11. Andijk — eindverhaal tot 1940

Van bronstijdlandschap tot dijkdorp, kloosterland, vaarpolder en tuinbouwgemeenschap

Inleiding — een ketting van water en werk

Andijk is een ketting van water en werk. Elke schakel hangt aan de vorige. Bronstijdakkers horen bij zandige ruggen. Veenontginning hoort bij sloten en bodemdaling. De dijk hoort bij de Zuiderzee. Munnekay hoort bij kloosterland. De Buurtjeskerk hoort bij een groeiende dorpsgemeenschap. De vaarpolder hoort bij schuiten, sloten en smalle percelen. De Buurtjeshaven hoort bij ansjovis, vletten en zouterijen. De vroege tuinbouw hoort bij Andijker Muizen, zaadteelt, tulpen, gladiolen en bollenvelden. Andijk groeide niet uit één marktplein, niet uit één dorpskern en niet uit één kerkelijk middelpunt. Het groeide uit een langgerekt landschap waarin bodem, water, dijk, geloof, bestuur, landbouw, visserij, onderwijs en arbeid telkens opnieuw bepaalden hoe mensen konden leven.

1. Het oude landschap van Het Grootslag

Onder het huidige Andijk ligt een veel ouder West-Fries landschap. Voordat er sprake was van de Dijkweg, de Kerkbuurt, de Buurtjeshaven, de Kleingouw, de Middenweg of de gemeente Andijk, woonden hier al mensen in het gebied van Het Grootslag. Rond 1200 v.Chr. werd dit landschap bewoond op hogere zandige ruggen. Daar lagen erven, kleine akkers en grafvelden. Mensen gebruikten vuurstenen sikkels, maakten aardewerk, bewerkten de grond en begroeven hun doden in grafheuvels. Daarmee begint Andijk niet als dijkdorp, maar als prehistorisch boerenland in een landschap van zandige hoogten, natte laagten, waterlopen, riet, heide, veenplassen en lichte begroeiing.

Dat oudste landschap was heel anders dan het vlakke kleipolderland dat men nu kent. In de prehistorie lagen hier zandige ruggen, kreken, lichte bossen, natte laagten en open plekken. Uit pollenonderzoek en archeologisch onderzoek blijkt dat er boomsoorten voorkwamen als den, haagbeuk, els, wilg, eik, olm en linde. Ook heide, riet, varens en veenplassen hoorden bij dit oude landschap. Mensen bouwden eenvoudige huizen of hutten, waarschijnlijk van hout, leem en riet. Zij legden akkertjes aan en trokken ploegsporen in de grond, soms kruislings, met voren van ongeveer 10 tot 15 centimeter diep. Het was geen leeg moeras, maar een gebruikt landschap waarin mensen precies wisten waar de hogere en drogere plekken lagen.

2. Bronstijdakkers, grafheuvels en vuurstenen sikkels

De oudste vondsten kwamen vaak bij het bewerken van het land tevoorschijn. Potscherven, pijlpunten, hamers, stenen messen en vooral sikkelvormige messen van silex wezen op vroege landbouw. Zulke vuurstenen sikkels zijn in dit deel van West-Friesland opvallend talrijk, terwijl ze elders in Nederland zeldzaam zijn. Zij laten zien dat graan hier al vroeg met de hand werd geoogst, bosje voor bosje, op kleine akkers. In de omgeving van Wervershoof, Zwaagdijk en Grootebroek werden grafheuvels onderzocht die ook voor Andijk van betekenis zijn, omdat zij tot hetzelfde grotere landschap van Het Grootslag behoren. In een grafheuvel werd onder meer een kraaltje gevonden waarmee A.E. van Giffen een fase kon dateren op ongeveer 1000 tot 800 v.Chr. De grafheuvels laten verschillende fasen zien: begravingen onder lage heuvels, paalkransen, ringsloten, later crematie en nieuwe heuvelopwerping, en daarna opnieuw begravingen in of bij oudere heuvels.

Belangrijke namen in de vroege aandacht voor deze oudheid zijn C.D. Scheer uit Andijk, Arian de Goede uit Wijdenes, F. de Boer, hoofd van de Bijzondere School aan de Dijkweg, Guda E.G. Duivis, professor A.E. van Giffen, J. Butter en later Willem Jan Wester. Zij brachten vondsten, herinneringen en onderzoek bij elkaar. Guda E.G. Duivis schreef in maart 1938 over oudheidkundige vondsten in West-Friesland. Willem Jan Wester beschreef later in het jaarboek 1977 hoe dit onderzoek en deze verzamelingen betekenis kregen. Door hun belangstelling werd Andijk niet alleen gelezen als dorp aan de dijk, maar ook als deel van een bronstijdlandschap.

3. De lange natte tussenlaag en de onduidelijke Romeinse periode

Die vroege bewoning bleef niet vanzelfsprekend. Rond 900 v.Chr. werd Het Grootslag waarschijnlijk te nat. De grondwaterspiegel steeg, afwatering werd moeilijker en gewassen deden het minder goed. De bewoners trokken zich grotendeels terug. Het gebied raakte in een lange periode waarin water, veenvorming en natte omstandigheden de overhand kregen. De periode tussen ongeveer 1500 v.Chr. en 900 na Chr. bleef in de West-Friese archeologie lange tijd een duistere periode. In oudere literatuur werd gesproken over Fries-Bataafs aardewerk; enkele scherven uit die sfeer werden in de regio genoemd. In 1938 werd opgemerkt dat West-Friesland, anders dan Friesland, Texel, de Betuwe, Katwijk en Valkenburg, nog geen duidelijke terpencultuur had opgeleverd. Men wist dat hier vroege vondsten waren, maar de bewoningsgeschiedenis rond het begin van de jaartelling bleef onzeker.

Voor Andijk zelf zijn geen grote Romeinse nederzettingen bekend zoals elders in Nederland. Toch hoort het gebied bij de bredere geschiedenis van de Noord-Hollandse kustzone. Het landschap was nat, veranderlijk en minder intensief bewoond dan tijdens de Bronstijd. Maar het was geen leeg decor. Zelfs wanneer de bewoning schaars was, bleef het gebied deel van een groter kustlandschap met waterlopen, hogere gronden, vis, vee, kleinschalig gebruik en regionale contacten. Juist die onduidelijke periode maakt de latere herontginning belangrijker: het landschap moest opnieuw worden gelezen, gebruikt en ingericht.

4. Vroege middeleeuwen — veen, sloten en herontginning

Vanaf de zevende en achtste eeuw groeide de bewoning in West-Friesland opnieuw. In de omgeving van Andijk zijn Karolingische scherven en later middeleeuws aardewerk gevonden. Ergens in de negende of tiende eeuw begonnen mensen het woeste veengebied te ontginnen. Waarschijnlijk dienden natuurlijke veenstroompjes als beginpunten, al is hun precieze loop nu niet meer vast te stellen. Om het veen bruikbaar te maken, groef men sloten. Die sloten voerden water af, maar waren tegelijk transportwegen, omdat echte landwegen in het drassige gebied nauwelijks bruikbaar waren. Wanneer men de ontginning wilde uitbreiden, verlengde men de sloten veenwaarts. Zo ontstond strokenverkaveling.

Die ontginning bracht landwinst, maar ook een probleem. Ontwaterd veen oxideert, verdwijnt geheel of gedeeltelijk en klinkt in. Het maaiveld daalde. Wat eerst bruikbaar land leek, werd kwetsbaarder voor water. Door zeespiegelstijging, bodemdaling en overstromingen kwam jonge zeeklei aan de oppervlakte. Zo is te verklaren waarom een gebied dat ooit veenontginningsgebied was, tegenwoordig grotendeels uit jonge zeekleigronden bestaat. De bodem van Andijk is daarom geen neutrale ondergrond. Zij verklaart het hele verhaal: prehistorische bewoning op hogere ruggen, middeleeuwse ontginning van veen, het verdwijnen van veen door oxidatie, landbouw op jonge zeeklei, de noodzaak van sloten en vaarten en de blijvende afhankelijkheid van dijk en afwatering.

5. De dijk als ruggengraat van Andijk

Vanaf ongeveer 1250 werd de Westfriese Omringdijk de grote bescherming van West-Friesland tegen de Noordzee en de Zuiderzee. Andijk dankt zijn naam aan die werkelijkheid: aan de dijk. Het dorp ontstond niet als compacte kern, maar als langgerekte bewoning langs de Noorderdijk en het land daarachter. De dijk was grens, weg, bescherming, woonlijn en herkenningspunt tegelijk. Hij bepaalde waar mensen woonden, hoe zij zich verplaatsten, waar kerken en scholen kwamen en hoe het land werd beschermd.

