Amsterdam in de vroege vijftiende eeuw — Deel 1
Van zusterhuis tot kloosterstad, 1385–1422
Vier dagen waarop het Agnietenklooster zijn oorsprong herdacht
Iedere dag werden in het Amsterdamse Agnietenklooster de mensen herdacht die op diezelfde kalenderdag waren gestorven en voor de gemeenschap betekenis hadden gehad. Meestal ging het om overleden kloosterzusters. Slechts af en toe stond er een begunstiger tussen. Daardoor verwees het dagelijkse dodenboek vooral naar het eigen kloosterleven en veel minder naar de buitenwereld waaruit de gemeenschap ooit was voortgekomen. In de zestiende eeuw verdwenen bovendien steeds meer namen van de vroegste bewoners en weldoeners uit de kalender en het necrologium. Viermaal per jaar bleef die oude buitenwereld echter nadrukkelijk aanwezig.
Op 7 september vierden de Agnieten het jaargetijde van Gijsbert Dou en zijn ouders. Dou gold in de kloosterherinnering als de geestelijke vader van de Amsterdamse Moderne Devotie en als een van de eerste algemene biechtvaders van de gemeenschappen die rond 1400 waren ontstaan. Op 6 mei werd zijn medestander herdacht, de priester Jan van den Gronde. Dat beiden nog anderhalve eeuw na hun optreden met memoriemissen werden geëerd, was begrijpelijk. In de loop van de zestiende eeuw werd het aanzien van Dou alleen maar groter en schreef men hem een steeds belangrijkere rol toe bij de stichting van de Amsterdamse kloosters.
Op kerstavond baden de Agnieten voor Rissent Klaasdr en haar ouders. Rissent, die in 1427 was overleden, gold als de eerste mater of leidster van het klooster. Volgens de later opgeschreven kloosterkroniek was zij afkomstig uit het St.-Claraklooster en had zij van daaruit de eerste zusters meegenomen om een nieuwe gemeenschap te vormen. Haar plaats in de herinnering was daarom niet alleen die van een vroegere overste. Zij personifieerde het moment waarop enkele vrouwen een bestaand religieus huis verlieten en besloten gezamenlijk een eigen weg te volgen.
Het vierde oude jaargetijde werd op 18 augustus gehouden voor Willem die Brune Roelofsz, zijn vrouw Nelle en hun kinderen. Zij behoorden niet tot de geestelijke leiders van de Moderne Devotie. Zij waren Amsterdamse leken die rond 1400 hun huis ter beschikking hadden gesteld aan de vrouwen die later het Agnietenklooster zouden vormen. De zusters hadden daar lange tijd gewoond toen hun gemeenschap nog maar pas bijeenkwam. Tot de opheffing van het klooster in 1584 bleven Willem en Nelle daarom in de gebeden van de Agnieten aanwezig. Hun eenvoudige daad van gastvrijheid was na anderhalve eeuw nog steeds onderdeel van de kloosteridentiteit.
Tussen geleide hervorming en vrije lekendevotie
De vier memories laten zien hoe de Amsterdamse religieuze beweging zich na de beslissende jaren 1385–1395 kon voortzetten. Aan de ene kant stonden Gijsbert Dou en andere voormannen van de Moderne Devotie. Zij wilden religieuze gemeenschappen hervormen, ordenen en onderbrengen in erkende kloosterverbanden. Aan de andere kant bleven vrouwen bestaan die niet onmiddellijk reguliere non wilden worden. Zij wilden als semi-religieuzen gezamenlijk wonen, bidden en werken, zonder meteen alle eisen van een volledig kloosterleven te aanvaarden.
Deze brede, door leken gedragen vorm van religieuze deelname kan worden gezien als participatieve devotie. De gelovigen waren daarbij niet uitsluitend schenkers die geld, land of missen betaalden, maar namen zelf deel aan een gemeenschappelijk religieus bestaan. Daartegenover stond een meer instrumentele vorm van devotie, waarin vooral welgestelde stedelingen en leden van de bestuurlijke elite hun vermogen gebruikten om religieuze instellingen, missen en blijvende gebedsherinneringen te financieren. De stichting van het Kartuizerklooster was een belangrijke uitkomst van die tweede stroming.
Dou verloor de participatieve beweging niet uit het oog, maar probeerde tegelijkertijd de door hem begeleide gemeenschappen naar een strengere, regulariseerde vorm te leiden. Dat gebeurde met het Amsterdamse zusterhuis, dat tussen 1391 en 1393 niet alleen werd hervormd, maar ook werd geëlitariseerd. Het huis werd een klooster van reguliere kanunnikessen: het Oude Nonnenklooster. Niet alle vrouwen uit de oorspronkelijke gemeenschap konden of wilden die overgang meemaken.
Ook het Amsterdamse fraterhuis werd door Dou naar een andere vorm geleid. De broeders hadden aanvankelijk in het huis van Jan Scincke gewoond. In 1394 moesten zij dat stedelijke huis verlaten. Enkele kilometers buiten de stad ontstond uit hun gemeenschap het Regulierenklooster. Daarmee verdwenen zowel het oorspronkelijke zusterhuis als het fraterhuis uit hun vrije, stedelijke vorm. Zij keerden terug als gereglementeerde kloosters met een duidelijker plaats binnen de kerkelijke ordening.
Rond 1395 kon het daarom lijken alsof de brede religieuze onderstroom het slachtoffer was geworden van het succes van drie kloosterprojecten: het Oude Nonnenklooster, het Regulierenklooster en het buiten de stad gelegen Kartuizerklooster. De werkelijkheid bleek anders. Nadat het eerste zusterhuis was hervormd, ontstonden op verschillende plaatsen in Amsterdam nieuwe religieuze gemeenschappen. Tussen 1393 en 1430 kwamen uiteindelijk twaalf nieuwe zusterhuizen en één mannengemeenschap tot stand.
Poorters speelden daarbij een onmisbare rol. Zij hoefden niet tot de rijkste stedelijke families te behoren. Een woonhuis, een achtererf of een tuin kon al voldoende zijn om een nieuwe gemeenschap op weg te helpen. Sommigen stelden hun eigen huis beschikbaar, zoals Willem die Brune en Nelle. Zij deden dat zelfs minimaal tweemaal. Eerst namen zij de vrouwen op die later het Agnietenklooster vormden. Nadat deze zusters omstreeks 1406 vertrokken, kwam tussen 1406 en 1411 een nieuwe groep vrouwen in hun huis wonen. Uit die tweede gemeenschap groeide het St.-Maria-Magdalenaklooster aan het Spui.
De tweede generatie kloosters kwam daardoor voort uit een evenwicht. De religieuze leiding van Dou en zijn kring bleef aanwezig, maar daarnaast bleven vrouwen en mannen op eigen initiatief gemeenschappen vormen. Bestaande kloosters hielpen soms met grond. Amsterdamse families leverden huizen, tuinen of erfpachten. Priesters boden geestelijke begeleiding. De beweging werd dus niet uitsluitend van bovenaf georganiseerd en evenmin uitsluitend van onderaf opgebouwd. Zij groeide juist door het voortdurende verkeer tussen kerkelijke hervormers, stedelijke leken, bestaande kloosters en nieuwe gemeenschappen.
Dertien gemeenschappen zonder bekend geboortejaar
De verhouding tussen deze nieuwe stadskloosters, de drie oudere kloosters en de Amsterdamse bevolking wordt vooral zichtbaar op drie gebieden. Het eerste is hun ontstaanswijze. Veel gemeenschappen groeiden bijna ongemerkt uit de stedelijke bevolking. Het tweede gebied betreft de bewoners zelf: de zusters, broeders, priesters, maters, ministersessen en weldoeners. Het derde is hun bezit: waar de grond vandaan kwam, wie de rechten erop bezat en hoe de kloosters hun erven, tuinen, huizen en waterpartijen verwierven.
Een volledige reconstructie van al het bezit van de dertien kloosters zou veel verder gaan dan hun ontstaansgeschiedenis. Belangrijker voor de vroegste fase is de vorming van de kloosterterreinen. Daaruit blijkt namelijk niet alleen waar de gemeenschappen woonden, maar ook met welke poorters, families, instellingen en oudere kloosters zij verbonden raakten. Een kloostererf was zelden één onbelast perceel. Het kon bestaan uit gehuurde grond, erfpacht, vrij eigendom, afzonderlijk gekochte tuinen en rechten die nog bij anderen berustten.
Bijzondere aandacht verdient de verhouding tussen het Oude Nonnenklooster en de nieuwe vrouwenkloosters in en rond Grimmenes. Sommige vrouwen kunnen vanuit het oorspronkelijke zusterhuis zijn doorgeschoven naar nieuwe gemeenschappen. Daarnaast bezat het Oude Nonnenklooster eigendomsrechten, erfpachten of andere aanspraken op grond waarop jongere kloosters verrezen. De relatie tussen oud en nieuw was daardoor niet alleen geestelijk. Zij werd ook zichtbaar in jaarlijkse betalingen, perceelsgrenzen, gebruiksrechten en overdrachtsakten.
De nieuwe kloosters kunnen niet eenvoudig in chronologische volgorde worden behandeld. Zij kwamen voort uit semi-religieuze gemeenschappen die vaak jarenlang konden bestaan zonder in een oorkonde te worden genoemd. Van geen van de dertien huizen is het werkelijke geboortejaar met zekerheid bekend. De eerste schriftelijke vermelding geeft meestal slechts aan dat de gemeenschap op dat moment al voldoende bezit, organisatie of kerkelijke status had om in een akte te verschijnen.
Geografisch is wel een duidelijke volgorde zichtbaar. Direct naast het Oude Nonnenklooster lag St. Dionysius ter Leliën, beter bekend als het Nieuwe Nonnenklooster. In Grimmenes en de directe omgeving kwamen de meeste nieuwe gemeenschappen tot stand: vijf binnen de Oudezijds Voorburgwal en vijf daarbuiten. Aan de andere kant van de Amstel, in de Nieuwe-Kerksparochie, ontstonden nog twee vrouwenhuizen. Voordat deze afzonderlijke kloosters kunnen worden gevolgd, moet eerst het uitgestrekte grondbezit van het Oude Nonnenklooster worden gereconstrueerd.
Het Oude Nonnenklooster bouwt een territorium op
Tussen 1389 en 1420 verwierf het Oude Nonnenklooster het grootste terrein van alle Amsterdamse stadskloosters. Alleen de veel ruimere mannenkloosters van de regulieren en de kartuizers, die buiten de stad lagen, worden daarbij buiten beschouwing gelaten. Op de zestiende-eeuwse kaart van Cornelis Anthonisz waren binnen het gebied van de Oude Nonnen nog vier verschillende zones te herkennen. Zij waren niet tegelijkertijd en evenmin op dezelfde juridische wijze verworven.
Het kloosterterrein bestond niet eenvoudig uit één ommuurd complex. Het omvatte de gebouwen en kapel, grote tuinen, kleinere volkstuinen, drassige kavels, visvijvers, weideland en uitgestrekte buitendijkse gronden. Bij sommige percelen bezat het klooster zowel de grond als het gebruiksrecht. Bij andere had het alleen recht op een jaarlijkse erfpacht. Elders waren de nonnen gebruiker, maar nog geen vrije eigenaar. De vier zones tonen daardoor niet alleen de ruimtelijke groei van het klooster, maar ook de ingewikkeldheid van het laatmiddeleeuwse Amsterdamse grondbezit.
Zone I — De kern met kapel en kloostergebouwen
De eerste zone vormde de kern van het Oude Nonnenklooster. Hier stonden de kloostergebouwen en het grootste deel van de kapel. Het terrein was ongeveer één hectare groot en was het oudste onderdeel van het complex. Het grootste deel ervan was uiterlijk in 1386 door Pieter Jacobsz aan de zusters verhuurd of verpacht.
Van die eerste overdracht is geen afzonderlijke oorkonde bewaard gebleven. De datering kan echter worden afgeleid uit het document waarmee het oorspronkelijke zusterhuis op 1 april 1389 werd gereglementeerd. Daarin staat dat drie vroege voogden een erf van Pieter Jacobsz voor de vrouwen hadden gepacht: Heinric Janszoen, Gerrit die Brune Janszoen en Jan Heinricszoen van den Damme. Van den Damme was in 1386 al overleden. De pacht en daarmee de aanwezigheid van de zusters op het terrein moeten dus uiterlijk in dat jaar zijn begonnen.
