Enkhuizen, een stad van families

Deel 1 — macht, geloof, huizen, graven en de eerste familienetwerken

Wie Enkhuizen binnenkomt via deze regentenfamilies, komt niet eerst in een stadhuis terecht, maar in een stad vol deuren, grafstenen, kerkvloeren, havenkades, brouwerijen, apotheken, pakhuizen, boekwinkels, weeshuizen en familietafels. De bron lijkt op het eerste gezicht een lange rij namen. Overal staan geboorten, overlijdens, huwelijken, kinderen, functies, grafnummers en straatnamen. Maar zodra je er langer naar kijkt, komt er een samenleving tevoorschijn.

Een sterretje betekent geboorte of doop. Een plusteken betekent overlijden of begrafenis. Wm, Wn en Wz brengen je naar de Westerkerk, naar de midden-, noord- of zuidkap. Zk, Zn en Zz brengen je naar de Zuiderkerk. Nbp wijst naar de Noorderbegraafplaats. En achter al die afkortingen ligt een stad die zichzelf in steen, huis, huwelijk en functie vastlegde.

Een grafnummer is in deze wereld nooit alleen een grafnummer. Het is een plek in de herinnering van Enkhuizen. Wie in de Westerkerk of Zuiderkerk lag, lag daar niet naamloos. De kerkvloer bewaarde families, functies en rangorde. De stad was niet alleen gebouwd van dijken, havens en huizen, maar ook van herinnering. In de kerken lagen burgemeesters, schepenen, schouten, notarissen, brouwers, reders, apothekers, vrouwen van instellingen, jong gestorven kinderen, weduwen, predikanten, chirurgijns en kapiteins bij elkaar. Hun grafstenen vormden een stille kaart van wie de stad gedragen had.

En zo leest deze bron ook. Niet als één rechte stamboom, maar als een netwerk. Bestuur liep door families. Handel liep door huwelijken. Geloof liep door huizen. Zorg liep door vrouwen. Status liep door graven. De haven liep door tot in de raadzaal. En wie in de ene generatie brouwer, reder of apotheker was, kon in de volgende generatie burgemeester, schepen, weesmeester, ziekenhuisvoogd of bewindhebber zijn.

In Enkhuizen trouwde rijk vaak met rijk. Niet altijd in de eenvoudige betekenis van geld, maar in de bredere betekenis van positie. Een familie met huizen, land, schepen, grafrechten, bestuurlijke functies, kerkelijke functies en handelsbelangen zocht vaak een andere familie die hetzelfde gewicht had. Functie trouwde met functie. Een schepenfamilie raakte aan een brouwersfamilie. Een redersfamilie raakte aan een OIC- of WIC-familie. Een apothekersfamilie raakte aan chirurgijns, notarissen of stadsdoctoren. En geloof speelde mee. Gereformeerde lidmaten, diakenen, ouderlingen en predikanten bewogen vaak binnen herkenbare kringen. Katholieke families, klopjes en pastoors hielden eigen lijnen vast. Een huwelijk was daardoor niet alleen een huwelijk tussen twee mensen, maar ook tussen twee maatschappelijke werelden.

Vrouwen stonden daarin niet aan de rand. In de bron lijken zij soms alleen genoemd als dochter of echtgenote, maar onder die korte regels dragen zij vaak het systeem. Zij brachten huizen mee, grafrechten, verwantschappen, erfenissen, geloofsnetwerken en toegang tot andere families. Weduwen konden opnieuw trouwen en zo twee kringen aan elkaar knopen. Vrouwen werden moeder van het Ziekenhuis, het Oude Aalmoezeniersweeshuis, het Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis, het Provenhuis of het Leprozenhuis. Dat waren geen kleine huishoudelijke rollen, maar functies van vertrouwen. De stad liet haar kwetsbare binnenkant mede door vrouwen uit deze families dragen.

Zo begint het verhaal van Enkhuizen niet bij één familie, maar bij een manier van samenleven.

De vroege bestuurslaag: Abs, Abbas en Abbego

In de vroege lagen verschijnt Enkhuizen als stad waar bestuur al lang vóór de grote wereldhandel door herkenbare families werd gedragen. Jacob Abs was burgemeester in 1472. Zijn zoon Zeger Jacobsz Abs was raad in 1534 en vijfmaal burgemeester tussen 1534 en 1542. Dat zijn korte gegevens, maar zij zeggen veel. Al in de 15e en vroege 16e eeuw bestond er in Enkhuizen bestuurlijke continuïteit. Ambten kwamen niet willekeurig terecht. Families die eenmaal toegang hadden tot raad en burgemeesterschap, konden die plaats over generaties vasthouden.

Daarna komt Gerrit Meinertsz Abbas in beeld. Hij was notaris te Enkhuizen tussen 1579 en 1609, schepen in 1569 en 1571 en voogd van het Leprozenhuis van 1580 tot 1585. Hij overleed te Enkhuizen en wordt verbonden met graf Wm-369 in de Westerkerk. Ook was hij eigenaar van graf Wz-M in 1575. Daarmee staat hij niet alleen in het bestuur en het notariaat, maar ook in de zorg en in de kerkvloer.

Zijn woonhuizen maken hem nog tastbaarder. Hij woonde in ’t Vergulde Vlies en in 1584 in de Drije Schrijvende Handen. Zulke huisnamen zijn belangrijk. Zij laten zien dat stedelijke status zichtbaar was aan gevels, huizen en namen. Een notaris woonde niet alleen ergens; hij woonde in een herkenbare plek binnen de stad. Zijn huwelijk met Alijd Arends de Vries, wonend in de Westerkerkstraat en dochter van Arend Albertsz de Vries, verbond hem met een andere Enkhuizer familiekring. Hun kinderen worden genoemd, maar de kern is dat één leven hier meerdere lagen vasthoudt: notariaat, schepenbank, Leprozenhuis, huisnaam, grafbezit, huwelijk en Westerkerk.

Bij Cornelis Jansz Abbego, ook geschreven als Abbegoos, zien we hetzelfde stedelijke patroon. Hij overleed in 1584 te Enkhuizen, was raad van 1577 tot 1584 en mogelijk schepen in 1574. Hij was eigenaar van graf Zz-171 in de Zuiderkerk. Zijn zuster Grijet Jan Abbegoes was in 1575 eigenaar van een grote grafsteen in Wz-H. Ook wordt zijn dienstmaagd Liesbet Cornelis genoemd als lidmaat op 4 januari 1573. Dat laatste detail maakt het huis zichtbaar: niet alleen de heer of familie, maar ook de dienstmaagd stond in het kerkelijk register. De geloofsgemeenschap liep door het huishouden heen.

Cornelis Jansz Abbego was gehuwd met een niet nader genoemde vrouw. Zijn zoon Jan Cornelisz Abbego, begraven Zn-78, trouwde op 6 november 1580 met Hille Theunis Mantjes, dochter van Theunis Dirksz Mantges. Uit die lijn kwam Trijn Jansdr Abbego, overleden op 18 februari 1641 te Enkhuizen en begraven Zz-171. Zij trouwde in 1615 met Sijmon Cornelisz Brouwer. Daarmee gaat Abbego over in Brouwer, en dat is precies hoe de bron werkt: een bestuurlijke naam wordt via huwelijk onderdeel van een economische en brouwerslaag. Een graf in de Zuiderkerk raakt aan een brouwerij, een huwelijk, een volgende generatie en een andere familie.

Van Adelen: een familie als ruggengraat van stad en ommeland

Met Van Adelen wordt het verhaal breder. Deze familie is geen losse genealogische tak, maar een complete maatschappelijke laag. Zij verbindt Friesland, Hoorn, Enkhuizen, landbezit, bestuur, brouwerijen, huizen, kaarten, kerk, schutterij, vrouwen en een fonds dat als herinnering blijft bestaan.

Lucas of Luitje Mathijsz van Adelen wordt genoemd als zoon van Mathijs Fredriksz van Adelen en Conovella, afkomstig uit Friesland. Hij was kleinzoon van Fredrik van Adelen, overleden na 1396, beroemd en schrijver van een Kronijk van Friesland, volgens de bron mogelijk bewaard in de Koninklijke Bibliotheek. Lucas of Luitje trouwde met Teedt of Tetta Luitjes Heijnema. Daarmee begint een lijn die niet alleen bloedverwantschap doorgeeft, maar ook bezit, status en herinnering.

Uit deze kring komt Teet Luitjes, testamentaire van het Teet Luitjes Fonds, dat volgens de bron nog steeds bestaat. In een gewoon namenregister zou zij snel verdwijnen, omdat zij niet vooral via een reeks kinderen wordt gevolgd. Maar maatschappelijk is zij juist belangrijk. Zij laat zien dat vrouwen in Enkhuizen niet alleen via huwelijk betekenis kregen. Een vrouw kon via bezit en testament een blijvende instelling of fonds nalaten. Teet Luitjes werd daardoor een geheugenlaag. Haar naam bleef werken in de stad, niet via een ambt in de raadzaal, maar via erfenis, fonds en verplichting.

De familie Van Adelen raakt aan de familie Hoek via Nanne Luitjesz van Adelen, die trouwde met Dirk Gerritsz Hoek, zoon van Gerrit Dirksz Hoek, burgemeester in 1459 en 1461. Mogelijk was Dirk broer van Geertmoer Hoeksdr, overleden in 1501 te Enkhuizen en gehuwd met Ruardus Reiniersz Rootvelt. Uit Nanne en Dirk kwam Luitje Dirksz Hoek, twaalfmaal burgemeester tussen 1539 en 1561 en eigenaar van 29 morgen land in 1539. In hem komt een vroege kern van macht samen: herhaald burgemeesterschap en aanzienlijk landbezit.

Landbezit was in een stad als Enkhuizen meer dan rijkdom. Het betekende betrokkenheid bij dijken, polders, lasten, oogst, rechten en familie-erfenis. De stad lag niet los van het ommeland. Wie land had, had een belang in de waterstaatkundige en economische ordening rond de stad. Dat zo iemand ook vaak burgemeester was, laat zien hoe stedelijk bestuur en grondbezit elkaar versterkten.

Luitje Dirksz Hoek trouwde met een niet genoemde vrouw. Zijn dochter Meijnou Luitjes Hoek overleed na 1585 en trouwde met Claas Pietersz. Zij woonden in Hoogkarspel. Uit hun lijn worden kinderen en kleinkinderen genoemd: een dochter die vóór 1585 overleed, gehuwd met Gerrit, met kinderen onder wie Jan Gerritsz en anderen; Pieter Claasz, overleden na 1600, erfgenaam van het Teet Luitjesfonds uit Hoogkarspel, gehuwd met Geert Claas en mogelijk zonder kinderen; verder Reijnuw Claas, Brecht Claas, Clara Claas, Reijnst Claas en Suster Claas. Hier wordt zichtbaar hoe een fonds familieleden in Enkhuizen en Hoogkarspel bij elkaar hield. Bezit en herinnering bleven niet binnen één stadsmuur.

Een andere tak loopt via Gerrit Dirks Hoek, schepen in 1513. Zijn dochter Meinou Gerrits Hoek overleed op 4 september 1567 te Enkhuizen. Zij trouwde met Gerbrand Gerritsz, geboren circa 1534 en overleden op 3 september 1567 te Enkhuizen. Zij woonden aan de noordzijde van het Westeinde tegenover de molen. Dat adres geeft de familie een plek in de stad: niet abstract, maar tegenover de molen, aan het Westeinde. Hun kinderen waren onder anderen Gerrit Gerbrandsz, driemaal kerkmeester van 1582 tot 1584 en erfgenaam van het Teet Luitjesfonds, Aafje Gerrits Hoek, Jan Gerrits Hoek, Teet Gerrits Hoek en Gerrit of Geert Gerrits Hoek. Kerkmeesterschap en fondsrecht komen ook hier samen.

De Van Adelen-laag raakt ook Hoorn. Mathijs Luitjesz van Adelen trouwde met Rijcla Albout, dochter van Joost Albout, ridder en kastelein van Zeeburg bij Hoorn. Rijcla’s broer Gerrit Albout was burgemeester van Hoorn tussen 1491 en 1507 en schout, overleden in 1517 te Hoorn. Zijn zoon Albert werd later ook burgemeester van Hoorn in 1534. Zo wordt duidelijk dat Enkhuizen niet alleen met zichzelf trouwde. De bestuurlijke bovenlaag van West-Friesland kende verbindingen tussen steden. Hoorn en Enkhuizen waren soms concurrenten, maar in familielijnen konden zij verwant raken.

Uit Mathijs en Rijcla kwam Luitje Mathijsz van Adelen, secretaris van 1522 tot 1525, schepen in 1537 en eigenaar van veel land rond Enkhuizen. Hij trouwde met Reijnalda of Reijnst Sijbles Wiltschut, overleden in 1566 omtrent kermis. Zij was dochter van Sijble Willemsz Wiltschut en Lucia Pieters de Jong. Via haar grootmoeder Margriet Nannings Tapper loopt de lijn naar Ruardus Tapper. Reijnalda verhuurde in 1553 land rond de Hel of Helle buiten Enkhuizen. Ook dat detail is belangrijk. Een vrouw komt hier naar voren als persoon in landbeheer. Zij wordt niet alleen genoemd omdat zij trouwde, maar omdat zij via bezit en verhuur een economische rol in het ommeland had. Na Luitje hertrouwde zij met Fredrik Jacobsz en kreeg nog een kind. Hertrouw is in deze bron steeds maatschappelijk belangrijk: een weduwe of weduwnaar verbindt niet alleen opnieuw twee personen, maar vaak ook twee vermogenskringen.

De kinderen van Luitje Mathijsz van Adelen waren gerechtigd tot het Teet Luitjes Fonds. Daarmee bleef het fonds als bindmiddel terugkomen. Het werkte als een familielijn in juridische en financiële vorm.

Een belangrijke zoon was Siewert of Hubertus van Adelen, burgemeester van Hoorn in plaats van Willem Pietersz Enchuijsen alias Bijtgoet, die in 1572 werd afgezet. Hier raakt de familie direct aan de politieke breuk van de Opstand. Een burgemeester die in 1572 vervangen wordt, staat in een stad die van machtsorde verandert. Siewert of Hubertus trouwde eerst in Hoorn met Trijn Jans van der Duijn, weduwe van Walraven Crooch. Uit deze lijn kwamen Jantje Siewertsdr, Trijn Jans, Cornelis Cornelisz en Luitje Siewertsz van Adelen, schout en erfgenaam van het Teet Luitjesfonds. Luitje trouwde met Soutje Siewerts Schipper, dochter van Siewert Jansz Schipper en Pietermoer Luitjesdr. Hier wordt zichtbaar hoe ambt, erfgenaamschap en huwelijk elkaar vasthouden: schout, fonds, Schipper-lijn, Hoornse verbinding.

Siewert of Hubertus trouwde later met Anne Dirks. Uit die tweede lijn kwamen Jan Siewertsz van Adelen, Lijsbet Jans van Adelen, Dirk Thijsz, Jan Thijsz, Dirk Jansz Pont, Trein Dirks Pont, Neel Dirks Pont, Trein Jans, Jacob Jansz, Trijn Jans en Maria Jans. Deze namen laten zien hoe snel een bestuurlijke familie via dochters, hertrouw en nieuwe familienaam uitwaaiert. De kernnaam Van Adelen blijft belangrijk, maar het netwerk wordt breder dan die ene naam.

Een andere figuur uit deze lijn is Thijs of Matthijs Siewertsz van Adelen, ook Lakenman genoemd. Hij overleed mogelijk in 1604 te Enkhuizen. Hij was kaartenmaker en graveur van een nieuwe paskaart in 1594. Hij had een boekwinkel In de Nieuwe Paskaart, was schepen in 1601 en 1604, achtmaal commissaris echtstaat tussen 1602 en 1613, zesmaal voogd van het Aalmoeshuis tussen 1604 en 1615 en kapitein van schutterij E in 1613. Hij trouwde in Hoorn met Stijntje Berkhout en had geen kinderen.

In hem wordt Enkhuizen als havenstad zichtbaar op een andere manier. Niet via een schip, maar via een kaart. Een paskaart was voor zeevaart en handel onmisbaar. Dat een man uit een bestuurlijke familie kaarten maakte, een boekwinkel had, schepen was, huwelijkszaken controleerde, armenzorg bestuurde en een schutterscompagnie leidde, toont hoe kennis, bestuur en haven in dezelfde maatschappelijke kring zaten. De boekwinkel In de Nieuwe Paskaart is bijna een samenvatting van Enkhuizen: kennis aan de wal voor beweging op zee.

Reijnst Siewerts van Adelen overleed op 23 april 1640 te Enkhuizen, begraven Zn-115. Zij woonde aan het Zuideinde en trouwde in februari 1595 te Hoorn met burgemeester Fredrik Jansz Lakenman, geboren in 1556 te Enkhuizen en overleden in 1619 te Enkhuizen. Hij was weduwnaar van Hillegond Siewerts Crommedijk, dochter van Siewert Jansz Crommedijk en Diew Simons Semeyns. Hier komt opnieuw de huwelijkspolitiek van de stad naar voren. Van Adelen raakt aan Lakenman, Crommedijk en Semeyns. Rijkdom en bestuur bleven niet in één familienaam, maar bewogen tussen namen die elkaar kenden en vertrouwden.

Hillegond Luitjes van Adelen, overleden na 1583 te Enkhuizen, trouwde eerst met Jan Pietersz Brouwer, overleden op 1 februari 1566 te Enkhuizen en begraven Wn-99. Hij was eigenaar van brouwerij Claver, mogelijk tussen de St. Janstraat en de Dijk. Hij was geen familie van de twee zoons Brouwer uit Jan Allertsz Groot. Dat onderscheid is belangrijk, omdat de naam Brouwer in Enkhuizen vaker voorkomt en verschillende lagen kan betekenen: soms een beroep, soms een familienaam, soms een brouwerij, soms een regentenlijn.

Uit Hillegond en Jan kwam Cornelis Jansz Brouwer of Claver, overleden op 16 september 1610 te Enkhuizen, begraven Wn-99. Hij was eigenaar van brouwerij Claver, later het Claverblad, tussen de St. Janstraat en de Dijk. Hij was raad van 1587 tot 1610, schepen in 1581, 1584 en 1586, burgemeester in 1588 en 1590, voogd van het Ziekenhuis in 1599–1600 en erfgenaam van het Teet Luitjesfonds. In 1591 kocht hij land als voogd van de kinderen van wijlen Adriaen Fredriksz Westphalen.

Cornelis Jansz Brouwer/Claver laat een typisch Enkhuizer patroon zien. Een brouwerij was niet alleen bedrijf. Zij kon de basis zijn van bestuurlijke macht. Bierproductie, land, familie-erfenis en stedelijke zorg komen in één persoon samen. Hij was brouwer en burgemeester, erfgenaam en ziekenhuisvoogd. Daarmee legitimeerde hij zijn status niet alleen via bezit, maar ook via publieke zorg.

Hij trouwde op 2 augustus 1579 met Geert Taenis, wonend op het Westend. Mogelijk trouwde hij later met Hillegond Centen, uit Hoorn, overleden op 6 december te Enkhuizen en begraven Wn-100. Bij geboorten komt zij ook voor als Hillegunda Vincents. Hun kinderen waren Jan Cornelis Claver, Aef Brouwer, Vincent Cornelis Brouwer, Sent Cornelis Brouwer, Ebel Cornelis Brouwer, Maria Cornelis Brouwer, Rijkele Cornelis Brouwer, Hilgond Cornelis Brouwer, Jannetje Cornelis Brouwer, Trijn Cornelis Brouwer en Pieter Cornelisz Brouwer/Klaver. Hier groeit uit één brouwerij en één graf een breed netwerk van kinderen dat verder de stad in loopt.

Via Jannetje Cornelis Brouwer, overleden op 6 februari 1640 te Enkhuizen en begraven Wz-215, loopt de lijn naar Olof Antonisz van der Oord, geboren in Warmenhuizen en overleden op 26 mei 1653 te Enkhuizen, begraven Wz-216. Hij was dertienmaal schepen tussen 1612 en 1651, commissaris kleine zaken, twintigmaal voogd van het Provenhuis, voogd van het Ziekenhuis, viermaal weesmeester, luitenant en later kapitein van de schutterij. In hem wordt opnieuw zichtbaar dat bestuur en zorg elkaar versterkten. Twintigmaal voogd van het Provenhuis is geen randdetail. Het betekent langdurig vertrouwen in het beheer van een instelling die voor oude dag, armoede, status en stedelijke verantwoordelijkheid stond.

De kinderen van Jannetje en Olof verbinden Brouwer/Claver met Wech en Baenman. Via Trijn Cornelis Brouwer loopt de lijn naar Cornelis Jansz Vernim, brouwer in het Claverblad in de St. Janstraat. Daarmee blijft de brouwerij letterlijk binnen de familie- en stadsstructuur aanwezig.

Een andere belangrijke tak uit Hillegond Luitjes van Adelen is Luitjen Jansz Brouwer of inde Pau, overleden circa 1618 te Enkhuizen. Hij was landrijk, vredemaker in 1578, heemraad van Drechterland, schepen in 1594, lakenkoper in 1597, voogd van het Aalmoeshuis, negenmaal weesmeester en woonde in het huis met de Pau in de gevel, Westerstraat 91, later in bezit van Allert Meinertsz Semeyns. Hij bezat veel land rond Enkhuizen.

Zijn huis, de Pau, is meer dan een gevelnaam. In een stad waar mensen huizen met namen kenden, was zo’n huis een herkenningspunt van status. De Pau stond voor bezit, familie, lakenhandel, bestuur en zorg. Luitjen trouwde met Sibrig Jans Outs. Hun kinderen verbonden De Pau met Swaeg, Van der Wel, Semeyns, Ten Broek en mogelijk Pauw.

Meinou Luitjes Pau, geboren vóór 1583 en overleden op 3 december 1648 te Enkhuizen, begraven Wm-394, trouwde in 1600 met schepen Allert Meinertsz Semeyns, geboren in 1577 te Enkhuizen en overleden op 23 december 1650, eveneens begraven Wm-394. Zij woonden later in huis De Pauw. Hier wordt de vrouwenlaag weer zichtbaar. Door Meinou komt het huis en de Pau-lijn in de Semeyns-kring. Zij is niet alleen echtgenote, maar schakel tussen bezit, huisnaam, graf en regentenfamilie.

Diewtje Luitjes Pau, geboren in 1588 te Enkhuizen en overleden op 3 september 1646, begraven Wn-129, woonde in de Westerstraat in de Pauw en trouwde in 1619 met Steven ten Broek, geboren op 26 december 1595 te Enkhuizen en overleden in 1630. Daarmee raakt Van Adelen/Pau aan de latere kennislaag van Ten Broek/Paludanus. Een huis en een huwelijk brengen brouwers, bestuurders en stadsdoctoren bij elkaar.

Zo wordt Van Adelen een ruggengraat van de stad. Niet omdat één familienaam overal overheerst, maar omdat de familie via vrouwen, huizen, brouwerijen, land, fondsen, kaarten, Hoornse verbindingen en huwelijken steeds nieuwe lagen raakt.

Admirael: rederij, Paktuinen en de maritieme bestuurderslaag

De familie Admirael brengt een duidelijk maritieme laag in de stad. Jacob Jansz Admirael, geboren op 18 december 1603 te Enkhuizen en overleden op 28 augustus 1656, begraven Wm-213, was zoon van vice-admiraal Jan Gerbrantsz en Jellemoer Pieters Dol. Hij was commissaris kleine zaken in 1654 en woonde aan de Paktuinen. Zijn huwelijk op 29 augustus 1627 met Grietje Thades Stijkebolle, geboren op 22 december 1605 te Enkhuizen en overleden op 21 oktober 1669, begraven Wm-213, verbond hem met de familie Strijkebolle. Zij was weduwe van Hendrik Arendsz de Vries en dochter van Thade Dirksz Strijkebolle en Pietertje Pietersdr.

De Paktuinen zijn hier betekenisvol. Wie daar woonde, woonde dicht bij opslag, handel en havenbelang. De naam Admirael klinkt bovendien bijna als functie: de familie staat in een sfeer van zee, vloot en stedelijke verantwoordelijkheid. Hun kinderen maken de lijn zichtbaar in de Westerkerk: een kind van Jacob Jansz op 21 april 1631, Pietermoer Jacobs Admirael, een kind op 28 november 1633, Jan Jacobsz Admirael, geboren 19 oktober 1636 en overleden 7 januari 1686, begraven Wn-5, Dirk Jacobsz Admirael, overleden 26 november 1691 en begraven Wm-213, Reijnertjen Jacobs Admirael en Thade Jacobsz Admirael.

Jan Jacobsz Admirael woonde aan meer in Vogelskooi en trouwde op 22 januari 1673 met Risje Harmes, geboren 6 januari 1650 en overleden 30 december 1686, begraven Wn-5. Hun kinderen verbinden de Admirael-lijn met andere Enkhuizer families zoals Cortleven en Westwoudse lijnen.

De sterkste bestuurlijke figuur is Dirk Jacobsz Admirael. Hij was reder te Enkhuizen, raad van 1666 tot 1691, schepen in 1668, tienmaal burgemeester tussen 1670 en 1691, voogd van het Provenhuis, kerkmeester, tresaurier, bewindhebber OIC in 1678, bezitter ambacht, gecommitteerde raad van West-Friesland en het Noorderkwartier. Hij trouwde met Trijn Jans. Zijn zoon Cornelis Dirksz Admirael werd geboren op 19 november 1671 en overleed waarschijnlijk jong.

Dirk Jacobsz Admirael laat het ideaalbeeld van de maritieme regent zien. Hij was reder, dus verbonden met schepen en kapitaal. Hij was burgemeester en raad, dus verbonden met stadsbestuur. Hij was OIC-bewindhebber, dus verbonden met wereldhandel. Hij was Provenhuisvoogd en kerkmeester, dus verbonden met zorg en kerk. Hij was gecommitteerde raad, dus verbonden met West-Friesland en het Noorderkwartier. De haven voedde zijn bestuur; zijn bestuur legitimeerde zijn havenmacht.

Agricola: predikanten, notarissen en de bestuurlijke kennislaag

Bij Agricola komt een andere kant van Enkhuizen naar voren: geleerdheid, predikantschap en notariaat. Elias Pieters de Boer, later Agricola genoemd, werd circa 1595 geboren in Oosterblokker en overleed in 1669. Hij was zoon van Pieter Eelisz en Reimerich Heijnes uit Blokker en kleinzoon van Eeli Claessen, schepen te Blokker. Hij studeerde in Utrecht in 1651, liet zich Agricola noemen en werd predikant te Abbekerk en Lambertschaag van 1655 tot 1681.

Hij trouwde op 14 maart 1655 te Venhuizen met Hiltje Olferts Pricqs, geboren 8 februari 1632 te Enkhuizen en overleden 2 juli 1687 te Hensbroek. Zij was dochter van Olfert Pietersz Prick en Hilletje Hendriks Guldenarm. Hun kinderen waren Jacobus Agricola, Petrus Agricola, Johannes Agricola, nog een Johannes Agricola, Samuel Agricola, Reimerigje Agricola, Olphert Agricola en Hilletje Agricola.

Uit deze lijn kwam Petrus Agricola, geboren 6 december 1657 te Abbekerk en overleden 4 april 1711 te Enkhuizen, begraven Wm-37. Hij was notaris tot tussen 1695 en 1711 en driemaal diaken tussen 1705 en 1709. Hij trouwde met Reijmrichje Dirks Bosch. Hun zoon Dirk Agricola, geboren 7 mei 1692 te Enkhuizen en overleden 30 september 1772, begraven Wm-87, was notaris vanaf circa 1712, elfmaal schepen tussen 1734 en 1756, commissaris kleine zaken, voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis, ouderling, luitenant en kapitein van de schutterij. Hij woonde in de Breedstraat en trouwde op 10 juni 1714 met Geertruij Alberts Crol, overleden 21 maart 1740 en begraven Wm-87.

Bij Agricola zie je hoe de kennis- en ambtenlaag werkte. Predikantschap, studie, notariaat, diaconie, schepenbank en schutterij lopen in elkaar over. Een notaris was niet alleen schrijver van akten; hij werd schepen, voogd, ouderling en schutterijofficier. De stad vertrouwde hem woorden, recht, zorg en orde toe.

Hun kinderen overleden grotendeels jong of ongehuwd. Catharina Agricola, geboren op 17 mei 1720 en overleden op 29 juli 1789, begraven Wz-27, trouwde in 1752 met schepen Hendrik Houwert, geboren te Numansdorp en overleden op 1 september 1752 te Enkhuizen, begraven Wz-27. Zij hadden geen kinderen. Ook kinderloosheid of jong overlijden is maatschappelijk van betekenis: lijnen konden stilvallen, bezit moest anders worden verdeeld, grafrechten bleven soms als stille herinnering over.

Andringa: hout, bouwmateriaal, Kuinre, Enkhuizen en Colombo

De familie Andringa komt niet oorspronkelijk uit Enkhuizen, maar juist daarom is zij belangrijk. Zij laat zien hoe de stad mensen, kapitaal en beroepen uit andere plaatsen opnam. Hijlke Andringa, geboren circa 1637 te Kuinre en overleden in 1717 aldaar, was houthandelaar en aannemer, burgemeester van Kuinre in 1703 en 1717, diaken en eigenaar van Coesvelt. Hij trouwde eerst met Aeltjen Andrijs, dochter van Andrijs Gerritsz en Marritien Jans. Hun zoon Olke Andringa overleed in 1720 te Kuinre en was verwalter scholtus van Kuinre in 1718. Olke trouwde met Grietjen de Ruige, geboren 16 juli 1690 te Kuinre en overleden vóór 1754.

Uit deze lijn kwam Fredrik Andringa, geboren 23 oktober 1712 te Kuinre en overleden 12 mei 1745 te Enkhuizen, begraven Wn-117. Hij was handelaar in hout en bouwmaterialen en trouwde op 3 maart 1743 te Enkhuizen met Jantjen de Vries, geboren 16 augustus 1709 te Enkhuizen en overleden 24 maart 1759, begraven Zn-75. Hun kinderen waren onder anderen een ongedoopt begraven kind, Willem Andringa en Frederica Andringa, die trouwde met Martinus Melchior uit Boskoop.

Hout en bouwmaterialen zijn in een havenstad van groot belang. Schepen, huizen, pakhuizen, kades, sluizen en werkplaatsen hadden hout nodig. Een handelaar in hout stond dus niet buiten de maritieme wereld, maar leverde de materiële basis van stad en scheepvaart.

Ook Johannes Andringa, mogelijk geboren 22 maart 1699 en overleden 22 januari 1773 te Enkhuizen, begraven Wm-412, had een tabakswinkel en trouwde met Geertje Pieters, dochter van Pieter Bulloper. Tabak wijst op consumptie, handel en koloniale goederen in het dagelijks stadsleven.

Belangrijk is vooral Hielke Andringa, geboren 4 april 1717 te Kuinre en overleden 1 maart 1782 te Enkhuizen, begraven Zz-259. Hij was handelaar in hout en bouwmaterialen te Kuinre en trouwde op 18 september 1740 te Kuinre met Aukje Saken uit Blankenham, overleden 13 december 1796 te Enkhuizen. Zij verhuisden rond 1750 naar Enkhuizen. Hun kinderen verbinden Enkhuizen met de OIC en Colombo.