Andijk ligt vrijwel vlak. Van reliëf is nauwelijks sprake. Het grootste deel van de voormalige gemeente ligt tussen ongeveer 2,0 en 1,0 meter onder NAP. De grote uitzondering is de Westfriese Omringdijk langs het IJsselmeer, die in Andijk tot ongeveer 5,6 meter boven NAP reikt en plaatselijk ongeveer 7,5 meter boven het omliggende maaiveld uitsteekt. Tot de stormen van 1916 lag de bovenkant van de dijk op ongeveer 4 meter boven NAP. Na de stormen van januari 1916 werd hij verhoogd en verzwaard tot een maximale hoogte van ongeveer 5,6 meter boven NAP. Omdat het land achter de dijk ongeveer 2 meter onder NAP ligt, torent de dijk indrukwekkend boven het dorp uit. Voor Andijk was die dijk geen rand van het landschap, maar de ruggengraat van het bestaan.

6. Buurtschappen vóór de gemeente Andijk

Vóór 1812 was Andijk bestuurlijk geen zelfstandige eenheid. Het latere dorp bestond uit buurtschappen die onder verschillende bannen vielen. Bangert, Kerkbuurt en Munnikij of Munnekay hoorden bij de banne Lutjebroek. Geuzenbuurt en Broekoord hoorden bij de banne Grootebroek. Kathoek en Het Veld hoorden bij de banne Bovenkarspel. Daarmee lag het latere Andijk vóór 1812 bestuurlijk verdeeld over Lutjebroek, Grootebroek en Bovenkarspel, binnen de wereld van de stede Grootebroek en het ambacht Drechterland.

Die oude buurtschappen zijn belangrijk, omdat zij laten zien dat Andijk eeuwenlang geen compact dorp was. Bangert, Broekoord, Geuzenbuurt, Krimpen, Munnekei of Munnekay, Kerkbuurt, ’t Buurtje, Noorddijk, Oosterdijk, Kathoek, Het Veld, Bakkershoek, Fluithoek, Buurtjeshaven en Molenhoek vormden samen het oude dijklandschap. Later kwamen namen en wegen als Dijkweg, Kleingouw, Knokkel, Horn, Middenweg, Molenweg, Hoekweg, Schoolweg, Kerkepad, Oosterweg, Buurtje, Singerspad en Cornelis Kuinweg sterker in beeld. Het oude Andijk lag vooral aan de dijk. Het huidige dorpsbeeld kreeg pas veel later zijn zwaartepunt in het achterland.

7. Oude overleveringen rond Aendick

Over de late middeleeuwen bestaan ook oude overleveringen die voorzichtig moeten worden gebruikt, maar die wel iets zeggen over de herinneringslaag van het dorp. Volgens overlevering zou graaf Willem II rond 1250 over Aendick zijn gekomen en in de Krimper hebben gerust. Zeker is dat niet, maar het laat zien dat men zich oude bewoning aan de dijk herinnerde. Een andere overlevering noemt Allard Jansz., geboren te Andijk in 1483, zoon van Jan, de eerste graaf van Egmond, en Josina Waervers, dochter van Waerver, heer van Wervershoof. Ook dit moet voorzichtig worden behandeld als kroniekachtige overlevering, maar het toont dat Andijk in de lokale herinnering al vóór de zestiende eeuw als bewoonde plek bestond.

8. Munnekay — de plaats van de monniken

Een van de diepste middeleeuwse lagen van Andijk ligt bij Munnekay. Die naam lijkt klein, maar opent een groot verhaal. Volgens Jacob Jonker kan Munnekay worden gelezen als de plaats of plek van de monniken, waarbij kay een oud Westfries woord voor plaats of plek zou zijn. Munnekay bewaart daarmee de herinnering aan kloosterland in of bij Andijk. Dat maakt Andijk veel meer dan een dijk- en boerenplaats. Via Munnekay raakt het dorp aan de wereld van Friese abdijen, uithoven, lekenbroeders, kloostermoppen, pacht, visrechten, sluizen, waterbeheer, grafelijke macht en de strijd tussen Holland en Friesland.

9. Friese kloosters, uithoven en kloostermoppen

Vanaf ongeveer 1100 werden in Friesland en Groningen veel kloosters gesticht, vooral op het platteland. In Friesland groeiden kloosters uit tot grote grondbezitters. Uiteindelijk was ongeveer twintig procent van het Friese landbezit in handen van kloosters. Die kloosters hadden hun bezit niet alleen dicht bij huis. Zij bezaten ook land in West-Friesland en Waterland. Daarmee stonden dorpen als Andijk, Lutjebroek en Wervershoof niet los van Friesland, maar maakten zij deel uit van een groter kloosternetwerk van bezit, bestuur, landbouwkennis en waterbeheer.

Een belangrijke rol speelde de Sint Odulphusabdij van Stavoren. Odulphus was een missionaris uit Utrecht die rond het midden van de negende eeuw onder de Friezen werkte. Hij overleed rond 855 en werd later heilig verklaard. In Stavoren stichtte hij een kapittel, dat sinds 1132 officieel als klooster bekendstaat: de Sint Odulphusabdij. Aanvankelijk was dit een dubbelklooster voor mannen en vrouwen. Later werd het alleen een monnikenklooster. De vrouwen kregen een eigen klooster in Hemelum, ongeveer acht kilometer oostelijker: de Benedictijner Sint Nicolaasproosdij.

De Sint Nicolaasproosdij stond onder leiding van een proost. Die proost was weer verantwoording schuldig aan de abt van de Sint Odulphusabdij in Stavoren. Zo bleven Stavoren en Hemelum nauw met elkaar verbonden. Door de verdeling van de goederen van de Odulphusabdij kwamen de West-Friese bezittingen uiteindelijk bij de nonnen van Hemelum terecht. Tot dat bezit hoorden landerijen in onder meer Wervershoof, de banne van Lutjebroek, Benningbroek, Hoogkarspel, Sijbekarspel, Hauwert of Oude-Boxwoude, Grootebroek, Oostwoud, Midwoud, Twisk en Zwaag. In totaal ging het om ongeveer 250 hectare West-Fries land. Munnekay viel onder de banne Lutjebroek, waar ongeveer 35 hectare kloosterbezit lag. In Wervershoof bezaten de kloosters ongeveer 91 hectare. In de andere dorpen samen lag nog ongeveer 125 hectare.

Omdat die bezittingen ver van Friesland lagen, konden ze niet dagelijks vanuit Stavoren of Hemelum worden beheerd. Daarom hadden kloosters vaak een uithof. Zo’n uithof werd ook wel grangia, monnikhuis, voorwerk of munnikewerf genoemd. Het was meestal een flinke boerderij of landbouwplaats. Daar woonden en werkten lekenbroeders. Zij hadden wel kloostergeloften afgelegd, maar waren geen priester. Zij deden het praktische werk: land beheren, vee verzorgen, landbouwopbrengsten regelen, pacht innen en onderhoud uitvoeren. Op of bij Munnekay heeft vermoedelijk zo’n uithof gestaan.

De tastbare aanwijzingen zijn belangrijk. Bij werkzaamheden op Munnekay vonden Willem Wester en Dirk van der Oord meerdere kloostermoppen. Kloostermoppen zijn grote middeleeuwse bakstenen, veel groter dan moderne bakstenen. Ze kwamen vooral voor bij kloosters, kerken, kastelen en andere belangrijke gebouwen. Vanaf ongeveer 1175 werden kloostermoppen in Friesland zelf gebakken. Ze volgden daarmee het eerder gebruikte tufsteen uit de Eifel op. Bij het huis van Cees en Bertie van Lubek is nog een torentje van deze kloostermoppen te zien. Daardoor is Munnekay niet alleen een naam in het landschap, maar ook een plek met stenen resten die naar de middeleeuwse kloosterwereld verwijzen.

Ook in Wervershoof stond een uithof. Die lag op De Neuvel, ook wel Den Heuvel genoemd. Amateurarcheoloog Martien Weel vond daar een uitgebreide en nog vrij complete fundering van kloostermoppen. Dat bevestigt dat de Friese kloosterbezittingen in deze omgeving niet alleen administratief bestonden, maar ook echte gebouwen en beheerplaatsen hadden. De Werenfriduskerk van Wervershoof wordt bovendien in verband gebracht met de Sint Odulphusabdij van Stavoren. Helemaal zeker is dat niet, maar de kerk werd in ieder geval bediend door monniken uit Stavoren. Zo loopt er een geestelijke en economische lijn van Stavoren en Hemelum naar Wervershoof, Lutjebroek, Munnekay en Andijk.

10. Visrechten, sluizen en de macht van Bloemkamp

Voor Andijk was ook de visserij in deze kloosterlaag van belang. De visrechten in Andijk waren in handen van een ander Fries klooster: de Cisterciënzer abdij Bloemkamp, ook Oldeklooster genoemd, bij Hartwerd. Dat leidde tot geruzie, onder andere over het wel of niet openen van uitwateringssluizen van binnenwater naar zee. Dat lijkt een technisch detail, maar in Andijk was het van groot belang. Wie de visrechten had, had economisch belang bij water. Wie de sluizen beheerste, bepaalde over waterstanden, afwatering, visstand, veiligheid en landbouwgrond. De strijd om het openen van sluizen laat zien hoe sterk visserij, kloosterrechten en waterbeheer met elkaar verbonden waren.

