De Vier-Noorder-Koggen — het binnenland dat zichzelf moest dragen

Eerst kwamen greppels, geen raadhuizen

 

 

Intro — West-Frisia, het land dat achter de dijk moest blijven staan

Met West-Frisia bedoelen we hier het oude West-Friese land binnen en rond de West-Friese Omringdijk, zoals het in achttiende-eeuwse bronnen werd beschreven: niet als één vlak gebied, maar als een wereld van koggen, ambachten, steden, dorpslinten, meren, sluizen, molens, markten, kerken, heerlijkheden en dijkrekeningen.

Eerst was er het land zelf. Laag, nat, vruchtbaar en kwetsbaar. De zee drukte tegen de buitenrand. Binnen de dijk lagen sloten, vaarten, waardranden, meren, akkers, weilanden en warmoesgrond. Geen dorp kon daar alleen blijven bestaan. Water moest worden afgevoerd. Dijken moesten worden hersteld. Molens moesten malen. Sluizen moesten open en dicht. Wegen moesten begaanbaar blijven. Kerken moesten worden bediend. Schouten riepen mensen op. Schepenen spraken recht. Dijkgraven en heemraden keken naar kaden, palen, krebbingen en sluizen. Armenvoogden deelden brood, turf of geld uit. Boeren, tuinders en schippers droegen het land met hun handen.

Daarom waren de West-Friese dorpen geen losse stippen op een kaart. Elk dorp hoorde ergens bij: bij een kogge, een ambacht, een stede, een heerlijkheid, een classis, een marktweg, een watergang of een dijkvak. Een plaatsnaam was nooit alleen een naam. Achter Schagen lag dure vruchtbare grond die later zwaar werd door dijklasten en molengelden. Achter Sint Pancras lag het verbrande Vroonen. Achter Grootebroek lag poortrecht tussen boerderijen. Achter Geestmer-Ambagt lagen sluizen, geestgrond, groentevaart en Alkmaars recht. Achter de Vier-Noorder-Koggen lag nat binnenland dat alleen door gezamenlijk bestuur, afwatering en dijkzorg gedragen kon worden. Achter Dregterland lag de Zuiderzee, met Hoorn en Enkhuizen aan de rand en kostbaar land achter de dijk.

Deze pagina volgt die oude West-Friese verdeling in vier grote landschappen.

De Schager- en Nieuwdorper-Kogge vormt het randland van Schagen, Burghorn, Barsingerhorn, Kolhorn, Haringhuizen, Oude- en Nieuwe-Nieuwdorp, Zijdewind en Winkel. Daar raken oude erven, Zijpe, Wieringerwaard, Zuiderzee, marktveld, kerkkoor en zwarte bonen elkaar.

Geestmer-Ambagt ligt tussen Alkmaar, Langedijk, Heerhugowaard, geestgrond, waardwater en Zijpdijk. Daar gingen kool, uien en wortelen naar schuit en markt; daar stonden rechthuizen, waag, gevangen toren, tolhuizen, molens, drooggelegde meertjes en kerken die soms meerdere dorpen onder één predikant verbonden.

De Vier-Noorder-Koggen vormen het binnenland van dorpen, linten en wouden. Abbekerk, Twisk, Midwoud, Lambertschaag, Opperdoes, Oostwoud, Hoogwoud, Aartswoud, Spanbroek, Obdam en Hensbroek liggen daar niet als losse vermeldingen, maar als onderdelen van één nat en bestuurlijk verbonden land.

Dregterland is de oostelijke tong tussen Hoorn, Enkhuizen, Zuiderzee, dijk, steden en kostbaar land. Grootebroek, Bovenkarspel, Lutkebroek, Hoogkarspel, Westwoude, Hem, Venhuizen, Wijdenes, Schellinkhout en de Veenhoop staan daar in de beweging van markt, visserij, warmoesland, waag, weeshuizen, molens en stedelijke rechten.

Wie door West-Frisia loopt, loopt niet alleen van dorp naar dorp. Hij gaat langs een kerk met duifsteen, een raadhuisdeur, een molen aan de kade, een schuit met groente, een zwarte boon in een kerkkoor, een schout met zijn zijdgeweer, een dijkgraaf bij een sluis, een waagmeester bij goederen, een boer bij land dat betaald moest worden, en een armenvoogd die hulp uitdeelt.

West-Frisia bleef niet bestaan omdat het droog was. Het bleef bestaan omdat mensen telkens opnieuw groeven, maalden, betaalden, voeren, bestuurden, baden, bouwden, blusten en herstelden.

Omdat oude bronnen veel bestuurs-, kerkelijke en waterstaatswoorden gebruiken, volgt eerst een korte woordenlijst. Daarna begint de tocht door de vier West-Friese landschappen.

 

De Vier-Noorder-Koggen begonnen niet met een naam in een bestuurboek. Eerst was er nat land. Veen, woud, riet, drassige stukken en hogere stroken waar een erf net kon blijven liggen. Mannen trokken greppels het land in. Sloten sneden het veld open. Achter de eerste huizen lagen lange percelen, nat aan de randen, bruikbaar waar het water weg kon. Een boer kon een koe pas laten grazen als de sloot open bleef. Een huis bleef pas staan als het erf niet wegzakte in water en modder. Een kerk kwam pas waar genoeg paden naar één klok liepen.

Daaruit groeide geen stad, maar een koggelland. Het land vroeg te veel voor één dorp. De sloten moesten schoon. De molens moesten malen. De zeedijk moest worden betaald. Een dijkbreuk aan de rand raakte ook de boer verder landinwaarts. Een molen werkte niet voor één erf, maar voor een hele streek. Een schout riep niet alleen mannen uit zijn eigen buurt op, maar kreeg zaken over schuld, pacht, erfenis en land uit een groter verband voor zich. De Vier-Noorder-Koggen ontstonden waar het binnenland alleen kon blijven wonen door samen te rekenen, samen te malen, samen te kerken en samen recht te spreken.

Hier past de gebiedsbril binnenland van dorpen, linten en wouden. Geen havenfront als eerste beeld. Geen duinrand. Geen marktstad. Wel wind over grasland, water in sloten, modder op het kerkpad, koeien achter een hek, een molenwiek boven een kade, een schuit aan een vaart, een akte op tafel, een raadhuisdeur die opengaat. In de bron staan de Vier-Noorder-Koggen als landsteden, ambachten onder Medemblik en Hoorn, en vrije heerlijkheden als Hoogwoud, Aartswoud, Opmeer, Spanbroek, Obdam en Hensbroek. Obdam en Hensbroek betaalden mee aan de zeedijklasten, al hadden zij geen stem in de waardschap. De predikanten van de kerken vielen onder de classis van Hoorn. De dijk trok een rekening door dorpen die niet allemaal dezelfde stoel aan tafel hadden.

Van nat land naar dijkrekening

Eerst lagen er greppels en erven. Daarna kwamen kerktorens boven de linten uit. Daarna raadhuizen, molenboeken, dijkrekeningen, schouten, schepenen, vroedschappen en baljuws. Het land werd niet in één keer veilig. Elke generatie kreeg hetzelfde werk terug: sloten openhalen, kaden herstellen, dijklasten betalen, molens onderhouden, wegen begaanbaar houden, armen helpen, ruzies bijleggen, predikanten of staties dulden, kinderen naar school sturen, huizen herbouwen na brand of storm.

De zeedijk maakte van losse dorpen een groter verband. De Vier-Noorder-Koggen werden ook de oude Hoogtwouder-Kogge genoemd. De dijkgraaf werd op voordracht van Medemblik aangesteld en hield daar zijn verblijf, volgens het privilege van Maria van Bourgondië van 14 maart 1476. In Medemblik lagen namen, lasten, werken en dijkzaken op papier. Buiten stonden palen, kaden, grasmatten en water. Wanneer dijkgraaf en heemraden langs de werken gingen, kwam de rand van het land terug als aanslag op een boerentafel.

Medemblik schreef zich in het binnenland via de dijk en via dorpen als Opperdoes en Oostwoud. Hoorn kwam binnen via vredemakers, vroedschappen en kerken in Wognum, Wadway, Nieuwbokswoude en Hauwert. De steden stonden niet los aan de horizon. Hun bestuur kwam als aanstelling, zegel, oproep, eed of rekening het dorpslint binnen. Een vredemaker stapte door modder naar een erf. Een schout liet iemand verschijnen. Een secretaris schreef de naam op van een man die liever op zijn land was gebleven.

Abbekerk — het raadhuis waar vier dorpen aan tafel kwamen

In Abbekerk kreeg het koggelland een bestuurstafel. De Stede Abbekerk bestond uit Abbekerk, Twisk, Midwoud en het oostelijke deel van Lambertschaag. In 1741 werd de ambachtsheerlijkheid voor vijfduizend gulden aan de regenten verkocht. Dat geld schoof heerlijk recht dichter naar de mannen die al lijsten, functies en namen in handen hadden: een schout, drieënveertig vroedschappen, twee burgemeesters, negen schepenen en een secretaris.

De zes riggelmeesters hielden bezit bij. Achter een naam lag land, geld, vee, pacht, schuld of aanslag. Een burger kon onder ede worden gevraagd hoe gegoed hij was. Op Nieuwjaarsdag kwamen de zetels op tafel: drie schepenen uit Abbekerk, drie uit Twisk, twee uit Midwoud en één uit Lambertschaag. De man uit Midwoud zat er wanneer verklaringen over land, schuld, boete of kerkzaak werden gehoord. De man uit oostelijk Lambertschaag bracht een kleiner stuk land mee, maar zijn stoel bleef niet leeg. De secretaris schreef. De burgemeesters zaten voor op rechtdagen. In criminele zaken spraken zij raadgevend mee. Bij de goed- of afkeuring van een predikant kwam het bestuur tot aan de kerkdeur; in Midwoud lag dat recht bij de president-schepen.

Abbekerk zelf lag tussen Twisk, Benningbroek, Sijbekarspel, Opmeer en Lambertschaag. In het kohier stond 507 morgen en 305½ roeden land achter de naam. Waar in 1632 nog 107 deuren opengingen, stonden er in 1732 92 huizen en een molen in de lijst; in 1749 bleven 90 huizen over, buiten de molen die aan het water werkte. Anderhalf uur gaans verder lag Medemblik. In Abbekerk stond het gemeenschappelijke raadhuis. De oude kerk had een spitse toren; in 1656 werd de eerste steen gelegd. Onder die toren liepen kerkgangers, kinderen, boeren met zaken en mannen met bestuursstemmen langs elkaar heen.

Twisk stond niet los naast Abbekerk. Drie mannen uit dat lange lint kwamen op Nieuwjaarsdag naar dezelfde tafel.

Twisk — het lange lint waar water naar Medemblik liep

Twisk lag languit in het land, aan de kant van de Zuiderzee, tussen Opperdoes, Oostwoud, Midwoud, Benningbroek, Abbekerk en Lambertschaag. In het kohier droeg het 516 morgen en 473½ roeden land. In 1632 rookten er nog 227 huizen. In 1732 stonden er 129 in de lijst; in 1749 130. Over ongeveer 550 roeden liepen huizen, erven, bruggetjes, sloten en open stukken door het landschap.

Door Twisk liep een klein water. Eerst heette het de Broek, later Twiskdik. Het kwam uit de ringsloot van de drooggemaakte Benningmeer, deels onder Twisk, deels onder Abbekerk, en viel bij Medemblik in de Vliet. Langs dat water liep een jongen naar de school onder de toren. Een boer keek of de sloot zakte. Een knecht bracht gereedschap naar het land. Water, school, kerk en Medemblik lagen hier niet los van elkaar; de Twiskdik trok ze door hetzelfde dorp.

De kerk van Twisk was zeer oud. De toren stond onderaan vierkant en liep hogerop spits in steen. Onder die toren zat de school. Oude Friese doopsgezinden deelden hun leraren met Abbekerk. Een afgescheiden kring kwam op zondagen bijeen, eerst bij huizen, later op vaste plaatsen; vaak niet meer dan twintig of vijfentwintig mensen in een kamer zonder grote toren erboven. Terwijl drie Twisker schepenen naar Abbekerk gingen, bleven in Twisk ook stillere deuren open voor geloof buiten de grote kerkklok.

Langs de Twiskdik kwam het verhaal bij de Benningmeer, de Gouwe en het raadhuis van Sijbekarspel en Benningbroek.

Sijbekarspel en Benningbroek — de Gouwe, het raadhuis en de molen

Aan het watertje de Gouwe lag Sijbekarspel. De huizen stonden niet dicht opeen. Tussen de erven bleven open stukken: land, sloot, wind, pad, doorzicht naar de buurman, een weg naar kerk of raadhuis. In het westeinde van Benningbroek, naast Sijbekarspel, stond het raadhuis. Op 27 september 1462 gaf Filips van Bourgondië de regenten verlof om het te bouwen. Daar kwamen verklaringen, rekeningen, benoemingen, dorpsbesluiten en bezitstwisten onder een dak. De schout liet iemand oproepen. Schepenen luisterden. De secretaris streek papier glad en schreef.

Benningbroek lag tussen Sijbekarspel en Midwoud. In het kohier kreeg het 631 morgen en 237½ roeden land achter zich. In 1632 telde men 99 huizen; in 1732 nog 64; in 1749 61, met in de twee laatste lijsten één molen. Die molen bleef malen terwijl deuren uit de lijsten verdwenen. De oude kerk werd samen met Nieuwbokswoude door dezelfde predikant bediend. Een inwoner van Benningbroek kon naar het raadhuis bij Sijbekarspel, naar de molen voor droog land, en naar een kerkelijk verband dat doorliep naar Nieuwbokswoude.