Olke Andringa, geboren 26 december 1741 te Kuinre en overleden 31 juli 1812 te Colombo, was schipper OIC, equipagemeester te Colombo in 1784 en kapitein ter zee in 1785. Hij trouwde eerst op 11 november 1764 te Enkhuizen met Geesje Stam, overleden 30 augustus 1805 en begraven Wn-228. Later trouwde hij op 24 mei 1806 te Colombo met Magdalena Elizabeth Strobach, geboren in 1767 te Colombo en overleden 26 november 1847 aldaar. In zijn lijn komen kinderen en aangenomen kinderen voor, waaronder Catharina Elisabeth Andringa, geboren 24 mei 1789 te Colombo en overleden 22 september 1847 te Warmond, gehuwd met Christianus Cornelius Uhlenbeck, civiel ingenieur te Colombo en later burgemeester van Voorburg en administrateur van de Polytechnische School te Delft. Ook Aukneta Margaretha Andringa, geboren 12 september 1801 te Colombo, huwde met Jacob Piachaud uit Madras.

De wereldlaag is hier heel sterk. Een familie uit Kuinre verhuist naar Enkhuizen, raakt verbonden met hout en bouwmaterialen, en loopt via de OIC door naar Colombo, Madras, Warmond, Voorburg en Delft. De stad was een knooppunt: mensen kwamen binnen, voeren uit en lieten nakomelingen achter in een veel grotere wereld.

Een andere zoon, Meijne Andringa, geboren 22 februari 1748 te Kuinre en overleden 20 november 1789 te Enkhuizen, begraven Wz-356, was chirurgijn te Enkhuizen, commissaris kleine zaken, diaken en sergeant van schutterij E. Hij woonde in de Oude Westerstraat en trouwde op 18 juni 1769 te Enkhuizen met Aagje Schokker, geboren 14 augustus 1746 te Enkhuizen en overleden 11 februari 1803, begraven Wz-356. Veel van hun kinderen overleden jong. Ook hier raakt beroep aan bestuur, kerk en schutterij: een chirurgijn werd stedelijk vertrouwenspersoon.

Apotheker: medische zorg als bestuur en geloofsvertrouwen

Bij Apotheker wordt de beroepsnaam zelf familienaam. Cornelis Apotheker was gehuwd met een niet genoemde vrouw. Zijn zoon Claes Cornelisz Apotheker, ook Makelaer genoemd, overleed in 1612 te Enkhuizen, mogelijk begraven Zz-226. Hij was chirurgijn in 1576, apotheker in De Hondt, later De Bonte Hondt, raad van 1607 tot 1612, schepen in 1608 en 1610, commissaris echtstaat in 1611–1612, diaken in 1596 en 1599, viermaal ouderling tussen 1603 en 1609. Hij trouwde met Guertjen Harperts, overleden 26 augustus 1641 en begraven Zz-226. Zij woonden aan de Hoge Noorderhavendijk in 1593 en waren lidmaten op 1 september 1585. Ook zijn dienstmaagd Susanna Hendriks wordt als lidmaat genoemd op 26 december 1590.

In Claes Cornelisz Apotheker komen medische zorg, handel, bestuur en geloof samen. Een apotheker had kennis van geneesmiddelen en vertrouwen nodig. Dat vertrouwen vertaalde zich in raad, schepenbank, diaconie en ouderlingschap. De stad zag in hem iemand die zowel lichamelijke zorg als morele en bestuurlijke verantwoordelijkheid kon dragen.

Mogelijke kinderen zijn Aef Claes Apotheker, apothekeresse, wonend bij Jan Jobssteiger en Karnemelksluis noordzijde, Albertjen Claesdr, Evert Claesz, Cornelis Claesz en mogelijk Thijs Claasz van Bassen. Dat Aef als apothekeresse voorkomt, past bij het bredere patroon: vrouwen konden in medische en winkelachtige beroepswerelden actief zijn, ook wanneer de formele ambten vooral bij mannen lagen.

Appelman: late regentenmacht en vrouwen in zorg

Bij Appelman komen we in de 18e-eeuwse regentenstad. Engel Appelman overleed op 17 januari 1765 te Enkhuizen, begraven Wn-229. Hij was raad van 1731 tot 1764, schepen in 1727, burgemeester in 1753, 1758 en 1760, commissaris kleine zaken in 1725, voogd van het Provenhuis van 1755 tot 1758, tweeëntwintig maal weesmeester tussen 1731 en 1752, ouderling in 1729 en 1732. Hij trouwde op 2 april 1724 met Catharina Backer, geboren 1 januari 1687 te Enkhuizen en overleden 3 augustus 1747, begraven Wn-229. Zij was weduwe van Willem Cornelisz van Schaak, tweeëntwintig maal moeder van het Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis tussen 1726 en 1747, woonde in de Paktuinstraten en was dochter van Lambert Olfertsz Backer en Aafjen Pieters Dol.

Dit huwelijk laat duidelijk zien hoe mannelijke en vrouwelijke functies elkaar aanvulden. Engel Appelman zat in raad, schepenbank, burgemeesterschap, Provenhuis en weesmeesterschap. Catharina Backer droeg als moeder van het Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis de sociale zorglaag. Zij was weduwe en bracht dus al een eerdere familieverbinding mee. Door haar huwelijk met Appelman kwamen Backer, Dol, Van Schaak en Appelman in één netwerk.

Hun zoon Jan Lambertus Appelman, geboren 11 augustus 1730 te Enkhuizen en overleden 9 juli 1787 op zijn buitenplaats Binnewijzend, begraven Enkhuizen Wn-230, was secretaris, raad, burgemeester, pensionaris, gecommitteerde raad, bewindhebber OIC, voogd van het Ziekenhuis en bewoner van de Breedstraat. Hij trouwde op 15 mei 1757 met Veerdu Agnes Pan, geboren 12 december 1730 en overleden 20 april 1789, begraven Wn-230. Zij was dertig maal moeder van het Ziekenhuis tussen 1760 en 1789 en woonde aan de Nieuwe Haven of Wierdijk. Zij was dochter van Jan Thadesz Pan en Margaretha Westwoude.

Hier is het patroon bijna volledig zichtbaar. De zoon van een regent wordt secretaris, burgemeester, pensionaris, OIC-bewindhebber en ziekenhuisvoogd. Zijn vrouw wordt dertig maal moeder van het Ziekenhuis. Zij komt uit een familie met Nieuwe Haven en Wierdijk. Samen verbinden zij Breedstraat, buitenplaats Binnewijzend, OIC, Ziekenhuis, Nieuwe Haven, Wierdijk en graf in de Westerkerk. Dit is geen gewone familiegeschiedenis; dit is de maatschappelijke machinerie van 18e-eeuws Enkhuizen.

Hun kinderen verbinden Appelman met Verschuur, Engelsman en andere lijnen. Ook hier verspreidt de maatschappelijke positie zich via dochters, zonen en huwelijken.

Avenhorn: Enkhuizen verbonden met Alkmaar, Hoorn en Leeuwarden

De familie Avenhorn laat zien hoe Enkhuizen onderdeel was van een veel bredere bestuurlijke wereld. Gerardus Assuerus Avenhorn, geboren 2 september 1723 te Amsterdam, wordt genoemd als zoon van François Assuerus en Constantia van Avenhorn. Hij was raad en schepen te Alkmaar en heemraad van de Schermer. Na zijn huwelijk ging hij in Alkmaar wonen. Hij trouwde op 10 januari 1752 met Catharina Fredrica de Jongh van Persijn, geboren 3 januari 1727 te Enkhuizen en overleden 29 maart 1760 te Enkhuizen, begraven Wm-435. Zij was dochter van Joan de Jongh van Persijn en Margaretha Ris.

Hun dochter Margaretha Johanna Assuerus Avenhorn, geboren 18 februari 1757 te Alkmaar en overleden 23 september 1781 te Enkhuizen, begraven Wm-435, woonde in de Kabeljauwstraat en trouwde in 1776 met Bernardus Roelofsz Blok, geboren 10 april 1756 te Makassar en overleden 29 juli 1818 te Alkmaar. Daarmee komt Avenhorn in verbinding met de latere Blok-laag van Makassar, patriotten, ballingschap, Bataafse politiek en rechtspraak.

Een andere dochter, Constantina Assuerus Avenhorn, geboren 20 februari 1760 en overleden 16 december 1818 te Leeuwarden, woonde in de Kabeljauwstraat en trouwde op 10 augustus 1777 met Franciscus Rinia van Nouta, geboren in 1751 te Leeuwarden en overleden 11 november 1817, burgemeester van Leeuwarden en lid van de Staten van Friesland. Hun kinderen liepen door naar predikanten, secretarissen, militairen en adellijke huwelijken. Zo verbindt een Enkhuizer dochter de stad met Alkmaar, Leeuwarden, Friesland en het latere 19e-eeuwse bestuursmilieu.

Een andere Avenhorn-lijn begint bij Gerrit Avenhorn, mogelijk afstammeling van Frans IJsbrandsz Avenhorn. Zijn zoon Cornelis Gerritsz Avenhorn trouwde met Antje Pieters Opperdoes. Hun zoon Pieter Cornelisz Avenhorn, geboren 4 juni 1670 te Hoorn en overleden 19 juli 1712 te Hoorn, was raad en burgemeester te Hoorn. Hij trouwde op 22 november 1693 te Hoorn met Hillegonda Coninck. Deze Hoornse lijn brengt Enkhuizen indirect in verbinding met families als Akerlaken, Rijser, Nahuys, Verloren, Buys en andere bestuurlijke kringen.

Avenhorn laat zien dat Enkhuizen niet geïsoleerd was. De stad was één knoop in een netwerk van Alkmaar, Hoorn, Leeuwarden, Den Haag, Utrecht, Friesland en Holland. Huwelijk was het middel waarmee die knopen aan elkaar werden gelegd.

Baanman en Baenman: scheepvaart, ramp, Admiraliteit en Breedstraat

Bij Baanman of Baenman komen zeevaart, rampverhaal en 18e-eeuws bestuur samen. Cornelis Theunisz Baanman was gehuwd met Lijsbeth Heertjes, overleden op 20 december 1696 te Enkhuizen, begraven Wm-453. Hun zoon Theunis Cornelisz Baanman, geboren in 1655 te Enkhuizen, overleed in 1693 op zee of bij Zuid-Afrika op het schip de Gouden Buys. Hij was schipper op dat schip, dat in 1693 naar Indië vertrok maar door dood en verderf niet eens de Kaap haalde. Er was slechts één overlevende: Daniël Silleman, die het verhaal optekende. Hendrik van Stralen gaf het in 1695 te Enkhuizen uit, en het werd in 1995 opnieuw uitgegeven onder redactie van Marieke van Gessel en Andrea Kieskamp. Theunis woonde in de Breedstraat en trouwde op 29 juli 1685 met Marijtje Volkerts, overleden 11 maart 1728 en begraven Wm-453.

Dit ene verhaal maakt de wereldvaart bitter concreet. De Oost was voor Enkhuizen geen romantisch avontuur. Een schipper uit de Breedstraat kon met zijn schip vertrekken en nooit terugkomen. De Kaap, Indië en de oceaan kwamen zo als verlies de stad binnen. Het rampverhaal werd gedrukt in Enkhuizen en bleef onderdeel van het stadsgeheugen.

Een andere belangrijke figuur is Hero Baenman, geboren 1 mei 1660 te Enkhuizen en overleden 29 maart 1744, begraven Wm-490. Hij was raad van 1712 tot 1744, schepen in 1705 en 1708, zesmaal burgemeester tussen 1716 en 1730, raad van de Admiraliteit in 1720, bezitter ambacht, commissaris kleine zaken, voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis, voogd van het Provenhuis, kerkmeester, zevenmaal diaken, driemaal ouderling, luitenant en kapitein van de schutterij. Hij woonde in de Breedstraat en trouwde op 27 april 1687 met Maertjen Pouwels, ook Moertje Binnenblijf genoemd, overleden mogelijk 29 november 1688.

Hero Baenman staat voor de volle breedte van de regentenstad. Raad, schepenbank, burgemeesterschap, Admiraliteit, ambachtsbezit, kleine zaken, weeshuis, Provenhuis, kerk, diaconie, ouderlingschap en schutterij liggen in één loopbaan. Wie hem volgt, ziet hoe een familie de stad op bijna elk bestuursniveau kon aanraken.

De kern van dit eerste deel

Dit eerste deel laat Enkhuizen zien als een samenleving die niet door losse namen werd gedragen, maar door verbindingen. Abs toont vroege bestuurlijke continuïteit. Abbas verbindt notariaat, schepenbank, Leprozenhuis, huisnamen en grafbezit. Abbego brengt raad, Zuiderkerk, dienstbodenlidmaatschap en huwelijk met Brouwer. Van Adelen vormt een brede laag van Friese oorsprong, Hoornse verbindingen, landbezit, Teet Luitjes Fonds, kaarten, boekhandel, brouwerij Claver, huis De Pauw, Semeyns en Ten Broek. Admirael laat rederij, Paktuinen, OIC en burgemeesterschap zien. Agricola brengt predikanten, notarissen, Breedstraat, diaconie en schutterij. Andringa verbindt Kuinre, hout, bouwmaterialen, Enkhuizen, chirurgijns, OIC en Colombo. Apotheker toont medische zorg, apotheek, Noorderhavendijk, raad en geloof. Appelman laat 18e-eeuwse regentenmacht, OIC, Ziekenhuis, Nieuwe Haven, Wierdijk en vrouwen als moeders van instellingen zien. Avenhorn verbindt Enkhuizen met Alkmaar, Hoorn, Leeuwarden en Blok. Baanman/Baenman brengt de scheepsramp van de Gouden Buys, de Breedstraat, Admiraliteit en stedelijke macht samen.

De maatschappelijke laag eronder is steeds dezelfde. Rijk trouwde vaak met rijk, omdat bezit en vertrouwen binnen de kring moesten blijven. Functie trouwde met functie, omdat schepenen, burgemeesters, reders, brouwers, apothekers, notarissen, predikanten en bewindhebbers elkaar versterkten. Geloof trouwde vaak met geloof, omdat lidmaten, diakenen, ouderlingen, katholieke klopjes en predikantslijnen eigen netwerken vormden. Vrouwen verbonden die netwerken via huwelijk, weduwschap, hertrouw, bezit, grafrechten, zorginstellingen en erfenissen.

Enkhuizen was daardoor geen stad met alleen een haven en een stadhuis. Het was een netwerkstad. De stad leefde in haar huizen, kerken, graven, brouwerijen, apotheken, schepen, straten, fondsen en instellingen. Wie de namen volgt, ziet geen droge stamboom, maar een samenleving waarin familie, huwelijk, bezit, geloof, ambt, zorg, huis, graf en schip steeds opnieuw aan elkaar werden geknoopt.

 

 

Tussenverhaal — Enkhuizen als netwerkstad van families, functies, geloof en bezit

Als je deze bladzijden niet leest als losse familienamen, maar als één maatschappelijk weefsel, dan komt er een heel ander Enkhuizen tevoorschijn. Het is geen stad van afzonderlijke personen, maar een stad waarin huwelijk, bezit, geloof, ambt, zorginstelling, handel, scheepvaart en grafrecht voortdurend in elkaar grijpen. Namen als Brouwer, Buyskes, Codde van den Burg, Compostel, Coning, Cooman, Cortleven, Dol, Druyf, De Gorter, Graeuwerts, Groen en Groes zijn dan geen losse vermeldingen meer. Ze vormen lagen van macht, vertrouwen, familiebelang en maatschappelijke continuïteit.

Wat je vooral ziet, is dat Enkhuizen zichzelf bestuurde via families die steeds opnieuw in dezelfde kringen terugkomen. Een man werd raad, schepen, burgemeester, weesmeester, voogd van het Aalmoeshuis, Provenhuis, Leprozenhuis of Ziekenhuis, ouderling, diaken, kapitein van de schutterij, bewindhebber van de OIC of WIC, of betrokken bij Admiraliteit en Grote Visserij. Maar dat ambt stond zelden los van zijn huwelijk. De vrouw bracht familie, geloof, bezit, grafrecht, verwantschap en toegang tot andere kringen mee. Daardoor zie je telkens dat rijk met rijk trouwde, bestuurlijk met bestuurlijk, katholiek vaak met katholiek, gereformeerd met gereformeerd, doopsgezind met doopsgezind, en beroepsgroepen met verwante beroepsgroepen. Dat maakte de stad stabiel, maar ook gesloten.

Bij Compostel zie je dat sterk. Johan Jacobsz Compostel komt uit Hoorn, maar wordt in Enkhuizen ontvanger, raad, schepen, burgemeester, commissaris van de echtstaat, ouderling en kapitein van de schutterij. Zijn huwelijk met Diewertje Heeres Neledoe verbindt hem met een zorg- en vrouwenlaag, want zij is zevenmaal moeder van het Oude Armen Weeshuis. Hun zoon Jacob Compostel wordt nog zwaarder: raad, schepen, tienmaal burgemeester, OIC-bewindhebber, reder en voogd van wees-, proven- en ziekenhuis. Zijn vrouw Alida Neledoe is achtentwintigmaal moeder van het Oude Armen Weeshuis. Hier zie je hoe mannelijk bestuur en vrouwelijke zorgfunctie samen één regentenhuishouding vormen. De man bestuurt de stad, de vrouw bewaakt mede de armen-, wezen- en zorgwereld. Dat is geen bijzaak, maar een sociale machtslaag.

Dezelfde beweging zie je bij Coning. Gerrit Jansz Coning koopt in 1716 Brouwerij De Witte Hulk op de Dijk. Zijn zoon Claas Coning is koopman in boter, kaas en eieren, schepen, commissaris van kleine zaken, voogd van het Leprozenhuis, diaken, ouderling, luitenant van de schutterij en tegelijk predikant van de Lutherse gemeente. Hij neemt De Witte Hulk over en trouwt met Theunisje Roelofs Blok, die zesentwintigmaal moeder van het Nieuwe Armen Weeshuis is. In één huishouden komen dus levensmiddelenhandel, brouwerijbezit, stedelijk bestuur, lutherse kerk, schutterij en vrouwelijke armenzorg samen. Zijn broer Jan Coning, meester-zilversmid en schepen, trouwt eerst met Maritjen Leeman en daarna met Grietje Jacobs Mossel, katholiek. Daarmee raakt de zilversmedenlaag aan de katholieke koopmans- en regentenwereld.

Bij Cooman en Coomen zie je een andere laag: oudere stedelijke ambtsfamilies die niet altijd vanuit grote adel of internationale handel beginnen, maar vanuit ambacht, schoutambt, grafbezit, diaconie en lokale betrouwbaarheid. Albert Philipsz Cooman is schout van 1601 tot 1619, diaken en bewoner van Breedstraat, Westerstraat en Wierdijk. In zijn kring zitten schoenmakers, smeden, notarissen, conrectoren van de Latijnse School en mensen die via grafrechten hun plaats in de kerkelijke ruimte bevestigen. Dat is belangrijk: een graf in Westerkerk of Zuiderkerk was niet alleen een begraafplaats, maar ook een sociale kaart. Wie waar lag, liet zien waar de familie hoorde.

Cortleven maakt de overgang naar de Opstand zichtbaar. Adam Hendriksz Cortleven komt uit Warns, is goudsmid in Enkhuizen en wordt in 1568 door Alva verbannen. Zijn nageslacht klimt op in het bestuur. Adam Jacobsz Cortleven wordt raad, schepen, elfmaal burgemeester, thesaurier, OIC-bewindhebber, weesmeester, ouderling en rekenmeester. Hij woont aan het Venedie en later aan de Oude Westerstraat. In zijn familie zie je huwelijken met Puyt, Van de Ruite, Van Schaak, Admirael en Van Loosen. Cornelia Adams Cortleven wordt zesmaal moeder van het Oude Armen Weeshuis en trouwt met hoofdofficier Pieter Jansz van Loosen. Hier wordt de Opstandsgeschiedenis niet alleen politiek, maar familiaal: ballingschap, terugkeer, ambacht, bestuur en elitehuwelijk worden één lijn.

Cousebant laat zien dat Enkhuizen niet losstaat van Haarlem, katholieke netwerken, brouwers, advocaten en regionale adel. Franciscus Barendsz Cousebant is brouwer in het Rad van Avonturen te Haarlem. Via zijn kinderen komen lijnen naar Enkhuizen, Alkmaar, Zijpe, Haarlem, Leuven, katholieke religieuzen, advocaten en Camaij. Deze familie beweegt door een katholiek en stedelijk netwerk waarin huwelijk, bezit en ambt elkaar versterken. Dat sluit aan bij wat je vaker ziet: na de Reformatie verdwijnen katholieke families niet uit de stad. Ze blijven aanwezig, soms voorzichtig, soms zichtbaar via grafstenen, huwelijken, functies, artsen, advocaten en regentessen.

Crab alias Noorman brengt juist een oudere herinneringslaag binnen. Seger Reijnersz Crab alias Noorman en Fredrik Segersz Crab alias Noorman voeren terug naar vijftiende- en zestiende-eeuwse bestuurders, burgemeesters, kerkrentmeesters, kapellen en vicarieën. Margriet Segers Noorman sticht in 1508 een kapel met een jaarlijks bedrag van vierhonderd gulden. Eeltjen Heerties Hulck fundeert in 1521 een eeuwige mis in de Westerkerk of kapel aan het Westeinde. Hier zie je het laatmiddeleeuwse Enkhuizen: vroomheid, kapelstichtingen, familiebezit, geestelijke inkomsten en stedelijke status. Dat blijft later als herinnering onder de gereformeerde stad doorlopen.

De klokkengieters Crans brengen weer een ander geluid in de stad. Jan Crans is klokgieter in Enkhuizen van 1713 tot 1724 en later landsgeschutgieter in Den Haag. Zijn tafelklokje op de vergadertafel van het chirurgijnsgilde in de Waag uit 1715 is veelzeggend. De Waag is dan niet alleen handelsgebouw, maar ook kennisgebouw. Cyprianus Crans wordt klokgieter in Enkhuizen en later beroemd in Amsterdam. Cornelis Crans giet eveneens klokken en wordt landsgeschutgieter. In deze familie hoor je letterlijk het geluid van de stad: Zuiderkerk, Friese dorpen, chirurgijnskamer, stedelijke tijd en militaire techniek.

Croes en Pillis verbinden Enkhuizen met Semeyns, scheepstimmerlieden, notarissen, procureurs, Engelse contacten, privileges en uitvinders. Luitje Jansz Pillis alias Croes is scheepstimmerman en wordt door Pieter Simonsz Potter geschilderd. Via Maria Pieters Semeyns komt hij in de Semeyns-laag. Remmet Jansz Keyser, notaris en procureur, trouwt met Liefje Luitjes Croes/Pillis. Hun zoon Cornelis Keyser Semeyns wordt advocaat, notaris, secretaris, baljuw, drossaard en dijkgraaf van Woudrichem en Altena en schrijft over het Privilegie Semeyns. Zijn kinderen vragen octrooien aan voor wit metaal en een nieuwe watermachine. Hier zie je hoe oud stedelijk prestige, recht, techniek en uitvinding in elkaar overlopen.

Crol laat vooral de gereformeerde burgerlaag zien: raad, Provenhuis, ouderlingen, schutterij, huwelijken met Bok, Croonenburg, Cuyper en Koperslager. Abbe of Albert Albertsz Crol is lidmaat in 1572, raad, Provenhuisvoogd, tienmaal ouderling en kapitein van de schutterij. Zijn zoon Siewert Albertsz Crol trouwt met zijn nicht Diewtje Eriksdr Bok. Zulke huwelijken binnen verwante kringen zijn belangrijk: ze houden bezit, vertrouwen en religieuze aansluiting dicht bij elkaar. Hier zie je letterlijk wat je bedoelde: rijk, vertrouwd en bekend trouwt met rijk, vertrouwd en bekend.

Dol is een van de sterkste voorbeelden van hoe Enkhuizen via families aan zee, oorlog, bestuur en brouwerij vastzit. Dirk Simonsz Dol is schout en schepen. Pieter Dirksz Dol is groot schipper. Jellemoer Pieters Dol is negenmaal moeder van het Oude Armen Weeshuis en trouwt met Jacob Dirksz Puyt en daarna Jan Gerbrandsz, kapitein in de slag met Bossu in 1572 en vice-admiraal van Noord-Holland en West-Friesland. De familie raakt aan Admirael, Urker, Croonenburg, Timman, Bok, Slijper, Hardebol, Vesterman en Korvemaker. In de Dol-laag zie je hoe de Opstand, de zeeslag, schutterij, brouwerij, houtkoop, Oosterhaven, Rosmolen en katholieke/gereformeerde verwantschappen samenkomen.

Doreslaer toont Enkhuizen als gereformeerde kennisstad. Abraham Doreslaer wordt uit Oude Niedorp beroepen naar Enkhuizen, vertaalt voor de Librije, wordt afgevaardigd naar de Synode van Dordrecht en schrijft mee tegen de doopsgezinden. Zijn kinderen worden predikanten in Hensbroek, Brazilië, Hobrede, Oosthuizen, Halsteren, Tholen, Zierikzee, Wervershoof, Broek in Waterland en Delft. Dit is de intellectuele kerklaag: de stad produceert en ontvangt predikanten, boeken, vertalingen en strijdschriften. Daarmee staat Enkhuizen niet alleen aan zee, maar ook in een wereld van tekst, leer en geloofsstrijd.

Druyf is de laken-, handel-, bestuur- en Indiëlaag. Fredrik Gerritsz Druyf is lakenkoopman, schepen, commissaris van de echtstaat, voogd van het Aalmoeshuis, weesmeester, kerkmeester, ouderling en kapitein van de schutterij. Hij woont in De Gulden Druyff aan de Oude Westerstraat. In zijn tuin zijn later nog lakenloodjes gevonden. Dat detail maakt het verhaal tastbaar: lakenhandel is niet abstract, maar ligt letterlijk in de grond van de stad. Zijn kinderen verbinden met Seilemaecker, Hardebol, Croonenburg, Semeyns, Brouwer, Groes, Buyskes en Domkens. Gerrit Fredriksz Druyf wordt OIC-koopman en krijgt in Indië een natuurlijke zoon, Jan Gerritsz Druyf, geboren in Patani, die in 1626 met het schip Alkmaar naar Enkhuizen komt en door zijn grootmoeder wordt opgevoed. Dat ene kind laat de wereldwijde werkelijkheid van de stad zien: Azië komt terug in een Enkhuizer huis.

Daar sluit De Gorter op aan, maar dan via wetenschap. Dirk Jansz de Gorter is organist van de Zuiderkerk en beiaardier van de Drommedaris. Zijn zoon Cornelis de Gorter alias de Boer wordt organist. Johannes de Gorter stijgt hoger: medisch doctor in Enkhuizen, hoogleraar kruidkunde in Harderwijk en lijfarts van keizerin Elisabeth van Rusland. Hij woont aan de Nieuwe Haven en trouwt met Susanna van Bassen. Zijn zoon David de Gorter wordt arts, doctor, hoogleraar en eveneens lijfarts in Rusland. Hij schrijft de Flora VII Provinciarum Belgii Foederati Indigena. Via zijn huwelijk met Cornelia Bucerus raakt hij aan de Bucerus-Brouwer-lijn. Enkhuizen is hier geen provinciestadje meer, maar een vertrekpunt naar Harderwijk, Sint-Petersburg, Zutphen en de wetenschappelijke wereld.

Gosse Gorter en de Moll-lijn tonen een latere, doopsgezinde en negentiende-eeuwse maatschappelijke verschuiving. Gosse Gorter komt uit Leeuwarden, is mennoniet en woont aan de Oude Westerstraat. Zijn dochter Tetje Gorter trouwt met Jacob Moll uit Blokzijl, graanhandelaar en grutter. Hun nakomelingen worden graanhandelaren, grutters, predikanten, artsen, hoogleraren, advocaten, actuarissen, universiteitslectoren en ambtenaren. Ze waaieren uit naar Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Johannesburg, Malang, Batavia en Canton. Hier zie je hoe de oude stedelijke regentenwereld langzaam overgaat in een negentiende-eeuwse burgerlijke elite van handel, studie, geneeskunde, bestuur en koloniale dienst.

Graeuwerts alias Entsz is belangrijk voor de haven- en scheepsbouwlaag. Jan Wijbrandsz Graeuwert is koopman, reder, mogelijk baanman en touwslager. Wijbrand Jansz Graeuwerts is haringkoopman en reder. Hij laat in 1636 samen met Claes Fredriksz Blaeuhulck en Gerrit Jansz Slijper het schip De Blaeuwen Hulck bouwen bij scheepstimmerman Broer Heindriksz. Dat is een kernbeeld voor Enkhuizen: families, kapitaal, haring, touw, werf, schip en naam komen samen. Een schip is hier niet alleen een vervoermiddel, maar een familiaal en economisch project.

Groen brengt de ambachtelijke, katholieke en zorglaag dichterbij. Gerrit Groen trouwt met Trijntje Jans Brouwer; hun kinderen verbinden met Hartman, Oosterend, Semeyns, Blom, Schuit en het broodbakkersbedrijf. Reijnoutjen Groen is vroedvrouw. Dat is een belangrijke vrouwenfunctie: zij staat niet in het bestuur, maar wel midden in de samenleving, bij geboorte, kraambed, dood en gezin. Jan Quirijnsz Groen is katholiek, waarschap van Drechterland, Aalmoeshuisvoogd, diaken en kapitein van de schutterij. Zijn derde vrouw Adriana Veltman is twaalfmaal moeder van het Nieuwe Armen Weeshuis en komt uit de kring van de Oost-Indische Toren. De Groenen laten zien dat katholieke families ook in de achttiende eeuw functies, zorg, ambacht, schutterij en stedelijke aanwezigheid behielden.

Groes vormt tenslotte een verbindingslaag tussen bestuur, dijk, weeshuizen en huwelijkspolitiek. Sijbrand Sijbrandsz Groes is schepen, Provenhuisvoogd en kapitein van de schutterij. Zijn zoon Willem Sijbrandsz Groes wordt raad, schepen, burgemeester, dijkgraaf van Drechterland en voogd van Aalmoeshuis en Oude Armen Weeshuis. Hij trouwt met Hille Fredriks Druyf. De vermelding dat hij een schepenpost verlaat wegens na-maagschap met Fredrik Gerritsz Druyf laat zien hoe serieus verwantschap en belangenverstrengeling werden genomen. Familiebanden waren macht, maar konden ook bestuurlijke grenzen raken.

Als geheel laten deze bladzijden dus niet alleen zien wie met wie trouwde. Ze laten zien hoe Enkhuizen functioneerde. De stad was opgebouwd uit lagen. De eerste laag was de zee: haring, hout, zout, touw, scheepsbouw, OIC, VOC, WIC, Admiraliteit en Grote Visserij. De tweede laag was het bestuur: raad, schepenbank, burgemeesters, schout, commissarissen, thesauriers en dijkgraven. De derde laag was zorg: Aalmoeshuis, Oude en Nieuwe Armen Weeshuis, Provenhuis, Leprozenhuis en Ziekenhuis. De vierde laag was geloof: gereformeerd, katholiek, doopsgezind, luthers, predikanten, ouderlingen, diakenen, klopjes, kapellen en oude missen. De vijfde laag was kennis: Librije, Latijnse School, artsen, apothekers, chirurgijns, hoogleraren, boekdrukkers, botanici, notarissen en advocaten. De zesde laag was de vrouw: niet als losse bijfiguur, maar als drager van huis, bezit, verwantschap, zorgfunctie, geloof en continuïteit.

