Deel 1 — Hoogkarspel, landschap vóór het dorp

Hoogkarspel moet je niet beginnen bij de kerk, de Streekweg of de watertoren. Hoogkarspel begint dieper. Onder het dorp ligt een ouder landschap dat veel langer heeft bestaan dan het huidige lint, ouder dan de middeleeuwse ontginning, ouder dan de Westfriese Omringdijk en zelfs ouder dan de naam Hoogkarspel zelf. Wie hier de grond opent, komt niet alleen dorpsgeschiedenis tegen, maar een opeenstapeling van landschappen: zee, kreken, kwelders, veen, akkers, erven, grafheuvels, sloten, terpen, stolpen, wegen en herinneringen.

De bodem van Hoogkarspel hoort bij het grote verhaal van oostelijk West-Friesland. In de prehistorie drong de zee via het Zeegat van Bergen diep het land binnen. Het gebied was geen vast polderland zoals nu, maar een dynamisch getijdenlandschap van geulen, kreken, kommen, kwelders en natte laagten. Zand werd afgezet in en langs de geulen; klei kwam verder weg terecht. Toen geulen verlandden en het landschap veranderde, gingen juist de zandige geulvullingen als ruggen in het landschap liggen. Door inklinking van de omliggende klei en veenlagen kwamen die oude kreken later als hogere banen naar voren. Op zulke ruggen en flanken vonden mensen droge, bruikbare plekken in een verder nat gebied.

Rond 2500 voor Christus liep de Overijsselse Vecht via meren en geulen richting zee bij Bergen. Het gebied rond Hoogkarspel was toen onderdeel van een breed kreken- en kommenlandschap. De zee kon ver landinwaarts binnendringen. De hoogste zandige oevers waren geschikt voor bewoning, akkers en vee; de lagere kommen leverden vis, waterwild, riet en natte vegetatie. Tot ongeveer 1800 voor Christus bleef West-Friesland in sterke mate onder invloed van zee en water staan. Daarna vond een grote omslag plaats, door Van Zijverden aangeduid als de stormvloed of “the Deluge”. Door sedimentatie raakte de verbinding met de Vecht geblokkeerd en veranderde vooral oostelijk West-Friesland van karakter. Het gebied slibde hoger op, kwam meer buiten directe zee-invloed te liggen en verzoette.

Juist in dat nieuwe landschap ontstond rond 1500 voor Christus een van de belangrijkste bronstijdlandschappen van Nederland. Hoogkarspel lag daarin niet aan de rand, maar midden in een kerngebied. De bewoning uit de Midden- en Late Bronstijd, ongeveer 1500 tot 800 voor Christus, concentreerde zich op de flanken van geulruggen en op bruikbare kweldergronden. Hier bouwden boeren hun woonstalhuizen, groeven zij greppels, gebruikten zij akkers, lieten zij vee lopen en begroeven zij hun doden onder grafheuvels. Het was geen leeg natuurgebied, maar een ingericht cultuurlandschap.

Dat inzicht kwam niet in één keer. Lange tijd kende men vooral de grafheuvels. In 1942 werden bronstijdgrafheuvels onderzocht bij Zwaagdijk, later ook bij Oostwoud, Grootebroek en Hoogkarspel. Maar de woonplaatsen zelf bleven aanvankelijk buiten beeld. Dat veranderde door de bodemkundige P.J. Ente. In het kader van de ruilverkaveling bracht hij in de jaren vijftig en begin jaren zestig het tuinbouwgebied De Streek in kaart. Zijn bodemkaart, de beroemde “Kaart van Ente” uit 1963, gaf niet alleen grondsoorten weer, maar ook oude woongronden, grafheuvels en aardewerkvondsten. Daarmee kregen archeologen voor het eerst een overzicht van het verborgen bronstijdlandschap in oostelijk West-Friesland.

Kort na de publicatie van Ente meldde de heer Schipper uit Zwaag in 1964 aardewerk en hoogteverschillen op een perceel ten zuiden van de Streekweg. Archeologen van het Instituut voor Prae- en Protohistorie van de Universiteit van Amsterdam namen poolshoogte. Daarmee begon een onderzoek dat Hoogkarspel op de kaart zette als een sleutelplaats voor de Nederlandse Bronstijd.

In 1958 had Jan Albert Bakker al een grafheuvel bij Hoogkarspel onderzocht. Die bleek geen losse heuvel te zijn, maar onderdeel van een ingericht landschap waarin sloten en greppels grenzen van akkers en erven aangaven. Dat was beslissend. Het ging hier niet om één monument of één boerderij, maar om een groot landschap met samenhang. In de jaren zestig en zeventig volgden onderzoeken bij Hoogkarspel-Tolhuis en Hoogkarspel-Watertoren. Roel Brandt speelde daarin een belangrijke rol, vooral door zijn studie van het aardewerk. De methode die Bakker en Brandt toepasten was vernieuwend: met een graafmachine werden op regelmatige afstanden smalle sleuven van één bak breed, ongeveer 120 centimeter, getrokken om grote oppervlakken van het cultuurlandschap te lezen. Die werkwijze wordt vaak met Frankrijk vergeleken, maar Harry Fokkens merkte terecht op dat men haar eigenlijk de Hoogkarspelmethode zou kunnen noemen.

Wat die methode liet zien, was indrukwekkend. Ten zuiden van de Streekweg kwamen greppels, huisplaatsen, akkers en graven tevoorschijn. Bij Hoogkarspel-Tolhuis werden in de jaren 1964-1965 kleine werkputten aangelegd op vindplaatsen A, B, C en E. In 1965 volgde een uitgebreider onderzoek op vindplaats D. Vanaf de zomer van 1966 werd op vindplaats F vrijwel aaneengesloten gegraven tot in het voorjaar van 1969. Later kwam daar nog onderzoek bij, onder meer in 1979 en opnieuw vanaf 2014 in verband met de Westfrisiaweg. De oude opgravingen besloegen ongeveer 2,3 hectare; de nieuwere onderzoeken voegden daar bijna 1,5 hectare aan toe.

In die sporen werd Hoogkarspel zichtbaar als bronstijdnederzetting. Op dertien plekken zijn boerderijplaatsen herkend. De huizen varieerden van ongeveer tien tot wel vijfentwintig meter lang. Het waren woonstalhuizen: gebouwen waarin mens, vee, opslag en dagelijks werk met elkaar verbonden waren. Nieuwe boerderijen werden vaak vlak naast de oude gebouwd, soms zelfs vrijwel op dezelfde plek. Dat betekent dat bepaalde erven generaties lang herkenbaar bleven. Mensen keerden terug naar dezelfde plaats, gebruikten dezelfde lijnen in het landschap en onderhielden bestaande greppelsystemen.

Die greppels zijn belangrijk. Ze vormden niet alleen afwatering of perceelgrenzen, maar ook de structuur van het boerenland. Ze verbonden huisplaatsen met akkers, gaven erven richting en markeerden gebruikszones. Op veel plekken werden greppels opnieuw uitgegraven of vlak naast oude greppels aangelegd. Dat laat zien dat het landschap niet willekeurig werd gebruikt. Er waren afspraken, gewoonten en vermoedelijk rechten over grondgebruik. Een erf stond niet los in het veld; het maakte deel uit van een groter nederzettingspatroon.

Op de erven lagen honderden kleine ronde structuren: smalle greppeltjes in cirkels van ongeveer vier meter doorsnede. Zulke structuren zijn typisch voor de Westfriese Bronstijd. Ze worden vaak in verband gebracht met opslag van oogst, mogelijk hooi- of graanopslag. Ook ploegkrassen zijn gevonden. Soms lagen ploegsporen onder nederzettingssporen, soms eroverheen. Dat betekent dat oude akkers later erf konden worden en verlaten erven opnieuw als akker in gebruik kwamen. Hoogkarspel laat daardoor niet alleen bewoning zien, maar bewoningsdynamiek: wonen, ploegen, begraven, verlaten en opnieuw gebruiken.

Bij vindplaats D, ten zuidwesten van het Medemblikker Tolhuis, werden ook twee grafheuvels opgetekend. Eén had een diameter van ongeveer 21 meter. Onder een heuvel lag een graf met een volwassen vrouw en een kind. Zulke grafheuvels hoorden bij het bronstijdlandschap. Ze lagen niet altijd afgescheiden van de woonplaatsen. Soms werden ze opgenomen in het nederzettingsgebied, soms lagen ze aan de rand van erven, soms werden ze later doorsneden, geëgaliseerd of zelfs overbouwd. In West-Friesland is daardoor de verhouding tussen levenden en doden minder strak dan in sommige andere bronstijdgebieden. De grafheuvels waren zichtbare plaatsen, herinneringspunten en mogelijk markeringen van gemeenschap en grond.

In heel oostelijk West-Friesland zijn inmiddels 116 grafheuvels binnen het onderzoeksgebied geregistreerd. Ze liggen in clusters, vooral bij Zwaagdijk, Hoogkarspel, Grootebroek, Venhuizen, Andijk en Enkhuizen. Ongeveer de helft lag op zavelige tot zandige kreekruggen of op hun hoge flanken; andere lagen juist op lagere kleiige of zavelige gronden. Dat maakt duidelijk dat men niet simpelweg altijd het hoogste punt koos. Plaats, zichtbaarheid, traditie, bodem en nabijheid van bewoning speelden samen een rol.

