Het dagelijkse hart van de Enkhuizer zorg

Van pestmeester, binnenmoeder en dorpsvroedvrouw tot directrice en streekziekenhuis, ca. 1572–1975

Frans Dirksz. tussen de pestlijders

In 1575 werkte Frans Dirksz. in Enkhuizen als chirurgijn en pestmeester. In 1593 woonde hij in de Galijke Liefkenssteeg. Wanneer in een Enkhuizer huis pest werd vermoed, kwam hij dicht bij lichamen, bedden, kleding en huisraad die andere inwoners juist probeerden te mijden. Hij onderzocht de zieke, behandelde wonden en zwellingen en gebruikte de middelen die een laat-zestiende-eeuwse chirurgijn tot zijn beschikking had. De Enkhuizer medische verzameling plaatst hem naast vroege chirurgijns als Egbert Evertsz., Jeremias Brandt, Albert Nannesz., Hans van Groningen en Albert Dirksz.

Met het bezoek van Frans Dirksz. was de zorg niet voltooid. Een koortsige patiënt moest drinken krijgen. Iemand moest het vuur onderhouden, voedsel bereiden, bevuild linnengoed verwijderen en een slaapplaats opnieuw opmaken. Wie niet meer zelfstandig kon bewegen, moest worden opgetild, gewassen en geholpen bij eten en ontlasting. Wanneer de pest in overlijden eindigde, moesten het lichaam, de kamer en de achtergebleven bezittingen worden verzorgd. De pestmeester kwam onderzoeken en behandelen; de mensen rond het bed bleven achter.

Rond Frans Dirksz. stond daarom een veel grotere Enkhuizer zorgwereld. Binnenvaders, binnenmoeders, ziekenmoeders, dienstboden, keukenmeiden, wasvrouwen, oppassers, knechten, dragers, vroedvrouwen, predikanten, ziekentroosters, familieleden en buren verrichtten werkzaamheden die nauwelijks in medische registers voorkwamen. Doctoren, chirurgijns en apothekers lieten titels en handtekeningen na. De mensen die kookten, wasten, droegen en waakten verschenen eerder in een loonpost, huishoudrekening, klacht of begrafenisnotitie.

De regenten namen de besluiten, de binnenouders maakten er dagelijks werk van en het verzorgende personeel bracht de zorg tot aan het bed.

Oude kloosters en nieuwe Enkhuizer zorginstellingen

Na de overgang van Enkhuizen naar de Opstand kwamen katholieke kloosters en andere geestelijke bezittingen in stedelijke en gereformeerde handen. De nieuwe machthebbers schaften de behoefte aan armen-, kinder-, ouderen- en ziekenzorg niet af. Zij gebruikten de bestaande gebouwen opnieuw en gaven kloostergangen, zalen, kapellen en binnenplaatsen een stedelijke bestemming. Het Sint-Ursulaklooster werd ingericht voor jonge weeskinderen. Het Augustijnerklooster ging vanaf 1603 dienstdoen als Aalmoezeniershuis en als weeshuis voor kinderen ouder dan elf jaar.

Het Sint-Claraklooster werd Provenhuis en Oude Mannen- en Vrouwenhuis. Het voormalige Sint-Caeciliaklooster kreeg een bestemming als Ziekenhuis en Pesthuis. Dit vroegmoderne Ziekenhuis werd ook Gasthuis of Oude Armen Gasthuis genoemd en moet niet worden verward met de veel latere Snouck van Loosen-Ziekeninrichting aan de Vijzelstraat. De kapel van het Augustijnerklooster werd in 1646 als gereformeerde kerk gebruikt. De Eucheriuskapel van het Sint-Claraklooster kreeg later een functie als kruithuis en magazijn van de Admiraliteit.

Ook andere voormalige kerkelijke gebouwen werden gevangenis, werkplaats, opslagruimte of bestuursgebouw. De Enkhuizer zorginstellingen stonden zo midden tussen stedelijke defensie, religie, handel en bestuur. De gebouwen veranderden van geloofsrichting, maar de dagelijkse behoeften bleven herkenbaar. Kinderen moesten worden gevoed, gekleed en bewaakt. Zieken hadden warmte, een bed en toezicht nodig. Ouderen konden niet zonder voedsel, brandstof en hulp bij lichamelijke gebreken. Religieuze gemeenschappen maakten plaats voor regenten, binnenouders, dienstboden en andere leken.

Het dossier Moeders van Enkhuizen noemt een vaste groep instellingen: het Leprozenhuis of Gulden Hoofd, het Aalmoezeniershuis of Nieuwe Armen Weeshuis, het Oude Armen Weeshuis, het Provenhuis of Oude Mannen- en Vrouwenhuis en het Ziekenhuis, Gasthuis of Oude Armen Gasthuis. De vrouwen die als “moeder” aan deze huizen waren verbonden, werden per instelling en ambtsperiode geregistreerd. Deze huizen vormden geen modern zorgstelsel met scherp afgebakende specialismen.

Het Oude Armen Gasthuis bood niet uitsluitend geneeskundige behandeling, maar vooral onderdak, voeding en verzorging. Het Provenhuis was woonvoorziening, ouderenzorg en contractueel tehuis voor mensen die zich hadden ingekocht. De weeshuizen combineerden opvoeding, onderwijs, arbeid, kledingzorg en tucht. Het Leprozenhuis bood bescherming en levensonderhoud, maar plaatste bewoners ook buiten het gewone stadsleven. Zorg, wonen, opvoeden, disciplineren en armenbestuur liepen voortdurend door elkaar. De naam van een Enkhuizer huis zegt daarom niet alles over de bewoners of het dagelijkse werk.

In 1608 kregen de voogden van de Enkhuizer leprozen toestemming om geld voor een nieuw huis bijeen te brengen. Met goedkeuring van de Staten van Holland en West-Friesland organiseerden zij een loterij. In 1614 waren voldoende middelen verzameld en kon bij de Nieuwe Ketenpoort een leprozenhuis worden gebouwd. Het huis stond bekend als het Gulden Hoofd of Vergulde Hoofd. Lepra maakte iemand niet alleen ziek, maar kon hem ook buiten het gewone stadsleven plaatsen.

De bewoners hadden eten, kleding, brandstof en lichamelijke verzorging nodig, terwijl zij tegelijk van andere Enkhuizers werden afgezonderd. Het huis beschermde tegen honger en dakloosheid, maar bevestigde ook dat de bewoners als gevaarlijk, onrein of afwijkend werden beschouwd. Het Leprozenhuis stond onder mannelijke voogden en vrouwelijke regenten. Diewertje Backer en andere Enkhuizer vrouwen worden als moeder van het huis genoemd. Zij hielden toezicht op geld, personeel, voorraden, bezittingen en bewoners.

De daadwerkelijke dagelijkse verzorging lag bij inwonende leidinggevenden, dienstboden en andere medewerkers. Het Gulden Hoofd bleef ondanks de afzondering verbonden met Enkhuizen. Bakkers, turfleveranciers, kleermakers en andere ambachtslieden brachten goederen. Een chirurgijn kon worden geroepen. Predikanten en ziekentroosters boden geestelijke ondersteuning. Knechten en dragers verplaatsten voorraden, afval en lichamen. De stad hield de bewoners op afstand, maar kon hun levensonderhoud alleen via een stedelijk netwerk organiseren.

Het Enkhuizer Oude Armen Gasthuis, dat in bronnen ook als Gasthuis of Ziekenhuis kon worden aangeduid, was geen ziekenhuis in de moderne betekenis. Het bood in de eerste plaats een bed, beschutting, voedsel en dagelijkse verzorging aan mensen die thuis onvoldoende hulp hadden. Een doctor kon een inwendige ziekte beoordelen en leefregels of geneesmiddelen voorschrijven. Een chirurgijn behandelde wonden, breuken, gezwellen en andere uitwendige problemen. Een apotheker leverde medicijnen. Het grootste deel van een dag in het Gasthuis bestond echter niet uit medisch ingrijpen.

Bewoners aten, sliepen, wachtten en werden geholpen. Een ziekenmoeder gaf drinken. Een dienstmeid bracht een kom naar het bed. Een wasvrouw reinigde lakens en hemden. Een knecht haalde water en turf. De medische behandeling was één moment binnen een veel groter geheel van voeding, warmte, toezicht en lichamelijke verzorging. Het woord gasthuis behield iets van de oudere betekenis van gastvrijheid. Het Enkhuizer huis ving zieken, armen, verzwakten en andere hulpbehoevenden op.

Pas veel later werd een ziekenhuis een instelling waarin diagnostiek, operatie, gespecialiseerde verpleging en genezing de hoofdzaak werden. Het voormalige Sint-Caeciliaklooster werd na de Reformatie als Ziekenhuis en Pesthuis gebruikt. Daar kwamen verzorging en epidemische afzondering samen. Een Pesthuis was niet uitsluitend bedoeld om iemand te genezen. Het moest vermoedelijk besmette mensen ook uit woonhuizen, werkplaatsen en Enkhuizer straten verwijderen.

De patiënt kreeg een slaapplaats en enig levensonderhoud, maar verloor tegelijkertijd vrijheid en contact met familie en buurt. Tijdens zware epidemieën vergden het uitdelen van voedsel, het schoonhouden van vertrekken en het verwijderen van overledenen dagelijks veel personeel. Het gevaar beperkte zich niet tot de patiënten. Pestmeesters, ziekenmoeders, dienstboden, wasvrouwen, dragers en geestelijke bezoekers kwamen rechtstreeks in aanraking met zieken, kleding en beddengoed.

Niet iedere pestlijder werd naar het Pesthuis gebracht. Huishoudens konden in hun eigen woning worden afgesloten. Familie en buren brachten dan water, turf en voedsel zonder langer dan noodzakelijk binnen te blijven. Pestzorg vond daardoor zowel in het voormalige Sint-Caeciliaklooster als rond gesloten deuren in de Enkhuizer stegen, havendijken en woonstraten plaats.

Bestuur en dagelijkse verzorging

Bovenaan de Enkhuizer instellingen stonden regenten, regentessen, voogden en gasthuismeesters. Zij hielpen bewoners doorgaans niet uit bed, maar bepaalden wel onder welke omstandigheden dat kon gebeuren. Zij beheerden huizen, landerijen, rentebrieven, nalatenschappen en schenkingen. Zij controleerden rekeningen en besloten hoeveel mocht worden besteed aan brood, graan, bier, vlees, vis, kleding, linnengoed, turf, hout, geneesmiddelen en onderhoud.

Zij benoemden personeel, sloten overeenkomsten met leveranciers en behandelden klachten. Ook toelating was een bestuurstaak. Een arme, zieke, oudere, wees of vreemdeling kreeg niet automatisch een plaats. De Enkhuizer regenten konden onderzoeken of familieleden hulp konden bieden, of iemand tot de stedelijke gemeenschap behoorde en of ondersteuning of opname werkelijk noodzakelijk was. Hun besluiten waren niet abstract. Minder turf betekende een koudere zaal in het Gasthuis of Provenhuis.

Een kleinere linnenvoorraad betekende langer wachten op een schoon bed. Een lager voedingsbudget betekende een kleinere portie naast het ziekbed. In Enkhuizen liepen medische, bestuurlijke en kerkelijke functies dikwijls door elkaar. Een doctor of chirurgijn kon tegelijk voogd, weesmeester, diaken, ouderling, schepen of raad zijn. Claas Coppen was chirurgijn, apotheker, stadschirurgijn en voogd van het Leprozenhuis.

Sacharias l’Epie werkte voor de Admiraliteit en het Oude Armen Gasthuis en was tevens voogd van het Ziekenhuis. Jan Rijxen was meester-chirurgijn, langdurig voogd van het Ziekenhuis, meermalen diaken en ouderling en officier van de schutterij. Thomas Montanus was medisch doctor, raad, schepen en burgemeester. Hij was tevens voogd van het Provenhuis, weesmeester en ouderling.

Zijn echtgenote Antje of Anna Hendriksdr. van Loosen was jarenlang moeder van het Oude Armen Weeshuis. In één Enkhuizer huishouden kwamen daarmee geneeskunde, stedelijk bestuur, kerkelijk gezag en armenzorg samen. De zorginstellingen stonden midden in de Enkhuizer regentenstad. Dezelfde families die handel, kerk, Admiraliteit, VOC en vroedschap beheersten, namen besluiten over bedden, bewoners, personeel en nalatenschappen.

In het dossier Moeders van Enkhuizen betekent moeder dikwijls regentes en niet automatisch inwonende verzorgster. Hun moederschap was bestuurlijk en symbolisch. Marijtje Adams was van 1629 tot 1652 moeder van het Oude Armen Weeshuis en in 1627 en 1628 moeder van het Ziekenhuis. Annetje Alberts was van 1626 tot 1646 aan het Ziekenhuis verbonden.

