Deel 1 — 1600–1610: langs de Zaan ontstond al vóór de walvisvaart een maritieme wereld

Een walvisvaarder begon niet bij Spitsbergen, maar op een werf langs de Zaan

Aan het begin van de zeventiende eeuw was Zaandam nog geen centrum van de walvisvaart. Toch ontstond hier al precies de infrastructuur die daarvoor later nodig zou zijn. Langs de Zaan lagen scheepshellingen, houtopslagplaatsen en werkterreinen waar grotere zeeschepen konden worden gebouwd. De rivier gaf via het IJ toegang tot de Zuiderzee en de Noordzee. Scheepstimmerlieden beschikten over hout, ijzerwerk, touwwerk, teer en zeildoek. De walvisvaart kwam dus niet plotseling als een nieuwe bedrijfstak naar de Zaan. Zij kon later aansluiten bij een maritieme economie die zich rond 1600 al sterk uitbreidde.

De Hoge Horn werd een van de plekken waar grote scheepsbouw zichtbaar werd

Een belangrijk vroeg scheepsbouwgebied lag bij de Hoge Horn en Hogendijk. Archeologisch zijn daar meerdere scheepshellingen uit de periode omstreeks 1580–1650 aangetoond. De ligging aan het water maakte het mogelijk rompen op een helling te bouwen en daarna rechtstreeks te water te laten. Rond deze werven lagen hout, planken, mastdelen en ander zwaar materiaal opgeslagen. Het waren geen geïsoleerde werkplaatsen. Verschillende ambachten moesten samenwerken: timmerlieden, smeden, touwslagers, zeilmakers, kuipers en leveranciers. De groei van zo’n werfgebied betekende dat Zaandam steeds meer schepen tegelijk kon bouwen, repareren en voor verre reizen gereedmaken.

Dirck Claesz. Sluyck geeft de vroege Zaanse scheepsbouw een naam

Een van de duidelijkste namen uit deze vroege periode is Dirck Claesz. Sluyck. Zijn zogenoemde Oude Scheepswerf aan de Hoge Horn bestond omstreeks 1605. In 1612 duikt hij bovendien in belastinggegevens op en in de jaren 1616–1617 zou zijn naam terugkomen in geschillen rond vlotten, buizen, dijkruimte, steigers en palen. Juist zulke ogenschijnlijk kleine juridische kwesties laten zien hoe intensief de oevers van de Zaan werden gebruikt. Sluyck moest ruimte hebben voor hout, toegang tot het water en plaats om schepen te bouwen. Zijn bedrijf stond daarmee midden in de fysieke uitbreiding van de Zaanse scheepsbouw.

Voor een Zaans schip begon de reis vaak al aan de Rijn of de Oostzee

Het hout waarmee aan de Zaan werd gebouwd groeide meestal niet in de directe omgeving. Zwaar eikenhout kwam onder meer via Rijn en Dordrecht naar Holland. Uit het Oostzeegebied arriveerde hout via havens als Gdańsk, Königsberg en Riga, terwijl ook Noors en ander Scandinavisch hout een plaats kreeg in de Nederlandse houtmarkt. Dat betekende dat een Zaanse scheepsbouwer afhankelijk was van een internationaal netwerk van houthandelaren, schippers en tussenhandelaren. Lange rechte stammen waren nodig voor masten en balken; sterk kromhout voor spanten en stevens. Wie voldoende hout op voorraad had, kon sneller bouwen wanneer een nieuwe opdracht binnenkwam.

Hout was niet zomaar hout: ieder onderdeel van een schip vroeg om ander materiaal

Een groot schip bestond uit honderden verschillende houten onderdelen. Voor kiel en stevens waren zware, sterke stukken nodig. Spanten vroegen natuurlijk gekromd hout dat de vorm van de romp kon volgen. Huidplanken moesten lang en betrouwbaar zijn, dekbalken voldoende stijf en masten juist hoog en relatief recht. Houtwerven aan de Zaan vormden daarom geen eenvoudige stapels planken. Er werd geselecteerd op lengte, kromming, dikte en kwaliteit. Het succes van de Zaanse scheepsbouw lag mede in het vermogen zulke enorme materiaalstromen te organiseren. Diezelfde logistieke kracht zou later nodig zijn wanneer tientallen noordvaarders tegelijk moesten worden gebouwd, gerepareerd en opnieuw uitgerust.

’t Juffertje liet zien wat windkracht voor de scheepsbouw kon betekenen

In 1596 verscheen met ’t Juffertje een vroege houtzaagmolen in het Zaanse gebied. Dat betekende niet dat handzagen en bijlen verdwenen. Scheepstimmerlieden bleven hout met dissel, bijl, boor en handzaag passend maken. Wel kon windkracht het tijdrovende zagen van boomstammen in planken sterk versnellen. In de eerste decennia van de zeventiende eeuw ontwikkelde zich daardoor rond de Zaan een steeds efficiëntere houtverwerkende economie. Hout kon worden aangevoerd, opgeslagen, gezaagd en vervolgens vrijwel direct naar de werven gaan. Daarmee kreeg Zaandam een voordeel dat steeds groter werd naarmate de vraag naar zeeschepen toenam.

Amsterdam was tegelijk opdrachtgever, afzetmarkt en concurrent

De groei van Zaandam vond plaats in de onmiddellijke nabijheid van Amsterdam. Dat was van enorme betekenis. Amsterdam beschikte over reders, kooplieden en kapitaal en had voortdurend nieuwe schepen nodig voor Europese en intercontinentale handel. Zaanse bouwers konden daarvan profiteren. Tegelijk wilde Amsterdam grip houden op scheepsbouw, houtvoorziening en scheepvaart in het eigen economische achterland. In 1606 kwamen beperkingen rond bepaalde scheepsbouwactiviteiten en in 1607 werden windbrieven belangrijker voor molens. Zulke maatregelen wijzen erop dat de nijverheid buiten Amsterdam inmiddels een omvang had bereikt die bestuurlijk en economisch niet langer kon worden genegeerd.

Het grootste probleem van de Zaanse scheepsbouw lag letterlijk in de dam

Grote schepen konden wel langs de Zaan worden gebouwd, maar de verbinding met het IJ vormde een probleem. De dam en sluizen waren niet ontworpen om ieder groot zeeschip eenvoudig te laten passeren. Een steeds grotere scheepsbouw kon daarom niet onbeperkt groeien zolang nieuwgebouwde rompen moeilijk naar open water konden worden gebracht. Juist hier werd een technische oplossing gezocht. Op 14 december 1608 werd een verzoek gedaan voor een overtoom en drie dagen later, op 17 december, werd het contract gesloten. In 1609 kon de installatie in gebruik worden genomen. Daarmee kreeg de Zaanse scheepsbouw een nieuwe uitweg richting IJ en zee.

De Overtoom maakte van een geografisch probleem een betaald technisch proces

Met de Overtoom konden grotere schepen over de dam worden gebracht. Lieren, rollen, kabels en veel mankracht trokken een schip uit het ene water en brachten het vervolgens naar het andere. Dat was geen goedkope handeling. Voor het overwinden worden bedragen genoemd van ongeveer ƒ80 tot ƒ250, afhankelijk van schip en omstandigheden. Toch was die prijs voor een groot zeeschip acceptabel wanneer daar een lucratieve handels- of zeevaartreis tegenover stond. De Overtoom maakte het mogelijk dat Zaanse bouwers niet uitsluitend voor lokaal vaarwater hoefden te bouwen. Zij konden steeds nadrukkelijker deelnemen aan de markt voor zeegaande schepen.

Rond 1610 beschikte Zaandam over bijna alles wat voor expansie nodig was

Omstreeks 1610 waren langs de Zaan verschillende voorwaarden samengekomen. Er was ruimte voor werven, toegang tot buitenlandse houtmarkten, een groeiende houtzaagindustrie, ervaren scheepstimmerlieden en een technische verbinding richting IJ. Bovendien lag Amsterdam vlakbij als bron van kapitaal, handel en opdrachten. Wat nog ontbrak was een specifieke noordelijke bedrijfstak die al deze mogelijkheden op grote schaal kon benutten. Die zou kort daarna ontstaan. Nederlandse kooplieden begonnen steeds serieuzer naar de walvissen rond Spitsbergen te kijken. Voor Zaandam betekende dat niet dat de bestaande werven ineens alleen walvisvaarders gingen bouwen. Wel ontstond een nieuwe markt die perfect aansloot bij de reeds aanwezige maritieme infrastructuur.

Deel 2 — 1610–1614: Nederlanders hadden de schepen, maar moesten de walvisjacht nog leren

Aan de Golf van Biskaje bestond kennis die Nederlanders nog niet bezaten

De Republiek beschikte rond 1610 over ervaren zeelieden en grote koopvaardijschepen, maar walvissen vangen was een ander vak. Langs de Baskische kust bestond al veel langer een gespecialiseerde traditie van walvisjacht. Baskische harpoeniers wisten hoe men een walvis moest naderen, hoe lijnen moesten worden behandeld en waar harpoen en lans gebruikt moesten worden. Nederlandse ondernemers namen die kennis niet vanzelf over. Zij huurden ervaren Basken in en brachten hen aan boord van hun eigen expedities. Zo ontstond de Nederlandse walvisvaart vanaf het begin als een mengvorm van eigen kapitaal en scheepvaartkennis met buitenlandse technische ervaring.

De walvissloep was het eigenlijke jachtvaartuig

Het grote zeeschip bracht mensen en materiaal naar de noordelijke vangstgebieden, maar de eigenlijke jacht vond plaats vanuit veel kleinere boten. De zogenoemde Biskaaise of Baskische sloepen waren lang, smal en licht gebouwd. Ze moesten snel kunnen roeien, gemakkelijk tussen ijs en zee kunnen manoeuvreren en toch stevig genoeg zijn voor een gevaarlijke jacht. Aan boord zaten roeiers, een stuurman en een harpoenier. Een walvis kon de sloep na de worp van de harpoen tientallen meters meetrekken. Daarom moesten lijnen ordelijk worden opgeborgen en zonder knopen kunnen uitlopen. Eén fout kon een boot doen omslaan of een man overboord trekken.

De harpoen was niet bedoeld om de walvis meteen te doden

De eerste worp met de harpoen maakte de walvis vooral vast aan de sloep. De echte doding vond daarna plaats met lansen en ander gereedschap. De bemanning moest dicht bij een gewond en krachtig dier blijven terwijl het dook, sloeg en opnieuw bovenkwam. De stuurman hield de boot op positie, de roeiers moesten snel reageren en de harpoenier bepaalde het juiste moment voor een aanval. Die samenwerking maakte ervaring belangrijker dan brute kracht. Juist daarom waren Baskische specialisten aanvankelijk zo waardevol. Nederlandse bemanningen konden hun vaardigheden observeren en overnemen. In enkele decennia werd kennis die eerst ingehuurd moest worden onderdeel van de eigen noordelijke zeevaart.

Willem Barentsz zocht Azië, maar liet Nederlanders een nieuw jachtgebied zien

De noordelijke wateren waren enkele jaren eerder door ontdekkingsreizigers verkend. Willem Barentsz en zijn metgezellen bereikten in 1596 Spitsbergen tijdens hun zoektocht naar een noordoostelijke route naar Azië. Barentsz voer dus niet voor walvissen. Toch waren zijn reizen van groot belang voor wat daarna gebeurde. Kaarten, reiservaringen en berichten over dieren en kusten maakten het gebied beter bekend. De zee die eerst als doorgangsroute naar Azië werd onderzocht, bleek zelf economisch interessant. Tegen het begin van de jaren 1610 hoefden Nederlandse ondernemers niet langer alleen te vragen wat er achter Spitsbergen lag. De walvissen vóór de kust waren inmiddels aantrekkelijk genoeg.

Lambert van Tweenhuysen zag in de noordelijke walvissen een handelsmogelijkheid

Een van de ondernemers die vroeg betrokken raakte bij de Nederlandse walvisvaart was Lambert van Tweenhuysen. Samen met andere Amsterdamse kooplieden, onder wie Jacques Nicquet en Jacques Mercys, investeerde hij in expedities naar het hoge noorden. Zulke kooplieden vormden de kapitaalkant van de onderneming. Zij moesten een schip beschikbaar stellen, bemanning aantrekken, voedsel en drank inkopen en dure vangstuitrusting laten vervaardigen. De reis begon daarmee maanden vóór het schip de Noordzee bereikte. Het succes van een walvisexpeditie hing evenzeer af van de boekhouding, bevoorrading en organisatie aan wal als van het vakmanschap van de mannen die later in de sloepen stapten.

Willem Cornelisz. van Muyden gaf de vroege Nederlandse walvisvaart een gezicht

Onder de vroegste Nederlandse commandeurs en noordvaarders neemt Willem Cornelisz. van Muyden een belangrijke plaats in. In 1612 werd hij door de groep rond Van Tweenhuysen naar Spitsbergen gestuurd. Het schip waarmee hij voer was ongeveer 140 last groot en telde omstreeks 36 man. Dat was geen klein avontuurlijk vaartuig, maar een kostbare onderneming met voldoende bemanning om het schip te varen én vanuit sloepen op walvissen te jagen. Aan boord bevonden zich ingehuurde Baskische vaklieden. Van Muydens reis laat zo precies zien hoe de eerste Nederlandse walvisvaart werkte: Nederlands kapitaal en scheepsruimte gecombineerd met buitenlandse specialistische kennis.

De Neptunus en de Fortuyn maakten van de eerste jaren een echte onderneming

In 1613 voer Van Muyden opnieuw noordwaarts, nu met de Neptunus. Ook de Fortuyn, onder Jan Jacobsz. Boots van Medemblik, maakte deel uit van de Nederlandse activiteit in het gebied. Met zulke namen wordt zichtbaar dat de vroege walvisvaart al snel verder ging dan één proefreis. Reders stuurden meerdere schepen uit en spreidden daarmee hun kansen en risico’s. Het ene schip kon meer vangst hebben dan het andere of door slecht weer worden opgehouden. Tegelijk konden de bemanningen ervaringen uitwisselen. Iedere terugkerende reis leverde nieuwe kennis op over routes, vangstplaatsen, materiaal, proviand en de hoeveelheid mensen die nodig was om een expeditie werkelijk rendabel te maken.

In 1613 verschenen ook Zaanse belangen in de noordelijke vaart

Juist voor de geschiedenis van Zaandam is 1613 belangrijk. In de vroege bronnen wordt melding gemaakt van twee door Zaanse ondernemers uitgeruste schepen die naar het hoge noorden voeren, aanvankelijk met de walrusjacht als belangrijke bestemming. Daarmee komt de Zaanstreek niet alleen indirect via hout en scheepsbouw in beeld. Zaanse ondernemers begonnen zelf belang te krijgen bij de noordelijke exploitatie. Walrus, traan en andere producten uit het poolgebied behoorden tot dezelfde bredere economie waarin schepen, bemanningen en kapitaal maandenlang van huis waren. Dat was nog geen omvangrijke Zaanse walvisvloot, maar het toont wel hoe vroeg de streek de noordelijke vaart binnentrad.

De eerste Nederlandse walvisvaarders kregen meteen te maken met Engelse tegenstand

Spitsbergen was geen leeg gebied waar Nederlandse ondernemers zonder concurrentie konden beginnen. De Engelse Muscovy Company maakte aanspraak op de vangstgronden en probeerde andere Europeanen te weren. Nederlandse schepen werden geconfronteerd met Engelse dreiging, inspecties en inbeslagneming van materiaal of vangst. Ook Van Muyden ondervond die tegenwerking. Het conflict maakte duidelijk dat afzonderlijke reders kwetsbaar waren. Wie alleen uitvoer, kon tegenover een georganiseerde buitenlandse compagnie weinig beginnen. De concurrentie om walvissen werd daardoor onmiddellijk ook een strijd om handelsrechten, toegang tot baaien en politieke bescherming. Dat vormde een belangrijke achtergrond voor de gezamenlijke Nederlandse organisatie van 1614.

De Zaanse werven bouwden nog geen vaste soort ‘walvisvaarder’

Het zou te eenvoudig zijn om ieder groot schip dat in deze jaren aan de Zaan werd gebouwd meteen een walvisvaarder te noemen. Veel noordvaarders waren in hun basis gewone zeegaande koopvaardijschepen. Een stevig ruim, voldoende draagvermogen en goede zeileigenschappen maakten een schip geschikt voor verschillende bestemmingen. Voor een walvisreis werd vervolgens bijzondere uitrusting toegevoegd: sloepen, harpoenen, lansen, lijnen, extra vaten en gereedschap. Daardoor kon eenzelfde soort schip het ene jaar op een handelsroute varen en later voor noordelijke vangst worden gebruikt. Juist die multifunctionaliteit maakte de Zaanse scheepsbouw aantrekkelijk voor reders die hun investering niet aan één enkele bestemming wilden vastleggen.

Dirck Claesz. Sluyck werkte ondertussen in een steeds vollere Binnenzaan

Terwijl de eerste noordelijke expedities werden georganiseerd, bleef Dirck Claesz. Sluyck aan de Hoge Horn actief. Rond zijn werf en die van andere bouwers werd de Binnenzaan steeds intensiever benut. Houtvlotten lagen in het water, schepen moesten kunnen draaien en worden te water gelaten en steigers staken vanaf de oevers naar buiten. In de jaren 1616–1617 zou Sluyck betrokken raken bij geschillen over zulke ruimtelijke kwesties. Dat ligt net buiten de periode van dit deel, maar het proces was al eerder begonnen. De scheepsbouw groeide sneller dan het beschikbare wateroppervlak. Economische expansie werd daardoor letterlijk zichtbaar in de drukte op de rivier.

Een walvisexpeditie vroeg veel meer dan een schip en een harpoen

Wie naar Spitsbergen voer, moest maanden zelfstandig kunnen functioneren. Naast de grote bemanning gingen sloepen, riemen, lijnen, harpoenen, lansen, messen, reparatiemateriaal, vaten en grote hoeveelheden voedsel mee. Brood, bier, vlees, vis, kaas en andere houdbare voorraden vulden het ruim voordat er één vat met vangstproduct aan boord kwam. Kuipers waren onmisbaar omdat lekkende vaten direct verlies betekenden. Scheepstimmerlieden moesten onderweg schade kunnen herstellen. De eerste walvisvaarders waren daardoor kleine mobiele arbeidsorganisaties. De reder investeerde niet in één man met een harpoen, maar in een compleet systeem van tientallen mensen, verschillende beroepen en honderden afzonderlijke voorwerpen.

Na de vangst begon een tweede zwaar arbeidsproces

Wanneer een walvis eenmaal was gedood, was hij economisch nog nauwelijks bruikbaar. Het enorme karkas moest naar een plaats worden gebracht waar het spek kon worden afgesneden. In de vroege Spitsbergenvaart gebeurde een belangrijk deel van die verwerking dicht bij de kust. Het spek werd in stukken gesneden en in grote ketels verwarmd zodat de olie, de traan, vrijkwam. Die kon vervolgens in vaten worden opgeslagen. Ook balein had handelswaarde. Daarmee ontstond naast de jacht een tweede arbeidswereld van snijden, tillen, koken, kuipen en laden. De walvisvaart was vanaf het begin veel meer een verwerkende industrie dan alleen een spectaculaire jacht.

Vaste kustplaatsen werden aantrekkelijk zodra steeds meer schepen tegelijk kwamen

Wanneer verschillende schepen ieder jaar naar dezelfde baaien terugkeerden, werd het inefficiënt om telkens alle voorzieningen opnieuw op te bouwen. Ovens, ketels, werkplaatsen, vaten en opslag konden beter op vaste plaatsen worden geconcentreerd. Daaruit zouden de bekende Nederlandse nederzettingen bij Spitsbergen groeien. Smeerenburg werd daarvan later het beroemdste voorbeeld, maar in 1612–1614 stond die ontwikkeling nog aan het begin. Juist daarom hoort Smeerenburg niet als volledig ontwikkeld centrum in deze vroege fase thuis. Eerst moesten Nederlandse reders toegang tot het gebied veiligstellen, voldoende ervaring opdoen en een organisatie creëren die meerdere expedities tegelijk kon ondersteunen.

Engelse druk maakte samenwerking tussen Nederlandse kooplieden steeds noodzakelijker

De confrontaties met de Engelsen lieten zien dat concurrentie op Spitsbergen niet alleen door betere harpoeniers of grotere schepen kon worden gewonnen. Nederlandse ondernemers hadden politieke bescherming en onderlinge afspraken nodig. Wanneer verschillende steden elkaar op dezelfde vangstgronden zouden beconcurreren, verzwakten zij bovendien hun positie tegenover buitenlandse compagnieën. De oplossing werd gezocht in gezamenlijke organisatie. Reders uit verschillende steden brachten kapitaal, schepen en handelsbelangen bijeen. Daarmee werd de walvisvaart onderdeel van hetzelfde Nederlandse patroon dat ook elders in de zeventiende eeuw zichtbaar was: particuliere ondernemers zochten samenwerking en privileges wanneer verre handel te kostbaar en te riskant werd voor een enkel bedrijf.

In 1614 bracht de Noordsche Compagnie verschillende handelssteden samen

In 1614 kreeg de Noordsche Compagnie haar octrooi. De organisatie bestond uit belangen uit verschillende steden, waaronder Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen, Rotterdam en Delft. Zij verdeelde vangstgebieden en probeerde de Nederlandse aanwezigheid in het noorden gezamenlijk te beschermen. Daarmee veranderde de schaal van de onderneming. Niet langer ging het uitsluitend om afzonderlijke reders die ieder voor zich een schip uitzonden. Er ontstond ruimte voor meer schepen, grotere investeringen en vaste voorzieningen. Voor walvisvaarders betekende dit meer continuïteit; voor leveranciers in Holland betekende het een regelmatiger vraag naar schepen, sloepen, vaten, lijnen, voedsel en andere uitrusting.

