niet bewezen. Het overlopen veroorzaakte een nieuwe militaire crisis. Groningen, Drenthe en delen van Overijssel werden opnieuw strijdgebied. Voor Vollenhove ontstond daardoor het gevaar van een aanval vanuit het noordoosten.

6 maart 1580 — Overijssel bevestigt zijn aansluiting bij de Unie van Utrecht

Op 6 maart 1580 verklaarden vertegenwoordigers van Overijssel tijdens een landdag te Kampen dat het gewest zich bij de Unie van Utrecht aansloot. Onder de ondertekenaars bevonden zich Johan Sloet de Oude en Eggerik van Ripperda. De Unie was in januari 1579 gesloten en vormde een belangrijk samenwerkingsverband tussen de opstandige gewesten. Het besluit kwam slechts drie dagen na het overlopen van Rennenberg. Daardoor had de aansluiting een bijzonder militair en politiek gewicht. De vertegenwoordigers wilden de positie van Overijssel binnen de opstandige gewesten versterken. Voor Vollenhove betekende dit dat het stadsbestuur en de drost rekening moesten houden met een landsheerlijk gezag dat niet langer vanzelfsprekend vanuit de Spaanse koning werd uitgeoefend.

1580 — Sonoy begint Zwartsluis te versterken om de noordelijke waterwegen te beschermen

In 1580 begon Diederik Sonoy, gouverneur van Noord-Holland, met de aanleg van een schans bij Zwartsluis. De werkzaamheden vonden plaats op verzoek van Friese calvinisten en met medeweten van Willem van Oranje en de drost van Vollenhove. Binnen de Overijsselse Staten bestond echter weerstand tegen het plan. De versterking was strategisch belangrijk omdat Zwartsluis aan de verbinding tussen het Zwarte Water, de Zuiderzee en het achterland lag. Wie de plaats beheerste, kon scheepvaart en troepenvervoer beïnvloeden. De bouw verliep niet zonder problemen. Ook andere Staatse bevelhebbers wilden de plaats versterken. Het gebied kreeg daardoor steeds meer betekenis als verdedigingslinie tegen troepen die vanuit Drenthe en Groningen konden oprukken.

Augustus 1580 — Aartsbisschop Frederik Schenck overlijdt zonder testament

In augustus 1580 overleed aartsbisschop Frederik Schenck van Toutenburg op kasteel Duurstede. De plaatselijke bronnen noemen 25 augustus, terwijl andere onderzoeken 28 augustus vermelden. Frederik was de oudste zoon van Georg Schenck en had sinds 1561 het aartsbisdom Utrecht geleid. Naast zijn kerkelijke functie beschikte hij over grote particuliere bezittingen, waaronder Toutenburg en Batinge. Omdat hij geen testament naliet, ontstond een langdurig geschil tussen verschillende familieleden en kerkelijke instellingen. De erfgenamen beriepen zich op oudere afspraken en verwantschappen. Voor Vollenhove betekende zijn overlijden dat opnieuw onzekerheid ontstond over de toekomst van het grote kasteel buiten de Bentpoort. De juridische procedures zouden nog vele jaren voortduren.

18–23 oktober 1580 — Rennenberg belegert Steenwijk en neemt Kuinre in

Op 18 oktober 1580 verscheen Rennenberg met zijn leger voor Steenwijk. De stad was strategisch belangrijk omdat zij toegang gaf tot de routes tussen Overijssel en Friesland. Enkele dagen later, omstreeks 23 oktober, kwam ook Kuinre in zijn handen. Daarmee werd de positie van het Land van Vollenhove ernstig bedreigd. Rennenberg probeerde de verbindingen tussen de Staatse gebieden af te snijden. In Steenwijk organiseerden verdedigers onder leiding van onder anderen Johan van den Kornput de weerstand. Vollenhove en de omliggende plaatsen moesten rekening houden met aanvallen en met de vraag hoe zij soldaten konden ondersteunen. De oorlog bracht daardoor opnieuw onzekerheid voor boeren, schippers en plaatselijke bestuurders.

Deel 80 — Steenwijk, Sint-Janskamp en de gevechten langs het Zwarte Water (1580–1581)

Oktober 1580 — Twee vendels uit Vollenhove versterken de verdediging van Steenwijk

Tijdens de eerste dagen van het beleg van Steenwijk arriveerden twee vendels soldaten uit Vollenhove om de verdedigers te versterken. Een vendel was een militaire eenheid die doorgaans ongeveer honderd tot honderdvijftig manschappen kon tellen. De versterking kwam op een kritiek moment, kort nadat Johan van den Kornput in de stad was aangekomen. Voor Vollenhove betekende het vertrek van zoveel soldaten dat de eigen verdediging verzwakte. Toch was het behoud van Steenwijk van groot strategisch belang. Wanneer Rennenberg de stad innam, kon hij de doorgang naar Friesland beheersen. De ondersteuning liet zien dat de verdediging van afzonderlijke plaatsen niet los van elkaar kon worden georganiseerd.

17 november 1580 — Rennenberg valt de Staatse troepen in Sint-Janskamp aan

Op 17 november 1580 ondernam Rennenberg een aanval op het klooster Sint-Janskamp bij Vollenhove. In het klooster waren zes vendels Staatse soldaten ondergebracht die betrokken waren bij de pogingen Steenwijk te ontzetten. Rennenberg wilde deze militaire dreiging in zijn achterland uitschakelen. Hij begon met beschietingen en liet vervolgens zijn troepen oprukken. De verdedigers konden aanvankelijk weerstand bieden, maar moesten uiteindelijk wijken. De aanval had grote gevolgen voor het kloostercomplex. Een religieuze gemeenschap die sinds het einde van de veertiende eeuw bestond, was nu onderdeel geworden van een militair strijdtoneel. Het optreden van beide legers bracht schade toe aan gebouwen die oorspronkelijk voor gebed en gemeenschappelijk leven waren opgericht.

November 1580 — Zwartsluis wordt in brand gestoken tijdens de terugtocht

Terwijl Rennenberg tegen de Staatse troepen in Sint-Janskamp optrad, verslechterde ook de positie van de bezetting in Zwartsluis. De verdedigers verlieten de plaats en staken bij hun terugtocht een deel van het dorp in brand. Vervolgens weken zij over het Zwarte Water uit. De gebeurtenis toont hoe burgers tussen de strijdende partijen terechtkwamen. Een leger kon gebouwen vernielen om te voorkomen dat de tegenstander daarvan gebruikmaakte. Voor de bewoners betekende dit verlies van woningen, opslagplaatsen en mogelijk bedrijfsmiddelen. Zwartsluis was bovendien belangrijk voor scheepvaart en goederenvervoer. De brand verzwakte daardoor niet alleen de plaatselijke bevolking, maar ook de economische verbinding tussen Zwolle, Vollenhove en de Zuiderzee.

December 1580 — De Engelse bevelhebber John Norris vestigt zich in Zwartsluis

In december 1580 vestigde de Engelse overste John Norris, ook geschreven als Norreys of Norrits, zich met nieuwe Staatse troepen in Zwartsluis. Zijn opdracht was bij te dragen aan het ontzet van Steenwijk. De aanwezigheid van Engelse soldaten toont dat de Nederlandse Opstand inmiddels een internationaal karakter had gekregen. Buitenlandse bevelhebbers en huurlingen speelden een belangrijke rol aan beide zijden. Norris probeerde vanuit Zwartsluis de verbinding met de belegerde stad te herstellen. Daarbij werd ook gekeken naar de mogelijkheden van kleine vaartuigen en het gebruik van ondergelopen land. Het waterrijke landschap rond Vollenhove, Giethoorn en Blokzijl kon militaire bewegingen vertragen, maar bood tegelijk mogelijkheden voor bevoorrading over water.

Januari 1581 — Sonoy neemt Blokzijl in en gebruikt de sluis voor de oorlogvoering

In januari 1581 slaagden Staatse troepen onder Diederik Sonoy erin Blokzijl in te nemen. Kort daarna werd een schans aangelegd om de plaats beter te beschermen. De sluis was van groot militair belang. Door water in het achterland toe te laten, konden gebieden onderlopen en werd het moeilijker voor grote legers om over land op te rukken. Tegelijk konden kleine boten gebruikmaken van de waterwegen. De Staatse bevelhebbers hoopten zo de verbinding met Steenwijk te verbeteren. In de omgeving van Giethoorn werd eveneens gevochten. Daar werden gebouwen in brand gestoken om de tegenstander te verdrijven. Voor de inwoners van de verspreide buurtschappen betekende de strijd dat zelfs moeilijk bereikbare gebieden niet langer veilig waren.

Deel 81 — De verovering van Vollenhove en het nieuwe grensgebied (1581–1585)

24–28 januari 1581 — De strijd om Sint-Janskamp eindigt met de inname van Toutenburg

Op 24 januari 1581 werd Sint-Janskamp opnieuw het toneel van zware gevechten. Rennenberg viel de Staatse troepen onder John Norris aan en gebruikte daarbij onder meer kanonnen. Drie dagen lang werd rondom het klooster gevochten. Nieuwe Staatse versterkingen vanuit Blokzijl dwongen Rennenberg uiteindelijk zijn aanval af te breken. Kort daarna richtten de Staatse bevelhebbers zich op Vollenhove. Op 28 januari wisselde kasteel Toutenburg van bezetter en kwam het in Staatse handen. De verovering was belangrijk omdat het grote adellijke complex ten zuiden van de stad lag en als militair steunpunt kon worden gebruikt. Het kasteel liep tijdens de bezetting aanzienlijke schade op. De strijd maakte zichtbaar dat zelfs indrukwekkende woonkastelen kwetsbaar waren voor moderne oorlogvoering.

31 januari 1581 — Het Oldehuis wordt op de koningsgezinde bezetting veroverd

Op 31 januari 1581 kwam ook het Oldehuis in handen van de Staatse troepen. Daarmee verloren de koningsgezinden hun belangrijkste versterking binnen Vollenhove. Het kasteel had sinds de twaalfde eeuw een centrale plaats ingenomen in het bestuur van het Land van Vollenhove. Eerst hadden Utrechtse bisschoppen er verbleven, later drosten en stadhouders van de Habsburgse landsheer. Nu werd het complex gebruikt door soldaten die zich tegen Filips II keerden. Bij de militaire bezetting ontstond schade aan gebouwen en verdedigingswerken. De verovering van beide kastelen betekende dat de Staatse partij Vollenhove voorlopig kon beheersen. Het Oldehuis verloor hierdoor steeds meer het karakter van een representatieve landsheerlijke residentie.

1581 — De katholieke pastoor verliest zijn functie en een gereformeerde predikant wordt gezocht

Na de Staatse machtswisseling van 1581 verloor de katholieke pastoor van Vollenhove zijn officiële positie. De nieuwe machthebbers wilden de gereformeerde eredienst mogelijk maken. Petrus Deken werd in 1581 als mogelijke predikant beroepen, maar hij nam de functie vermoedelijk niet aan. De overgang verliep daardoor langzaam. Een gereformeerde kerkorganisatie kon niet eenvoudig worden opgebouwd zolang de stad door oorlogsgeweld werd bedreigd. Ook de houding van de inwoners was van betekenis. Niet iedereen had de katholieke overtuiging verlaten. In juni 1581 vertrokken bovendien de troepen van Norris weer uit de kastelen. De bewaring van Toutenburg werd daarna aan inwoners toevertrouwd, onder leiding van een edelman.

1582 — De inname van Hasselt en het verlies van Steenwijk veranderen opnieuw de frontlijn

Op 26 oktober 1582 kwam Hasselt opnieuw onder Staatse controle. Tijdens de gebeurtenissen werden bij Jan van Wilp goederen geroofd die aan Toutenburg toebehoorden en bij hem in bewaring waren gegeven. Enkele weken later, op 16 november, werd Steenwijk door koningsgezinde troepen bij verrassing ingenomen. Daardoor ontstond een nieuwe bedreiging voor Vollenhove. De grens tussen de strijdende partijen kwam dichter bij de Zuiderzeekust te liggen. De Staatse troepen konden vooral nog vertrouwen op de verbinding over de kustdijk via Zwartsluis, Vollenhove en Blokzijl naar Kuinre. Deze route was belangrijk voor de verbinding met Friesland en voor het vervoer van voedsel, turf en andere goederen. De bevolking bleef daardoor in een kwetsbaar grensgebied wonen.

31 juli 1585 — De familie Van den Boetzelaer wordt als erfgenaam van Toutenburg erkend

Op 31 juli 1585 erkende het Hof van Utrecht Joachim, Steven en Oswald van den Boetzelaer als erfgenamen van bezittingen uit de nalatenschap van Frederik Schenck van Toutenburg. Ook hun oom Christoffel Schenck werd bij de aanspraken betrokken. De drie broers waren zonen van Anna Schenck, een dochter van Willem Schenck, de broer van Georg Schenck. Daarmee kwam Toutenburg binnen een nieuwe familietak terecht. De erkenning beëindigde niet alle juridische geschillen. Andere verwanten bleven aanspraken maken op inkomsten en goederen. Bovendien was het kasteel tijdens de oorlog beschadigd. De nieuwe eigenaren moesten daarom niet alleen hun rechten verdedigen, maar ook bepalen hoe de gebouwen opnieuw veilig bewoond en onderhouden konden worden.