Susanna Blaeu vervulde daar van 1680 tot 1715 een lange bestuursperiode. Aafje Backer volgde met een ambtstijd van 1708 tot 1746. Maria Bontekoning, echtgenote van Dirk Semeyns van Loosen, was van 1738 tot 1786 moeder van het Oude Armen Weeshuis. Reinoutje Jans Admirael en Maria Arends Brouwer waren verbonden aan het Provenhuis. Betjen Backer en Catharina Backer bestuurden het Aalmoezeniershuis.

Petronella Buyskes was van 1779 tot 1791 moeder van het Provenhuis. Deze vrouwen behoorden vaak tot Enkhuizer koopmans- en bestuurdersfamilies. Zij hielden toezicht op vrouwelijke bewoners, kleding, voedsel, personeel en huishoudelijke uitgaven. Zij waren niet dezelfde personen als de binnenmoeders die dagelijks tussen keuken, voorraadkamer en slaapzaal werkten.

Tussen de regentenkamer en de werkvloer stonden binnenvaders, binnenmoeders en huismeesters. Zij waren verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Een binnenvader en binnenmoeder vormden dikwijls een echtpaar dat in of naast de Enkhuizer instelling woonde. Hun werk eindigde niet wanneer de poort werd gesloten. Een kind kon ’s nachts ziek worden, een oudere kon vallen en een verwarde bewoner kon de slaapzaal verstoren.

Een stervende kon plotseling om hulp vragen. De binnenvader hield meestal toezicht op poorten, voorraden, brandstof, knechten, mannelijke bewoners en oudere jongens. Hij controleerde wie binnenkwam en vertrok, of kinderen naar school of leermeester gingen en of de huisregels werden nageleefd. De binnenmoeder leidde vooral keuken, was, kleding, bedden en dagelijkse verzorging.

Zij verdeelde het werk onder dienstboden, keukenmeiden, wasvrouwen en oppassers. Zij wist wie ziek was, wie extra eten nodig had en welk bed onmiddellijk moest worden verschoond. De landelijke geschiedenis van armenhuizen en oudeliedenhuizen laat een vergelijkbare structuur zien: gasthuismeesters bepaalden het beleid, terwijl gasthuisvader en gasthuismoeder het dagelijks leven organiseerden en werden geholpen door dienstpersoneel, een chirurgijn en een geestelijke verzorger.

Voor Enkhuizen blijft de precieze taakverdeling afhankelijk van plaatselijke instructies. Een ziekenmoeder kon een ervaren verzorgster zijn die toezicht hield op een ziekenzaal. Zij controleerde bedden, voeding, schoonmaak en de toestand van de bewoners. In een groter huis kon zij andere meiden en oppassers aansturen. Haar functie verschilde per instelling.

In een klein huis verrichtte zij zelf het meeste werk. In het Oude Armen Gasthuis kon zij mogelijk tussen de binnenmoeder en het overige personeel staan. De titel moeder moet daarom steeds voorzichtig worden gelezen. Een vrouw kon regentes, binnenmoeder, ziekenmoeder, vroedvrouw of oudere verzorgster zijn. Zonder benoemingsbesluit, instructie of loonpost is haar precieze plaats in de hiërarchie niet altijd zeker.

Onder de binnenouders werkten dienstboden, keukenmeiden, wasvrouwen, oppassers en knechten. Zij stonden laag in de bestuurlijke rangorde, maar verrichtten het meeste lichamelijke werk. Vergelijkend onderzoek naar andere steden wijst erop dat zulke personeelsleden dikwijls uit arme stedelijke gezinnen kwamen. Ook jonge migranten, alleenstaande vrouwen en weduwen konden in een instelling werk vinden.

Voor Enkhuizen moet dat sociale profiel nog per persoon uit lidmatenboeken, huwelijksregisters, loonstaten en woongegevens worden opgebouwd. Het huis bood kost, inwoning en enig loon. Daartegenover stonden lange werkdagen, weinig privacy en voortdurende gehoorzaamheid. Dezelfde meid kon ’s ochtends de vloer schrobben, daarna helpen in de keuken, vervolgens een zieke drinken geven en ’s avonds beddengoed verwijderen.

Knechten droegen water, turf, hout, meelzakken en voedselvaten. Zij ruimden vuil stro en afval op, verplaatsten bewoners die niet meer konden lopen en droegen overledenen uit het gebouw. Alleen wanneer een Enkhuizer instructie dat vermeldt, mag een knecht ook bewaker of portier worden genoemd.

De zeventiende-eeuwse Enkhuizer dienstmeid was geen verpleegkundige in moderne zin. Zij kreeg geen meerjarige beroepsopleiding en had geen duidelijk afgebakend verpleegkundig takenpakket. Het huishouden en de lichamelijke verzorging waren nauwelijks van elkaar gescheiden. De vrouw die een ketel schoonmaakte, hielp later bij het wassen van een zieke.

De meid die brood verdeelde, bleef mogelijk naast een stervende zitten. De wasvrouw kwam in aanraking met bloed, etter, urine en ontlasting zonder kennis van bacteriën of moderne beschermingsmiddelen. Juist doordat deze werkzaamheden als huishoudelijk en vrouwelijk golden, bleven zij maatschappelijk minder zichtbaar dan het werk van Enkhuizer doctoren en chirurgijns.

Reglementen, voeding, warmte en linnengoed

De Enkhuizer instellingen werkten met instructies en reglementen. Daarin konden dagritme, voedselverdeling, arbeid, kerkbezoek, de scheiding tussen mannen en vrouwen en de gehoorzaamheid aan binnenouders worden geregeld. Vergelijkbare huisregels uit andere steden verboden dronkenschap, vechten, diefstal, vloeken en ongeoorloofd uitgaan. Bewoners moesten zich onderwerpen aan het ritme van het huis.

Personeel moest bevelen van binnenouders en regenten opvolgen. Voor Enkhuizen mogen geen algemene boetetarieven, exacte sluitingstijden of vaste straffen worden genoemd zolang het plaatselijke voorschrift ontbreekt. Een bepaling uit Haarlem, Amsterdam of Brussel is geen automatisch bewijs voor de praktijk aan de Enkhuizer Dijk, Westerstraat of Vijzelstraat.

Een reglement toont bovendien wat bestuurders wilden, niet automatisch wat er dagelijks gebeurde. Wanneer een verbod steeds werd herhaald, kan dat juist betekenen dat bewoners of medewerkers het regelmatig overtraden. Hadewijch Masure laat voor Brussel zien dat armenzorg mede werd bepaald door woonduur, gedrag, arbeidsgeschiktheid, familie en aansluiting bij de stedelijke gemeenschap.

Instellingen konden residentieplichten en wachttijden hanteren. Vreemdelingen kregen soms slechts korte opvang, terwijl langduriger hulp was voorbehouden aan mensen die al geruime tijd in stad of parochie woonden. Deze Brusselse voorwaarden worden niet als Enkhuizer regels voorgesteld. Zij maken wel duidelijk naar welke vragen in Enkhuizer armenboeken, gasthuisrekeningen, weesboeken en stadsordonnanties moet worden gezocht.

Was iemand werkelijk inwoner van Enkhuizen? Kon familie helpen? Had de hulpvrager eerder zelf gewerkt? Was hij door ziekte, ouderdom of weduwschap verarmd, of werd hij als arbeidsgeschikt en werkonwillig gezien? Het Enkhuizer onderscheid tussen kinderen van poorters en kinderen van niet-poorters laat zien dat stedelijke binding ook hier een rol speelde. Nood alleen bepaalde niet altijd wie werd toegelaten.

Ordonnanties en reglementen geven geen volledig beeld van het dagelijkse leven. Masure wijst er terecht op dat normen moeten worden vergeleken met rekeningen, correspondentie, processen en schenkingsakten. Alleen zo wordt zichtbaar hoe regels in de praktijk werkten. Voor Enkhuizen geldt hetzelfde. Een verbod op dronkenschap zegt niet hoeveel personeel werkelijk dronk.

Een voorschrift over schoon linnengoed zegt niet hoe vaak een bed in het Oude Armen Gasthuis kon worden verschoond. Een toelatingsregel zegt niet hoeveel uitzonderingen de regenten maakten. Klachten, ontslagen, extra uitgaven en noodbetalingen brengen de dagelijkse werkelijkheid vaak dichterbij dan een zorgvuldig opgesteld reglement.

Voeding was een zelfstandige zorgtaak. Veel bewoners waren niet alleen ziek, maar ook arm, oud, verzwakt of ondervoed. Regenten bepaalden het budget en maakten afspraken met Enkhuizer leveranciers. Binnenvader en binnenmoeder hielden toezicht op ontvangst en opslag. Keukenmeiden en dienstboden haalden water, stookten het vuur, reinigden ketels, sneden brood en brachten voedsel naar slaapzalen en ziekenkamers.

De zorg liep zo van regentenrekening en voorraadkelder via keuken en gang naar de kom naast het bed. Uit vergelijkbare Hollandse instellingen zijn brood, grutten, erwten, bonen en andere goedkope, vullende producten bekend. Vlees, spek en vis kwamen minder vaak of op bepaalde dagen voor. Dit mag niet worden omgezet in een vast Enkhuizer weekmenu zonder plaatselijke rekeningen.

Ook vis was in een havenstad niet automatisch gratis. Haring en andere vis waren handelswaar. Zij werden verwerkt, gezouten, belast, verkocht en uitgevoerd. Alleen de rekeningen van het Oude Armen Gasthuis, het Provenhuis en de weeshuizen kunnen aantonen hoeveel vis bewoners werkelijk kregen.

Het woord gaarkeuken kon een commerciële eetgelegenheid aanduiden waar bereid voedsel werd verkocht. Voedseluitdeling door een diaconie of Aalmoezeniershuis bewijst daarom niet dat Enkhuizen een algemene openbare armenkeuken bezat. Armen konden brood, geld, kleding, brandstof of andere ondersteuning ontvangen. Voor een permanente zeventiende-eeuwse Enkhuizer volkskeuken is aanvullend bewijs nodig.

In een veel latere periode kende Enkhuizen wel georganiseerde voedselvoorzieningen, waaronder een Centrale Keuken. Die twintigste-eeuwse organisatie mag niet naar de vroegmoderne stad worden teruggeplaatst. Een ernstig zieke kreeg mogelijk ander voedsel dan een gezonde bewoner. Pap, bouillon, wijn, bier of andere gemakkelijk in te nemen producten konden als bijzonder rantsoen worden verstrekt.

Doctoren dachten vanuit de humeurenleer van Galenus. Gezondheid zou afhangen van het evenwicht tussen bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. Voedsel en geneesmiddelen werden als warm, koud, droog of vochtig ingedeeld. Een dieet kon daardoor deel van een behandeling zijn. De binnenmoeder van het Enkhuizer Gasthuis moest een medisch voorschrift vertalen naar wat werkelijk in keuken en voorraadkamer aanwezig was.

Een geleerd dieet had weinig betekenis wanneer geld, seizoen of voorraad het niet toelieten. Kruiden en planten vormden een belangrijk deel van de geneesmiddelenvoorraad. Daarnaast gebruikten apothekers dierlijke en minerale stoffen en middelen waaraan symbolische of vermeend magische eigenschappen werden toegeschreven. Ervaringskennis, humorenleer, geloof en schadelijke behandeling liepen nog door elkaar.

Turf, brandhout en water waren evenzeer zorgmiddelen als brood en geneesmiddelen. Zonder vuur kon geen maaltijd worden gekookt, geen water worden verwarmd en geen ziekenzaal tegen de West-Friese winterkou worden beschermd. Knechten droegen emmers, manden en hout. De binnenvader bewaakte de voorraad. Het keukenpersoneel hield het vuur gaande.

Een tekort aan brandstof werd direct voelbaar in koude vertrekken, ongewassen bewoners en onbereid voedsel. Een financieel besluit van Enkhuizer regenten kreeg daardoor een lichamelijke uitwerking op de zaal. Wasvrouwen en dienstboden behandelden lakens, hemden, doeken en verbanden die waren bevuild met zweet, bloed, etter, urine en ontlasting.

Men kende bacteriën en virussen niet, maar begreep wel dat vuil linnengoed moest worden verwijderd. De was werd geweekt, gekookt, gespoeld, gebleekt, gedroogd, hersteld en opnieuw verdeeld. Linnengoed moest worden geteld en opgeborgen. Een tekort aan lakens was geen klein administratief probleem, maar werd onmiddellijk bij het ziekbed gevoeld.

Tijdens Enkhuizer epidemieën werkten wasvrouwen zonder moderne bescherming met mogelijk besmet materiaal. Hun werk was onmisbaar en gevaarlijk, maar liet zelden dezelfde schriftelijke sporen na als het bezoek van een medicus. Oppassers en waaksters bleven bij mensen die niet alleen konden worden gelaten. Zij hielpen een patiënt overeind, reikten drinken aan en hielden het vuur in de gaten.

