Tussen Utrecht en Münster (925–1165) — Koningen, bisschoppen, graven en de strijd om het land
Deel 1 — Vóór 925
De voorgeschiedenis — Van oude boerenlandschappen tot kerkelijke landgoederen, kloosters en koninklijke macht
Het landschap tussen Utrecht, de IJssel, Drenthe en Münster bestond al eeuwen vóór de bisschoppelijke machtsuitbreiding
Lang voordat de Utrechtse bisschoppen wereldlijke rechten in Drenthe, Salland en het gebied van Vollenhove verwierven, bestond hier een landschap met oude nederzettingen en doorgaande verbindingen. Op de hogere zandgronden lagen akkers, boerderijen en begraafplaatsen. Daartussen bevonden zich beekdalen, bossen, moerassen en uitgestrekte venen. De IJssel, Vecht en kleinere waterlopen maakten verkeer en goederenvervoer mogelijk. De hoge gronden van Vollenhove vormden een herkenbaar onderdeel van deze wereld. Het gebied was geen leeg land dat pas door koningen en bisschoppen werd ontdekt. Bewoners hadden hun woonplaatsen en landbouwgronden vaak al generaties in gebruik voordat hun namen in oorkonden verschenen.
Tussen 695 en 726 ontving Willibrord bezittingen die kerkelijke macht mogelijk maakten
Aan het einde van de zevende eeuw begonnen schenkingen aan kerkelijke instellingen een steeds grotere economische betekenis te krijgen. Rohingus en zijn vrouw Bebelina droegen goederen bij Antwerpen en Wijnegem over aan een kerk die onder Willibrords beheer stond. Tot de bezittingen behoorden een landgoed bij Sprusdare en geërfd bezit in Wijnegem. Andere schenkingen brachten eveneens kerken en land in geestelijke handen. Heribald wordt verbonden met een kerk in het Maasgebied, Thitbald met een kerk in Mülheim en Wachard met zeven en een halve hoeve en een molen bij Irrel. Zulke overdrachten vormden de economische grondslag van kerkelijke instellingen.
Rond 697–699 beschikte abdis Ermina over een omvangrijk netwerk van landgoederen
Abdis Ermina, ook Irmina genoemd, speelde een belangrijke rol bij de vroege ontwikkeling van Echternach. Zij schonk goederen aan Willibrord en de kloostergemeenschap. In de overlevering verschijnen kerken, huizen, akkers, weiden, bossen, waterlopen en wijngaarden, waaronder bezit bij Vianden. Het ging niet uitsluitend om onroerend goed. Ook bewoners en mensen die bepaalde werkzaamheden verrichtten, konden onder de rechtsverhoudingen van een landgoed vallen. Herders verzorgden runderen, schapen en varkens. De schenkingen tonen dat een klooster economische middelen, landbouwproductie en menselijke arbeid bijeenbracht. Over de overlevering en echtheid van de afzonderlijke vroege akten bestaat historisch onderzoek.
Elf vrijgelaten mannen en vrouwen kregen een naam in de oorkonden
Bijzonder is een overgeleverde tekst waarin Ermina elf personen noemt die hun persoonlijke vrijheid hadden gekregen. Hun namen luiden Garario, Cumloaldo, Achilde, Theodfrido, Aldfrido, Clodoare, Raocare, Warinlinde, Bacelinde, Grauceleba en Gundulfo. Volgens de tekst moesten zij op Kerstmis jaarlijks ieder een pond was voor de kerkverlichting leveren. Daarmee krijgen mensen buiten de hoogste maatschappelijke kringen een plaats in de geschreven geschiedenis. De vermelding toont bovendien dat vrijlating niet noodzakelijk alle verplichtingen tegenover een kerkelijke instelling beëindigde. De persoonlijke rechtspositie kon veranderen terwijl bepaalde betalingen bleven bestaan. Juist zulke details maken de oudste oorkonden waardevol voor het onderzoek naar de samenleving.
Kerkelijke landgoederen verbonden landbouw, geloof en economische verplichtingen
De oudste schenkingen verklaren hoe religieuze instellingen vermogen konden opbouwen zonder dat zij alle grond zelf bewerkten. Een landgoed kon bestaan uit een centrale hoeve, afzonderlijke boerenbedrijven, gemeenschappelijke gebruiksgronden en rechten op landbouwopbrengsten. Bewoners konden verplicht zijn producten te leveren of werkzaamheden te verrichten. Het bezit van een kerk betekende bovendien inkomsten voor het onderhoud van gebouwen, geestelijken en de eredienst. Deze verschillende rechten konden over grote afstanden worden uitgeoefend. De instellingen waren afhankelijk van plaatselijke beheerders en boeren. Zo ontstond een vorm van economische macht die de latere ontwikkeling van het Utrechtse bisdom en de kloosters in Oost-Nederland mede zou bepalen.
Vanaf het einde van de achtste eeuw groeide de invloed van Liudger en Werden
De missionaris Liudger speelde een belangrijke rol bij de kerstening van de gebieden ten oosten van de IJssel. Hij stichtte de abdij Werden aan de Ruhr, die later een uitgebreid netwerk van landgoederen en kerkelijke rechten zou beheren. Vanuit Werden kwamen verbindingen tot stand met Twente, Drenthe, Groningen en ook de noordelijke Veluwe. De kerk van Doornspijk was aan Liudger gewijd en bleef langdurig met de abdij verbonden. In het vroegmiddeleeuwse Biddinghuizen, vermoedelijk bij het latere Doornspijk, ontving Werden volgens historisch onderzoek jaarlijks drie solidi uit kerkelijke inkomsten. De exacte ligging van deze oude nederzetting blijft onzeker.
In 820 schonk Theodgrim zijn bezittingen in Drenthe aan Werden
Een bijzondere oorkonde uit 820 noemt Theodgrim, zoon van de overleden Aldgrim. Hij droeg bezittingen die hij van Ricfrid had verkregen over aan het klooster Werden. De schenking omvatte een kerk, gebouwen, landbouwgronden, weiden, bossen, waterlopen en afhankelijke bewoners. Het bezit lag bij Arlo in de gouw Drenthe. Deze vermelding behoort tot de oudste schriftelijke bewijzen voor de naam Drenthe. Over de precieze identificatie van Arlo bestaat discussie: zowel Taarlo als Tynaarlo speelt in het onderzoek een rol. De akte toont dat particuliere families al vroeg omvangrijke bezittingen aan kerkelijke instellingen konden overdragen.
De schenking van 820 laat een vroege Drentse bezitsstructuur zien
Theodgrim, Aldgrim en Ricfrid behoren tot de vroegst bij naam bekende personen die met Drents grondbezit verbonden waren. Hun oorkonde maakt duidelijk dat in de omgeving van Arlo al sprake was van landbouwbedrijven, kerkelijk bezit en mensen met verschillende rechtsposities. Het document was geen beschrijving van een volledig dorp, maar legde vast welke goederen en rechten werden overgedragen. De latere bezittingen van Werden in Loon en Grolloo worden soms met deze vroege schenking in verband gebracht. Een rechtstreekse bezitslijn is echter niet bewezen. De akte blijft vooral belangrijk als gedateerd bewijs voor Drenthe, zijn bewoners en zijn kerkelijke verbindingen.
In de eerste helft van de negende eeuw stond bij Baalder een grote boerderij
Bij Baalder, in de omgeving van Hardenberg, onderzochten archeologen op 13 en 14 april 1978 de resten van een Karolingische boerderij. Het gebouw was ongeveer 24 meter lang en vijf tot zeven meter breed. De gebogen lange wanden hadden dubbele rijen paalkuilen. De buitenste palen ondersteunden vermoedelijk een ver overhangend dak dat de houten en lemen wanden tegen regen beschermde. In de omgeving werden afvalkuilen, aardewerk en andere nederzettingssporen aangetroffen. Een zilveren denier van Lodewijk de Vrome, die regeerde van 814 tot 840, hielp om het boerenerf in de eerste helft van de negende eeuw te dateren.
De vondsten bij Baalder tonen een huishouden dat met verre gebieden verbonden was
De opgraving bij Baalder leverde aanzienlijk meer op dan de plattegrond van een boerderij. Archeologen vonden handgemaakt aardewerk, een kleine hoeveelheid Badorf-aardewerk, spinklosjes, een weefgewicht, glazen kralen, ijzeren voorwerpen en ijzerslakken. Een ijzeren speerpunt kwam uit een afvalkuil waarin ook de munt was aangetroffen. Fragmenten van maalstenen waren vervaardigd uit basaltlava uit het Eifelgebied. Dit materiaal moest via handels- en vervoersverbindingen naar de omgeving van Hardenberg zijn gekomen. De vondsten tonen dat landbouw, textielproductie, gebruik van metalen voorwerpen en de beschikbaarheid van goederen van elders samenkwamen op een vroegmiddeleeuws boerenerf.
In de negende eeuw stonden bij Anloo waarschijnlijk al houten kerkgebouwen
Onder de huidige Magnuskerk van Anloo zijn sporen ontdekt die wijzen op een lange geschiedenis van kerkbouw. Tijdens onderzoek in 1942 trof Albert van Giffen onder meer verbrand hout en leem aan. Bij latere herbeoordeling van het opgravingsmateriaal kwamen aanwijzingen voor mogelijk zes of zeven opeenvolgende bouwfasen naar voren. De oudste worden voorlopig met de negende eeuw in verband gebracht. Exacte dateringen blijven problematisch. Het huidige tufstenen kerkgebouw ontstond veel later, rond 1100. Daarmee is duidelijk dat de schriftelijke vermelding van Anloo in 1139 niet het begin van zijn religieuze geschiedenis markeert. De plaats had vermoedelijk al eeuwen daarvoor een kerkelijke functie.
Ook Rolde en Diever bezaten kerkelijke voorgangers en oudere begraafplaatsen
Archeologisch onderzoek onder de kerken van Rolde en Diever heeft aanwijzingen opgeleverd voor houten kerkgebouwen die aan de latere stenen kerken voorafgingen. In beide plaatsen bevonden zich oudere graven onder de kerkelijke bebouwing. De eerste houten kerk van Rolde wordt gewoonlijk in de negende of tiende eeuw geplaatst, maar de exacte datering is onzeker. De graven wijzen op een ontwikkeling waarbij oudere begraafplaatsen een nieuwe religieuze functie konden krijgen. Wie de eerste kerken liet bouwen, staat niet vast. Ook is niet bewezen dat de Utrechtse bisschop rechtstreeks bij iedere stichting betrokken was. Kerkbouw en plaatselijke gebruiken ontwikkelden zich geleidelijk.
Vóór 925 bestonden langs de IJssel al belangrijke verbindingen en nederzettingen
Deventer was gedurende de Vikingtijd een belangrijk kerkelijk steunpunt geworden. Utrechtse bisschoppen en geestelijken konden hier verblijven terwijl Utrecht zelf door aanvallen en politieke onzekerheid moeilijker bereikbaar was. De ligging aan de IJssel bood mogelijkheden voor verkeer en handel tussen het Rijnland en gebieden verder stroomopwaarts en stroomafwaarts. Vanuit de rivier waren verbindingen met Salland, Twente en andere delen van het oostelijke binnenland mogelijk. Tegelijkertijd bleven veel bewoners aangewezen op landbouw en veeteelt. Het bestaan van deze oude verbindingen verklaart waarom de koningen en bisschoppen in de tiende eeuw grote belangstelling kregen voor grondbezit, kerken en rechten langs de IJssel.
Deel 2 — 925–950
Koningen, hertogen, bisschoppen en de eerste vastgelegde rechten in Fulnaho en het Overijsselse achterland
In 925 kwam Lotharingen onder koning Hendrik I van het Oost-Frankische rijk
In 925 veranderden de politieke verhoudingen in een groot deel van de Nederlanden. Koning Hendrik I, die sinds 919 regeerde, wist Lotharingen aan zijn gezag te onderwerpen. Dit gebied had eerder tussen West-Frankische en Oost-Frankische machthebbers gewisseld. Door deze verandering kwamen Utrecht en het aangrenzende rivierengebied sterker binnen de politieke invloedssfeer van de Oost-Frankische koning. De koning beschikte niet over een modern centraal bestuur. Hij moest zijn positie handhaven met steun van hertogen, graven, bisschoppen en aanzienlijke families. Deze machthebbers bezaten eigen goederen, volgelingen en militaire middelen. Koninklijke bescherming werd daardoor belangrijk voor kerkelijke instellingen.
Hendrik I gebruikte familiehuwelijken om machtige hertogen aan zich te verbinden
Het koningschap van Hendrik I berustte op politieke onderhandelingen en persoonlijke verbondenheid met invloedrijke families. Hertogen konden het koninklijke gezag ondersteunen, maar bezaten voldoende macht om zich ertegen te keren. In Lotharingen speelde Giselbert, afkomstig uit een aanzienlijk adellijk geslacht, een belangrijke rol. Hendrik probeerde hem aan zijn dynastie te verbinden. In 928 trouwde Giselbert met Gerberga, een dochter van Hendrik I en koningin Mathilde. Het huwelijk verbond twee machtskringen en maakte de hertog tot schoonzoon van de koning. Er ontstonden verwantschappen die politieke rechten, erfopvolging en internationale bondgenootschappen konden beïnvloeden.
Vanaf 925 kreeg bisschop Balderik meer mogelijkheden om Utrecht te versterken
Balderik was sinds 918 bisschop van Utrecht. Zijn ambtsperiode begon nog tijdens de politieke onrust die volgde op de Vikingtijd. De Utrechtse bisschoppen hadden gedurende die onrust langere tijd vanuit Deventer gefunctioneerd. Onder Balderik kreeg de oude bisschopsstad opnieuw een centrale positie. Het herstel van kerken en andere religieuze instellingen kostte aanzienlijke middelen. De bisschop had inkomsten uit landgoederen en kerkelijke rechten nodig om zijn organisatie op te bouwen. Het koningschap vormde hierbij een belangrijke steun. Voor de koning was Balderik een waardevolle bondgenoot in een gebied waar verschillende adellijke families invloed uitoefenden.
Deventer bleef belangrijk bij het herstel van de Utrechtse kerk
De historische verbinding tussen Deventer en Utrecht bleef van betekenis toen Balderik zijn bisschoppelijke zetel opnieuw versterkte. Deventer lag gunstig aan de IJssel en was verbonden met handelsroutes naar het Rijnland en het oostelijke achterland. Geestelijken, kooplieden en reizigers konden van deze verbindingen gebruikmaken. Kerkelijke macht was in de praktijk afhankelijk van bereikbaarheid. Bezittingen die ver van Utrecht lagen, moesten worden beheerd, terwijl berichten en vertegenwoordigers tussen verschillende plaatsen reisden. De oude positie van Deventer hielp de Utrechtse kerk om contacten met Salland en verder oostelijk gelegen gebieden te onderhouden. Deventer bleef daardoor een belangrijk onderdeel van het groeiende netwerk.
In 936 volgde Otto I zijn vader Hendrik I als koning op
Toen Hendrik I in 936 overleed, volgde zijn zoon Otto I hem op. De nieuwe koning erfde een uitgestrekt rijk met verschillende hertogdommen, graafschappen en kerkelijke machtscentra. Niet iedere edelman was bereid zijn positie zonder weerstand te aanvaarden. Vooral de verhouding tussen het koningschap en de machtige hertogen veroorzaakte spanningen. Otto probeerde zijn gezag te versterken door loyale bestuurders te steunen en tegenstanders terug te dringen. De bisschoppen konden hierin een belangrijke rol spelen. Hun instellingen hadden inkomsten, grondbezit en een administratieve organisatie. Daardoor waren zij voor het koningschap waardevolle bondgenoten tegenover regionale machthebbers.
In 939 eindigde de opstand van Giselbert van Lotharingen met zijn dood
Giselbert van Lotharingen keerde zich na de dood van zijn schoonvader Hendrik I tegen koning Otto I. Hij sloot zich aan bij een opstand waarin ook andere aanzienlijke edelen betrokken waren. In 939 werden de opstandelingen bij Andernach verslagen. Giselbert probeerde tijdens zijn vlucht de Rijn over te steken, maar verdronk. Zijn dood veranderde de machtsverhoudingen in Lotharingen. De opstand maakte duidelijk dat politieke huwelijken geen blijvende trouw konden garanderen. Voor Otto ontstond ruimte om zijn koninklijke gezag opnieuw te organiseren. De samenwerking met geestelijke machthebbers, waaronder de Utrechtse bisschop, kreeg daardoor een grotere politieke betekenis.
Na 939 gebruikte Otto I kerkelijke instellingen als bondgenoten van het koningschap
Otto I moest na de opstand zorgen dat zijn gezag in Lotharingen en de aangrenzende gebieden werd erkend. Daarbij kon hij steunen op bisschoppen die een groot deel van hun positie aan het koninklijke gezag ontleenden. Het schenken en bevestigen van rechten was een belangrijk instrument. Een bisschop kreeg daarmee inkomsten en bevoegdheden, terwijl de koning zijn plaatselijke machtspositie versterkte. Voor Utrecht bood dit mogelijkheden om bestaande bezittingen te beschermen en nieuwe rechten te verkrijgen. De invloed van Balderik bleef niet beperkt tot de bisschopsstad. Ook noordelijker gelegen gebieden kwamen nadrukkelijker in beeld bij koninklijke besluiten.
Op 26 november 944 bevestigde Otto I het koninklijke woudrecht van Utrecht
Op 26 november 944 werden twee koninklijke oorkonden uitgevaardigd die bijzonder belangrijk zijn voor de geschiedenis van Drenthe en Vollenhove. Zij betroffen de rechten van de Utrechtse bisschop op het gebruik van bos- en wildernisgebieden. Daarbij werd de bescherming van de jacht op groot wild geregeld. Tot de genoemde dieren behoorden herten, beren en elanden. Naast het jachtrecht ging het om het koninklijke ius forestense. Historisch onderzoek verbindt dit recht ook met bevoegdheden betreffende houtkap, visserij, gebruik van onbebouwde grond en mogelijk ontginningen. Deze bevoegdheden waren belangrijk omdat zij de bisschop invloed konden geven op de toekomstige inrichting van het landschap.
In 944 verscheen Fulnaho in de koninklijke oorkonden
Een van de oorkonden van 944 noemt het bos Fulnaho, dat met het latere Vollenhove wordt verbonden. Het is een van de oudste schriftelijke aanknopingspunten voor de geschiedenis van deze plaats. De koninklijke regeling betrof rechten die de Utrechtse kerk in en bij het bosgebied kon uitoefenen. Daarmee kreeg Balderik een bijzondere rechtspositie. De schenking mag niet worden uitgelegd alsof alle grond, boerderijen en bewoners plotseling eigendom van de bisschop werden. Evenmin bewijst zij dat er in 944 al een bisschoppelijk kasteel bestond. De vermelding toont vooral dat Fulnaho binnen de koninklijke bestuurlijke en juridische belangstelling lag.
Graaf Everhard speelde eveneens een rol in de oorkonden van 944
Naast koning Otto I en bisschop Balderik verschijnt in de oorkonden graaf Everhard. Zijn graafschap wordt verbonden met gebieden waarin de koning bepaalde jacht- en woudrechten wilde beschermen. De teksten vermelden zowel de Foreestgouw als Drenthe. De precieze onderlinge verhouding van deze gebieden is onderwerp van onderzoek. Historici hebben verschillende verklaringen gegeven voor de ligging van de Foreestgouw en de omvang van Everhards bevoegdheden. Volgens een reconstructie van J.A. Mol kunnen de documenten betrekking hebben op twee afzonderlijke graafschappen waarover dezelfde graaf gezag uitoefende. Dat zou verklaren waarom Otto op dezelfde dag twee oorkonden uitvaardigde.
De Foreestgouw en het bos Fulnaho waren niet noodzakelijk hetzelfde gebied
Het onderscheid tussen de Foreestgouw en Fulnaho is belangrijk voor de historische geografie van Noordwest-Overijssel. De oorkonde noemt het koninklijke bos en de gouw afzonderlijk. Daardoor staat niet vast dat beide geografisch samenvielen. Mol bespreekt een verklaring waarbij de Foreestgouw eerder gezocht moet worden in het gebied tussen de IJssel en het Zwarte Water, terwijl Fulnaho een eigen bosgebied op de hogere gronden bij Vollenhove vormde. Andere onderzoekers hebben de grenzen anders gereconstrueerd. Geen van deze interpretaties mag zonder meer als definitief worden beschouwd. De documenten bewijzen rechten, maar geven geen nauwkeurig getekende kaart van alle betrokken gebieden.
Het Hoge Land van Vollenhove vormde een bijzondere plek in het waterrijke landschap
De hogere gronden rond Vollenhove waren ontstaan door geologische processen uit de ijstijden. Keileem, zand en latere landschappelijke ontwikkelingen vormden een herkenbare verheffing tussen lager gelegen gebieden. In de omgeving lagen venen, moerassen, bossen en waterlopen. Zulke hoogteverschillen waren belangrijk voor de mogelijkheden van bewoning en landbouw. Op hoger gelegen grond konden mensen huizen bouwen en akkers gebruiken, terwijl de omliggende natte gebieden mogelijkheden boden voor visserij, veeweide en het verzamelen van natuurlijke producten. De bosbegroeiing bij Fulnaho maakte het gebied geschikt voor verschillende vormen van gebruik. Koninklijke woudrechten konden daardoor economische en bestuurlijke betekenis hebben.
Op 15 januari 947 bevestigde Otto I drie hoven van het vrouwenstift Essen
Op 15 januari 947 vaardigde koning Otto I een oorkonde uit waarin hij bezittingen van het vrouwenstift Essen bevestigde. Daarbij werden drie hoven genoemd: Holsto, Arachem en Herte. Holsto wordt met Olst verbonden, terwijl Arachem wordt geïdentificeerd met Archem bij Ommen. De derde hof, Herte of Irthe, is moeilijker te lokaliseren. Oudere publicaties hebben deze naam met Eerde verbonden, maar die identificatie is niet zonder problemen. De oorkonde is bijzonder omdat zij laat zien dat een religieuze instelling buiten het latere Oversticht landbouwgoederen bezat in het IJsselgebied en het Overijsselse achterland.
De koninklijke bevestiging van 947 beschermde bestaande bezittingen na verlies van documenten
De hoven van Essen waren waarschijnlijk ouder dan de koninklijke bevestiging uit 947. Het document diende mede om bestaande rechten opnieuw vast te leggen nadat oudere bewijzen bij een brand verloren waren gegaan. Een dergelijke bevestiging maakte een kerkelijke instelling juridisch sterker tegenover personen die haar aanspraken konden betwisten. Otto I schonk hiermee dus niet noodzakelijk drie volledig nieuwe landgoederen. Hij bevestigde eigendommen die al tot het vermogen van het vrouwenstift werden gerekend. De oorkonde laat zien dat schriftelijke bewijsstukken belangrijk waren voor de bescherming van landbezit. Ook verklaart zij waarom sommige hoven pas in latere documenten duidelijk zichtbaar worden.
De drie hoven van Essen beheerden meer dan afzonderlijke boerderijen
Een hof kon het centrale punt vormen van een groter geheel aan gronden en afhankelijke erven. Vanuit zo'n plaats werden landbouwopbrengsten verzameld en verplichtingen van grondgebruikers georganiseerd. De hoven Holsto, Arachem en Herte vertegenwoordigen daardoor vermoedelijk bezitscomplexen met een economische betekenis die verder ging dan één gebouw. De ligging in het Overijsselse achterland verbond lokale landbouwbedrijven met een kerkelijke instelling op aanzienlijke afstand. Voor de bewoners kon dit betekenen dat zij landbouwproducten, geld of andere verplichtingen moesten afdragen. De details verschilden per goed en kunnen niet allemaal uit de oorkonde van 947 worden afgeleid.
In de tiende eeuw verschijnen oude Twentse nederzettingen in de administratie van Werden
De goederenlijsten van Werden bewaren verschillende oude plaatsnamen uit Twente. Daaronder bevinden zich Alberge, Darloe, Daginghem, Thrinon, Baningi, Hasloe, Loningheri en Lamesloe. Zij worden verbonden met Albergen, Daarle, Denekamp, Driene, Beuningen, Hasselo, Lonneker en Lemselo. De namen maken duidelijk dat op deze plaatsen of in hun omgeving al vroeg nederzettingen en landbouwgoederen bestonden. De registers bevatten echter gegevens die niet allemaal op hetzelfde moment zijn opgeschreven. Sommige lijsten werden later overgenomen of aangevuld. Een naam in een tiende-eeuwse goederenadministratie kan daarom niet zonder afzonderlijke controle aan één bepaald jaar worden verbonden.
Omstreeks 950 stonden verschillende kerkelijke bezitssystemen naast elkaar
Rond het midden van de tiende eeuw hadden meerdere religieuze instellingen belangen in het gebied tussen Utrecht, de IJssel, Twente, Drenthe en de oostelijke gebieden. De Utrechtse bisschop verwierf en beschermde koninklijke rechten, Werden bezat verspreide landbouwgoederen en het vrouwenstift Essen beschikte over hoven in het Overijsselse achterland. Deze bezittingen vormden geen aaneengesloten kerkelijke staat. Ze lagen tussen gronden van plaatselijke families, vrije grondbezitters en andere instellingen. De bewoners konden daardoor met verschillende verplichtingen te maken krijgen. Het gezag over een gebied, het bezit van een boerderij en het recht op bepaalde inkomsten hoefden niet aan dezelfde persoon of instelling toe te behoren.
Deel 3 — 950–1000
Van Oldenzaal en de abdij Werden tot het vrouwenstift Elten, de Hamalandse graven en de strijd om de erfenis
Vanaf ongeveer 950 begonnen de eerste ontginningen rond Vollenhove
Het landschap tussen Kuinre, Blankenham en Vollenhove veranderde vermoedelijk al gedurende de tweede helft van de tiende eeuw. Historicus J.A. Mol heeft aannemelijk gemaakt dat de vroegste ontginningen in deze streek mogelijk rond 950 begonnen. Langs de oude rivieroevers lagen relatief droge gronden, terwijl daarachter uitgestrekte venen tegen de hogere gronden opliepen. Vanuit bestaande nederzettingen konden boeren nieuwe landbouwgrond in gebruik nemen. Zij groeven sloten om water af te voeren en maakten aangrenzende stukken veen geschikt voor bewerking. Dit was nog geen grootschalig polderlandschap. De eerste uitbreiding vond waarschijnlijk geleidelijk plaats vanuit bestaande boerderijen en bisschoppelijke domeingoederen.
Kort na 950 werd een boerennederzetting bij Zwolle door brand getroffen
Aan de Hogenkampsweg in Zwolle hebben archeologen resten onderzocht van een landelijke nederzetting uit de tiende eeuw. De bewoners leefden grotendeels van hun eigen landbouwproductie. Het erf lag aan de rand van een dalvormige laagte in het dekzandlandschap. Kort na 950 werd een deel van de nederzetting waarschijnlijk door brand verwoest. Verbrande fragmenten kogelpot-aardewerk, huttenleem en natuursteen vormden daarvan de belangrijkste aanwijzingen. Afval kwam gedeeltelijk in de laagte terecht. Later werd het terrein als akker gebruikt en ontstond er een plaggendek. Het onderzoek bewijst dat bij het latere Zwolle al lang vóór de stadsontwikkeling boeren woonden.
In 954 stichtte bisschop Balderik het kapittel van Sint-Plechelmus in Oldenzaal
Bisschop Balderik van Utrecht speelde een beslissende rol in de kerkelijke ontwikkeling van Oldenzaal. In 954 stichtte hij daar volgens de historische overlevering een kapittel met zestien kanunniken. Aan het hoofd stond een proost, die verantwoordelijk was voor het geestelijke bestuur en de organisatie van bezittingen. De bestaande kerk werd vernieuwd en kreeg een belangrijkere positie in Twente. Met de stichting ontstond een instelling die niet uitsluitend voor de eredienst bestemd was. Het kapittel kon goederen verwerven, inkomsten beheren en rechten laten bevestigen. Daardoor werd Oldenzaal een belangrijk steunpunt van de Utrechtse kerk in het oostelijke deel van haar bisdom.
In 954 kreeg de verering van Sint-Plechelmus een vaste plaats in Twente
De kerkelijke ontwikkeling van Oldenzaal was nauw verbonden met de verering van Sint-Plechelmus. Volgens de overlevering liet Balderik relieken van deze heilige vanuit Sint-Odiliënberg naar Oldenzaal brengen. Hij zou bovendien de oudere houten kerk door een stenen gebouw hebben vervangen. De relieken verleenden de kerk een bijzondere religieuze betekenis. Geestelijken konden er het dagelijkse koorgebed verzorgen en de eredienst onderhouden. De stichting bracht ook inkomsten en verplichtingen met zich mee. Grondbezitters konden goederen schenken voor hun zielenheil, terwijl boeren de opbrengsten leverden waarmee de kanunniken werden onderhouden. De huidige kerk bevat vooral latere bouwfasen.
Vanaf het midden van de tiende eeuw groeide Oldenzaal uit tot een regionaal knooppunt
Oldenzaal lag tussen het IJsselgebied, de Twentse landbouwgronden en de routes richting Westfalen. Door zijn ligging konden geestelijken, kooplieden, reizigers en vertegenwoordigers van grondheren er samenkomen. Het Sint-Plechelmuskapittel maakte de plaats bovendien tot een centrum van kerkelijke inkomsten en bestuur. De proost moest niet alleen leidinggeven aan de kanunniken, maar ook toezicht houden op goederen die buiten Oldenzaal lagen. Hierdoor ontstond een verbinding tussen plaatselijke boerenbedrijven en een grotere geestelijke organisatie. De betekenis van Oldenzaal lag dus niet uitsluitend in de kerk. De plaats werd een schakel tussen landbouw, kerkelijk bezit en het verkeer door Twente.
In de tiende eeuw bezat de abdij Werden goederen in verschillende Twentse dorpen
De goederenadministratie van Werden bewaart oude namen van nederzettingen in Twente. Daaronder bevinden zich Alberge, Darloe, Daginghem, Thrinon, Baningi, Hasloe, Loningheri en Lamesloe, die verbonden worden met Albergen, Daarle, Denekamp, Driene, Beuningen, Hasselo, Lonneker en Lemselo. Ook Losser verschijnt in de overlevering als Lutheri. De namen staan niet allemaal in oorkonden die op dezelfde datum zijn geschreven. Sommige gegevens zijn in latere afschriften bewaard. Zij tonen wel dat Werden inkomsten ontving uit een groot aantal landbouwbedrijven. De abdij hoefde deze dorpen niet volledig te bezitten om rechten op afzonderlijke hoeven of hun opbrengsten te kunnen uitoefenen.
In 968 bevestigde Otto I de stichting en het bezit van het vrouwenstift Elten
Graaf Wichman IV van Hamaland behoorde tot de machtige adellijke families in het gebied langs de Rijn en de IJssel. Hij stichtte een vrouwenstift op de Eltenberg en schonk daaraan omvangrijke bezittingen. Zijn dochter Liutgard werd de eerste abdis. Op 29 juni 968 bevestigde keizer Otto I de stichting en belangrijke rechten van het stift. Tot de betrokken goederen en rechten behoorden onder meer bezittingen op Urk en in Salland, Naardingerland en Hamaland. Door deze overdrachten ontstond een religieuze instelling met een groot verspreidingsgebied. De stichting maakte het mogelijk aanzienlijk familievermogen voor het religieuze leven te bestemmen.
In 970 kwamen zeventien afzonderlijke goederen van Wichman in beeld
Op 3 augustus 970 bevestigde Otto I opnieuw schenkingen die Wichman aan Elten had gedaan. In de overlevering worden zeventien hoven of goederen genoemd. Daartoe behoorden bezittingen bij Elten, Voorthuizen, Emmerik, Kleef, Renkum, Bingerden, Groessen, Duiven, Lienden en Doornspijk, naast andere plaatsen waarvan de oude namen niet altijd met zekerheid kunnen worden geïdentificeerd. Deze opsomming laat zien hoe ver de belangen van één adellijke familie konden reiken. Het bezit lag niet aaneengesloten. Afzonderlijke hoven en inkomstenrechten bevonden zich verspreid over riviergebieden, landbouwstreken en nederzettingen. De keizerlijke bevestiging hielp het stift zijn rechten tegenover andere erfgenamen te beschermen.
Vanaf 970 kreeg de stichting van Elten grote gevolgen voor de familie Wichman
De stichting van Elten veranderde de vooruitzichten van Wichmans kinderen. Zijn zoon Wichman was jong overleden, waardoor de mannelijke opvolging onzeker werd. Zijn dochters Liutgard en Adela kregen een verschillende positie. Liutgard werd abdis en was nauw verbonden met de belangen van het stift. Adela was getrouwd met de Saksische edelman Immed en bezat eigen erfrechten. Toen haar vader een omvangrijk deel van zijn vermogen aan de kerkelijke instelling verbond, ontstond onenigheid over de verdeling. Het conflict was bijzonder belangrijk omdat goederen en grafelijke rechten niet altijd dezelfde juridische status hadden. Een familie kon grond bezitten zonder alle openbare bevoegdheden in dat gebied te beheren.
In 973 plaatste Otto II het vrouwenstift Elten onder koninklijke bescherming
Onder keizer Otto II kreeg Elten een sterkere beschermde positie. Op 14 december 973 werden zijn rechten opnieuw bevestigd en kreeg het stift voorrechten die aansloten bij de positie van andere belangrijke vrouwenstiften, waaronder Essen en Gandersheim. De gemeenschap kon een eigen abdis kiezen en kende bijzondere regelingen rond de voogdij. Koninklijke bescherming moest verhinderen dat regionale machthebbers zonder rechtsgrond het vermogen van het stift aantastten. Voor de bewoners van de betrokken landgoederen kon het betekenen dat de kerkelijke instelling aanspraak bleef maken op hun verplichtingen, ook wanneer familieverhoudingen veranderden.
In 975 overleed Balderik na meer dan een halve eeuw als bisschop van Utrecht
Toen bisschop Balderik in 975 overleed, had hij het bisdom sinds 918 bestuurd. Tijdens zijn lange ambtsperiode was de bisschoppelijke aanwezigheid in Utrecht hersteld en waren kerkgebouwen vernieuwd. Daarnaast had hij de verbindingen met het koningschap versterkt. De verwerving van het koninklijke woudrecht bij Fulnaho in 944 en zijn werkzaamheden in Oldenzaal in 954 illustreren hoe zijn invloed zich over verschillende delen van het bisdom uitstrekte. De Utrechtse kerk bezat nu afzonderlijke rechten, landgoederen en inkomstenbronnen op grote afstand van de bisschopsstad. Dat was nog geen aaneengesloten wereldlijk territorium, maar vormde wel de basis voor verdere machtsuitbreiding.
In 976 werd Folkmar bisschop en bleef Utrecht nauw betrokken bij de koninklijke politiek
Na Balderik kwam Folkmar, ook Folcmar of Poppo genoemd, aan het hoofd van het bisdom Utrecht. Hij bestuurde de kerk van 976 tot 990 en had daarvoor in de koninklijke kanselarij gewerkt. Daarmee beschikte hij over belangrijke contacten aan het hof. Tijdens zijn ambtsperiode werd Hendrik van Beieren, een tegenstander van Otto II, in Utrecht vastgehouden. Toen Otto II in 983 overleed, kwam de opvolging van de minderjarige Otto III onder druk te staan. Folkmar speelde een rol bij de daaropvolgende ontwikkelingen. De gebeurtenissen tonen dat een bisschop niet alleen geestelijke leiding gaf, maar ook betrokken kon zijn bij gevangenschap, onderhandelingen en machtsstrijd.
In de jaren 980–990 bleven de kerkelijke goederen en landwegen met elkaar verbonden
De bezittingen van Utrecht, Werden en Elten lagen verspreid over verschillende landschappen. Een dergelijke organisatie was afhankelijk van wegen, rivierovergangen en plaatselijke vertegenwoordigers. Vanuit Oldenzaal liepen verbindingen noordwaarts richting Drenthe en Groningen. Deventer vormde een belangrijk contactpunt aan de IJssel. De hoven van Essen bij Olst en Archem verbonden het Overijsselse achterland met een vrouwenstift in het Ruhrgebied. Ook Werden had belangen in Twente en verder noordelijk gelegen streken. De afzonderlijke landbouwbedrijven leverden de middelen waarmee deze instellingen konden blijven functioneren. Het beheer berustte op afspraken over opbrengsten, goederen en diensten, die niet overal op dezelfde wijze waren geregeld.
In 995 werd de voormalige graaf Ansfried bisschop van Utrecht
Ansfried, die van 995 tot 1010 bisschop van Utrecht was, had voordat hij geestelijke werd een aanzienlijke adellijke positie bekleed. Hij was verbonden geweest met de wereldlijke machtsstructuur rond het koningschap en met graafschappelijke rechten. Zijn benoeming laat zien hoe dicht de hoogste kerkelijke en adellijke kringen bij elkaar stonden. Tijdens zijn episcopaat kreeg de Utrechtse kerk rechten en goederen die in verband worden gebracht met Bommel en Arkel. Ook het gebied van Teisterbant verschijnt in de oorkondelijke overlevering. Niet alle betrokken documenten zijn echter onomstreden, zodat de precieze aard van die aanspraken afzonderlijk moet worden beoordeeld.
Op 18 december 996 werd het conflict over Elten aan het hof in Nijmegen behandeld
Adela van Hamaland verzette zich tegen de verdeling van het familievermogen tussen haarzelf, haar zuster Liutgard en het vrouwenstift Elten. Op 18 december 996 vaardigde Otto III in Nijmegen een oorkonde uit waarin de geschillen werden geregeld. In het document verschijnt ook Balderik, inmiddels de echtgenoot van Adela. De regeling betrof verschillende bezittingen en rechten, waaronder goederen in Naardingerland en Salland en rechten verbonden met de IJssel. De oorkonde is belangrijk omdat zij de familieverhoudingen, de keizerlijke bemoeienis en de economische belangen in één document bijeenbrengt. Een persoonlijke erfeniszaak was een onderwerp geworden van koninklijk ingrijpen.
De regeling van 996 maakte het belang van de Katentol aan de IJssel zichtbaar
Een opmerkelijk onderdeel van de rechten rond Elten was de Katentol, verbonden met de visserij op de IJssel. De oorkondelijke regeling uit 996 noemt deze inkomstenbron naast andere goederen en rechten. Daarmee krijgt de economische betekenis van het rivierlandschap een concreet karakter. Het ging niet alleen om akkers, hoeven en bossen, maar ook om opbrengsten die met het gebruik van water samenhingen. Visserijrechten konden van aanzienlijke waarde zijn voor een grondheer of kerkelijke instelling. De IJssel was bovendien een belangrijke verbinding tussen verschillende gebieden. De juridische controle over riviergebonden inkomsten kon daarom deel uitmaken van grotere politieke en familiale belangen.
Aan het einde van de tiende eeuw bleef Adela haar aanspraken verdedigen
Hoewel Otto III had geprobeerd het conflict over Elten te regelen, verdwenen de spanningen tussen Adela, haar familie en de kerkelijke instellingen niet volledig. Adela bezat door afkomst en huwelijk aanzienlijke aanspraken. Haar eerste echtgenoot Immed was overleden en haar huwelijk met Balderik verbond haar met een nieuwe machtsgroep. De historicus moet voorzichtig omgaan met de beschrijvingen van haar optreden. Middeleeuwse kroniekschrijvers schilderden haar vaak af als een uitzonderlijk gewelddadige vrouw. Hun verslagen zijn belangrijk, maar weerspiegelen ook politieke en morele oordelen. De oorkonden tonen vooral dat Adela zelfstandig en vasthoudend voor haar bezit opkwam.
Deel 4 — 1000–1039
De strijd om Hamaland, Adela en Balderik, de koninklijke schenkingen aan Utrecht en het ontstaan van bisschoppelijk wereldlijk gezag in Drenthe
Rond 1000 bestond Oost-Nederland uit verschillende adellijke en kerkelijke machtsgebieden
Aan het begin van de elfde eeuw vormden Drenthe, Salland, Twente, de IJsselstreek en het gebied rond Vollenhove nog geen bestuurlijke eenheid. Koningen oefenden gezag uit via graven, bisschoppen en andere aanzienlijke personen. Kloosters bezaten afzonderlijke hoeven, kerken en inkomstenrechten. Daarnaast bestonden zelfstandige grondbezitters en plaatselijke gemeenschappen met eigen gebruiken. Wie het grafelijke gezag over een streek bezat, hoefde niet automatisch eigenaar te zijn van alle boerderijen. Die verschillende rechtsverhoudingen maakten het landschap bestuurlijk ingewikkeld. De bisschop van Utrecht moest zijn rechten delen met andere machthebbers. Vooral de families in Hamaland waren in staat een zelfstandige politieke positie te verdedigen.
Rond 1000 maakten Adela en Balderik aanspraak op aanzienlijke bezittingen
Adela van Hamaland en haar echtgenoot Balderik behoorden tot de invloedrijkste personen in de politieke wereld van het oostelijke rivierengebied. Hun positie berustte op familiegoederen, huwelijksverbindingen en aanspraken op rechten die oorspronkelijk bij andere verwanten hadden gelegen. Adela had al jarenlang gestreden over de verdeling van het vermogen van haar vader Wichman IV. Balderik probeerde als edelman eveneens zijn invloed uit te breiden. Samen kwamen zij tegenover andere adellijke families en kerkelijke instellingen te staan. Zulke conflicten betroffen niet uitsluitend de eigendom van afzonderlijke landgoederen. Ook de inkomsten, de rechtspraak en de mogelijkheid om gewapende volgelingen te onderhouden stonden op het spel.
In de jaren rond 1000 groeide de betekenis van versterkte adellijke woonplaatsen
Adellijke families waren voor de bescherming van hun bezittingen mede afhankelijk van verdedigbare woonplaatsen. Een versterking kon bestaan uit een terrein met grachten, wallen, houten gebouwen en mogelijk stenen onderdelen. Zulke plaatsen boden bescherming aan bewoners, goederen en voorraden. Zij maakten ook zichtbaar wie in een streek militaire macht bezat. De burcht Uplade, verbonden met Adela en Balderik, zou in de daaropvolgende jaren een belangrijke rol spelen. Haar exacte ligging is nog onderwerp van historisch onderzoek. De gebeurtenissen rond deze burcht laten zien dat een versterking niet alleen een woonplaats was. Zij kon een politiek steunpunt worden dat vijanden wilden uitschakelen.
Omstreeks 1000 stonden op de Drentse zandgronden omvangrijke houten boerderijen
Archeologisch onderzoek maakt duidelijk dat het dagelijkse leven in Drenthe vooral draaide om de landbouw. Boeren woonden in houten gebouwen met stevige dakdragende palen. De wanden konden uit vlechtwerk en leem bestaan. Sommige boerderijen waren ongeveer twintig meter lang, andere aanzienlijk langer. Op de erven stonden opslaggebouwen, schuren en soms afzonderlijke voorzieningen voor vee. De inrichting veranderde gedurende de vroege en volle middeleeuwen. Bij opgravingen blijven vooral paalkuilen, afvalkuilen, greppels, waterputten en aardewerk achter. Daarmee kunnen archeologen reconstrueren waar mensen woonden, hoe hun gebouwen waren ingericht en hoe nederzettingen zich door de tijd verplaatsten.
Bij Gasselte ontwikkelde zich een herkenbare middeleeuwse boerderijbouw
Op de Galgenakkers bij Gasselte vonden archeologen tijdens opgravingen in de jaren 1975–1977 resten van boerderijen uit verschillende middeleeuwse perioden. De plattegronden waren deels langgerekt en bootvormig. Sommige gebouwen waren ongeveer twintig tot vierentwintig meter lang, terwijl grotere exemplaren de dertig meter konden overschrijden. De zogenaamde Gasselte-typen werden belangrijk voor het dateren van vergelijkbare boerderijen in Noord- en Oost-Nederland. Het vroege type Gasselte A kwam vanaf de negende of tiende eeuw voor. Latere typen kregen zwaardere constructies en zijruimten, die voor opslag of het houden van vee konden worden gebruikt.