Niquet, Mercys, Dodeur, Rans en Dobbens stonden achter de groeiende organisatie

Naast Lambert van Tweenhuysen verschijnen in deze vroege ondernemerswereld namen als Jacques Niquet, Jacques Mercys, Gillis Dodeur, Leonart Rans en Ysbrand Dobbens. Het zijn geen Zaanse scheepstimmerlieden, maar juist daarom zijn ze belangrijk voor het verhaal. Zij vertegenwoordigen de stedelijke koopmanswereld die de noordelijke vaart financierde. Hun geld moest uiteindelijk worden omgezet in tastbare zaken: een romp, masten, zeilen, vaten, lijnen, proviand en loon. Daar lag de verbinding met productiegebieden zoals de Zaanstreek. Hoe groter de Noordsche Compagnie werd, hoe groter ook de markt voor de bedrijven die de materiële basis van de expedities konden leveren.

In 1614 was Zaandam nog geen walvisvaartcentrum, maar de eerste verbinding was gelegd

Zaandam moet voor 1614 niet groter worden gemaakt dan de bronnen toelaten. De belangrijkste organisatie en financiering van de vroege walvisvaart lag bij kooplieden uit andere steden. Toch was de Zaanstreek inmiddels op meerdere manieren met de noordelijke onderneming verbonden. Zij leverde scheepsbouwcapaciteit en houtverwerking, beschikte over ervaren vaklieden en kende in 1613 al eigen noordelijke ondernemingsactiviteit. Daarmee was de relatie tussen Zaandam en de walvisvaart niet meer alleen toekomstmuziek. De technische wereld van Sluyck en de koopmanswereld van Van Tweenhuysen begonnen elkaar te raken. Uit die verbinding zou in de volgende decennia een veel grotere Zaanse rol ontstaan.

Deel 3 — 1614–1620: schepen, commandeurs en Zaanse ondernemers maakten van de noordelijke vaart een jaarlijks bedrijf

In 1614 werd de walvisvaart groter dan één reder en één schip

Met het octrooi van de Noordsche Compagnie in januari 1614 veranderde de noordelijke vaart. Ondernemers uit verschillende Hollandse en Zeeuwse steden brachten geld, schepen en handelsbelangen bijeen. De compagnie moest onderlinge concurrentie beperken en sterker optreden tegen Engelsen en andere buitenlandse rivalen. Dat betekende ieder voorjaar opnieuw een grote uitrusting. Er moesten schepen worden gehuurd, bemanningen aangenomen, proviand ingeslagen en sloepen, harpoenen, lansen, lijnen en vaten verzameld. Volgens een latere reconstructie voeren in 1614 ongeveer elf Nederlandse schepen naar Spitsbergen en daarnaast drie schepen uit ter verkenning van Jan Mayen.

Pieter Ghijsen laat zien dat Zaandam al vóór de grote bloei naar het noorden keek

Voor Zaandam is Pieter Ghijsen, aanvankelijk ook Ghijsbertsz. genoemd, een belangrijke vroege ondernemer. Hij was houtkoper, reder en scheepsbouwer en groeide uit tot een van de grote namen van de eerste helft van de zeventiende eeuw. Zaanse reders, onder wie Ghijsen, rustten volgens de bewaarde lokale reconstructie al in 1612 en 1613 kleine schepen uit voor de walrus- en vroege walvisvaart naar het hoge noorden. Daarmee was de Zaanstreek niet alleen leverancier van hout en schepen. Er bestond al eigen ondernemingsdrang richting de poolzee voordat Zaandam later werkelijk een grote positie binnen de walvisvaart kreeg.

De eerste Zaanse noordvaart was nog geen grote georganiseerde walvisvloot

Die vroege betrokkenheid van Pieter Ghijsen moet niet groter worden gemaakt dan de bronnen toelaten. De Zaanse ondernemingen van 1612–1613 stonden nog naast veel grotere Amsterdamse belangen, terwijl walrusvangst en walvisvangst in de vroege noordvaart door elkaar konden lopen. Met het octrooi van 1614 kregen vooral kapitaalkrachtige stedelijke groepen een sterke positie. Zaandam beschikte nog niet over een zelfstandige kamer binnen de Noordsche Compagnie. Juist daarom is Ghijsen interessant: zijn aanwezigheid toont niet dat Zaandam onmiddellijk het centrum werd, maar wel dat Zaanse ondernemers al vroeg bereid waren schip, geld en arbeidskracht aan riskante noordelijke expedities te verbinden.

Jan Mayen werd in 1614 door echte schippers en schepen in kaart gebracht

De uitbreiding van de walvisvaart ging samen met verdere verkenning. In 1614 bereikten schepen van de kamers Amsterdam en Enkhuizen een toen nog onbekend eiland op ongeveer 71½ graden noorderbreedte. Het kreeg de naam Jan Mayen. Ook een schip van de Delftse kamer bereikte het eiland. De kapitein, Kerckhoff, ging aan land en onderzocht de kust. Volgens de latere publicatie van de stukken van de Noordsche Compagnie trof hij er grote aantallen walvissen aan. Daarmee werd Jan Mayen niet alleen een geografische ontdekking maar onmiddellijk een mogelijk productiegebied. De kaart van de Nederlandse walvisvaart werd in één seizoen aanzienlijk groter.

Willem Cornelisz. van Muyden bleef na 1614 naar het noorden varen

Ook Willem Cornelisz. van Muyden, die al vóór de oprichting van de Noordsche Compagnie naar Spitsbergen was gevaren, bleef actief. Hij voer opnieuw in 1614 en 1615. In 1616 was hij weer meester van de Neptunus, ditmaal op weg naar Jan Mayen. Daar behoorde hij tot de vroege aankomsten en vertrok hij volgens de overgeleverde gegevens eind juli met een volle lading olie. Van Muyden verschijnt vervolgens opnieuw in noordelijke reizen. Daarmee krijgt de overgang van experiment naar bedrijf een gezicht: dezelfde schipper voer meerdere seizoenen, verzamelde kennis van routes en vangstgronden en kon die ervaring telkens opnieuw inzetten.

Een succesvolle noordvaart vroeg om meer dan een goede schipper

De commandeur of schipper kon het schip naar het noorden brengen, maar daarmee was de onderneming nog niet geslaagd. Aan boord moesten mannen zijn die sloepen konden roeien, harpoenen konden werpen, beschadigd materiaal konden herstellen en honderden vaten konden behandelen. Een walvisvaartschip was tegelijk zeeschip, magazijn, werkplaats en slaapplaats. Ook de walvisjacht zelf vereiste een aparte organisatie. Het moederschip bleef op afstand terwijl kleine Biskaaise sloepen het dier naderden. Harpoenier, stuurman en roeiers moesten vrijwel zonder aarzeling samenwerken. De eerste Nederlandse bemanningen leerden veel van ingehuurde Baskische specialisten, wier vakkennis zo in Nederlandse handen terechtkwam.

Smeerenburg begon in 1614 nog met tenten en eenvoudige ovens

De plaats die later Smeerenburg zou heten, begon bescheidener dan de beroemde naam doet vermoeden. In 1614 richtten schepen van de Amsterdamse kamer op Amsterdamøya een tijdelijke vangst- en verwerkingsplaats in. Er stonden tenten en eenvoudige ovens waarmee walvisspek aan land tot olie kon worden verwerkt. De Nederlanders keerden er in 1615, 1616 en 1618 terug. Het was nog geen uit hout opgebouwde nederzetting en zeker geen permanente poolstad. Het terrein diende vooral als seizoensgebonden fabriek: sloepen brachten de vangst aan, mannen sneden spek en bij de ovens werd de kostbare traan gewonnen.

De walvis werd pas waardevol nadat tientallen mannen het karkas hadden verwerkt

Het doden van een walvis was slechts het begin. Het karkas moest naar een bruikbare plaats worden gesleept, waarna mannen met grote messen het dikke spek verwijderden. Dat spek werd in kleinere stukken gesneden en vervolgens in ketels uitgekookt. De vrijgekomen traan moest daarna in goed sluitende vaten worden opgeslagen. Balein vormde een afzonderlijk handelsproduct. Rond iedere vangst ontstond daardoor een keten van harpoeniers, roeiers, speksnijders, stokers, kuipers en sjouwers. Een slechte kuiper kon de opbrengst van een goede jacht gedeeltelijk laten weglekken. Walvisvaart was daarom vanaf het begin evenzeer industrie en logistiek als jacht.

De Hoop laat zien dat een walvisvaarder ook volledig verloren kon gaan

Niet iedere noordelijke reis leverde traan op. In 1617 ging het schip De Hoop van de Enkhuizer kamer verloren door brand. Uit de bewaarde stukken blijkt bovendien dat Heertgen Jansen als schipper van De Hoop een journaal heeft nagelaten. Zo’n verlies maakte duidelijk hoeveel geld tegelijk op het spel stond: schip, uitrusting, proviand en toekomstige vangst konden in één incident verdwijnen. De compagnie moest dergelijke risico’s telkens opnieuw verdelen over reders en kamers. Brand, schipbreuk en geweld van concurrenten vormden naast een slechte vangst blijvende bedreigingen voor de winstgevendheid van de onderneming.

Engelse tegenstand bleef zelfs na de oprichting van de compagnie voelbaar

Het octrooi maakte de Nederlanders organisatorisch sterker, maar gaf hun geen onbelemmerde toegang tot de poolzee. Engelse ondernemingen bleven aanspraken maken op de vangstgebieden rond Spitsbergen. In de jaren na 1614 waren er herhaaldelijk conflicten en verliezen. Uit de stukken blijkt bijvoorbeeld dat Enkhuizen na schade door Engelse optreden in 1618 aarzelde opnieuw in dezelfde omvang bij Spitsbergen uit te rusten. Dat maakt duidelijk waarom de walvisvaart niet alleen een technische onderneming was. Politiek, geweld en internationale concurrentie bepaalden mede waar schepen konden ankeren en of een investering aan het einde van het seizoen überhaupt naar huis kwam.

In 1618 werd zelfs vastgelegd hoeveel een compleet walvisvaartschip moest kunnen dragen

Een huurcontract uit 13 februari 1618 laat uitzonderlijk concreet zien wat voor schip de Noordsche Compagnie nodig had. Pieter Jansz. Lijorne trad op voor een schip met de opvallende naam Bierenbrootspot, waarvan Pieter Gerritsz. schipper was. Het vaartuig moest goed gekalfaterd zijn en voorzien van zeilen, touwwerk, kabels en ankers. Er moesten slaapplaatsen zijn voor maximaal tachtig personen. Bovendien werden kanonnen, steenstukken, pieken, musketten, kruit en andere bewapening verlangd. De reis ging naar de noordelijke eilanden of Spitsbergen voor de walvisvangst. Het contract maakte dus ook militaire dreiging onderdeel van de uitrusting.

De Bierenbrootspot kostte de bevrachters iedere maand meer dan duizend gulden

Datzelfde contract toont hoeveel geld alleen het schip al kon kosten. Voor de Bierenbrootspot beloofden de bevrachters 1.075 Carolusgulden per lopende maand, naast gebruikelijke kosten voor loodsgeld en averij. De betaling begon nadat het schip de laatste ton bij Texel achter zich had gelaten en liep door tot de thuiskomst en afdanking van het volk. Daardoor werd iedere extra week op zee direct een kostenpost. Tegelijk moest de reder hopen op voldoende vangst om zulke bedragen te overtreffen. Walvisvaart was dus geen goedkope jacht met een toevallig groot schip, maar een kapitaalintensieve onderneming waarin tijd letterlijk in geld werd omgerekend.

Maarten Remmertsz. voer in 1619 met De Bonte Raven naar het noorden

Een volgend concreet schip verschijnt in 1619. Uit het archief van de Enkhuizer kamer zijn zowel een journaal van schipper Maarten Remmertsz. als een scheepsrol van De Bonte Raven bewaard. Zulke bronnen zijn bijzonder waardevol omdat ze achter algemene cijfers weer een echt schip en een echte bemanning zichtbaar maken. De Enkhuizer kamer stuurde in deze jaren schepen zowel richting Spitsbergen als Jan Mayen. Niet ieder jaar was de deelname even groot; schade en slechte resultaten konden een kamer het volgende voorjaar voorzichtiger maken. De noordelijke vloot was daarom voortdurend in beweging en nooit een onveranderlijk vast aantal schepen.

In 1619 werd Smeerenburg van tijdelijke post tot zwaardere installatie omgebouwd

Het jaar 1619 betekende ook een nieuwe stap aan land. Volgens de geschiedenis van Smeerenburg werd toen een schip van ongeveer 500 ton met hout en andere bouwmaterialen naar Spitsbergen gestuurd. De eerdere tenten en tijdelijke ovens werden vervangen door houten gebouwen en koperen ketels die steviger op bakstenen funderingen werden geplaatst. Onder de ketels kwamen gemetselde vuurplaatsen en schoorstenen. Daarmee kreeg de seizoensplaats een veel duurzamer karakter. Het ging nog steeds niet om een permanente stad, maar wel om een investering die alleen zinvol was wanneer men verwachtte nog jarenlang naar dezelfde vangstgebieden terug te keren.

Terwijl Smeerenburg werd uitgebouwd, veranderde ook de Zaanse houtproductie

Aan de Zaan groeide ondertussen de productiecapaciteit die zulke maritieme ondernemingen mogelijk maakte. Dirck Sybrantsz. had het vroege Juffertje gekocht en zette de houtzaagtechniek verder in. In 1614 kreeg hij toestemming om aan de Zaandijk een houtzaagmolen te plaatsen. Deze ontwikkeling resulteerde onder meer in de grote bovenkruier De Grauwe Beer. Windkracht verving niet de scheepstimmerman, maar kon wel het zware zagen versnellen. Dat betekende meer planken en balken uit dezelfde hoeveelheid arbeid. Voor een economie waarin koopvaarders, noordvaarders en talloze sloepen voortdurend hout vroegen, was dat een wezenlijke schaalvergroting.

Rond 1620 waren bekende én naamloze ondernemers langs de Zaan aan het uitbreiden

Windbrieven uit 1619–1620 tonen dat niet alleen enkele beroemde families investeerden. Ook kleinere ondernemers lieten nieuwe houtzaagmolens bouwen. Veel van hun molens verdwenen later spoorloos uit het landschap en soms zelfs uit de geschreven bronnen. De jaarlijkse windpacht was vaak slechts enkele guldens, wat erop wijst dat verschillende installaties betrekkelijk bescheiden waren. Gezamenlijk veranderden ze echter de productiekracht van Zaandam. De industriële groei bestond dus niet uit één spectaculaire uitvinding of één groot bedrijf. Tientallen investeerders, houtkopers, molenaars en scheepstimmerlieden bouwden stukje bij beetje aan het productiegebied waarop grotere Zaanse reders en werven konden voortbouwen.

Deel 4 — 1620–1630: Pieter Ghijsen, De Fortuijn en de groeiende werven brachten Zaandam dichter bij de walvisvaart

In de jaren 1620 was de noordelijke vaart een terugkerende bedrijfscyclus geworden

Tegen 1620 wist een ervaren reder ongeveer wat er vóór vertrek moest gebeuren. Tijdens de winter werden schip en uitrusting gecontroleerd. In het voorjaar kwamen bemanning, voedsel, vaten, sloepen en vangstmateriaal bijeen. Daarna volgde de reis via de Noordzee naar Spitsbergen of Jan Mayen. De korte noordelijke zomer bepaalde hoeveel tijd voor jacht en verwerking beschikbaar was. In het najaar keerde het schip terug en konden traan en andere producten worden verkocht. Daarna moesten kosten en opbrengsten worden verdeeld. Deze jaarlijkse cyclus maakte ervaring waardevol. Een schipper, kuiper of harpoenier die meerdere seizoenen terugkeerde, kende gevaren en werkprocessen die een nieuwkomer nog moest leren.

De compagnie bleef kleiner dan het latere beeld van enorme vloten doet vermoeden

De Noordsche Compagnie was belangrijk, maar haar vloot moet niet worden verward met de veel grotere aantallen uit de latere vrije walvisvaart. Historicus S. Muller waarschuwde al dat de jaarlijkse uitrustingen van de compagnie vermoedelijk meestal niet eens dertig schepen bereikten. Zijn fragmentarische reconstructie noemt bijvoorbeeld ongeveer vijf schepen bij Spitsbergen in 1623, rond twintig in 1624 en veel onzekere jaren. De cijfers zijn niet compleet, maar ze corrigeren het beeld van honderden compagnievaartuigen die tegelijk bij Smeerenburg lagen. De werkelijk grote numerieke expansie van de Nederlandse walvisvaart zou vooral na het verdwijnen van het monopolie zichtbaar worden.

Smeerenburg was in de jaren 1620 vooral een verzameling afzonderlijke bedrijven

De naam Smeerenburg doet denken aan één stad, maar het terrein bestond uit verschillende bedrijfsplaatsen van afzonderlijke kamers en ondernemers. Bij de ovens werd spek verwerkt, terwijl daarnaast opslag, reparatie en huisvesting nodig waren. Een succesvolle vangstdag kon ineens grote hoeveelheden werk veroorzaken. Het karkas moest worden binnengebracht, spek snel verwijderd en ketels voortdurend gestookt. Tijdens een slechte periode stonden dezelfde voorzieningen deels ongebruikt. Daarmee bleef Smeerenburg volledig afhankelijk van wat er op zee gebeurde. Het was een seizoensfabriek waarvan de productie niet door een vaste grondstofstroom werd bepaald, maar door dieren die zich vrij door de noordelijke wateren bewogen.

Pieter Ghijsen verschijnt in 1622 met een schip dat we werkelijk bij naam kennen

Op 18 mei 1622 verscheen Pieter Ghijsen van Zaandam voor een Amsterdamse notaris. Hij trad op voor zichzelf en zijn medereders van het schip De Fortuijn, groot ongeveer tachtig last. Als voormalige schipper werd de inmiddels overleden Reijer Dircksz. Cleijn uit Purmerend genoemd. Daarmee hebben we iets zeldzaams: een exacte datum, een Zaanse reder, een schip, een grootte en een schipper uit een andere plaats. De akte bewijst niet zonder meer dat De Fortuijn op dat moment een walvisvaarder was. Zij toont wel concreet hoe breed Ghijsens maritieme belangen waren en hoe Zaanse rederijen over plaatsgrenzen heen functioneerden.

De Fortuijn waarschuwt meteen tegen het te snel benoemen van een walvisvaarder

Voor de geschiedenis van de Zaanse walvisvaart is De Fortuijn waardevol juist omdat voorzichtigheid nodig blijft. Een schip van een reder die bij noordelijke ondernemingen betrokken was, is niet automatisch tijdens iedere reis een walvisvaarder. Zeegaande schepen konden van bestemming veranderen en voor verschillende ladingen worden ingezet. Daarom moeten schip, jaar, schipper, reder en bestemming steeds afzonderlijk worden gecontroleerd. Dat maakt het verhaal niet zwakker maar betrouwbaarder. De akte uit 1622 bewijst de positie van Pieter Ghijsen als reder en noemt Reijer Dircksz. Cleijn expliciet. Een specifieke walvisreis van dit schip moet uit een afzonderlijke bron blijken.

Pieter Ghijsen combineerde scheepsbouw, houthandel en rederij

Ghijsen was veel meer dan eigenaar van een enkel scheepspart. Hij ontwikkelde zich tot houtkoper, reder en grote Zaanse scheepsbouwer. Aan zijn bedrijf worden later drie werven in Westzaandam verbonden. De grootste lag in de Molenbuurt, in het gebied van de latere Westzijde. Ook een houtzaagmolen behoorde tot zijn bedrijfswereld. Een latere Zaanse traditie schreef de onderneming een productie van tien tot twaalf schepen per jaar toe. Dat getal moet niet als een bewaard jaarlijks productiecijfer worden gelezen, maar het weerspiegelt wel de reputatie die Ghijsen als uitzonderlijk grote scheepsbouwer kreeg.

Jan Pietersz. Gijsen laat zien dat zakelijke verantwoordelijkheid binnen de familie circuleerde

Ook Jan Pietersz. Gijsen komt in deze zakelijke wereld naar voren. Hij kon namens zijn vader Pieter optreden bij transacties. Daardoor wordt zichtbaar dat een Zaanse onderneming niet rond één man alleen draaide. Familieleden vertegenwoordigden elkaar, beheerden bezit en traden op bij koop en verkoop. Geld dat in hout, een molen of een schip vastzat, moest voortdurend worden beheerd. De volgende generatie leerde daardoor niet pas na het overlijden van de vader hoe het bedrijf functioneerde. Ze werkte al eerder mee. Juist zulke familieverbanden zouden later in de Zaanse scheepsbouw, rederij en walvisvaart een opvallend duurzaam patroon vormen.

In 1621 werd de Binnenzaan zo druk dat de doorgang bescherming nodig had

De groei van de scheepsbouw werd letterlijk zichtbaar op het water. In 1621 werd gevraagd om rooimeesters die moesten toezien op vernauwingen van de Binnenzaan. Houtvlotten lagen langs de oevers, steigers staken het water in en scheepswerven hadden ruimte nodig om rompen te water te laten. Tegelijk moest de rivier bevaarbaar blijven voor doorgaande schepen. Dat betekende dat economische groei een ruimtelijk conflict veroorzaakte. Iedere meter water langs een werf had waarde. De problemen die eerder rond Dirck Claesz. Sluyck met vlotten, palen, dijk en steigers zichtbaar waren geworden, waren daardoor onderdeel van een veel bredere ontwikkeling.

Een scheepswerf bestond uit veel meer dan de helling waarop de romp stond

Wanneer een groot schip op stapel lag, was rondom de helling een complete arbeidswereld nodig. Balken en planken lagen op voorraad, kromhout werd geselecteerd, smeden maakten ijzerwerk en timmerlieden brachten de romp stap voor stap samen. Touw, zeildoek, teer en talloze kleinere materialen kwamen van andere leveranciers. Voor noordelijke schepen kwamen daar nog sloepen, vaten en vangstmateriaal bij. Een grote werf trok daardoor steeds meer bedrijvigheid naar dezelfde strook langs het water. Dat verklaart waarom grond, steigers en vaarruimte voortdurend belangrijker werden. Een werf was geen los gebouw maar het middelpunt van een netwerk van productie, opslag en transport.