Zij merkten veranderingen in ademhaling, koorts en bewustzijn op. Wanneer een toestand verslechterde, waarschuwde de waakster familie, binnenmoeder, doctor, predikant of ziekentrooster. Bij een stervende kon zij urenlang aanwezig blijven. Een rekening vermeldt hoogstens het loon. Zij vertelt niet hoeveel nachten een vrouw naast een onrustige, benauwde of stervende Enkhuizer bewoner zat. Toch bepaalde haar aanwezigheid of iemand alleen stierf.

Voor de Reformatie waren religieuze vrouwen en mannen betrokken bij zieken- en armenzorg. Hun werkzaamheden hoorden bij het christelijke ideaal van barmhartigheid. Na 1572 verdwenen de katholieke kloostergemeenschappen uit de officiële Enkhuizer zorgorganisatie. Het werk verdween niet. Het werd overgenomen door binnenmoeders, ziekenmoeders, dienstmaagden, oppassers en andere vrouwelijke leken.

De benaming gasthuiszuster moet daarom tijdgebonden worden gebruikt. In een middeleeuwse instelling kon werkelijk een religieuze zuster worden bedoeld. In het gereformeerde Enkhuizen werd vergelijkbaar werk meestal door betaalde of inwonende leken uitgevoerd.

Doctoren, chirurgijns, apothekers en het Medicijnse Collegie

De doctor was universitair opgeleid en hield zich vooral bezig met inwendige ziekten, diagnoses, leefregels en recepten. De chirurgijn leerde zijn vak voornamelijk in een meester-leerlingverhouding en behandelde wonden, breuken, gezwellen en andere uitwendige problemen. De apotheker bereidde en verkocht geneesmiddelen. De Enkhuizer verzameling noemt vóór 1600 Pieter Hogerbeets, Gijsbert van Ewijk, François Maelson en Bernardus Paludanus als doctoren of medici.

Jan Willemsz. Hoochvorst was in 1556 stadschirurgijn en tegelijk schout. Frans Dirksz., Egbert Evertsz., Jeremias Brandt, Albert Nannesz., Hans van Groningen en Albert Dirksz. komen als vroege chirurgijns naar voren. De grenzen tussen beroepen waren niet altijd scherp. Sommige chirurgijns verkochten medicijnen of bezaten een apothekerswinkel.

Jan Albertsz. wordt genoemd als chirurgijn en barbier met een apothekerswinkel. De verzameling koppelt hem mogelijk aan het Nieuwe Gasthuis als pestmeester of voogd, maar laat daar zelf onzekerheid over bestaan. Die functie moet daarom niet als vaststaand worden gepresenteerd.

Claes Cornelisz., bijgenaamd Apotheker of Makelaer, was al in 1576 als chirurgijn actief. Hij bezat een apotheek die De Hondt en later De Bonte Hondt werd genoemd. Hij was daarnaast raad, schepen, diaken en ouderling. In 1593 woonde hij met Guertjen Harperts aan de Hoge Noorderhavendijk.

Zijn loopbaan laat zien dat een medicus of apotheker in Enkhuizen niet uitsluitend achter een toonbank stond. Hij bewoog door kerk, stadsbestuur, handel en geneeskunde. Geneesmiddelen werden verkocht in dezelfde havenstad waar kruiden, specerijen, wijn, metalen en dierlijke stoffen werden aangevoerd.

Adriaan de Grebber van Persijn werkte in 1616 als chirurgijn van het Enkhuizer Gasthuis. Sacharias l’Epie was chirurgijn van de Admiraliteit en het Gasthuis en trad tevens als voogd van het Ziekenhuis op. Jacob Tjallis Scharlaken was doctor van het Armen Gasthuis. Willem van Schaak was doctor van het Provenhuis.

Martinus van Rossen behandelde eerst bewoners van het Provenhuis en werd vanaf 1729 aan het Ziekenhuis verbonden. Jan Jacobsz. Statijn trad als chirurgijn van het Provenhuis op. Theodorus de Gorter was in 1779 doctor van het Gasthuis en Gijsbert Hoogland werkte in dezelfde periode als gasthuischirurgijn. Samuel Dijkman wordt in 1814 als chirurgijn van het Nieuwe Armen Weeshuis genoemd.

Deze mannen kwamen onderzoeken en behandelen. Daarna moesten binnenmoeder, ziekenmoeder en meiden ervoor zorgen dat voeding, rust, verbanden en voorgeschreven middelen werkelijk bij de patiënt kwamen. Een chirurgijn leerde zijn vak bij een meester. De winkel was praktijk, werkplaats en opleidingsruimte tegelijk.

Adriaan de Grebber van Persijn leerde vier jaar bij stadschirurgijn Jeremias Brandt en daarna drie jaar bij Gerrit Egbertsz. Wijnholts. Een leerling maakte instrumenten schoon, bereidde verbandmateriaal en keek mee bij behandelingen. David Olphertsz. verklaarde dat Claes Dirksz. een jaar en tien maanden als leerling had gediend.

David werd later opperchirurgijn op het schip Texel. De Enkhuizer opleiding verbond de chirurgijnswinkel zo met Gasthuis, Admiraliteit, VOC en scheepsdek. Zeventiende-eeuwse Enkhuizer medici kenden bacteriën, virussen en moderne besmettingsroutes niet. Veel ziekten werden verklaard door bedorven lucht, stank of miasma.

Vuile en vochtige omstandigheden konden werkelijk ongezond zijn, maar de oorzaken werden anders begrepen dan nu. De humeurenleer bleef belangrijk. Een teveel of tekort aan bloed, slijm, gele gal of zwarte gal zou ziekte veroorzaken. Aderlaten, bloedzuigers, braakmiddelen en purgeermiddelen moesten het lichaam opnieuw in evenwicht brengen.

Ambroise Paré verbeterde de Europese wondbehandeling. Vesalius bracht de anatomie nauwkeuriger in beeld. William Harvey beschreef de bloedsomloop en Robert Boyle droeg bij aan de experimentele natuurwetenschap. Nicholas Culpeper verspreidde praktische plantengeneeskunde, vermengd met astrologische opvattingen. Hun werk veranderde het Europese denken, maar niet iedere ontdekking bereikte onmiddellijk een ziekenkamer in de Galijke Liefkenssteeg.

Ook een zaal in het Enkhuizer Gasthuis of een boerderij bij Andijk bleef buiten het directe bereik van veel geleerde vernieuwing. Oude en nieuwe verklaringen bleven generaties naast elkaar bestaan. De meeste zieken lagen thuis. Familieleden gebruikten daarom middelen die in keuken, tuin, winkel of apotheek beschikbaar waren.

Kruiden werden gekookt of op alcohol gezet. Warme doeken en kompressen werden op pijnlijke plaatsen gelegd. Boter, eieren, azijn, bier en wijn konden in huisrecepten voorkomen. Een wond werd afgedekt, een pijnlijke borst verwarmd en een koortsige patiënt kreeg drank of pap. Sommige middelen brachten verlichting. Andere hadden geen effect of waren schadelijk.

De grens tussen ervaringskennis, huishoudelijk gebruik, geleerd voorschrift en bijgeloof was niet scherp. Een Enkhuizer doctor of chirurgijn kon een behandeling beginnen, maar de familie moest die thuis voortzetten. Nieuwe dranken als koffie en thee werden niet alleen als handels- en genotmiddel beschouwd. Men schreef er ook verwarmende, verkwikkende of geneeskrachtige eigenschappen aan toe.

Een apotheker, koopman, huisvrouw en doctor konden hetzelfde product anders waarderen. Wat beneden in de Enkhuizer Waag werd gewogen en in winkels werd verkocht, kon boven in een medische discussie als versterkend of heilzaam worden besproken. De grens tussen voedsel, drank, geneesmiddel en luxeproduct was daardoor niet scherp.

Op 27 september 1636 kwam het Enkhuizer Medicijnse Collegie voor het eerst bijeen. De medische beroepsgroep kreeg een vaste plaats boven de Waag. Beneden werden goederen gewogen. Boven vergaderden doctoren en chirurgijns. Willem Masquerier was een vroege voorzitter. Zacheus de Jager gaf anatomisch onderwijs.

Chirurgijns als Evert Hidding, Otto Roelofsz. Loninga, Jacob Nieuwland en Frederik Poort vervulden functies binnen het collegie. Het collegie hield toezicht op opleiding, examens en beroepsuitoefening. Glazen, portretten, instrumenten en anatomische voorwerpen gaven de kamer aanzien. In 1647 werd een zilveren katheter geschonken.

De Waag werd zo een werkgebouw én kennisgebouw. Beneden lagen boter, kaas, zaden, hout, hennep en andere handelswaren op de balans. Boven werden anatomie, instrumenten en medische regels besproken. Een anatomische les boven de Waag verhoogde het aanzien van de chirurgijn. In het Oude Armen Gasthuis bleef de patiënt intussen afhankelijk van de vrouw die zijn bed verschoonde.

Pest, gebed en geestelijke zorg

De pest keerde in de zestiende en zeventiende eeuw meer dan eenmaal in Enkhuizen terug. Historische pestoverzichten noemen onder meer 1599, 1600, 1635, 1636, 1652, 1653, 1654, 1664, 1666, 1667 en 1668 als jaren waarin de stad met pestactiviteit of uitzonderlijke sterfte werd geconfronteerd. De gebruikte bronnen en sterftecijfers zijn niet voor ieder jaar gelijk.

Wel maakt de reeks duidelijk dat epidemische dreiging geen eenmalige Enkhuizer ervaring was. In zulke jaren veranderde het stadsleven. Mensen meden besmette huizen, leveranciers gaven goederen aan de deur af en begrafenissen volgden elkaar sneller op. Het Oude Armen Gasthuis en het Pesthuis kregen meer werk. Pestmeesters, dragers, wasvrouwen, dienstboden en geestelijke bezoekers liepen grotere risico’s.

Zorg en angst bestonden naast elkaar. De christelijke plicht om de zieke bij te staan botste met de wens om zichzelf en het eigen gezin te beschermen. Ziekte werd breed gezien als een straf, beproeving of waarschuwing van God. Gebed, berouw en bekering golden daarom als passende reacties.

Dat betekende niet dat iedere gelovige medische en bestuurlijke maatregelen afwees. Dezelfde Enkhuizer overheid kon een bededag uitschrijven, een pestmeester aanstellen, besmette huizen afsluiten en regels stellen aan personen en goederen. Geloof en praktisch handelen waren geen vanzelfsprekende tegenpolen. Sommige gelovigen vonden vluchten, geneesmiddelen of voorzorg strijdig met Gods voorzienigheid.

Anderen meenden juist dat God de mens verstand en middelen had gegeven om gevaar te vermijden. De discussie ging niet alleen over de oorzaak van de pest, maar ook over de morele grens van zelfbescherming. Na de Reformatie verdwenen katholieke processies uit de officiële publieke eredienst. Stedelijke, gewestelijke en centrale overheden bleven zich echter verantwoordelijk voelen voor het gezamenlijk afsmeken van Gods genade.

Zij konden bijzondere bededagen en gezamenlijke gebedsdiensten afkondigen. In Woerden bepaalde de magistraat in augustus 1636 dat iedere woensdag een bededag zou worden gehouden. De klok riep inwoners bijeen, werk moest worden neergelegd en winkels moesten sluiten. Toen de sterfte afnam, volgde een dankstond. Amsterdam hield in 1655 wekelijkse diensten om de zware sterfte “af te bidden”.

Deze voorbeelden bewijzen geen identieke Enkhuizer regeling. Zij laten zien hoe nauw overheid, kerk en epidemiebestrijding met elkaar verweven konden zijn. Voor concrete Enkhuizer bededagen moeten vroedschapsresoluties, kerkeraadsnotulen en stedelijke publicaties worden onderzocht. Een bededag bracht veel inwoners bij elkaar. Juist die samenkomst kon bij een besmettelijke ziekte gevaarlijk zijn.

Kerkelijke en stedelijke bestuurders stonden daardoor voor een dilemma. De Enkhuizer bevolking moest zich gezamenlijk verootmoedigen, maar drukke diensten konden ziekteoverdracht bevorderen. Besmette mensen konden worden afgescheiden, thuisblijven of in een afzonderlijke ruimte geestelijke verzorging ontvangen. De geestelijke zorg bewoog daarom tussen kerkgebouw, huisbezoek en afzondering.

Na 1572 was de openbare Enkhuizer kerkelijke zorg gereformeerd. Prediking, Bijbellezing, gebed en het werk van ziekentroosters namen de officiële plaats in van katholieke processies, heiligenverering en ziekenzalving. Katholieken verdwenen echter niet uit de Republiek en evenmin uit West-Friesland. Binnen huiselijke of verborgen geloofsgemeenschappen konden zij vasthouden aan ziekenzalving, rozenkransgebed, litanieën en de voorspraak van Maria of heiligen.

