1. Geologische basis / ondergrond — Purmerend

Purmerend ligt op een bijzondere overgang in het Noord-Hollandse landschap: tussen het oude, natte veenland van Waterland en de jonge kleigronden van de droogmakerijen Beemster en Purmer. Die ondergrond verklaart bijna alles wat later met de stad gebeurde. Purmerend werd geen stad op zand, geen stad op een hoge rivierduin en geen stad op vaste oude grond. Het ontstond in een drassige wereld van veen, waterlopen, meren, slappe oevers, inklinkend land en klei die pas zichtbaar werd toen het water verdween.

De oudste basis van dit gebied werd gevormd door zeeklei, afgezet in perioden waarin de zee diep het kustgebied binnendrong. Daarboven groeide later een dik veenpakket. Dat veen bestond uit resten van mos, riet, waterplanten en ander moerasmateriaal, eeuwenlang bewaard doordat het nat bleef en nauwelijks met zuurstof in aanraking kwam. Zolang het veen onder water stond, bleef het als een spons in het landschap liggen. Maar zodra mensen vanaf ongeveer de middeleeuwen sloten gingen graven om het land te ontwateren, veranderde die spons langzaam in zakkende grond.

Dat is de kern van Purmerends landschap: door ontginning werd het land bruikbaarer, maar tegelijk kwetsbaarder. Het water liep weg, het veen kwam in contact met lucht, begon te oxideren en klonk in. Daardoor daalde het maaiveld. Wat eerst hoger veenland was, kwam steeds lager te liggen. Akkerbouw werd moeilijk, soms vrijwel onmogelijk. Grasland, koeien, schapen en veehouderij pasten beter bij deze natte bodem. Zo legde de ondergrond al vroeg de richting vast van het latere Waterlandse bestaan: minder graan, meer vee, zuivel, hooi, visserij en waterbeheer.

Rond Purmerend lagen vóór de droogmaking grote watervlakten: de Beemster, de Purmer en de Wormer. Deze meren waren niet zomaar rustige binnenplassen. Ze ontstonden mede doordat wind, golfslag en water de slappe veenoevers steeds verder aantastten. Hoe groter de meren werden, hoe meer ruimte de wind kreeg om golven op te bouwen, en hoe sneller nieuw land werd weggeslagen. Het landschap rondom Purmerend was dus voortdurend in beweging. Land kon water worden, oevers konden verdwijnen en nederzettingen moesten zich aanpassen aan een bodem die nooit helemaal betrouwbaar was.

De plek van Purmerend werd bepaald door de Where, de oude veenstroom die de Beemster en de Purmer met elkaar verbond. Langs zo’n waterloop lagen iets hogere oeverzones, geschikt genoeg om mensen, erven, handel en verkeer aan te trekken. Juist daar, waar landweg en waterweg elkaar raakten, ontstond de nederzetting. De ondergrond maakte Purmerend kwetsbaar, maar gaf de plaats tegelijk haar betekenis. De stad lag niet ondanks het water gunstig, maar juist dankzij het water.

Toen de Beemster in 1612 en de Purmer in 1622 werden drooggelegd, werd de geologische tegenstelling nog sterker zichtbaar. Het oude veenland rond de stad lag hoger dan de nieuwe droogmakerijbodem, maar was slapper en natter. De droogmakerijen lagen dieper, soms meters beneden NAP, op kleiige meerbodems waar het oorspronkelijke veenpakket grotendeels verdwenen was. In de Purmer kwam zware oude zeeklei en humeuze klei aan de oppervlakte, mede beïnvloed door oude Oer-IJ-achtige kreekafzettingen. Zo kwam rond Purmerend een landschap te liggen van oud veenland, ringvaarten, dijken, diepe polders en kleigrond.