Daarom leest dit materiaal pas goed als je het niet omzet in een lijst, maar als een stad waarin elke familienaam een deur opent. Achter Brouwer ligt de brouwerij, achter Buyskes de Opstand en de wereldzee, achter Codde van den Burg het notariaat en de WIC, achter Compostel de OIC en het weeshuis, achter Coning De Witte Hulk en de Lutherse gemeente, achter Cortleven de ballingschap en de terugkeer, achter Druyf de lakenhandel en Patani, achter De Gorter Rusland en de botanica, achter Graeuwerts het schip De Blaeuwen Hulck, achter Groen de vroedvrouw en de katholieke armenzorg, achter Groes het dijkbestuur en de verwantschapsregels.

Zo wordt Enkhuizen een samenleving van lagen. Bovenin zie je burgemeesters, rederijen, compagnieën en huizen aan Breedstraat, Oude Westerstraat, Nieuwe Haven, Venedie, Wierdijk en Paktuinen. Daaronder zie je ambachten, brouwerijen, smeden, zilversmeden, bakkers, grutters, touwslagers, klokkengieters, chirurgijns en organisten. Daartussen staan vrouwen die via huwelijk, moederschap van instellingen, kraamzorg, klopjesleven en weduwschap de verbindingen bewaren. En onder alles liggen de graven: Wm, Wn, Wz, Zn, Zz, Zk. De kerkvloer is de laatste kaart van de samenleving.

De kern van dit tussenverhaal is dus: Enkhuizen was geen losse verzameling regentenfamilies, maar een compacte netwerkstad. Bezit bleef in families. Functies gingen via vertrouwen. Huwelijken verbonden gelijke kringen. Geloof bepaalde vaak de richting van het huwelijk. Vrouwen hielden de zorg- en verwantschapslaag bijeen. De haven bracht geld binnen. De kerk gaf status. De instellingen gaven moreel gezag. En de wereld buiten Enkhuizen — Batavia, Banda, Patani, Rusland, Kaapstad, Zuid-Afrika, Den Haag, Hoorn, Haarlem, Leiden, Harderwijk en Amsterdam — kwam telkens weer terug in de straten van de stad.

 

Tussenverhaal — families als stadskaart van Enkhuizen

Wie door deze familienamen heen leest, ziet geen losse stambomen, maar een stadskaart van Enkhuizen. De namen liggen als stenen in de straten: Breedstraat, Oude Westerstraat, Nieuwe Westerstraat, Paktuinen, Wierdijk, Nieuwe Haven, Oude Buishaven, Zuiderhavendijk, Noorderhavendijk, Vissersdijk, Karnemelksluis, Peperstraat, Molenpad, Tabakstraat, Torenstraat, Bagijnstraat, Kuipersdijk, Nieuwe Markt, Oude Rietdijk, Plesierweg, Kloppersteiger, Venedie en het Noord. Daar wonen zij niet alleen; zij besturen, varen uit, drukken boeken, bouwen schepen, kopen haring, brouwen bier, dienen in de schutterij, dragen de kerk, beheren weeshuizen, provenhuizen, ziekenhuizen, leprozenhuizen en aalmoezen, en verdwijnen tenslotte weer in grafnummers van Westerkerk, Zuiderkerk en Noorderbegraafplaats.

De oudste toon in deze laag klinkt nog uit de ridderlijke en vroegstedelijke wereld. Bij Joost of Josina Wiggersdr, gehuwd met Maerten, loopt de lijn via Joost Maertensz en Madelena Maertens, overleden op 15 maart 1610, naar Jan van der Wolff en hun kinderen Wigger van der Wolf, Maerten Jansz van der Wolf, kapitein van de schutterij in 1650, Barber van der Wolf en mogelijk Jan Jansz van der Wolf, ontvanger in 1659 en burgemeester in 1660, 1662, 1663, 1668 en 1671. Daaronder ligt weer de verbinding met Albrich Jans van der Wolf en met Madelena Wiggers, gehuwd met Volckert Fruvius of Frits, uit de lijn van Fredrik Volkersz Vrits en Suster Dirksdr Rootvelt. Het familiewapen van Allert Groot Jansz — gevierendeeld, met de rood-wit gemengde leeuw met barensteel, zes gouden kepers op rood en twee gouden olijftakken als hartschild — houdt de herinnering vast aan een oudere ridderlijke beeldtaal. De zes kepers worden verbonden met gerechtigheid, dapperheid, gestadigheid, voorzichtigheid, lijdzaamheid en zachtmoedigheid. Zo schuift in één genealogische laag de wereld van ridderschap, stedelijk ambt en familietrots over in de stad van grafstenen en bestuur.

Daarna opent zich een bredere Europese laag met Elsevier. Lodewijk Elsevier, geboren omstreeks 1540 in Leuven en overleden op 4 februari 1617 in Leiden, is geen Enkhuizer van geboorte, maar zijn geslacht raakt wel aan Enkhuizen via predikanten, huwelijken, boekdruk, universiteit en bestuurlijke netwerken. Hij vestigde zich eerst in Antwerpen, vluchtte naar Wesel, ging na Alva’s aftocht naar Douai en vestigde zich in 1580 in Leiden als boekbinder en handelaar. In 1583 verscheen zijn eerste bekende boek, en van 1586 tot 1602 was hij pedel van de universiteit. Zijn vrouw Mayke Duverdeyn, of Marie du Verdun, uit Luik, overleed in Leiden op 3 december 1613. Uit hun zeven zoons en twee dochters ontstond een drukkerijgeslacht dat door heel Holland heen liep.

Matthijs Elsevier, geboren in 1565 te Antwerpen, zette met zijn broer Bonaventura de zaken van zijn vader voort. Abraham Elsevier, geboren op 4 april 1592 te Leiden, werd samen met oom Bonaventura boekdrukker en academiedrukker, en drukte in 1638 het Diagramma Veritatis van Galileo Galilei. Isaac Elsevier, geboren op 11 maart 1596, begon ook als academiedrukker, verkocht later zijn deel, vertrok naar Rotterdam, werd herbergier in De Toelast, kapitein in ’s lands dienst en brouwer in De Drie Zonnen te Delft. In deze ene familie bewegen boekdruk, universiteit, krijgsmacht, herberg, brouwerij en handel door elkaar.

De Enkhuizer aansluiting komt scherp naar voren bij Petrus Elzevier, geboren op 4 oktober 1673 in Rotterdam. Hij werd theologisch student te Leiden, predikant te Sprang en Nijkerk, werd in 1710 naar Enkhuizen beroepen en vertrok in 1721 naar Amsterdam. In Enkhuizen woonde hij in de Munt. Zijn eerste vrouw Anna Elisabeth Ortwijn overleed op 7 augustus 1715 in Enkhuizen, graf Wm-447. Daarna trouwde hij met Geertruid Hooman, geboren op 10 april 1689 in Enkhuizen, dochter van Johan Hooman en Reinoutje Gerrits van der Nijenburg. Via Petrus Elzevier komen de drukkerijnaam Elsevier en de Enkhuizer Hooman-laag samen. Uit zijn gezin komen kinderen als Anna Elisabeth Elzevier, Pieter Pietersz Elzevier en Petronella Geertrui Pieters Elzevier. Ook Jan of Johan Elsevier, geboren te Sprang in 1704, hoort bij deze bredere laag: opperkoopman in VOC-dienst, schepen van Batavia, commandeur van de retourvloot in 1735, kanunnik van St. Marie te Utrecht en schepen te Enkhuizen in 1738. Hij trouwde in Batavia met Ida Dina van der Schuer. Hun dochter Anna Petronella Elsevier, geboren in Batavia op 20 april 1734, werd later regentes van het Oude Vrouwen- en Kinderhuis. Zo loopt de lijn van drukwerk en geleerdheid via Batavia terug naar stedelijke armen- en zorgbesturen.

Naast Elsevier staat de militaire en bestuurlijke laag van Engelenburg. Barend Engelenburg, overleden op 2 januari 1657 in Enkhuizen, graf Wm-350, was kapitein-luitenant en luitenant van de Verenigde Provinciën. Hij woonde te Geertruidenberg en in 1656 te Enkhuizen. Zijn wapenbord in de Westerkerk verbindt de familie met de kerkelijke herinnering van de stad. Via zijn zoon Jacob Engelenberg en diens lijn loopt het geslacht verder naar Schiedam en Rotterdam, met Bernardus of Barend Engelenberg als commandeur en met Barendina Engelenberg, die in Rotterdam terechtkwam.

Een andere Engelenburgh-lijn ligt juist diep in de Enkhuizer straten. Gerrit Reinersz Engelenburgh woonde in de Oude Westerstraat. Jan Gerritsz Engelenburg, overleden op 3 december 1668 in de Zuiderkerk, graf Zz-208, was voogd van het Provenhuis van 1649 tot 1663, viermaal diaken tussen 1634 en 1645 en zesmaal ouderling tussen 1648 en 1660. Zijn zoon Lucas Jansz Engelenburg woonde aan de Breedstraat en later bij het Waterpoortje. Lucas trouwde eerst met Meijntjen Pieters, die in 1653 in het kraambed overleed, en daarna met Jantje Fredriks Pouwels. Uit die lijn kwam Frederik Engelenburg, chirurgijnmeester, voogd van het Aalmoeshuis en bewoner van de Nieuwe Westerstraat. Zijn zoon Lucas Engelenburg werd later secretaris van het legatiegebouw te Hamburg, burger van Vollenhove, schepen en burgemeester aldaar, en plaatsvervangend rentmeester van de Clarenbeekse goederen. Enkhuizen blijkt hier geen afgesloten stad, maar een vertrekpunt: vanuit de Oude Westerstraat en het Waterpoortje loopt de familie naar Hamburg, Vollenhove, Kampen, Blericum, Berlicum en Leiden.

De figuur Gerrit Clasen Entsz geeft de vijftiende-eeuwse stadslaag een bijna legendarische kleur. Hij was ridder in 1469, schepen in 1452, burgemeester in 1469 en vice-admiraal. In de overlevering ontving hij hertog Karel of Philips in zijn tuin om samen peren te eten. In 1469 werd hij door hertog Karel naar Friesland gestuurd om gehoorzaamheid te vorderen; hij werd eervol ontvangen, maar de missie liep op niets uit. Later werd hij naar Zierikzee gestuurd voor eenzelfde opdracht, en die missie slaagde wel. Als beloning zou hij de eilanden Urk, Ems en Emmeloord hebben gekregen, samen met een treffelijk wapen dat in de kerk van Enkhuizen hing. Maar ook deze laag heeft een rafelrand: de vermeende schenking van Urk en Emelen kwam in conflict met de rechtmatige eigenaar Evert Soutendijk. Raad en Hof van Holland wezen de bewijzen als ondeugdelijk af; Urk en Emelen bleven nog vier generaties in het geslacht Soutendijk. In deze ene passage liggen ridderlijke glans, hertogelijke politiek, Friese gehoorzaamheid, eilandbezit, procesrecht en kerkwapen bij elkaar.

De familie l’Epie brengt de medische en maritieme laag naar voren. Sacharias l’Epie woonde te Hoorn; zijn zoon Sacharias Zachariasz l’Epie kwam in Enkhuizen terecht, op het Molenpad, met kinderen als Lijsbeth, Anna, Zacharias en Annetje. Joris of George l’Epie, overleden op 27 juli 1657 in Enkhuizen, graf Wz-380, woonde aan de Nieuwe Markt. Zijn zoon Sacharias l’Epie werd chirurgijn van de Admiraliteit en het Gasthuis, voogd van het Ziekenhuis van 1679 tot 1708, zesmaal diaken en elfmaal ouderling. De volgende generatie blijft in hetzelfde vak: Joris l’Epie, chirurgijn, lid van het chirurgijnsgilde, overman en deken, commissaris van kleine zaken, voogd van het Ziekenhuis, diaken en ouderling. Jacob l’Epie voer als boekhouder op De Gouden Buys naar Indië, maar verging in 1693 nog vóór Kaapstad. Lijsbeth l’Epie trouwde met Maarten Ramas, eveneens chirurgijn, voogd van het Leprozenhuis en diaken. Via hun dochter Grietje Ramas komt de verbinding met IJpe Engelsman, VOC-schipper, Vissersdijk, Batavia, de familie Pomp en de vrouwen van het Nieuwe Armenweeshuis. Ook Olfert l’Epie, doctor en bewoner van de Breedstraat, hoort in deze laag. Zijn zoon Sacharias l’Epie deed onderzoek in West-Friesland naar de dijken en de plaag van paalwormen en stelde dat te boek. Daarmee raakt l’Epie niet alleen het lichaam van de stad via chirurgijns en gasthuis, maar ook het lichaam van de dijk.

Ook de Opstand blijft door deze familienamen heen lopen. Jan Feintsz, schepen en burgemeester in de vijftiende eeuw, staat aan het begin van een oudere bestuurslaag. Reijner Feijntsz was schout van 1563 tot 1572 en verloor als schipper in 1542 een karveel van 3500 gulden. Jacob Florisz werd in 1570 verbannen, was in 1571 burger te Emden, werd in 1572 waagmeester, daarna schout, raad, burgemeester en hopman van de burgerij. Hij woonde in de Breedstraat. Zijn vrouw Sou Willems Groes was vijfmaal moeder van het Oude Armenweeshuis en eenmaal moeder van het Ziekenhuis. In hun kinderen loopt de stad door: Pieter Jacobsz Dogger was chirurgijn en lid van het chirurgijnsgilde, met zijn wapen in het glas-in-loodraam van de Waag; Cornelis Jacobsz alias Dogger sneuvelde in 1629 in de Duinkerker zeeslag als kapitein op het schip De Grijpende Arend, met zeventig man en zestien kanonnen. De oorlog op zee komt zo terug in de grafsteen en de Waag.

De familie Florisz maakt van Enkhuizen opnieuw een haven- en bestuursstad. Pieter Pietersz Florisz, hout- en haringkoopman, raad, schepen, zesmaal burgemeester, bewindhebber van de OIC, vice-admiraal, voogd van Provenhuis en Ziekenhuis, weesmeester en ouderling, woonde in de stad waar hout, haring, bestuur en kerk elkaar raakten. Zijn zoon Florentius Pietersz Florisz, wonend aan de Wierdijk, werd raad, schepen, burgemeester, raad van de Admiraliteit en bewindhebber van de OIC. Zijn wapen met de staande draak geeft deze bestuurlijke tak een uitgesproken eigen beeldtaal.

De Fuys-laag trekt de aandacht naar brouwerijen, chirurgijns en huizenbezit. Pieter Adriaensz Fuys, geboren in 1587, was brouwer en eigenaar van brouwerij De Drie Haringen in de Sint Janstraat, met huizen op de Nieuwe Dijk en het Hoenderpad. Cornelis Adriaensz Fuys was excijnsmeester en eigenaar van een huis aan de westzijde van de Breedstraat. Adriaen Cornelisz Fuys was chirurgijn; zijn zoon Pieter Adriaansz Fuys was eveneens chirurgijn, voogd van het Aalmoeshuis en diaken, wonend aan de Noorderhavendijk. Via Grietje Claas Sloot, Magdalena Maartens Semeyns en de hertrouwde moederlijn raakt deze familie aan Semeyns, Sloot, Pool, VOC-schippers en de Zuiderhavendijk.

De Graeuwert- of Entsz-laag trekt de lijn naar koopmanschap, rederij, touwslagerij en scheepsbouw. Jan Wijbrandsz Graeuwert was voogd van het Aalmoeshuis en van het Oude Armenweeshuis. Jan Wijbrandsz Graeuwert, koopman, reder, mogelijk baanman en touwslager, lag in Wn-288. Zijn kinderen verbinden de familie met Schuit alias Vis, Camaij, Naerden, Cousebant en medische netwerken. Wijbrand Jansz Graeuwerts, haringkoopman en reder, liet samen met Claes Fredriksz Blaeuhulck en Gerrit Jansz Slijper in 1636 het schip De Blaeuwen Hulck bouwen bij scheepstimmerman Broer Heindriksz. Daarmee is deze familie letterlijk betrokken bij de bouw van het Enkhuizer zeeschip: hout, touw, haring, rederij, scheepsnaam en familienaam vallen samen.

In de families Groen en Groes wordt de achttiende-eeuwse stad huiselijker, maar niet minder belangrijk. Gerrit Groen woonde in de Oude Westerstraat en was gehuwd met Trijntje Jans Brouwer van de Oude Rietdijk. Hun kinderen raken aan Hartman, Oosterend, Blom, De Jong, Schuit, Schokker, Langedijk en de Boerenvaart. Reijnoutjen Groen was vroedvrouw. Meijndert Groen was broodbakker in de Comenstraat. Jan Barendsz Groen en zijn nakomelingen bewegen tussen Oude Westerstraat, Karnemelksluis, Melkmarkt, Drechterland, Aalmoeshuis, schutterij, Leprozenhuis en de Grootslagpolder. Via Quirijn Jansz Groen en Aagje Schokker loopt de lijn naar Willem Hendriksz Langedijk, veehouder aan de Zuiderboerenvaart, boekhouder en molenmeester van polder Het Grootslag. Zo blijft Enkhuizen verbonden met zijn achterland: de stad leeft niet alleen van zee, maar ook van vee, brood, polder, molen en dijk.

Groes brengt de bestuurslaag terug. Sijbrand Sijbrandsz Groes was schepen, voogd van het Provenhuis, luitenant en kapitein van de schutterij en woonde in de Breedstraat. Willem Sijbrandsz Groes, geboren in 1581, werd raad, schepen, burgemeester, dijkgraaf van Drechterland, voogd van Aalmoeshuis en Oude Armenweeshuis en woonde eveneens in de Breedstraat. Hier loopt het stedelijk bestuur naar de dijkgraafschappen: de burgemeester is niet alleen man van stadhuis en kerk, maar ook van polder en dijk.

Groota verdiept die lijn nog sterker. Wijbrand Gerbrandsz Groota, raad, schepen, negenmaal burgemeester, commissaris van echtstaat, voogd van Aalmoeshuis, Oude Armenweeshuis en Ziekenhuis, weesmeester en ouderling, woonde aan de Hoge Havendijk. Zijn vrouw Griet Dirksdr Brouwer verbindt hem met de Brouwer-laag. Hun zoon Gerbrand Wijbrandsz Groota woonde aan de Hoge Zuidhavendijk en was accijnsmeester en kapitein van de schutterij. Dirk Gerbrandsz Groota alias Brouwer werd in Cambodja samen met andere landzaten vermoord. Jan Wijbrandsz Groota kwam door schipbreuk in de Archipel om en wordt in de bron genoemd als eerste admiraal van het Noorderkwartier en als ervaren zee- en krijgsman. In Groota zit de stad dus op haar scherpst: Havendijk, burgemeesters, OIC, schutterij, accijnzen, Indië, Cambodja, schipbreuk en kerkgraven.

Guldenarm maakt opnieuw zichtbaar hoe zorgbestuur en regentenfamilie samenvallen. Jacob Hendriksz Guldenarm, raad, schepen, zevenmaal burgemeester, bewindhebber van de OIC, bezitter van ambachten, voogd van Aalmoeshuis, weesmeester, ouderling en kapitein van de schutterij, trouwde eerst met Aafje Pieters Prick en daarna met Cornelisje Dirksdr. Zijn dochter Teetje Guldenarm was negenentwintigmaal moeder van het Provenhuis. Zij huwde achtereenvolgens met Gerrit Jansz van Loosen, burgemeester Roemer Fransz Cant, burgemeester Maarten Roos en burgemeester Hendrik Cornelisz van Schaak. In haar persoon wordt de zorglaag bijna een bestuurlijke as: Provenhuis, Van Loosen, Cant, Roos en Van Schaak komen samen.

Haak is een van de sterkste Enkhuizer regentenlagen in dit tussenverhaal. Cornelis Hendriksz Haak, raad, schepen, negenmaal burgemeester, thesaurier, weesmeester, diaken, ouderling en kapitein van de schutterij, woonde aan de Nieuwe Haven. Zijn zoon Hendrik Cornelisz Haak woonde aan de Paktuinen. Cornelis Haak, zoon van Hendrik, was compagnon met zijn broer Albert in de haringrederij, schepen, voogd van Oude Armenweeshuis en Provenhuis, weesmeester, diaken, ouderling en kapitein van de schutterij. Zijn vrouw Luitje Willems was vijftienmaal moeder van het Oude Armenweeshuis. Albert Haak werd koopman en reder, secretaris, secretaris van de Admiraliteit, waard in herberg De Munt van West-Friesland, raad, burgemeester, bewindhebber van de OIC, negenentwintigmaal voogd van het Ziekenhuis en ouderling. Zijn vrouw Catrina of Trijntje van Loosen was vijfentwintigmaal moeder van het Ziekenhuis. Hun nageslacht raakt aan Backer, Van Schaak, Bolk, Van Oud, WIC, OIC, Admiraliteit, Hondsbossche, Munt en Oude Westerstraat.

Dirk Haak, zoon van Pieter Haak en Aafje van Vossen, is een kernfiguur van de achttiende-eeuwse koopstad. Hij was reder en handelaar op alle Europese en overzeese havens, raad, schepen, dertienmaal burgemeester, bewindhebber van de OIC, voogd van het Ziekenhuis, kerkmeester en kapitein van de schutterij. Zijn correspondentie wordt genoemd in verband met het boek Met snee jagt en kake van wint. Andries Haak was brouwer in ’t Witte Hart in de Westerstraat, mede-eigenaar van brouwerij De Gekroonde Ster, brouwerij Fles en Swaan en Heero’s Taanhuis. Hier is de stad weer tastbaar: bier, taan, haring, reders, schutterij en de Oude Westerstraat.

Haga brengt de Amsterdamse koopman naar Enkhuizen. Jan Dirksz Haga, uit Schiedam, koopman te Amsterdam, kwam omstreeks 1617 naar Enkhuizen, werd schepen, bezitter van ambachten, voogd van het Aalmoeshuis en bewindhebber van de OIC. Hij trouwde met Marij Jans van Loosen, die eenendertigmaal moeder van het Provenhuis was. Hun dochter Jacomina Haga trouwde met Hilbrand Claasz Blaeuhulck. Dirk Haga werd advocaat, raad, schepen, burgemeester, bewindhebber van de OIC en weesmeester. Zijn zoon Johan Haga was reder, raad, burgemeester, bewindhebber van de OIC, raad van de Admiraliteit en bibliothecaris van de Librije. Hendrik Haga erkende natuurlijke kinderen bij Aletta de Loos; uit die lijn kwam Fredrik Hendriksz Haga, haringreder, raad, burgemeester, commissaris van pilotage benoorden de Maas en gecommitteerde bij de Admiraliteit. Zo draagt Haga tegelijk koophandel, bestuur, OIC, Admiraliteit, bibliotheek, natuurlijke kinderen en Van Loosen in zich.

Halfhoorn brengt de zeeoorlog en de koopvaart binnen. Lammert IJsbrandsz Halfhoorn was schipper en kapitein op het schip De Hollandsche Tuijn. Jan IJsbrandsz Halfhoorn alias Baes was kapitein. Jan Jansz Halfhoorn overleed eind 1665 in gevangenschap in Engeland. IJsbrand Halfhoorn, zoon van Barent IJsbrantsz, was schepen, commissaris kleine zaken, weesmeester, voogd van Provenhuis en Ziekenhuis, diaken, ouderling en kapitein van de schutterij. Hij woonde in de Schrijvershoek en trouwde met Diewertjen Thijs Timman, die in 1652 aan de pest overleed. Hun dochter Catharina Halfhoorn trouwde met Siewert Fredriksz Lakenman. Zo raakt Halfhoorn aan Timman, Lakenman, schutterij, zeevaart, pest en grafsteen.

Hoek legt de Nieuwe Haven open. Gerrit Timonsz Hoek was gehuwd met Trijntje Pietersdr Timman. Hun dochter Veerduw Gerritsdr Hoek woonde aan de Nieuwe Haven en trouwde met kapitein Jacob Jansz Schrobob. Hun dochter Meijnsje Jacobsdr Schrobob werd zesentwintigmaal moeder van het Nieuwe Armenweeshuis en trouwde met muntmeester Gerrit Dirksz van Romond. Pieter Gerrits Hoek woonde eveneens aan de Nieuwe Haven en trouwde met Catharina van Gent, die eenentwintigmaal moeder van het Provenhuis was. Hun dochter Catharina Hoek trouwde met schepen Nicolaas Slijper. De familie Hoek is dus een havenfamilie, maar met sterke verbindingen naar munt, regenten, vrouwenbestuur, schutterij en het Provenhuis.

Hof in ’t hoort bij 1572. Jacob Jacobsz Hof in ’t was tijdelijk burgemeester op 21 mei 1572. Claes Jacobsz Hof in ’t had zijn kind omstreeks 1567 gereformeerd laten dopen. Jacob Cornelisz Hof in ’t trok met een vendel burgers in 1572 naar Medemblik om ook die stad aan de zijde van de Prins te brengen. In deze familie klinkt de overgang van katholieke stad naar gereformeerde opstandsstad, niet als abstract kerkverhaal, maar in doop, vendel, burgerij en Medemblik.

Hoochvorst brengt chirurgijn en schout samen. Jan Willemsz Hoochvorst was schout van 1550 tot 1558 en stadschirurgijn in 1556. Hoogenhuijze brengt de Latijnse school en boekhandel: David van Hoogenhuijze was rector van de Latijnse School te Enkhuizen en later te Utrecht en Rotterdam, en werd boekhandelaar in de Lombardstraat te Rotterdam. Via Margaretha van Waesberghe en de familie Van der Mast raakt ook deze laag aan Elsevier.

Hoogland bewaart de baanman-, zoutzieder- en bestuurslaag. Cornelis Dirksz Hoogland, ook Keetman of Soutsieder genoemd, was baanman tot 1602, twaalfmaal schepen, commissaris van echtstaat, voogd van Aalmoeshuis, weesmeester en woonde in de stad met land in Blokker. Zijn nageslacht loopt via Volkert Hoogland, Cornelis Hoogland, Lucas Hoogland, Margaretha Hoogland, Roukama, Borst en Van Berensteyn door. Hoogtwoud brengt de Dijk, het Oude Armenweeshuis en de Zuiderhavendijk samen: Maarten Jansz Hoogtwoud was commissaris van kleine zaken en voogd van het Oude Armenweeshuis. Walig Hoogtwoud werd schepen, commissaris van echtstaat, voogd van Oude Armenweeshuis en Provenhuis en woonde op de Dijk. Zijn vrouw Dieuwertje Meinerts Mossel, van de Zuiderhavendijk, was vijftienmaal moeder van het Provenhuis. Hun dochter Catharina Hoogtwoud was dertienmaal moeder van het Provenhuis en trouwde met burgemeester Pieter van Vossen.

Hooman draagt de medische en bestuurlijke traditie door. Jan Fransz Hooman was chirurgijn, raad, schepen, burgemeester, kerkmeester en ouderling. Zijn zoon Frans Jansz Hooman trouwde met Griet Allerts Semeyns, die zesentwintigmaal moeder van het Ziekenhuis was. Hun zoon Johan Hooman werd raad, schepen, burgemeester, kerkmeester, weesmeester, ouderling en gecommitteerde bij de Admiraliteit. Zijn dochter Geertruid Hooman trouwde met predikant Petrus Elzevier. Daarmee vloeit Hooman naar Elsevier; chirurgie en kerk, ziekenhuis en drukkerij, Enkhuizen en Amsterdam raken elkaar.

Houtkoper staat bijna als een stamvader van de Enkhuizer bestuursstad. Willem Cornelis Houtkoper de Jonge, geboren in 1555, was houtkoper, raad, schepen, negentienmaal burgemeester, bewindhebber van de OIC, commissaris van echtstaat, voogd van Aalmoeshuis, Provenhuis en Ziekenhuis, ouderling en lidmaat in 1573. Hij woonde aan de Oosterhaven met Trijn Pieters Potter. Zijn kinderen verbinden Houtkoper met Potter, Hartshooft, Brouwer, Dol, Proost, Haak en Van Loosen. De Houtkoper-laag is daardoor niet alleen handel in hout, maar ook OIC-bestuur, kerkbestuur, zorg, schutterij en huwelijkspolitiek.

Hovius geeft de predikanten- en doctorslaag. Jacobus Hovius was predikant te Benningbroek, Wormer en Enkhuizen, waar hij van 1652 tot 1674 stond. Zijn zoon Abraham Hovius werd predikant te Stavoren en Andijk. Petrus Hovius werd medisch doctor, schepen, commissaris kleine zaken, diaken en ouderling. Hij trouwde met Geertje van Bergen; hun zoon Jacobus Hovius werd stadsdoctor van Enkhuizen en later burgemeester te Stavoren. Hovius laat zien hoe predikanten, artsen en stadsbestuurders niet naast, maar door elkaar in dezelfde familiegeschiedenis lopen.

Hulk van der brengt weer de oudere, hardere stad naar voren. Fredrik van der Hulk was mogelijk schout en schepen. Frans Fredriksz van der Hulk, geboren in 1472, werd in 1532 vermoord tussen Purmerend en Hoorn, na schepen- en burgemeesterschappen. Huygh brengt vervolgens scheepsbouw, WIC, OIC, burgemeesters, vrouwenbestuur en internationale uitwaaiering. Jan Cornelisz Huygh, Oude Jan Timmerman, afkomstig uit Edam, was scheepsbouwer, raad, schepen, voogd van het Oude Armenweeshuis, voogd van het Provenhuis en kerkmeester. Zijn zoon Cornelis Jansz Huygh woonde in De Jonge Prins aan de Zuiderhavendijk. Floris Cornelisz Huygh werd schepen, bewindhebber van de WIC, voogd van Aalmoeshuis en Ziekenhuis, weesmeester, ouderling en kapitein. Pieter Cornelisz Huygh was schepen, kerkmeester, bewindhebber van WIC en OIC en kapitein van de schutterij. Hendrik Pietersz Huygh werd burgemeester; zijn vrouw Freekje Olfertsdr Druyf was zevenendertigmaal moeder van het Oude Armenweeshuis. Cornelis Pietersz Huygh werd hoofdofficier, en zijn zoon Pieter Huygh voer in 1693 met het schip Nieuwland naar Indië en schreef een reisverslag aan zijn neef Gerbrand Blaeuhulck. Zo staat Huygh precies tussen scheepswerf, stadshuis, WIC, OIC, vrouwenbestuur en reisverhaal.

De Jong, De Jongh en Jongknecht vormen samen een breed netwerk van Breedstraat, wijnkoop, schepenambt, ziekhuisvoogdij, Provenhuis en adellijke of heerlijke verbindingen. Fredrik Willemsz de Jong, wijnkoper, raad, schepen, burgemeester, voogd van het Ziekenhuis, diaken, ouderling en gecommitteerde van de Admiraliteit, woonde in de Breedstraat. Zijn nageslacht sluit aan bij Groen, Kock en Willink. De oudere De Jong-lijnen raken aan Graeuwerts, Blaeuhulck, Rootvelt en Landman. Jongknecht komt via Ariën Cornelisz Jongknecht en Mensgen Willems van Couwenhoven, dochter van Willem Adriaensz van Couwenhoven, heer van Holy. Cornelis Ariënsz Jongknecht werd heer van Holy en koopman te Enkhuizen. Zijn zoon Adriaen Jongknecht werd student te Leiden, raad, schepen, burgemeester en penningmeester van de Grote Visserij. Zo schuift heerlijkheid Holy naar de Enkhuizer koopstad.