Deel 82 — Vollenhove tussen twee legers, kerkelijke onzekerheid en belastingdruk (1586–1589)

1586 — Vollenhove blijft kwetsbaar voor invallen vanuit Steenwijk

In 1586 lag Vollenhove nog altijd in een gevaarlijk grensgebied. Steenwijk was sinds 1582 in handen van de koningsgezinde troepen, terwijl Blokzijl en verschillende kustplaatsen door de Staatse partij werden beheerst. Gewapende groepen konden vanuit Steenwijk over de wegen en door de omliggende dorpen trekken. De versterkte kastelen van Vollenhove boden weinig bescherming meer. Hun verdedigingswerken waren tijdens de voorafgaande oorlogsjaren beschadigd. De stad beschikte daarom vooral over eigen gewapende burgers, terwijl grotere garnizoenen elders waren ondergebracht. Boeren, vissers en reizigers moesten rekening houden met onverwachte invallen en het opeisen van voedsel, paarden of geld. De oorlog bepaalde voortdurend welke wegen nog veilig waren.

1586 — De inwoners moeten aan beide strijdende partijen betalen

Tijdens de oorlogsjaren moest Vollenhove volgens de plaatselijke geschiedenis regelmatig contributies betalen aan zowel de Staatse als de koningsgezinde partij. Een bedrag van zestig carolusgulden per maand wordt genoemd, maar de verplichtingen konden oplopen. Contributies waren betalingen waarmee een gemeenschap probeerde te voorkomen dat soldaten haar huizen en bezittingen plunderden. Voor gewone burgers vormden zulke lasten een zware aanslag op hun inkomen. Een visser kon minder uitvaren en toch belasting verschuldigd blijven. Ook landbouwers liepen gevaar omdat vee en voorraden werden opgeëist. Het stadsbestuur moest geld bijeenbrengen en tegelijkertijd proberen te voorkomen dat de ene betaling door de andere partij als vijandige samenwerking werd beschouwd.

1587 — Uit de stedelijke eed verdwijnen de aanroepingen van de heiligen

In 1587 veranderde de formulering van de eed waarmee Vollenhoofse bestuurders hun verplichtingen bevestigden. Waar in 1584 nog heiligen naast God werden aangeroepen, werd voortaan gezworen bij God en het evangelie. Deze wijziging vormt een concreet bewijs van de geleidelijke verandering van het openbare religieuze leven. De Reformatie verliep in Vollenhove niet door één enkel besluit. Oude gewoonten verdwenen stap voor stap uit de stedelijke administratie. Ook de datum waarop het stadsbestuur werd vernieuwd, was eerder al veranderd van een kerkelijke feestdag in een gewone kalenderdatum. De aanpassing van de eed laat zien dat protestantse invloed zich inmiddels tot de rechtspraak en het bestuur uitstrekte.

1588 — De Overijsselse synode klaagt dat Vollenhove geen gereformeerde predikant kan ontvangen

In 1588 besprak de Overijsselse synode de moeilijke godsdienstige situatie in Vollenhove en Hasselt. Volgens de kerkelijke vertegenwoordigers maakte de aanwezigheid van vijandelijke troepen het onmogelijk om veilig een gereformeerde predikant aan te stellen. In Vollenhove werd de eredienst daarom nog verzorgd door een priester die zwarte kleding droeg. De synode was ongelukkig met deze tijdelijke regeling, maar kon de plaatselijke omstandigheden niet veranderen. De situatie toont dat de overgang naar een nieuwe kerkorganisatie veel langzamer verliep dan de militaire machtswisseling van 1581. Een kerkgebouw kon onder Staatse invloed komen zonder dat er onmiddellijk een erkende gereformeerde gemeente met een eigen predikant ontstond.

1589 — Baarlo komt in conflict met de koningsgezinde bevelhebber van Steenwijk

In 1589 klaagden inwoners van Baarlo over hun moeilijkheden bij het betalen van de opgelegde oorlogscontributies. Zij richtten zich tot Antonio de Cocquel, de bevelhebber van het koningsgezinde garnizoen in Steenwijk. Deze dreigde goederen in beslag te nemen bij vluchtelingen die inmiddels in Vollenhove verbleven. Drost Johan Sloet reageerde met een tegenmaatregel. Hij dreigde Staatse soldaten naar Baarlo en de Kuinderdijk te sturen. Het geschil maakt zichtbaar hoe gevaarlijk de positie van bewoners tussen beide legers was. Mensen konden naar een veiligere plaats vluchten, maar bleven toch aangesproken worden op betalingen die aan hun oorspronkelijke woongebied verbonden waren.

Deel 83 — De vluchtelingen, de verdediging van de Zuiderzeekust en het ontzet van Steenwijk (1590–1592)

Omstreeks 1590 — Johan Sloet de Jonge neemt steeds meer bestuurstaken van zijn vader over

Omstreeks 1590 kwam het bestuur van Vollenhove steeds sterker in handen van Johan Sloet de Jonge. Hij was een zoon van Johan Sloet de Oude en Everdina de Vos van Steenwijk. Beide mannen waren verbonden met de opstandige partij en de Overijsselse ridderschap. De historische overzichten noemen verschillende jaren voor de daadwerkelijke opvolging in het drostambt: 1579, 1590 en 1597 komen voor. Waarschijnlijk weerspiegelen die verschillen afzonderlijke benoemingen, tijdelijke waarneming en latere officiële registraties. Johan de Jonge kreeg daarnaast een belangrijke plaats in de landelijke politiek. Vanaf omstreeks 1590 was hij vertegenwoordiger van Overijssel in de Staten-Generaal, waar militaire en financiële besluiten werden genomen.

1590 — Jonkers en burgers maken ruzie over de betaling van oorlogscontributies

Rond 1590 ontstonden in Vollenhove conflicten over de verdeling van de hoge oorlogsbelastingen. Verschillende aanzienlijke bewoners beriepen zich op beschermingsbrieven, zogenoemde sauvegarden, die zij van de koningsgezinde bevelhebber Francisco Verdugo hadden ontvangen. Volgens hun uitleg hoefden zij daardoor bepaalde betalingen niet te verrichten. Het stadsbestuur vond het onaanvaardbaar dat gewone burgers de lasten grotendeels alleen moesten dragen. Johan Sloet de Oude steunde de stad in dit geschil. De kwestie laat zien dat adellijke privileges in oorlogstijd tot spanningen konden leiden. Een aanzienlijk huis beschikte over bijzondere rechten, maar de veiligheid van de gemeenschap was afhankelijk van gezamenlijke bijdragen aan de opgelegde verplichtingen.

1590–1591 — Vluchtelingen zoeken bescherming achter de schans van Blokzijl

Veel bewoners van het gebied tussen Kuinre en Baarlo zochten tijdens de oorlog bescherming bij Blokzijl. Daar lag een Staatse schans, terwijl de omliggende dorpen regelmatig door koningsgezinde soldaten werden bezocht. Achter de versterking konden vluchtelingen hopen hun gezinnen en bezittingen beter te beschermen. Sommigen ontliepen daarmee ook de contributies die in hun oorspronkelijke woonplaatsen werden geëist. De concentratie van bewoners rond Blokzijl veranderde tijdelijk de verhouding tussen stad en platteland. Voor het dagelijks leven ontstonden nieuwe problemen. Vluchtelingen moesten onderdak vinden en hun levensonderhoud veiligstellen, terwijl de aanwezige soldaten zelf voedsel en andere voorraden nodig hadden.

Mei–juli 1592 — Maurits en Willem Lodewijk belegeren Steenwijk

In het voorjaar van 1592 begonnen prins Maurits en stadhouder Willem Lodewijk een grote militaire onderneming tegen Steenwijk. De stad was sinds 1582 een koningsgezind steunpunt en vormde een voortdurende bedreiging voor het Land van Vollenhove. Het Staatse leger gebruikte belegeringswerken, geschut en naderingsloopgraven om de verdedigers onder druk te zetten. Na een beleg van ongeveer vierenveertig dagen moest Steenwijk in juli capituleren. De herovering was belangrijk voor de verbinding tussen Overijssel en Friesland. Vanuit Vollenhove hoefde men voortaan minder rekening te houden met een vijandelijk garnizoen op korte afstand. De veiligheid verbeterde, al was de oorlog daarmee nog niet beëindigd.

Juli 1592 — De herovering van Steenwijk maakt een nieuwe kerkelijke organisatie mogelijk

Na de overgave van Steenwijk in juli 1592 veranderde de politieke situatie in Noordwest-Overijssel. De belangrijkste koningsgezinde militaire dreiging in de directe omgeving verdween. Daardoor konden de Staatse bestuurders de gereformeerde kerkorganisatie verder opbouwen. Het openbare katholieke geloofsleven werd steeds sterker beperkt. Voor Vollenhove betekende dit dat de moeilijkheden bij de benoeming van een predikant kleiner werden. De stad had sinds 1581 verschillende pogingen ondernomen om een vaste gereformeerde geestelijke te krijgen. Die waren door de onrust en de omstandigheden mislukt. De verbetering van de veiligheid betekende echter niet dat alle inwoners van geloof veranderden. Katholieke families en andersdenkenden bleven in de stad en het omliggende platteland wonen.

Deel 84 — De eerste predikant, het stadsbezit en de familie Sloet (1593–1597)

1593–1594 — De bevrijding van Groningen versterkt de positie van Noordwest-Overijssel

Na de herovering van Steenwijk werd de strijd verder naar het noorden verplaatst. Prins Maurits en Willem Lodewijk richtten hun aandacht op Groningen, dat nog altijd een belangrijke koningsgezinde stad was. In juli 1594 kwam ook Groningen onder het gezag van de Staten. Daarmee verbeterde de verbinding tussen Friesland, Groningen en Overijssel. Voor Vollenhove was dit van belang omdat het Land van Vollenhove jarenlang tussen verschillende militaire machtsgebieden had gelegen. Vervoer over land en water kon nu gemakkelijker worden georganiseerd. Toch bleef voorzichtigheid noodzakelijk. De oorlog met Spanje duurde voort en de verdediging van andere grensgebieden vergde nog steeds aanzienlijke hoeveelheden geld en manschappen.

1594 — Arnoldus van Heemse wordt de eerste goed gedocumenteerde gereformeerde predikant

In 1594 verscheen Arnoldus van Heemse in Vollenhove als gereformeerde predikant. Hij was afkomstig uit Laar in het graafschap Bentheim. Volgens kerkelijk onderzoek kwam hij vermoedelijk op eigen initiatief naar de stad en werd hij vervolgens door de plaatselijke geloofsgemeenschap als voorganger gewenst. Zijn benoeming betekende een belangrijke stap bij de opbouw van een vaste gereformeerde gemeente. De kerkelijke autoriteiten hadden echter twijfels over zijn opleiding. Hij moest kunnen aantonen dat hij voldoende theologische kennis bezat en een erkend predikantsexamen had afgelegd. De komst van Van Heemse toont dat de kerkelijke organisatie na de oorlogsjaren opnieuw werd opgebouwd, maar dat niet iedere kandidaat onmiddellijk werd toegelaten.

9 juli 1594 — De verkoop van een huis aan de Kerkstraat noemt vijf inwoners

Op 9 juli 1594 werd de verkoop vastgelegd van een huis met bijgebouwen en hof aan de Kerkstraat in Vollenhove. De verkopers waren Johanna, weduwe van Lubbert van Goor, Peter Lubberts en Anneken Jans. De kopers waren Arent Geerts en Hilleken. De akte is belangrijk omdat zij behoort tot de oudste concrete vermeldingen van het pand dat tegenwoordig als Kerkstraat 12 bekendstaat. Dergelijke verkoopdocumenten maken het mogelijk de geschiedenis van een huis veel verder terug te volgen dan de bouwkundige kenmerken alleen. Zij geven bovendien inzicht in de positie van vrouwen bij de overdracht van bezit. Niet uitsluitend mannen traden op als rechthebbenden of betrokkenen bij stedelijke onroerende goederen.

Juli 1597 — Arnoldus van Heemse moet alsnog een kerkelijk examen afleggen

In juli 1597 behandelde de Overijsselse synode opnieuw de positie van Arnoldus van Heemse. De predikant was al enige jaren in Vollenhove werkzaam, maar had kennelijk nog niet voldoende bewijs geleverd van een erkend theologisch examen. Daarom moest hij alsnog worden onderzocht. In dezelfde periode werd de kandidatuur van Johannes Wierichs besproken. Deze was barbier in Vollenhove en had geprobeerd toegang tot het predikambt te verkrijgen. Zijn proefpreek werd onvoldoende beoordeeld. Bovendien bestonden bezwaren tegen zijn eerdere particuliere vermaningen in Hindeloopen. De synode wees zijn toelating af. De gebeurtenissen tonen dat de gereformeerde kerk steeds strengere voorwaarden stelde aan de opleiding en erkenning van haar voorgangers.

1597 — Johan Sloet de Oude overlijdt na een lange bestuurlijke en militaire loopbaan

In 1597 overleed Johan Sloet de Oude in Kampen. Hij was in 1519 in Vollenhove geboren en behoorde tot een van de invloedrijkste families van het noordelijke Oversticht. Sinds 1552 had hij belangrijke functies bekleed, waaronder het drostambt van Vollenhove en het kasteleinschap van Kuinre. Tijdens de regering van Filips II raakte hij in conflict met de koninklijke autoriteiten en koos hij de zijde van de Opstand. Na zijn terugkeer had hij een rol gespeeld bij de gebeurtenissen in Kampen en de ontwikkeling van het gereformeerde geloof in Vollenhove. Zijn zoon Johan Sloet de Jonge zette de bestuurlijke en politieke positie van de familie voort.