Rond 1000 bleef Peelo een nederzetting van boerenerven en landbouwbedrijven
Bij Peelo, in de omgeving van Assen, zijn verschillende middeleeuwse boerderijen en erven onderzocht. Omstreeks het jaar 1000 bevonden zich hier woonstalhuizen, bijgebouwen en voorzieningen voor landbouw en opslag. De bewoners gebruikten de hogere gronden voor akkerbouw en de omgeving voor veeteelt en andere werkzaamheden. Later zou het kerkelijke grondbezit hier bijzonder belangrijk worden. Het erf Hovinge ontwikkelde zich uiteindelijk tot een omgracht complex met een grote schuur, terwijl bij het naburige Derkinge onder andere sporen van een moestuin werden ontdekt. Die latere veranderingen mogen niet allemaal rond 1000 worden gedateerd. De oudste bewoningsfase laat vooral gewone agrarische bedrijven zien.
De Bathmense Enk toont hoe boerderijen generaties lang op dezelfde gronden bleven bestaan
Tijdens archeologische onderzoeken tussen 1996 en 2003 kwamen op de Bathmense Enk sporen van middeleeuwse boerenerven aan het licht. Sommige locaties bleven lange tijd bewoond, ook wanneer de oorspronkelijke gebouwen verdwenen. Boerderijen konden naast hun voorgangers worden herbouwd en de inrichting van een erf kon geleidelijk veranderen. Greppels, waterputten, kuilen en bijgebouwen geven inzicht in deze ontwikkelingen. Ook sieraden en gebruiksvoorwerpen kwamen uit de bodem tevoorschijn. Zulke vondsten zijn belangrijk voor de geschiedenis van Salland omdat zij een beeld geven van bewoning die in de schriftelijke bronnen nauwelijks voorkomt. Veel bewoners bleven naamloos, hoewel hun huizen soms eeuwenlang een herkenbare plaats innamen.
Rond 1000 stonden Zutphen en Deventer in verbinding met het Rijnland
De ligging aan de IJssel gaf Zutphen en Deventer een bijzondere economische en politieke betekenis. Via de rivier konden mensen en goederen reizen tussen het Rijnland, de Veluwe, Salland en noordelijker gelegen streken. Zutphen bezat al uit de vroege middeleeuwen een versterkte nederzetting. Deventer ontwikkelde zich verder als kerkelijk en economisch centrum. Hier ontmoetten handelaren, geestelijken, ambachtslieden en reizigers elkaar. De rivier vormde geen grens die gebieden uitsluitend van elkaar scheidde. Zij was ook een verbinding waarlangs bestuurders berichten konden verzenden, goederen werden vervoerd en kerkelijke instellingen contact onderhielden met hun verspreide bezittingen.
De oude waterwegen verbonden Utrecht met het noordelijke achterland
Vanuit Utrecht bood de Vecht een verbinding met het Almere, het grote binnenwater dat aan de latere Zuiderzee voorafging. De IJssel was een belangrijke route richting Deventer en de noordelijke riviergebieden. Verder stroomafwaarts lagen verbindingen met de mondingen van kleinere rivieren en beken. De Overijsselse Vecht ontsloot Ommen en het oostelijke achterland. In Noordwest-Overijssel lagen de Sethe, Steenwijker Aa, Linde en Kuinder. Deze waterlopen waren belangrijk voor de bereikbaarheid van natte landschappen. Niet alle mogelijke waterverbindingen zijn als vaste handelsroutes aangetoond. Wel maakten de rivieren duidelijk waarom bezit langs het water economisch en bestuurlijk aantrekkelijk kon zijn.
In 1002 werd Hendrik II koning en veranderde de politieke situatie opnieuw
Na de dood van Otto III in 1002 kwam Hendrik II aan het hoofd van het Oost-Frankse koningschap. Hij moest zijn positie tegenover verschillende hertogen, graven en andere rijksgroten verdedigen. De wisseling van koning kon gevolgen hebben voor families die eerder gunstige afspraken met het hof hadden gemaakt. Ook de aanspraken van Adela en Balderik bleven onderwerp van conflicten. Het koningschap had belang bij vrede tussen de aanzienlijke families, maar was afhankelijk van hun medewerking. De Utrechtse bisschop vormde een belangrijke bondgenoot van het centrale gezag. In de daaropvolgende jaren zou Hendrik II de positie van de Utrechtse kerk steeds nadrukkelijker versterken.
In 1010 werd Adelbold II bisschop van Utrecht
Adelbold II, ook Adalbold genoemd, bestuurde Utrecht van 1010 tot 1026. Hij behoorde tot de geleerdste geestelijken van zijn tijd. Zijn opleiding stond in verband met de kerkelijke scholen van Luik en Lobbes, waar veel aandacht werd besteed aan Latijn, theologie en andere wetenschappen. Adelbold hield zich bezig met filosofische en literaire vraagstukken en bezat contacten met het koningschap. Als bisschop moest hij echter ook optreden in politieke conflicten. Hij raakte betrokken bij de strijd tussen regionale adellijke families en bij de verdediging van Utrechtse rechten tegenover de graven in het westelijke rivierengebied. Geestelijke geleerdheid en politieke machtsuitoefening kwamen zo in één persoon samen.
In 1016 leidde de moord op graaf Wichman tot een nieuwe adellijke strijd
In oktober 1016 werd graaf Wichman III, verbonden met Vreden, op gewelddadige wijze gedood. Hij was betrokken geraakt bij de conflicten rond Adela en Balderik. Middeleeuwse kroniekschrijvers brachten zijn dood in verband met het echtpaar. Volgens de overlevering werd Wichman na een bezoek aan de omgeving van Uplade overvallen en vermoord. De verdenkingen tegen Adela waren ernstig, maar de beschuldigingen komen uit bronnen die niet onafhankelijk van de politieke strijd waren. De dood van een vooraanstaande graaf kon een uitgebreide wraakactie uitlokken. Verwanten en bondgenoten beschikten over eigen gewapende volgelingen en konden andere aanzienlijke families om steun vragen.
Na de moord van 1016 werd de burcht Uplade belegerd en verwoest
De moord op Wichman bracht de tegenstanders van Adela en Balderik bijeen. De burcht Uplade werd belegerd door een coalitie van aanzienlijke machthebbers. Volgens de kroniektraditie ontvluchtte Balderik de versterking, terwijl Adela betrokken bleef bij de verdediging. Uiteindelijk werd een regeling voor haar aftocht getroffen en werd de burcht verwoest. De precieze opeenvolging van de gebeurtenissen wordt in historische publicaties verschillend weergegeven, maar de verwoesting volgde op de moord van 1016. Uplade verdween daarmee als bruikbaar machtscentrum. Het verlies had ingrijpende gevolgen voor de militaire en politieke positie van de familie. De exacte ligging van de versterking blijft onzeker.
In 1017 werd de Utrechtse Sint-Maartenskerk door brand beschadigd
De Utrechtse dom werd in 1017 door brand getroffen. Voor Adelbold betekende dit dat hij aandacht moest besteden aan herstel en uitbreiding van het kerkgebouw. De schade was ernstig genoeg om in de historische overlevering te worden vermeld, maar over de werkelijke omvang bestaat discussie. Bouwhistorici hebben erop gewezen dat de kerk al in 1023 opnieuw plechtig kon worden gewijd. Dat kan betekenen dat niet het hele gebouw volledig verwoest was. De werkzaamheden vroegen hoe dan ook om bouwmaterialen, gespecialiseerde arbeiders en aanzienlijke financiële middelen. De herbouw maakte de bestuurlijke en religieuze betekenis van Utrecht opnieuw zichtbaar.
In 1018 verloor Balderik zijn positie tegenover het koninklijke gezag
De conflicten rond Adela en Balderik werden uiteindelijk ook op koninklijk niveau behandeld. In 1018 moest Balderik zich tijdens een rijksbijeenkomst in Nijmegen tegenover Hendrik II verantwoorden. De gebeurtenissen rond de moord op Wichman en de gewapende strijd hadden zijn aanzien ernstig geschaad. De overlevering beschrijft verschillende fasen van verwijdering en toenadering tussen Balderik en het hof. Zijn vroegere machtspositie werd echter niet hersteld. De strijd laat zien hoe een adellijke familie door erfenissen en huwelijken kon opklimmen, maar ook hoe snel die positie door geweld en het verlies van koninklijke steun kon verdwijnen.
Op 29 juli 1018 werd een koninklijk leger bij Vlaardingen verslagen
In hetzelfde jaar vond een belangrijke strijd plaats in het westelijke rivierengebied. Graaf Dirk III had daar een machtspositie opgebouwd die de belangen van de koning en de Utrechtse bisschop raakte. Een koninklijk leger trok tegen hem op, maar werd bij Vlaardingen verslagen. De nederlaag maakte duidelijk dat Hendrik II zijn rechten niet overal zonder plaatselijke steun kon handhaven. Ook de Utrechtse kerk kon haar aanspraken niet uitsluitend met koninklijke oorkonden beschermen. Regionale graven beschikten over gewapende mannen en konden gebruikmaken van hun kennis van het terrein. De slag behoort daarmee tot dezelfde politieke ontwikkeling als de conflicten rond Hamaland en Drenthe.
In de eerste decennia van de elfde eeuw kreeg Hohorst een belangrijke kloosterfunctie
Bisschop Ansfried had eerder een religieuze gemeenschap gesticht op de Hohorst, bij het latere Amersfoort. Deze stichting ontwikkelde zich tot een belangrijke kloosterinstelling en vormde een voorganger van de Sint-Paulusabdij in Utrecht. Het klooster ontving bezittingen uit verschillende streken. Daarmee werd opnieuw zichtbaar hoe kerkelijke instellingen door schenkingen een economische basis kregen. Ook Adelbold droeg aan deze bezitsvorming bij. De inkomsten kwamen uit hoeven en andere goederen die niet noodzakelijk bij het klooster zelf lagen. Plaatselijke boeren vormden de economische grondslag van de gemeenschap. De latere oorkonde van 1028 bevestigt een deel van deze oudere schenkingen.
Op 26 juni 1023 werd de vernieuwde Utrechtse dom plechtig gewijd
Op 26 juni 1023 vond de wijding plaats van de onder Adelbold vernieuwde Sint-Maartensdom. Koning Hendrik II was daarbij aanwezig, evenals twaalf bisschoppen uit het rijk. De plechtigheid onderstreepte de nauwe verhouding tussen het koningschap en de Utrechtse kerk. De nieuwe of ingrijpend vernieuwde romaanse dom was een zichtbaar teken van bisschoppelijke macht. De aanwezigheid van zoveel hoge geestelijken maakte de gebeurtenis bovendien belangrijk buiten Utrecht. Kerkbouw, politieke steun en religieuze vertegenwoordiging waren nauw verbonden. De plechtigheid werd later zelfs genoemd in de koninklijke schenkingsdocumenten voor Utrecht. Daarmee kreeg de bouwgeschiedenis van de dom ook een plaats in de rechtsgeschiedenis.
Op 3 januari 1024 schonk Hendrik II het graafschap Drenthe aan Utrecht
Een van de belangrijkste gebeurtenissen in de ontwikkeling van het latere Oversticht vond plaats op 3 januari 1024. Koning Hendrik II schonk toen het graafschap Drenthe aan de Utrechtse kerk onder bisschop Adelbold II. Daarmee kreeg de bisschop voor het eerst formeel grafelijke macht binnen zijn bisdom. Het ging niet om de eigendom van alle afzonderlijke boerderijen, maar om openbare bevoegdheden die met het graafschap verbonden waren. De graaf kwam in een leenrechtelijke verhouding tot de bisschop te staan. De rechtshandeling vormde een beslissende stap in de ontwikkeling van Utrecht van een hoofdzakelijk kerkelijk machtscentrum naar een instelling met omvangrijke wereldlijke bevoegdheden.
De schenking van Drenthe in 1024 veranderde de rechtsverhoudingen
De betekenis van de schenking lag vooral in de vraag wie bevoegd was het grafelijke gezag uit te oefenen. De bisschop kreeg een positie boven de bestaande grafelijke machtsstructuur. Dat betekende niet dat de Drentse bevolking onmiddellijk rechtstreeks vanuit Utrecht werd bestuurd. De afstanden waren groot en plaatselijke gemeenschappen bleven hun eigen gebruiken behouden. Bestuurders moesten de nieuwe rechten erkennen en uitvoeren. Daarbij ontstond ruimte voor vertegenwoordigers die namens de bisschop handelden. Het onderscheid tussen grafelijke macht en grondeigendom bleef van belang. Een onafhankelijke grondbezitter kon zijn bezit behouden, terwijl bepaalde bestuurlijke of rechterlijke bevoegdheden voortaan onder de bisschop vielen.
In 1024 overleed Hendrik II en volgde Koenraad II hem op
De dood van Hendrik II in juli 1024 bracht opnieuw een verandering in het koningschap. Koenraad II werd op 8 september van dat jaar in Mainz tot koning gekroond. Hij moest de verhoudingen met de bisschoppen en wereldlijke machthebbers opnieuw bevestigen. Voor Utrecht was dat belangrijk omdat Hendrik II kort daarvoor het graafschap Drenthe had geschonken. Zonder erkenning door zijn opvolger zouden bestaande aanspraken opnieuw ter discussie kunnen komen te staan. Adelbold bleef daarom nauw betrokken bij de koninklijke politiek. In de daaropvolgende jaren zou Koenraad verschillende rechten van de Utrechtse kerk bevestigen en uitbreiden.
Op 26 juli 1025 bevestigde Koenraad II de rechten van Utrecht
Op 26 juli 1025 vaardigde Koenraad II tijdens een hofdag in Tribur aan de Rijn drie oorkonden voor de Utrechtse kerk uit. Zij bevestigden eerdere gunsten van Hendrik II, waaronder de schenking van Drenthe. Adelbold was bij de hofdag aanwezig. De documenten kwamen mede tot stand op voorspraak van koningin Gisela van Zwaben en aartsbisschop Aribo van Mainz. Ook de aartsbisschop van Keulen had zich voor de bevestigingen ingezet. De aanwezigheid van deze personen toont hoe belangrijke kerkelijke rechten via het koninklijke hof werden beschermd. Voor Utrecht betekende het dat de aanspraken uit 1024 ook onder de nieuwe koning erkend bleven.
Van de oorkonde uit 1025 bleef een uitzonderlijk oud origineel fragment bestaan
De bevestiging van 1025 is niet uitsluitend bekend uit latere afschriften. In Het Utrechts Archief wordt een fragment bewaard van een oorspronkelijke koninklijke oorkonde uit dat jaar. Het document is beschadigd, maar de overgebleven tekst maakte het mogelijk de inhoud met behulp van latere afschriften te reconstrueren. Het oorspronkelijke stuk was vermoedelijk veel breder en droeg een koninklijk zegel. Onderzoek door Kaj van Vliet laat zien hoe het fragment kan worden vergeleken met andere stukken die dezelfde koninklijke schrijver vervaardigde. Daarmee krijgen historici niet alleen toegang tot de rechtshandeling, maar ook tot de wijze waarop het koninklijke bestuur zijn besluiten schriftelijk vastlegde.
Op 14 juni 1026 ontving Utrecht grafelijke rechten in Teisterbant
Koenraad II breidde de bisschoppelijke rechten in 1026 verder uit. Op 14 juni schonk hij de Utrechtse kerk grafelijke bevoegdheden in Teisterbant, een gebied in het rivierenland dat onder meer met de omgeving van Tiel verbonden was. Dit betekende een nieuwe versterking van de wereldlijke positie van de bisschop. Drenthe en Teisterbant lagen ver van elkaar, maar konden beide onderdeel worden van het netwerk van grafelijke rechten dat Utrecht beheerste. De schenking bewijst dat de koninklijke politiek niet uitsluitend op Oost-Nederland was gericht. In verschillende delen van het rijk konden bisschoppen bevoegdheden ontvangen die eerder bij grafelijke machthebbers hadden gelegen.
In november 1026 overleed Adelbold II na een bewogen episcopaat
Adelbold overleed op 27 november 1026. Zijn ambtsperiode was gekenmerkt door geleerdheid, kerkbouw en een sterke betrokkenheid bij politieke ontwikkelingen. Hij had de Utrechtse dom vernieuwd, contacten met het koninklijke hof onderhouden en deelgenomen aan conflicten waarin de belangen van Utrecht werden verdedigd. Onder zijn bestuur kreeg de bisschoppelijke kerk grafelijke rechten in Drenthe en Teisterbant. Daarmee was haar wereldlijke positie aanzienlijk veranderd. De bisschop was niet langer uitsluitend een religieuze bestuurder met verspreide bezittingen en inkomsten. Hij beschikte ook over rechten die hem een formele positie gaven in het bestuur van gebieden ver buiten de bisschopsstad.
In 1027 begon Bernold aan de verdere versterking van de Utrechtse kerk
Na Adelbold kwam Bernold, ook Bernulf genoemd, aan het hoofd van het bisdom. Zijn regering wordt doorgaans van 1027 tot 1054 gedateerd. Bernold had nauwe betrekkingen met het koningschap en zou in de daaropvolgende decennia belangrijke schenkingen ontvangen. Hij bevorderde de bouw van kerken en de ontwikkeling van kapittels. Voor Drenthe, Salland en het IJsselgebied betekende zijn episcopaat dat de eerder verworven wereldlijke rechten verder konden worden uitgebouwd. De bisschop moest echter rekening houden met bestaande plaatselijke machthebbers. De koninklijke aanspraken moesten in de praktijk worden omgezet in bestuur, inkomsten en daadwerkelijke invloed op de betrokken gebieden.
In 1028 werden oudere schenkingen aan het klooster Hohorst bevestigd
Koenraad II bevestigde in 1028 bezittingen die eerder aan de kloostergemeenschap van Hohorst waren gegeven. Deze goederen kwamen onder meer uit schenkingen van de Utrechtse bisschoppen Ansfried en Adelbold. In de historische studie van D.P. Blok wordt ook aandacht besteed aan drie hoeven die door een graaf Diederik als genoegdoening waren overgedragen, en aan goederen die met gravin Azala verbonden waren. De identificatie van deze personen met leden van de Hamalandse familie blijft onderdeel van historisch onderzoek. De bevestiging maakt in ieder geval duidelijk dat het klooster rechten op goederen bezat die uit verschillende familiale en kerkelijke overdrachten afkomstig waren.
Na 1028 bleef Drenthe afhankelijk van plaatselijke vertegenwoordigers en bestaande rechtsgewoonten
Hoewel de bisschop het graafschap Drenthe had ontvangen, bestond er nog geen modern bestuursapparaat dat rechtstreeks vanuit Utrecht iedere nederzetting beheerste. De bewoners leefden in dorpsgemeenschappen met eigen bezitsverhoudingen en gebruiken. Kerkelijke gebieden werden later als kerspelen aangeduid, terwijl de dingspelen betekenis kregen voor bestuur en rechtspraak. Volgens de Encyclopedie Drenthe kwam de bisschop in een oudere bestuursfase zelf periodiek naar Drenthe om recht te spreken. Later werd een groter deel van die taak door vertegenwoordigers uitgevoerd. Deze ontwikkelingen kunnen niet allemaal precies aan 1024 worden verbonden. De formele schenking was het begin van een langduriger proces.
De bisschop kreeg invloed op Drenthe zonder eigenaar van alle grond te worden
Het onderscheid tussen wereldlijke rechtsmacht en privaat grondbezit was van grote betekenis voor de Drentse bevolking. Een kerkelijke instelling kon tienden ontvangen zonder de bijbehorende akkers te bezitten. Een adellijke familie kon een hof beheren terwijl de grafelijke rechtspraak onder een andere machthebber viel. Daarnaast bestonden vrije boeren en afhankelijke landbouwers met uiteenlopende verplichtingen. Door de schenking van het graafschap veranderde de hoogste rechtsverhouding, maar niet noodzakelijk de eigenaar van ieder erf. De latere schenkingen van Uffelte, Wittelte en Peelo laten zien dat Utrecht zijn juridische positie ook met concrete bezittingen probeerde te ondersteunen. Die overdrachten behoren tot de gebeurtenissen vanaf 1040.
In 1036 verschijnt Delden als Theldun in de historische bronnen
Een goederenlijst uit 1036 noemt Delden onder de naam Theldun. De vermelding houdt verband met goederen die bisschop Meinwerk van Paderborn aan het door hem gestichte klooster Busdorf schonk. Daarmee verschijnt een Twentse nederzetting in de administratie van een kerkelijke instelling buiten het Utrechtse bisdom. De plaats was in 1036 niet noodzakelijk nieuw. De schriftelijke vermelding toont vooral dat daar goederen bestonden die bij een schenking konden worden overgedragen. In 1119 verschijnt de naam als Thelden en in 1188 als Delden. De oudste vermelding vormt daarmee een belangrijk aanknopingspunt voor de nederzettingsgeschiedenis van Zuidwest-Twente.
De vermelding van Delden laat de invloed van Paderborn in Twente zien
Het optreden van Meinwerk van Paderborn toont dat Oost-Nederlandse grondbezittingen niet uitsluitend tussen Utrecht, Werden, Essen en plaatselijke edelen werden verdeeld. Ook andere kerkelijke instellingen bezaten goederen en inkomsten in het gebied. De bisschop van Paderborn kon een klooster in zijn eigen omgeving versterken door rechten op verder weg gelegen landbouwbedrijven over te dragen. Voor de bewoners betekende zo'n schenking niet noodzakelijk een verhuizing of verandering van landbouwbedrijf. Wel konden de verschuldigde opbrengsten voortaan aan een andere instelling toekomen. De afstand tussen grondbezitter en gebruiker was in het middeleeuwse landgoederenstelsel daarom geen uitzonderlijke situatie.
In de jaren 1030 ontwikkelde de Utrechtse bisschoppelijke burcht zich verder
Onder Adelbold en Bernold veranderde de bebouwing van het Utrechtse Domplein. De romaanse dom vormde het religieuze middelpunt, terwijl er ook bisschoppelijke en koninklijke verblijfsgebouwen waren. De ontwikkeling van het latere paleis Lofen wordt met deze bouwgeschiedenis verbonden. Volgens de reconstructie van de gemeente Utrecht waren omstreeks 1040 zowel het verblijf voor de bisschop als het koninklijke paleis onderdeel van het complex. De versterkte omgeving van het Domplein maakte zichtbaar hoe geestelijke en wereldlijke macht elkaar in Utrecht raakten. Ook vertegenwoordigers van de koning konden hier verblijven. De bebouwing vormde de bestuurlijke achtergrond voor de rechten die Utrecht inmiddels in andere streken bezat.
In 1039 overleed Koenraad II en kwam Hendrik III aan de macht
Toen Koenraad II in 1039 overleed, volgde zijn zoon Hendrik III hem op. De Utrechtse bisschop Bernold kreeg daardoor te maken met een nieuwe koning, die de positie van de kerk in de noordelijke gebieden verder zou versterken. Op dat moment bezat Utrecht al grafelijke rechten in Drenthe en Teisterbant en oudere goederen en privileges in verschillende andere streken. De uitbreiding van deze rechten had echter nog niet geleid tot volledig territoriaal gezag. Plaatselijke machthebbers, vrije grondbezitters, kloosters en bestaande bestuursstructuren bleven belangrijk. Onder Hendrik III volgden vanaf 1040 nieuwe schenkingen, waaronder bezittingen in Groningen, Uffelte, Wittelte en Peelo.
Tussen Utrecht en Münster (925–1165) — Koningen, bisschoppen, graven en de strijd om het land
Deel 5 — 1040–1048
De koninklijke schenkingen aan Utrecht, Uffo en zijn broers, Groningen, Deventer, Drenthe en de hof van Uffelte
In 1040 zette Hendrik III de uitbreiding van de Utrechtse macht voort
Na de dood van Koenraad II in 1039 nam Hendrik III het koningschap over. De Utrechtse bisschop Bernold beschikte toen al over grafelijke aanspraken in Drenthe, maar moest die in het noorden nog laten gelden. De nieuwe koning kon zijn kerkelijke bondgenoot versterken door afzonderlijke landgoederen en rechten over te dragen. De reeks oorkonden uit de jaren 1040 is daarom geen beschrijving van één plotseling ontstaan bisdomsland. Zij toont hoe het koningschap verschillende vormen van gezag uit elkaar kon halen: bezit van een hof, inkomsten uit grond, rechten op een stad en grafelijke bevoegdheden in een groter gebied.
Op 21 mei 1040 werden goederen van Uffo en zijn broers geconfisqueerd
In een rechtshandeling van 21 mei 1040 droeg Hendrik III bezittingen in het Drentse gebied over aan bisschop Bernold. De goederen hadden aan Uffo en zijn broers toebehoord. Volgens de overlevering waren zij wegens een ernstig vergrijp hun bezit kwijtgeraakt, maar de oorkonde beschrijft de precieze daad niet. Historisch is dat een belangrijk verschil: het bewijs betreft de ontneming en schenking, niet de aard van een misdrijf. De genoemde bezittingen lagen onder meer bij Uffelte, Wittelte en Peelo. Hun bewoners verdwenen niet door het besluit; vooral de juridische verhouding tot de grondheer veranderde.
De namen Uffelte, Wittelte en Peelo kwamen daarmee scherp in beeld
De vroege documentatie laat drie Drentse plaatsen zien die ieder in een eigen agrarische omgeving lagen. Uffelte en Wittelte lagen in het westelijke deel van Drenthe, waar landbouwgronden, bossen en wegen richting Diever en Steenwijk elkaar afwisselden. Peelo bevond zich op de noordelijke zandgronden bij het latere Assen. De tekst van 1040 zegt niet hoeveel boerengezinnen er op ieder erf woonden, hoeveel akkers er waren of welke gebouwen precies bij het bezit hoorden. Juist daarom moet een vroege oorkondelijke vermelding onderscheiden worden van de latere beschrijving van een volledig ontwikkeld hofstelsel.
In 1040 kreeg Utrecht ook belangen bij de nederzetting Groningen
De koning droeg eveneens goederen over die betrekking hadden op Groningen, in de bronnen aangeduid als Cruoninga of vergelijkbare oude vormen. De nederzetting lag op de noordelijke uitloper van de Hondsrug, tussen de zandgronden van Drenthe en het lagere kustland. De aanduiding villa wijst in deze context op een nederzetting of bezitscomplex; ze maakt Groningen niet automatisch tot een stad in de latere betekenis. Het bezit gaf de Utrechtse kerk een steunpunt aan een belangrijke overgang in het landschap. Maar andere grondheren, bewoners en geestelijke instellingen bleven daarnaast eigen aanspraken en belangen houden.
Lenverding en Eyen laten zien hoe verspreid de koninklijke goederen lagen
De overdrachten van 1040 noemen behalve bekende plaatsen ook goederen waarvan de oude namen als Lenverding en Eyen zijn overgeleverd. De precieze identificatie van zulke namen vergt controle van de oorspronkelijke tekst en de geografische context. Zij mogen niet zonder bewijs met een modern dorp worden vereenzelvigd. Het gegeven is wel belangrijk: de schenking was niet beperkt tot één compacte bezitting bij Groningen of Uffelte. Het koningschap beschikte over uiteenlopende eigendommen en rechten, die vanuit verschillende historische omstandigheden waren ontstaan. Bernold verwierf daardoor een netwerk van inkomstenbronnen, geen vanzelfsprekend aaneengesloten en uniform bestuurd territorium.
Groningen hoorde in de oorkondelijke wereld nauw bij Drenthe
Tegenwoordig worden Drenthe en Groningen als afzonderlijke provincies beschouwd. Voor de elfde eeuw kan die scheiding misleidend zijn. Het gebied rond Groningen was via de Hondsrug, de Rolderrug en de Hunze verbonden met de Drentse zandgebieden. Schriftelijke bronnen plaatsen Groningen bovendien in een bestuurlijke context waarin Drenthe voorkomt. Dat verklaart waarom goederen in Groningen en Drentse plaatsen in dezelfde schenkingsgeschiedenis verschijnen. Het zegt echter niet welke weg een Utrechtse bode precies nam. De feitelijke verbindingen moeten worden afgeleid uit terrein, oude oversteekplaatsen, nederzettingen en afzonderlijk bewijs voor verkeer tussen de genoemde centra.
In 1042 werd het graafschap Umbalaho in verband met Utrecht gebracht
Een volgende koninklijke overdracht uit 1042 noemt Agridiogen of Umbalahe, een naam die door oudere historici met het ommeland van Vollenhove in verband wordt gebracht. Deze identificatie is belangrijk, maar niet onomstreden. Zij mag dus niet worden gepresenteerd alsof de grenzen van een graafschap Vollenhove volledig bekend zijn. Wanneer de verklaring juist is, breidden de Utrechtse aanspraken zich uit over het gebied rond de hogere gronden van Vollenhove. In elk geval laat het document zien dat er naast het oudere koninklijke woudrecht van 944 nieuwe vormen van grafelijke en economische macht in het noordwesten van Overijssel werden besproken.
De rechten van 944 en de schenking van 1042 waren verschillend
De vermelding van Fulnaho in 944 betrof in de eerste plaats koninklijk woudrecht, met bijzondere bevoegdheden ten aanzien van de jacht en het gebruik van het bosgebied. Een graafschap of ander openbaar rechtsgebied in 1042 was juridisch iets anders. Beide documenten kunnen bij hetzelfde landschap horen zonder dezelfde goederen, personen of bevoegdheden te beschrijven. Dat onderscheid is nodig bij het reconstrueren van de ontwikkeling van Vollenhove. Zelfs wanneer de Utrechtse bisschop meer rechten verwierf, bezat hij daardoor niet automatisch alle afzonderlijke erven. Evenmin is uit deze oorkonden de aanwezigheid van een bisschoppelijk kasteel vóór het midden van de twaalfde eeuw af te leiden.
De koning gebruikte schenkingen ook in een strijd met regionale hertogen
De uitbreiding van Utrecht stond niet los van de grote machtsstrijd in het rijk. Hendrik III kreeg te maken met tegenstand van hertog Godfried met de Baard en andere leden van de Lotharingse adel. Het koningschap kon een trouwe bisschop versterken om het overwicht van zulke vorsten te beperken. Een schenking van grafelijke rechten had daardoor een dubbel doel: zij schonk de kerk inkomsten en bestuursmacht, maar schiep tegelijk een bondgenoot van de koning. In het oostelijke rivierengebied speelde deze politiek een bijzondere rol. Het ging daar niet alleen om landerijen, maar ook om versterkte plaatsen, wegen en de mogelijkheid om recht te spreken.
Op 22 mei 1046 werden de grafelijke rechten in Drenthe opnieuw geregeld
De schenking van Drenthe in 1024 had de Utrechtse bisschop al een juridische grondslag gegeven. De politieke uitvoering ervan bleef evenwel ingewikkeld door de rechten van andere machthebbers. In 1046 volgde onder Hendrik III een nieuwe koninklijke regeling met betrekking tot het graafschap. In oudere historische werken wordt hiervoor 22 mei 1046 genoemd. Deze latere regeling moet niet als bewijs worden opgevat dat er in 1024 helemaal niets was geschonken. Eerder blijkt dat koninklijke toekenning, het houden van een ambt en de praktische aanvaarding door plaatselijke machthebbers uiteen konden lopen. De opeenvolging van akten vormt juist het bewijs van die ingewikkeldheid.
Op 23 augustus 1046 ontving Utrecht de koninklijke rechten in Deventer
De schenking van 23 augustus 1046 behoort tot de belangrijkste oorkonden voor het Oversticht. Hendrik III droeg aan de Utrechtse kerk over wat het koningschap in Deventer aan eigendom, munt, tol, rechtspraak en andere inkomsten bezat. Bernold kreeg bovendien rechten in een graafschap in Hamaland, aan weerszijden van de IJssel. Voor een plaats waar al veel verkeer en handel plaatsvond, waren munt en tol bijzonder waardevol. De bisschop werd daardoor niet alleen een geestelijk leider, maar ook houder van economische en openbare bevoegdheden. Het precieze onderscheid tussen al deze rechten blijft per onderdeel van de tekst van belang.
De Hamalandse oorkonde legde een reeks grenspunten vast
Het document uit augustus 1046 beschreef de omvang van het betreffende graafschap aan de hand van oude namen. Daaronder bevonden zich Rathnon, Hunne, Weghestapelon, Westerfle, Agastaldaburg en Stenere, gevolgd door punten aan de andere zijde van de IJssel zoals Lovenen, Eerbeke, Suthempe en Ascete. Historici hebben deze plaatsen onder meer verbonden met Rande, Hunne bij Olst, de omgeving van Dijkerhoek, Westerflier, Steenderen, Loenen, Eerbeek en het Zutphense achterland. Niet elke identificatie is even zeker. De opsomming toont dat de koning een begrensd rechtsgebied bedoelde en dat de IJssel niet eenvoudig de buitenrand van dat gebied vormde.
Deventer groeide door muntrecht, tol en rechtspraak als machtscentrum
Deventer had al lang een bijzondere plaats in het kerkelijke en commerciële netwerk van de IJssel. Het verkrijgen van munt- en tolrechten in 1046 maakte het voor de Utrechtse bisschop aantrekkelijker om er bestuurlijke belangen te beschermen. Muntrecht gaf toegang tot een economische functie die in een handelsplaats zwaar kon wegen. Tolrecht kon inkomsten verschaffen uit bepaalde vormen van verkeer en goederenvervoer. Rechtsmacht bood mogelijkheden om conflicten te behandelen en regels te handhaven. Dat betekende niet dat iedere Deventenaar in het dagelijks leven rechtstreeks met de bisschop te maken kreeg. Plaatselijke geestelijken, kooplieden, bestuurders en grondbezitters bleven bestaan.
De goederen in Salland bestonden uit vele kleine bezitscomplexen
Niet alleen Deventer zelf telde. De bronnen noemen ook oude goederen en nederzettingen in de omgeving, waaronder Borgelo, Bergelo, Bursen, Sinderen en Hunderen. Van sommige namen staat de ligging niet volledig vast. Hun belang ligt in de verspreiding van rechten over het achterland. Het kon gaan om een afzonderlijke akker, inkomsten uit een hoeve, een oud hof of andere aanspraken. Het ontstaan van bisschoppelijke macht moet daarom niet uitsluitend worden beschreven als een reeks nieuwe graafschappen. Een groot deel van het vermogen bestond uit afzonderlijke goederen en inkomsten die door lokale bewoners werden voortgebracht, vaak al generaties vóór de schenking.
In 1046 stonden de IJssel en Drenthe binnen één bestuurlijk netwerk
Door rechten bij Deventer en in Drenthe samen te bekijken, wordt zichtbaar waarom het verkeer over land en water zo belangrijk was. De IJssel gaf toegang tot een aantal belangrijke nederzettingen en bood aansluiting op Salland. Verder noordelijk moesten reizigers door zandgebieden, beekdalen en venen trekken. Het beheer van grondbezit vereiste brieven, bezoeken, vertegenwoordigers en soms het vervoer van goederen. De bestaande lokale machtsstructuren verdwenen niet door een oorkonde. Juist hun aanwezigheid bepaalde hoe uitvoerbaar een koninklijke schenking was. De bisschop had beheerders nodig die bekend waren met de inwoners, rechten en wegen van hun streek.
In 1048 kreeg het kapittel van Sint-Pieter de hof van Uffelte
Bisschop Bernold schonk in 1048 de hof van Uffelte aan het Utrechtse kapittel van Sint-Pieter. Daardoor werden inkomsten uit een Drents landbouwcomplex bestemd voor de geestelijken van een kapittelkerk ver buiten hun eigen woongebied. Het woord hof kan hier meer omvatten dan een enkel woonhuis: doorgaans ging het om een beheerseenheid met akkers, omliggende erven en financiële of agrarische verplichtingen. De schenking vormt een vast historisch aanknopingspunt. Hoeveel gebouwen Uffelte toen bezat en op welke manier elke verplichting werd geïnd, valt uit het schenkingsjaar alleen niet vast te stellen.
De latere voorraadschuren van Uffelte verklaren de economische functie
In latere documenten verschijnt Uffelte als hoofdhof met voorraadschuren waar landbouwproducten werden samengebracht. De boeren die tot het goederencomplex behoorden konden graan leveren en diensten verrichten. Omstreeks 1300 wordt in de kapitteladministratie nauwkeuriger beschreven wat van horigen werd verwacht. Bij een bezoek van de proost moesten zij onder meer voor paard en proviand zorgen. Deze gegevens verklaren hoe het systeem uiteindelijk werkte. Ze mogen niet zonder meer als letterlijke beschrijving van 1048 worden gebruikt. Voor de elfde eeuw toont de schenking vooral dat Drentse landbouwinkomsten beschikbaar werden gesteld aan het Utrechtse kerkelijke leven.
Ook Wittelte bleef binnen het grotere kerkelijke goederenverband
Wittelte wordt in de vroegste documenten onder een vorm als Withelte genoemd. Het dorp lag nabij Uffelte en Diever, tussen akkers, bossen en hogere zandgronden. Een bezitting in zo'n kleinere nederzetting kon onderdeel zijn van een beheer dat elders was gecentraliseerd. Later waren er pachtbetalingen en leveringen die via hoven of voorraadplaatsen werden geregeld. De ontwikkeling van Uffelte en Wittelte laat zien dat grotere kerkelijke instellingen niet uitsluitend rechtstreeks rondom hun eigen gebouwen grond bezaten. Verspreide erven konden samen de inkomsten van een kapittel ondersteunen. Voor 1040–1048 zijn het exacte aantal boeren en de omvang van ieder goed nog onbekend.
Bij Peelo ontstond later een uitzonderlijk herkenbaar hofstelsel
De bezittingen bij Peelo werden in de elfde eeuw verbonden met de groeiende Utrechtse kerkelijke macht. Archeologisch onderzoek toont hoe daar oudere boerenerven later in grotere beheerseenheden opgingen. Het erf Hovinge besloeg uiteindelijk meer dan een hectare en werd door een brede greppel omgeven. Een grote schuur kan zijn gebruikt om opbrengsten uit meerdere hoeven op te slaan. Bij het naburige Derkinge ontbrak een vergelijkbare oogstschuur, maar waren wel aanwijzingen voor een moestuin. Deze resultaten tonen de latere praktische uitwerking van bezit en beheer; zij bewijzen niet dat Hovinge direct in 1040 al zijn bekende omvang had.
Deel 6 — 1049–1075
Bernold, Willem I, bisschoppelijke kapittels, Drentse hoven, kerkbouw en verbindingen door het Oversticht
In 1049 nam bisschop Bernold deel aan een hervormingsvergadering in Mainz
Bernold was niet uitsluitend bestuurder van verre goederen en grafelijke rechten. In 1049 nam hij deel aan een grote kerkvergadering in Mainz, waar paus Leo IX en keizer Hendrik III aanwezig waren. Daar kwamen vragen aan de orde over kerkelijke ambten, het kopen van geestelijke functies en het gedrag van geestelijken. Deze bijeenkomst laat zien dat de ontwikkeling van Utrecht ook in een bredere hervormingsbeweging stond. Dezelfde bisschop die rechten in Drenthe en Deventer beheerde, hoorde tot de kring van geestelijke leiders die veranderingen binnen de kerk bespraken. Kerkpolitiek en wereldlijke belangen bestonden in de praktijk naast elkaar.
Bernold versterkte de Utrechtse kapittels met grondbezit en inkomsten
Tijdens Bernolds bestuur werden Utrechtse kerkelijke instellingen uitgebouwd. Vooral Sint-Pieter en Sint-Jan zijn verbonden met zijn naam, naast de ontwikkeling van oudere religieuze gemeenschappen. Kanunniken verrichtten de eredienst en hadden daarvoor duurzame inkomsten nodig. Die kwamen onder meer uit afzonderlijke hoven, tienden en andere rechten. Een schenking als die van Uffelte in 1048 maakte de verbinding bijzonder tastbaar: graan en landbouwinkomsten uit Drenthe ondersteunden een geestelijke instelling in Utrecht. Omgekeerd werd het noordelijke bezit onderdeel van een administratie waarvan de leiding zich ver weg bevond. Dat maakte vertegenwoordigers en beheershoven noodzakelijk.
De Utrechtse Sint-Pieterskerk en de Sint-Janskerk maakten macht zichtbaar
Bernold wordt in de overlevering als een belangrijk kerkenbouwer beschouwd. De kapittelkerken Sint-Pieter en Sint-Jan behoren tot de instellingen die met zijn episcopaat samenhangen. Grote stenen kerken vroegen kostbare materialen, vaklieden en langdurige organisatie. Hun bestaan laat zien dat religieuze macht ook een materiële kant had. Achter de muren, zuilen en koorgebeden stonden inkomsten uit landgoederen en bijdragen van grondgebruikers. Over de vraag welke afzonderlijke bouwcampagnes Bernold persoonlijk leidde, bestaat niet voor elk gebouw even hard bewijs. Zijn betekenis voor de inrichting van het Utrechtse kerkelijke landschap blijft niettemin groot.
In 1054 eindigde het episcopaat van Bernold
Bernold overleed in 1054, na een periode waarin de Utrechtse wereldlijke belangen aanzienlijk waren toegenomen. Onder Hendrik III had de kerk goederen in Drenthe en Groningen, rechten bij Deventer en een graafschap in Hamaland verworven of bevestigd gekregen. Daarbij bleven oudere bezittingen van kapittels en abdijen bestaan. De bisschop liet zijn opvolger dus geen samenhangend bestuursgebied na dat overal volgens dezelfde regels functioneerde. Hij liet een netwerk na van landgoederen, juridische aanspraken, kerkelijke instellingen en plaatselijke relaties. Die veelvormigheid verklaart waarom de bestuurlijke geschiedenis van het latere Oversticht zo moeilijk aan één gebeurtenis of één datum kan worden verbonden.
Vanaf 1054 bestuurde Willem I het bisdom Utrecht
Willem I volgde Bernold op en bleef bisschop tot 1076. Tijdens zijn ambtsperiode werden de spanningen tussen de koning, hervormingsgezinde geestelijken en de pauselijke omgeving steeds sterker. Willem moest daarnaast de gewone bestuurlijke verplichtingen van het bisdom blijven verzorgen. Drenthe lag op grote afstand van Utrecht, net als bepaalde goederen in Salland, Twente en het noordelijke waterland. Rechtspraak, inning van inkomsten en bescherming van bezit konden niet voortdurend door de bisschop zelf worden uitgevoerd. Daarom werd de positie van hofbeheerders, proosten, schouten en andere vertegenwoordigers belangrijker. Hun lokale kennis was onmisbaar voor effectief bestuur.
In de tweede helft van de elfde eeuw bleven hoven centrale verzamelplaatsen
Een kerkelijke hof kon de opbrengsten van een reeks afhankelijke boerderijen verzamelen. Het ging niet alleen om landbouwproducten die meteen naar Utrecht werden vervoerd. Een deel kon worden gebruikt voor plaatselijke verplichtingen, voorraden en het onderhoud van reizende functionarissen. De administratie moest bijhouden wie een betaling verschuldigd was en op grond van welk recht. Voor de Drentse dorpen is juist het verschil tussen oorspronkelijke schenking en later gedocumenteerde hoforganisatie belangrijk. De schenking van 1048 toont het ontstaan van een rechtsverhouding; meer gedetailleerde beschrijvingen uit latere eeuwen laten zien hoe die verhouding zich vervolgens kon ontwikkelen.
De archeologie van Peelo laat veranderingen in agrarisch beheer herkennen
In Peelo zijn boerderijen en erven onderzocht waarvan de oudste fasen voorafgaan aan de verwerving van koninklijke goederen door Utrecht. Later veranderde vooral het erf Hovinge ingrijpend. Het werd een groter, omgreppeld complex, met een opvallend opslaggebouw. De tegenstelling met Derkinge, waar aanwijzingen voor een moestuin maar niet voor dezelfde grote schuur werden gevonden, is veelzeggend. Archeologische sporen en de studie van P.N. Noomen ondersteunen het idee van een bijzondere beheersfunctie. Tegelijk blijft datering noodzakelijk: uit een later ontwikkelde hoofdhof mag niet zonder meer worden geconcludeerd dat alle bijbehorende instellingen en gebouwen al midden in de elfde eeuw bestonden.