Die bodem bepaalde ook de bouwgeschiedenis. Huizen, pakhuizen, stallen, kades, bruggen en bedrijfspanden moesten rekening houden met natte grond en hoge grondwaterstanden. Archeologische onderzoeken aan onder meer de Achterdijk en Padjedijk laten zien hoe bewoners hun erven ophoogden met lagen grond, veen, afval en puin. Rietmatten, houten palen, funderingen, waterputten en beerputten horen bij een stad die letterlijk laag voor laag boven het natte landschap werd opgebouwd.

Purmerend is daarom geen toevallige marktstad geworden. De geologische basis dwong de omgeving richting veeteelt, waterbeheer en handel. De meren gaven vis, de droogmakerijen gaven landbouwgrond, de veenpolders gaven grasland, en de Where verbond alles met elkaar. Onder Purmerend ligt dus het verhaal van veen dat zakte, klei die tevoorschijn kwam, water dat moest worden gekeerd en mensen die telkens opnieuw ruimte maakten om te wonen, werken en handelen.

2. Landschap en water — polders, plassen, vaarten, sloten, dijken en ontginning

Purmerend is zonder water niet te begrijpen. De stad ontstond niet naast het landschap, maar uit het landschap: op een hogere oever bij de Where, tussen veen, meren, dijken, sloten en vaarwegen. De Where was oorspronkelijk geen klein kanaal, maar een natuurlijke veenstroom die de Beemster en de Purmer met elkaar verbond. Via de Purmer Ee stond dit water in open verbinding met de Zuiderzee. Daardoor was Purmerend tegelijk binnenlands en maritiem: een plek van boeren, vissers, schippers, handelaren en reizigers.

Het landschap rond Purmerend bestond uit nat veen. Toen bewoners vanaf ongeveer 1000–1200 sloten groeven om het land bruikbaar te maken, begon een proces dat nooit meer stopte. Het water liep weg, het veen klonk in, de bodem daalde en het land werd kwetsbaarder. Wat eerst ontginning was, werd daarna waterbeheer. Iedere sloot, dijk, kade en molen hoorde bij die strijd. Akkerbouw werd moeilijk; grasland, veeteelt, visserij en vervoer over water pasten beter bij dit dalende land.

De oude waterstructuur is nog in namen en lijnen terug te vinden. De Dob, Achterom, Burgsloot, Bovensloot, Gorssloot, Spieringsloot en Kromme Wijzend horen bij het middeleeuwse ontginningslandschap. Sommige waren achterkaden of dwarskaden: sloten aan het einde of langs de zijkant van een ontginningsblok, bedoeld om water uit hoger veen om te leiden. Zulke waterlopen waren geen toevallige greppels. Ze bepaalden waar mensen konden wonen, waar vee kon grazen, waar wegen liepen en waar later wijken werden aangelegd.

De Where was het hart van Purmerend. Langs dit water ontstonden handel, visserij, erven, pakhuizen, werkplaatsen en bewoning. De naam zelf verwijst waarschijnlijk naar een visweer: een constructie in het water waarmee vis naar fuiken werd geleid. Dat past bij de oude betekenis van Purmerend als vissersplaats. Vooral aal was belangrijk. De aal uit de Where, de Beemster en de Purmer gold als bijzonder goed. Er werd zelfs levende aal naar Londen vervoerd in schepen met open of doorboorde kielen, zodat het water kon doorstromen en de vis bleef leven.

Die visserij was niet alleen dagelijks werk, maar ook recht en bezit. Toen Purmerend in 1410 rechten kreeg, hield de graaf van Holland het visrecht op de Where aan zich. Dat betekende dat de opbrengsten van de visserij niet zomaar aan de stad toevielen. Visrecht, pacht en verpachting waren economische macht. Willem Eggert, de eerste heer van Purmerend, stond midden in die wereld van water, bestuur en inkomsten. Purmerend groeide dus niet alleen door ligging, maar ook door rechten: wie mocht vissen, wie mocht heffen, wie mocht markt houden en wie bepaalde de regels?