Deel 85 — Het vuurstedengeld en de eerste gereformeerde kerkenraad (1598–1600)

1598 — Het beheer van de voormalige kloostergoederen wordt steeds belangrijker

Aan het einde van de zestiende eeuw ontstonden in Vollenhove nieuwe bestuurlijke vragen over de bezittingen van vroegere katholieke instellingen. De goederen van Sint-Janskamp en Clarenberg vertegenwoordigen landbouwgrond, pachten, renten en andere inkomsten. Het bestuur wilde deze middelen gebruiken voor openbare en kerkelijke voorzieningen, terwijl de overgebleven kloosterbewoners aanspraak hielden op hun levensonderhoud. De betrokken partijen moesten daarom bepalen wie de goederen beheerde en welke uitgaven daaruit mochten worden betaald. In Vollenhove kreeg het college van de Volle Stoel hierin een belangrijke positie. Dit bestuur bestond uit vertegenwoordigers van de stad, de plaatselijke ridderschap en de drost. Het vormde een verbinding tussen oude landsheerlijke instellingen en de nieuwe gereformeerde organisatie.

1599 — De invoering van het vuurstedengeld brengt de woningen van Vollenhove in beeld

In 1599 werd in Overijssel het vuurstedengeld ingevoerd. Deze belasting was verbonden aan het aantal stookplaatsen of haarden in een huis. Het systeem maakte onderscheid mogelijk tussen kleine woningen en grote huizen met meerdere verwarmde vertrekken. Vooral aanzienlijke woningen en havezaten konden over meerdere vuursteden beschikken. Voor historisch onderzoek zijn de registers waardevol omdat zij een indruk geven van de omvang van gebouwen en de verdeling van woonruimte. Het aantal vuursteden is echter niet hetzelfde als het aantal bewoners. Een groot huis kon meer schoorstenen bezitten zonder dat er evenredig meer mensen woonden. Het vuurstedengeld werd in latere jaren ook gebruikt om Vollenhoofse adellijke huizen met elkaar te vergelijken.

1599–1600 — Johannes van Langen volgt Arnoldus van Heemse als predikant op

Omstreeks 1599 of 1600 werd Arnoldus van Heemse als predikant van Vollenhove opgevolgd door Johannes van Langen, die ook de Latijnse naam Langius gebruikte. Van Langen was een zoon van Roelof van Langen, schout van Diever, en Hermanna van Noortwijn. Hij was eerder predikant in Doesburg geweest en had vermoedelijk in Franeker gestudeerd. De komst van Langius betekende een nieuwe fase voor de gereformeerde gemeente. Anders dan zijn voorganger was hij sterker verbonden met de officiële kerkelijke organisatie. Hij zou tot 1619 in Vollenhove werkzaam blijven. Zijn naam komt herhaaldelijk voor in de vergaderingen van de classis Steenwijk en de Overijsselse synode.

April 1600 — Caspar Holstechius helpt de eerste Vollenhoofse kerkenraad oprichten

In april 1600 werd in Vollenhove de eerste gereformeerde kerkenraad officieel ingesteld. De Kamper predikant Caspar Holstechius leidde de bijeenkomst. Naast predikant Johannes Langius werden vijf ouderlingen en twee diakenen aangesteld. De kandidaten waren driemaal aan de gemeente voorgesteld, waarna zij volgens de kerkelijke voorschriften werden bevestigd. De instelling van een kerkenraad was een belangrijk moment. Voortaan beschikte de gereformeerde gemeenschap over een eigen bestuur dat toezicht kon houden op de eredienst, de geloofsbeleving en de zorg voor behoeftigen. De kerkenraad functioneerde naast het stadsbestuur, maar beide organisaties waren door persoonlijke en bestuurlijke verbindingen nauw met elkaar verbonden.

1600 — Drost Johan Sloet en burgemeester Pieter Claessen worden ouderling

Bij de instelling van de kerkenraad in april 1600 werden ook drost Johan Sloet de Jonge en burgemeester Pieter Claessen tot ouderling gekozen. Zij namen hun benoeming aan onder de voorwaarde dat zij slechts één jaar zouden dienen, omdat zij al zware bestuurlijke verplichtingen hadden. De gebeurtenis toont dat de nieuwe kerkelijke organisatie steun kreeg van invloedrijke plaatselijke bestuurders. Tegelijk bestond er een duidelijk onderscheid tussen de verschillende functies. Een ouderling moest toezicht houden op het kerkelijke leven, terwijl een burgemeester verantwoordelijk was voor stedelijke zaken. De drost vertegenwoordigde weer het grotere landsheerlijke gezag. Toch konden dezelfde personen in meerdere besturen optreden en daardoor veel invloed uitoefenen.

Deel 86 — De diaconie, de doopsgezinden en de armen van het achterland (1601–1603)

April 1601 — Het aantal diakenen wordt verdubbeld vanwege de omvang van de armenzorg

Al in april 1601 bleek dat de twee diakenen van de jonge gereformeerde gemeente onvoldoende tijd hadden om alle werkzaamheden uit te voeren. Daarom werd hun aantal verdubbeld tot vier. De diakenen waren verantwoordelijk voor de ondersteuning van arme en behoeftige inwoners. Zij moesten middelen ontvangen, goederen beheren en uitdelingen organiseren. Ook de ouderlingen konden hierbij helpen. Het stadsbestuur hield toezicht op de jaarlijkse financiële rekening. De uitbreiding toont dat armenzorg een belangrijk onderdeel vormde van het kerkelijke leven. Niet iedereen kon door eigen arbeid in zijn onderhoud voorzien. Ziekte, ouderdom, het verlies van een partner of economische tegenslag konden gezinnen afhankelijk maken van georganiseerde hulp.

1602 — De kerkenraad krijgt zes ouderlingen en vertegenwoordigers uit de omgeving

In 1602 werd besloten het aantal ouderlingen in de Vollenhoofse kerkenraad uit te breiden van vijf naar zes. Twee leden behoorden tot de plaatselijke ridderschap. Een andere ouderling werd aangeduid als afkomstig uit de Sijl, waarmee waarschijnlijk Blokzijl werd bedoeld. Deze vermelding is interessant omdat de kerkelijke gemeenschap dus niet uitsluitend uit inwoners van de stad bestond. Ook het omliggende gebied kon vertegenwoordigd zijn. De precieze regeling waaronder een inwoner van Blokzijl aan de Vollenhoofse kerkenraad deelnam, is niet bekend. De uitbreiding past bij de groeiende organisatie van de gereformeerde kerk, die na de jaren van oorlog een groter gebied moest bedienen.

1602 — Doopsgezinden beschuldigen Johannes Langius ervan een godsdienstig debat te ontwijken

In 1602 ontstond een conflict tussen predikant Johannes Langius en leden van een doopsgezinde gemeenschap. Volgens de gereformeerde kerkelijke notulen beschuldigden de doopsgezinden hem ervan dat hij een aangekondigd godsdienstig gesprek niet had durven aangaan. Langius verdedigde zich tegenover de classis Steenwijk. Hij verklaarde dat de edelen die hem zouden begeleiden door een begrafenis verhinderd waren geweest. Daarnaast zou het bezoek op een zaterdag hebben plaatsgevonden, wanneer hij twee preken voor de volgende dag moest voorbereiden. De classis steunde hem en stelde dat zijn tegenstanders desgewenst naar Vollenhove konden komen voor een gesprek. Zij vroeg de drost bovendien op te treden tegen de beschuldigingen.

1603 — Blokzijl en Vollenhove verdelen de zorg voor armen in drie buurtschappen

In 1603 maakten de kerkelijke gemeenten van Blokzijl en Vollenhove afspraken over de ondersteuning van arme bewoners uit het omliggende platteland. De armen van de Kuinderdijk zouden voortaan door de diaconie van Blokzijl worden verzorgd. Voor de behoeftigen uit Leeuwte en Barsbeek werd de Vollenhoofse diaconie verantwoordelijk. De afspraak was noodzakelijk omdat de bestuurlijke en kerkelijke grenzen niet altijd vanzelfsprekend samenvielen. Mensen woonden soms ver van de stad, maar waren voor ondersteuning afhankelijk van een bepaalde kerkelijke gemeenschap. De regeling toont dat het achterland nadrukkelijk betrokken bleef bij de ontwikkeling van Vollenhove. Armenzorg werd niet uitsluitend verleend aan personen binnen de stadswallen.

1603 — Het overlijden van Coenraad Sloet treft opnieuw een invloedrijke familietak

In 1603 overleed Coenraad Sloet, een broer van Johan Sloet de Jonge. Hij was omstreeks 1552 geboren en had als vertegenwoordiger van Overijssel in verschillende bestuurlijke colleges gediend. Zijn huwelijk met Margaretha Hagen had de families Sloet en Hagen opnieuw met elkaar verbonden. Uit hun huwelijk werden verschillende kinderen geboren, onder wie Boldewijn Sloet, die later heer van Lindenhorst zou worden. De dood van Coenraad betekende dat zijn kinderen en weduwe de verdere belangen van deze familietak moesten veiligstellen. De bezittingen waren belangrijk vanwege de inkomsten uit grond en huizen, maar ook vanwege de mogelijkheid om later binnen de Overijsselse ridderschap een plaats te verkrijgen.

Deel 87 — Kerkelijke conflicten, adellijke huwelijken en nieuwe militaire loopbanen (1604–1607)

Maart 1604 — Johannes Langius raakt in conflict met de Overijsselse Staten

In maart 1604 ontstond een ernstig conflict tussen Johannes Langius en het gewestelijke bestuur van Overijssel. De predikant had aan de drost een scherpe brief geschreven waarin hij zich op een voor de bestuurders beledigende manier had uitgelaten. De Staten overwogen daarop hem uit zijn functie te laten verwijderen. Langius schrok van de gevolgen en erkende tegenover de synode dat hij zich te veel door zijn gevoelens had laten leiden. Hij vroeg hoe hij zich met de autoriteiten kon verzoenen. De gebeurtenis toont dat predikanten geen volledige vrijheid hadden om bestuurders persoonlijk aan te vallen. Ook binnen de gereformeerde gewesten konden kerk en overheid met elkaar in conflict komen.

1604 — De synode probeert een verzoening tussen Langius en de landsbestuurders te bereiken

De synode besloot dat Johannes Langius samen met een collega uit de classis Steenwijk naar de landdag van Ridderschap en Steden moest gaan. Daar moest hij een brief aanbieden waarin hij zijn gedrag verklaarde en om vergeving vroeg. Het verzoek werd door de Staten ontvangen, maar zij bleven bij hun eerdere oordeel over zijn optreden. Uiteindelijk werd Langius niet daadwerkelijk uit het predikambt verwijderd. Hij bleef in Vollenhove werkzaam en behield later een belangrijke plaats binnen de gereformeerde kerkorganisatie. De zaak laat zien hoe conflicten tussen religieuze en wereldlijke bestuurders via brieven, kerkelijke vergaderingen en provinciale bijeenkomsten werden behandeld. Een plaatselijke predikant kon daardoor onderwerp worden van gewestelijke politieke besluitvorming.

1604 — Volkier Sloet van Oldhuis trouwt met Margaretha de Vos van Steenwijk

In 1604 trouwde Volkier Sloet, heer van Oldhuis, met Margaretha de Vos van Steenwijk. Haar vader Hendrik de Vos van Steenwijk was onder meer drost van Coevorden geweest. Het huwelijk bracht opnieuw twee aanzienlijke geslachten van het noordelijke Oversticht samen. Volkier behoorde tot de familie Sloet, waarvan verschillende takken belangrijke huizen in Vollenhove bezaten. Uit het huwelijk werden onder anderen Barthold en Hendrik geboren. De familie bleef ook in de daaropvolgende jaren betrokken bij het provinciale bestuur. Volkier was vanaf 1604 lid van de Overijsselse ridderschap. Zijn positie laat zien hoe een adellijk huis als Oldhuis niet alleen een woonplaats vormde, maar ook een basis voor politieke invloed.

1606 — Gerard Sloet sneuvelt tijdens de strijd om Rijnberk

In 1606 sneuvelde Gerard of Gerrit Sloet, heer van Singraven, tijdens de militaire onderneming tegen Rijnberk aan de Rijn. Hij was een zoon van Barthold Sloet en Ermgardt van Doetichem en behoorde tot een familietak die verschillende militairen voortbracht. Gerard diende als hopman of kapitein bij de cavalerie van het Staatse leger. Zijn dood toont dat de Vollenhoofse adel niet uitsluitend binnen de eigen provincie actief was. Familieleden konden in dienst van de Republiek deelnemen aan veldtochten ver buiten Overijssel. Het verlies had gevolgen voor de erfopvolging en het beheer van zijn goederen. Zijn kinderen en verwanten moesten de bezittingen van deze familietak voortzetten.

1607 — Johan Sloet de Jonge wordt opnieuw ouderling van de Vollenhoofse gemeente

In 1607 nam Johan Sloet de Jonge opnieuw plaats in de gereformeerde kerkenraad van Vollenhove. Hij bleef volgens het notulenboek tot 1610 als ouderling werkzaam. Deze functie combineerde hij met zijn aanzienlijke bestuurlijke verantwoordelijkheden. Johan was drost van het Land van Vollenhove en vertegenwoordigde Overijssel in de landelijke politiek. Zijn hernieuwde verkiezing laat zien dat hij persoonlijk betrokken bleef bij de gereformeerde kerk. Tegelijk bestond in Vollenhove geen volledige overeenstemming over godsdienstige zaken. Katholieke inwoners en doopsgezinden bleven aanwezig. De kerkenraad moest daardoor niet alleen het eigen gemeenteleven organiseren, maar ook omgaan met een samenleving waarin verschillende geloofsopvattingen naast elkaar bleven bestaan.