Ook andere vermeldingen bevestigen dat zij daar al vóór de officiële kloosterhervorming woonden. Tussen 1389 en 1393 komen in de bronnen het zustersland, de zustershof en de zustersbrug voor. Deze plaatsaanduidingen tonen dat de vrouwen niet slechts een huis huurden, maar al een herkenbaar religieus terrein vormden. De latere oorkonde uit 1401, waarin Pieter Jacobsz de grond opnieuw en nu definitief in erfpacht uitgaf, sluit bij die oudere situatie aan.
Het in 1401 als Den Nesse aangeduide stuk land werd aan verschillende zijden begrensd door grond die al met het klooster samenhing. Aan de noordzijde lag de latere tweede zone, aan de zuidzijde het gebied dat als derde zone kan worden onderscheiden. In het oosten liep de sloot tussen het kloosterland en de Bredeweide, waaruit later de Kloveniersburgwal ontstond. Aan de westkant lag het noord-zuid lopende gedeelte van de Oude Nonnenvaart, dat in de akte nog als de nieuwe gracht werd aangeduid.
De zusters bezaten aanvankelijk niet ieder klein stuk binnen deze kern. Zowel vóór als na 1401 kochten zij ontbrekende erven en tuinen op. Op 26 februari 1394 schonken Willem Zale Gijsbertsz en zijn vrouw Geertruid Gerrit Diedertszdr bijvoorbeeld een tuin tussen twee grachten. Deze grensde zowel aan het bezit van Pieter Jacobsz als aan grond van het klooster.
Op 21 augustus 1396 verkocht Pieter Hose een erf ten zuiden van de Nonnenbrug. Het lag aan beide zijden ingeklemd tussen kloostergrond. Op 26 april 1407 verwierf het klooster nog een tuin van Luduwe, de weduwe van Jacob Kesse. Ook deze tuin lag ten zuiden van de Nonnenbrug, naast het klooster en een tuin van Vastert Jansz.
De Nonnenbrug of Canonissenbrugghe lag aan het zuidelijkste punt van de Oudezijds Achterburgwal, ongeveer op de plaats van de huidige brug naar de Oudemanhuispoort. Wanneer de akten hier spreken over grond “tussen de twee grachten”, gaat het niet om het gebied tussen de Oudezijds Voorburgwal en Achterburgwal. Bedoeld werden de Grimburgwal en de Oude Nonnenvaart.
De verwerving van de eerste zone werd op 29 februari 1420 voltooid. Joost Pietersz, de zoon van Pieter Jacobsz, gaf het klooster toen het vrije eigendom. De erfpacht die zijn vader in 1401 op het terrein had gevestigd, verdween daarmee. Na meer dan dertig jaar bewoning, pacht, aankoop en aanvulling beheersten de nonnen nu de grond waarop hun belangrijkste gebouwen stonden volledig.
Zone II — Een uitzonderlijk grote kloostertuin
De tweede zone lag bij de Oudezijds Achterburgwal en werd later als kloostertuin gebruikt. Deze grond werd ongeveer tien jaar na het eerste terrein verworven. Ook dit erf was circa één hectare groot. Voor een stedelijk Amsterdams erf was dat een uitzonderlijke oppervlakte, te meer omdat het als één geheel werd gekocht.
Op 10 januari 1394 verwierf het klooster twee made land in de Nes van twee leden van de familie van schepen Servaas Roelofsz. De latere tuin lag vooral ten oosten van de Achterburgwal. Toch is het mogelijk dat een deel van het in 1394 verkochte land ten westen van de gracht lag. Verschillende verwanten van Servaas Roelofsz bezaten ook daar grond.
Op 13 april 1383 hadden Klaas Servaasz, de vader van de in 1394 genoemde Roelof Klaasz, en Roemer Heinenz een erf aan de Oudezijds Voorburgwal in erfpacht uitgegeven. Dat erf lag later op de plaats van het St.-Ceciliaklooster, tegenover de tuin van de Oude Nonnen. De koopakte van 1394 beschrijft niet precies hoe de verkochte grond ten opzichte van de beide burgwallen lag. De verspreiding van het familiebezit maakt het daarom mogelijk dat de aankoop aan weerszijden van de Achterburgwal doorliep.
In 1412 bezaten de Oude Nonnen in ieder geval minimaal één erf tussen de Oudezijds Voorburgwal en de Achterburgwal. Pieter Jacobsz droeg dit perceel op 16 juli van dat jaar aan hen over. Aan de zuidzijde grensde het aan grond die het klooster al bezat. Het kan deel hebben uitgemaakt van de aankoop van 1394, maar ook een latere uitbreiding zijn geweest.
Deze vaststelling is belangrijk omdat zich na 1400 juist in dit gebied enkele nieuwe vrouwenkloosters ontwikkelden. Hun huizen kwamen dus niet op volledig onafhankelijke grond te staan. Zij verrezen op, naast of binnen een gebied waarop het Oude Nonnenklooster eigendoms- of andere rechten kon laten gelden. Zo groeide uit de tuinverwerving van 1394 later een blijvende juridische verhouding tussen het oudste vrouwenklooster en verschillende jongere gemeenschappen.
Zone III — Tuinen, vijvers en verdeeld eigendom in de Buitenste Nes
De derde zone was veel ingewikkelder. Het betrof een min of meer driehoekig gebied tussen de Amstel, de sloot langs de Bredeweide en het oost-west lopende gedeelte van de Oude Nonnenvaart. Langs de zuidrand van het klooster liep een pad in het verlengde van deze vaart. De sloot aan de oostkant werd later de Kloveniersburgwal.
Oorspronkelijk was het gehele gebied eigendom van Pieter Jacobsz. In 1383 begon hij de grond te verkavelen. Het gebied heette toen meestal de Buitenste Nes of Uterste Nesse. De verkaveling volgde het karakter van de bodem. Aan de noordkant ontstonden minstens negen relatief smalle tuinen die vanaf de Oude Nonnenvaart en de naastgelegen tuinweg in zuidelijke richting liepen. Zij werden vanaf 1383 als kleine tuinpercelen in erfpacht uitgegeven aan Amsterdamse poorters.
In de zuidpunt lagen minimaal drie grotere kavels. Deze strekten eerder van oost naar west en waren natter dan de noordelijke tuinen. Hier bevonden zich visvijvers. Sommige waterpercelen waren zo omvangrijk dat niet alleen het water, maar het hele kavel als “vijver” werd aangeduid. Pieter Jacobsz verpachtte een deel van deze zuidelijke kavels en verkocht andere gedeelten volledig.
Al op 24 april 1376 had hij een van de grote percelen in de zuidpunt verkocht aan de viskoper Hendrik Dirk Hendriksznsz. Deze viskoper en zijn familie zouden later opnieuw verschijnen bij de vorming van het Nieuwe Nonnenklooster. In hetzelfde jaar waarin Pieter Jacobsz de tuinen ten zuiden van het latere Oude Nonnenklooster begon te verpachten, 1383, gaf hij ook verder naar het noorden land buiten de Oudezijds Achterburgwal in erfpacht. Op die grond ontstond later het Paulusbroedersklooster.
Vanaf 1389 grensde het tuinencomplex van Pieter Jacobsz direct aan het zusterhuis. Na de hervorming van 1393 grensde het aan het Oude Nonnenklooster. De Buitenste Nes was voor de nonnen een aantrekkelijke uitbreidingsrichting. Ten noorden van hun terrein breidde de stedelijke bebouwing zich snel uit. Aan de zuidkant lagen nog tuinen, vijvers en drassige gronden die in afzonderlijke stukken konden worden verworven.
In 1401 boekten de nonnen een belangrijke aanwinst. Zij kochten van Pieter Jacobsz het vrije eigendom van negen tuinen in de Buitenste Nes. Deze aankoop betekende echter niet dat zij de tuinen onmiddellijk konden gebruiken. Pieter had ze eerder al in erfpacht uitgegeven. De gebruikers bezaten daardoor blijvende pachtrechten. De nonnen werden eigenaar van de grond en ontvanger van de jaarlijkse erfpachtcanon, maar de feitelijke tuinen bleven bij de erfpachters.
Om de grond zelf te kunnen gebruiken, moesten zij daarom ook de rechten van de pachters verwerven. Eén dergelijke overdracht is schriftelijk bewaard. Op 6 maart 1402 droeg de weduwe van Jan van Diemen Evertsz een tuin aan het klooster over “voor de pacht”. Haar man had deze tuin op 24 juli 1399 van Pieter Jacobsz gehuurd. Met haar overdracht kwamen het eigendom en het gebruiksrecht opnieuw bij elkaar.
De Oude Nonnen slaagden er niet in alle verpachte tuinen op deze wijze naar zich toe te trekken. Sommige erfpachters of hun nakomelingen verkochten hun rechten aan andere Amsterdamse poorters. Andere percelen kwamen uiteindelijk bij jongere kloosters terecht. Bovendien had Pieter Jacobsz het vrije eigendom van enkele delen al vóór 1401 aan anderen verkocht. Ook wanneer de nonnen later het gebruiksrecht konden kopen, waren zij daardoor nog niet vanzelf eigenaar van de ondergrond.
In 1416 verwierven zij het eigendom van een vijverkamp in de zuidpunt. Jacob van Lichtenberch droeg deze op 16 mei aan hen over. De vijver was in 1387 door Frederik Gerrit Telschenz van Pieter Jacobsz gekocht. In 1416 werd hij nog gehuurd door Sijbrand die Vrese. Het blijft onzeker of de nonnen naast het eigendom ooit ook werkelijk het gebruik van deze vijver verkregen.
Een tweede ingewikkelde verwerving betrof twee andere vijvers. Pieter Jacobsz had deze in 1384 in erfpacht gegeven aan Jan van Diemen. In 1393 waren de eigendomsrechten aan het Kartuizerklooster geschonken. Op 10 september 1419 kocht Jan Albertsz het daadwerkelijke bezit van de zoon van de oorspronkelijke erfpachter. Een dag later, op 11 september, droeg Jan Albertsz dat gebruiksrecht over aan de Oude Nonnen. Het klooster bezat vanaf dat moment de vijvers feitelijk, maar de juridische eigendom lag nog bij de kartuizers.
Op 24 mei 1420 droeg het Kartuizerklooster ook het eigendomsrecht op de twee vijvers aan de Oude Nonnen over. Pas toen waren eigendom en gebruik opnieuw verenigd. Dit voorbeeld laat zien hoeveel afzonderlijke rechtshandelingen nodig konden zijn voordat een klooster één ogenschijnlijk eenvoudig stuk grond werkelijk onder controle had.
Rond 1420 beheersten de Oude Nonnen nog altijd niet de volledige derde zone. Een groot deel kwam in handen van het Nieuwe Nonnenklooster. Ook de kloosters van St. Agnes, St. Cecilia en St. Maria verwierven hier tuinen. Omdat op die grond erfpacht aan het Oude Nonnenklooster rustte, bleven de jongere gemeenschappen financieel en juridisch aan het oudste vrouwenklooster verbonden.
Alleen het oostelijke gedeelte van de derde zone werd uiteindelijk volledig opgenomen in het eigen terrein van de Oude Nonnen. Net als de tweede zone werd het als kloostertuin gebruikt. De rest van de Buitenste Nes bleef een lappendeken van rechten, gebruikers en religieuze instellingen.
Zone IV — De Bredeweide en het land buiten de zeedijk
De vierde zone was de Bredeweide. Dit weideland had oorspronkelijk tot het grafelijke grondbezit behoord. In de veertiende eeuw waren de rechten verdeeld geraakt tussen het St.-Catharina-altaar in de Oude Kerk en Pieter Jacobsz.
Op 29 februari 1420, dezelfde dag waarop hij de nonnen het vrije eigendom van de kern van hun klooster gaf, verkocht Joost Pietersz ook het aandeel in de Bredeweide dat van zijn vader afkomstig was. Daarmee verwierven de Oude Nonnen een uitgestrekt gebied tussen de Amstel en de oude IJdijk, ongeveer ter hoogte van de latere Sint Antoniesbreestraat.