Karsseboom is een lange boom met meerdere stammen: Amsterdam, Edam, Broek in Waterland en Enkhuizen. De Enkhuizer Karsseboom-laag is zeer concreet: Pieter Willemsz Karsseboom en Jantje Wiggersdr woonden sinds 1577 in huis De Karsseboom aan de Zuiderhavendijk 38, waarvan de gevelsteen genoemd wordt. Simon Pietersz Karsseboom was schipper op het schip De Carsseboom van zestig last en koopman. Jan Simonsz Karsseboom was zeilmaker. Pieter Jansz Karsseboom, kapitein van de Admiraliteit van het Noorderkwartier, voerde bevel op het schip Het Wapen van Enkhuizen met tweeënzeventig kanonnen in de Vierdaagse Zeeslag onder De Ruyter bij Duinkerken. Zijn wapenbord hing in de Westerkerk en in de Breedstraat hing een geschilderd portret van hem. Zijn elf kinderen overleden allen jong. De glorie van admiraliteit en zeeoorlog staat hier naast de harde kindersterfte van het huis.

Andere Karsseboom-lijnen lopen naar zadelmakers, ziekentroosters, VOC-reizen, Batavia, Den Haag en Amsterdam. Pieter Hendriksz Karsseboom was meester-zadelmaker, diaken en woonde aan de Nieuwe Hange. Zijn dochter Hendrikje Karsseboom trouwde met Hendrik Heijligers, die als ziekentrooster op het VOC-schip Ritthem naar Batavia voer en later met de Merenberg terugkeerde. Jan Karsseboom, kapitein, woonde aan de Breedstraat en later Westerstraat; via Geertjen Pouwels Bobbert raakt hij aan Bobbert en Backer. Zo worden zeilmakerij, kapiteinschap, zadelmakerij, VOC-dienst en straatbewoning één familieveld.

De Keyser-laag is tweedelig. Jan de Keyser, wonend aan de Havendijk, trouwde met Lijsbet Sacharias, mogelijk uit de l’Epie-laag. Pieter Cornelisz Keyser, inde Parsse of Pers, was lakenkoper, schout van 1590 tot 1599, schepen, voogd van het Aalmoeshuis, ouderling en luitenant van de schutterij. Keyserskint brengt wijn, brouwerij en overzee. Gerrit Cornelisz Keyserskint was schepen, voogd van Aalmoeshuis en Provenhuis en ouderling. Reijer Gerritsz Keyserskint was zeilmaker, wijnkoper en stichter van brouwerij De Keizerscroon aan de Paktuinen tussen 1640 en 1650, met de gevelsteen aan Prinsenstraat 12. Hij kreeg attestatie voor vertrek naar Brazilië en vertrok later naar Oost-Indië. Zijn zoon Cornelis Reijersz Keijserskint voer in 1658 met de fluit Ulissus naar de Oost en kwam in 1659 aan de Kaap. De Paktuinen, brouwerij en wereldzee liggen hier naast elkaar.

Kikkert trekt een lijn van Soest in Westfalen naar Enkhuizen en Texel. Albert Heijndricksz Kikkert kwam uit Soest, was schoenmaker en trouwde in 1601 in Enkhuizen. Pieter Albertsz Kikkert werd chirurgijn, lid van het chirurgijnsgilde, overman en deken. Albert Lambertsz Kikkert werd meester-zeilmaker, voogd van het Leprozenhuis, voorzitter van de Grote Krijgsraad en kapitein van de schutterij. In 1682 vertrok hij naar Texel, waar hij kastelein en strandvonder werd, mogelijk in het Eierlandse Huis of in zijn huis dat later herberg De Vergulde Kikkert aan de Nieuwstraat in Den Burg werd. Hij bezat ook De Koning van Polen in de Binnenburg en De Zeven Provinciën te Oudeschild, waar Tromp en De Ruyter verschenen wanneer hun schepen op de Rede lagen. Zo loopt de Enkhuizer zeilmaker en schutterijofficier door naar Texel, strandvonderij, herberg en maritieme herinnering.

Kluppel is een hoge achttiende-eeuwse regentenlaag. Johan Kluppel was schepen, commissaris kleine zaken, commissaris echtstaat, voogd van het Ziekenhuis, kerkmeester, ouderling, kapitein van de schutterij en hoogheemraad van de Hondsbossche en Duinen tot Petten. Hij woonde aan de Oude Westerstraat 84 en trouwde met Petronella van Vossen, die negentienmaal moeder van het Provenhuis was. Hun zoon Andries Kluppel werd raad, schepen, zeventienmaal burgemeester, bewindhebber van de Nieuwe WIC, voogd van het Oude Armenweeshuis, weesmeester, equipagemeester, ontvanger van de gemene landsmiddelen, griffier van de Munt en hoofdingeland van de Hondsbossche. Hij liet de panden aan de Oude Westerstraat slopen en het latere Van Bleijswijkhuis bouwen. Zijn vrouw Weijntje van Loosen was zevenendertigmaal moeder van het Ziekenhuis. In de volgende generatie lopen Jan Andries Kluppel, Margaretha Petronella Verbruggen, Andries Jacob Kluppel, Snouck, Alkmaar, Hondsbossche, Zijpe, Leiden, Zaltbommel, Java en Haarlem door elkaar. Maria Cornelia Kluppel trouwde met burgemeester Anthony Blok en was eenendertigmaal moeder van het Ziekenhuis. Kluppel is daardoor een scharnier tussen Van Vossen, Van Loosen, Blok, Hondsbossche, WIC, Munt, Alkmaar en Java.

Kock brengt het geschreven stadsverhaal zelf binnen. Pieter Pietersz Kock de Jonge was zeilmaker, procureur, notaris, schepen, voogd van het Ziekenhuis, kapitein van de schutterij en schrijver van de eerste Historie van Enkhuizen in 1603, uitgegeven bij stadsdrukker Jasper Tournay. Hij woonde aan de westzijde van de Breedstraat. In hem staat de stad niet alleen in bestuur en handel, maar ook in tekst: Enkhuizen begint zichzelf op schrift te bewaren.

Daarna volgen Koning, Koningsvelt, Kraker en Kuiper als lagen van negentiende-eeuwse voortzetting, onderwijs, drukwerk en ambacht. Cornelis Jansz de Koning uit Dordrecht werd apotheker, koopman, raadslid, schepen en ouderling in Enkhuizen. Zijn lijn raakt aan Schuit, Roldanus, De Vroom, Feith, Bakker de Wit en de Noorderbegraafplaats. Jan Mieuwesz Koningsvelt was schoolmeester in Rockanje, Delft, Maasland, Vlaardingen, Zwartewaal en Enkhuizen, en notaris te Enkhuizen. Zijn zoon Abraham Jansz Coningsvelt werd schilder en lid van het schildersgilde te Dordrecht, keerde terug naar Enkhuizen en bracht de kunstlaag in de stad. Kraker begint met Gerrit Cornelisz Kraker, voogd van het Leprozenhuis, kapitein van de schutterij en lidmaat in 1572. Via Cornelis Kraker, Gerrit Kraker, Kenou Kraker en Andries Buyck loopt de lijn naar Oost-Indië, Zwolle, De Vos en Langedijk. Kuiper brengt de drukkerij terug: Jan Dirksz Kuiper was drukker in de Gekroonde Drukkerij op de hoek Paktuinen-Brugstraat, leerde het vak bij Willem Everts en nam diens zaak over. Zijn zoon Dirk Kuiper zette de drukkerij voort en vestigde zich in de Westerstraat met In de Gekroonde Bijbel. Trijntje Jacobs de Jongh zette na zijn overlijden de drukkerij voort. Hun zoon Jacob Dirksz Kuiper werd drukker, boekverkoper, schepen, commissaris van echtstaat, voogd van het Provenhuis, luitenant van de schutterij, waagmeester en collecteur op de impost. Enkhuizen wordt hier een stad van boekdrukkers, schoolmeesters, voorzangers en uitgevers.

Lakenman is een sleutelnaam omdat deze familie bestuur, zee, Teet Luitjes Fonds, Van Adelen, Van Loosen, Halfhoorn en Huygh met elkaar verbindt. Siewert Luitjesz Lakenman alias Van Adelen, zoon van Luitje Siewertsz van Adelen en Soutje Siewertsdr Schipper, woonde aan de Lage Havendijk en had volgens de verponding van 1630 een huis in de Westerstraat tussen Oude Doelen en Weeshuis. Fredrik Jansz Lakenman alias Seilemaker was raad, schepen, burgemeester, commissaris van echtstaat, voogd van Aalmoeshuis, Provenhuis en Ziekenhuis, weesmeester, diaken en ouderling. Zijn zoon Siewert Fredriksz Lakenman werd raad, schepen, kerkmeester, voogd van het Oude Armenweeshuis, diaken, ouderling en luitenant van de schutterij. Frederik Siewertsz Lakenman werd schout. Siewert Fredriksz Lakenman, secretaris, beheerde het Teet Luitjes Fonds en trouwde met Catharina Halfhoorn. Frederik Lakenman, geboren in 1677, werd reder, raad, hoofdofficier, schepen, burgemeester, baljuw te Grootebroek, bewindhebber van de OIC, rekenmeester van de Generaliteit en commissaris-generaal van convooien. Hij nam de slaaf uit Indië Cupido van Bougis in huis, die via Texel in Enkhuizen was beland en in 1725 werd gedoopt als Cornelis Valentijn. Dat detail maakt de Lakenman-laag groter dan alleen regentenbestuur: hier komt de koloniale werkelijkheid letterlijk het huis binnen.

De latere Lakenman-lijn brengt de negentiende eeuw en de Snouck van Loosen-wereld dichterbij. Seger Lakenman, sergeant van de schutterij, trouwde met Willemijntje van Zeijst. Wander Lakenman werd diaken. Seger Lakenman, makelaar, trouwde met Theodora Ringh. Hun zoon Wander Lakenman werd beheerder van het Snouck van Loosenfonds; zijn vrouw Maria Alida Huffmeyer was voorzitster van het bestuur van het Snouck van Loosen Ziekenhuis. Hun portretten hangen op Dijk 36. Zo loopt de oude Lakenman-laag door tot in de moderne herinnering van het ziekenhuis en het fonds.

Landman sluit daarop aan als school-, boek- en notarislaag. Cornelis Pietersz Landman was raad, schepen, burgemeester, bezitter van ambachten, weesmeester en kapitein van de schutterij. Riewert Jansz Landman was notaris, boekverkoper in In de Gulden Schrijfpen aan de Oude Westerstraat, voorzanger en schoolmeester. Juriaen Riewertsz Landman was notaris, voorzanger en boekverkoper op de Nieuwe Markt, In de Bijbel na de laatste Correctie, Westerstraat 155. Hij gaf de Historie van Enkhuizen van Hendrik Pietersz Advocaat uit in 1660, gedrukt door Willem Everts aan de Paktuinen. Dirk Landman werd boekdrukker, voorzanger en schoolmeester van de Kapelleschool. Daarmee wordt ook de Landman-familie een drager van stadsgeheugen: school, kerkzang, boekwinkel, notariaat en geschiedschrijving staan naast elkaar.

Daarna wordt Van Loosen de grote brug naar de latere Enkhuizer herinneringsstad. De familie loopt van Paktuinen, Nieuwe Haven, Oude Westerstraat, Wierdijk, Dijk, Noord, Oude Rietdijk en Kuipersdijk naar OIC, VOC, Ternate, Batavia, Beemster, Welgelegen, WIC, Suriname, Den Helder, Zuid-Afrika en uiteindelijk de Snouck van Loosen Stichting. Laurens Jansz van Loosen voer in 1645 als opper-commies met de Leeuwarden naar Batavia en vandaar met de Maastricht naar Ternate, waar hij in 1646 overleed. Welmetjen Jans van Loosen was negenentwintigmaal moeder van het Nieuwe Armenweeshuis en trouwde eerst met secretaris Fredrik Cornelisz Lakenman en daarna met schepen Jacob Pietersz Wit. Hiltjen Jans van Loosen was brouwster en vijfmaal moeder van het Oude Armenweeshuis. Pieter Jansz van Loosen was soldijboekhouder van de OIC, schepen, weesmeester, commissaris kleine zaken, voogd van het Ziekenhuis en kapitein van de schutterij. Zijn dochter Aafje Pieters van Loosen was negenendertigmaal moeder van het Oude Armenweeshuis.

Jan Pietersz van Loosen, koopman, raad, schepen, zevenmaal burgemeester, kassier van de OIC, ouderling, rekenmeester van de gereformeerde kerk, raad van de Admiraliteit en hoogheemraad van de Beemster, werd een grote grondeigenaar. Zijn naam en wapen stonden op de penning van honderd jaar Beemsterpolder. Hij trouwde met Aafje Blaeuhulck Semeyns, die vijftienmaal moeder van het Provenhuis was. Hun zoon Dirk Semeyns van Loosen werd koopman, raad, schepen, burgemeester, bewindhebber van de OIC, voogd van het Oude Armenweeshuis, weesmeester, hoofdingeland en heemraad van de Beemster. Hij erfde Langewijk in de Beemster en kocht in 1751 het naastgelegen Welgelegen. Zijn vrouw Maria Bontekoning was negenenveertigmaal moeder van het Oude Armenweeshuis. Zij lieten in 1741 het huis op de Dijk bouwen met hun wapens op de gevel, later het tehuis voor deftige weduwen van de Snouck van Loosen Stichting.

Dirk Elias van Loosen maakt de overgang naar het einde van de oude regentenstad. Hij werd raad, schepen, burgemeester, bewindhebber van de WIC, raad van de Admiraliteit, penningmeester van de Grote Visserij, commissaris van de WIC-handel, voogd van Provenhuis en Ziekenhuis en directeur van de Sociëteit van Suriname. Hij woonde eerst aan de Kuipersdijk en later aan de Wierdijk, in een kapitaal pand dat in 1885 afbrandde. Zijn dochter Cornelia Petronella van Loosen trouwde met Samuel Snouck. Hun kinderen werden Snouck van Loosen genoemd. Margaretha Maria Snouck van Loosen, overleden in 1885, liet haar vermogen na in de Snouck van Loosen Stichting. Daardoor kwamen de wapenschilden op de poort van het Snouck van Loosenpark en boven de ingang van het ziekenhuis. Haar voorvaderlijke woning op de Dijk werd een tehuis voor deftige weduwen. In haar eindigt een familielijn, maar begint tegelijk een stedelijke instelling.

Naast de grote regenten Van Loosen bestaat ook de kleine, werkende Van Loosen-laag. Jan Albertsz van Loosen was meester-blokkenmaker en woonde aan de Oude Westerstraat. Zijn zoon Pieter Jansz van Loosen, koopman op het Noord, trouwde met Aaltje Hellingman, vroedvrouw, later wonend te Callantsoog. Uit deze lijn kwamen schippers, viskopers, vissers, trawlerschippers, visverkopers, mensen in Den Helder en Zuid-Afrika. Jochem van Loosen, schipper, trouwde met Pietertje Kloppenburg uit Opperdoes. IJsbrand van Loosen werd visser en werkman in Den Helder. Jochem van Loosen, geboren in 1878, werd visser, trawlerschipper en visverkoper. Laurens van Loosen, geboren in 1908 te Velsen, werd sluismeester en opstapper van de KNZHRM van 1945 tot 1969. Jochem van Loosen, geboren in 1930 te Den Helder, werd hoofdambtenaar bij de Accountantsdienst van het Ministerie van Defensie en genealoog van de familiestamboom. Zo blijft dezelfde naam bestaan buiten het regentenhuis: aan boord, bij de vis, bij sluizen, in Den Helder en in familieonderzoek.

Loots vormt tenslotte de lange ambachts- en burgerlaag naast die regentenwereld. Jan Cornelisz Loots was haringkoopman, raad, schepen, zevenmaal burgemeester, bewindhebber van de OIC, kerkmeester, weesmeester, ouderling en kapitein van de schutterij. Maar de bredere Loots-lijn laat vooral kuipers, grutters, gortmolenaars, broodbakkers, metselaars, arbeiders, veehouders en landmannen zien. Tjark Jansz Loots en zijn nageslacht lopen via kuipers en gortmolenaars naar de Oude Rietdijk, Westerstraat, Wz-419 en Wn-113. Gerrit Gerritsz Loots de Jonge was meester-kuiper en voorzanger. Dirk Gerritsz Loots was kuiper en diaken. Roelof Gerritsz Loots was grutter in De Sleutel. Jan Roelofsz Loots werd molenmeester, diaken, ouderling en luitenant van de schutterij. IJsbrand Roelofsz Loots was grutter en koehouder. Jan IJsbrandsz Loots de Jonge werd broodbakker en later komen predikanten, banketbakkers, fotografen, landbouwers, veehouders, arbeiders, metselaars en aannemers uit deze lijn. Roelof Jansz Loots werd banketbakker en fotograaf te Medemblik. Andere takken verplaatsen zich naar Alkmaar, Berkhout, Schoonhoven, Den Helder, Diemen en Bloemendaal.

Zo staat Loots naast Van Loosen als tweede slottoon. Waar Van Loosen de grote regentenboog maakt van OIC, WIC, Beemster, Suriname en Snouck van Loosen, bewaart Loots de werkvloer van de stad: kuipen, grutten, bakken, metselen, vee houden, land bewerken, zingen in de kerk en dienen als diaken. Samen laten zij zien dat Enkhuizen niet alleen werd gedragen door burgemeesters en bewindhebbers, maar ook door vrouwen in zorgbesturen, schippers, chirurgijns, boekdrukkers, schoolmeesters, vroedvrouwen, blokkenmakers, grutters, kuipers, bakkers, vissers en knechten.

In dit tussenverhaal wordt Enkhuizen een stad van lagen. De oude ridderlijke wapens hangen boven grafstenen. De boekdrukkers van Elsevier, Kock, Kuiper en Landman bewaren woorden. De chirurgijns van l’Epie, Hooman, Kikkert en Robbé bewaren lichamen. De Haaks, Haga’s, Houtkopers, Huyghs, Lakenmans, Kluppels en Van Loosens bewaren bestuur, handel en huizen. De vrouwen — Sou Willems Groes, Teetje Guldenarm, Luitje Willems, Catrina van Loosen, Aafje Backer, Catharina Haak, Eva Hendriks Haak, Marij Jans van Loosen, Cornelia Moeskoker, Grietje Huygh, Freekje Druyf, Welmetjen van Loosen, Aafje Pieters van Loosen, Maria Bontekoning, Meijnoutje Pan, Margaretha Petronella Verbruggen, Weijntje van Loosen, Maria Cornelia Kluppel en vele anderen — dragen de zorginstellingen door tientallen jaren moederschap, voogdij en beheer.

Daarom leest deze genealogie niet als een rij namen, maar als een plattegrond van macht, arbeid, geloof, zorg en herinnering. De ene lijn eindigt in Batavia, Ternate, Cambodja, Kaapstad, Suriname, Den Helder of Zuid-Afrika; de andere blijft aan de Oude Westerstraat, het Venedie, de Paktuinen, de Wierdijk, de Nieuwe Haven of het Noord. Maar telkens keert de stad terug naar dezelfde ankers: kerk, graf, haven, huis, waag, brouwerij, drukkerij, weeshuis, provenhuis, ziekenhui

s, schutterij en dijk.

 

 

Herstel tussenverhaal — bladzijde 100–200, deel 1

Van Groot, Groota en Guldenarm naar de grote Haak-laag

In dit deel wordt duidelijk dat Enkhuizen niet alleen uit bekende burgemeesters en zeehelden bestond, maar uit dicht op elkaar liggende familievelden. De namen lopen niet netjes in losse vakken; zij kruisen elkaar via dochters, weduwen, grafrechten, zorginstellingen, brouwerijen, schutterijvendels, havendijken en huizen. Juist daarom mag deze laag niet te kort worden weergegeven. De genealogie is hier de sociale kaart van de stad.

Bij de Groot-laag begint dat al breed. Joost of Josina Wiggersdr, gehuwd met Maerten, heeft kinderen Joost Maertensz en Madelena Maertens. Madelena overlijdt op 15 maart 1610 en ligt bij Mb-65. Zij is gehuwd met Jan van der Wolff. Hun kinderen brengen de naam Van der Wolff verder de stad in: Wigger van der Wolf, overleden op 20 maart in graf Mb-66; Maerten Jansz van der Wolf, overleden op 5 maart 1662 in Mb-65 en kapitein van de schutterij in 1650; Barber van der Wolf, overleden op 8 februari 1670 in Mb-66; en mogelijk Jan Jansz van der Wolf, ontvanger in 1659 en burgemeester in 1660, 1662, 1663, 1668 en 1671. Bij hem wordt mogelijk Albrich Jans van der Wolf genoemd, overleden op 25 augustus 1717.

Daarnaast staat Madelena Wiggers, gehuwd met Volckert Fruvius of Frits, uit de lijn van Fredrik Volkersz Vrits en Suster Dirksdr Rootvelt. Hun kind Magdelena Volckerts houdt die verbinding vast. De bronverwijzingen — Bloys, Bruinvis, Dek, Navorscher, Privaat-tabellen, SVD en West-Friese bronnen — laten zien dat deze laag niet alleen familieoverlevering is, maar ook in grafboeken, kwartierstaten en genealogische notities is vastgezet.

Het wapen van Allert Groot Jansz geeft deze familie een oude, bijna ridderlijke uitstraling: gevierendeeld, in het eerste en vierde kwartier een rood en wit gemengde leeuw met barensteel, in het tweede en derde kwartier op rood zes gouden kepers, met als hartschild twee gouden olijftakken. De uitleg bij de zes kepers is veelzeggend: zij staan voor de zes ridderlijke deugden die een goed edelman hoorde te bezitten — gerechtigheid, dapperheid, gestadigheid, voorzichtigheid, lijdzaamheid en zachtmoedigheid. Volgens Hoveus in de Chronijk van Egmond zouden de zes gouden winkelhaken op rood al zijn verbonden met Radbout, eerste heer van Egmond. Voor Enkhuizen betekent dit dat families zich niet alleen via bezit of ambt presenteerden, maar ook via herkomst, wapenbeeld en morele taal.

Daarna loopt de Groot-laag door in bredere verwantschappen. Hermtjen Cornelis Kerk verschijnt in de aansluiting, net als Claes Hendriksz Boonemes, gehuwd met Impje Pietersdr. Hun vier kinderen overlijden jong. Ook Antje Hendriksdr Boonemes, gehuwd met Albert Hermsz, Marij Hendriksdr Boonemes, gehuwd met Gerbrand Meinertsz Toffelman, Geertje Hendriksdr Boonemes, gehuwd met Freek Lenertsz, Aafje Hendriksdr Boonemes en Jantje Hendriksdr Boonemes laten zien hoe zo’n familie niet één rechte lijn is, maar een waaier van dochters die via huwelijken nieuwe huizen en beroepen verbinden.

Marij Hendriksdr Boonemes en Gerbrand Meinertsz Toffelman krijgen onder meer Meijnert Gerbrantsz, gehuwd met Anna Jelles, en Enemoer Gerbrants, gehuwd met Cornelis Woutersz. Geertje Hendriksdr Boonemes en Freek Lenertsz krijgen onder anderen Griet Fredriks, Hendrik Fredriksz, Fredrik Fredriksz en Antjen Fredriks. Aafje Hendriksdr Boonemes woont aan de Breedstraat en trouwt op 28 oktober 1612 met Freek Pietersz Visse, geboren in 1585 en wonend bij de Nieuwe Hangen. Hun kinderen — Pieter Fredriksz, Freekjen Fredriks, Jan Fredriksz, Hendrik Fredriksz, Jannetjen Fredriks, Pieter Fredriksz, Cornelis Fredriksz, Griet Fredriks en Teunis Fredriksz — geven de lijn een gewone, stedelijke huiselijkheid. De doopgetuigen, zoals Jan Guerts, Anne Pieters, Jan Evertsz en Jannetje Everts, maken zichtbaar hoe buren en verwanten bij geboorte en kerkelijk leven aanwezig waren.

Jantje Hendriksdr Boonemes trouwt met Hermen Heddesz. Hun kinderen zijn Griet Hermens, gehuwd met Fredrik Lambertsz, en Hedde Hermensz. Zo gaat de naam via vrouwen verder, ook wanneer de familienaam Boonemes zelf naar de achtergrond verdwijnt.

Welmet Jansdr Groot vormt een volgende schakel. Zij trouwt met Pieter Pietersz. Hun dochter Segertje Pietersdr trouwt met Volkert Hendriksz Swaals. Uit die lijn komen Pieter Volkertsz Swaals, Jan Volkertsz Swaals en Welmet Volkertsdr Swaals. Pieter Volkertsz trouwt met Griet Willemsdr en krijgt onder anderen Willem Pietersz, geboren op 30 juni 1591 in Enkhuizen, Segertjen Pieters, Pieter Pietersz, Meijnu Pieters, geboren op 9 april 1598, en Jacob Pietersz Toorn alias Bruintjes. Die Jacob overlijdt op 31 maart 1664 in Zn-192 en is gehuwd met Brecht Cornelis, overleden op 23 juli 1663 in hetzelfde graf. Hun kind Pouwels Jacobsz Toorn alias Bruintjes trouwt met Dieutjen Everts, overleden op 20 juni 1698 in Zn-192. Zelfs de grafnummers blijven hier belangrijk: zij tonen hoe familiebezit, herinnering en kerkruimte aan elkaar vastzaten.

Ook Trijn Pietersdr, dochter van Welmet Jansdr Groot, gaat verder. Zij trouwt met Wouter Gerritsz. Hun dochter Vroutje Woutersdr trouwt met Cornelis Jansz. Uit die lijn komen Cornelismoer Cornelis, Cornelis Cornelisz, Trijn Cornelis, Jan Cornelisz, Welmet Cornelis, Wouter Cornelisz, Volkermoer Cornelis en opnieuw Cornelis Cornelisz. Trijn Cornelis trouwt met Pieter Joostensz; hun kinderen Geertjen Pieters en Cornelis Pietersz verbinden weer nieuwe gezinnen. Jan Cornelisz trouwt met Lud Brommers en krijgt Cornelis Jansz en Brommer Jansz. Volkermoer Cornelis trouwt met Herke Cornelisz, mogelijk dezelfde Herke Cornelisz in ’t Westend die in 1589 diaken was. Hier wordt zichtbaar hoe een bronlaag met veel namen toch een stadsverhaal is: men ziet doop, huwelijk, diaconaat, graf, beroep en buurt in elkaar grijpen.

De korte vermelding van Jan Mieuwesz Groot, overleden op 1 december 1674 in Zn-98, met zijn wapenbord in de Zuiderkerk, brengt een andere Groot-lijn in beeld. Hij is gehuwd met Beertjen Maertens, overleden op 3 maart 1681 in hetzelfde graf. Zijn wapen is anders: op groen een gekanteelde bruine dwarsbalk, boven vergezeld van een halve uitkomende gouden leeuw en beneden van een gouden bot op water, met als helmteken een geharnaste arm met zwaard. In zo’n wapen ligt opnieuw stadsbeeld: water, vis, krijg en aanzien.

Dan wordt Groota een grote bestuurslaag. Wijbrand Gerbrandsz Groota overlijdt in 1623 in Enkhuizen en wordt verbonden met Wn-313, Wn-314, Wm-329 of Wm-127. Hij is zoon van Gerbrand Groota en broer van Bart Gerbrandsz Groota, die gehuwd was met Suster Meinerts Semeyns. Wijbrand is raad van 1597 tot 1623, viermaal schepen tussen 1586 en 1598, negenmaal burgemeester tussen 1599 en 1622, commissaris van echtstaat in 1600, 1601 en 1605, voogd van het Aalmoeshuis in 1618 en 1619, negenmaal voogd van het Oude Armenweeshuis tussen 1587 en 1597, voogd van het Ziekenhuis in 1612, weesmeester in 1585 en 1621, ouderling in 1601 en 1621. Hij woont aan de Hoge Havendijk en is lidmaat op 6 april 1597. Dit is geen losse persoon, maar bijna een samenvatting van de Enkhuizer bestuurselite rond 1600.

Zijn huwelijk met Griet Dirksdr Brouwer maakt het nog belangrijker. Zij woont aan de Havendijk, is lidmaat op 1 september 1591 en is dochter van Dirk Jansz Brouwer en Luitjemoer Jacobsdr. Daarmee schuift Groota direct in de Brouwer-laag, dus in het netwerk van handel, bestuur, brouwerij, Opstand en oude Enkhuizer families.

Hun kinderen laten de kwetsbaarheid van zulke families zien. Luitjemoer Wijbrandsdr Groota, geboren op 28 februari 1584, overlijdt jong. Een tweede Luitjemoer, geboren op 21 juli 1585, overlijdt ook jong. Soutje en Luitjemoer, tweeling of gelijktijdig geboren op 2 december 1586, laten zien hoe namen opnieuw werden gegeven wanneer kinderen stierven. De latere Luitjemoer Wijbrandsdr Groota overlijdt op 11 november 1652 in Wm-269 en trouwt met Wigger Jansz, equipagemeester-constapel en voogd van het Provenhuis van 1643 tot 1648. Gerbrand Wijbrandsz Groota, geboren op 24 april 1588, overlijdt op 22 augustus 1650 in Zn-144 en bezit dat graf én Wm-239. Hij is accijnsmeester en kapitein van de schutterij B in 1640 en woont aan de Hoge Zuidhavendijk. Hij trouwt in 1619 met Reinertje Cornelisdr van de Oude Ossenmarkt.

Hun kinderen maken het verhaal overzee. Dirk Gerbrandsz Groota alias Brouwer, geboren op 6 augustus 1620, wordt in Cambodja samen met andere landzaten vermoord en overlijdt ongehuwd. Diew Gerbrandsdr Groota wordt geboren op 5 september 1621. Cornelis Gerbrandsz Groota, geboren op 11 december 1622, overlijdt op 7 januari 1692 in Wm-269. Een tweede Diew, geboren op 22 februari 1624, trouwt in Alkmaar met Erick Lourens Veldthuijsen en woont daar. Hun dochter Jacomijntjen Eriks Veldthuijsen overlijdt op 19 februari 1722 in Wm-269 en trouwt met Fredrik Olbrandsz Smetius alias Koperslager, zoon van notaris Olbrand Aukesz Smetius en Diewmoer Alberts. Hun kinderen voeren de naam Groota van de grootmoeder verder. Zo blijft de vrouwelijke lijn zichtbaar in de naamgeving.