Van de Gouwe trok het verhaal naar de dijkkant. Daar lag Opperdoes, klein van land, zwaar van functie.

Opperdoes en Oostwoud — gerecht bij de dijk, vuur in het dorp

Opperdoes lag dicht bij de rand van het land, tussen Medemblik, Twisk, Oostwoud en de Zuiderzee. In het kohier stond maar 152 morgen en 100 roeden land. In 1632 telde men 96 huizen; in 1732 stonden er 108 deuren in de lijst; in 1749 één minder. Het dorp lag niet ver van de zeedijk. In de ban van Opperdoes stond het gerecht van de Vier-Noorder-Koggen.

Daar kwam een man met een zaak. Een schuld. Een stuk land. Een verklaring. Een boete. Een erfenis. Een pacht. Een twist over bezit. Buiten lag de dijk in wind en gras; binnen lag de akte op tafel. Medemblik stelde in Opperdoes vredemakers en vroedschappen aan. De stad kwam niet als vlag, maar als naam onder een aanstelling, als man die een ruzie moest stillen, als papier waarop iemand werd opgeroepen.

Naast Opperdoes lag Oostwoud. Het had ruimer land dan Opperdoes: 331 morgen en 505 roeden. In 1632 stonden er 79 huizen; in 1732 en 1749 nog 59. Op 3 juni 1710 ging vuur door dertien huizen. Kisten, bedden, gereedschap, voorraad, papieren, linnengoed en huisraad verdwenen in rook. Elf jaar later werd de brandstichter in Enkhuizen gestraft. Tussen brand en straf lagen herbouwde muren, lege plekken, buren die elkaar aankeken, kinderen die het verhaal hoorden en kerkgangers die bleven komen. Oostwoud had een eigen predikant; de klok bleef klinken boven minder deuren.

Medemblik hield Opperdoes en Oostwoud in zijn bestuurlijke greep. Hoorn schreef verderop in een andere reeks dorpen.

Wadway, Nieuwbokswoude en Hauwert — Hoornse vredemakers, oude steen en statie

De lijn naar Hoorn liep door Wognum, Wadway, Nieuwbokswoude en Hauwert. In Wadway, in de oude tekst Watweide, stond een kleine ban met 173 morgen en 20½ roeden, 35 huizen in 1632, en 25 in 1732 en 1749. De kerk had een eigen predikant; de toren was vierkant met een zeskante spits. Het dorp hing bijna aan Wognum en Spanbroek vast.

Nieuwbokswoude lag aan de andere kant van Wognum, tussen Midwoud en Zwaag. Het droeg 403 morgen en 375 roeden land in het kohier. In 1632 stonden er 54 huizen; in 1733 en 1749 nog 33. Eén streek, maar een tussenruimte van honderd roeden sneed het dorp als het ware in tweeën. De kerk was zeer oud en grotendeels van duifsteen. Zij werd samen met Benningbroek bediend. De gereformeerde gemeente was klein; de meeste huisgezinnen waren rooms-katholiek en gingen naar hun statie. De toren stond als een klokhuis aan de kerk. Men kon er van onderen doorheen. Voeten gingen onder de steen door: katholieke gezinnen, gereformeerde kerkgangers, kinderen, buren uit een dorp dat slonk maar zijn paden hield.

Hauwert, vroeger Oude-Bokswoude, lag noordoostelijk van Nieuwbokswoude. In het kohier stond 493 morgen en 236 roeden land. Waar in 1632 nog 81 huizen rookten, stonden er in 1732 59 en in 1749 58, met één molen in beide laatste lijsten. Het dorp lag langgerekt, maar open ruimten braken het lint. Een klein kerkje had een vierkante toren, hogerop met een achtkante spits. De molen bleef water trekken terwijl huizen uit de lijsten verdwenen. Tussen de open ruimten liepen mensen naar erf, kerk, sloot, molen en buurtdorp.

Van die open linten ging het verhaal naar Hoogwoud, waar het gebied niet alleen werd bestuurd, maar ook oude namen in pad en steen vasthield.

Hoogwoud en Aartswoud — Koningspad, doopvont, dijkwind en zilveren beker

Bij Hoogwoud werd het land ouder en zwaarder. De ban lag langs Opmeer en Abbekerk; een groot deel van Lambertschaag hoorde eronder. In het kohier lag 1779 morgen en 369 roeden land achter Hoogwoud. In 1632 stonden 279 huizen in de lijst; in 1732 nog 186; in 1749 180, beide keren met één molen. Vijf buurten hielden het dorp bijeen. Buiten Hoogwoud liep het Koningspad door het veld. Daar werd koning Willem, graaf van Holland, genoemd: langs dat pad trok hij tegen de Friezen op, voordat hij in 1256 in het ijs viel en werd verslagen.

In de kerk stond de beschadigde doopvont waaraan de naam Radboud werd verbonden. De oude kronieken plaatsten zijn doop in 719 bij Hoogwoud. Geen glad pronkstuk, maar een gehavende steen tussen banken, voeten, handen, doopwater, preek en graf. Buiten lag het Koningspad. Binnen stond de doopvont. Daartussen bewogen vijf buurten, een molen, katholieke gezinnen met een statie, gereformeerde kerkgangers, boerenerven en verhalen die men niet hoefde op te zoeken zolang steen en pad er lagen.

In 1743 kreeg Hoogwoud een nieuw raadhuis. Bij de eerste bijeenkomst schonk Willem Maurits van Kats aan baljuw en regenten een zilveren beker. Die beker lag op de bestuurstafel, niet op een boerenwerf. Mannen met functies namen hem in handen tussen benoemingen, rekeningen, recht en aanzien. De kerk was na 1674 opnieuw gebouwd, nadat stormwind de oude had doen instorten. De nieuwe kerk stond ruim, met een hoge toren: onderaan vierkant, boven met een zeskante spits. Naast de gereformeerde dienst hield de rooms-katholieke statie haar eigen deur.

Ten noorden van Hoogwoud lag Aartswoud, in de oude tekst Eertswoude, langs de zeedijk. In het kohier stond 258 morgen en 192 roeden land. In 1632 stonden er 116 huizen; in 1732 91 huizen en één molen; in 1749 nog 85 huizen en de molen. Twee buurten lagen op afstand van elkaar. De kerk was langwerpig en droeg een zware vierkante toren. Tegen een balk in de kerk stond 1515.

Hoogwoud en Aartswoud zaten samen in één vrije heerlijkheid. Na Willem Maurits van Kats kwam zij aan zijn zuster Louiza Hedwig van Kats; eerder had zij aan het huis Egmond gehoord. De regering bestond uit een baljuw die ook als schout recht zat, vier burgemeesters, zeven schepenen en een secretaris. Uit Aartswoud kwam één burgemeester en één schepen; de overige stoelen werden door Hoogwoud bezet. De vrouwe koos burgemeesters uit tweeëndertig vroedschappen: achtentwintig te Hoogwoud, vier te Aartswoud. De man uit Aartswoud zat met dijkwind in zijn jas aan dezelfde tafel als de mannen uit Hoogwoud.

Van Hoogwoud en Aartswoud liep de lijn naar Opmeer en Spanbroek, waar vaart, kerk, statie, molen en veer elkaar raakten.

Opmeer en Spanbroek — Veekenvaart, Bonifatius, staties, molens en veer

Opmeer lag tussen Hoogwoud en Spanbroek als een lange strook land. De Veekenvaart sneed het dorp open; aan beide kanten stonden huizen. In de drie verpondingslijsten bleven telkens 72 huizen staan. Geen harde groei, geen scherpe val: dezelfde rij deuren langs de vaart, dezelfde gangen naar erf, kerk, water en buur. In het kohier stond 439 morgen en 514½ roeden land. De kerk was niet groot en werd voor de dienst met Spanbroek verbonden.

De vrije heerlijkheid kwam toe aan Izaak van Thye. De baljuw zat er tegelijk als schout en secretaris; daarnaast waren er één burgemeester en vijf schepenen. Dezelfde man die iemand kon laten oproepen, kon ook schrijven. De vaart liep langs de huizen terwijl bestuur in weinig handen lag. Een bewoner van Opmeer hoefde Spanbroek niet als verre naam te kennen; de kerkdienst liep erheen.

In Spanbroek stonden resten van een vervallen kapel, totdat zij werden geslecht. De kerk was oud en aan Bonifatius gewijd. De predikantswoning stond in Spanbroek, terwijl de kerkdienst met Opmeer verbonden was. Er was vanouds een rooms-katholieke statie; in 1717 ging er nog een tweede deur voor katholieke gelovigen open. In het kohier stond 1061 morgen en 215½ roeden land. In 1632 telde Spanbroek 172 huizen; in 1732 nog 140 huizen en twee molens; in 1749 134 huizen en drie molens. Minder deuren, meer wieken: huizen verdwenen uit de lijst, maar water bleef vragen om arbeid.

Het raadhuis en het huis van de heer stonden in het dorp. Jan Mein, heer van Spierdijk en Zuidermeer, stelde de baljuw en de schout aan; de schout was tegelijk secretaris. Op Nieuwjaarsdag koos de heer vijf schepenen uit zestien vroedschappen. Regenten maakten dubbeltallen voor kerkmeesters, armenvoogden en molenmeesters; de heer koos. De kerkmeester keek naar dak, banken, klok en rekening. De armenvoogd kwam bij brood, turf, geld of nood. De molenmeester keek naar kade, water en molenwerk. Aan de vaart lag het veer op Amsterdam en Alkmaar. De heer stelde de schipper aan. Vracht, geld, nieuws, familieboodschappen en marktprijzen gingen met de schuit mee en kwamen terug in het dorp.

De schuit naar Alkmaar trok het verhaal naar Obdam en Hensbroek.

Obdam en Hensbroek — Wassenaer, Alkmaarse schuit, Spierdijk en bedijkte meertjes

Obdam lag tussen Spanbroek en Hensbroek en was vooral in de lengte gebouwd. In 1632 stonden 136 huizen in de lijst; in 1732 en 1749 104. De kerk stond ongeveer achthonderd roeden van Hensbroek en duizend roeden van Spanbroek. Sinds 1644 had Obdam een eigen predikant; daarvoor liep de kerkelijke lijn naar Hensbroek. Er was ook een rooms-katholieke statie, maar de vergaderplaats stond onder de ban van Spanbroek. De hoge en vrije heerlijkheid was sinds de vijftiende eeuw in handen van de edelen uit het huis Wassenaer, die de bijnaam Obdam voerden. In de tijd van de bron droeg Unico Wilhelm, graaf en baanderheer van en tot Wassenaer, heer van Twickel, de hoge en vrije heerlijkheid.

Obdam en Hensbroek hadden dezelfde baljuw, schout en secretaris, maar ieder hield een eigen rechtsgebied, rechtsoefening en raadhuis. Jaarlijks koos de heer burgemeester en schepenen. Vijftien vroedschappen, twee kerkmeesters, twee armenvoogden en een schot- en verpondinggaarder hielden de plaats in namen, rekeningen en functies vast. Drie keer per week voer de schipper met de trekschuit naar Alkmaar. Onder Obdam lag een groot deel van Spierdijk. Daar was de kerk verdwenen, maar school en schoolhuis bleven staan. Onder Obdam lagen ook de bedijkte meertjes van de Braaken: de Waal, Oosterbraak, Middelbraak en Zuiderbraak. Water kreeg daar kaden, namen, gebruikers, lasten en land.

Daar raakten de lagen elkaar: de naam Wassenaer boven de heerlijkheid, een schoolhuis waar een kerk verdwenen was, een schuit die naar Alkmaar voer, en meertjes die achter kaden in bruikbaar land veranderden.

De laatste gang door het koggelland

Tegen de avond zakte de wind over de sloten. In Abbekerk lag het papier van de secretaris nog op tafel. In Twisk liep de Twiskdik naar Medemblik. Bij de Gouwe stond het raadhuis naast Sijbekarspel en Benningbroek. In Opperdoes kwam een man met een zaak voor het gerecht. In Oostwoud bleef de brand van dertien huizen tussen muren en verhalen hangen. In Nieuwbokswoude gingen voeten onder de klokhuistoren door. In Hauwert trok de molen water uit een lint met open plekken. In Hoogwoud lagen Koningspad en doopvont als twee harde sporen in veld en kerk. In Aartswoud sloeg de dijkwind tegen de toren van 1515. In Opmeer stonden de huizen aan weerszijden van de Veekenvaart. In Spanbroek wachtte de schipper op vracht naar Alkmaar en Amsterdam. In Obdam bleef de school staan waar Spierdijks kerk verdwenen was, en lagen de Braaken achter hun kaden.

Een molenwiek draaide boven de kade. Een raadhuisdeur viel dicht. Een schuit maakte zich los van de wal. Een boer liep langs de sloot naar huis, met de dijkrekening nog niet uit het land verdwenen.