Deel 88 — Het Twaalfjarig Bestand, de laatste zusters van Clarenberg en het vervallen Oldehuis (1608–1610)

1608 — Johan Sloet wordt afgevaardigd naar de vredesonderhandelingen met Spanje

In 1608 werd Johan Sloet de Jonge door Overijssel afgevaardigd naar de onderhandelingen over een mogelijke beëindiging van de oorlog met Spanje. De gesprekken vonden plaats in een periode waarin beide partijen door langdurige militaire uitgaven zwaar waren belast. De gewesten wilden voldoende zekerheid over hun politieke en religieuze positie. Voor Sloet betekende de afvaardiging dat hij namens Overijssel betrokken werd bij internationale besluiten. Zijn loopbaan verbond daarmee het kleine Vollenhove rechtstreeks met de onderhandelingen over de toekomst van de Nederlanden. De familie Sloet had gedurende de Opstand belangrijke offers gebracht en bestuurlijke functies vervuld. Nu nam een van haar leden deel aan de gesprekken over een tijdelijke vrede.

9 april 1609 — Het Twaalfjarig Bestand maakt tijdelijk een einde aan de oorlog

Op 9 april 1609 werd in Antwerpen het Twaalfjarig Bestand gesloten tussen Spanje en de Republiek der Verenigde Nederlanden. Johan Sloet de Jonge behoorde tot de vertegenwoordigers van Overijssel die bij deze regeling betrokken waren. Het bestand betekende dat de grote militaire strijd tijdelijk werd onderbroken. Voor Vollenhove was dit van groot belang. De bevolking had jarenlang contributies moeten betalen en was herhaaldelijk geconfronteerd met soldaten, vluchtelingen en onzekerheid op de wegen. De wapenstilstand maakte het gemakkelijker om handelsverbindingen en landbouwactiviteiten voort te zetten. Toch bleef de politieke toekomst onzeker. Het ging om een bestand voor twaalf jaar en niet om een definitieve vredesovereenkomst.

1609 — De gemeenschappelijke bewoning van Clarenberg wordt beëindigd

In 1609 kwam een einde aan de gezamenlijke bewoning van het vrouwenklooster Clarenberg. De religieuze gemeenschap had sinds het begin van de vijftiende eeuw buiten de Landpoort bestaan. Na de Reformatie waren de omstandigheden sterk veranderd. De overgebleven zusters konden hun vroegere gemeenschappelijke levenswijze niet meer op dezelfde manier voortzetten. Daarom werd besloten hun een uitkering voor levensonderhoud toe te kennen. De instelling bezat nog altijd landbouwgronden, pachten en andere inkomsten. Die konden worden gebruikt om de voormalige kloosterbewoners te ondersteunen. De gebouwen bleven voorlopig bestaan, maar het convent functioneerde niet langer als de oorspronkelijke zelfstandige religieuze gemeenschap. Enkele oudere vrouwen bleven nog jarenlang van de kloostergoederen afhankelijk.

19 maart en 11 september 1610 — Ridderschap en Steden besluiten het Oldehuis te herstellen

Op 19 maart 1610 bespraken Ridderschap en Steden van Overijssel de toestand van het Oldehuis. De drost van Vollenhove had gemeld dat het kasteel door een recente storm ernstig was beschadigd. De versterking was tijdens de Opstand bovendien al verzwakt. Het gewestelijke bestuur besloot geld beschikbaar te stellen voor noodzakelijke reparaties. Toen bleek dat de werkzaamheden omvangrijker waren dan verwacht, werd op 11 september opnieuw een bedrag toegezegd. Het besluit is bijzonder omdat eerder was overwogen het grotendeels vervallen kasteel helemaal af te breken. Het Oldehuis verloor zijn vroegere militaire betekenis, maar bleef als bestuurlijke residentie voldoende belangrijk om in stand te houden.

21 november 1610 — Drost Johan Sloet de Jonge overlijdt

Op 21 november 1610 overleed Johan Sloet de Jonge, heer van Zalk en een van de invloedrijkste bestuurders uit Vollenhove. Zijn geboorte wordt doorgaans rond 1550 geplaatst. Tijdens zijn leven had hij het drostambt vervuld, een plaats ingenomen in de Staten-Generaal en deelgenomen aan de onderhandelingen over het Twaalfjarig Bestand. Hij werd begraven in de Grote Sint-Nicolaaskerk. Zijn grafherinnering bleef verbonden met de geschiedenis van de plaatselijke adel. Sommige genealogische overzichten vermelden 1612 als overlijdensjaar, maar de gedateerde sollicitatiebrief van 8 februari 1611 voor het inmiddels vacante drostambt ondersteunt een overlijden vóór die datum. De lokale historische reconstructie noemt daarom 21 november 1610.

Deel 89 — De strijd om het drostambt, Oldruitenborgh en de havezate Nijerwal (1611–1612)

8 februari 1611 — Rudolf Sloet vraagt de stad Kampen steun voor zijn benoeming tot drost

Op 8 februari 1611 schreef Rudolf Sloet, eigenaar van het adellijke goed dat later Nijerwal zou heten, aan het stadsbestuur van Kampen. Hij wilde in aanmerking komen voor het vrijgekomen drostambt van Vollenhove. In zijn brief wees hij op de diensten die hij aan het vaderland had bewezen. Hij hoopte daarmee steun te krijgen van een van de belangrijkste steden van Overijssel. De sollicitatie maakt duidelijk dat de benoeming van een drost niet uitsluitend afhankelijk was van afkomst. Ook persoonlijke betrekkingen, eerdere militaire of bestuurlijke diensten en de steun van de steden konden van betekenis zijn. Verschillende aanzienlijke families probeerden invloed uit te oefenen op de opvolging.

1611 — Johan van Echten de Oude wordt de nieuwe drost van Vollenhove

In 1611 werd Johan van Echten de Oude benoemd tot drost van Vollenhove en kastelein van de heerlijkheid Kuinre. Hij was verbonden met Oldruitenborgh, een van de aanzienlijke huizen bij de zuidelijke stadsgracht. Johan was in 1540 geboren en behoorde tot een familie die door huwelijken met de Van den Rutenbergs al sinds het einde van de vijftiende eeuw in Vollenhove aanwezig was. Hij had bovendien een lange staat van dienst binnen de Overijsselse ridderschap. Zijn benoeming betekende dat het drostambt niet langer door een Sloet werd vervuld. De nieuwe drost kreeg verantwoordelijkheid voor het bestuur en de rechtspraak binnen het grotere Land van Vollenhove.

1611 — De nieuwe drost krijgt grond tussen het Oldehuis en de Zuiderzee in gebruik

Bij zijn benoeming kreeg Johan van Echten de Oude volgens de bewaarde beschrijving van het Oldehuis een stuk land tussen het kasteel en de Zuiderzee in gebruik. Het perceel was ongeveer één morgen groot, een oude oppervlaktemaat waarvan de exacte omvang per streek kon verschillen. De toewijzing toont dat een bestuurlijk ambt niet alleen met een geldelijke vergoeding verbonden kon zijn. Ook het gebruik van grond behoorde tot de voordelen van een functie. Het Oldehuis bleef daarbij het centrum van het landsheerlijke bestuur. De drost kreeg toegang tot voorzieningen die eeuwenlang aan bisschoppelijke en later Habsburgse functionarissen waren verbonden geweest. Zo bleef oud bezit nieuwe bestuurders ondersteunen.

1612 — Rudolf Sloet wordt vanwege zijn adellijke woning bij de Groenestraat vermeld

In 1612 werd Rudolf Sloet vanwege een adellijk goed bij de Groenestraat vermeld binnen de Overijsselse ridderschap. Het huis stond aan de zuidzijde van de stad, bij de gracht en in de nabijheid van Oldruitenborgh. Het bezit zou later bekend worden als Nijerwal. Volgens de plaatselijke geschiedenis liet Rudolf de stadswal achter zijn huis opnieuw opwerpen, oude bomen verwijderen en nieuwe aanplant verzorgen. De naam Nijerwal wordt in een bewaarde akte uit 1649 expliciet genoemd; het is daarom niet zeker dat deze in 1612 al officieel werd gebruikt. De vermelding toont hoe een bestaand huis door vernieuwing en erkenning een nieuwe positie binnen het adellijke landschap kon krijgen.

1612 — Johan van Echten de Jonge en andere inwoners schenken een zilveren avondmaalsbeker

In 1612 schonken Johan van Echten de Jonge en zijn vrouw Dirkje van Brienen samen met enkele andere aanzienlijke inwoners een kostbare zilveren avondmaalsbeker aan de gereformeerde gemeente van Vollenhove. Johan was verbonden met Oldruitenborgh en de aangrenzende Cloosterhorst. De schenking is bijzonder omdat zij laat zien hoe een deel van de plaatselijke adel de jonge gereformeerde kerk financieel ondersteunde. Een avondmaalsbeker was niet alleen een praktisch voorwerp voor de eredienst, maar ook een zichtbaar teken van betrokkenheid van de gevers. Zilver vertegenwoordigde aanzienlijke waarde. Door de schenking bleef een voorwerp dat vroeger misschien voor particulier gebruik bestemd was geweest, verbonden met het gemeenschappelijke religieuze leven.

Deel 90 — Lindenhorst, Tweenijenhuizen en het einde van Clarenberg als kloostergemeenschap (1613–1614)

1613 — Boldewijn Sloet van Lindenhorst trouwt met Lebuine Margaretha van Rijswijck

In 1613 trouwde Boldewijn Sloet, heer van Lindenhorst en Slotenhagen, met Lebuine Margaretha van Rijswijck. Boldewijn was omstreeks 1588 geboren als zoon van Coenraad Sloet en Margaretha Hagen. Zijn bruid was een dochter van kapitein Johan van Rijswijck en Theodora Knoppert, die verbonden was met de familie Mulert. Het huwelijk bracht opnieuw verschillende aanzienlijke geslachten samen. Het echtpaar zou een groot gezin krijgen, waarvan verschillende kinderen jong overleden. Boldewijn ontwikkelde later een belangrijke bestuurlijke loopbaan en werd landrentmeester van Vollenhove. Lindenhorst behoorde tot de grotere adellijke woningen binnen de stad en kreeg via deze familietak een blijvende plaats binnen de Overijsselse ridderschap.

22 mei 1613 — Jan Sloet stelt op Tweenijenhuizen zijn testament op

Op 22 mei 1613 liet Jan Sloet, heer van Tweenijenhuizen, op zijn adellijke huis een testament opstellen. De rechtshandeling vond plaats ten overstaan van drost Johan van Echten en Alphert van IJsselmuiden, die als leenmannen van Overijssel optraden. Jan behoorde tot een oudere familietak die al generaties met Tweenijenhuizen verbonden was. Het testament was bedoeld om vast te leggen hoe zijn goederen en rechten na zijn overlijden verdeeld moesten worden. De aanwezigheid van aanzienlijke getuigen onderstreepte het juridische belang van de handeling. Een adellijke nalatenschap kon bestaan uit het woonhuis, landbouwgrond, renten en leenrechten. Daardoor moest nauwkeurig worden bepaald welke erfgenamen op welke bezittingen aanspraak konden maken.

27 mei 1613 — De stad en de jonkers maken nieuwe afspraken over de goederen van Clarenberg

Op 27 mei 1613 sloten de magistraat van Vollenhove en vertegenwoordigers van de plaatselijke ridderschap een overeenkomst over het beheer van de bezittingen van Clarenberg. Het voormalige vrouwenklooster had nog altijd inkomsten uit grondbezit, pachten en andere rechten. De samenwoning van de zusters was in 1609 beëindigd, maar daarmee waren hun financiële aanspraken niet verdwenen. In 1613 werd voor hun verdere verzorging een bedrag van 400 gulden geregeld. De stad en de jonkers wilden bepalen wie verantwoordelijk was voor het beheer en waaraan de inkomsten mochten worden besteed. De overeenkomst toont dat de ontbinding van een kloostergemeenschap niet onmiddellijk betekende dat haar goederen werden verkocht of verdwenen.

1613 — Cunne Lutijns en Alijt Lubbers krijgen verzorging bij Marretien Berents

Onder de laatste zusters van Clarenberg bevonden zich Cunne Lutijns en Alijt Lubbers. Na het beëindigen van het gezamenlijke kloosterleven moesten zij elders worden verzorgd. Volgens de plaatselijke archiefbeschrijving werden zij ondergebracht bij Marretien Berents, de weduwe van Gerrit van Doetecum. Zij ontving daarvoor een aanzienlijke vergoeding uit de voormalige kloosterinkomsten. Zelfs de mogelijkheid om een ton Haarlemmer bier thuis te laten afleveren werd in de regeling genoemd. Deze bijzonderheden maken het lot van de laatste kloosterbewoners concreet. De vrouwen die hun leven binnen een religieuze gemeenschap hadden doorgebracht, werden nu afhankelijk van particuliere verzorging en financiële afspraken tussen verschillende bestuurders.