Voor Enkhuizen is de gereformeerde vorm bestuurlijk en publiek zichtbaar. Katholieke zielzorg bleef veel minder openbaar en moet uit afzonderlijke plaatselijke bronnen worden opgebouwd. Jan Pieterszoon Beelthouwer werd vermoedelijk omstreeks 1603 in Enkhuizen geboren en werkte waarschijnlijk aanvankelijk als schoolmeester. In 1625 werd hij ziekentrooster bij de VOC-Kamer Enkhuizen.

Tijdens de pest van 1635 hielp hij de predikanten bij het bezoeken van zieken. Hij woonde in de Breedstraat tegenover de Barnesteiger. Op 30 september 1638 werd hij opnieuw voor drie maanden aangesteld om bij het ziekenbezoek te ondersteunen. Beelthouwer kwam in Enkhuizer huizen waar angst, ziekte en naderend sterven aanwezig waren.

Hij behandelde geen gezwel en zette geen breuk. Hij las uit de Bijbel, bad, sprak over geloof en hielp mensen zich voor te bereiden op herstel of dood. Zijn werk sloot aan op dat van de waakster. De een hielp het lichaam drinken en ademen; de ander hielp de zieke woorden vinden voor schuld, angst en hoop.

Een ziekenbezoek kon bestaan uit Bijbellezing, gebed, geloofsonderzoek, vermaning, troost en voorbereiding op het sterven. Dat waren geen overal identieke stappen in één vast formulier. De precieze woorden verschilden naar predikant, ziekentrooster en toestand van de patiënt. De zieke kon worden aangespoord ruzies bij te leggen, schulden te erkennen, familie te spreken en een testament te regelen.

Wie geld bezat, kon legaten aan armen, kerk, weeshuizen of Enkhuizer zorginstellingen nalaten. Er werd gebeden om lichamelijk herstel wanneer dat met Gods wil overeenkwam. Tegelijk moest de mens zich voorbereiden op de mogelijkheid dat herstel uitbleef. Tijdens een pestuitbraak kon de drempel van een besmet huis leeg blijven.

Familieleden en buren vluchtten soms of weigerden binnen te gaan. Juist dan werden pestmeester, dienstmeid, drager en ziekentrooster onmisbaar. Beelthouwer was meer dan een ondergeschikte voorlezer. Hij ontwikkelde eigen religieuze opvattingen, schreef teksten en kwam in conflict met de gereformeerde autoriteiten van Enkhuizen.

Zijn zelfstandigheid bracht hem uiteindelijk buiten de grenzen die de kerkenraad aanvaardbaar vond. In 1656 werd hij uit Enkhuizen verbannen. Zijn leven verbindt pestzorg, onderwijs, VOC, huisbezoek en theologisch conflict. De ziekentrooster stond dicht bij de stervende, maar bleef zelf onderdeel van een streng gecontroleerde kerkelijke wereld.

Meijndert Mes trad op 14 januari 1726 als ziekentrooster in dienst van de VOC-Kamer Enkhuizen. Hij vertrok met de Margareta naar Batavia en keerde met de Wickenburg terug. Op 13 juli 1727 arriveerde hij na een dienstverband van 545 dagen weer in de Republiek. Op zee werkte hij naast de scheepschirurgijn.

De chirurgijn behandelde verwondingen, koorts en andere aandoeningen. De ziekentrooster las, bad en begeleidde stervenden. Hij hield bovendien toezicht op de godsdienstige en morele orde. Vloeken, vechten, gokken en dronkenschap golden niet alleen als disciplinaire problemen, maar ook als zonden die de gemeenschap in gevaar brachten.

Een mogelijke latere VOC-dienst van een gelijknamige Meijndert Mes vanaf 1734 en een overlijden in Azië in 1735 moeten voorlopig als onzeker worden behandeld. Jan Risgers trad op 5 januari 1767 als ziekentrooster in dienst van de VOC-Kamer Enkhuizen. Hij vertrok met de Baarzande, verbleef 2.363 dagen in Azië en keerde met de Oud Haarlem terug.

Op 24 augustus 1774 arriveerde hij na een totale diensttijd van 2.788 dagen. Met Beelthouwer, Mes en Risgers liep de Enkhuizer geestelijke zorg van woningen aan de Breedstraat naar de ziekenkooien van VOC-schepen. Dezelfde haven die goederen, zeelieden en ziekten binnenbracht, zond ook chirurgijns en ziekentroosters de wereld over.

Vroedvrouwen en geboortezorg

De geboortezorg lag eeuwenlang vooral in handen van vrouwen. Een Enkhuizer vroedvrouw wordt al in een rekening uit 1464 vermeld. In 1578 woonde Liesbetmoer, aangeduid als vroemoeder, aan de Lage Havendijk. Pietermoer Alberts was begijn en vroedvrouw. Barber Jorisdr. werkte in 1636 als vroedvrouw en kopster.

Deze vrouwen kwamen in woningen waar meestal geen doctor aanwezig was. Saartjen van Breukelum bleef stadsvroedvrouw tot haar overlijden in 1729. Jacoba Simons Hogeboom volgde haar datzelfde jaar op en bleef tot 1762 werkzaam. Later verschijnen Ebetje ten Berge, Aaltje Hellingman en Liesebetje Schuit.

De namen tonen een langdurige vrouwelijke beroepslijn die veel ouder was dan de negentiende-eeuwse verpleegopleiding. De vroedvrouw volgde de weeën, voelde hoe het kind lag en probeerde rust te bewaren in een Enkhuizer kraamkamer vol spanning. Zij liet water verwarmen, doeken gereedleggen en voldoende licht maken.

Na de geboorte lette zij op bloedverlies, herstel van de moeder en ademhaling van het kind. Zij moest weten wanneer afwachten niet langer verantwoord was. Een moeilijke ligging, langdurig uitblijven van de geboorte, hevig bloedverlies of uitputting konden aanleiding zijn om een vroedmeester, chirurgijn of doctor te laten halen.

De vroedvrouw begeleidde niet alleen het lichaam. Zij sprak de kraamvrouw moed in, legde handelingen uit en hield onrustige familieleden onder controle. Wanneer de moeder stierf, ontstond onmiddellijk een bredere zorgcrisis. Een zuigeling had een min nodig. Oudere kinderen moesten worden opgevangen.

De weduwnaar moest arbeid en huishouden combineren. Kraamzorg, armenzorg en wezenzorg konden binnen enkele dagen in elkaar overgaan. In de negentiende eeuw verschenen naast de oude Enkhuizer stadsvroedvrouwen ook kraambewaarsters en vrouwen met een meer formele opleiding.

Tekela Bleisum werkte rond 1840 als kraambewaarster. Lummigje Serreker studeerde in 1837 in Haarlem af. Engeltje de Wit behaalde daar in 1857 haar opleiding, Vroutje Vijselaar-Swart in 1860. Ook G. de Vries wordt als stadsvroedvrouw genoemd. De kraambewaarster begeleidde niet noodzakelijk de bevalling zelf.

Zij verzorgde moeder en kind tijdens het kraambed, hield de kamer op orde, hielp bij voeding en wassen en lette op verslechtering. Zo ontstond geleidelijk een onderscheid tussen verloskundige hulp tijdens de geboorte en kraamzorg in de dagen erna.

In 1701 verscheen Hendrik van Deventers Manuale Operatien, zynde Nieuw Ligt voor Vroed-Meesters en Vroed-Vrouwen. Het werk verbond langdurige praktijkervaring met anatomische waarneming en theoretische uitleg. Van Deventer werd in 1651 geboren en bracht jaren door binnen de gemeenschap van de Labadisten. Hij ontwikkelde een groot vertrouwen in eigen ervaring en waarneming.

In 1694 verdedigde hij in Groningen een proefschrift over Furor Uterinus. De verdediging vond uitzonderlijk genoeg besloten en in het Nederlands plaats, omdat hij onvoldoende Latijn beheerste. Ondanks zijn doctorsgraad weigerde het Haagse Collegium Medicum hem aanvankelijk als lid. Hij werkte vervolgens in Voorburg en zette zich in voor een betere opleiding van vroedvrouwen.

Vanaf 1701 mocht hij ook weer in Den Haag praktiseren. Zijn motto luidde:

Ik verga, maar de waarheid blijft — Manet post funera verum.

Van Deventer is geen Enkhuizer hoofdfiguur. Zijn boek vormt een landelijke kennislaag waartegen het werk van Saartjen van Breukelum, Jacoba Simons Hogeboom en andere plaatselijke vroedvrouwen rond 1700 kan worden begrepen. Wat in een geleerd werk werd beschreven, moest uiteindelijk worden toegepast in een Enkhuizer woonhuis, aan een havendijk of op een afgelegen West-Friese boerderij.

Van Deventer onderzocht niet alleen zachte lichaamsdelen, maar ook het heiligbeen, het stuitbeen en de vorm van het benige bekken. Hij begreep dat een nauw, scheef of afwijkend bekken een bevalling kon vertragen of laten vastlopen. De geboorte werd zo een mechanisch proces waarin bekkenvorm, ligging van het kind en beschikbare ruimte samen de voortgang bepaalden.

Een langdurige bevalling hoefde daardoor niet alleen te worden verklaard door zwakte, angst of te geringe weeën. Ook de anatomie kon de doorgang belemmeren. Dit inzicht hielp vroedmeesters en geschoolde vroedvrouwen praktische handelingen te verbinden met wat zich in het lichaam afspeelde.

Voor een Enkhuizer vroedvrouw betekende dit dat een bevalling die niet vorderde geleidelijk anders kon worden beoordeeld dan uitsluitend vanuit kracht, angst of voorzienigheid. Het Manuale Operatien gaf aanwijzingen voor moeilijke liggingen en vastgelopen geboorten. Van Deventer beschreef hoe de ligging van het kind met de hand kon worden gecorrigeerd.

Hij gaf vaak de voorkeur aan handmatige hulp boven onmiddellijk instrumenteel ingrijpen. Dat maakte een ingreep niet veilig of pijnloos. Een langdurige geboorte kon voor moeder en kind dodelijk zijn. Van Deventer probeerde echter een systematische werkwijze te geven in plaats van blind trekken of eindeloos wachten.

Hij behoorde tot de vroege wetenschappelijke verloskundigen die placenta praevia beschreven: een voorliggende moederkoek die de geboorteweg kon blokkeren en hevig bloedverlies veroorzaken. Bepaalde later naar Van Deventer genoemde handgrepen bij een stuitbevalling moeten voorzichtig worden behandeld. De klassieke schoudermanoeuvres die later zijn naam kregen, zijn niet zonder meer door hemzelf beschreven.

Van Deventer vond dat een goede vroedvrouw niet eigenwijs mocht zijn. Zij moest haar ervaring gebruiken, maar ook het advies van een kundige doctor of vroedmeester aanvaarden wanneer de toestand haar mogelijkheden te boven ging. Zij moest bovendien begrijpen hoe pijn, uitputting en angst de barende vrouw beïnvloedden.

De vroedvrouw moest moed inspreken en hoop geven, zolang de toestand van moeder en kind dat toeliet. Daarmee werd verloskunde niet uitsluitend een technisch vak. Waarneming, communicatie, vertrouwen en menselijke nabijheid bleven onmisbaar. Voor een Enkhuizer kraamvrouw was de plaatselijke vroedvrouw degene die uren naast het bed stond.

Het boek van Van Deventer kon kennis aanbieden, maar alleen een aanwezige vrouw kon die kennis in een donker woonhuis aan de Lage Havendijk of op een boerderij in de Streek toepassen. Van Deventer adviseerde bij een gevulde darm een klysma, omdat daardoor volgens zijn mechanische redenering meer ruimte voor de geboorte ontstond.

Bij een slap geboren kind stelde hij prikkelende middelen voor, zoals uienschillen onder de neus en wijn in neus, ogen of oren. Vanuit moderne kennis waren zulke behandelingen weinig werkzaam en mogelijk schadelijk. Zij tonen wel dat verloskundigen actief probeerden een kind tot ademhalen te brengen voordat betrouwbare reanimatietechnieken bestonden.

Opvallend is zijn aandacht voor pijnbestrijding. Hij vond dat vrouwen soms onnodig veel pijn leden en dat een passend middel die pijn geheel of gedeeltelijk kon verminderen. De vrouwelijke vroedvrouw bleef in Enkhuizen de eerste hulp bij een gewone bevalling. Een mannelijke vroedmeester of chirurgijn werd vooral ingeschakeld bij verkeerde ligging, stuitbevalling, nauw bekken, hevig bloedverlies of een langdurig vastgelopen geboorte.