De goederen rond Rolde werden vermoedelijk vanuit meerdere centra beheerd
Het Rolder dingspel omvatte dorpen als Rolde, Balloo en Anloo, waar oudere religieuze en bestuurlijke functies samenkwamen. De aanwezigheid van bisschoppelijk bezit betekent niet dat in iedere plaats een afzonderlijke centrale hof bestond. P.N. Noomen ziet aanwijzingen dat bepaalde goederen vanuit Anloo werden beheerd. Voor Balloo is een grote bisschoppelijke domeinhof in de vroege periode niet overtuigend bewezen. Bovendien verschilden functies: een kerk kon religieus middelpunt zijn, een hof kon opbrengsten verzamelen, en een andere plaats kon een latere rechtsvergadering herbergen. Die functies liepen soms samen, maar hoeven historisch niet op dezelfde plek of in dezelfde eeuw te zijn ontstaan.
Het Drentse landschap bepaalde de bereikbaarheid van de nederzettingen
Boerderijen in Drenthe stonden op relatief droge zandgronden, vaak nabij essen en beekdalen. Voor het verkeer waren natuurlijke ruggen belangrijk: de Hondsrug bood een noord-zuidverbinding, terwijl de Rolderrug een andere route door het gebied vormde. Door natte laagten en over beekdalen waren slechts bepaalde overgangen praktisch bruikbaar. Het verklaart waarom kerken, grotere erven en later versterkingen vaak dicht bij verbindingen lagen. Toch is het bestaan van een landschappelijk logische route niet hetzelfde als een schriftelijk aangetoonde bisschoppelijke reisweg. Voor de elfde eeuw moeten archeologie, oude topografie en oorkonden elkaar aanvullen om afzonderlijke verplaatsingen werkelijk te kunnen bewijzen.
De weg vanuit Utrecht naar Drenthe kende verschillende mogelijkheden
Wie vanuit Utrecht naar het noorden ging, kon waar mogelijk waterwegen gebruiken, maar niet het hele traject was vanzelf bevaarbaar. De Vecht gaf toegang tot het noordelijke binnenwater, terwijl de IJssel verbindingen met Deventer en de noordelijke delta bood. Vanuit het Overijsselse achterland liepen landwegen in de richting van Steenwijk, Diever en de Drentse zandgronden. Rivierovergangen en veengebieden konden een omweg noodzakelijk maken. De afstand verklaart de waarde van plaatselijke vertegenwoordigers. Tegelijk is onbekend welke afzonderlijke goederen in de elfde eeuw daadwerkelijk in Utrecht werden afgeleverd en welke voorraden of betalingen ter plaatse bleven.
De IJssel verbond Deventer met het rivierengebied en het noorden
Langs de IJssel lagen naast Deventer andere nederzettingen en goederencomplexen. Mensen en goederen konden langs deze route reizen, waar de omstandigheden dat toelieten. Deventer had als kerkelijke plaats al een lange geschiedenis en was tevens een belangrijk centrum van handel en vakmanschap. De koninklijke schenking van 1046 had daarom economische gevolgen voor de bisschop: munt, tol en rechtsmacht konden inkomsten en invloed verschaffen. Toch was het niet de enige verbinding met het noorden. De Utrechtse Vecht, de Overijsselse Vecht en kleinere waterlopen vormden onderdelen van een bredere regionale verkeerswereld, die niet in één vaste handelsroute kan worden samengevat.
Het Zwarte Water, de Vecht en de Sethe boden verbindingen naar Vollenhove
Het latere landschap van Zwolle, Kampen, Genemuiden, Zwartsluis en Vollenhove mag niet zonder meer worden teruggezet naar de elfde eeuw. De waterstand, oevers en omvang van het open water veranderden. Toch vormden de verbindingen tussen de IJsselmonding, de Overijsselse Vecht, het Zwarte Water en de noordelijke waterlopen een belangrijk geografisch uitgangspunt. Ook de oude Sethe, de Steenwijker Aa, de Linde en de Kuinder horen bij het onderzoek naar de bereikbaarheid. Dergelijke waterwegen konden betekenis hebben voor visserij, verkeer en de exploitatie van natte gronden. Concrete scheepsroutes en tolpunten vragen afzonderlijk bewijs.
De eerste ontginningen rond Vollenhove zetten zich vermoedelijk voort
De bewoning op en bij de hogere gronden van Vollenhove lag naast uitgestrekte veengebieden. Onderzoek naar Noordwest-Overijssel wijst erop dat de eerste middeleeuwse ontginningen plaatselijk mogelijk al rond 950 begonnen. In de elfde eeuw kan deze uitbreiding vanuit bestaande woonplaatsen verder zijn gegaan. Ontginners maakten sloten en brachten stroken grond in gebruik. Door de afwatering veranderde de samenstelling en hoogte van het veen. De natte omgeving bood dus niet alleen beperkingen, maar ook kansen voor de uitbreiding van akkers en bewoning. De exacte fasering verschilde per ontginningsblok; twaalfde-eeuwse oorkonden leveren hiervoor later duidelijker bewijs.
De natte gronden veranderden zodra ontginners sloten aanlegden
Veen kon na ontwatering tijdelijk beter geschikt worden voor landbouw. Tegelijk begon de bodem in te klinken en langzaam te verteren, waardoor de percelen lager kwamen te liggen. Dat kon een nieuwe afwatering noodzakelijk maken en uiteindelijk een verplaatsing van landbouw of bewoning veroorzaken. Dit proces is belangrijk om de latere veranderingen rond Kuinre, IJsselham en Blankenham te begrijpen. Niet alle bekende middeleeuwse percelen ontstonden in dezelfde eeuw. De bewoners van de elfde eeuw hebben het landschap waarschijnlijk stap voor stap aangepast, terwijl de grote georganiseerde ontginningen die in de bronnen van 1132 zichtbaar worden nog een verdere ontwikkeling zouden vormen.
De grotere Drentse dorpen bleven landbouwgemeenschappen
Anloo, Vries, Rolde, Eelde, Beilen en Emmen waren verbonden met een landschap van akkers, graslanden, bossen en beekdalen. Veel bewoners leefden van landbouw en veeteelt, zonder een plaats in de bewaard gebleven oorkonden te krijgen. Rond de huizen stonden bijgebouwen voor opslag en werk. Kuilen, greppels, aardewerk en soms waterputten zijn de materiële overblijfselen van dat bestaan. Schriftelijke bronnen vertellen vooral over grondbezit, tienden en gezag; archeologie toont hoe huizen en erven daadwerkelijk werden ingericht. Samen laten ze zien dat politieke verandering het dagelijkse werk van boeren niet verving, maar er wel nieuwe verplichtingen aan kon verbinden.
In de elfde eeuw werd de houten kerk van Vries door steenbouw gevolgd
Vries behoorde tot de oudste kerkelijke centra van Noord-Drenthe. Bouwhistorische en archeologische gegevens wijzen op houten voorgangers en een vroege fase van tufsteenbouw. De exacte volgorde van alle bouwfasen blijft onderwerp van onderzoek, maar delen van de ontwikkeling worden in de elfde eeuw geplaatst. Het gebruik van tufsteen vergde materiaaltransport en gespecialiseerde bouwkennis. De kerk was bedoeld voor een groter verzorgingsgebied dan de directe omgeving van het gebouw. Pas latere oorkonden laten duidelijk zien hoe parochies en dochterkerken onderling verbonden waren. Een stenen kerk in de elfde eeuw bewijst daarom niet dat alle later bekende kerkelijke rechten toen al dezelfde vorm hadden.
Rolde en Anloo hadden oudere religieuze centra dan hun schriftelijke vermeldingen
Onder de latere stenen kerken van Rolde en Anloo zijn aanwijzingen voor oudere houten gebouwen en begravingen aangetroffen. Het gaat om een ontwikkeling die deels al vóór 1000 begon en in de elfde eeuw doorwerkte. Bij Rolde zijn twee houten voorgangers bekend. Voor Anloo is de reconstructie van een lange reeks bouwfasen voorgesteld, al zijn niet alle afzonderlijke dateringen zeker. Deze plaatsen waren dus geen nieuwe kerkelijke stichtingen zodra zij later in een oorkonde werden genoemd. De vraag wie het initiatief voor de eerste kerken nam, blijft moeilijk te beantwoorden. Bisschoppelijk bezit in de omgeving maakt betrokkenheid mogelijk, maar vormt niet altijd direct bewijs.
Tegen 1075 werd het bestuur ook door de opkomende kerkhervorming beïnvloed
De verhouding tussen koningen en bisschoppen veranderde in de loop van de elfde eeuw. Steeds sterker werd de vraag of de koning een bisschop mocht benoemen en hem symbolen van zijn ambt mocht overhandigen. Hervormingsgezinde geestelijken wilden de kerk onafhankelijker maken van wereldlijke heersers. Voor Utrecht lag het probleem bijzonder ingewikkeld: de bisschop bezat niet alleen kerken en liturgische taken, maar ook grafelijke rechten, inkomsten en bestuurlijke ambten die hij aan koninklijke gunst ontleende. Tegen het einde van Willems episcopaat stonden die twee kanten van het bisschopsambt steeds duidelijker onder spanning. De grote confrontatie volgde vanaf 1076.
Deel 7 — 1076–1100
De Investituurstrijd, Hendrik IV, de bisschoppen van Utrecht en Münster, kerkelijke belangen en Drentse dorpen
In 1076 brak de strijd tussen Hendrik IV en paus Gregorius VII openlijk uit
De Investituurstrijd draaide om de vraag wie het recht had bisschoppen aan te stellen en de macht die bij hun ambt hoorde te bevestigen. Hendrik IV beschouwde de hoogste geestelijken als belangrijke steunpilaren van zijn koningschap. Paus Gregorius VII verzette zich tegen wereldlijke bemoeienis met kerkelijke benoemingen. In 1076 raakten hun meningsverschillen openlijk in een crisis. Dit conflict had niet alleen betekenis voor Rome en het koninklijke hof. Het trof ook Utrecht en Münster, waar bisschoppen grote bezittingen en rechten beheerden. Een verandering in de erkenning van hun ambt kon politieke en economische gevolgen hebben voor hun onderdanen.
De bisschoppen van Utrecht en Münster hadden een dubbele positie
Een bisschop leidde een kerkelijk gebied waarin geestelijken en parochies waren georganiseerd. Tegelijkertijd kon hij optreden als heer over hoven, gerechtelijke rechten en grafelijke bezittingen. Daardoor hing zijn positie zowel af van kerkelijke erkenning als van relaties met koningen en wereldlijke machthebbers. Tijdens de Investituurstrijd werd deze combinatie bijzonder kwetsbaar. Een bisschop die de paus steunde, kon in conflict komen met de vorst die zijn wereldlijke bevoegdheden had bevestigd. Wie de koning steunde, kon te maken krijgen met geestelijke tegenstanders. Voor Drenthe, Salland en Twente betekende dit dat de strijd op grote afstand gevolgen kon hebben voor het bestuur.
In 1076 volgde Koenraad de overleden bisschop Willem I op
Na het overlijden van Willem I werd Koenraad bisschop van Utrecht. Hij bestuurde het bisdom van 1076 tot 1099 en stond voor de opdracht de verworven rechten van zijn voorgangers te behouden. De verschillende bezittingen van Utrecht lagen verspreid over het rivierengebied, Drenthe en het oostelijke achterland. Een nieuwe bisschop kon niet eenvoudig op elke plaats zelfstandig vaststellen welke rechten daadwerkelijk werden nagekomen. Hij moest steunen op de administratie van kerkelijke instellingen en op plaatselijke beheerders. De Investituurstrijd maakte die afhankelijkheid ingewikkelder, doordat koninklijke en pauselijke steun niet altijd aan dezelfde kant stonden.
De pauselijke ban tegen Hendrik IV veroorzaakte nieuwe politieke verdeeldheid
De strijd verscherpte toen Gregorius VII de koning onder kerkelijke straf plaatste. Duitse vorsten die Hendrik IV wilden verzwakken, gebruikten de crisis om hun eigen positie te versterken. Een kerkelijke straf kon zo onmiddellijke politieke gevolgen krijgen. De koning had de steun van hertogen en bisschoppen nodig om zijn plaats te behouden. Tegelijk probeerden zijn tegenstanders een andere machtsverdeling tot stand te brengen. Voor de gebieden rond Münster was de Saksische adel bijzonder belangrijk. Via verwantschap en bezit stond deze wereld ook in verbinding met Twente en het IJsselgebied. De huidige staatsgrens bestond in die periode nog niet.
In januari 1077 zocht Hendrik IV bij Canossa verzoening met de paus
Hendrik IV reisde naar Italië en verscheen in januari 1077 bij het kasteel Canossa. Hij probeerde de kerkelijke ban opgeheven te krijgen en zijn positie als koning te herstellen. De verzoening kwam tot stand, maar daarmee waren de politieke tegenstellingen niet opgelost. Binnen het rijk bleef verzet bestaan. De Investituurstrijd ging daarna verder als een reeks diplomatieke en militaire confrontaties. Voor Utrecht en Münster lag juist daarin het gevaar. De benoeming van een bisschop stond niet los van het recht om goederen te besturen, inkomsten te innen en op plaatselijk niveau ambten toe te wijzen. Achter een geestelijke kwestie lagen dus ook belangen van land en macht.
De adel langs de IJssel moest zijn positie naast Utrecht blijven bepalen
De Utrechtse bisschop bezat sinds de eerste helft van de elfde eeuw belangrijke grafelijke en economische rechten. Toch waren de adellijke families in Hamaland, Salland en Twente niet verdwenen. Zij hielden eigen bezittingen en konden als getuigen, leenmannen of bestuurders optreden. Tijdens de Investituurstrijd veranderden bondgenootschappen soms snel. Een plaatselijke familie kon haar belangen mede laten afhangen van de verhouding tot de koning, de bisschop en andere heren. Zonder afzonderlijk bewijs kunnen die families niet eenvoudig als aanhangers van één partij worden ingedeeld. De documenten laten vooral zien dat de politieke wereld bestond uit overlappende aanspraken en persoonlijke overeenkomsten.
Ook in Drenthe bleef de bisschop afhankelijk van plaatselijke gemeenschappen
Hoewel Utrecht formele grafelijke rechten bezat, leefden de bewoners van Drenthe binnen bestaande dorpsstructuren. Boeren moesten hun akkers bewerken, vee verzorgen, sloten onderhouden en goederen naar een hof brengen wanneer daarvoor een verplichting bestond. De bisschop kon niet vanuit Utrecht voortdurend toezicht houden. Hij had vertegenwoordigers nodig die het terrein, de bewoners en de plaatselijke rechten kenden. Dat maakte zulke functionarissen invloedrijk. Hun ambt bood toegang tot informatie, inkomsten en aanzien. De latere geschiedenis van de heren van Coevorden laat zien welke zelfstandige positie uit dat soort functies kon ontstaan. Voor 1076–1100 moet die latere macht echter nog niet als volledig ontwikkeld worden voorgesteld.
De hoven van Sint-Pieter bleven een economische basis voor kerkelijk gezag
De Utrechtse kapittels hadden inkomsten nodig, ongeacht de strijd over kerkelijke benoemingen. De hof van Uffelte, die in 1048 aan Sint-Pieter was geschonken, vormde daarvan een voorbeeld. Bij een hof konden afhankelijke hoeven horen waarvan de bewoners landbouwproducten of andere prestaties moesten afdragen. Niet alle goederen hoefden naar Utrecht te worden vervoerd. Een deel kon lokaal worden opgeslagen of verbruikt. De later beschreven hoofdhof met voorraadschuren laat zien hoe omvangrijk het beheer uiteindelijk werd. De exacte verplichtingen van de elfde-eeuwse bewoners zijn minder goed gedocumenteerd. Daarom moet het duurzame bezit worden onderscheiden van latere details in de administratie.
De omgeving van Peelo toont hoe landbouw en macht elkaar ontmoetten
Bij Peelo waren boerenerven aanwezig die in de loop van de middeleeuwen veranderden. Het later als Hovinge aangeduide erf kreeg een bijzondere functie, herkenbaar aan de grote omvang, de omgreppeling en de opslagmogelijkheden. Andere erven, zoals Derkinge, waren anders ingericht. De gebouwen en greppels tonen een materiële kant van het kerkelijke grondbezit die uit een oorkonde niet blijkt. Een grote schuur kon de verzamelde oogst uit meer dan één boerderij bevatten. Tegelijk vormt niet iedere archeologische bouwfase direct een bewijs voor dezelfde politieke gebeurtenis. De chronologie van de gebouwen moet worden gecontroleerd voordat zij met de rechten uit 1040 en 1048 worden verbonden.
In de late elfde eeuw kregen Drentse kerken herkenbare stenen bouwfasen
Vries, Anloo, Rolde en Diever behoorden tot de kerkelijke plaatsen met een oudere voorgeschiedenis. Houten gebouwen en grafvelden gingen vooraf aan de latere stenen kerken. In de tweede helft van de elfde eeuw en rond 1100 verschenen op verschillende plaatsen tufstenen bouwfasen. Het bouwen in steen betekende een grote investering. Materiaal moest worden aangevoerd en vakmensen moesten de funderingen, muren en daken vervaardigen. Dat veronderstelt een organisatie die de mogelijkheden van een enkel huishouden overtrof. Toch levert het bouwmateriaal op zichzelf geen bewijs voor de naam van de stichter. De precieze verhouding tussen bisschop, plaatselijke elite en dorpsgemeenschap verschilde waarschijnlijk per kerk.
Bij Rolde waren kerkelijke en latere rechterlijke functies niet identiek
De kerk van Rolde werd in latere eeuwen een plaats waar het hoogste Drentse rechtscollege, de Etstoel, kon vergaderen. Ook Balloo en Anloo worden met dergelijke bijeenkomsten verbonden. Maar het bestaan van een oudere kerk of begraafplaats bewijst niet dat alle latere gerechtelijke functies al in de elfde eeuw aanwezig waren. De Balloërkuil geldt bijvoorbeeld niet als overtuigend bewezen middeleeuwse gerechtsplaats. De voorstelling van dit terrein als oeroude vergaderkuil werd mede verspreid door zeventiende-eeuwse schrijvers. Historisch zorgvuldig onderzoek moet de religieuze geschiedenis van Rolde scheiden van latere rechtspraak en van nog jongere plaatselijke tradities.
Rond 1080 wordt voor Roderwolde een vroege parochie verondersteld
Roderwolde lag aan de rand van de oudere zandgronden en het veenland. Regionale historische beschrijvingen verbinden het ontstaan van de nederzetting met ontginningen in de elfde eeuw. Soms wordt een kerk rond 1080 genoemd. Deze datering is echter niet rechtstreeks bevestigd door een bewaarde oorkonde uit dat jaar. De vroegste zekere schriftelijke vermelding van Roterwolde is later, in 1139. Ook de zelfstandigheid van de parochie wordt in verschillende studies anders gedateerd. Het mogelijke vroege ontstaan blijft waardevol als onderzoekshypothese, maar mag niet worden gelijkgesteld aan een bewezen kerkstichting van precies 1080.
De veenranden bij Roderwolde vormden geen overal gelijktijdig bewoningsgebied
Ten noorden van Roderwolde liggen natte gronden waar later kleine veenterpen werden opgeworpen. Bij de Kleibosch, de Matsloot-Roderwoldepolder en de Peizer- en Eeldermaden zijn dergelijke woonplaatsen onderzocht. De vindplaatsen leverden aardewerk, dierlijke botten en andere bewoningssporen op. De meeste onderzochte veenterpen dateren vooral uit de twaalfde tot veertiende eeuw. Ze vormen dus geen rechtstreeks bewijs voor een dichtbewoond veengebied in 1080. Wel maken ze zichtbaar hoe bewoners later met wateroverlast omgingen en de natte gebieden steeds intensiever gebruikten. De vroege zanddorpen en de latere veenbewoning moeten in een chronologische reconstructie van elkaar worden onderscheiden.
De abdij Werden hield contact met Twente en Drenthe
Een ander netwerk liep van de abdij Werden aan de Ruhr via Twente naar Groningen en de Ommelanden. Werden bezat goederen bij Oldenzaal en in verschillende Drentse dorpen. Een latere, twaalfde-eeuwse goederenlijst laat zien dat onderweg voedsel, geld en veevoer van afzonderlijke hoeven konden worden ontvangen. De boeren waren daardoor niet uitsluitend leveranciers van een klooster dat ver weg lag. Hun bedrijven lagen op plaatsen die voor reizende vertegenwoordigers betekenis konden hebben. Het is onzeker welke van de later beschreven verplichtingen al rond 1080 bestonden. De lange geschiedenis van het Werdense bezit toont echter dat een oud netwerk naast de groeiende Utrechtse macht bleef functioneren.
De doorgaande wegen verbonden Drenthe met Groningen en Münster
De hogere zandgronden vormden natuurlijke routes door een landschap met grote natte gebieden. De Hondsrug bood verbindingen richting Groningen, terwijl via Coevorden en het zuidoostelijke grensgebied toegang tot Westfalen bestond. Vanuit het westen waren Steenwijk en de hogere gronden bij Vollenhove van belang. Reizigers moesten rekening houden met de gesteldheid van wegen en beekovergangen. Het vervoer van graan, hooi en andere producten met karren vergde een andere organisatie dan reizen over water. Voor de bisschoppen betekende deze geografische werkelijkheid dat bestuurlijke macht niet op een kaart alleen berustte. Zij moest langs bestaande verbindingen daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend.
Tegen het einde van de elfde eeuw werd ook de kerkelijke strijd gewelddadig
Het conflict tussen Hendrik IV en zijn tegenstanders bleef niet beperkt tot kerkvergaderingen of brieven. De strijd had militaire gevolgen en verdeelde vorsten en bisschoppen. Koenraad van Utrecht moest zijn positie als geestelijk leider en wereldlijk heer binnen deze omstandigheden behouden. In het Oversticht liepen daarnaast oude rechten van kapittels, abdijen en plaatselijke families door elkaar. Een groot deel van de bevolking bleef werken op de eigen boerderij, ook wanneer op hoger niveau bondgenootschappen veranderden. Juist daarom tonen oorkonden slechts één deel van de geschiedenis. De gevolgen voor de gewone bewoners moeten worden onderzocht via lasten, landgebruik en plaatselijke conflicten.
In 1099 werd bisschop Koenraad van Utrecht vermoord
Koenraads regering eindigde in 1099 door geweld. De moord toont dat ook een hoge geestelijke bestuurder niet buiten persoonlijke vijandschappen en politieke spanningen stond. De precieze motieven van betrokkenen moeten uit de afzonderlijke verhalende bronnen worden gereconstrueerd. Na zijn dood werd een nieuwe bisschop noodzakelijk. Daarmee kwam opnieuw de vraag op wie de opvolger zou steunen en welke rechten hij kon handhaven. Voor Drenthe en Salland betekende een wisseling aan de top niet dat bestaande hoven en parochies verdwenen. De inkomsten en verplichtingen bleven bestaan, terwijl de verhouding met de nieuwe machthebber opnieuw kon worden bepaald.
Rond 1100 waren de politieke rechten en het dagelijkse leven ongelijk veranderd
De Utrechtse bisschop bezat sinds de elfde eeuw belangrijke grafelijke aanspraken, maar de Drentse en Overijsselse dorpen bleven in hoofdzaak agrarische gemeenschappen. Houten boerderijen werden vervangen, erven verplaatst en nieuwe kerkgebouwen opgericht. In het natte land rond Vollenhove en de Friese grensgebieden begonnen verdere landschapsveranderingen. Ondertussen bleven kloosters en kapittels over grote afstanden rechten op landbouwopbrengsten uitoefenen. De Investituurstrijd veranderde de politieke verhoudingen waarin deze rechten werden beschermd. Er was echter nog geen volledig samenhangend bisschoppelijk territorium met één bestuur, één rechtsgang en één vaste hoofdstad voor alle noordelijke bezittingen.
Deel 8 — 1101–1119
Burchard en Godebald, Hendrik V, de Friese graafschappen, Deventer, Kuinre en de strijd om Münster
Vanaf 1100 bestuurde bisschop Burchard een uitgestrekt geheel van rechten
Burchard was bisschop van Utrecht van 1100 tot 1112. Hij erfde een kerk die niet alleen binnen de muren van Utrecht betekenis had. In Drenthe, Salland, Twente en het IJsselgebied beschikte zij over verspreide grafelijke bevoegdheden, grondbezit en inkomsten. Daarnaast waren kapittels en kloosters afzonderlijke bezitters van hoeven en landgoederen. De Investituurstrijd maakte het moeilijker om deze rechten politieke bescherming te geven. Toch moesten de gewone zaken doorgaan: geestelijken kregen hun inkomsten, hoven werden beheerd en conflicten over bezit werden behandeld. Een nieuwe bisschop moest daarom zowel de kerkelijke organisatie als de wereldlijke belangen onderhouden.
De benoeming van bisschoppen bleef een bron van strijd
De Investituurstrijd was na de gebeurtenissen van 1076 en de gang naar Canossa niet beëindigd. Koningen wilden invloed houden op geestelijke ambtsdragers die over omvangrijke bezittingen en bestuurlijke bevoegdheden beschikten. Hervormingsgezinde kerkelijke leiders wilden juist dat geestelijke benoemingen onafhankelijk van die wereldlijke macht tot stand kwamen. Voor Utrecht en Münster was deze vraag bijzonder belangrijk. Hun bisschoppen konden aan de ene kant door de paus als religieuze leiders worden erkend en aan de andere kant voor het beheer van grafelijke rechten koninklijke bevestiging nodig hebben. Daardoor werd iedere opvolging ook een mogelijke politieke keuze.
Vanuit Deventer konden de Utrechtse belangen langs de IJssel worden bereikt
Deventer behield zijn betekenis als kerkelijke en economische plaats. De rechten die Hendrik III in 1046 aan Utrecht had overgedragen, waaronder munt, tol en rechtspraak, gaven de bisschop een duidelijke positie. De IJssel verbond de omgeving met Zutphen, Salland en noordelijke watergebieden. Vanuit Deventer liepen landverbindingen naar Twente en de gebieden richting Oldenzaal en Münster. Een recht op papier betekende niet dat alle handel vanzelf onder één bestuur viel. De stad had eigen inwoners, kooplieden en kerkelijke instellingen. De betekenis lag vooral in de combinatie van verkeersligging, inkomsten en een lange religieuze geschiedenis.
De noordelijke wegen liepen door gebieden met verschillende machthebbers
De weg van Utrecht via de IJssel naar Twente en Münster vormde geen onveranderlijke, overal bestrate route. Reizigers waren afhankelijk van bruggen, doorwaadbare plaatsen, veerverbindingen en begaanbare zandgronden. Onderweg passeerden zij gebieden waar graafschappen, bisschoppelijke rechten, adellijke goederen en kloosterbezit door elkaar liepen. Bij Oldenzaal lag een belangrijk kerkelijk centrum met het Sint-Plechelmuskapittel. Verder oostwaarts werden de verbindingen met Bentheim en Westfalen belangrijk. Voor het verkeer waren ook lokale markten en plaatsen waar paarden en reizigers verzorgd konden worden van betekenis. Niet iedere latere tol, haven of weg kan zonder afzonderlijk bewijs al vóór 1120 worden gedateerd.
Omstreeks 1100 werd Anloo herkenbaar door een stenen kerk
De Magnuskerk van Anloo bezit een tufstenen bouwfase die gewoonlijk rond 1100 wordt geplaatst. Onder het latere kerkgebouw kwamen bij archeologisch onderzoek resten van oudere houten constructies en leem tevoorschijn. De kerk had dus vermoedelijk een langere voorgeschiedenis. Zij werd belangrijk voor een groter gebied in Oostermoer. Het bouwen in tufsteen vroeg om steentransport en vakmanschap dat niet vanzelfsprekend in ieder boerengezin aanwezig was. De organisatie van een dergelijke bouwcampagne wijst op de bijzondere plaats van een kerkelijk centrum. Over de exacte opeenvolging van de oudste bouwfasen en over de betrokken stichters bestaat evenwel onzekerheid.
Ook Vries kreeg een belangrijke plaats in het Noord-Drentse kerkennetwerk
De kerk van Vries kende verschillende houten en stenen bouwfasen. In het begin van de twaalfde eeuw vervulde zij een centrale functie voor omliggende nederzettingen. Latere documenten verbinden Eelde, Norg, Roden en Roderwolde met het grotere parochiale netwerk. De precieze zelfstandigheid van de dochterkerken moet voor iedere plaats afzonderlijk worden gedateerd. De kerk van Vries werd niet uitsluitend bezocht door mensen uit het onmiddellijke dorp; een moederparochie kon bewoners van een groter gebied bedienen. Dat maakte kerken ook tot plaatsen waar bewoners van verschillende nederzettingen met elkaar in contact kwamen, naast de religieuze functies van doop, mis en begraven.
Rond 1100 verschenen ook bij Vollenhove vermoedelijk stenen kerkgebouwen
Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd voor een vroege tufstenen kerk op het Hoge Land van Vollenhove. De oudste fase wordt meestal rond 1100 geplaatst. Volgens een reconstructie had het schip ongeveer acht bij vijf meter en het koor ongeveer vier bij vier meter. Onder het muurwerk lagen funderingen met veldkeien. Het gebouw was dus veel kleiner dan de latere kerk. De precieze bouwdatum en de opeenvolgende uitbreidingen vragen zorgvuldige controle. De aanwezigheid van een vroeg stenen kerkgebouw wijst op een religieuze gemeenschap die bouwmateriaal kon laten aanvoeren en een gezamenlijk bouwwerk kon onderhouden, lang vóór de latere stadsvorming.
De kerk van Vollenhove en de latere burcht hadden niet hetzelfde begin
Een kerkgebouw rond 1100 is een ander historisch verschijnsel dan de bisschoppelijke dwangburcht die traditioneel met 1165 wordt verbonden. De vroege kerk wijst op georganiseerde religieuze activiteiten en bewoning op de hogere gronden. Zij bewijst niet dat er op dat moment al een stenen kasteel of een ontwikkeld stedelijk bestuur bestond. Die latere ontwikkelingen hadden hun eigen politieke achtergrond. Voor deze periode zijn vooral de oudere woudrechten, de mogelijke grafelijke aanspraken en de plaatselijke ontginningen belangrijk. Door deze zaken chronologisch te scheiden, wordt voorkomen dat Vollenhove vanuit zijn latere militaire betekenis te vroeg als volledig bisschoppelijk machtscentrum wordt voorgesteld.
Omstreeks 1100 begon op sommige plaatsen een nieuwe fase van veenontginning
Tussen de hogere gronden van Vollenhove, Steenwijk en Friesland lagen uitgestrekte venen. Langs de waterlopen bevonden zich natte bossen en graslanden, terwijl verder landinwaarts hoogveen voorkwam. Vanuit oudere nederzettingen konden bewoners geleidelijk nieuwe stukken land bruikbaar maken. Daarvoor werden afwateringssloten gegraven en percelen in stroken verdeeld. De latere bronnen uit 1132 tonen dat zulke ontginningen inmiddels georganiseerd waren. Het begin daarvan lag vermoedelijk deels vroeger. Niet ieder perceel kan echter in de periode 1100–1119 worden geplaatst. Het landschap veranderde stapsgewijs en door inklinking van het veen ontstonden later opnieuw problemen met de waterhuishouding.
Rond 1100 werden motteversterkingen een zichtbaar teken van adellijke macht
Bij Rheebruggen in Drenthe ligt het Borgbarchien, een kunstmatige heuvel met sporen van een vroegmiddeleeuwse of volmiddeleeuwse versterking. De heuvel is ongeveer drie meter hoog en werd omgeven door een forse gracht, die oorspronkelijk circa twintig meter breed kan zijn geweest. Tijdens onderzoek werden onder meer middeleeuws aardewerk en een ijzeren bijl gevonden. Er zijn aanwijzingen voor verschillende bouwfasen, maar geen overtuigende resten van een bakstenen woontoren. De aanleg wordt vermoedelijk in de elfde of twaalfde eeuw geplaatst. Daarom is het mogelijk, maar niet zeker, dat de versterking rond 1100 al bestond. Ook de vroegste eigenaar is onbekend.
In 1106 kwam Hendrik V aan de macht na strijd met zijn vader
Hendrik V wist het koningschap over te nemen nadat hij zich tegen Hendrik IV had gekeerd. De machtswisseling maakte duidelijk hoe diep de Investituurstrijd de politieke verhoudingen had beschadigd. Hoewel een nieuwe koning aantrad, bleef de centrale vraag bestaan wie geestelijke leiders mocht benoemen en welke rechten daarmee samengingen. Vooral in Saksen en Westfalen behield de adel voldoende macht om zich tegen de vorst te verzetten. Voor Münster was de houding van Saksische machthebbers bijzonder belangrijk. Utrecht had eveneens met een ingewikkelde situatie te maken: de bisschop kon voor zijn wereldlijke aanspraken koninklijke bevestiging zoeken, terwijl de kerkelijke hervormingsbeweging dezelfde koning kon bestrijden.
In 1112 werd Godebald bisschop van Utrecht
Na Burchard kwam Godebald aan het hoofd van het Utrechtse bisdom. Hij wordt in de bronnen verbonden met Friese afkomst en bleef tot 1127 bisschop. Onder zijn bestuur werden de tegenstellingen binnen het rijk steeds scherper. Godebald had te maken met de rechten van Utrecht in het rivierengebied, Drenthe, het noorden en de Friese gebieden. De uiteenlopende bezittingen maakten zijn bestuurlijke positie sterk afhankelijk van lokale vertegenwoordigers. Deventer en de IJssel waren langs het water bereikbaar, terwijl in Drenthe en Friesland andere landschappelijke hindernissen golden. Door die verschillen konden koninklijke bevestigingen juridisch belangrijk zijn zonder overal onmiddellijk tot feitelijke controle te leiden.
In 1112 bevestigde Hendrik V Utrechtse aanspraken op Oostergo en Westergo
Nog in het jaar van Godebalds aantreden bevestigde Hendrik V de rechten van de Utrechtse kerk op de Friese graafschappen Oostergo en Westergo. Deze rechtshandeling is van belang omdat zij toont dat de strijd om het noorden al vóór het midden van de twaalfde eeuw speelde. De bisschop kreeg juridische steun voor zijn aanspraken, maar het bestaan van een oorkonde bewees niet dat de bewoners van Friesland in alle gevallen zijn bestuur daadwerkelijk accepteerden. Plaatselijke gemeenschappen en andere machthebbers konden de uitoefening van de rechten beperken. Het onderscheid tussen formeel bezit en daadwerkelijk gezag bleef daardoor net zo belangrijk als eerder in Drenthe.
De Friese rechten maakten het noordelijke waterland ook politiek belangrijk
Oostergo en Westergo lagen in een wereld van kustgebieden, waterlopen en landelijke gemeenschappen. Voor Utrecht betekende de bevestiging van 1112 niet dat de verbindingen met deze gebieden eenvoudig werden. Vanuit het bisschoppelijke centrum moesten brieven, vertegenwoordigers en soms gewapende mannen grote afstanden afleggen. Het open water en de natte gronden boden mogelijkheden voor verkeer, maar konden ook hindernissen vormen. Daarnaast hadden de bewoners eigen gebruiken en bestuurlijke tradities. De Friese aanspraken geven de latere gebeurtenissen rond Vollenhove een langere voorgeschiedenis. Het noordelijke Oversticht lag geografisch tussen de bisschoppelijke belangen bij de IJssel en het moeilijker te beheersen Friese kustgebied.
In februari 1115 werd Hendrik V bij Welfesholz verslagen
Een verbond van Saksische tegenstanders bracht Hendrik V bij Welfesholz een zware nederlaag toe. Hertog Lotharius speelde in de oppositie een belangrijke rol. Voor Westfalen en Münster werd daarmee duidelijk dat de koning zijn invloed niet overal zonder weerstand kon uitoefenen. Bisschoppen moesten hun positie bepalen tegenover twee sterke politieke kampen. De nederlaag was niet uitsluitend een militaire gebeurtenis. Zij had gevolgen voor de bescherming van bezittingen, de erkenning van benoemingen en de onderlinge verhoudingen van adellijke families. De verbinding tussen de Saksische politiek en het oostelijke grensgebied van Twente maakte deze strijd ook voor het verhaal tussen Utrecht en Münster van belang.
In 1118 nam Godebald deel aan de kerkvergadering van Fritzlar
Tijdens de synode van Fritzlar in 1118 werd de kerkelijke ban tegen Hendrik V opnieuw bevestigd. Godebald van Utrecht nam aan die bijeenkomst deel en schaarde zich daarmee aan de kant van de kerkelijke tegenstanders van de koning. Zijn positie was gevoelig, omdat hij zes jaar eerder nog koninklijke bevestiging had gekregen voor rechten in Friesland. Daarmee wordt zichtbaar dat politieke verhoudingen konden veranderen zonder dat oude oorkonden onmiddellijk hun betekenis verloren. Het geschil ging over meer dan een persoonlijke ruzie. Voor een bisschop met verspreide graafschappen, kapittels en hoven stond ook de bescherming van zijn goederen en zijn bestuurlijke invloed op het spel.
In 1119 verschijnt Kuinre in het noordelijke plaatsnamenmateriaal
De naam Kuinre wordt in historisch plaatsnamenonderzoek rond 1119 vermeld. De nederzetting lag bij de Kuinder of Tjonger en het grotere watergebied richting het Almere. Voor de geschiedenis van Noordwest-Overijssel is dat een vroeg aanknopingspunt, omdat de omgeving later belangrijk werd voor ontginning, scheepvaart en grensconflicten. Uit de vermelding alleen mag echter niet worden afgeleid dat in 1119 al een grote haven, een grafelijke burcht of een ontwikkeld stadsbestuur aanwezig was. Het document toont vooral dat de plaatsnaam en het landschap in de vroege twaalfde eeuw al herkenbaar waren. De latere ontwikkeling moet afzonderlijk worden onderzocht.
Kuinre, IJsselham en Vollenhove lagen in hetzelfde veranderende waterland
De nederzettingen bij Kuinre en op de hogere gronden van Vollenhove waren omgeven door riviertjes, veengronden en het noordelijke binnenwater. De omgeving van IJsselham kwam later eveneens duidelijk naar voren in kerkelijke en ontginningsdocumenten. De ligging langs waterlopen bood mogelijkheden voor vervoer en visserij. Tegelijk konden de bewoners slechts een deel van de natte gronden als akker gebruiken. Nieuwe sloten en strookvormige percelen veranderden het landschap. De precieze situatie rond 1119 mag niet worden verward met de kustlijn en de havens van latere eeuwen. De bekende oorkonden over georganiseerde ontginningen volgen pas vanaf de jaren 1130.
Tegen 1119 groeide de tegenstelling tussen Hendrik V en de Saksische adel
Na Welfesholz bleef de politieke weerstand in het noorden van het rijk bestaan. De koning probeerde zijn gezag in Saksen en Westfalen te herstellen, terwijl zijn tegenstanders onder leiding van hertog Lotharius hun zelfstandige positie verdedigden. Bisschoppen konden in deze strijd zowel religieuze als wereldlijke belangen vertegenwoordigen. Voor de steden was de uitkomst belangrijk, omdat een machtswisseling gevolgen kon hebben voor de bescherming, de belastingen en de relaties met de omringende adel. Münster nam een bijzondere plaats in als bisschopsstad die tegelijk in het politieke krachtenveld van de koning en de Saksische vorsten lag.
Met Kerstmis 1119 werd bisschop Diederik II uit Münster verdreven
Diederik II van Winzenburg was met steun van hertog Lotharius bisschop van Münster geworden. Toen Hendrik V eind 1119 met zijn leger Westfalen binnentrok, keerden inwoners van Münster zich tegen de bisschop. Diederik moest vluchten en zocht bescherming bij Lotharius. Hendrik V bracht volgens de overlevering Kerstmis in Münster door. De gebeurtenis maakt zichtbaar dat een bisschopsstad geen eensgezinde gemeenschap was. Koning, bisschop, Saksische hertog en stedelijke bevolking konden verschillende belangen hebben. De verdrijving betekende niet dat het conflict voorbij was. De gewapende strijd zou in 1121 opnieuw grote gevolgen voor Münster krijgen.
Tussen Utrecht en Münster (925–1165) — Koningen, bisschoppen, graven en de strijd om het land
Deel 5 — 1040–1048
De koninklijke schenkingen aan Utrecht, Uffo en zijn broers, Groningen, Deventer, Drenthe en de hof van Uffelte
In 1040 zette Hendrik III de uitbreiding van de Utrechtse macht voort
Na de dood van Koenraad II in 1039 nam Hendrik III het koningschap over. De Utrechtse bisschop Bernold beschikte toen al over grafelijke aanspraken in Drenthe, maar moest die in het noorden nog laten gelden. De nieuwe koning kon zijn kerkelijke bondgenoot versterken door afzonderlijke landgoederen en rechten over te dragen. De reeks oorkonden uit de jaren 1040 is daarom geen beschrijving van één plotseling ontstaan bisdomsland. Zij toont hoe het koningschap verschillende vormen van gezag uit elkaar kon halen: bezit van een hof, inkomsten uit grond, rechten op een stad en grafelijke bevoegdheden in een groter gebied.
Op 21 mei 1040 werden goederen van Uffo en zijn broers geconfisqueerd
In een rechtshandeling van 21 mei 1040 droeg Hendrik III bezittingen in het Drentse gebied over aan bisschop Bernold. De goederen hadden aan Uffo en zijn broers toebehoord. Volgens de overlevering waren zij wegens een ernstig vergrijp hun bezit kwijtgeraakt, maar de oorkonde beschrijft de precieze daad niet. Historisch is dat een belangrijk verschil: het bewijs betreft de ontneming en schenking, niet de aard van een misdrijf. De genoemde bezittingen lagen onder meer bij Uffelte, Wittelte en Peelo. Hun bewoners verdwenen niet door het besluit; vooral de juridische verhouding tot de grondheer veranderde.
De namen Uffelte, Wittelte en Peelo kwamen daarmee scherp in beeld
De vroege documentatie laat drie Drentse plaatsen zien die ieder in een eigen agrarische omgeving lagen. Uffelte en Wittelte lagen in het westelijke deel van Drenthe, waar landbouwgronden, bossen en wegen richting Diever en Steenwijk elkaar afwisselden. Peelo bevond zich op de noordelijke zandgronden bij het latere Assen. De tekst van 1040 zegt niet hoeveel boerengezinnen er op ieder erf woonden, hoeveel akkers er waren of welke gebouwen precies bij het bezit hoorden. Juist daarom moet een vroege oorkondelijke vermelding onderscheiden worden van de latere beschrijving van een volledig ontwikkeld hofstelsel.
In 1040 kreeg Utrecht ook belangen bij de nederzetting Groningen
De koning droeg eveneens goederen over die betrekking hadden op Groningen, in de bronnen aangeduid als Cruoninga of vergelijkbare oude vormen. De nederzetting lag op de noordelijke uitloper van de Hondsrug, tussen de zandgronden van Drenthe en het lagere kustland. De aanduiding villa wijst in deze context op een nederzetting of bezitscomplex; ze maakt Groningen niet automatisch tot een stad in de latere betekenis. Het bezit gaf de Utrechtse kerk een steunpunt aan een belangrijke overgang in het landschap. Maar andere grondheren, bewoners en geestelijke instellingen bleven daarnaast eigen aanspraken en belangen houden.