De overdracht omvatte bovendien het volledige aandeel van Pieter Jacobsz in het land buiten de zeedijk. Door aanslibbing en landaanwas in het IJ was daar in de loop van de tijd een aanzienlijk gebied ontstaan. Tot dit buitendijkse bezit behoorden de Lutticke Nesse en de Schaapweide.
De Lutticke Nesse lag ten oosten van het zuidelijke gedeelte van de huidige Zeedijk, in het zuidelijke deel van de latere Lastage. Ten noorden daarvan lagen de zogenoemde Eyndelingenlanden, het noordelijke deel van de Lastage. Pieter Jacobsz en zijn zoon bezaten daar geen grond. De Schaapweide moet vermoedelijk nog verder naar het oosten hebben gelegen.
Vanaf 1420 waren in de Bredeweide nog slechts twee grondbezitters over: het Oude Nonnenklooster en het St.-Catharina-altaar. Anders dan in de Buitenste Nes ontstonden hier daarom geen ingewikkelde eigendomsrelaties met nieuwe kloosters. De Bredeweide vergrootte vooral het territorium en het vermogen van de Oude Nonnen.
Kloosters zonder officiële stichter
De dertien Amsterdamse kloosters die tussen 1400 en 1430 zichtbaar werden, hadden ondanks hun onderlinge verschillen één opvallende overeenkomst: van geen enkel huis is een echte stichtingsoorkonde bewaard gebleven. Dat kan niet eenvoudig worden toegeschreven aan het verdwijnen van archieven. Er zijn geen documenten van een formele stichting omdat de meeste gemeenschappen niet op één afgebakend moment werden gesticht.
Er was doorgaans geen kapitaalkrachtige stichter die een volledig klooster ontwierp, grond schonk, een beginkapitaal vastlegde en een oorkonde liet opstellen. De gemeenschappen ontstonden wanneer enkele vrouwen of mannen besloten gezamenlijk religieus te leven. Zij huurden ergens in Amsterdam een huis, brachten hun bezittingen en arbeid bijeen en bouwden stap voor stap een eigen levensvorm op.
Zo was ongeveer twintig jaar eerder ook het zusterhuis ontstaan waaruit het Oude Nonnenklooster voortkwam. De nieuwe gemeenschappen kunnen daarom in hun eerste fase worden beschouwd als huizen van zusters of broeders van het Gemene Leven. Zij volgden wel afspraken en een gemeenschappelijke leefwijze, maar waren nog niet aangesloten bij een erkende kloosterorde of congregatie.
Deze vrije fase duurde meestal niet lang. De Amsterdamse zuster- en broederhuizen sloten zich aan bij de Derde Orde van Sint-Franciscus. Daarmee namen zij een tussenpositie in. Zij waren niet meer volledig ongeregelde religieuze huishoudens, maar evenmin volwaardige reguliere kloosters in de strengste kerkrechtelijke betekenis.
De Derde Orde was bedoeld voor leken die een religieus leven wilden leiden zonder de drie formele kloostergeloften van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid af te leggen zoals reguliere monniken en nonnen dat deden. De orde bood een regel, bestuur en kerkelijke erkenning, maar liet ruimte voor een levensvorm die dichter bij het oorspronkelijke zusterhuis bleef.
Voor de vrouwen en mannen zelf was dit een bruikbare overgang. Voor de kerkelijke overheid was het een mogelijkheid om orde te brengen in een amorfe groep van religieus levende leken. De term “regulier” moet hierbij nauwkeurig worden gebruikt. Een gemeenschap kon zichzelf met voorschriften en dagelijkse regels omringen zonder daarmee regulier te zijn. Regulier betekende dat zij was aangesloten bij een volgens een erkende regel levende orde of congregatie.
Strikt canoniekrechtelijk waren de tertiarissenhuizen daarom geen volledige kloosters. “Convent” zou soms een nauwkeuriger term zijn. De tijdgenoten zelf gebruikten beide woorden echter naast elkaar. Bovendien noemden zij ook echte kloosters, zoals het Kartuizerklooster en het Regulierenklooster, geregeld een convent. De Amsterdamse tertiarissenhuizen droegen in hun eigen naam meestal het woord “klooster”. Daarom kan ook voor deze tussenfase van kloosters worden gesproken.
Zes Amsterdamse vrouwenhuizen gingen later nog een stap verder. Zij namen de regel van Augustinus aan en veranderden in kloosters van reguliere kanunnikessen. Die overgang had grote ruimtelijke gevolgen. Een klein zusterhuis had aan een gewoon woonhuis genoeg. Een volledig klooster had een kapel, refter, dormitorium of slaapzaal, pandgang, gastenhuis, dienstgebouwen, voorraadruimten en een kloostertuin nodig.
De religieuze ontwikkeling werkte daardoor rechtstreeks door in de stadsontwikkeling. Kleine huizen groeiden uit tot grote ommuurde complexen. Vooral in Grimmenes was dat zichtbaar. Tussen ongeveer 1400 en 1420 ontstonden daar negen nieuwe zusterhuizen en één mannengemeenschap. In de rest van Amsterdam kwamen in diezelfde periode slechts drie nieuwe vrouwenhuizen tot stand.
Margriet Arendsdr begint het huis Ter Lelie
Het eerste en best gedocumenteerde klooster van deze tweede generatie was St. Dionysius ter Leliën, later het Nieuwe Nonnenklooster genoemd. De gemeenschap werd geleid door Margriet Arendsdr. In 1402 begonnen zij en haar zusters met de bouw van een nieuw huis dat zij Ter Lelie noemden.
Het huis lag, net als het Oude Nonnenklooster in zijn vroegste fase, buiten de bebouwde stad. Het stond aan de overzijde van de Grimburgwal, ten zuiden van de Oude Nonnenvaart. Het terrein lag vlak bij het klooster van de Oude Nonnen. Slechts enkele kleine tuinen van Amsterdamse poorters lagen tussen de beide religieuze gemeenschappen.
De Oude Nonnenvaart was een brede sloot. Vanaf het zuidelijke uiteinde van de Oudezijds Achterburgwal, waar deze gracht bij de Grimburgwal kwam, liep het water eerst verder zuidwaarts. Daarna boog de vaart naar het westen en mondde uit in de Amstel. Zowel de Oudezijds Achterburgwal als deze zuidelijke verlenging werd in de late veertiende en vroege vijftiende eeuw als de nieuwe gracht aangeduid.
Toen de terreinen van de Oude en Nieuwe Nonnen in de vijftiende eeuw groter werden, ging het noord-zuid lopende gedeelte van de vaart de grens tussen beide kloosters vormen. Daaraan ontleende het water de naam Oude Nonnenvaart. In de zestiende eeuw werd het oost-west lopende gedeelte tussen het Oude Nonnenklooster en de Amstel overwelfd. Tegen het einde van die eeuw was de volledige vaart gedempt.
Margriet en haar zusters lijken niet te hebben gewacht tot zij eigenaar of erfpachter van hun bouwgrond waren. Er is geen transport- of erfpachtoorkonde uit 1402 bewaard waarin het eerste terrein aan hen werd overgedragen. De vrouwen begonnen waarschijnlijk te bouwen op grond die zij eenvoudig huurden.
Dat zij werkelijk in 1402 aan het bouwen waren, blijkt uit een akte van 12 januari 1403. Klaas Jansz droeg toen een aangrenzend erf van vier roeden breed, ongeveer zestien meter, over aan Margriet Arendsdr en haar zusters. Het lag naast het nieuwe huis Ter Lelie dat de vrouwen op dat moment aan het bouwen waren. Later verrees op dit aangrenzende erf het patershuis.
De vrouwen waren dus al vóór de formele verwerving met hun gemeenschap begonnen. Tussen 1402 en 1406 huurden zij waarschijnlijk het grootste deel van het terrein. Alleen de huizen, omheiningen en andere opstallen die zij zelf hadden aangebracht, waren hun eigendom. Deze situatie kwam ook bij andere Amsterdamse vrouwenhuizen voor: de zusters waren eigenaar van de gebouwen, terwijl de onderliggende grond nog aan een poorter of instelling toebehoorde.
Pas op 16 maart 1406 kregen zij driekwart van hun eerste bouwerf in erfpacht. Bij die gelegenheid werd de gemeenschap voor het eerst met haar Dionysiuspatrocinium aangeduid. De zusters leefden inmiddels volgens de Derde Orde van Sint-Franciscus in het huis Ter Lelie, gewijd aan St. Dionysius.
Van deze erfpacht zijn twee originele oorkonden bewaard gebleven. Dat komt doordat het klooster later ook het recht op de erfpachtcanon opkocht en daarmee beide zijden van de transactie in het eigen archief verenigde. In de documenten staat dat het erf door de zusters was omheind en bebouwd. Een latere kopiist noteerde boven het afschrift dat dit het erf was waarop het convent voor het eerst had gebouwd.
Uitbreiding naar de Amstel
Na 1406 vergrootte het Nieuwe Nonnenklooster zijn terrein aanzienlijk. Niet alle overdrachtsakten zijn bewaard gebleven. Daardoor kan de precieze volgorde niet overal met zekerheid worden gereconstrueerd. Toch is duidelijk dat het complex zich zowel ten zuiden als ten noorden van de Oude Nonnenvaart uitbreidde.
Op 11 september 1411 kreeg het klooster ten zuiden van de vaart een deel van een oud tuinencomplex. Deze grond had eerder behoord aan Hendrik Dirk Hendriksznsz, een Amsterdamse viskoper. De overdracht werd verricht door Klaas Arendsz. Het terrein bestond uit land en vijvers en lag bij de Amstel.
Aan de zuidkant volgden minstens twee verdere uitbreidingen. Een akte uit 18 oktober 1413 heeft betrekking op het zuidoostelijke deel van het latere kloosterterrein. Het stuk was een zogenoemd retroactum, een oudere eigendomsakte die bij een latere overdracht hoorde. De eigenlijke transportakte waarbij de zusters het perceel verkregen, is verloren gegaan. Zelfs toen in 1565 het cartularium van het Nieuwe Nonnenklooster werd samengesteld, was dat document al niet meer aanwezig.
De laatste ontbrekende grond tussen het klooster en de Amstel werd op 3 oktober 1430 verworven. Vanaf dat moment bezaten de Nieuwe Nonnen alle grond tussen de Amstel en het Oude Nonnenklooster ten zuiden van de vaart. Op dit zuidelijke terrein stonden de belangrijkste gebouwen: de kloostergang of het pand, de refter, het dormitorium, het patershuis en de kapel.
Ten noorden van de Oude Nonnenvaart lag een strook grond die in de vijftiende eeuw het Eiland werd genoemd. Zij was ingesloten door de Amstel, de Grim of Grimburgwal en de Oude Nonnenvaart. Ook hier lagen aanvankelijk verschillende particuliere tuinen.
Vóór 6 mei 1422 bezat het klooster al een tuin aan de westkant van het Eiland. Op die datum wordt een tuin van de Nieuwe Nonnen genoemd als belendend perceel. De akte waarmee de zusters deze eerste noordelijke tuin hadden verworven, is niet bewaard gebleven.
In 1455 kochten zij een tuin ten oosten van hun bestaande tuin. In 1456 volgde een halve tuin. Verschillende erven waren in de tussentijd gesplitst, waardoor halve en hele percelen naast elkaar lagen. In 1482 kochten de zusters nog twee halve tuinen en een volledige tuin. Daarmee kregen zij vrijwel het hele Eiland in handen.
Alleen de meest oostelijke tuin bleef buiten het complex. Het Oude Nonnenklooster had deze op 11 december 1460 gekocht. Op het noordelijke terrein van de Nieuwe Nonnen lag de kloostertuin. Er stonden ook enkele kleinere gebouwen, waaronder een voorraadschuur.
Klaas Arendsz en de familie van Margriet
De drie personen van wie het klooster tussen 1403 en 1411 belangrijke delen van het vroege terrein kreeg, waren Klaas Jansz, het begijntje Luduwe Gerbrand Ricoutsznsdr en Klaas Arendsz. Klaas Jansz verkocht in 1403 het aangrenzende erf. Luduwe gaf in 1406 het grootste deel van het eerste bouwerf in erfpacht. Klaas Arendsz droeg in 1411 het land en de vijvers bij de Amstel over.