In Enkhuizen werden later mannen als Gerbrandus Backer, Cornelis Stant, Willem Weerman en Dirk Lijcklama à Nijholt als vroedmeesters zichtbaar. Zij vervingen de vrouwelijke vroedvrouwen niet onmiddellijk. Beide groepen bleven naast elkaar werken. Cornelis Stant werd in 1797 doctor, in 1798 stadsdoctor en werkte als vroedmeester.

Willem Weerman combineerde het chirurgijnsvak met dat van stadsvroedmeester en apotheker. De vroedvrouw kende de Enkhuizer gezinnen en woonde vaak dichterbij. De vroedmeester bracht meer anatomische scholing en kwam vooral bij complicaties in beeld.

Naast doctoren, chirurgijns en vroedvrouwen kende Enkhuizen kopsters en ledensetters. Kopsters plaatsten verwarmde glazen of kommen op het lichaam. Barber Jorisdr. combineerde deze behandeling met het vroedvrouwenvak. Ledensetters hielden zich bezig met ontwrichtingen en vermoedelijk breuken.

Martina Ledesetter wordt in 1649 genoemd. Jan Dominicus verschijnt eveneens als ledensetter; zijn zoon Janis Dominicus werkte als chirurgijn. Deze mensen vormden een praktische zorglaag tussen huisremedie en erkend medisch beroep. Een Enkhuizer kon eerst thuis worden verzorgd, daarna naar een ledensetter gaan en pas bij verslechtering een chirurgijn laten komen.

De medische wereld bestond niet uit één rechte lijn van patiënt naar doctor. Zij was een markt van ervaringskennis, beroepsgeneeskunde, huisremedies en geloof.

Zorg in het West-Friese achterland

De zorgwereld eindigde niet bij de Koepoort, vestingwal of haven. Rond Enkhuizen lagen Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek, Andijk, Wervershoof, Venhuizen, Hem en Wijdenes. Daartussen stonden boerderijen, arbeiderswoningen, vissershuizen en molens langs dijken, sloten en landwegen.

Enkhuizen bezat doctoren, chirurgijns, apothekers, vroedvrouwen en instellingen. Toch vond het grootste deel van de dagelijkse verzorging in woningen en boerderijen plaats. Familieleden, buren, dienstboden en inwonende arbeidskrachten brachten eten, verschoonden bedden, verzorgden wonden en waakten.

Enkhuizen kon bijzondere kennis, geneesmiddelen en soms opname bieden. Het West-Friese buitengebied droeg het meeste dagelijkse zorgwerk. De meeste zieke West-Friezen bleven in hun eigen bedstede, woonkeuken of achterkamer. Daar liepen gezinsleven, arbeid en verzorging door elkaar.

Een echtgenoot, dochter, schoondochter, buurvrouw of dienstmeid haalde water, kookte pap, verschoonde kleding en hield het vuur brandend. Wie door koorts, verwonding of ouderdom niet meer kon eten, drinken of opstaan, werd door het huishouden geholpen.

Een Enkhuizer doctor of chirurgijn bleef meestal maar kort. Hij onderzocht, verbond een wond, verrichtte een aderlating of schreef een middel voor. Daarna moest het gezin de behandeling uitvoeren en opletten of koorts, zwelling of benauwdheid toenam. Vroegmoderne thuiszorg was huishoudelijk werk dat door ziekte zwaarder, vuiler en dringender werd.

Afstand bepaalde mede welke hulp iemand kreeg. Een vroedvrouw, chirurgijn of predikant moest de patiënt eerst kunnen bereiken. Regen veranderde karrensporen in modder. Storm vanaf de Zuiderzee maakte varen en lopen gevaarlijk. Duisternis vertraagde een nachtelijk bezoek. Sneeuw en zwak ijs konden routes afsluiten.

Sterk ijs kon juist een snellere verbinding over sloten en vaarten bieden. Een hulpverlener kwam te voet, te paard, per wagen of met een schuit. Voor een ernstig zieke verliep de reis in omgekeerde richting. Hij kon op een draagbaar, in een kar of per vaartuig naar Enkhuizen worden gebracht.

Een gebroken been, diepe wond of vastgelopen bevalling werd door schokken, kou en tijdverlies nog gevaarlijker. Wie een paard, wagen of bruikbare schuit bezat, had meer mogelijkheden dan een arme landarbeider zonder vervoer. Of Liesbetmoer persoonlijk naar Andijk of de Streek reisde, is niet overgeleverd.

Vroedvrouwen waren echter bij uitstek mobiele zorgverleners. Zij werden naar de kraamvrouw gebracht. Op een afgelegen boerderij stond een vroedvrouw dikwijls alleen voor moeilijke beslissingen. Zij moest bepalen of zij kon afwachten en of een vroedmeester of chirurgijn uit Enkhuizen moest worden gehaald.

Kostbare uren konden verloren gaan. Buurtvrouwen, familieleden en dienstboden hielpen met water, licht, linnengoed en eten. Intussen moest het bedrijf doorgaan. Koeien werden gemolken, kinderen gevoed en het vuur onderhouden. Een bevalling was daarom niet alleen een medisch moment. Zij raakte het gehele huishouden en soms de hele buurt.

Op West-Friese boerderijen ontstonden verwondingen door dagelijks werk. Een arbeider kon zich snijden aan mes, zeis of bijl. Een paard kon trappen, een rund iemand tegen een wand drukken en een wagen kon kantelen. Molens, hooibouw, sloten en zware lasten veroorzaakten breuken, kneuzingen en diepe wonden.

Bij zulke ongevallen was een chirurgijn vaak belangrijker dan een universitair doctor. Hij kon een bloeding proberen te stelpen, een wond reinigen en verbinden en een ontwricht of gebroken lichaamsdeel behandelen. Niet iedere boer of arbeider kon langdurige behandeling betalen. Uitval betekende verlies van loon, oogst of voedsel en trof het hele huishouden.

Familieleden namen werkzaamheden over, buren hielpen tijdelijk en een dorpsdiaconie kon brood, geld of brandstof verstrekken. Medische zorg en bestaanszekerheid waren niet van elkaar te scheiden. Naast vroedvrouwen, chirurgijns, ledensetters en kruidenkenners konden plattelandsbewoners een gebedsgenezer raadplegen.

Zulke mannen en vrouwen werden elders belezer, aflezer of strijker genoemd. De Nederlandse Volksverhalenbank beschrijft belezers die met gebed, handoplegging en strijkende bewegingen pijn, brandwonden, verstuikingen, bloedingen, huiduitslag en veeziekten behandelden. In het westen van Nederland werden vooral de woorden aflezen en strijken gebruikt.

Deze verzamelde verhalen hebben vooral betrekking op de negentiende en vroege twintigste eeuw. Oudere vermeldingen reiken tot de zeventiende eeuw, dikwijls in een katholieke context. Daarmee is nog geen concrete Enkhuizer of West-Friese gebedsgenezer bewezen.

In het Enkhuizer zorgverhaal blijft gebedsgenezing daarom een landelijke en plattelandse vergelijkingslaag totdat plaatselijke namen en voorvallen worden gevonden. De vergelijking helpt wel begrijpen welke hulp een inwoner van Andijk, Wervershoof of Venhuizen mogelijk zocht wanneer Enkhuizen ver weg was, een chirurgijn te kostbaar leek of gewone behandeling geen uitkomst bood.

Een gebedsgenezer streek met de hand over de pijnlijke plaats, legde een hand op een wond of maakte kruistekens. Tegelijk prevelde hij een gebed of formule die omstanders meestal niet mochten verstaan. Het doel was dikwijls niet om een ernstige ziekte volledig te genezen.

De behandelaar zou pijn wegnemen, bloed stelpen of herstel bevorderen. Bij vee konden dezelfde woorden en handelingen worden gebruikt als bij mensen. Dat sloot aan bij een West-Friese boerenwereld waarin de gezondheid van gezin en veestapel tot dezelfde bestaanszekerheid behoorde.

Een kreupele koe of een ziek paard kon het huishouden evenzeer treffen als een gewonde arbeider. Het gebed moest vaak geheim blijven. Volgens de verhalen kon een belezer zijn kracht verliezen wanneer anderen de woorden hoorden. Veel gebedsgenezers benadrukten dat niet zijzelf, maar God genas.

De handeling was een gave en een verplichting. Daarom mocht volgens veel overleveringen geen betaling worden geëist. Soms mocht de patiënt zelfs niet bedanken. Een latere gift aan kerk of armen kon wel geoorloofd zijn. De gave werd dikwijls binnen een familie doorgegeven: van vader op zoon of van moeder op dochter.

De nieuwe genezer leerde de geheime woorden en de juiste handelingen. Mannen behandelden vaker vee; vrouwelijke gebedsgenezers richtten zich vaker op mensen en kinderen. Dat was geen absolute regel, maar hing samen met de taakverdeling op het platteland.

Een patiënt koos niet noodzakelijk één behandelaar. Een gebedsgenezer kon de pijn proberen te verminderen en daarna adviseren een chirurgijn uit Enkhuizen te halen om een wond te hechten of een breuk te zetten. Andersom konden mensen naar een gebedsgenezer gaan wanneer een arts geen oplossing bood.

De keuze hing af van klacht, afstand, kosten, reputatie en vertrouwen. De gebedsgenezer woonde vaak dichtbij en vroeg geen geld. Een chirurgijn kon snijden, pijn veroorzaken en kostbare middelen voorschrijven. De belezer gebruikte handen, woorden en gebed. Zo bestond in Enkhuizen en de omliggende dorpen een medische markt van familieleden, vroedvrouwen, chirurgijns, apothekers, ledensetters, kruidenkenners en gebedsgenezers.

Tussen geloof, bijgeloof en ziekteverklaring

Na 1572 werd de openbare religieuze cultuur van Enkhuizen gereformeerd. Oude voorstellingen over ziekte, betovering, duivelse invloed en genezende rituelen verdwenen niet onmiddellijk. Predikanten waren het onderling niet volledig eens. Sommigen zagen toverij als een werkelijke bedreiging en vonden streng optreden noodzakelijk.

Anderen zagen vooral volksgeloof, bedrog of verkeerd begrepen natuurlijke verschijnselen. Een brede middengroep ontkende de duivel niet, maar eiste voorzichtigheid, goede bewijsvoering en een zorgvuldige rechtsgang. Verschillende gereformeerde predikanten drongen juist aan op matiging.

Zij verzetten zich tegen marteling en overhaaste veroordelingen en wilden bijgeloof door onderwijs, catechese en pastorale begeleiding bestrijden. Een proces uit Abbekerke brengt dit debat geografisch dicht bij Enkhuizen en West-Friesland. Zonder de volledige processtukken kan dat geval nog niet met namen en details in het Enkhuizer verhaal worden uitgewerkt.

Een gewoon gebed voor een zieke kon binnen de gereformeerde wereld aanvaardbaar zijn. Verdacht werd een ritueel wanneer vaste woorden, kruistekens, aantallen of een erfelijke kracht op zichzelf genezend zouden werken. De grens bleef moeilijk. Een gebedsgenezer kon zeggen dat alleen God genas.

Een Enkhuizer of West-Friese predikant kon dezelfde behandeling toch als superstitie beoordelen wanneer de kracht volgens de genezer in een geheime formule, een persoon of een overgedragen gave lag. Contramagie ging verder. Daarbij probeerde iemand vermeende betovering ongedaan te maken, ziekte terug te sturen of de dader zichtbaar te maken.

Zulke handelingen werden sneller als verboden magie beschouwd. Daarom worden gebedsgenezers niet automatisch als heksen of tovenaars beschreven. Alleen een plaatselijke bron kan tonen hoe een concrete behandelaar door kerk, rechter en buurt werd beoordeeld.

De medicus Johannes Wier keerde zich in de zestiende eeuw tegen harde heksenvervolgingen. Hij vond dat veel beschuldigde vrouwen geen machtige bondgenoten van de duivel waren, maar verwarde, misleide of psychisch kwetsbare mensen.

Daarmee kwam naast de demonologische verklaring een medische en psychologische benadering te staan. Een persoon die als bezeten of betoverd werd gezien, kon ook ziek, getraumatiseerd, angstig of geestelijk ontregeld zijn. Voor het Enkhuizer zorgverhaal is dit een belangrijke verschuiving.

De reactie op vreemd gedrag kon variëren van gebed en pastorale begeleiding tot opsluiting, verbanning en straf. Naarmate natuurlijke en medische verklaringen meer gewicht kregen, werd de diagnose toverij minder vanzelfsprekend. Wier werkte niet in Enkhuizen. Zijn betekenis ligt in de veranderende denkwereld waarin Enkhuizer doctoren, predikanten, regenten en familieleden gedrag konden proberen te begrijpen.

De dagelijkse verzorging bleef ondertussen bij de mensen die een verwarde bewoner eten brachten, hem wasten en voorkwamen dat hij zichzelf of anderen verwondde. De Friese predikant Balthasar Bekker publiceerde tussen 1691 en 1693 zijn vierdelige De betoverde Weereld.