Cornelis Pietersz. kreeg in 1627 toestemming voor een nieuwe Zaanse zaagmolen

Op 9 augustus 1627 werd een windbrief afgegeven voor een houtzaagmolen van Cornelis Pietersz. in Westzaandam. Zijn erf werd aan de oostzijde begrensd door Claes Pietersz. Ghijsen en aan de noordzijde door Jacob Claesz. Noomen. Voor het windrecht moest jaarlijks drie gulden worden betaald. Het type molen is niet met zekerheid bekend, maar de installatie was vermoedelijk kleiner dan de grote Grauwe Beer. Het document is belangrijk omdat drie Zaanse namen in één industrieel landschap bijeenkomen. Hun erven lagen niet toevallig naast elkaar: toegang tot water, houtopslag en geschikte bedrijfsgrond bepaalde waar dergelijke ondernemingen konden groeien.

Jacob Claesz. Noomen werd letterlijk onderdeel van de kaart van Westzaandam

Jacob Claesz. Noomen is niet alleen uit tekstbronnen bekend. Zijn naam verschijnt rond 1629 op een kaart in Westzaandam. Later zou ook het Jacob Claesz. Noomenpad naar hem worden genoemd, het latere Blauwe Pad. Zulke namen maken duidelijk hoe economische ontwikkeling het landschap veranderde. Bedrijventerreinen lagen niet op moderne industrieterreinen buiten de bebouwing, maar groeiden vanaf dijken, paden, sloten en erven. De eigenaar van grond kon daardoor een belangrijke rol spelen zonder zelf iedere plank te zagen. Het Zaanse productiegebied ontstond als een dicht netwerk van particulier bezit, waterverbindingen en werkplaatsen.

De windbrief maakte van wind een gereguleerde economische hulpbron

Een houtzaagmolen kon niet eenvoudig worden neergezet omdat iemand toevallig grond bezat. De ondernemer had ook het recht nodig om de wind economisch te benutten. De windbrief van Cornelis Pietersz. en eerdere vergunningen voor Dirck Sybrantsz. tonen hoe nauw overheid en industrie met elkaar verbonden waren. Jaarlijks windrecht leverde de overheid inkomsten op, terwijl ondernemers juridische zekerheid kregen voor hun installatie. Meer zaagmolens betekenden vervolgens een grotere toevoer van planken en balken naar werven. Daardoor kon één administratief document uiteindelijk invloed hebben op de hoeveelheid hout die scheepstimmerlieden dagelijks konden verwerken. De industriële expansie bestond uit zulke kleine maar opeenvolgende stappen.

Amsterdam keek met belangstelling én argwaan naar de groei van de Zaanse werven

De Zaanstreek lag dicht genoeg bij Amsterdam om van haar koopmanskapitaal te profiteren, maar ook dicht genoeg om als concurrent te worden ervaren. Amsterdamse reders konden Zaanse bouwcapaciteit gebruiken wanneer zij nieuwe schepen nodig hadden. Tegelijk probeerde de stad activiteiten buiten haar eigen rechtsgebied te begrenzen. Rond 1621 en 1627 speelden opnieuw beperkingen op scheepsbouw en aanverwante nijverheid. Deze verhouding bleef dubbel. Zonder Amsterdamse opdrachten zou de Zaanse scheepsbouw moeilijk dezelfde schaal hebben bereikt; zonder Zaanse houtverwerking en goedkope werfruimte had Amsterdam minder gemakkelijk over enorme hoeveelheden scheepsruimte kunnen beschikken. Concurrentie en wederzijdse afhankelijkheid bestonden naast elkaar.

Elias Trip bracht in 1626 een buitenlandse opdrachtgever naar de Zaanse scheepsbouw

De internationale reputatie van de Zaanse werven blijkt uit een opdracht uit 1626. Via de Amsterdamse koopman Elias Trip en de Zaanse scheepsbouwomgeving rond Sluyck en Gijsen werd een groot zeegaand schip voor een Franse edelman gebouwd. Het is belangrijk zo’n schip niet achteraf tot walvisvaarder te maken wanneer de bron dat niet zegt. De betekenis ligt elders: een Zaanse werf kon een grote buitenlandse opdracht uitvoeren via een internationaal koopmansnetwerk. Dezelfde technische capaciteit stond ook ter beschikking van reders die schepen voor noordelijke reizen zochten. Scheepsbouwkennis was veelzijdig en juist daardoor economisch krachtig.

Een huurcontract uit 1618 laat zien welke eisen zulke grote zeeschepen moesten doorstaan

De Zaanse bouwers werkten in een markt waarin opdrachtgevers steeds preciezer konden aangeven wat een schip moest kunnen. Het eerder genoemde contract van de Bierenbrootspot verlangde een goed gekalfaterd vaartuig met zeilen, touwwerk, kabels, ankers, bewapening en slaapruimte voor tachtig mensen. Zulke contracten laten zien waarom betrouwbare scheepsbouw waardevol was. Een romp moest maanden varen, zwaar beladen terugkomen en tijdens de reis tientallen mensen huisvesten. Een zwakke verbinding of slecht gekalfaterde huid was duizenden kilometers van Holland moeilijk te herstellen. De markt voor noordvaarders versterkte daarom de vraag naar bouwers die groot, stevig en voorspelbaar konden leveren.

De Bonte Raven en Maarten Remmertsz. tonen dat ervaring aan boord werd vastgelegd

Niet alle kennis bleef mondeling. Van Maarten Remmertsz., schipper van De Bonte Raven in 1619, is een journaal genoemd in het archief van de Enkhuizer kamer. Ook een scheepsrol bleef bewaard. Dergelijke documenten maakten het mogelijk om routes, weersomstandigheden en gebeurtenissen tijdens een reis achteraf te reconstrueren. Ze hielpen reders bij het beoordelen van schippers en volgende uitrustingen. Voor historisch onderzoek zijn ze nog belangrijker omdat ze het algemene begrip “walvisvloot” uiteen laten vallen in afzonderlijke schepen en mannen. De noordelijke vaart bestond uiteindelijk niet uit statistieken maar uit bemanningen die ieder seizoen opnieuw vertrokken.

De vaste traanovens werden minder ideaal zodra de walvissen verder weg werden gezocht

Het systeem rond Smeerenburg werkte uitstekend zolang walvissen relatief dicht bij de kust konden worden gevangen. Een gedood dier kon dan naar de verwerkingsplaats worden gesleept. Maar intensieve vangst en veranderingen in de verspreiding van walvissen dwongen jagers geleidelijk verder te zoeken. Dat proces voltrok zich niet plotseling in één jaar. Wel ontstond gedurende de eerste helft van de eeuw steeds duidelijker een spanning tussen vaste installaties aan land en een prooi die zich verder op zee bevond. Hoe groter de afstand werd, hoe meer tijd verloren ging met slepen. Daardoor moest het schip zelf een belangrijkere mobiele basis voor sloepen en opslag worden.

Rond 1630 telde het schip steeds meer sloepen en werd de jacht mobieler

Een reconstructie van de Noordsche Compagnie noemt voor 1630 bij Spitsbergen ongeveer zes schepen met samen 34 sloepen en bij Jan Mayen mogelijk negen schepen met in totaal 51 sloepen. De cijfers zijn onzeker en de bron waarschuwt zelf voor lacunes, maar ze laten wel zien hoeveel kleine jachtboten rond relatief weinig moederschippen konden opereren. Een schip was daarmee veel meer dan één vaartuig. Het droeg een complete kleine vloot naar het noorden. Iedere sloep vroeg een eigen werkploeg, riemen, lijnen en vangstmateriaal. Dat maakte de behoefte aan ervaren bemanning en degelijke uitrusting steeds groter.

Achter namen als Ghijsen en Sluyck stonden tientallen bijna naamloze arbeiders

Van Pieter Ghijsen, Dirck Claesz. Sluyck, Cornelis Pietersz. en Jacob Claesz. Noomen kennen we namen omdat zij eigendom bezaten, contracten sloten of in juridische stukken verschenen. De mannen die hun bedrijven daadwerkelijk draaiende hielden zijn veel minder zichtbaar. Scheepstimmerlieden, houtzagers, knechten, sjouwers, smeden, kuipers en jongens brachten de schepen tot stand. Hun arbeid verbond de Zaan met Amsterdam, Texel en uiteindelijk Spitsbergen. Wanneer een reder een groot schip bestelde, verspreidde zijn geld zich daardoor over veel huishoudens. De economische betekenis van de noordelijke vaart was groter dan het aantal bekende Zaanse walvisreders alleen doet vermoeden.

De kaart van 1629 toont een Zaandam waarin industrie het landschap al begon te bepalen

Tegen het einde van de jaren 1620 waren grondbezit, molens, werven en waterwegen steeds sterker met elkaar verweven. De kaart waarop Jacob Claesz. Noomen voorkomt en de windbrief van Cornelis Pietersz. laten zien hoe snel dat landschap veranderde. Percelen werden waardevol vanwege hun ligging aan water; sloten en balkenhavens maakten houttransport mogelijk; molens stonden waar voldoende wind en ruimte beschikbaar waren. De latere honderden Zaanse molens waren er nog niet, maar de structuur waaruit dat landschap zou groeien was aanwezig. Rond 1630 was Zaandam al veel meer dan een dorp met enkele scheepstimmerlieden: het werd een samenhangend productiegebied.

Deel 5 — 1630–1640: Zaanse werven groeiden terwijl de walvisvaart zich losmaakte van de kust

Rond 1630 was langs de Zaan een compleet productiegebied voor zeeschepen ontstaan

Omstreeks 1630 bestond de Zaanse scheepsbouw niet meer uit enkele verspreide hellingen. Langs de Binnenzaan lagen werven, houtopslagplaatsen, zaagmolens, steigers en erven die samen één maritiem productiegebied vormden. Ondernemers als Pieter Ghijsen en Dirck Claesz. Sluyck werkten binnen een netwerk van houtkopers, zagers, smeden, kuipers, schippers en scheepstimmerlieden. Hout kwam via Dordrecht, de Rijn, de Oostzee en Scandinavië binnen en kon aan de Zaan worden opgeslagen, gezaagd en vrijwel direct verwerkt. De walvisvaart was daarbij één markt naast koopvaardij, houtvaart en andere zeevaart, waardoor Zaanse werven niet van één bestemming afhankelijk waren.

Pieter Ghijsen beheerste verschillende schakels tussen boomstam en zeeschip

Pieter Ghijsen was scheepsbouwer, houtkoper én reder. Dat maakte zijn onderneming sterker dan een bedrijf dat uitsluitend schepen timmerde. Zijn houtzaagmolen is in het kaartmateriaal van 1635 nog zichtbaar, terwijl latere berichten drie werven met de familie verbinden. Oude Zaanse overleveringen spreken zelfs van ongeveer twintig rompen die tegelijkertijd op Ghijsens werven stonden. Zo’n aantal is niet uit een jaarlijks productieboek te controleren en moet daarom als overlevering worden behandeld. Wel bevestigt het zijn reputatie als grote ondernemer. Voor zo’n bedrijf waren houtvoorraden, krediet, arbeidsploegen en een voortdurende stroom opdrachten nodig; scheepsbouw werd daarmee bedrijfsorganisatie op grote schaal.

De Rietvinck werd een van de plaatsen waar bezit, hout en scheepsbouw samenkwamen

In 1635 verschijnt de Rietvinck in de Zaanse werfgeschiedenis als een tastbaar stuk industriegrond. Bij transacties rond het gebied komen onder anderen Gerrit Jansz., Hendrick Dircksz. Sluyck en Pieter Pietersz. Sas naar voren. Een aankoop bedroeg ƒ2.254, een bedrag dat duidelijk maakt hoeveel waarde gunstig gelegen bedrijfsgrond kon vertegenwoordigen. Een werf aan het water was immers meer dan een erf: zij bood toegang voor houtvlotten, werkruimte voor timmerlieden en een plaats waar een voltooid schip te water kon. De Rietvinck zou later opnieuw met scheepstimmerwerven en leden van de familie Sluyck verbonden worden.

Backer en Verdoes legden in 1635 bijna meter voor meter vast wie waar werkte

De landmeters Jan Jansz. Backer en Dirck Taemisz. Verdoes maakten in 1635 een uitgebreid kaartboek van erven, werven en landen langs Westzaandam. Op tientallen terreinkaarten werden eigenaren, sloten, grenzen en oevers vastgelegd. De aanleiding lag mede in voortdurende conflicten over uitbreidingen richting de Zaan. Dat maakt het kaartboek tot meer dan een topografische bron. Het laat zien hoe economische groei ruimtelijke problemen veroorzaakte. Een scheepsbouwer wilde zijn hout dichtbij, een molenaar verlangde een balkenhaven en passerende schepen hadden vrije doorgang nodig. De industrie was inmiddels zo dicht opeengepakt dat eigendom letterlijk moest worden uitgemeten.

De Zaan zelf was tegelijk vaarweg, houtmagazijn en onderdeel van de werf

Een Zaanse scheepswerf eindigde economisch niet bij de waterlijn. Houtvlotten lagen voor de oever, steigers staken de rivier in en palen werden gebruikt om materiaal en schepen vast te leggen. De vroegere geschillen rond Dirck Claesz. Sluyck over vlotten, dijk, steiger en palen passen precies in deze ontwikkeling. Al in 1621 was om rooimeesters gevraagd om verdere vernauwing van de Binnenzaan tegen te gaan. In de jaren dertig nam die druk alleen toe. Iedere ondernemer wilde toegang tot hetzelfde water, terwijl de Zaan bevaarbaar moest blijven. Industriële groei vroeg daardoor niet alleen vakmanschap en geld, maar ook regels over openbaar en particulier gebruik.

Amsterdamse houthandelaren namen de windzaagtechniek zelf steeds serieuzer

De Zaanse manier van produceren trok ook in Amsterdam aandacht. In 1630 verenigden 21 Amsterdamse houthandelaren zich om windhoutzaagmolens bij de stad te laten bouwen. Zij schakelden daarvoor gespecialiseerde molenbouwers in. De verhouding tussen Amsterdam en Zaandam was daardoor dubbel. Amsterdam probeerde Zaanse bedrijvigheid soms te begrenzen, maar gebruikte tegelijk dezelfde mechanisering en bleef een enorme afzetmarkt voor Zaanse schepen en houtproducten. Technische kennis bewoog tussen beide gebieden. Zaandam was dus geen geïsoleerde industriële uitzondering, maar een bijzonder krachtige concentratie binnen een groter Hollands systeem waarin kapitaal, grondstoffen, arbeid en scheepsbouw voortdurend tussen plaatsen circuleerden.

In het noorden droegen enkele moederschippen tientallen jachtsloepen mee

Rond 1630 bestond een walvisvloot uit veel meer vaartuigen dan alleen de grote schepen die vanuit Holland vertrokken. S. Muller reconstrueerde bij Spitsbergen ongeveer zes moederschepen met samen 34 sloepen, en bij Jan Mayen mogelijk negen schepen met ongeveer 51 sloepen. De cijfers zijn onvolledig, maar de verhouding is veelzeggend. Elk moederschip bracht verschillende zelfstandige jachtploegen naar het vangstgebied. Iedere sloep had roeiers, een stuurman en harpoenier nodig, plus lijnen en ander vangstmateriaal. De werkelijke vangstcapaciteit lag daardoor in tientallen kleine boten die vanuit enkele grotere schepen verspreid over het water opereerden.

Marten Michielsz. van De Rijp brak volgens de overlevering met de oude baaivangst

Een belangrijke naam in de overgang naar vangst op open water is Marten Michielsz. van De Rijp. Volgens de door Muller weergegeven overlevering was hij als harpoenier van de Noordsche Compagnie de eerste van haar mensen die een walvis op volle zee ving. De leiding zou daar aanvankelijk weinig enthousiast over zijn geweest. De compagnie had immers zwaar geïnvesteerd in vaste kuststations en wilde de vangst rond die infrastructuur houden. De nieuwe methode bedreigde dat bedrijfsmodel. Het belang van Marten Michielsz. ligt daarom niet alleen in één walvis, maar in het beginsel dat de jager het dier moest volgen in plaats van andersom.

In 1636 probeerde de Noordsche Compagnie zelfs de open zee te monopoliseren

De compagnie begreep spoedig welk gevaar de zeevangst voor haar positie vormde. In 1636 vroeg zij de Staten-Generaal haar exclusieve rechten ook tot de vangst op open zee uit te breiden. Dat verzoek werd geweigerd. Daardoor ontstond ruimte voor ondernemers buiten de oude kamers, waaronder mensen uit de Zaanstreek, om op zee naar walvissen te zoeken zonder automatisch onder hetzelfde monopolie te vallen. De Zaanse traditie schrijft vooral Jisp een vroege plaats in deze zeevisserij toe. De weigering van 1636 was daarmee meer dan een juridisch detail: zij opende een economische ruimte waarin nieuwe Noord-Hollandse ondernemers konden experimenteren.

Claes Cornelisz. Jonges uit Jisp verschijnt in 1639 als echte Zaanse commandeur

Een van de concrete mannen achter deze ontwikkeling was Claes Cornelisz. Jonges uit Jisp. Bewaarde contracten maken het zeer waarschijnlijk dat hij in 1639 en 1640 als commandeur ter walvisvaart voer. De commandeur had de leiding over de vangst en over de vleet van doorgaans zes of zeven sloepen. Jonges behoorde daarmee tot de Zaankanters die niet meer alleen hout, schepen of arbeidskracht leverden, maar zelf praktische leiding aan een noordelijke expeditie gaven. Zijn geval is belangrijk omdat de vroege zeevangst daardoor een naam en woonplaats krijgt. Hij zou later ook als bestuurder en ondernemer in Jisp zichtbaar blijven.

Voor een reis van Claes Jonges werd zelfs vastgelegd hoeveel het schip per maand kostte

Uit dezelfde contractwereld blijkt hoe kapitaalintensief een dergelijke onderneming was. Voor een door Claes Cornelisz. Jonges mede bevrachte expeditie werd een maandelijkse vergoeding van 725 Carolusgulden afgesproken, gerekend vanaf het moment waarop het schip Texel achter zich liet. Tot de uitrusting behoorden ook negen gotelingen, kleine kanonnen voor verdediging tegen kapers en andere bedreigingen. De schipper kreeg kost en drank van de bevrachters. Zulke voorwaarden tonen dat walvisvaart niet uitsluitend over harpoenen en walvissen ging. Nog voordat één dier gevangen was, liepen huur, uitrusting, voedsel, lonen en bewapening door. Een slechte zomer kon dus een kostbare onderneming opleveren.

Michiel de Ruyter voer in 1633 nog als stuurman naar Jan Mayen

Ook Michiel Adriaensz. de Ruyter behoort tot deze walvisvaartwereld. In 1633, lang voordat hij admiraal werd, voer hij als stuurman op De Groene Leeuw naar Jan Mayen. Schipper was Jochem Jansen. De tocht vanuit Vlissingen toont dat de Nederlandse walvisvaart geografisch veel breder was dan de Zaanstreek en Amsterdam alleen. Zeeuwse schepen namen eveneens deel aan de noordelijke vangst. Voor De Ruyter vormde dit een onderdeel van zijn professionele vorming als zeevarende. Zijn aanwezigheid maakt bovendien duidelijk welke kwaliteit aan navigatie-ervaring binnen een walvisvaartschip nodig kon zijn: de latere vlootvoogd werkte hier nog binnen een commerciële expeditie waarin vangst en rendement centraal stonden.

De Groene Leeuw keerde terug met een vangst die tientallen werkploegen bezighield

De expeditie waaraan De Groene Leeuw deelnam, keerde in september 1633 terug nadat 25 walvissen waren gevangen. Zo’n cijfer maakt zichtbaar hoeveel arbeid achter één reis zat. Vijfentwintig dieren betekenden tientallen afzonderlijke jachten, het binnenbrengen van karkassen, het snijden van spek en de verdere verwerking tot handelswaar. De Ruyter voer in 1635 opnieuw met De Groene Leeuw noordwaarts. Daarmee was zijn betrokkenheid geen toevallige enkele reis. De bekende latere admiraal behoorde enkele jaren werkelijk tot de beroepswereld van de walvisvaart, samen met veel minder bekende schippers, roeiers en harpoeniers wier namen grotendeels verloren zijn gegaan.

Jacob Segersz. van der Brugge probeerde in 1633 zelfs op Spitsbergen te overwinteren

De Noordsche Compagnie onderzocht ondertussen of een permanente aanwezigheid in het noorden voordelen kon opleveren. In 1633 bleef Jacob Segersz. van der Brugge met zes andere mannen achter in Mauritiusbaai op Spitsbergen. Onder hen bevonden zich Jan Henricksz. uit Zierikzee, kuiper, Alef Willemsz. uit Gelderland, kok, Marten Jacobsz. Tandel uit Danzig en Adriaen Rutgersz. Goud uit het land van Goes, timmerman. De groep toont hoe internationaal de arbeidsmarkt van de zeevaart al was. Hun taak was niet vooral walvissen vangen, maar het station bewaken, waarnemen en aantonen of mensen een volledige poolwinter konden doorstaan.

De eerste overwinteraars overleefden, maar het experiment werd geen nieuw bedrijfsmodel

Van der Brugge en zijn mannen hielden de winter van 1633–1634 vol en werden bij de terugkeer van de vloot weer opgehaald. Een tweede overwinteringspoging eindigde echter veel slechter: de achtergebleven mannen overleefden niet. Daarmee werden ook de grenzen van vaste aanwezigheid zichtbaar. De walvisvaart was economisch gebouwd op een korte noordelijke zomer waarin schepen kwamen, vingen en weer vertrokken. Een jaarrond nederzetting vroeg voedsel, brandstof en gezondheidsondersteuning zonder dat daar in de donkere wintermaanden voldoende productie tegenover stond. De ervaring onderstreepte juist waarom Hollandse en Zaanse ondernemers hun productie- en verwerkingsketen liever tussen thuisland en seizoensgebied verdeelden.