Kloosters brachten bovendien kennis mee. Omdat Friese kloosters in verbinding stonden met zuidelijker gelegen moederkloosters in Europa, kwam via deze kloosters ook kennis over landbouwmethoden en waterbouw naar deze streken. Andijk en de omliggende dorpen stonden dus niet geïsoleerd. Zij maakten deel uit van een groter Europees kloosternetwerk van kennis, grondbezit en beheer.

11. 1345 — Warns, Willem IV en grafelijke macht

In 1345 veranderde dit kloosterlandschap ingrijpend. In dat jaar vond de Slag bij Warns plaats. De Hollandse graaf Willem IV wilde effectief als heer van Friesland worden aangenomen. Dat mislukte. Hij sneuvelde roemloos in de strijd. Maar al vóór de gevechten liet Willem IV de West-Friese en Waterlandse bezittingen van de Friese kloosters in beslag nemen. Deze inbeslagname, ook wel panding genoemd, was zeer ongebruikelijk en had waarschijnlijk een politiek doel. De graaf wilde druk uitoefenen op de kloosters en hun orden, zodat zij de landsbesturen van Westergo en Oostergo zouden bewegen om Willem IV als heer te erkennen.

Westergo was het noordwestelijke deel van Friesland. Oostergo was het zuidoostelijke deel. Door kloosterbezit in Holland en West-Friesland vast te houden, probeerde Willem IV invloed uit te oefenen op de Friese politiek. Het land bij Munnekay werd daardoor onderdeel van een veel grotere machtsstrijd tussen Holland en Friesland. Toen de onderhandelingen stukliepen, werden de in beslag genomen goederen verbeurd verklaard. Na de verloren veldslag kregen de kloosters hun bezit niet terug. Voor zover bekend werd geen schadeloosstelling betaald. Daardoor kwamen ongeveer 250 hectare West-Friese kloostergronden en ongeveer 430 hectare Waterlandse kloostergronden in bezit van de Hollandse graaf.

Na enkele jaren regentschap door zijn moeder kwam dit bezit terecht bij Willem V, de neef van Willem IV. Eerst werden de landerijen verpacht. Er zijn nog verschillende namen van pachters bekend geweest. Later wilde de graaf de gronden liever zelf gebruiken voor vetweiderij. De pachters raakten toen hun land kwijt, maar zij werden daarvoor wel financieel gecompenseerd. Zo veranderde het bezit van karakter. Wat eerst kloosterland was, beheerd via uithoven en lekenbroeders, werd grafelijk land. Het bleef landbouwgrond, maar de macht erachter verschoof. Eerst hoorden de gronden bij Stavoren, Hemelum en andere Friese kloosters. Daarna kwamen ze onder de Hollandse graaf.

Naast de Sint Odulphusabdij en de Sint Nicolaasproosdij waren er meer Friese kloosters met bezit in deze regio. Het Augustijnerklooster van de reguliere kanunniken te Anjum bezat ongeveer 30 hectare bij Oosterleek, bij Wijdenes. Het klooster Mariëngaarde uit Hallum bezat bij Marken en in de omgeving van Monnickendam ongeveer 430 hectare. Daarbij moet worden bedacht dat Marken in die tijd ongeveer tweemaal zo groot was als later. Veel land is verloren gegaan door stormvloeden en overstromingen. Ook het klooster van Stavoren kreeg met water en overstromingen te maken. Door stormvloeden en landverlies werd het klooster in 1415 vanuit het zuidwesten van Stavoren verplaatst naar het noorden. Later werd het nogmaals verplaatst naar Hemelum, waar het opnieuw werd gecombineerd met het vrouwenklooster.

Na de Reformatie werden de kloosters in Friesland in 1580 opgeheven en hun goederen door de Staten van Friesland in beslag genomen. Een aanzienlijk deel van die opbrengsten werd later gebruikt voor de financiering van de oorlog tegen Spanje. Veel kloostergebouwen verdwenen. Als ze niet werden bewaakt, veranderden ze in een soort openbare steengroeve. De bevolking gebruikte de stenen opnieuw voor huizen en boerderijen. Dat verklaart ook waarom kloostermoppen op losse plekken kunnen opduiken. Ze zijn bouwmateriaal, maar ook historische aanwijzingen. Op Munnekay vertellen ze dat hier ooit een middeleeuwse kloosterplek of uithof moet hebben gelegen. Ze verbinden Andijk met Stavoren, Hemelum, Bloemkamp, Lutjebroek, Wervershoof en de grote machtsstrijd van 1345.

Munnekay is daarom geen los detail. Het is een sleutelplek in het verhaal van Andijk. Het laat zien dat Andijk in de middeleeuwen niet alleen een nederzetting bij water en dijk was, maar ook onderdeel van een groot netwerk van Friese kloosters. Die kloosters beheerden land, hadden visrechten, waren betrokken bij sluizen en waterbeheer, brachten landbouwkennis mee en hadden invloed op kerken en dorpen. In Munnekay komen geestelijke macht, economische macht en wereldlijke macht bij elkaar. De Sint Odulphusabdij van Stavoren, de Sint Nicolaasproosdij van Hemelum en de abdij Bloemkamp hadden invloed op grond, kerk, visserij en water. Kloosterland werd beheerd via uithoven, lekenbroeders, pacht, landbouw, veeteelt en visrechten. In 1345 trok de Hollandse graaf het Friese kloosterbezit naar zich toe. Daarmee kwam ook het land rond Munnekay onder grafelijke invloed.

12. De zestiende eeuw — Reformatie, Opstand en Geuzenbuurt

In de zestiende eeuw bleef Andijk een reeks buurtschappen, erven en boerderijen langs de dijk. Het was nog geen zelfstandige gemeente en geen compact dorp. De buurtschappen vielen onder Lutjebroek, Grootebroek en Bovenkarspel. Het leven werd bepaald door landbouw, waterbeheer, kerkelijke veranderingen en de nabijheid van de Zuiderzee. De Reformatie en de Opstand tegen Spanje raakten ook dit kustlandschap. De Slag op de Zuiderzee van 1573 was een keerpunt in de Tachtigjarige Oorlog. Hoorn, Enkhuizen en Medemblik speelden een grote rol in de strijd tegen de Spaans-Amsterdamse vloot. Andijk lag in datzelfde maritieme en politieke landschap. De kust, de dijk, de vaarroutes en het water vormden het toneel waar macht, handel en geloof botsten.

De naam Geuzenbuurt wordt door Kistemaker voorzichtig verbonden met de mogelijkheid dat geuzen rond 1566 naar deze afgelegen streek uitweken. Dit is overlevering en moet voorzichtig worden gebruikt, maar het past in de bredere context van West-Friesland tijdens de Opstand. De katholieke bevolking bleef aanwezig, ook toen het protestantisme sterker werd. Openbare katholieke geloofsuitoefening werd na de Reformatie moeilijker, maar katholieke netwerken bleven bestaan. In Andijk zou dat later zichtbaar blijven in de rooms-katholieke band met Wervershoof en in schuilkerken op de Bangert en Broekoord.

13. 1667 — de Buurtjeskerk en het eerste dorpshart

In 1667 kreeg Andijk een duidelijker eigen dorpshart met de bouw van de Buurtjeskerk in de Kerkbuurt. Dat is een van de belangrijkste momenten in de Andijker geschiedenis. Als er in 1667 een kerk gebouwd kon worden, moesten er genoeg bewoners zijn geweest om die gemeenschap te dragen. De protestantse bewoners hadden zich vanwege de grote afstand losgemaakt van de hervormde gemeenten van Grootebroek en Lutjebroek. De Buurtjeskerk werd het eerste duidelijke eigen religieuze middelpunt van Andijk. Zij werd verbonden met onderwijs, bestuur, armenzorg en gemeenschapsleven.

De katholieke Andijkers vielen onder de statie Wervershoof. Daarnaast hadden zij twee schuilkerken: één op de Bangert en één op Broekoord. Rond 1805 werden deze vervangen door een nieuwe katholieke kerk in Wervershoof. Zo bestond in Andijk naast de zichtbare protestantse kerkelijke wereld ook een katholieke laag die via schuilkerken en Wervershoof bleef doorlopen.

14. Onderwijs, schoolmeesters en dorpsgemeenschap

Het onderwijs stond aanvankelijk dicht bij de kerk. De eerste kerkschool hoorde bij de Buurtjeskerk en was aanvankelijk gehuisvest in de consistoriekamer. Daarnaast kwam er een bijschool op Broekoord, vroeger de Boede genoemd en later bekend als Bakkershoek. Die bijschool ressorteerde onder de banne Grootebroek en werd onderhouden door de Edele Heeren van de stede Grootebroek. Schoolmeesters hadden vaak meerdere functies. Zij waren niet alleen onderwijzer, maar ook koster, doodgraver, voorzanger en gemeentebode. Het onderwijs was eenvoudig: lezen, schrijven, rekenen, catechismus en psalmen. Er was geen leerplicht; arme kinderen hoefden soms geen schoolgeld te betalen.