Vanaf ongeveer 1100 voor Christus verandert het beeld. De Late Bronstijd is in Hoogkarspel en West-Friesland tegelijk rijk en raadselachtig. Greppelsystemen worden zichtbaar die vaak terreinen van ongeveer 40 bij 40 meter lijken te begrenzen. Ze bevatten veel nederzettingsafval, maar duidelijke huisplattegronden ontbreken meestal. Daarom zijn ze wel “terpsloten” genoemd: mogelijk lagen binnen die greppels kleine verhogingen waarop boerderijen stonden, waarvan de sporen later door egalisatie en landbewerking verdwenen. In enkele gevallen zijn antropogene ophogingen gezien, maar de theorie vraagt nog steeds aanvullend onderzoek. Duidelijk is wel dat het rond 800 voor Christus steeds natter werd. De bewoning trok zich terug op hogere zandige afzettingen en verdween daarna grotendeels uit oostelijk West-Friesland.

Ook Reigersborg past in dat lange verhaal. Bij Reigersborg Zuid V zijn sporen uit de Midden- en Late Bronstijd gevonden, waaronder erven, greppels, kuilen, waterputten en vondstrijke contexten. Het 14C-onderzoek liet zien dat veel Late-Bronstijdcontexten in de 10de eeuw of het begin van de 9de eeuw voor Christus vallen, met enkele zeker 9de-eeuwse contexten. Uit greppels 1 en 2 kwam veel aardewerk. Dat servies bestond uit kleine en middelgrote potten, twee- en drieledige vormen, schalen, bekers, kommetjes, bakjes, aardewerkschijven en conische objecten. Vergelijkingen met Hoogkarspel-Markerwaardweg en Enkhuizen-Kadijken tonen dat het aardewerk uit de 10de en 9de eeuw voor Christus in West-Friesland weinig variatie lijkt te vertonen. Hoogkarspel is dus niet alleen een vindplaats, maar een maatstaf voor de Bronstijd in heel West-Friesland.

De botanische resten uit Reigersborg voegen daar het boerenbestaan aan toe. In waterputten, greppels en kuilen zijn verkoolde graankorrels, strofragmenten, kafresten, aarvorkjes en resten van gerst, tarwe, emmer/spelt en bedekte gerst aangetroffen. Namen als Hordeum vulgare, Triticum sp., Triticum turgidum ssp. dicoccon en Triticum aestivum ssp. spelta laten zien dat het niet om een vaag boerenbeeld gaat, maar om concrete gewassen. Daarnaast kwamen zaden van oever-, grasland- en akkerplanten voor, zoals Ranunculus, Persicaria, Chenopodium, Atriplex, Stellaria, Carex en Polygonum aviculare. Samen vertellen zij over natte oevers, graslanden, akkers, betreding, stro, mest, vee en waterputten. De bronstijdboer van Hoogkarspel leefde in een landschap waar akkerbouw en veeteelt elkaar aanvulden.

Ook het onderzoek aan de Streekweg naast 106 past hierin. In 2021 vond Archeologie West-Friesland daar, tussen Streekweg 100 en 106, onder middeleeuwse ophogingen grillige smalle banen die op dieper niveau uit parallelle paren ovale kuilen bestonden. Op de bodem van die kuilen zijn hoefindrukken waargenomen. Deze sporen dateren uit de Midden- of Late Bronstijd en worden geïnterpreteerd als veegangen: vertrapte banen die door rundvee zijn gevormd in een natte, slappe ondergrond. De discussie daarover is belangrijk. Sommige onderzoekers vonden de kuilen te regelmatig of te diep voor rundvee, maar vergelijkingen met Enkhuizen-Haling, Enkhuizen-Kadijken, Medemblik-Schepenwijk II, Bovenkarspel-Het Valkje en Hoogkarspel-Tolhuis laten zien dat zulke grillige banen vooral op de overgang van zandige naar kleiige, natte gronden voorkomen. Daar zakte vee dieper weg; op hardere zandgrond bleven alleen ondiepe indrukken bewaard.

Zo komt de oudste laag van Hoogkarspel tot leven: niet als stil landschap, maar als boerenland. Er waren huizen, erven, greppels, akkers, opslagstructuren, grafheuvels, waterputten, runderen, graan, stro, visresten, schelpen, botmateriaal en sporen van natte grond. En bovenal was er continuïteit. Mensen woonden niet zomaar ergens; zij richtten een landschap in, onderhielden het, gebruikten het opnieuw en lieten hun sporen achter in klei, zavel en zand.

Daarna werd het stiller. Door vernatting raakte oostelijk West-Friesland rond 800 voor Christus grotendeels verlaten. Veen groeide over het oude land. Wat ooit een open bronstijdlandschap met erven, akkers en grafheuvels was geweest, verdween onder een nieuw pakket. Eeuwenlang lag het verleden verborgen. Pas veel later, in de Middeleeuwen, zouden mensen opnieuw op grote schaal in dit gebied ingrijpen. Dan begint het tweede grote hoofdstuk van Hoogkarspel: de ontginning van het veen, de verschuiving van dorpslinten, de aanleg van sloten, kaden en de Streekweg.

Maar onder dat middeleeuwse dorp bleef de Bronstijd liggen. En juist daarom is Hoogkarspel zo sterk. Het dorp is geen plaats met één oorsprong. Het is een plek waar twee grote landschappen over elkaar heen liggen: het prehistorische boerenland van greppels, grafheuvels en woonstalhuizen, en het middeleeuwse veenontginningsdorp dat later aan de Streekweg vorm kreeg. Deel 1 begint daarom niet met een kerk of straat, maar met hoefindrukken in natte klei, ploegkrassen onder erven, grafheuvels aan de rand van akkers en de oude geulruggen die bepaalden waar mensen konden wonen.

Deel 2 — Hoogkarspel, het veen wordt dorp

Na de Bronstijd werd het stiller in Hoogkarspel. Niet omdat het land ophield te bestaan, maar omdat het veranderde in een ander soort landschap. Het oude bronstijdland van erven, greppels, akkers, grafheuvels en veegangen raakte steeds natter. Rond 800 voor Christus verdween de bewoning grotendeels uit oostelijk West-Friesland. Waar eerder boeren hun runderen over natte kweldergronden dreven en hun huizen op de flanken van geulruggen bouwden, begon nu een lange periode waarin veen, water en moeras de boventoon voerden.

Onder het latere Hoogkarspel groeide een dik veenpakket. Het oude bronstijdland werd afgedekt. De sporen verdwenen niet, maar kwamen verborgen te liggen onder nieuwe lagen. Dat is belangrijk: het middeleeuwse Hoogkarspel ontstond niet op een leeg land, maar op een land waarin een ouder cultuurlandschap begraven lag. De middeleeuwse bewoners kenden die bronstijdsporen niet zoals archeologen die nu kennen. Zij zagen vooral een nat veenlandschap dat geschikt gemaakt moest worden voor gebruik.

De eerste grote middeleeuwse beweging in West-Friesland kwam vanuit de ontginning. Rond Medemblik begon al vroeg bewoning en ontginning, waarschijnlijk vanaf de 8ste eeuw. Medemblik was in het noordoosten een belangrijk vertrekpunt. Ook Wervershoof en Andijk kwamen als vroege ontginningszones in aanmerking. In het zuidwesten speelden Wognum en Ursem een vergelijkbare rol. Vanuit Kennemerland trokken kolonisten het veenland binnen. Van de 10de tot en met de 12de eeuw werd het grootste deel van West-Friesland in cultuur gebracht.

Dat gebeurde niet zomaar. Veen is geen makkelijke grond. Het is nat, sponsachtig en kwetsbaar. Om erop te kunnen wonen en boeren, moest men het ontwateren. Men groef sloten, liet water wegstromen en maakte lange kavels. Door die ontwatering klonk het veen in en oxideerde het. Het maaiveld daalde. Wat eerst winst leek — droger land, bruikbare grond, ruimte voor akkers en bewoning — maakte het gebied op langere termijn juist kwetsbaar. Hoe meer men ontwaterde, hoe lager het land kwam te liggen. Hoe lager het land kwam te liggen, hoe gevaarlijker zee, meren en binnenwater werden.

In Hoogkarspel is die middeleeuwse ontginning nauw verbonden met de geschiedenis van het dorpslint. Het huidige lint van Zwaag tot Enkhuizen, de Streekweg, lag aanvankelijk niet op de plek waar wij het nu kennen. De eerste bewoning lag noordelijker, langs de Kadijk. Daar zijn resten van kerken, tufsteen en vroege bewoning gevonden. In de 11de en 12de eeuw vestigden mensen zich langs die toenmalige zuidgrens van de ontginning. Een belangrijke vindplaats is de Klokkeweel, waar ook de oude Laurentiuskerk lag.