6 mei 1614 — De verkoop van de kloosterinboedel toont het dagelijkse leven op Clarenberg

Op 6 mei 1614 werd de inboedel van Clarenberg verkocht. De bewaarde administratie noemt onder meer de grote zaal, de gang, een voorkamer, de keuken, de schotelkamer, een grote achterkamer met twee bedsteden, kleinere kamers en de zolder. Tot de bezittingen behoorden ook drie koeien en een kalf. Voor de verwerking van melk waren verschillende voorwerpen aanwezig, waaronder een karnewagen met veertien melkvaten, drie melkemmers, kuipen, een boterton en aanvullende melkvaten in de gang. De inventaris vormt een uitzonderlijke bron over het dagelijkse leven van de zusters. Zij toont dat de gemeenschap niet uitsluitend van gebed en schenkingen afhankelijk was, maar ook werkzaamheden rond vee en zuivelverwerking verrichtte.

Deel 91 — De bezittingen van Aremberg, een moord bij Toutenburg en de inwoners van Vollenhove (1615–1618)

1615 — De voormalige Arembergse goederen worden onder nieuwe eigenaren verdeeld

In 1615 werden verschillende goederen verkocht die eerder hadden behoord tot het bezit van de familie van Aremberg. Deze familie was sinds het midden van de zestiende eeuw nauw met Vollenhove verbonden geweest. Jean de Ligne, graaf van Aremberg, had als stadhouder op het Oldehuis gewoond en was in 1568 bij Heiligerlee gesneuveld. Tot de kopers van de voormalige Arembergse bezittingen behoorde Hendrick Lamberts Bannier uit Vollenhove. Hij maakte deel uit van een aanzienlijke burgerfamilie die verschillende bestuurlijke functies vervulde. De overdracht toont hoe oude stadhouderlijke goederen uiteindelijk bij plaatselijke eigenaren terechtkwamen. Ook burgers konden door aankoop van grond hun vermogen en maatschappelijke positie versterken.

Zomer 1615 — Bij Toutenburg wordt het lichaam van een vermoorde man gevonden

In de zomer van 1615 werd bij kasteel Toutenburg het lichaam gevonden van een man die door messteken om het leven was gebracht. Volgens getuigen ging het waarschijnlijk om een bedelaar of rondtrekkende landloper. Zijn identiteit bleef aanvankelijk onzeker. Jaren later kreeg de vondst opnieuw betekenis toen een vrouw uit de familie Schenck beweerde dat de vermoorde man haar broer Joost Schenck was geweest. Deze bewering kwam naar voren tijdens een proces over de nalatenschap van Georg Schenck van Toutenburg. De identificatie is daarmee onderdeel van een latere erfrechtelijke claim en niet zonder meer bewezen. De gebeurtenis toont hoe een onopgeloste dood tientallen jaren later gevolgen kon krijgen.

1617 — Claes Janszoon Visscher maakt een gravure van kasteel Toutenburg

In 1617 vervaardigde Claes Janszoon Visscher een kopergravure van kasteel Toutenburg. De afbeelding toont het grote adellijke complex vanuit het noordoosten. Op de voorgrond staat de standaardmolen die eigendom was van Vollenhove. Daarachter verschijnen de torens en woongebouwen van het kasteel. De gravure is bijzonder waardevol omdat veel onderdelen van Toutenburg later verdwenen. De kunstenaar bracht het complex in beeld toen het nog als residentie van aanzienlijke families werd gebruikt. De voorstelling laat bovendien zien hoe dicht stad, molen, kasteel en omliggende gronden bij elkaar lagen. Het was een landschap waarin stedelijke voorzieningen en adellijke bezittingen direct op elkaar aansloten.

19 juni 1617 — Een vergadering wordt gehouden bij de weduwe van schulte Jan Coops

In 1617 overleed Jan Coops, een aanzienlijk bestuurder van Vollenhove. Hij had verschillende functies vervuld, waaronder die van schepen, weesmeester, thesaurier en burgemeester. Daarnaast wordt hij in de plaatselijke geschiedenis als schulte van Kuinre en Blankenham genoemd. Op 19 juni 1617 werd een vergadering bij zijn weduwe Aafje Lamberts Bannier aangekondigd. De vermelding toont dat bestuurlijke bijeenkomsten niet uitsluitend in het raadhuis of op het Oldehuis plaatsvonden. Ook woningen van aanzienlijke burgers konden daarvoor worden gebruikt. Aafje bleef na zijn overlijden in het huis wonen. De woning bevond zich tussen adellijke bezittingen en zou later volgens belastinggegevens over zeven vuursteden beschikken.

1618 — Burgemeester Andries Bannier staat borg voor de gevangengenomen schulte van Havelte

In 1618 trad Andries Lamberts Bannier op als een van de borgen voor de vrijlating van de schulte van Havelte, die in Steenwijk gevangen was genomen. Bannier was in datzelfde jaar burgemeester van Vollenhove. Eerder had hij functies als weesmeester, heemraad en thesaurier vervuld. De borgstelling laat zien dat het netwerk van een Vollenhoofse bestuurder tot in Drenthe reikte. Een borg nam verantwoordelijkheid op zich voor het nakomen van afgesproken voorwaarden. Dat kon financiële gevolgen hebben wanneer de vrijgelaten persoon zijn verplichtingen niet vervulde. Bannier was bovendien rooms-katholiek, wat zijn latere bestuurlijke loopbaan in een steeds sterker gereformeerd gewest zou bemoeilijken.

Deel 92 — De Synode van Dordrecht, een nieuwe drost en het raadhuis van 1621 (1618–1621)

1618–1619 — Hendrik Hagen vertegenwoordigt Overijssel bij de Synode van Dordrecht

In november 1618 begon in Dordrecht een grote internationale vergadering van gereformeerde kerken. De synode behandelde de theologische strijd tussen remonstranten en contraremonstranten. Hendrik Hagen uit Vollenhove trad namens Overijssel op als politiek commissaris. Zijn aanwezigheid is opmerkelijk omdat de familie Hagen rooms-katholiek bleef. Politieke commissarissen waren echter geen gewone kerkelijke afgevaardigden. Zij moesten namens de overheid toezicht houden op de werkzaamheden. Hagen had eerder verschillende functies in de Staten en Staten-Generaal vervuld. Zijn deelname toont dat de bestuurlijke verhoudingen ingewikkelder waren dan een eenvoudige scheiding tussen katholieken en gereformeerden. Zelfs katholieke edelen konden nog bij gewichtige staatszaken betrokken worden.

1619 — Johan van Echten de Oude overlijdt en zijn zoon probeert het drostambt te verkrijgen

In 1619 overleed Johan van Echten de Oude, bewoner van Oldruitenborgh en sinds 1611 drost van Vollenhove. Hij had tijdens zijn leven een plaats ingenomen binnen de Overijsselse ridderschap en het landsheerlijke bestuur. Kort voor zijn overlijden had hij aan Kampen geschreven dat hij graag wilde dat zijn zoon Wolter hem als drost zou opvolgen. Hij herinnerde daarbij aan zijn jarenlange diensten aan het gewest, ook tijdens perioden waarin andere edelen naar veiliger gebieden waren uitgeweken. Zijn verzoek werd niet ingewilligd. De opvolging toont dat een drostambt niet automatisch van vader op zoon overging. De steden en de ridderschap behielden invloed op de benoeming van een nieuwe bestuurder.

1619 — Johan van Raesfelt tot Twickel wordt de nieuwe drost van Vollenhove

In 1619 werd Johan van Raesfelt tot Twickel benoemd tot drost van Vollenhove en kastelein van de heerlijkheid Kuinre. Hij was afkomstig uit een aanzienlijke Twentse familie en sinds 1604 heer van Twickel. Zijn benoeming betekende dat het bestuur van het Land van Vollenhove opnieuw in handen kwam van een edelman die zijn belangrijkste familiebezit elders had. Bij zijn aanstelling kreeg hij ongeveer één morgen grond tussen het Oldehuis en de Zuiderzee in gebruik. Een soortgelijke regeling had voor zijn voorganger Johan van Echten gegolden. Van Raesfelt zou zijn functie tot 1638 behouden. Daarna werd hij drost van Twente, waar zijn familie al uitgebreide bezittingen had.

1619–1620 — De kerkelijke goederen van het Land van Vollenhove moeten worden geïnventariseerd

Rond 1619 en 1620 kregen drost Johan van Raesfelt en jonker Roelof van IJsselmuiden opdracht alle goederen en inkomsten van pastorieën en vicariën in het Land van Vollenhove te registreren. Van de bezittingen moest een schriftelijk overzicht worden opgesteld. Daarin moesten onder meer de bestaande renten, landerijen en pachtopbrengsten worden opgenomen. Het register moest vervolgens aan de gedeputeerden worden overgedragen. Zij konden bepalen hoe de goederen openbaar verpacht en de inkomsten geïnd zouden worden. Deze maatregel maakte deel uit van de reorganisatie van het kerkelijke bezit na de Reformatie. Oudere katholieke stichtingen hadden immers nog altijd grond en inkomsten die juridisch moesten worden beheerd.

1621 — Vollenhove krijgt een nieuw raadhuis aan het Kerkplein

In 1621 werd aan het Kerkplein een nieuw raadhuis gebouwd. Het kwam direct tegen de bestaande klokkentoren te staan. Het bakstenen gebouw kreeg een rijk versierde gevel met natuurstenen onderdelen, kruiskozijnen en een opvallende galerij op Toscaanse zuilen. Boven het middelste venster werd het jaartal 1621 aangebracht. Het stadswapen kreeg eveneens een plaats in de gevelversiering. Het gebouw bood ruimte aan het stadsbestuur, de rechtspraak en verschillende openbare bijeenkomsten. Ook de stadsherberg maakte deel uit van het complex. De bouw is bijzonder omdat Vollenhove niet langer het grote noordelijke bestuurscentrum van vroeger was, maar toch voldoende betekenis en middelen behield voor een representatief raadhuis.

Deel 93 — Nieuwe oorlogsdreiging, Toutenburg en het verlies van adellijke rechten (1621–1623)

9 april 1621 — Het Twaalfjarig Bestand eindigt en de oorlog met Spanje wordt hervat

Op 9 april 1621 liep het Twaalfjarig Bestand af. Daarmee kwam een einde aan de wapenstilstand die sinds 1609 tussen de Republiek en Spanje had bestaan. De onderhandelingen over een verlenging waren mislukt. Voor Overijssel betekende de hervatting van de oorlog dat opnieuw geld nodig was voor soldaten, vestingen en militaire voorzieningen. Ook Vollenhove moest rekening houden met de veiligheid van de Zuiderzeekust en de verbindingen met het achterland. De stad lag inmiddels verder van de belangrijkste frontlinies dan in de jaren tachtig van de zestiende eeuw. Toch kon een nieuwe aanval niet volledig worden uitgesloten. Daarom bleef het Oldehuis een plaats waar zo nodig soldaten werden ondergebracht.

23 januari 1621 — De familie Van den Boetzelaer verdeelt opnieuw de rechten op Toutenburg

Op 23 januari 1621 werden binnen de familie Van den Boetzelaer afspraken gemaakt over bezittingen die uit de nalatenschap van de familie Schenck afkomstig waren. Daarbij speelde Toutenburg een belangrijke rol. Joachim van den Boetzelaer verklaarde op Batinge dat bepaalde onderdelen van het kasteel buiten de gewone boedelscheiding vielen. Het ging onder meer om de voorplaats, tuinen, boomgaarden, houtgewas, een gedeelte van het bouwhuis en verschillende roerende goederen. Ook zijn zonen Rutger en Willem Jurriaan waren bij de verdeling betrokken. Het document laat zien hoe nauwkeurig een groot adellijk bezit moest worden opgesplitst. Het kasteel bestond inmiddels uit verschillende woongebouwen die door afzonderlijke familietakken konden worden gebruikt.

1622 — De katholieke familie Hagen verliest haar plaats in de Overijsselse Staten

In 1622 werd voor toelating tot de Overijsselse ridderschap voorgeschreven dat leden de gereformeerde godsdienst moesten belijden. Deze bepaling had ingrijpende gevolgen voor de familie Hagen uit Vollenhove. De broers Seino, Pelgrim en Hendrik Hagen weigerden de vereiste eed af te leggen. Daardoor verloren zij hun toegang tot de landdagen en hun mogelijkheid namens de ridderschap aan het provinciale bestuur deel te nemen. De uitsluiting betekende niet dat hun familiebezittingen onmiddellijk verloren gingen. Zij konden hun adellijke huizen en landerijen blijven beheren. Wel verdween een belangrijk deel van hun politieke invloed. De maatregel toont hoe sterk godsdienstige overtuiging inmiddels verbonden was geraakt met bestuurlijke rechten.

1623 — Volkier Sloet wordt tijdens de strijd om een kasteel gevangengenomen

In 1623 werd Volkier Sloet, heer van Oldhuis, tijdens een militaire onderneming bij het kasteel Ter Zuytem gevangengenomen. De plaatselijke familiegeschiedenis verbindt de gebeurtenis met Gelderse troepen. Volkier was sinds 1604 lid van de Overijsselse ridderschap en vervulde daarnaast functies bij de Admiraliteit. Hij behoorde tot de aanzienlijke familie Sloet, waarvan verschillende leden tijdens de Opstand militaire dienst hadden verricht. Zijn gevangenneming laat zien dat ook na het Twaalfjarig Bestand adellijke bestuurders persoonlijk aan oorlogsgevaar blootstonden. Een officier of bestuurder kon door gevangenschap zijn werkzaamheden niet voortzetten. De gevolgen waren afhankelijk van onderhandelingen, mogelijke losgelden en de omstandigheden van de strijd.