Van de bijschool op de Boede zijn namen bewaard gebleven: Pieter Wiggersz. Avis, overleden in 1666, Cornelis Willemszn in 1706, Aart Gerbrandszn Quast in 1709, Rens Stammes in 1719, Barend Nanszn Verwer in 1742 en Gerrit Corneliszn Bullooper in 1757. Bij de Buurtjesschool was Willem Willemszn Posthumius, overleden in 1654, de eerste bekende schoolmeester. Daarna kwamen Cornelis Sijmenszn Manjes rond 1700, Jan Kaagman uit Wijdenes, Sijmen Jongejeugt, Willem Willemszn, Cornelis Claeszn Singer en Maarten Brugman. Jan Kaagman gaf vanaf 1700 les in het lange huis op Munnickay aan ieder die onderwijs wilde volgen. Hij overleed in 1735.

Het schoolreglement van Lutjebroek uit 1751 maakt het dagelijkse schoolleven concreet. School werd gehouden van 7 september tot 15 juli. De schooltijden waren van 8.00 tot 11.00 uur en van 12.00 tot 15.00 uur. Op zaterdag was er geen les. Schoolgeld bedroeg per kind per maand twee stuivers voor spellen en lezen, drie stuivers voor schrijven en zes stuivers voor rekenen. Avondschool kostte acht stuivers per leerling per maand en vond plaats van half zeven tot half negen. In de Franse tijd, ongeveer 1795 tot 1812, werd op beide scholen ook Franse les gegeven. Daarvoor moest een maître uit Hoorn worden aangetrokken, maar de belangstelling voor dat vak was beperkt.

15. Achttiende eeuw — veepest, paalworm en kwetsbaar dijkland

De achttiende eeuw was voor Andijk een eeuw van continuïteit en kwetsbaarheid. Het dorp bleef een agrarische dijkgemeenschap. De bewoning lag langs de dijk, bij buurten en erven, met landbouwgronden daarachter. Het water bleef een dreiging. De Westfriese Omringdijk moest worden onderhouden, sloten moesten worden geschoond en afwatering bleef noodzakelijk. In 1700 werd vuurtoren De Ven gebouwd. Eigenlijk hoorde deze bij Enkhuizen, maar voor Andijk was hij sinds eeuwen een herkenbaar baken aan de Oosterdijk. In 1730 werd De Tent gebouwd door de Drechterlandse Heren, eveneens aan de Oosterdijk en feitelijk op Enkhuizer grond. De Buurtjeskerk uit 1667 bleef het oudste gebouw dat echt bij Andijk hoorde.

De achttiende eeuw kende rampen. In 1713, 1744 en 1769 sloeg de veepest toe. Volgens de overlevering doodde die telkens dertig tot vijftig procent van het Andijker vee. Voor een veeteeltgemeenschap betekende dat niet alleen verlies van dieren, maar bijna faillissement van gezinnen en buurten. In 1731 kwam de paalworm, afkomstig uit het Middellandse Zeegebied. Die tastte houten palen aan die dijken moesten beschermen. Daarmee raakte een biologisch probleem direct aan waterveiligheid. De kerk bleef belangrijk voor geloof, onderwijs en armenzorg. De school op het Buurtje en de bijschool op Broekoord bleven functioneren. De katholieke bevolking bleef verbonden met Wervershoof en de schuilkerken op Bangert en Broekoord. Andijk was in deze tijd geen rijk centrum, maar een gemeenschap die voortdurend moest balanceren tussen vee, land, dijk, water en geloof.

16. 1812 — Andijk wordt een zelfstandige gemeente

De negentiende eeuw bracht een breuk in bestuur en economie. Tijdens de Franse tijd werd Andijk bestuurlijk losgemaakt uit de oude verbanden. Bij keizerlijk decreet van 21 oktober 1811 werd Andijk een zelfstandige gemeente per 1 januari 1812. Een eerdere poging tot afscheiding in 1795–1796 was mislukt. In 1812 werd Andijk hoofddorp van een gemeente waar ook Wervershoof onder viel. Dit kwam voort uit de indeling door de repartiteurs, die de grenzen van naburige dorpen regelden. Op 19 december 1811 werden de eerste bestuurders van de gemeente Andijk benoemd. Op 25 december 1811 kwamen zij bijeen om te worden beëdigd en geïnstalleerd. De eerste maire was Cornelis Veer. De adjuncten waren Pieter Kooyman, Willem Singer, Cornelis Kooyman, Cornelis de Boer, Pieter Sijms Kuiper en Jacob Jonker. De municipale raden waren Jacob Mooye, Cornelis Singer, Siem Kieft, Klaas Kooyman, Jacob Mol en Jan Willem Groot.

Bij Koninklijk Besluit van 24 mei 1816, nr. 35, werden Andijk en Wervershoof per 1 mei 1817 gescheiden. Vanaf dat moment was Andijk zelfstandig als gemeente. In eerste instantie golden op plattelandsgemeenten het Reglement van bestuur voor het platteland der Provincie Holland van 1816 en later het Reglement op het bestuur ten platten lande in de Provincie Holland van 1825. De Grondwet van 1848 en de Gemeentewet van 1851 maakten een einde aan het onderscheid tussen steden, heerlijkheden, districten en dorpen. Er bleven alleen gemeenten over. Voor Andijk betekende dit dat een oude reeks buurtschappen aan de dijk veranderde in een moderne bestuurlijke gemeente.

17. Raadhuis, polderhuis, Krimper en secretarie

De eerste bestuursplaats van Andijk is niet eenvoudig aan te wijzen. Tot 1812 werd het latere Andijk niet vanuit Andijk zelf bestuurd. De buurtschappen vielen onder Lutjebroek, Grootebroek en Bovenkarspel. Kerkelijke gegevens van bewoners zijn vóór 1667 onder meer terug te vinden via Wervershoof en het Westfries Archief in Hoorn. Een genealogisch voorbeeld is een huwelijk op 17 januari 1666 waarbij beiden van Aendijck kwamen. Vanaf 1812 ontstond een eigen gemeentebestuur, maar waar de eerste administratie precies werd uitgevoerd, blijft onzeker.

Lange tijd werd verondersteld dat het eerste raadhuis in het gebouw zat dat nu Buurtje 7 is, vroeger huisnummer 117. Uit documenten blijkt echter dat huisnummer 117 in 1817 nog particulier bezit was. Op 19 februari 1817 overleed Cornelis Pieterszn Mantel in huis no. 117. Hij was 63 jaar oud, geboren op 20 mei 1753 te Wervershoof, timmermansknecht, zoon van Pieter Mantel en Trijntje Jans Buisman. Hij was drie keer gehuwd: met Neeltje Claas Krul, met Trijntje Jans Groot en met Cornelisje de Haas, met wie hij op 7 januari 1816 trouwde. Uit de eerste twee huwelijken kwamen acht kinderen.

Uit het Register van Overgang blijkt dat zijn zoon Jan Mantel Corneliszn huis no. 117 bij de kerk te Andijk in 1817 kocht van zijn overleden vader. Hij verkocht zijn huis op de Boede no. 37 aan Roelof Loots, veeman te Enkhuizen. Jan Mantel verkocht huis no. 117 bij vonnis houdende definitieve toewijzing op 8 maart 1826 bij de rechtbank te Hoorn. De koper was Albert Uitham, koopman uit Enkhuizen. Deze verkocht het huis onderhands op 16 mei 1826 aan Aris Doll, winkelier, geregistreerd op 20 mei 1826 te Enkhuizen.

Op 6 juli 1829 verscheen Aris Jansz Doll, aannemer van dijkwerken wonende te Andijk, voor notaris Cornelis Pool te Grootebroek. Hij verkocht een huis, nummer 117, staande en gelegen op het Buurtje, belend ten oosten Klaas Schuurman en ten westen de pastorie der Gereformeerde gemeente. De kopers waren Maarten van der Meer, burgemeester, Pieter Kooijman, Jan Willemsz Groot, Jacob Mantel, Klaas Reindersz Kooijman en Jacob Mol, landlieden te Andijk en samen het College van het Polderbestuur aldaar. De prijs was 700 gulden. De akte werd gepasseerd te Andijk op het gemeentehuis aldaar, met als getuigen Arjen Vriend te Andijk en Jan Huibers te Grootebroek. Er was dus al een gemeentehuis, maar de exacte locatie van het eerste raadhuis blijft ingewikkeld.

Notulen noemen op 29 augustus 1818 onderhoud aan het raadhuis voor 30 gulden, en op 25 september 1818 het autoriseren van de schout tot aankoop van een groen kleed voor de tafel in het raadhuis. Er was dus direct al een raadhuis. Maar waar precies? Een foto uit het Westfries Archief van de boerderij bewoond door C. Schuurman vermeldt: het huis waarin in één der kamers de gemeente is gesticht. Dat huis brandde totaal af op 25 september 1972. De locatie is nu Dijkweg 189a. Mogelijk werd daarmee echter een kerkelijke gemeente bedoeld, want in het boekje Het vijf-en-zeventig-jarig bestaan der Gereformeerde Kerk van Andijk uit 1912 van R. Prins wordt vermeld dat in oktober, vermoedelijk 15 oktober 1836, op Andijk een afgescheiden Christelijke Gereformeerde gemeente werd gesticht.