Lenverding en Eyen laten zien hoe verspreid de koninklijke goederen lagen
De overdrachten van 1040 noemen behalve bekende plaatsen ook goederen waarvan de oude namen als Lenverding en Eyen zijn overgeleverd. De precieze identificatie van zulke namen vergt controle van de oorspronkelijke tekst en de geografische context. Zij mogen niet zonder bewijs met een modern dorp worden vereenzelvigd. Het gegeven is wel belangrijk: de schenking was niet beperkt tot één compacte bezitting bij Groningen of Uffelte. Het koningschap beschikte over uiteenlopende eigendommen en rechten, die vanuit verschillende historische omstandigheden waren ontstaan. Bernold verwierf daardoor een netwerk van inkomstenbronnen, geen vanzelfsprekend aaneengesloten en uniform bestuurd territorium.
Groningen hoorde in de oorkondelijke wereld nauw bij Drenthe
Tegenwoordig worden Drenthe en Groningen als afzonderlijke provincies beschouwd. Voor de elfde eeuw kan die scheiding misleidend zijn. Het gebied rond Groningen was via de Hondsrug, de Rolderrug en de Hunze verbonden met de Drentse zandgebieden. Schriftelijke bronnen plaatsen Groningen bovendien in een bestuurlijke context waarin Drenthe voorkomt. Dat verklaart waarom goederen in Groningen en Drentse plaatsen in dezelfde schenkingsgeschiedenis verschijnen. Het zegt echter niet welke weg een Utrechtse bode precies nam. De feitelijke verbindingen moeten worden afgeleid uit terrein, oude oversteekplaatsen, nederzettingen en afzonderlijk bewijs voor verkeer tussen de genoemde centra.
In 1042 werd het graafschap Umbalaho in verband met Utrecht gebracht
Een volgende koninklijke overdracht uit 1042 noemt Agridiogen of Umbalahe, een naam die door oudere historici met het ommeland van Vollenhove in verband wordt gebracht. Deze identificatie is belangrijk, maar niet onomstreden. Zij mag dus niet worden gepresenteerd alsof de grenzen van een graafschap Vollenhove volledig bekend zijn. Wanneer de verklaring juist is, breidden de Utrechtse aanspraken zich uit over het gebied rond de hogere gronden van Vollenhove. In elk geval laat het document zien dat er naast het oudere koninklijke woudrecht van 944 nieuwe vormen van grafelijke en economische macht in het noordwesten van Overijssel werden besproken.
De rechten van 944 en de schenking van 1042 waren verschillend
De vermelding van Fulnaho in 944 betrof in de eerste plaats koninklijk woudrecht, met bijzondere bevoegdheden ten aanzien van de jacht en het gebruik van het bosgebied. Een graafschap of ander openbaar rechtsgebied in 1042 was juridisch iets anders. Beide documenten kunnen bij hetzelfde landschap horen zonder dezelfde goederen, personen of bevoegdheden te beschrijven. Dat onderscheid is nodig bij het reconstrueren van de ontwikkeling van Vollenhove. Zelfs wanneer de Utrechtse bisschop meer rechten verwierf, bezat hij daardoor niet automatisch alle afzonderlijke erven. Evenmin is uit deze oorkonden de aanwezigheid van een bisschoppelijk kasteel vóór het midden van de twaalfde eeuw af te leiden.
De koning gebruikte schenkingen ook in een strijd met regionale hertogen
De uitbreiding van Utrecht stond niet los van de grote machtsstrijd in het rijk. Hendrik III kreeg te maken met tegenstand van hertog Godfried met de Baard en andere leden van de Lotharingse adel. Het koningschap kon een trouwe bisschop versterken om het overwicht van zulke vorsten te beperken. Een schenking van grafelijke rechten had daardoor een dubbel doel: zij schonk de kerk inkomsten en bestuursmacht, maar schiep tegelijk een bondgenoot van de koning. In het oostelijke rivierengebied speelde deze politiek een bijzondere rol. Het ging daar niet alleen om landerijen, maar ook om versterkte plaatsen, wegen en de mogelijkheid om recht te spreken.
Op 22 mei 1046 werden de grafelijke rechten in Drenthe opnieuw geregeld
De schenking van Drenthe in 1024 had de Utrechtse bisschop al een juridische grondslag gegeven. De politieke uitvoering ervan bleef evenwel ingewikkeld door de rechten van andere machthebbers. In 1046 volgde onder Hendrik III een nieuwe koninklijke regeling met betrekking tot het graafschap. In oudere historische werken wordt hiervoor 22 mei 1046 genoemd. Deze latere regeling moet niet als bewijs worden opgevat dat er in 1024 helemaal niets was geschonken. Eerder blijkt dat koninklijke toekenning, het houden van een ambt en de praktische aanvaarding door plaatselijke machthebbers uiteen konden lopen. De opeenvolging van akten vormt juist het bewijs van die ingewikkeldheid.
Op 23 augustus 1046 ontving Utrecht de koninklijke rechten in Deventer
De schenking van 23 augustus 1046 behoort tot de belangrijkste oorkonden voor het Oversticht. Hendrik III droeg aan de Utrechtse kerk over wat het koningschap in Deventer aan eigendom, munt, tol, rechtspraak en andere inkomsten bezat. Bernold kreeg bovendien rechten in een graafschap in Hamaland, aan weerszijden van de IJssel. Voor een plaats waar al veel verkeer en handel plaatsvond, waren munt en tol bijzonder waardevol. De bisschop werd daardoor niet alleen een geestelijk leider, maar ook houder van economische en openbare bevoegdheden. Het precieze onderscheid tussen al deze rechten blijft per onderdeel van de tekst van belang.
De Hamalandse oorkonde legde een reeks grenspunten vast
Het document uit augustus 1046 beschreef de omvang van het betreffende graafschap aan de hand van oude namen. Daaronder bevonden zich Rathnon, Hunne, Weghestapelon, Westerfle, Agastaldaburg en Stenere, gevolgd door punten aan de andere zijde van de IJssel zoals Lovenen, Eerbeke, Suthempe en Ascete. Historici hebben deze plaatsen onder meer verbonden met Rande, Hunne bij Olst, de omgeving van Dijkerhoek, Westerflier, Steenderen, Loenen, Eerbeek en het Zutphense achterland. Niet elke identificatie is even zeker. De opsomming toont dat de koning een begrensd rechtsgebied bedoelde en dat de IJssel niet eenvoudig de buitenrand van dat gebied vormde.
Deventer groeide door muntrecht, tol en rechtspraak als machtscentrum
Deventer had al lang een bijzondere plaats in het kerkelijke en commerciële netwerk van de IJssel. Het verkrijgen van munt- en tolrechten in 1046 maakte het voor de Utrechtse bisschop aantrekkelijker om er bestuurlijke belangen te beschermen. Muntrecht gaf toegang tot een economische functie die in een handelsplaats zwaar kon wegen. Tolrecht kon inkomsten verschaffen uit bepaalde vormen van verkeer en goederenvervoer. Rechtsmacht bood mogelijkheden om conflicten te behandelen en regels te handhaven. Dat betekende niet dat iedere Deventenaar in het dagelijks leven rechtstreeks met de bisschop te maken kreeg. Plaatselijke geestelijken, kooplieden, bestuurders en grondbezitters bleven bestaan.
De goederen in Salland bestonden uit vele kleine bezitscomplexen
Niet alleen Deventer zelf telde. De bronnen noemen ook oude goederen en nederzettingen in de omgeving, waaronder Borgelo, Bergelo, Bursen, Sinderen en Hunderen. Van sommige namen staat de ligging niet volledig vast. Hun belang ligt in de verspreiding van rechten over het achterland. Het kon gaan om een afzonderlijke akker, inkomsten uit een hoeve, een oud hof of andere aanspraken. Het ontstaan van bisschoppelijke macht moet daarom niet uitsluitend worden beschreven als een reeks nieuwe graafschappen. Een groot deel van het vermogen bestond uit afzonderlijke goederen en inkomsten die door lokale bewoners werden voortgebracht, vaak al generaties vóór de schenking.
In 1046 stonden de IJssel en Drenthe binnen één bestuurlijk netwerk
Door rechten bij Deventer en in Drenthe samen te bekijken, wordt zichtbaar waarom het verkeer over land en water zo belangrijk was. De IJssel gaf toegang tot een aantal belangrijke nederzettingen en bood aansluiting op Salland. Verder noordelijk moesten reizigers door zandgebieden, beekdalen en venen trekken. Het beheer van grondbezit vereiste brieven, bezoeken, vertegenwoordigers en soms het vervoer van goederen. De bestaande lokale machtsstructuren verdwenen niet door een oorkonde. Juist hun aanwezigheid bepaalde hoe uitvoerbaar een koninklijke schenking was. De bisschop had beheerders nodig die bekend waren met de inwoners, rechten en wegen van hun streek.
In 1048 kreeg het kapittel van Sint-Pieter de hof van Uffelte
Bisschop Bernold schonk in 1048 de hof van Uffelte aan het Utrechtse kapittel van Sint-Pieter. Daardoor werden inkomsten uit een Drents landbouwcomplex bestemd voor de geestelijken van een kapittelkerk ver buiten hun eigen woongebied. Het woord hof kan hier meer omvatten dan een enkel woonhuis: doorgaans ging het om een beheerseenheid met akkers, omliggende erven en financiële of agrarische verplichtingen. De schenking vormt een vast historisch aanknopingspunt. Hoeveel gebouwen Uffelte toen bezat en op welke manier elke verplichting werd geïnd, valt uit het schenkingsjaar alleen niet vast te stellen.
De latere voorraadschuren van Uffelte verklaren de economische functie
In latere documenten verschijnt Uffelte als hoofdhof met voorraadschuren waar landbouwproducten werden samengebracht. De boeren die tot het goederencomplex behoorden konden graan leveren en diensten verrichten. Omstreeks 1300 wordt in de kapitteladministratie nauwkeuriger beschreven wat van horigen werd verwacht. Bij een bezoek van de proost moesten zij onder meer voor paard en proviand zorgen. Deze gegevens verklaren hoe het systeem uiteindelijk werkte. Ze mogen niet zonder meer als letterlijke beschrijving van 1048 worden gebruikt. Voor de elfde eeuw toont de schenking vooral dat Drentse landbouwinkomsten beschikbaar werden gesteld aan het Utrechtse kerkelijke leven.
Ook Wittelte bleef binnen het grotere kerkelijke goederenverband
Wittelte wordt in de vroegste documenten onder een vorm als Withelte genoemd. Het dorp lag nabij Uffelte en Diever, tussen akkers, bossen en hogere zandgronden. Een bezitting in zo'n kleinere nederzetting kon onderdeel zijn van een beheer dat elders was gecentraliseerd. Later waren er pachtbetalingen en leveringen die via hoven of voorraadplaatsen werden geregeld. De ontwikkeling van Uffelte en Wittelte laat zien dat grotere kerkelijke instellingen niet uitsluitend rechtstreeks rondom hun eigen gebouwen grond bezaten. Verspreide erven konden samen de inkomsten van een kapittel ondersteunen. Voor 1040–1048 zijn het exacte aantal boeren en de omvang van ieder goed nog onbekend.
Bij Peelo ontstond later een uitzonderlijk herkenbaar hofstelsel
De bezittingen bij Peelo werden in de elfde eeuw verbonden met de groeiende Utrechtse kerkelijke macht. Archeologisch onderzoek toont hoe daar oudere boerenerven later in grotere beheerseenheden opgingen. Het erf Hovinge besloeg uiteindelijk meer dan een hectare en werd door een brede greppel omgeven. Een grote schuur kan zijn gebruikt om opbrengsten uit meerdere hoeven op te slaan. Bij het naburige Derkinge ontbrak een vergelijkbare oogstschuur, maar waren wel aanwijzingen voor een moestuin. Deze resultaten tonen de latere praktische uitwerking van bezit en beheer; zij bewijzen niet dat Hovinge direct in 1040 al zijn bekende omvang had.
Deel 6 — 1049–1075
Bernold, Willem I, bisschoppelijke kapittels, Drentse hoven, kerkbouw en verbindingen door het Oversticht
In 1049 nam bisschop Bernold deel aan een hervormingsvergadering in Mainz
Bernold was niet uitsluitend bestuurder van verre goederen en grafelijke rechten. In 1049 nam hij deel aan een grote kerkvergadering in Mainz, waar paus Leo IX en keizer Hendrik III aanwezig waren. Daar kwamen vragen aan de orde over kerkelijke ambten, het kopen van geestelijke functies en het gedrag van geestelijken. Deze bijeenkomst laat zien dat de ontwikkeling van Utrecht ook in een bredere hervormingsbeweging stond. Dezelfde bisschop die rechten in Drenthe en Deventer beheerde, hoorde tot de kring van geestelijke leiders die veranderingen binnen de kerk bespraken. Kerkpolitiek en wereldlijke belangen bestonden in de praktijk naast elkaar.
Bernold versterkte de Utrechtse kapittels met grondbezit en inkomsten
Tijdens Bernolds bestuur werden Utrechtse kerkelijke instellingen uitgebouwd. Vooral Sint-Pieter en Sint-Jan zijn verbonden met zijn naam, naast de ontwikkeling van oudere religieuze gemeenschappen. Kanunniken verrichtten de eredienst en hadden daarvoor duurzame inkomsten nodig. Die kwamen onder meer uit afzonderlijke hoven, tienden en andere rechten. Een schenking als die van Uffelte in 1048 maakte de verbinding bijzonder tastbaar: graan en landbouwinkomsten uit Drenthe ondersteunden een geestelijke instelling in Utrecht. Omgekeerd werd het noordelijke bezit onderdeel van een administratie waarvan de leiding zich ver weg bevond. Dat maakte vertegenwoordigers en beheershoven noodzakelijk.
De Utrechtse Sint-Pieterskerk en de Sint-Janskerk maakten macht zichtbaar
Bernold wordt in de overlevering als een belangrijk kerkenbouwer beschouwd. De kapittelkerken Sint-Pieter en Sint-Jan behoren tot de instellingen die met zijn episcopaat samenhangen. Grote stenen kerken vroegen kostbare materialen, vaklieden en langdurige organisatie. Hun bestaan laat zien dat religieuze macht ook een materiële kant had. Achter de muren, zuilen en koorgebeden stonden inkomsten uit landgoederen en bijdragen van grondgebruikers. Over de vraag welke afzonderlijke bouwcampagnes Bernold persoonlijk leidde, bestaat niet voor elk gebouw even hard bewijs. Zijn betekenis voor de inrichting van het Utrechtse kerkelijke landschap blijft niettemin groot.
In 1054 eindigde het episcopaat van Bernold
Bernold overleed in 1054, na een periode waarin de Utrechtse wereldlijke belangen aanzienlijk waren toegenomen. Onder Hendrik III had de kerk goederen in Drenthe en Groningen, rechten bij Deventer en een graafschap in Hamaland verworven of bevestigd gekregen. Daarbij bleven oudere bezittingen van kapittels en abdijen bestaan. De bisschop liet zijn opvolger dus geen samenhangend bestuursgebied na dat overal volgens dezelfde regels functioneerde. Hij liet een netwerk na van landgoederen, juridische aanspraken, kerkelijke instellingen en plaatselijke relaties. Die veelvormigheid verklaart waarom de bestuurlijke geschiedenis van het latere Oversticht zo moeilijk aan één gebeurtenis of één datum kan worden verbonden.
Vanaf 1054 bestuurde Willem I het bisdom Utrecht
Willem I volgde Bernold op en bleef bisschop tot 1076. Tijdens zijn ambtsperiode werden de spanningen tussen de koning, hervormingsgezinde geestelijken en de pauselijke omgeving steeds sterker. Willem moest daarnaast de gewone bestuurlijke verplichtingen van het bisdom blijven verzorgen. Drenthe lag op grote afstand van Utrecht, net als bepaalde goederen in Salland, Twente en het noordelijke waterland. Rechtspraak, inning van inkomsten en bescherming van bezit konden niet voortdurend door de bisschop zelf worden uitgevoerd. Daarom werd de positie van hofbeheerders, proosten, schouten en andere vertegenwoordigers belangrijker. Hun lokale kennis was onmisbaar voor effectief bestuur.
In de tweede helft van de elfde eeuw bleven hoven centrale verzamelplaatsen
Een kerkelijke hof kon de opbrengsten van een reeks afhankelijke boerderijen verzamelen. Het ging niet alleen om landbouwproducten die meteen naar Utrecht werden vervoerd. Een deel kon worden gebruikt voor plaatselijke verplichtingen, voorraden en het onderhoud van reizende functionarissen. De administratie moest bijhouden wie een betaling verschuldigd was en op grond van welk recht. Voor de Drentse dorpen is juist het verschil tussen oorspronkelijke schenking en later gedocumenteerde hoforganisatie belangrijk. De schenking van 1048 toont het ontstaan van een rechtsverhouding; meer gedetailleerde beschrijvingen uit latere eeuwen laten zien hoe die verhouding zich vervolgens kon ontwikkelen.
De archeologie van Peelo laat veranderingen in agrarisch beheer herkennen
In Peelo zijn boerderijen en erven onderzocht waarvan de oudste fasen voorafgaan aan de verwerving van koninklijke goederen door Utrecht. Later veranderde vooral het erf Hovinge ingrijpend. Het werd een groter, omgreppeld complex, met een opvallend opslaggebouw. De tegenstelling met Derkinge, waar aanwijzingen voor een moestuin maar niet voor dezelfde grote schuur werden gevonden, is veelzeggend. Archeologische sporen en de studie van P.N. Noomen ondersteunen het idee van een bijzondere beheersfunctie. Tegelijk blijft datering noodzakelijk: uit een later ontwikkelde hoofdhof mag niet zonder meer worden geconcludeerd dat alle bijbehorende instellingen en gebouwen al midden in de elfde eeuw bestonden.
De goederen rond Rolde werden vermoedelijk vanuit meerdere centra beheerd
Het Rolder dingspel omvatte dorpen als Rolde, Balloo en Anloo, waar oudere religieuze en bestuurlijke functies samenkwamen. De aanwezigheid van bisschoppelijk bezit betekent niet dat in iedere plaats een afzonderlijke centrale hof bestond. P.N. Noomen ziet aanwijzingen dat bepaalde goederen vanuit Anloo werden beheerd. Voor Balloo is een grote bisschoppelijke domeinhof in de vroege periode niet overtuigend bewezen. Bovendien verschilden functies: een kerk kon religieus middelpunt zijn, een hof kon opbrengsten verzamelen, en een andere plaats kon een latere rechtsvergadering herbergen. Die functies liepen soms samen, maar hoeven historisch niet op dezelfde plek of in dezelfde eeuw te zijn ontstaan.
Het Drentse landschap bepaalde de bereikbaarheid van de nederzettingen
Boerderijen in Drenthe stonden op relatief droge zandgronden, vaak nabij essen en beekdalen. Voor het verkeer waren natuurlijke ruggen belangrijk: de Hondsrug bood een noord-zuidverbinding, terwijl de Rolderrug een andere route door het gebied vormde. Door natte laagten en over beekdalen waren slechts bepaalde overgangen praktisch bruikbaar. Het verklaart waarom kerken, grotere erven en later versterkingen vaak dicht bij verbindingen lagen. Toch is het bestaan van een landschappelijk logische route niet hetzelfde als een schriftelijk aangetoonde bisschoppelijke reisweg. Voor de elfde eeuw moeten archeologie, oude topografie en oorkonden elkaar aanvullen om afzonderlijke verplaatsingen werkelijk te kunnen bewijzen.
De weg vanuit Utrecht naar Drenthe kende verschillende mogelijkheden
Wie vanuit Utrecht naar het noorden ging, kon waar mogelijk waterwegen gebruiken, maar niet het hele traject was vanzelf bevaarbaar. De Vecht gaf toegang tot het noordelijke binnenwater, terwijl de IJssel verbindingen met Deventer en de noordelijke delta bood. Vanuit het Overijsselse achterland liepen landwegen in de richting van Steenwijk, Diever en de Drentse zandgronden. Rivierovergangen en veengebieden konden een omweg noodzakelijk maken. De afstand verklaart de waarde van plaatselijke vertegenwoordigers. Tegelijk is onbekend welke afzonderlijke goederen in de elfde eeuw daadwerkelijk in Utrecht werden afgeleverd en welke voorraden of betalingen ter plaatse bleven.
De IJssel verbond Deventer met het rivierengebied en het noorden
Langs de IJssel lagen naast Deventer andere nederzettingen en goederencomplexen. Mensen en goederen konden langs deze route reizen, waar de omstandigheden dat toelieten. Deventer had als kerkelijke plaats al een lange geschiedenis en was tevens een belangrijk centrum van handel en vakmanschap. De koninklijke schenking van 1046 had daarom economische gevolgen voor de bisschop: munt, tol en rechtsmacht konden inkomsten en invloed verschaffen. Toch was het niet de enige verbinding met het noorden. De Utrechtse Vecht, de Overijsselse Vecht en kleinere waterlopen vormden onderdelen van een bredere regionale verkeerswereld, die niet in één vaste handelsroute kan worden samengevat.
Het Zwarte Water, de Vecht en de Sethe boden verbindingen naar Vollenhove
Het latere landschap van Zwolle, Kampen, Genemuiden, Zwartsluis en Vollenhove mag niet zonder meer worden teruggezet naar de elfde eeuw. De waterstand, oevers en omvang van het open water veranderden. Toch vormden de verbindingen tussen de IJsselmonding, de Overijsselse Vecht, het Zwarte Water en de noordelijke waterlopen een belangrijk geografisch uitgangspunt. Ook de oude Sethe, de Steenwijker Aa, de Linde en de Kuinder horen bij het onderzoek naar de bereikbaarheid. Dergelijke waterwegen konden betekenis hebben voor visserij, verkeer en de exploitatie van natte gronden. Concrete scheepsroutes en tolpunten vragen afzonderlijk bewijs.
De eerste ontginningen rond Vollenhove zetten zich vermoedelijk voort
De bewoning op en bij de hogere gronden van Vollenhove lag naast uitgestrekte veengebieden. Onderzoek naar Noordwest-Overijssel wijst erop dat de eerste middeleeuwse ontginningen plaatselijk mogelijk al rond 950 begonnen. In de elfde eeuw kan deze uitbreiding vanuit bestaande woonplaatsen verder zijn gegaan. Ontginners maakten sloten en brachten stroken grond in gebruik. Door de afwatering veranderde de samenstelling en hoogte van het veen. De natte omgeving bood dus niet alleen beperkingen, maar ook kansen voor de uitbreiding van akkers en bewoning. De exacte fasering verschilde per ontginningsblok; twaalfde-eeuwse oorkonden leveren hiervoor later duidelijker bewijs.
De natte gronden veranderden zodra ontginners sloten aanlegden
Veen kon na ontwatering tijdelijk beter geschikt worden voor landbouw. Tegelijk begon de bodem in te klinken en langzaam te verteren, waardoor de percelen lager kwamen te liggen. Dat kon een nieuwe afwatering noodzakelijk maken en uiteindelijk een verplaatsing van landbouw of bewoning veroorzaken. Dit proces is belangrijk om de latere veranderingen rond Kuinre, IJsselham en Blankenham te begrijpen. Niet alle bekende middeleeuwse percelen ontstonden in dezelfde eeuw. De bewoners van de elfde eeuw hebben het landschap waarschijnlijk stap voor stap aangepast, terwijl de grote georganiseerde ontginningen die in de bronnen van 1132 zichtbaar worden nog een verdere ontwikkeling zouden vormen.
De grotere Drentse dorpen bleven landbouwgemeenschappen
Anloo, Vries, Rolde, Eelde, Beilen en Emmen waren verbonden met een landschap van akkers, graslanden, bossen en beekdalen. Veel bewoners leefden van landbouw en veeteelt, zonder een plaats in de bewaard gebleven oorkonden te krijgen. Rond de huizen stonden bijgebouwen voor opslag en werk. Kuilen, greppels, aardewerk en soms waterputten zijn de materiële overblijfselen van dat bestaan. Schriftelijke bronnen vertellen vooral over grondbezit, tienden en gezag; archeologie toont hoe huizen en erven daadwerkelijk werden ingericht. Samen laten ze zien dat politieke verandering het dagelijkse werk van boeren niet verving, maar er wel nieuwe verplichtingen aan kon verbinden.
In de elfde eeuw werd de houten kerk van Vries door steenbouw gevolgd
Vries behoorde tot de oudste kerkelijke centra van Noord-Drenthe. Bouwhistorische en archeologische gegevens wijzen op houten voorgangers en een vroege fase van tufsteenbouw. De exacte volgorde van alle bouwfasen blijft onderwerp van onderzoek, maar delen van de ontwikkeling worden in de elfde eeuw geplaatst. Het gebruik van tufsteen vergde materiaaltransport en gespecialiseerde bouwkennis. De kerk was bedoeld voor een groter verzorgingsgebied dan de directe omgeving van het gebouw. Pas latere oorkonden laten duidelijk zien hoe parochies en dochterkerken onderling verbonden waren. Een stenen kerk in de elfde eeuw bewijst daarom niet dat alle later bekende kerkelijke rechten toen al dezelfde vorm hadden.
Rolde en Anloo hadden oudere religieuze centra dan hun schriftelijke vermeldingen
Onder de latere stenen kerken van Rolde en Anloo zijn aanwijzingen voor oudere houten gebouwen en begravingen aangetroffen. Het gaat om een ontwikkeling die deels al vóór 1000 begon en in de elfde eeuw doorwerkte. Bij Rolde zijn twee houten voorgangers bekend. Voor Anloo is de reconstructie van een lange reeks bouwfasen voorgesteld, al zijn niet alle afzonderlijke dateringen zeker. Deze plaatsen waren dus geen nieuwe kerkelijke stichtingen zodra zij later in een oorkonde werden genoemd. De vraag wie het initiatief voor de eerste kerken nam, blijft moeilijk te beantwoorden. Bisschoppelijk bezit in de omgeving maakt betrokkenheid mogelijk, maar vormt niet altijd direct bewijs.
Tegen 1075 werd het bestuur ook door de opkomende kerkhervorming beïnvloed
De verhouding tussen koningen en bisschoppen veranderde in de loop van de elfde eeuw. Steeds sterker werd de vraag of de koning een bisschop mocht benoemen en hem symbolen van zijn ambt mocht overhandigen. Hervormingsgezinde geestelijken wilden de kerk onafhankelijker maken van wereldlijke heersers. Voor Utrecht lag het probleem bijzonder ingewikkeld: de bisschop bezat niet alleen kerken en liturgische taken, maar ook grafelijke rechten, inkomsten en bestuurlijke ambten die hij aan koninklijke gunst ontleende. Tegen het einde van Willems episcopaat stonden die twee kanten van het bisschopsambt steeds duidelijker onder spanning. De grote confrontatie volgde vanaf 1076.
Deel 7 — 1076–1100
De Investituurstrijd, Hendrik IV, de bisschoppen van Utrecht en Münster, kerkelijke belangen en Drentse dorpen
In 1076 brak de strijd tussen Hendrik IV en paus Gregorius VII openlijk uit
De Investituurstrijd draaide om de vraag wie het recht had bisschoppen aan te stellen en de macht die bij hun ambt hoorde te bevestigen. Hendrik IV beschouwde de hoogste geestelijken als belangrijke steunpilaren van zijn koningschap. Paus Gregorius VII verzette zich tegen wereldlijke bemoeienis met kerkelijke benoemingen. In 1076 raakten hun meningsverschillen openlijk in een crisis. Dit conflict had niet alleen betekenis voor Rome en het koninklijke hof. Het trof ook Utrecht en Münster, waar bisschoppen grote bezittingen en rechten beheerden. Een verandering in de erkenning van hun ambt kon politieke en economische gevolgen hebben voor hun onderdanen.
De bisschoppen van Utrecht en Münster hadden een dubbele positie
Een bisschop leidde een kerkelijk gebied waarin geestelijken en parochies waren georganiseerd. Tegelijkertijd kon hij optreden als heer over hoven, gerechtelijke rechten en grafelijke bezittingen. Daardoor hing zijn positie zowel af van kerkelijke erkenning als van relaties met koningen en wereldlijke machthebbers. Tijdens de Investituurstrijd werd deze combinatie bijzonder kwetsbaar. Een bisschop die de paus steunde, kon in conflict komen met de vorst die zijn wereldlijke bevoegdheden had bevestigd. Wie de koning steunde, kon te maken krijgen met geestelijke tegenstanders. Voor Drenthe, Salland en Twente betekende dit dat de strijd op grote afstand gevolgen kon hebben voor het bestuur.
In 1076 volgde Koenraad de overleden bisschop Willem I op
Na het overlijden van Willem I werd Koenraad bisschop van Utrecht. Hij bestuurde het bisdom van 1076 tot 1099 en stond voor de opdracht de verworven rechten van zijn voorgangers te behouden. De verschillende bezittingen van Utrecht lagen verspreid over het rivierengebied, Drenthe en het oostelijke achterland. Een nieuwe bisschop kon niet eenvoudig op elke plaats zelfstandig vaststellen welke rechten daadwerkelijk werden nagekomen. Hij moest steunen op de administratie van kerkelijke instellingen en op plaatselijke beheerders. De Investituurstrijd maakte die afhankelijkheid ingewikkelder, doordat koninklijke en pauselijke steun niet altijd aan dezelfde kant stonden.
De pauselijke ban tegen Hendrik IV veroorzaakte nieuwe politieke verdeeldheid
De strijd verscherpte toen Gregorius VII de koning onder kerkelijke straf plaatste. Duitse vorsten die Hendrik IV wilden verzwakken, gebruikten de crisis om hun eigen positie te versterken. Een kerkelijke straf kon zo onmiddellijke politieke gevolgen krijgen. De koning had de steun van hertogen en bisschoppen nodig om zijn plaats te behouden. Tegelijk probeerden zijn tegenstanders een andere machtsverdeling tot stand te brengen. Voor de gebieden rond Münster was de Saksische adel bijzonder belangrijk. Via verwantschap en bezit stond deze wereld ook in verbinding met Twente en het IJsselgebied. De huidige staatsgrens bestond in die periode nog niet.
In januari 1077 zocht Hendrik IV bij Canossa verzoening met de paus
Hendrik IV reisde naar Italië en verscheen in januari 1077 bij het kasteel Canossa. Hij probeerde de kerkelijke ban opgeheven te krijgen en zijn positie als koning te herstellen. De verzoening kwam tot stand, maar daarmee waren de politieke tegenstellingen niet opgelost. Binnen het rijk bleef verzet bestaan. De Investituurstrijd ging daarna verder als een reeks diplomatieke en militaire confrontaties. Voor Utrecht en Münster lag juist daarin het gevaar. De benoeming van een bisschop stond niet los van het recht om goederen te besturen, inkomsten te innen en op plaatselijk niveau ambten toe te wijzen. Achter een geestelijke kwestie lagen dus ook belangen van land en macht.
De adel langs de IJssel moest zijn positie naast Utrecht blijven bepalen
De Utrechtse bisschop bezat sinds de eerste helft van de elfde eeuw belangrijke grafelijke en economische rechten. Toch waren de adellijke families in Hamaland, Salland en Twente niet verdwenen. Zij hielden eigen bezittingen en konden als getuigen, leenmannen of bestuurders optreden. Tijdens de Investituurstrijd veranderden bondgenootschappen soms snel. Een plaatselijke familie kon haar belangen mede laten afhangen van de verhouding tot de koning, de bisschop en andere heren. Zonder afzonderlijk bewijs kunnen die families niet eenvoudig als aanhangers van één partij worden ingedeeld. De documenten laten vooral zien dat de politieke wereld bestond uit overlappende aanspraken en persoonlijke overeenkomsten.
Ook in Drenthe bleef de bisschop afhankelijk van plaatselijke gemeenschappen
Hoewel Utrecht formele grafelijke rechten bezat, leefden de bewoners van Drenthe binnen bestaande dorpsstructuren. Boeren moesten hun akkers bewerken, vee verzorgen, sloten onderhouden en goederen naar een hof brengen wanneer daarvoor een verplichting bestond. De bisschop kon niet vanuit Utrecht voortdurend toezicht houden. Hij had vertegenwoordigers nodig die het terrein, de bewoners en de plaatselijke rechten kenden. Dat maakte zulke functionarissen invloedrijk. Hun ambt bood toegang tot informatie, inkomsten en aanzien. De latere geschiedenis van de heren van Coevorden laat zien welke zelfstandige positie uit dat soort functies kon ontstaan. Voor 1076–1100 moet die latere macht echter nog niet als volledig ontwikkeld worden voorgesteld.
De hoven van Sint-Pieter bleven een economische basis voor kerkelijk gezag
De Utrechtse kapittels hadden inkomsten nodig, ongeacht de strijd over kerkelijke benoemingen. De hof van Uffelte, die in 1048 aan Sint-Pieter was geschonken, vormde daarvan een voorbeeld. Bij een hof konden afhankelijke hoeven horen waarvan de bewoners landbouwproducten of andere prestaties moesten afdragen. Niet alle goederen hoefden naar Utrecht te worden vervoerd. Een deel kon lokaal worden opgeslagen of verbruikt. De later beschreven hoofdhof met voorraadschuren laat zien hoe omvangrijk het beheer uiteindelijk werd. De exacte verplichtingen van de elfde-eeuwse bewoners zijn minder goed gedocumenteerd. Daarom moet het duurzame bezit worden onderscheiden van latere details in de administratie.
De omgeving van Peelo toont hoe landbouw en macht elkaar ontmoetten
Bij Peelo waren boerenerven aanwezig die in de loop van de middeleeuwen veranderden. Het later als Hovinge aangeduide erf kreeg een bijzondere functie, herkenbaar aan de grote omvang, de omgreppeling en de opslagmogelijkheden. Andere erven, zoals Derkinge, waren anders ingericht. De gebouwen en greppels tonen een materiële kant van het kerkelijke grondbezit die uit een oorkonde niet blijkt. Een grote schuur kon de verzamelde oogst uit meer dan één boerderij bevatten. Tegelijk vormt niet iedere archeologische bouwfase direct een bewijs voor dezelfde politieke gebeurtenis. De chronologie van de gebouwen moet worden gecontroleerd voordat zij met de rechten uit 1040 en 1048 worden verbonden.
In de late elfde eeuw kregen Drentse kerken herkenbare stenen bouwfasen
Vries, Anloo, Rolde en Diever behoorden tot de kerkelijke plaatsen met een oudere voorgeschiedenis. Houten gebouwen en grafvelden gingen vooraf aan de latere stenen kerken. In de tweede helft van de elfde eeuw en rond 1100 verschenen op verschillende plaatsen tufstenen bouwfasen. Het bouwen in steen betekende een grote investering. Materiaal moest worden aangevoerd en vakmensen moesten de funderingen, muren en daken vervaardigen. Dat veronderstelt een organisatie die de mogelijkheden van een enkel huishouden overtrof. Toch levert het bouwmateriaal op zichzelf geen bewijs voor de naam van de stichter. De precieze verhouding tussen bisschop, plaatselijke elite en dorpsgemeenschap verschilde waarschijnlijk per kerk.
Bij Rolde waren kerkelijke en latere rechterlijke functies niet identiek
De kerk van Rolde werd in latere eeuwen een plaats waar het hoogste Drentse rechtscollege, de Etstoel, kon vergaderen. Ook Balloo en Anloo worden met dergelijke bijeenkomsten verbonden. Maar het bestaan van een oudere kerk of begraafplaats bewijst niet dat alle latere gerechtelijke functies al in de elfde eeuw aanwezig waren. De Balloërkuil geldt bijvoorbeeld niet als overtuigend bewezen middeleeuwse gerechtsplaats. De voorstelling van dit terrein als oeroude vergaderkuil werd mede verspreid door zeventiende-eeuwse schrijvers. Historisch zorgvuldig onderzoek moet de religieuze geschiedenis van Rolde scheiden van latere rechtspraak en van nog jongere plaatselijke tradities.
Rond 1080 wordt voor Roderwolde een vroege parochie verondersteld
Roderwolde lag aan de rand van de oudere zandgronden en het veenland. Regionale historische beschrijvingen verbinden het ontstaan van de nederzetting met ontginningen in de elfde eeuw. Soms wordt een kerk rond 1080 genoemd. Deze datering is echter niet rechtstreeks bevestigd door een bewaarde oorkonde uit dat jaar. De vroegste zekere schriftelijke vermelding van Roterwolde is later, in 1139. Ook de zelfstandigheid van de parochie wordt in verschillende studies anders gedateerd. Het mogelijke vroege ontstaan blijft waardevol als onderzoekshypothese, maar mag niet worden gelijkgesteld aan een bewezen kerkstichting van precies 1080.
De veenranden bij Roderwolde vormden geen overal gelijktijdig bewoningsgebied
Ten noorden van Roderwolde liggen natte gronden waar later kleine veenterpen werden opgeworpen. Bij de Kleibosch, de Matsloot-Roderwoldepolder en de Peizer- en Eeldermaden zijn dergelijke woonplaatsen onderzocht. De vindplaatsen leverden aardewerk, dierlijke botten en andere bewoningssporen op. De meeste onderzochte veenterpen dateren vooral uit de twaalfde tot veertiende eeuw. Ze vormen dus geen rechtstreeks bewijs voor een dichtbewoond veengebied in 1080. Wel maken ze zichtbaar hoe bewoners later met wateroverlast omgingen en de natte gebieden steeds intensiever gebruikten. De vroege zanddorpen en de latere veenbewoning moeten in een chronologische reconstructie van elkaar worden onderscheiden.
De abdij Werden hield contact met Twente en Drenthe
Een ander netwerk liep van de abdij Werden aan de Ruhr via Twente naar Groningen en de Ommelanden. Werden bezat goederen bij Oldenzaal en in verschillende Drentse dorpen. Een latere, twaalfde-eeuwse goederenlijst laat zien dat onderweg voedsel, geld en veevoer van afzonderlijke hoeven konden worden ontvangen. De boeren waren daardoor niet uitsluitend leveranciers van een klooster dat ver weg lag. Hun bedrijven lagen op plaatsen die voor reizende vertegenwoordigers betekenis konden hebben. Het is onzeker welke van de later beschreven verplichtingen al rond 1080 bestonden. De lange geschiedenis van het Werdense bezit toont echter dat een oud netwerk naast de groeiende Utrechtse macht bleef functioneren.
De doorgaande wegen verbonden Drenthe met Groningen en Münster
De hogere zandgronden vormden natuurlijke routes door een landschap met grote natte gebieden. De Hondsrug bood verbindingen richting Groningen, terwijl via Coevorden en het zuidoostelijke grensgebied toegang tot Westfalen bestond. Vanuit het westen waren Steenwijk en de hogere gronden bij Vollenhove van belang. Reizigers moesten rekening houden met de gesteldheid van wegen en beekovergangen. Het vervoer van graan, hooi en andere producten met karren vergde een andere organisatie dan reizen over water. Voor de bisschoppen betekende deze geografische werkelijkheid dat bestuurlijke macht niet op een kaart alleen berustte. Zij moest langs bestaande verbindingen daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend.
Tegen het einde van de elfde eeuw werd ook de kerkelijke strijd gewelddadig
Het conflict tussen Hendrik IV en zijn tegenstanders bleef niet beperkt tot kerkvergaderingen of brieven. De strijd had militaire gevolgen en verdeelde vorsten en bisschoppen. Koenraad van Utrecht moest zijn positie als geestelijk leider en wereldlijk heer binnen deze omstandigheden behouden. In het Oversticht liepen daarnaast oude rechten van kapittels, abdijen en plaatselijke families door elkaar. Een groot deel van de bevolking bleef werken op de eigen boerderij, ook wanneer op hoger niveau bondgenootschappen veranderden. Juist daarom tonen oorkonden slechts één deel van de geschiedenis. De gevolgen voor de gewone bewoners moeten worden onderzocht via lasten, landgebruik en plaatselijke conflicten.
In 1099 werd bisschop Koenraad van Utrecht vermoord
Koenraads regering eindigde in 1099 door geweld. De moord toont dat ook een hoge geestelijke bestuurder niet buiten persoonlijke vijandschappen en politieke spanningen stond. De precieze motieven van betrokkenen moeten uit de afzonderlijke verhalende bronnen worden gereconstrueerd. Na zijn dood werd een nieuwe bisschop noodzakelijk. Daarmee kwam opnieuw de vraag op wie de opvolger zou steunen en welke rechten hij kon handhaven. Voor Drenthe en Salland betekende een wisseling aan de top niet dat bestaande hoven en parochies verdwenen. De inkomsten en verplichtingen bleven bestaan, terwijl de verhouding met de nieuwe machthebber opnieuw kon worden bepaald.
Rond 1100 waren de politieke rechten en het dagelijkse leven ongelijk veranderd
De Utrechtse bisschop bezat sinds de elfde eeuw belangrijke grafelijke aanspraken, maar de Drentse en Overijsselse dorpen bleven in hoofdzaak agrarische gemeenschappen. Houten boerderijen werden vervangen, erven verplaatst en nieuwe kerkgebouwen opgericht. In het natte land rond Vollenhove en de Friese grensgebieden begonnen verdere landschapsveranderingen. Ondertussen bleven kloosters en kapittels over grote afstanden rechten op landbouwopbrengsten uitoefenen. De Investituurstrijd veranderde de politieke verhoudingen waarin deze rechten werden beschermd. Er was echter nog geen volledig samenhangend bisschoppelijk territorium met één bestuur, één rechtsgang en één vaste hoofdstad voor alle noordelijke bezittingen.
Deel 8 — 1101–1119
Burchard en Godebald, Hendrik V, de Friese graafschappen, Deventer, Kuinre en de strijd om Münster
Vanaf 1100 bestuurde bisschop Burchard een uitgestrekt geheel van rechten
Burchard was bisschop van Utrecht van 1100 tot 1112. Hij erfde een kerk die niet alleen binnen de muren van Utrecht betekenis had. In Drenthe, Salland, Twente en het IJsselgebied beschikte zij over verspreide grafelijke bevoegdheden, grondbezit en inkomsten. Daarnaast waren kapittels en kloosters afzonderlijke bezitters van hoeven en landgoederen. De Investituurstrijd maakte het moeilijker om deze rechten politieke bescherming te geven. Toch moesten de gewone zaken doorgaan: geestelijken kregen hun inkomsten, hoven werden beheerd en conflicten over bezit werden behandeld. Een nieuwe bisschop moest daarom zowel de kerkelijke organisatie als de wereldlijke belangen onderhouden.
De benoeming van bisschoppen bleef een bron van strijd
De Investituurstrijd was na de gebeurtenissen van 1076 en de gang naar Canossa niet beëindigd. Koningen wilden invloed houden op geestelijke ambtsdragers die over omvangrijke bezittingen en bestuurlijke bevoegdheden beschikten. Hervormingsgezinde kerkelijke leiders wilden juist dat geestelijke benoemingen onafhankelijk van die wereldlijke macht tot stand kwamen. Voor Utrecht en Münster was deze vraag bijzonder belangrijk. Hun bisschoppen konden aan de ene kant door de paus als religieuze leiders worden erkend en aan de andere kant voor het beheer van grafelijke rechten koninklijke bevestiging nodig hebben. Daardoor werd iedere opvolging ook een mogelijke politieke keuze.
Vanuit Deventer konden de Utrechtse belangen langs de IJssel worden bereikt
Deventer behield zijn betekenis als kerkelijke en economische plaats. De rechten die Hendrik III in 1046 aan Utrecht had overgedragen, waaronder munt, tol en rechtspraak, gaven de bisschop een duidelijke positie. De IJssel verbond de omgeving met Zutphen, Salland en noordelijke watergebieden. Vanuit Deventer liepen landverbindingen naar Twente en de gebieden richting Oldenzaal en Münster. Een recht op papier betekende niet dat alle handel vanzelf onder één bestuur viel. De stad had eigen inwoners, kooplieden en kerkelijke instellingen. De betekenis lag vooral in de combinatie van verkeersligging, inkomsten en een lange religieuze geschiedenis.