Klaas Arendsz was mogelijk een broer van Margriet Arendsdr. Zij deelden hetzelfde patroniem. Bovendien blijkt uit de overdracht van 1411 dat Klaas eerder ten behoeve van Margriet afstand had gedaan van rechten op de helft van de vijvers en het land. Deze handeling vond plaats in aanwezigheid van Willem Noirt en Albert Willemsz.
In de akte werd voor deze handeling een term gebruikt die doorgaans verwees naar het toewijzen van een erfdeel uit een nog onverdeelde nalatenschap. Zulke verdelingen gebeurden meestal binnen een familie en in aanwezigheid van naaste verwanten. Wanneer het woord hier inderdaad die betekenis had, moeten Klaas en Margriet familie zijn geweest. De meest logische verhouding is die van broer en zus.
Ook via de viskopersfamilie liep een netwerk rond deze grond. Klaas Arendsz wordt in 1409 eenmaal aangeduid als zwager van Dirk Hendrik Dirksznsz, de zoon van Hendrik Dirk Hendriksznsz de viskoper. Er zijn twee mogelijkheden. Klaas kan getrouwd zijn geweest met een zuster van Dirk, of Dirk met een zuster van Klaas. In het eerste geval was de oudere viskoper Hendrik de schoonvader van Klaas. In het tweede geval was hij de schoonvader van een van Klaas’ zusters.
Hendrik Dirk Hendriksznsz had op 24 april 1376 van Pieter Jacobsz een groot stuk grond gekocht ter plaatse van het latere Nieuwe Nonnenklooster. Hij gaf dit later zelf weer in erfpacht uit. Klaas Arendsz en de viskopersfamilie bezaten daardoor verschillende percelen in het tuinengebied ten zuiden van Grimmenes.
De familiebanden kunnen hebben bijgedragen aan de keuze van de locatie. Toch moeten zij niet worden overschat. De grond werd niet aan Margriet en haar gemeenschap geschonken. Ook Klaas Arendsz verkocht of verpachtte zijn bezit. Hij droeg bovendien niet al zijn grond aan het klooster over. In 1413 verkocht hij een tuin naast de gemeenschap aan Godevaart Willemsz.
De familie zorgde dus niet voor een volledig kloosterterrein en trad evenmin op als officiële stichter. Margriet en haar zusters moesten hun bezit op dezelfde wijze uitbreiden als andere Amsterdamse instellingen: door huren, erfpacht, koop en afzonderlijke onderhandelingen.
Was het Oude Nonnenklooster de werkelijke helper?
Het oudste deel van het terrein van de Nieuwe Nonnen lag in of vlak naast de derde zone van het Oude Nonnenklooster. In 1401 hadden de Oude Nonnen van Pieter Jacobsz het eigendomsrecht op negen verpachte tuinen gekregen. Mogelijk zijn enkele daarvan later in het complex van de Nieuwe Nonnen opgegaan.
De bronnen laten echter niet zien hoe ver de negen tuinen naar het westen doorliepen. Wanneer zij tot aan de Amstel reikten, lag een deel van het Nieuwe Nonnenklooster zonder twijfel op grond waarvan de Oude Nonnen de erfpacht ontvingen. Wanneer de tuinen minder ver doorliepen, hoeft dat niet het geval te zijn geweest.
Geen van de drie oudste erven van de Nieuwe Nonnen kan met zekerheid aan een specifieke tuin van Pieter Jacobsz worden gekoppeld. Het erf dat Klaas Jansz in 1403 verkocht, was vier roeden breed. Een tuin die Jan Klaasz in 1392 van Pieter had gehuurd, mat slechts twee roeden en kan daarom niet hetzelfde perceel zijn geweest.
Ook het erf dat Klaas Jansz en Hendrik Dirk Hendriksznsz in 1383 gezamenlijk van Pieter Jacobsz in erfpacht hadden gekregen, was niet het erf van 1403. Het perceel van 1403 lag bij de Oude Nonnenvaart aan de noordflank van de Buitenste Nes. Het in 1383 verpachte stuk lag in de zuidpunt. Het vrije eigendom van die ongeveer duizend vierkante meter grote kamp werd later in twee delen verdeeld tussen Frederik Gerrit Telschenz en het Oude Nonnenklooster. In 1416 kreeg het klooster ook de tweede helft, maar toen maakte het perceel nog geen deel uit van het Nieuwe Nonnenklooster.
Het is evenmin bekend hoe het begijntje Luduwe Gerbrand Ricoutsznsdr in het bezit was gekomen van het eerste bouwerf dat zij in 1406 aan de zusters verpachtte. De grond die Klaas Arendsz in 1411 overdroeg, kwam oorspronkelijk wel uit het grote grondbezit van Pieter Jacobsz. Zij behoorde echter niet tot de negen tuinen waarvan de Oude Nonnen in 1401 de erfpachtcanon kregen. De percelen van 1411 waren afkomstig uit het land dat de viskoper Hendrik Dirk Hendriksznsz al in 1376 volledig van Pieter had gekocht.
Daarom blijft de rol van het Oude Nonnenklooster onzeker. Mogelijk stelde het oudere klooster grond beschikbaar waarop het zowel het eigendom als het gebruiksrecht bezat. Het kan ook hebben afgezien van erfpachtrechten om de nieuwe gemeenschap te helpen. Maar het kan niet worden bewezen. De nabijheid is duidelijk; de precieze juridische steun niet.
Van een groep zusters tot het Nieuwe Nonnenklooster
Het Nieuwe Nonnenklooster doorliep drie opeenvolgende fasen. Het begon als een vrij zusterhuis. Daarna werd het een tertiarissenhuis van de Derde Orde van Sint-Franciscus. Uiteindelijk veranderde het in een klooster van reguliere kanunnikessen volgens de regel van Augustinus.
In de akte van 12 januari 1403 werd nog geen klooster als zelfstandige instelling genoemd. De overdracht was gericht aan Margriet Arendsdr en haar zusters in het huis Ter Lelie. De gemeenschap verscheen als een groep vrouwen rond een leidster. Het huis bezat nog geen juridische persoonlijkheid die los van de bewoners werd aangesproken.
Waarschijnlijk leefden zij toen als zusters van het Gemene Leven. Mogelijk bestond de groep al vóór 1402. Zij kan jarenlang in een gehuurd huis binnen de stad hebben gewoond zonder een schriftelijk spoor na te laten. Van verschillende andere Amsterdamse vrouwengemeenschappen is bekend dat zij in hun eerste fase bestaande en vermoedelijk goedkope woonruimte binnen de stad gebruikten voordat zij een eigen kloostercomplex gingen aanleggen.
Het is aannemelijk dat enkele vrouwen van Margriets gemeenschap afkomstig waren uit het oude zusterhuis dat in 1393 tot het Oude Nonnenklooster was hervormd. Bij die hervorming moesten tientallen vrouwen hun eerdere leefgemeenschap verlaten of een keuze maken voor een veel strenger kloosterleven. Namen van de vroegste zusters van Ter Lelie zijn echter niet bewaard gebleven. Daardoor blijft deze verbinding waarschijnlijk, maar onbewezen.
Voor Margriet Arendsdr zelf is de veronderstelling minder waarschijnlijk. Zij behoorde niet tot de 46 vrouwen die in 1389 officieel als bewoners van het oorspronkelijke zusterhuis waren geregistreerd. Theoretisch kan zij tussen 1389 en de hervorming van 1393 alsnog zijn ingetreden, maar daarvoor bestaat geen aanwijzing.
In 1406 was de gemeenschap aangesloten bij de Derde Orde van Sint-Franciscus. De vrouwen werden toen als convent genoemd. Gezien de omvang en ligging van het terrein waarop zij vanaf 1402 bouwden, kunnen zij al bij de start plannen hebben gehad die verder gingen dan een eenvoudig woonhuis. Een gewoon zusterhuis had geen grote kapel, refter, slaapzaal en kloostergang nodig. De gekozen ruimte wijst op de ambitie om uiteindelijk een volwaardig religieus complex te vormen.
De clausuur van 1419
In 1419 vroeg de gemeenschap om aanscherping van het kloosterleven. Bisschop Frederik van Blankenheim gaf de tertiarissen van St. Dionysius toestemming om zich te laten besluiten. De uitvoering werd opgedragen aan Jan van Galecop en Jan van Vredendael. Jan van Vredendael was minister-generaal van het Kapittel van Utrecht, waarin de tertiarissenkloosters uit Holland en het Sticht waren verenigd.
De clausuur werd aanvankelijk voor één jaar ingevoerd. In die proeftijd kon iedere zuster persoonlijk beslissen of zij werkelijk binnen een besloten klooster wilde blijven leven. Zij die niet voor dit pad kozen, konden de gemeenschap verlaten. Na het proefjaar zou de clausuur definitief worden. De biechtvader kreeg bovendien de bevoegdheid om toekomstige zusters bij hun intrede eveneens te besluiten.
De toestemming van de bisschop stond niet op zichzelf. Drie weken eerder, op 23 mei 1419, hadden de deken en het kapittel van St. Marie in Den Haag al een overeenkomst met het klooster gesloten. Dit Haagse kapittel bezat als kerkpatroon en cureit belangrijke rechten over de Oude Kerk en daarmee over het religieuze leven in de Amsterdamse parochie.
In mei 1419 sloot het kapittel vergelijkbare overeenkomsten met verschillende Amsterdamse vrouwenkloosters. De privileges weken op onderdelen van elkaar af, maar volgden grotendeels hetzelfde patroon. Zij regelden de keuze van een biechtvader, het aantal bewoners, de diensten in de kloosterkapel, de bediening van de sacramenten, het recht van begraven en de financiële compensatie aan de parochiekerk.
De reeks begon eerder met St. Catharina en St. Clara in 1414. In 1419 volgden St. Dionysius, St. Agnes, St. Ursula en St. Margriet. Maria-Magdalena kreeg zijn privilege in 1427, St. Maria in 1431, St. Geertruid en St. Lucia in 1433, St. Barbara in 1436 en St. Cecilia in 1437.
De toegestane omvang verschilde. St. Dionysius mocht vijftig zusters herbergen. St. Catharina en St. Agnes kregen een maximum van zestig. St. Ursula mocht 65 zusters opnemen, St. Margriet 75 en St. Clara zelfs tachtig. Maria-Magdalena, St. Maria, St. Geertruid, St. Lucia en St. Barbara werden op vijftig gesteld. Voor St. Cecilia gold opnieuw een maximum van zestig. Daarnaast mochten de meeste huizen zes of zeven proveniersters opnemen; bij St. Barbara werden er vijf of zes toegestaan.
De privileges beschreven ook welke diensten in de kapellen mochten worden gehouden, of zang was toegestaan, op welke hoogtijdagen een mis vóór de noen moest zijn afgelopen en of de vespers pas na de parochiële viering mochten beginnen. In sommige huizen mochten tijdens zes grote feestdagen metten worden gezongen: Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Sacramentsdag, het feest van de eigen patroon en de wijdingsdag van de kapel.
Een eigen biechtvader, kapel en kerkhof
De overeenkomst van 1419 gaf het Nieuwe Nonnenklooster een grote mate van zelfstandigheid tegenover de Oude Kerk. De zusters mochten een eigen biechtvader kiezen. De minister-generaal van het Kapittel van Utrecht moest met die keuze instemmen.
De biechtvader mocht de zusters en andere kloosterbewoners de sacramenten bedienen die voor hen nodig waren. Hij hoorde de biecht, reikte de eucharistie uit en diende bij stervenden het laatste oliesel toe. Hij mocht bovendien in de kloosterkapel andere diensten houden en preken. Op 1 februari 1425 bevestigde de toenmalige vice-cureit van de Oude Kerk opnieuw het recht om daar diensten te vieren en te preken.
De gemeenschap kreeg tevens het recht op een eigen kerkhof. Zusters en proveniersters konden daar worden begraven. Voor het begraven van iemand die niet tot het klooster behoorde, moest echter een boete van zes Franse kronen aan de vice-cureit van de Oude Kerk worden betaald. Zes Franse kronen werden daarbij gelijkgesteld aan drie Engelse nobelen.