Ook de Krimper komt in beeld. Piet Kistemaker vermeldde in zijn jaartallenboek dat in 1845 een nieuw raadhuis werd gebouwd achter de Buurtjeskerk en dat raadsvergaderingen daarvoor in de Krimper plaatsvonden. In De Speelwagen van 1954, bladzijden 188–190, schreef G. Karsten over Krimpen dat in het tweede jaar der Bataafse Vrijheid, 1796, de municipaliteit in de Krimper vergaderde, en ook later, toen Andijk in 1812 zelfstandig werd, vergaderde de gemeenteraad in de Krimper. Uit het boekje Gemeente Andijk, Dorps-ontvangst en uitgaaf voor 1816 blijkt dat op 30 december aan Jan Schuurman onderhoud van het raadhuis werd uitbetaald. Ook worden bedragen genoemd voor onderhoud der stadsgebouwen: Jan Schuurman 210 gulden, Cornelis Mantel 100 gulden, Jacob Beemster 128 gulden en 4 stuivers, Dirk Benthuizen 10 gulden 19 stuivers 1 penning en P. Kooy 61 gulden 2 stuivers. Welke gebouwen dit precies waren en waar zij stonden, blijft onduidelijk.

Het tweede raadhuis werd vermoedelijk pas in 1849 formeel door de gemeente betrokken, na verkoop van het nieuw gebouwde of verbouwde huis van het polderbestuur aan de gemeente. De eerste steen van dit gebouw werd gelegd op 31 juli 1845 door Dirk Groot en Marijtje Singer. De betreffende Marijtje was waarschijnlijk de dochter van Jan Singer en Marijtje Schuurman, geboren 26 november 1835. Haar vader was bestuurslid van het polderbestuur.

Op 19 november 1844 verklaarde het polderbestuur een deel van het polderhuis met erf te verkopen aan het gemeentebestuur van Andijk. Het ging om een gedeelte van het polderhuis met erf, belend de weduwe H. Blokker ten westen en de pastorie der hervormde gemeente, sectie A 580, groot 1 roede 56 el, namelijk het onderste gedeelte, alle vertrekken uitgezonderd de oostelijke ingang en voorportaal, de gemeenschappelijke ingang en opgang naar de bovenverdieping. De prijs bedroeg 750 gulden. Voorwaarden waren onder meer dat het gemeentebestuur steeds vrij over de gemeenschappelijke ingang naar boven kon beschikken, dat de zolder onder beheer van de gemeente bleef en door dat bestuur aan de vroedvrouw in gebruik kon worden gegeven, en dat de kosten van onderhoud van het hele gebouw door beide besturen voor de helft werden gedragen en aan het gemeentebestuur werden opgedragen.

Een beschrijving uit 16 oktober 1962 van mevrouw Van Doornik noemt het oude raadhuis, bewoond door mevrouw Spaander, als een somber huis met drie ramen en twee deuren beneden. Beneden woonde de vroedvrouw. Eén brede deur gaf toegang tot de trap naar een kleine overloop. Boven waren twee grote kamers: links de trouwkamer, rechts de polderkamer. De grootste kamer was de trouwkamer, waar ook raadsvergaderingen plaatsvonden. In de winter stond er een grote hoge kachel, een soldaat. De polderkamer werd weinig gebruikt. Er was ook een kleine zolder.

Op 2 november 1849 was er een gemengde vergadering met gemeenten en polderbesturen van Wervershoof en Andijk over het aangegane contract met de Maatschappij Drechterland. Daarbij ontvingen zij samen 4000 gulden: 2400 gulden voor Andijk, 1600 gulden voor de polder. Van dat bedrag werd 750 gulden gebruikt voor aankoop van het gedeelte polderhuis, raadskamer en woonhuis van de vroedvrouw, en 50 gulden voor overdrachtskosten. Ook was er veel correspondentie over het oude raadhuis in Grootebroek in verband met kosten die verdeeld werden tussen Grootebroek/Lutjebroek, Andijk, Bovenkarspel en Hoogkarspel. In die berekening werd ook het gezamenlijke Oudemannen- en Vrouwenhuis betrokken. Zo laat het raadhuisverhaal zien dat gemeente, polder, armenzorg, oude stad Grootebroek en lokale bestuurders nauw met elkaar verweven waren.

Begin twintigste eeuw kwam daar de secretarie bij. In een vergadering van 11 december 1902, toen de nieuwe gemeentesecretaris D. Kooiman per 31 oktober 1902 was benoemd, werd gesproken over de behoefte aan een lokaal voor de secretarie. Tot dan toe werd ruimte gebruikt in het huis van de burgemeester, die deze welwillend en belangeloos beschikbaar stelde. Op 15 december 1902 werd besloten tot aankoop van het in openbare veiling aangekondigde perceel van de weduwe en erven P. Brander Cz aan de Geuzenbuurt, ten westen van de woning van de burgemeester. De bedoeling was daar een gebouw te stichten voor de gemeentesecretaris en zijn bewoning, tegen een vergoeding van 100 gulden per jaar.

Op 2 januari 1903 werd het perceel gekocht voor 1320 gulden. De bouw werd geraamd op ongeveer 5700 gulden. Er waren zes inschrijvingen. De hoogste was 4800 gulden van P. Bot uit Wervershoof, de laagste 4360 gulden van Botman uit Wervershoof. De bouw werd aan Botman gegund. Gedeputeerde Staten bepaalden de jaarwedde op 450 gulden met vrije woning, geschat op 150 gulden, en 50 gulden per jaar voor schoonhouden. In 1905 vertrok Kooiman naar een andere gemeente. Zijn opvolger werd C. Klomp. Het oude raadhuis werd bij publieke verkoping op 28 november 1926 in de Krimper gekocht door mevrouw Adriana Johanna Kluvers, weduwe van mr. Alb. J. van Riemsdijk te Hellendoorn, voor 2660 gulden. Haar zoon F.W. van Riemsdijk, gehuwd met Emmy Bekienk, was daar notaris maar overleed op 14 november 1928 plotseling in Hardenberg, 49 jaar oud. Daarna volgden notarissen Zeevat, van 10 april 1929 tot 29 januari 1936, en W. Spaander, van 1 februari 1936 tot 30 december 1946.

18. Polder Het Grootslag en het waterstaatkundige systeem

Andijk werd niet alleen als gemeente bestuurd, maar ook als waterstaatkundig gebied. Voor het onderhoud van de Westfriese Omringdijk viel Andijk onder het ambacht Drechterland. Voor de afwatering behoorde Andijk tot Polder Het Grootslag. Nagenoeg het hele grondgebied van Andijk hoorde tot dit afwateringsgebied. Alleen de buitendijkse aanwassen, die direct op het IJsselmeer uitwaterden, vielen buiten deze polder. Het Grootslag omvatte een groot deel van oostelijk West-Friesland en strekte zich uit over delen van Andijk, Drechterland, Enkhuizen, Stede Broec, Venhuizen en Wervershoof.

Het water werd via een uitgebreid en ingewikkeld stelsel van sloten en vaarten afgevoerd naar twee hoofdpunten: Broekerhaven in de gemeente Stede Broec en Kerkbuurt in Andijk. Daar werd het water omhooggemalen en op de Zuiderzee, later het IJsselmeer, geloosd. In het begin gebeurde dat met dertien windvijzelmolens. Drie daarvan stonden bij een derde uitwateringspunt nabij Enkhuizen, dat werd gesloten na de opening van het stoomgemaal Andijk in 1864. De andere windmolens verloren hun functie tussen 1894 en 1936. Later kwamen stoomgemalen en diesel-elektrische gemalen, waaronder Grootslag I en Grootslag II.

Rond 1860 werd het binnen de polder gelegen meertje Oude Moer drooggemaakt. Dat gebeurde eerst met drie windmolentjes die overtollig water op de boezem van Polder Het Grootslag loosden. Nog vóór 1894 werden deze vervangen door één schepradmolen. Tot ver in de twintigste eeuw bleef waterbeheer hier een eigen laag in het landschap. De Oude Moer laat zien dat Andijk niet alleen tegen de Zuiderzee vocht, maar ook voortdurend binnenwater moest ordenen, bemalen en bruikbaar maken.

Voor het plaatselijk polderbestuur werden in 1859 gereglementeerde besturen ingesteld, waaronder de banne Andijk. Ook vóór 1859 functioneerde in Andijk al een plaatselijk polderbestuur, voor zover bekend niet gereglementeerd. De taak betrof vooral het onderhoud van enkele wegen en het innen van omslagen, de waterschapsbelastingen voor polders en waterschappen. Banne, polder, ambacht, dijkplicht, omslagen en waterschapslasten bepaalden mede het dagelijks leven. Andijk was dus niet alleen een gemeente, maar ook een waterstaatkundige gemeenschap.