De noordelijke wegen liepen door gebieden met verschillende machthebbers
De weg van Utrecht via de IJssel naar Twente en Münster vormde geen onveranderlijke, overal bestrate route. Reizigers waren afhankelijk van bruggen, doorwaadbare plaatsen, veerverbindingen en begaanbare zandgronden. Onderweg passeerden zij gebieden waar graafschappen, bisschoppelijke rechten, adellijke goederen en kloosterbezit door elkaar liepen. Bij Oldenzaal lag een belangrijk kerkelijk centrum met het Sint-Plechelmuskapittel. Verder oostwaarts werden de verbindingen met Bentheim en Westfalen belangrijk. Voor het verkeer waren ook lokale markten en plaatsen waar paarden en reizigers verzorgd konden worden van betekenis. Niet iedere latere tol, haven of weg kan zonder afzonderlijk bewijs al vóór 1120 worden gedateerd.
Omstreeks 1100 werd Anloo herkenbaar door een stenen kerk
De Magnuskerk van Anloo bezit een tufstenen bouwfase die gewoonlijk rond 1100 wordt geplaatst. Onder het latere kerkgebouw kwamen bij archeologisch onderzoek resten van oudere houten constructies en leem tevoorschijn. De kerk had dus vermoedelijk een langere voorgeschiedenis. Zij werd belangrijk voor een groter gebied in Oostermoer. Het bouwen in tufsteen vroeg om steentransport en vakmanschap dat niet vanzelfsprekend in ieder boerengezin aanwezig was. De organisatie van een dergelijke bouwcampagne wijst op de bijzondere plaats van een kerkelijk centrum. Over de exacte opeenvolging van de oudste bouwfasen en over de betrokken stichters bestaat evenwel onzekerheid.
Ook Vries kreeg een belangrijke plaats in het Noord-Drentse kerkennetwerk
De kerk van Vries kende verschillende houten en stenen bouwfasen. In het begin van de twaalfde eeuw vervulde zij een centrale functie voor omliggende nederzettingen. Latere documenten verbinden Eelde, Norg, Roden en Roderwolde met het grotere parochiale netwerk. De precieze zelfstandigheid van de dochterkerken moet voor iedere plaats afzonderlijk worden gedateerd. De kerk van Vries werd niet uitsluitend bezocht door mensen uit het onmiddellijke dorp; een moederparochie kon bewoners van een groter gebied bedienen. Dat maakte kerken ook tot plaatsen waar bewoners van verschillende nederzettingen met elkaar in contact kwamen, naast de religieuze functies van doop, mis en begraven.
Rond 1100 verschenen ook bij Vollenhove vermoedelijk stenen kerkgebouwen
Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd voor een vroege tufstenen kerk op het Hoge Land van Vollenhove. De oudste fase wordt meestal rond 1100 geplaatst. Volgens een reconstructie had het schip ongeveer acht bij vijf meter en het koor ongeveer vier bij vier meter. Onder het muurwerk lagen funderingen met veldkeien. Het gebouw was dus veel kleiner dan de latere kerk. De precieze bouwdatum en de opeenvolgende uitbreidingen vragen zorgvuldige controle. De aanwezigheid van een vroeg stenen kerkgebouw wijst op een religieuze gemeenschap die bouwmateriaal kon laten aanvoeren en een gezamenlijk bouwwerk kon onderhouden, lang vóór de latere stadsvorming.
De kerk van Vollenhove en de latere burcht hadden niet hetzelfde begin
Een kerkgebouw rond 1100 is een ander historisch verschijnsel dan de bisschoppelijke dwangburcht die traditioneel met 1165 wordt verbonden. De vroege kerk wijst op georganiseerde religieuze activiteiten en bewoning op de hogere gronden. Zij bewijst niet dat er op dat moment al een stenen kasteel of een ontwikkeld stedelijk bestuur bestond. Die latere ontwikkelingen hadden hun eigen politieke achtergrond. Voor deze periode zijn vooral de oudere woudrechten, de mogelijke grafelijke aanspraken en de plaatselijke ontginningen belangrijk. Door deze zaken chronologisch te scheiden, wordt voorkomen dat Vollenhove vanuit zijn latere militaire betekenis te vroeg als volledig bisschoppelijk machtscentrum wordt voorgesteld.
Omstreeks 1100 begon op sommige plaatsen een nieuwe fase van veenontginning
Tussen de hogere gronden van Vollenhove, Steenwijk en Friesland lagen uitgestrekte venen. Langs de waterlopen bevonden zich natte bossen en graslanden, terwijl verder landinwaarts hoogveen voorkwam. Vanuit oudere nederzettingen konden bewoners geleidelijk nieuwe stukken land bruikbaar maken. Daarvoor werden afwateringssloten gegraven en percelen in stroken verdeeld. De latere bronnen uit 1132 tonen dat zulke ontginningen inmiddels georganiseerd waren. Het begin daarvan lag vermoedelijk deels vroeger. Niet ieder perceel kan echter in de periode 1100–1119 worden geplaatst. Het landschap veranderde stapsgewijs en door inklinking van het veen ontstonden later opnieuw problemen met de waterhuishouding.
Rond 1100 werden motteversterkingen een zichtbaar teken van adellijke macht
Bij Rheebruggen in Drenthe ligt het Borgbarchien, een kunstmatige heuvel met sporen van een vroegmiddeleeuwse of volmiddeleeuwse versterking. De heuvel is ongeveer drie meter hoog en werd omgeven door een forse gracht, die oorspronkelijk circa twintig meter breed kan zijn geweest. Tijdens onderzoek werden onder meer middeleeuws aardewerk en een ijzeren bijl gevonden. Er zijn aanwijzingen voor verschillende bouwfasen, maar geen overtuigende resten van een bakstenen woontoren. De aanleg wordt vermoedelijk in de elfde of twaalfde eeuw geplaatst. Daarom is het mogelijk, maar niet zeker, dat de versterking rond 1100 al bestond. Ook de vroegste eigenaar is onbekend.
In 1106 kwam Hendrik V aan de macht na strijd met zijn vader
Hendrik V wist het koningschap over te nemen nadat hij zich tegen Hendrik IV had gekeerd. De machtswisseling maakte duidelijk hoe diep de Investituurstrijd de politieke verhoudingen had beschadigd. Hoewel een nieuwe koning aantrad, bleef de centrale vraag bestaan wie geestelijke leiders mocht benoemen en welke rechten daarmee samengingen. Vooral in Saksen en Westfalen behield de adel voldoende macht om zich tegen de vorst te verzetten. Voor Münster was de houding van Saksische machthebbers bijzonder belangrijk. Utrecht had eveneens met een ingewikkelde situatie te maken: de bisschop kon voor zijn wereldlijke aanspraken koninklijke bevestiging zoeken, terwijl de kerkelijke hervormingsbeweging dezelfde koning kon bestrijden.
In 1112 werd Godebald bisschop van Utrecht
Na Burchard kwam Godebald aan het hoofd van het Utrechtse bisdom. Hij wordt in de bronnen verbonden met Friese afkomst en bleef tot 1127 bisschop. Onder zijn bestuur werden de tegenstellingen binnen het rijk steeds scherper. Godebald had te maken met de rechten van Utrecht in het rivierengebied, Drenthe, het noorden en de Friese gebieden. De uiteenlopende bezittingen maakten zijn bestuurlijke positie sterk afhankelijk van lokale vertegenwoordigers. Deventer en de IJssel waren langs het water bereikbaar, terwijl in Drenthe en Friesland andere landschappelijke hindernissen golden. Door die verschillen konden koninklijke bevestigingen juridisch belangrijk zijn zonder overal onmiddellijk tot feitelijke controle te leiden.
In 1112 bevestigde Hendrik V Utrechtse aanspraken op Oostergo en Westergo
Nog in het jaar van Godebalds aantreden bevestigde Hendrik V de rechten van de Utrechtse kerk op de Friese graafschappen Oostergo en Westergo. Deze rechtshandeling is van belang omdat zij toont dat de strijd om het noorden al vóór het midden van de twaalfde eeuw speelde. De bisschop kreeg juridische steun voor zijn aanspraken, maar het bestaan van een oorkonde bewees niet dat de bewoners van Friesland in alle gevallen zijn bestuur daadwerkelijk accepteerden. Plaatselijke gemeenschappen en andere machthebbers konden de uitoefening van de rechten beperken. Het onderscheid tussen formeel bezit en daadwerkelijk gezag bleef daardoor net zo belangrijk als eerder in Drenthe.
De Friese rechten maakten het noordelijke waterland ook politiek belangrijk
Oostergo en Westergo lagen in een wereld van kustgebieden, waterlopen en landelijke gemeenschappen. Voor Utrecht betekende de bevestiging van 1112 niet dat de verbindingen met deze gebieden eenvoudig werden. Vanuit het bisschoppelijke centrum moesten brieven, vertegenwoordigers en soms gewapende mannen grote afstanden afleggen. Het open water en de natte gronden boden mogelijkheden voor verkeer, maar konden ook hindernissen vormen. Daarnaast hadden de bewoners eigen gebruiken en bestuurlijke tradities. De Friese aanspraken geven de latere gebeurtenissen rond Vollenhove een langere voorgeschiedenis. Het noordelijke Oversticht lag geografisch tussen de bisschoppelijke belangen bij de IJssel en het moeilijker te beheersen Friese kustgebied.
In februari 1115 werd Hendrik V bij Welfesholz verslagen
Een verbond van Saksische tegenstanders bracht Hendrik V bij Welfesholz een zware nederlaag toe. Hertog Lotharius speelde in de oppositie een belangrijke rol. Voor Westfalen en Münster werd daarmee duidelijk dat de koning zijn invloed niet overal zonder weerstand kon uitoefenen. Bisschoppen moesten hun positie bepalen tegenover twee sterke politieke kampen. De nederlaag was niet uitsluitend een militaire gebeurtenis. Zij had gevolgen voor de bescherming van bezittingen, de erkenning van benoemingen en de onderlinge verhoudingen van adellijke families. De verbinding tussen de Saksische politiek en het oostelijke grensgebied van Twente maakte deze strijd ook voor het verhaal tussen Utrecht en Münster van belang.
In 1118 nam Godebald deel aan de kerkvergadering van Fritzlar
Tijdens de synode van Fritzlar in 1118 werd de kerkelijke ban tegen Hendrik V opnieuw bevestigd. Godebald van Utrecht nam aan die bijeenkomst deel en schaarde zich daarmee aan de kant van de kerkelijke tegenstanders van de koning. Zijn positie was gevoelig, omdat hij zes jaar eerder nog koninklijke bevestiging had gekregen voor rechten in Friesland. Daarmee wordt zichtbaar dat politieke verhoudingen konden veranderen zonder dat oude oorkonden onmiddellijk hun betekenis verloren. Het geschil ging over meer dan een persoonlijke ruzie. Voor een bisschop met verspreide graafschappen, kapittels en hoven stond ook de bescherming van zijn goederen en zijn bestuurlijke invloed op het spel.
In 1119 verschijnt Kuinre in het noordelijke plaatsnamenmateriaal
De naam Kuinre wordt in historisch plaatsnamenonderzoek rond 1119 vermeld. De nederzetting lag bij de Kuinder of Tjonger en het grotere watergebied richting het Almere. Voor de geschiedenis van Noordwest-Overijssel is dat een vroeg aanknopingspunt, omdat de omgeving later belangrijk werd voor ontginning, scheepvaart en grensconflicten. Uit de vermelding alleen mag echter niet worden afgeleid dat in 1119 al een grote haven, een grafelijke burcht of een ontwikkeld stadsbestuur aanwezig was. Het document toont vooral dat de plaatsnaam en het landschap in de vroege twaalfde eeuw al herkenbaar waren. De latere ontwikkeling moet afzonderlijk worden onderzocht.
Kuinre, IJsselham en Vollenhove lagen in hetzelfde veranderende waterland
De nederzettingen bij Kuinre en op de hogere gronden van Vollenhove waren omgeven door riviertjes, veengronden en het noordelijke binnenwater. De omgeving van IJsselham kwam later eveneens duidelijk naar voren in kerkelijke en ontginningsdocumenten. De ligging langs waterlopen bood mogelijkheden voor vervoer en visserij. Tegelijk konden de bewoners slechts een deel van de natte gronden als akker gebruiken. Nieuwe sloten en strookvormige percelen veranderden het landschap. De precieze situatie rond 1119 mag niet worden verward met de kustlijn en de havens van latere eeuwen. De bekende oorkonden over georganiseerde ontginningen volgen pas vanaf de jaren 1130.
Tegen 1119 groeide de tegenstelling tussen Hendrik V en de Saksische adel
Na Welfesholz bleef de politieke weerstand in het noorden van het rijk bestaan. De koning probeerde zijn gezag in Saksen en Westfalen te herstellen, terwijl zijn tegenstanders onder leiding van hertog Lotharius hun zelfstandige positie verdedigden. Bisschoppen konden in deze strijd zowel religieuze als wereldlijke belangen vertegenwoordigen. Voor de steden was de uitkomst belangrijk, omdat een machtswisseling gevolgen kon hebben voor de bescherming, de belastingen en de relaties met de omringende adel. Münster nam een bijzondere plaats in als bisschopsstad die tegelijk in het politieke krachtenveld van de koning en de Saksische vorsten lag.
Met Kerstmis 1119 werd bisschop Diederik II uit Münster verdreven
Diederik II van Winzenburg was met steun van hertog Lotharius bisschop van Münster geworden. Toen Hendrik V eind 1119 met zijn leger Westfalen binnentrok, keerden inwoners van Münster zich tegen de bisschop. Diederik moest vluchten en zocht bescherming bij Lotharius. Hendrik V bracht volgens de overlevering Kerstmis in Münster door. De gebeurtenis maakt zichtbaar dat een bisschopsstad geen eensgezinde gemeenschap was. Koning, bisschop, Saksische hertog en stedelijke bevolking konden verschillende belangen hebben. De verdrijving betekende niet dat het conflict voorbij was. De gewapende strijd zou in 1121 opnieuw grote gevolgen voor Münster krijgen
Tussen Utrecht en Münster (925–1165) — Koningen, bisschoppen, graven en de strijd om het land
Deel 5 — 1040–1048
De koninklijke schenkingen aan Utrecht, Uffo en zijn broers, Groningen, Deventer, Drenthe en de hof van Uffelte
In 1040 zette Hendrik III de uitbreiding van de Utrechtse macht voort
Na de dood van Koenraad II in 1039 nam Hendrik III het koningschap over. De Utrechtse bisschop Bernold beschikte toen al over grafelijke aanspraken in Drenthe, maar moest die in het noorden nog laten gelden. De nieuwe koning kon zijn kerkelijke bondgenoot versterken door afzonderlijke landgoederen en rechten over te dragen. De reeks oorkonden uit de jaren 1040 is daarom geen beschrijving van één plotseling ontstaan bisdomsland. Zij toont hoe het koningschap verschillende vormen van gezag uit elkaar kon halen: bezit van een hof, inkomsten uit grond, rechten op een stad en grafelijke bevoegdheden in een groter gebied.
Op 21 mei 1040 werden goederen van Uffo en zijn broers geconfisqueerd
In een rechtshandeling van 21 mei 1040 droeg Hendrik III bezittingen in het Drentse gebied over aan bisschop Bernold. De goederen hadden aan Uffo en zijn broers toebehoord. Volgens de overlevering waren zij wegens een ernstig vergrijp hun bezit kwijtgeraakt, maar de oorkonde beschrijft de precieze daad niet. Historisch is dat een belangrijk verschil: het bewijs betreft de ontneming en schenking, niet de aard van een misdrijf. De genoemde bezittingen lagen onder meer bij Uffelte, Wittelte en Peelo. Hun bewoners verdwenen niet door het besluit; vooral de juridische verhouding tot de grondheer veranderde.
De namen Uffelte, Wittelte en Peelo kwamen daarmee scherp in beeld
De vroege documentatie laat drie Drentse plaatsen zien die ieder in een eigen agrarische omgeving lagen. Uffelte en Wittelte lagen in het westelijke deel van Drenthe, waar landbouwgronden, bossen en wegen richting Diever en Steenwijk elkaar afwisselden. Peelo bevond zich op de noordelijke zandgronden bij het latere Assen. De tekst van 1040 zegt niet hoeveel boerengezinnen er op ieder erf woonden, hoeveel akkers er waren of welke gebouwen precies bij het bezit hoorden. Juist daarom moet een vroege oorkondelijke vermelding onderscheiden worden van de latere beschrijving van een volledig ontwikkeld hofstelsel.
In 1040 kreeg Utrecht ook belangen bij de nederzetting Groningen
De koning droeg eveneens goederen over die betrekking hadden op Groningen, in de bronnen aangeduid als Cruoninga of vergelijkbare oude vormen. De nederzetting lag op de noordelijke uitloper van de Hondsrug, tussen de zandgronden van Drenthe en het lagere kustland. De aanduiding villa wijst in deze context op een nederzetting of bezitscomplex; ze maakt Groningen niet automatisch tot een stad in de latere betekenis. Het bezit gaf de Utrechtse kerk een steunpunt aan een belangrijke overgang in het landschap. Maar andere grondheren, bewoners en geestelijke instellingen bleven daarnaast eigen aanspraken en belangen houden.
Lenverding en Eyen laten zien hoe verspreid de koninklijke goederen lagen
De overdrachten van 1040 noemen behalve bekende plaatsen ook goederen waarvan de oude namen als Lenverding en Eyen zijn overgeleverd. De precieze identificatie van zulke namen vergt controle van de oorspronkelijke tekst en de geografische context. Zij mogen niet zonder bewijs met een modern dorp worden vereenzelvigd. Het gegeven is wel belangrijk: de schenking was niet beperkt tot één compacte bezitting bij Groningen of Uffelte. Het koningschap beschikte over uiteenlopende eigendommen en rechten, die vanuit verschillende historische omstandigheden waren ontstaan. Bernold verwierf daardoor een netwerk van inkomstenbronnen, geen vanzelfsprekend aaneengesloten en uniform bestuurd territorium.
Groningen hoorde in de oorkondelijke wereld nauw bij Drenthe
Tegenwoordig worden Drenthe en Groningen als afzonderlijke provincies beschouwd. Voor de elfde eeuw kan die scheiding misleidend zijn. Het gebied rond Groningen was via de Hondsrug, de Rolderrug en de Hunze verbonden met de Drentse zandgebieden. Schriftelijke bronnen plaatsen Groningen bovendien in een bestuurlijke context waarin Drenthe voorkomt. Dat verklaart waarom goederen in Groningen en Drentse plaatsen in dezelfde schenkingsgeschiedenis verschijnen. Het zegt echter niet welke weg een Utrechtse bode precies nam. De feitelijke verbindingen moeten worden afgeleid uit terrein, oude oversteekplaatsen, nederzettingen en afzonderlijk bewijs voor verkeer tussen de genoemde centra.
In 1042 werd het graafschap Umbalaho in verband met Utrecht gebracht
Een volgende koninklijke overdracht uit 1042 noemt Agridiogen of Umbalahe, een naam die door oudere historici met het ommeland van Vollenhove in verband wordt gebracht. Deze identificatie is belangrijk, maar niet onomstreden. Zij mag dus niet worden gepresenteerd alsof de grenzen van een graafschap Vollenhove volledig bekend zijn. Wanneer de verklaring juist is, breidden de Utrechtse aanspraken zich uit over het gebied rond de hogere gronden van Vollenhove. In elk geval laat het document zien dat er naast het oudere koninklijke woudrecht van 944 nieuwe vormen van grafelijke en economische macht in het noordwesten van Overijssel werden besproken.
De rechten van 944 en de schenking van 1042 waren verschillend
De vermelding van Fulnaho in 944 betrof in de eerste plaats koninklijk woudrecht, met bijzondere bevoegdheden ten aanzien van de jacht en het gebruik van het bosgebied. Een graafschap of ander openbaar rechtsgebied in 1042 was juridisch iets anders. Beide documenten kunnen bij hetzelfde landschap horen zonder dezelfde goederen, personen of bevoegdheden te beschrijven. Dat onderscheid is nodig bij het reconstrueren van de ontwikkeling van Vollenhove. Zelfs wanneer de Utrechtse bisschop meer rechten verwierf, bezat hij daardoor niet automatisch alle afzonderlijke erven. Evenmin is uit deze oorkonden de aanwezigheid van een bisschoppelijk kasteel vóór het midden van de twaalfde eeuw af te leiden.
De koning gebruikte schenkingen ook in een strijd met regionale hertogen
De uitbreiding van Utrecht stond niet los van de grote machtsstrijd in het rijk. Hendrik III kreeg te maken met tegenstand van hertog Godfried met de Baard en andere leden van de Lotharingse adel. Het koningschap kon een trouwe bisschop versterken om het overwicht van zulke vorsten te beperken. Een schenking van grafelijke rechten had daardoor een dubbel doel: zij schonk de kerk inkomsten en bestuursmacht, maar schiep tegelijk een bondgenoot van de koning. In het oostelijke rivierengebied speelde deze politiek een bijzondere rol. Het ging daar niet alleen om landerijen, maar ook om versterkte plaatsen, wegen en de mogelijkheid om recht te spreken.
Op 22 mei 1046 werden de grafelijke rechten in Drenthe opnieuw geregeld
De schenking van Drenthe in 1024 had de Utrechtse bisschop al een juridische grondslag gegeven. De politieke uitvoering ervan bleef evenwel ingewikkeld door de rechten van andere machthebbers. In 1046 volgde onder Hendrik III een nieuwe koninklijke regeling met betrekking tot het graafschap. In oudere historische werken wordt hiervoor 22 mei 1046 genoemd. Deze latere regeling moet niet als bewijs worden opgevat dat er in 1024 helemaal niets was geschonken. Eerder blijkt dat koninklijke toekenning, het houden van een ambt en de praktische aanvaarding door plaatselijke machthebbers uiteen konden lopen. De opeenvolging van akten vormt juist het bewijs van die ingewikkeldheid.
Op 23 augustus 1046 ontving Utrecht de koninklijke rechten in Deventer
De schenking van 23 augustus 1046 behoort tot de belangrijkste oorkonden voor het Oversticht. Hendrik III droeg aan de Utrechtse kerk over wat het koningschap in Deventer aan eigendom, munt, tol, rechtspraak en andere inkomsten bezat. Bernold kreeg bovendien rechten in een graafschap in Hamaland, aan weerszijden van de IJssel. Voor een plaats waar al veel verkeer en handel plaatsvond, waren munt en tol bijzonder waardevol. De bisschop werd daardoor niet alleen een geestelijk leider, maar ook houder van economische en openbare bevoegdheden. Het precieze onderscheid tussen al deze rechten blijft per onderdeel van de tekst van belang.
De Hamalandse oorkonde legde een reeks grenspunten vast
Het document uit augustus 1046 beschreef de omvang van het betreffende graafschap aan de hand van oude namen. Daaronder bevonden zich Rathnon, Hunne, Weghestapelon, Westerfle, Agastaldaburg en Stenere, gevolgd door punten aan de andere zijde van de IJssel zoals Lovenen, Eerbeke, Suthempe en Ascete. Historici hebben deze plaatsen onder meer verbonden met Rande, Hunne bij Olst, de omgeving van Dijkerhoek, Westerflier, Steenderen, Loenen, Eerbeek en het Zutphense achterland. Niet elke identificatie is even zeker. De opsomming toont dat de koning een begrensd rechtsgebied bedoelde en dat de IJssel niet eenvoudig de buitenrand van dat gebied vormde.
Deventer groeide door muntrecht, tol en rechtspraak als machtscentrum
Deventer had al lang een bijzondere plaats in het kerkelijke en commerciële netwerk van de IJssel. Het verkrijgen van munt- en tolrechten in 1046 maakte het voor de Utrechtse bisschop aantrekkelijker om er bestuurlijke belangen te beschermen. Muntrecht gaf toegang tot een economische functie die in een handelsplaats zwaar kon wegen. Tolrecht kon inkomsten verschaffen uit bepaalde vormen van verkeer en goederenvervoer. Rechtsmacht bood mogelijkheden om conflicten te behandelen en regels te handhaven. Dat betekende niet dat iedere Deventenaar in het dagelijks leven rechtstreeks met de bisschop te maken kreeg. Plaatselijke geestelijken, kooplieden, bestuurders en grondbezitters bleven bestaan.
De goederen in Salland bestonden uit vele kleine bezitscomplexen
Niet alleen Deventer zelf telde. De bronnen noemen ook oude goederen en nederzettingen in de omgeving, waaronder Borgelo, Bergelo, Bursen, Sinderen en Hunderen. Van sommige namen staat de ligging niet volledig vast. Hun belang ligt in de verspreiding van rechten over het achterland. Het kon gaan om een afzonderlijke akker, inkomsten uit een hoeve, een oud hof of andere aanspraken. Het ontstaan van bisschoppelijke macht moet daarom niet uitsluitend worden beschreven als een reeks nieuwe graafschappen. Een groot deel van het vermogen bestond uit afzonderlijke goederen en inkomsten die door lokale bewoners werden voortgebracht, vaak al generaties vóór de schenking.
In 1046 stonden de IJssel en Drenthe binnen één bestuurlijk netwerk
Door rechten bij Deventer en in Drenthe samen te bekijken, wordt zichtbaar waarom het verkeer over land en water zo belangrijk was. De IJssel gaf toegang tot een aantal belangrijke nederzettingen en bood aansluiting op Salland. Verder noordelijk moesten reizigers door zandgebieden, beekdalen en venen trekken. Het beheer van grondbezit vereiste brieven, bezoeken, vertegenwoordigers en soms het vervoer van goederen. De bestaande lokale machtsstructuren verdwenen niet door een oorkonde. Juist hun aanwezigheid bepaalde hoe uitvoerbaar een koninklijke schenking was. De bisschop had beheerders nodig die bekend waren met de inwoners, rechten en wegen van hun streek.
In 1048 kreeg het kapittel van Sint-Pieter de hof van Uffelte
Bisschop Bernold schonk in 1048 de hof van Uffelte aan het Utrechtse kapittel van Sint-Pieter. Daardoor werden inkomsten uit een Drents landbouwcomplex bestemd voor de geestelijken van een kapittelkerk ver buiten hun eigen woongebied. Het woord hof kan hier meer omvatten dan een enkel woonhuis: doorgaans ging het om een beheerseenheid met akkers, omliggende erven en financiële of agrarische verplichtingen. De schenking vormt een vast historisch aanknopingspunt. Hoeveel gebouwen Uffelte toen bezat en op welke manier elke verplichting werd geïnd, valt uit het schenkingsjaar alleen niet vast te stellen.
De latere voorraadschuren van Uffelte verklaren de economische functie
In latere documenten verschijnt Uffelte als hoofdhof met voorraadschuren waar landbouwproducten werden samengebracht. De boeren die tot het goederencomplex behoorden konden graan leveren en diensten verrichten. Omstreeks 1300 wordt in de kapitteladministratie nauwkeuriger beschreven wat van horigen werd verwacht. Bij een bezoek van de proost moesten zij onder meer voor paard en proviand zorgen. Deze gegevens verklaren hoe het systeem uiteindelijk werkte. Ze mogen niet zonder meer als letterlijke beschrijving van 1048 worden gebruikt. Voor de elfde eeuw toont de schenking vooral dat Drentse landbouwinkomsten beschikbaar werden gesteld aan het Utrechtse kerkelijke leven.
Ook Wittelte bleef binnen het grotere kerkelijke goederenverband
Wittelte wordt in de vroegste documenten onder een vorm als Withelte genoemd. Het dorp lag nabij Uffelte en Diever, tussen akkers, bossen en hogere zandgronden. Een bezitting in zo'n kleinere nederzetting kon onderdeel zijn van een beheer dat elders was gecentraliseerd. Later waren er pachtbetalingen en leveringen die via hoven of voorraadplaatsen werden geregeld. De ontwikkeling van Uffelte en Wittelte laat zien dat grotere kerkelijke instellingen niet uitsluitend rechtstreeks rondom hun eigen gebouwen grond bezaten. Verspreide erven konden samen de inkomsten van een kapittel ondersteunen. Voor 1040–1048 zijn het exacte aantal boeren en de omvang van ieder goed nog onbekend.
Bij Peelo ontstond later een uitzonderlijk herkenbaar hofstelsel
De bezittingen bij Peelo werden in de elfde eeuw verbonden met de groeiende Utrechtse kerkelijke macht. Archeologisch onderzoek toont hoe daar oudere boerenerven later in grotere beheerseenheden opgingen. Het erf Hovinge besloeg uiteindelijk meer dan een hectare en werd door een brede greppel omgeven. Een grote schuur kan zijn gebruikt om opbrengsten uit meerdere hoeven op te slaan. Bij het naburige Derkinge ontbrak een vergelijkbare oogstschuur, maar waren wel aanwijzingen voor een moestuin. Deze resultaten tonen de latere praktische uitwerking van bezit en beheer; zij bewijzen niet dat Hovinge direct in 1040 al zijn bekende omvang had.
Deel 6 — 1049–1075
Bernold, Willem I, bisschoppelijke kapittels, Drentse hoven, kerkbouw en verbindingen door het Oversticht
In 1049 nam bisschop Bernold deel aan een hervormingsvergadering in Mainz
Bernold was niet uitsluitend bestuurder van verre goederen en grafelijke rechten. In 1049 nam hij deel aan een grote kerkvergadering in Mainz, waar paus Leo IX en keizer Hendrik III aanwezig waren. Daar kwamen vragen aan de orde over kerkelijke ambten, het kopen van geestelijke functies en het gedrag van geestelijken. Deze bijeenkomst laat zien dat de ontwikkeling van Utrecht ook in een bredere hervormingsbeweging stond. Dezelfde bisschop die rechten in Drenthe en Deventer beheerde, hoorde tot de kring van geestelijke leiders die veranderingen binnen de kerk bespraken. Kerkpolitiek en wereldlijke belangen bestonden in de praktijk naast elkaar.
Bernold versterkte de Utrechtse kapittels met grondbezit en inkomsten
Tijdens Bernolds bestuur werden Utrechtse kerkelijke instellingen uitgebouwd. Vooral Sint-Pieter en Sint-Jan zijn verbonden met zijn naam, naast de ontwikkeling van oudere religieuze gemeenschappen. Kanunniken verrichtten de eredienst en hadden daarvoor duurzame inkomsten nodig. Die kwamen onder meer uit afzonderlijke hoven, tienden en andere rechten. Een schenking als die van Uffelte in 1048 maakte de verbinding bijzonder tastbaar: graan en landbouwinkomsten uit Drenthe ondersteunden een geestelijke instelling in Utrecht. Omgekeerd werd het noordelijke bezit onderdeel van een administratie waarvan de leiding zich ver weg bevond. Dat maakte vertegenwoordigers en beheershoven noodzakelijk.
De Utrechtse Sint-Pieterskerk en de Sint-Janskerk maakten macht zichtbaar
Bernold wordt in de overlevering als een belangrijk kerkenbouwer beschouwd. De kapittelkerken Sint-Pieter en Sint-Jan behoren tot de instellingen die met zijn episcopaat samenhangen. Grote stenen kerken vroegen kostbare materialen, vaklieden en langdurige organisatie. Hun bestaan laat zien dat religieuze macht ook een materiële kant had. Achter de muren, zuilen en koorgebeden stonden inkomsten uit landgoederen en bijdragen van grondgebruikers. Over de vraag welke afzonderlijke bouwcampagnes Bernold persoonlijk leidde, bestaat niet voor elk gebouw even hard bewijs. Zijn betekenis voor de inrichting van het Utrechtse kerkelijke landschap blijft niettemin groot.
In 1054 eindigde het episcopaat van Bernold
Bernold overleed in 1054, na een periode waarin de Utrechtse wereldlijke belangen aanzienlijk waren toegenomen. Onder Hendrik III had de kerk goederen in Drenthe en Groningen, rechten bij Deventer en een graafschap in Hamaland verworven of bevestigd gekregen. Daarbij bleven oudere bezittingen van kapittels en abdijen bestaan. De bisschop liet zijn opvolger dus geen samenhangend bestuursgebied na dat overal volgens dezelfde regels functioneerde. Hij liet een netwerk na van landgoederen, juridische aanspraken, kerkelijke instellingen en plaatselijke relaties. Die veelvormigheid verklaart waarom de bestuurlijke geschiedenis van het latere Oversticht zo moeilijk aan één gebeurtenis of één datum kan worden verbonden.
Vanaf 1054 bestuurde Willem I het bisdom Utrecht
Willem I volgde Bernold op en bleef bisschop tot 1076. Tijdens zijn ambtsperiode werden de spanningen tussen de koning, hervormingsgezinde geestelijken en de pauselijke omgeving steeds sterker. Willem moest daarnaast de gewone bestuurlijke verplichtingen van het bisdom blijven verzorgen. Drenthe lag op grote afstand van Utrecht, net als bepaalde goederen in Salland, Twente en het noordelijke waterland. Rechtspraak, inning van inkomsten en bescherming van bezit konden niet voortdurend door de bisschop zelf worden uitgevoerd. Daarom werd de positie van hofbeheerders, proosten, schouten en andere vertegenwoordigers belangrijker. Hun lokale kennis was onmisbaar voor effectief bestuur.
In de tweede helft van de elfde eeuw bleven hoven centrale verzamelplaatsen
Een kerkelijke hof kon de opbrengsten van een reeks afhankelijke boerderijen verzamelen. Het ging niet alleen om landbouwproducten die meteen naar Utrecht werden vervoerd. Een deel kon worden gebruikt voor plaatselijke verplichtingen, voorraden en het onderhoud van reizende functionarissen. De administratie moest bijhouden wie een betaling verschuldigd was en op grond van welk recht. Voor de Drentse dorpen is juist het verschil tussen oorspronkelijke schenking en later gedocumenteerde hoforganisatie belangrijk. De schenking van 1048 toont het ontstaan van een rechtsverhouding; meer gedetailleerde beschrijvingen uit latere eeuwen laten zien hoe die verhouding zich vervolgens kon ontwikkelen.
De archeologie van Peelo laat veranderingen in agrarisch beheer herkennen
In Peelo zijn boerderijen en erven onderzocht waarvan de oudste fasen voorafgaan aan de verwerving van koninklijke goederen door Utrecht. Later veranderde vooral het erf Hovinge ingrijpend. Het werd een groter, omgreppeld complex, met een opvallend opslaggebouw. De tegenstelling met Derkinge, waar aanwijzingen voor een moestuin maar niet voor dezelfde grote schuur werden gevonden, is veelzeggend. Archeologische sporen en de studie van P.N. Noomen ondersteunen het idee van een bijzondere beheersfunctie. Tegelijk blijft datering noodzakelijk: uit een later ontwikkelde hoofdhof mag niet zonder meer worden geconcludeerd dat alle bijbehorende instellingen en gebouwen al midden in de elfde eeuw bestonden.
De goederen rond Rolde werden vermoedelijk vanuit meerdere centra beheerd
Het Rolder dingspel omvatte dorpen als Rolde, Balloo en Anloo, waar oudere religieuze en bestuurlijke functies samenkwamen. De aanwezigheid van bisschoppelijk bezit betekent niet dat in iedere plaats een afzonderlijke centrale hof bestond. P.N. Noomen ziet aanwijzingen dat bepaalde goederen vanuit Anloo werden beheerd. Voor Balloo is een grote bisschoppelijke domeinhof in de vroege periode niet overtuigend bewezen. Bovendien verschilden functies: een kerk kon religieus middelpunt zijn, een hof kon opbrengsten verzamelen, en een andere plaats kon een latere rechtsvergadering herbergen. Die functies liepen soms samen, maar hoeven historisch niet op dezelfde plek of in dezelfde eeuw te zijn ontstaan.
Het Drentse landschap bepaalde de bereikbaarheid van de nederzettingen
Boerderijen in Drenthe stonden op relatief droge zandgronden, vaak nabij essen en beekdalen. Voor het verkeer waren natuurlijke ruggen belangrijk: de Hondsrug bood een noord-zuidverbinding, terwijl de Rolderrug een andere route door het gebied vormde. Door natte laagten en over beekdalen waren slechts bepaalde overgangen praktisch bruikbaar. Het verklaart waarom kerken, grotere erven en later versterkingen vaak dicht bij verbindingen lagen. Toch is het bestaan van een landschappelijk logische route niet hetzelfde als een schriftelijk aangetoonde bisschoppelijke reisweg. Voor de elfde eeuw moeten archeologie, oude topografie en oorkonden elkaar aanvullen om afzonderlijke verplaatsingen werkelijk te kunnen bewijzen.
De weg vanuit Utrecht naar Drenthe kende verschillende mogelijkheden
Wie vanuit Utrecht naar het noorden ging, kon waar mogelijk waterwegen gebruiken, maar niet het hele traject was vanzelf bevaarbaar. De Vecht gaf toegang tot het noordelijke binnenwater, terwijl de IJssel verbindingen met Deventer en de noordelijke delta bood. Vanuit het Overijsselse achterland liepen landwegen in de richting van Steenwijk, Diever en de Drentse zandgronden. Rivierovergangen en veengebieden konden een omweg noodzakelijk maken. De afstand verklaart de waarde van plaatselijke vertegenwoordigers. Tegelijk is onbekend welke afzonderlijke goederen in de elfde eeuw daadwerkelijk in Utrecht werden afgeleverd en welke voorraden of betalingen ter plaatse bleven.
De IJssel verbond Deventer met het rivierengebied en het noorden
Langs de IJssel lagen naast Deventer andere nederzettingen en goederencomplexen. Mensen en goederen konden langs deze route reizen, waar de omstandigheden dat toelieten. Deventer had als kerkelijke plaats al een lange geschiedenis en was tevens een belangrijk centrum van handel en vakmanschap. De koninklijke schenking van 1046 had daarom economische gevolgen voor de bisschop: munt, tol en rechtsmacht konden inkomsten en invloed verschaffen. Toch was het niet de enige verbinding met het noorden. De Utrechtse Vecht, de Overijsselse Vecht en kleinere waterlopen vormden onderdelen van een bredere regionale verkeerswereld, die niet in één vaste handelsroute kan worden samengevat.
Het Zwarte Water, de Vecht en de Sethe boden verbindingen naar Vollenhove
Het latere landschap van Zwolle, Kampen, Genemuiden, Zwartsluis en Vollenhove mag niet zonder meer worden teruggezet naar de elfde eeuw. De waterstand, oevers en omvang van het open water veranderden. Toch vormden de verbindingen tussen de IJsselmonding, de Overijsselse Vecht, het Zwarte Water en de noordelijke waterlopen een belangrijk geografisch uitgangspunt. Ook de oude Sethe, de Steenwijker Aa, de Linde en de Kuinder horen bij het onderzoek naar de bereikbaarheid. Dergelijke waterwegen konden betekenis hebben voor visserij, verkeer en de exploitatie van natte gronden. Concrete scheepsroutes en tolpunten vragen afzonderlijk bewijs.
De eerste ontginningen rond Vollenhove zetten zich vermoedelijk voort
De bewoning op en bij de hogere gronden van Vollenhove lag naast uitgestrekte veengebieden. Onderzoek naar Noordwest-Overijssel wijst erop dat de eerste middeleeuwse ontginningen plaatselijk mogelijk al rond 950 begonnen. In de elfde eeuw kan deze uitbreiding vanuit bestaande woonplaatsen verder zijn gegaan. Ontginners maakten sloten en brachten stroken grond in gebruik. Door de afwatering veranderde de samenstelling en hoogte van het veen. De natte omgeving bood dus niet alleen beperkingen, maar ook kansen voor de uitbreiding van akkers en bewoning. De exacte fasering verschilde per ontginningsblok; twaalfde-eeuwse oorkonden leveren hiervoor later duidelijker bewijs.
De natte gronden veranderden zodra ontginners sloten aanlegden
Veen kon na ontwatering tijdelijk beter geschikt worden voor landbouw. Tegelijk begon de bodem in te klinken en langzaam te verteren, waardoor de percelen lager kwamen te liggen. Dat kon een nieuwe afwatering noodzakelijk maken en uiteindelijk een verplaatsing van landbouw of bewoning veroorzaken. Dit proces is belangrijk om de latere veranderingen rond Kuinre, IJsselham en Blankenham te begrijpen. Niet alle bekende middeleeuwse percelen ontstonden in dezelfde eeuw. De bewoners van de elfde eeuw hebben het landschap waarschijnlijk stap voor stap aangepast, terwijl de grote georganiseerde ontginningen die in de bronnen van 1132 zichtbaar worden nog een verdere ontwikkeling zouden vormen.
De grotere Drentse dorpen bleven landbouwgemeenschappen
Anloo, Vries, Rolde, Eelde, Beilen en Emmen waren verbonden met een landschap van akkers, graslanden, bossen en beekdalen. Veel bewoners leefden van landbouw en veeteelt, zonder een plaats in de bewaard gebleven oorkonden te krijgen. Rond de huizen stonden bijgebouwen voor opslag en werk. Kuilen, greppels, aardewerk en soms waterputten zijn de materiële overblijfselen van dat bestaan. Schriftelijke bronnen vertellen vooral over grondbezit, tienden en gezag; archeologie toont hoe huizen en erven daadwerkelijk werden ingericht. Samen laten ze zien dat politieke verandering het dagelijkse werk van boeren niet verving, maar er wel nieuwe verplichtingen aan kon verbinden.
In de elfde eeuw werd de houten kerk van Vries door steenbouw gevolgd
Vries behoorde tot de oudste kerkelijke centra van Noord-Drenthe. Bouwhistorische en archeologische gegevens wijzen op houten voorgangers en een vroege fase van tufsteenbouw. De exacte volgorde van alle bouwfasen blijft onderwerp van onderzoek, maar delen van de ontwikkeling worden in de elfde eeuw geplaatst. Het gebruik van tufsteen vergde materiaaltransport en gespecialiseerde bouwkennis. De kerk was bedoeld voor een groter verzorgingsgebied dan de directe omgeving van het gebouw. Pas latere oorkonden laten duidelijk zien hoe parochies en dochterkerken onderling verbonden waren. Een stenen kerk in de elfde eeuw bewijst daarom niet dat alle later bekende kerkelijke rechten toen al dezelfde vorm hadden.
Rolde en Anloo hadden oudere religieuze centra dan hun schriftelijke vermeldingen
Onder de latere stenen kerken van Rolde en Anloo zijn aanwijzingen voor oudere houten gebouwen en begravingen aangetroffen. Het gaat om een ontwikkeling die deels al vóór 1000 begon en in de elfde eeuw doorwerkte. Bij Rolde zijn twee houten voorgangers bekend. Voor Anloo is de reconstructie van een lange reeks bouwfasen voorgesteld, al zijn niet alle afzonderlijke dateringen zeker. Deze plaatsen waren dus geen nieuwe kerkelijke stichtingen zodra zij later in een oorkonde werden genoemd. De vraag wie het initiatief voor de eerste kerken nam, blijft moeilijk te beantwoorden. Bisschoppelijk bezit in de omgeving maakt betrokkenheid mogelijk, maar vormt niet altijd direct bewijs.
Tegen 1075 werd het bestuur ook door de opkomende kerkhervorming beïnvloed
De verhouding tussen koningen en bisschoppen veranderde in de loop van de elfde eeuw. Steeds sterker werd de vraag of de koning een bisschop mocht benoemen en hem symbolen van zijn ambt mocht overhandigen. Hervormingsgezinde geestelijken wilden de kerk onafhankelijker maken van wereldlijke heersers. Voor Utrecht lag het probleem bijzonder ingewikkeld: de bisschop bezat niet alleen kerken en liturgische taken, maar ook grafelijke rechten, inkomsten en bestuurlijke ambten die hij aan koninklijke gunst ontleende. Tegen het einde van Willems episcopaat stonden die twee kanten van het bisschopsambt steeds duidelijker onder spanning. De grote confrontatie volgde vanaf 1076.