 

Dregterland — de tong van duur land tussen zee, dijk en steden

Eerst de rand: land dat alleen bleef liggen achter paalwerk, sloot en rekening

Dregterland ontstond waar West-Friesland oostwaarts de Zuiderzee in schoof. Aan de rand sloeg het water tegen de dijk; achter die rand lagen weilanden, warmoeslanden, dorpsstreken, kerken en raadhuizen. Wie daar een erf had, woonde niet rustig achter één dorpssloot. Hij woonde in een land dat aan zee lag, maar tegelijk door sloten, kaden, sluizen, molens en rekeningen moest worden vastgehouden.

Eerst kwamen geen stadsrechten en geen regentenlijsten. Eerst kwamen greppels, erven, kerkwegen en watergangen. Sloten moesten het natte land openleggen. Huizen kwamen waar de grond bruikbaar bleef. Kerken kwamen waar buurten naar één klok konden lopen. Molens kwamen waar het water niet meer vanzelf wegging. De dijk lag aan de buitenkant, maar de last van die dijk kwam binnen op tafels van boeren, tuinders, weduwen, schippers, burgemeesters en vroedschappen.

De gebiedsbril is hier polder-, water- en randgebied. Dregterland was geen gewoon binnenland zoals de Vier-Noorder-Koggen. Het lag met zijn gezicht naar de Zuiderzee en met zijn rug naar het West-Friese land. Aan de landkant werd het door de Oude Dijk gescheiden van Waterland, Zeevang, Beets en Schaardam. Naar het westen raakte het met een klein deel aan Ursem, Kennemerland en Geestmer-Ambagt. Naar het noordwesten scheidden Schinkeldijk en Zwaagdijk Dregterland van de Vier-Noorder-Koggen. De oude Dregter-Friezen gaven het gebied zijn naam of kregen hun naam van het gebied.

In de bron glanst het land eerst als kostbaar bezit. Vooral langs de Streek tussen Hoorn en Enkhuizen konden weilanden ooit vijftienhonderd tot tweeduizend gulden per morgen doen; warmoeslanden zelfs drieduizend tot vierduizend gulden per morgen. Zo’n morgen land was geen kaal getal. Daar stond een tuinder met kool, bonen of wortels in de grond. Daar liep een boer achter vee. Daar lag waarde onder iedere stap. Maar dezelfde bron laat de glans breken: neringloosheid, gebrek aan scheepvaart, oorlogsrampen, dijkdoorbraken, zware dijklasten en verpondingen drukten zo hard op het land dat sommige stukken verlaten lagen. De grond bleef liggen, maar de mensen en het geld konden het niet altijd meer dragen.

Vier koggen, twee steden en land dat niet alleen kon worden bestuurd

Uit die rand ontstond een bestuurlijk lichaam. Dregterland werd voor het dijkbestuur verdeeld in vier koggen: de Ooster-Kogge, de Middel-Kogge, de Zuider-Kogge en de Wester-Kogge. Binnen dat dijkland lagen de gesloten en stemmende steden Hoorn en Enkhuizen, de Stede Grootebroek, de Stede Westwoude, de Stede Hem met Venhuizen, de Stede Wijdenes met Oosterleek, de Stede Schellinkhout, en daarnaast de ambachten en bannen Zwaag, Wervershoof, Berkhout, Grosthuizen en Avenhorn. De dijk sneed niet alleen aarde; hij sneed bestuur in vier delen.

Hoorn en Enkhuizen stonden niet als decor aan de rand. Zij stuurden mannen, rechten en papieren het land in. In Dregterland waren twee dijkgraven: één op voordracht van Hoorn en één op voordracht van Enkhuizen. Zij werden door de Staten van Holland aangesteld en voerden jaar om jaar het volle bewind. De uitspraak van het Hof van Holland van 16 juli 1640 hield dat gebruik vast. Het ene jaar kwam de dijkgraaf uit de Hoornse lijn, het andere jaar uit de Enkhuizer lijn. Buiten stonden paalwerk en grasmat; binnen lag de beurtwisseling op papier.

Ook heemraden kwamen niet uit de lucht vallen. Namen gingen rond in koggen en steden. Burgemeesters van Grootebroek stelden beurtelings met die van Enkhuizen een heemraad van Dregterland in de Ooster-Kogge aan. Zij benoemden ook molenmeesters van het Grootslag. Schout en schepenen van Enkhuizen en Grootebroek maakten samen keuren en ordonnanties op de visserij van die watering; ook de verpachting liep door hun handen. Een visser trok zijn net niet buiten de keur. Een molenmeester keek naar water dat meer dorpen raakte dan zijn eigen erf.

Kerkelijk liep het gebied in lijnen naar verschillende steden. Grootebroek, Westwoude met Binnenwijzend, Hem met Venhuizen, Wijdenes met Oosterleek en Wervershoof vielen onder de classis van Enkhuizen. Oosterblokker, Westerblokker, Schellinkhout, Zwaag, Berkhout en Grosthuizen met Avenhorn vielen onder Hoorn. Beets, Oudendijk en Schaardam keken naar Edam. Op zondag liep Dregterland dus niet alleen naar dorpskerken, maar ook naar classes, predikanten en kerkelijke goedkeuringen.

Grootebroek — een stede aan de Streek, met poortrecht tussen boerderijen

De eerste grote beweging loopt naar Grootebroek. Daar kreeg het land stedelijke trekken zonder zijn dorpsgrond kwijt te raken. De Stede Grootebroek strekte zich uit van de ban van Enkhuizen westwaarts tot aan het rechtsgebied van Westwoude en omvatte Grootebroek, Bovenkarspel, Lutkebroek en Hoogkarspel. Grootebroek en Bovenkarspel werden in 1364 door hertog Albrecht van Beieren tot één stede verklaard, met voorrechten zoals Medemblik die in 1288 van Floris V had gekregen. Lutkebroek kwam in 1402 als stede bij Broek; Hoogkarspel kreeg in 1403 hetzelfde poortrecht en dezelfde stedelijke vrijheid.

Dat recht lag niet stil in een lade. Poorters legden eden af. Burgemeesters hieven stedelijke accijnzen op bier, wijn, gemaal en turf. Brieven van cessie en beneficie van inventaris kwamen uit handen van het bestuur. In 1575 werd Grootebroek in een privilege op naam van Filips II nog als geprivilegieerde stede genoemd. Tussen erven, rijweg en kerktorens werkte dus stadsrecht. Een man kon op zijn land staan en toch als poorter worden aangesproken.

In 1727 kwam Grootebroek op een lijst van te verkopen ambachtsheerlijkheden. Regenten dienden een rekest in. In 1738 mochten zij volstaan met de aankoop van recognitie op sluizen en visserijen, en van het vendu- en bodeambt. De heerlijkheid zelf werd niet verkocht en er kwam geen scheiding van jurisdictie. Een sluis, een viswater, een bode en een vendu brachten het recht terug naar natte plekken, verkoopdagen en mannen die berichten rondbrachten.

De regering van Grootebroek zat breed om de tafel: vier burgemeesters, tweeëndertig vroedschappen, zeven schepenen, een secretaris, vier vredemakers en vijftien weesmeesters. Twaalf vroedschappen kwamen uit Grootebroek, acht uit Bovenkarspel, zes uit Lutkebroek en zes uit Hoogkarspel. Op Nieuwjaarsdag veranderde de regering. De schout koos schepenen uit een benoeming van aftredende burgemeesters en schepenen. Vroedschappen kozen vredemakers. Schout, burgemeesters en schepenen kozen weesmeesters. De secretaris werd door de vroedschappen aangesteld. Een weesmeester kreeg kinderen, boedels en voogdij onder ogen; een vredemaker kreeg burenruzie aan tafel; een schepen hoorde schuld en verklaring.

Zelfs de schutterij had een plaats in het bestuur. De Stede Grootebroek had een compagnie van honderd koppen onder kapitein, luitenant, vaandrig en mindere officieren. De hoofden van de schutterij kozen samen met burgemeesters de waagmeester. Bij de waag kwam gewicht, handel en toezicht samen. Een man bracht goederen. Een ander keek naar maat en schaal. De naam van de waagmeester stond niet los van de markt, maar naast handen aan zakken, vaten en turf.

Grootebroek zelf — raadhuis, waag, kloosterzorg en brand

Grootebroek zelf lag aan de Streek, de rijweg tussen Hoorn en Enkhuizen, ruim duizend roeden van Enkhuizen tot aan de kerk gemeten. De weg was met klinkers bestraat. Langs ongeveer 450 roeden stonden huizen aan beide zijden. In het kohier lag 1026 morgen en 407 roeden land achter de ban. In 1632 stonden er 316 huizen in de lijst; in 1732 nog 249 en één molen; in 1749 klom het getal weer naar 251. De molen bleef bij het water, terwijl de deuren op de Streek minder waren geworden.

De kerk was een groot gebouw met twee rijen pilaren, een sierlijk orgel en nette versieringen. De toren stond honderd voet vierkant omhoog; daarboven rees een spits van achtennegentig voet, nog zonder kruis en appel meegerekend. In Grootebroek stond ook een bekwaam raadhuis voor de gemeenschappelijke stede, met een sierlijk torentje. Hertog Albrecht had al in 1392 bevolen dat men in Grootebroek binnen een jaar een raadhuis moest zetten. De klok riep naar de kerk; de deur van het raadhuis riep naar bestuur.

Zorg kreeg een oud kloostergebouw. In 1575 werd een deel van het Sint-Elisabethsklooster geschikt gemaakt als weeshuis; later werd het overige deel ingericht als oudemannen- en vrouwenhuis. Vier regenten en vier regentinnen bestuurden het weeshuis. Burgemeesters bestuurden het oudemannenhuis. Arme kinderen, oude mannen en oude vrouwen kwamen zo in ruimten terecht waar eerder kloosterleven had gezeten. Er stond ook een nette waag.

Brand vrat herhaaldelijk aan de Streek. Op 15 mei 1681, Hemelvaartsdag, ontstond in Grootebroek een zware brand. In 1694 brandden in het oosteinde van Grootebroek en het westeinde van Bovenkarspel verschillende huizen af; in 1696 werden de meeste weer opgebouwd. Op 15 juli 1750 sloeg vuur opnieuw toe, ditmaal in het weeshuis van Grootebroek. Het huis en drieëndertig andere gebouwen gingen binnen enkele uren in as. Weeskinderen, bewoners, regenten, buren en brandblussers stonden tussen rook, puin, kisten en haastig gedragen huisraad.

Bovenkarspel en Broekerhaven — de Streek raakt de zee

Ten oosten van Grootebroek lag Bovenkarspel, ook Boekkarspel genoemd. Het lag tussen Grootebroek en het westeinde van Enkhuizen. Aan noord- en zuidkant raakte het de West-Friese Zeedijk. In de kohieren stond 783 morgen en 240 roeden land. Waar in 1632 nog 398 huizen in de lijst kwamen, stonden er in 1732 en 1749 nog 193 huizen en drie molens. De drie molens bleven draaien waar meer dan tweehonderd deuren uit het papier verdwenen.

Het dorp stond mede aan de Streek, ruim vierhonderd roeden van Enkhuizen, met een bebouwing van vierhonderdvijftig roeden. Het leek langer door de huizen van het westeinde van Enkhuizen, die nog ruim tweehonderd roeden aan beide zijden van de weg aansloten. Die aaneenschakeling bracht verwarring bij brandverhalen. De zware brand van 1703, onder het rechtsgebied van Enkhuizen, waarbij zestig tot zeventig huizen verbrandden, werd soms aan Bovenkarspel toegeschreven. Bovenkarspel zelf had in 1675 ook een zware brand. In de kerk rustte het dak op twee rijen pilaren. In 1735 schonken liefdegaven veel kerksieraden. De toren stond onderaan vierkant en liep hoger op een vreemde, schuine manier uit in een korte spits.

Bezuiden het dorp lag Broekerhaven, onder de ban van Bovenkarspel, met een gehucht of buurt van huizen. Omstreeks 1449 maakten Grootebroek en Bovenkarspel deze haven, ondanks tegenstand van Enkhuizen, dat vermindering van handel vreesde. Aan de haven lagen een voorname zeesluis en een grote kolk. Kaagschepen, koffen en binnenvaartuigen konden er veilig liggen. Daar raakte Dregterland de zee niet als gevaar alleen, maar als sluis, kolk, vracht, handel en schippersstemmen.

Lutkebroek, Aandijk en Hoogkarspel — Streek, Noorderdijk en verspreide huizen

Van Bovenkarspel liep de Streek naar Lutkebroek. Het dorp lag ten westen van Grootebroek en oostwaarts aan Hoogkarspel, met de zeedijk aan de noord- of noordwestkant en landwaarts de ban van Venhuizen. In het kohier lag 642 morgen en 202 roeden land achter Lutkebroek. In 1632 telde men 179 huizen; in 1732 stonden er 193 in de lijst; in 1749 waren dat er nog 95. Eerst gingen meer deuren open, later bleef bijna de helft over. De kerk stond ongeveer veertienhonderd roeden van Enkhuizen; binnen stond een fraaie eikenhouten preekstoel. De toren had een vierkant stenen onderstuk en een kort houten spitsje. In het oosteinde sloeg in 1718 zware brand toe. De Streek droeg opnieuw rook, herstel en lege plekken.