Die oude kerk bij de Klokkeweel is van groot belang voor het verhaal van Hoogkarspel. Zij laat zien dat de oudste dorpskern niet precies samenviel met het huidige centrum. De voormalige Laurentiuskerk aan de Kerksloot is in 2008 en 2009 archeologisch onderzocht. De kerk wordt in verband gebracht met de vroege middeleeuwse dorpsfase. Later, in de 12de eeuw, werd dit vroegste lint verlaten of verplaatst. De bewoning schoof ongeveer 2 tot 3 kilometer zuidelijker op en kwam terecht langs de huidige Streekweg. Opvallend is dat de kerken van de huidige dorpen noord-zuid gezien ongeveer op dezelfde lijn liggen als de kerken van het oudere lint. Dat wijst niet op een volledig nieuw begin, maar op een verplaatsing binnen een bestaande ontginningsstructuur.

Rond 1170 wordt aangenomen dat het gebied volledig was ontgonnen. De Streekweg lag toen al op zijn huidige plaats en vormde de belangrijkste verbindingsas. Ook de hoofdvaarten, de Oude Gouw ten noorden van de Streekweg en De Tocht ten zuiden ervan, worden in deze periode geplaatst. Daarmee kreeg het landschap een nieuwe ordening: sloten, vaarten, kavels, kaden en dorpslinten bepaalden voortaan de vorm van Hoogkarspel.

De Streekweg was meer dan een weg. Hij was een ontginningsas, een bewoningsas en een verhoogde lijn in een nat gebied. In cultuurhistorische zin wordt de Streekweg gezien als een binnenwaterkerende kade. Zulke kaden lagen dwars op de verkaveling en werden door hun hogere ligging vaak als weg gebruikt. De waterkerende functie is later grotendeels verdwenen, maar de samenhang met de verkaveling bleef herkenbaar. Dat is het sterke van Hoogkarspel: het dorp ligt niet toevallig langs een straat, maar langs een oude landschappelijke structuur.

Bestuurlijk hoorde het gebied bij het ambacht Drechterland. Het plangebied van de Streekweg lag in de banne van Hoogkarspel, vlak bij grenzen met Westwoud en Lutjebroek. Wanneer die bannegrenzen precies zijn ontstaan, is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk gaan zij terug op de ontginningsperiode. De banne was de laagste bestuurlijk-territoriale indeling. Zo werd het landschap niet alleen fysiek verdeeld door sloten en kavels, maar ook bestuurlijk.

De naam Hoogkarspel verschijnt in 1319 als Hoogkerspel. Toen zal het dorp al geruime tijd hebben bestaan. Het woord “kerspel” verwijst naar een kerkgemeenschap, een parochiaal gebied. Hoogkarspel was dus niet alleen een verzameling huizen langs een weg, maar een kerkelijk en sociaal verband. Dat maakt de verplaatsing van de kerk en het lint des te belangrijker: het dorp werd opnieuw in het landschap gelegd, maar bleef als gemeenschap herkenbaar.

In 1364 verleende hertog Albrecht van Beieren stadsrecht aan Grootebroek en Bovenkarspel. Hij verkeerde in geldnood en de dorpen konden hun stadsrecht kopen. In 1402 werden Lutjebroek en Hoogkarspel aan de Stede Broec toegevoegd. In 1404 kwam Hoogkarspel onder het stadsrecht van Stede Broec te vallen. Dat stadsrecht was een kopie van het stadsrecht van Medemblik. Zo werd Hoogkarspel onderdeel van een merkwaardig West-Fries fenomeen: dorpen met stadse rechten, een plattelandsstad in lintvorm. De Stede Broec bleef bestaan tot 1807. Pas in 1811 werd Hoogkarspel een zelfstandige gemeente, en dat bleef het tot 1979.

Toch bleef Hoogkarspel in wezen een dorp aan een lint. In 1492 telde het 350 zielen, kleine kinderen niet meegerekend. In 1514 werden 65 huizen geteld. Velius beschreef De Streek en Hoogkarspel rond 1560 als een gebied met grote rijkdom en welvaart op velerlei gebied. Die welvaart kwam niet uit één bron. Zij hing samen met landbouw, veeteelt, handel, verbindingen, waterbeheer en de ligging tussen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik.

Archeologisch is de middeleeuwse fase langs de Streekweg goed zichtbaar in ophogingen, sloten, kuilen en vondsten. Op meerdere plekken langs het lint zijn sporen uit de 12de en 13de eeuw aangetroffen. Bij het winkelcentrum De Reigershof vond amateurarcheoloog Theo van Meurs kogelpotaardewerk uit de 12de-13de eeuw en zag hij grondsporen in profielen van dichtgeworpen sloten. Bij de voormalige Laurentiuskerk constateerde Herre Halbertsma in 1966 dat de tufstenen kapel op veldkeien was gefundeerd. Er werd ook een roodbontzandstenen dekplaat van een sarcofaag gevonden. Zulke sarcofagen worden meestal tussen 1100 en 1250 gedateerd. Daarmee past de vroegste kerkelijke bebouwing in de late 12de of vroege 13de eeuw.

Ook op het perceel tussen Streekweg 100 en 106, onderzocht in 2021 door Archeologie West-Friesland, kwam de middeleeuwse ontginning in beeld. Daar werden in werkput 2 kuilen en een sloot gevonden uit ongeveer 1150-1300. Eén kuil bevatte een fragment kogelpotaardewerk uit de periode 1100-1300 en brokjes huttenleem, wat wijst op bebouwing in de nabije omgeving. Deze kuilen worden geïnterpreteerd als daliegaten of kleiwinningskuilen. Men groef door het veen heen tot in de kalkrijke mariene afzettingen, haalde klei of zavel omhoog en spreidde die over het veen. Zo kon men de zure of natte veentop verbeteren voor akkerbouw. Daarna werden de kuilen weer met veen opgevuld.

Dat beeld is belangrijk. Het laat zien dat de eerste middeleeuwse gebruikers niet alleen huizen bouwden, maar de bodem zelf bewerkten. Zij maakten landbouwgrond door ondergrond naar boven te halen. De ontginning was dus niet alleen een kwestie van sloten graven, maar ook van mengen, ophogen, verbeteren en aanpassen. In die handelingen ligt het begin van het middeleeuwse Hoogkarspel.

Bij dezelfde opgraving werd een gedempte sloot gevonden, mogelijk een 12de- of 13de-eeuwse ontginningssloot. De sloot was gedempt met bruine organische klei met humeuze brokken en was nauwelijks te onderscheiden van het bovenliggende ophogingspakket. Dat wijst erop dat de sloot mogelijk gelijktijdig met de eerste ophoging van het terrein is dichtgeraakt. Uit de sloot kwam een randscherf van kogelpotaardewerk met een naar binnen afgeschuinde rand.

Boven deze vroege sporen lagen ophogingen. Aan de Streekweg naast 106 werd het terrein waarschijnlijk in de 13de, 14de of 15de eeuw opgehoogd met een homogeen pakket bruine organische klei. In het noorden was dit pakket ruim 0,7 meter dik; naar het zuiden werd het dunner. Omdat baksteenpuin en mortel uit de Nieuwe Tijd ontbraken, werd de ophoging middeleeuws gedateerd. Dat past bij het bredere beeld langs de Streekweg: door wateroverlast en maaivelddaling ging men dichter op het lint wonen en verhoogde men de erven.

Ook bij Streekweg 269-275, de locatie van het nieuwe gemeentehuis van Drechterland, werd dit proces gezien. Daar vond Archeologie West-Friesland in 2013 resten uit de Bronstijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. De middeleeuwse resten bestonden uit sloten en huisraad uit gedempte sloten, insteekhavens of aanlegplaatsen. Opvallend was het opschuiven van slooteindes, steeds verder van de Streekweg af. Dat werd ook elders langs het lint gezien. Waarschijnlijk hangt dit samen met grootschalige ophogingen direct langs de weg. Men ging in de latere 13de en 14de eeuw dichter op het lint wonen, bovenop opgehoogde erven, omdat het omliggende land natter werd.

Bij Streekweg 135 kwamen in 2017 resten van 12de-eeuwse bewoning en een 13de-eeuwse terp tevoorschijn. Daar viel op dat de 12de-eeuwse bewoning enkele meters van het lint af lag. Dat is van groot belang voor de ontwikkeling van het dorp. Het suggereert dat de oudste middeleeuwse bewoning niet altijd direct aan de latere straat lag, maar dat het lint zich in gebruik en vorm heeft vastgezet door ophoging, verplaatsing en concentratie.

Bij Streekweg 289-293, het terrein van Disworld en de voormalige bloembollenhandel Schipper, werd in 2014 een bureauonderzoek en veldtoets uitgevoerd. Dat perceel ligt binnen de historische kern van Hoogkarspel, een terrein van hoge archeologische waarde. Op de bodemkaart van Ente ligt het binnen diep humeuze gronden, wat wijst op een dik pakket ophogingen uit Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Onder die ophogingen ligt een zandige rug. Voor Bronstijdsporen werd aanvankelijk een hoge verwachting uitgesproken, maar de boringen gaven vooral duidelijke aanwijzingen voor resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.