Deel 7 — 1076–1100
De Investituurstrijd, Hendrik IV, de bisschoppen van Utrecht en Münster, kerkelijke belangen en Drentse dorpen
In 1076 brak de strijd tussen Hendrik IV en paus Gregorius VII openlijk uit
De Investituurstrijd draaide om de vraag wie het recht had bisschoppen aan te stellen en de macht die bij hun ambt hoorde te bevestigen. Hendrik IV beschouwde de hoogste geestelijken als belangrijke steunpilaren van zijn koningschap. Paus Gregorius VII verzette zich tegen wereldlijke bemoeienis met kerkelijke benoemingen. In 1076 raakten hun meningsverschillen openlijk in een crisis. Dit conflict had niet alleen betekenis voor Rome en het koninklijke hof. Het trof ook Utrecht en Münster, waar bisschoppen grote bezittingen en rechten beheerden. Een verandering in de erkenning van hun ambt kon politieke en economische gevolgen hebben voor hun onderdanen.
De bisschoppen van Utrecht en Münster hadden een dubbele positie
Een bisschop leidde een kerkelijk gebied waarin geestelijken en parochies waren georganiseerd. Tegelijkertijd kon hij optreden als heer over hoven, gerechtelijke rechten en grafelijke bezittingen. Daardoor hing zijn positie zowel af van kerkelijke erkenning als van relaties met koningen en wereldlijke machthebbers. Tijdens de Investituurstrijd werd deze combinatie bijzonder kwetsbaar. Een bisschop die de paus steunde, kon in conflict komen met de vorst die zijn wereldlijke bevoegdheden had bevestigd. Wie de koning steunde, kon te maken krijgen met geestelijke tegenstanders. Voor Drenthe, Salland en Twente betekende dit dat de strijd op grote afstand gevolgen kon hebben voor het bestuur.
In 1076 volgde Koenraad de overleden bisschop Willem I op
Na het overlijden van Willem I werd Koenraad bisschop van Utrecht. Hij bestuurde het bisdom van 1076 tot 1099 en stond voor de opdracht de verworven rechten van zijn voorgangers te behouden. De verschillende bezittingen van Utrecht lagen verspreid over het rivierengebied, Drenthe en het oostelijke achterland. Een nieuwe bisschop kon niet eenvoudig op elke plaats zelfstandig vaststellen welke rechten daadwerkelijk werden nagekomen. Hij moest steunen op de administratie van kerkelijke instellingen en op plaatselijke beheerders. De Investituurstrijd maakte die afhankelijkheid ingewikkelder, doordat koninklijke en pauselijke steun niet altijd aan dezelfde kant stonden.
De pauselijke ban tegen Hendrik IV veroorzaakte nieuwe politieke verdeeldheid
De strijd verscherpte toen Gregorius VII de koning onder kerkelijke straf plaatste. Duitse vorsten die Hendrik IV wilden verzwakken, gebruikten de crisis om hun eigen positie te versterken. Een kerkelijke straf kon zo onmiddellijke politieke gevolgen krijgen. De koning had de steun van hertogen en bisschoppen nodig om zijn plaats te behouden. Tegelijk probeerden zijn tegenstanders een andere machtsverdeling tot stand te brengen. Voor de gebieden rond Münster was de Saksische adel bijzonder belangrijk. Via verwantschap en bezit stond deze wereld ook in verbinding met Twente en het IJsselgebied. De huidige staatsgrens bestond in die periode nog niet.
In januari 1077 zocht Hendrik IV bij Canossa verzoening met de paus
Hendrik IV reisde naar Italië en verscheen in januari 1077 bij het kasteel Canossa. Hij probeerde de kerkelijke ban opgeheven te krijgen en zijn positie als koning te herstellen. De verzoening kwam tot stand, maar daarmee waren de politieke tegenstellingen niet opgelost. Binnen het rijk bleef verzet bestaan. De Investituurstrijd ging daarna verder als een reeks diplomatieke en militaire confrontaties. Voor Utrecht en Münster lag juist daarin het gevaar. De benoeming van een bisschop stond niet los van het recht om goederen te besturen, inkomsten te innen en op plaatselijk niveau ambten toe te wijzen. Achter een geestelijke kwestie lagen dus ook belangen van land en macht.
De adel langs de IJssel moest zijn positie naast Utrecht blijven bepalen
De Utrechtse bisschop bezat sinds de eerste helft van de elfde eeuw belangrijke grafelijke en economische rechten. Toch waren de adellijke families in Hamaland, Salland en Twente niet verdwenen. Zij hielden eigen bezittingen en konden als getuigen, leenmannen of bestuurders optreden. Tijdens de Investituurstrijd veranderden bondgenootschappen soms snel. Een plaatselijke familie kon haar belangen mede laten afhangen van de verhouding tot de koning, de bisschop en andere heren. Zonder afzonderlijk bewijs kunnen die families niet eenvoudig als aanhangers van één partij worden ingedeeld. De documenten laten vooral zien dat de politieke wereld bestond uit overlappende aanspraken en persoonlijke overeenkomsten.
Ook in Drenthe bleef de bisschop afhankelijk van plaatselijke gemeenschappen
Hoewel Utrecht formele grafelijke rechten bezat, leefden de bewoners van Drenthe binnen bestaande dorpsstructuren. Boeren moesten hun akkers bewerken, vee verzorgen, sloten onderhouden en goederen naar een hof brengen wanneer daarvoor een verplichting bestond. De bisschop kon niet vanuit Utrecht voortdurend toezicht houden. Hij had vertegenwoordigers nodig die het terrein, de bewoners en de plaatselijke rechten kenden. Dat maakte zulke functionarissen invloedrijk. Hun ambt bood toegang tot informatie, inkomsten en aanzien. De latere geschiedenis van de heren van Coevorden laat zien welke zelfstandige positie uit dat soort functies kon ontstaan. Voor 1076–1100 moet die latere macht echter nog niet als volledig ontwikkeld worden voorgesteld.
De hoven van Sint-Pieter bleven een economische basis voor kerkelijk gezag
De Utrechtse kapittels hadden inkomsten nodig, ongeacht de strijd over kerkelijke benoemingen. De hof van Uffelte, die in 1048 aan Sint-Pieter was geschonken, vormde daarvan een voorbeeld. Bij een hof konden afhankelijke hoeven horen waarvan de bewoners landbouwproducten of andere prestaties moesten afdragen. Niet alle goederen hoefden naar Utrecht te worden vervoerd. Een deel kon lokaal worden opgeslagen of verbruikt. De later beschreven hoofdhof met voorraadschuren laat zien hoe omvangrijk het beheer uiteindelijk werd. De exacte verplichtingen van de elfde-eeuwse bewoners zijn minder goed gedocumenteerd. Daarom moet het duurzame bezit worden onderscheiden van latere details in de administratie.
De omgeving van Peelo toont hoe landbouw en macht elkaar ontmoetten
Bij Peelo waren boerenerven aanwezig die in de loop van de middeleeuwen veranderden. Het later als Hovinge aangeduide erf kreeg een bijzondere functie, herkenbaar aan de grote omvang, de omgreppeling en de opslagmogelijkheden. Andere erven, zoals Derkinge, waren anders ingericht. De gebouwen en greppels tonen een materiële kant van het kerkelijke grondbezit die uit een oorkonde niet blijkt. Een grote schuur kon de verzamelde oogst uit meer dan één boerderij bevatten. Tegelijk vormt niet iedere archeologische bouwfase direct een bewijs voor dezelfde politieke gebeurtenis. De chronologie van de gebouwen moet worden gecontroleerd voordat zij met de rechten uit 1040 en 1048 worden verbonden.
In de late elfde eeuw kregen Drentse kerken herkenbare stenen bouwfasen
Vries, Anloo, Rolde en Diever behoorden tot de kerkelijke plaatsen met een oudere voorgeschiedenis. Houten gebouwen en grafvelden gingen vooraf aan de latere stenen kerken. In de tweede helft van de elfde eeuw en rond 1100 verschenen op verschillende plaatsen tufstenen bouwfasen. Het bouwen in steen betekende een grote investering. Materiaal moest worden aangevoerd en vakmensen moesten de funderingen, muren en daken vervaardigen. Dat veronderstelt een organisatie die de mogelijkheden van een enkel huishouden overtrof. Toch levert het bouwmateriaal op zichzelf geen bewijs voor de naam van de stichter. De precieze verhouding tussen bisschop, plaatselijke elite en dorpsgemeenschap verschilde waarschijnlijk per kerk.
Bij Rolde waren kerkelijke en latere rechterlijke functies niet identiek
De kerk van Rolde werd in latere eeuwen een plaats waar het hoogste Drentse rechtscollege, de Etstoel, kon vergaderen. Ook Balloo en Anloo worden met dergelijke bijeenkomsten verbonden. Maar het bestaan van een oudere kerk of begraafplaats bewijst niet dat alle latere gerechtelijke functies al in de elfde eeuw aanwezig waren. De Balloërkuil geldt bijvoorbeeld niet als overtuigend bewezen middeleeuwse gerechtsplaats. De voorstelling van dit terrein als oeroude vergaderkuil werd mede verspreid door zeventiende-eeuwse schrijvers. Historisch zorgvuldig onderzoek moet de religieuze geschiedenis van Rolde scheiden van latere rechtspraak en van nog jongere plaatselijke tradities.
Rond 1080 wordt voor Roderwolde een vroege parochie verondersteld
Roderwolde lag aan de rand van de oudere zandgronden en het veenland. Regionale historische beschrijvingen verbinden het ontstaan van de nederzetting met ontginningen in de elfde eeuw. Soms wordt een kerk rond 1080 genoemd. Deze datering is echter niet rechtstreeks bevestigd door een bewaarde oorkonde uit dat jaar. De vroegste zekere schriftelijke vermelding van Roterwolde is later, in 1139. Ook de zelfstandigheid van de parochie wordt in verschillende studies anders gedateerd. Het mogelijke vroege ontstaan blijft waardevol als onderzoekshypothese, maar mag niet worden gelijkgesteld aan een bewezen kerkstichting van precies 1080.
De veenranden bij Roderwolde vormden geen overal gelijktijdig bewoningsgebied
Ten noorden van Roderwolde liggen natte gronden waar later kleine veenterpen werden opgeworpen. Bij de Kleibosch, de Matsloot-Roderwoldepolder en de Peizer- en Eeldermaden zijn dergelijke woonplaatsen onderzocht. De vindplaatsen leverden aardewerk, dierlijke botten en andere bewoningssporen op. De meeste onderzochte veenterpen dateren vooral uit de twaalfde tot veertiende eeuw. Ze vormen dus geen rechtstreeks bewijs voor een dichtbewoond veengebied in 1080. Wel maken ze zichtbaar hoe bewoners later met wateroverlast omgingen en de natte gebieden steeds intensiever gebruikten. De vroege zanddorpen en de latere veenbewoning moeten in een chronologische reconstructie van elkaar worden onderscheiden.
De abdij Werden hield contact met Twente en Drenthe
Een ander netwerk liep van de abdij Werden aan de Ruhr via Twente naar Groningen en de Ommelanden. Werden bezat goederen bij Oldenzaal en in verschillende Drentse dorpen. Een latere, twaalfde-eeuwse goederenlijst laat zien dat onderweg voedsel, geld en veevoer van afzonderlijke hoeven konden worden ontvangen. De boeren waren daardoor niet uitsluitend leveranciers van een klooster dat ver weg lag. Hun bedrijven lagen op plaatsen die voor reizende vertegenwoordigers betekenis konden hebben. Het is onzeker welke van de later beschreven verplichtingen al rond 1080 bestonden. De lange geschiedenis van het Werdense bezit toont echter dat een oud netwerk naast de groeiende Utrechtse macht bleef functioneren.
De doorgaande wegen verbonden Drenthe met Groningen en Münster
De hogere zandgronden vormden natuurlijke routes door een landschap met grote natte gebieden. De Hondsrug bood verbindingen richting Groningen, terwijl via Coevorden en het zuidoostelijke grensgebied toegang tot Westfalen bestond. Vanuit het westen waren Steenwijk en de hogere gronden bij Vollenhove van belang. Reizigers moesten rekening houden met de gesteldheid van wegen en beekovergangen. Het vervoer van graan, hooi en andere producten met karren vergde een andere organisatie dan reizen over water. Voor de bisschoppen betekende deze geografische werkelijkheid dat bestuurlijke macht niet op een kaart alleen berustte. Zij moest langs bestaande verbindingen daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend.
Tegen het einde van de elfde eeuw werd ook de kerkelijke strijd gewelddadig
Het conflict tussen Hendrik IV en zijn tegenstanders bleef niet beperkt tot kerkvergaderingen of brieven. De strijd had militaire gevolgen en verdeelde vorsten en bisschoppen. Koenraad van Utrecht moest zijn positie als geestelijk leider en wereldlijk heer binnen deze omstandigheden behouden. In het Oversticht liepen daarnaast oude rechten van kapittels, abdijen en plaatselijke families door elkaar. Een groot deel van de bevolking bleef werken op de eigen boerderij, ook wanneer op hoger niveau bondgenootschappen veranderden. Juist daarom tonen oorkonden slechts één deel van de geschiedenis. De gevolgen voor de gewone bewoners moeten worden onderzocht via lasten, landgebruik en plaatselijke conflicten.
In 1099 werd bisschop Koenraad van Utrecht vermoord
Koenraads regering eindigde in 1099 door geweld. De moord toont dat ook een hoge geestelijke bestuurder niet buiten persoonlijke vijandschappen en politieke spanningen stond. De precieze motieven van betrokkenen moeten uit de afzonderlijke verhalende bronnen worden gereconstrueerd. Na zijn dood werd een nieuwe bisschop noodzakelijk. Daarmee kwam opnieuw de vraag op wie de opvolger zou steunen en welke rechten hij kon handhaven. Voor Drenthe en Salland betekende een wisseling aan de top niet dat bestaande hoven en parochies verdwenen. De inkomsten en verplichtingen bleven bestaan, terwijl de verhouding met de nieuwe machthebber opnieuw kon worden bepaald.
Rond 1100 waren de politieke rechten en het dagelijkse leven ongelijk veranderd
De Utrechtse bisschop bezat sinds de elfde eeuw belangrijke grafelijke aanspraken, maar de Drentse en Overijsselse dorpen bleven in hoofdzaak agrarische gemeenschappen. Houten boerderijen werden vervangen, erven verplaatst en nieuwe kerkgebouwen opgericht. In het natte land rond Vollenhove en de Friese grensgebieden begonnen verdere landschapsveranderingen. Ondertussen bleven kloosters en kapittels over grote afstanden rechten op landbouwopbrengsten uitoefenen. De Investituurstrijd veranderde de politieke verhoudingen waarin deze rechten werden beschermd. Er was echter nog geen volledig samenhangend bisschoppelijk territorium met één bestuur, één rechtsgang en één vaste hoofdstad voor alle noordelijke bezittingen.
Deel 8 — 1101–1119
Burchard en Godebald, Hendrik V, de Friese graafschappen, Deventer, Kuinre en de strijd om Münster
Vanaf 1100 bestuurde bisschop Burchard een uitgestrekt geheel van rechten
Burchard was bisschop van Utrecht van 1100 tot 1112. Hij erfde een kerk die niet alleen binnen de muren van Utrecht betekenis had. In Drenthe, Salland, Twente en het IJsselgebied beschikte zij over verspreide grafelijke bevoegdheden, grondbezit en inkomsten. Daarnaast waren kapittels en kloosters afzonderlijke bezitters van hoeven en landgoederen. De Investituurstrijd maakte het moeilijker om deze rechten politieke bescherming te geven. Toch moesten de gewone zaken doorgaan: geestelijken kregen hun inkomsten, hoven werden beheerd en conflicten over bezit werden behandeld. Een nieuwe bisschop moest daarom zowel de kerkelijke organisatie als de wereldlijke belangen onderhouden.
De benoeming van bisschoppen bleef een bron van strijd
De Investituurstrijd was na de gebeurtenissen van 1076 en de gang naar Canossa niet beëindigd. Koningen wilden invloed houden op geestelijke ambtsdragers die over omvangrijke bezittingen en bestuurlijke bevoegdheden beschikten. Hervormingsgezinde kerkelijke leiders wilden juist dat geestelijke benoemingen onafhankelijk van die wereldlijke macht tot stand kwamen. Voor Utrecht en Münster was deze vraag bijzonder belangrijk. Hun bisschoppen konden aan de ene kant door de paus als religieuze leiders worden erkend en aan de andere kant voor het beheer van grafelijke rechten koninklijke bevestiging nodig hebben. Daardoor werd iedere opvolging ook een mogelijke politieke keuze.
Vanuit Deventer konden de Utrechtse belangen langs de IJssel worden bereikt
Deventer behield zijn betekenis als kerkelijke en economische plaats. De rechten die Hendrik III in 1046 aan Utrecht had overgedragen, waaronder munt, tol en rechtspraak, gaven de bisschop een duidelijke positie. De IJssel verbond de omgeving met Zutphen, Salland en noordelijke watergebieden. Vanuit Deventer liepen landverbindingen naar Twente en de gebieden richting Oldenzaal en Münster. Een recht op papier betekende niet dat alle handel vanzelf onder één bestuur viel. De stad had eigen inwoners, kooplieden en kerkelijke instellingen. De betekenis lag vooral in de combinatie van verkeersligging, inkomsten en een lange religieuze geschiedenis.
De noordelijke wegen liepen door gebieden met verschillende machthebbers
De weg van Utrecht via de IJssel naar Twente en Münster vormde geen onveranderlijke, overal bestrate route. Reizigers waren afhankelijk van bruggen, doorwaadbare plaatsen, veerverbindingen en begaanbare zandgronden. Onderweg passeerden zij gebieden waar graafschappen, bisschoppelijke rechten, adellijke goederen en kloosterbezit door elkaar liepen. Bij Oldenzaal lag een belangrijk kerkelijk centrum met het Sint-Plechelmuskapittel. Verder oostwaarts werden de verbindingen met Bentheim en Westfalen belangrijk. Voor het verkeer waren ook lokale markten en plaatsen waar paarden en reizigers verzorgd konden worden van betekenis. Niet iedere latere tol, haven of weg kan zonder afzonderlijk bewijs al vóór 1120 worden gedateerd.
Omstreeks 1100 werd Anloo herkenbaar door een stenen kerk
De Magnuskerk van Anloo bezit een tufstenen bouwfase die gewoonlijk rond 1100 wordt geplaatst. Onder het latere kerkgebouw kwamen bij archeologisch onderzoek resten van oudere houten constructies en leem tevoorschijn. De kerk had dus vermoedelijk een langere voorgeschiedenis. Zij werd belangrijk voor een groter gebied in Oostermoer. Het bouwen in tufsteen vroeg om steentransport en vakmanschap dat niet vanzelfsprekend in ieder boerengezin aanwezig was. De organisatie van een dergelijke bouwcampagne wijst op de bijzondere plaats van een kerkelijk centrum. Over de exacte opeenvolging van de oudste bouwfasen en over de betrokken stichters bestaat evenwel onzekerheid.
Ook Vries kreeg een belangrijke plaats in het Noord-Drentse kerkennetwerk
De kerk van Vries kende verschillende houten en stenen bouwfasen. In het begin van de twaalfde eeuw vervulde zij een centrale functie voor omliggende nederzettingen. Latere documenten verbinden Eelde, Norg, Roden en Roderwolde met het grotere parochiale netwerk. De precieze zelfstandigheid van de dochterkerken moet voor iedere plaats afzonderlijk worden gedateerd. De kerk van Vries werd niet uitsluitend bezocht door mensen uit het onmiddellijke dorp; een moederparochie kon bewoners van een groter gebied bedienen. Dat maakte kerken ook tot plaatsen waar bewoners van verschillende nederzettingen met elkaar in contact kwamen, naast de religieuze functies van doop, mis en begraven.
Rond 1100 verschenen ook bij Vollenhove vermoedelijk stenen kerkgebouwen
Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd voor een vroege tufstenen kerk op het Hoge Land van Vollenhove. De oudste fase wordt meestal rond 1100 geplaatst. Volgens een reconstructie had het schip ongeveer acht bij vijf meter en het koor ongeveer vier bij vier meter. Onder het muurwerk lagen funderingen met veldkeien. Het gebouw was dus veel kleiner dan de latere kerk. De precieze bouwdatum en de opeenvolgende uitbreidingen vragen zorgvuldige controle. De aanwezigheid van een vroeg stenen kerkgebouw wijst op een religieuze gemeenschap die bouwmateriaal kon laten aanvoeren en een gezamenlijk bouwwerk kon onderhouden, lang vóór de latere stadsvorming.
De kerk van Vollenhove en de latere burcht hadden niet hetzelfde begin
Een kerkgebouw rond 1100 is een ander historisch verschijnsel dan de bisschoppelijke dwangburcht die traditioneel met 1165 wordt verbonden. De vroege kerk wijst op georganiseerde religieuze activiteiten en bewoning op de hogere gronden. Zij bewijst niet dat er op dat moment al een stenen kasteel of een ontwikkeld stedelijk bestuur bestond. Die latere ontwikkelingen hadden hun eigen politieke achtergrond. Voor deze periode zijn vooral de oudere woudrechten, de mogelijke grafelijke aanspraken en de plaatselijke ontginningen belangrijk. Door deze zaken chronologisch te scheiden, wordt voorkomen dat Vollenhove vanuit zijn latere militaire betekenis te vroeg als volledig bisschoppelijk machtscentrum wordt voorgesteld.
Omstreeks 1100 begon op sommige plaatsen een nieuwe fase van veenontginning
Tussen de hogere gronden van Vollenhove, Steenwijk en Friesland lagen uitgestrekte venen. Langs de waterlopen bevonden zich natte bossen en graslanden, terwijl verder landinwaarts hoogveen voorkwam. Vanuit oudere nederzettingen konden bewoners geleidelijk nieuwe stukken land bruikbaar maken. Daarvoor werden afwateringssloten gegraven en percelen in stroken verdeeld. De latere bronnen uit 1132 tonen dat zulke ontginningen inmiddels georganiseerd waren. Het begin daarvan lag vermoedelijk deels vroeger. Niet ieder perceel kan echter in de periode 1100–1119 worden geplaatst. Het landschap veranderde stapsgewijs en door inklinking van het veen ontstonden later opnieuw problemen met de waterhuishouding.
Rond 1100 werden motteversterkingen een zichtbaar teken van adellijke macht
Bij Rheebruggen in Drenthe ligt het Borgbarchien, een kunstmatige heuvel met sporen van een vroegmiddeleeuwse of volmiddeleeuwse versterking. De heuvel is ongeveer drie meter hoog en werd omgeven door een forse gracht, die oorspronkelijk circa twintig meter breed kan zijn geweest. Tijdens onderzoek werden onder meer middeleeuws aardewerk en een ijzeren bijl gevonden. Er zijn aanwijzingen voor verschillende bouwfasen, maar geen overtuigende resten van een bakstenen woontoren. De aanleg wordt vermoedelijk in de elfde of twaalfde eeuw geplaatst. Daarom is het mogelijk, maar niet zeker, dat de versterking rond 1100 al bestond. Ook de vroegste eigenaar is onbekend.
In 1106 kwam Hendrik V aan de macht na strijd met zijn vader
Hendrik V wist het koningschap over te nemen nadat hij zich tegen Hendrik IV had gekeerd. De machtswisseling maakte duidelijk hoe diep de Investituurstrijd de politieke verhoudingen had beschadigd. Hoewel een nieuwe koning aantrad, bleef de centrale vraag bestaan wie geestelijke leiders mocht benoemen en welke rechten daarmee samengingen. Vooral in Saksen en Westfalen behield de adel voldoende macht om zich tegen de vorst te verzetten. Voor Münster was de houding van Saksische machthebbers bijzonder belangrijk. Utrecht had eveneens met een ingewikkelde situatie te maken: de bisschop kon voor zijn wereldlijke aanspraken koninklijke bevestiging zoeken, terwijl de kerkelijke hervormingsbeweging dezelfde koning kon bestrijden.
In 1112 werd Godebald bisschop van Utrecht
Na Burchard kwam Godebald aan het hoofd van het Utrechtse bisdom. Hij wordt in de bronnen verbonden met Friese afkomst en bleef tot 1127 bisschop. Onder zijn bestuur werden de tegenstellingen binnen het rijk steeds scherper. Godebald had te maken met de rechten van Utrecht in het rivierengebied, Drenthe, het noorden en de Friese gebieden. De uiteenlopende bezittingen maakten zijn bestuurlijke positie sterk afhankelijk van lokale vertegenwoordigers. Deventer en de IJssel waren langs het water bereikbaar, terwijl in Drenthe en Friesland andere landschappelijke hindernissen golden. Door die verschillen konden koninklijke bevestigingen juridisch belangrijk zijn zonder overal onmiddellijk tot feitelijke controle te leiden.
In 1112 bevestigde Hendrik V Utrechtse aanspraken op Oostergo en Westergo
Nog in het jaar van Godebalds aantreden bevestigde Hendrik V de rechten van de Utrechtse kerk op de Friese graafschappen Oostergo en Westergo. Deze rechtshandeling is van belang omdat zij toont dat de strijd om het noorden al vóór het midden van de twaalfde eeuw speelde. De bisschop kreeg juridische steun voor zijn aanspraken, maar het bestaan van een oorkonde bewees niet dat de bewoners van Friesland in alle gevallen zijn bestuur daadwerkelijk accepteerden. Plaatselijke gemeenschappen en andere machthebbers konden de uitoefening van de rechten beperken. Het onderscheid tussen formeel bezit en daadwerkelijk gezag bleef daardoor net zo belangrijk als eerder in Drenthe.
De Friese rechten maakten het noordelijke waterland ook politiek belangrijk
Oostergo en Westergo lagen in een wereld van kustgebieden, waterlopen en landelijke gemeenschappen. Voor Utrecht betekende de bevestiging van 1112 niet dat de verbindingen met deze gebieden eenvoudig werden. Vanuit het bisschoppelijke centrum moesten brieven, vertegenwoordigers en soms gewapende mannen grote afstanden afleggen. Het open water en de natte gronden boden mogelijkheden voor verkeer, maar konden ook hindernissen vormen. Daarnaast hadden de bewoners eigen gebruiken en bestuurlijke tradities. De Friese aanspraken geven de latere gebeurtenissen rond Vollenhove een langere voorgeschiedenis. Het noordelijke Oversticht lag geografisch tussen de bisschoppelijke belangen bij de IJssel en het moeilijker te beheersen Friese kustgebied.
In februari 1115 werd Hendrik V bij Welfesholz verslagen
Een verbond van Saksische tegenstanders bracht Hendrik V bij Welfesholz een zware nederlaag toe. Hertog Lotharius speelde in de oppositie een belangrijke rol. Voor Westfalen en Münster werd daarmee duidelijk dat de koning zijn invloed niet overal zonder weerstand kon uitoefenen. Bisschoppen moesten hun positie bepalen tegenover twee sterke politieke kampen. De nederlaag was niet uitsluitend een militaire gebeurtenis. Zij had gevolgen voor de bescherming van bezittingen, de erkenning van benoemingen en de onderlinge verhoudingen van adellijke families. De verbinding tussen de Saksische politiek en het oostelijke grensgebied van Twente maakte deze strijd ook voor het verhaal tussen Utrecht en Münster van belang.
In 1118 nam Godebald deel aan de kerkvergadering van Fritzlar
Tijdens de synode van Fritzlar in 1118 werd de kerkelijke ban tegen Hendrik V opnieuw bevestigd. Godebald van Utrecht nam aan die bijeenkomst deel en schaarde zich daarmee aan de kant van de kerkelijke tegenstanders van de koning. Zijn positie was gevoelig, omdat hij zes jaar eerder nog koninklijke bevestiging had gekregen voor rechten in Friesland. Daarmee wordt zichtbaar dat politieke verhoudingen konden veranderen zonder dat oude oorkonden onmiddellijk hun betekenis verloren. Het geschil ging over meer dan een persoonlijke ruzie. Voor een bisschop met verspreide graafschappen, kapittels en hoven stond ook de bescherming van zijn goederen en zijn bestuurlijke invloed op het spel.
In 1119 verschijnt Kuinre in het noordelijke plaatsnamenmateriaal
De naam Kuinre wordt in historisch plaatsnamenonderzoek rond 1119 vermeld. De nederzetting lag bij de Kuinder of Tjonger en het grotere watergebied richting het Almere. Voor de geschiedenis van Noordwest-Overijssel is dat een vroeg aanknopingspunt, omdat de omgeving later belangrijk werd voor ontginning, scheepvaart en grensconflicten. Uit de vermelding alleen mag echter niet worden afgeleid dat in 1119 al een grote haven, een grafelijke burcht of een ontwikkeld stadsbestuur aanwezig was. Het document toont vooral dat de plaatsnaam en het landschap in de vroege twaalfde eeuw al herkenbaar waren. De latere ontwikkeling moet afzonderlijk worden onderzocht.
Kuinre, IJsselham en Vollenhove lagen in hetzelfde veranderende waterland
De nederzettingen bij Kuinre en op de hogere gronden van Vollenhove waren omgeven door riviertjes, veengronden en het noordelijke binnenwater. De omgeving van IJsselham kwam later eveneens duidelijk naar voren in kerkelijke en ontginningsdocumenten. De ligging langs waterlopen bood mogelijkheden voor vervoer en visserij. Tegelijk konden de bewoners slechts een deel van de natte gronden als akker gebruiken. Nieuwe sloten en strookvormige percelen veranderden het landschap. De precieze situatie rond 1119 mag niet worden verward met de kustlijn en de havens van latere eeuwen. De bekende oorkonden over georganiseerde ontginningen volgen pas vanaf de jaren 1130.
Tegen 1119 groeide de tegenstelling tussen Hendrik V en de Saksische adel
Na Welfesholz bleef de politieke weerstand in het noorden van het rijk bestaan. De koning probeerde zijn gezag in Saksen en Westfalen te herstellen, terwijl zijn tegenstanders onder leiding van hertog Lotharius hun zelfstandige positie verdedigden. Bisschoppen konden in deze strijd zowel religieuze als wereldlijke belangen vertegenwoordigen. Voor de steden was de uitkomst belangrijk, omdat een machtswisseling gevolgen kon hebben voor de bescherming, de belastingen en de relaties met de omringende adel. Münster nam een bijzondere plaats in als bisschopsstad die tegelijk in het politieke krachtenveld van de koning en de Saksische vorsten lag.
Met Kerstmis 1119 werd bisschop Diederik II uit Münster verdreven
Diederik II van Winzenburg was met steun van hertog Lotharius bisschop van Münster geworden. Toen Hendrik V eind 1119 met zijn leger Westfalen binnentrok, keerden inwoners van Münster zich tegen de bisschop. Diederik moest vluchten en zocht bescherming bij Lotharius. Hendrik V bracht volgens de overlevering Kerstmis in Münster door. De gebeurtenis maakt zichtbaar dat een bisschopsstad geen eensgezinde gemeenschap was. Koning, bisschop, Saksische hertog en stedelijke bevolking konden verschillende belangen hebben. De verdrijving betekende niet dat het conflict voorbij was. De gewapende strijd zou in 1121 opnieuw grote gevolgen voor Münster krijgen.
Tussen Utrecht en Münster (925–1165) — Koningen, bisschoppen, graven en de strijd om het land
Deel 5 — 1040–1048
De koninklijke schenkingen aan Utrecht, Uffo en zijn broers, Groningen, Deventer, Drenthe en de hof van Uffelte
In 1040 zette Hendrik III de uitbreiding van de Utrechtse macht voort
Na de dood van Koenraad II in 1039 nam Hendrik III het koningschap over. De Utrechtse bisschop Bernold beschikte toen al over grafelijke aanspraken in Drenthe, maar moest die in het noorden nog laten gelden. De nieuwe koning kon zijn kerkelijke bondgenoot versterken door afzonderlijke landgoederen en rechten over te dragen. De reeks oorkonden uit de jaren 1040 is daarom geen beschrijving van één plotseling ontstaan bisdomsland. Zij toont hoe het koningschap verschillende vormen van gezag uit elkaar kon halen: bezit van een hof, inkomsten uit grond, rechten op een stad en grafelijke bevoegdheden in een groter gebied.
Op 21 mei 1040 werden goederen van Uffo en zijn broers geconfisqueerd
In een rechtshandeling van 21 mei 1040 droeg Hendrik III bezittingen in het Drentse gebied over aan bisschop Bernold. De goederen hadden aan Uffo en zijn broers toebehoord. Volgens de overlevering waren zij wegens een ernstig vergrijp hun bezit kwijtgeraakt, maar de oorkonde beschrijft de precieze daad niet. Historisch is dat een belangrijk verschil: het bewijs betreft de ontneming en schenking, niet de aard van een misdrijf. De genoemde bezittingen lagen onder meer bij Uffelte, Wittelte en Peelo. Hun bewoners verdwenen niet door het besluit; vooral de juridische verhouding tot de grondheer veranderde.
De namen Uffelte, Wittelte en Peelo kwamen daarmee scherp in beeld
De vroege documentatie laat drie Drentse plaatsen zien die ieder in een eigen agrarische omgeving lagen. Uffelte en Wittelte lagen in het westelijke deel van Drenthe, waar landbouwgronden, bossen en wegen richting Diever en Steenwijk elkaar afwisselden. Peelo bevond zich op de noordelijke zandgronden bij het latere Assen. De tekst van 1040 zegt niet hoeveel boerengezinnen er op ieder erf woonden, hoeveel akkers er waren of welke gebouwen precies bij het bezit hoorden. Juist daarom moet een vroege oorkondelijke vermelding onderscheiden worden van de latere beschrijving van een volledig ontwikkeld hofstelsel.
In 1040 kreeg Utrecht ook belangen bij de nederzetting Groningen
De koning droeg eveneens goederen over die betrekking hadden op Groningen, in de bronnen aangeduid als Cruoninga of vergelijkbare oude vormen. De nederzetting lag op de noordelijke uitloper van de Hondsrug, tussen de zandgronden van Drenthe en het lagere kustland. De aanduiding villa wijst in deze context op een nederzetting of bezitscomplex; ze maakt Groningen niet automatisch tot een stad in de latere betekenis. Het bezit gaf de Utrechtse kerk een steunpunt aan een belangrijke overgang in het landschap. Maar andere grondheren, bewoners en geestelijke instellingen bleven daarnaast eigen aanspraken en belangen houden.
Lenverding en Eyen laten zien hoe verspreid de koninklijke goederen lagen
De overdrachten van 1040 noemen behalve bekende plaatsen ook goederen waarvan de oude namen als Lenverding en Eyen zijn overgeleverd. De precieze identificatie van zulke namen vergt controle van de oorspronkelijke tekst en de geografische context. Zij mogen niet zonder bewijs met een modern dorp worden vereenzelvigd. Het gegeven is wel belangrijk: de schenking was niet beperkt tot één compacte bezitting bij Groningen of Uffelte. Het koningschap beschikte over uiteenlopende eigendommen en rechten, die vanuit verschillende historische omstandigheden waren ontstaan. Bernold verwierf daardoor een netwerk van inkomstenbronnen, geen vanzelfsprekend aaneengesloten en uniform bestuurd territorium.
Groningen hoorde in de oorkondelijke wereld nauw bij Drenthe
Tegenwoordig worden Drenthe en Groningen als afzonderlijke provincies beschouwd. Voor de elfde eeuw kan die scheiding misleidend zijn. Het gebied rond Groningen was via de Hondsrug, de Rolderrug en de Hunze verbonden met de Drentse zandgebieden. Schriftelijke bronnen plaatsen Groningen bovendien in een bestuurlijke context waarin Drenthe voorkomt. Dat verklaart waarom goederen in Groningen en Drentse plaatsen in dezelfde schenkingsgeschiedenis verschijnen. Het zegt echter niet welke weg een Utrechtse bode precies nam. De feitelijke verbindingen moeten worden afgeleid uit terrein, oude oversteekplaatsen, nederzettingen en afzonderlijk bewijs voor verkeer tussen de genoemde centra.
In 1042 werd het graafschap Umbalaho in verband met Utrecht gebracht
Een volgende koninklijke overdracht uit 1042 noemt Agridiogen of Umbalahe, een naam die door oudere historici met het ommeland van Vollenhove in verband wordt gebracht. Deze identificatie is belangrijk, maar niet onomstreden. Zij mag dus niet worden gepresenteerd alsof de grenzen van een graafschap Vollenhove volledig bekend zijn. Wanneer de verklaring juist is, breidden de Utrechtse aanspraken zich uit over het gebied rond de hogere gronden van Vollenhove. In elk geval laat het document zien dat er naast het oudere koninklijke woudrecht van 944 nieuwe vormen van grafelijke en economische macht in het noordwesten van Overijssel werden besproken.
De rechten van 944 en de schenking van 1042 waren verschillend
De vermelding van Fulnaho in 944 betrof in de eerste plaats koninklijk woudrecht, met bijzondere bevoegdheden ten aanzien van de jacht en het gebruik van het bosgebied. Een graafschap of ander openbaar rechtsgebied in 1042 was juridisch iets anders. Beide documenten kunnen bij hetzelfde landschap horen zonder dezelfde goederen, personen of bevoegdheden te beschrijven. Dat onderscheid is nodig bij het reconstrueren van de ontwikkeling van Vollenhove. Zelfs wanneer de Utrechtse bisschop meer rechten verwierf, bezat hij daardoor niet automatisch alle afzonderlijke erven. Evenmin is uit deze oorkonden de aanwezigheid van een bisschoppelijk kasteel vóór het midden van de twaalfde eeuw af te leiden.
De koning gebruikte schenkingen ook in een strijd met regionale hertogen
De uitbreiding van Utrecht stond niet los van de grote machtsstrijd in het rijk. Hendrik III kreeg te maken met tegenstand van hertog Godfried met de Baard en andere leden van de Lotharingse adel. Het koningschap kon een trouwe bisschop versterken om het overwicht van zulke vorsten te beperken. Een schenking van grafelijke rechten had daardoor een dubbel doel: zij schonk de kerk inkomsten en bestuursmacht, maar schiep tegelijk een bondgenoot van de koning. In het oostelijke rivierengebied speelde deze politiek een bijzondere rol. Het ging daar niet alleen om landerijen, maar ook om versterkte plaatsen, wegen en de mogelijkheid om recht te spreken.
Op 22 mei 1046 werden de grafelijke rechten in Drenthe opnieuw geregeld
De schenking van Drenthe in 1024 had de Utrechtse bisschop al een juridische grondslag gegeven. De politieke uitvoering ervan bleef evenwel ingewikkeld door de rechten van andere machthebbers. In 1046 volgde onder Hendrik III een nieuwe koninklijke regeling met betrekking tot het graafschap. In oudere historische werken wordt hiervoor 22 mei 1046 genoemd. Deze latere regeling moet niet als bewijs worden opgevat dat er in 1024 helemaal niets was geschonken. Eerder blijkt dat koninklijke toekenning, het houden van een ambt en de praktische aanvaarding door plaatselijke machthebbers uiteen konden lopen. De opeenvolging van akten vormt juist het bewijs van die ingewikkeldheid.
Op 23 augustus 1046 ontving Utrecht de koninklijke rechten in Deventer
De schenking van 23 augustus 1046 behoort tot de belangrijkste oorkonden voor het Oversticht. Hendrik III droeg aan de Utrechtse kerk over wat het koningschap in Deventer aan eigendom, munt, tol, rechtspraak en andere inkomsten bezat. Bernold kreeg bovendien rechten in een graafschap in Hamaland, aan weerszijden van de IJssel. Voor een plaats waar al veel verkeer en handel plaatsvond, waren munt en tol bijzonder waardevol. De bisschop werd daardoor niet alleen een geestelijk leider, maar ook houder van economische en openbare bevoegdheden. Het precieze onderscheid tussen al deze rechten blijft per onderdeel van de tekst van belang.
De Hamalandse oorkonde legde een reeks grenspunten vast
Het document uit augustus 1046 beschreef de omvang van het betreffende graafschap aan de hand van oude namen. Daaronder bevonden zich Rathnon, Hunne, Weghestapelon, Westerfle, Agastaldaburg en Stenere, gevolgd door punten aan de andere zijde van de IJssel zoals Lovenen, Eerbeke, Suthempe en Ascete. Historici hebben deze plaatsen onder meer verbonden met Rande, Hunne bij Olst, de omgeving van Dijkerhoek, Westerflier, Steenderen, Loenen, Eerbeek en het Zutphense achterland. Niet elke identificatie is even zeker. De opsomming toont dat de koning een begrensd rechtsgebied bedoelde en dat de IJssel niet eenvoudig de buitenrand van dat gebied vormde.
Deventer groeide door muntrecht, tol en rechtspraak als machtscentrum
Deventer had al lang een bijzondere plaats in het kerkelijke en commerciële netwerk van de IJssel. Het verkrijgen van munt- en tolrechten in 1046 maakte het voor de Utrechtse bisschop aantrekkelijker om er bestuurlijke belangen te beschermen. Muntrecht gaf toegang tot een economische functie die in een handelsplaats zwaar kon wegen. Tolrecht kon inkomsten verschaffen uit bepaalde vormen van verkeer en goederenvervoer. Rechtsmacht bood mogelijkheden om conflicten te behandelen en regels te handhaven. Dat betekende niet dat iedere Deventenaar in het dagelijks leven rechtstreeks met de bisschop te maken kreeg. Plaatselijke geestelijken, kooplieden, bestuurders en grondbezitters bleven bestaan.
De goederen in Salland bestonden uit vele kleine bezitscomplexen
Niet alleen Deventer zelf telde. De bronnen noemen ook oude goederen en nederzettingen in de omgeving, waaronder Borgelo, Bergelo, Bursen, Sinderen en Hunderen. Van sommige namen staat de ligging niet volledig vast. Hun belang ligt in de verspreiding van rechten over het achterland. Het kon gaan om een afzonderlijke akker, inkomsten uit een hoeve, een oud hof of andere aanspraken. Het ontstaan van bisschoppelijke macht moet daarom niet uitsluitend worden beschreven als een reeks nieuwe graafschappen. Een groot deel van het vermogen bestond uit afzonderlijke goederen en inkomsten die door lokale bewoners werden voortgebracht, vaak al generaties vóór de schenking.
In 1046 stonden de IJssel en Drenthe binnen één bestuurlijk netwerk
Door rechten bij Deventer en in Drenthe samen te bekijken, wordt zichtbaar waarom het verkeer over land en water zo belangrijk was. De IJssel gaf toegang tot een aantal belangrijke nederzettingen en bood aansluiting op Salland. Verder noordelijk moesten reizigers door zandgebieden, beekdalen en venen trekken. Het beheer van grondbezit vereiste brieven, bezoeken, vertegenwoordigers en soms het vervoer van goederen. De bestaande lokale machtsstructuren verdwenen niet door een oorkonde. Juist hun aanwezigheid bepaalde hoe uitvoerbaar een koninklijke schenking was. De bisschop had beheerders nodig die bekend waren met de inwoners, rechten en wegen van hun streek.
In 1048 kreeg het kapittel van Sint-Pieter de hof van Uffelte
Bisschop Bernold schonk in 1048 de hof van Uffelte aan het Utrechtse kapittel van Sint-Pieter. Daardoor werden inkomsten uit een Drents landbouwcomplex bestemd voor de geestelijken van een kapittelkerk ver buiten hun eigen woongebied. Het woord hof kan hier meer omvatten dan een enkel woonhuis: doorgaans ging het om een beheerseenheid met akkers, omliggende erven en financiële of agrarische verplichtingen. De schenking vormt een vast historisch aanknopingspunt. Hoeveel gebouwen Uffelte toen bezat en op welke manier elke verplichting werd geïnd, valt uit het schenkingsjaar alleen niet vast te stellen.
De latere voorraadschuren van Uffelte verklaren de economische functie
In latere documenten verschijnt Uffelte als hoofdhof met voorraadschuren waar landbouwproducten werden samengebracht. De boeren die tot het goederencomplex behoorden konden graan leveren en diensten verrichten. Omstreeks 1300 wordt in de kapitteladministratie nauwkeuriger beschreven wat van horigen werd verwacht. Bij een bezoek van de proost moesten zij onder meer voor paard en proviand zorgen. Deze gegevens verklaren hoe het systeem uiteindelijk werkte. Ze mogen niet zonder meer als letterlijke beschrijving van 1048 worden gebruikt. Voor de elfde eeuw toont de schenking vooral dat Drentse landbouwinkomsten beschikbaar werden gesteld aan het Utrechtse kerkelijke leven.