Hij bestreed het grote gezag dat mensen aan duivel, spoken, heksen en tovenaars toeschreven. Volgens Bekker deden mensen die naast God zulke bovennatuurlijke machten vreesden afbreuk aan Gods almacht. Geloof in machten naast God noemde hij superstitie. Bekker wilde het christelijke geloof niet afschaffen.

Hij wilde het zuiveren van angst voor bovennatuurlijke krachten. Bijbellezen, gebed en vertrouwen in God bleven belangrijk; verhalen over magische rituelen en duivelspacten moesten kritisch worden onderzocht. Zijn benadering sloot aan bij methodische twijfel en het groeiende belang van rede en waarneming.

Zulke boeken konden via predikanten, geleerden, boekverkopers en regenten ook de discussies in een havenstad als Enkhuizen bereiken, al veranderde een geleerd debat niet onmiddellijk wat mensen aan een ziekbed geloofden. Bekker wilde artsen de mogelijkheid ontnemen om een patiënt zonder degelijk onderzoek als betoverd of bezeten te bestempelen.

Ook rechters moesten volgens hem niet langer op basis van zulke beschuldigingen onschuldigen ter dood brengen. Hij onderzocht verhalen door te kijken, vragen te stellen en tegenstrijdigheden bloot te leggen. In Oosterlittens beschreef hij Taedske Isaacs, die aanvallen vertoonde en pas tot rust kwam nadat predikanten hadden gebeden.

Bekker meende dat haar gedrag uiteindelijk als een schijnvertoning kon worden verklaard. In Amsterdam bezocht hij Harmen Evertsz., van wie buurtgenoten dachten dat hij door een boze geest werd aangevallen. Bekker merkte op dat de man zichzelf tijdens zijn wilde bewegingen zorgvuldig ontzag en zich in zijn verhaal tegensprak.

Deze gevallen bewijzen niet dat mensen met aanvallen doorgaans veinsden. Zij laten zien dat Bekker waarneming en onderzoek tegenover de onmiddellijke verklaring van bezetenheid plaatste. Voor Enkhuizen betekende deze verschuiving niet dat bijgeloof plotseling verdween. Zij bood doctoren, predikanten en regenten wel een taal om bij vreemd gedrag eerst naar ziekte, bedrog, angst of ontregeling te kijken.

Bekkers optreden veroorzaakte een felle pamflettenstrijd die later de Bekkeriaanse oorlog werd genoemd. De Amsterdamse classis sloot hem uit van deelname aan het Avondmaal. Zijn tegenstanders vreesden dat hij Bijbelse waarheden ondergeschikt maakte aan de rede.

Bekker meende juist dat rede en onderzoek konden voorkomen dat oude vooroordelen als geloof werden doorgegeven. Geleerde scepsis maakte het geloof in toverij niet onmiddellijk ongedaan. In Enkhuizer huishoudens, West-Friese dorpen en volksverhalen konden gebedsgenezing, betovering en bijzondere krachten nog lang blijven bestaan. De nieuwe twijfel werkte langzaam en naast oudere verklaringen.

Mensen met geestelijke verwarring, verstandelijke beperkingen, toevallen of ontregelend gedrag vormden nog geen duidelijk afgebakende psychiatrische patiëntengroep. Zij konden thuis worden gehouden, in het Enkhuizer Gasthuis terechtkomen of in een afgesloten ruimte worden ondergebracht.

Hun verzorging bestond uit voedsel, kleding, wassen en toezicht, maar kon ook gepaard gaan met dwang en opsluiting. Een kostkoper was iemand voor wie familie, kerk of een andere instelling betaalde. Dat verschilde van een provenier, die zich doorgaans met eigen middelen inkocht.

Dezelfde knecht of oppasser kon iemand eten brengen en tegelijk voorkomen dat die persoon het gebouw verliet. Zorg, bescherming, bewaking en controle liepen hier door elkaar. De ontwikkeling van Wier en Bekker naar meer natuurlijke verklaringen betekende nog niet dat humane psychiatrische zorg onmiddellijk ontstond.

Zij maakte wel ruimte voor de gedachte dat vreemd gedrag niet automatisch door duivelse macht werd veroorzaakt.

Ouderen, proveniers, wezen en vreemdelingen

Ouderenzorg was lange tijd geen zelfstandige zorgcategorie. Ouderen kregen hulp omdat zij arm, ziek, alleenstaand of niet meer arbeidsgeschikt waren. Familie vormde de eerste oudedagsvoorziening. Kinderen, verwanten, buren en dienstboden hielpen zolang dat mogelijk was.

Een oudere met volwassen kinderen, bezit en een bruikbaar huis bleef meestal thuis. Iemand zonder familie, inkomen of woning werd eerder afhankelijk van diaconie, stad of instelling. De geschiedenis van de ouderengeneeskunde laat zien dat vijftig of zestig jaar al als oud kon gelden, maar dat leeftijd op zichzelf niet beslissend was.

Lichamelijke toestand, arbeidsgeschiktheid, armoede en familieondersteuning bepaalden of hulp noodzakelijk werd geacht. Op een West-Friese boerderij kon een oudere nog op kinderen passen, kleding herstellen, voedsel schoonmaken, kleinvee verzorgen of toezicht houden op huis en erf. Ouderdom betekende niet onmiddellijk volledige afhankelijkheid.

Armenbestuurders en Enkhuizer regenten probeerden opname vaak uit te stellen. Een plaats in een armenhuis of Provenhuis kostte geld. Bij voorkeur werd hulp aan huis verstrekt: brood, kleding, brandstof of een geldbedrag. Familieleden konden op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken.

Pas wanneer zelfstandig wonen niet meer mogelijk was en familiehulp ontbrak, kwam opname in beeld. Deze beoordeling lijkt enigszins op een vroege indicatiestelling, maar er bestond geen afdwingbaar recht op zorg. De hulpvrager moest aantonen dat de nood werkelijk bestond. Voor bewoners van omliggende dorpen speelde bovendien de vraag welke gemeenschap de kosten moest dragen.

Het Provenhuis was geen bijzaak van het Gasthuis. Het was een eigen Enkhuizer instelling met voogden, regentessen, bewoners, inkomsten en medische ondersteuning. Het voormalige Sint-Claraklooster werd ingericht als Provenhuis en Oude Mannen- en Vrouwenhuis.

Het regentessendossier noemt al vanaf de late zestiende eeuw vrouwen die als moeder aan het huis waren verbonden. IJke Comen Arents, Griete Claes, Maria Arends Brouwer, Aafjen Frans Cant, Reinoutje Jans Admirael en Petronella Buyskes behoren tot die lange bestuurlijke lijn.

Het huis bood langdurige woonruimte aan oudere mannen en vrouwen die niet meer zelfstandig konden of wilden wonen. Daarbij leefden mensen met verschillende financiële posities naast elkaar. Een provenier kocht zich met geld of bezit in voor langdurige of levenslange huisvesting.

Een overeenkomst kon recht geven op een kamer of slaapplaats, voedsel, drinken, brandstof, linnengoed, verzorging bij ziekte en een begrafenis na overlijden. De precieze rechten verschilden per contract. De provenier verschilde van de arme bewoner.

Hij of zij bracht vermogen mee en kon zich op een overeenkomst beroepen. Een arme oudere bleef sterker afhankelijk van liefdadigheid en besluiten van het bestuur. Binnen het Enkhuizer Provenhuis konden daardoor bewoners met verschillende kamers, rantsoenen en rechten leven.

Het Provenhuis kon worden gefinancierd uit inleg van proveniers, schenkingen, legaten, landerijen, huurinkomsten, kerkelijke middelen, stedelijke bijdragen en hulp van familie. Regenten beheerden het vermogen. Binnenouders moesten met het toegekende geld voedsel, brandstof, linnengoed, personeel en onderhoud betalen.

Vergelijkbare oudeliedenhuizen verplichtten bewoners soms tot spinnen, breien, klossen of ander licht werk zolang hun gezondheid dat toeliet. Ook maaltijden, drankgebruik, kerkbezoek en het meenemen van voedsel konden worden gereglementeerd. Deze regels mogen niet zonder Enkhuizer bewijs op het Provenhuis worden geplakt.

Zij laten wel zien dat opname doorgaans onderdak én onderwerping aan het huisritme betekende. Willem van Schaak werkte als doctor van het Enkhuizer Provenhuis. Martinus van Rossen behandelde daar bewoners voordat hij aan het Ziekenhuis werd verbonden. Jan Jacobsz. Statijn trad als chirurgijn op.

Hun aanwezigheid maakte het Provenhuis niet tot een ziekenhuis. De meeste dagelijkse zorg bleef in handen van binnenouders, dienstboden en andere medewerkers. De landelijke geschiedenis van ouderenzorg laat zien hoe dergelijke huizen langzaam veranderden van armen- en woonvoorziening naar instellingen waarin de dokter een grotere rol kreeg. De ontwikkeling verliep echter geleidelijk en ongelijk.

Wezen moesten worden geregistreerd, gevoed, gekleed, onderwezen en voorbereid op zelfstandig bestaan. Enkhuizen kende het Oude Armen Weeshuis en het Aalmoezeniers- of Nieuwe Armen Weeshuis. Herkomst, burgerstatus en de positie van de ouders konden mede bepalen welke instelling verantwoordelijk werd.

Zorg hing daardoor niet alleen van de behoefte van het kind af. Ook poorterschap, stedelijke binding en familieachtergrond telden mee. Binnenouders hielden toezicht op slaapzalen, maaltijden, onderwijs, arbeid en kerkbezoek. Oudere kinderen konden helpen bij de verzorging van jongeren of bij huishoudelijke werkzaamheden.

Enkhuizer weeskinderen kregen onderwijs in lezen, schrijven, rekenen en geloofsleer. Jongens konden bij een ambachtsman in de leer worden gedaan. Meisjes werden vaker voorbereid op werk als dienstmeid, naaister of huishoudelijke kracht. Oudere kinderen hielpen in keuken, wasserij en naaikamer.

Arbeid was opleiding, discipline en bijdrage aan het huishouden tegelijk. Een deel van de inkomsten van een werkend kind kon aan de instelling toevallen. Het weeshuis was daarmee zowel beschermende als controlerende omgeving. Het voorkwam dat een kind zonder onderdak raakte, maar bepaalde ook waar het woonde, leerde en werkte.

Een naaimoeder hield toezicht op linnengoed, kleding, spinnen en herstelwerk. Zij leerde meisjes naaien en verstellen. Enkhuizer kleermakers en schoenmakers leverden kleding en schoeisel. In veel steden droegen weeskinderen herkenbare kleding. Dat maakte de groep bestuurbaar en zichtbaar.

Voor de precieze Enkhuizer stoffen, kleuren en kledingvoorschriften zijn plaatselijke rekeningen en reglementen nodig. Een vondeling kwam soms zonder naam, familie of bekende betaler binnen. Bij opname moesten vindplaats, tijdstip, kleding en meegegeven voorwerpen worden geregistreerd.

Briefjes, linten, halve kaarten of afgescheurde papiertjes konden later als herkenningsteken dienen. Amsterdamse bronnen tonen dat armoede en honger belangrijke redenen konden zijn om een kind achter te laten. Wanneer geen naam was meegegeven, konden regenten er een bedenken op basis van vindplaats, gebouw of voorwerp.

Deze Amsterdamse aantallen en praktijken zijn geen rechtstreeks bewijs voor Enkhuizen. Zij tonen wel welke werkzaamheden vondelingenzorg omvatte: registratie, doop, naamgeving, kleding, voeding, plaatsing bij een min en soms teruggave aan ouders. Een zuigeling had moedermelk, warmte en voortdurende aandacht nodig.

Een min kon het kind in haar eigen woning opnemen en daarvoor worden betaald. Een minnemoeder kon toezicht houden op meerdere jonge kinderen. Wanneer een kind ziek werd of overleed, kon discussie ontstaan over voeding, besmetting en verantwoordelijkheid. De min verrichtte noodzakelijk werk, maar liep ook het risico beschuldigd te worden van nalatigheid.

Voor Enkhuizen zijn minnenrekeningen, doopboeken en opnameregisters nodig om deze vrouwen met namen en woonplaatsen zichtbaar te maken. De zorg voor een zuigeling hoefde niet binnen een Enkhuizer instelling plaats te vinden. Een kind kon bij een min in een dorp of boerderij worden ondergebracht.

Daar waren melk, warmte en dagelijkse aandacht beschikbaar, maar het bestuur had minder direct toezicht. Afstand maakte controle moeilijker. Wanneer een kind verzwakte of overleed, moest worden vastgesteld of ziekte, voeding, besmetting of nalatigheid een rol had gespeeld. Zo verbond de zorg voor vondelingen en jonge wezen het Enkhuizer bestuur met huishoudens buiten de stad.