De boringen op Streekweg 289-293 zijn veelzeggend. In boringen 2 en 3 werd een ophogingspakket van ongeveer 90 centimeter dik vastgesteld. In boring 8, in de tuin van huisnummer 293, was het ophogingspakket zelfs 125 centimeter dik. Het bestond uit stevige donkerbruingrijze siltige klei met baksteen, mortel, houtskool, aardewerk en bot. In boring 5 werd op 60 centimeter diepte middeleeuws Pingsdorfaardewerk gevonden. In boring 8 kwam op 110 centimeter diepte kogelpotaardewerk tevoorschijn. Onder de ophoging lag natuurlijke venige klei en daaronder kalkrijk zand. Aan de straatzijde was het ophogingspakket het dikst. Dat past precies bij een lintdorp waar de erven aan de weg steeds verder werden opgehoogd.

De archeologische verwachting voor Streekweg 289-293 was dan ook hoog voor resten van huizen vanaf de 12de eeuw: vloeren, funderingsmuren, haardplaatsen, afvalkuilen, askuilen, beerputten, waterputten, gedempte sloten, verkavelingsstructuren, kades, beschoeiingen en insteekhavens. Ook resten van ambachten waren niet uitgesloten, zoals pottenbakken, leerbewerking of metaalbewerking. In natte contexten konden hout en leer bewaard zijn gebleven. De voormalige stolp op het perceel lag mogelijk op of naast een oudere middeleeuwse huisplaats.

Daarmee verschijnt Hoogkarspel in de Middeleeuwen als een dorp dat letterlijk omhoog werd gebouwd. Eerst was er het veen, daarna kwamen de sloten en daliegaten, dan de eerste bewoning, vervolgens ophogingen, daarna huizen dichter aan het lint. Iedere generatie legde iets op het vorige landschap. Het dorp werd niet in één keer gesticht, maar groeide door verplaatsing, aanpassing en verhoging.

Het water bleef daarbij de tegenstander én de vormgever. Door ontwatering zakte het veen. Door de groei van de Zuiderzee in de 11de en 12de eeuw werd de invloed van de zee aan de oostzijde van Noord-Holland sterker. Stukken land sloegen weg, binnenmeren ontstonden en het open water werd dreigender. De bewoners reageerden met dijken. Eerst waren er losse dijken en kaden, later werden die verbonden tot de Westfriese Omringdijk, die rond 1250 als lange beschermende ring functioneerde. Toch brak de dijk in latere eeuwen meermaals door. Voorland verdween, dijken moesten worden teruggelegd met inlaagdijken, en slechts in enkele dijkvakken bleef de oorspronkelijke 12de- of 13de-eeuwse kern behouden.

Hoogkarspel lag niet aan de buitendijkse zeekant, maar voelde wel de gevolgen van waterbeheer. De Streekweg, de Oude Gouw, De Tocht, kavelsloten, ontginningssloten en ophogingen vormden samen een waterstaatkundig systeem. Het dorp kon alleen bestaan doordat het land voortdurend werd geregeld. Dat is de kern van het middeleeuwse Hoogkarspel: een gemeenschap op veen, levend tussen ontginning en bodemdaling, tussen akkerbouw en wateroverlast, tussen kerk en kade.

In dat landschap stond ook de kerk centraal. De oude kerk bij de Kadijk en later de kerk bij het huidige centrum markeren niet alleen religie, maar ook dorpsvorming. In de 13de eeuw had de St. Nicolaasabdij van Hemelum in Friesland bezit in Hoogkarspel. Tegelijk bemoeiden de Hollandse graven zich met de kerk en het gebied. De geschiedenis van Hoogkarspel is dus niet alleen lokaal. Zij raakt Friesland, Holland, Medemblik, Enkhuizen en de bredere machtspolitiek in West-Friesland.

De verbinding met Enkhuizen is daarbij belangrijk. Hoogkarspel lag aan De Streek, de lange bewoningslijn tussen Hoorn en Enkhuizen. Handel, kerkelijke relaties, bestuurlijke rechten en wegen verbonden de dorpen. Later zou Enkhuizen een grote stad worden, maar al in de middeleeuwse structuur lag de richting vast. De Streekweg was de lijn waarlangs mensen, goederen, vee, bestuurders en ideeën bewogen. Hoogkarspel was geen geïsoleerd dorp, maar een schakel in een langgerekt bewoond landschap.

Dit deel van het verhaal eindigt daarom niet bij één vondst of één gebouw, maar bij een omslag. Uit het natte veen ontstond een dorp. De oudste bewoning lag noordelijker, langs de Kadijk; later schoof het lint naar de huidige Streekweg. De bewoners groeven sloten, maakten daliegaten, verbeterden de bodem, hoogden erven op en bouwden huizen aan een kade die ook weg werd. Onder hun voeten lag het bronstijdland, boven hun hoofd dreigde het water, en tussen die twee werelden bouwden zij Hoogkarspel.

 

 

Deel 3 — Hoogkarspel langs de Streekweg: waar veen, erf, kerk en stad elkaar raken

Wie Hoogkarspel alleen vanaf de huidige Streekweg bekijkt, ziet een lang dorp met winkels, woningen, kerken, erven, een watertoren en moderne uitbreidingen. Maar onder die weg en achter die huizen ligt een veel ouder verhaal. Hoogkarspel is geen dorp dat zomaar aan een straat is ontstaan. Het is een plaats die telkens opnieuw zijn grond moest zoeken: eerst op de flanken van bronstijdruggen, later op veen, daarna op opgehoogde erven, langs sloten, aan een bewoningslint, binnen Drechterland en in voortdurend contact met Enkhuizen, Medemblik, Grootebroek, Bovenkarspel, Lutjebroek en Westwoud.

De Streekweg is daarin de grote lijn. Niet alleen als weg, maar als geheugen van het landschap. Langs die lijn werd gewoond, gewerkt, opgehoogd, gebouwd, gesloopt, herbouwd en bestuurd. De weg verbond de dorpen van De Streek met elkaar en met Enkhuizen. Die verbinding was economisch, kerkelijk en bestuurlijk belangrijk. Enkhuizen lag als stad aan het oostelijke einde van dit lint, met markt, haven, handel en macht. Hoogkarspel lag daar niet los van. Het hoorde bij dezelfde wereld van kades, sloten, vaarten, lintbebouwing, kerken, boerenerven en stedelijke invloed.

Onder die middeleeuwse en vroegmoderne laag ligt nog een veel oudere bodem. In de Bronstijd was Hoogkarspel onderdeel van een uitgestrekt cultuurlandschap. De bewoners woonden niet willekeurig, maar op en langs hogere zandige en zavelige ruggen in een verder nat kwelder- en kleilandschap. Daar lagen erven, akkers, greppels, huisplaatsen, grafheuvels, veegangen en sporen van vee. De opgravingen bij Hoogkarspel-Tolhuis, Hoogkarspel-Watertoren, Reigersborg en de Streekweg hebben laten zien dat dit gebied rond 1500 tot 800 voor Christus intensief werd gebruikt.

Bij de Streekweg naast 106 kwamen geen boerderijen zelf tevoorschijn, maar wel sporen die iets vertellen over het boerenland rondom die boerderijen. In werkput 1 lagen grillige smalle banen, op een dieper niveau opgebouwd uit paren ovale kuilen. In de bodem van zulke kuilen zijn hoefindrukken gezien. Ze worden geïnterpreteerd als veegangen: uitgesleten routes waar runderen door natte, slappe klei liepen. Juist op de overgang van zandiger naar kleiiger grond zakte het vee dieper weg. Daardoor bleef niet alleen een pad bewaard, maar bijna de beweging zelf: poten die in de bodem drukten, dieren die achter elkaar aan liepen, mensen die hun vee door een nat West-Fries landschap stuurden.

Dat maakt Hoogkarspel bijzonder. Het verhaal begint hier niet bij huizen, maar bij gebruik. Bij grond die iets droger of natter was. Bij greppels die richting gaven. Bij vee dat de overgang tussen rug en kom volgde. Bij boeren die leefden in een landschap dat nog niet vast lag, maar dagelijks gelezen moest worden. De Bronstijdlaag onder Hoogkarspel is daarom niet alleen archeologie, maar een eerste inrichting van het land.

Daarna veranderde alles. Rond 800 voor Christus werd oostelijk West-Friesland te nat en verdween de bewoning grotendeels. Eeuwenlang groeide veen over het oude bronstijdlandschap heen. Pas in de Vroege Middeleeuwen kwam bewoning langzaam terug. Medemblik was daarbij een vroege kern. Vanuit zulke oudere plekken begon de ontginning van het veengebied. Tussen de 10de en 13de eeuw werd West-Friesland systematisch opengelegd. Sloten werden door het veen gegraven, water werd afgevoerd, het land werd geschikt gemaakt voor landbouw en bewoning.