De droogmakingen veranderden alles. De Beemster werd in 1612 drooggelegd, de Purmer in 1622 en de Wormer in 1626. Daarmee verdwenen grote viswateren rond de stad. Voor vissers betekende dat verlies van bestaan, maar voor Purmerend als marktstad opende zich een nieuwe wereld. Waar eerst water lag, kwamen kavels, boerderijen, wegen, tochten, ringvaarten en grasland. Koeien, schapen, kaas, boter, groenten en fruit kwamen nu naar de stad. Purmerend verschoof van vissersstad naar marktstad.

De Beemsterringvaart, Purmerringvaart en ringvaart van de Wijdewormer werden nieuwe hoofdaders van het landschap. In de Purmer kwamen de Middentocht, de Overweersche Tocht en de Driegang. De Driegang verwijst naar molens die het water trapsgewijs omhoog brachten. Dat was technisch vernuft, maar ook dagelijks onderhoud: molenaars, dijkgraven, heemraden, ingelanden en boeren waren afhankelijk van goed werkende bemaling. Waterbeheer was geen achtergrond; het was bestuur, belasting, arbeid en overleving.

Ook archeologisch wordt dit natte landschap zichtbaar. Bij de Achterdijk werd duidelijk dat bewoning langs de Where pas mogelijk werd door ophoging. Het gebied lag buitendijks en was gevoelig voor wateroverlast. Mensen gingen daar pas bouwen toen de druk op de stad toenam. Ophogingslagen van veen, klei, aardewerk en afval laten zien hoe bewoners letterlijk nieuw woonland maakten. Huizen, waterputten, waterkelders, beerputten, paaltjes, funderingen en vloeren tonen hoe wonen aan het water praktisch werd georganiseerd.

Bij de Padjedijk komt hetzelfde beeld naar voren. Daar werden oude ophogingslagen gevonden, rietmatten om de natte bodem te stabiliseren, resten van bebouwing, beerputten, een grutterij en een mosterdmaalderij. Dat zijn geen losse vondsten, maar sporen van een stad die op natte grond moest worden opgebouwd. De bodem moest eerst draagkracht krijgen voordat huizen, werkplaatsen en erven konden blijven staan. Purmerend was letterlijk laag op laag gemaakt.

Het water bracht rijkdom, maar ook gevaar. De stad lag in een omgeving waar dijken konden breken, meren konden uitbreiden en stormen land konden wegvreten. De Waterlandse Omringdijk, het Oudelandsdijkje, de Stekeldijk en andere waterkerende structuren horen daarom bij het verhaal van Purmerend. Dijken waren grenzen tussen veiligheid en dreiging. Ze vroegen onderhoud, toezicht, plicht en betaling. Wie in dit landschap leefde, leefde met dijkplicht, schouw, polderlasten en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

In de negentiende eeuw veranderde het water opnieuw van betekenis. Met het Noord-Hollands Kanaal kreeg Purmerend een nieuwe vaarroute. De stad profiteerde van scheepvaart, houtaanvoer, proviandering en bedrijvigheid. Klaas Brantjes zag langs de Where en het kanaal kansen voor houthandel en industrie. Oude waterwegen die ooit vis, veen en boerenproducten droegen, werden nu ook routes voor hout, bouwmateriaal, fabriek en stedelijke groei.

Toch bleef het oudere landschap onder de moderne stad aanwezig. Straatnamen als Weerwal, Wheredijk, Wherekant, Overwhere en Wheermolen bewaren de herinnering aan de verdwenen of veranderde rivier. De Gedempte Where laat zien hoe in de twintigste eeuw water moest wijken voor verkeer, parkeerplaatsen en moderne stadsontwikkeling. Maar onder dat asfalt ligt nog steeds het verhaal van de rivier die Purmerend liet ontstaan.

Blok 2 moet daarom niet alleen gaan over polders en sloten, maar over de kern van Purmerend zelf: water als bron van voedsel, handel, macht, gevaar, arbeid, techniek en herinnering. De stad werd gevormd door nat veen, open meren, visrechten, droogmakerijen, ringvaarten, molens, dijken, markten en mensen die telkens opnieuw moesten leren leven met water.