De kloosters trokken door hun eigen kapellen, offergaven en begrafenissen inkomsten weg bij de parochiekerk. Daarom moest St. Dionysius jaarlijks in de week na Pasen vier Franse kronen aan de vice-cureit betalen als vergoeding voor het verlies. Daarnaast had de vice-cureit recht op de helft van de offergaven die in een jaar boven twee Franse kronen uitkwamen.
Giften van de zusters zelf en gaven die speciaal bij begrafenissen werden gedaan, vielen buiten deze verdeling. Van de overige offergaven boven de grens van twee kronen ging de ene helft naar de vice-cureit. De andere helft kwam aan de fabrica van het klooster: het fonds waaruit bouw, onderhoud en inrichting van de kapel werden bekostigd.
De overeenkomst beperkte ook de groei van de gemeenschap. Er mochten maximaal vijftig zusters wonen, naast zes of zeven proveniersters. Deze proveniersters waren vrouwen die op grond van een financiële inbreng of prove binnen het klooster werden verzorgd, zonder noodzakelijkerwijs dezelfde positie als de geprofeste zusters te hebben.
Van kapel tot oratorium
Op 14 juni 1419 bevestigde bisschop Frederik van Blankenheim de Haagse regeling. Hij voegde enkele belangrijke bepalingen toe. De zusters kregen niet alleen toestemming voor een eigen kapel, altaren en kerkhof. De bisschop verhief het huis, zijn bewoners en zijn goederen officieel tot een religieuze en conventuele gemeenschap van de Derde Orde. De kapel kreeg de kerkelijke status van oratorium.
De bevoegdheden van de biechtvader werden uitgebreid. Hij mocht ongehoorzame zusters corrigeren en bestraffen. Ook kreeg het klooster toestemming om onrendabele of ver weg gelegen bezittingen te vervreemden wanneer daarvoor goederen konden worden aangekocht die beter te beheren of productiever waren.
Nog in 1419 kwam de Utrechtse wijbisschop naar Amsterdam. Op 22 oktober wijdde hij binnen het klooster een altaar en buiten de gebouwen het kerkhof. Beide werden verbonden met de Maagd Maria en de heiligen Johannes de Evangelist, Ignatius, Gregorius de kerkleraar en Maria Magdalena. Aan bezoekers van het altaar en het kerkhof werd volgens gebruik een aflaat verleend.
De jaarlijkse viering van deze wijding moest plaatsvinden op de zondag na het feest van St. Lambert. Dat was dezelfde dag waarop ook de wijding van de Oude Kerk werd herdacht. Daarmee bleef zelfs de eigen feestkalender van het klooster met die van de parochiekerk verbonden.
Op 22 juni 1421 keerde de wijbisschop terug. Nu wijdde hij de kapel zelf aan St. Dionysius en St. Andreas. Een tweede altaar werd gewijd aan de Heilige Drie-eenheid en aan Franciscus, Augustinus, de Tienduizend Martelaren en Agnes. Ook deze wijding moest jaarlijks op de zondag na St. Lambert worden gevierd.
Het is opmerkelijk dat geen oudere wijding van een kapel of altaar bekend is. Daarvoor zijn twee mogelijke verklaringen. De kapel van 1421 kan een ouder gebouw hebben vervangen dat was afgebroken of afgebrand. Het is echter ook mogelijk dat de tertiarissen vóór 1419 helemaal geen echte kloosterkapel bezaten.
Dat laatste past bij het semi-monastieke karakter van de Derde Orde. De zusters kunnen vóór 1419 wel een altaar en een gebedsruimte hebben gehad, maar nog geen zelfstandig gewijde kloosterkerk. De verheffing van hun kapel tot oratorium in 1419 ondersteunt die mogelijkheid.
Jan van Beieren en de regel van Augustinus
In 1422 zetten de Nieuwe Nonnen de laatste stap naar een volledig monastiek bestaan. Zij verlieten de regel van de Derde Orde van Sint-Franciscus en namen de regel van Augustinus aan. Hun gemeenschap veranderde daarmee in een klooster van reguliere kanunnikessen. De eerder ingevoerde clausuur bleef bestaan.
Een kerkelijke autorisatie voor deze hervorming is niet bewaard gebleven. Zij moet er vrijwel zeker zijn geweest, maar het document ontbreekt. Wel is bekend dat de wereldlijke landsheer zich persoonlijk met de overgang bemoeide.
Jan van Beieren verleende op 6 augustus 1422 toestemming voor de hervorming. Volgens zijn oorkonde zouden de zusters door de nieuwe regel grotere zekerheid krijgen en beter in een rein, maagdelijk leven kunnen volharden. Tegelijkertijd nam hij het klooster onder grafelijke bescherming.
Die bescherming was niet vanzelfsprekend. Albrecht van Beieren had in 1404 de Amsterdamse tertiarissenhuizen gezamenlijk beschermd. Door de Derde Orde te verlaten, konden de Nieuwe Nonnen die bestaande bescherming verliezen. Jan nam hen daarom opnieuw en uitdrukkelijk op onder dezelfde bescherming die ook voor andere geestelijke huizen en kloosters gold.
Waarom Jan van Beieren zich persoonlijk met het Nieuwe Nonnenklooster bezighield, blijft onbekend. Mogelijk reageerde hij eenvoudig op een verzoek van de zusters. Zijn bemoeienis leidde in ieder geval niet tot een langdurige grafelijke band. Na 1422 besteedden de graven van Holland voor zover bekend geen bijzondere aandacht meer aan het klooster.
Ter Lelie was daarmee in twintig jaar volledig veranderd. In 1402 was Margriet Arendsdr met haar zusters begonnen te bouwen op grotendeels gehuurde grond buiten de bebouwde kom. In 1403 werden zij nog als een groep vrouwen rond een leidster aangesproken. In 1406 waren zij tertiarissen. In 1419 kregen zij clausuur, autonomie, een kerkhof en de status van religieus huis. In 1421 bezaten zij een gewijde kapel. In 1422 werden zij reguliere kanunnikessen.
Het Nieuwe Nonnenklooster was niet door één stichter ontworpen. Het was ontstaan door het werk van de zusters zelf, door opeenvolgende aankopen, pachten, familiale verbindingen, kerkelijke privileges en de geleidelijke bouw van een eigen terrein tussen de Amstel, de Grimburgwal en het Oude Nonnenklooster
Amsterdam in de vroege vijftiende eeuw — Deel 2
De kloosters van Grimmenes en Gansoord binnen de Oudezijds Voorburgwal
Sinds 1393 bezat Amsterdam met het Oude Nonnenklooster een volledig regulier vrouwenklooster. Het lijdt weinig twijfel dat het Nieuwe Nonnenklooster, waar Margriet Arendsdr in 1402 met de bouw van Ter Lelie begon, het tweede Amsterdamse vrouwenklooster werd. Veel moeilijker is vast te stellen of Ter Lelie ook het tweede nieuwe zusterhuis was. Na de hervorming van het oorspronkelijke Amsterdamse zusterhuis tot het Oude Nonnenklooster ontstonden namelijk verschillende nieuwe vrouwengemeenschappen die aanvankelijk nauwelijks schriftelijke sporen nalieten.
De vrouwen woonden samen, baden, werkten en bestuurden hun huishouden, maar traden pas duidelijk in de bronnen naar voren wanneer zij grond kochten, een erf in pacht namen of zich aansloten bij de Derde Orde van Sint-Franciscus. Wat zich vóór die regularisering afspeelde, blijft vrijwel altijd verborgen. Het eerste huis kon jaren vóór de oudste oorkonde bestaan hebben. Daardoor kan geen betrouwbare chronologische rangorde van de gemeenschappen worden gemaakt.
Van de dertien kloosters van de tweede generatie lagen er vijf in Grimmenes en Gansoord en nog eens zes aan de rand van Grimmenes. Samen vormden zij bijna een kring rond het woonhuis van Gijsbert Dou. Zijn huis stond niet buiten dit religieuze landschap, maar er middenin. Wie de kloosters geografisch volgt, begint aan de Amstel en loopt vervolgens oostwaarts naar de straat door Grimmenes en de Oudezijds Voorburgwal. Aan de overzijde van die gracht lagen daarna nog meer religieuze huizen.
Binnen de Voorburgwal lagen achtereenvolgens het St.-Mariaklooster, het St.-Claraklooster, het St.-Barbaraklooster en het St.-Maria-Magdalenaklooster. Ten noorden van de Vogelenzang lag in Gansoord het St.-Margrietenklooster. Elk huis had zijn eigen oorsprong, maar steeds keren dezelfde elementen terug: een groep religieus levende vrouwen, een gewoon woonhuis, een erf dat gehuurd of in erfpacht gehouden werd, een priester of biechtvader, een netwerk van Amsterdamse poorters en een geleidelijke verandering van eenvoudig zusterhuis in erkend klooster.
Magdalena Jacobsdr en het St.-Mariaklooster
Een vrouwenhuis tussen de Amstel en de straat
Het St.-Mariaklooster lag aanvankelijk als enige klooster in Grimmenes tussen de Amstel en de doorgaande straat. Ten westen lag het water; aan de oostzijde liep de straat door de buurt. Pas rond 1440 zou aan de westkant van deze straat het Cellebroersklooster worden gesticht. In de vroege vijftiende eeuw stond het huis van St. Maria hier nog betrekkelijk alleen.
Waarschijnlijk behoorde St. Maria tot de jongere kloosters van Grimmenes. De oudste zekere vermelding dateert van 18 januari 1417. Het is een oorkonde die door het klooster zelf werd uitgevaardigd. Daaruit blijkt tegelijk hoe jong en nog weinig ontwikkeld de instelling vermoedelijk was: de oorkonde vermeldt uitdrukkelijk dat het klooster nog geen eigen zegel bezat.
Het ontbreken van een conventszegel betekent niet noodzakelijk dat de vrouwengemeenschap pas in 1417 was ontstaan. Het klooster kon jong zijn, terwijl de groep vrouwen al veel langer samenleefde. Dat onderscheid tussen gemeenschap en instelling blijft ook hier van belang. Een zusterhuis kon bestaan zonder eigen zegel, vaste kapel, zelfstandig grondbezit of formele kloosterrechten. Pas wanneer het huis als instituut ging optreden, moest het over een eigen juridische vertegenwoordiging beschikken.
De oorkonde van 1417 betrof de verkoop van een tuin aan het Oude Nonnenklooster. De tuin lag in het complex ten zuiden van het klooster van de Oude Nonnen en werd volledig door andere erven van dat klooster omgeven. Op het eerste gezicht kan het eenvoudig een moestuin zijn geweest die de Mari zusters voor voedselvoorziening of ontspanning gebruikten.
Er bestaat echter een andere mogelijkheid. De vrouwen van het latere St.-Mariaklooster kunnen vóór 1417 op deze tuin hebben gewoond. Op het terrein kan een eenvoudig houten woonhuis hebben gestaan. Na de verkoop aan de Oude Nonnen zouden zij dit gebouw kunnen hebben afgebroken, meegenomen en op hun nieuwe plaats in Grimmenes opnieuw hebben opgebouwd.
Dat klinkt voor een later tijdperk ongewoon, maar houten huizen waren in het middeleeuwse Amsterdam verplaatsbaar. Ook kloostergebouwen konden worden afgebroken en elders weer worden opgericht. De eigendom van een huis en die van de onderliggende grond hoefden bovendien niet bij dezelfde persoon of instelling te berusten. Het is daarom denkbaar dat de zusters hun woning meenamen toen zij hun tuin verkochten.
Een mogelijk begin op grond van de Oude Nonnen
Een verblijf bij het Oude Nonnenklooster zou aansluiten bij een breder patroon. Verschillende Amsterdamse religieuze gemeenschappen begonnen buiten of aan de rand van de bebouwde stad. Dat gold voor het oorspronkelijke zusterhuis van de Oude Nonnen, voor het Nieuwe Nonnenklooster en waarschijnlijk ook voor het St.-Catharinaklooster.
Daarnaast ontstonden verscheidene jongere vrouwenhuizen op grond waarop het Oude Nonnenklooster eigendoms- of erfpachtrechten bezat. Dat gold zeker voor St. Agnes en waarschijnlijk ook voor St. Catharina en St. Cecilia. Bij het Nieuwe Nonnenklooster is een dergelijke relatie mogelijk, maar niet volledig bewijsbaar. Ook het eerste huis van St. Ursula kan met grond van de Oude Nonnen verbonden zijn geweest.