Zwerfkinderen waren verlaten, verweesde of onvoldoende bewaakte kinderen die bedelend door stad en streek trokken. Bestuurders zagen hen tegelijk als hulpbehoevend en als bedreiging van de openbare orde. Opvang moest voorkomen dat zij verhongerden, maar ook dat zij zonder werkdiscipline, geloofsonderwijs en toezicht opgroeiden.

Het Enkhuizer weeshuis combineerde bescherming met disciplinering. Een kind kreeg eten en onderdak, maar moest gehoorzamen, leren, werken en naar de kerk gaan. Het moderne woord dakloos komt niet steeds in vroegmoderne bronnen voor.

Men sprak eerder over passanten, bedelaars, zwervers, vreemdelingen, vagebonden of mensen zonder vaste woonplaats. Een vaste Enkhuizer had meestal een sterkere aanspraak op hulp dan een onbekende vreemdeling. Steeds speelde de vraag welke stad, kerk, familie of beroepsgroep de kosten moest dragen.

Een passant kon tijdelijk brood, onderdak, kleding of reisgeld krijgen. Hij kon ook worden doorgestuurd of uit Enkhuizen worden verwijderd. Regenten besloten over toelating, binnenouders regelden een plaats, keukenpersoneel leverde voedsel en een chirurgijn of ziekentrooster kon bij ziekte worden geroepen.

Niet alle ondersteuning liep via het Enkhuizer stadsbestuur en het Oude Armen Gasthuis. Diaconieën, broederschappen en ambachten konden brood, geld, ziekensteun, begrafeniskosten en weduwensteun verstrekken. Leden betaalden bijdragen aan een bus en konden bij ziekte, ouderdom of overlijden hulp ontvangen.

Masure beschrijft Brusselse ambachtsbussen die zich ontwikkelden van vrijwillige onderlinge voorzieningen tot stedelijk gereguleerde of verplichte systemen. Zieke en arme leden kregen ondersteuning; sommige bussen hielpen ook bij begrafenissen en ondersteunden weduwen en kinderen.

Voor Enkhuizen zijn gildeboeken, busrekeningen en begrafenisreglementen nodig om vast te stellen welke vissers, schippers en ambachtslieden zulke voorzieningen kenden. De vergelijking is belangrijk omdat zij laat zien dat zorg niet alleen van bovenaf werd georganiseerd. Beroepsgenoten konden zelf geld bijeenbrengen om ziekte en inkomensverlies gezamenlijk op te vangen.

De dorpen rond Enkhuizen waren niet uitsluitend van de stad afhankelijk. Gereformeerde diaconieën, plaatselijke armenvoogden en dorpsbesturen ondersteunden eigen inwoners. Die hulp bestond dikwijls uit concrete zaken: brood, turf, kleding, geld of betaling van een rekening.

Een gezin waarvan de kostwinner ziek of gewond was, kon tijdelijk extra steun krijgen. Bestuurders wilden weten of iemand werkelijk tot hun gemeenschap behoorde. Een vaste inwoner met een bekende reputatie stond sterker dan een onbekende reiziger of rondtrekkende arbeider.

Ook gedrag telde mee. Een weduwe, oude arbeider of door ziekte getroffen gezin kon als hulpwaardig gelden. Iemand die als gezond, dronken of werkonwillig werd gezien, kreeg sneller met wantrouwen te maken. Armenzorg betekende daarom zowel hulp als beoordeling.

Het West-Friese achterland leefde van landbouw én Zuiderzee. De dorpen waren via havens en vaarten met visserij, vrachtvaart en handel verbonden. Wanneer een visser verdronk of een schipper niet terugkeerde, verloor een vrouw haar echtgenoot en het huishouden zijn belangrijkste inkomen.

Familie kon tijdelijk helpen. Een kerkelijke kas, gildebus of armenbestuur kon brood, geld of begrafeniskosten betalen. Oudere kinderen gingen soms werken of werden bij verwanten ondergebracht. Ook een zeeman die ziek of gewond in Enkhuizen thuiskwam, vormde een zware belasting.

De scheepschirurgijn had hem onderweg behandeld, maar thuis namen echtgenote, moeder of dochter de dagelijkse verzorging over. Zorg liep zo van schip naar wal en van Enkhuizen naar de boerderijen en visserswoningen van het achterland.

Pest, pokken en andere koortsziekten trokken zich niets aan van stadsgrenzen. Zij reisden mee met schepen, markten, goederen, familiebezoek en seizoenarbeiders. In dorpen zonder Pesthuis vond afzondering vooral thuis plaats. Een zieke werd in een kamer, bedstede of bijgebouw ondergebracht.

Familie beperkte contact en buren brachten voedsel, water en brandstof. Dat systeem was kwetsbaar. Dezelfde mensen die de patiënt verzorgden, moesten ook dieren voeren, koken en het erf verlaten. Een woonhuis was geen ontworpen isolatieplaats.

Een vroedvrouw, chirurgijn, predikant of gebedsgenezer die meerdere huizen bezocht, was noodzakelijk voor de zorg, maar kon onbedoeld ook ziekte verspreiden. Tijdens epidemieën bleek hoe afhankelijk een dorp was van familie- en burenhulp en hoe belangrijk Enkhuizen bleef als plaats waar medici, apothekers en instellingen beschikbaar waren.

De zorg eindigde niet bij het overlijden. Het lichaam moest worden gewassen, afgelegd en in doeken of kleding worden gewikkeld. Bed, linnengoed en kamer moesten worden gereinigd. Persoonlijke bezittingen werden verzameld en konden door binnenouders, voogden of regenten worden geregistreerd.

Ziekenmoeders, dienstboden en vrouwelijke familieleden konden het afleggen verzorgen. Knechten en dragers brachten de overledene uit het huis. Daarna kwamen bidders, grafmakers en kerkelijke functionarissen in beeld. Predikanten en ziekentroosters ondersteunden nabestaanden.

Diakenen konden een weduwe of kinderen helpen met brood, geld, kleding of turf. Wanneer beide ouders stierven, ging nazorg onmiddellijk over in voogdij en weeszorg. Eén Enkhuizer sterfgeval kon gevolgen hebben voor begrafenis, inkomen, woning, opvoeding en bestuur.

Van Wees- en Armhuis naar georganiseerde armenzorg

Aan het begin van de negentiende eeuw kon Enkhuizen de afzonderlijke instellingen en huishoudingen steeds moeilijker financieren. Het Leprozenhuis of Gulden Hoofd, het Oude Armen Weeshuis, het Aalmoezeniers- en Nieuwe Armen Weeshuis en het Oude Armen Gasthuis werden in 1810 bestuurlijk samengebracht in het Wees- en Armhuis.

De samenvoeging verminderde het aantal afzonderlijke besturen en huishoudingen. Er kwam een afdeling voor wezen en een afdeling voor armenzorg. De behoefte veranderde niet. Kinderen moesten nog steeds worden gevoed en opgevoed. Armen hadden brood, kleding en brandstof nodig.

Zieken en ouderen bleven afhankelijk van dagelijkse verzorging. Alleen de bestuurlijke vorm werd anders. Door de bestuurlijke samenvoeging kwamen verschillende groepen dichter onder één beheer. Dat betekende niet dat een wees, een oude vrouw en een zieke man dezelfde behandeling nodig hadden.

Binnenouders moesten de huishouding organiseren, maar bewoners naar leeftijd en toestand van elkaar scheiden. Kinderen hadden onderwijs en kleding nodig. Zieken vroegen rust en verzorging. Ouderen hadden hulp nodig bij lopen, wassen en eten. Arme gezinnen buiten het huis moesten ondersteuning aan huis ontvangen.

De nieuwe Enkhuizer organisatie moest dus besparen zonder alle verschillen tussen bewoners uit te wissen. Enkhuizen kende vanaf 1780 een Oeconomisch Werkhuis, een werkinrichting voor arme stedelingen. Er werd onder meer garen gesponnen en aan netten gewerkt.

Het Werkhuis hoorde bij de overtuiging dat armen niet alleen moesten worden ondersteund, maar ook door arbeid moesten worden gevormd. Werk moest ledigheid bestrijden, regelmaat aanleren en de kosten van ondersteuning beperken. Deze instelling hoorde niet bij medische zorg, maar wel bij dezelfde bestuurlijke wereld waarin armoede, arbeid, gedrag en hulpverlening met elkaar waren verbonden.

Een zieke of lichamelijk versleten bewoner kon niet hetzelfde werk leveren als een gezonde arme. Juist daar ontstond de voortdurende vraag wie werkelijk niet kon werken en wie volgens bestuurders niet wilde werken. In de negentiende eeuw verschenen in Enkhuizen de armeninrichtingen De Linnenweverij en De Nijverheid.

Hun namen maken duidelijk dat arbeid een kernonderdeel van de ondersteuning vormde. Armen moesten door spinnen, weven, naaien of andere productie aan hun levensonderhoud bijdragen. Ondersteuning en werkdiscipline bleven met elkaar verbonden. Deze instellingen waren geen ziekenhuizen. Toch kwamen ziekte en arbeid er voortdurend samen.

Wie niet kon werken, verloor mogelijk inkomen of moest bewijzen dat de ongeschiktheid werkelijk bestond. Wie verzwakt raakte, kon vervolgens een beroep doen op armenzorg, diaconie of Gasthuis. Het Enkhuizer Algemeen Armbestuur bracht de ondersteuning onder een bredere bestuurlijke noemer.

Het moest beoordelen wie geld, brood, brandstof, kleding of andere hulp ontving. Daarbij bleven dezelfde oude vragen bestaan: woonde de aanvrager in Enkhuizen, kon familie helpen, was iemand tot arbeid in staat en welke instelling moest betalen? Het verschil met de vroegere kleinschalige armenbedeling lag vooral in de groeiende administratieve ordening.

Ondersteuning werd meer geregistreerd, beoordeeld en verdeeld via een apart bestuur. Het Gereformeerde Weeshuis, op een bepaald moment aangeduid als het Gereformeerde Weeshuis der Nederduitsch Hervormde Gemeente, behield een herkenbare kerkelijke identiteit.

De bewoners kregen niet alleen onderdak, voeding en onderwijs, maar leefden binnen een gereformeerd opvoedingsmodel. Kerkbezoek, Bijbelkennis, gehoorzaamheid en voorbereiding op arbeid bleven belangrijke onderdelen. De instelling stond in een lange lijn vanaf het Oude Armen Weeshuis, maar functioneerde in een negentiende-eeuwse wereld waarin kerk, gemeente, particuliere liefdadigheid en staat hun verantwoordelijkheden opnieuw afbakenden.

De Enkhuizer Vereniging Moederlijke Weldadigheid richtte de aandacht op moeders en gezinnen. De naam laat een verandering zien. Waar vroegere armenzorg vooral brede categorieën als armen, wezen en passanten kende, ontstonden verenigingen die zich op een nauwkeuriger omschreven groep richtten.

Ondersteuning van een moeder kon voorkomen dat een kind werd uitbesteed, verlaten of in een weeshuis terechtkwam. Hulp aan het huishouden werd daarmee indirect kinderzorg. De precieze Enkhuizer werkzaamheden moeten uit reglementen, ledenlijsten en jaarrekeningen worden opgebouwd, maar de vereniging hoort duidelijk bij de overgang naar gerichte particuliere hulpverlening.

Johanna Margaretha de Vries werd in 1794 in Enkhuizen geboren en overleed in 1849. Zij bleef ongehuwd en liet vermogen na voor liefdadige doeleinden. Haar nalatenschap paste in een lange Enkhuizer traditie waarin vermogende ongehuwde vrouwen en weduwen na hun dood invloed bleven uitoefenen op armen-, wezen- en ouderenzorg.

De stichting kon geld en bezit langdurig vastleggen voor huisvesting en verzorging. Daarmee werd persoonlijke liefdadigheid omgezet in een instelling die langer bestond dan de weldoenster zelf. De nalatenschap droeg bij aan de financiële draagkracht van de Enkhuizer wezen- en armenzorg en aan de mogelijkheid om kinderen weer dichter bij hun eigen stad onder te brengen.

Vanaf 1825 werden Enkhuizer weeskinderen naar de Koloniën van Weldadigheid gestuurd. De gedachte was dat landbouwarbeid, godsdienstige opvoeding en strenge regelmaat hen tot zelfstandige burgers zouden vormen. Voor de kinderen betekende het vertrek uit Enkhuizen en verlies van hun vertrouwde omgeving.

Arbeid gold opnieuw als antwoord op armoede. Het kind werd verzorgd, maar tegelijk onderworpen aan een systeem dat discipline en productiviteit centraal stelde. Toen de financiële positie van de plaatselijke wezenzorg verbeterde, konden kinderen weer meer binnen de eigen Enkhuizer omgeving worden opgevangen.