Aan en bij de Noorderdijk lag Aandijk of Andijk, onder Lutkebroek. De cijfers zaten in Lutkebroek, maar de buurten hadden eigen namen: de Bangert, Krimpen, Munnikey, de Kerkebuurt, de Geuzenbuurt en Broekoort. Aandijk had geen eigen deel in de regering van Grootebroek. Kerkelijk hoorde het vroeger onder Wervershoof. Toen de gemeente groeide, kwam er in 1667 een eigen kerk; in 1741 werd zij vergroot en kreeg het oosteinde van de kerk een nieuw, fraaier predikantshuis. Aan de dijk kreeg de buurt een eigen kerkdeur, terwijl de bestuurstoel elders bleef.

Hoogkarspel lag als bijna vierkant stuk land tussen Lutkebroek, Hem met Venhuizen, Westwoude met Binnenwijzend, en Oostwoud met Wervershoof. In de kohieren lag 1065 morgen en 553 roeden land achter het dorp. In 1632 stonden er 192 huizen; in 1732 en 1749 nog 149 huizen en één molen. De kerk lag ongeveer zestienhonderd roeden van Enkhuizen. Over ruim vijfhonderd roeden stonden huizen, op veel plaatsen verspreid. De kerk rustte binnen op vier pilaren; de toren was fraai vierkant en hogerop met een stenen spits opgebouwd. Het dorp lag niet als dichte stad, maar als verspreide streek met land tussen huizen, molen, kerk en weg.

Westwoude en de Blokkers — vier dorpen onder één stede

Westelijker nam Westwoude het verhaal over. De Stede Westwoude bestond uit Westwoude, Binnenwijzend, Oosterblokker en Westerblokker. Westwoude met Ooster- en Westerblokker werd in 1414 tot stede verheven; Binnenwijzend kwam er in 1493 bij. In 1741 werd de ambachtsheerlijkheid aan de regenten verkocht. Het recht schoof naar mannen die de dorpen al in vroedschappen, burgemeestersplaatsen, vredemakers en weesmeesters verdeelden.

In Westwoude zaten drieëndertig vroedschappen: zes uit Westwoude, zes uit Binnenwijzend, elf uit Oosterblokker en tien uit Westerblokker. Er waren vijf vredemakers of waardschappen en vier weesmeesters. Bij een opengevallen plaats kwamen de burgemeesters van de vier dorpen op Tweede Kerstdag bijeen. Op Oudejaarsavond werden schepenen gekozen: beurtelings drie uit Westwoude en Binnenwijzend samen, drie uit Oosterblokker en drie uit Westerblokker. De burgemeesters kwamen één uit elk dorp. Op de eerste dinsdag na Driekoningendag werden vredemakers en weesmeesters gekozen. De secretaris werd door de vroedschappen aangesteld, maar moest jaarlijks vernieuwing van zijn last aan burgemeesters vragen. De jaarwisseling was hier geen alleenstaande feestdag; namen gingen rond, stoelen werden gevuld, eden volgden.

Binnenwijzend lag tussen Westwoude en Hem. Achter de naam stond 328 morgen en 367½ roeden land. In 1632 stonden er 40 huizen; in 1732 nog 31 huizen en één molen; in 1749 één huis minder. Het dorp stond aan de zuidzijde van de Streek, met een buurt van ongeveer driehonderdvijftig roeden. De huizen stonden niet dicht opeen. De molen bleef werken waar de rij deuren dunner werd.

Oosterblokker droeg 611 morgen en 343 roeden land. In 1632 kwamen 121 huizen in de verponding; in 1732 90 huizen en één molen; in 1749 89 huizen, buiten de molen. Het dorp liep ongeveer vierhonderd roeden en de kerk werd samen met Westerblokker bediend. De rooms-katholieken hadden in de buurt een statie voor beide bannen.

Westerblokker liep van Oosterblokker tot aan het rechtsgebied van Hoorn en zuidwaarts naar de Zuiderzee. Het had 702 morgen en 109 roeden land. In 1749 telde het, net als Oosterblokker, 89 huizen, maar zonder molen; in 1732 waren het er 91, en in 1632 141, of volgens een nauwkeuriger lijst 114. De kerk was klein, met een vierkante toren en een achtkante spits. In 1690 werd de rijweg door Ooster- en Westerblokker met bomen beplant. Boeren, kinderen, kerkgangers en bestuurders liepen daarna onder jonge stammen door, tussen Hoorn en de dorpen van Westwoude.

Hem en Venhuizen — een bestuurstafel die jaarlijks verschoof

De Stede Hem bestond uit Hem en Venhuizen. Hun bannen raakten elkaar. In 1414 werden zij door hertog Willem van Beieren tot stede verheven onder de naam Hem. In 1741 kochten de regenten de ambachtsheerlijkheid. De regering had een criminele schout van de Staten en een civiele schout uit de burgemeesters, bij toerbeurt. Drieëndertig vroedschappen zaten in het verband: zeventien in Hem en zestien in Venhuizen. Op Nieuwjaarsdag werden twee burgemeesters gekozen, één uit elk dorp. Van de zeven schepenen kwamen het ene jaar vier uit Hem en drie uit Venhuizen; het volgende jaar schoof het meerdere aantal naar Venhuizen. De macht bleef niet stil op één stoel zitten.

Hem lag aan de Korte Streek. In de ban lagen 802 morgen en 177 roeden land. In 1632 stonden er 159 huizen; in 1732 en 1749 117 huizen en één molen, al stond die molen in de laatste lijst niet aangetekend. Over ongeveer zeshonderd roeden stonden huizen aan beide zijden. De kerk was een oude kruiskerk; onderin zat nog veel duifsteen. De toren was vierkant met een vrij hoge achtkante spits. Langs de Korte Streek liep dagelijks werk naar erf, land, molen en kerk.

Venhuizen strekte langs de zeedijk, die ook zuidelijk of zuidoostelijk langs de ban liep. Het werd omgeven door Oosterleek, Hem, Hoogkarspel, Grootebroek en Bovenkarspel. In het kohier stond 872 morgen en 52 roeden land. In 1632 telde men 233 huizen; in 1732 en 1749 213 huizen en één molen. Venhuizen was groot en in lange buurten gebouwd. De kerk stond bijna even ver van de uiterste einden. Het raadhuis van de gemeenschappelijke stede stond in Venhuizen. Daar kwamen mannen uit Hem en Venhuizen onder één dak, terwijl buiten de dijk langs het land boog. Hem en Venhuizen hadden samen een rooms-katholieke statie; Venhuizen had daarnaast een doopsgezinde gemeente van Friezen.

Wijdenes, Oosterleek en Schellinkhout — de zuidelijke dijk, lage kerk en Steenen Kamer

Aan de zuidwestkant van Dregterland lagen Wijdenes en Oosterleek langs de Zuiderzeedijk. Vroeger waren zij met Schellinkhout verbonden. Bij handvest van 6 januari 1429 — in de telling van de bron 1430 — verklaarde Filips van Bourgondië dat Wijdenes en Oosterleek van Schellinkhout gescheiden zouden blijven en als stede moesten gelden. In 1741 werd ook deze ambachtsheerlijkheid aan de regenten verkocht.

De regering had tweeëndertig vroedschappen: tweeëntwintig uit Wijdenes en tien uit Oosterleek. Twee burgemeesters, tegelijk vredemakers aan de dijk, werden uit die kring gekozen. Er waren zeven schepenen: vijf voor Wijdenes en twee voor Oosterleek. De dijk stond hier niet buiten het bestuur. Een burgemeester droeg de dijk in zijn functie; wanneer water en wind drukten, zat die rand mee aan tafel. De kerk van Oosterleek, door ouderdom vervallen, werd in 1690 opnieuw gebouwd.

Schellinkhout lag ten westen van Wijdenes, met de Zuiderzee aan de zuidkant en Ooster- en Westerblokker aan de noordkant. In 1402 gaf hertog Albrecht stederecht, met jaar- en weekmarkt en vrijheden zoals Medemblik die had. De rijmkroniek noemt Schellinkhout al bij 1282. De ban droeg 763 morgen en 182 roeden land, met nog 49 morgen en 333 roeden voor de Uiterdijk. In 1632 stonden 160 huizen in de lijst; in 1732 nog 100; in 1749 97 huizen en één molen. Het dorp liep ongeveer zeshonderd roeden aan weerszijden van de kerk en was deels aan de dijk gebouwd. De kerk stond in het lage. In het midden stond de Steenen Kamer, een hoog stenen gebouw met dikke muren en een grote gewelfde kelder. Regenten kochten de ambachtsheerlijkheid in 1741.

Schellinkhout hield zo meerdere sporen tegelijk vast: dijkhuizen, lage kerk, marktvoorrecht, molen, en die Steenen Kamer met dikke muren en kelder. Een boer liep buiten langs land en water; binnen in de stenen kamer bleef koelte, opslag en oud aanzien hangen.

Zwaag, Wervershoof en de Veenhoop — de rafelrand van recht, kerk en dijklasten

Dregterland liep niet overal netjes door één bestuurlijke vorm. Buiten Hoorn en Enkhuizen werd het hoge of criminele rechtsgebied verdeeld in plattelandssteden, ambachten onder het poortrecht en rechtsgebied van Hoorn, en gebied onder Medemblik. Onder Hoorn lagen, behalve Zwaag en Dampten, de ambachten van de Veenhoop: Berkhout, Grosthuizen, Avenhorn en Schaarwoude. Ook Beets, Oudendijk en Oostmijzen hoorden bij de Veenhoop, al droegen zij niet in de dijklasten van Dregterland; als Veenhoop-ambachten vielen zij wel onder de rechtbank van Hoorn. Wervershoof hoorde alleen onder het rechtsgebied van Medemblik.

Daar liep het gebied als een rafelrand uit elkaar. Een man uit Berkhout of Avenhorn kon met rechtspraak naar Hoorn worden getrokken. Een bewoner van Wervershoof keek naar Medemblik. Beets, Oudendijk en Oostmijzen droegen niet dezelfde Dregterlandse dijklast, maar konden wel door dezelfde Hoornse rechtbank worden geraakt. Kerk, dijk en recht liepen niet in één spoor. Ze kruisten elkaar bij akten, boetes, predikanten, schouten en mensen die met modder aan hun schoenen voor een tafel verschenen.

Dregterland in de laatste gang van de dag

Tegen de avond zakte het licht over Dregterland. Aan de buitenkant lag de zeedijk met wind op het gras. Binnen de dijk liep de Streek als een harde weg tussen Hoorn en Enkhuizen. In Grootebroek stond het raadhuis met zijn torentje, de waag en het oude klooster dat weeshuis en oudemannenhuis was geworden. In Bovenkarspel draaiden drie molens waar ooit veel meer deuren in de lijst stonden. Bij Broekerhaven lag de kolk stil genoeg voor kaagschepen, koffen en binnenvaartuigen. In Lutkebroek hing de brand van 1718 tussen huizen aan de Streek. In Aandijk stond een vergrote kerk aan de Noorderdijk. In Hoogkarspel stond verspreide bebouwing rond land, kerk en molen.

Verder westelijk kwamen in Westwoude, Binnenwijzend, Oosterblokker en Westerblokker mannen op Tweede Kerstdag en Oudejaarsavond weer aan dezelfde bestuurstafel. In de Blokkers liep de beplante weg sinds 1690 onder bomen door. In Hem bleef duifsteen onder in de kruiskerk zichtbaar. In Venhuizen stond het raadhuis bij lange buurten en een zeedijk die langs de ban boog. Bij Wijdenes en Oosterleek zat de dijkvrede in de burgemeestersnaam. In Schellinkhout stond de Steenen Kamer met dikke muren en een gewelfde kelder, terwijl de lage kerk en de molen dicht bij de dijk bleven.

Een schipper maakte zijn vaartuig klaar. Een molen trok water uit het land. Een waagmeester keek naar gewicht. Een weesmeester boog zich over een boedel. Een armenvoogd telde wat er aan brood, turf of geld gegeven kon worden. Een boer keek naar land dat ooit als goud was verkocht en nu zwaar bleef onder verponding en dijklast. In een raadhuis viel de deur dicht, maar op tafel bleven namen liggen: huizen, morgen land, molens, sluizen, visserijen, dijkvakken en mensen die de volgende dag weer moesten betalen, varen, maaien, bidden, procederen, blussen of bouwen.

 

 

De Schager- en Nieuwdorper-Kogge — randland tussen oude erven, nieuwe polders en zwarte bonen

Eerst de rand: waar oud West-Fries land tegen nieuw waterwerk lag

De Schager- en Nieuwdorper-Kogge ontstond niet in het midden van veilig binnenland. Zij groeide aan een rand waar oude bewoning, zeewater, nieuwe bedijkingen, vruchtbare grond en zware rekeningen elkaar raakten. Aan de noordkant lagen de Zijpe en de Wieringerwaard. Aan de noordoostkant kwam de Zuiderzee dichtbij. Naar het oosten lagen Aartswoud en Hoogwoud. Naar het zuiden liep het land naar Veenhuizen en de Heerhugowaard. Aan de westkant lagen Harenkarspel, Valkoog en Sint Maarten. De kogge was geen rustige strook op een kaart, maar een overgangsland: oud West-Fries land tegen nieuwe polders, dijken en water.

Eerst waren er geen poortrechten, zwarte bonen of raadhuizen. Eerst waren er hogere stukken, natte randen, akkers, boomgaarden, graslanden, wegen naar Schagen, kerkpaden naar kleine dorpen en dijken die het water buiten moesten houden. De Zijpe lag lang als gevaarlijk water en open rand naast dit gebied. In oude stukken wordt al over bedijking gesproken; in 1443 werd de noodzaak van de bedijking opnieuw berekend en op 1 mei gaf hertog Filips van Bourgondië octrooi om de Zijpe te bedijken. De rand bleef trekken aan het land: wie in Schagen, Burghorn, Barsingerhorn of Kolhorn woonde, keek niet alleen naar zijn erf, maar ook naar dijk, water en buren buiten de kogge.