Wanneer het St.-Mariaklooster vóór 1417 inderdaad op de verkochte tuin had gestaan, zou ook deze gemeenschap uit de ruimtelijke en juridische omgeving van het Oude Nonnenklooster zijn voortgekomen. De verkoop van de tuin kon dan het sluitstuk van de verhuizing naar Grimmenes zijn geweest.
De bronnen laten echter niet toe deze mogelijkheid tot zekerheid te verheffen. Er wordt nergens uitdrukkelijk gezegd dat op de tuin een huis stond of dat de zusters er gewoond hadden. Het kan dus ook werkelijk slechts een losse kloostertuin zijn geweest.
Een kloosterterrein waarvan de verwerving verborgen blijft
Hoe, wanneer en met hulp van wie de zusters hun terrein tussen de Amstel en de straat in Grimmenes verkregen, is volledig onduidelijk. Het archief van St. Maria bevat vrijwel geen documenten uit de eerste halve eeuw van zijn bestaan. Juist de transportakten en pachtoorkonden die de vorming van het terrein zouden kunnen verduidelijken, ontbreken.
Ook de erfpachten waarmee het kloosterterrein belast was, bieden nauwelijks houvast. De Onze-Lieve-Vrouwebroederschap in de kapel ter Heilige Stede bezat sinds 31 augustus 1368 een eeuwige pacht op een erf in Grimmenes. Dit erf is later in het terrein van het St.-Mariaklooster opgegaan.
De eerste bewaarde vermelding waarin het klooster zelf in plaats van een Amsterdamse poorter als betaler wordt genoemd, dateert echter pas uit 1455–1456. Uit die vermelding blijkt niet hoelang de zusters de pacht toen al betaalden. Het erf kan kort tevoren zijn verworven, maar ook al tientallen jaren tot het klooster hebben behoord.
De pacht is terug te vinden in een legger van het Heilig-Kruisgilde in de Heilige Stede, het latere Geselbroedersgilde. De oorspronkelijke ontvanger, de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap, was in de eerste helft van de vijftiende eeuw in deze broederschap opgegaan. Daardoor kwam ook de oude rente in het register van het Heilig-Kruisgilde terecht.
Zeven gulden en vijf stuivers voor de pater van St. Barbara
Een in 1582 door de stedelijke tresorie opgestelde inventaris van de Amsterdamse kloostergoederen vermeldt nog een tweede intrigerende last. Het St.-Mariaklooster moest jaarlijks zeven gulden en vijf stuivers betalen aan de pater van het schuin tegenover gelegen St.-Barbaraklooster.
Deze betaling wijst niet op een oorspronkelijke afhankelijkheid van St. Maria tegenover St. Barbara. Zij was vrijwel zeker ontstaan doordat St. Barbara na 1500 een bestaande eeuwige rente had aangekocht die rustte op een erf dat in de late vijftiende eeuw tot het St.-Mariaklooster was gaan behoren.
Het bedrag van zeven gulden en vijf stuivers vertegenwoordigde in 1582 precies de waarde van vijf nieuwe Wilhelmusschilden. Eén Wilhelmusschild werd toen op één gulden en negen stuivers gerekend.
In 1500 stichtten de kleinkinderen van Heiman van Lip een vicarie op het Verversaltaar in de Nieuwe Kerk. Tot de goederen waarmee deze vicarie werd begiftigd, behoorde een jaarlijkse erfpacht van vijf Wilhelmusschilden op een erf bij de Lange Brug. Deze brug lag over de Amstel ter hoogte van het St.-Mariaklooster.
Toen de rente oorspronkelijk werd gevestigd, woonde Kerstine, de weduwe van Pieter Jacob Lisenz, op het erf en was zij de betaler. Bij de vicariestichting van 27 oktober 1500 werd de rente inmiddels door het St.-Mariaklooster betaald. Het erf was dus vóór of omstreeks dat jaar in het kloosterterrein opgenomen.
In de goederenstaat van 1582 wordt geen tweede rente van vijf Wilhelmusschilden of zeven gulden en vijf stuivers genoemd. De betaling aan de pater van St. Barbara moet daarom dezelfde rente zijn geweest. Vermoedelijk verkocht het Kartuizerklooster, dat als collator over de vicarie beschikte, de rente op een onbekend moment na 1500 aan het St.-Barbaraklooster.
Een zeventiende-eeuwse legger van de vicariegoederen van het Burgerweeshuis, rechtsopvolger van het Kartuizerklooster, ondersteunt deze reconstructie. In 1612 ontbraken juist bij dit deel van het vicariegoed de oudere eigendomsakten. Het ontbreken van retroacta is een aanwijzing voor verkoop, omdat bij vervreemding van onroerend goed of renterechten de oudere bewijsstukken gewoonlijk aan de koper werden meegegeven.
Bij andere delen van dezelfde vicarie waren de oude stukken nog wel aanwezig of konden zij nauwkeurig worden aangewezen. Een rente van zeven Wilhelmusschilden en zes stuivers op het zogenoemde Soethoutgenshuis in de Oudebrugsteeg was in 1612 bijvoorbeeld nog met retroacta geregistreerd, al zijn die documenten later verdwenen. Een oudere akte betreffende een rente van twee Rijnsguldens per jaar is zelfs nog in het kloosterarchief bewaard gebleven. Juist het selectieve ontbreken van de stukken over de vijf Wilhelmusschilden wijst daarom op overdracht aan St. Barbara.
Wie waren “die susteren” in de Nes?
Het St.-Mariaklooster was mogelijk niet de eerste vrouwengemeenschap tussen de Amstel en de straat in Grimmenes. De oudste legger van het Oude Gasthuis vermeldt in 1410–1411 een huis “aan de waterzijde in de Nes” dat door het gasthuis was verpacht aan “die susteren”.
De bijbehorende erfpacht werd kort na de stadsbrand van 1421 afgekocht. De post werd doorgestreept en keerde daardoor niet in latere leggers terug. Het is dan ook niet mogelijk het erf met zekerheid op een latere stadsplattegrond te lokaliseren.
Een buurman die rond 1400 bij het perceel wordt genoemd, de Gelderse ministeriaal Jorden van Tiel, helpt evenmin verder. Zijn bezit is niet nauwkeurig genoeg te plaatsen om het huis van de zusters te identificeren.
De volgorde waarin de erven in de oudste gasthuislegger staan, biedt een mogelijke aanwijzing. Direct na elkaar worden twee percelen in Grimmenes genoemd. Het eerste lag aan de landzijde, tussen de straat en de Oudezijds Voorburgwal. Het tweede, dat van de zusters, lag aan de waterzijde, tussen de straat en de Amstel.
Beide erven waren door het gasthuis verpacht en de pacht was in dezelfde muntsoort vastgesteld: Franse schilden. Deze munt wijst op een verpachting tussen ongeveer 1375 en 1410, met de periode 1375–1393 als meest waarschijnlijk.
Mogelijk waren de twee erven ooit één doorlopend perceel geweest dat zich van de Amstel tot de stadsrand uitstrekte. Het gasthuis kan de delen gelijktijdig in pacht hebben uitgegeven. Het erf aan de landzijde is wel te plaatsen. Het lag ten zuiden van het huis van St. Clara, ongeveer tegenover het latere St.-Mariaklooster.
Wanneer de twee posten werkelijk oorspronkelijk één samenhangend bezit vormden, lag het erf van “die susteren” aan de overzijde van de straat, precies op of bij de plaats waar later St. Maria stond. In dat geval zou met de zusters uit 1410–1411 de gemeenschap van St. Maria bedoeld kunnen zijn.
De reconstructie blijft echter onzeker. Het is ook mogelijk dat het om een ander zusterhuis ging dat later verdween. Na het vertrek van de oorspronkelijke bewoonsters kan het huis weer door poorters zijn gebruikt of pas veel later in het St.-Mariaklooster zijn opgenomen. De bronnen bieden geen doorslaggevend bewijs.
Tideman Braem zegelt voor de zusters
De organisatorische ontwikkeling van St. Maria volgde het patroon van de meeste Amsterdamse vrouwenhuizen. De gemeenschap begon als zusterhuis en veranderde daarna in een tertiarissenklooster. Zij kreeg uiteindelijk de mogelijkheid van clausuur, maar maakte niet de verdere overgang naar een klooster van reguliere kanunnikessen.
Op 17 november 1431 verleenden de deken en het kapittel van St. Marie in Den Haag de gebruikelijke kloosterrechten aan St. Maria. Dat gebeurde betrekkelijk laat. De zusters waren op dat moment al minstens veertien jaar bij de Derde Orde aangesloten.
Sommige rechten bezaten zij in de praktijk vermoedelijk al vóór 1431. Het recht om een eigen biechtvader te kiezen lijkt daar een voorbeeld van. In 1417 trad de priester Tideman Braem als biechtvader van de gemeenschap op.
Omdat het convent noch zijn leidster over een zegel beschikte, bekrachtigde Braem de verkoopakte van de tuin aan het Oude Nonnenklooster met zijn persoonlijke zegel. Daarmee werd de priester niet alleen geestelijk begeleider, maar ook een onmisbare juridische vertegenwoordiger van de jonge gemeenschap.
Rond 1430 had St. Maria een andere biechtvader, Nicolaas Jansz. In een ongedateerde oorkonde trad Andries Frederiksz als voogd van ministerse en zusters op. Andries was in de jaren twintig van de vijftiende eeuw meermaals schepen en burgemeester van Amsterdam. Op grond van zijn bestuurlijke loopbaan moet het stuk waarschijnlijk enkele jaren vóór of na 1430 worden geplaatst.
Magdalena Jacobsdr blijft aan het hoofd
Ministerse was Magdalena Jacobsdr. Zij leidde de zusters al bij de eerste zekere vermelding in 1417 en bekleedde haar functie rond 1430 nog steeds. Haar lange ambtsperiode maakt het mogelijk dat zij niet alleen een vroege overste was, maar ook de grondlegster van de gemeenschap.
Over haar familie, bezit en maatschappelijke achtergrond is niets bekend. Dat ontbreken van gegevens is typerend voor de vrouwelijke devoten die in de eerste decennia aan het hoofd van de Amsterdamse zusterhuizen stonden. Priesters, schepenen, grondbezitters en voogden zijn via andere ambten en transacties vaak te volgen. Vrouwen als Magdalena verschijnen vrijwel uitsluitend wanneer zij namens hun gemeenschap in een oorkonde optreden.
Zij moet niettemin een centrale rol hebben vervuld. Onder haar leiding verwierf de gemeenschap een vaste plaats, trad zij toe tot de Derde Orde, werkte zij met opeenvolgende biechtvaders en ontwikkelde zij zich tot een zelfstandig klooster. Dat haar persoonlijke verleden uit de bronnen verdwenen is, maakt haar betekenis voor het ontstaan van St. Maria niet kleiner.
Gijsbert Dou tussen St. Clara en St. Barbara
Twee erven van Jan Scincke
Het St.-Claraklooster lag in het zuidelijke deel van Grimmenes tussen de doorgaande straat en de Oudezijds Voorburgwal. De oorsprong van zijn terrein kan worden gereconstrueerd dankzij een overeenkomst die het klooster in 1419 met het Regulierenklooster sloot.
Jan Scincke had in 1394 twee erven in Grimmenes beschikbaar gesteld voor de stichting van het Regulierenklooster. In datzelfde jaar werd duidelijk dat het nieuwe mannenklooster niet midden in de stad, maar buiten Amsterdam zou worden gebouwd. De twee stedelijke erven bleven echter met de regulieren verbonden.
Op het zuidelijke erf ontstond het St.-Claraklooster. Op het noordelijke, direct aangrenzende erf kwam het St.-Barbaraklooster tot stand. Beide vrouwengemeenschappen kregen hun eerste terrein dus uit hetzelfde bezit.
In 1419 woonden de zusters van St. Clara samen met hun geestelijke vader Gijsbert Dou op het zuidererf. De oorkonde uit dat jaar geeft een bruikbaar beeld van de inrichting. In de noordoostelijke hoek, aan de Oudezijds Voorburgwal, stond het woonhuis van Dou. De overige grond werd ingenomen door de gebouwen van St. Clara.