In 1638 ging de compagnie zelf doen wat zij enkele jaren eerder wilde verhinderen

De groei van de zeevangst kon uiteindelijk niet worden tegengehouden. In 1638 stuurde de Amsterdamse kamer van de Noordsche Compagnie zelf twee schepen uit om tussen Spitsbergen en de Noordkaap op open zee naar walvissen te zoeken. Een jaar later volgden meer schepen. Daarmee paste de organisatie haar eigen werkwijze aan aan een ontwikkeling die zij eerst had proberen te beperken. De vaste stations verdwenen nog niet, maar het zwaartepunt verschoof. Sloepen gingen verder van de kust en het moederschip werd belangrijker als beweeglijke basis. De onderneming volgde voortaan in toenemende mate de walvis in plaats van de walvis rond Smeerenburg af te wachten.

De Hem gaf Zaandam in 1636 nieuwe ruimte voor dezelfde groeiende maritieme economie

Terwijl de jacht mobieler werd, moest Zaandam zelf juist nieuwe vaste bedrijfsgrond scheppen. In 1636 werd de buitendijkse Hem voor de Dam verder voor economische ontwikkeling ingericht. Door graven, ophogen en het maken van waterverbindingen ontstond ruimte rond het Kattegat en het latere Nieuwe Werk. De ligging aan de Voorzaan was aantrekkelijk voor scheepsbouwers, omdat hout over water kon worden aangevoerd en voltooide schepen gemakkelijker richting IJ konden vertrekken. Het gebied was geen gewone woonuitbreiding. Water, erven en kavels werden vooral gevormd naar de eisen van houtopslag, werkplaatsen en scheepshellingen. Zo werd industrie letterlijk in het landschap gegraven.

Deel 6 — 1640–1650: Zaandammers trotseerden het monopolie en begonnen zelf aan de vrije walvisvaart

In 1640 stonden Zaanse commandeurs al klaar voordat het monopolie werkelijk verdween

De omslag naar vrije walvisvaart begon niet pas na het formele einde van de Noordsche Compagnie. Claes Cornelisz. Jonges uit Jisp voer waarschijnlijk al in 1639 en 1640 als commandeur. Zijn expedities tonen dat Zaanse ondernemers en zeevarenden ervaring opdeden met de zeevangst terwijl het monopolie nog bestond. De compagnie beschermde vooral de traditionele vangstgebieden en kuststations, maar kon de volle zee niet volledig afsluiten. Daardoor ontstond een grijze zone waarin nieuwe reders hun kansen zagen. Voor Zaandam, Jisp en later De Rijp betekende deze ontwikkeling dat de noordelijke vaart niet langer uitsluitend iets was waaraan men als leverancier of bemanningslid deelnam.

Jan Claesz. Broocker voer in 1641 met de Sevenstar rechtstreeks vanuit de Zaanse wereld

Voor 1641 verschijnt eindelijk een zeer concrete Zaandamse combinatie: Jan Claesz. Broocker voer met het schip Sevenstar naar het hoge noorden. Hij maakte deel uit van een groep waarin nog drie andere Zaandamse schepen en vijf schepen uit Jisp voorkwamen. Zij voeren zonder toestemming van de Noordsche Compagnie. Daarmee wordt de strijd tegen het monopolie veel tastbaarder dan uit juridische stukken alleen. Er stonden echte Zaanse schepen, reders en bemanningen tegenover het oude systeem. De Sevenstar bewijst dat Zaandam al vóór het aflopen van het octrooi zelf actief deelnam aan de noordelijke zeevangst.

Vier Zaandamse schepen in één groep maken 1641 tot een belangrijk omslagjaar

De aanwezigheid van vier Zaandamse schepen naast vijf uit Jisp laat zien dat dit geen afzonderlijk avontuur van één durfal was. Er bestond voldoende kapitaal en praktische kennis om meerdere ondernemingen tegelijk uit te rusten. Dat betekende schepen huren of inzetten, sloepen gereedmaken, bemanningen vinden, proviand aanschaffen en vangstmateriaal financieren. De tocht van Jan Claesz. Broocker vond bovendien plaats terwijl het monopolie formeel nog van kracht was. De ondernemers namen dus bewust een juridisch en economisch risico. Daarmee verschuift het begin van de vrije Zaanse walvisvaart feitelijk naar vóór 1642. Het formele besluit volgde op een verandering die op zee al gaande was.

In 1642 verloor de Noordsche Compagnie haar beschermde positie

Aan het einde van 1642 liep het octrooi van de Noordsche Compagnie af en werd het niet opnieuw in dezelfde vorm verlengd. De compagnie verdween niet onmiddellijk en afzonderlijke kamers behielden nog bezittingen en ervaring, maar de juridische bescherming van hun monopolie was verdwenen. Voor Zaanse ondernemers was dat fundamenteel. De activiteiten die in 1641 nog tegen de oude privileges in waren ondernomen konden nu veel gemakkelijker legaal worden voortgezet. Volgens latere reconstructies kwam juist na 1642 de uitbreiding van de Zaanse walvisvaart op gang. Hoeveel schepen in ieder afzonderlijk jaar vertrokken is niet altijd bekend, maar de richting van de ontwikkeling is duidelijk.

Oude kamers bleven in 1643 nog vechten om hun grond aan de poolkust

De vrijheid op zee betekende niet dat alle oude rechten verdwenen. In 1643 hielden voormalige kamers van de Noordsche Compagnie vast aan bedrijfsterreinen en installaties die zij eerder op Spitsbergen hadden gebruikt. Een nieuwe Deventer rederij kreeg daardoor te maken met de vraag of zij bestaande plaatsen zomaar mocht innemen. Dit onderscheid is belangrijk: het monopolie op de vangst kon verdwijnen terwijl eigendom en gebruiksrechten op de kust nog onderwerp van conflict bleven. De vrije walvisvaart begon dus niet op een leeg speelveld. Nieuwe reders moesten concurreren met ondernemingen die tientallen jaren ervaring, gebouwen, contacten en historische claims bezaten.

In 1644 stuurde Zaandam volgens de oude overlevering drie schepen uit

S. Muller vermeldde op basis van oudere bronnen dat Zaandam in 1644 drie schepen naar de walvisvaart stuurde. Dat sluit aan bij het beeld van 1641, toen Jan Claesz. Broocker al met de Sevenstar voer. De aantallen zijn klein vergeleken met de tientallen schepen die Zaandam later jaarlijks zou uitrusten, maar ze zijn juist daarom belangrijk. Hier is het begin van de schaalvergroting zichtbaar. De stad hoefde na 1642 niet eerst te ontdekken hoe walvisvaart werkte: Zaanse commandeurs, harpoeniers en ondernemers hadden al ervaring. De vrije markt gaf bestaande kennis nu ruimte om zich sneller in eigen rederijen om te zetten.

Jan Pietersz. Gijsen bleef in 1644 midden in internationale scheepvaartzaken staan

Ook buiten de walvisvaart bleef de familie Gijsen sterk internationaal verbonden. Op 18 januari 1644 ontving Jan Pietersz. Gijsen, koopman te Zaandam, een afrekening rond het schip De Metselaar. Schipper Maarten Thijsz. Metselaar uit Medemblik en zijn medereders verklaarden dat Gijsen ƒ3.410 had betaald in verband met gelden die uit Frankrijk waren geremitteerd. Het schip was eerder bij La Rochelle vergaan. De akte gaat niet over walvisvaart, maar is juist daarom waardevol: dezelfde Zaanse ondernemerswereld functioneerde binnen verschillende internationale routes. Walvisvaart groeide bovenop een reeds bestaande maritieme krediet- en rederijcultuur.

Hendrick Dircksz. Sluyck bezat in hetzelfde jaar een klein maar echt part in een zeeschip

In 1644 verschijnt Hendrick Dircksz. Sluyck eveneens als scheepsinvesteerder. Hij bezat 1/64 part in De Grooten Christoffel, waarop Stoffel Pietersz. van Zaandam schipper was. Ook dit schip hoeft niet tot walvisvaarder te worden gemaakt wanneer de bron dat niet zegt. Het belang zit in het investeringspatroon. Een Zaanse scheepsbouwfamilie kon tegelijk grond, werfbelangen en kleine parten in zeeschepen bezitten. Een vierenzestigste aandeel maakte deelname aan een kostbare onderneming mogelijk zonder het volledige risico te dragen. Hetzelfde systeem van gedeeld eigendom werd fundamenteel voor de rederijen waarmee later grote aantallen walvisvaarders werden uitgerust.

Cornelis Meyndertssoon Kraeck gaf De Rijp in 1645 zijn eerste bekende commandeur

Een jaar later verschijnt in De Rijp een vergelijkbaar concreet begin. Volgens de oude Ryper zee-postil werd Cornelis Meyndertssoon Kraeck in 1645 door inwoners van De Rijp voor Groenland uitgerust. Zijn vangsten zouden zo succesvol zijn geweest dat de plaatselijke onderneming daarna sterk groeide. Het bericht is later opgetekend en moet als zodanig worden gelezen, maar het geeft de regionale expansie een duidelijk gezicht. Eerst Jisp, vervolgens Zaandam en daarna De Rijp ontwikkelden eigen belangen. De walvisvaart werd daardoor steeds minder het bedrijf van enkele grote stedelijke kamers en steeds meer een Noord-Hollandse ondernemerswereld.

Een Groenlandvaarder bracht tientallen beroepen aan land aan het werk

Dezelfde Rijper bron beschrijft hoeveel economische activiteit achter één schip schuilging. Een walvisvaarder telde volgens de schrijver ongeveer dertig tot veertig opvarenden. Daarnaast verdienden scheepstimmerlieden, houtkopers, lijnslagers, zeilmakers, kuipers, bakkers, brouwers en andere leveranciers aan de jaarlijkse uitrusting. De kosten werden gemiddeld op ongeveer ƒ14.000 tot ƒ15.000 per schip geraamd. Zulke bedragen zijn afkomstig uit een latere beschrijving en hoeven niet voor iedere reis exact te gelden, maar ze tonen de orde van grootte. Voor Zaandam verklaart dit waarom walvisvaart veel meer betekende dan het aantal plaatselijke commandeurs alleen.

In 1645 verscheen bij Oostzaan waarschijnlijk een vroege traankokerij

De verschuiving van kustvangst naar zeevangst veranderde ook waar het walvisspek werd verwerkt. Wanneer het niet langer praktisch was een karkas naar Smeerenburg te slepen, kon spek naar Holland worden gebracht en daar worden uitgekookt. Volgens Zaanse reconstructies bestond omstreeks 1645 bij het Twiske in Oostzaan, nabij de Overtoom, waarschijnlijk een van de vroegste Zaanse traankokerijen. In 1650 telde Jisp er al zeven. Daarmee verhuisde een deel van de industriële verwerking van de poolkust naar de thuisstreek. Walvisvaart begon zo naast de scheepsbouw ook rechtstreeks een nieuwe tak van Zaanse nijverheid voort te brengen.

Traankoken en varen konden seizoenswerk van dezelfde mensen worden

De nieuwe kokerijen maakten het mogelijk dat arbeid op zee en arbeid aan land op elkaar aansloten. Zaanse bronnen melden dat opvarenden buiten het vaarseizoen op traankokerijen van hun reders konden werken. Ook commandeurs konden toezicht houden op de verwerking en op de aanvoer van spek en afvoer van traan. Daarmee ontstond een bijna jaaromvattende arbeidsketen. In voorjaar en zomer voer men noordwaarts; na terugkeer moest de aangevoerde grondstof worden verwerkt en verkocht. Het onderscheid tussen “zeeman” en “arbeider aan land” was daardoor minder scherp dan het lijkt. Dezelfde persoon kon binnen één jaar in beide delen van het bedrijf werkzaam zijn.

Smeerenburg verdween niet meteen toen de traanverwerking naar Holland verschoof

De nieuwe Zaanse kokerijen betekenden niet dat Smeerenburg in 1645 plotseling leegstond. Oude installaties bleven nog enige tijd bruikbaar en kustvangst kwam nog voor. De verandering verliep geleidelijk. Een reder kon kiezen tussen verwerking in het noorden en het meenemen van spek, afhankelijk van vangstplaats, capaciteit en omstandigheden. Wel veranderde het economische zwaartepunt. Zodra steeds meer grondstof naar Holland werd gebracht, werden thuis gevestigde kokerijen belangrijker en nam de afhankelijkheid van een vaste poolnederzetting af. Daarmee ontstond juist in de Zaanstreek ruimte voor een nieuwe combinatie van rederij, scheepvaart, kuiperij, verwerking en oliehandel.

In 1647 kreeg het Nieuwe Werk opnieuw extra bedrijfsruimte

De Zaanse scheepsbouw breidde tegelijkertijd haar fysieke basis uit. In 1647 werd ook het westelijke deel rond het Kattegat verder vergraven en ingericht. Dit Westerkattegat sloot aan bij het Nieuwe Werk dat vanaf de jaren dertig was ontstaan. Hier konden nieuwe werven en houtbedrijven zich vestigen buiten de dicht opeengepakte Binnenzaan. Voor grote schepen was de verbinding met de Voorzaan bijzonder aantrekkelijk. Hout kon per water worden aangevoerd en voltooide rompen lagen gunstiger voor de route naar het IJ. De industriële expansie werd daardoor zichtbaar in de geografie zelf: nieuw water en nieuwe erven volgden rechtstreeks uit de behoefte aan meer scheepsbouwcapaciteit.

Hendrick Dircksz. Sluyck kocht in 1648 opnieuw delen van Zaanse werfgrond

In 1648 breidde Hendrick Dircksz. Sluyck zijn belangen verder uit. Hij kocht voor ƒ750 een achtste part in een buitendijkse werf en daarnaast voor ƒ400 een achtste part in een timmerwerf in de Rietvinck, de Molenworf genoemd. De betalingen werden over verschillende meidagen verdeeld. Dit is een mooi voorbeeld van twee kenmerken van de Zaanse expansie: bezit werd in parten verdeeld en aankopen werden op krediet of in termijnen betaald. Daardoor hoefde een ondernemer niet duizenden guldens ineens beschikbaar te hebben. Werfgrond kon stap voor stap worden verworven terwijl inkomsten uit andere activiteiten bleven binnenkomen.

De Molenworf verbindt Sluyck, Backer en Rietvinck in één concreet bedrijfslandschap

De akte uit 1648 vermeldt dat de Molenworf in de Rietvinck aan de noordkant grensde aan Jan Cornelisz. Backer. Daarmee krijgen de oude algemene woorden “Zaanse scheepsbouw” ineens een tastbare geografie. Sluyck bezat een part, Backer lag ernaast en andere eigenaren beheerden de overige delen. Een werf was dus tegelijk werkterrein, vastgoed en investeringsobject. De ligging bepaalde de waarde: dichtbij water, houttransport en andere maritieme bedrijven. Dergelijke transacties verklaren ook waarom dezelfde familienamen decennia lang blijven terugkeren. Vermogen werd niet alleen verdiend met het bouwen van schepen, maar ook met het bezitten van de grond waarop die schepen konden worden gebouwd.

Rond 1650 kreeg Zaandam een haven die bijna geheel rond scheepsbouw was ontworpen

Omstreeks 1650 werd aan de westkant van de Voorzaan de Nieuwe Haven aangelegd. Rond het water kwamen ongeveer dertig bedrijfspercelen beschikbaar, waarvan een groot deel tot scheepstimmerwerf zou uitgroeien. Hier was niet langer sprake van een oude dorpsrand waar toevallig een helling tussen huizen en dijken werd geplaatst. De ruimte werd doelbewust voor maritieme bedrijvigheid ingericht. Hout kon worden aangevoerd en opgeslagen, rompen konden naast elkaar worden gebouwd en de Voorzaan gaf een betere verbinding met het IJ. De schaalvergroting van de jaren vijftig werd zo voorbereid door een uitzonderlijk grote investering in water, grond en bedrijfsruimte.

Juist aan deze nieuwe haven werd het koken van walvistraan verboden

Opmerkelijk genoeg mocht aan de Nieuwe Haven geen walvistraan worden gekookt. Dat detail voorkomt dat scheepsbouw en walvisindustrie te gemakkelijk als één bedrijf worden voorgesteld. Traankokerijen veroorzaakten vuur, rook, vet en sterke geuren; een werfgebied had andere behoeften. De overheid kon beide activiteiten daarom ruimtelijk scheiden terwijl ze economisch toch nauw verbonden bleven. Een Zaandamse walvisreder kon zijn schip op een werf laten bouwen, vaten door kuipers laten leveren en het aangevoerde spek elders laten koken. De Zaanse kracht lag juist in zo’n netwerk van gespecialiseerde bedrijven, niet in één allesomvattende walviswerf.

Rond 1650 waren drie Zaanse ontwikkelingen tegelijk zichtbaar geworden

Aan het einde van deze periode bestonden naast elkaar een groeiende vrije walvisvaart, een zich uitbreidende traanverwerking en een ongekende vergroting van de scheepsbouwruimte. Mannen als Jan Claesz. Broocker, Claes Cornelisz. Jonges, Jan Pietersz. Gijsen en Hendrick Dircksz. Sluyck tonen verschillende kanten daarvan: commandeur, vrije noordvaarder, koopman, reder en werfinvesteerder. De Sevenstar, De Grooten Christoffel en de verschillende werftransacties geven het verhaal concrete schepen en bedragen. Zaandam was daarmee niet simpelweg “bij de walvisvaart betrokken”. Verschillende Zaanse bedrijfstakken begonnen op hetzelfde moment steeds nauwer rond de noordelijke zeevaart met elkaar verbonden te raken.

Deel 7 — 1650–1660: elf scheepshollen, nieuwe werfgrond en bouwen zonder koper veranderden de Zaanse scheepsbouw

Rond 1650 kreeg de Nieuwe Haven de vorm van een speciaal maritiem industriegebied

Omstreeks 1650 werd aan de westzijde van de Voorzaan de Nieuwe Haven aangelegd. Langs een diepe rechte vaart kwamen ongeveer dertig percelen beschikbaar, met kleine insteekhavens en een verbinding naar de Voorzaan via het Timmerrak. De terreinen waren nadrukkelijk bedoeld voor maritieme nijverheid. Op het hoogtepunt zou een groot deel ervan als scheepswerf worden gebruikt. Voor Zaandam was dit een ruimtelijke doorbraak. Grote rompen hoefden hier niet eerst door de oude Binnenzaan en langs de Overtoom. De familie Sluyck bezat al vóór 1650 verschillende stukken grond in dit nieuwe gebied.

De familie Sluyck stond al klaar toen de nieuwe werfgrond werd uitgegeven

De positie van de Sluycks bij de Nieuwe Haven was geen toeval. Dirck Claesz. Sluyck had al in het begin van de zeventiende eeuw een buitendijkse scheepswerf bezeten. Zijn verwanten breidden later hun belangen naar de nieuwe terreinen uit. Bij de elf grote scheepshollen die in 1653 aan de overheid werden aangeboden, waren waarschijnlijk ten minste drie, mogelijk vier, door leden van de familie Sluyck gebouwd. Genoemd worden Arent Dircksz. Sluyck, zijn zoons Teeuwisz. Arentsz. en Claes Arentsz. Coeman, en zijn broer Hendrick Dircksz. Sluyck.

In de winter van 1652–1653 begonnen Zaankanters elf grote oorlogsschepen zonder bestelling

Tijdens de Eerste Engelse Oorlog discussieerden Staten-Generaal en Admiraliteitscolleges over een nieuwe serie grote oorlogsschepen. De Zaankanters hoefden niet op het definitieve besluit te wachten. Zij begonnen elf hollen op avontuur te bouwen: rompen waarvoor nog geen vaste koper bestond. Zeven waren ongeveer 130 tot 135 voet, één 136 voet en één 140 voet lang; van twee zijn in het overzicht geen afmetingen gegeven. Bouwen zonder opdrachtgever betekende dat hout, loon en werfruimte eerst uit eigen middelen of op krediet moesten worden betaald. Het was een uitzonderlijk ondernemersrisico.

Jan Cardinaal kon zijn schip binnen veertien dagen gereed hebben

De elf hollen stonden in verschillende stadia van bouw. Jan Cardinaal had een schip van 136 voet op stapel en verklaarde dat het binnen ongeveer veertien dagen kon worden afgeleverd. Jan Backer had een schip van 130 voet, maar verwachtte nog ongeveer zeven weken nodig te hebben. Zulke gegevens brengen de werf veel dichterbij dan algemene productieaantallen. De ene romp stond vrijwel gereed voor tewaterlating, terwijl op een andere nog wekenlang moest worden getimmerd. Ze tonen ook dat meerdere zelfstandige Zaanse meesters tegelijk op dezelfde verwachte overheidsvraag speculeerden.

Witte de With kwam zelf naar Zaandam om de schepen te bekijken

De Staten-Generaal wilden weten of de op avontuur gebouwde hollen werkelijk geschikt waren voor oorlogsdienst. Daarom kwam een commissie naar Zaandam waarbij ook viceadmiraal Witte de With betrokken was. De schepen voldeden volgens de inspecteurs aan belangrijke eisen van de vloot. Hun conclusie was in wezen dat de schepen bruikbaar waren en konden worden gekocht. Dat oordeel is belangrijk omdat Zaanse particuliere bouwers daarmee niet alleen bewezen snel te kunnen produceren, maar ook grote rompen konden leveren die door ervaren marineofficieren als geschikt voor oorlogsdienst werden beschouwd.