Maar ontginning had een prijs. Zodra veen wordt ontwaterd, klinkt het in en oxideert het. De grond daalt. Wat eerst bruikbaar land werd, werd later kwetsbaar land. Daardoor moesten bewoners ophogen, sloten verleggen, dijken bouwen en hun erven telkens aanpassen. Hoogkarspel is dus niet alleen een dorp op veen, maar een dorp dat door het verdwijnen van veen steeds opnieuw zijn hoogte moest maken.

Bij de Streekweg naast 106 werd dat heel tastbaar. Onder de latere ophogingen lagen kuilen uit de 12de of 13de eeuw. Eén daarvan bevatte kogelpotaardewerk uit ongeveer 1100-1300. Zulke kuilen worden vaak als daliegaten geïnterpreteerd. Men groef door het veen heen naar kalkrijkere mariene klei of zavel daaronder. Dat materiaal werd over de zure veentop verspreid om landbouw mogelijk te maken. Daarna werden de kuilen weer gevuld met veen. Het is een eenvoudige handeling, maar ze vertelt veel: de eerste middeleeuwse gebruikers van het land waren bezig om ongeschikte veengrond bruikbaar te maken.

Ook een gedempte sloot hoort bij die fase. De sloot lag grofweg noord-zuid en kan een ontginningssloot zijn geweest. Daarmee past hij in het grotere patroon van West-Friesland: lange kavels, afwatering, lintbewoning en grond die vanuit een as in gebruik werd genomen. De Streekweg werd uiteindelijk de blijvende bewoningsas. Maar voordat daar een stevig dorpslint lag, was er eerst veen, water, sloot, daliegat en ophoging.

Hoogkarspel had bovendien een oudere noordelijke fase. Het huidige dorpslint van Zwaag tot Enkhuizen lag aanvankelijk noordelijker, langs de Kadijk. Daar zijn resten van kerken, tufsteen en bewoning gevonden. De oude Laurentiuskerk bij de Klokkeweel hoort bij dat vroegere lint en wordt in verband gebracht met de periode 1075-1225. In de 12de eeuw verschoof het lint zuidelijker, naar de huidige Streekweg. Opmerkelijk is dat de kerken van de huidige dorpen noord-zuid gezien nog op dezelfde lijn liggen als de kerken van dat eerdere dorpslint. Het dorp schoof dus, maar verloor zijn oude ordening niet helemaal.

De kerkelijke geschiedenis laat dat goed zien. Hoogkarspel wordt in 1319 genoemd als Hoogkerspel, maar het dorp moet toen al langer hebben bestaan. De middeleeuwse kerk werd later vervangen. De kerkelijke laag is belangrijk omdat ze laat zien dat Hoogkarspel niet alleen een boerendorp was, maar ook een kerspel: een gemeenschap rond een kerk. In het midden van de 13de eeuw had de St. Nicolaasabdij van Hemelum in Friesland bezit of rechten in de kerkelijke sfeer, terwijl ook de Hollandse graven zich ermee gingen bemoeien. De plek lag dus in een netwerk dat verder reikte dan het dorp zelf.

Bestuurlijk hoorde Hoogkarspel bij Drechterland. Dat was geen losse naam, maar een bestuurlijke en waterstaatkundige werkelijkheid. Drechterland was een ambacht en later ook verbonden met het waterschapsbestuur. De banne Hoogkarspel grensde aan Westwoud en Lutjebroek. Zulke bannen waren de laagste territoriale eenheden. Ze zijn waarschijnlijk ontstaan in de ontginningsperiode, toen grond, water, sloten, rechten en lasten moesten worden geregeld.

Daarboven speelde de wereld van koggen. De Noorder Koggen waren bestuurlijke en waterstaatkundige verbanden in West-Friesland. Een kogge was een gebiedseenheid die samen verantwoordelijk was voor dijkzorg, waterbeheer, lasten en bestuur. In het Tolhuisverhaal komen de Vier Noorder Koggen voor als een van de bestuurlijke lichamen waarvan de dijkgraven vrijgesteld konden zijn van tol. Dat zegt veel: wie water en dijken bestuurde, bewoog zich door dit landschap. Hoogkarspel lag dus niet alleen aan een weg, maar in een netwerk van ambachten, bannen, koggen, dijkgraven, markten en steden.

Ook Stede Broec hoort daarbij. Op 2 augustus 1364 verleende hertog Albrecht van Beieren stadsrecht aan Grootebroek en Bovenkarspel. In 1402 werd Lutjebroek toegevoegd en in 1403 of 1404 kwam Hoogkarspel onder dit stedelijke verband te vallen. Het stadsrecht van Grootebroek en daarmee ook van Hoogkarspel was afgeleid van dat van Medemblik. Dat is veelzeggend: Hoogkarspel lag in een dorpse wereld, maar juridisch en bestuurlijk raakte het aan stadsvormen. In 1492 telde Hoogkarspel 350 zielen, kleine kinderen niet meegerekend. In 1514 waren er 65 huizen. Rond 1560 beschreef Velius De Streek en Hoogkarspel als een gebied met grote rijkdom en welvaart.

Die welvaart zat in het lint. De Streekweg werd een drager van huizen, erven, agrarische bedrijven en later ook meer stedelijke bebouwing. Voor 1650 waren veel gebouwen vermoedelijk nog van hout, met houten voor- en zijgevels en rieten daken. Dat riet kon worden gehaald uit gebieden waar Stedebroekers rechten hadden om riet te snijden en graszoden te steken, onder meer tussen Wervershoof en de Immenhorn. Zo komt zelfs het bouwmateriaal weer uit het water- en dijkenlandschap.

De kaart van Johannes Dou uit 1651-1654 laat langs de Streekweg bebouwing zien. Op sommige plekken staan huizen met zadeldaken dicht op elkaar; op andere plekken vrijstaande agrarische gebouwen met sloten of erfgrenzen eromheen. Hoogkarspel had dus niet één gezicht. Het was tegelijk lintdorp, boerenplaats, stedelijk beïnvloede kern en onderdeel van De Streek.

Aan de Streekweg 289-293 wordt dat concreet. Het plangebied lag aan de noordzijde van de Streekweg, begrensd door de historische Steursloot. Die sloot kan als insteekhaven of waterverbinding hebben gefungeerd. Op de kaart van Dou is al bebouwing te zien. Op de kadastrale minuut van 1826 staat een stolpboerderij duidelijk weergegeven, met de voorgevel direct langs de weg. In de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel wordt Dieuwertje de Jong genoemd, rentenierster en weduwe van Ariën Vlaar. Het erf bestond toen uit een perceel met stolp en een groot achterperceel als boomgaard.

Uit gegevens van de 40ste penning blijkt dat Ariën Vlaar op 7 maart 1796 de stolpboerderij met erf kocht van de gezamenlijke erfgenamen van wijlen Jongejan Posch. De locatie werd toen aangeduid als het Oosteinde. Dat betekent dat de oostelijke helft van de Streekweg in Hoogkarspel zo werd genoemd. Het erf was 100 roeden groot. De boerderij was van 1717 tot 1796 door twee generaties Posch bewoond. Jongejan Posch was geen gewone boer: hij was burgemeester van Grootebroek en actief als kerkmeester. Zo komt in één erf de verbinding samen tussen landbouw, lokaal bestuur, kerk en bezit.

De stolpboerderij zelf werd in 1955 na brand gesloopt. In 1956 werd de huidige woning op nummer 293 gebouwd. De twee oostelijke loodsen kwamen waarschijnlijk ook in 1956 tot stand. In 1960 werd een westelijke loods toegevoegd als overkapping voor het drogen van bloembollen en tuinbouwproducten. In 1968 volgden uitbreidingen aan de noord- en westzijde, met 17 houten heipalen van 12 meter lang en betonopzetters van 2,50 meter. De firma Schipper gebruikte de loodsen voor bloembollenhandel; later zat hier Disworld, een groothandel in Walt Disney-artikelen. Zo werd een oud boeren- en boomgaarderf een modern bedrijfsperceel.

Maar de bodem bleef spreken. In 2014 werd aan de Streekweg 289-293 een archeologisch bureauonderzoek en veldtoets uitgevoerd. De verwachting was hoog voor Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, en aanvankelijk ook voor de Bronstijd vanwege de ligging op of nabij een zandrug onder diep humeuze gronden. De boringen lieten vooral zien dat er aan de straatzijde dikke ophogingslagen lagen. In boring 2 en 3 was een ophogingspakket van ongeveer 90 centimeter aanwezig. In boring 8, in de tuin van nummer 293, was het pakket zelfs 125 centimeter dik.

Dat zijn geen droge cijfers. Ze betekenen dat het dorp hier letterlijk laag op laag is gegroeid. In die ophogingspakketten zaten baksteen, mortel, houtskool, aardewerk, bot en as. In boring 3 werd op 95 centimeter diepte roodbakkend aardewerk en bot verzameld. In boring 5 kwam op 60 centimeter diepte middeleeuws Pingsdorfaardewerk tevoorschijn. In boring 8 zat op 90 centimeter roodbakkend aardewerk en op 110 centimeter kogelpotaardewerk. Onder de ophoging lagen natuurlijke venige klei en kalkrijk zand. De natuurlijke zandbodem bleek daar waarschijnlijk niet geschikt als bronstijdbewoningsplek, maar de middeleeuwse en vroegmoderne dorpslaag was juist duidelijk aanwezig.