Gerbrand Fredriksz Groota, geboren op 24 maart 1679, overlijdt op 17 september 1749 in Wm-269. Hij is vijfmaal diaken tussen 1709 en 1721 en elfmaal ouderling tussen 1724 en 1747, woont aan de Oude Westerstraat en trouwt op 16 mei 1701 met Adriaantje Lammens of Lamberts, overleden op 19 mei 1750 in Wm-269, wonend aan de Zuiderhavendijk. Hun kinderen zijn Lambert Groota, geboren op 1 juli 1708 en overleden op 1 oktober 1708 in Wn-314; Jacomijntjen Groota, geboren op 12 november 1710 en overleden op 16 november 1786 in Wm-269, wonend aan de Oude Westerstraat en in 1730 gehuwd met Anthony Stochius de Jonge; en Fredrik Groota, geboren op 3 september 1702, overleden op 19 oktober 1727 in Wn-314 en predikant te Twisk in 1725.

Wijbrand Gerbrandsz Groota, geboren op 21 november 1626, is schipper, woont aan de Paktuinen en gaat met schip en bemanning door schipbreuk verloren. Hij trouwt op jonge leeftijd, mogelijk vijftien jaar oud, op 17 november 1641 met Anne Jansdr van de Paktuinen. Hun kinderen zijn Garken Wijbrandsz en Cornelisjen Wijbrands. Ook hier is de Paktuinen-laag duidelijk: schippers, pakhuizen, havenwerk en grafboeken hangen samen.

Jan Wijbrandsdr Groota, geboren op 29 juni 1589, kan het Privilegie gebruiken via zijn vader en overlijdt door schipbreuk in de Archipel. In de bron wordt hij mogelijk als eerste admiraal van het Noorderkwartier en als dapper ervaren zee- en krijgsman genoemd. Egbert Wijbrandsdr Groota overlijdt jong. Jacob Wijbrandsdr Groota, geboren op 12 juli 1592, overlijdt op 13 september 1638 in Wn-313 en trouwt met Ebel Jansdr, overleden op 27 december 1666. Hun zoon Jan Jacobsz Groota, overleden op 20 maart 1684 in Wn-313, is negenmaal diaken tussen 1671 en 1684. Soutje Wijbrandsdr Groota, geboren op 7 januari 1596 en overleden op 5 september 1661 in Wn-328, trouwt met Reijer Gerritsz Keyserskint. Daarmee raakt Groota weer aan de brouwerij De Keizerscroon, de Paktuinen, Brazilië en Oost-Indië.

Na Groota komt Guldenarm, opnieuw een familie waarin bestuur en zorg sterk samengaan. Hendrik Jacobsz Guldenarm trouwt met Trijntje Floris. Hun zoon Jacob Hendriksz Guldenarm, geboren op 22 februari 1598 en overleden op 14 oktober 1654 in Wm-206, is raad van 1641 tot 1654, schepen in 1635, 1638 en 1641, zevenmaal burgemeester tussen 1643 en 1654, bewindhebber van de OIC in 1652, zevenmaal bezitter van ambachten tussen 1630 en 1637, voogd van het Aalmoeshuis in 1639, 1640 en 1642, driemaal weesmeester tussen 1644 en 1650, ouderling in 1637, 1644 en 1650 en kapitein van de schutterij K in 1640. Hij is dus volledig ingebed in de hoogste stedelijke bestuurslaag.

Zijn eerste huwelijk met Aafje Pieters Prick, overleden op 17 oktober 1633 in Zz-204, verbindt Guldenarm met Prick. Uit dit huwelijk komt Teetje Guldenarm, geboren op 4 april 1630 en overleden op 15 oktober 1694 in Wz-27. Zij is negenentwintigmaal moeder van het Provenhuis tussen 1666 en 1694. Haar huwelijken maken haar tot een knooppunt van regentenmacht: eerst in 1653 met Gerrit Jansz van Loosen, daarna in 1662 met burgemeester Roemer Fransz Cant, vervolgens in 1675 met burgemeester Maarten Roos en in 1677 met burgemeester Hendrik Cornelisz van Schaak. Zij heeft niet alleen een plaats in de genealogie; zij draagt bijna dertig jaar lang een stedelijke zorgfunctie en verbindt tegelijk Van Loosen, Cant, Roos en Van Schaak.

Jacob Hendriksz Guldenarm hertrouwt op 7 mei 1634 met Cornelisje Dirksdr, geboren in 1605 en overleden op 23 oktober 1660 in Wm-207. Zij is weduwe van Meijnert Gerritsz Mul. Uit dit tweede huwelijk komt Hendrik Jacobsz Guldenarm, geboren op 22 juli 1635 en overleden op 4 maart 1669 in Wm-207. Hij is commissaris kleine zaken in 1663 en voogd van het Provenhuis van 1664 tot 1669. Hij woont aan de Oude Buishaven en trouwt op 27 mei 1659 met Hiltjen Hendriks van Loosen, dochter van Hendrik Jansz van Loosen en Geert Simonsdr Brouwer. Daarmee komt opnieuw Van Loosen binnen. Hun kinderen overlijden jong: een kind in 1662, Jacob Hendriksz Guldenarm in 1667 en Geertruij Hendriks Guldenarm in 1674. Hiltjen van Loosen hertrouwt later met Pieter Claasz Westerbaan alias Baanman. Ook hier is weduwschap geen voetnoot, maar een manier waarop huizen, kinderen, grafrechten en vermogen opnieuw verbonden worden.

Aafje Guldenarm, geboren op 8 maart 1644 en overleden op 12 juni 1673 in Wm-206, woont aan de Breedstraat en trouwt in 1667 met schepen Lucas Maartensz Timmerman, wonend aan het Venedie. Hilletje Hendriks Guldenarm, overleden op 30 maart 1643 in Wm-37, trouwt met Olfert Pietersz Prick, diaken, ouderling en bewoner van de Sint Jacobsburgwal. Hun dochter Hiltje Olferts Prick trouwt in Venhuizen met predikant Elias Pietersz Agricola; IJfje of Eva Olferts Prick trouwt met Jan of Johan ten Broek. Daarmee raakt Guldenarm aan Agricola en Ten Broek, dus aan predikanten, apothekers en de medische kennislaag van Enkhuizen.

Dan begint de grote Haak-laag. Simon Haak huurt op 14 april 1586 een huis en trouwt met Neeltje Hendriksdr Gruyter, mogelijk dochter van Hendrik Gruyter, koopman, reder en bewindhebber van de OIC in 1602. Hun zoon Hendrik Simonsz Haak woont aan de Breedstraat en trouwt op 14 oktober 1590 met Griet Heertjedr of Heeres, geboren in 1556 en overleden op 27 mei 1641 in Wz-183. Zij woont aan de Oosterhaven en wordt mogelijk verbonden met Heertje Jansz Pan. Daarmee staat Haak vanaf het begin tussen Breedstraat, Oosterhaven, rederij en OIC.

Cornelis Hendriksz Haak, overleden op 24 april 1673 in Wm-167, is een van de grote Enkhuizer bestuurders. Hij is raad van 1629 tot 1673, schepen in 1631, negenmaal burgemeester tussen 1646 en 1669, tresaurier, vijfmaal weesmeester, diaken, elfmaal ouderling, luitenant en kapitein van de schutterij. Hij woont aan de Nieuwe Haven en trouwt op 28 mei 1617 met Sibrich Dirksdr, overleden op 6 juni 1661 in Wm-167, eveneens wonend aan de Nieuwe Haven. Hun kinderen brengen Haak naar Paktuinen, Oude Westerstraat, Admiraliteit, Ziekenhuis en OIC.

Hendrik Cornelisz Haak, geboren op 11 september 1622 en overleden op 24 december 1657 in Wm-204, woont aan de Paktuinen. Hij trouwt op 10 januari 1640 met Trijn Cornelis Houtkoper, geboren op 24 februari 1619 en overleden op 22 juni 1676 in Wm-204, wonend over het Venedie. Zij is dochter van Cornelis Willemsz Houtkoper en Griet Jans in de Engel. Hun kinderen laten opnieuw kindersterfte en bestuurlijke voortzetting naast elkaar zien: Cornelis Hendriksz Haak, geboren in 1641, overlijdt hetzelfde jaar; een tweede Cornelis overlijdt in 1642; maar Cornelis Haak, geboren op 25 september 1644 en overleden op 16 februari 1709 in Wm-401, wordt compagnon met zijn broer Albert in de haringrederij, zevenmaal schepen, commissaris kleine zaken, dertienmaal voogd van het Oude Armenweeshuis, twaalfmaal voogd van het Provenhuis, weesmeester, diaken, elfmaal ouderling, luitenant en kapitein van de schutterij. Hij woont aan de Paktuinen en trouwt op 19 mei 1665 met Luitje Willems, overleden op 12 januari 1698 in Wm-401, vijftienmaal moeder van het Oude Armenweeshuis en wonend aan de Nieuwe Haven. Zij hebben geen kinderen, maar hun zorgfunctie maakt hen toch tot dragers van stedelijke continuïteit.

Willem Haak, geboren op 24 juli 1646 en overleden op 6 juni 1672 in Zk-83, is commissaris kleine zaken, commissaris echtstaat, luitenant van de schutterij en woont aan de Paktuinen. Hij trouwt met Jannetje Harmens, dochter van chirurgijn Harmen Wijbrandsz en Pietertjen Dirks Puyt. Hun dochters Trijntje Haak en Pietertjen Haak trouwen beiden in de Van Schaak-laag: Trijntje met Cornelis van Schaak en Pietertjen met François Hendriksz van Schaak. Jannetje Harmens hertrouwt met Jan Barendsz Clooster, commissaris kleine zaken, zevenmaal voogd van het Ziekenhuis, diaken en bewoner van de Wierdijk. In één weduwe komen Haak, Puyt, Van Stralen, Clooster, Van Schaak en het Ziekenhuis bij elkaar.

Albert Haak, geboren op 12 mei 1648 en overleden op 17 december 1713 in Wm-204, is een spilfiguur. Hij is koopman en reder, secretaris van 1675 tot 1700, secretaris van de Admiraliteit van 1700 tot 1713, waard in herberg De Munt van West-Friesland, raad, vijfmaal burgemeester, bewindhebber van de OIC in 1697, negenentwintigmaal voogd van het Ziekenhuis en negenmaal ouderling. Hij woont aan de Paktuinen en trouwt op 19 mei 1669 te Venhuizen met Catrina of Trijntje van Loosen, geboren op 13 augustus 1641 en overleden op 24 juni 1717 in Wm-204. Zij is vijfentwintigmaal moeder van het Ziekenhuis tussen 1684 en 1708, woont aan de Oosterhaven en is dochter van Hendrik Jansz van Loosen en Geertje Simonsdr Brouwer. Hiermee versmelten Haak, Van Loosen, Brouwer, OIC, Admiraliteit en Ziekenhuis.

Hun kinderen tonen dezelfde wereld. Hendrik Albertsz Haak wordt geboren in 1671 en overlijdt hetzelfde jaar. Grietje Alberts Haak, geboren in 1672, woont aan de Oude Westerstraat en trouwt met Pieter Westwoud. Hendrik Albertsz Haak, geboren in 1674 en overleden op 28 augustus 1707 in Wm-491, is schepen, commissaris kleine zaken, voogd van het Ziekenhuis, luitenant en kapitein van de schutterij. Hij trouwt met Aafjen Backer, geboren op 6 september 1676 en overleden op 28 augustus 1750 in Wm-491. Zij is negenendertigmaal moeder van het Ziekenhuis tussen 1708 en 1746. Na Hendriks dood trouwt zij opnieuw met Hendrik Cornelisz van Schaak. Hun kinderen zijn onder meer Lambertus Haak, raad, schepen, commissaris kleine zaken, voogd van het Aalmoeshuis en Oude Armenweeshuis, ouderling en convooimeester; Catharina Haak, zevenmaal moeder van het Ziekenhuis en gehuwd met burgemeester Andries van Schaak; en Eva Hendriks Haak, zesentwintigmaal moeder van het Ziekenhuis en gehuwd met schepen Willem Tiddesz Bolk. Zo worden de dochters van Haak dragers van zorgbestuur én huwelijkspolitiek.

Simon Alberts Haak, geboren op 8 maart 1676 en overleden op 15 november 1731 in Wn-89, is secretaris, raad, twaalfmaal burgemeester, bewindhebber van de OIC, fiscaal van de Admiraliteit en voogd van het Oude Armenweeshuis. Hij woont aan de Oude Westerstraat en trouwt met Neeltje Dirks Schuit. Geertruijd Alberts Haak, geboren in 1684 en overleden in 1733 in Wm-401, trouwt met Arnold van Oud, uit Amsterdam, schepen, voogd van het Ziekenhuis en kapitein van de schutterij. Hun kinderen blijven weer in Enkhuizen zichtbaar via Wm-401, Wz-181, Nieuwe Westerstraat en huwelijken met Sprakel, Van der Feltz, Gale, Zeldenrijk en Alink.

De Haak-laag is daarmee nog maar halverwege, maar het patroon is al duidelijk: de familie leeft niet alleen van één beroep of één ambt. Zij is tegelijk haringrederij, OIC, Admiraliteit, herberg De Munt van West-Friesland, Ziekenhuis, Oude Armenweeshuis, Provenhuis, schutterij, Paktuinen, Nieuwe Haven, Oude Westerstraat, Oosterhaven, Van Loosen, Van Schaak, Backer, Bolk, Houtkoper en Brouwer. De mannen verschijnen vaak als raad, schepen, burgemeester, secretaris, kapitein, bewindhebber of voogd; de vrouwen verschijnen even sterk als moeders van het Ziekenhuis, Oude Armenweeshuis, Nieuwe Armenweeshuis en Provenhuis. Zonder die vrouwen is de sociale structuur van Enkhuizen niet te begrijpen.

Dit is dus de juiste manier om bladzijde 100 tot 200 te lezen: niet als namenrij, maar ook niet als samenvatting. Elk kind, elk jong overleden kind, elk grafnummer, elk huis en elke functie is een draad. Samen vormen zij de stad.

 

Tussenverhaal — Enkhuizen als samenleving van bestuur, zorg, handel, drukwerk, munt, apotheek en familiebezit

Wanneer de families Kluppel, Kock, De Koning, Koningsvelt, Kraker, Kuiper, Lakenman, Landman, Van Loosen, Loots, Mes, Minne, Moeskoker, Monsieur, Montanus, Mook, Mossel, Nelepiet, Nieman, Noblet, Non, Noordlandt, Van der Nijenburg, Oliepot, Ossekooper, Osseweyder, Ouckama, Palenstein, Pan, Pau, Du Pui, Puyt, Quast, Raamburg, Van der Ramhorst, Roldanus, Van Romond, Rooleeuw, Roos en Rootvelt achter elkaar verschijnen, lijkt het op het eerste gezicht een opeenvolging van geslachten. Maar in werkelijkheid wordt hier de binnenkant van Enkhuizen zichtbaar. Dit is geen rij namen; dit is de stad zelf. Dezelfde straten keren terug: Oude Westerstraat, Nieuwe Haven, Wierdijk, Breedstraat, Paktuinen, Karnemelksluis, Venedie, Torenstraat, Waagstraat, Nieuwe Westerstraat, Oosterhaven, Zuiderhavendijk, Oude Rietdijk, Noorderboerenvaart en Dijk. Dezelfde kerken en graven komen steeds terug: Westerkerk, Zuiderkerk, Noorderbegraafplaats, Wm, Wn, Wz, Zn, Zz, Wzuidportaal, kerkhof en oude grafnummers. Dezelfde instellingen dragen de stad: Leprozenhuis, Ziekenhuis, Oude en Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis, Provenhuis, Weeskamer, Diaconie, kerkmeesters, ouderlingen, diakenen, schutterij, Admiraliteit, OIC, WIC, VOC, Hondsbossche en Duinen tot Petten, Drechterland, Beemster en Grote Visserij.

De familie Kluppel laat meteen zien hoe Enkhuizen rond 1700 bestuur, zorg, waterstaat en familiebezit in één hand kon samenbrengen. De lijn begint hier met een man die secretaris werd in 1700, commissaris van kleine zaken in 1677, voogd van het Leprozenhuis in 1675 en diaken in 1669. Hij woonde aan de Oude Westerstraat en huwde eerst met Femptie Jans, geboren op 29 januari 1640 te Enkhuizen en overleden op 26 mei 1672, begraven Zn-29. Hun kinderen Trijntje, Albert, Johan en Albert laten op de grafregels zien hoe kindersterfte in zulke regentenfamilies niet buiten het verhaal staat maar er middenin hoort. Trijntje Kluppel stierf al in september 1664, Albert in februari 1667, en Albert Kluppel, geboren in augustus 1670, overleed in juli 1688 “in de Boek-pers”, een kleine vermelding die tegelijk huis, werk, ongeluk en stadse omgeving oproept.

Johan Kluppel, geboren 3 januari 1668 en overleden 17 maart 1718, werd schepen, commissaris van kleine zaken, commissaris echtstaat, voogd van het Ziekenhuis, elfmaal kerkmeester, viermaal ouderling, kapitein van de schutterij E en hoogheemraad van Hondsbossche en Duinen tot Petten. Hij woonde aan de Oude Westerstraat 84 en huwde Petronella van Vossen, dochter van Andries van Vossen en Griet Pieters Dol alias Vesterman. Zij was negentienmaal moeder van het Provenhuis. In dat ene huwelijk komen stedelijk bestuur, kerkelijk toezicht, zorg voor armen en ouden, waterstaat en vrouwenbestuur samen. De functie “moeder” was geen versiering bij de naam; zij was een formele plek in de stedelijke zorgorde.

Hun zoon Andries Kluppel, geboren 2 februari 1695 en overleden 24 februari 1773, vergroot dit patroon. Hij was raad van 1727 tot 1773, schepen, zeventienmaal burgemeester, bewindhebber van de Nieuwe West-Indische Compagnie, voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis, weesmeester, equipagemeester, ontvanger van de gemene landsmiddelen, griffier van de munt en hoofdingeland van Hondsbossche. Hij liet de oude panden slopen en het huidige Van Bleijswijkhuis bouwen. Daarmee wordt de Oude Westerstraat niet alleen woonstraat, maar bestuursas, representatiestraat en geheugen van stedelijk vermogen. Zijn vrouw Weijntje van Loosen, geboren 23 juni 1699 en overleden 3 juni 1775, was zevenendertigmaal moeder van het Ziekenhuis. De verbinding Kluppel–Van Loosen is dus niet alleen genealogie; het is een huwelijk tussen regentenhuis, ziekenhuiszorg, Bagijnstraat, Oude Westerstraat en de grote Van Loosen-laag.

Jan Andries Kluppel, geboren in 1721, zet de lijn voort als schepen, commissaris kleine zaken, ziekenhuisvoogd, weesmeester en thesaurier extra-ordinaris. Hij huwde Margaretha Petronella Verbruggen, die zevenendertigmaal moeder van het Oude Aalmoezeniersweeshuis was. Hun zoon Andries Jacob Kluppel werd student in Leiden, raad, thesaurier, schepen, ziekenhuisvoogd, weesmeester, ouderling, commissaris gemene landsmiddelen en penningmeester van de Grote Visserij. Dat hij op 1 mei 1814 de Grondwet goedkeurde, laat zien hoe een Enkhuizer regentenfamilie de overgang van Republiek naar Koninkrijk meemaakte zonder uit het bestuurlijke lichaam te verdwijnen. Zijn nageslacht verplaatst zich naar Alkmaar, Haarlem, Zaltbommel, Java, Den Helder, Zuid-Afrika en later ook naar de rijksadministratie. De oude Enkhuizer stadselite werd dus niet plotseling beëindigd; zij waaierde uit.

Naast deze bestuurlijke Kluppel-laag staat de kennis- en drukwerklaag. Pieter Pietersz Kock de Jonge, overleden 19 januari 1637, was zeilmaker, procureur, notaris, schepen, ziekenhuisvoogd en mogelijk kapitein van schutterij G. Hij schreef in 1603 de eerste Historie van Enkhuizen, uitgegeven bij stadsdrukker Jasper Tournay. Hij woonde aan de westzijde van de Breedstraat. Hier wordt Enkhuizen niet alleen bestuurd, maar ook beschreven. De stad krijgt haar eigen geheugen in druk. Dat sluit later aan op Kuiper, Landman en Palenstein: boekdrukkers, boekverkopers, schoolmeesters, voorzangers, notarissen en uitgevers vormen een tweede bestuurlijke laag, niet met zwaarden of schepen, maar met papier, akten, kerkboeken, historie en drukpersen.

Jan Dirksz Kuiper, drukker in de Gekroonde Drukkerij op de Paktuinen-hoek Brugstraat, leerde het vak bij Willem Evertsz en nam de zaak na diens overlijden over. Hij was provenhuisvoogd, vijfmaal diaken en binnenvader van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis. Zijn zoon Dirk Jansz Kuiper zette de drukkerij voort, later in de Westerstraat onder de naam In de Gekroonde Bijbel. Trijntje Jacobs de Jongh nam na zijn overlijden de drukkerij over totdat haar zoon kon trouwen en voortzetten. Ook zij hertrouwde met stadsdoctor Michiel Schaap, waardoor drukwerk, medische kennis en burgerlijke continuïteit elkaar raken. Jacob Dirksz Kuiper vestigde zich op Waagstraat 4–6 en daarna Westerstraat 37, werd schepen, commissaris, vijfentwintigmaal commissaris echtstaat, dertienmaal provenhuisvoogd, luitenant van de schutterij, waagmeester en collecteur op de impost. De drukkerij werd na zijn overlijden opgeheven en verkocht, maar in de levensloop van deze familie zie je hoe de stad haar kennis, regels, huwelijken, belastingen en zorg via boeken en papier ordende.

Ook Landman hoort in deze papieren stad. Riewert Jansz Landman was notaris, boekverkoper in In de Gulden Schrijfpen aan de Oude Westerstraat, voorzanger en schoolmeester. Zijn zoon Juriaen Riewertsz Landman was notaris, voorzanger en boekverkoper op de Nieuwe Markt in In de Bijbel na de laatste Correctie aan Westerstraat 155. Hij gaf de Historie van Enkhuizen van Hendrik Pietersz Advocaat uit in 1660, gedrukt door Willem Everts op de Paktuinen. Dirk Landman werd boekdrukker, voorzanger en schoolmeester van de Kapelleschool. Zo ontstaat naast het havenbeeld een school-, kerk- en boekbeeld: Enkhuizen was niet alleen schepen en handel, maar ook drukken, zingen, leren, noteren, lezen en bewaren.

Bij Lakenman wordt zichtbaar hoe oud bestuur, familiefondsen, vrouwenbeheer en internationale sporen samenkomen. Siewert Luitjesz Lakenman alias van Adelen, zoon van Luitje Siewertsz van Adelen en Soutje Siewertsdr Schipper, was commissaris echtstaat, voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis en diaken. Hij woonde aan de Lage Havendijk; in de verponding van 1630 lag zijn huis aan de zuidzijde van de Westerstraat tussen Oude Doelen en Weeshuis. Zijn kinderen verbinden de naam Lakenman met In ’t Hof, Bucerus, Van Bassen en de Latijnse School. Lucas Siewertsz Lakenman werd Latijnse schoolmeester en woonde in de Kerkstraat. Zijn dochter Grietje Luitjesdr van Adelen alias Lakenman trouwde David Thijsz van Bassen. Hier raakt de familie de onderwijslaag van de stad.

De andere Lakenman-lijn begint met Jan Fredriksz Lakenman, raad, schepen, zevenmaal burgemeester, commissaris echtstaat, kapitein schutterij A en lidmaat op 1 november 1572. Zijn vrouw Brecht Jans was eenmaal moeder van het Ziekenhuis. Hun zoon Fredrik Jansz Lakenman alias Seilemaker werd raad, schepen, zevenmaal burgemeester, commissaris echtstaat, aalmoeshuisvoogd, provenhuisvoogd, ziekenhuisvoogd, weesmeester, achtmaal diaken en ouderling. Hij woonde aan de Breedstraat. Door zijn huwelijken met Hillegond Siewerts Crommedijk en Reijnst Siewerts van Adelen bindt hij Crommedijk, Semeyns, Van Adelen, kerk, weeshuis en burgemeesterschap aan elkaar.

Siewert Fredriksz Lakenman alias Seilemaker, raad, schepen, twaalfmaal kerkmeester, voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis, diaken, ouderling en luitenant schutterij A, gaf de lijn verdere bestuurlijke kracht. Zijn zoon Frederik Siewertsz Lakenman werd schout en voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis. Siewert Fredriksz Lakenman, geboren in 1644, werd schepen en secretaris, commissaris kleine zaken en ouderling. Hij nam in 1655 het beheer van het Teet Luitjes Fonds van zijn zuster Reijnsje over. Dat detail is belangrijk: geld, fondsbeheer en familieherinnering kwamen niet alleen via mannen, maar ook via vrouwen en zusters in beweging. Reijnsje Siewerts Lakenman was beheerster van het Teet Luitjes Fonds en huwde Dirk Cornelisz van Bergen, die bezitter van een ambacht, voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis, aalmoeshuisvoogd en diaken was.

Frederik Lakenman, geboren in 1677 en overleden in 1729, brengt deze lijn in de achttiende eeuw op een bredere schaal. Hij was reder, raad, hoofdofficier, schepen, burgemeester, baljuw te Grootebroek, bewindhebber OIC, commissaris kleine zaken, voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis, rekenmeester van de Generaliteit en commissaris-generaal van de convooien. In zijn huis kwam ook Cupido van Bougis, een slaaf uit Indië die met het schip Huis de Vlotter via Texel in Enkhuizen was beland en op 20 februari 1725 werd gedoopt als Cornelis Valentijn. Daarmee wordt één Enkhuizer regentenhuis verbonden met de koloniale werkelijkheid van Azië, slavernij, doop, huisdienst en stedelijk aanzien. Dat mag niet worden weggelaten, want het laat zien dat de Enkhuizer samenleving niet alleen lokaal was.

Van Loosen is de grote verbindingslaag tussen haring, OIC, WIC, Paktuinen, Wierdijk, Beemster, Suriname, weduwenhuizen en de latere Snouck van Loosen Stichting. De familie begint in deze aangeleverde laag met haringkopers, brouwsters, moeders van weeshuizen en provenhuizen, OIC-boekhouders, burgemeesters, reders, bewindhebbers en grote grondeigenaren. Laurens Jansz van Loosen, geboren 1621, voer als oppercommies met het schip Leeuwarden in 1645 naar Batavia en vandaar met de Maastricht naar Ternate, waar hij in 1646 overleed. Welmetjen Jans van Loosen was negenentwintigmaal moeder van het Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis en huwde eerst secretaris Fredrik Cornelisz Lakenman en daarna schepen Jacob Pietersz Wit. Cornelis Jansz van Loosen was schepen, commissaris kleine zaken, commissaris echtstaat en ziekenhuisvoogd. Pieter Jansz van Loosen was soldijboekhouder OIC, schepen, weesmeester, commissaris kleine zaken, ziekenhuisvoogd, luitenant en kapitein schutterij, wonend aan de Paktuinstr.

Zijn dochter Aafje Pieters van Loosen, negenendertigmaal moeder van het Oude Aalmoezeniersweeshuis, huwde Hendrik van der Ramhorst, predikant te Lutjebroek, en daarna Philippus Geelkerken. Jan Pietersz van Loosen, geboren 1660 en overleden 1724, werd koopman, raad, schepen, zevenmaal burgemeester, kassier OIC, commissaris kleine zaken, commissaris echtstaat, ouderling, rekenmeester van de gereformeerde kerk, luitenant schutterij, raad van de Admiraliteit en hoogheemraad van de Beemster. Hij was groot grondeigenaar en stond met naam en wapen op de penning voor honderd jaar Beemsterpolder. Zijn huwelijk met Aafje Blaeuhulck Semeyns verbond Van Loosen met Semeyns, Blaeuhulck, Paktuinen en Provenhuis.

Dirk Semeyns van Loosen erfde Langewijk in de Beemster en kocht in 1751 het naastgelegen landgoed Welgelegen. Hij was koopman, raad, schepen, achtmaal burgemeester, OIC-bewindhebber, commissaris kleine zaken, voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis, weesmeester, hoofdingeland en heemraad van de Beemster en gecommitteerde raad voor pilotage benoorden de Maas. Zijn vrouw Maria Bontekoning was negenenveertigmaal moeder van het Oude Aalmoezeniersweeshuis. Hun huis op de Dijk, gebouwd in 1741 met wapens op de gevel, werd later het tehuis voor deftige weduwen van de Snouck van Loosen Stichting. Hier wordt duidelijk hoe koophandel, landgoed, stedelijke zorg, vrouwenbestuur en negentiende-eeuwse filantropie uit één familiecontinuïteit voortkwamen.

Dirk Elias van Loosen, geboren 1738 en overleden 1812, was raad, schepen, zesmaal burgemeester, WIC-bewindhebber, raad van de Admiraliteit, penningmeester Grote Visserij, commissaris WIC-handel, provenhuisvoogd, ziekenhuisvoogd, zeventienmaal weesmeester en directeur van de Sociëteit van Suriname van 1775 tot 1792. Zijn eerste vrouw Claasje van Romond overleed in het kraambed; zijn tweede vrouw Meijnoutje Pan was vijftienmaal moeder van het Oude Aalmoezeniersweeshuis. Hun dochter Cornelia Petronella van Loosen huwde Samuel Snouck. De kinderen werden Snouck van Loosen genaamd. Margaretha Maria Snouck van Loosen liet haar vermogen na in de Snouck van Loosen Stichting; haar voorvaderlijke woning op de Dijk werd het tehuis voor deftige weduwen, en haar wapens verschenen op de poort van het Snouck van Loosenpark en boven de ingang van het ziekenhuis. Enkhuizen veranderde daarmee van koopstad in herinnerings- en zorgstad, maar zonder dat de oude familievermogens verdwenen.

Loots toont een ander spoor: haring, burgemeesterschap, OIC en later ambachtelijke doorwerking. Jan Cornelisz Loots was haringkoopman, raad, schepen, zevenmaal burgemeester, OIC-bewindhebber, kerkmeester, weesmeester, ouderling en kapitein schutterij D. Zijn grafbezit in Zn-140 maakt hem letterlijk deel van de kerkelijke kaart. De latere Loots-lijnen bewegen via kuipers, grutters, molenaars, voorzangers, diakenen, arbeiders, aannemers, metselaars, veehouders, bakkers, predikanten en fotografen naar de negentiende eeuw. De familie laat zien hoe een naam uit het regenten- en haringmilieu kon afdalen of verbreden naar ambacht en burgerstand, zonder uit de stedelijke geschiedenis te verdwijnen.

Mes brengt de arbeid van de Compagnie in beeld. Harmen Willemsz Mes was baas van de OIC-lijnbaan en woonde over de Grote Kraan; hij en Geertje Rieuwerts woonden aan de Compagniesbaan op de Noorderboerenvaart. Hun zoon Rieuwert Mes werd eveneens baas van de OIC-lijnbaan, diaken en bewoner van de Noorderboerenvaart. Hier zit het materiële hart van de stad: touw, lijnbanen, scheepsuitrusting, Grote Kraan, Compagniesbaan, Noorderboerenvaart. Door huwelijken met Mosch, Franken, Van Schagen, Plugger en Montagne gaat die laag verder in timmerwerf, OIC-ambacht en stedelijk kleinbestuur. David Cornelisz van Schagen, gehuwd met Caatje Mes, was baas van de OIC-timmerwerf. Zo staat Mes naast Kluppel en Van Loosen als werklaag van de maritieme stad.