3. Prehistorie tot 12 v.Chr.

3a. Het landschap vóór Purmerend

Lang voordat Purmerend ontstond, zag het gebied er totaal anders uit. Er waren geen dijken, wegen, boerderijen, kerken of dorpen. Het landschap bestond uit een uitgestrekt moeras- en veengebied achter de kust van Noord-Holland. Water bepaalde alles. Regenwater bleef staan in laagten, planten groeiden af, verteerden slechts gedeeltelijk en vormden gedurende duizenden jaren dikke veenlagen.

De ondergrond bestond uit oudere zeeklei die in eerdere perioden door de zee was afgezet. Daarboven ontstond een steeds dikker pakket veen. Dit proces verliep langzaam maar onafgebroken. Rietvelden gingen over in moerassen, moerassen in broekbossen en broekbossen weer in open natte vlakten. Het landschap veranderde voortdurend door waterstanden, stormen en natuurlijke afwatering.

Waar later de Beemster, Purmer en Wormer zouden liggen, bevonden zich nog geen grote meren. Het waren natte veengebieden met kreken, geulen, plassen en waterlopen. Sommige delen waren open en waterrijk, andere delen waren begroeid met struiken en bomen.

3b. Plantenwereld

De prehistorische natuur rond het huidige Purmerend was rijk aan planten. Grote velden met veenmos vormden de basis van nieuwe veengroei. Daartussen groeiden riet, biezen, lisdodden en verschillende soorten zeggen. In de natte oevers kwamen waterplanten voor die beschutting boden aan vissen en vogels.

Op iets drogere plekken ontstonden broekbossen. Daar groeiden els, berk en wilg. Vooral de els voelde zich thuis in de natte bodem. Op hogere delen verschenen soms eiken, hazelaars en andere bomen die beter tegen drogere omstandigheden konden.

In het voorjaar kleurde het landschap door bloeiende moerasplanten. Watermunt, moerasvergeet-mij-nietje, dotterbloem en kattenstaart groeiden langs oevers en in vochtige graslanden. In de zomer stonden uitgestrekte rietvelden te wuiven in de wind. In de herfst veranderden de broekbossen in een mengeling van geel, bruin en rood.

Het landschap rook naar nat veen, stilstaand water, bloeiende planten en rottend blad. Dat was de natuurlijke wereld waarin de eerste mensen zich door dit gebied bewogen.

3c. Dierenwereld

De dierenwereld was minstens zo rijk als de plantenwereld. Het waterrijke landschap bood voedsel, beschutting en broedgelegenheid aan talloze soorten.

In de wateren zwommen paling, snoek, voorn, baars en andere zoetwatervissen. De aanwezigheid van zoveel vis trok weer roofdieren aan. Otters jaagden langs oevers en waterlopen. Beverachtige dieren kwamen in eerdere perioden voor in de Nederlandse moerasgebieden.

De rietvelden zaten vol vogels. Wilde eenden, ganzen, zwanen, futen en reigers waren waarschijnlijk algemene verschijningen. Langs slikranden en natte oevers zochten steltlopers voedsel. Roofvogels cirkelden boven open terrein op zoek naar kleine dieren.

In de broekbossen leefden reeën, vossen, marterachtigen en talrijke kleinere zoogdieren. Wilde zwijnen konden in de bosrijke delen voedsel vinden tussen wortels, eikels en moerasplanten. In oudere prehistorische perioden kwamen ook grotere dieren voor die tegenwoordig uit Nederland verdwenen zijn.

Het gebied was bovendien rijk aan insecten. Libellen, waterjuffers, bijen, kevers en vlinders maakten deel uit van het natuurlijke evenwicht. Vooral in warme zomers moet het landschap hebben gezoemd van leven.