18 augustus 1623 — Puin uit Clarenberg wordt gebruikt om een weg bij Vollenhove te verbeteren

Op 18 augustus 1623 besloot het college van de Volle Stoel dat voerlieden uit Vollenhove een gedeelte van een weg mochten ophogen met puin uit het voormalige klooster Clarenberg. Het ging om een route in de richting van de bezittingen van jonker Alphert van IJsselmuiden bij de Rollecate en de Begijnenkamp. De kloostergebouwen waren na het verdwijnen van de oorspronkelijke gemeenschap in verval geraakt. Het gebruik van afbraakmateriaal was een praktische manier om een slecht begaanbare weg te verbeteren. Tegelijk betekende het dat het oude religieuze complex langzaam verdween. De stenen die ooit voor de bouw van een klooster waren gebruikt, kregen nu een nieuwe bestemming binnen de plaatselijke infrastructuur.

Deel 94 — Onderwijs, rechtspraak en het onderhoud van de Grote Kerk (1625–1628)

10 februari 1625 — Willem Ariaans wordt voor zes jaar als schoolmeester aangesteld

Op 10 februari 1625 benoemde het college van de Volle Stoel meester Willem Ariaans tot schoolmeester van Vollenhove. Zijn aanstelling gold voor zes jaar. Naast het geven van onderwijs kreeg hij kerkelijke verplichtingen. Op zondag moest hij vóór de preek enkele hoofdstukken uit de Bijbel voorlezen. Zijn salaris werd schriftelijk geregeld. Ook werd besloten de oude gewoonte af te schaffen waarbij leerlingen hun meester een krakeling gaven. In plaats daarvan ontving hij een geldelijke vergoeding. Deze bijzonderheid toont hoe traditionele gebruiken langzaam door vaste betalingen werden vervangen. De schoolmeester stond niet uitsluitend in dienst van de kinderen, maar vervulde ook een openbare functie binnen het kerkelijke leven.

20 maart 1625 — Het Oldehuis valt niet onder de gewone stedelijke rechtspraak

Op 20 maart 1625 beslisten Ridderschap en Steden van Overijssel over een conflict tussen de drost en de magistraat van Vollenhove. De vraag was of het Oldehuis onder de rechtsmacht van de stad viel. Het gewestelijke bestuur bepaalde dat het kasteel buiten de gewone stedelijke jurisdictie en rechtspraak stond. De uitspraak is belangrijk omdat het Oldehuis al eeuwenlang aan het landsheerlijke bestuur verbonden was. Hoewel het complex direct naast de stad lag, vormde het juridisch niet eenvoudig een gewoon stedelijk perceel. De drost kon zich daardoor op afzonderlijke bevoegdheden beroepen. Het besluit toont hoe historische rechten uit de bisschoppelijke periode binnen de Republiek bleven doorwerken.

1626 — Alphert van IJsselmuiden laat de Rollecate tot een Overijssels leengoed maken

In 1626 kreeg Alphert van IJsselmuiden toestemming zijn huis en havezate de Rollecate, samen met het goed het Goor, tot een leen van Overijssel te maken. Daarvoor droeg hij een ander leengoed bij Dalfsen op. De Rollecate lag buiten de stad Vollenhove, bij de oude weg richting Steenwijk en het voormalige klooster Clarenberg. De omzetting van de juridische status was belangrijk voor de positie van het adellijke bezit. De erkenning als leen kon gevolgen hebben voor erfopvolging en deelname aan de ridderschap. Alphert was al jarenlang met de Rollecate verbonden en had in 1605 Judith Sloet gehuwd. Hun familiebezit werd door deze regeling steviger binnen het Overijsselse leenstelsel opgenomen.

1627 — De grote klok van Vollenhove wordt hergoten

In 1627 werd de grote klok van Vollenhove hergoten. Het werk kostte zoveel geld dat het college van de Volle Stoel op 4 juni besloot driehonderd carolusgulden voor één jaar te lenen. De klok was belangrijk voor het dagelijkse leven van de inwoners. Zij werd gebruikt bij kerkelijke diensten en bij bijzondere openbare gebeurtenissen. Wanneer iemand werd begraven, konden de nabestaanden tegen betaling de klok laten luiden. Op 12 juli 1627 werd daarvoor een recht vastgesteld. In oktober volgde een aanpassing van de regeling. De besluiten tonen dat een kerkklok niet alleen religieuze betekenis had. Het onderhoud en gebruik ervan waren ook nauw verbonden met de stedelijke financiën.

26 maart 1628 — Daniel Bredan wordt schoolmeester en voorzanger voor tweehonderd gulden per jaar

Op 26 maart 1628 besloten de drost, de jonkers en het stadsbestuur Daniel Bredan voorlopig voor één jaar als schoolmeester aan te nemen. Hij kreeg een jaarlijks salaris van tweehonderd gulden. Daarnaast mocht hij per leerling ieder kwartaal zes stuivers ontvangen voor het leren lezen en schrijven. Bredan moest ook in de kerk voorzingen en Bijbelgedeelten voorlezen. De overeenkomst maakt duidelijk hoe onderwijs en kerkdienst met elkaar verbonden waren. Voor gezinnen betekende het dat onderwijs niet volledig kosteloos was. De schoolmeester was afhankelijk van zowel een vast traktement als bijdragen van ouders. Zijn aanstelling werd door verschillende bestuurlijke groepen gezamenlijk geregeld.

Deel 95 — Katholieke geestelijken, het einde van Clarenberg en de families van Vollenhove (1629–1633)

1629 — Jezuïeten vanuit Wijhe beginnen ook Vollenhove te bezoeken

In 1629 werd in Wijhe een katholieke missiepost gevestigd van de Sociëteit van Jezus, de jezuïeten. Vanuit deze plaats trokken geestelijken naar verschillende dorpen en steden waar de katholieke eredienst niet langer openbaar werd toegestaan. Ook Vollenhove behoorde tot het gebied dat zij bezochten. De katholieke gemeenschap beschikte niet meer over de Grote Kerk of de Mariakerk. Gelovigen kwamen daarom bijeen in particuliere huizen. De priesters reisden vaak te voet en moesten rekening houden met toezicht door de gereformeerde overheden. De nieuwe missieactiviteiten vormden een onderdeel van de katholieke hervormingsbeweging. Zij waren gericht op het voortzetten van de sacramenten en het ondersteunen van gelovigen.

29 mei 1630 — Willem Sloet overlijdt na een uitzonderlijke militaire loopbaan

Op 29 mei 1630 overleed Willem Sloet, een lid van de Vollenhoofse adellijke familie. Hij was op 4 maart 1561 geboren als zoon van Barthold Sloet en Ermgardt van Doetichem. Willem had zich onderscheiden door zijn militaire reizen buiten de Nederlanden. In 1594 nam hij deel aan een veldtocht tegen de Ottomaanse legers in Hongarije. Van zijn reis naar het oosten bleef een uitvoerige beschrijving bewaard. Dit verslag is bijzonder omdat het laat zien hoe een edelman uit Overijssel betrokken kon raken bij oorlogen in andere delen van Europa. Voor de geschiedenis van de familie Sloet vormt het een waardevolle bron over mobiliteit, militaire dienst en persoonlijke ervaringen.

1631 — Johan van Echten van Oldruitenborgh hertrouwt met Agnes Beninga

In 1631 trouwde Johan van Echten de Jonge, bewoner van Oldruitenborgh, met Agnes Beninga tot Grimersum. Agnes was eerder gehuwd geweest met Roelof van IJsselmuiden de Jonge. Door het huwelijk werden de families Van Echten, Beninga en Van IJsselmuiden opnieuw met elkaar verbonden. Johan was eerder gehuwd geweest met Dirkje van Brienen, die in 1630 was overleden. Beide huwelijken bleven kinderloos. Johan liet daarom vastleggen dat Agnes na zijn overlijden het vruchtgebruik van Oldruitenborgh en Cloosterhorst zou krijgen. Deze regeling was belangrijk voor haar bestaanszekerheid. Zij kon daardoor inkomsten en woonrechten behouden zonder noodzakelijk volledig eigenaar van de goederen te worden.

1632 — Pastoor Arnoldus Waeijer wordt door de familie Hagen naar Vollenhove uitgenodigd

In 1632 ontmoette de Zwolse priester Arnoldus Waeijer in Kampen een lid van de familie Hagen uit Vollenhove. Deze nodigde hem uit de katholieke gemeenschap in zijn woonplaats te bezoeken. Waeijer beschreef later hoe hij naar Vollenhove reisde en daar met gelovigen in contact kwam. De katholieke inwoners waren afhankelijk geworden van geestelijken die vanuit andere plaatsen kwamen. Hun bijeenkomsten werden gehouden in particuliere huizen, omdat de oude kerkgebouwen inmiddels door de gereformeerden werden gebruikt. De familie Hagen speelde bij deze opvang een belangrijke rol. Waeijers herinneringen zijn waardevol omdat zij ook persoonlijke ontmoetingen en spanningen tussen verschillende katholieke geestelijken beschrijven.

25 maart 1633 — Herman Jacobs koopt de afbraak van het voormalige klooster Clarenberg

Op 25 juni 1632 had het college van de Volle Stoel besloten de vervallen gebouwen van Clarenberg en bepaalde stenen uit de kloosterput af te breken en openbaar te verkopen. Op 25 maart 1633 werd Herman Jacobs koper van het afbraakmateriaal. Daarmee verdween een belangrijk deel van het kloostercomplex dat sinds het begin van de vijftiende eeuw buiten Vollenhove had bestaan. Niet alle onderdelen werden onmiddellijk verwijderd. Jonker Alphert van IJsselmuiden kreeg in februari 1633 een gedeelte van de Clarenbergskamp in pacht, inclusief een put die hij moest onderhouden. Het terrein bleef daardoor nog lang herkenbaar in het landschap. De naam Begijnenkamp herinnerde aan de voormalige religieuze gemeenschap.

Deel 96 — De bouw van de Oldenhof, het bezit van De Eese en een katholieke statie (1634–1637)

15 mei 1634 — Gerard Sloet en Johanna Florentina van Oer sluiten hun huwelijksvoorwaarden

Op 15 mei 1634 werden op de havezate Buckhorst bij Zalk de huwelijksvoorwaarden opgesteld van Gerard Sloet en Johanna Florentina van Oer. Gerard was geboren in 1607 en behoorde tot de Vollenhoofse familie Sloet. Zijn vader was in 1606 tijdens een militaire onderneming bij Rijnberk gesneuveld. Johanna Florentina stamde eveneens uit een aanzienlijk Overijssels geslacht. In de overeenkomst bracht Gerard onder meer een adellijke havezate met de naam Oldenhave en het goed de Grote Halle in. Op de Grote Halle wilde hij een nieuw huis bouwen. De huwelijksvoorwaarden regelden ook het toekomstige vruchtgebruik van deze goederen voor zijn vrouw. Daarmee werden familiebelangen en bouwplannen rechtstreeks aan elkaar verbonden.

1635 — Gerard Sloet bouwt de Oldenhof op het erf de Grote Halle

In 1635 was de bouw van het nieuwe huis van Gerard Sloet op het erf de Grote Halle vrijwel voltooid. Het goed lag buiten Vollenhove, in het kerspel Leeuwte, aan de weg richting Zwolle. Het gebouw werd later bekend als de Oldenhof. Het nieuwe huis was omgeven door landbouwgronden en maakte deel uit van een groter adellijk bezit. Gerard wilde hiermee een representatieve woonplaats voor zijn gezin vestigen. Hij was sinds 1633 toegelaten tot de Overijsselse ridderschap. De bouw bood hem de mogelijkheid zijn positie zichtbaar te maken. In de belasting op de consumptie van de edelen werd hij in 1635 aangeslagen voor veertig gulden. Daarmee blijkt dat het nieuwe huis toen daadwerkelijk werd gebruikt.

1635 — Johan van Raesfelt krijgt de heerlijkheid De Eese in bezit

In 1635 kwam Johan van Raesfelt tot Twickel, drost van Vollenhove, in het bezit van de heerlijkheid De Eese bij Steenwijkerwold. De bezitting lag in het noordelijke deel van het Land van Vollenhove en had een eigen geschiedenis van adellijk grondbezit. Johan was sinds 1619 drost en beschikte daarnaast over het familiegoed Twickel. De verwerving van De Eese versterkte zijn economische positie in het gebied dat hij bestuurde. Zijn zoon Hendrik zou het bezit later erven. Door huwelijken kwamen de goederen uiteindelijk bij andere aanzienlijke geslachten terecht. De geschiedenis laat zien hoe een drost persoonlijke bezittingen kon verwerven binnen het gebied waarvoor hij ook bestuurlijke verantwoordelijkheid droeg.

1636 — Glazenmaker Jan Janssen uit Hasselt werkt aan het huis van Gerard Sloet

In 1636 werd in de stedelijke rekeningen van Vollenhove een betaling vermeld aan Jan Janssen, glazenmaker uit Hasselt. Hij had een dubbel glas geleverd voor het huis van jonker Geert Sloet, waarmee het nieuwe huis op de Grote Halle werd bedoeld. Deze kleine administratieve vermelding is belangrijk voor de bouwgeschiedenis van de Oldenhof. Zij bevestigt dat er na de eerste bouwfase nog werkzaamheden aan het gebouw werden uitgevoerd. Glas was een kostbaar materiaal en werd door gespecialiseerde ambachtslieden aangebracht. De inschakeling van een glazenmaker uit Hasselt toont bovendien dat de bouw van een adellijk huis afhankelijk was van vakmensen uit verschillende plaatsen in het Oversticht.