De gebiedsbril is hier polder-, water- en randgebied. Schagen lag op vruchtbare grond met boomgaarden, bouwlanden en weilanden. Burghorn werd een kleine bedijkte driehoek. Kolhorn keek naar de Zuiderzee. De Nieuwdorper-Kogge liep met de West-Friese dijk langs het water en raakte Veenhuizen, de Heerhugowaard en Harenkarspel. Alkmaar kwam niet als stadsmuur binnen, maar als koemarkt, classis, rechtslijn, dijkbestuur en handelsrichting.

De dijk gaf het gebied zijn harde rand. Dijkhoofdmannen zagen toe op werkvolk, wierwerken, krebbingen en dijkwerk. Koggemeesters moesten sluizen bezichtigen, wateringen en sloten schoon laten houden en op sommige wegen letten. Molenmeesters hielden molens en kaden in staat. Zij liepen niet door een theorie, maar langs natte kaden, slappe wegen, dichtgeslibde wateringen, sluizen en molens die moesten blijven werken.

Schagen — oude plaats, dure grond en een ban die leeg liep

De eerste sterke plek in deze kogge was Schagen. De bron veegt de fabelachtige oorsprong van 334 van tafel, maar noemt wel dat de plaats uit echte berichten al in de tiende eeuw bekend was. Dat maakt Schagen ouder dan zijn poortrecht. Vóór de zwarte bonen in het kerkkoor, vóór het raadhuis aan het marktveld, vóór de grafmonumenten van heren en vrouwen, lag er al een plaats waar wegen, erven, vruchtbare grond en buurten naar elkaar toe trokken.

De ban van Schagen lag tegen de Zijpe, Burghorn, Valkoog, Haringkarspel, Haringhuizen en Barsingerhorn. Achter de naam Schagen stond 1777 morgen en 360 roeden land. Dat land droeg boomgaarden, bouwlanden en weilanden. Ooit werden morgens grond daar voor tweeduizend, drieduizend gulden en meer verkocht. Een boer liep er niet over arm zand, maar over waarde. Bomen droegen fruit. Akkerland vroeg handen. Koeien stonden in gras dat alleen waarde hield wanneer molen, sloot en dijk hun werk deden.

Daarna keerde de rekening zich tegen het land. Dijklasten en molengelden drukten zo zwaar dat in 1743 ongeveer een derde van de ban verlaten lag. Waar in 1632 nog 533 huizen in de lijst kwamen, stonden er in 1732 nog 397 huizen en vier molens; in 1749 bleven 384 huizen over. De vier molens bleven water trekken terwijl deuren uit de lijsten verdwenen.

Schagen kreeg op 12 mei 1415 poortrecht. Willem, eerste heer van Schagen, gaf in 1427 rechten en vrijheden aan de stede. De plaats was open, niet als een gesloten stad met muren, maar zij had wel stedelijke rechten. Alkmaar lag ongeveer vier uur gaans naar het zuidwesten, Medemblik ongeveer even ver naar het oosten. Van buiten kwamen buurten langs bestrate wegen naar Schagen toe. Op marktdagen, bestuursdagen en kerkdagen stroomden mensen naar het midden: boeren, ambachtslieden, viskopers, bestuurders, armen, wezen, priesters en predikanten.

Het marktveld van Schagen — kerk, raadhuis, vischhuis, waag en zwarte bonen

Op het marktveld stond Schagen dicht bij zichzelf. Het oude raadhuis werd in 1731 wegens ouderdom afgebroken. In datzelfde jaar kochten burgemeesters aan de zuidzijde van het marktveld een huis met boven- en benedenkamers en maakten het geschikt als raadhuis. Daar kwam de stede binnen: namen, schulden, verklaringen, benoemingen, boetes, armenzaken, kerkzaken, dijkzaken.

De kerk stond ook aan het marktveld. Binnen rustte het gebouw op vijftien ronde stenen pilaren. De toren kreeg in 1617 een sierlijke achtkante spits; in 1619 was die voltooid. In 1660 kwam een prachtige preekstoel. In de kerk lagen de grafsteden van heren en vrouwen van Schagen. De graftombe van heer Jan van Schagen en Anna van Assendelft stond er in toetssteen, met levensgrote afbeeldingen en zestien wapens. Daar lag macht niet als woord, maar als steen, wapen, familienaam en graf.

Ten noorden van de kerk stond het vischhuis, klein, stevig, van steen, met blauwe gladde pannen. Daar werd zeevis gemarkt die overvloedig werd aangebracht. Aan de Hooge Zijde werd de waag gehouden, al had zij geen afzonderlijk gebouw. Achter aan het einde van de Hooge Zijde stond het weeshuis, vroeger een klooster, in 1577 tot weeshuis gemaakt. De rooms-katholieke kerk stond ook op de Hooge Zijde en werd door een wereldlijk priester bediend; een oudere roomse kerk aan de lage zijde van het Noord was al afgebroken.

Schagen werkte met meer dan boerenhanden. Er waren messenmakers; de Schager messen droegen een oude naam. Er waren vier looierijen en verscheidene zilversmeden. Een huid ging naar de looier. Een mes naar de markt. Zilver naar een werkbank. Vis naar het vischhuis. Een wees naar het oude kloostergebouw. Een heer naar zijn grafsteen. Een regent naar het raadhuis.

Op Nieuwjaarsdag kwam het bestuur samen in het koor van de kerk. De baljuw zat in civiele zaken als schout. Er waren vroedschappen, drie burgemeesters, zeven schepenen en een secretaris. Het getal van vijftig vroedschappen werd zelden vol; kort tevoren waren er nog maar dertig. De vroedschappen werden in zeven delen verdeeld. De baljuw ontving bonen van de aftredende schepenen; in elk zevende deel lag een zwarte boon. Wie een zwarte boon trok, ging met de baljuw naar buiten, op het kerkenrooster, en legde daar de eed af. Daarna kwamen de mannen terug binnen. Schepenen werden gekozen. Burgemeesters, weesmeesters, regenten en regentessen van het weeshuis, armenvoogden, kerkmeesters, waardschappen op de West-Friese Zeedijk en molenmeesters kregen namen. De kerk werd even bestuurskamer; de zwarte boon rolde door mannenhanden terwijl buiten de molens en dijken hun rekening hielden.

Burghorn — een bedijkte driehoek tegen de Zijpendijk

Bij Schagen lag Burghorn, klein en scherp getekend. De ban van Schagen lag oostelijk of noordoostelijk, Valkoog zuidoostelijk en de Zijpendijk noordwestelijk. Zo maakte Burghorn bijna een driehoek. In het kohier stonden 315 morgen en 360 roeden land. In 1632 stonden er 9 huizen in de lijst; in 1732 en 1749 maar 5. Ook in 1708 telde men er 9. Het land werd in 1460 bedijkt.

Burghorn was geen groot dorp met een breed marktveld. Het was ingesloten land. Kade, sloot, dijk en grens hielden het bij elkaar. Een bewoner zag de Zijpendijk niet als verre lijn. Die dijk stond naast zijn bestaan. Vijf huizen in een lijst betekenden vijf deuren in een polder die alleen bleef liggen zolang de rand hield.

Van Burghorn liep de rand naar Barsingerhorn en verder naar Kolhorn, waar de Zuiderzee niet alleen gevaar was, maar ook gezicht.

Barsingerhorn en Kolhorn — lange streek naar het water

Barsingerhorn hoorde met Kolhorn en Haringhuizen bij hetzelfde grotere Schager verband. Barsingerhorn en Haringhuizen werden in 1415 door hertog Willem van Beieren tot een stede verheven onder de naam Barsingerhorn; de heren van Schagen bevestigden dat stederecht later. Barsingerhorn en Kolhorn samen droegen 983 morgen en 190 roeden land in de kohieren. In 1632 stonden voor beide plaatsen samen 372 huizen in de verponding. In 1708 telde men voor Barsingerhorn 265 huizen en voor Kolhorn 127. In 1732 stonden in Barsingerhorn 250 huizen en twee molens, en in Kolhorn 176 huizen; in 1749 bleef Kolhorn op 176, terwijl Barsingerhorn naar 242 zakte. De twee molens bleven bij Barsingerhorn malen terwijl het lange lint dunner werd.

De baljuw zat over het criminele recht en als schout over het civiele recht, met zeven schepenen: vijf uit Barsingerhorn en Kolhorn, twee uit Haringhuizen. De heer stelde baljuw en secretaris aan. Een zaak over schuld, geweld, pacht, erf of land kon dus mannen uit de lange streek en uit het zeeplaatsje bij dezelfde rechtbank brengen.

Barsingerhorn was een groot dorp, in de lengte gebouwd langs een streek van ongeveer 700 roeden, grotendeels betimmerd en doorlopend tot dicht bij Kolhorn. In 1622 werd er een aanzienlijk raadhuis gebouwd. De oude kerk werd goed onderhouden. Twee doopsgezinde vergaderplaatsen hielden eigen deuren: de ene voor Vlamingen, verbonden met de Nieuwe Zijpe of Wieringerwaard, de andere voor Friezen, verbonden met Kolhorn. Er was een dorpsweeshuis en nog een weeshuis voor de doopsgezinden. Langs die lange streek liep niet één geloof, niet één zorg, niet één bestuur: kerk, raadhuis, doopsgezinde kamers, weeshuizen, molens en rechtsdagen lagen in hetzelfde lint.

Kolhorn lag aan de Zuiderzee. Lange tijd werd het als deel van Barsingerhorn gezien. Rond het midden van de zeventiende eeuw kreeg Kolhorn een eigen kerk; in 1646 werd de eerste predikant beroepen. De klok kwam dichter bij het water. Schippers, vissers, vrouwen aan de deur, kinderen bij de kerk en mannen die naar Barsingerhorns recht keken, leefden nu in een plaats die meer eigen gezicht kreeg zonder de oude verbinding met Barsingerhorn los te snijden.

Haringhuizen — oude toren tussen Schagen, Barsingerhorn en Nieuwdorp

Haringhuizen lag tussen Schagen, Barsingerhorn, Nieuwe-Nieuwdorp, Oude-Nieuwdorp en Haringkarspel. Het was geen groot centrum, maar wel een scharnier tussen de Schager arm en de Nieuwdorper arm van het gebied. In het kohier stond 351 morgen en 90 roeden land. In 1632 telde men 60 huizen; in 1708 38; in 1732 maar 25; in 1749 weer 32. De deuren werden minder, maar niet helemaal stil.

De kerk was groot en oud. De toren was vierkant en ging hogerop met een achtkante spits omhoog. Hij was geheel van steen en bleef, ondanks ouderdom, van goede bouworde. Tussen Schagen, Barsingerhorn en Nieuwdorp hield die toren een vaste lijn in het open land. Een boer zag hem vanuit het veld. Een kerkganger liep erheen. Een schepen uit Haringhuizen kon met twee stemmen in het grotere Barsingerhornse gerecht komen.

Hier kantelt het verhaal. De Schager kant keek naar Zijpe, Burghorn en Kolhorn. De Nieuwdorper kant liep langs de West-Friese dijk naar Winkel, Oude- en Nieuwe-Nieuwdorp, Zijdewind en de randen van Veenhuizen en Heerhugowaard. Het bleef hetzelfde randland: dijk, kerk, koemarkt, poortrecht, schouw en zwarte bonen.

Nieuwdorp — twee dorpen, één stede, bestuur dat voor de koemarkt wijkt

De Nieuwdorper-Kogge liep noordoostelijk met de West-Friese dijk langs de Zuiderzee. Vandaar strekte zij zuidwaarts langs Aartswoud en Hoogwoud tot Veenhuizen en de Heerhugowaard; westelijk lag Harenkarspel, en noordwestelijk en noordelijk de Schager-Kogge. In dit deel lagen de plattelandssteden Nieuwdorp en Winkel. Nieuwdorp was verdeeld in twee rechtsbannen: Oude-Nieuwdorp en Nieuwe-Nieuwdorp. De predikanten van Oude- en Nieuwe-Nieuwdorp en Winkel hoorden bij de classis van Alkmaar.

Oude- en Nieuwe-Nieuwdorp, ook Niedorp en Nierop genoemd, waren samen met gemeenschappelijke vrijheid en poortrecht bevoorrecht en onder de naam Nieuwdorp tot stede verheven. In 1741 werd de ambachtsheerlijkheid aan de regenten verkocht. De regering bestond uit een schout, vijftig vroedschappen, vier burgemeesters, zeven schepenen, zeven rekenaars en voor elke plaats een secretaris. Zesendertig vroedschappen kwamen uit Nieuwe-Nieuwdorp, veertien uit Oude-Nieuwdorp. Twee burgemeesters kwamen uit elke plaats; Nieuwe-Nieuwdorp koos jaarlijks twee voor één jaar, Oude-Nieuwdorp jaarlijks één die twee jaar diende.