De Utrecht kreeg zijn naam door een schuld die ver buiten Zaandam ontstond

Een van de schepen die uiteindelijk bij de Zeeuwse Admiraliteit terechtkwamen werd de Utrecht. Het schip was gebouwd door Jan Pietersz. Gijsen en Meindert Arentsz. De naam hing samen met de enorme achterstanden van verschillende landprovincies bij hun bijdragen aan de oorlogsvloot. In december 1654 hadden Gelderland, Utrecht en Drenthe samen nog ƒ442.625 aan maritieme bijdragen openstaan. Juist de Zeeuwse Admiraliteit behoorde tot de schuldeisers. Een Zaandams oorlogsschip kreeg zo een naam die verwees naar financiële verhoudingen binnen de Republiek.

Arent Sluyck bouwde de Zierikzee van 140 voet

De Zierikzee was een tweede concreet Zaans oorlogsschip uit dezelfde reeks. Het schip was ongeveer 140 voet lang en werd gebouwd door Arent Dircksz. Sluyck. Ook dit hol werd door de Zeeuwse Admiraliteit gekocht. Een tekening van Willem van de Velde de Oude heeft het schip later herkenbaar bewaard. Daarmee blijft niet alleen een naam in het archief over, maar ook een visuele voorstelling van een product van een Zaanse particuliere werf. De grote lengte onderstreept dat de scheepsbouwers langs de Zaan inmiddels ver boven het niveau van kleine kust- of binnenvaartschepen werkten.

Jan Pietersz. Sij leverde de Tholen en had ook nog geld uit Groningen tegoed

Een derde Zeeuws schip was de kleinere Tholen, gebouwd door de Zaandammer Jan Pietersz. Sij, ook als Cij geschreven. Hij leverde bovendien een oorlogsschip aan de Admiraliteit van Groningen. In maart 1655 machtigde hij een vertegenwoordiger in Harlingen om nog ƒ4.666,65 op te eisen. Dat laat meteen de keerzijde van overheidsopdrachten zien. Een schip kon wel geleverd zijn, maar betaling volgde niet altijd snel. Ook Claes Pietersz. Maf had Groningen nog duizenden guldens te goed voor een geleverd oorlogsschip. Particuliere bouwers konden daardoor maandenlang als financier van de staat optreden.

Andries Arentsz. hield namens Zeeland toezicht op de afbouw

Van de elf Zaanse hollen werden uiteindelijk waarschijnlijk vijf door Admiraliteitscolleges gekocht. Zeeland nam er drie af en stuurde Andries Arentsz. naar Zaandam om toezicht te houden op de voltooiing. Scheepsmaker Simon Been inspecteerde de schepen vervolgens voordat zij werden overgedragen. Twee andere hollen gingen naar de Admiraliteit van Friesland. Wat oorspronkelijk zonder opdracht was begonnen, veranderde zo tijdens de bouw in een officiële overheidslevering. De overige grote rompen vonden waarschijnlijk elders kopers; Marineblad noemt Genua als waarschijnlijke bestemming voor een deel daarvan.

De mislukking werd uiteindelijk het begin van een Zaans verdienmodel

Dat slechts vijf van de elf hollen door Nederlandse Admiraliteiten werden overgenomen lijkt op het eerste gezicht teleurstellend. Toch bleek het experiment belangrijk. Zaanse scheepsbouwers ontdekten dat zij de markt soms konden vóór zijn. Houtleveranciers konden materiaal op krediet leveren; werd een hol verkocht, dan werden zij betaald. Bleef het schip onverkocht, dan konden leveranciers en andere deelnemers naar verhouding een part in het vaartuig krijgen. Juist voor de snel groeiende walvisvaart werd deze manier van bouwen op avontuur later bijzonder bruikbaar. De markt was overzichtelijk genoeg om te weten hoeveel Groenlandvaarders jaarlijks werden uitgerust.

De werfbaas leverde aanvankelijk alleen het hol

Bij een normaal bouwcontract leverde de Zaanse scheepsmaker vaak niet het volledig uitgeruste schip, maar vooral het hol: romp, vlak, stevens en het belangrijkste timmerwerk. De opdrachtgever regelde daarna andere ambachten. IJzerwerk, masten, tuigage, zeilen en verdere afbouw konden afzonderlijk worden aanbesteed. Betaling vond meestal in fasen plaats: na het leggen van kiel en stevens, rond de tewaterlating en bij voltooiing. Daardoor werd het financiële risico over de bouwtijd verdeeld. De werf was dus het centrum van de rompconstructie, maar rond één schip werkte een veel bredere kring van zelfstandige ambachtslieden.

De Nagelboom bewees in 1659 dat ook de VOC Zaanse hollen kon kopen

In 1659 kocht de VOC-Kamer Hoorn in Zaandam het scheepshol Nagelboom voor ƒ24.750. Het vaartuig was ongeveer 143 voet lang, 34½ voet breed en mat circa 300 last, ruwweg zeshonderd ton. Het werd vervolgens op de eigen VOC-werf in Hoorn voltooid. Dat is een bijzonder helder voorbeeld van de Zaanse markt: een particuliere werf bouwde een grote romp die later door een institutionele koper werd verworven. De Nagelboom maakte daarna twee reizen naar Batavia en kreeg tijdens de Tweede Engelse Oorlog zelfs een militaire bestemming.

De Nagelboom werd buitgemaakt en een jaar later weer terugveroverd

Tijdens de zeeslag bij Lowestoft op 13 juni 1665 werd de Nagelboom door de Engelsen buitgemaakt en onder de naam Clove Tree in Engelse dienst genomen. Tijdens de Vierdaagse Zeeslag van 1666 kwam het schip opnieuw in Nederlandse handen. De levensloop van één Zaans gebouwd schip liep zo via particuliere scheepsbouw, VOC-handel en oorlogvoering naar buitenlandse buit en terug. Dat onderstreept waarom het gevaarlijk is om een scheepsromp uitsluitend naar zijn oorspronkelijke bestemming te classificeren. Een Zaanse koopvaarder kon gedurende zijn bestaan voor totaal verschillende soorten zeevaart worden ingezet.

Deel 8 — 1660–1670: Hendrick Sluyck, Jan Cardinael en buitenlandse orders trokken de Zaanse scheepsbouw naar internationaal niveau

Rond 1660 werkte de walvisvaart zonder centraal monopolie maar met steeds belangrijkere commandeurs

In de vrije walvisvaart werd de afzonderlijke onderneming belangrijker dan de vroegere kamer van de Noordsche Compagnie. De leiding tijdens de reis lag bij schipper en commandeur. Aanvankelijk konden die functies gescheiden zijn: de schipper vertegenwoordigde de reders en voerde het schip, terwijl de commandeur vooral de jacht en de sloepen leidde. In de tweede helft van de zeventiende eeuw gingen beide rollen steeds vaker in één persoon samen. Zaanse commandeurs en bootsgezellen vonden zo werk op een groeiend aantal Groenlandvaarders. Ervaring en reputatie werden belangrijk bezit: een succesvolle commandeur kon gemakkelijker opnieuw een rederij en bemanning achter zich krijgen.

Niet iedere Zaanse werf bouwde walvisvaarders en juist daarin lag haar kracht

De bloei van de walvisvaart betekende niet dat alle scheepsbouwers aan de Zaan uitsluitend voor Groenland werkten. Dezelfde arbeidswereld kon fluiten, koopvaarders, oorlogsschepen en voor de noordvaart geschikte vaartuigen bouwen. Dat maakte Zaandam minder kwetsbaar voor een slechte vangstperiode. Een werf die geen Groenlandvaarder verkocht, kon een buitenlandse koopman of een militaire opdrachtgever bedienen. Andersom kon een bestaand koopvaardijschip later voor de walvisvaart worden ingericht. De economische verbinding tussen werf en walvisvaart zat daardoor niet alleen in specifieke scheepstypen, maar in de enorme beschikbare capaciteit voor bouw, herstel, houtlevering en afbouw.

De Tweede Engelse Oorlog trok Zaandamse scheepsbouwers opnieuw naar de oorlogsvloot

Toen in 1665 de Tweede Engelse Oorlog uitbrak, had de Republiek behoefte aan nieuwe, grote oorlogsschepen. Particuliere Zaandamse bouwers konden veel goedkoper werken dan verschillende Admiraliteitswerven. Een onderzoek naar Zaanse oorlogsproductie noemt prijsverschillen tot ongeveer twintig procent. De lage kosten hadden verschillende oorzaken: scherpe concurrentie tussen tientallen werven, lagere lonen dan in de grote steden en het feit dat scheepsbouwers vaak zelf belangen bezaten in houtwerven en andere toeleveringsbedrijven. De staat bleef Zaanse bouwers tegelijk met wantrouwen bekijken, omdat de Admiraliteitssteden hun eigen werven wilden beschermen.

De neven Sluyck gingen zelfs buiten Zaandam bouwen om stedelijke tegenwerking te omzeilen

De tegenstand van de Admiraliteitssteden leidde tot een opmerkelijke oplossing. Als grote oorlogsschepen formeel alleen op erkende stedelijke werven mochten worden gebouwd, konden Zaanse meesters eenvoudig naar zo’n stad gaan. In 1665 en 1666 werkten leden van de familie Sluyck daarom in Vlissingen; in 1666 waren Zaandamse bouwers ook actief in Amsterdam en Rotterdam. De technische kennis verhuisde met de mensen mee. Daarmee wordt duidelijk dat “Zaanse scheepsbouw” niet uitsluitend betekent dat een schip fysiek aan de Zaan lag. Zaanse scheepsmakers konden hun bouworganisatie en vakkennis ook elders inzetten.

Hendrick Dircksz. Sluyck en Jan Hendricksz. Cardinael kregen in 1666 een Franse megaorder

Op 29 maart 1666 werd in Amsterdam een groot contract gesloten voor zes oorlogsschepen voor rekening van de Franse koning. De Franse agent Du Maes trad daarbij als opdrachtgever op. Twee Amsterdamse scheepsbouwers namen samen drie schepen voor hun rekening. Aan Zaanse zijde bouwde Hendrick Dircksz. Sluyck er twee en Jan Hendricksz. Cardinael één. De schepen moesten volgens bestek binnen ongeveer zes maanden gereed zijn. Daarmee krijgen de eerder algemene familienamen Sluyck en Cardinaal eindelijk individuele personen en een precies aandeel in de order.

De Franse oorlogsschepen moesten ongeveer 160 voet lang worden

Het contract bepaalde voor de Franse schepen een lengte van ongeveer 160 voet over de stevens en een breedte van ongeveer 41½ voet. Per schip werd een bedrag van ongeveer ƒ60.000 genoemd. Alleen al voor de drie aan Zaanse bouwers toegewezen schepen ging het dus om een contractsom van ruwweg ƒ180.000. Zulke afmetingen en bedragen plaatsen de Zaanse werfwereld in een totaal andere schaal dan een generatie eerder. Het ging niet langer alleen om regionale koopvaarders. Buitenlandse staten vertrouwden enorme scheepsrompen toe aan particuliere meesters uit Zaandam.

Hendrick Sluyck bouwde twee Franse schepen tegelijk

Dat Hendrick Dircksz. Sluyck niet één maar twee van de zes Franse oorlogsschepen aannam, zegt veel over zijn organisatie. Twee rompen van circa 160 voet tegelijk vergden enorme hoeveelheden hout, tientallen arbeidskrachten en een voortdurend beschikbare kasstroom. De meester moest bovendien contractueel binnen zes maanden leveren. Het werk kon onmogelijk als kleinschalig familieambacht worden georganiseerd. Werkploegen moesten gelijktijdig aan verschillende onderdelen van beide schepen werken, terwijl leveranciers hout en ander materiaal bleven aanvoeren. De scheepsmaker werd hier nadrukkelijk ook aannemer en bedrijfsleider.

Jan Hendricksz. Cardinael kreeg één van de zes Franse schepen toegewezen

Ook Jan Hendricksz. Cardinael, meester-scheepstimmerman te Zaandam, kreeg één schip uit de Franse order. Daarmee kwam hij in dezelfde internationale markt terecht als Hendrick Sluyck. De Cardinaals waren al langer zichtbaar in de Zaanse scheepsbouw en hun vermogen blijkt ook uit hun woonomgeving. Het pand aan Hogendijk 62–64, gebouwd in 1655 voor leden van de familie Cardinaal, had een stenen onderbouw, houten top en een zorgvuldig uitgewerkt interieur. Het huis laat zien dat succesvolle scheepsbouw niet alleen kapitaal in werven bracht, maar ook in de wooncultuur van de ondernemers zichtbaar werd.

Oorlog gaf werven werk maar beroofde andere gezinnen van hun kostwinner

De militaire bouwmarkt had een harde sociale keerzijde. Tijdens de oorlog sneuvelden bemanningen en gingen schepen verloren. Na het vergaan van het Hof van Zeeland in de strijd tegen Engeland op 11 juni 1666 kregen de weduwen en erfgenamen van kapitein Block en zijn negentienkoppige bemanning gezamenlijk achterstallige gage uitgekeerd. Voor een gewoon gezin bood zo’n betaling slechts tijdelijk uitkomst. Oorlog kon dus tegelijkertijd grote opdrachten voor Sluyck of Cardinaal opleveren en andere huishoudens hun kostwinner ontnemen. Die tegenstelling hoort bij dezelfde maritieme economie.

De Zaanse bouwmethode bleef anders dan de nieuwe stedelijke spantbouw

In de grote maritieme steden werd in de zeventiende eeuw steeds vaker gewerkt met methoden waarbij vooraf spanten werden opgericht. Langs de Zaan bleef men veel langer vasthouden aan de traditionele vlakbouw, waarbij eerst bodem en huid vorm kregen en de constructie vervolgens verder werd opgebouwd. Dat systeem kon grotendeels op praktijkkennis worden uitgevoerd en maakte snelle overdracht van vakmanschap mogelijk. Voor de Zaanse industrie was juist die combinatie van ervaren arbeidsploegen, standaardwerkprocessen en scherpe concurrentie belangrijk. Grote internationale orders hoefden dus niet te betekenen dat Zaandam zijn bestaande bouwcultuur volledig opgaf.

Een fluit voor Patrick Angus kostte in 1668 slechts een fractie van een Frans oorlogsschip

In 1668 werd voor Patrick Angus een fluit gebouwd voor ongeveer ƒ4.200. De kiel mat rond 67 voet, het schip ongeveer 77 voet over de stevens, circa 20 voet breed en ongeveer 11 voet hol. Het contrast met de Franse schepen van ongeveer ƒ60.000 per stuk is enorm. Een Zaanse werfwereld kon dus tegelijk opdrachten aannemen in totaal verschillende prijsklassen. Voor de meeste kooplieden was een degelijk handelsschip van enkele duizenden guldens veel relevanter dan een gigantisch oorlogsschip. Juist die brede markt hield tientallen werven voortdurend aan het werk.

Een koopvaardijschip kon later zonder probleem een andere functie krijgen

De Nagelboom had kort daarvoor al laten zien hoe flexibel de bestemming van een schip kon zijn. In 1659 als Zaans hol door de VOC gekocht, voer het naar Azië, werd later als oorlogsschip ingezet, door Engeland buitgemaakt en daarna door de Nederlanders heroverd. Voor de walvisvaart gold hetzelfde beginsel. Niet ieder schip hoefde vanaf het leggen van de kiel uitsluitend voor Groenland ontworpen te zijn. Reders konden geschikte koopvaarders aankopen, aanpassen en uitrusten. Daardoor was de Zaanse productiecapaciteit voor de walvisvaart groter dan alleen het aantal expliciete “walvisvaarders” in bewaard gebleven bouwcontracten.

De commandeur werd ondertussen steeds meer het gezicht van de walvisvaartonderneming

Terwijl scheepsbouwers als Sluyck en Cardinaal aan land grote contracten afsloten, werd op zee de commandeur steeds belangrijker. De functies van schipper en leider van de vangst groeiden naar elkaar toe. De commandeur vertegenwoordigde uiteindelijk niet alleen de jachtploegen maar steeds vaker de gehele onderneming tijdens de reis. Zijn oordeel bepaalde waar gezocht werd, wanneer sloepen werden uitgezet en wanneer een ongunstig gebied werd verlaten. In een vrije markt met tientallen afzonderlijke rederijen was zo’n ervaren man belangrijker dan ooit. De geschiedenis van de walvisvaart wordt vanaf deze periode daarom steeds meer een geschiedenis van individuele commandeurs naast die van de reders.

Deel 9 — 1670–1680: zeventig werven, achtendertig Groenlandvaarders en de ramp van 1677

In de jaren 1670 lag langs de Zaan een van Europa’s grootste scheepsbouwconcentraties

De scheepsbouw bereikte in de jaren 1670 een uitzonderlijke schaal. Voor de Zaanstreek worden op het hoogtepunt ongeveer zeventig tot tachtig actieve scheepstimmerwerven genoemd. Jaarlijks zouden gezamenlijk ongeveer 140 tot 200 hollen van de hellingen zijn gekomen. De bouw van één hol nam doorgaans vier tot zes maanden in beslag. Zulke aantallen zijn reconstructies en niet voor ieder afzonderlijk jaar exact controleerbaar, maar ze maken de omvang duidelijk. Geen enkele bekende Nederlandse particuliere werfplaats kende in deze periode een vergelijkbare concentratie van productie. De Zaanstreek was uitgegroeid tot een pre-industrieel maritiem centrum van uitzonderlijke omvang.

Achter het enorme aantal werven stonden tientallen families, meesters en kleine investeerders

De Zaanse scheepsbouw was nooit één onderneming. Naast bekende namen als Sluyck, Cardinaal, Rogge, Broocker, Gijsen en Backer bestonden tientallen kleinere werven. Sommige meesters bezaten een volledige werf, anderen slechts een half erf of een part. Houtkopers konden tegelijk als geldschieter optreden en leveranciers konden bij onverkochte schepen aandelen in het schip ontvangen. Daardoor ontstond een bijzonder dicht netwerk van eigendom, krediet en productie. Een groot deel van de kracht van Zaandam kwam juist uit deze versnippering: wanneer één werf vol stond, konden opdrachten en arbeidskrachten relatief gemakkelijk naar een andere plek verschuiven.

De kaart van 1671 laat zien dat de Nieuwe Haven vrijwel één grote werfzone was geworden

Een kaart van 1671 toont hoe snel de rond 1650 aangelegde Nieuwe Haven was ingevuld. Langs beide zijden van het water lagen maritieme percelen dicht tegen elkaar aan. Hier stonden scheepsrompen op hellingen, lagen houtvoorraden en bewogen arbeiders tussen afzonderlijke bedrijven. Het gebied was daarmee precies geworden waarvoor het een generatie eerder was ingericht. De nabijheid van zoveel werven vergrootte de concurrentie, maar maakte ook samenwerking eenvoudig. Houtkopers hoefden niet ver te reizen, arbeidskrachten konden wisselen van meester en opdrachtgevers konden in korte tijd meerdere bouwers vergelijken.

Rogge en Broocker werden steeds zichtbaarder tussen de oudere werffamilies

In dezelfde decennia werden de familienamen Rogge en Broocker belangrijker. De Broockers hadden al vóór het einde van het monopolie verbindingen met de noordvaart, terwijl leden van de familie Rogge steeds duidelijker als scheepsbouwers en later ook als reders naar voren komen. Daarmee volgden zij het patroon dat eerder bij Sluyck en Cardinaal zichtbaar was. Een familie kon tegelijk belangen hebben in grond, werf, schip en rederij. Niet ieder familielid deed hetzelfde werk en niet ieder schip voer naar Groenland, maar de verschillende onderdelen van de maritieme economie lagen binnen zulke families opvallend dicht bij elkaar.

In 1675 veranderde een werf van Mennist en Broocker voor ƒ2.750 van eigenaar

Een verkoop uit 1675 geeft opnieuw een concreet bedrag aan de waarde van Zaanse scheepsbouwgrond. Een werf die verbonden was met Mennist en Broocker werd voor ongeveer ƒ2.750 verkocht. Dat was veel geld voor een bedrijfsperceel, maar de koper verwierf meer dan grond. Een bestaande werflocatie bood toegang tot water, een helling en vaak verschillende gebouwde voorzieningen. Zo’n terrein kon direct inkomsten opleveren wanneer er schepen op stapel werden gezet. Het bezit van goede werfgrond was daarom zelf een belangrijke vorm van vermogen.

Het Rampjaar 1672 trof de handel terwijl de werven juist op grote schaal bleven bestaan

In 1672 werd de Republiek tegelijk aangevallen door Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen. De economische onzekerheid was enorm. Koopvaarders liepen gevaar en verzekerings- en financieringsrisico’s namen toe. Toch hield de Zaanse scheepsbouw niet plotseling op. Oorlog vernietigde tonnage en creëerde daardoor later ook vervangingsvraag. Bovendien draaide de Zaanse markt niet uitsluitend op Nederlandse koopvaardij. Buitenlandse kopers en verschillende soorten rederijen bleven bestaan. Het Rampjaar maakte vooral zichtbaar hoe verschillend oorlog kon uitpakken: een reder kon zijn schip verliezen, terwijl een scheepsbouwer juist opdracht kreeg om een nieuw vaartuig te bouwen.

In 1677 telde Zaandam vierentwintig Groenlandrederijen

Een van de sterkste cijfers voor de Zaanse walvisvaart komt uit 1677. In Zaandam waren toen 24 rederijen ter Groenlandvaart gevestigd die gezamenlijk 38 schepen lieten uitvaren. Daarmee was Zaandam niet alleen een grote scheepsbouwplaats, maar ook zelf een belangrijk rederijcentrum geworden. De aantallen zijn groot genoeg om de walvisvaart in vrijwel alle delen van de lokale economie voelbaar te maken. Elke reis vroeg kapitaal, bemanning, voedsel, sloepen, vaten en herstelwerk. Achtendertig schepen betekenden bovendien dat tientallen afzonderlijke commandeurs of schippers naar het noorden trokken.