Minne laat zien dat Enkhuizen ook na de grote zeventiende-eeuwse bloei nog bestuurlijk gewicht had. Jan Minne, geboren in Monnickendam en overleden in Enkhuizen, werd raad, gecommitteerde raad, schepen, zesmaal burgemeester, bewindhebber van WIC en OIC, commissaris kleine zaken, voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis, twintigmaal weesmeester en ouderling. Zijn VOC-correspondentie kreeg later aandacht in het boek van Herman de Vos, Met snee jagt en kake van wint. Zijn vrouwen Catharina Haak en Ida Vis waren respectievelijk moeder van het Ziekenhuis en moeder van het Oude Aalmoezeniersweeshuis. Ook hier zijn de vrouwen geen randfiguren; zij zijn de maatschappelijke evenknie van mannelijke bestuursfuncties.

Moeskoker brengt koophandel, rederij, burgemeesterschap en de Librije samen. Hendrik Gerritsz Moeskoker was koopman en reder, raad, schepen, twaalfmaal burgemeester, OIC-bewindhebber, gecommitteerde raad, ziekenhuisvoogd, weesmeester en ouderling. Cornelia Gerbrands Moeskoker was achtentwintigmaal moeder van het Provenhuis en huwde burgemeester Dirk Haga. Gerrit of Gerard Moeskoker werd raad, schepen, tienmaal burgemeester, NWIC-bewindhebber, gecommitteerde Raad van State, commissaris kleine zaken, commissaris echtstaat, voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis, ziekenhuisvoogd, voogd buitenland en kapitein schutterij. Dat hij een oud boek aan de Librije schonk en dat zijn wapen in de gevelsteen van vuurtoren De Ven voorkomt, verbindt de familie met geleerdheid, kustveiligheid en stedelijk aanzien.

Monsieur is een familie van leerlooiers, commissarissen, voogden en Karnemelksluis. Via Freekje Bok, Botjager, Groes, Van Stralen, Bergknecht, Neledoe, Du Pui, Semeyns en Mensing raakt deze familie bijna alle middenlagen van Enkhuizen. Theunis Meindertsz Monsieur was commissaris echtstaat, voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis, ouderling, luitenant en kapitein van de schutterij, wonend aan de Karnemelksluis. Zijn vrouw Soutje Groes was twintigmaal moeder van het Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis. Meindert Theunisz Monsieur werd schepen, commissaris kleine zaken, commissaris echtstaat, provenhuisvoogd en ouderling, en werd in 1795 als raad van de Bataafse Republiek voorgesteld. Hendrik van Stralen Monsieur werd schepen, commissaris kleine zaken, ziekenhuisvoogd en kapitein schutterij, verhuisde later naar Rotterdam. De lijn laat zien hoe Enkhuizer stedelijkheid ook via leerlooierij, Kmsluis, Oude Westerstraat en Bataafse overgang liep.

Montanus is de medische en geleerde laag. Bernardus Gossensz Montanus, uit Leeuwarden, was voogd van het Leprozenhuis en liet onder meer eenenzestig schilderijen na. Zijn zoon Thomas Montanus was medisch doctor, raad, schepen, burgemeester, provenhuisvoogd, weesmeester en ouderling. Hij woonde in de Waagstraat en huwde Anna Hendriksdr van Loosen, negenentwintigmaal moeder van het Oude Aalmoezeniersweeshuis. Uit zijn boedel kwam een deel van het huis De Drie Croonen aan Westerstraat 48, op de westhoek van de Peperstraat, ten oosten van apotheker Willem Schagen. Gossen Montanus werd schepen, bezitter van een ambacht, commissaris echtstaat, commissaris kleine zaken en luitenant van de schutterij. Johanna Montanus was dertienmaal moeder van het Provenhuis en huwde hoofdofficier Willem Noblet. Via Cijtje Montanus en de familie Granaet komt de Franse Hugenotenpredikant Pierre Roufrange in beeld, predikant in de Monnikenkerk van het Augustijner klooster. Montanus maakt van Enkhuizen een stad van doctoren, schilderijen, boedels, Hugenoten, predikanten en regenten.

Mook toont een donkere politieke rand. Joan Mook, doctor en advocaat, was schout van 1646 tot 1653 maar werd ontslagen wegens aandeel in een revolutionaire beweging. Zijn vrouw Anna Huytem woonde als weduwe in huis De Eenhoorn op de Breedstraat, dat in januari 1680 executoriaal werd verkocht omdat sinds 1667 geen verponding meer was betaald en de schuld was opgelopen tot 253 gulden. Het huis bracht 250 gulden op. Hier is de stad niet alleen machtig, maar ook kwetsbaar: bezit kon onder schuld verdwijnen, ambt kon omslaan in ontslag, en een huis aan de Breedstraat kon eindigen in openbare verkoop.

Mossel maakt de sprong van Texelse vissers naar Enkhuizer haringkooplieden, regenten en Nederlands-Indië. Jan IJsbrandsz Mossel, uit Texelse vissers, was diaken. Pieter Jansz Mossel was haringkoopman; zijn portret door Jacques Waben uit 1636 hoort bij deze zelfbewuste maritieme burgerij. IJsbrand Pietersz Mossel werd raad, schepen, bezitter van een ambacht, commissaris kleine zaken, aalmoeshuisvoogd, weesmeester en kapitein schutterij. Jacob Pietersz Mossel was bezitter van een ambacht, commissaris kleine zaken, voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis en bewoner van de Wierdijk. Zijn zoon Jacob Mossel voer als lichtmatroos met het VOC-fluitschip Haringtuijn naar Indië in 1720, klom op tot gouverneur aan de Coromandelkust, keerde in 1744 naar Batavia terug en werd gouverneur-generaal van Nederlands-Indië van 1750 tot 1761. Zijn huwelijk met Adriana Appels, de kinderen in Batavia en Negapatnam, de schipbreuk waarbij Pieter en Elias verdronken, zijn dochters Philippa Theodora, Catharina Johanna en Geertruida Margaretha, en de kinderen Arnolda en Johanna uit zijn relatie met Jasmina van Sumbawa, laten zien hoe een Enkhuizer familielijn rechtstreeks verbonden raakte met koloniale macht, slavernij, gemengde huishoudens, Aziatische posten en Bataviaanse elites.

Nelepiet verbindt Aalmoeshuis, Semeyns, stadhuis op ’t Eiland en marine. Pieter Nelepiet was voogd van het Aalmoeshuis in 1581. Claes Cornelisz Nelepiet woonde aan de Breedstraat en huurde in 1642 het Stadhuis op ’t Eiland. Zijn huwelijk met Soutjen Egberts Til/Semeyns brengt de Semeyns-laag binnen. Vroutje Claas Nelepiet huwde kapitein-ter-zee Claas Jansz Backer, die in 1658 met het schip Hollandia naar de Sont voer onder Wassenaar Obdam. Daarmee loopt een lijn van stedelijk huurbezit en familiegraven naar oorlogsvloot en Sontvaart.

Nieman toont het technische ambacht dat meestal achter de regenten verdwijnt. Hendrik Willemsz Nieman was geschut- en klokgieter te Enkhuizen van 1614 tot 1621. Zijn graf in de Zuiderkerk en zijn huwelijk met IJde Maes verbinden gietwerk, oorlog, klokgelui, kerk en stad. Zijn dochters huwden in de families Van Gent en Lakenkoper. De stad werd dus niet alleen gedragen door kooplieden, maar ook door de mannen die kanonnen en klokken goten.

Noblet brengt migratie, officieren, boekbinders en hoofdofficieren samen. Hans Noblet, mogelijk uit een Antwerpse/Brugse achtergrond, was in 1584 in Enkhuizen en woonde aan de Westerbrug. Zijn lijn gaat via Westerstraat, Breedstraat, Bierkaai, Hoogstraat, Zuiderhavendijk, Oude Westerstraat, Burgstraat, Torenstraat en Zuiderkerksteeg. Hans/Jan Noblet was hopman en kapitein. Jacob Noblet was meester-boekbinder. Willem Noblet werd hoofdofficier, schepen, commissaris kleine zaken, commissaris echtstaat, weesmeester en diaken. Hij huwde Johanna Montanus, dertienmaal moeder van het Provenhuis. Jan Isaac Noblet werd schepen, commissaris kleine zaken, commissaris echtstaat en voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis. Noblet laat zien dat militaire leiding, boekambacht, Hugenotenachtige migratie, vrouwenzorg en stedelijke rechtspraak elkaar raakten.

Non en Noordlandt brengen de oude overgang van zestiende naar zeventiende eeuw in beeld. Fredrik Dirksz Non was voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis, eigenaar van graven Wz-210 en Wn-394, en woonde aan het Westeinde. Zijn dochter Stijntje huwde schilder Jan van de Velde de Jonge. Pieter Dirksz Non de Jonge was tienmaal schepen, bezitter van een ambacht, commissaris echtstaat, aalmoeshuisvoogd, provenhuisvoogd, negenmaal weesmeester en dertienmaal ouderling. Noordlandt staat daarnaast met Jan Claesz Noordlandt, schepen, commissaris echtstaat, provenhuisvoogd en weesmeester. Zijn zoon Harke Jansz Noordlandt werd raad, schepen, zesmaal burgemeester, OIC-bewindhebber, commissaris echtstaat, weesmeester, ouderling, luitenant en kapitein van de schutterij. Zijn dochters Dieuwertje en Ida werden moeders van respectievelijk het Nieuwe en Oude Aalmoezeniersweeshuis. Cornelis Jansz Noordlandt was schepen, aalmoeshuisvoogd, voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis, provenhuisvoogd en eigenaar van brouwerijen op de Dijk 70 naast De Vijfhoek en later De Drie Cronen op de Noorderhavendijk. Noordlandt toont een stad waar bestuur, brouwerij, OIC, Hoornse connecties, kerk en weeszorg in één familie samenkwamen.

Van der Nijenburg, Oliepot, Ossekooper en Osseweyder vormen samen een sterke zorg- en bestuurslaag. Gerrit Claesz van der Nijenburg uit Egmond was raad, schepen, bezitter van een ambacht, aalmoeshuisvoogd, voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis, diaken, ouderling, fabrieksmeester en luitenant schutterij. Zijn vrouw Trijntjen Andries Ham was dertienmaal moeder van het Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis. Jan Pouwelsz Oliepot was schepen, aalmoeshuisvoogd, drieëntwintigmaal ziekenhuisvoogd en kapitein schutterij G. Ossekooper begint met Quirijn Takesz Ossekooper, raad, schepen, tienmaal burgemeester, commissaris echtstaat, weesmeester en ouderling. Zijn kinderen en kleinkinderen verbinden Koedooder, Backer, Pan, Groen, Hoveling, Ouckama en Van der Hout. Dirk Quirijnsz Ossekooper was raad, schepen, dijkgraaf van Drechterland en bewoner van de Karnemelksluis. Heertjen Ossekooper was hoogheemraad van Hondsbossche en Duinen tot Petten, diaken en luitenant schutterij. Osseweyder verbindt Aalmoeshuis, ambacht en de vrouwen Sijtje Dirks Dop en Imtje Dirks Dop, die moeders van Provenhuis en Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis werden en huwden in de families Pan en Slijper.

Ouckama brengt Friese/Groningse adel, schoutambt en Enkhuizer bestuur samen. Sierp Ouckama, jonkheer tot Noorthorn en Oldekerk, luitenant onder hopman Daniel, in garnizoen te Leeuwarden, werd schout van Enkhuizen van 1620 tot 1645 en notaris. Hij woonde aan de Breedstraat. Zijn huwelijk met Wibrig Lucasdr Croonenburg verbindt hem met Brouwer. Elisabeth Ouckama huwde Paulus Fredriksz Semeyns. Ebel Ouckama werd voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis, ziekenhuisvoogd en later in Amsterdam contrarolleur van uitgaande convooien en licenten en ontvanger van paalgeld. Zo laat Ouckama zien hoe schoutambt, adel, Amsterdamse administratie en Enkhuizer zorginstellingen elkaar konden raken.

Palenstein is een van de duidelijkste drukwerkfamilies. Jacob Lenertsz Palenstein was boekverkoper in ’t Vergulde Schrijfboek op de Nieuwestraat vanaf 1588, boekdrukker aldaar in 1608, bezitter van een ambacht, commissaris echtstaat, elfmaal voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis, kerkmeester en lidmaat. Hij verkreeg het octrooi en de kaarten van Lucas Jansz Wagenaar van diens weduwe Catrijn Harkes. Daarmee loopt de beroemde nautische kennis van Wagenaar via Palenstein door in de drukwereld van Enkhuizen. Jan Jacobsz Palenstein was boekdrukker in Enkhuizen, in de Boeckdruckerij in de Bocht 8, woonde aan de Nieuwe Westerstraat en later op het Zuideveld. Zijn zoon Jacob Jansz Palenstein werd eveneens boekdrukker, werkte ook met Jan Lelyveld, was ziekenhuisvoogd en woonde aan de Wierdijk. Jan Jacobsz Palenstein drukte en verkocht In de Bijbel op de Zuiderhavendijk. Jacob Palenstein, geboren in 1683, was boekdrukker in de zaak van zijn vader, schepen, commissaris echtstaat, diaken en luitenant schutterij. Palenstein maakt Enkhuizen tot drukstad van kaarten, bijbels, stedelijke teksten en handelskennis.

Pan is een van de sterkste families om Enkhuizen als samenleving te begrijpen. De naam raakt schoolmeesters, reders, Groenlandvaart, haring, Nieuwe Haven, Paktuinen, Wierdijk, regenten, vrouwenportretten en provenhuiszorg. Trijn Heerts Pan, geboren 1569 en overleden 1664, was achtmaal moeder van het Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis en achtendertigmaal moeder van het Provenhuis. Zij overbrugt bijna een eeuw stedelijke zorg. Haar man Gerrit Outgersz Pan was negenmaal voogd van het Oude Aalmoezeniersweeshuis. Jan Gerritsz Pan was reder en woonde aan de Nieuwe Haven; zijn huwelijk met Wibrig Thadesdr Strijkebolle en het bijzondere familieportret met negen dode kinderen tonen tegelijk rijkdom en sterfte. Thade Jansz Pan was haringkoper aan de Nieuwe Haven. Gerrit Jansz Pan was reder op Groenland, raad, schepen, burgemeester, achttienmaal voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis, achttienmaal voogd Provenhuis en ouderling. Zijn vrouw Sijtje Dirksdr Dop was achtentwintigmaal moeder van het Provenhuis.

Jan Gerritsz Pan, hun zoon, werd raad, schepen, commissaris kleine zaken, provenhuisvoogd, ouderling en luitenant schutterij. Gerard Jansz Pan was schepen, commissaris kleine zaken, achtenveertigmaal ziekenhuisvoogd, vierendertigmaal weesmeester en kapitein schutterij. Everhart Jansz Pan werd koopman en reder, secretaris, raad, elfmaal burgemeester, OIC-bewindhebber, commissaris kleine zaken en ontvanger convooien en licenten. Zijn huwelijk met Eva Willemina Haak brengt Pan samen met Haak en Blaeuhulck. Hun dochters Meijnoutje Pan en Cornelia Pan huwden respectievelijk Dirk Elias van Loosen en Hugo Adriaan van Bleyswijk. Via Pan lopen dus Van Loosen, Van Bleyswijk, Haak, Romond, Buyskes, Slijper, Appelman en de latere achttiende-eeuwse elite door elkaar.

Thade Pan, student in Leiden, hoofdofficier, secretaris, schepen, ouderling en kassier OIC, laat zien hoe de familie ook in de late achttiende eeuw nog bovenin het stadsbestuur stond. Zijn dochters Margaretha en Petronella bleven ongehuwd in het ouderlijk huis aan de Nieuwe Haven. Jan Pan werd secretaris te Medemblik en bewoog aan het hof van de stadhouder. Daarmee wordt Enkhuizen verbonden met Medemblik, Hoorn, hofcultuur, Noord-Hollandse kap en gewestelijke ambten.

Pau en Pauw verbinden lokale Enkhuizer lijnen met Amsterdamse en Hollandse topbestuurders. Volkert Cornelisz Pau huwde Luitjemoer Nannings Brouwer en woonde aan de Waagstraat. Isaac Pauw, zoon van Michiel Reiniersz Pauw en Hillegonda Spiegel, was heer van Achttienhoven en den Bosch, schepen van Amsterdam, gecommitteerde van de Rekenkamer, kapitein burgerij, pensionaris van Enkhuizen van 1653 tot 1659, hoofdingeland van de Beemster, hoogheemraad van Delfland, meesterknaap van Holland, gezant in Brandenburg, gedeputeerde ter Staten-Generaal en lid van de Raad van State. Deze Pauw-laag laat zien dat Enkhuizen niet losstaat van Amsterdam, Den Haag, Delfland, Brandenburg en de Staten-Generaal.

Du Pui brengt de Hugenotenlaag naar voren. Antoine du Pui, vluchtende pruikenmaker uit Guyenne, zoon en kleinzoon van burgemeesters, kwam via Hugenotenpredikant Pierre Roufrange naar Enkhuizen. Hij werd ouderling en handelaar in Oost-Indische waren in een apothekerswinkel. Zijn vrouw Maria Montsarat was dochter van David Montsarrat, burgemeester van Castres in Languedoc. Hun zoon Pieter du Pui werd medisch doctor, secretaris van het medicijnse college, raad, schepen, commissaris kleine zaken, diaken, ouderling, lid van de Staten-Generaal en lid van de Raad van State. Hij huwde Marijtje Meinerts Monsieur. Hun zoon Meinert Simon du Pui werd hoogleraar genees-, verlos- en praktische heelkunde te Leiden, lijfarts van koning Willem I en stichter van een vrouwenkliniek te Leiden in 1799. In Du Pui komen vluchtelingenschap, apotheek, Oost-Indische waren, medische wetenschap en nationaal bestuur samen.

Puyt is een oude bestuursfamilie met sterke verbindingen naar pakhuis, brouwerij, VOC, Batavia en vrouwenzorg. Jan Dirksz Puyt was schepen, commissaris echtstaat, provenhuisvoogd, woonde in Pakhuis en was lidmaat. Zijn zoon Dirk Jansz Puyt huwde Jannetje Cornelis Brouwer, dochter van Cornelisz Brouwer alias Cooman. Jan Dirksz Puyt werd opperkoopman, woonde aan de Havendijk en huwde Anna Willems de Harde. Zijn kinderen verbinden Puyt met VOC-schippers, Indië, Batavia, Van Haaren, Molkman en Schoorl. Pietertjen Dirks Puyt huwde chirurgijn Harmen Wijbrandsz en later Maarten Albertsz Roos; via haar komt de medische en regentenlaag samen. Jacob Dirksz Puyt was aalmoeshuisvoogd en woonde in ’t Pakhuis; zijn vrouw Jellemoer Pieters Dol was negenmaal moeder van het Oude Aalmoezeniersweeshuis. Reiner Pietersz Puyt werd voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis, tweeëntwintigmaal weesmeester, diaken, ouderling en luitenant schutterij. Assuerus Reiniersz Puyt werd klerk en secretaris. Deze familie maakt duidelijk hoe oud zestiende-eeuws bestuur in zeventiende-eeuwse administratie overging.

Quast geeft de militaire en admiraliteitslaag. Hilbrand Gerbrandsz Quast was kapitein op een schip naar Constantinopel in 1617, vice-admiraal van het Noorderkwartier in 1628 en admiraal in 1629 in plaats van Piet Hein. Dirk Quast was kapitein van de Admiraliteit West-Friesland, schepen, commissaris kleine zaken en extra-ordinaris in het Noorderkwartier. Zijn dochter Eva Dirks Quast was zesmaal moeder van het Provenhuis en huwde Siewert Ris. Hier staat de zeeoorlog naast stedelijke zorg.

Raamburg verbindt Enkhuizen rechtstreeks met Banda en de begrafenis van Jan Pietersz Coen. Krijn Jacobsz Raamburg, uit Gouda, werd vicecommandeur onder Specx in Indië en gouverneur van Banda in 1630. Hij was aanwezig op de begrafenis van J.P. Coen. Zijn dochter Catalijntje Raamburg was vijftienmaal moeder van het Oude Aalmoezeniersweeshuis en huwde burgemeester Hendrik Jansz van Loosen. De tweede tak met Jan Jacobsz Raamburg, Hendrik Jansz Raamburg, Cornelis Hendriksz Raamburg en Hermanus Hendriksz Raamburg laat een stedelijke familie zien van ouderlingen, kapiteins, kooplieden, aalmoeshuisvoogden, diakenen, commissarissen, weesmeesters en schutterijofficieren. Hendrik Raamburg werd schepen, commissaris kleine zaken, ziekenhuisvoogd, weesmeester en kapitein; zijn vrouw Meinoutje Ruiter was drieëndertigmaal moeder van het Ziekenhuis. Hermanus Wilhelmus Raamburg werd student in Leiden, schepen, thesaurier, commissaris kleine zaken en ziekenhuisvoogd; zijn vrouw Margaretha Maria van Vossen was zevenentwintigmaal moeder van het Ziekenhuis. Raamburg toont hoe koloniale Banda en lokale ziekenhuiszorg in één familiegeschiedenis kunnen samenkomen.

Van der Ramhorst verbindt predikanten, Van Loosen en later bestuurlijke import uit Zwolle. Hendrik van der Ramhorst, predikant te Lutjebroek, huwde Aafje Pieters van Loosen. Hun zoon Jacob van den Ramhorst werd raad, schepen, dertienmaal burgemeester, ziekenhuisvoogd, kerkmeester, ouderling, fiscaal van de Admiraliteit, raad van de Admiraliteit en schout van Grootebroek. Een latere Jacob van der Ramhorst uit Zwolle werd schout, raad, schepen, burgemeester, dertienmaal voogd van het Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis, ouderling en penningmeester Grote Visserij, en huwde Anna Cornelia de Jongh van Persijn. Daarmee wordt de stad verbonden met Zwolle, Hoorn, Den Haag, Slijper en De Jongh van Persijn.

Roldanus is de apothekerslijn die de late achttiende en negentiende eeuw raakt. Petrus Nicolaas Roldanus was apotheker, schepen, commissaris kleine zaken, ouderling en luitenant schutterij. Zijn weduwe Anna Claasdr Schuit huwde later Cornelis Jansz de Koning, eveneens apotheker, koopman, raadslid, schepen en ouderling. Klaas Schuit Roldanus werd apotheker en diaken; zijn zoon Petrus Nicolaas Roldanus bleef apotheker. Cornelis Roldanus ging naar Dordrecht en werd lid van de firma C. van den Broek, groothandel in kruidenierswaren. Zo loopt een Enkhuizer apotheeklijn door naar Dordrechtse handel en negentiende-eeuwse burgerstand.

Van Romond is een van de grootste lagen omdat munt, regentenbestuur, vrouwenzorg, Hoorn, Emden, Zwolle, Utrecht, Kampen, Beemster, Drechterland, Van Loosen, Pan, Duyvens, Snouck van Loosen en het Bossu-zwaard erin samenkomen. Jan van Romond uit Deventer werd grafelijk muntmeester van Oost-Friesland te Emden en later te Zwolle. Diederik van Romond werd muntmeester te Emden en daarna muntmeester van West-Friesland te Enkhuizen. Gerrit Dirksz van Romond werd muntmeester van West-Friesland te Enkhuizen, Medemblik, Hoorn en opnieuw Enkhuizen, daarna raad, schepen, commissaris kleine zaken, voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis en ouderling. Zijn vrouw Meijnsje Schrobob was zesentwintigmaal moeder van het Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis. Hun dochters Catharina, Jacoba en Veerduw Agnes waren moeders van Oude Aalmoezeniersweeshuis, Ziekenhuis en Provenhuis en huwden Timmerman, Blaeuhulck, Van Eiken, Buyskes en Westwoud.

Jan of Johan van Romond, geboren 1676, was schepen, commissaris kleine zaken, ziekenhuisvoogd, ouderling en luitenant schutterij. Zijn zoon Gerard van Romond werd raad, schepen, tienmaal burgemeester, dijkgraaf van Drechterland, voogd Oude Aalmoezeniersweeshuis, ziekenhuisvoogd, ouderling en luitenant. Via zijn dochter Claasje van Romond, die in het kraambed stierf, komt hij in de Van Loosen-laag. Jan van Romond, geboren 1746, woonde in het Paludanushuis Westerstraat 65, bezat buitenverblijf Wilsumburg op Handvastwater, was raad, schepen, burgemeester, ontvanger convooien, dijkgraaf van Drechterland, ziekenhuisvoogd en luitenant schutterij. Uit de boedel van Arendina Diederika van Romond kwam het zwaard van Bossu tevoorschijn. Dat maakt Van Romond ook tot herinneringsfamilie van de Opstand.

De Utrechtse tak Van Romondt laat zien dat Enkhuizen niet eindigt bij de stadspoorten. Via muntmeesters, kanunniken ten Dom, kameraars, hoogheemraden, secretarissen, gasthuisontvangers, predikanten, burgemeesters van Utrecht, Vreeland, Amerongen, Zaltbommel, Kampen en Overijssel wordt dezelfde naam een netwerk van stedelijke en gewestelijke macht. De huwelijken met Waterman, Blaeuhulck, Van den Honert, Kien, Vreeland, Van Rijswijk, Bronkhorst, Van Muyden en Godin maken van Van Romond een brug tussen Enkhuizen, Utrecht, Kampen, Zwolle, Amsterdam en West-Indische uitlopers.

Rooleeuw brengt houtkoop, Oosterhaven, Oude Buishaven, Nieuwe Haven, Paktuinen en latere Alkmaarse doorwerking. Pieter Mieuwesz Rooleeuw was houtkoper. Mieuwes Pietersz Rooleeuw was commissaris kleine zaken, commissaris echtstaat, provenhuisvoogd, luitenant en kapitein van de schutterij, wonend aan de Oosterhaven. Zijn vrouw Grietje Meijnerts Mul/Pan woonde aan de Oude Buishaven. Suster Mieuwes Rooleeuw huwde Pieter Gerritsz Ebbenhout. Dirk Rooleeuw werd schepen en commissaris kleine zaken aan de Nieuwe Haven. Via Grietje Rooleeuw en Willem l’Epie komt de lijn bij Arnout Simon Verschuur en via Dirk Rooleeuw l’Epie bij Alkmaar. Ook hier zie je dat Enkhuizer families niet alleen vertrekken, maar elders bestuurlijk doorwerken.

Roos verbindt haringhandel, WIC, Admiraliteit, Groenland, Wierdijk en Puyt. Albert Maertensz Roos was commissaris echtstaat, WIC-bewindhebber en diaken. Maarten Albertsz Roos was koopman in haring, raad, schepen, burgemeester, WIC-bewindhebber, commissaris kleine zaken, aalmoeshuisvoogd, weesmeester, diaken, ouderling en raad van de Admiraliteit. Hij woonde aan de Oude Westerstraat en huwde Pietertjen Dirks Puyt. Zijn zoon Albert Roos was WIC-boekhouder, raad, schepen, burgemeester, commissaris kleine zaken, provenhuisvoogd, ziekenhuisvoogd en dijkgraaf van Drechterland. De familie laat zien dat WIC, haring, Admiraliteit en stedelijke zorg in dezelfde huizen aan Oude Westerstraat, Wierdijk en Zuiderhavendijk konden wonen.

Rootvelt is de diepe oudere laag. Ruardus of Riewert Reiniersz Rootvelt, overleden 1476, wordt genoemd als ridder, rechtsgeleerde en zeer bereisd, mogelijk bedevaarder naar Jeruzalem. Zijn vrouw Geertmoer Hoeksdr verbindt hem mogelijk met de Hoek-laag. Dirk Riewertsz Rootvelt alias Lutjeveld werd raad en burgemeester. Reiner Dirksz Rootvelt alias Lijnslager of Lijndraaier was raad, schepen, burgemeester en kerkmeester. Riewert Reiniersz Rootvelt werd baanman en schepen. Dirk Riewertsz Rootvelt was groot baan- en koopman, heemraad van Hondsbossche, en huwde Welmet of Willemina Simonsdr Semeyns. Anna Riewertsdr Rootvelt was moeder van het Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis en moeder van het Oude Aalmoezeniersweeshuis; Pietertje Riewertsdr Rootvelt was moeder van het Leprozenhuis. In Rootvelt zie je hoe laatmiddeleeuwse reis, recht, baanwerk, lijnslagerij, dijk, kerk en vrouwenbestuur overgaan in de vroegmoderne stad.

Alles bij elkaar laat deze laag zien dat Enkhuizen niet begrepen kan worden als alleen een havenstad of alleen een koopstad. Het was een systeem. De haven leverde haring, hout, graan, touw, schepen, VOC- en OIC-vaart, WIC-handel, Groenlandvaart, Banda, Batavia, Ternate, Coromandel, Colombo, Suriname en de Sont. De straten leverden huizen, pakhuizen, drukkerijen, apotheken, brouwerijen, lijnbanen, timmerwerven, boekwinkels, scholen en notariële kantoren. De kerken leverden grafstenen, rouwkaarten, wapenborden, portretten, ouderlingen, diakenen, predikanten en herinnering. De zorginstellingen leverden een tweede bestuur, waarin vrouwen als moeders van Ziekenhuis, Provenhuis, Leprozenhuis en weeshuizen langdurig zichtbaar waren. De schutterij, Admiraliteit, Hondsbossche, Drechterland, Beemster en de Grote Visserij maakten van lokale families regionale bestuurders. En de huwelijken zorgden dat al die lagen niet los naast elkaar stonden, maar in elkaar grepen.

Daarom moet dit tussenverhaal niet worden ingekort tot een paar familienamen. De namen zijn de draden; de stad is het weefsel. Kluppel toont Oude Westerstraat, Van Bleijswijkhuis en ziekenhuiszorg. Kuiper, Landman en Palenstein tonen drukwerk, geschiedschrijving en boekhandel. Lakenman toont fondsen, secretarissen, schouten en Cupido van Bougis. Van Loosen toont haring, Beemster, Suriname, WIC, OIC, Snouck van Loosen en weduwenhuizen. Mes toont lijnbanen en OIC-ambacht. Minne en Moeskoker tonen late regentenmacht en Librije. Monsieur en Du Pui tonen Karnemelksluis, leerlooierij, apotheek, Hugenoten en medische wetenschap. Montanus toont doctoren, schilderijen en Hugenotenkerk. Mossel toont haring, Wierdijk, gouverneur-generaal en slavernij in Azië. Ouckama, Noordlandt, Nijenburg, Ossekooper en Pan tonen schout, burgemeester, dijkgraaf en vrouwenbestuur. Raamburg toont Banda. Van Romond toont munt, Bossu, Utrecht en Kampen. Rooleeuw en Roos tonen hout, haring, WIC en Admiraliteit. Rootvelt toont de oudere bedding onder dit alles.

Dit is Enkhuizen als samenleving: een kleine stad met een buitengewoon dicht netwerk van huizen, ambten, kerken, vrouwen, schepen, armenzorg, drukpersen, apotheken, grafstenen, portretten, koloniale reizen en familiefondsen. Wie alleen de burgemeesters telt, mist de stad. Wie alleen de kooplieden ziet, mist de vrouwen. Wie alleen de VOC noemt, mist de lijnbaan, het weeshuis en de drukkerij. En wie alleen de namen leest, mist dat al deze families samen één stedelijk lichaam vormden.