Dou woonde daarmee letterlijk op de grens van verschillende religieuze werelden. Het erf was afkomstig van het Regulierenklooster, zelf door hem en zijn kring gesticht. Ten zuiden en westen leefden de Clarazusters. Aan de noordzijde ontstond St. Barbara. De man die de Amsterdamse religieuze hervorming begeleidde, woonde bij de regulieren en tussen de tertiarissen.
De regulieren doen afstand van hun rechten
Met de overeenkomst van 1419 deden de regulieren afstand van hun rechten op de gebouwen en van mogelijke aanspraken die zij tegenover de zusters inzake het erf konden laten gelden. Zij traden op als rechtsopvolgers van de mannen die het Regulierenklooster hadden gesticht.
Die stichters hadden kosten gemaakt voor de bouw en het onderhoud van de huizen in de periode waarin zij zelf nog in Grimmenes woonden. Na hun vertrek naar het buitenklooster konden daaruit eigendoms- of vergoedingsrechten zijn blijven bestaan. Door de overeenkomst werden die beëindigd.
Daaruit volgt dat het terrein niet zelfstandig door de Clarazusters was gekocht. Zij hadden het van het Regulierenklooster gekregen. Waarschijnlijk betrof het een werkelijke schenking en geen erfpacht.
Noch in de latere legger van St. Clara uit 1515–1521, noch in andere bewaarde financiële registers wordt een vaste betaling aan het Regulierenklooster genoemd. Ook bij St. Barbara ontbreekt in de bij de opheffing van het klooster in 1582 opgestelde goederen- en schuldenstaat een erfpacht aan de regulieren. Wanneer beide gemeenschappen jaarlijks voor hun oorspronkelijke erven hadden moeten betalen, zou die last in deze registers vrijwel zeker zijn opgenomen.
De afwezigheid van zo’n betaling wijst erop dat de regulieren beide erven zonder blijvende financiële last hebben afgestaan. Daarmee steunden zij actief het ontstaan van twee nieuwe tertiarissenhuizen.
Een netwerk van Windesheimse kloosters en tertiarissen
In deze overdracht valt de invloed van Gijsbert Dou te herkennen. Hij had zelf een huis op een van de erven en trad als geestelijke vader van St. Clara op. Het is moeilijk voorstelbaar dat de regulieren hun stedelijke grond zonder zijn betrokkenheid aan de vrouwengemeenschappen gaven.
Het ontstaan van St. Clara toont een belangrijk relatiepatroon. Er bestond niet alleen een rechtstreeks verband tussen een religieuze leider en een klooster, in dit geval Dou en St. Clara. Er was ook een institutionele relatie tussen verschillende religieuze gemeenschappen: het Regulierenklooster ondersteunde het St.-Claraklooster.
De Congregatie van Windesheim, waartoe de Amsterdamse regulieren behoorden, stond dus niet uitsluitend voor streng gereguleerde mannen- en vrouwenkloosters. Haar plaatselijke vertegenwoordigers hielpen ook bij de totstandkoming van minder streng geordende tertiarissenhuizen.
Dou bevond zich organisatorisch en geografisch in het centrum. Vanuit zijn woning kon hij de jonge vrouwengemeenschappen begeleiden. Zijn huis stond op regulierengrond, tussen St. Clara en St. Barbara, terwijl op korte afstand andere nieuwe kloosters ontstonden.
Wanneer kwamen de Clarazusters bijeen?
De eerste zekere vermelding in 1414
De oudste zekere vermelding van het St.-Claraklooster dateert uit 1414. Op 9 november van dat jaar verleenden zowel het kapittel van St. Marie in Den Haag als de Amsterdamse vice-cureit van de Oude Kerk privileges aan de gemeenschap.
Deze datum is betrekkelijk laat wanneer St. Clara inderdaad een van de oudste nieuwe vrouwengemeenschappen was. Er bestaan echter aanwijzingen dat de zusters al lang vóór 1414 samenleefden.
De kloosterkroniek van de Agnieten, geschreven in het midden van de zestiende eeuw, vertelt dat de zusters van het latere St.-Agnesklooster zich op St.-Agnesavond, 20 januari 1397, van het huis van St. Clara afscheidden. Wanneer dit bericht betrouwbaar is, bestond St. Clara in 1397 al en was het huis zelfs groot of veelzijdig genoeg om een afzonderlijke gemeenschap voort te brengen.
De bron is problematisch. De schrijver keek ongeveer honderdvijftig jaar terug en beschikte voor de oudste periode niet over dezelfde gedetailleerde boekhouding als voor de tweede helft van de vijftiende eeuw. Het precieze jaar en de precieze dag kunnen daardoor uit een latere kloostertraditie afkomstig zijn.
Een ontstaan rond 1396
Tegenover die onzekerheid staat de nauwe verbinding met Gijsbert Dou. Het is logisch dat nieuwe religieuze vrouwengemeenschappen zich in eerste instantie op hem oriënteerden. Hij was in Amsterdam de bekendste vertegenwoordiger van de Moderne Devotie en had ervaring met het eerste zusterhuis, de hervorming tot het Oude Nonnenklooster en de vorming van het Regulierenklooster.
Wanneer Dou en de andere toekomstige regulieren gedurende de voorbereiding van hun buitenklooster nog in Grimmenes samenwoonden, kunnen de Clarazusters niet vóór 1394–1396 op het erf van Jan Scincke zijn gevestigd. Het terrein was immers tot 1394 voor de regulieren bestemd en werd pas na hun verhuizing beschikbaar.
De meest aannemelijke reconstructie is daarom dat de zusters omstreeks 1396 een eigen huis op het voormalige erf van Jan Scincke kregen. Dat past bij de kroniektraditie waarin St. Agnes zich in januari 1397 van St. Clara afscheidde, zonder dat het precieze verhaal daardoor volledig bewezen is.
De uitbreiding van St. Clara naar het zuiden
De kapel aan de oude noordrand
De precieze uitbreiding van het kloosterterrein kan door het ontbreken van veel transportakten niet volledig worden gevolgd. Vaststaat wel dat St. Clara zich vanuit zijn oudste erf uitsluitend naar het zuiden uitbreidde.
De kapel lag aan de noordrand van het latere complex. Dat past bij de veronderstelling dat zij tot de oudste gebouwen behoorde. Wanneer het terrein later alleen zuidwaarts groter werd, bleef de vroeg gebouwde kapel vanzelf aan de noordzijde liggen.
Rond 1500 bezat het klooster vrijwel alle grond tussen de Grimburgwal, de Oudezijds Voorburgwal, het oudste kloostererf en de straat door Grimmenes.
Tussen ongeveer 1410 en 1450 werden minstens twee erven ten zuiden van het oorspronkelijke terrein verworven. Een daarvan werd op 29 mei 1434 gekocht van Catharina Egbertsdr.
Catharina had familie binnen het klooster. Zuster Agathe Albert Pieter Borstsznsdr behoorde tot haar verwanten. Bij de verkoop trad Albert Pieter Borstsz op als een van Catharina’s vierendelen. Dat waren vier naaste familieleden, afkomstig uit de vier familiekwartieren van een vrouw, die haar bij een rechtshandeling terzijde stonden.
De aanwezigheid van deze familieband maakt het aannemelijk dat de verwerving door St. Clara mede door een kloosterlinge en haar verwanten werd bevorderd. De grond werd weliswaar gekocht, maar de familiekring kan de verkoop mogelijk of aantrekkelijk hebben gemaakt.
Een erfpacht van het Oude Gasthuis
Omstreeks 1450 betaalde het klooster ook een erfpacht aan het Oude Gasthuis. In 1410–1411 werd deze pacht nog voldaan door Heintgin Eilartsz. Het klooster moet het betreffende erf dus na 1410 hebben verworven.
Het kan niet het in 1434 van Catharina Egbertsdr gekochte perceel zijn. In de vrijwaringsclausule van de verkoopakte van 1434 wordt geen last ten gunste van het Oude Gasthuis genoemd. Een bestaande erfpacht moest bij een overdracht worden opgegeven. De afwezigheid ervan betekent dat het om een ander erf ging.
St. Clara had tussen 1410 en 1450 dus minstens twee afzonderlijke uitbreidingen naar het zuiden gerealiseerd: het erf van Catharina en een met gasthuispacht belast perceel.
Drie erven van het St.-Laurensgilde
In de tweede helft van de vijftiende eeuw kwamen daar minimaal drie erven bij. Twee lagen aan de Oudezijds Voorburgwal en één aan de straat in Grimmenes. Deze percelen waren in de veertiende eeuw verbonden geweest met het St.-Laurensgilde in de kapel ter Heilige Stede.
De oude eigendoms- en erfpachtrechten bleven ook na de verwerving door het klooster bestaan. Daardoor betaalde St. Clara later drie afzonderlijke pachten. Zij worden zowel in de legger van het klooster als in die van het Burgerweeshuis genoemd. Het Burgerweeshuis werd na 1579 de rechtsopvolger van het St.-Laurensgilde.
De drie percelen waren door vroegere erfsplitsingen ontstaan. Zij liepen niet ieder volledig van de straat tot de burgwal door. Sommige eindigden halverwege tegen een ander erf. De volgorde waarin de renten in de legger van St. Clara staan, geeft vermoedelijk ook de volgorde weer waarin het klooster de grond verwierf.
Het eerste was een huis en erf aan de straat in Grimmenes. Het St.-Laurensgilde gaf dit op 6 maart 1378 uit tegen een jaarlijkse pacht van twee Franse schilden. Op de achterzijde van de erfpachtoorkonde schreef een vijftiende-eeuwse hand later “Sinte Claer”. Daaruit blijkt dat de pacht in die tijd door het klooster werd betaald.
In 1453 was het erf nog particulier bezit. Wegens achterstallige betaling stelde het Amsterdamse gerecht het St.-Laurensgilde opnieuw in het bezit. Daarna moet het aan St. Clara zijn gekomen. Mogelijk gebeurde dat tussen 1453 en 1456.
Een akte uit 1373 noemt naast dit perceel nog een ander erf van het St.-Laurensgilde, zonder te zeggen aan welke zijde dat lag. Het kan het tweede erf zijn geweest dat in 1456 aan bezit van St. Clara grensde. Wanneer deze identificatie juist is, had het klooster het eerste erf inderdaad vóór 1456 verworven.
Het tweede perceel lag eveneens aan de straat door Grimmenes. Het gilde gaf het op 10 december 1456 uit tegen een jaarlijkse pacht van één Rijnsgulden. Aan de noordzijde grensde het toen aan een erf van het St.-Claraklooster. Ook op deze oorkonde schreef dezelfde vijftiende-eeuwse hand “Sinte Claer”. Het klooster verwierf dit tweede erf dus na 1456.
Het derde was een huis en erf aan de Oudezijds Burgwal. Een particulier had het op 4 januari 1373 in erfpacht uitgegeven tegen één pond Hollands per jaar. Op de rugzijde staat opnieuw de naam “Sinte Claer”, geschreven door dezelfde hand.
Omdat de oorkonde later in het archief van het St.-Laurensgilde terechtkwam, moet het gilde de erfpacht of het recht daarop in of na 1373 hebben gekocht. Uit de kloosterleggers blijkt dat St. Clara het erf vóór 1515 in bezit had. Waarschijnlijk werd het, net als het tweede perceel, pas na 1456 aan het kloosterterrein toegevoegd.
Van houten zusterhuis tot groot tertiarissenklooster
Het vroege ontstaan, de vermoedelijke afsplitsing van St. Agnes en de eenvoudige gebouwen die in 1419 op het erf stonden, wijzen allemaal in dezelfde richting. St. Clara begon klein, als een huis van zusters van het Gemene Leven.
De eerste gebouwen waren schamele houten huizen. Een volledig kloostercomplex met stenen kapel, dormitorium, refter en pandgang bestond nog niet. De vrouwen hadden aanvankelijk vooral een plaats nodig om gezamenlijk te wonen en hun religieuze levenswijze te volgen.
In 1414 was het zusterhuis inmiddels veranderd in een tertiarissenklooster. Samen met St. Catharina was St. Clara het eerste Amsterdamse huis van de Derde Orde dat zijn verhouding tot de parochiekerk formeel liet vastleggen.