19. De vaarpolder — sloten als wegen

Andijk was lange tijd een vaarpolder. De percelen waren smal en langgerekt en vaak alleen per boot bereikbaar. Sloten en vaarten waren niet alleen afwateringssystemen, maar ook wegen. Tuinbouwproducten gingen per schuit van akker naar veiling. Bagger werd uit sloten gehaald en over het land gebracht. Het water was tegelijk infrastructuur, bescherming, bedreiging en landbouwvoorwaarde. Dat maakte Andijk tot een dorp waar varen, boeren en waterbeheer in elkaar overliepen. De latere ruilverkaveling zou dat oude beeld veranderen, maar tot 1940 was de vaarpolder nog een belangrijk onderdeel van het Andijker bestaan.

20. Rijksproefpolder en Koopmanspolder

Ook buitendijks speelde Andijk een rol in het maken van nieuw land. In het noorden ligt een gebied met zandige klei: de bodem van de Rijksproefpolder, die in 1928 buitendijks werd drooggemalen. Deze proefpolder werd aangelegd als voorbereiding op de latere droogmaking van de Wieringermeer. Daarnaast ligt buitendijks de Koopmanspolder, ontstaan door aanslibbing van jonge zeeklei. Al vóór 1850 werd op deze aanwas een kade gelegd om de polder tegen overstromingen te beschermen. Daarmee hoort Andijk ook bij het verhaal van proefpolders, aanwas, kaden en voorbereiding op grotere droogmakerijen.

21. Van veeteelt naar akkerbouw en Andijker Muizen

Economisch veranderde Andijk in de negentiende eeuw sterk. Omstreeks 1850 bestond het agrarisch grondgebruik vooral uit weide- en hooiland. Slechts enkele percelen waren bouwland. Andijk was grotendeels een veeteeltgebied. In ’t Buurtje, in het westen van Andijk, hadden boeren lange tijd veel invloed. Zij werden in de bron aangeduid als de plaatselijke hoge heren. Die sociale bovenlaag van boeren en grondbezitters had veel te zeggen. Maar hun positie veranderde toen veeteelt terrein verloor aan akkerbouw en later zaadteelt.

Via het Saksisch erfrecht ging de boerderij vanouds over op de oudste zoon. In de negentiende eeuw veranderde dit geleidelijk. Ook jongere zoons kregen rechten en stukken land. Op zulke kleinere percelen was veeteelt minder rendabel. Inventieve Andijkers scheurden grasland en maakten er bouwland van. Zij verbouwden onder meer vroege aardappelen, meekrap voor de verfindustrie, groenten en zaden. De Andijker Muizen werden beroemd als vroege aardappelen. Andijkers probeerden zo vroeg mogelijk vroege aardappelen voor Amsterdam gereed te hebben, omdat daarvoor extra werd betaald. Om nachtvorstschade te voorkomen stookten zij vuren op de akkers. De rook moest als een deken boven de aardappelen blijven hangen. De uitleg was eenvoudig: dikke lucht wordt niet zo gauw koud. Deze omslag van veeteelt naar akkerbouw en tuinbouw werd beslissend. Later zouden zaadteelt, bloembollen, pootaardappelen en lelies daaruit voortkomen.

22. Onderwijs, Nut en landbouwcursussen in de negentiende eeuw

Het onderwijs groeide mee met die veranderende samenleving. Na de zelfstandigheid van Andijk werd het gemeentebestuur belast met de zorg voor onderwijs. Aanvankelijk waren er twee scholen: de school op het Buurtje met twee leerkrachten en de eenmansschool op de Boede of Broekoord. Een van de eerste raadsbesluiten was verhoging van het tractement van de meesters met 150 gulden per jaar. Toen meester Brugman in 1820 overleed, huurde zijn weduwe zelf een ondermeester in om hem te vervangen. Deze moest het volgende jaar plaatsmaken voor Jacob Vis uit Zuiderdorp. Zijn huisraad werd per boot aangevoerd, maar hijzelf moest met een rijtuig uit Hoorn worden opgehaald. Bij meester Anthonie Sas op Broekoord liep de zaak uit de hand. Daarom werd gedeeltelijk op zijn kosten een ondermeester aangesteld met een salaris van 90 gulden en de opdracht orde op zaken te stellen.

In 1843 werd een Commissie van Schooltoezicht ingesteld. In 1862 werd in de Fluithoek een derde openbare school feestelijk geopend, later bekend als ’t school van Klant. Een opvolger van Klant was meester Kool, die na zijn huwelijk met een boerendochter in 1875 liever boer werd in Schellinkhout. In 1868 stichtten de Gereformeerden een eigen school. Het eerste hoofd was J. de Vries. De school groeide snel en moest worden verbouwd en vergroot. Voor de laagste klassen werden vrouwelijke hulpkrachten zonder akte aangetrokken, in de volksmond broekophaalsters genoemd. De schoolgelden werden in 1870 afgeschaft. In 1881 werd besloten tot renovatie en aanbouw van de gemeentelijke scholen: een nieuw lokaal bij de Buurtjesschool en renovatie van de Middenschool en Oosterschool. In 1886 werd avondonderwijs opnieuw ingevoerd. In 1894 kregen de Wester- en Oosterschool er een lokaal bij. In 1901 werd een commissie ingesteld tot wering van schoolverzuim.

De Maatschappij tot Nut van het Algemeen, departement Wervershoof/Andijk, opgericht in 1835, speelde een grote rol. Het Nut gaf boeken uit de bibliotheek ter lezing, richtte jeugd- en schoolbibliotheken op, stimuleerde zang- en herhalingsscholen, organiseerde volksvoorlezingen en naai- en breischolen in Wervershoof, Bangert, Andijk-West en Andijk-Oost. Bij bakker Roemer in Andijk-Oost kwam zelfs een tweede bibliotheek. De Coöperatieve Vereniging Akkerbouw zou later cursussen organiseren in mandenreparatie, tuinbouw, boekhouden, bedrijfscontrole, bemesting, motoren, kassenbouw, kasculturen, bollenteelt, ziektebestrijding, zaadteelt, groenteteelt, aardappelselectie en pootaardappelkeuring. Daarmee werd kennis een motor achter de Andijker economie. Andijk werd niet alleen een dorp van handenarbeid, maar ook van leren, proberen en verbeteren.

23. Buurtjeshaven — ansjovis, vletten en zouterij Bout Boor

Naast landbouw had Andijk een maritieme laag. Al sinds de zeventiende eeuw tot ver in de jaren dertig van de twintigste eeuw was het haventje van Andijk een echte vissershaven. De Buurtjeshaven was de thuishaven van Andijker vissers en ook een schuilhaven voor vissers uit andere plaatsen bij slecht weer. Andijk was geen vissersdorp in de klassieke zin. Tot midden negentiende eeuw was hier vooral grasland en veeteelt. Toch kende het dorp een duidelijk vissersverleden. De vissers werden vooral actief zodra de haringtijd voorbij was. In april trokken zalmen naar het noorden, gevolgd door grote scholen kleine vissen. Via de kusten van Frankrijk en België kwamen ze bij de zeegaten van Holland en zwommen de Zuiderzee binnen. Het ging om ansjovis, een zilverkleurig haringachtig visje van ongeveer 20 centimeter.

In 1887 begon men ook in Andijk met gerichte ansjovisvangst. Simon Broer en Jan Gutter waren de eersten. In 1891 waren er al 50 vletten in zee. Het grootste aantal Andijker vletten was 72. Bij Buurtje, Bakkershoek en Fluithoek was het in het voorjaar zeer bedrijvig. De eerste ansjovis werd nog als bijvangst gevangen in haringnetten van vissers uit Lemmer en andere plaatsen. Dat maakte de Andijkers wakker. Men hielp elkaar de vletten over de dijk te brengen. Omdat het seizoenvisserij was, lagen de boten meestal in de polder. De boten hadden AK als registratieletters en een nummer in de zeilen en op de grote kurken boeien aan de vleet.

Er was een haventje bij de watermachine. Kleine steigers werden in zee aangelegd, met palen tussen de zeestenen. Daarop werden de netten gedroogd. Soms moesten ze worden gerepareerd na stormschade of schade door bruinvissen die door de netten waren gezwommen. Bij het toenmalige stoomgemaal, het huidige Poldermuseum, stond de zouterij van de firma Bout Boor uit Huizen. Mannen en vrouwen werkten aan lange tafels om de ansjovis te koppen. Daarna werd de vis in ankers, vaatjes, met zout geperst. De vaatjes werden met een dommekracht afgesloten met een deksel. Daarna gingen ze naar de vemen om een jaar te rijpen. Ansjovis was een speculatieartikel. Soms werd zij pas na jaren zeer duur verkocht.

Voor vissers kon een goede ansjovisvangst redelijk lucratief zijn. Bij een goede vangst had men 25.000 tot 30.000 visjes per boot. De prijs kon variëren van 2,50 tot 10 gulden per 1000 stuks. Maar er waren ook jaren dat er bijna geen ansjovis werd gevangen. Na de Afsluitdijk van 1933 kon de ansjovis de Zuiderzee niet meer op zoals vroeger. De visserij bleef geen vetpot en de oude Zuiderzeevisserij verloor haar basis. De Buurtjeshaven bleef een herinnering aan de tijd dat Andijk met één voet in het water stond en met de andere in het land.