Ook Wittelte bleef binnen het grotere kerkelijke goederenverband
Wittelte wordt in de vroegste documenten onder een vorm als Withelte genoemd. Het dorp lag nabij Uffelte en Diever, tussen akkers, bossen en hogere zandgronden. Een bezitting in zo'n kleinere nederzetting kon onderdeel zijn van een beheer dat elders was gecentraliseerd. Later waren er pachtbetalingen en leveringen die via hoven of voorraadplaatsen werden geregeld. De ontwikkeling van Uffelte en Wittelte laat zien dat grotere kerkelijke instellingen niet uitsluitend rechtstreeks rondom hun eigen gebouwen grond bezaten. Verspreide erven konden samen de inkomsten van een kapittel ondersteunen. Voor 1040–1048 zijn het exacte aantal boeren en de omvang van ieder goed nog onbekend.
Bij Peelo ontstond later een uitzonderlijk herkenbaar hofstelsel
De bezittingen bij Peelo werden in de elfde eeuw verbonden met de groeiende Utrechtse kerkelijke macht. Archeologisch onderzoek toont hoe daar oudere boerenerven later in grotere beheerseenheden opgingen. Het erf Hovinge besloeg uiteindelijk meer dan een hectare en werd door een brede greppel omgeven. Een grote schuur kan zijn gebruikt om opbrengsten uit meerdere hoeven op te slaan. Bij het naburige Derkinge ontbrak een vergelijkbare oogstschuur, maar waren wel aanwijzingen voor een moestuin. Deze resultaten tonen de latere praktische uitwerking van bezit en beheer; zij bewijzen niet dat Hovinge direct in 1040 al zijn bekende omvang had.
Deel 6 — 1049–1075
Bernold, Willem I, bisschoppelijke kapittels, Drentse hoven, kerkbouw en verbindingen door het Oversticht
In 1049 nam bisschop Bernold deel aan een hervormingsvergadering in Mainz
Bernold was niet uitsluitend bestuurder van verre goederen en grafelijke rechten. In 1049 nam hij deel aan een grote kerkvergadering in Mainz, waar paus Leo IX en keizer Hendrik III aanwezig waren. Daar kwamen vragen aan de orde over kerkelijke ambten, het kopen van geestelijke functies en het gedrag van geestelijken. Deze bijeenkomst laat zien dat de ontwikkeling van Utrecht ook in een bredere hervormingsbeweging stond. Dezelfde bisschop die rechten in Drenthe en Deventer beheerde, hoorde tot de kring van geestelijke leiders die veranderingen binnen de kerk bespraken. Kerkpolitiek en wereldlijke belangen bestonden in de praktijk naast elkaar.
Bernold versterkte de Utrechtse kapittels met grondbezit en inkomsten
Tijdens Bernolds bestuur werden Utrechtse kerkelijke instellingen uitgebouwd. Vooral Sint-Pieter en Sint-Jan zijn verbonden met zijn naam, naast de ontwikkeling van oudere religieuze gemeenschappen. Kanunniken verrichtten de eredienst en hadden daarvoor duurzame inkomsten nodig. Die kwamen onder meer uit afzonderlijke hoven, tienden en andere rechten. Een schenking als die van Uffelte in 1048 maakte de verbinding bijzonder tastbaar: graan en landbouwinkomsten uit Drenthe ondersteunden een geestelijke instelling in Utrecht. Omgekeerd werd het noordelijke bezit onderdeel van een administratie waarvan de leiding zich ver weg bevond. Dat maakte vertegenwoordigers en beheershoven noodzakelijk.
De Utrechtse Sint-Pieterskerk en de Sint-Janskerk maakten macht zichtbaar
Bernold wordt in de overlevering als een belangrijk kerkenbouwer beschouwd. De kapittelkerken Sint-Pieter en Sint-Jan behoren tot de instellingen die met zijn episcopaat samenhangen. Grote stenen kerken vroegen kostbare materialen, vaklieden en langdurige organisatie. Hun bestaan laat zien dat religieuze macht ook een materiële kant had. Achter de muren, zuilen en koorgebeden stonden inkomsten uit landgoederen en bijdragen van grondgebruikers. Over de vraag welke afzonderlijke bouwcampagnes Bernold persoonlijk leidde, bestaat niet voor elk gebouw even hard bewijs. Zijn betekenis voor de inrichting van het Utrechtse kerkelijke landschap blijft niettemin groot.
In 1054 eindigde het episcopaat van Bernold
Bernold overleed in 1054, na een periode waarin de Utrechtse wereldlijke belangen aanzienlijk waren toegenomen. Onder Hendrik III had de kerk goederen in Drenthe en Groningen, rechten bij Deventer en een graafschap in Hamaland verworven of bevestigd gekregen. Daarbij bleven oudere bezittingen van kapittels en abdijen bestaan. De bisschop liet zijn opvolger dus geen samenhangend bestuursgebied na dat overal volgens dezelfde regels functioneerde. Hij liet een netwerk na van landgoederen, juridische aanspraken, kerkelijke instellingen en plaatselijke relaties. Die veelvormigheid verklaart waarom de bestuurlijke geschiedenis van het latere Oversticht zo moeilijk aan één gebeurtenis of één datum kan worden verbonden.
Vanaf 1054 bestuurde Willem I het bisdom Utrecht
Willem I volgde Bernold op en bleef bisschop tot 1076. Tijdens zijn ambtsperiode werden de spanningen tussen de koning, hervormingsgezinde geestelijken en de pauselijke omgeving steeds sterker. Willem moest daarnaast de gewone bestuurlijke verplichtingen van het bisdom blijven verzorgen. Drenthe lag op grote afstand van Utrecht, net als bepaalde goederen in Salland, Twente en het noordelijke waterland. Rechtspraak, inning van inkomsten en bescherming van bezit konden niet voortdurend door de bisschop zelf worden uitgevoerd. Daarom werd de positie van hofbeheerders, proosten, schouten en andere vertegenwoordigers belangrijker. Hun lokale kennis was onmisbaar voor effectief bestuur.
In de tweede helft van de elfde eeuw bleven hoven centrale verzamelplaatsen
Een kerkelijke hof kon de opbrengsten van een reeks afhankelijke boerderijen verzamelen. Het ging niet alleen om landbouwproducten die meteen naar Utrecht werden vervoerd. Een deel kon worden gebruikt voor plaatselijke verplichtingen, voorraden en het onderhoud van reizende functionarissen. De administratie moest bijhouden wie een betaling verschuldigd was en op grond van welk recht. Voor de Drentse dorpen is juist het verschil tussen oorspronkelijke schenking en later gedocumenteerde hoforganisatie belangrijk. De schenking van 1048 toont het ontstaan van een rechtsverhouding; meer gedetailleerde beschrijvingen uit latere eeuwen laten zien hoe die verhouding zich vervolgens kon ontwikkelen.
De archeologie van Peelo laat veranderingen in agrarisch beheer herkennen
In Peelo zijn boerderijen en erven onderzocht waarvan de oudste fasen voorafgaan aan de verwerving van koninklijke goederen door Utrecht. Later veranderde vooral het erf Hovinge ingrijpend. Het werd een groter, omgreppeld complex, met een opvallend opslaggebouw. De tegenstelling met Derkinge, waar aanwijzingen voor een moestuin maar niet voor dezelfde grote schuur werden gevonden, is veelzeggend. Archeologische sporen en de studie van P.N. Noomen ondersteunen het idee van een bijzondere beheersfunctie. Tegelijk blijft datering noodzakelijk: uit een later ontwikkelde hoofdhof mag niet zonder meer worden geconcludeerd dat alle bijbehorende instellingen en gebouwen al midden in de elfde eeuw bestonden.
De goederen rond Rolde werden vermoedelijk vanuit meerdere centra beheerd
Het Rolder dingspel omvatte dorpen als Rolde, Balloo en Anloo, waar oudere religieuze en bestuurlijke functies samenkwamen. De aanwezigheid van bisschoppelijk bezit betekent niet dat in iedere plaats een afzonderlijke centrale hof bestond. P.N. Noomen ziet aanwijzingen dat bepaalde goederen vanuit Anloo werden beheerd. Voor Balloo is een grote bisschoppelijke domeinhof in de vroege periode niet overtuigend bewezen. Bovendien verschilden functies: een kerk kon religieus middelpunt zijn, een hof kon opbrengsten verzamelen, en een andere plaats kon een latere rechtsvergadering herbergen. Die functies liepen soms samen, maar hoeven historisch niet op dezelfde plek of in dezelfde eeuw te zijn ontstaan.
Het Drentse landschap bepaalde de bereikbaarheid van de nederzettingen
Boerderijen in Drenthe stonden op relatief droge zandgronden, vaak nabij essen en beekdalen. Voor het verkeer waren natuurlijke ruggen belangrijk: de Hondsrug bood een noord-zuidverbinding, terwijl de Rolderrug een andere route door het gebied vormde. Door natte laagten en over beekdalen waren slechts bepaalde overgangen praktisch bruikbaar. Het verklaart waarom kerken, grotere erven en later versterkingen vaak dicht bij verbindingen lagen. Toch is het bestaan van een landschappelijk logische route niet hetzelfde als een schriftelijk aangetoonde bisschoppelijke reisweg. Voor de elfde eeuw moeten archeologie, oude topografie en oorkonden elkaar aanvullen om afzonderlijke verplaatsingen werkelijk te kunnen bewijzen.
De weg vanuit Utrecht naar Drenthe kende verschillende mogelijkheden
Wie vanuit Utrecht naar het noorden ging, kon waar mogelijk waterwegen gebruiken, maar niet het hele traject was vanzelf bevaarbaar. De Vecht gaf toegang tot het noordelijke binnenwater, terwijl de IJssel verbindingen met Deventer en de noordelijke delta bood. Vanuit het Overijsselse achterland liepen landwegen in de richting van Steenwijk, Diever en de Drentse zandgronden. Rivierovergangen en veengebieden konden een omweg noodzakelijk maken. De afstand verklaart de waarde van plaatselijke vertegenwoordigers. Tegelijk is onbekend welke afzonderlijke goederen in de elfde eeuw daadwerkelijk in Utrecht werden afgeleverd en welke voorraden of betalingen ter plaatse bleven.
De IJssel verbond Deventer met het rivierengebied en het noorden
Langs de IJssel lagen naast Deventer andere nederzettingen en goederencomplexen. Mensen en goederen konden langs deze route reizen, waar de omstandigheden dat toelieten. Deventer had als kerkelijke plaats al een lange geschiedenis en was tevens een belangrijk centrum van handel en vakmanschap. De koninklijke schenking van 1046 had daarom economische gevolgen voor de bisschop: munt, tol en rechtsmacht konden inkomsten en invloed verschaffen. Toch was het niet de enige verbinding met het noorden. De Utrechtse Vecht, de Overijsselse Vecht en kleinere waterlopen vormden onderdelen van een bredere regionale verkeerswereld, die niet in één vaste handelsroute kan worden samengevat.
Het Zwarte Water, de Vecht en de Sethe boden verbindingen naar Vollenhove
Het latere landschap van Zwolle, Kampen, Genemuiden, Zwartsluis en Vollenhove mag niet zonder meer worden teruggezet naar de elfde eeuw. De waterstand, oevers en omvang van het open water veranderden. Toch vormden de verbindingen tussen de IJsselmonding, de Overijsselse Vecht, het Zwarte Water en de noordelijke waterlopen een belangrijk geografisch uitgangspunt. Ook de oude Sethe, de Steenwijker Aa, de Linde en de Kuinder horen bij het onderzoek naar de bereikbaarheid. Dergelijke waterwegen konden betekenis hebben voor visserij, verkeer en de exploitatie van natte gronden. Concrete scheepsroutes en tolpunten vragen afzonderlijk bewijs.
De eerste ontginningen rond Vollenhove zetten zich vermoedelijk voort
De bewoning op en bij de hogere gronden van Vollenhove lag naast uitgestrekte veengebieden. Onderzoek naar Noordwest-Overijssel wijst erop dat de eerste middeleeuwse ontginningen plaatselijk mogelijk al rond 950 begonnen. In de elfde eeuw kan deze uitbreiding vanuit bestaande woonplaatsen verder zijn gegaan. Ontginners maakten sloten en brachten stroken grond in gebruik. Door de afwatering veranderde de samenstelling en hoogte van het veen. De natte omgeving bood dus niet alleen beperkingen, maar ook kansen voor de uitbreiding van akkers en bewoning. De exacte fasering verschilde per ontginningsblok; twaalfde-eeuwse oorkonden leveren hiervoor later duidelijker bewijs.
De natte gronden veranderden zodra ontginners sloten aanlegden
Veen kon na ontwatering tijdelijk beter geschikt worden voor landbouw. Tegelijk begon de bodem in te klinken en langzaam te verteren, waardoor de percelen lager kwamen te liggen. Dat kon een nieuwe afwatering noodzakelijk maken en uiteindelijk een verplaatsing van landbouw of bewoning veroorzaken. Dit proces is belangrijk om de latere veranderingen rond Kuinre, IJsselham en Blankenham te begrijpen. Niet alle bekende middeleeuwse percelen ontstonden in dezelfde eeuw. De bewoners van de elfde eeuw hebben het landschap waarschijnlijk stap voor stap aangepast, terwijl de grote georganiseerde ontginningen die in de bronnen van 1132 zichtbaar worden nog een verdere ontwikkeling zouden vormen.
De grotere Drentse dorpen bleven landbouwgemeenschappen
Anloo, Vries, Rolde, Eelde, Beilen en Emmen waren verbonden met een landschap van akkers, graslanden, bossen en beekdalen. Veel bewoners leefden van landbouw en veeteelt, zonder een plaats in de bewaard gebleven oorkonden te krijgen. Rond de huizen stonden bijgebouwen voor opslag en werk. Kuilen, greppels, aardewerk en soms waterputten zijn de materiële overblijfselen van dat bestaan. Schriftelijke bronnen vertellen vooral over grondbezit, tienden en gezag; archeologie toont hoe huizen en erven daadwerkelijk werden ingericht. Samen laten ze zien dat politieke verandering het dagelijkse werk van boeren niet verving, maar er wel nieuwe verplichtingen aan kon verbinden.
In de elfde eeuw werd de houten kerk van Vries door steenbouw gevolgd
Vries behoorde tot de oudste kerkelijke centra van Noord-Drenthe. Bouwhistorische en archeologische gegevens wijzen op houten voorgangers en een vroege fase van tufsteenbouw. De exacte volgorde van alle bouwfasen blijft onderwerp van onderzoek, maar delen van de ontwikkeling worden in de elfde eeuw geplaatst. Het gebruik van tufsteen vergde materiaaltransport en gespecialiseerde bouwkennis. De kerk was bedoeld voor een groter verzorgingsgebied dan de directe omgeving van het gebouw. Pas latere oorkonden laten duidelijk zien hoe parochies en dochterkerken onderling verbonden waren. Een stenen kerk in de elfde eeuw bewijst daarom niet dat alle later bekende kerkelijke rechten toen al dezelfde vorm hadden.
Rolde en Anloo hadden oudere religieuze centra dan hun schriftelijke vermeldingen
Onder de latere stenen kerken van Rolde en Anloo zijn aanwijzingen voor oudere houten gebouwen en begravingen aangetroffen. Het gaat om een ontwikkeling die deels al vóór 1000 begon en in de elfde eeuw doorwerkte. Bij Rolde zijn twee houten voorgangers bekend. Voor Anloo is de reconstructie van een lange reeks bouwfasen voorgesteld, al zijn niet alle afzonderlijke dateringen zeker. Deze plaatsen waren dus geen nieuwe kerkelijke stichtingen zodra zij later in een oorkonde werden genoemd. De vraag wie het initiatief voor de eerste kerken nam, blijft moeilijk te beantwoorden. Bisschoppelijk bezit in de omgeving maakt betrokkenheid mogelijk, maar vormt niet altijd direct bewijs.
Tegen 1075 werd het bestuur ook door de opkomende kerkhervorming beïnvloed
De verhouding tussen koningen en bisschoppen veranderde in de loop van de elfde eeuw. Steeds sterker werd de vraag of de koning een bisschop mocht benoemen en hem symbolen van zijn ambt mocht overhandigen. Hervormingsgezinde geestelijken wilden de kerk onafhankelijker maken van wereldlijke heersers. Voor Utrecht lag het probleem bijzonder ingewikkeld: de bisschop bezat niet alleen kerken en liturgische taken, maar ook grafelijke rechten, inkomsten en bestuurlijke ambten die hij aan koninklijke gunst ontleende. Tegen het einde van Willems episcopaat stonden die twee kanten van het bisschopsambt steeds duidelijker onder spanning. De grote confrontatie volgde vanaf 1076.
Deel 7 — 1076–1100
De Investituurstrijd, Hendrik IV, de bisschoppen van Utrecht en Münster, kerkelijke belangen en Drentse dorpen
In 1076 brak de strijd tussen Hendrik IV en paus Gregorius VII openlijk uit
De Investituurstrijd draaide om de vraag wie het recht had bisschoppen aan te stellen en de macht die bij hun ambt hoorde te bevestigen. Hendrik IV beschouwde de hoogste geestelijken als belangrijke steunpilaren van zijn koningschap. Paus Gregorius VII verzette zich tegen wereldlijke bemoeienis met kerkelijke benoemingen. In 1076 raakten hun meningsverschillen openlijk in een crisis. Dit conflict had niet alleen betekenis voor Rome en het koninklijke hof. Het trof ook Utrecht en Münster, waar bisschoppen grote bezittingen en rechten beheerden. Een verandering in de erkenning van hun ambt kon politieke en economische gevolgen hebben voor hun onderdanen.
De bisschoppen van Utrecht en Münster hadden een dubbele positie
Een bisschop leidde een kerkelijk gebied waarin geestelijken en parochies waren georganiseerd. Tegelijkertijd kon hij optreden als heer over hoven, gerechtelijke rechten en grafelijke bezittingen. Daardoor hing zijn positie zowel af van kerkelijke erkenning als van relaties met koningen en wereldlijke machthebbers. Tijdens de Investituurstrijd werd deze combinatie bijzonder kwetsbaar. Een bisschop die de paus steunde, kon in conflict komen met de vorst die zijn wereldlijke bevoegdheden had bevestigd. Wie de koning steunde, kon te maken krijgen met geestelijke tegenstanders. Voor Drenthe, Salland en Twente betekende dit dat de strijd op grote afstand gevolgen kon hebben voor het bestuur.
In 1076 volgde Koenraad de overleden bisschop Willem I op
Na het overlijden van Willem I werd Koenraad bisschop van Utrecht. Hij bestuurde het bisdom van 1076 tot 1099 en stond voor de opdracht de verworven rechten van zijn voorgangers te behouden. De verschillende bezittingen van Utrecht lagen verspreid over het rivierengebied, Drenthe en het oostelijke achterland. Een nieuwe bisschop kon niet eenvoudig op elke plaats zelfstandig vaststellen welke rechten daadwerkelijk werden nagekomen. Hij moest steunen op de administratie van kerkelijke instellingen en op plaatselijke beheerders. De Investituurstrijd maakte die afhankelijkheid ingewikkelder, doordat koninklijke en pauselijke steun niet altijd aan dezelfde kant stonden.
De pauselijke ban tegen Hendrik IV veroorzaakte nieuwe politieke verdeeldheid
De strijd verscherpte toen Gregorius VII de koning onder kerkelijke straf plaatste. Duitse vorsten die Hendrik IV wilden verzwakken, gebruikten de crisis om hun eigen positie te versterken. Een kerkelijke straf kon zo onmiddellijke politieke gevolgen krijgen. De koning had de steun van hertogen en bisschoppen nodig om zijn plaats te behouden. Tegelijk probeerden zijn tegenstanders een andere machtsverdeling tot stand te brengen. Voor de gebieden rond Münster was de Saksische adel bijzonder belangrijk. Via verwantschap en bezit stond deze wereld ook in verbinding met Twente en het IJsselgebied. De huidige staatsgrens bestond in die periode nog niet.
In januari 1077 zocht Hendrik IV bij Canossa verzoening met de paus
Hendrik IV reisde naar Italië en verscheen in januari 1077 bij het kasteel Canossa. Hij probeerde de kerkelijke ban opgeheven te krijgen en zijn positie als koning te herstellen. De verzoening kwam tot stand, maar daarmee waren de politieke tegenstellingen niet opgelost. Binnen het rijk bleef verzet bestaan. De Investituurstrijd ging daarna verder als een reeks diplomatieke en militaire confrontaties. Voor Utrecht en Münster lag juist daarin het gevaar. De benoeming van een bisschop stond niet los van het recht om goederen te besturen, inkomsten te innen en op plaatselijk niveau ambten toe te wijzen. Achter een geestelijke kwestie lagen dus ook belangen van land en macht.
De adel langs de IJssel moest zijn positie naast Utrecht blijven bepalen
De Utrechtse bisschop bezat sinds de eerste helft van de elfde eeuw belangrijke grafelijke en economische rechten. Toch waren de adellijke families in Hamaland, Salland en Twente niet verdwenen. Zij hielden eigen bezittingen en konden als getuigen, leenmannen of bestuurders optreden. Tijdens de Investituurstrijd veranderden bondgenootschappen soms snel. Een plaatselijke familie kon haar belangen mede laten afhangen van de verhouding tot de koning, de bisschop en andere heren. Zonder afzonderlijk bewijs kunnen die families niet eenvoudig als aanhangers van één partij worden ingedeeld. De documenten laten vooral zien dat de politieke wereld bestond uit overlappende aanspraken en persoonlijke overeenkomsten.
Ook in Drenthe bleef de bisschop afhankelijk van plaatselijke gemeenschappen
Hoewel Utrecht formele grafelijke rechten bezat, leefden de bewoners van Drenthe binnen bestaande dorpsstructuren. Boeren moesten hun akkers bewerken, vee verzorgen, sloten onderhouden en goederen naar een hof brengen wanneer daarvoor een verplichting bestond. De bisschop kon niet vanuit Utrecht voortdurend toezicht houden. Hij had vertegenwoordigers nodig die het terrein, de bewoners en de plaatselijke rechten kenden. Dat maakte zulke functionarissen invloedrijk. Hun ambt bood toegang tot informatie, inkomsten en aanzien. De latere geschiedenis van de heren van Coevorden laat zien welke zelfstandige positie uit dat soort functies kon ontstaan. Voor 1076–1100 moet die latere macht echter nog niet als volledig ontwikkeld worden voorgesteld.
De hoven van Sint-Pieter bleven een economische basis voor kerkelijk gezag
De Utrechtse kapittels hadden inkomsten nodig, ongeacht de strijd over kerkelijke benoemingen. De hof van Uffelte, die in 1048 aan Sint-Pieter was geschonken, vormde daarvan een voorbeeld. Bij een hof konden afhankelijke hoeven horen waarvan de bewoners landbouwproducten of andere prestaties moesten afdragen. Niet alle goederen hoefden naar Utrecht te worden vervoerd. Een deel kon lokaal worden opgeslagen of verbruikt. De later beschreven hoofdhof met voorraadschuren laat zien hoe omvangrijk het beheer uiteindelijk werd. De exacte verplichtingen van de elfde-eeuwse bewoners zijn minder goed gedocumenteerd. Daarom moet het duurzame bezit worden onderscheiden van latere details in de administratie.
De omgeving van Peelo toont hoe landbouw en macht elkaar ontmoetten
Bij Peelo waren boerenerven aanwezig die in de loop van de middeleeuwen veranderden. Het later als Hovinge aangeduide erf kreeg een bijzondere functie, herkenbaar aan de grote omvang, de omgreppeling en de opslagmogelijkheden. Andere erven, zoals Derkinge, waren anders ingericht. De gebouwen en greppels tonen een materiële kant van het kerkelijke grondbezit die uit een oorkonde niet blijkt. Een grote schuur kon de verzamelde oogst uit meer dan één boerderij bevatten. Tegelijk vormt niet iedere archeologische bouwfase direct een bewijs voor dezelfde politieke gebeurtenis. De chronologie van de gebouwen moet worden gecontroleerd voordat zij met de rechten uit 1040 en 1048 worden verbonden.
In de late elfde eeuw kregen Drentse kerken herkenbare stenen bouwfasen
Vries, Anloo, Rolde en Diever behoorden tot de kerkelijke plaatsen met een oudere voorgeschiedenis. Houten gebouwen en grafvelden gingen vooraf aan de latere stenen kerken. In de tweede helft van de elfde eeuw en rond 1100 verschenen op verschillende plaatsen tufstenen bouwfasen. Het bouwen in steen betekende een grote investering. Materiaal moest worden aangevoerd en vakmensen moesten de funderingen, muren en daken vervaardigen. Dat veronderstelt een organisatie die de mogelijkheden van een enkel huishouden overtrof. Toch levert het bouwmateriaal op zichzelf geen bewijs voor de naam van de stichter. De precieze verhouding tussen bisschop, plaatselijke elite en dorpsgemeenschap verschilde waarschijnlijk per kerk.
Bij Rolde waren kerkelijke en latere rechterlijke functies niet identiek
De kerk van Rolde werd in latere eeuwen een plaats waar het hoogste Drentse rechtscollege, de Etstoel, kon vergaderen. Ook Balloo en Anloo worden met dergelijke bijeenkomsten verbonden. Maar het bestaan van een oudere kerk of begraafplaats bewijst niet dat alle latere gerechtelijke functies al in de elfde eeuw aanwezig waren. De Balloërkuil geldt bijvoorbeeld niet als overtuigend bewezen middeleeuwse gerechtsplaats. De voorstelling van dit terrein als oeroude vergaderkuil werd mede verspreid door zeventiende-eeuwse schrijvers. Historisch zorgvuldig onderzoek moet de religieuze geschiedenis van Rolde scheiden van latere rechtspraak en van nog jongere plaatselijke tradities.
Rond 1080 wordt voor Roderwolde een vroege parochie verondersteld
Roderwolde lag aan de rand van de oudere zandgronden en het veenland. Regionale historische beschrijvingen verbinden het ontstaan van de nederzetting met ontginningen in de elfde eeuw. Soms wordt een kerk rond 1080 genoemd. Deze datering is echter niet rechtstreeks bevestigd door een bewaarde oorkonde uit dat jaar. De vroegste zekere schriftelijke vermelding van Roterwolde is later, in 1139. Ook de zelfstandigheid van de parochie wordt in verschillende studies anders gedateerd. Het mogelijke vroege ontstaan blijft waardevol als onderzoekshypothese, maar mag niet worden gelijkgesteld aan een bewezen kerkstichting van precies 1080.
De veenranden bij Roderwolde vormden geen overal gelijktijdig bewoningsgebied
Ten noorden van Roderwolde liggen natte gronden waar later kleine veenterpen werden opgeworpen. Bij de Kleibosch, de Matsloot-Roderwoldepolder en de Peizer- en Eeldermaden zijn dergelijke woonplaatsen onderzocht. De vindplaatsen leverden aardewerk, dierlijke botten en andere bewoningssporen op. De meeste onderzochte veenterpen dateren vooral uit de twaalfde tot veertiende eeuw. Ze vormen dus geen rechtstreeks bewijs voor een dichtbewoond veengebied in 1080. Wel maken ze zichtbaar hoe bewoners later met wateroverlast omgingen en de natte gebieden steeds intensiever gebruikten. De vroege zanddorpen en de latere veenbewoning moeten in een chronologische reconstructie van elkaar worden onderscheiden.
De abdij Werden hield contact met Twente en Drenthe
Een ander netwerk liep van de abdij Werden aan de Ruhr via Twente naar Groningen en de Ommelanden. Werden bezat goederen bij Oldenzaal en in verschillende Drentse dorpen. Een latere, twaalfde-eeuwse goederenlijst laat zien dat onderweg voedsel, geld en veevoer van afzonderlijke hoeven konden worden ontvangen. De boeren waren daardoor niet uitsluitend leveranciers van een klooster dat ver weg lag. Hun bedrijven lagen op plaatsen die voor reizende vertegenwoordigers betekenis konden hebben. Het is onzeker welke van de later beschreven verplichtingen al rond 1080 bestonden. De lange geschiedenis van het Werdense bezit toont echter dat een oud netwerk naast de groeiende Utrechtse macht bleef functioneren.
De doorgaande wegen verbonden Drenthe met Groningen en Münster
De hogere zandgronden vormden natuurlijke routes door een landschap met grote natte gebieden. De Hondsrug bood verbindingen richting Groningen, terwijl via Coevorden en het zuidoostelijke grensgebied toegang tot Westfalen bestond. Vanuit het westen waren Steenwijk en de hogere gronden bij Vollenhove van belang. Reizigers moesten rekening houden met de gesteldheid van wegen en beekovergangen. Het vervoer van graan, hooi en andere producten met karren vergde een andere organisatie dan reizen over water. Voor de bisschoppen betekende deze geografische werkelijkheid dat bestuurlijke macht niet op een kaart alleen berustte. Zij moest langs bestaande verbindingen daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend.
Tegen het einde van de elfde eeuw werd ook de kerkelijke strijd gewelddadig
Het conflict tussen Hendrik IV en zijn tegenstanders bleef niet beperkt tot kerkvergaderingen of brieven. De strijd had militaire gevolgen en verdeelde vorsten en bisschoppen. Koenraad van Utrecht moest zijn positie als geestelijk leider en wereldlijk heer binnen deze omstandigheden behouden. In het Oversticht liepen daarnaast oude rechten van kapittels, abdijen en plaatselijke families door elkaar. Een groot deel van de bevolking bleef werken op de eigen boerderij, ook wanneer op hoger niveau bondgenootschappen veranderden. Juist daarom tonen oorkonden slechts één deel van de geschiedenis. De gevolgen voor de gewone bewoners moeten worden onderzocht via lasten, landgebruik en plaatselijke conflicten.
In 1099 werd bisschop Koenraad van Utrecht vermoord
Koenraads regering eindigde in 1099 door geweld. De moord toont dat ook een hoge geestelijke bestuurder niet buiten persoonlijke vijandschappen en politieke spanningen stond. De precieze motieven van betrokkenen moeten uit de afzonderlijke verhalende bronnen worden gereconstrueerd. Na zijn dood werd een nieuwe bisschop noodzakelijk. Daarmee kwam opnieuw de vraag op wie de opvolger zou steunen en welke rechten hij kon handhaven. Voor Drenthe en Salland betekende een wisseling aan de top niet dat bestaande hoven en parochies verdwenen. De inkomsten en verplichtingen bleven bestaan, terwijl de verhouding met de nieuwe machthebber opnieuw kon worden bepaald.
Rond 1100 waren de politieke rechten en het dagelijkse leven ongelijk veranderd
De Utrechtse bisschop bezat sinds de elfde eeuw belangrijke grafelijke aanspraken, maar de Drentse en Overijsselse dorpen bleven in hoofdzaak agrarische gemeenschappen. Houten boerderijen werden vervangen, erven verplaatst en nieuwe kerkgebouwen opgericht. In het natte land rond Vollenhove en de Friese grensgebieden begonnen verdere landschapsveranderingen. Ondertussen bleven kloosters en kapittels over grote afstanden rechten op landbouwopbrengsten uitoefenen. De Investituurstrijd veranderde de politieke verhoudingen waarin deze rechten werden beschermd. Er was echter nog geen volledig samenhangend bisschoppelijk territorium met één bestuur, één rechtsgang en één vaste hoofdstad voor alle noordelijke bezittingen.
Deel 8 — 1101–1119
Burchard en Godebald, Hendrik V, de Friese graafschappen, Deventer, Kuinre en de strijd om Münster
Vanaf 1100 bestuurde bisschop Burchard een uitgestrekt geheel van rechten
Burchard was bisschop van Utrecht van 1100 tot 1112. Hij erfde een kerk die niet alleen binnen de muren van Utrecht betekenis had. In Drenthe, Salland, Twente en het IJsselgebied beschikte zij over verspreide grafelijke bevoegdheden, grondbezit en inkomsten. Daarnaast waren kapittels en kloosters afzonderlijke bezitters van hoeven en landgoederen. De Investituurstrijd maakte het moeilijker om deze rechten politieke bescherming te geven. Toch moesten de gewone zaken doorgaan: geestelijken kregen hun inkomsten, hoven werden beheerd en conflicten over bezit werden behandeld. Een nieuwe bisschop moest daarom zowel de kerkelijke organisatie als de wereldlijke belangen onderhouden.
De benoeming van bisschoppen bleef een bron van strijd
De Investituurstrijd was na de gebeurtenissen van 1076 en de gang naar Canossa niet beëindigd. Koningen wilden invloed houden op geestelijke ambtsdragers die over omvangrijke bezittingen en bestuurlijke bevoegdheden beschikten. Hervormingsgezinde kerkelijke leiders wilden juist dat geestelijke benoemingen onafhankelijk van die wereldlijke macht tot stand kwamen. Voor Utrecht en Münster was deze vraag bijzonder belangrijk. Hun bisschoppen konden aan de ene kant door de paus als religieuze leiders worden erkend en aan de andere kant voor het beheer van grafelijke rechten koninklijke bevestiging nodig hebben. Daardoor werd iedere opvolging ook een mogelijke politieke keuze.
Vanuit Deventer konden de Utrechtse belangen langs de IJssel worden bereikt
Deventer behield zijn betekenis als kerkelijke en economische plaats. De rechten die Hendrik III in 1046 aan Utrecht had overgedragen, waaronder munt, tol en rechtspraak, gaven de bisschop een duidelijke positie. De IJssel verbond de omgeving met Zutphen, Salland en noordelijke watergebieden. Vanuit Deventer liepen landverbindingen naar Twente en de gebieden richting Oldenzaal en Münster. Een recht op papier betekende niet dat alle handel vanzelf onder één bestuur viel. De stad had eigen inwoners, kooplieden en kerkelijke instellingen. De betekenis lag vooral in de combinatie van verkeersligging, inkomsten en een lange religieuze geschiedenis.
De noordelijke wegen liepen door gebieden met verschillende machthebbers
De weg van Utrecht via de IJssel naar Twente en Münster vormde geen onveranderlijke, overal bestrate route. Reizigers waren afhankelijk van bruggen, doorwaadbare plaatsen, veerverbindingen en begaanbare zandgronden. Onderweg passeerden zij gebieden waar graafschappen, bisschoppelijke rechten, adellijke goederen en kloosterbezit door elkaar liepen. Bij Oldenzaal lag een belangrijk kerkelijk centrum met het Sint-Plechelmuskapittel. Verder oostwaarts werden de verbindingen met Bentheim en Westfalen belangrijk. Voor het verkeer waren ook lokale markten en plaatsen waar paarden en reizigers verzorgd konden worden van betekenis. Niet iedere latere tol, haven of weg kan zonder afzonderlijk bewijs al vóór 1120 worden gedateerd.
Omstreeks 1100 werd Anloo herkenbaar door een stenen kerk
De Magnuskerk van Anloo bezit een tufstenen bouwfase die gewoonlijk rond 1100 wordt geplaatst. Onder het latere kerkgebouw kwamen bij archeologisch onderzoek resten van oudere houten constructies en leem tevoorschijn. De kerk had dus vermoedelijk een langere voorgeschiedenis. Zij werd belangrijk voor een groter gebied in Oostermoer. Het bouwen in tufsteen vroeg om steentransport en vakmanschap dat niet vanzelfsprekend in ieder boerengezin aanwezig was. De organisatie van een dergelijke bouwcampagne wijst op de bijzondere plaats van een kerkelijk centrum. Over de exacte opeenvolging van de oudste bouwfasen en over de betrokken stichters bestaat evenwel onzekerheid.
Ook Vries kreeg een belangrijke plaats in het Noord-Drentse kerkennetwerk
De kerk van Vries kende verschillende houten en stenen bouwfasen. In het begin van de twaalfde eeuw vervulde zij een centrale functie voor omliggende nederzettingen. Latere documenten verbinden Eelde, Norg, Roden en Roderwolde met het grotere parochiale netwerk. De precieze zelfstandigheid van de dochterkerken moet voor iedere plaats afzonderlijk worden gedateerd. De kerk van Vries werd niet uitsluitend bezocht door mensen uit het onmiddellijke dorp; een moederparochie kon bewoners van een groter gebied bedienen. Dat maakte kerken ook tot plaatsen waar bewoners van verschillende nederzettingen met elkaar in contact kwamen, naast de religieuze functies van doop, mis en begraven.
Rond 1100 verschenen ook bij Vollenhove vermoedelijk stenen kerkgebouwen
Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd voor een vroege tufstenen kerk op het Hoge Land van Vollenhove. De oudste fase wordt meestal rond 1100 geplaatst. Volgens een reconstructie had het schip ongeveer acht bij vijf meter en het koor ongeveer vier bij vier meter. Onder het muurwerk lagen funderingen met veldkeien. Het gebouw was dus veel kleiner dan de latere kerk. De precieze bouwdatum en de opeenvolgende uitbreidingen vragen zorgvuldige controle. De aanwezigheid van een vroeg stenen kerkgebouw wijst op een religieuze gemeenschap die bouwmateriaal kon laten aanvoeren en een gezamenlijk bouwwerk kon onderhouden, lang vóór de latere stadsvorming.
De kerk van Vollenhove en de latere burcht hadden niet hetzelfde begin
Een kerkgebouw rond 1100 is een ander historisch verschijnsel dan de bisschoppelijke dwangburcht die traditioneel met 1165 wordt verbonden. De vroege kerk wijst op georganiseerde religieuze activiteiten en bewoning op de hogere gronden. Zij bewijst niet dat er op dat moment al een stenen kasteel of een ontwikkeld stedelijk bestuur bestond. Die latere ontwikkelingen hadden hun eigen politieke achtergrond. Voor deze periode zijn vooral de oudere woudrechten, de mogelijke grafelijke aanspraken en de plaatselijke ontginningen belangrijk. Door deze zaken chronologisch te scheiden, wordt voorkomen dat Vollenhove vanuit zijn latere militaire betekenis te vroeg als volledig bisschoppelijk machtscentrum wordt voorgesteld.
Omstreeks 1100 begon op sommige plaatsen een nieuwe fase van veenontginning
Tussen de hogere gronden van Vollenhove, Steenwijk en Friesland lagen uitgestrekte venen. Langs de waterlopen bevonden zich natte bossen en graslanden, terwijl verder landinwaarts hoogveen voorkwam. Vanuit oudere nederzettingen konden bewoners geleidelijk nieuwe stukken land bruikbaar maken. Daarvoor werden afwateringssloten gegraven en percelen in stroken verdeeld. De latere bronnen uit 1132 tonen dat zulke ontginningen inmiddels georganiseerd waren. Het begin daarvan lag vermoedelijk deels vroeger. Niet ieder perceel kan echter in de periode 1100–1119 worden geplaatst. Het landschap veranderde stapsgewijs en door inklinking van het veen ontstonden later opnieuw problemen met de waterhuishouding.
Rond 1100 werden motteversterkingen een zichtbaar teken van adellijke macht
Bij Rheebruggen in Drenthe ligt het Borgbarchien, een kunstmatige heuvel met sporen van een vroegmiddeleeuwse of volmiddeleeuwse versterking. De heuvel is ongeveer drie meter hoog en werd omgeven door een forse gracht, die oorspronkelijk circa twintig meter breed kan zijn geweest. Tijdens onderzoek werden onder meer middeleeuws aardewerk en een ijzeren bijl gevonden. Er zijn aanwijzingen voor verschillende bouwfasen, maar geen overtuigende resten van een bakstenen woontoren. De aanleg wordt vermoedelijk in de elfde of twaalfde eeuw geplaatst. Daarom is het mogelijk, maar niet zeker, dat de versterking rond 1100 al bestond. Ook de vroegste eigenaar is onbekend.
In 1106 kwam Hendrik V aan de macht na strijd met zijn vader
Hendrik V wist het koningschap over te nemen nadat hij zich tegen Hendrik IV had gekeerd. De machtswisseling maakte duidelijk hoe diep de Investituurstrijd de politieke verhoudingen had beschadigd. Hoewel een nieuwe koning aantrad, bleef de centrale vraag bestaan wie geestelijke leiders mocht benoemen en welke rechten daarmee samengingen. Vooral in Saksen en Westfalen behield de adel voldoende macht om zich tegen de vorst te verzetten. Voor Münster was de houding van Saksische machthebbers bijzonder belangrijk. Utrecht had eveneens met een ingewikkelde situatie te maken: de bisschop kon voor zijn wereldlijke aanspraken koninklijke bevestiging zoeken, terwijl de kerkelijke hervormingsbeweging dezelfde koning kon bestrijden.
In 1112 werd Godebald bisschop van Utrecht
Na Burchard kwam Godebald aan het hoofd van het Utrechtse bisdom. Hij wordt in de bronnen verbonden met Friese afkomst en bleef tot 1127 bisschop. Onder zijn bestuur werden de tegenstellingen binnen het rijk steeds scherper. Godebald had te maken met de rechten van Utrecht in het rivierengebied, Drenthe, het noorden en de Friese gebieden. De uiteenlopende bezittingen maakten zijn bestuurlijke positie sterk afhankelijk van lokale vertegenwoordigers. Deventer en de IJssel waren langs het water bereikbaar, terwijl in Drenthe en Friesland andere landschappelijke hindernissen golden. Door die verschillen konden koninklijke bevestigingen juridisch belangrijk zijn zonder overal onmiddellijk tot feitelijke controle te leiden.
In 1112 bevestigde Hendrik V Utrechtse aanspraken op Oostergo en Westergo
Nog in het jaar van Godebalds aantreden bevestigde Hendrik V de rechten van de Utrechtse kerk op de Friese graafschappen Oostergo en Westergo. Deze rechtshandeling is van belang omdat zij toont dat de strijd om het noorden al vóór het midden van de twaalfde eeuw speelde. De bisschop kreeg juridische steun voor zijn aanspraken, maar het bestaan van een oorkonde bewees niet dat de bewoners van Friesland in alle gevallen zijn bestuur daadwerkelijk accepteerden. Plaatselijke gemeenschappen en andere machthebbers konden de uitoefening van de rechten beperken. Het onderscheid tussen formeel bezit en daadwerkelijk gezag bleef daardoor net zo belangrijk als eerder in Drenthe.
De Friese rechten maakten het noordelijke waterland ook politiek belangrijk
Oostergo en Westergo lagen in een wereld van kustgebieden, waterlopen en landelijke gemeenschappen. Voor Utrecht betekende de bevestiging van 1112 niet dat de verbindingen met deze gebieden eenvoudig werden. Vanuit het bisschoppelijke centrum moesten brieven, vertegenwoordigers en soms gewapende mannen grote afstanden afleggen. Het open water en de natte gronden boden mogelijkheden voor verkeer, maar konden ook hindernissen vormen. Daarnaast hadden de bewoners eigen gebruiken en bestuurlijke tradities. De Friese aanspraken geven de latere gebeurtenissen rond Vollenhove een langere voorgeschiedenis. Het noordelijke Oversticht lag geografisch tussen de bisschoppelijke belangen bij de IJssel en het moeilijker te beheersen Friese kustgebied.
In februari 1115 werd Hendrik V bij Welfesholz verslagen
Een verbond van Saksische tegenstanders bracht Hendrik V bij Welfesholz een zware nederlaag toe. Hertog Lotharius speelde in de oppositie een belangrijke rol. Voor Westfalen en Münster werd daarmee duidelijk dat de koning zijn invloed niet overal zonder weerstand kon uitoefenen. Bisschoppen moesten hun positie bepalen tegenover twee sterke politieke kampen. De nederlaag was niet uitsluitend een militaire gebeurtenis. Zij had gevolgen voor de bescherming van bezittingen, de erkenning van benoemingen en de onderlinge verhoudingen van adellijke families. De verbinding tussen de Saksische politiek en het oostelijke grensgebied van Twente maakte deze strijd ook voor het verhaal tussen Utrecht en Münster van belang.