1637 — Jezuïet Carolus Isenbart begint een katholieke statie bij de familie Hagen

In 1637 werd in Vollenhove een katholieke statie gevestigd door de jezuïet Carolus Isenbart, die onder de naam Andreas Kelderman werkte. Hij kreeg onderdak bij de familie Hagen op het huis dat later Oldhagensdorp zou heten. Een statie was een plaats waar katholieken regelmatig de sacramenten konden ontvangen zonder dat zij over een openbare parochiekerk beschikten. De nieuwe organisatie leidde tot spanningen met de Zwolse priester Arnoldus Waeijer, die Vollenhove eerder had bezocht. Beide geestelijken maakten aanspraak op de zorg voor dezelfde gelovigen. Deze rivaliteit toont dat ook binnen de katholieke gemeenschap verschillen bestonden over bevoegdheden en de organisatie van de geestelijke verzorging.

Deel 97 — De laatste drosten, Oldruitenborgh, De Haare en het herstel van de Grote Kerk (1638–1642)

1638 — Johan van Raesfelt wordt drost van Twente na negentien jaar in Vollenhove

In 1638 eindigde de ambtsperiode van Johan van Raesfelt tot Twickel als drost van Vollenhove. Hij had deze functie sinds 1619 bekleed en was daarmee een van de langduriger dienende bestuurders van het Land van Vollenhove. Na zijn vertrek kreeg hij het drostambt van Twente. Daar lag zijn familiegoed Twickel, waardoor hij dichter bij zijn eigen bezittingen kon functioneren. Zijn bestuurlijke ervaring uit Vollenhove kwam bij deze nieuwe functie van pas. Voor het noordelijke drostambt betekende zijn vertrek dat opnieuw een opvolger moest worden benoemd. Het Oldehuis bleef daarbij een belangrijke ambtswoning. De overdracht toont hoe bestuurlijke functies binnen verschillende kwartieren van Overijssel konden wisselen.

2 december 1638 — Drost Wolf Bentinck overlijdt op het Oldehuis

Na het vertrek van Johan van Raesfelt werd Wolf Bentinck tot Werkeren in 1638 drost van Vollenhove. Zijn ambtsperiode was bijzonder kort. Op 2 december van hetzelfde jaar overleed hij op het Oldehuis. De sterfplaats wordt uitdrukkelijk genoemd in de geschiedenis van het kasteel. Daardoor weten we dat het complex nog altijd als woonplaats voor de hoogste plaatselijke bestuurder werd gebruikt. De dood van Bentinck maakte opnieuw een benoeming noodzakelijk. Voor de administratieve continuïteit was dat niet eenvoudig. De drost was betrokken bij rechtspraak, inkomsten en het beheer van het grotere bestuursgebied. Zijn overlijden betekende dat lopende zaken tijdelijk door andere functionarissen moesten worden voortgezet.

1639 — Hiddo van Voorst volgt Wolf Bentinck op als drost van Vollenhove

In 1639 werd Hiddo van Voorst benoemd tot drost van Vollenhove. Hij volgde Wolf Bentinck op, die enkele weken na zijn aantreden in 1638 was overleden. Hiddo behoorde tot een aanzienlijk geslacht dat in verschillende delen van Overijssel goederen en bestuurlijke verbindingen bezat. Zijn benoeming toont dat het drostambt nog altijd een belangrijke functie was waarvoor de gewestelijke bestuurders een geschikte edelman moesten vinden. De drost vertegenwoordigde het landsheerlijke gezag binnen het Land van Vollenhove en hield toezicht op uiteenlopende bestuurlijke aangelegenheden. Hiddo zou zijn functie tot 1644 vervullen. Tijdens zijn ambtsperiode veranderde de stad verder door de uitbreiding van adellijke woonhuizen en de herorganisatie van kerkelijke instellingen.

1640 — De Haare wordt genoemd als een aanzienlijk goed van de familie Sloet

Omstreeks 1640 wordt het huidige huis De Haare in de plaatselijke geschiedenis genoemd. Het bezit was verbonden met de familie Sloet, die verschillende aanzienlijke goederen in en rond Vollenhove bezat. Een van de betrokken familieleden was Arent Sloet, zoon van Peter Sloet, die in 1620 met Maria Vonk was getrouwd. De naam De Haare kwam in de omgeving al langer voor bij landbouwgronden en oudere bezittingen. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat iedere vermelding van de naam op hetzelfde gebouw betrekking heeft. Voor de geschiedenis van de havezaten is dat onderscheid belangrijk. Een landgoed kon eeuwen ouder zijn dan het stenen huis dat later als zijn belangrijkste woongebouw werd beschouwd.

1642 — De noordzijde van de Grote Sint-Nicolaaskerk moet voor duizend gulden worden hersteld

In 1642 bleek dat de noordzijde van de Grote Sint-Nicolaaskerk dringend herstel nodig had. De kosten voor de werkzaamheden werden op duizend carolusgulden geraamd. Dat was voor Vollenhove een aanzienlijk bedrag. Het gebouw was in de vijftiende eeuw grotendeels in zijn huidige vorm ontstaan en had inmiddels verschillende perioden van oorlogsgeweld en achterstallig onderhoud meegemaakt. Het herstel van muren, dakdelen of andere bouwonderdelen vereiste gespecialiseerde vaklieden en geschikte materialen. De kosten moesten door de betrokken kerkelijke en bestuurlijke instellingen worden gedragen. De vermelding laat zien dat de zorg voor het historische kerkgebouw ook na de Reformatie een belangrijke financiële verplichting bleef.

Deel 98 — Nieuwe havezaten, het beheer van kloostergoederen en de Vrede van Münster (1643–1648)

1644 — Johan van IJsselmuiden van de Rollecate wordt drost van Vollenhove

In 1644 werd Johan van IJsselmuiden tot de Rollecate benoemd tot drost van Vollenhove. Hij behoorde tot een oud adellijk geslacht dat al sinds de vijftiende eeuw met het Land van Vollenhove verbonden was. Johan was in 1610 geboren en had in 1634 Agnes van Essen gehuwd. Vanuit de Rollecate beschikte hij over een belangrijk particulier bezit buiten de stad. Als drost kreeg hij verantwoordelijkheid voor het bestuur en de rechtspraak in het grotere gebied. Zijn ambtsperiode zou tot 1671 duren. In dezelfde periode moest ook het onderhoud van de Grote Kerk worden voortgezet. In mei 1644 werd daarvoor nog eens zeshonderd carolusgulden uit de armenmiddelen geleend.

17 oktober 1644 — Hendrik Sloet laat zich vanwege Cannevelt in de ridderschap opnemen

In oktober 1644 kwam een aanzienlijk huis in Vollenhove onder de naam Cannevelt binnen de bestuurlijke wereld van de Overijsselse ridderschap. De familie Van Uiterwijck had het goed eerder bezeten. Door het huwelijk van Everhardina van Uiterwijck met Hendrik Sloet kwam het in handen van de familie Sloet. Op 12 oktober werd een overdracht vastgelegd waarbij de naam Cannevelt nog niet werd gebruikt. Vijf dagen later, op 17 oktober, liet Hendrik zich met het goed in de ridderschap opnemen en gebruikte hij wel deze naam. De naam verwees naar het familiewapen van de Van Uiterwijcks, waarin drie kannen voorkwamen. Daarmee kreeg het huis een herkenbare adellijke identiteit.

23 februari 1646 — De bestuurders van Clarenberg worden voortaan voor zes jaar benoemd

Op 23 februari 1646 besloot het stadsbestuur van Vollenhove een wijziging aan te brengen in de administratie van de voormalige kloostergoederen van Clarenberg. De gedeputeerden die verantwoordelijk waren voor het beheer zouden voortaan voor een periode van zes jaar worden aangesteld. Daarmee wilde men meer regelmaat brengen in het bestuur van de bezittingen. Het klooster zelf was al grotendeels verdwenen, maar beschikte nog altijd over inkomsten uit grond en pachten. Deze kwamen onder meer uit Steenwijk, Steenwijkerwold, Wanneperveen, Blankenham en Barsbeek. De opbrengsten werden gebruikt voor openbare voorzieningen, waaronder onderwijs en het onderhoud van kerkgebouwen. De oude religieuze bezittingen bleven daardoor economisch belangrijk.

1647 — De stadsmolen wordt hersteld en verhuurd aan Jan Jans Molder uit Dwingeloo

In 1647 werd de stadsmolen van Vollenhove hersteld. De molen stond vanouds op een verhoging bij de stadswal tussen de Landpoort en de gracht van Toutenburg. Mogelijk werden onderdelen gebruikt voor een nieuwe molen op de molenberg aan de noordoostzijde van de stad. De precieze bouwvolgorde is niet volledig zeker. In hetzelfde jaar werd de stadsmolen verhuurd aan Jan Jans Molder uit Dwingeloo. De naam van de molenaar vormt een belangrijk aanknopingspunt voor de geschiedenis van het plaatselijke ambacht. Een molen was noodzakelijk voor het verwerken van graan tot meel. De stad had daardoor belang bij een betrouwbare molenaar en bij voldoende onderhoud aan het gebouw en de werktuigen.

30 januari en 15 mei 1648 — De Vrede van Münster beëindigt de Tachtigjarige Oorlog

Op 30 januari 1648 werd in Münster het vredesverdrag tussen Spanje en de Republiek der Verenigde Nederlanden ondertekend. Op 15 mei volgde de plechtige bekrachtiging. Daarmee kwam een einde aan de langdurige oorlog die in 1568 was begonnen. Spanje erkende de Republiek als onafhankelijke staat. Voor Vollenhove betekende de vrede dat een periode van ongeveer tachtig jaar militaire onzekerheid werd afgesloten. De stad was tijdens de Opstand haar vroegere plaats als belangrijk noordelijk bestuurscentrum grotendeels kwijtgeraakt. Toch had zij haar stedelijke rechten behouden en was zij uitgegroeid tot een woonplaats van talrijke aanzienlijke families. Het Oldehuis, de havezaten, de kerken en de oude kloostergoederen bleven de maatschappelijke verhoudingen bepalen.

Nagedacht gedurende 1m 59s

 

### 3\. Aanvullingen tussen 1497 en 1567

 

| Datum | Gebeurtenis, namen en ontbrekende gegevens | Invoegen | Status |

| --------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ---------- | --------- |

| 1515 | Een pestepidemie wordt voor Overijssel genoemd. Onderzoek de gevolgen voor Vollenhove, de sterfte, verzorging en mogelijke onderbreking van handel en landbouw. | Deel 56 | Nieuw |

| 1524–1552 | De volledige bouwgeschiedenis van Toutenburg is nog niet samengebracht: bouwmeesters, steenhouwers, arbeiders, materialen, kosten en afzonderlijke bouwfasen. | Deel 60–71 | Verdiepen |

| 1540–1548 | Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren, volgt Georg Schenck als stadhouder op. Zijn bestuur vormt een eigen schakel tussen Georg Schenck en Jean de Ligne. | Deel 65–68 | Verdiepen |

| 1560 | Filips II verhoogt de wedden van de leden van zijn raad in Overijssel die vast in Vollenhove verblijven. Onderzoek welke raadsheren daar werkelijk woonden. | Deel 72 | Nieuw |

| 1561 | Raadsleden ontvangen 40 Brabantse stuivers per dag wanneer zij buiten hun vaste verblijf in Vollenhove dienstdoen. Een bijzonder gegeven over de bestuurlijke economie van de stad. | Deel 72 | Nieuw |

| 1563–1564 | George Westendorp, afkomstig uit Vollenhove, behartigt belangen van Karel Schenck en trouwt met Evertje Grevinge. Zijn familie en juridische loopbaan verder uitwerken. | Deel 72–73 | Nieuw |

| 1567–1571 | Pastoor Johan Vuyst als vertrouwenspersoon van de familie Schenck. Zijn werkzaamheden bij Toutenburg, de begrafenis van Karel Schenck en het veiligstellen van de inboedel afzonderlijk behandelen. | Deel 74–75 | Verdiepen |

 

Een belangrijke conclusie uit het onderzoek naar de havezaten is dat Vollenhove niet uitsluitend door de kastelen belangrijk bleef. Ook de aanwezigheid van leden van de landsheerlijke raad leverde werk, inkomsten en bestuurlijke betekenis op. De besluiten van 1560 en 1561 verdienen daarom een eigen verhaal.

 

### 4\. Aanvullingen tussen 1568 en 1600

 

In deze periode zijn de meeste veldslagen al behandeld. Wat nog duidelijk ontbreekt, is vooral de schade die de oorlog veroorzaakte en de rol van gewone inwoners.