De verkiezing viel op Paasmaandag, behalve wanneer dan de Alkmaarse koemarkt was; dan schoof zij acht dagen naar voren. De markt van Alkmaar bleef dus niet buiten Nieuwdorp. Zij kwam binnen als verschoven bestuursdag. Vijf boontrekkers uit Nieuwe-Nieuwdorp en twee uit Oude-Nieuwdorp maakten een dubbel getal. Daaruit koos de schout zeven schepenen: vijf uit Nieuwe-Nieuwdorp en twee uit Oude-Nieuwdorp. De zeven rekenaars hielden toezicht op gekeurde en bestede dorpswerken. Schout, burgemeesters en schepenen keurden de predikant goed nadat kerkenraad en gemeente hun werk hadden gedaan. In het dorp kwamen koemarkt, kerk, schouw, boontrekking en bestuur aan dezelfde kalender te hangen.

Oude-Nieuwdorp, Zijdewind en Winkel — kerk zonder toren, raadhuis met zwarte bonen

Oude-Nieuwdorp was over ongeveer 200 roeden bebouwd. Op sommige plaatsen stonden de huizen verspreid. Het dorp had geen groot aanzien, maar wel een goede kerk. In 1738 werd daar een nieuwe toren gebouwd, ongeveer van dezelfde gedaante als die van Nieuwe-Nieuwdorp. In de kerk had vroeger een fraaie doopvont gestaan.

Onder Oude-Nieuwdorp lag Zijdewind of Zijdenskerk, een grote buurt van ongeveer 60 huizen, ruim drie uur en een kwartier ten noordoosten van Alkmaar. De kerk had geen toren; de klok hing aan de voorgevel. In 1652 werd de eerste steen gelegd. Oude-Nieuwdorp werd samen met Veenhuizen en Zijdewind door dezelfde predikant bediend. In Zijdewind waren maar vijf gereformeerde huisgezinnen en geen afzonderlijke kerkenraad. Een klok aan de gevel riep dus geen groot kerkdorp bijeen, maar een klein, verspreid verband van huizen, paden en geloof.

Winkel lag tussen de Zuiderzee en Nieuwe-Nieuwdorp. In het kohier stond 1003 morgen en 342 roeden land. In 1632 telde men 289 huizen; in 1732 225 huizen en één molen; in 1749 212 huizen, zonder dat de molen toen werd aangetekend. Onder Winkel lagen twee flinke buurten: Winkel en Lutke-Winkel. Zij liepen van noordoost naar zuidwest, iets meer dan 550 roeden van elkaar. Winkel was het kerkdorp, drieënhalf uur noord ten oosten van Alkmaar en een kwartier van de Zuiderzee. Over ongeveer 400 roeden stonden huizen, met nog ongeveer 70 roeden langs de weg naar Lutke-Winkel. De voornaamste huizenstreek van Lutke-Winkel besloeg ongeveer 170 roeden.

Winkel droeg ook ouder strijdgeheugen. Graaf Arnoud werd volgens de bron in 993 bij dit dorp verslagen; de plaats werd door schrijvers Winkelmade genoemd, waarschijnlijk eerder een vlakte in de omgeving dan het dorp zelf. Graaf Floris III verbrandde Winkel en Nieuwdorp in 1180. Bij het raadhuis brandden in 1649 acht huizen af. De kerk stond midden in het geboomte, niet ver van de West-Friese Zeedijk, met een laag vierkant torentje en zeskante spits.

Winkel had een aanzienlijk raadhuis. De regering bestond uit zesendertig vroedschappen, twee burgemeesters, zeven schepenen, zeven rekenaars, een secretaris en andere beambten. Burgemeesters, schepenen en rekenaars vulden het getal van de vroedschappen aan op dezelfde tijd als de regenten van Nieuwdorp werden gekozen. Zij kwamen in het koor van de kerk bijeen en trokken zeven zwarte bonen. De boontrekkers benoemden vijftien personen. Uit de eerste vier koos de schout een burgemeester die twee jaar diende; uit de overige namen koos hij zeven schepenen. Op de eerste rechtsdag kozen de schepenen zeven rekenaars, die met de schout keur en schouw hielden over gekeurde en bestede dorpswerken. In Winkel rolde de zwarte boon dus niet alleen door de hand; zij stuurde wegen, schouwen, dorpswerken en recht.

Slotgang — één randland, twee armen

Tegen de avond lag de Schager- en Nieuwdorper-Kogge niet als twee losse blokken in het land. De ene arm liep naar Schagen, Burghorn, Barsingerhorn, Kolhorn en Haringhuizen. De andere liep naar Oude- en Nieuwe-Nieuwdorp, Zijdewind en Winkel. Daartussen lagen dijk, polder, markt, kerk, koemarkt, molen, raadhuis en recht.

In Schagen bleef het marktveld vol sporen: kerk, raadhuis, vischhuis, waag, weeshuis, messenmakers, looierijen, zilversmeden en zwarte bonen in het koor. In Burghorn hield een kleine bedijkte driehoek stand tegen de Zijpendijk. In Barsingerhorn liep een lang lint naar Kolhorn, waar de Zuiderzee tegen het dorp lag en de kerk sinds 1646 een eigen predikant had. In Haringhuizen bleef de oude stenen toren staan tussen minder huizen. In Nieuwdorp schoof de bestuursdag wanneer de Alkmaarse koemarkt op Paasmaandag viel. In Zijdewind hing de klok aan de gevel van een kerk zonder toren. In Winkel kwamen mannen in het kerkkoor bijeen, trokken zwarte bonen en kozen rekenaars die wegen, werken en schouwen moesten dragen.

Een molen draaide bij Barsingerhorn. Een schipper keek vanaf Kolhorn naar de Zuiderzee. Een boer in Schagen liep over grond die ooit duur was en later door lasten werd verlaten. Een koggemeester liet sloten schoonmaken. Een dijkhoofdman keek naar wierwerk en krebbing. Een schout riep iemand op. Een secretaris schreef een naam. In een kerkkoor rolde een zwarte boon tussen mannenhanden, terwijl buiten de dijk, de Zijpe, Burghorn, Kolhorn en Winkel hetzelfde randland bij elkaar hielden.

 

Geestmer-Ambagt — waterland aan Alkmaar, Langedijk en de oude geest

Eerst het water: dorpen tussen geestgrond, waard, sluis en dijk

Geestmer-Ambagt ontstond waar oude geestgrond, natte waardranden, uitwaterende sluizen, dijken, dorpslinten en Alkmaars recht elkaar raakten. Hier bleef een huis staan waar de grond net hoog genoeg lag of waar sloten het water konden wegtrekken. Hier kwam een kerk waar paden uit buurten naar één klok liepen. Hier kwam bestuur waar sluizen, molens, wegen, kaden en dijklasten te zwaar waren voor één dorp alleen.

De gebiedsbril is polder-, water- en randgebied, met het binnenland van dorpen, linten en wouden er vlak onder. Aan de zuidkant lag Alkmaar met stadhuis, markt, classis en recht. Aan de oostkant lagen de Heerhugowaard, de Schermeer, de Vroonermeer en de drooggelegde meertjes. Aan de westkant kwamen Bergen en Schoorl in beeld. Naar het noorden lagen Warmenhuizen, Haringkarspel, Sint Maarten, Eenigenburg en Valkoog, waar de Zijpdijk en de oude West-Friese rand het land hard maakten.

In de bron worden Ouddorp, Sint Pancras, Broek, Zuid-Scharwoude, Noord-Scharwoude en Koedijk genoemd als ambachten waarover het baljuwschap van de Nieuwburgen ook het hoge rechtsgebied oefende. Daarnaast worden Oudkarspel, Haringkarspel, Warmenhuizen, Veenhuizen, Sint Maarten, Eenigenburg en Valkoog bij Geestmer-Ambagt gerekend. De band lag vooral in het bestuur over de Hondsbossche, de West-Friese dijk en de uitwaterende sluizen. De kerken vielen onder de classis van Alkmaar.

Een sluis moest open. Een molen moest malen. Een sloot moest worden geschoond. Een weg moest begaanbaar blijven. Een dijk moest worden bekeken. Een schout moest iemand laten oproepen. Een predikant liep niet altijd naar één dorp, maar naar een kring van dorpen die samen een kerkelijke dienst deelden. Water, recht en kerk trokken Geestmer-Ambagt aan elkaar vast.

Alkmaar en de Nieuwburgen — vrijdag recht op het stadhuis, buiten natte voeten

Voor het hoge recht liep een deel van Geestmer-Ambagt naar het baljuwschap van de Nieuwburgen. Broek, Zuid-Scharwoude en Noord-Scharwoude werden in 1555 van het baljuwschap van Kennemerland afgenomen en bij dat van de Nieuwburgen gevoegd. De dorpen bleven langs de Langedijk liggen, maar hun zaken konden voortaan onder een andere vierschaar komen.

De hoge vierschaar van de Nieuwburgen zat met de baljuw, zeven leenmannen, een secretaris en een bode. Om de veertien dagen, op vrijdag, werd recht gehouden op het stadhuis van Alkmaar. Een man uit Ouddorp, Sint Pancras, Broek of Koedijk kwam daar met een zaak. Een schuld. Een klap. Een stuk land. Een pacht. Een verklaring. De bode had hem laten komen. De baljuw zat voor. De leenmannen luisterden. De secretaris schreef. In 1743 droeg mr. Jakob Josias Vryburg, raad en burgemeester van Alkmaar, het baljuwsambt.

Buiten dat stadhuis lag het natte werk. Koggemeesters moesten sluizen bezichtigen, wateringen en sloten schoon laten houden en op wegen letten. Molenmeesters hielden molens en kaden in staat. Een koggemeester liep langs een watering waar riet en modder de doorstroming konden hinderen. Een molenmeester keek naar hout, wiek, kade en waterstand. Een boer kreeg dat bestuur terug in schouw, last, onderhoud en betaling.

Ouddorp — Aldenthorp, oud steen en een schout met zijn zijdgeweer

Aan de zuidkant lag Ouddorp, dicht bij Alkmaar. De ban grensde aan Koedijk, de Huigenwaard, de Schermeer, het rechtsgebied van Alkmaar en Bergen. In de verponding stond 234 morgen en 552 roeden land achter Ouddorp. In 1632 kwamen 54 huizen in de lijst; in 1732 en 1749 stonden er 48 huizen en één molen. Het dorp lag maar een klein kwartier ten noordoosten van Alkmaar, midden in vruchtbare zaai- en weilanden. De molen bleef draaien waar het land graan en gras vroeg.

Ouddorp droeg zijn naam met oude papieren. In stukken van 1063 en 1064 stond het al als Aldenthorp en Aldatorpa. De kerk had een oude, geheel van steen gemetselde spitse toren. In de Spaanse oorlog werd zij deels verwoest. Aan het verdwenen koor bleven merktekenen zichtbaar. Wie daar langs de kerk liep, zag een litteken in steen. De gereformeerde gemeente telde dertig of veertig ledematen.

De ambachtsheerlijkheid werd in 1730 voor 4850 gulden aan de regenten van het dorp verkocht. De schout had vijf schepenen naast zich. Na drie jaar moest hij om vernieuwing vragen. Hij bedankte voor het genot van zijn ambt, gaf zijn zijdgeweer aan de president van de regenten, ging naar buiten, werd weer binnengeroepen en kreeg het geweer terug. Daarna kon hij opnieuw mensen laten oproepen, zaken voorbrengen en namen op papier laten zetten. In Ouddorp raakten oude dorpsnaam, vruchtbare grond, kerkruïne, molen en Alkmaars recht elkaar.

Sint Pancras — Vroonen, verbrande grond en een kerk achter het lint

Van Ouddorp liep het land naar Sint Pancras, bij de rand van de Heerhugowaard. De ban lag tussen Broek op Langedijk, de Huigenwaard en Koedijk. In 1632 stonden 96 huizen in de lijst; in 1732 nog 74, en in 1749 bleef dat getal staan. Het dorp lag grotendeels van zuid naar noord, ten westen van de Breede Weg, ongeveer 200 roeden lang, en maakte naar het oosten een elleboog. De kerk stond iets achter de huizen: een net kruiskerkje met een torentje dat uit het dak oprees. In 1740 kwam er een nieuwe kunstige preekstoel.

Onder dat kerkje lag de oude naam Vroonen. De ligging op de Vrooner-Geest, tegen de Vroonermeer, die in 1561 werd drooggemaakt, maakte het waarschijnlijk dat Sint Pancras een deel van het oude Vroonen was. Het werd door sommigen tot koopstad gemaakt, maar de oude schrijvers hielden het bij een dorp. In 1297 werd Vroonen door graaf Jan I verbrand. Daarna kreeg de plaats vermoedelijk de naam van haar beschermheilige: Sint Pancras.

De ambachtsheerlijkheid werd op 17 november 1749 voor 9900 gulden verkocht aan Abraham Quevellerius en kwam daarna aan Anna Quevellerius, weduwe van Hendrik Trip. Zij stelde schout en secretaris aan. Vijf schepenen zaten met de vijf laatst afgetreden schepenen als vroedschap. Op de woensdag vóór Pinksteren kozen schout en afgaande schepenen vijf nieuwe mannen. Buiten lag de Vrooner-Geest; binnen gingen namen rond voor schout, secretaris, schepenen en dorpszaken.