Achtendertig Groenlandvaarders betekenden waarschijnlijk rond vijftienhonderd opvarenden

Wanneer men als grove orde van grootte met ongeveer veertig bemanningsleden per schip rekent, vertegenwoordigen 38 schepen theoretisch circa 1.500 opvarenden. Het precieze aantal verschilde per schip en er is geen complete monsterrol van alle 38 vaartuigen voorhanden, zodat dit geen exacte telling is. Toch maakt de berekening de schaal zichtbaar. Bij die mannen kwamen nog honderden mensen aan land: timmerlieden, kuipers, bakkers, brouwers, houtkopers, lijnslagers, administrateurs en arbeiders bij de traanverwerking. De walvisvaart raakte daarmee een veel groter deel van de bevolking dan alleen de mannen die daadwerkelijk naar Groenland voeren.

In juli 1677 werd plotseling duidelijk hoe kwetsbaar die hele bedrijfstak was

Juist in het jaar waarin de Zaandamse Groenlandvaart zo groot was, sloeg oorlog hard toe. In juli 1677 namen Franse schepen een groot aantal Nederlandse Groenlandvaarders buit en werden drie schepen verbrand. Volgens een latere beschrijving leed vooral de Zaan en in het bijzonder Oost- en Westzaandam zwaar verlies. De gebeurtenis veroorzaakte grote ontsteltenis. Dat is begrijpelijk: achter ieder buitgemaakt schip stonden bemanningsgezinnen, reders, aandeelhouders en leveranciers. De ramp maakte in één seizoen zichtbaar hoeveel Zaandam inmiddels economisch van de noordelijke vaart afhankelijk was.

Het verlies van een Groenlandvaarder trof veel meer mensen dan de eigenaar alleen

Wanneer een schip door een vijand werd buitgemaakt, verloor niet alleen de formele reder. Schepen waren vaak verdeeld in parten, waardoor meerdere investeerders tegelijk schade leden. De lading of reeds gevangen spek ging verloren, bemanningsleden konden gevangen worden genomen en geleend kapitaal moest mogelijk toch worden terugbetaald. Leveranciers die op krediet hadden gewerkt konden eveneens in moeilijkheden komen. Daarom veroorzaakte de Franse actie van 1677 zoveel onrust aan de Zaan. De walvisvaart was inmiddels een netwerk geworden waarin één schip de belangen van tientallen huishoudens kon vertegenwoordigen.

Cornelis Migchielsz. Calff behoorde toen al tot de vooraanstaande Westzaandamse kooplieden

In hetzelfde 1677 werd Nicolaas Calff geboren, zoon van Cornelis Migchielsz. Calff en Maritje Cornelisd. Gast. Nicolaas was dus nog een kind en hoort niet als walvisreder in deze periode te worden opgevoerd. Zijn vader is wél relevant. Cornelis behoorde toen al tot de vooraanstaande kooplieden van Westzaandam en bezat later schepen in zowel de Groenlandvaart als de Straat-Davisvaart. De Calffs vormen daarmee een volgende generatie binnen dezelfde maritieme elite die in deze jaren steeds zichtbaarder werd.

De familie Calff verbindt koopmanskapitaal, geloofsgemeenschap en walvisvaart

Cornelis Migchielsz. Calff werd in 1680, nog geen dertig jaar oud, leraar binnen de Vlaams-doopsgezinde gemeente van Westzaandam. Dat geeft een andere blik op de sociale wereld van de reders. Economisch succes, familie, religieuze gemeenschap en zakelijke reputatie liepen vaak door elkaar. Binnen doopsgezinde netwerken konden vertrouwen en onderlinge contacten belangrijk zijn voor krediet en samenwerking. Dat betekent niet dat walvisvaart een uitsluitend doopsgezinde bedrijfstak was, maar families als Calff tonen hoe koopmansnetwerken ook sociaal en religieus waren ingebed.

In 1678 bleek dat Zaanse rijkdom lang niet bij iedereen terechtkwam

Terwijl reders tientallen schepen naar Groenland stuurden en werfeigenaren met duizenden guldens werkten, bleef het leven van gewone inwoners kwetsbaar. In mei 1678 brak het Turfoproer uit. De aanleiding was een verandering in turfmaat en belasting waardoor huishoudens feitelijk meer betaalden voor minder brandstof. Vooral vrouwen traden aanvankelijk zichtbaar op. Huizen van belastingpachters werden aangevallen en geplunderd. De overheid reageerde hard: vier betrokkenen werden uiteindelijk geëxecuteerd en anderen kregen lijfstraffen of verbanning. De gebeurtenis laat zien dat maritieme bloei en bestaansonzekerheid tegelijkertijd konden bestaan.

Een half erf kon voor een familie Rogge net zo strategisch zijn als een compleet schip

In 1679 verwierf Jan Jansz. Rogge een half erf. Zo’n transactie lijkt klein naast een vloot van 38 Groenlandvaarders, maar voor een scheepsbouwfamilie kon grond beslissend zijn. Een extra stuk erf kon opslagruimte opleveren, een werkplaats mogelijk maken of een bestaande werf uitbreiden. De groei van families als Rogge voltrok zich daardoor vaak niet via één spectaculaire aankoop, maar via tientallen kleine transacties. Wanneer zulke aankopen over generaties werden gecombineerd, ontstond een stevig bezit rond werf, hout en scheepvaart.

De Zaanse bloei bestond uit successen en verliezen tegelijk

De jaren zeventig laten daardoor twee tegengestelde beelden zien. Aan de ene kant stonden 70 tot 80 actieve werven, tientallen nieuwe schepen en in 1677 alleen al 38 Zaandamse Groenlandvaarders. Aan de andere kant konden Franse oorlogsschepen in één zomer een groot deel van het verdiende kapitaal vernietigen, terwijl een jaar later gewone inwoners om turfbelasting in opstand kwamen. De Zaanse maritieme economie was dus niet simpelweg een ononderbroken succesverhaal. Grote rijkdom, hoge risico’s en scherpe sociale verschillen groeiden naast elkaar.

Deel 10 — 1680–1690: commandeurs, jongens, harpoeniers en tientallen andere mannen hielden de Zaanse walvisvaart draaiende

De jaren 1680 vormden een van de drukste perioden van de Zaandamse walvisvaart

Voor Zaandam waren de jaren 1680–1689 een van de absolute hoogtepunten van de walvisvaart. In enkele jaren werd opnieuw een vlootomvang bereikt die vergelijkbaar was met de hoge aantallen rond 1660. Over de hele periode 1660–1780 voeren gemiddeld iets minder dan dertig schepen per jaar voor Zaandamse reders naar Spitsbergen en later ook naar Straat Davis, maar de jaren tachtig lagen duidelijk boven dat gemiddelde. Daardoor bestond achter de werven een omvangrijke jaarlijkse organisatie van reders, commandeurs, bemanningen, kuipers, leveranciers en verwerkers. De walvisvaart was tegen die tijd geen afzonderlijk avontuur meer, maar een terugkerende Zaanse bedrijfstak.

Niet iedere man aan boord kwam uit de Zaanstreek

Een grote walvisvaarder telde doorgaans vele tientallen bemanningsleden. Voor latere Zaanse schepen is een gemiddelde van ruim 42 man berekend. Het is verleidelijk zo’n gemiddelde rechtstreeks op de jaren tachtig toe te passen, maar dat zou te precies zijn. Wel staat vast dat grote aantallen mannen nodig waren voor schip, sloepen en verwerking. Bovendien kwamen lang niet alle opvarenden uit Zaandam of omliggende dorpen. De bemanning werd ook geworven in Friesland, Groningen, op de Waddeneilanden en in Oost-Friesland. De Zaanse walvisvaart was daardoor lokaal gefinancierd maar arbeidsmatig veel breder georganiseerd.

De commandeur stond bovenaan een ingewikkelde werkverdeling

De naam commandeur kreeg in de tweede helft van de zeventiende eeuw steeds meer betekenis. In de vroegste walvisvaart kon de schipper verantwoordelijk zijn voor schip en redersbelangen terwijl de commandeur vooral leiding gaf aan de jacht. Later gingen beide functies steeds vaker in één persoon samen. De commandeur moest dan tegelijk navigator, bedrijfsleider en vangstleider zijn. Hij bepaalde waar gezocht werd, verdeelde de sloepen en hield toezicht op mensen en gereedschap. Na terugkeer kon hij bovendien betrokken zijn bij de verwerking van het spek in de traankokerij. Daarmee bleef zijn werk niet beperkt tot de maanden op zee.

Onder de commandeur stonden stuurman, bootsman, harpoeniers en gewone matrozen

Een walvisvaartbemanning was geen groep mannen die allemaal hetzelfde werk verrichtten. De stuurman hielp bij navigatie en wachtdienst. De bootsman hield toezicht op tuigage en dekwerk. Harpoeniers bezaten gespecialiseerde vangstkennis en moesten op het beslissende moment in de sloep optreden. Roeiers brachten de boot naar het dier en gewone matrozen verrichtten een breed scala aan taken. Timmerman en kok waren eveneens onmisbaar. Die functies verschilden in verantwoordelijkheid, beloning en status. Juist daardoor bestond aan boord een duidelijke hiërarchie waarin ervaring, vakkennis en leeftijd zwaar telden.

Scheepsjongens begonnen onderaan maar konden aan boord een vak leren

Ook jongens voeren mee. Zij begonnen met eenvoudig werk: boodschappen overbrengen, schoonmaken, helpen bij touwen, voedsel halen en oudere zeelieden assisteren. Hun positie was kwetsbaar. Ze hadden weinig gezag en nauwelijks privacy. Tegelijk was een walvisvaarder een praktische leerschool. Een jongen zag hoe de zeilen werden behandeld, hoe een sloep werd gestreken en hoe ervaren mannen reageerden bij gevaar. Wie bleef varen kon geleidelijk meer verantwoordelijkheid krijgen en later matroos, stuurman of zelfs commandeur worden. Veel maritieme vakken werden zo niet uit boeken geleerd, maar door jarenlang meewerken binnen dezelfde arbeidswereld.

De beste slaapplaats hoorde bij rang en functie

De woonruimte aan boord weerspiegelde de hiërarchie. Commandeur en hogere functionarissen beschikten eerder over een afgescheiden kajuit of betere slaapplaats. Gewone matrozen en jongens moesten veel dichter opeen leven. Hangmatten, kooien of eenvoudige slaapplaatsen lagen vlak bij andere mannen en bezittingen. Kleding droogde langzaam en persoonlijke ruimte was schaars. Een zeeman was daarom bijna nooit werkelijk alleen. Dezelfde mannen met wie hij roeide, werkte en at, sliepen ook vlakbij. Die beperkte privacy bepaalde het sociale leven aan boord even sterk als de formele bevelsstructuur.

Een alarm kon een slapende bemanning binnen enkele minuten in jachtploegen veranderen

Het lied “Van de Walvis-vangst”, dat al in een uitgave uit 1694 voorkomt, beschrijft hoe zeelieden uit hun slaap werden gehaald wanneer een walvis werd gezien. De tekst is literair en soms overdreven, maar het beschreven ritme past goed bij de praktijk. Zodra er alarm werd gegeven, moesten toegewezen mannen naar de sloepen. Roeiers, harpoenier en stuurman konden niet eerst rustig hun spullen zoeken. Gereedschap en positie waren vooraf georganiseerd. Een gemiste minuut kon betekenen dat het dier uit zicht verdween. De walvisvaart vereiste daarom niet alleen moed, maar ook voortdurende paraatheid en vaste routines.

Rond 1670 ontstond een speciaal versterkte fluit voor de ijsvisserij

Juist in deze periode veranderde ook het schip zelf. De gewone fluit was lange tijd zonder grote aanpassing voor noordelijke vaart gebruikt, maar met de overgang naar vangst in het drijfijs werd meer stevigheid nodig. Rond 1670 ontwikkelden Hollandse, en vooral Zaanse, werven versterkte walvisfluiten. Die kregen extra bescherming aan romp en boeg om beschadiging door zwaar ijs te beperken. Dit was geen volledig nieuw scheepstype, maar een aangepaste vorm van een bekend handelsvaartuig. De ontwikkeling laat zien hoe de werf reageerde op veranderingen in het vangstgebied.

De sloep bleef het werkelijke jachtvaartuig

Hoe groot en sterk het moederschip ook was, de walvis werd meestal vanuit een veel kleinere sloep benaderd. Een walvissloep moest licht genoeg zijn om snel gestreken te worden maar sterk genoeg voor meerdere mannen en lange lijnen. De harpoenier zat of stond voorin, roeiers leverden snelheid en een stuurman hield de boot bestuurbaar. De eerste harpoen doodde de walvis meestal niet. Hij legde vooral de verbinding tussen dier en sloep. Pas daarna probeerden de mannen opnieuw dichtbij genoeg te komen om met lansen verder te werken. De jacht was daardoor een samenwerking waarin één fout de hele ploeg kon treffen.

De harpoenlijn was net zo gevaarlijk als de walvis zelf

Wanneer een getroffen dier wegzwom, kon de lijn razendsnel uitlopen. Die lijn moest zorgvuldig liggen zodat hij niet om een been, arm, riem of ander voorwerp sloeg. Een man die erin verstrikt raakte kon uit de sloep worden getrokken. De harpoenier moest daarom niet alleen goed kunnen werpen maar ook weten wanneer hij juist niet moest gooien. Ervaring bestond uit duizenden kleine beslissingen: afstand, richting, snelheid en gedrag van het dier. De meest gewaardeerde walvisvaarders waren daardoor niet noodzakelijk de sterkste mannen, maar degenen die gevaar konden lezen voordat het zichtbaar werd.

Kleding bestond uit lagen omdat één nat pak weinig bescherming bood

Het walvisvaartlied uit 1694 noemt opvallend veel broeken, kousen en bovenkleding. Dat moet niet als letterlijke standaarduitrusting worden gelezen, maar het benadrukt een realiteit: mannen probeerden zich met meerdere lagen te beschermen. Een open sloep bood weinig beschutting en kleding kon nat worden door buiswater, sneeuw of werk rondom een karkas. Wol hield enigszins warmte vast, maar langdurig natte kleding bleef ellendig. Daarom waren reservekleding en drogen aan boord belangrijk. De kou was geen spectaculaire uitzondering, maar een dagelijks arbeidsprobleem dat bepaalde hoeveel een man lichamelijk kon verdragen.

Brandewijn hoorde bij arbeid, beloning en zeemanscultuur

Alcohol was een normaal onderdeel van de scheepsvoorraad. Vooral brandewijn verschijnt geregeld in verband met zwaar werk en walvisvaart. Zij werd gezien als verwarmend en stimulerend, al weten we nu dat alcohol het lichaam niet werkelijk tegen afkoeling beschermt. Voor tijdgenoten telde vooral de ervaring: een kleine hoeveelheid sterke drank gaf na kou en vermoeidheid een gevoel van warmte. Brandewijn kon ook als beloning worden uitgedeeld nadat een ploeg succesvol had gewerkt. Daardoor hoorde zij bij de gezagsrelatie tussen commandeur en bemanning en niet alleen bij ontspanning.

Na de vangst verdwenen harpoen en riem en kwamen spekmessen tevoorschijn

Na het doden van een walvis veranderde het werk volledig. De jachtploeg werd een verwerkingsploeg. Het karkas moest langs het schip worden gehouden en dikke stroken spek werden losgesneden. Grote messen en ander snijgereedschap waren daarvoor noodzakelijk. Dezelfde mannen die kort daarvoor roeiden of lanceerden stonden nu tussen vet, bloed en zeewater te werken. In het walvisvaartlied worden juist die overgangen beschreven: alarm, sloep, vangst, spek en vervolgens eten en drinken. Dat maakt de tekst zo waardevol voor het dagelijks leven: de heroïsche vangst duurde relatief kort, het zware verwerkingswerk veel langer.

Balein werd zorgvuldig bewaard omdat een walvis meer opleverde dan alleen traan

Uit de bek van baleinwalvissen kwamen lange baleinplaten, in oudere bronnen vaak baarden genoemd. Die waren sterk en elastisch en hadden een eigen markt. Ze konden worden gebruikt voor uiteenlopende producten waarin buigzaamheid nodig was. Daardoor moesten zij na de vangst worden losgemaakt, schoongemaakt en bewaard. Voor reders betekende één dier dus meerdere opbrengststromen. Traan en balein konden verschillende prijzen hebben en aan verschillende handelaren worden verkocht. Een goede reis werd daarom niet alleen afgemeten aan het aantal walvissen, maar ook aan hoeveelheid en kwaliteit van de meegebrachte producten.

Eten aan boord bleef eenvoudig en langdurig houdbaar

Voor een reis van vele maanden waren verse producten ongeschikt. Beschuit, gedroogde of gezouten producten, erwten, gort, kaas, vlees en spek waren belangrijk. Water en bier moesten eveneens worden meegenomen. Naarmate de reis langer duurde, werd de voorraad minder gevarieerd. Een succesvolle vangst maakte de leefomgeving ondertussen vuiler: natte kleding, walvisvet en rook kwamen samen in een toch al kleine ruimte. De kok werkte dus midden in een schip dat tegelijk huis, opslagplaats, werkvloer en slachterij was. Dat tastbare dagelijkse bestaan hoort net zo goed bij de walvisvaart als de vangst zelf.

De jaren 1683–1685 behoren tot de grootste vlootjaren van de eeuw

ZaanWiki noemt 1683–1685 als een van de zeldzame perioden waarin het Zaandamse aantal walvisvaarders opnieuw ongeveer het uitzonderlijk hoge niveau rond 1660 bereikte. Dat maakt duidelijk waarom juist in dit deel bemanning, uitrusting en dagelijkse arbeid zoveel aandacht verdienen. Een vloot van tientallen schepen betekende honderden afzonderlijke sloepen en vermoedelijk ruim duizend opvarenden tegelijk op zee. Achter iedere commandeur stonden meerdere gespecialiseerde mannen en daarachter een nog grotere arbeidswereld aan land. De omvang van de walvisvaart werd daardoor niet alleen in schepen gemeten, maar ook in menselijke organisatie.


Deel 11 — 1690–1697: Claes Caescoper, walvisfluiten en gedeeld kapitaal verbonden oliehandel en poolvaart

Rond 1690 draaide de Zaanse scheepsmarkt op een uitzonderlijk hoog niveau

De laatste decennia van de zeventiende eeuw vormden het hoogtepunt van de handel in Zaanse zeeschepen. Tussen 1685 en 1699 werd bij veilingen een bijzonder hoge omzet in scheepsparten bereikt. Tegelijk konden nieuwgebouwde schepen rechtstreeks uit de hand worden verkocht. Die levendige markt maakte het mogelijk dat een reder relatief snel tonnage vond zonder vanaf de eerste plank zelf als opdrachtgever te hoeven optreden. Voor de walvisvaart was dat belangrijk. Een geschikt schip kon worden gekocht, versterkt en voor de noordvaart worden uitgerust. Scheepsbouw, handel in parten en rederij liepen daardoor steeds meer door elkaar.

Bouwen op avontuur paste bijzonder goed bij de walvisvaart

Scheepsbouwers konden een romp voor eigen risico beginnen en pas tijdens de bouw een koper vinden. Als een Groenlandreder kort voor het seizoen extra capaciteit nodig had, kon zo’n bijna gereed schip aantrekkelijk zijn. Het model beperkte de wachttijd en verdeelde het ondernemingsrisico tussen bouwer, houtleveranciers en latere kopers. ZaanWiki vermoedt zelfs dat niet direct verkochte schepen soms door scheepsbouwers en Zaanse kooplieden gezamenlijk in de walvisvaart werden ingezet. Daarmee kon een onverkocht schip veranderen van voorraad in rederijbezit. De werf werd dan tijdelijk zelf onderdeel van de zeevaartonderneming.

Een walvisfluit was inmiddels niet zomaar meer een gewone koopvaardijfluit

Na ongeveer 1670 ontstond voor de ijsvisserij een meer gespecialiseerde walvisfluit. Het uitgangspunt bleef het economische, ruime fluitschip, maar de romp werd sterker gemaakt. De jacht had zich steeds verder naar gebieden met drijfijs verplaatst en dat vroeg om aanvullende bescherming. Daardoor begon de walvisvaart ook zichtbaar invloed uit te oefenen op het bouwprogramma van de werf. Waar eerder een gewone handelsfluit zonder ingrijpende aanpassingen kon worden ingezet, verschenen nu vaartuigen waarbij de noordelijke bestemming al tijdens bouw of verbouwing werd meegewogen.

Het jaar 1696 levert een zeldzaam prijskaartje voor een groot Zaanse fregat

Uit de Zaanse scheepsbouwgegevens kennen we voor 1696 een fregat van ongeveer 120 voet, waarvoor circa ƒ13.200 werd betaald. Zo’n concreet bedrag helpt de omvang van de markt beter begrijpen. Het schip was aanzienlijk duurder dan de fluit van Patrick Angus uit 1668, maar nog altijd veel goedkoper dan de enorme Franse oorlogsschepen van 1666. Het voorbeeld laat zien hoe breed de prijsklassen waren waarin Zaanse werven konden werken. Grote zeegaande handels- en rederijschepen vormden een markt tussen de relatief eenvoudige fluit en het uitzonderlijk kostbare oorlogsschip.

Claes Arisz. Caescoper laat zien hoe verschillende Zaanse bedrijfstakken in één man samenkwamen

Claes Arisz. Caescoper, geboren in 1650 in Koog aan de Zaan, begon niet als groot reder. Hij was afkomstig uit een familie van olieslagers en werd zelf koopman en olieslager. Zijn dagboek, dat vanaf 1669 vrijwel dagelijks werd bijgehouden, geeft een uitzonderlijk inkijkje in zijn leven, handel, familie en de Zaanstreek. Hij was bovendien doopsgezind en hoorde bij de economisch actieve kringen rond Koog en Zaandam. Juist zijn latere bezit laat zien hoe een ondernemer vanuit de oliehandel kon doorgroeien naar walvisvaart en rederij.