Dat maakt Streekweg 289-293 belangrijk voor het verhaal van Hoogkarspel. Het terrein bewaart de overgang van veenland naar opgehoogd dorpslint, van middeleeuwse bewoning naar stolperven, van agrarisch bedrijf naar moderne bebouwing. De verwachting voor resten van huizen vanaf de 12de eeuw was hoog: vloeren, funderingsmuren, haardplaatsen, afvalkuilen, askuilen, beerputten, waterputten, gedempte sloten, beschoeiingen, kades en insteekhavens konden aanwezig zijn. Ook voor de stolpboerderij werden resten verwacht: bakstenen stiepen van het vierkant, liggend hout, slieten, funderingen met spaarbogen, waterkelders, erfsloten, afvalkuilen en vondstmateriaal uit de 17de tot 20ste eeuw, mogelijk zelfs importaardewerk uit het Middellandse Zeegebied en Azië.

Dat laatste past bij de bredere archeologie van West-Friese stolpen. Stolpboerderijen zijn boven de grond vaak beschreven, maar onder de grond weten we nog veel minder. Juist afvalkuilen, waterputten, beerputten en erfsloten kunnen laten zien hoe bewoners leefden: wat ze aten, wat ze kochten, welke voorwerpen ze gebruikten, hoe welvarend ze waren en of ze agrarische activiteiten uitvoerden zoals kaasproductie. Voor Hoogkarspel is dat extra interessant omdat aan de Streekweg 269-275, bij het nieuwe gemeentehuis van Drechterland, ook resten uit Bronstijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd zijn gevonden. Daar kwamen greppelsystemen uit de Bronstijd tevoorschijn, middeleeuwse sloten met huisraad, insteekhavens of aanlegplaatsen en resten van huizen uit de Nieuwe Tijd. Bijzonder was dat de 14de en 15de eeuw daar goed vertegenwoordigd waren, terwijl elders langs het lint tussen Hoorn en Enkhuizen vaak juist een hiaat bestaat.

De Streekweg naast 106 laat een andere kant van hetzelfde verhaal zien. Daar lagen onder de ophoging de middeleeuwse kuilen en sloot uit de ontginningsfase, maar duidelijke bewoningsresten ontbraken. Dat betekent niet dat er niets was. Het laat juist zien dat de eerste ingebruikname van het land soms voorafging aan vaste bewoning. Eerst werd grond verbeterd, veen bewerkt, klei opgegraven, sloten gegraven en gedempt. Pas daarna werd het lint steeds meer een plaats van erven en huizen.

Ook kerk en dorp schoven mee. De oude kerk bij de Klokkeweel werd verlaten toen het dorpslint naar het zuiden verschoof. Later stond aan het huidige centrum een middeleeuwse kerk. In 1828 werd die vervangen door een achthoekige kerk met een klein middentorentje. In 1968 kwam er een modern protestants kerkgebouw met open klokkentorentje. De katholieke geschiedenis kreeg een eigen krachtige laag in de 20ste eeuw. Tussen 1899 en 1920 groeide de bevolking van Hoogkarspel sterk; het aantal katholieken nam zelfs met 80,9 procent toe. Tot die tijd moesten katholieken naar Westwoud. In 1925 kerkten zij in Hoogkarspel in een boerderij en vanaf 1928 in een bollenschuur. Daarna kwam de eigen St. Laurentiuskerk, gebouwd in 1929-1930 naar ontwerp van K.P. Tholens.

Die kerk werd gewijd aan de oude patroon van Hoogkarspel, Laurentius. Het gebouw maakt van buiten een stevige, bijna barse indruk, maar de twee sierlijke torens naast het hoogkoor geven het iets feestelijks. In 1930 kwamen de zusters Ursulinen naar Hoogkarspel. De kerk kreeg een orgel van Blaisse & Strunk uit Rotterdam. In de inventaris kregen vooral de glasreliëfs van Charles Eyck een bijzondere plaats. Eyck maakte voorstellingen van de gekruisigde Christus, scènes uit het leven van Jezus, Maria, Johannes, St. Jozef en Maria met een vogeltje. Henri Schoonbrood maakte de kruiswegstaties en ramen in de doopkapel. In 1941 scheerde een bommenwerper rakelings langs de kerk. In datzelfde jaar kon de parochie haar eerste neomist verwelkomen. In 1954 kwamen beelden van Frans Timmermans ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de parochie. In 1979-1980 werden de glasramen van het schip vernieuwd door het atelier van Frans Balendong. In 1995 vierde de parochie het 65-jarig bestaan.

Ook hier zie je hoe Hoogkarspel geen stil dorp is. Het beweegt mee met geloof, groei, oorlog, kunst, vernieuwing en herinnering. Zelfs de verhouding tussen protestanten en katholieken vertelt iets over het dorp. Toen de katholieken in 1930 hun kerk tegenover de protestantse kerk wilden bouwen, was speciale ontheffing nodig omdat die te dicht bij de protestantse kerk zou komen. Later werd dat oude spanningsveld verzacht: in 1988 nodigden de protestanten de katholieke overburen uit mee te doen aan het Conciliaire Proces en werd een gezamenlijke kerstwens verstuurd.

Aan de andere kant van het verhaal staat het Medemblikker Tolhuis. Dat lag op de hoek van de Streekweg en de Tolweg en werd in 1729 gebouwd in opdracht van het stadsbestuur van Medemblik. Het was een vooruitgeschoven post van de stad, buiten haar eigen stadsgrens. De aanleiding lag bij de aanleg van de Medemblikker Tolweg. Op 20 oktober 1724 kreeg Medemblik van de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Friesland octrooi om tussen de Zwaagdijk en Hoogkarspel een tolweg aan te leggen. Het doel was niet in de eerste plaats handelsverkeer, maar betere verbindingen voor bestuurders en ambtenaren van Medemblik op dienstreizen richting Hoorn en Enkhuizen.

De weg werd aangelegd over particuliere agrarische gronden. Medemblik moest 1.785 roeden grond verwerven voor 1.520 gulden. Dat was duur; later werd vastgesteld dat de betaalde prijs twee tot vier keer zo hoog lag als de agrarische verkeerswaarde. Toch verliep de verwerving snel en op 23 januari 1725 kon het transport plaatsvinden voor de schepenen van Grootebroek. De weg werd ongeveer 1.200 meter lang en bijna 4 meter breed. In een uitgegraven cunet kwam een puinfundering met daarop een deklaag van schelpen. Vandaar de naam Schulpweg.

Aan de Hoogkarspelse kant werd tol geheven. Eerst gebeurde dat vanuit een bestaand vervallen pand dat Medemblik huurde van de regenten van Hoogkarspel. Op 28 mei 1729 besloot de vroedschap van Medemblik een nieuw Tolhuis te bouwen. Het werd tolhuis, herberg, logement, vergaderlocatie, woning van de pachter en uitspanning met stal ineen. Het recht om tol te innen werd verpacht aan de hoogste bieder, samen met het recht om de herberg uit te baten. Dat bleef zo tot 1879, toen de weg in eigendom en beheer kwam bij het Ambacht van Westfriesland, genaamd Drechterland, de voorloper van het Waterschap West-Friesland.

Het Tolhuis had een grote gevelsteen in de zuidgevel. Daarop stonden de namen en familiewapens van de drie Medemblikker burgemeesters die bij de bouw betrokken waren: Hendrik Brouwer, Jacob Spiegelmaker en Simon Maars. Brouwer was afkomstig uit een invloedrijke regentenfamilie en was tussen 1713 en 1740 twaalf keer burgemeester van Medemblik. Spiegelmaker kwam waarschijnlijk uit een familie die rijk was geworden in de houthandel en was acht keer burgemeester, lid van de Gecommitteerde Raden, hoofd officier, koggemeester, baljuw en in 1744 dijkgraaf van de Vier Noorder Koggen. Simon Maars was jurist, in Leiden gepromoveerd, zeven keer burgemeester, rekenmeester, lid van de Gecommitteerde Raden en betrokken bij juridische kwesties, erfzaken en waterschapsbestuur.

Daarmee is het Tolhuis meer dan een gebouw. Het is de plek waar wegen, tol, stadsbestuur, dijkbestuur, regentenmacht en dorpslandschap samenkomen. Ook Enkhuizen speelde mee. Al in 1724 vroeg Enkhuizen een tegenprestatie voor steun aan het Medemblikker verzoek. Er kwam een overeenkomst over vrijstelling van tol voor inwoners van Enkhuizen, later vooral begrepen als vrijstelling voor bestuurders en ambtenaren. Ook bezoekers van de koe- en varkensmarkt in Medemblik in de herfst en van de kaasmarkt in de zomer waren vrijgesteld. De pachter kreeg daarvoor 60 gulden korting op de pacht.