De Langedijk — groente, schuiten, kerken en schouw langs één lang waterlint

Van Sint Pancras trok het verhaal naar de Langedijk. Daar werd Geestmer-Ambagt smal, lang en werkend. De dorpen stonden aan dijk, vaart, Heerhugowaard en Koedijk. Sloten lagen tussen akkers. Schuiten lagen klaar om vracht te dragen. Kool, uien en wortelen gingen van hand naar schuit, van schuit naar markt, van markt naar geld, en van geld naar pacht, belasting, kerk, huis, sloot en molen.

De bewoners van de vier dorpen op en om de Langedijk teelden papaver of slaapbollen, maar vooral kool, uien, wortelen en andere aardvruchten. Zij hadden met andere groentelieden uit Noord-Holland een eigen markt in Amsterdam. Een kool bleef niet in de grond van Broek of Scharwoude. Zij werd gesneden, gedragen, geladen, gevaren, gewogen en verkocht. De Amsterdamse markt kwam terug in het dorp als munt, schuldaflossing, gereedschap, reparatie aan huis of bijdrage aan dorpslasten.

Broek op Langedijk, vroeger Broekkarspel, lag ten zuiden van Zuid-Scharwoude, ten noorden van Sint Pancras, met de Heerhugowaard aan de oostkant en Koedijk aan de westkant. In de kohieren stonden 436 morgen en 515 roeden land. In 1632 kwamen 138 huizen in de lijst; in 1732 en 1749 137. Het dorp was ongeveer 350 roeden lang en lag anderhalf uur noord-noordoost van Alkmaar. De kleine kerk met spits torentje werd sinds 1591 samen met Zuid-Scharwoude bediend. De samengevoegde gemeente telde ongeveer vijfhonderd ledematen. Dezelfde predikant liep dus tussen twee dorpen waar groente, water en kerkpad dezelfde week konden vullen. De ambachtsheerlijkheid werd tegelijk met Sint Pancras voor 20.300 gulden aan de regenten verkocht. Op Pinksteren gingen de vijf schepenen af; de schout en de vijf schepenen van het vorige jaar kozen vijf nieuwe.

Zuid-Scharwoude, vroeger Sint Pieters Karspel, lag noordelijker aan dezelfde dijk, tussen Broek en Noord-Scharwoude, met de Heerhugowaard aan de oostkant en Koedijk aan de westkant. In de verponding stond 478 morgen en 631 roeden land. In 1632 kwamen 168 huizen in de lijst; in 1732 en 1749 bleven er 135. De kerk was een pronkstuk van ouderdom, met veel duifsteen. Het koor was boven oud en vreemd beschilderd. De toren had een fraaie spits. In 1736 werd een nieuw rechthuis gebouwd. Daar kwamen niet alleen dorpszaken binnen, maar ook de zorgen van een tuinbouwlint: schouw, onderhoud, wegen, water, dorpspenningen, predikant en bestuur.

Bij Zuid-Scharwoude droeg Jakob Mispelblom Beier, raad in de vroedschap van Schiedam, de heerlijkheid. Hij stelde schout en secretaris aan. Zeven schepenen gingen op Pinksteren af. Zij noemden vier van de rijksten en vroedsten, die samen met de schout zeven nieuwe schepenen kozen. In gewichtige gevallen riep de president-schepen het college bijeen; iedere schepen moest dan twee mannen mee naar het raadhuis brengen. Dan kwam het dorp met meer voeten binnen: schepenen, raadsmannen, bezitters, mannen die water, land, schuld of kerkzaak in hun stem droegen.

Noord-Scharwoude, vroeger Sint Jans Karspel, lag tussen Oudkarspel, Zuid-Scharwoude, de Heerhugowaard en Koedijk. In de kohieren stonden 494 morgen en 367 roeden land. In 1632 werden 125 huizen geteld; in 1732 112 huizen en één molen; in 1749 111 huizen en één molen. Die molen bleef boven het water werken terwijl deuren uit de lijst verdwenen. De kerk had een lage stompe toren. Binnen stonden een uitgesneden preekstoel, een koperen kerkkroon en een scheepje van veertig stukken kanon. Dat scheepje hing boven mensen die geen zeehaven bewoonden, maar wel via schuit, markt en water aan grotere vaarten en steden vastzaten.

Willem Vlaardingerwoud kocht de ambachtsheerlijkheid van Noord-Scharwoude voor 20.500 gulden uit de grafelijkheidsdomeinen en stelde schout en secretaris aan. Twee burgemeesters beheerden de dorpspenningen. Nieuwe schepenen stelden zeven waardschepenen aan voor gewichtige zaken; bij de allerzwaarste zaken kwamen ook de schepenen van twee jaar eerder. In Noord-Scharwoude hield men oude en nieuwe bestuurders tegelijk bij de hand. Buiten stonden kool, uien en wortelen op het land; binnen telde men geld, benoemde mannen en hield schouw over wat het dorp niet kon laten versloffen.

Zo liep de Langedijk niet als drie losse dorpen door het verhaal. Broek gaf zijn kerkelijke dienst aan Zuid-Scharwoude mee. Zuid-Scharwoude bracht oud duifsteen, rechthuis en raadsmannen. Noord-Scharwoude hield molen, dorpspenningen, waardschepenen en het scheepje in de kerk. Over dezelfde dijk gingen mensen, groenten, predikanten, schouwplicht, dorpsgeld en nieuws naar voren en terug.

Oudkarspel en Koedijk — waag, rechthuis, gevangen toren en boter aan de vaart

Aan het noordelijke eind van de Langedijk lag Oudkarspel. Het grensde aan Haringkarspel, Noord-Scharwoude, Warmenhuizen en Bergen. In het kohier stonden 1239 morgen en 413 roeden land, waarschijnlijk met de bedijkte Diepsmeer, Kerkmeer en Dergmeer erbij. In 1632 stonden 161 huizen in de lijst; in 1732 en 1749 158. In 1690 brandden vijftien huizen af, die grotendeels weer opgebouwd lijken te zijn.

Oudkarspel was een net dorp, bijna 400 roeden lang langs een weg die voor een groot deel bestraat was. De kerk stond een stuk van het dorp af, naar het oosten. Zij had een vierkante toren zonder spits en een klein torentje op het koor, waarin veel duifsteen zat. In 1744 werd een nieuw rechthuis gebouwd; vooraan stond het wapen van de heer in hardsteen gehouwen. Tegenover het rechthuis stond de waag. De heer had er een heerenhuis met een mooie tuin; aan de muur van dat huis zat een gevangen toren. Macht stond hier in steen: wapen boven het rechthuis, waag tegenover de deur, gevangenenmuur aan het huis van de heer.

Onder Oudkarspel hoorde ook het gehucht In Koedijk, een vervolg van het dorp Koedijk, maar aan de heren van Oudkarspel toebehorend. Jonkheer Jan Lodewijk van Teilingen, raad in de vroedschap en schepen van Alkmaar, was vrijheer van Oudkarspel en In Koedijk, en ook vrijheer van Haringkarspel. Hij stelde in beide heerlijkheden baljuw, schout en secretaris aan. Een Alkmaarse naam kwam zo te hangen aan rechthuis, waag, gevangen toren, Haringkarspel en het kleine stuk In Koedijk.

Koedijk vormde met Huiswaard één ambachtsheerlijkheid. Het lag aan de Reekerdijk, die Geestmer-Ambagt tegen het buitenwater dekte, en was in de lengte gebouwd langs de Koedijker Vaart. In de verponding stond 929 morgen en 450 roeden voor het ambacht. In 1632 kwamen uit de Koedijker ban 250 huizen in de lijst; in 1732 en 1749 184 huizen en twee molens. De kerk was redelijk groot, met een laag koepeltorentje. Tot 1657 was zij gemeenschappelijk met Sint Pancras; daarna werd Koedijk daarvan afgescheiden. Er waren ruim tweehonderd ledematen, en ook een gemeente van Friese doopsgezinden. De predikant bewoonde er een goede pastorie.

Onder Koedijk lagen twee tolhuizen, die jaarlijks 600 gulden opbrachten. De inwoners leefden vooral van landbouw: boter en kaas. Bij de Koedijker Vaart ging dus niet alleen water langs het dorp, maar ook melk, kaas, boter, tol en geld. Huiswaard lag ongeveer drie kwartier ten noordoosten van Alkmaar en telde veertien huizen. De stad Alkmaar kocht in 1730 de ambachtsheerlijkheid Koedijk en Huiswaard voor 5200 gulden. De regering bestond uit schout, secretaris, vijf schepenen en vijftien vroedschappen. Op de donderdag vóór Pinksteren noemden de schout en de schepenen van het vorige jaar twaalf personen; daaruit werden vijf regerende schepenen gekozen. Wie daardoor in de vroedschap kwam, kon een ander verdringen als het getal boven vijftien uitkwam. In Koedijk kon bestuur ook betekenen dat een naam van de lijst verdween.

Haringkarspel — meertjes, buurten en een orgel in Dirkshorn

Noordelijker lag Haringkarspel, misschien beter Herenkarspel. Het was een vrije heerlijkheid met een grote rechtsban, vol droog gemaakte meertjes en buurten. De bron noemt de Schagerwaard of Witsmeer, de Woudmeer, de Bleekmeer, de Schaapskuilmeer, de Waterlandse Polder, de Speketers Polder en de Nieuwe Polder. Het grondgebied liep langs Schagen en werd verder omringd door Haringhuizen, Oude-Niedorp, de Heerhugowaard, Oudkarspel, Warmenhuizen en de rechtsbannen onder Valkoog.

In de verponding stond 1535 morgen en 483 roeden land. In 1632 stonden voor Haringkarspel met Kalverdijk en Dirkshorn 181 huizen in de lijst. In 1732 waren dat 179 huizen en één molen; daarnaast lagen in Witsmeer en Woudmeer nog 17 huizen buiten dat getal. In 1749 kwamen voor Haringkarspel 176 huizen en één molen in de lijst, voor Witsmeer 13 en voor Woudmeer 5. De molen draaide voor land waar meertjes in polders waren veranderd en waar huizen soms buiten de hoofdtelling vielen.

De buurten lagen door het gebied verspreid. De kerkbuurt lag aan de noordkant, naar Sint Maarten. Aan de kant van Warmenhuizen lag Kalverdijk. Op de scheiding tussen Haringkarspel en Valkoog lag Dirkshorn, de grootste buurt. Daar werd in 1659 een kerk gesticht, voorzien van een orgel. Tuitjenhorn lag naar Eenigenburg toe. De kerken van Haringkarspel en Dirkshorn werden door dezelfde predikant bediend. De leraar liep door een heerlijkheid van polders, meertjes, buurten en grenzen; zijn weg ging langs water dat ooit open lag en nu in namen als Witsmeer en Woudmeer bleef staan.

Veenhuizen en de Berkmeer — wit marmer, rietland en één man voor dijk, geld en molen

Aan de oostkant raakte Veenhuizen de Heerhugowaard. Een deel van die waard, de Veenhuizer Gronden, hoorde bij de ban van Veenhuizen. Verder grensde het aan Oude-Niedorp, een groot stuk Hoogwoud, een klein stuk Opmeer en de Berkmeer. In de verponding stonden 363 morgen en 11½ roeden land. In 1632 werden 35 huizen geteld; in 1732 44 huizen en één molen; in 1749 nog 38 huizen met de molen. Het dorp lag klein, twee en een kwart uur oost-noordoost van Alkmaar. De kerk had weinig aanzien, met een lage vierkante toren en een stompe spits.

In het koor lag de tombe van Reinoud van Brederode, heer van Veenhuizen. Zijn levensgrote beeld lag in wit marmer op een zwart marmeren bed; rondom stonden wapens in marmer uitgehouwen. Een gewone kerkganger zag daar heer, bezit, familie en kerk in één steen. Veenhuizen werd kerkelijk met Oude-Niedorp en Zijdewind door dezelfde leraar bediend. De heerlijkheid was vroeger in handen van de heer van Brederode van Wezenberg; later was Jonkheer Jakob van Kats, heer van Kats, Koulster, Heiloo en Oesdom, raad en schepen van Alkmaar, vrijheer van Veenhuizen. Baljuw, schout en secretaris werden door dezelfde persoon bekleed en door de heer aangesteld.

Bij Veenhuizen lag de Berkmeer, deels onder Veenhuizen, deels onder de vrije heerlijkheden Obdam en Opmeer. In 1636 werd deze meer bedijkt. Zij bevatte 284 morgen, vooral weiland en rietland, met weinig zaailand. Het dijkbestuur stond aan twee dijkgraven en drie heemraden, die bij rondgaande beurten hun bedieningen oefenden. De dijkgraaf van dienst was tegelijk penningmeester en molenmeester. Eén man keek naar kade, kasboek en molen. De heemraden werden door de ingelanden gekozen.

Warmenhuizen — Krabbendam, Schoorldam, oude kerk en twee gezindheden onder één dak

Aan de noordwestelijke kant lag Warmenhuizen. Het grensde aan Eenigenburg en Haringkarspel, en verder aan Oudkarspel en Schoorl. Onder Warmenhuizen hoorden de buurt Krabbendam met het Jaarlinger Meertje, en een deel van Schoorldam; het andere deel van Schoorldam viel onder Schoorl. Krabbendam lag als buurt bij water en dijkrand. Schoorldam werd gedeeld door twee rechtswerelden. Het Jaarlinger Meertje hing als kleine natte naam aan Warmenhuizen vast.