3d. Mensen in het landschap

Voor prehistorische mensen was dit geen eenvoudig gebied om permanent te bewonen. Grote delen waren nat, drassig en moeilijk toegankelijk. Toch bood het landschap veel mogelijkheden.

Water leverde vis. Moerassen boden vogels, eieren en eetbare planten. Bossen leverden hout, vruchten, noten en wild. Waterwegen maakten verplaatsing mogelijk met eenvoudige vaartuigen of boomstamkano's.

Mensen zullen vooral de iets hogere oeverzones, kreekruggen en drogere delen hebben gebruikt. Daar konden tijdelijke kampplaatsen worden ingericht. Vanuit zulke plekken kon worden gejaagd, gevist en verzameld.

De seizoenen speelden daarbij een belangrijke rol. In het voorjaar kwamen vogels en vis naar het gebied. In de zomer groeiden planten en waren waterwegen goed bevaarbaar. In de herfst konden vruchten, noten en andere natuurlijke voedselbronnen worden verzameld. De winter maakte delen van het landschap moeilijk bereikbaar.

3e. Een landschap in verandering

Het prehistorische landschap van het huidige Purmerend was geen stil decor. Waterstanden veranderden voortdurend. Kreken verlegden hun loop. Nieuwe veenlagen groeiden aan terwijl andere delen wegspoelden of verzakten.

Door deze voortdurende veranderingen ontstond uiteindelijk het landschap waarin later de veenstromen van Waterland zouden ontstaan. Uit die natuurlijke waterstructuren ontwikkelden zich de waterlopen die in de middeleeuwen nog herkenbaar waren, waaronder de Where.

De prehistorie van Purmerend is daarom in de eerste plaats het verhaal van een levende natuur. Een wereld van rietvelden, veenmos, elzenbossen, vogels, vissen en moerassen. Een landschap waarin water alles bepaalde en waarin de mens slechts één van de vele bewoners was. Pas vele eeuwen later zouden ontginningen, dijken, polders en steden dit natuurlijke landschap ingrijpend veranderen.

4. Romeinse tijd (12 v.Chr. – 450 na Chr.)

4a. Het landschap van het latere Purmerend

Tijdens de Romeinse tijd bestond Purmerend nog niet. Er was geen stad, geen dorp, geen markt en geen haven. Het gebied maakte deel uit van een uitgestrekt landschap van veen, moeras, kreken, waterlopen en natte graslanden. Waar tegenwoordig woonwijken, wegen en bedrijventerreinen liggen, strekte zich een vrijwel ononderbroken natuurgebied uit.

De bodem bestond uit veen dat zich gedurende eeuwen had gevormd boven oudere kleiafzettingen. Regenwater bleef in het vlakke landschap staan, waardoor moerassen en natte veengebieden konden ontstaan. Overal waren kleine waterlopen, plassen en drassige zones aanwezig. In droge zomers konden sommige delen beter toegankelijk zijn, maar grote delen van het gebied bleven het hele jaar nat.

Het landschap was voortdurend in beweging. Water zocht nieuwe wegen, oevers kalfden af en op andere plaatsen groeide nieuw veen aan. Kreken veranderden van loop en kleine wateren konden langzaam groter worden. Het gebied had daardoor geen vast karakter maar veranderde voortdurend onder invloed van regen, wind en water.

4b. Plantenwereld

De natuur rond het latere Purmerend was rijk en gevarieerd. Grote oppervlakten werden bedekt door veenmos, de plant die verantwoordelijk was voor de voortdurende aangroei van nieuwe veenlagen. Daartussen groeiden uitgestrekte velden met riet, biezen, lisdodden en zeggen.

Langs de waterlopen stonden wilgen en elzen. Op iets hogere delen konden berken groeien. Waar de bodem iets droger werd, ontstonden kleine broekbossen. In het voorjaar kleurden de oevers door bloeiende moerasplanten. In de zomer vormden rietvelden een groene zee die door de wind in beweging werd gebracht.