24. De eerste bloembollen — proeven, veilingen en pioniers

Tegen het einde van de negentiende eeuw kwam een nieuwe teelt in beeld: bloembollen. Aanvankelijk was Andijk een dorp zonder bloembollen. Het agrarische aanzien veranderde in anderhalve eeuw radicaal. Na grasland en veehouderij kwamen aardappelen, groenten en zaden. Doordat Andijker tuinbouwers gewend waren steeds nieuwe producten te zoeken, konden ook bloembollen uiteindelijk een plek krijgen. De bloembollenteelt bestond al eeuwen in Nederland, vooral op de geestgronden achter de duinen. De tulpengekte van de zeventiende eeuw en de verdere ontwikkeling van de bollenteelt gingen aanvankelijk aan West-Friesland voorbij. Pas tegen het einde van de negentiende eeuw kwamen tulpen en andere bolgewassen in het gezichtsveld van Andijkers.

Rond 1886 vinden we de eerste sporen. Burgemeester Reinder Kooiman, wethouder Jacob Tensen en Jan Groot sr. namen een proef met tulpenteelt. Het resultaat was matig. Kooiman en Tensen stopten, maar Jan Groot hield nog een kleine tulpenbaan over van ongeveer 40 roeden. In 1889 werden 378 regels Scarlet Duc, ruim 5 roe, gekocht voor 50 gulden. Toen Jan Groot in 1896 zijn bedrijf wilde verkopen, hadden zijn tulpen een fictieve waarde van 700 gulden, maar in de verkoopwaarde werden zij genoteerd voor 165 gulden. Pieter Kistemaker kocht ze en kon er bij de oogst maar 100 gulden voor krijgen. De pioniers werden er niet rijk van.

Jongere tuinders pakten de teelt opnieuw op. Jan de Wit in Lutjebroek had vóór 1900 al een hectare tulpen. Klaas Groot Siemenzoon kocht via Piet Edel uit Zwaag een partijtje tulpen. Willem Kooiman P.Pz., 22 jaar oud, ging op 6 mei 1901 voor het eerst naar de bloembollenbeurs in Haarlem. Hij zou vijftig jaar lang elke maandag aanwezig zijn. Hij werd bekend als Wullemke en geldt als een pionier van de Andijker bollenteelt. In 1901 was er een groene veiling bij de molen aan de Broekerhavenweg. Drie Kooimannen uit Andijk gingen er zeilend met de schuit heen en kochten voor elk 80 gulden aan onbekende soorten: Rose Crisdelin, Gele Prins, Scarlet Duc, Murillo, Moore en Grand Duc.

Willem Schenk Wz. begon met een aankoop van 50 roe, die uitgroeide tot 10 hectare bloembollen in 1932. Hij liet later de villa’s Oranje Nassau Hoeve en Willemsoord aan de Middenweg bouwen. Hij was ook veilingbestuurder en actief in het verenigingsleven. In 1905 was er nog maar één hectare tulpen in Andijk. De pioniers zochten steun bij elkaar. Samen met telers uit Bovenkarspel richtten zij een afdeling van de Vereniging voor Bloembollencultuur op. Daarvoor waren minimaal tien personen nodig: vijf uit Bovenkarspel, vier uit Andijk en als tiende de kastelein van Het Rode Hert, K. Berkhout, die later voorzitter zou worden van bloembollenveiling West-Friesland.

25. De groei van de bollenteelt tot 1930

In 1906 besloot Andijk een eigen afdeling van Bloembollencultuur te vormen. Er meldden zich direct 45 leden. Op 23 mei 1906 werd een bestuur gekozen. Jb. Kooiman Pz. werd voorzitter en bleef dat tot 1937. Andere bestuursleden waren D. Smit, D. Basjes, K. Groot sr. en W. Kooiman Pz. De eerste gezamenlijke opplant bestond uit 570 roe tulpen voor een groene veiling. Elke deelnemer moest minimaal 3 roe planten. Er werd geplant op het land van Jacob Tensen, die het veld voor 90 cent per roe schoon zou houden. De veiling van 1907 bracht 11.500 gulden op. Het bestuur schatte de waarde van de opgeplante bollen bij de 63 leden al op ongeveer 100.000 gulden.

De contributie bedroeg 3 gulden per jaar. Voor sommige beginnende bollentelers was dat bezwaarlijk. De reiskostenvergoeding naar de algemene vergadering van Bloembollencultuur in Haarlem werd vastgesteld op 5 gulden. Niet iedereen had al een fiets; soms moest men lopen naar Hoogkarspel om de trein te nemen. Er waren ook problemen: bollendiefstal, ratten, vogels, droogte, harde kluiten, vorst en hoge veilingkosten. Veldwachter C. de Groot kreeg 5 gulden gratificatie voor zijn werk bij het opsporen van bollendieven en 1 gulden per proces-verbaal.

De kleibollen werden door sommigen minderwaardig genoemd ten opzichte van zandbollen. De Westfriezen namen dat niet. Zij zetten vergelijkende broeiproeven op met telers uit Bovenkarspel en bloemisten uit Enkhuizen. De resultaten werden in de Oranjezaal in Enkhuizen tentoongesteld. Deze proeven gaven vertrouwen en kunnen worden gezien als voorlopers van de Westfriese Flora. Naast tulpen kwamen gladiolen via zaadhandelaren in Enkhuizen. Soorten als Halley, Le Roi Soleil en L’Immaculée brachten goed geld op. In 1909 werd samen met West-Andijk en Wervershoof de eerste droge bollenveiling gehouden. Er werd voor 3000 gulden geveild. Dit werd de eerste aanzet tot gezamenlijk veilen in West-Friesland.

Tot in de Eerste Wereldoorlog bleef de bollenteelt ondergeschikt aan zaadteelt en aardappelen. Toch groeide de oppervlakte in Andijk van 4,4 hectare in 1912 naar 60 hectare in 1916. In 1918 werden proefveilingen georganiseerd met Enkhuizen en Bovenkarspel. In januari 1919 kwam de bloembollenveilingsvereniging West-Friesland officieel tot stand met een bestuur van negen man. Voor Andijk zaten daarin D. Molen, 1919–1944, W. Schenk Wz., 1919–1948, en P. van der Gulik, 1919–1927. De eerste veilingen waren primitief: kopers zaten op manden in de Kolfbaan en bestuursleden op het toneel van Het Rode Hert in Bovenkarspel.

In de jaren twintig kwamen Darwin-tulpen, late soorten, dubbele vroege tulpen, gladiolen, irissen, sneeuwklokjes, narcissen en lelies in beeld. In Enkhuizen ontstond bloemenveiling Bloemenlust. In 1921 waren er in Andijk 450 land- en tuinbouwbedrijven, waarvan 400 kleiner dan 5 hectare. In 1924 teelden zij samen al 220 hectare bloembollen. Dat vergde enorm veel handwerk. Los volk kwam van de overkant: Friezen en Drenten, met de Staverse boot. Zij rooiden bollen met troffel of driehoekschop, kruipend met zeildoekenbroek. Voor één cent per regel rooiden zij 800 tot 1000 regels per dag, zes weken lang. In de schuren zaten pelsters aan tafels met stoffige of vuile bollen. Zij probeerden tien manden per dag te halen. Elke mand leverde 75 tot 100 cent op. ’s Avonds werden bollen gerold op houten roltafels. Grote bouwers gebruikten sorteermachines als de Vlinder, Ideaal of Kooi’s Patent.

In 1921 kwam de freesmachine in gebruik. R. Kool kocht de eerste machine in Andijk. Bij een freesbreedte van 90 centimeter kon driekwart hectare per dag worden gefreesd. In loonwerk kostte dit 15 cent per roe, of 105 gulden per hectare. Vóór 1930 was het in de bollenteelt hosanna. Uitbreiding bracht geld op. Nieuwe schuren en huizen werden gebouwd. Daarna zette de crisis alles op losse schroeven. Toch was Andijk inmiddels veranderd. Het was niet meer alleen een dijkdorp van vee, gras en vaarpolders. Het werd een dorp van aardappelen, zaden, bollen, veilingen, cursussen, schuren, kassen en gespecialiseerde kennis.

26. Gebr. Bot als vroege tuinbouwlijn

Ook het bedrijf dat later bekend zou worden als Bot Flowerbulbs hoort in deze vroege tuinbouwlijn. Rond 1895 begon Pieter Bot een tuindersbedrijf met groenten en zaadteelt. In 1927 startten zijn drie zonen Gerrit, Klaas en Evert het bedrijf Gebr. Bot. Zij begonnen met tulpen en krokussen en stopten met zaadteelt. Eind jaren dertig kwamen gladiolen en hyacinten erbij. Klaas stapte uit het bedrijf. Daarmee past Gebr. Bot precies in de overgang van Andijk naar een gespecialiseerde bollengemeenschap, al zou de grote moderne handels- en preparatiefase pas na 1940 komen.