Zo stond op Hoogkarspels grond een Medemblikker gebouw, langs een weg die Hoorn, Enkhuizen en Medemblik bestuurlijk dichter bij elkaar bracht. Het Tolhuis brandde in 1973 af. Bijna 250 jaar had het daar gestaan. De gevelsteen werd gerestaureerd en kwam terecht in de gevel van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Dat is bijna symbolisch: een Medemblikker steen uit Hoogkarspel, nu zichtbaar in Enkhuizen. Precies dat laat zien hoe verweven deze plaatsen waren.

En dan is er nog de watertoren. Sinds 1931 staat hij als modern baken aan de Streekweg. De toren werd gebouwd in opdracht van het Provinciaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland, naar ontwerp van ir. B.F. Nievelt en ir. W. Mensert, verwant aan de Amsterdamse School. Hij is 55 meter hoog, twaalfzijdig, bakstenen, sober en toch rijk aan expressionistische details. Hij had drie reservoirs: de bovenbok met 600 kubieke meter, verdeeld over twee reservoirs, en de onderbok met 350 kubieke meter. Voor de bouw werden 501 heipalen gekeurd, gemiddeld 14 meter lang. De Rijnlandsche Betonbouwmaatschappij bouwde de toren voor 137.800 gulden. Een arbeider verdiende 52 cent per uur, een timmerman 70 cent, een metselaar 80 cent en een stucadoor een gulden.

De toren werd in april 1931 zonder groot feest in gebruik genomen. Pas in oktober kwam een gezelschap van burgemeesters, directeuren en ingenieurs kijken. Vanaf 50 meter hoogte zagen zij de Afsluitdijk, de net afgesloten Zuiderzee en zelfs de Noordzee bij Bergen. Daarmee werd de watertoren een nieuw soort herkenningspunt. Geen kerkspits, geen tolhek, geen grafheuvel, maar een technisch monument van waterleiding en moderniteit. In 1996 kwam hij in de verkoop, samen met andere watertorens in Noord-Holland. Sinds 1997 is hij particulier eigendom. Toch bleef hij wat hij was: een baken voor Hoogkarspel en De Streek.

Als je al deze lagen samenlegt, wordt Hoogkarspel begrijpelijker. Het is geen verzameling losse onderwerpen. De Bronstijdboeren, de veegangen, de grafheuvels, de veenontginning, de daliegaten, de Streekweg, de oude en nieuwe kerken, de stolpboerderijen, de Steursloot, de Tolweg, het Tolhuis, Enkhuizen, Medemblik, Drechterland, de Noorder Koggen en de watertoren horen bij één lang verhaal.

Dat verhaal gaat over grond die nooit vanzelf veilig of bruikbaar was. Eerst moest men hogere ruggen zoeken. Daarna moest men veen ontwateren. Vervolgens moest men ophogen. Daarna moesten sloten, kades en dijken worden onderhouden. Dorpen moesten worden bestuurd, kerken verplaatst, erven aangepast, wegen aangelegd, tol geheven en water geleverd. Hoogkarspel is daardoor een plaats van voortdurende aanpassing.

Juist daarom is de Streekweg zo belangrijk. Hij is niet alleen een verkeersweg, maar de zichtbare bovenlijn van een diep landschap. Onder en langs die weg liggen de sporen van boeren, kinderen, kerkgangers, regenten, dijkgraven, pachters, stolpbewoners, bollenhandelaren, archeologen en moderne bewoners. Hoogkarspel is een dorp dat zijn geschiedenis niet op één plek bewaart, maar in lagen: in klei, veen, zand, slootvulling, baksteen, houtskool, kogelpot, Pingsdorf, roodbakkend aardewerk, funderingen, kerkmuren, gevelstenen en torens.

 

 

Deel 4 — Hoogkarspel als knooppunt van De Streek

Hoogkarspel wordt pas echt begrijpelijk wanneer je het niet als één dorp bekijkt, maar als een plaats waar heel West-Friesland samenkomt. Onder de huidige Streekweg liggen oudere wegen van gebruik: bronstijdgreppels, veenlagen, middeleeuwse ophogingen, oude erven, sloten, kerken, stolpen, tolwegen en moderne bebouwing. Het dorp is niet in één keer ontstaan. Het is laag voor laag gemaakt.

De oudste laag ligt diep onder het huidige maaiveld. In de Bronstijd was Hoogkarspel geen lintdorp, maar een open agrarisch landschap. Boeren woonden op hogere zandige en zavelige ruggen, met daaromheen nattere klei, kommen, kreken en drassige overgangen. Hun wereld bestond uit boerderijen, akkers, greppels, waterputten, grafheuvels, veegangen en rundvee. Juist die runderen maken het landschap bijna zichtbaar. Bij de Streekweg naast 106 kwamen grillige banen tevoorschijn die op een dieper niveau uit paren ovale kuilen bestonden. In zulke kuilen zijn hoefindrukken gezien. Daar liepen dieren door natte grond, wegzakkend in klei, achter elkaar aan, waarschijnlijk tussen erf, akker en weidegrond.

Het onderzoek bij Hoogkarspel-Tolhuis, Hoogkarspel-Watertoren, Reigersborg en de Streekweg heeft laten zien dat hier geen losse vindplaats lag, maar een ingericht bronstijdlandschap. Jan Albert Bakker, Roel Brandt en later vele andere onderzoekers maakten duidelijk hoe bijzonder dit gebied was. Smalle sleuven, luchtfoto’s, de kaart van Ente, latere opgravingen en nieuw onderzoek lieten samen een wereld zien van huisplaatsen, greppels, akkers en grafheuvels. Hoogkarspel werd daardoor een sleutelplek in de Nederlandse Bronstijdarcheologie.

In Reigersborg werd dat boerenbestaan nog concreter. In greppels, kuilen en waterputten zaten resten van gerst, tarwe, emmer of spelt, graanfragmenten, aarvorkjes, kaf, stro, verkoolde zaden, onkruiden, oeverplanten, graslandplanten, houtskool, dierlijk bot, vissenwervels en schelp. Zulke vondsten zijn klein, maar ze brengen het dagelijks leven dichtbij. Er werd graan verwerkt, vee gehouden, water gebruikt, afval weggegooid, stro verzameld en op natte plekken gewerkt. De 14C-dateringen plaatsen veel van deze contexten in de 10de en vroege 9de eeuw voor Christus. Daarmee krijgt de Late Bronstijd in Hoogkarspel een eigen gezicht.

Ook het aardewerk vertelt dat verhaal. Uit vondstrijke greppels kwamen kleine en middelgrote potten, twee- en drieledige vormen, schalen, bekers, kleine kommetjes, bakjes, aardewerkschijven en conische objecten. Het materiaal lijkt sterk op vondsten van Hoogkarspel-Markerwaardweg en Enkhuizen-Kadijken. Dat betekent dat de bewoners van Hoogkarspel niet geïsoleerd leefden. Zij maakten deel uit van een bredere West-Friese wereld, met gedeelde vormen, gewoonten en technieken.

Na de Bronstijd werd het natter. Rond 800 voor Christus raakte oostelijk West-Friesland grotendeels onbewoonbaar. Veen groeide over het oude landschap heen. Eeuwenlang verdween het bronstijdland onder een nieuwe natuurlijke laag. Pas in de Middeleeuwen werd dit gebied opnieuw opengelegd. Dat begon niet zomaar overal tegelijk. Medemblik was een vroege kern, en vanuit zulke plaatsen werd het veengebied stap voor stap ontgonnen. Sloten werden gegraven, water werd afgevoerd, percelen werden uitgezet en boeren maakten het land geschikt voor landbouw.

Maar ontginnen betekende ook verliezen. Zodra veen wordt ontwaterd, klinkt het in. Het maaiveld daalt. Het land dat eerst bruikbaar werd, werd later kwetsbaar. Daarom moesten bewoners ophogen, sloten onderhouden, kades maken en uiteindelijk dijken bouwen. De Westfriese Omringdijk werd rond 1250 de grote beschermende lijn, maar ook die dijk was nooit vanzelfsprekend. Hij brak door, werd hersteld, verlegd en op sommige plekken teruggelegd. Hoogkarspel lag midden in die wereld van waterbeheer.

Daarom zijn Drechterland, de bannen en de Noorder Koggen belangrijk. Dat zijn geen droge bestuursnamen, maar de organisaties waarmee mensen het land overeind hielden. Een banne regelde lokaal bestuur en lasten. Een kogge was een groter waterstaatkundig verband. De dijkgraven van zulke gebieden hadden macht omdat waterbeheer letterlijk levensbelangrijk was. In het verhaal van het Medemblikker Tolhuis worden de dijkgraven van Drechterland, de Vier Noorder Koggen en het Geestmerambacht genoemd als mensen die tolvrij konden passeren. Dat zegt genoeg: wie het water bestuurde, moest door dit landschap kunnen reizen.