 

 

Eindverslag — Enkhuizen als samenleving van families, huizen, ambten, handel, zorg en herinnering

Deel 1 — De regentenfamilies als maatschappelijke lagen, niet als losse namenlijst

Enkhuizen kan in deze bronlaag niet worden gelezen als een verzameling losse familienamen. De namen zijn de buitenkant. Daarachter ligt een samenleving die door huizen, havens, kerken, weeshuizen, ziekenhuizen, muntkamers, apotheken, scheepswerven, brouwerijen, visserij, VOC/OIC/WIC-dienst, schutterijen, grafzerken en huwelijksnetwerken bij elkaar werd gehouden. De regentenfamilies laten niet alleen zien wie bestuurlijke functies bekleedde, maar vooral hoe de stad werkte. Een man kon apotheker zijn en schepen worden; een vrouw kon via huwelijk, weduwschap, grafbezit en het moederschap van een instelling een vaste plaats in het sociale bestuur innemen; een huis aan de Breedstraat, Nieuwe Haven, Paktuinen, Wierdijk, Westerstraat of Venedie kon tegelijk woonhuis, bedrijf, geheugenplaats en machtsadres zijn.

Daarom is het verhaal van Enkhuizen geen rechte lijst van burgemeesters. Het is een gelaagd stedelijk lichaam. In dat lichaam stonden bestuur, handel, zorg, kerk, kennis, familiebezit en wereldvaart voortdurend met elkaar in verbinding. De families Abbas, Van Adelen, Admirael, Blaeuhulck, Blok, Bok, Brandenburg, Brouwer, Roldanus, Van Romond, Rooleeuw, Roos, Rootvelt, Van Schaak, Schaap, Schagen, Scharlaken/Tjallis, Schipper, Schuit, Semeyns, Slijper, Snouck van Loosen, Swaeroogh, Tatinghof, Teerkooper, Timman, Timmerman, Vesterman, La Via, Vis, De Vries, Wagenaar, Wagtendonk en Waterman vormen samen niet één eliteblok, maar een netwerk van lagen. Sommige families kwamen uit oude vijftiende- en zestiende-eeuwse stedelijke wortels; andere kwamen via Amsterdam, Utrecht, Hoorn, Emden, Deventer, Zwolle, Graft, Schiedam, Leiden, Den Haag, Tating in Denemarken of de VOC-wereld naar Enkhuizen. In de stad werden zij onderdeel van hetzelfde systeem: ambt, huwelijk, bezit, geloof, handel en zorg.

1. De stad als netwerk van huizen en instellingen

De Enkhuizer samenleving lag niet alleen op papier in registers, maar ook in steen, hout en straatnamen. De Nieuwe Haven, Breedstraat, Westerstraat, Paktuinen, Wierdijk, Oude Westerstraat, Nieuwe Westerstraat, Venedie, Oude Rietdijk, Zuiderhavendijk, Noorderhavendijk, Torenstraat, St. Janstraat, Karnemelksluis, Waagstraat, Vissersdijk, Paktuinstr, Oude Gracht, Oosterhaven, Westeinde, Dijk en Nieuwe Haven komen telkens terug. Dat is belangrijk: functies waren aan personen verbonden, maar personen waren op hun beurt aan plekken verbonden.

Een regent zonder huis is in deze bronlaag bijna ondenkbaar. Het huis was het adres van vertrouwen. Wie in de Breedstraat woonde, of op de Nieuwe Haven, of aan de Paktuinen, zat letterlijk in het circuit waar handel, bestuur en kerk elkaar raakten. Hetzelfde geldt voor huizen als het Paludanushuis aan Westerstraat 65, het huis Londen op de Nieuwe Haven, het huis In ’t Witte Paert aan de Westerstraat tegenover de Peperstraat, het Rood Scharlaecken aan Westerstraat 71, het huis De Grote Turck aan de noordzijde van de Westerstraat, het huis Brederode op de Hoge Zuiderhavendijk, de brouwerij op het Venedie van Hero Allertsz Vesterman, de zeepziederij Dubbele Anker van de familie Van Wagtendonk, de winkels in koffie en thee van de familie Schuit aan Westerstraat 122, 126 en 66, het zomerhuis bij Handvastwater-Exterpad van Van Simmeren, of Dijk 36, waar de laatste Snouck van Loosen-telgen bleven wonen.

Naast de huizen stonden de instellingen. Het Oude en Nieuwe Aalmoezeniersweeshuis, het Oude Armen Weeshuis, het Nieuwe Armen Weeshuis, het Provenhuis, het Ziekenhuis, het Leprozenhuis, het Oudemannen- en vrouwenhuis, het Gasthuis en later liefdadigheidsstichtingen zoals het OMVhuis de Vries en de Snouck van Loosen Stichting vormen samen de sociale ruggengraat van Enkhuizen. Dezelfde familienamen keren daar terug als voogden, weesmeesters, moeders, diakenen, ouderlingen en kerkmeesters. Dit betekent dat zorg niet buiten de regentenwereld stond, maar er middenin lag. Wie bestuurder was, werd geacht ook armen, zieken, wezen, weduwen, proveniers en kwetsbare inwoners in een stedelijk kader te helpen besturen.

De Westerkerk en Zuiderkerk zijn in deze laag meer dan religieuze gebouwen. Zij zijn archieven in steen. Grafnummers zoals Wm-392, Wm-418, Wn-222, Zn-262, Wm-465, Wz-152, Wz-389, Wm-252, Wm-428, Wn-24 en vele andere maken zichtbaar hoe families hun geheugen in de kerk vastlegden. Een grafsteen was niet alleen een begraafplaats. Het was een bewijs van plaats in de stad. Het kon een huwelijk zichtbaar maken, een wapen tonen, een sociale claim vastleggen en generaties aan elkaar binden. Wanneer een graf later door andere familieleden werd geërfd, verkocht, gedeeld of hergebruikt, werd ook het geheugen van de stad opnieuw verdeeld.

2. De kennislaag: apothekers, doctoren, chirurgijns, predikanten, cartografen en drukkers

Enkhuizen was niet alleen een havenstad. De bronlaag laat een stad zien waarin medische kennis, boekkennis, zeevaartkennis, drukkunst, apotheekpraktijk en religieuze geleerdheid nauw met bestuur verbonden waren.

Bij Roldanus is dat direct zichtbaar. Petrus Nicolaas Roldanus, geboren 3 april 1764 te Enkhuizen en overleden 13 december 1796 te Enkhuizen, begraven Wm-392, was apotheker. Maar hij was niet alleen apotheker. Hij werd schepen in 1788, 1790 en 1792, commissaris van kleine zaken in 1786, ouderling in 1791 en 1793 en luitenant van Schutterij E in 1789. Zijn huwelijk van 8 april 1789 met Anna Claasdr Schuit, geboren 6 februari 1764 te Enkhuizen en overleden 16 juni 1842 te Enkhuizen, Noorderbegraafplaats-58, verbond de apothekerslaag direct met de Schuit-laag van koffie, thee, schepenambten, diaconie, ouderlingen, schutterij en stedelijke huizen. Anna was dochter van Claas Geutjesz Schuit en Marijtje Vijselaar en huwde na Roldanus opnieuw in 1799 met Cornelis Jansz de Koning, geboren 4 mei 1770 te Enkhuizen en overleden 28 november 1848 te Enkhuizen, eveneens Nbp-58.

De kinderen van Petrus Nicolaas Roldanus laten zien hoe een achttiende-eeuwse medische en bestuurlijke familie de negentiende eeuw in loopt. Willem Jacob Roldanus, geboren 22 december 1780 te Enkhuizen, overleed 18 maart 1865 te Druten. Klaas Schuit Roldanus, geboren 1 januari 1792 te Enkhuizen en overleden 9 augustus 1872 te Enkhuizen, Nbp-67, werd apotheker en diaken in 1816. Hij huwde op 2 oktober 1816 te Utrecht met Juliana van den Broek, geboren 10 september 1794 te Enkhuizen en overleden 16 juli 1869 te Enkhuizen, Nbp-67, dochter van Cornelis van den Broek en Goverdina de Koningh. Hun zoon Petrus Nicolaas Roldanus, geboren 30 juli 1818 te Enkhuizen en overleden 26 april 1886 te Enkhuizen, Nbp-157, werd opnieuw apotheker en huwde op 16 mei 1849 te Hoorn met Johanna Antonia Hendrika Jung. De lijn blijft dus niet alleen genealogisch bestaan, maar houdt de apotheek als maatschappelijke functie vast. Cornelis Roldanus, geboren 21 augustus 1824 te Enkhuizen en overleden 20 december 1896 te Dordrecht, werd lid van de firma C. van den Broek, groothandel in kruidenierswaren te Dordrecht, en huwde Johanna Catharina Schuit, dochter van Pieter Simonsz Schuit en Soutje Zalm. Daarmee gaat de apothekers- en kruidenierswereld over in groothandel en Dordtse verbindingen.

Die kennislaag stond niet op zichzelf. De stad kende al eerder krachtige medische families. Bernardus ten Broek alias Paludanus, geboren 1550 te Steenwijk en overleden 1633 te Enkhuizen, begraven Zn-212, was stadsdoctor vanaf 1586, doctor in filosofie en medicijnen te Padua, reiziger, verzamelaar, ridder van Jeruzalem, stichter van de Librije rond 1620 en bewoner van de Breedstraat en later Westerstraat 65. Zijn huis werd een kennisadres. Zijn grafmonument in de Zuiderkerk maakte hem tot blijvende figuur in het stedelijke geheugen. Zijn familie verbond zich met apothekers, chirurgijns, predikanten en regenten. Pieter ten Broek, apotheker in De Drie Ankers en later De Granaetappel aan Oude Gracht/Westerstraat, bezitter van ambacht, leprozenhuisvoogd, diaken en ouderling, laat zien hoe apotheek, ambacht en stedelijke zorg elkaar raakten. Judith Thijsdr als apothekeresse maakt bovendien duidelijk dat de medische praktijk niet alleen via mannen liep.

Ook de families Schagen, Schaak, Schaap, Tatinghof, Koppen, Buisman, Wagenaar en Jungius horen bij deze kennislaag. Hendrik Willemsz van Schagen, overleden 13 oktober 1653 te Enkhuizen, Wm-112, was apotheker, schepen in 1646 en 1650, kerkmeester in 1649, diaken in 1640 en zesmaal ouderling tussen 1644 en 1653. Zijn zoon Ellert Hendriksz Schagen volgde hem in 1653 als apotheker op. Willem Hendriksz Schagen, geboren 10 december 1645 en overleden 8 december 1711, werd apotheker, raad, schepen, commissaris van kleine zaken, vierentwintigmaal voogd van het Ziekenhuis, ouderling en luitenant van Schutterij H. Het feit dat Sibregje Jans van Loosen, zijn vrouw, achtentwintigmaal moeder van het OMVhuis was, plaatst deze apothekersfamilie midden in de zorgstructuur.

Bij Van Schaak wordt het medische nog directer verbonden met bestuur. Hendrik Cornelisz van Schaak uit Utrecht, overleden 17 oktober 1679 te Enkhuizen, Wm-484, was medisch doctor, raad, schepen, commissaris van kleine zaken, commissaris van echtstaat, ziekenhuisvoogd, weesmeester en ouderling. Hij huwde Maria Ferreris, dochter uit een netwerk van juristen, bankhouders en internationale families, en later Teetje Guldenarm, de weduwe die eerder met Gerrit Jansz van Loosen, Roemer Fransz Cant en Maarten Albertsz Roos verbonden was. In één huwelijk komt zo geneeskunde, bestuur, oude regentenkring en Provenhuis-moederschap samen. De Van Schaak-kinderen verbinden zich weer met Haak, Backer, Raarda, Haga, Bras, Slijper, Ten Bosch, Bolk, Glissenbergh, Vaillant, Du Pui en andere families.

Michael Schaap, overleden 5 september 1724, Wz-342, was stadsdoctor, zesmaal schepen, commissaris van kleine zaken, provenhuisvoogd, diaken, ouderling, luitenant en kapitein van de schutterij. Zijn tweede vrouw Trijntje Jacobs de Jongh was weduwe van Dirk Jansz Kuiper en drukster in diens drukkerij met zoon Jacob Dirksz Kuiper. Daardoor komt de kennislaag van arts en drukkerij samen. Dochter Johanna Schaap werd moeder van het Leprozenhuis van 1745 tot 1782, waarmee de medische familie opnieuw aan zorginstellingen werd verbonden.

Tatinghof toont een andere kennislaag: Lutheranen, ossenmarkt, huisgodsdienst, theologie, chirurgie, herberg en druk. Frederik Dirksz Tatinghof, afkomstig uit Tating in Denemarken, kwam in 1596 naar Enkhuizen om ossenstallen te timmeren. Hij werd ossenmarktmeester en had herberg De Rode Leeuw aan de Palmtak. Zijn vrouw Catharina Hein, dochter van Michael Hein, predikant te Tating, nam de herberg na hem waar. Hun zoon Pieter Tatinghof was chirurgijn, koopman, ossenmarktmeester, had herberg De Jonge Prins van Denemarken, huurde in 1642 zes Oosterse ossenstallen en het Blokhuis van Denenburg, hield huisgodsdiensten van 1596 tot 1623, was mede-oprichter van de Lutherse gemeente in 1623 en gebruikte vanaf 1641 de ververij De Blauwe Hand aan de Noorder Boerenvaart als kerkgebouw. Zijn broer Frederik Fredriksz Tatinghof studeerde theologie te Wittenberg, schreef Historica Ecclesiastica in 1633, kocht De Blaauwen Hand in 1632 en maakte die tot kerk en pastorie. Hij werd in 1635 gebannen. Michael Fredriksz Tatinghof, geboren 1 januari 1634 en overleden 16 juli 1673 te Batavia, was filosoof, medisch doctor, predikant en geneesheer, schrijver van onder andere Piorum Requies, et Matura Senectus, Kortbondige medicijnspreuken, Bijbels Bloemhof, Catechismus Cither en De 40 Bijbelsche vroutjes. Hier ziet men dat Enkhuizen niet alleen gereformeerd-regentelijk was, maar ook plaats bood aan Lutherse migratie, medische geleerdheid en religieuze spanning.

De zeevaartkennis krijgt haar kern bij Lucas Jansz Wagenaar, geboren 1533 te Enkhuizen en overleden 1606. Hij was cartograaf en schrijver van de Spieghel der Zeevaerdt uit 1584, Thresoor der Zeevaart uit 1592, de Enkhuizer Seevaart van 1591 en Nieuwe Tresoor der Zeevaart rond 1600. Hij was collecteur, provenhuisvoogd, negenmaal kerkmeester, luitenant van Schutterij A en kreeg in 1593 honderdvijftig gulden van de Amsterdamse Admiraliteit voor zijn zeekaartboek. Hij woonde op de hoek Westerstraat/Leliesteeg. Zijn vrouw Catrijn Herkesdr, overleden 23 juni 1636, droeg als weduwe in 1610 octrooi en kaarten over aan drukker Jacob Lenertsz Palenstein. Zo wordt de kennis van de zee via huwelijk, weduwschap, drukkerij en octrooi overgedragen. Maerten Joosten Wagenaar, mogelijk behuwdzoon van Lucas, wordt genoemd als uitvinder van de Kromme Graadboog in 1617 en voer als kistemaker op het schip van kapitein Hilbrand Gerbrandsz Quast naar Constantinopel. Ook dat hoort bij Enkhuizen: praktische zeevaartkennis, instrumenten en verre routes.

3. De muntlaag en de bestuurlijke mobiliteit: Van Romond

De familie Van Romond laat zien dat Enkhuizen geen gesloten stad was. Bestuurlijke kennis, muntexpertise en regentenstatus konden zich verplaatsen tussen Deventer, Emden, Zwolle, Enkhuizen, Medemblik, Hoorn, Utrecht, Kampen, Amsterdam en zelfs West-Indische takken. Jan van Romond, geboren 6 december 1574 te Deventer en overleden 8 januari 1649 te Zwolle, was grafelijke muntmeester van Oost-Friesland te Emden en later te Zwolle. Zijn zoon Diederik van Romond, geboren vóór 1613 te Deventer en overleden 16 juli 1652 te Enkhuizen, Wm-418, was muntmeester te Emden van 1634 tot 1648 en muntmeester van West-Friesland te Enkhuizen van 1649 tot 1652. Zijn muntmeesterteken was een vijfbladige bloem. Zijn vrouw Petronella Schuirman overleed 20 november 1651 te Enkhuizen, Wm-418, in het kraambed. Hun portret wordt genoemd in NP-1921-256/257.

Hun zoon Gerrit Dirksz van Romond, geboren 26 april 1635 te Emden en overleden 6 januari 1696 te Enkhuizen, Wm-418, belichaamt de overgang van technische muntfunctie naar stedelijk regentendom. Hij was muntmeester van West-Friesland te Enkhuizen van 1652 tot 1655, te Medemblik van 1655 tot 1661, te Hoorn van 1661 tot 1670 en opnieuw te Enkhuizen van 1670 tot 1680. Daarna werd hij raad van 1683 tot 1696, viermaal schepen, commissaris van kleine zaken, dertienmaal voogd van het Oude Armen Weeshuis en elfmaal ouderling. Zijn vrouw Meijnsje Jacobsdr Schrobob, geboren 16 mei 1638 en overleden 12 september 1707, was zesentwintigmaal moeder van het Nieuwe Armen Weeshuis en woonde aan de Nieuwe Haven. De munt kwam zo letterlijk naast de haven en het weeshuis te staan.

De kinderen van Gerrit van Romond en Meijnsje Schrobob spreiden zich uit over huwelijken met Ruiter, Timmerman, Blaeuhulck, Van Eiken, Buyskes, Westwoud, Pan, Semeyns, Vos, Van Binnevest en anderen. Catharina van Romond, geboren 15 juli 1666 te Hoorn en overleden 11 juni 1742 te Enkhuizen, Wm-415, was zevenentwintigmaal moeder van het Oude Armen Weeshuis en huwde burgemeester Lucas Jacobsz Timmerman de Jonge. Jacoba van Romond, geboren 9 augustus 1669 te Hoorn en overleden 5 maart 1737 te Enkhuizen, Wn-353, was drieëntwintigmaal moeder van het Ziekenhuis en huwde eerst schepen Wouter Blaeuhulck en daarna predikant Johannes van Eiken. Veerduw Agnes van Romond, geboren 6 september 1673 en overleden 4 juli 1735, Wm-130, was achttienmaal moeder van het Provenhuis en huwde eerst Jan Gerritsz Buyskes en daarna schepen Lucas Westwoud.

Hier wordt duidelijk hoe belangrijk de vrouwenlaag is. Catharina, Jacoba en Veerduw Agnes zijn geen bijfiguren. Zij verbinden de muntmeestersfamilie met armenzorg, ziekenhuiszorg, Provenhuis, preekstoel, burgemeesterschap, Blaeuhulck, Buyskes, Westwoud en Timmerman. De moeders van de instellingen vormen een formeel sociaal ambt. Zij hielden het dagelijks morele en praktische gezag binnen zorginstellingen zichtbaar.

De volgende generatie Van Romond geeft de achttiende-eeuwse regentenstructuur scherp weer. Gerard van Romond, geboren 21 augustus 1704 en overleden 9 juni 1776, Wm-380, was raad van 1739 tot 1776, schepen in 1731, 1736 en 1738, tienmaal burgemeester tussen 1740 en 1774, dijkgraaf van Drechterland vanaf 1746, voogd van het Oude Armen Weeshuis, zesmaal voogd van het Ziekenhuis, ouderling en luitenant van Schutterij B. Hij woonde aan het Westeinde. Zijn huwelijken met Johanna Margaretha Verbruggen en Eva Pieters Haak verbonden hem met de families Verbruggen, Brouwer, Haak en Schuijtemaker. Eva Pieters Haak was veertienmaal moeder van het Ziekenhuis en woonde aan de Paktuinstr. Hun dochter Claasje van Romond stierf in 1763 in het kraambed en was gehuwd met burgemeester Dirk Elias van Loosen. Hun zoon Jan van Romond, geboren 16 augustus 1746 en overleden 11 maart 1809 te Amsterdam, was raad, schepen, burgemeester, ontvanger van convooien, dijkgraaf van Drechterland, ziekenhuisvoogd en luitenant van Schutterij C. Hij huwde te Dordrecht Catharina Semeyns en woonde in het Paludanushuis aan Westerstraat 65. Hij bezat het buitenverblijf Wilsumburg op Handvastwater. Uit zijn boedel kwam via Arendina Diederika van Romond het zwaard van Bossu tevoorschijn. Dat detail is veelzeggend: het huis bewaart niet alleen bezit, maar ook oorlogssymboliek en stedelijke herinnering aan 1572.

Andere Van Romond-lijnen lopen naar Utrecht, Kampen, Overijssel en Amsterdam. Jan van Romondt, geboren 30 augustus 1642 te Emden en overleden 20 februari 1710 te Utrecht, werd muntmeester te Utrecht van 1679 tot 1709. Diederik van Romondt, geboren 21 mei 1676 te Amsterdam en overleden 3 december 1737 te Utrecht, was kanunnik en kameraar ten Dom, hoogheemraad van Heycop en huwde Elisabeth Waterman, dochter van Lambertus Waterman en Catharina Blaeuhulck. Hun kinderen verbinden zich met Vreeland, Bolten, Kien, Post, Essenius en andere Utrechtse en Gelderse elites. Diederik van Romond, geboren 21 januari 1649 te Zwolle en overleden 18 juni 1702 te Kampen, was muntmeester van Overijssel, schepen van Kampen, burgemeester, gecommitteerde ter Landdage en ter Admiraliteit. Zijn zoon Erasmus van Romond huwde Maria Blaeuhulck uit Enkhuizen. De Van Romond-laag toont dus hoe Enkhuizen via munt, ambt, huwelijk en kerkelijke functies deel werd van een bredere Republiek.

4. De handelslaag: haring, hout, buskruit, schepen, bier, zeep, koffie, thee en koloniale waren

De stad leefde niet alleen van bestuur. De regentenfamilies tonen handel in concrete goederen: haring, hout, zout, bier, zeep, koffie, thee, buskruit, ossen, kaas, wijn, kruiden, tabak, sigaren, tin, goud, zilver, scheepstimmerhout, kruit, vis, visdroging, stokvis en VOC-ladingen.

Rooleeuw geeft een hout- en havenlaag. Pieter Mieuwesz Rooleeuw, overleden 9 februari 1652, Zn-295, was houtkoper. Zijn zoon Mieuwes Pietersz Rooleeuw, overleden 26 september 1666, Wn-318, was commissaris van kleine zaken, commissaris van echtstaat, provenhuisvoogd, luitenant en kapitein van de schutterij en woonde aan de Oosterhaven. De familie trouwde met Mul/Pan, Dielaert, Ebbenhout, Baars, l’Epie, Verschuur, Bolk en Ouckama. Dirk Rooleeuw, geboren 26 januari 1664 en overleden 23 november 1714, werd schepen en commissaris van kleine zaken en woonde aan de Nieuwe Haven. Zijn dochter Grietje Rooleeuw huwde Willem l’Epie; hun zoon Dirk Rooleeuw l’Epie werd viermaal schepen, commissaris van kleine zaken, voogd van het Oude Armen Weeshuis, luitenant en kapitein van de schutterij en later burgemeester te Alkmaar. Hier is te zien hoe een houtkoperslaag via haven en schutterij doorstroomt naar bredere bestuurlijke status.

Roos brengt haring, WIC, Admiraliteit en stedelijke zorg samen. Maarten Albertsz Roos, geboren circa 1616 en overleden 4 juli 1676, Zn-262, was koopman in haring, raad, schepen, burgemeester, bewindhebber van de WIC, commissaris van kleine zaken, voogd van het Aalmoeshuis, weesmeester, diaken, ouderling en raad ter Admiraliteit. Zijn zoon Albert Roos was boekhouder van de WIC, raad, schepen, burgemeester, commissaris van kleine zaken, provenhuisvoogd, ziekenhuisvoogd en dijkgraaf van Drechterland. De Roos-laag laat zien hoe haringhandel niet buiten de bestuurlijke elite stond, maar er een ingang toe vormde. Teetje Guldenarm, die met Maarten Roos trouwde en eerder weduwe was van Gerrit Jansz van Loosen en Roemer Fransz Cant, was negenentwintigmaal moeder van het Provenhuis. Door haar liep de zorglaag dwars door de handelslaag heen.

Swaeroogh laat zien dat ook gevaarlijke productie deel van het stedelijke verhaal was. Jan Pietersz Swaeroogh, geboren circa 1520 te Hoorn en overleden in of vóór 1596 te Amsterdam, was haringkoper bij de Haarlemmerpoort te Amsterdam, week in 1566 uit vanwege religieuze twisten, was mogelijk buskruitmaker te Enkhuizen en woonde later te Amsterdam. Zijn zoon Pieter Jansz Swaeroogh, geboren 1554 te Amsterdam en overleden 15 december 1631 te Enkhuizen, Wz-123, was buskruitmaker in Enkhuizen, had zijn kruitmolen buiten de Ketenpoort, was schepen en maar liefst vierenveertigmaal voogd van het Oude Armen Weeshuis. Pieter Pietersz Swaeroogh, geboren 25 januari 1590 en overleden 27 november 1640, Wz-152, was buskruitmaker en eigenaar van een kruitmolen die in 1637 sprong, waarbij twee mensen omkwamen; in 1640 sprong hij opnieuw, nu met twee gewonden. Toch was hij ook schepen en voogd van het Oude Armen Weeshuis. Dit is Enkhuizen als risicostad: explosieve productie, bestuurlijk gezag en armenzorg bestaan naast elkaar.

Bij Vesterman komt brouwerij, taanhuis en regentenmacht samen. Hero Allertsz Vesterman alias Brouwer, overleden 11 maart 1612, Zn-166, was raad, schepen, zesmaal burgemeester, commissaris van echtstaat, aalmoeshuisvoogd, kerkmeester, luitenant en kapitein van de schutterij. Hij woonde op het Venedie, was lidmaat in 1583, bezat een brouwerij op het Venedie en een taanhuis. Zijn vrouw Griet Willemsdr Vesterman overleed 27 juni 1627, Zn-166. Hun kinderen verbinden zich met Hardebol, Van Loosen, Dol, Swaeroogh, Van Vossen, Backer en Batavia. Allert Herosz Vesterman stierf in 1632 te Batavia. Pieter Vesterman, uit de Dol/Vesterman-lijn, voer als assistent met het schip Petronella Alida voor de VOC naar Indië en overleed in 1732 te Batavia. Hier wordt brouwerijbezit onderdeel van wereldvaart.

De familie Schuit laat de overgang zien van oudere stedelijke ambachten, chirurgijns, schippers en timmerlieden naar koffie, thee, apotheekverbindingen, orgel, beiaard, tabak, sigaren en negentiende-eeuwse winkels. Claas Geutjesz Schuit kocht Westerstraat 122 in 1750 van Jacob Cuyper, verkocht daar koffie en thee, kocht Westerstraat 126 in 1788 van Andries Jan Slijper en huwde Marijtje Vijselaar. Zijn zoon Lourens Claasz Schuit, geboren 23 maart 1753 en overleden 3 oktober 1800, Wz-306, werd schepen, commissaris van kleine zaken, voogd van het Nieuwe Armen Weeshuis, diaken, ouderling, luitenant en kapitein van de schutterij. Hij huwde Bregje Botjager, vijfmaal moeder van het Nieuwe Armen Weeshuis, die later Jan Dirksz van Romond huwde. Simon Claasz Schuit, geboren 21 januari 1767 en overleden 8 november 1833, Nbp-93, was koopman in koffie en thee, schepen, commissaris van kleine zaken, ouderling en vaandrig. Zijn zoon Claes Simonsz Schuit werd koopman en diaken; Pieter Claesz Schuit erfde Westerstraat 66 met winkel voor koffie en thee in 1869, waarna zijn vrouw en dochters het pand in 1899 verkochten. Een ander takje laat Willem Jacobsz Schuit zien als koopman, gemeenteraadslid, organist van de Westerkerk en beiaardier van de Zuidertoren van 1819 tot 1845; zijn zoon Jacob Johannes Willemsz Schuit werd koopman, winkelier in tabak en sigaren, organist van de Westerkerk en beiaardier van de Zuidertoren van 1845 tot 1872 en kreeg Westerstraat 31. De Schuit-laag is dus niet één familieverhaal, maar een lange verschuiving van schipperij, timmerwerk en chirurgijnswerk naar kleinhandel, koffie, thee, muziek, kerk en negentiende-eeuws winkelbedrijf.

De familie Van Wagtendonk hoort bij zeep, notariaat, schipperij en bestuurlijke overgang rond 1800. Tobias Johannes van Wagtendonk uit Schiedam overleed in 1770 op het schip Vaillant bij Bengalen. Hij was onderstuurman, schipper, commissaris van kleine zaken, woonde aan de Breedstraat en kocht in 1759 een zeepziederij van de weduwe Tjallis. Zijn zoon Lambertus Tobiasz van Wagtendonk, geboren 19 november 1760 en overleden 23 januari 1805, Wm-122, was zeepzieder in Dubbele Anker, notaris te Enkhuizen tussen 1782 en 1804, schepen, commissaris van kleine zaken, commissaris van echtstaat, diaken, ouderling, sous-luitenant, luitenant van de schutterij en baljuw van Hem en Venhuizen. Hij huwde Anna Elisabeth Houtkamp, dochter van predikant Meindert Houtkamp en Petronella van Eiken, en later Johanna Vlasbloem, weduwe van Hessel Jansz Slijper. De Van Wagtendonk-laag verbindt zeevaart naar Bengalen, zeepziederij, notariaat, baljuwschap, predikantenfamilies, Van Eiken, Van Romond, Slijper en Schuit.

5. De vrouwenlaag: moeders, weduwen, erfgenamen, bezitsters, regentessen en stichteressen

Een eindverslag zonder de vrouwen zou de kern van deze bron missen. In de registers staan veel vrouwen in huwelijksrelaties, maar hun maatschappelijke betekenis is groter. Zij zijn moeder van instellingen, erfgename van huizen, beheerster van vermogen, weduwe die hertrouwt en netwerken samenbrengt, regentesse, drukster, apothekeresse, brouwerijschakel, stichteres of laatste telg.

Anna Claasdr Schuit verbindt Roldanus, Schuit en De Koning. Meijnsje Jacobsdr Schrobob, zesentwintigmaal moeder van het Nieuwe Armen Weeshuis, maakt Van Romond tot zorgfamilie. Catharina van Romond is zevenentwintigmaal moeder van het Oude Armen Weeshuis. Jacoba van Romond is drieëntwintigmaal moeder van het Ziekenhuis. Veerduw Agnes van Romond is achttienmaal moeder van het Provenhuis. Eva Pieters Haak is veertienmaal moeder van het Ziekenhuis. Elia Eva van Romond is negenmaal moeder van het Ziekenhuis. Eva Johanna van Romond is achttienmaal moeder van het Provenhuis.