 

| Datum | Gebeurtenis, namen en ontbrekende gegevens | Invoegen | Status |

| ------------------ | ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ---------- | ----------- |

| Juli–augustus 1572 | Caspar de Robles laat Waalse soldaten Blokzijl en Vollenhove op de watergeuzen heroveren. Ook de mislukte belegering van Toutenburg en de list waarmee verdedigers uit het kasteel werden gelokt opnemen. | Deel 76 | Nieuw |

| 1572 | De kerkklok van Schokland wordt geroofd en komt later in Lambertschaag terecht. Ook de mogelijke herkomst van het daar aanwezige torenuurwerk uit Vollenhove onderzoeken. | Deel 76 | Nieuw |

| Rond 1572–1601 | Egbert Morrhe en Gesina van Baerle, verbonden met het Morrenhuis. De datum van hun vestiging, huisbezit en kinderen verder onderzoeken. | Deel 76–85 | Controleren |

| 1578–1597 | George Westendorp en Johan Vos (Johannes Vossius). Hun geschiedwerk, herinneringen aan Vollenhove en de kaart die Vos in augustus 1597 in Brussel tekende, verdienen een eigen verhaal. | Deel 78–84 | Nieuw |

| 1580–1581 | Wigbold II van Ewsum, heer van Nienoord, verblijft ruim een maand met zijn Groningse regiment in Vollenhove. De genoemde kosten bedragen 24.500 pond, naast een extra betaling van 683 pond voor vertrek. De onderliggende stadsrekening controleren. | Deel 80–81 | Nieuw |

| 1580–1581 | De stad betaalt jaarlijks 105 gulden brandschatting aan John Norris. Het geld wordt uit de kas van het weeshuis geleend. Onderzoek de gevolgen voor de wezen en de terugbetaling. | Deel 80–81 | Nieuw |

| 1580–1582 | De aflossing van het garnizoen van Kuinre en de overnachting van soldaten in Vollenhove. Een rekening vermeldt 80 pond. Namen van leveranciers en ingekwartierde burgers zoeken. | Deel 80–81 | Nieuw |

| 1582–1584 | In de beschikbare plaatselijke administratie ontbreken vermeldingen over de stedelijke rechtspraak in 1583 en 1584. Onderzoek of dit door oorlogsomstandigheden, archiefverlies of andere oorzaken komt. | Deel 81–82 | Nieuw |

| 1582–1584 | Het aantal nieuwe burgers lijkt tijdelijk hoger dan normaal. Onderzoek hun namen, plaatsen van herkomst, beroepen en mogelijke vlucht voor oorlogsgeweld. | Deel 81–82 | Nieuw |

| 1594–1597 | Het leven van Westendorp als katholieke balling in Brussel, zijn contacten met Johan Vos en zijn herinneringen aan de Willibrordkapel. | Deel 84 | Verdiepen |

| 1599–1600 | De invoering van het vuurstedengeld is behandeld, maar nog niet de namen en aantallen stookplaatsen per huishouden. De vroegste bewaarde registers kunnen als afzonderlijke bron worden onderzocht. | Deel 85 | Verdiepen |

 

Vooral de schade van 1580–1584 is een grote aanvulling. De bestaande delen vertellen uitgebreid over de gevechten, maar veel minder over de schulden, ingekwartierde soldaten, gestolen goederen en bewoners die vertrokken of juist naar Vollenhove vluchtten.

 

### 5\. Aanvullingen tussen 1600 en 1648

 

| Datum | Gebeurtenis, namen en ontbrekende gegevens | Invoegen | Status |

| ------------- | ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ---------- | ----------- |

| 29 juni 1600 | Ridderschap en Steden stellen nieuwe regels voor het burgerlijke procesrecht vast. Onderzoek wat dit voor processen in het drostambt Vollenhove veranderde. | Deel 85–86 | Nieuw |

| 18 juni 1603 | De Overijsselse huwelijksordonnantie wordt vastgesteld. Behandel huwelijken, toestemming, erfgenamen en de gevolgen van het verdwijnen van de oude katholieke huwelijksrechtspraak. | Deel 86 | Nieuw |

| 1615 | Sophia Sloet en Hendrik van Ittersum verkopen het latere Benthuis aan Arend Sloet tot Warmelo. Een nieuwe familie- en bezitgeschiedenis. | Deel 91 | Nieuw |

| 1618–1619 | De Synode van Dordrecht is behandeld, maar de precieze werkzaamheden van Hendrik Hagen als politiek commissaris verdienen verdieping. | Deel 92 | Verdiepen |

| 16 mei 1629 | Een commissie van drie drosten en drie stedelijke afgevaardigden krijgt opdracht strengere regels voor havezaten voor te bereiden. | Deel 95 | Nieuw |

| 8 maart 1630 | Overijssel stelt nadere regels voor de erkenning van havezaten vast. Behandel het vereiste van adellijke bebouwing en het minimale goederenbezit van 25.000 carolusgulden. | Deel 95 | Nieuw |

| 12 maart 1630 | Het nieuwe Landrecht van Overijssel wordt vastgesteld en in Zwolle en Deventer gedrukt. De gevolgen voor drosten, boeren, rechtspraak, erfopvolging en het platteland ontbreken. | Deel 95 | Nieuw |

| 14 maart 1637 | Nadere bepalingen over het benodigde landbezit bij een havezate. Onderzoek de gevolgen voor de Vollenhoofse adellijke huizen. | Deel 96 | Nieuw |

| 1637 | Bij Marxveld wordt een belangrijke verbouwing genoemd, maar de precieze datering en betrokken eigenaar zijn onvoldoende zeker. Bouwgeschiedenis eerst opnieuw controleren. | Deel 96 | Controleren |

| 1643 | Egbert Morrhe trouwt met Aleid van Haersolte. Hun latere bezitsgeschiedenis rond het Morrenhuis en Toutenburg biedt een nieuwe familielijn. | Deel 97 | Nieuw |

| 15 april 1646 | Ridderschap en Steden besluiten tot een officieel register van erkende havezaten en eigenaren. Dit is een van de belangrijkste nog ontbrekende gebeurtenissen. | Deel 98 | Nieuw |

| 1646–1648 | Per Vollenhoofse havezate vaststellen wie eigenaar was, wie werkelijk op het huis woonde en wie recht had op toelating tot de ridderschap. | Deel 98 | Nieuw |

 

De aanvullende regels over havezaten zijn terug te vinden in historische juridische publicaties, waaronder de studie De admissie in de ridderschap van Overijssel gedurende de Republiek. Het Landrecht van 1630 is bovendien van belang omdat Vollenhove, anders dan veel andere kleine steden, bijzondere eigen rechtsregels bleef behouden.

 

### 6\. Namen die een afzonderlijk onderzoek verdienen

 

Naast de chronologische gebeurtenissen zijn er personen die nu slechts kort voorkomen, maar van wie de levensloop, familie en bezittingen belangrijk kunnen zijn.

 

| Persoon | Periode | Nog uit te zoeken |

| ---------------------------- | ---------------- | ------------------------------------------------------------------------------------- |

| Pelgrim II van Putten | 13e eeuw | Borgmannen, kasteleinsleen, goederen bij De Voorst en erfgenamen |

| Herman van Vollenhove | 1306–1310 | Herstel Oldehuis, verbinding met proost Gerardus Heyinc |

| Johan Redinc | 1316 en omgeving | Bezittingen, verwantschappen en plaats binnen de vroege adel |

| Evert van Essen | 1379–1382 | Eerde, zijn verzoening met Utrecht, zijn dood en zijn bezittingen bij Vollenhove |

| Johan Hagen | 1388–1389 | Burgerrecht, leengoederen, huwelijk en de oorsprong van Oldhagensdorp |

| Geert Borre | 1400–1409 | Schout, rentmeester en de stichting van de Mariakapel |

| Herman Kruse | 1469 en later | Benoeming, verhouding tot Gerrit van IJsselmuiden en latere drostfuncties |

| Roelof van Bevervoorde | Vanaf 1469 | Kasteleinschap, familiebezit en opvolging |

| George Westendorp | ca. 1535–1608 | Huwelijk, reizen, ballingschap, kroniek en invloed op de beeldvorming over Vollenhove |

| Johan Vos / Johannes Vossius | Vooral 1597 | Kaarttekening vanuit Brussel, afkomst en samenwerking met Westendorp |

| Wigbold II van Ewsum | 1580–1581 | Bezetting, regiment, schulden en schade aan inwoners |

| Hendrick Lamberts Bannier | 1615 en later | Aankoop van Arembergse goederen en positie van zijn familie |

| Sophia Sloet | 1603–1615 | Huwelijk met Hendrik van Ittersum, verkoop van Benthuis en erfopvolging |

| Jan Jans Molder | 1647 | Afkomst uit Dwingeloo, molencontract, gezin en werkzaamheden in Vollenhove |

 

### 7\. Belangrijke datums die we eerst moeten corrigeren of controleren

 

Deze gegevens mogen niet stilzwijgend in een nieuw verhaal worden overgenomen.

 

| Onderwerp | Probleem | Onderzoeksactie |

| ----------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------- |

| Stadsrechten 1354 | Het Repertorium vermeldt zondag 13 juli, terwijl de transcriptie op de plaatselijke website 12 juli noemt. | Originele akte en middeleeuwse dagtekening vergelijken |

| Belegering Oldehuis | De aanval staat meestal bij 1309, maar oudere geschiedschrijvers noemen ook 1306 of 1311. | Vaststellen of sprake is van één beleg of meerdere gebeurtenissen |

| Overlijden Floris van Wevelinkhoven, 1393 | Niet alle bronnen geven dezelfde sterfplaats. | Oorspronkelijke kronieken controleren |

| Overlijden Georg Schenck, 1540 | Zowel 2 als 21 februari komt in historische beschrijvingen voor. | Biografische en contemporaine bronnen vergelijken |

| Overlijden Johan Sloet de Jonge | De dateringen 1610 en 1612 worden beide gebruikt. | Begrafenisgegevens, de sollicitatiebrief van 8 februari 1611 en de ambtsopvolging vergelijken |

| Oldruitenborgh en Rollecate | De bouwdatum van een bestaand huis wordt soms verward met de eerste vermelding van het grondbezit. | Bouwonderzoek, leenakten en transportakten gescheiden houden |

| Marxveld, 1637 | De genoemde verbouwing is nog niet overtuigend aan het huidige bouwdeel gekoppeld. | Bouwhistorisch rapport en eigenaarsgeschiedenis controleren |

 

### 8\. Onderwerpen die nog niet voldoende in het verhaal voorkomen

 

Los van de gedateerde aanvullingen zijn vijf grotere onderzoekslijnen belangrijk voor het volledige verhaal.

 

Waterverbindingen en handel

 

Utrecht–Vollenhove, Zwolle, Kampen, Genemuiden, Zwartsluis, Steenwijk, Deventer en het achterland van Salland en Twente. Welke schepen, schippers, goederen, havens, tollen en routes verbonden deze plaatsen door de eeuwen heen?

 

Boeren, voedsel en landbouw

 

Pachtboeren, veehouders, vissers, brouwers, molenaars, dijkwerkers en het vervoer van rogge, vee, turf en hout. Vooral de rekeningen en akten kunnen nog veel namen opleveren.

 

Vrouwen, kinderen en gezinnen

 

Huwelijken, weduwen, bruidsschatten, erfgenamen, kindersterfte, wezen en verzorging. De registers van het weeshuis, gasthuizen, testamenten en kerkelijke instellingen zijn hiervoor belangrijk.

 

Adellijke families en rijkdom

 

Van Putten, Van der Eze, Van den Rutenberg, Hagen, Sloet, Van Echten, Van IJsselmuiden, De Vos van Steenwijk, Van Westerholt, Schenck en Van den Boetzelaer. Per familie: huizen, grond, huwelijken, kinderen, leenrechten en bestuurlijke functies.

 

Rechtspraak en het grotere Oversticht

 

Niet alleen Vollenhove, maar ook de machtsverhoudingen in Drenthe, Salland en Twente. Welke rechten oefenden de bisschop, drosten, heren, schouten, steden en plaatselijke rechtbanken werkelijk uit?

 

### 9\. Prioriteit voor de volgende aanvullingen

 

Ik zou de eerste nieuwe verhalen in deze volgorde uitwerken:

 

0 van 13 onderzocht

 

 Kopieer werklijst

 

1170–1207 — Waterverandering, kerk en eerste pastoor

 

1230–1231 — De 32 borgmannen na Ane

 

1309 — Het beleg, de aanvalstoren en de verdedigers

 

1380–1389 — Evert van Essen, de Schurings en Johan Hagen

 

1469 — Herman Kruse en Roelof van Bevervoorde

 

1515 — De pest en de bevolking

 

1560–1561 — Vollenhove als vaste woonplaats van raadsheren

 

1572 — Caspar de Robles en de herovering van Toutenburg

 

1580–1584 — Bezettingskosten, brandschatting en vluchtelingen

 

1597 — Westendorp en de kaart van Johan Vos

 

1600–1603 — Procesrecht en huwelijksordonnantie

 

1629–1630 — De regels voor havezaten en het Landrecht

 

15 april 1646 — Het officiële register van havezaten

 

Mijn voorlopige conclusie: de reeks van 98 delen kan inhoudelijk nog aanzienlijk rijker worden. Deze eerste vergelijking levert ruim vijftig gedateerde aanvullings- en controlepunten op, waarvan een deel mogelijk al in de vroegste 25 delen staat.

 

De belangrijkste ontbrekende laag is niet nog meer algemene politieke geschiedenis, maar juist concrete namen, akten, families, geldbedragen, beroepen, wegen, waterverbindingen en gevolgen voor de inwoners.

 

De beste vervolgstap is de lijst per periode tegen de volledige mastertekst te controleren. Daarna kunnen alleen de werkelijk ontbrekende gebeurtenissen als nieuwe tekstblokken van circa 100 woorden op hun chronologische plaats worden ingevoegd.