De Streekweg werd in de Middeleeuwen de nieuwe ruggengraat van Hoogkarspel. Het oudste lint lag noordelijker, bij de Kadijk en de Klokkeweel. Daar lag ook de oudere kerkelijke laag. Later schoof het dorpslint zuidelijker op naar de huidige Streekweg. Het dorp verplaatste zich dus met het landschap mee. De kerkelijke lijn bleef herkenbaar, maar het dagelijks wonen kwam aan een nieuwe as te liggen. Langs die as ontstonden huizen, erven, sloten, ophogingen, boomgaarden en later stolpboerderijen.

Aan de Streekweg 289-293 is dat prachtig te volgen. Op de kaart van Johannes Dou uit 1651-1654 is al bebouwing te zien. Op de kadastrale minuut van 1826 staat een stolpboerderij duidelijk langs de weg. In de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel wordt Dieuwertje de Jong genoemd, rentenierster en weduwe van Ariën Vlaar. Uit de 40ste penning blijkt dat Ariën Vlaar de boerderij op 7 maart 1796 kocht van de erfgenamen van Jongejan Posch. Die Posch was burgemeester van Grootebroek en kerkmeester. Daarmee wordt het erf menselijk: hier woonden niet alleen boeren, maar mensen met bezit, bestuurstaken, kerkelijke functies en familiegeschiedenissen.

De Steursloot aan de oostzijde van het erf was meer dan een grens. Waarschijnlijk fungeerde deze sloot ook als waterverbinding of insteekhaven. Via zo’n sloot kon een erf verbonden zijn met het achterland en met de grotere waterstructuur van De Streek. Goederen, landbouwproducten, mest, bouwmateriaal en mensen bewogen niet alleen over de weg, maar ook over water. Hoogkarspel was dus een wegdorp én een waterdorp.

De stolpboerderij aan Streekweg 289-293 werd na een brand in 1955 gesloopt. Daarna kwam de moderne laag. In 1956 werd de woning op nummer 293 gebouwd. Ook de twee oostelijke loodsen dateren waarschijnlijk uit die tijd. In 1960 kwam een westelijke loods bij, als overkapping voor het drogen van bloembollen en tuinbouwproducten. In 1968 volgden uitbreidingen met 17 houten heipalen van 12 meter lang en betonopzetters van 2,50 meter. De firma Schipper gebruikte de loodsen voor de bloembollenhandel. Later zat hier Disworld, een groothandel in Walt Disney-artikelen. Zo veranderde een oud boerenerf in een modern bedrijfsperceel, maar onder de vloer bleef het oudere verhaal aanwezig.

De boringen van 2014 maken dat zichtbaar. In boring 2 en 3 lag een ophogingspakket van ongeveer 90 centimeter. In boring 8, in de tuin van nummer 293, was dat pakket zelfs 125 centimeter dik. Daarin zaten baksteen, mortel, houtskool, aardewerk, bot en as. In boring 3 werd op 95 centimeter diepte roodbakkend aardewerk en bot gevonden. In boring 5 kwam op 60 centimeter middeleeuws Pingsdorfaardewerk tevoorschijn. In boring 8 zat op 90 centimeter roodbakkend aardewerk en op 110 centimeter kogelpotaardewerk. Zulke gegevens klinken technisch, maar eigenlijk vertellen ze iets eenvoudigs: het dorp heeft zichzelf opgehoogd met eeuwen bewoning.

Aan Streekweg 269-275 werd iets vergelijkbaars gezien. Daar kwamen bronstijdgreppels, middeleeuwse sloten, huisraad, insteekhavens of aanlegplaatsen en resten van huizen uit de Nieuwe Tijd tevoorschijn. Opvallend was dat de 14de en 15de eeuw daar goed vertegenwoordigd waren, terwijl langs andere delen van het lint tussen Hoorn en Enkhuizen vaak juist een hiaat bestaat. Hoogkarspel kan daardoor helpen om een moeilijke periode in de dorpsgeschiedenis beter te begrijpen.

De kerkgeschiedenis geeft het dorp nog meer diepte. De oude kerk bij de Klokkeweel hoorde bij het eerdere noordelijke lint. Later kwam de kerk dichter bij het huidige centrum. In 1828 werd de middeleeuwse kerk vervangen door een achthoekige kerk met een klein middentorentje. In 1968 kwam er een nieuw protestants kerkgebouw. Aan de andere kant van het plein bouwden de katholieken in 1929-1930 hun St. Laurentiuskerk, ontworpen door K.P. Tholens. De katholieke gemeenschap was sterk gegroeid. Eerst kerkten zij in een boerderij, daarna in een bollenschuur, en pas daarna kregen zij hun eigen kerk.

Die katholieke kerk brengt mensen en kunst samen. In 1930 kwamen de zusters Ursulinen naar Hoogkarspel. De kerk kreeg glasreliëfs van Charles Eyck, kruiswegtaferelen van Henri Schoonbrood, beelden van Frans Timmermans en later glasramen van het atelier van Frans Balendong. In 1941 scheerde een bommenwerper rakelings langs de kerk. In datzelfde jaar werd de eerste neomist van de parochie binnengehaald. Zulke details maken de kerk niet alleen een gebouw, maar een plek van herinnering, schrik, trots, groei en gemeenschap.

Ook Enkhuizen hoort nadrukkelijk bij dit verhaal. De Streek was de lange verbinding naar de stad. Enkhuizen was haven, markt, stedelijke wereld en cultureel zwaartepunt. Vanuit Hoogkarspel liep men, voer men, handelde men en keek men richting Enkhuizen. Het was de stad aan het einde van het lint, maar niet het einde van de wereld. Via Enkhuizen lag Hoogkarspel open naar de Zuiderzee, handel, kerkelijke netwerken en later erfgoedbewaring. Dat zelfs de gevelsteen van het Medemblikker Tolhuis uiteindelijk in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen terechtkwam, voelt bijna symbolisch.

Het Tolhuis zelf stond op Hoogkarspels grond, maar was een voorpost van Medemblik. In 1724 kreeg Medemblik toestemming om tussen de Zwaagdijk en Hoogkarspel een tolweg aan te leggen. De weg moest vooral dienstreizen van bestuurders en ambtenaren richting Hoorn en Enkhuizen verbeteren. In 1729 werd het nieuwe Tolhuis gebouwd. Het was tegelijk tolhuis, herberg, logement, vergaderplaats, woonhuis van de pachter en uitspanning. De namen Hendrik Brouwer, Jacob Spiegelmaker en Simon Maars stonden met hun familiewapens op de gevelsteen. Het gebouw liet iedere passant zien dat hier stedelijke macht, tolrecht en regionale verbinding samenkwamen.

Na bijna 250 jaar ging het Tolhuis in 1973 door brand verloren. Alleen de gevelsteen bleef bewaard. Medemblik had het gebouwd, Hoogkarspel had het gedragen, Enkhuizen bewaart de steen. In die ene omweg zit eigenlijk de hele geschiedenis van De Streek: dorpen en steden waren voortdurend met elkaar verweven.

In de 20ste eeuw kreeg Hoogkarspel een nieuw baken: de watertoren. Gebouwd in 1930-1931 voor het Provinciaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland, naar ontwerp van B.F. van Nievelt en W. Mensert, werd hij 55 meter hoog. Hij rustte op 501 heipalen, had reservoirs van samen 950 kubieke meter en werd een herkenningspunt voor oostelijk West-Friesland. Vanaf boven zag men de Afsluitdijk, de afgesloten Zuiderzee en bij helder weer de Noordzee bij Bergen. De toren was geen kerkspits en geen kasteel, maar een modern teken van waterbeheer.

Zo blijft water de rode draad. In de Bronstijd bepaalde water waar men kon wonen. In de Middeleeuwen bepaalde water hoe men moest ontginnen. Daarna bepaalde water waar dijken, sloten en kades kwamen. In de Nieuwe Tijd bepaalde water bestuur en tolwegen. In de 20ste eeuw werd water zelfs omhoog gebracht in een toren. Hoogkarspel is daardoor een dorp waarin water steeds van vorm verandert: kreek, klei, veen, sloot, dijk, haven, leiding en reservoir.

Daarom moet Hoogkarspel niet klein verteld worden. Het is geen bijplaats tussen Hoorn en Enkhuizen, maar een sleutelplek in De Streek. Hier kun je zien hoe West-Friesland werkt: grond wordt gebruikt, water wordt gestuurd, veen zakt, erven worden opgehoogd, kerken verplaatsen, stolpen groeien, wegen verbinden, steden bemoeien zich ermee en moderne techniek bouwt verder op oude lijnen.

Hoogkarspel is een dorp dat je van onder naar boven moet lezen. Eerst de zandige ruggen en kleiige kommen. Dan de Bronstijdboeren met hun vee, greppels, akkers en grafheuvels. Dan het veen dat alles bedekt. Dan de middeleeuwse ontginning met sloten, daliegaten, kaden en kerken. Dan de Streekweg met huizen, erven, stolpen en boomgaarden. Dan het Tolhuis, Drechterland, de Noorder Koggen, Medemblik en Enkhuizen. Dan de katholieke en protestantse kerken, de bollenloodsen en de watertoren.

Wie dat ziet, ziet geen gewoon lintdorp meer. Die ziet een West-Fries landschap dat in één plaats is samengevouwen.