Bij Roos is Teetje Guldenarm negenentwintigmaal moeder van het Provenhuis. Bij Van Schaak zijn Aafjen Backer negenendertigmaal moeder van het Ziekenhuis, Catharina Backer tweeëntwintigmaal moeder van het Nieuwe Armen Weeshuis, Margareta van Schaak negenentwintigmaal moeder van het Provenhuis, Geertruid Slijper achttienmaal moeder van het Provenhuis, Catharina Haak zevenmaal moeder van het Ziekenhuis en Albertina Maria Bolk tweemaal moeder van het Oude Armen Weeshuis. Bij Schaap is Johanna Schaap moeder van het Leprozenhuis van 1745 tot 1782. Bij Schagen is Sibregje Jans van Loosen achtentwintigmaal moeder van het OMVhuis. Bij Scharlaken/Tjallis staat Meijnou Segers in de familieketen en Digna Ceracles is zesmaal moeder van het Provenhuis. Bij Schipper/Siewertsz is Soutje Siewertsdr Schipper de schakel tussen Schipper en Van Adelen. Bij Slijper zijn Tetje Pieters Slijper moeder van het Leprozenhuis, Imtje Dirks Dop moeder van het Nieuwe Armen Weeshuis, Cornelia Taanman moeder van het Oude Armen Weeshuis, Petronella Catharina Kluppel moeder van het Provenhuis, Wilhelmina Roldanus moeder van het Weeshuis, Petronella Pan moeder van het Ziekenhuis, Adriana Petronella Verbruggen vierendertigmaal moeder van het Provenhuis en Susanna Dirks Brouwer negenentwintigmaal moeder van het Ziekenhuis. Bij Snouck van Loosen wordt Margaretha Maria Snouck van Loosen, laatste telg, de stichteres die haar vermogen naliet aan de Snouck van Loosen Stichting.

Ook weduwschap is een maatschappelijke kracht. Teetje Guldenarm huwde achtereenvolgens met Gerrit Jansz van Loosen, Roemer Fransz Cant, Maarten Albertsz Roos en Hendrik Cornelisz van Schaak. Zij brengt vier regentenkringen met elkaar in verband. Catharina Backer huwde eerst Willem Cornelisz van Schaak en daarna burgemeester Engel Appelman. Margareta van Schaak huwde eerst predikant Theodorus Houwert, daarna haar neef Willem van Schaak en daarna Pieter Olphertsz Backer. Adriana Petronella Verbruggen huwde eerst Jan Slijper en daarna Pieter Thadesz Buyskes. Bregje Botjager huwde eerst Lourens Claasz Schuit en daarna Jan Dirksz van Romond. Johanna Vlasbloem huwde Hessel Jansz Slijper en daarna Lambertus Tobiasz van Wagtendonk. Zulke huwelijken zijn geen voetnoten: zij verklaren hoe bezit, kinderen, grafrechten, huizen, bestuursfuncties en instellingstaken tussen families circuleerden.

De negentiende-eeuwse stichtingslaag toont de doorwerking. Johanna Margaretha de Vries, geboren 16 januari 1794 en overleden 2 juli 1849, Nbp-102, liet haar vermogen na voor goede doelen en stichtte het OMVhuis de Vries in Westerstraat 73. Margaretha Maria Snouck van Loosen, geboren 23 juli 1807 en overleden 30 oktober 1885, woonde op Dijk 36 en liet haar vermogen na in de Snouck van Loosen Stichting; haar voorvaderlijke woning werd een tehuis voor deftige weduwen. De regentenwereld eindigt hier niet abrupt, maar verandert in liefdadigheid, stichting, monument en negentiende-eeuwse herinneringscultuur.

6. De bestuurlijke laag: raad, schepen, burgemeester, commissaris, weesmeester, dijkgraaf en schutterij

Wie de functies leest, ziet een vast patroon. Raad, schepen, burgemeester, commissaris van kleine zaken, commissaris van echtstaat, weesmeester, voogd van Aalmoeshuis, Provenhuis, Ziekenhuis of Leprozenhuis, kerkmeester, ouderling, diaken, schutterijofficier, dijkgraaf, heemraad, raad ter Admiraliteit, bewindhebber OIC/VOC/WIC: deze functies keren steeds terug. Het zijn geen losse eretitels. Zij tonen de structuur van een stad waarin bestuur, recht, kerk, zorg, veiligheid en economie samen bestuurd werden.

Rootvelt laat de oudere bestuurlijke laag zien. Ruardus of Riewert Reiniersz Rootvelt, overleden 1476, wordt ridder, rechtsgeleerde en bereisd man genoemd, mogelijk Jeruzalembedevaarder. Zijn vrouw Geertmoer Hoeksdr verbindt hem vermoedelijk met Hoek en Van Adelen. Dirk Riewertsz Rootvelt alias Lutjeveld, overleden 1520, was raad in 1513 en burgemeester in 1514. Reiner Dirksz Rootvelt alias Lijnslager/Lijndraaijer was raad, schepen, burgemeester en kerkmeester. Riewert Reiniersz Rootvelt werd baanman en schepen. Dirk Riewertsz Rootvelt was groot baan- en koopman, heemraad van de Hondsbossche, en huwde Welmet of Willemina Simonsdr Semeyns. Anna Riewertsdr Rootvelt was moeder van Nieuwe en Oude Armen Weeshuis en hertrouwde met burgemeester Willem Sijbrandsz Groes. Pietertje Riewertsdr Rootvelt was moeder van het Leprozenhuis. In Rootvelt ligt dus een vroege laag van ridderlijke herinnering, rechtskennis, baanhandel, schepenbank en vrouwen in instellingen.

Scharlaken/Tjallis toont hoe notariaat, secretarie, lakennijverheid, katholieke schuilpraktijk en regentenbestuur samenkomen. Pieter Scharlaken alias Tjallis was mogelijk verbonden met de Abs-laag en wordt als vijfmaal burgemeester tussen 1534 en 1542 genoemd. Dirk Pietersz Tjallis was notaris en secretaris van 1575 tot 1604. Pieter Dirksz Tjallis alias Scharlaken was schepen, bezitter van ambacht, voogd van het Oude Armen Weeshuis en voogd van het Leprozenhuis. Seger Tjallis Scharlaken was doctor en secretaris. Gerrit Tjallis Scharlaken werd medisch doctor, schepen, commissaris van kleine zaken en voogd van het Oude Armen Weeshuis. Cornelis Pietersz Tjallis was notaris van 1627 tot 1678. Cornelis Dirksz Tjallis Scharlaken was notaris, secretaris, aalmoeshuisvoogd en provenhuisvoogd en woonde aan de Wierdijk in een schuilkerkcontext; een kind uit 1608 werd door een pater in het geheim met thuismis gedoopt, wat opschudding veroorzaakte. Seger Dirksz Scharlaken, lakenkoper, was raad, schepen, elfmaal burgemeester, bewindhebber OIC, aalmoeshuisvoogd, ziekenhuisvoogd, kerkmeester, weesmeester, ouderling en kapitein van Schutterij E. Hij woonde aan de Westerstraat in ’t Rood Scharlaecken. Deze familie toont hoe de overgang van late middeleeuwen naar gereformeerde stad niet alle oude katholieke lijnen uitwiste.

Schipper en Siewertsz laten de zestiende-eeuwse overgang van haringconvooi, Opstand en regentenbestuur zien. Siewert Jansz Schipper, zoon van Jan Allertsz Groot en Griet Freeksdr, was schepen in 1551 en 1554, voogd van het Oude Armen Weeshuis in 1555 en in 1558 gemachtigd om twee oorlogsschepen uit te rusten ter convooi van de haringbuizen. Zijn zoon Jacob Siewertsz Schipper, zeepzieder, was raad van 1587 tot 1625, schepen, twaalfmaal burgemeester, commissaris van echtstaat, aalmoeshuisvoogd, diaken en ouderling. Hij verbond zich via Aafje Jansdr Lakenman/Seilemaker en Mary Jansdr uit Amsterdam met andere lagen. De familie loopt door in Koekebacker, notariaat, secretariaat, predikanten en contrarolleurs van convooien. Siewertsz/Lucas Siewertsz, zoon van Siewert Luitjesz van Adelen en Trijn Jans van der Duijn, erfgenaam van het Teet Luitjesfonds, was raad, schout, aalmoeshuisvoogd, kerkmeester, kapitein van Schutterij B en lidmaat. Hij huwde Soutje Siewertsdr Schipper. Hun kinderen verbinden Schipper, Van Adelen, Graef, Brouwer, Bok, Semeyns en Palensteijn. Hier ziet men hoe de oudste stedelijke macht via huwelijk en fonds bezit doorgeeft.

Van Schaak toont de late zeventiende en achttiende eeuw als familiepolitiek van bestuur en zorg. Cornelis van Schaak, zoon van Hendrik Cornelisz, was commissaris van kleine zaken en weesmeester. Zijn zoon Hendrik Cornelisz van Schaak werd schepen, commissaris van echtstaat, commissaris van kleine zaken, luitenant en kapitein van de schutterij. Willem van Schaak was doctor, schepen, commissaris van kleine zaken, voogd van het Oude Armen Weeshuis. François Hendriksz van Schaak was commissaris van kleine zaken, commissaris van echtstaat, luitenant en kapitein. Dirk van Schaak was houthandelaar met zaagmolen, schepen, commissaris van kleine zaken, voogd van het Oude Armen Weeshuis, ziekenhuisvoogd, ouderling en kapitein. Andries van Schaak, boekhouder WIC, werd raad, schepen, burgemeester, commissaris van kleine zaken, commissaris van echtstaat, voogd van Oude Armen Weeshuis en Provenhuis, ouderling en luitenant. Hendrik Andriesz van Schaak, geboren 20 maart 1735 en overleden 5 juni 1813, was raad, viermaal burgemeester, bewindhebber OIC, commissaris van kleine zaken, tienmaal voogd van het Oude Armen Weeshuis en achtmaal ouderling. De Van Schaak-laag is een voorbeeld van hoe een familie via artsen, hout, WIC, OIC, schutterij, weeshuizen en huwelijken met Haak, Backer, Slijper, Bolk, Ten Bosch en Du Pui de stad vasthield.

De Vries vormt een van de breedste bestuurlijke lagen. De oudste Albert of Allert Arentsz de Vries was al schepen in 1537, 1538, 1541 en 1553 en burgemeester in 1544 en 1549. Zijn nakomelingen verbinden St. Janstraat, Havendijk, Nieuwe Haven, lijnbaan, Bremen/Hamburgvaart, Waagstraat, Rootvelt, Groes, Strijkebolle, Admirael en Abbas. De latere Arend de Vries, geboren 24 mei 1672 te Amsterdam en overleden 31 december 1731 te Enkhuizen, Zz-82, kwam rond 1693 naar Enkhuizen, werd koopman, schepen, landrijk, hoofdofficier, commissaris van kleine zaken, ziekenhuisvoogd, weesmeester en luitenant. Hij huwde Theodora Semeyns, weduwe van Caspar Vis. Zijn zoon Diederik Arnold de Vries, geboren 4 april 1700, werd raad, hoofdofficier, schepen, commissaris van kleine zaken, dertigmaal kerkmeester, ouderling en penningmeester van de Grote Visserij. Hij bouwde een huis in de Nieuwe Westerstraat waarin later een liefdadigheidsinstelling kwam en woonde aan Breedstraat 51 en later Nieuwe Rietdijk. Nicolaas Hendrik de Vries, geboren 22 augustus 1729 en overleden 13 oktober 1809, werd raad, schepen, penningmeester van de Grote Visserij, raad ter Admiraliteit, gecommitteerde raad van West-Friesland, commissaris van kleine zaken, ziekenhuisvoogd, weesmeester, ouderling en kapitein van de schutterij. Hij liet vermogen en kunstverzameling na. Zijn zoon Diederik Arnoldus de Vries werd OIC-boekhouder, raad, schepen, commissaris van kleine zaken, ouderling, provinciaal representant en luitenant van de schutterij. Zijn dochter Johanna Margaretha de Vries stichtte het OMVhuis de Vries. De De Vries-laag laat dus de overgang zien van zestiende-eeuwse stadsambten naar achttiende-eeuwse bestuursmacht en negentiende-eeuwse liefdadigheid.

7. De wereldlaag: VOC, OIC, WIC, Admiraliteit, Batavia, Bengalen, Riga, Banda, Makassar, Ternate en West-Indië

Enkhuizen was een lokale stad, maar de familiegegevens maken voortdurend duidelijk dat de wereld in de stad aanwezig was. Brandenburg voer met VOC-schepen naar Batavia. Blok ging van OIC-scheepsjongen tot gouverneur/directeur van Makassar. Semeyns levert factoorlijnen naar Riga, OIC-diensten, Wervershoofse uitlopers en later archiefvorming via Semeyns de Vries van Doesburgh. La Via voer met schepen als De Lagepolder, Drechterland, De Ham, Popkensburg, De Waarde en Geertruid naar Azië. Schuit-leden gingen als kwartiermeester, bootsman, hooloper, ziekentrooster en derdewaak naar Batavia. Slijper-leden waren opperstuurman, kapitein, OIC-boekhouder, muntmeester, equipagemeester en VOC/OIC-verbonden regenten. Snouck was lid van de firma haringrederij Gebr. Haak. Som voer als opperstuurman en schipper naar Batavia. Waterman was boekhouder VOC en bewindhebber OIC. Vis leverde bewindhebbers OIC, raad Admiraliteit, VOC-boekhouder en bestuurders van Grote Visserij.

De familie Semeyns verdient hierin een aparte plaats. De naam keert overal terug: Rootvelt alias Semeyns, Sijbels alias Semeyns, De Boer, Pan, Backer, Kraak, Buisman, Van Loosen, La Via, De Vries en De Vries van Vossen. Hendrik Simonsz Semeyns was schepen, equipagemeester en ziekenhuisvoogd. Paulus Fredriksz Semeyns was wijnkoper, schepen, aalmoeshuisvoogd, diaken, luitenant en kapitein, en stichtte in 1657 een eendenkooi te Zwaagdijk. Zijn zoon Hendrik Paulusz Semeyns was wijnkoper; kleinzoon Fredrik Hendriksz Semeyns werd factoor te Riga. Jan Volkertsz Semeyns en Antje Volkerts Semeyns huwden in de La Via-lijn. Theodora Semeyns huwde Caspar Vis en daarna Arend de Vries. Catharina Semeyns huwde Jan van Romond. De archiefdoorwerking komt later via de familie De Vries van Doesburgh en het archief Semeyns de Vries van Doesburgh in het Noord-Hollands Archief. Semeyns is dus niet één tak, maar een doorlopende ader door Enkhuizen.

Ook de familie Snouck van Loosen maakt wereld en nalatenschap zichtbaar. Samuel Snouck, geboren 29 januari 1766 te Leiden en overleden 27 mei 1839 te Leiden, ridder in de Nederlandse Leeuw, raad, schepen, ouderling, lid Staten-Generaal en lid van de firma haringrederij Gebr. Haak, huwde Cornelia Petronella van Loosen, geboren 20 mei 1772 te Enkhuizen en overleden 20 juni 1846, wonend aan de Wierdijk, dochter van Dirk Elias van Loosen en Meijnoutje Pan. Zij erfde de landerijen Langewijk en Welgelegen in de Beemster. Hun dochters Antonia Meinoutje, Theodora Matthia, Susanna Aletta Elisabeth, Cornelia Eva Wilhelmina, Arnoldina Ursula en Margaretha Maria Snouck van Loosen brengen de regentenlaag naar de negentiende eeuw. Margaretha Maria, de laatste telg, liet haar vermogen na aan de Snouck van Loosen Stichting. Haar woning op Dijk 36 werd een tehuis voor deftige weduwen. Zo wordt de oude handels- en regentenwereld omgezet in filantropische infrastructuur.

8. De kerkelijke en religieuze laag: gereformeerd, katholiek, luthers, schuilkerk en herinnering

De bronlaag toont Enkhuizen niet als éénkleurig religieus geheel. De gereformeerde ambten overheersen in de functies: diaken, ouderling, kerkmeester, predikant. Maar daarnaast zijn katholieke herinnering, schuilkerk, Lutherse gemeente en internationale geloofslijnen aanwezig.

Bij Scharlaken/Tjallis verschijnt de geheime doop door een pater in 1608. Bij Cornelis Dirksz Tjallis wordt vermeld dat hij aan de Wierdijk woonde, in een schuilkerkcontext. Bij Tatinghof ontstaat de Lutherse gemeente vanuit huisgodsdiensten tussen 1596 en 1623, daarna De Blauwe Hand aan de Noorder Boerenvaart, later Breedstraat 40. Bij meerdere personen staat “rk” bij begrafenis of grafvermelding, zoals bij Jacoba van Romond, Sijtje van der Hart, Johanna Willems van Eiken, Gerard van Romond, Meijnoutje van Romond, Jacob van Romond, Margaretha van Schaak, Pieter Vesterman, Cornelis Slijper, Petronella Catharina Kluppel, Adriana Petronella Verbruggen, Wilhelmina Vis, Maria Vis, Jan Quirijnsz Groen en anderen.

Dit is van belang omdat dezelfde families tegelijk gereformeerde bestuursfuncties, katholieke verwantschapsherinneringen, schuilkerksporen en instellingstaken konden dragen. De stad was niet simpel verdeeld in confessionele blokken. De sociale werkelijkheid was gemengd, voorzichtig, soms verborgen en vaak door huwelijk verbonden.

9. De stedelijke zorg als ruggengraat van macht

De grote constante is zorg. Wie macht had, had zorgplicht. Dat blijkt uit de herhaling van voogdij over Aalmoeshuis, Provenhuis, Weeshuis, Ziekenhuis en Leprozenhuis. Het Oude Armen Weeshuis, Nieuwe Armen Weeshuis, Provenhuis, Ziekenhuis en Leprozenhuis verschijnen niet aan de rand van de families, maar in de kern.

Pieter Swaeroogh was vierenveertigmaal voogd van het Oude Armen Weeshuis. Willem Hendriksz Schagen was vierentwintigmaal voogd van het Ziekenhuis. Nicolaas Slijper was eenendertigmaal voogd van het Ziekenhuis. Hendrik Som was achtentwintigmaal voogd van het Aalmoeshuis. Gerrit Dirksz van Romond was dertienmaal voogd van het Oude Armen Weeshuis. Jan Dirksz van Romond was voogd van het Nieuwe Armen Weeshuis van 1787 tot 1820 en van het Oude Armen Weeshuis van 1810 tot 1823. Andries Jan Slijper was veertienmaal voogd van het Nieuwe Armen Weeshuis, voogd van het Provenhuis en achtmaal weesmeester. Hendrik Andriesz van Schaak was tienmaal voogd van het Oude Armen Weeshuis.

De vrouwen vervullen het spiegelbeeld: moeder van instelling. Die moeders waren niet decoratief. Zij maakten het dagelijks bestuur van zorg zichtbaar. In de bronlaag worden hun aantallen vaak preciezer bewaard dan sommige economische gegevens: 39x moeder Ziekenhuis, 34x moeder Provenhuis, 30x moeder NAWeeshuis, 29x moeder Ziekenhuis, 28x moeder Leprozenhuis, 27x moeder OAWeeshuis, 26x moeder NAWeeshuis, 23x moeder Ziekenhuis, 20x moeder OAWeeshuis, 18x moeder Provenhuis, 17x moeder OAWeeshuis, 14x moeder Ziekenhuis. Dat ritme bewijst dat zorg een structureel ambt was.

10. Enkhuizen als doorlopende maatschappelijke machine

Wanneer al deze lagen samen worden gelezen, ontstaat een beeld van Enkhuizen als maatschappelijke machine. De machine draaide op water, handel en ambt, maar ook op vertrouwen. Dat vertrouwen werd geproduceerd door herhaling: dezelfde families keerden terug in schepenbank, kerk, schutterij, weeshuizen, ziekenhuizen, VOC/OIC/WIC, Admiraliteit, grafstenen en huizen.

De oude families uit de vijftiende en zestiende eeuw — Rootvelt, Tapper, Schipper, Sijbels, Sijmonsz, Timman, Tjallis/Scharlaken, Van Adelen, Bok, Brouwer, Blaeuhulck — vormden de basislaag. De Opstand bracht vlucht naar Emden, nieuwe vrijheidslagen, lidmatenregisters, schutterij, predikanten en nieuwe bestuursstructuren. De zeventiende eeuw verbreedde het netwerk met OIC, VOC, WIC, Admiraliteit, haring, buskruit, brouwerijen, taanhuizen, hout, scheepsbouw, apotheken, drukkerijen, chirurgijnsgilde en wereldhandel. De achttiende eeuw toont consolidatie: regentenhuizen, moeders van instellingen, dijkgraven, boekhouders, muntmeesters, burgemeesters, penningmeesters van Grote Visserij, zeepzieders, koffie- en theehandelaren, OIC-boekhouders, schippers naar Azië en kunstverzamelingen. De negentiende eeuw verandert de oude elite in stichtingen, liefdadigheid, herinneringshuizen, begraafplaatsen buiten de kerken, winkels, gemeenteraadsleden, organisten, notarissen, commissarissen van politie, emigranten naar Amerika en familiearchieven.

De eindconclusie is dat de regentenfamilies van Enkhuizen niet als namenlijst moeten worden gebruikt. Zij zijn een kaart van de samenleving. De namen wijzen naar huizen; de huizen wijzen naar straten; de straten wijzen naar haven, markt en kerk; de kerk wijst naar graf en herinnering; de grafzerk wijst naar huwelijk en bezit; het huwelijk wijst naar instelling en ambt; het ambt wijst naar handel en wereldvaart; de wereldvaart wijst terug naar de stad.

Enkhuizen was daardoor geen verzameling losse families, maar een web. In dat web hielden mannen en vrouwen samen de stad draaiend: mannen vaak zichtbaar in raad, schepenbank, burgemeesterschap, schutterij, VOC/OIC/WIC, notariaat, munt, apotheek en handel; vrouwen zichtbaar in huwelijk, weduwschap, instelling, grafbezit, erfenis, huis, drukkerij, apotheek, regentessenrol en stichting. Wie deze bronlaag goed leest, ziet daarom niet alleen wie iemand was, maar hoe Enkhuizen als samenleving functioneerde.

 

Ja. Ik kan missende wetenswaardigheden aanleveren, maar ik zou ze als aanvullende contextlaag apart houden van jouw aangeleverde genealogie. Dus: geen nieuwe kinderen, huwelijken of functies verzinnen, maar wel extra uitleg waardoor het eindverslag rijker wordt.

Wat ik nog zou toevoegen

1. De bronlaag zelf beter benoemen

Je werkt nu vooral met de regentenfamilies als genealogische massa. Daar mist nog een korte uitleg bij: deze bron is niet zomaar een stamboom, maar een bestuurlijke stadskaart op alfabet. De PDF van Thijs Postma heet Regenten van Enkhuizen tussen 1427 en 1795 op Alphabet en noemt bodes, klerken, secretarissen, commissarissen, voogden, raden, schouten, burgemeesters, schepenen, diakenen en ouderlingen uit Brandt en latere aanvullingen. Dat moet in het eindverslag vóór de families worden uitgelegd.

Toevoegen als wetenswaardigheid:
De familienamen zijn niet alleen familiegeschiedenis, maar ook een register van wie toegang had tot bestuur, kerk, zorg, rechtspraak, handel, dijkzaken en stedelijke controle.

2. De “regentessen”-laag sterker maken

In jouw aangeleverde tekst staan heel veel vrouwen als Moeder Ziekenhuis, Moeder NAWeeshuis, Moeder OAWeeshuis, Moeder Provenhuis, Moeder Leprozenhuis. Dat is een aparte maatschappelijke laag. Op de website van Thijs Postma staan naast de regenten ook aparte onderdelen als Regentessen van Enkhuizen, Wapens van Enkhuizen, Schepenzegels en Uithangtekens Enkhuizen. Dat betekent dat de vrouwenlaag niet als bijzaak moet worden behandeld, maar als aparte bestuurlijke/zorgende bovenlaag van de stad.

Toevoegen:
Vrouwen bestuurden geen stad via burgemeesterszetels, maar ze beheerden wél continuïteit: armenzorg, weeshuiszorg, ziekenzorg, provenhuizen, bezit, huwelijkskapitaal, weduwschap en familienaam.

3. Lucas Jansz Wagenaar / Waghenaer als wereldvenster

Bij Wagenaar moet nog sterker worden uitgelegd dat Enkhuizen niet alleen schepen leverde, maar ook zeekennis. Lucas Jansz. Waghenaer uit Enkhuizen maakte met de Spieghel der Zeevaerdt de eerste originele gedrukte zeeatlas ter wereld; volgens de Universiteit Utrecht combineerde hij eigen ervaring als stuurman met bestaande zeemansgidsen, maar bracht hij kaarten en tekst samen tot iets nieuws.

Toevoegen:
Wagenaar maakt van Enkhuizen een kennisstad van de zee. De haven leverde niet alleen haring, hout en graan op, maar ook navigatie, kaarten, drukwerk en praktische wetenschap.

4. Paludanus niet alleen als dokter, maar als Europese kennispoort

Bernardus Paludanus moet nog groter worden aangezet. De Librije Enkhuizen noemt hem als stadsdoctor die waarschijnlijk de aanbouw aan de kerk voor de stadsbibliotheek stimuleerde. De geschiedenis van de Librije gaat terug tot het einde van de zestiende eeuw, met het legaat boeken van predikant Gerardus Vesterman in 1588 als belangrijke aanzet.

Ook zijn album amicorum is belangrijk: de Koninklijke Bibliotheek noemt ongeveer 1900 inschrijvingen en legt uit dat Paludanus dit boek gebruikte als bezoekersboek voor zijn rariteitenkabinet in Enkhuizen; hij reisde ermee, zelfs naar Palestina.

Toevoegen:
Paludanus maakt van Enkhuizen een stad waar wereldhandel, geneeskunde, boeken, rariteiten, reizen en geleerde netwerken samenkomen.

5. Snouck van Loosen als slotlaag van regentenvermogen

Bij Snouck van Loosen moet nog duidelijker worden gemaakt dat oude regentenrijkdom uiteindelijk veranderde in negentiende-eeuwse sociale zorg. De kern van de collectie van Portret van Enkhuizen komt uit de boedel die Margaretha Maria Snouck van Loosen naliet.

Het Snouck van Loosenpark hoort daar ook bij. Visit Enkhuizen noemt het park een van de eerste sociale woningbouwprojecten van Nederland, ontstaan uit bepalingen in het testament van Margaretha Snouck van Loosen na haar overlijden in 1885.

Toevoegen:
De regentenfamilie eindigt niet alleen in uitsterven, maar in omzetting van privévermogen naar stadserfgoed: woningen, zorg, cultuurbezit en herinnering.

6. Het Snouck van Loosenhuis als zichtbaar eindpunt

Het Snouck van Loosenhuis aan de Oude Haven is nog een mooie concrete plek. Visit Enkhuizen vermeldt dat het huis in 1741 werd gebouwd voor Mr. Dirk Semeijn van Loosen en Maria Bontekoning.

Toevoegen:
Dit huis maakt de regentenwereld zichtbaar: hoge stoep, Oude Haven, koopmanswoning, familiebezit, status en later herinneringscultuur.

7. Swaeroogh als gevaarlijke kennislaag

Bij Swaeroogh staat in jouw tekst buskruit, kruitmolen, ontploffing in 1637 en opnieuw in 1640. Dat moet niet alleen genealogisch blijven. Dit is een prachtige laag over stedelijke risico-industrie.

Toevoegen uit jouw bronlaag:
Enkhuizen had niet alleen pakhuizen en brouwerijen, maar ook gevaarlijk werk: buskruitmakers buiten de poorten, kruitmolens, ontploffingen, doden en gewonden. Dat hoort bij de militaire en maritieme stad.

8. Schuit als overgang van regent naar middenstand

De familie Schuit moet groter worden als overgangsfamilie. In jouw materiaal zitten chirurgijns, schippers, timmerlieden, koffie- en theehandel, winkels in de Westerstraat, apothekers, organisten, beiaardiers, sigarenmakers, dienstboden, broodbakkers, arbeiders, pakhuisknechten en emigranten.

Toevoegen:
Schuit laat zien hoe Enkhuizen na de grote zeehandel niet verdween, maar verschoof: van regentenstad naar winkelstad, ambachtsstad, kerkelijke muziekstad en negentiende-eeuwse burgerstad.

9. Van Romond als muntlaag

Van Romond moet nog explicieter worden gebruikt als muntfamilie. De familie loopt via Emden, Zwolle, West-Friesland, Enkhuizen, Medemblik, Hoorn, Utrecht en Kampen. Dat is meer dan bestuur; dat is geld, vertrouwen, metaal, munttekens, grafstenen en gewestelijke macht.

Toevoegen:
Waar families als Van Loosen en Vis de handel tonen, toont Van Romond het vertrouwen achter handel: muntmeesters, munttekens, stedelijke betrouwbaarheid en gewestelijke economie.

10. De Vries als politieke overgang naar 1795 en daarna

De Vries-laag is sterk genoeg om als overgang naar de moderne tijd te gebruiken. Je hebt daarin bestuurders, hoofdofficieren, kunstverzameling, Admiraliteit, OIC, Breedstraat 51, Nieuwe Rietdijk, Edam, Buitenzorg, Napoleon, predikanten, archiefvorming en uiteindelijk Johanna Margaretha de Vries die vermogen voor goede doelen naliet.

Toevoegen:
De Vries laat zien hoe achttiende-eeuws regentenbezit na 1795 niet meteen verdwijnt, maar zich omzet in recht, notariaat, kunstbezit, filantropie, archief en herinnering.

11. Lutherse laag bij Tatinghof

Tatinghof moet niet alleen als familie worden genoemd. Daar zit een bijzondere migratie- en geloofslaag in: Denemarken/Tating, ossenmarkt, herbergen, huisgodsdiensten, Lutherse gemeente, De Blauwe Hand aan de Noorder Boerenvaart, predikanten, Wittenberg, boeken en verbanning.

Toevoegen:
Enkhuizen was niet alleen gereformeerd-regents. Er was ook een Lutherse migrantenlaag van handel, ossen, herberg, huisgodsdienst en eigen kerkelijke gemeenschap.

12. De begraafplaatsen als stadsarchief

Je gebruikt al Wm, Wn, Wz, Zk, Zn, Zz, Nbp, Obp en Abp. Dat mag nog sterker als kapstok.

Toevoegen:
De kerkvloer is bij deze families bijna een tweede bevolkingsregister. Westerkerk, Zuiderkerk, Noorderbegraafplaats, Oosterbegraafplaats en Algemene begraafplaats bewaren de overgang van middeleeuwse kerkelijke stad naar negentiende-eeuwse burgerlijke herinneringsstad.

Conclusie

Ja, er missen nog wetenswaardigheden. Vooral deze:

Wagenaar = zeeatlas en wereldkennis.
Paludanus = dokter, rariteitenkabinet, Librije en Europees geleerd netwerk.
Snouck van Loosen = regentenvermogen wordt sociale woningbouw en stadserfgoed.
Swaeroogh = buskruit en gevaarlijke havenindustrie.
Schuit = overgang naar negentiende-eeuwse middenstand.
Van Romond = munt, geld en vertrouwen.
Tatinghof = Lutherse migratie en ossenmarkt.
De Vries = regentenmacht na 1795, kunst, archief en filantropie.
Vrouwen = niet bijzaak, maar zorgbestuur en bezit.

 

Dat zijn precies de lagen die het eindverslag sterker maken zonder jouw aangeleverde tekst in te korten.