27. 1916 — storm, dijkverzwaring en verplaatsing van huizen

De storm van 1916 was ondertussen een tweede grote keerpunt. De Zuiderzeedijk had zwaar geleden en moest worden verhoogd, verzwaard en verbreed. Bij Andijk betekende dit dat ruim 300 opstallen werden verwijderd of verplaatst. Huizen die tegen de dijk stonden, moesten verdwijnen. Sommige huizen werden niet gesloopt maar verplaatst. Met dekschuiten, touwen, sterke mannen en specialistisch werk werd een deel van het dorp opgevijzeld en elders weer neergelaten. Dit verhaal tekent de Andijker mentaliteit: praktisch, hard, inventief en niet snel verslagen.

Burgemeester Piet Groot Janszn, burgemeester van Andijk van 1919 tot 1945 en ook dijkgraaf van Hoorn, speelde een grote rol. De Dijkgraaf Grootweg is naar hem vernoemd. Hij was volgens Kistemaker een echte boerenregent, niet gemakkelijk, maar daadkrachtig. Hij besloot dat er niet langer voortdurend aan en vlak bij de dijk gebouwd moest worden. Andijk moest meer worden dan een negen kilometer lang stuk dijk. Nieuwe wegen werden aangelegd in het achterland. De Dijkweg kwam aan de voet van de vernieuwde dijk. Daarnaast werden de Kleingouw, Molenweg, Hoekweg, Middenweg en Knokkel aangelegd. De huidige structuur van Andijk begon daaruit te ontstaan. Sinds 1916 werden in het achterland tuinderswoningen en arbeidershuisjes gebouwd. De lintbebouwing langs nieuwe wegen gaf Andijk later het karakter van een tuindorp, al bleef de bereikbaarheid van veel tuinderijen nog lang moeilijk door de oude vaarpolderstructuur.

28. Bebouwing en herkenbare plekken tot 1940

De bebouwing van Andijk tot 1940 laat die overgang zien. Voor 1940 betekende Andijk vooral het huidige Kerkbuurt. Het oude Andijk lag aan de dijk en bestond uit buurten als Andijk, ’t Buurtje, Noorddijk en Oosterdijk. De Kerkbuurt ontwikkelde zich rond de Buurtjeskerk van 1667 en bleef tot na 1945 de belangrijkste plaats in de gemeente Andijk. De omgeving van Buurtje en Singerspad vormde de kern van het oude Kerkbuurt. Daar stonden de Buurtjeskerk, eenvoudige landarbeiderswoningen, oudere woonhuizen van vóór 1850, stolpboerderijen en bebouwing uit 1900–1930.

Langs de Dijkweg staat vooral vrijstaande bebouwing, meestal aan de zuidzijde van de weg. Dit hangt samen met de dijkverhoging van 1916, waarbij bebouwing tegen de dijk werd afgebroken. Veel huizen dateren uit 1900–1920, met één bouwlaag en mansarde- of zadeldak. Karakteristieke objecten uit deze oudere en vroegmoderne laag zijn onder meer gemaal Grootslag I uit 1882, stolpboerderij Dijkweg 43 met stierenkop, de Baptisten Oosterkerk uit 1873 aan het Kerkepad, de Nederlands Hervormde kerk uit 1928 tegenover het gemeentehuis en de gereformeerde kerk aan Middenweg 4 uit 1929–1930 van architect Egbert Reitsma. Ook zaad- en bollenschuren aan Kleingouw 47, 48 en 49 uit 1927–1930, de voormalige scheepswerf Kleingouw 1 en de losschuur Horn 10 uit 1920 verbinden de bebouwing direct met arbeid, handel, water en tuinbouw.

29. Archeologie, vondsten en Het Grootslag

Archeologisch bleef Andijk ondertussen verbonden met Het Grootslag. De belangrijkste vondstcategorieën zijn vuurstenen sikkels, silexwerktuigen, pijlpunten, hamers, aardewerk, grafheuvelsporen, ploegsporen, akkerresten, urnen, kookpotten, lepels, spinklossen, kralen, napjes, bakjes, stenen messen, Karolingisch aardewerk, laatmiddeleeuwse scherven, Fries-Bataafs aardewerk, resten uit de Tachtigjarige Oorlog, Napoleontische tijd en huishoudelijke gebruiksvoorwerpen. Willem Jan Wester vond op de Munnikij een barnstenen kraal. Deze bleek uit de late of middenbronstijd te stammen, rond 1000 v.Chr. Dat leidde hem tot verdere archeologische belangstelling. Hij verzamelde onder meer een urn, kookpotten, lepels, spinklossen, kralen, napjes, bakjes, vreemde aardewerken voorwerpen, stenen messen en ander stenen gereedschap.

Belangrijke archeologische locaties en onderzoeken rond Andijk zijn onder meer Veenakkers 13, Cornelis Kuinweg 17, Cornelis Kuinweg 33, Sorghvliet, Kleingouw 178, Het Grootslag, Munnikij, Wervershoof/Zwaagdijk, Grootebroek en de omgeving van De Neuvel in Wervershoof. Vanaf 1942 zouden opgravingen in Het Grootslag nieuwe inzichten opleveren en later zou met nederzettingsarcheologie en streekbeschrijving worden gekeken naar huisvormen, nederzettingspatronen, bedrijfsvormen, landschap en historisch verband. Die opgravingen vallen net buiten het eindbeeld tot 1940, maar zij bevestigen wel hoe rijk de oudere lagen waren die al vóór 1940 door vondsten en lokale verzamelaars zichtbaar waren geworden.

30. Eindbeeld tot 1940 — van waterdreiging naar werkend land

Tot 1940 is Andijk al een uitzonderlijk compleet West-Fries verhaal. Het begint in de Bronstijd, met zandige ruggen, akkers, grafheuvels, vuurstenen sikkels, kralen, urnen en nederzettingen van Het Grootslag. Daarna komt de lange natte periode waarin het gebied moeilijker bewoonbaar werd en waarin de bewoningsgeschiedenis rond de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen lang onduidelijk bleef. Vervolgens begint de herontginning van veen met sloten, strokenverkaveling, afwatering en bodemdaling. Uit die ontginning groeit de noodzaak van dijken, kaden, polders, molens en gezamenlijk waterbeheer.

In de late middeleeuwen wordt Andijk dijkland en kloosterland tegelijk. Munnekay verbindt het dorp met Stavoren, Hemelum, Bloemkamp, Lutjebroek, Wervershoof, kloostermoppen, uithoven, lekenbroeders, visrechten, sluizen, Willem IV, Warns, Willem V en grafelijke macht. Daarna wordt Andijk een dijkgemeenschap met buurtschappen, kerken, scholen, katholieke schuilkerken, de Buurtjeskerk, de Buurtjeshaven, veeteelt, dijkplicht, waterschapslasten en polderbestuur.

In de negentiende eeuw wordt Andijk een zelfstandige gemeente, met maire Cornelis Veer, adjuncten, municipale raden, raadhuis, polderhuis, vroedvrouw, secretarie, scholen, openbaar en bijzonder onderwijs, het Nut, Akkerbouw, landbouwcursussen en een groeiende lokale samenleving. Economisch verschuift Andijk van grasland en veeteelt naar aardappelen, Andijker Muizen, meekrap, groenten, zaadteelt, tulpen, gladiolen en bloembollen. De Buurtjeshaven laat zien dat Andijk ook met één voet in de Zuiderzee stond. Ansjovis, vletten, AK-nummers, netten, zouterij Bout Boor, Buurtje, Bakkershoek, Fluithoek en de latere herinnering aan de haven vormen de maritieme laag.

De storm van 1916 dwingt het dorp zichzelf opnieuw uit te vinden. Huizen verdwijnen van de dijk, nieuwe wegen ontstaan, het achterland wordt bebouwd en Andijk verandert langzaam van dijklint in een ruimer tuindersdorp. De Afsluitdijk van 1933 verandert de visserij voorgoed. De bloembollenteelt is vóór de crisis sterk gegroeid, maar staat rond 1930 onder druk. De oude vaarpolder bestaat nog, maar de tuinbouw drukt steeds sterker zijn stempel. Andijk is nog geen naoorlogs rijpolder- of wereldtuinbouwdorp, maar de basis daarvoor is gelegd.

Andijk tot 1940 is daarom het verhaal van mensen die telkens opnieuw moesten reageren op hun omgeving. Eerst op zand en water, daarna op veen en klei, vervolgens op dijk en Zuiderzee, later op markt, onderwijs, polderbestuur, visserij en tuinbouw. In Andijk werd land nooit vanzelfsprekend. Het moest worden gemaakt, beschermd, bewerkt, bevaren, bebouwd en steeds opnieuw uitgevonden. Dat maakt Andijk tot een van de meest volledige West-Friese plaatsverhalen: een dorp waar de geschiedenis niet in één gebouw of één jaartal zit, maar in de lange beweging van bodem naar dijk, van kloosterland naar vaarpolder, van schuit naar bollenveld, en van waterdreiging naar werkend land.