Caescoper bezat uiteindelijk drie oliemolens én belangen in walvisvaart

Bij zijn overlijden in 1729 had Claes Caescoper aandelen in de oliemolens De Reus, Het Windei en Het Queen. Daarnaast bezat hij een aandeel in een traankokerij op het Kalf in Oostzaandam. Dit is precies de combinatie die de Zaanse economie kenmerkte: plantaardige olie en walvistraan waren verschillende producten, maar deelden handelskennis, vaten, opslag en afzetmarkten. Caescoper kon daardoor vermogen uit de oliehandel gebruiken voor maritieme ondernemingen en opbrengsten uit scheepsparten weer in molens of handel investeren.

Vijf walvisvaarders verschijnen in de nalatenschap van Caescoper

De inventaris van Caescopers zakelijke belangen maakt zijn verbinding met de walvisvaart zeer concreet. Hij had aandelen in de walvisvaarders Vergulde Hengst, Wapen ’t Oog, Christina, Stad Hamburg en Raadhuis van Jisp. Dit betekent niet dat al deze schepen in de jaren 1690 voeren of dat hij toen al dezelfde aandelen bezat; het gaat om zijn latere nalatenschap. Maar de lijst toont wel hoe breed zijn walvisvaartbelang uiteindelijk werd. Hij belegde niet in één vaartuig, maar spreidde zijn kapitaal over meerdere schepen.

Twee vleten walvisgereedschap vormden een aparte kapitaalpost

Caescoper bezat bovendien twee vleten walvisvangersgereedschap. Zo’n vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat de uitrusting los van het schip economische waarde had. Daaronder konden sloepen, lijnen, harpoenen, lansen en ander vangstmateriaal vallen. Gereedschap kon na terugkeer worden opgeslagen, gerepareerd en het volgende seizoen opnieuw worden gebruikt. Wie zo’n complete vleet bezat, had dus een eigen voorraad productiemiddelen voor de jacht. De walvisvaart bestond niet alleen uit een schip en bemanning, maar uit een hele verzameling afzonderlijk waardeerbare bezittingen.

Caescopers leven maakt zichtbaar hoe lang de opbouw van zo’n vermogen duurde

Omdat zijn dagboek al in 1669 begint, kunnen we Caescoper gedurende tientallen jaren volgen voordat zijn nalatenschap in 1729 wordt opgemaakt. Daardoor moeten we oppassen niet al zijn latere bezit naar 1690 terug te projecteren. Juist dat verschil maakt zijn levensloop interessant. Hij begon als jonge man uit een olieslagersfamilie en groeide geleidelijk uit tot koopman, reder en eigenaar van meerdere industriële belangen. Walvisvaartvermogen kon dus in de loop van tientallen jaren worden opgebouwd. Een grote rederij ontstond niet altijd ineens, maar vaak door voortdurende aankoop van kleine parten.

De Groenlandvaart en Straat Davis waren niet hetzelfde vaargebied

Tegen het einde van de eeuw wordt het belangrijk om onderscheid te maken tussen Groenlandvaart en Straat-Davisvaart. Met Groenland bedoelden Nederlandse bronnen vaak vooral de wateren rond Spitsbergen. Straat Davis lag veel verder westelijk, tussen Groenland en Noord-Amerika. Beide gebieden behoorden tot de walvisvaart, maar routes, reisduur en omstandigheden verschilden. Voor de achttiende eeuw kunnen Zaandamse rederijen steeds duidelijker naar beide bestemmingen worden onderscheiden. Over 1700–1800 worden zelfs afzonderlijk honderden Zaandamse reizen naar Straat Davis vermeld. De zeventiende eeuw vormde daarmee de aanloop naar een verdere geografische verbreding.

Het is daarom gevaarlijk om iedere noordelijke reis simpelweg ‘Groenland’ te noemen

In notariële akten, rekeningen en latere lijsten kan “Groenlandvaart” zowel een specifieke bestemming als een algemenere benaming voor walvisvaart lijken. Voor een nauwkeurige reconstructie moeten plaats, bestemming en rederij afzonderlijk worden geregistreerd. Een Zaandams schip kon in het ene jaar bij Spitsbergen varen en in een ander systeem naar Straat Davis worden uitgerust. De ontwikkeling van beide routes maakt ook duidelijk waarom ervaring van commandeurs steeds waardevoller werd. Kennis van één vangstgebied betekende niet automatisch dezelfde kennis van een ander.

Pieter Dircksz. Breeuwer bezat minstens twee werven in Oostzaandam

Tegen het einde van de eeuw verschijnt Pieter Dircksz. Breeuwer nadrukkelijk als meester-scheepstimmerman. Hij bezat ten minste twee werven in Oostzaandam. Daarmee vormt hij een tegenwicht tegen de vele verhalen over Westzaandamse werven en de Nieuwe Haven. Ook aan de oostzijde lag een grote, professionele werfwereld. Breeuwer kon meerdere schepen achtereen ontvangen en bleef tot in het begin van de achttiende eeuw actief. Zijn bedrijf zou later in handen van Ouwejan komen, waardoor zijn werf een schakel vormt tussen de grote zeventiende-eeuwse expansie en de volgende generatie scheepsbouwers.

De Oranjeboom lag in februari 1697 aan Breeuwers werf

In februari 1697 wordt het fluitschip Oranjeboom genoemd bij de werf van Pieter Breeuwer. De bron bewijst niet dat het schip daar oorspronkelijk gebouwd was en ook niet dat het een walvisvaarder was. Wel bewijst zij dat een concreet zeeschip op dat moment deel uitmaakte van Breeuwers werfbedrijf. Dit soort vermeldingen is bijzonder waardevol omdat zij de werf uit de abstracte productiecijfers haalt. In het jaar waarin Peter de Grote naar Zaandam zou komen, lag er daadwerkelijk een bij naam bekend fluitschip in de Oostzaandamse werfwereld.

Het volgende jaar verscheen ook de Vergulde Bijkorf in Breeuwers haven

In 1698 wordt bovendien de Vergulde Bijkorf genoemd in Breeuwers haven. Ook hier moet onderscheid worden gemaakt tussen aanwezigheid op de werf en oorspronkelijke bouw. Een schip kon voor onderhoud, reparatie, afbouw of verkoop bij een scheepsmaker liggen. Voor de werf leverden zulke bestaande schepen naast nieuwbouw een tweede inkomstenstroom op. Het dagelijkse werk bestond daardoor uit veel meer dan alleen spectaculaire tewaterlatingen. Een deel van de arbeiders was voortdurend bezig met herstel, vervangen van huidplanken, breeuwen en aanpassen van tuigage of dekconstructies.


Deel 12 — 1697–1699: Peter de Grote zag geen losse werf maar een complete Zaanse scheepsindustrie

Op 18 augustus 1697 kwam Peter de Grote Zaandam binnen

Op 18 augustus 1697 arriveerde de Russische tsaar Peter Aleksejevitsj, later bekend als Peter de Grote, in Zaandam. Hij reisde incognito onder de naam Pjotr Michajlov als onderdeel van het Grote Gezantschap. Zijn keuze voor Zaandam was bewust. De Russische vorst wilde scheepsbouw niet uitsluitend uit boeken leren maar persoonlijk zien hoe de Hollanders werkten. Juist de Zaanstreek stond bekend om de snelle particuliere bouw van handels- en oorlogsschepen. Peter kwam dus niet naar een geïsoleerde ambachtswerf, maar naar een van de grootste concentraties van scheepsbouw in de Republiek.

Gerrit Kist werd de onverwachte gastheer van de Russische vorst

In Zaandam vond Peter onderdak bij Gerrit Kist, een smid die eerder in Rusland had gewerkt en hem kende. Het kleine houten huis waar Peter verbleef werd later het beroemde Czaar Peterhuisje. De tegenstelling was opvallend: een vorst van een enorm rijk logeerde in een bescheiden Zaanse arbeiderswoning. Peter wilde daar juist buiten de ceremonie van een hofhouding staan. Hij hoopte tussen vaklieden te kunnen bewegen, gereedschap te gebruiken en zonder formele ontvangst te leren. Dat plan zou snel mislukken omdat zijn identiteit vrijwel onmiddellijk bekend werd.

Zijn lengte en eerdere contacten maakten geheimhouding vrijwel onmogelijk

Peter was uitzonderlijk lang en verschillende Zaankanters hadden in Rusland gewerkt of Russische contacten gehad. Daardoor bleef zijn aanwezigheid niet lang verborgen. Nieuwsgierigen verzamelden zich rond Kists woning en volgden hem bij bezoeken aan werven. Voor een man die als gewone leerling wilde werken was dat buitengewoon hinderlijk. De drukte maakte duidelijk hoe internationaal de Zaanse arbeidswereld inmiddels was. Ruslandvaarders, smeden, timmerlieden en kooplieden herkenden elkaar over grote afstanden. Technische kennis reisde met deze mensen mee lang voordat Peter zelf besloot haar systematisch naar Rusland te halen.

Hij zag in Zaandam minstens vijftig grote scheepswerven in een veel groter industrieel landschap

Tegen het einde van de zeventiende eeuw waren volgens reconstructies minstens vijftig grootscheepmakerijen in de Zaanstreek actief. Samen konden zij jaarlijks naar schatting ongeveer 120 tot 150 zeewaardige schepen bouwen. Peter trof dus geen paar beroemde meesters maar een landschap waarin vrijwel voortdurend meerdere schepen tegelijk in aanbouw waren. Houtzaagmolens leverden balken en planken, smeden maakten ijzerwerk, touwslagers en zeilmakers verzorgden andere onderdelen. De kracht van Zaandam lag niet alleen in individuele vaklieden, maar in de dichtheid van gespecialiseerde bedrijven.

Hij zag ook een markt waarin schepen al vóór een opdrachtgever konden worden gebouwd

Voor Peter moet vooral de snelheid van de Zaanse productie opvallend zijn geweest. Scheepsbouwers durfden rompen op avontuur te bouwen en pas later een koper te zoeken. Tussen 1685 en 1699 bereikte de handel in scheepsparten bovendien een uitzonderlijk hoge omzet. Een scheepsromp was daardoor tegelijk product, investering en handelsobject. De Russische staat werkte veel centraler, terwijl Zaandam juist liet zien wat tientallen concurrerende particuliere ondernemingen gezamenlijk konden bereiken. Het was niet één grote staatswerf die het systeem sterk maakte, maar de voortdurende wisselwerking tussen ambachtslieden, investeerders en marktvraag.

De Oranjeboom geeft het jaar van Peters bezoek een concreet schip

We weten dat in februari 1697 de fluit Oranjeboom bij de Oostzaandamse werf van Pieter Dircksz. Breeuwer lag. Daarmee kunnen we het jaar van Peters bezoek verbinden aan een daadwerkelijk bij naam bekend schip dat in de Zaanse werfwereld aanwezig was. We mogen niet beweren dat Peter dit schip persoonlijk inspecteerde; daarvoor ontbreekt bewijs. Maar het laat wel zien wat hij dat jaar kon aantreffen: bestaande zeeschepen naast nieuwe rompen, onderhoud naast nieuwbouw en meerdere zelfstandige meesters die gelijktijdig werk uitvoerden.

Ook Pieter Breeuwer behoorde tot de actieve meesters die Peter in deze werfwereld had kunnen ontmoeten

Pieter Dircksz. Breeuwer was in deze jaren een van de actieve Oostzaandamse meester-scheepstimmerlieden. Hij bezat minstens twee werven. Of Peter hem persoonlijk sprak is niet bekend en mag dus niet worden ingevuld. Maar Breeuwers bedrijf vertegenwoordigt precies het soort onderneming dat Peter kwam bestuderen: particuliere, relatief grote scheepsbouw met meerdere werkplaatsen en toegang tot bestaande zeeschepen. Een jaar na Peters bezoek lag de Vergulde Bijkorf in Breeuwers haven. De werf draaide dus aantoonbaar door vóór, tijdens en na de beroemde Russische aanwezigheid.

De traditionele verbinding met Lyns Tewisz. Rogge blijft aantrekkelijk maar niet volledig bewezen

Latere verhalen plaatsen Peter graag op de werf van Lyns Tewisz. Rogge in de Horn. Rogge was werkelijk een belangrijke Zaanse scheepsbouwer en reder. Toch noemen de vroegste bronnen niet eenduidig dat Peter juist op zijn werf werkte. Daarom blijft het verstandig deze koppeling als traditie te behandelen. Hetzelfde geldt voor latere anekdotes waarin ieder detail van Peters verblijf wordt ingevuld. De goed onderbouwde kern is al indrukwekkend genoeg: hij verbleef bij Gerrit Kist, bezocht de Zaanse scheepsbouw en vertrok na ongeveer acht dagen naar Amsterdam.

Acht dagen waren genoeg om Zaandam te zien maar niet om het vak systematisch te leren

Peter verbleef slechts ongeveer acht dagen in Zaandam. Daarna ging hij naar Amsterdam, waar hij op de afgesloten VOC-werf beter beschermd was tegen nieuwsgierige bezoekers. Daar kon hij langere tijd deelnemen aan de bouw van een schip. Het verschil tussen beide plaatsen is belangrijk. Zaandam bood hem de kennismaking met een enorm particulier productiegebied; Amsterdam bood een omheinde institutionele werf waar hij langer kon oefenen. Zijn Zaanse verblijf was dus kort, maar niet onbelangrijk. Het liet hem zien hoe snel en gedecentraliseerd Hollandse particuliere scheepsbouw kon functioneren.

Nicolaas Witsen hielp Peter begrijpen wat Zaanse meesters vooral uit ervaring wisten

In Amsterdam kreeg Peter steun van Nicolaas Witsen, burgemeester, Ruslandkenner en schrijver over scheepsbouw. Witsen vertegenwoordigde een andere vorm van kennis dan de Zaanse meester. Een ervaren scheepsmaker kon een romp bouwen met maten, verhoudingen en praktijkregels zonder eerst een volledig technisch tekeningenpakket op te stellen. Peter wilde die kennis juist overdraagbaar maken naar Rusland. Dat bleek moeilijk. Handvaardigheid en ervaring waren niet eenvoudig in regels te vangen. De ontmoeting met de Nederlandse scheepsbouw leerde hem daardoor niet alleen hoe goed het systeem werkte, maar ook hoe sterk het afhankelijk was van generaties praktijkkennis.

De overtoom werkte in dezelfde jaren nog altijd op volle kracht

Ondanks de groei van werven aan de Voorzaan bleef de oude Overtoom intensief gebruikt. Tussen zomer 1692 en zomer 1694 passeerden minstens 63 schepen deze installatie, dus gemiddeld meer dan dertig per jaar. Uit een eerdere telling tussen herfst 1678 en voorjaar 1680 zijn minstens 54 passages bekend. Waarschijnlijk zijn gedurende zijn bestaan meer dan duizend schepen over de dam gewonden. Peter kwam dus in een stad waar zelfs het verplaatsen van scheepsrompen een grootschalig georganiseerd arbeidsproces was.

Dezelfde schaal maakte duidelijk waarom de overtoom uiteindelijk zou verdwijnen

Het succes van Nieuwe Haven, Nieuwe Werk en andere werflocaties aan de Voorzaan maakte de Overtoom geleidelijk minder noodzakelijk. Grote schepen konden op die terreinen rechtstreeks naar het IJ worden gebracht zonder over de Dam te worden getrokken. Tussen 1700 en 1718 daalde het aantal overwindingen tot slechts ongeveer vijf of zes per jaar; in 1718 werd de installatie afgebroken. Dat latere einde was al rond 1697 in het landschap voorbereid. De grootste werven verschoven eenvoudig naar plaatsen waar het waterprobleem niet meer bestond.

Het walvisvaartlied uit 1694 laat zien welke arbeidswereld achter de grote ondernemingen lag

Drie jaar vóór Peters bezoek verscheen al een versie van het lied “Van de Walvis-vangst”. Terwijl een buitenlandse vorst bewondering had voor Hollandse techniek, beschreef dit lied de wereld van de gewone zeeman: slapen, plotseling alarm, dikke kleding, sloepen, harpoenen, spekmessen, drank, eten en vuil werk. Beide perspectieven horen bij dezelfde geschiedenis. Aan de ene kant stonden ondernemerschap, techniek en internationale reputatie. Aan de andere kant stonden mannen die in kleine boten roeiden en dagenlang vet en spek verwerkten. Zonder die arbeid had de indrukwekkende Zaanse maritieme economie niet bestaan.

Claes Caescoper noteerde Peters bezoek terwijl zijn eigen ondernemersleven verderging

De komst van de tsaar werd ook opgenomen in het dagboek van Claes Arisz. Caescoper. Dat dagboek liep al sinds 1669 en zou tot vlak voor zijn dood in 1729 worden bijgehouden. Caescoper was geen buitenstaander die alleen naar een beroemd bezoek keek. Hij behoorde zelf tot de Zaanse ondernemerswereld en groeide uit tot koopman, olieslager en reder. Daarmee kruisen in één bron het dagelijkse leven, de lokale economie en een gebeurtenis van internationale betekenis elkaar. Peter de Grote werd onderdeel van dezelfde notities waarin Caescoper ook weer, handel en familiegebeurtenissen vastlegde.

De Zaanse walvisvaart keek tegen 1700 al verder dan één noordelijk vangstgebied

Aan het einde van de eeuw bestond de walvisvaart niet meer uitsluitend uit de oude route naar Spitsbergen. De latere cijfers laten zien dat Zaandamse reders zowel naar Groenland als naar Straat Davis zouden uitrusten. In de achttiende eeuw worden die twee richtingen duidelijk afzonderlijk zichtbaar: tussen 1700 en 1800 worden ongeveer 2.150 Zaandamse reizen naar Groenland en ruim 350 naar Straat Davis genoemd. Het onderscheid werd daarmee steeds belangrijker voor schepen, commandeurs en boekhouders.

Rond 1699 stond een nieuwe generatie al klaar naast de oude werffamilies

De namen Sluyck, Gijsen, Cardinaal, Backer en Broocker hoorden bij de grote groei van eerdere decennia. Tegen het einde van de eeuw kwamen daarnaast families en ondernemers als Rogge, Breeuwer, Calff en Caescoper steeds sterker naar voren. Sommige bouwden schepen, andere investeerden in olie, walvisvaart of handel en verschillende families combineerden meerdere activiteiten. Daardoor eindigde de zeventiende eeuw niet met één dominante firma. De kracht van Zaandam bleef juist verspreid over tientallen particuliere ondernemingen die via familie, krediet en scheepsparten voortdurend met elkaar verbonden waren.

Deel 13 — 1677–1695: verzekeren, verhuren en verkopen maakten van een Zaans schip een verhandelbaar kapitaalgoed

In 1677 verzekerden 27 Zaankanters hun belangen in 38 walvisvaarders

Het jaar 1677 kennen we al door de 24 Zaandamse Groenlandrederijen en hun 38 schepen. Een aanvullende bron maakt duidelijk hoe die vloot financieel georganiseerd kon worden. Op 20 maart 1677 verzekerden 27 Zaanse kooplieden, scheepsbouwers en houtkopers hun belangen in 38 walvisvaarders. Het ging dus niet alleen om mannen die zelf naar Groenland voeren. Achter de schepen stond een groep ondernemers die geld in rompen en scheepsparten had gestoken en het risico daarvan probeerde af te dekken. Daarmee verschijnt naast werf, rederij en vangst een vierde onderdeel van de bedrijfstak: verzekering.

Een walvisvaarder hoefde niet meer eigendom van zijn schipper te zijn

In de oudere Zaanse zeevaart was de zelfstandige schipper vaak zelf mede-eigenaar en boekhouder van zijn schip. Rond 1670 was dat bij de walvisvaart sterk veranderd. Schepen werden steeds vaker door een ondernemer of groep eigenaren beschikbaar gesteld en vervolgens voor een walvisreis verhuurd. De boekhouder of directeur organiseerde de onderneming, huurde een commandeur en zorgde voor bemanning en vangstuitrusting. De commandeur kon vervolgens zowel de navigatie als de jacht leiden. Daardoor verdween de vroegere schipper-eigenaar grotendeels uit dit bedrijfsmodel. De walvisvaart werd zakelijker en kapitaalintensiever georganiseerd.

Zaanse scheepsbouwers ontdekten dat zij zelf tijdelijk reder konden worden

De verandering sloot uitstekend aan bij bouwen op avontuur. Een scheepsmaker hoefde niet te wachten tot een reder een schip bestelde. Hij kon zelf een middelgrote fluit bouwen. Vond hij na voltooiing geen koper, dan kon hij het schip verhuren voor de walvisvaart. De romp die op de werf nog onverkochte voorraad was, veranderde zo in een inkomstenbron. Na enkele reizen kon het schip alsnog op de tweedehandsmarkt worden verkocht. Juist dit bedrijfsmodel verklaart hoe sterk Zaanse scheepsbouw en walvisvaart in elkaar konden grijpen.

De Zaanse walvisfluit werd een herkenbaar handelsproduct

Voor de ijsvisserij ontwikkelden Zaanse werven een middelgrote fluit die gemiddeld ongeveer 112 voet, circa 34 meter, lang en 29 voet, ongeveer 8½ meter, breed was. Het laadvermogen bedroeg ongeveer 150 last. De romp werd van eikenhout gebouwd. Na voltooiing kon het onderwaterschip met extra planken worden verdubbeld en kreeg de boeg een extra borst- of stootlap. Daarmee ontstond geen totaal nieuw schip, maar een aangepaste handelsfluit die beter geschikt was voor de noordelijke walvisvaart. Zaanse werven werden belangrijke leveranciers van zulke schepen.