In 1118 nam Godebald deel aan de kerkvergadering van Fritzlar
Tijdens de synode van Fritzlar in 1118 werd de kerkelijke ban tegen Hendrik V opnieuw bevestigd. Godebald van Utrecht nam aan die bijeenkomst deel en schaarde zich daarmee aan de kant van de kerkelijke tegenstanders van de koning. Zijn positie was gevoelig, omdat hij zes jaar eerder nog koninklijke bevestiging had gekregen voor rechten in Friesland. Daarmee wordt zichtbaar dat politieke verhoudingen konden veranderen zonder dat oude oorkonden onmiddellijk hun betekenis verloren. Het geschil ging over meer dan een persoonlijke ruzie. Voor een bisschop met verspreide graafschappen, kapittels en hoven stond ook de bescherming van zijn goederen en zijn bestuurlijke invloed op het spel.
In 1119 verschijnt Kuinre in het noordelijke plaatsnamenmateriaal
De naam Kuinre wordt in historisch plaatsnamenonderzoek rond 1119 vermeld. De nederzetting lag bij de Kuinder of Tjonger en het grotere watergebied richting het Almere. Voor de geschiedenis van Noordwest-Overijssel is dat een vroeg aanknopingspunt, omdat de omgeving later belangrijk werd voor ontginning, scheepvaart en grensconflicten. Uit de vermelding alleen mag echter niet worden afgeleid dat in 1119 al een grote haven, een grafelijke burcht of een ontwikkeld stadsbestuur aanwezig was. Het document toont vooral dat de plaatsnaam en het landschap in de vroege twaalfde eeuw al herkenbaar waren. De latere ontwikkeling moet afzonderlijk worden onderzocht.
Kuinre, IJsselham en Vollenhove lagen in hetzelfde veranderende waterland
De nederzettingen bij Kuinre en op de hogere gronden van Vollenhove waren omgeven door riviertjes, veengronden en het noordelijke binnenwater. De omgeving van IJsselham kwam later eveneens duidelijk naar voren in kerkelijke en ontginningsdocumenten. De ligging langs waterlopen bood mogelijkheden voor vervoer en visserij. Tegelijk konden de bewoners slechts een deel van de natte gronden als akker gebruiken. Nieuwe sloten en strookvormige percelen veranderden het landschap. De precieze situatie rond 1119 mag niet worden verward met de kustlijn en de havens van latere eeuwen. De bekende oorkonden over georganiseerde ontginningen volgen pas vanaf de jaren 1130.
Tegen 1119 groeide de tegenstelling tussen Hendrik V en de Saksische adel
Na Welfesholz bleef de politieke weerstand in het noorden van het rijk bestaan. De koning probeerde zijn gezag in Saksen en Westfalen te herstellen, terwijl zijn tegenstanders onder leiding van hertog Lotharius hun zelfstandige positie verdedigden. Bisschoppen konden in deze strijd zowel religieuze als wereldlijke belangen vertegenwoordigen. Voor de steden was de uitkomst belangrijk, omdat een machtswisseling gevolgen kon hebben voor de bescherming, de belastingen en de relaties met de omringende adel. Münster nam een bijzondere plaats in als bisschopsstad die tegelijk in het politieke krachtenveld van de koning en de Saksische vorsten lag.
Met Kerstmis 1119 werd bisschop Diederik II uit Münster verdreven
Diederik II van Winzenburg was met steun van hertog Lotharius bisschop van Münster geworden. Toen Hendrik V eind 1119 met zijn leger Westfalen binnentrok, keerden inwoners van Münster zich tegen de bisschop. Diederik moest vluchten en zocht bescherming bij Lotharius. Hendrik V bracht volgens de overlevering Kerstmis in Münster door. De gebeurtenis maakt zichtbaar dat een bisschopsstad geen eensgezinde gemeenschap was. Koning, bisschop, Saksische hertog en stedelijke bevolking konden verschillende belangen hebben. De verdrijving betekende niet dat het conflict voorbij was. De gewapende strijd zou in 1121 opnieuw grote gevolgen voor Münster krijgen.
Deel 13 — 1149–1159
De laatste jaren van Hartbert, het bestuur van Herman van Horne, het ontstaan van nieuwe spanningen en de pauselijke rechtenlijst van 1159
Na 1148 bleven Coevorden en Groningen verbonden met Utrecht, maar niet rechtstreeks bestuurbaar
De gebeurtenissen van 1148 tonen een gebied waarin de bisschop van Utrecht, plaatselijke families en grote kloosters naast elkaar rechten uitoefenden. In Anloo trad abt Wibald van Corvey op en in Coevorden werd het huis van Sigardis als plaats voor betaling genoemd. Dat laat zien dat Coevorden al een herkenbaar knooppunt was in het beheer van bezittingen. De aanwezigheid van een plaatselijke vertegenwoordiger betekende evenwel niet dat iedere bewoner aan één heer onderworpen was. De bestuursbevoegdheden waren verspreid. In het noordelijke Oversticht konden dezelfde boerderij, dezelfde waterweg en dezelfde nederzetting in verschillende juridische verbanden een rol spelen.
In 1150 overleed bisschop Hartbert van Bierum
Hartbert overleed in 1150, na een regering die sinds 1139 had geduurd. Zijn naam is verbonden met de opkomst van de kloostergemeenschap van Ruinen, de geschillen in Groningen en de bestuurlijke positie van Coevorden. Bijzonder was dat hij leden van zijn eigen familie met belangrijke functies in het noorden verbond. Zulke benoemingen konden het gezag van de bisschop ondersteunen, omdat de gekozen vertegenwoordigers vertrouwd waren. Maar zij konden eveneens de basis leggen voor een eigen, erfelijk aandoende machtspositie. De latere geschiedenis van Coevorden maakt duidelijk hoe lastig het werd wanneer plaatselijke bestuurders steeds onafhankelijker gingen handelen.
In 1150 volgde Herman van Horne de overleden Hartbert op
Herman van Horne werd bisschop van Utrecht en bestuurde het bisdom tot 1156. Hij erfde geen aaneengesloten grondgebied met één bestuur, maar een verzameling rechtsgebieden, goederen, kerken en aanspraken. In Drenthe, Groningen, Salland en Twente bleven plaatselijke vertegenwoordigers belangrijk. Ook Holland en de Friese gebieden waren betrokken bij de politieke verhoudingen. De Utrechtse kerk ontving opbrengsten uit landgoederen die ver van de bisschopsstad lagen. De nieuwe bisschop moest deze inkomsten beschermen, contacten onderhouden met koninklijke machthebbers en over zijn grenzen heen onderhandelen. Zijn ambtsperiode vormt de overgang tussen de familiepolitiek van Hartbert en de conflicten onder Godfried van Rhenen.
Rond 1150 werd de oude kerk van Vollenhove naar het noorden uitgebreid
De oudste tufstenen kerk van Vollenhove was waarschijnlijk al rond 1100 gebouwd. Rond 1125 volgde een verandering aan het koor, waarna een volgende bouwfase omstreeks 1150 een noordbeuk met zijkoor en absis toevoegde. Die dateringen berusten op bouwhistorische en archeologische reconstructies; zij zijn geen afzonderlijk bewaard gebleven bouwcontract. De veranderingen tonen dat een klein kerkgebouw gedurende de twaalfde eeuw geleidelijk een ingewikkelder vorm kreeg. Het is aannemelijk dat de behoeften van de plaatselijke gemeenschap veranderden, maar hoeveel bewoners Vollenhove omstreeks 1150 had, kan uit de kerkplattegrond alleen niet worden vastgesteld.
De kerk van Vollenhove was ouder dan de bekende burcht van Godfried
Het bestaan van een vroege kerk maakt duidelijk dat de religieuze geschiedenis van Vollenhove niet pas begon met de aanleg van het Oldehuis. De kerk stond op of nabij de hogere grond, waar al eerder bewoning mogelijk was. Volgens latere reconstructies hoorde Vollenhove aanvankelijk bij de oudere parochiale organisatie van Steenwijk. Het precieze moment waarop een zelfstandige parochie ontstond, blijft onzeker. De latere naam Sint-Nicolaaskerk mag niet zonder voorbehoud op de eerste bouwfase worden toegepast. Een kerk, een afzonderlijk landgoed en een militaire versterking hadden ieder hun eigen ontwikkeling; zij mogen niet automatisch tot één stichting worden samengevoegd.
De regering van Herman van Horne liet oudere familiebelangen voortbestaan
Herman kon de rechten van de Utrechtse kerk alleen handhaven door samen te werken met personen die ter plaatse over goederen, relaties en gezag beschikten. In Twente waren adellijke heren herkenbaar geworden in de getuigenlijsten. In Drenthe hadden sommige families banden met kerkelijke goederen en bestuurlijke functies. In het westen oefenden Hollandse graven druk uit op het kerkelijke bezit. Deze verschillende verhoudingen verklaarden waarom een bisschop bij een rechtshandeling niet slechts een koninklijke akte nodig had, maar ook de erkenning van getuigen en plaatselijke machthebbers. De namen in de oorkonden vormen daarom belangrijke aanknopingspunten voor familieonderzoek.
In 1152 werden de banden tussen Münster en adellijke families rond Loon vastgelegd
Een negentiende-eeuwse Nederlandse oorkondenlijst verwijst naar een verdrag uit 1152 tussen de kerk van Münster en heren van Loon. Bij de rechtshandeling wordt volgens dat overzicht Engelbertus genoemd, met de aanduiding van een Friese proost. Deze vermelding laat zien dat het noordelijke kerkelijke en adellijke netwerk zich ook tot Münster uitstrekte. Omdat het hier om een latere verwijzing naar een oorkonde gaat, moeten de oorspronkelijke tekst, de bedoelde heren van Loon en de functie van Engelbertus nog worden gecontroleerd. Het gegeven mag dus niet zonder die controle worden gebruikt als bewijs voor bezit in het Drentse dorp Loon.
In 1154 of 1155 werd Corvey opnieuw met Friese goederen verbonden
Een oude Nederlandse verzameling van oorkondelijke berichten vermeldt een pauselijke bevestiging voor abt en klooster van Corvey, gedateerd op 25 februari 1154 of 1155. Daarin worden volgens het overzicht Friese goederen genoemd, waaronder Merthen, een kerk van Linguerd, het eiland Ruiana en visserijrechten bij Hocwar. De exacte identificatie van deze namen is nog onzeker. De tekst verdient vergelijking met de Corveyer oorkonde uit 1148, waarin Meretha en een betaling via Coevorden voorkomen. Een gelijkluidende naam is echter niet voldoende om twee bezittingen zonder meer als dezelfde plaats te beschouwen.
In 1156 eindigde het episcopaat van Herman van Horne
Het overlijden van Herman van Horne in 1156 beëindigde een relatief korte ambtsperiode. Zijn sterfdag wordt in de historische overlevering met 31 januari verbonden. Voor de ontwikkeling van de Utrechtse macht is vooral van belang dat de bisschoppelijke rechten in het noorden tijdens zijn bestuur niet verdwenen. Ook bleven de conflicten over land, inkomsten, bestuur en territoriale aanspraken onopgelost. Zijn opvolger kreeg te maken met een groeiende tegenstelling tussen de macht van het bisschoppelijke hof en de belangen van de adel, dienstmannen en omringende graven. Daardoor verschoof het accent in de tweede helft van de twaalfde eeuw steeds sterker naar het afdwingen van bestaande rechten.
In 1156 begon Godfried van Rhenen zijn lange regering als bisschop
Godfried van Rhenen werd bisschop in 1156 en zou tot 1178 aanblijven. Hij trad aan in een tijd waarin Utrecht zowel van de koning als van de paus afhankelijk was voor de bescherming van zijn positie. De bisschop bezat rechten in Drenthe, het IJsselgebied, Friesland en andere streken, maar zijn vertegenwoordigers konden plaatselijk op tegenstand stuiten. De betrekkingen met de graven van Holland, Gelre en Kleef waren eveneens belangrijk. Zijn politieke keuzes zouden hem bovendien midden in het Europese pauselijke schisma brengen. De gevolgen waren merkbaar in Utrecht zelf, waar ook groepen burgers en dienstmannen zich organiseerden.
In 1156 speelde Egbert van Amstel een rol in een geschil over nieuw ontgonnen land
Een keizerlijke rechtshandeling uit 1156 behandelde aanspraken van het Utrechtse Mariakapittel tegenover Egbert van Amstel. Egbert was als ministeriaal verbonden met de Utrechtse kerk, maar had zich volgens de bewaarde samenvattingen rechten op tienden en andere goederen toegeëigend. Bij de regeling werden ook grenzen van ontgonnen land vastgesteld. Dit conflict toont hoe de uitbreiding van landbouwgrond nieuwe inkomsten en nieuwe meningsverschillen veroorzaakte. De betrokken partijen twisten niet noodzakelijk over de boerderij zelf, maar ook over wie tienden of cijnzen mocht ontvangen. Het optreden van keizer Frederik maakte duidelijk dat zelfs lokale ontginningskwesties het rijksbestuur konden bereiken.
In 1157 verscheen Everardus van Almelo als getuige in een Utrechtse oorkonde
Een vroege en belangrijke vermelding van Almelo is verbonden met Everardus de Almelo. Hij trad in 1157 als getuige op bij een overeenkomst waarin het kapittel van Sint-Pieter te Utrecht een erf onder Warnsveld in leen uitgaf. Latere oorkonden noemen een Everardus van Almelo ook als ministeriaal. Daarmee verschijnt Almelo niet als een plotseling ontstane stad, maar als een plaatsnaam die verbonden was met een persoon uit de bestuurlijke en adellijke omgeving. De naam van een getuige bewijst op zichzelf geen eigendom van het hele dorp. Toch levert hij een waardevol beginpunt op voor het onderzoek naar de heren en erven van Almelo.
In de jaren 1150 bleven de heren van Goor herkenbaar in de getuigenkringen
Willem van Goor komt in het oorkondenmateriaal in de jaren 1145 en 1157 voor. Zijn verschijning naast andere aanzienlijke personen maakt duidelijk dat de plaatselijke familie van Goor politieke betekenis had buiten de eigen woonplaats. Als getuige bevestigde een edelman niet noodzakelijk dat hij de betrokken goederen bezat; zijn aanwezigheid kon ook betrouwbaarheid aan de vastgelegde handeling geven. De namen Van Goor, Van Diepenheim en Van Almelo bieden daarmee verschillende ingangen tot de geschiedenis van Twentse machtsnetwerken. Hun familieverhoudingen moeten afzonderlijk aan originele akten worden getoetst, voordat zij tot één stamboom worden verbonden.
Op 28 juni 1159 bevestigde paus Adriaan IV de rechten van Utrecht
In Anagni vaardigde paus Adriaan IV op 28 juni 1159 een belangrijke beschermings- en bevestigingsoorkonde uit voor de Utrechtse kerk. Binnen één opsomming verschenen uiteenlopende aanspraken, waaronder het graafschap Friesland, het kasteel Coevorden met het land Drenthe, Bentheim en een goed bij Vollenhove. Ook andere goederen en rechten in het westelijke deel van het bisdom werden genoemd. De oorkonde geeft daardoor een zeldzaam overzicht van de wereldlijke en kerkelijke belangen die Utrecht als de zijne beschouwde. Zij vormt vooral een schriftelijke bevestiging; de tekst alleen bewijst niet dat elk genoemd gebied daadwerkelijk en zonder verzet werd bestuurd.
In 1159 werden Coevorden en Bentheim uitdrukkelijk als kastelen aangeduid
De pauselijke oorkonde gebruikte voor zowel Coevorden als Bentheim de term castrum. Het Latijnse woord laat zien dat de twee plaatsen in de rechtsbeschrijving als versterkte steunpunten werden beschouwd. Coevorden was verbonden met het land Drenthe; Bentheim werd daarnaast afzonderlijk genoemd. Beide plaatsen lagen strategisch ten opzichte van routes en grensgebieden tussen de noordelijke en oostelijke landschappen. Het bestaan van de term castrum is belangrijk, maar onthult nog niet de precieze bouwvorm. Archeologisch onderzoek en latere geschreven bronnen zijn nodig om wallen, gebouwen en eventuele stenen onderdelen aan een bepaalde fase te kunnen toeschrijven.
De naam bruel de Volnho geeft in 1159 een bijzonder detail over Vollenhove
Een opvallende term in de pauselijke oorkonde luidt bruel de Volnho. Het woord bruel is onder andere uitgelegd als een beemd of stuk grasland; oudere verklaringen wijzen soms naar bos of woud. Het begrip moet daarom voorzichtig worden vertaald. Belangrijk is vooral dat bij Vollenhove een afzonderlijk herkenbaar stuk land of landschapselement werd genoemd. Naast de koninklijke bos- en woudrechten uit 944 biedt dat een nieuw aanknopingspunt voor de ontwikkeling van het grondgebruik. Het kan wijzen op een landschap waarin beweiding, houtgebruik en ontginning naast elkaar voorkwamen, maar bewijst op zichzelf geen volledige verandering van bos naar weide.
In 1159 groeide het conflict met Holland en Gelre rond de Utrechtse aanspraken
Een pauselijke bevestiging kon politieke tegenstanders niet dwingen de daarin genoemde rechten te erkennen. Juist in 1159 ontstond een ernstige crisis in de verhouding tussen Godfried van Rhenen, zijn eigen dienstmannen en de omringende graven. Volgens latere geschiedkundige beschrijvingen hadden de Hollandse graven bezwaar tegen bepaalde Utrechtse aanspraken, terwijl de graaf van Gelre steun bood aan tegenstanders van de bisschop. De spanning raakte de machtsuitoefening binnen de bisschopsstad zelf. Daardoor ging de strijd niet uitsluitend over afgelegen bezittingen in Friesland of Bentheim, maar ook over de vraag wie in Utrecht daadwerkelijk de macht kon uitoefenen.
In september 1159 kwamen Utrechtse dienstmannen en burgers openlijk in verzet
Een historisch onderzoek naar Utrecht beschrijft hoe ministerialen een onderlinge eedverbintenis vormden en steun zochten bij Hendrik van Gelre. In het conflict werd de bisschop belegerd, waarna hij zich met hulp van de graaf van Kleef in veiligheid kon brengen. Ook burgers en ambachtslieden, onder wie slagers, traden in deze strijd op. De gebeurtenissen begonnen volgens de beschreven chronologie in september 1159 en hielden tot in 1160 aan. Zij laten zien dat Utrecht niet uitsluitend door vorsten en bisschoppen werd gevormd. Groepen binnen de stad konden zich organiseren en het gezag van hun eigen landsheer rechtstreeks uitdagen.
Het pauselijke schisma van 1159 verdeelde ook de politieke wereld van Utrecht
Na het overlijden van paus Adriaan IV ontstond in 1159 strijd over zijn opvolging. Alexander III werd door een deel van de kerk gesteund, terwijl een andere groep Victor IV als paus erkende. Keizer Frederik Barbarossa koos de zijde van Victor IV. Godfried van Rhenen sloot zich bij deze keizerlijke lijn aan. Voor een bisschop die ook wereldlijk heer was, had die keuze directe gevolgen. Hij moest zich verhouden tot zowel kerkelijke gehoorzaamheid als koninklijke bescherming. Dezelfde bisschop die de rechten van Utrecht verdedigde, kwam daarmee terecht in een internationale kerkpolitieke tegenstelling die zijn lokale positie beïnvloedde.
Deel 14 — 1160–1165
Van Utrechtse burgerstrijd en keizerlijke bemiddeling tot de veenontginningen, het Friese condominium en de burcht van Vollenhove
In 1160 duurde de strijd tussen Godfried en zijn Utrechtse tegenstanders voort
De opstand van ministerialen en burgers hield aan tot ver in 1160. De stad werd volgens een Utrechtse historische studie verdedigd door Diederik van Batenburg, die daarbij ook steun onder de ambachtslieden vond. De strijd bracht schade toe aan de gebouwen die met het bisschoppelijke gezag verbonden waren; in de overlevering worden de bisschoppelijke verblijven als verwoest beschreven. Het conflict maakt duidelijk hoe groot het belang van plaatselijke dienstmannen kon zijn. Zij waren noodzakelijk voor de uitvoering van bevelen, maar konden zich ook tegenover de bisschop keren. Dan had hij militaire hulp en bemiddeling van andere machthebbers nodig.
In juni 1160 werd de Utrechtse strijd door bemiddeling beëindigd
Volgens de overgeleverde chronologie liep de Utrechtse opstand van 22 september 1159 tot 24 juni 1160. De bemiddeling wordt verbonden met Reinald van Dassel, die namens keizer Frederik Barbarossa optrad. Het conflict liet een beschadigde politieke verhouding achter. De bisschop kon na het herstel van de orde niet doen alsof de stedelijke gemeenschap en de ministerialen geen eigen belangen hadden. De positie van de keizer was evenmin eenvoudig: hij had er belang bij de bisschop te steunen, maar wilde andere aanzienlijke heren niet blijvend van zich vervreemden. Zo bleef de wereldlijke macht van Utrecht afhankelijk van onderhandelingen.
In 1160 volgde Godfried van Rhenen het schisma op een kerkvergadering in Pavia
Godfried was betrokken bij het conflict rond paus Alexander III en de door keizer Frederik gesteunde Victor IV. De kerkvergadering van Pavia in 1160 werd een belangrijk moment in de pogingen van de keizerlijke partij om Victor als rechtmatige paus te laten erkennen. De deelname van de Utrechtse bisschop verbond zijn regionale politiek met de strijd binnen de kerk. Zijn houding was niet slechts een theologische voorkeur. Zij bepaalde ook bij welke wereldlijke bondgenoten hij steun kon zoeken. De gebeurtenissen tonen dat een bisschop met goederen in Drenthe en bij Vollenhove tegelijkertijd deelnam aan een conflict van Europese omvang.
In 1161 bleef Godfried betrokken bij de keizerlijke kerkpolitiek
Na de vergadering van Pavia bleef de tegenstelling tussen Alexander III en Victor IV bestaan. De Utrechtse bisschop bleef de keizerlijke partij steunen en werd in de historische overlevering ook met een bijeenkomst in Cremona in 1161 verbonden. Voor Utrecht betekende die internationale betrokkenheid dat de positie van zijn bisschop niet uitsluitend werd bepaald door de verhouding met Holland, Gelre en de plaatselijke adel. Diplomatie, vergaderingen en kerkelijke erkenning waren evenzeer van belang. Dit verklaart waarom de bisschop soms steun uit het rijk zocht terwijl hij in zijn eigen stad en in het noorden het daadwerkelijke gezag moest verdedigen.
In 1162 kwam de kerkelijke verdeeldheid opnieuw op een groter toneel
Godfried wordt in verband gebracht met een vergadering in Besançon in 1162. De Europese strijd om de pauselijke legitimiteit bleef daarmee een terugkerend onderdeel van zijn episcopaat. Naast de kerkelijke politieke keuze moesten in Utrecht de gevolgen van de eerdere opstand worden verwerkt. In de noordelijke gebieden bleven bisschoppelijke vertegenwoordigers optreden tegenover plaatselijke families en gemeenschappen. De verschillende conflicten stonden niet los van elkaar. Een bisschop had inkomsten uit zijn goederen nodig om zijn positie te onderhouden, maar had voor de bescherming van die goederen ook politieke bondgenoten nodig. Dat maakte zijn machtsbasis afhankelijk van wederzijdse steun.
Vanaf 1160 bleef het noorden een uitgestrekt gebied met moeilijk te controleren verbindingen
De afstand tussen Utrecht en het gebied bij Vollenhove, Drenthe en Friesland was groot. Reizigers konden via de IJssel, de Vecht en het grotere waterlandschap naar het noorden trekken, maar de bereikbaarheid wisselde met weersomstandigheden en het seizoen. Veenmoerassen en drassige laagten beperkten de mogelijkheden om zware lasten over land te vervoeren. Het gebied beschikte bovendien over plaatselijke bestuurders met eigen contacten. Een schriftelijk recht gaf de bisschop daardoor niet automatisch de mogelijkheid overal op te treden. Steunpunten langs de routes werden steeds belangrijker, vooral waar ontginningen nieuwe grond, nieuwe bewoners en nieuwe aanspraken opleverden.
De pauselijke rechtenlijst van 1159 bleef na 1160 een politiek referentiepunt
De Utrechtse kerk kon voor haar aanspraken wijzen op de pauselijke bevestiging van 1159. Daarin stonden Drenthe en Coevorden naast Friesland, Bentheim en een goed bij Vollenhove. Juist de geografische spreiding maakte het moeilijk van de genoemde rechten één bestuurlijk geheel te maken. Een graaf of ministeriaal kon elders steun zoeken; plaatselijke gemeenschappen konden eigen rechtsgewoonten blijven verdedigen. Het was daarom nodig rechten in de praktijk te laten beheren door vertrouwde personen. De vermelding van een kasteel in Coevorden bewijst een versterkt steunpunt, maar niet dat Utrecht in alle omliggende dorpen hetzelfde gezag had.
In 1164 veranderde de kerkelijke situatie na de dood van Victor IV
Toen Victor IV in 1164 overleed, was het pauselijke schisma niet voorbij. De keizerlijke partij steunde vervolgens Paschalis III, terwijl Alexander III eveneens aanspraak bleef maken op het pausschap. Godfried van Rhenen bleef zich naar de keizerlijke politiek richten. Het conflict was voor een wereldlijk optredende bisschop bijzonder ingewikkeld: trouw aan de keizer kon botsen met de opvattingen van andere geestelijken. Ook lokale tegenstanders konden zich op andere machtsgroepen beroepen. De kerkelijke verdeeldheid vormde zo een extra laag boven de al bestaande strijd over grondbezit, rechtspraak, tol en de rol van dienstmannen.
In 1165 verscheen een gezant van de tegenpaus in Utrecht
Een latere biografische studie vermeldt dat in 1165 een vertegenwoordiger van Paschalis III in Utrecht verscheen. Dat detail maakt de Europese kerkscheuring plaatselijk zichtbaar. Het ging niet om een strijd die uitsluitend in Rome of Italië werd uitgevochten. De Utrechtse bisschop ontving vertegenwoordigers van de kerkelijke partij die hij steunde. Tegelijkertijd had hij geschillen met Holland, belangen in Friesland en moeilijkheden met zijn eigen ministerialen gekend. De aanwezigheid van de gezant laat zien hoe diplomatieke, kerkelijke en regionale onderwerpen op hetzelfde bestuurlijke middelpunt samenkwamen. Utrecht speelde een rol die verder reikte dan het eigen grondgebied.
In 1165 legde de bisschop rechten voor Friese veenontginners vast
Godfried van Rhenen verleende volgens een overgeleverde oorkonde aan Friezen van Lammebruke of Lammerbruke het recht aangrenzende veengronden te gebruiken. Historici verbinden deze groep vermoedelijk met de omgeving van Olde- en Nijelamer. De beschrijving noemt als grenzen Rutterikesdale en Wibernessate, en daarnaast de oude Lenne en Kuinre. Niet ieder grenspunt kan nauwkeurig op een moderne kaart worden geplaatst. De oorkonde is vooral belangrijk omdat zij een bepaalde groep gebruikers en een afgebakend ontginningsgebied in een rechtsverhouding met de bisschop bracht. Het openleggen van moerasland was daarmee een zaak van landbouw én bestuurlijke erkenning.
Voor elke tien roeden moest jaarlijks één denier worden afgedragen
De ontginningsregeling van 1165 bepaalde volgens de overlevering dat de Friezen jaarlijks één penning, of denier, moesten betalen voor iedere tien roeden grondbreedte. Het verschuldigde bedrag werd met Sint-Maarten, 11 november, verbonden. De jaarlijkse betaling werkte als erkenning van bisschoppelijke rechten. De strookvormige indeling past bij ontginningen waarbij vanuit een bestaande ontginningsbasis sloten naar achteren werden gegraven. Dat het bedrag op breedte werd berekend, maakt de oorkonde bijzonder waardevol voor landschappelijk onderzoek. De exacte oppervlakte van iedere strook volgt niet automatisch uit de genoemde breedtemaat, omdat de diepte kon verschillen.
De ontginningsakten laten zien hoe Friese families het landschap veranderden
Het gebied tussen de oude Lenne, Kuinre en de hogere gronden lag in een wereld van waterlopen, veen en natte landbouwgrond. De Friese ontginners gebruikten hun arbeid om nieuwe percelen te winnen. Zij moesten sloten onderhouden, water afvoeren en kiezen waar huizen en akkers konden komen. Door ontwatering daalde op langere termijn het veen en veranderde de verhouding tussen grond en water. In de oorkonde zijn de gebruikers als groep zichtbaar, maar hun afzonderlijke namen ontbreken. Dat verschil tussen een gedocumenteerd recht en naamloze dagelijkse arbeid is kenmerkend voor de middeleeuwse geschiedenis van de ontginningen.
In 1165 botste de waterhuishouding van Holland met die van Utrecht
De monding van de Oude Rijn bij Katwijk slibde in de twaalfde eeuw steeds verder dicht. Het overtollige water uit de achterliggende veengebieden kon daardoor moeilijk naar zee worden afgevoerd. Graaf Floris III van Holland liet bij Zwadenburg, het latere Zwammerdam, een dam in de Oude Rijn aanleggen. Deze moest Holland beschermen, maar zorgde aan de Utrechtse zijde voor problemen. Bisschop Godfried van Rhenen legde zijn klacht voor aan keizer Frederik Barbarossa. De strijd ging niet om een abstracte grens: het betrof water dat landbouwgrond kon beschadigen, woningen bedreigde en nieuwe ontginningen bemoeilijkte.
Frederik Barbarossa beval in 1165 de verwijdering van de Zwammerdam
Op een hofdag in november 1165 kwam de waterkwestie voor de keizer. Frederik Barbarossa beval dat de door Holland aangelegde afsluiting bij Zwammerdam moest verdwijnen. De beslissing laat zien dat de keizer als hoogste rechtsinstantie kon optreden wanneer twee machtige heren elkaar met waterwerken benadeelden. De verwijdering van de dam loste de moeilijke afwatering echter niet vanzelf op. Latere overeenkomsten laten zien dat het probleem bleef bestaan. De gebeurtenis is een vroeg voorbeeld van een conflict waarin landsheerlijke macht en waterbeheer onlosmakelijk verbonden waren. Ook de ontginningen van het Groene Hart waren van de uitkomst afhankelijk.
Het waterconflict maakte de onderlinge afhankelijkheid van de landsheren zichtbaar
Holland kon niet eenvoudig al het water uit zijn gebied weren zonder gevolgen voor Utrecht. Omgekeerd waren Utrechtse ontginningen afhankelijk van doorgangen die buiten de directe macht van de bisschop lagen. In beschrijvingen van het conflict verschijnen ook de dam bij Wijk bij Duurstede en plannen om water via andere doorgangen af te voeren. De regels voor de ene rivier hadden gevolgen voor vele afzonderlijke nederzettingen. De keizerlijke beslissing van 1165 werd daarom onderdeel van een langere geschiedenis van onderhandelingen, afdammingen en nieuwe watergangen. De ontwikkeling van het landschap werd mede bepaald door politieke overeenkomsten, niet alleen door de natuurlijke loop van rivieren.
In november 1165 regelde Barbarossa gedeelde aanspraken op Friesland
Frederik Barbarossa bemiddelde ook tussen Godfried van Rhenen en graaf Floris III van Holland over hun aanspraken op de Friese gebieden. De regeling wordt aangeduid als een condominium, een gedeelde vorm van grafelijk bestuur in Oostergo en Westergo. Volgens latere encyclopedische beschrijvingen moesten beide heren gezamenlijk een plaatsvervangende graaf aanwijzen; de inkomsten uit de rechtspraak zouden worden verdeeld. De precieze dag wordt in naslagwerken verschillend gegeven, op 15 of 25 november 1165, zodat controle van de originele akte gewenst blijft. De regeling vormde een juridisch compromis, geen bewijs dat Holland en Utrecht de Friese gemeenschappen onmiddellijk daadwerkelijk beheersten.
In 1165 werd ook de positie van Bentheim onderdeel van de keizerlijke regeling
De strijd over de rechten van Utrecht reikte verder dan Friesland. Bentheim was in de pauselijke bevestiging van 1159 nog als een kasteel genoemd waarop de Utrechtse kerk aanspraak maakte. Volgens de biografische literatuur regelde Frederik Barbarossa in 1165 ook de leenrechtelijke positie van Bentheim, ten gunste van Holland als leenheer. Daardoor worden Holland, Utrecht en het oostelijke grensgebied in dezelfde politieke ontwikkeling zichtbaar. De precieze rechtsinhoud verdient controle aan de keizerlijke akte, want bezit, leenheerschappij en feitelijk bestuur waren niet hetzelfde. De regeling illustreert hoe de vorst concurrerende aanspraken probeerde te ordenen zonder elke plaatselijke tegenstelling op te heffen.
Rond 1165 werd het Oldehuis bij Vollenhove een steunpunt van de bisschop
De aanleg of vernieuwing van een bisschoppelijke versterking bij Vollenhove wordt traditioneel met 1165 verbonden. Godfried van Rhenen zou daarmee een plaats hebben willen waarborgen van waaruit hij de noordelijke rechten kon beschermen, onder meer tegenover Friese tegenstanders en de Stellingwervers. De hoger gelegen grond bij waterverbindingen bood daarvoor mogelijkheden. Een versterking kon ambtenaren, soldaten en voorraden onderbrengen en de aanwezigheid van de landsheer zichtbaar maken. De datering vraagt echter nuance: een monumentenpublicatie beschrijft een oudere versterking uit de elfde eeuw, die omstreeks 1170 door Godfried werd vervangen. Het gaat dus om een traditionele datering, niet om een onbetwist exact bouwjaar.
De eerste burcht van Vollenhove mag niet met het latere kasteel worden vereenzelvigd
Van het Oldehuis zijn vooral latere vormen en archeologische resten bekend. Het terrein op het Fort werd in 1968 onderzocht, maar de oudste bouwfase is niet volledig vastgesteld. Een versterking kon uit wallen, grachten, houtconstructies en stenen bouwdelen bestaan. Dat het latere kasteel een omvangrijke militaire en bestuurlijke functie had, bewijst niet dat het gebouw er in 1165 al zo uitzag. Voor de geschiedenis van Vollenhove is het onderscheid wezenlijk. De koninklijke woudrechten van 944, de tufstenen kerk van rond 1100, de ontginningen en de latere burcht behoren tot verschillende fasen van een lange ontwikkeling.
De burcht verbond Vollenhove met het bestuur van de noordelijke waterwereld
Een versterkte plaats kon de bisschop helpen wanneer zijn vertegenwoordigers zich in een gebied met moeilijke verbindingen moesten handhaven. Vanuit Vollenhove lagen waterwegen richting het Almere, de IJsselmonding, de Kuinder en andere noordelijke rivieren. Dat betekent niet dat voor 1165 iedere route of havenvoorziening afzonderlijk is bewezen. Wel verklaart de landschappelijke ligging waarom een steunpunt aan de rand van het natte gebied aantrekkelijk was. Boeren, veenontginners, geestelijken en bestuurders hadden er verschillende belangen. De burcht maakte het mogelijk militaire bescherming en het uitoefenen van bepaalde rechten dichter bij de betrokken gronden te organiseren.
In 1165 was het Oversticht geen aaneengesloten staat met één bestuur
Aan het einde van deze periode bezat Utrecht rechten in verschillende gebieden, maar het gezag werd niet overal op dezelfde wijze uitgeoefend. De plaatselijke heren in Twente, vertegenwoordigers in Drenthe, Friese gemeenschappen en Hollandse graven behielden invloed. Kloosters als Werden, Essen, Corvey en Clarholz beschikten bovendien over eigen bezittingen en inkomsten. Een graafschap, een hoeve, een parochie en een kasteel waren niet vanzelf onderdelen van dezelfde rechtsverhouding. De burcht van Vollenhove voegde daarom een nieuw steunpunt toe aan een bestaande politieke werkelijkheid, zonder alle oudere verschillen op te heffen.
Nog ontbrekende verhalen — Invoegen bij deel 1 t/m 12
Aanvullingen met unieke details uit de bestaande masterpagina en aanvullend gecontroleerde bronnen; elk blok hoort bij de hieronder genoemde historische periode
Deel 2, 944 — De oude rechten tussen Lek en IJssel verdienen afzonderlijk onderzoek
Naast Fulnaho noemt een aangeleverde historische studie bij de politiek van bisschop Balderik ook een gebied aangeduid als Lake et Isla, tussen Lek en IJssel. Daar zouden eerder rechten zijn uitgeoefend door graaf Waltger. De studie verbindt de uitbreiding van Utrecht met de machtsverhoudingen onder Otto I, die bisschoppen kon gebruiken om tegenwicht te bieden aan regionale graven. Dit is voor de voorgeschiedenis van het Oversticht een mogelijk belangrijk gegeven. De precieze rechtshandeling, haar datering op 944 en de identificatie van de grenzen moeten echter aan de oorspronkelijke oorkonde worden gecontroleerd. De vermelding wordt daarom als onderzoekspunt behouden, niet als onbetwist bewezen overdracht.
Deel 2, tiende eeuw — Ook de waterrechten rond Almere en Vecht verdienen een plaats
Kerkelijke aanspraken beperkten zich niet tot droge grond, bossen en hoeven. Historische beschrijvingen noemen ook inkomsten uit visserij, rechten bij het Almere en bezittingen langs de Vecht en bij Muiden. Het Almere vormde een groot binnenwater dat in verbinding stond met de noordelijke laaglanden. De Vecht liep vanuit Utrecht naar dat watergebied en bood plaatselijke mogelijkheden voor vervoer en visserij. Voor het latere Vollenhove is deze context belangrijk, omdat noordelijke waterverbindingen een rol speelden bij de bereikbaarheid van het bisschoppelijke bezit. De afzonderlijke rechten moeten wel op hun eigen datum worden onderzocht; niet alles mag automatisch bij de schenking van 944 worden gevoegd.
Deel 3, tiende tot elfde eeuw — De proost Adelhard maakt Oldenzaal als bestuurscentrum zichtbaar
Het personenregister van het Utrechtse oorkondenboek noemt Adelhard als proost van Oldenzaal. Die naam vormt een belangrijk vervolg op de stichting van het Sint-Plechelmuskapittel door Balderik in 954. Een proost had een leidinggevende rol binnen een college van kanunniken en kon betrokken zijn bij het beheer van de inkomsten en de vertegenwoordiging van het kapittel. Achter de instelling stond dus een herkenbare persoon die zakelijke en religieuze werkzaamheden verrichtte. Voor Adelhard moet nog worden nagegaan in welke afzonderlijke oorkonden zijn naam verschijnt; zijn ambtsperiode kan niet uitsluitend uit registerverwijzingen worden afgeleid. Zijn vermelding is vooral waardevol voor het vervolgonderzoek naar Oldenzaal.
Deel 6, elfde tot twaalfde eeuw — Zes Drentse plaatsen verzorgden reizigers van Werden
Een twaalfde-eeuws goederenregister van Werden noemt goederen in Dalen, Sleen, Grolloo, Loon, Tynaarlo en Glimmen. De hoeven hadden niet alleen economische betekenis als landbouwbedrijven. Zij moesten ook bijdragen leveren wanneer vertegenwoordigers van de abdij naar de noordelijke bezittingen reisden. De vermelde verplichtingen omvatten geld en landbouwproducten, waaronder rogge, gerst, mout en hooi. Zo ontstond een netwerk van plaatsen waar reizende geestelijken, beheerders en hun dieren verzorgd konden worden. Het register dateert uit de twaalfde eeuw en mag dus niet letterlijk als een reisboek uit 1050 worden behandeld. Het maakt wel duidelijk hoe oude wegen en kloostergoederen met elkaar verbonden raakten.
Deel 6, elfde tot twaalfde eeuw — Loon moest zestig penningen en hooi leveren
Voor het bezit van Werden in Loon vermeldt het goederenregister een jaarlijkse verplichting van zestig penningen in Deventer munt, naast een karrevracht hooi. Het bedrag laat zien hoe één Drents boerenbedrijf kon deelnemen aan een geldelijke administratie die veel verder reikte dan zijn eigen dorp. De karrevracht hooi was eveneens waardevol. Reizende vertegenwoordigers hadden voer nodig voor paarden of andere dieren, zeker wanneer zij het noordelijke achterland bezochten. De oorkonde noemt echter niet hoeveel landbouwgrond het goed bezat of hoeveel mensen er woonden. Uit het bedrag alleen mag daarom geen exacte omvang van het bedrijf worden afgeleid.
Deel 6, elfde tot twaalfde eeuw — Grolloo moest dertig penningen en hooi afdragen
Het Werdense goed in Grolloo had volgens hetzelfde register een geldelijke verplichting van dertig penningen in Deventer munt. Daarnaast moest ook dit goed een karrevracht hooi leveren. Het verschil met de zestig penningen uit Loon bewijst niet vanzelf dat de boerderij maar half zo groot was. Oudere afspraken, bodemkwaliteit, bezitsrechten of andere omstandigheden konden van invloed zijn op de lasten. Beide plaatsen waren wel verbonden met hetzelfde noordelijke kloosternetwerk. De gegevens laten zien dat historische administratie soms zeer concrete bedragen bewaart, terwijl vrijwel alle persoonlijke bijzonderheden over de boeren en hun gezinsleden ontbreken.
Deel 6, elfde tot twaalfde eeuw — De abdij gebruikte een noordelijke route via Drenthe
Het Drentse bezit van Werden lag tussen belangrijke bezitsconcentraties in Twente en in het Groningse gebied. De oude route vanuit de omgeving van Oldenzaal liep over hogere zandgronden naar het noorden. Dalen, Sleen, Grolloo, Loon, Tynaarlo en Glimmen bieden samen aanknopingspunten om de verzorging van reizigers te reconstrueren. Historicus P.N. Noomen vermoedde dat sommige hoeven speciaal als pleisterplaatsen werden gebruikt of verworven. Dat oorspronkelijke motief is niet bewezen; de twaalfde-eeuwse verplichtingen tonen wel dat zulke hoeven daadwerkelijk bij de verzorging van het reizende kloosterbestuur werden betrokken. Daarmee wordt het wegenstelsel zichtbaar achter de verspreide goederen van Werden.
Deel 8, elfde eeuw — Mogelijk stond bij Vollenhove eerder al een versterkt huis
De monumentenpublicatie over Overijssel beschrijft een versterkt huis dat in Vollenhove al in de elfde eeuw zou zijn ontstaan. Omstreeks 1100 werd daar volgens deze reconstructie een tufstenen kerkje aan toegevoegd. Godfried van Rhenen liet de oudere versterking volgens dezelfde publicatie omstreeks 1170 vervangen door het latere Oldehuys. Deze beschrijving verschilt op belangrijke punten van de traditionele stichting van een burcht in 1165. Daarom moeten de begrippen versterkt huis, oudste burcht en latere kasteelbouw zorgvuldig worden onderscheiden. De aanwezigheid van een eerdere versterking is een waardevolle hypothese voor het onderzoek naar Vollenhove, maar geen reden om de vorm van het latere kasteel naar de elfde eeuw terug te projecteren.
Deel 11, twaalfde eeuw — De herkomstnamen van edelen verbinden Twente met de bredere regio
In het personenregister van het Utrechtse oorkondenboek verschijnen namen die aanknopingspunten voor Twentse familiegeschiedenis geven. Naast Franco van Diepenheim en zijn broers worden ook Hugo van Buren en Hugo van Goor genoemd. Een herkomstnaam kan verwijzen naar bezit, een verblijfplaats of een familieband, maar levert op zichzelf geen volledig bewijs van een heerlijkheid of een erfelijke titel. De personen moeten worden verbonden met de juiste, gedateerde oorkonden en getuigenlijsten. Voor het verhaal is vooral belangrijk dat rondom de bisschoppelijke instellingen verschillende adellijke en dienstbare families zichtbaar worden. Zij vormden een maatschappelijke laag tussen de vorst en de boerenbevolking.