Het gebied kende een grote verscheidenheid aan water- en oeverplanten. Waterlelies dreven op stille plassen. Langs de oevers groeiden watermunt, moerasplanten en verschillende soorten kruiden die goed bestand waren tegen natte omstandigheden.

4c. Dierenwereld

Het Romeinse landschap rond Purmerend was rijk aan dieren. In de vele wateren leefden paling, snoek, baars, voorn en andere vissoorten. De aanwezigheid van zoveel vis maakte het gebied aantrekkelijk voor roofdieren zoals de otter.

De uitgestrekte rietvelden vormden een ideaal leefgebied voor vogels. Wilde eenden, ganzen, zwanen, futen, reigers en talloze kleinere watervogels kwamen hier voor. Tijdens trekperioden zullen grote groepen vogels gebruik hebben gemaakt van de voedselrijke moerassen.

In de broekbossen en langs de randen van het veengebied leefden reeën, vossen, marters en andere zoogdieren. Op drogere delen konden wilde zwijnen voedsel vinden tussen wortels, knollen en bosvruchten. Het gebied moet hebben geklonken van vogelgeluiden, kwakende kikkers, zoemende insecten en ritselende rietvelden.

4d. Romeinse invloed in de regio

Hoewel Purmerend zelf buiten het directe Romeinse bestuur lag, was de Romeinse wereld niet ver weg. Langs de Rijn lag de noordgrens van het Romeinse Rijk, de Limes. Verder naar het westen en zuiden waren Romeinse forten, wegen, handelsposten en militaire steunpunten aanwezig.

Voor Noord-Holland is vooral de Romeinse aanwezigheid bij Velsen van belang. Daar bouwden de Romeinen forten aan het Oer-IJ, waarmee zij verkeer en contacten langs de kust controleerden. Via handel en uitwisseling bereikten Romeinse goederen ook gebieden die niet rechtstreeks door Rome werden bestuurd.

Voor het veengebied rond het latere Purmerend betekende dit dat bewoners mogelijk indirect kennismaakten met Romeinse producten, handelsnetwerken en nieuwe contacten. Toch bleef het landschap zelf grotendeels een wereld van water, natuur en kleinschalige menselijke aanwezigheid.

4e. Leven in een nat grensgebied

Het gebied rond het huidige Purmerend was tijdens de Romeinse tijd geen dichtbevolkte streek. Het natte landschap maakte grote nederzettingen moeilijk. Mensen die hier verbleven moesten zich aanpassen aan water, seizoenen en de mogelijkheden van het veengebied.

Visvangst, jacht op watervogels, verzamelen van planten en gebruik van natuurlijke waterwegen zullen een belangrijke rol hebben gespeeld. Water was niet alleen een hindernis, maar ook een verbinding. Wie zich door het landschap wilde verplaatsen, deed dat vaak gemakkelijker over water dan over land.

Het gebied vormde daardoor een overgangszone tussen de Romeinse wereld in het zuiden en de uitgestrekte veengebieden van Noord-Holland. Het was geen centrum van macht of bestuur, maar een stille wereld van moeras, rietvelden, vogels, vissen en waterlopen.

4f. Naar de vroege middeleeuwen

Toen de Romeinse invloed in Noordwest-Europa vanaf de vierde en vijfde eeuw afnam, veranderde het landschap rond het latere Purmerend nauwelijks. Er waren nog steeds geen steden, markten of kerken. Het veen bleef groeien, waterlopen bleven zich verplaatsen en de natuur bleef overheersen.

Juist dat is de belangrijkste erfenis van de Romeinse tijd voor Purmerend: niet een fort, een weg of een stad, maar een uitgestrekt water- en veenlandschap. Dat landschap vormde de basis waarop eeuwen later de eerste ontginningen, nederzettingen en uiteindelijk de stad Purmerend zouden ontstaan. De wereld van Willem Eggert, de Kaasmarkt en de droogmakerijen lag nog ver in de toekomst. Eerst was er het veen, het water en de natuur van Waterland.