Daarmee werd duidelijk hoe sterk de woonplaats van een kind afhankelijk was van begrotingen, legaten en bestuurlijke keuzes. De Centrale Keuken Enkhuizen hoorde bij een veel latere vorm van georganiseerde voedselvoorziening. Hier werd voedsel niet meer uitsluitend per instelling in een afzonderlijke keuken bereid.

Centrale bereiding maakte het mogelijk grotere aantallen mensen, gezinnen of instellingen vanuit één organisatie te bedienen. Daarmee keerde een oude zorgtaak in een nieuwe vorm terug. Brood, warme maaltijden en aangepaste voeding bleven noodzakelijk, maar productie, transport en distributie werden moderner georganiseerd.

De Centrale Keuken mag niet worden teruggeplaatst naar de zeventiende eeuw. Zij behoort bij de ontwikkeling van grootschaliger gemeentelijke en maatschappelijke voedselzorg.

Van zaalmeid naar verpleegster en directrice

In de negentiende eeuw veranderden de verwachtingen van een Enkhuizer zorginstelling. Strozakken werden geleidelijk vervangen door betere bedden. Slaapplaatsen konden met gordijnen worden afgescheiden. Zalen kregen verwarming en bewoners eigen bestek. Verbeteringen in waterleiding, riolering en ventilatie veranderden de leefomgeving.

Deze vernieuwingen vonden niet overal tegelijk plaats, maar markeerden de overgang van armenhuis naar verzorgingsinstelling. Techniek verlichtte een deel van het werk. Water hoefde minder vaak van buiten te worden gedragen en afval kon beter worden afgevoerd. Toch bleef iedere Enkhuizer instelling afhankelijk van mensen die kookten, wasten en schoonmaakten.

Zij vervingen verbanden en hielpen bewoners. Een groot deel van de negentiende-eeuwse ziekenverzorging werd nog verricht door zaalmeiden en zaalknechten. Zij kookten, wasten, maakten schoon en hielpen patiënten. Rond 1880 groeide de kritiek op het gebrek aan opleiding, discipline en hygiëne.

Hervormers als Anna Reynvaan wilden van verpleging een geschoold en gerespecteerd vrouwenberoep maken. Dat bracht vooruitgang, maar ook een sociaal oordeel. De arme meiden die eeuwenlang het zware werk hadden gedaan, werden vaak als ongeschoold en onbeschaafd tegenover de nieuwe verpleegster geplaatst.

De professionalisering verhoogde de status van het beroep, maar bouwde voort op werkzaamheden die al generaties door laagbetaalde vrouwen waren verricht. Met scholing veranderde ook de verhouding tot de arts. De verpleegster moest nauwkeuriger observeren, temperaturen en medicijnen volgens voorschrift toedienen.

Zij leerde hygiënisch werken en bijzonderheden rapporteren. De zorg werd daardoor beter georganiseerd, maar ook sterker hiërarchisch. De arts stelde diagnose en behandeling vast. De verpleegster voerde uit en rapporteerde. De directrice hield toezicht op personeel en huishouding. De vroegere Enkhuizer binnenmoeder verdween niet plotseling.

Haar organiserende taken werden verdeeld over directrice, hoofdverpleegster, huishoudster en administratief personeel. Margaretha Maria Snouck van Loosen werd op 23 juli 1807 in Enkhuizen geboren en overleed op 30 oktober 1885 als laatste telg van haar familietak.

Haar voorvaderlijke woning aan de Dijk werd door haar nalatenschap bestemd als tehuis voor deftige weduwen en ongehuwde vrouwen. Het huis moest plaats bieden aan zes tot acht vrouwen uit de fatsoenlijke stand, zonder kinderen ten laste. Iedere nieuwe bewoonster moest duizend gulden inbrengen.

Het Snouck van Loosenhuis was daarmee geen algemeen armenhuis. Het was een beschermde woonvoorziening voor alleenstaande vrouwen uit de burgerlijke bovenlaag en vertoonde overeenkomsten met het oude provenierssysteem. Het oorspronkelijke huis was in de achttiende eeuw voor Dirk Semeyns van Loosen en Maria Bontekoning gebouwd.

Door het legaat van 1885 kreeg het een nieuwe zorgfunctie. Het huis werd in 1891 en 1892 ingrijpend verbouwd naar ontwerp van C.P. Posthumus Meijes. Achter het oude voorhuis kwam een hoog nieuw gebouw met acht tweekamerappartementen en vertrekken voor een directrice.

De directrice nam een positie in die aan de vroegere Enkhuizer binnenmoeder herinnerde. Zij woonde in het gebouw, organiseerde de gezamenlijke huishouding en stond boven het dienstpersoneel. Toch was de omgeving anders. Bewoonsters leefden niet op één gemeenschappelijke zaal, maar in eigen appartementen.

In het souterrain lagen keuken, werkkeuken, verwarmingsruimten en een was- en droogkamer. Op zolder bevonden zich de kleinere dienstbodenkamers. De ruimtelijke indeling maakte de sociale hiërarchie zichtbaar: bewoonsters in afzonderlijke vertrekken, de directrice bij de dagelijkse leiding en dienstboden dicht bij de werkruimten.

Het Snouck van Loosenhuis kreeg stromend water, toiletten, centrale verwarming, ventilatie, gaslicht, elektrische bellen, spreekbuizen en een etenslift. De techniek veranderde de dagelijkse arbeid. Water hoefde minder vaak in emmers te worden gedragen. Maaltijden konden met een lift naar boven.

Een bewoonster kon met een bel om hulp vragen. Het zorgwerk verdween niet. Er moest nog altijd worden gekookt, gewassen, schoongemaakt en geholpen. De vroegere binnenmoeder werd een directrice, maar onder haar bleven dienstboden en andere medewerkers het lichamelijke en huishoudelijke werk verrichten.

In december 1998 eindigde de functie van het Snouck van Loosenhuis als verzorgingstehuis. Het monumentale gebouw voldeed niet meer zonder ingrijpende aanpassingen aan de moderne wettelijke eisen.

Van Oude Armen Gasthuis naar streekziekenhuis

In 1894 werd de Vereeniging tot het verleenen van hulp aan zieken binnen de gemeente Enkhuizen opgericht. Het Snouck van Loosenfonds kocht in 1897 een terrein aan de Vijzelstraat voor een nieuw ziekenhuis. Dokter B.S. Scholten woonde aanvankelijk boven het Diaconiehuis omdat geen passende woning beschikbaar was.

Op 26 juni 1899 legde hij de eerste steen van het ziekenhuis. In 1900 opende de Snouck van Loosen-Ziekeninrichting haar deuren. Dokter H.C. van der Lee werd de eerste directeur. Hier werd de overgang van het vroegmoderne Oude Armen Gasthuis naar een werkelijk ziekenhuis voltooid.

Patiënten kwamen niet alleen voor een bed, voedsel en warmte, maar voor onderzoek, operatie en georganiseerde verpleging. Arts, directie en verpleegkundig personeel kregen duidelijker afgebakende taken. De Snouck van Loosen-Ziekeninrichting behandelde niet uitsluitend Enkhuizers.

Ook patiënten uit Andijk, Bovenkarspel, Grootebroek, Urk en andere plaatsen rond de Zuiderzee werden opgenomen. Voor inwoners van Urk was Enkhuizen lange tijd per boot goed bereikbaar. Zij kwamen niet op een afzonderlijke Urker zaal terecht, maar lagen naast Enkhuizers en inwoners van de Streek.

In 1935 werd de Urker journalist Klaas Koffeman opgenomen voor het verwijderen van neuspoliepen. Hij sprak met andere Urker patiënten en schreef positief over behandeling en verzorging. Met deze regionale functie werd het zorglandschap dat eeuwenlang uit afzonderlijke reizen van vroedvrouwen, chirurgijns, familieleden, wagens en schuiten had bestaan, rond één Enkhuizer ziekenhuis georganiseerd.

De gezamenlijke ziekenzaal betekende niet dat alle patiënten administratief gelijk waren. Wanneer een Enkhuizer voor rekening van een Armenbestuur of Ziekenfonds werd opgenomen, bedroeg het aangeleverde tarief vijftig cent per verpleegdag. Voor een patiënt van buiten Enkhuizen werd één gulden gerekend.

Daarmee keerde een eeuwenoude vraag terug:

Wie betaalt de zorg voor iemand die niet tot de plaatselijke gemeenschap behoort?

In de zeventiende eeuw draaide die vraag om poorterschap, woonduur, familie en herkomst. In het twintigste-eeuwse ziekenhuis aan de Vijzelstraat verscheen zij opnieuw als verschil in verpleegtarief.

De Snouck van Loosen-Ziekeninrichting werd in de twintigste eeuw uitgebreid. In 1932 kwam een nieuw deel aan de rechterzijde. In 1957 volgde een polikliniek aan het Doelenlaantje. In de jaren zestig werd een tuinpaviljoen toegevoegd.

Rond 1960 veranderde de bestuurlijke en financiële verhouding tussen ziekenhuis en fonds. Dat betekende niet dat de instelling toen sloot. Toen Urk geen eiland meer was en de verbindingen met Kampen, Zwolle en Emmeloord verbeterden, verloor Enkhuizen geleidelijk een deel van zijn Urker patiënten.

De bootverbinding die het ziekenhuis een functie over de Zuiderzee had gegeven, verdween. Door veranderingen in het landelijke ziekenhuisbeleid sloten de verpleegafdelingen in 1975. Het gebouw aan de Vijzelstraat bleef als monument aanwezig.

Het dagelijkse hart van vier eeuwen Enkhuizer zorg

Frans Dirksz. liep in 1575 door een Enkhuizen van stegen, pestwoningen, voormalige kloosters en beginnende stedelijke instellingen. Hij onderzocht zieken, maar kon hen niet alleen verzorgen. Binnenmoeders, ziekenmoeders, dienstboden, keukenmeiden, wasvrouwen en knechten hielden het Oude Armen Gasthuis, Pesthuis, Leprozenhuis, Provenhuis en de weeshuizen draaiende.

Regentessen als Marijtje Adams, Susanna Blaeu, Aafje Backer, Maria Bontekoning en Petronella Buyskes bestuurden de huizen vanuit de regentenlaag. Doctoren en chirurgijns onderzochten en behandelden, maar vertrokken weer. Liesbetmoer en haar opvolgsters trokken naar kraamkamers in Enkhuizen en mogelijk naar boerderijen en dorpen buiten de wallen.

Hendrik van Deventer bracht rond 1700 anatomie en mechaniek in de verloskundige kennis, maar de plaatselijke vroedvrouw bleef degene die uren naast de barende vrouw stond. Jan Pieterszoon Beelthouwer betrad tijdens de pest Enkhuizer huizen die anderen meden.

Meijndert Mes en Jan Risgers namen de geestelijke zorg mee op VOC-schepen. Gebedsgenezers boden in het West-Friese buitengebied mogelijk hulp bij pijn, brandwonden, bloedingen en veeziekten, terwijl gereformeerde predikanten en denkers als Johannes Wier en Balthasar Bekker discussieerden over de grens tussen geloof, bijgeloof, bedrog en ziekte.

Ouderen bleven zolang mogelijk bij familie of op de boerderij. Wie geld bezat, kon zich als provenier inkopen. Wie arm was, bleef afhankelijk van familie, diaconie en Enkhuizer regenten. Wezen werden gevoed, gekleed, onderwezen en aan arbeid gewend. Vondelingen hadden een min nodig.

Passanten moesten aantonen wie voor hen verantwoordelijk was. Overledenen moesten worden gewassen, gedragen en begraven. Na 1810 veranderde het bestuur, maar niet de dagelijkse noodzaak. Het Wees- en Armhuis, het Oeconomisch Werkhuis, het Algemeen Armbestuur en het Gereformeerde Weeshuis brachten nieuwe namen en organisatievormen.

De Linnenweverij, De Nijverheid, de Vereniging Moederlijke Weldadigheid en de stichting van J.M. de Vries hoorden eveneens bij die veranderende Enkhuizer zorgwereld. Achter iedere naam bleven mensen brood uitdelen, kinderen kleden, oude mensen bezoeken en zieken verzorgen.

In 1900 stond aan de Vijzelstraat een ziekenhuis met directie, artsen, verpleegsters en een regionale functie. De gebouwen, techniek, opleiding en administratie waren veranderd, maar de kern bleef herkenbaar. Iemand moest eten brengen. Iemand moest water dragen. Iemand moest het vuur onderhouden.

Iemand moest het bed verschonen. Iemand moest de kraamvrouw moed inspreken. Iemand moest een wagen of schuit regelen. Iemand moest een kind voeden. Iemand moest bij de stervende blijven wanneer familie, buren en doctor waren vertrokken.

Tussen regentenkamer en boerderij, tussen keuken en ziekenzaal, tussen de Enkhuizer haven en de dorpen van West-Friesland, tussen geboorte en graf lag het dagelijkse hart van de zorg.