De werf verkocht daardoor niet alleen hout en arbeid maar ook risico

Dat bedrijfsmodel veranderde de positie van de scheepsbouwer. Wie zonder koper begon, betaalde eerst hout, lonen en werfkosten. De beloning kwam pas wanneer het schip werd verkocht of verhuurd. Bleef de verkoop uit, dan bleef ook het kapitaal in de romp vastzitten. Maar juist omdat Zaandam een grote markt van nieuwe rompen, gebruikte schepen en oudere walvisvaarders kende, was dat risico beheersbaarder dan op een geïsoleerde werf. Er ontstond een voorraad waaruit Nederlandse én buitenlandse reders konden kiezen.

Een gebruikte walvisvaarder bleef na enkele reizen geld waard

Een schip was na één Groenlandreis niet afgeschreven. Een relatief nieuwe fluit kon enkele seizoenen worden verhuurd en daarna worden verkocht. Zelfs oudere walvisvaarders konden nog een koper of huurder vinden wanneer hun staat dat toeliet. Daardoor bestond naast de markt voor nieuwbouw een omvangrijke tweedehandsmarkt. Voor een scheepsbouwer was dat belangrijk: de opbrengst van een schip bestond niet noodzakelijk uit één verkoopbedrag bij de tewaterlating. Huurinkomsten, scheepsparten en latere verkoop konden achter elkaar komen. De walvisvaart werd zo onderdeel van een veel bredere Zaanse handel in scheepskapitaal.

De verzekering van 1677 laat zien dat risico over tientallen ondernemers werd verdeeld

De 27 verzekeraars van 1677 geven een zeldzaam kijkje achter de vloot. Een schip kon in parten zijn verdeeld en verschillende personen konden ieder slechts een fractie bezitten. Daardoor hoefde één koopman niet het volledige bedrag voor een Groenlandvaarder op tafel te leggen. Tegelijk bleef ieder part blootstaan aan schipbreuk, oorlog, ijsschade of verlies van het schip. Verzekering maakte het mogelijk een deel van dat gevaar opnieuw over anderen te verdelen. Walvisvaart werd daarmee niet alleen georganiseerd met timmerhout, sloepen en harpoenen, maar eveneens met contracten, parten, krediet en risicospreiding.

De spectaculaire vlootgroei maakte zo’n financiële organisatie noodzakelijk

Rond 1640 telde de gehele Nederlandse walvisvaart ongeveer twintig schepen; in de jaren 1670 waren dat er ongeveer 150. Zo’n uitbreiding kon onmogelijk uitsluitend worden betaald door individuele schippers met een eigen vaartuig. Er was veel meer kapitaal nodig voor schepen, proviand, vaten, vangstuitrusting en lonen. Tegelijk werd de vangst riskanter doordat de jacht zich van beschutte baaien naar open zee en het ijsgebied verplaatste. De opkomst van partenbezit, verhuur en verzekering was daarom geen administratief bijverschijnsel, maar onderdeel van de schaalvergroting zelf.

Zaandam leverde niet alleen aan Nederlandse walvisreders

Dezelfde fluiten die voor Groenland konden worden gebruikt vonden ook kopers buiten de Republiek. Vooral Noord-Duitsland en Denemarken waren belangrijke markten. Dat is logisch: ook daar groeide de walvisvaart en waren geschikte middelgrote schepen nodig. De Zaanse scheepsmaker hoefde daardoor niet afhankelijk te zijn van één Zaandamse of Amsterdamse reder. Een romp kon worden gebouwd zonder dat vooraf vaststond of de uiteindelijke eigenaar in Holland, Hamburg, Denemarken of elders woonde. Juist die internationale afzet maakte bouwen op avontuur minder roekeloos dan het op het eerste gezicht lijkt.

Tussen 1688 en 1693 gingen minstens 87 Zaanse fluiten naar het buitenland

Een inventaris geeft voor 1688–1693 een uitzonderlijk concreet beeld. In slechts zes jaar werden minstens 87 middelgrote Zaanse fluiten aan buitenlandse kopers verkocht. Duitsland nam 33 schepen af en Denemarken 27. Daarna volgden Zweden met acht, Engeland en Portugal ieder met zes, Noorwegen met vier, Rusland met twee en Italië met één. Het zijn enorme aantallen voor één relatief korte periode. Ze bewijzen dat Zaandam niet alleen een Nederlands scheepsbouwcentrum was, maar een Europese exportmarkt voor complete zeeschepen.

Duitsland en Denemarken namen samen zestig van de 87 fluiten af

Vooral de verdeling van die export is veelzeggend. Van de 87 schepen gingen er 60 naar Duitsland en Denemarken. Dat sluit aan bij de groeiende Noord-Duitse en Deense walvisvaart. Niet ieder van die 60 fluiten hoeft daadwerkelijk als walvisvaarder te zijn ingezet; de bron registreert de verkoop van schepen en niet automatisch hun latere bestemming. Maar de overlap tussen Zaanse productie en de noordelijke walvisvaartmarkt is duidelijk. Zaandam exporteerde daarmee niet alleen schepen, maar indirect ook een vorm van scheepsbouwkennis.

Zweden, Engeland en Portugal laten zien hoe breed de markt werkelijk was

De overige bestemmingen zijn minstens zo interessant. Acht fluiten gingen naar Zweden, zes naar Engeland, zes naar Portugal, vier naar Noorwegen, twee naar Rusland en één naar Italië. Daarmee strekte de markt zich uit van Scandinavië tot Zuid-Europa. Het zou onjuist zijn al deze schepen met de walvisvaart te verbinden. Juist het tegendeel is belangrijk: dezelfde Zaanse werfwereld kon een schip leveren voor walvisvaart, Oostzeehandel, Atlantische koopvaardij of een andere bestemming. De walvisvaart profiteerde daardoor van een scheepsindustrie die veel groter was dan de bedrijfstak zelf.

Een teruglopende Zaanse zeemansstand veranderde tegelijk de bemanningsmarkt

Er vond nog een andere verschuiving plaats. Na 1630 verschijnen steeds minder Zaankanters als zelfstandige zeevarende schippers in de bronnen. De teruglopende Noordse houtvaart speelde daarbij een rol, maar ook de enorme hoeveelheid werk aan land. Een man kon in molen, houtbedrijf of scheepsbouw een bestaan vinden zonder maandenlang op zee te zijn. Daardoor gingen Zaanse en Amsterdamse boekhouders hun commandeurs steeds breder werven: in het Noorderkwartier, op de Waddeneilanden, in Scandinavië en Noord-Duitsland. De vloot kon dus Zaans zijn terwijl haar bemanning dat maar gedeeltelijk was.

Het schip verbond daardoor Zaandam met een veel groter arbeidsgebied

Deze ontwikkeling verklaart een schijnbare tegenstelling. De Zaanse walvisvaart groeide enorm, terwijl Zaanse commandeurs en schippers in bepaalde notariële bronnen juist minder zichtbaar werden. Dat betekende niet dat de bedrijfstak verdween. Het bedrijfsmodel was veranderd. De boekhouder of reder organiseerde de onderneming aan land, terwijl een ingehuurde commandeur uit bijvoorbeeld Texel, Vlieland, Noord-Holland of Noord-Duitsland het schip naar het vangstgebied bracht. Zaandam leverde steeds vaker het kapitaalgoed en de bedrijfsorganisatie; de arbeidsmarkt voor zeevarenden strekte zich veel verder uit.

Rond 1695 was een schip tegelijk product, bezit, verhuurobject en belegging

Daarmee was tegen het einde van de zeventiende eeuw een opmerkelijk systeem ontstaan. Een Zaanse scheepsbouwer kon een fluit zonder opdrachtgever beginnen, hem tijdens de bouw verkopen, na voltooiing verhuren, zelf een part behouden, het schip voor Groenland laten gebruiken en het enkele jaren later tweedehands verkopen. Andere investeerders konden afzonderlijke parten bezitten en hun risico verzekeren. Buitenlandse kopers konden dezelfde schepen overnemen. De romp op de helling was daarmee veel meer geworden dan het eindproduct van een ambacht. Het schip functioneerde als verhandelbaar kapitaalgoed binnen een internationale markt van reders, scheepsbouwers, houtkopers en verzekeraars.

Deel 14 — 1672–1699: Lijsbeth Blaauw en Gerrit Caeskoper verbonden hout, schepen, olie en walvisvaart in één onderneming

Lijsbeth Dircks Blaauw kwam uit de wereld van de Zaanse houthandel

De geschiedenis van Lijsbeth Dircks Blaauw (1638–1690) laat zien hoeveel economisch vermogen via vrouwen kon worden overgedragen. Haar vader Dirk Dirksz. Blaauw was in het midden van de zeventiende eeuw actief als houthandelaar. Lijsbeth erfde van hem verschillende scheepsparten. Daarmee bezat zij al vóór haar tweede huwelijk belangen in de maritieme economie. Dat is belangrijk, omdat vrouwen in verhalen over Zaanse scheepsbouw vaak verdwijnen achter de namen van echtgenoten. In werkelijkheid konden erfenissen, huwelijksvermogen en weduwschap bepalen wie toegang kreeg tot scheepsparten, houtvoorraden en ondernemingskapitaal.

Haar eerste huwelijk bracht twee grote houthandelsfamilies bij elkaar

Lijsbeth trouwde met de houthandelaar Jan Arendsz. Meyn (1629–1672). Daarmee kwamen belangen van de families Blaauw en Meyn binnen één huishouden samen. Houthandel was een van de fundamenten onder de Zaanse scheepsbouw. Wie toegang had tot grote partijen eiken en naaldhout bezat niet alleen handelswaar, maar invloed op de productieketen van de werven. Het huwelijk moet daarom niet uitsluitend als familiegeschiedenis worden gelezen. Het vormde eveneens een economische verbinding tussen vermogen, scheepsparten en een bedrijfstak waarin grondstoffen vaak op krediet werden geleverd.

De dood van Jan Meyn in 1672 maakte Lijsbeth tot bezitster van 36 scheepsparten

Toen Jan Arendsz. Meyn in 1672 overleed, erfde Lijsbeth belangen in maar liefst 36 schepen. Daarnaast kreeg zij 10/48 deel in de houthandel van Meyn. Dat is een van de meest indrukwekkende concrete voorbeelden van vrouwenkapitaal in de zeventiende-eeuwse Zaanstreek. Het betekende niet dat zij 36 complete schepen bezat; het ging om aandelen of parten. Maar juist daarin zat de kracht van de Zaanse partenrederij. Haar vermogen was over tientallen schepen verdeeld. Lijsbeth stond daardoor na het overlijden van haar man midden in een internationaal maritiem investeringsnetwerk.

Binnen een jaar trouwde Lijsbeth met Gerrit Arisz. Caeskoper

Binnen ongeveer een jaar na Meyns overlijden trouwde Lijsbeth met Gerrit Arisz. Caeskoper (1644–1722). Gerrit kwam uit een andere maar aansluitende economische wereld. Hij was oliemolenaar en zaadhandelaar. Door het huwelijk veranderde zijn zakelijke positie onmiddellijk. Hij werd van het ene op het andere moment mede onderdeel van scheepseigendom, houthandel en zelfs scheepsbouw. Het huwelijk verbond daarmee twee kapitaalwerelden die voor de walvisvaart uiterst belangrijk waren: hout en schepen aan de ene kant, oliehandel en verwerking aan de andere.

De Vijverberg aan de Zuiddijk maakte Gerrit ook scheepsbouwer

Via het overgenomen vermogen kwam scheepswerf De Vijverberg aan de Zuiddijk in Gerrits economische omgeving. Daarmee bezat hij niet alleen scheepsparten en belangen in hout, maar ook een plaats waar schepen konden worden gebouwd of onderhouden. De Zuiddijk was een belangrijke buitendijkse scheepsbouwzone met directe toegang tot de Voorzaan en het IJ. Voor een ondernemer die al belangen in schepen bezat was een werf strategisch bezit. Hout kon vanuit de handel naar de helling gaan, de gebouwde romp kon vervolgens worden verkocht of in eigen rederij worden gebruikt.

Gerrit hield De Vijverberg en de houthandel niet zijn hele leven vast

Het is belangrijk zijn onderneming niet als één onveranderlijk imperium voor te stellen. Na enkele jaren deed Gerrit zijn belangen in de houthandel en scheepswerf weer van de hand. Hij concentreerde zich sterker op zaad, olie en walvisvaart. Juist dat maakt zijn geschiedenis interessant. Kapitaal kon binnen de Zaanse economie voortdurend van vorm veranderen. Een ondernemer hoefde niet zijn hele leven scheepsbouwer, houtkoper of reder te blijven. Grond, molenparten, scheepsparten en handelsbelangen konden worden verkocht en de opbrengst kon vervolgens in een andere bedrijfstak worden geïnvesteerd.

De Caeskopers waren al vóór Gerrits huwelijk in de oliehandel actief

Gerrits vader Aris Cornelisz. Caeskoper (1618–1689) was oorspronkelijk kaashandelaar, maar verlegde zijn belangen later naar olie. Rond 1678 bezat hij 3/8 van oliemolen De Halve Maan op het Kalf. Bij zijn overlijden in 1689 had hij bovendien een derde aandeel in oliemolen De Kieft en de helft van De Pink. Hij bezat ook een aandeel in de walvisvaarder Eendracht, waarvan zijn zoon Gerrit boekhouder was. De overgang van plantaardige olie naar walvisvaart was dus geen toevallige sprong.

De Eendracht verbond vader Aris rechtstreeks met zoon Gerrit

Het aandeel van Aris in de walvisvaarder Eendracht is bijzonder waardevol omdat daarbij Gerrits functie zichtbaar wordt. Gerrit trad voor het schip als boekhouder op. Daarmee krijgen we binnen één familie zowel de investeerder als degene die de onderneming organiseerde. De boekhouder beheerde de zakelijke kant van het schip en stond centraal in het nieuwe rederijmodel dat in de tweede helft van de eeuw opkwam. Hij hoefde zelf niet als traditionele schipper-eigenaar naar Groenland te varen. De onderneming werd steeds duidelijker vanuit het kantoor en het netwerk aan land bestuurd.

Op het Kalf kwamen plantaardige olie en walvistraan letterlijk naast elkaar terecht

Gerrit bezat op het Kalf belangen in een bakhuis of olieopslag, in oliemolen De Halve Maan en in een traankokerij. Daarmee zien we op één plaats verschillende fasen van de olie-economie bijeen. De molen perste olie uit zaden; de traankokerij verwerkte walvisspek; opslagplaatsen hielden grondstoffen en eindproducten beschikbaar voor handel. Plantaardige olie en walvistraan waren niet hetzelfde, maar konden deels dezelfde markten bedienen, bijvoorbeeld verlichting, zeep en industriële toepassingen. Dat maakte de Zaanstreek bijzonder geschikt om walvisvaart in haar bestaande economie op te nemen.

Traankokerijen waren welkom in een landschap waar hun stank ruimte kon krijgen

De verwerking van walvisspek veroorzaakte zoveel geurhinder dat traankokerijen ook wel stinkerijen werden genoemd. Stadsbesturen wilden zulke bedrijven niet graag midden tussen dichtbebouwde woonwijken hebben. De Zaanstreek bood juist een combinatie van waterwegen, industrieterreinen en relatief open land. In Oostzaan was al in 1644 een traankokerij actief; een kaart van 1693 toont er zeven. In Westzaandam wordt in 1648 al een kokerij genoemd. De bestaande olie-industrie en het landschap maakten de streek daardoor geschikt voor een activiteit die elders moeilijker was in te passen.

In Koog stond het vleethuis De Walvis voor de wintervoorraad van de jacht

In Koog aan de Zaan had Gerrit een belang in pakhuis Caeskoper en in het vleethuis De Walvis. Dat laatste gebouw was speciaal belangrijk voor de walvisvaart. Daar kon vangstuitrusting gedurende de winter worden opgeslagen. Het woord vleet verwees naar het geheel van materiaal waarmee de vangst werd uitgevoerd: sloepen en de daarbij behorende lijnen, harpoenen, lansen, messen en andere benodigdheden. De walvisvaart had daardoor ook buiten het vaarseizoen ruimte nodig. Wanneer het schip thuislag, verdwenen de productiemiddelen niet; zij werden onderhouden en klaargezet voor een volgende reis.

Een walvisonderneming bestond dus uit veel meer dan één schip

Bij Gerrit Caeskoper komen bijna alle onderdelen van de bedrijfstak samen. Er waren scheepsparten, een periode met een scheepswerf, belangen in houthandel, een oliemolen, een traankokerij, opslagruimte en een vleethuis. Daarnaast trad hij als boekhouder van walvisvaarders op. Geen van die onderdelen vertelt afzonderlijk het hele verhaal. Samen tonen zij hoe verticaal verweven de Zaanse economie kon zijn. Hout werd schip; schip werd verhuurd of geëxploiteerd; vangst werd spek; spek werd traan; olie werd opgeslagen en verkocht; gereedschap ging na terugkeer het vleethuis in.

Gerrit belegde samen met zijn vader en zijn broer Claas in walvisvaarders

De walvisvaartbelangen bleven bovendien binnen de familie niet tot Gerrit beperkt. Hij bezat scheepsparten samen met zijn vader Aris Cornelisz. Caeskoper en zijn broer Claas Arisz. Caeskoper (1650–1729). Claas zou later zelf aanzienlijke belangen in walvisvaarders, oliemolens, een traankokerij en walvisgereedschap bezitten. Daarmee ontstond geen enkelvoudige firma met één eigenaar, maar een familieweb van afzonderlijke parten. Het systeem maakte het mogelijk om risico te spreiden en tegelijkertijd binnen vertrouwde familie- en zakelijke relaties kapitaal bijeen te brengen.

De Caeskopers bewijzen waarom de Zaanse olie-industrie zo belangrijk was voor de walvisvaart

De verbinding tussen olie en walvisvaart was structureel. Rond 1630 stonden langs de Zaan al ongeveer 45 oliemolens die vooral raap- en lijnzaad verwerkten. Tegen 1700 werden enorme hoeveelheden plantaardige olie naar Groot-Brittannië, Duitsland en het Oostzeegebied uitgevoerd. Toen steeds meer walvisspek in Holland zelf werd uitgekookt, kwam traan dus terecht in een streek die al beschikte over oliehandelaren, opslag, vaten, vervoer en internationale afzetkanalen. De walvisvaart hoefde haar handelsinfrastructuur niet volledig vanaf nul op te bouwen.

In 1683 vertegenwoordigde Gerrit Koog in het College van de Groenlandsche Visserij

Gerrits positie reikte verder dan zijn particuliere ondernemingen. In 1683 vertegenwoordigde hij Koog in het College van de Groenlandsche Visserij. In 1700 zou hij dat opnieuw doen. Daarmee trad een ondernemer uit het olie-, scheeps- en walvisnetwerk ook op binnen een bestuurlijke instelling van de bedrijfstak. De walvisvaart had inmiddels zoveel economisch gewicht gekregen dat belangenbehartiging en gezamenlijke organisatie noodzakelijk waren. Gerrit stond daardoor niet alleen tussen zijn eigen scheepsparten en oliebedrijven, maar vertegenwoordigde ook een lokale gemeenschap binnen de bredere Groenlandse visserij.

Lijsbeth overleed in 1690 maar haar vermogen had de onderneming blijvend veranderd

Lijsbeth Dircks Blaauw overleed in 1690. Haar rol mag daardoor niet verdwijnen achter Gerrits latere activiteiten. Zonder haar erfenis uit de families Blaauw en Meyn was zijn snelle entree in houthandel, scheepseigendom en scheepsbouw heel anders verlopen. Haar 36 scheepsparten en 10/48 aandeel in de Meyn-houthandel waren geen kleine bruidsschat, maar een omvangrijk ondernemingsvermogen. Haar levensloop toont hoe vrouwen via erfenis en huwelijk belangrijke schakels konden zijn in de overdracht en concentratie van vroegmodern kapitaal.

De buitenlandse verkoop van 87 fluiten laat zien in welke markt deze familie opereerde

Toen Lijsbeth in 1690 overleed, bevond de Zaanse scheepsmarkt zich midden in een uitzonderlijke internationale bloeiperiode. Tussen 1688 en 1693 werden minstens 87 middelgrote Zaanse fluiten aan buitenlandse kopers verkocht. Duitsland en Denemarken namen samen zestig exemplaren af; andere schepen gingen naar Zweden, Engeland, Portugal, Noorwegen, Rusland en Italië. Het vermogen dat families als Blaauw, Meyn en Caeskoper in hout en schepen hadden opgebouwd functioneerde dus niet binnen een lokale dorpsmarkt. Het was ingebed in een Europese handel waarin complete Zaanse schepen exportproducten waren geworden.

De Zaanse walvisvaart was onderdeel van een veel grotere industriële keten

De geschiedenis van Lijsbeth Blaauw en Gerrit Caeskoper maakt zichtbaar wat vlootcijfers alleen niet kunnen tonen. Achter één Groenlandvaarder konden een erfgename met tientallen scheepsparten, een houtfirma, een scheepswerf, oliemolenaars, een traankokerij, pakhuizen, een vleethuis, familieleden en een boekhouder staan. De Zaanse walvisvaart werd juist sterk doordat vrijwel al die onderdelen dicht bij elkaar aanwezig waren. Scheepsbouw en walvisvaart waren geen twee afzonderlijke bedrijfstakken. Zij raakten verbonden met houthandel, molens, oliehandel, opslag, krediet, familievermogen en internationale scheepsverkoop.

Tegen 1699 was het netwerk rond het schip minstens zo belangrijk als het schip zelf

Aan het einde van de eeuw kon Zaandam een walvisonderneming ondersteunen zonder dat alle betrokkenen zelf naar zee gingen. De ene ondernemer bezat een scheepspart, een ander leverde hout, een werf bouwde de romp, een boekhouder huurde de commandeur, het vleethuis bewaarde de uitrusting en de traankokerij verwerkte de vangst. Tegelijk konden dezelfde werven tientallen fluiten naar het buitenland verkopen. Juist die combinatie verklaart waarom de Zaanstreek zo’n grote plaats in de Nederlandse walvisvaart kon innemen.