De heerlijkheid van Warmenhuizen bevatte 1075 morgen en 705 roeden land. In 1632 stonden 209 huizen in de lijst; in 1732 221 huizen en één molen; in 1749 nog 203 huizen met de molen. Het dorp groeide eerst in deuren en zakte later terug, terwijl de molen bleef malen. De kerk, ongeveer twee uur noord-noordoost van Alkmaar, was een oud ruim gebouw. De lage toren was onderaan vierkant en liep hogerop met een spits op. Midden op het dak stond nog een klein torentje met een doorluchtige appel.

In 1612 en 1618 kwam er grote onenigheid tussen remonstranten en contraremonstranten. De remonstranten werden gesteund door Willem Bardes, zoon van de bekende Amsterdamse burgemeester en toen heer van Warmenhuizen. Op 16 november 1618 bepaalden de Staten dat beide gezindheden beurtelings in de kerk van Warmenhuizen zouden prediken. Dezelfde kerkdeur ging dus open voor twee groepen die elkaar bestreden. De preekstoel stond tussen stemmen, twist, besluit en beurtwisseling. Later was Henrik van Hoorn, afgevaardigde voor Zeeland ter Generaliteit, door zijn huwelijk met Anthonia de la Porte vrijheer van Warmenhuizen. Hij stelde baljuw, schout en secretaris aan. Een huwelijk bracht heerlijk recht naar het dorp; een kerkruzie bracht de Staten tot in de kerk.

Sint Maarten, Eenigenburg en Valkoog — zwarte bonen bij de Zijpdijk

Aan de kant van de Zijpe lagen Sint Maarten, Eenigenburg en Valkoog. Al in 1478 vormden zij één samengevoegd rechtsgebied onder de naam Valkoog of Valken-Kogge. De regering bestond uit een schout, crimineel en civiel, door de Staten van Holland en West-Friesland aangesteld, vijftig vroedschappen, zeven schepenen en een secretaris, welk ambt meestal door de schout werd bekleed. Twintig vroedschappen kwamen uit Sint Maarten, vijftien uit Eenigenburg en vijftien uit Valkoog. Drie schepenen kwamen uit Sint Maarten, twee uit Eenigenburg en twee uit Valkoog.

Op Nieuwjaarsdag trokken de vroedschappen zeven zwarte bonen. De boontrekkers benoemden een dubbel getal; daaruit koos de schout de schepenen. Die spraken recht in criminele en civiele zaken en droegen tegelijk de burgerlijke regering. Schout en schepenen keurden predikanten van de drie dorpen goed nadat de gemeente uit een dubbeltal van de kerkenraad had gekozen. Een zwarte boon rolde dus niet alleen door bestuurdershanden; hij raakte recht, kerk, dorp en naam.

Sint Maarten lag ten noorden en noordoosten aan Valkoog en gedeeltelijk aan Burghorn, oostelijk en zuidelijk aan Haringkarspel, en westelijk aan de Zijpdijk. In de verponding stond 601 morgen en 100 roeden land. In 1632 waren er 153 huizen; in 1732 waren dat 110 huizen en één molen, en dat bleef in 1749 zo. Het dorp lag drie uur gaans van Alkmaar. De kerk was oud en groot; volgens een opschrift op een bord was zij in 1462 gebouwd. De vierkante toren had een zeskante spits die door de donder scheef was gezet. Op het stenen rechthuis stond 1597.

Eenigenburg lag eveneens westelijk aan de Zijpdijk, ten noorden aan Sint Maarten, ten oosten aan Haringkarspel en ten zuiden aan Warmenhuizen. In de kohieren stond 164 morgen en 290 roeden land. In 1632 gingen 53 huizen in de lijst; in 1732 en 1749 bleven er 40. Het dorp lag twee uur gaans ten noorden van Alkmaar. Kerk en toren hadden geen groot aanzien, maar de plek droeg een harde herinnering: graaf Floris V stichtte hier omstreeks 1285 een sterkte of slot, Eenigenburg geheten. Kort na zijn dood haalden de West-Friezen het neer. In het dorp bleef geen groot kasteel staan, maar de naam hield de hand van de graaf en de tegenhand van de West-Friezen vast.

Valkoog lag noordelijk aan de oude Friese zeedijk langs de bannen van Burghorn en Schagen. Naar het oosten sprong het met een hoek tussen Schagen en Haringkarspel, dat ten zuiden van Valkoog lag; naar zuidwesten en zuiden grensde het aan Sint Maarten. In de verponding stond 542 morgen en 690 roeden land. Het aantal huizen was in een eeuw sterk afgenomen: in 1632 stonden er 96 in de lijst, in 1732 nog 47, hetzelfde getal in 1749. Het dorp lag drieënhalf uur oost-noordoost van Alkmaar. Waar bijna de helft van de deuren uit het papier verdween, bleven de oude zeedijk, de hoek tussen Schagen en Haringkarspel en de zwarte bonen van de Valken-Kogge het dorp aan de bestuurstafel houden.

Slotgang — van Aldenthorp naar de Zijpdijk

Tegen de avond lag Geestmer-Ambagt niet als één glad vlak in het land. Bij Ouddorp bleef Aldenthorp in oude stukken staan, en aan het verwoeste koor van de kerk zat nog Spaans oorlogsgeweld in steen. In Sint Pancras liep de Vrooner-Geest naar de drooggemaakte Vroonermeer, terwijl Vroonen onder de nieuwe naam bleef branden. Op de Langedijk werden kool, uien en wortelen naar schuit en markt gedragen; in Broek, Zuid-Scharwoude en Noord-Scharwoude liepen predikant, schout, schepenen, molen, dorpspenningen en Amsterdamse markt door hetzelfde lint. In Oudkarspel stonden waag, rechthuis, heerenhuis en gevangen toren tegenover en naast elkaar. In Koedijk liep de Koedijker Vaart langs boter, kaas, tolhuizen en twee molens.

Verder noordelijk lagen in Haringkarspel Witsmeer, Woudmeer, Bleekmeer, Schaapskuilmeer, Waterlandse Polder, Speketers Polder en Nieuwe Polder als drooggelegd werk achter molen en buurten. In Dirkshorn klonk sinds 1659 een orgel. In Veenhuizen lag Reinoud van Brederode in wit marmer op zwart marmer. Bij de Berkmeer droeg één dijkgraaf tegelijk penning, molen en kade. In Warmenhuizen liep Krabbendam met het Jaarlinger Meertje mee, en ging één kerkdeur beurtelings open voor remonstrant en contraremonstrant. Bij Sint Maarten stond de torenspits scheef van de donder. In Eenigenburg lag een afgebroken grafelijke sterkte in de naam. In Valkoog hielden zeven zwarte bonen een kleiner geworden dorp aan tafel.

Een groenteman laadde zijn aardvruchten voor Amsterdam. Een molen trok water uit land dat anders nat bleef liggen. Een schout liet iemand oproepen. Een secretaris schreef. Een predikant ging van het ene dorp naar het andere. Een dijkgraaf keek naar kade en kasboek. Bij de Zijpdijk trok de wind langs Sint Maarten, Eenigenburg en Valkoog, terwijl in een raadhuis een zwarte boon over tafel rolde.

 

Blok moeilijke woorden — 50 begrippen met korte uitleg

1. Kogge
Een oud West-Fries bestuursgebied. Dorpen werkten samen aan dijken, waterbeheer, wegen, rechtspraak en belastingen.

2. Ambacht
Een lokaal rechts- en bestuursgebied. Een dorp of groep dorpen met eigen bestuur, schout en schepenen.

3. Ban
Het grondgebied dat bij een dorp hoorde. Binnen de ban golden dorpsrecht, belasting en kerkelijke grenzen.

4. Rechtsban
Een ban waarbinnen recht werd gesproken. Wie daar woonde, viel onder dat gerecht.

5. Heerlijkheid
Gebied waar een heer bepaalde rechten had, zoals schout benoemen, recht laten spreken of inkomsten ontvangen.

6. Vrije heerlijkheid
Een heerlijkheid met vrij sterke zelfstandige rechten. De heer had daar veel invloed op bestuur en rechtspraak.

7. Ambachtsheerlijkheid
Een kleinere heerlijkheid met ambachtsrechten. De ambachtsheer benoemde vaak schout, secretaris of bestuurders.

8. Baljuw
Hoge bestuurder en rechterlijke functionaris. Hij trad op namens heer, graaf of overheid, vooral bij zware zaken.

9. Schout
Plaatselijke bestuurder en aanklager. Hij riep mensen op, leidde rechtszaken en hield orde in dorp of stede.

10. Schepenen
Dorps- of stadsrechters. Zij spraken recht, bestuurden mee en namen besluiten over plaatselijke zaken.

11. Vroedschap
Raad van aanzienlijke mannen uit dorp of stad. Zij kozen bestuurders en adviseerden bij belangrijke zaken.

12. Burgemeester
Plaatselijke bestuurder. In oude dorpen waren vaak meerdere burgemeesters tegelijk, meestal voor financiën en bestuur.

13. Secretaris
Schrijver van het bestuur. Hij noteerde besluiten, rechtszaken, benoemingen, akten en dorpsrekeningen.

14. Bode
Boodschapper van het gerecht of bestuur. Hij bracht oproepen, bevelen en berichten rond.

15. Vierschaar
Rechtbank of rechtszitting. Daar zaten baljuw, schout of schepenen om zaken te behandelen.

16. Hoge vierschaar
Rechtbank voor zware of criminele zaken, zoals geweld, diefstal of doodslag.

17. Civiel recht
Recht over gewone geschillen: schulden, bezit, pacht, erfenissen, land en burenruzies.

18. Crimineel recht
Strafrecht. Zaken over misdrijven, geweld, diefstal, brandstichting of zware overtredingen.

19. Poortrecht
Stedelijke rechten voor inwoners. Ook een open dorp kon daardoor als stede functioneren.

20. Stede
Plaats met stedelijke rechten, maar niet altijd met muren. Veel West-Friese steden bleven dorps van vorm.

21. Waardschap
Bestuurlijke taak rond dijk, water of dorpszaken. Een waardschap hield toezicht en droeg verantwoordelijkheid.

22. Heemraad
Bestuurder van dijk- of waterschap. Hij keek naar dijken, sluizen, watergangen en onderhoud.

23. Dijkgraaf
Hoofd van een dijk- of waterschap. Hij leidde dijkbestuur, schouw en waterzaken.

24. Koggemeester
Bestuurder binnen een kogge. Hij hield toezicht op sloten, wateringen, sluizen, wegen en onderhoud.

25. Molenmeester
Toezichthouder op molens en kaden. Hij zorgde dat watermolens bleven werken.

26. Dijklasten
Kosten voor onderhoud van dijken. Boeren en landeigenaren moesten hieraan meebetalen.

27. Verponding
Oude belasting op huizen en land. In lijsten werden huizen, molens en landoppervlakten genoteerd.

28. Morgen
Oude oppervlaktemaat voor land. De grootte kon per streek verschillen.

29. Roede
Oude lengtemaat of oppervlaktemaat. In bronnen wordt zij vaak gebruikt bij landmeting.

30. Kohier
Belastingregister. Daarin stonden huizen, land, molens, aanslagen en eigenaars.

31. Rechthuis
Gebouw waar bestuur en rechtspraak samenkwamen. Daar zaten schout, schepenen en bestuurders.

32. Raadhuis
Bestuursgebouw van dorp of stede. Daar werden besluiten genomen en bestuurders gekozen.

33. Waag
Plaats waar goederen werden gewogen. Belangrijk voor handel, markt en belasting.

34. Weeshuis
Huis voor kinderen zonder ouders of zonder verzorging. Regenten hielden toezicht.

35. Armenvoogd
Bestuurder van armenzorg. Hij deelde geld, brood, turf of hulp uit aan armen.

36. Kerkmeester
Beheerder van kerkgebouw en kerkelijke goederen. Hij zorgde voor onderhoud en financiën.

37. Predikant
Protestantse dominee. Hij preekte, doopte, begroef en bediende vaak meerdere dorpen.

38. Classis
Regionale kerkelijke vergadering van predikanten en kerken. Dorpen vielen onder een bepaalde classis.

39. Statie
Rooms-katholieke geloofsplek na de Reformatie. Vaak geen officiële parochiekerk, maar wel vaste bediening.

40. Doopsgezinden
Protestantse geloofsgroep, ook Mennonieten genoemd. Zij hadden vaak eigen vergaderplaatsen.

41. Remonstranten
Protestantse stroming uit de zeventiende eeuw. Zij kwamen in conflict met contraremonstranten.

42. Contraremonstranten
Tegenstanders van de remonstranten. Hun strijd verdeelde dorpen en kerken.

43. Droogmakerij
Een meer of plas die met dijken en molens werd drooggelegd om land te maken.

44. Polder
Stuk land met eigen waterbeheer, omringd door dijken of kaden.

45. Sluis
Waterwerk waarmee water werd doorgelaten of tegengehouden. Nodig voor afwatering en scheepvaart.

46. Watering
Watergang of afwateringssysteem. Dorpen moesten die schoonhouden.

47. Schouw
Controle op sloten, wegen, dijken en waterwerken. Wie nalatig was, kon worden beboet.

48. Geestgrond
Hogere zandige grond, vaak ouder en droger dan veen- of kleiland.

49. Waard
Laag land of watergebied, vaak later bedijkt of drooggelegd, zoals Heerhugowaard.

50. Zwarte boon
Lotingsmiddel bij bestuurskeuze. Wie de zwarte boon trok, kreeg een rol bij benoemingen.