Tachtig zusters en volledige offergaven
Op 9 november 1414 verleenden de deken en het kapittel van St. Marie in Den Haag hun privileges. In vergelijking met het vijf jaar later gegeven privilege voor het Nieuwe Nonnenklooster vallen twee verschillen op.
St. Clara mocht maximaal tachtig kloosterzusters herbergen. Voor St. Dionysius werd in 1419 een grens van vijftig vastgesteld. Het quotum van tachtig was het hoogste van alle Amsterdamse vrouwenkloosters en wijst op een grote gemeenschap of op de verwachting van verdere groei.
Daarnaast hoefde St. Clara de inhoud van de offerblokken in de kloosterkapel niet met de Oude Kerk te delen. Het Nieuwe Nonnenklooster moest vanaf 1419 de helft afstaan van de jaarlijkse offergaven die boven twee Franse kronen uitkwamen. De Clarazusters behielden hun offerinkomsten volledig.
Jacob Simonsz geeft op dezelfde dag een concurrerend privilege
Op dezelfde 9 november vaardigde ook Jacob Simonsz, de vice-cureit van de Oude Kerk, een privilege voor St. Clara uit. Hij trad daarbij niet als plaatsvervanger op, maar noemde zichzelf cureit van de Oude Kerk.
Daarmee eigende hij zich de volledige rechten toe die volgens het Haagse kapittel juist bij de deken en kanunniken van St. Marie berustten. De dubbele oorkonden weerspiegelen het conflict over de incorporatie van de Amsterdamse kerken in het Haagse kapittel. De vraag was hoe volledig de rechten van de Oude Kerk aan Den Haag waren overgedragen en welke bevoegdheden de plaatselijke vice-cureit nog zelfstandig kon uitoefenen.
Grote delen van het privilege van Jacob Simonsz zijn woordelijk gelijk aan de Haagse oorkonde. Op twee punten week hij af.
Het Haagse kapittel stond tachtig zusters toe; Jacob Simonsz slechts zestig. De jaarlijkse vergoeding voor inkomstenverlies stelde Den Haag vast op vier Franse kronen; de vice-cureit verlangde drie kronen.
Mogelijk hanteerde men bij de plaatselijke berekening een vergoeding van één Franse kroon per twintig kloosterzusters. Bij een maximum van zestig bewoners kwam Jacob zo op drie kronen, terwijl het Haagse quotum van tachtig met vier kronen overeenkwam.
Uiteindelijk werd het Haagse privilege als rechtsgeldig uitgangspunt aanvaard. In de zestiende eeuw betaalde St. Clara jaarlijks vier en niet drie Franse kronen aan de vice-cureit. Daarmee volgde het klooster de regeling van deken en kapittel, niet die van Jacob Simonsz.
Een bisschop die niet wist welk stuk hij moest bevestigen
Ook de bisschoppelijke behandeling van St. Clara verschilde van die van het Nieuwe Nonnenklooster. Frederik van Blankenheim had in 1419 aan St. Dionysius meer verleend dan een eenvoudige bevestiging. Hij breidde de bevoegdheid van de biechtvader uit, gaf het klooster mogelijkheden om ongunstig bezit te vervreemden en verhief de kapel tot oratorium.
Voor St. Clara beperkte hij zich tot de goedkeuring van de reeds verleende rechten. Bovendien verstreken er meer dan zes maanden tussen de privileges van 9 november 1414 en de bisschoppelijke bevestiging.
Bij St. Dionysius bedroeg die termijn in 1419 slechts drie weken. De lange wachttijd van St. Clara hield waarschijnlijk verband met de dubbele oorkonden. De zusters lijken niet het stuk van het Haagse kapittel, maar dat van de Amsterdamse vice-cureit naar Utrecht te hebben gestuurd.
Voor een bisschop die bekend was met de strijd over de incorporatie moet dit een lastig document zijn geweest. Jacob Simonsz trad erin op alsof hij zelfstandig cureit en kerkpatroon was, terwijl juist om die bevoegdheid werd gestreden. De bisschop zal hebben moeten bepalen of en hoe hij een door de Amsterdamse vice-cureit verleend privilege kon goedkeuren.
Op 13 mei 1415 bevestigde Frederik de Amsterdamse oorkonde uiteindelijk. Enkele weken later, op 4 juni 1415, werd de Oude Kerk volledig in het kapittel van St. Marie geïncorporeerd.
In kerkrechtelijk opzicht ontwikkelde St. Clara zich daarna niet verder. De clausuur was in 1414 al ingevoerd. De zusters leefden dus besloten, maar zij namen nooit de regel van Augustinus aan. Het huis bleef een klooster van tertiarissen.
Het St.-Barbaraklooster
Het noordererf naast St. Clara
Het St.-Barbaraklooster lag direct ten noorden van St. Clara, eveneens tussen de straat in Grimmenes en de Oudezijds Voorburgwal. Zijn oudste terrein was het noordelijke van de twee erven die Jan Scincke in 1394 voor het geplande Regulierenklooster had bestemd.
Toen de regulieren buiten de stad gingen wonen, kwam het zuidelijke erf aan St. Clara en het noordelijke aan St. Barbara. Beide kloosters hadden dus niet alleen dezelfde buren, maar ook dezelfde oorsprong van hun grondbezit.
Vanuit dit eerste erf breidde St. Barbara zich naar het noorden uit. Uiteindelijk bereikte het terrein het klooster van St. Maria-Magdalena aan het Spui. Hoe de tussenliggende percelen werden verworven, is niet meer te reconstrueren. Het gehele kloosterarchief van St. Barbara is verloren gegaan.
Dat de noordwaartse uitbreiding werkelijk plaatsvond, weten we vooral uit de langdurige conflicten met Maria-Magdalena. Vanaf 1431 ontstonden geschillen over erfscheidingen, stegen, muren, poorten en het aanbouwen van gebouwen tegen het bezit van de buren.
Omdat het archief van Maria-Magdalena gedeeltelijk bewaard bleef, zijn deze conflicten vanuit die zijde te volgen. Zij vormen indirect de belangrijkste bron voor de ruimtelijke groei van St. Barbara.
Ook hier de hand van Dou en de regulieren
Wat voor St. Clara gold, geldt ook voor St. Barbara. De gemeenschap kreeg haar eerste erf van het Regulierenklooster, vrijwel zeker zonder een jaarlijkse erfpacht te hoeven betalen.
Ook hier ondersteunde een klooster van de Congregatie van Windesheim de vorming van een tertiarissenhuis. De verbinding tussen strenge kloosterhervorming en vrijer lekendevotie was dus geen tegenstelling zonder contact. De regulieren hielpen de nieuwe vrouwenhuizen juist aan de grond waarop zij zich konden ontwikkelen.
Gijsbert Dou zal waarschijnlijk bij de overdracht betrokken zijn geweest. Zijn eigen woning stond precies bij de grens van de twee erven. Aan de ene kant leefden de zusters van St. Clara, aan de andere ontstond St. Barbara.
Het ligt voor de hand te denken dat St. Barbara een afsplitsing van St. Clara was. De erven grensden aan elkaar, de grond had dezelfde herkomst en St. Clara kon al vroeg een grote toestroom van vrouwen hebben gekend. Ruimtegebrek of verschil van inzicht over de inrichting van het religieuze leven kan een nieuwe gemeenschap noodzakelijk hebben gemaakt.
Bewijs daarvoor ontbreekt echter. Geen enkele bewaarde bron zegt dat de Barbarazusters uit St. Clara afkomstig waren. De gedachte blijft een plausibele verklaring, geen vastgesteld feit.
Een late eerste vermelding
Het St.-Barbaraklooster wordt pas in 1425 voor het eerst genoemd. Daarmee verschijnt het later in de bronnen dan alle andere kloosters in Grimmenes.
Ook de formele privileges kwamen laat. Op 26 februari 1436 verleenden de deken en het kapittel van St. Marie de gebruikelijke rechten. Alleen St. Cecilia moest nog langer wachten en kreeg zijn privilege in 1437.
De inhoud week niet wezenlijk af van die voor de andere Amsterdamse vrouwenkloosters. St. Barbara werd wel tot de kleinere gemeenschappen gerekend. Het maximum werd vastgesteld op vijftig zusters, terwijl veel huizen zestig bewoners mochten opnemen.
Het klooster hoefde de helft van zijn kapeloffergaven niet aan de vice-cureit af te dragen. Dat betekende niet dat het geheel vrij van financiële verplichtingen was. Jaarlijks moest St. Barbara drie Engelse nobelen betalen als vaste compensatie voor het inkomstenverlies van de parochiekerk.
De late schriftelijke verschijning betekent niet noodzakelijk dat St. Barbara werkelijk het jongste vrouwenhuis van Grimmenes was. De ligging naast St. Clara en pal bij de woning van Dou kan juist op een vroeg ontstaan wijzen. Het blijft mogelijk dat de gemeenschap jarenlang in een eenvoudig huis leefde voordat zij bezittingen, privileges of rechtsgeschillen naliet die in de archieven zichtbaar werden.
Geertruid Willem Coytinxdr en het St.-Maria-Magdalenaklooster
Het oude Spui aan de oostzijde van de Amstel
Het noordelijkste klooster van Grimmenes was het St.-Maria-Magdalenaklooster op het Spui. Dit Spui lag aan de oostzijde van de Amstel en moet niet worden verward met het nog bestaande Spui tussen de Nieuwezijds Voorburgwal en het Rokin.
Het water werd in 1550 gedempt. Het was toen nog slechts een klein, gekanaliseerd restant van een veel grotere veenplas, de Vogelenzang.
In de pre-stedelijke en vroegstedelijke periode vormde de Vogelenzang een natuurlijke grens. Ten noorden lag Gansoord, ten zuiden Grimmenes. Tegelijk scheidde het water twee oude categorieën grondbezit: het vertijnsde en niet-vertijnsde bezit van de heren van Amstel en later van de graven van Holland.
Aan de overzijde van de Vogelenzang ontstond in Gansoord het St.-Margrietenklooster. Pas nadat het grootste deel van het water was gedempt en het restant in de vijftiende eeuw tot het Spui was vergraven, ontstond het beeld dat op de zestiende-eeuwse kaart van Cornelis Anthonisz zichtbaar is: de terreinen van St. Maria-Magdalena en St. Margriet grensden toen bijna rechtstreeks aan elkaar.
Het klooster aan het Spui mag evenmin worden verward met het latere St.-Maria-Magdalena in Bethanië, meestal Bethaniënklooster genoemd. Dat huis werd pas in de tweede helft van de vijftiende eeuw gesticht als opvang voor zogenoemde gevallen vrouwen. Het lag verder noordwaarts aan de Oudezijds Achterburgwal, ongeveer bij de huidige Koestraat en Bethaniënstraat.
Eerst in het huis van Willem die Brune
De zusters van Maria-Magdalena woonden niet vanaf het begin aan de Vogelenzang. Hun eerste bekende huis was dat van Willem die Brune Roelofsz, een broer van de Amsterdamse schepen Servaas Roelofsz.
In 1411, het jaar van de eerste vermelding van de gemeenschap, leefden de vrouwen daar nog. Willem was inmiddels overleden.
Hetzelfde huis had eerder onderdak geboden aan de zusters van St. Agnes. Die vertrokken in de winter van 1405 op 1406 naar een nieuw terrein aan de Oudezijds Voorburgwal.
De gemeenschap van Maria-Magdalena kan daarom pas in of na 1406 in het huis van Willem die Brune zijn ontstaan. Alleen wanneer de vrouwen vóór hun intrek al ergens anders samenwoonden, kan hun groep ouder zijn geweest.
Willem en zijn vrouw Nelle hadden daarmee achtereenvolgens twee religieuze vrouwengemeenschappen in hun woning opgenomen. Dat verklaart waarom hun namen eeuwenlang in het Agnietenklooster werden herdacht en toont hoe één Amsterdams woonhuis als tijdelijke kraamkamer van verschillende kloosters kon dienen.
De verhuizing naar de Vogelenzang
Tussen 1411 en 1422 verlieten de zusters het huis van Willem en verhuisden zij naar het noorden van Grimmenes. Daar bleven zij tot de opheffing van het klooster.
De verhuizing vond waarschijnlijk dichter bij 1411 dan bij 1422 plaats. In januari 1422 kocht het klooster de helft van een erf op de hoek van de Vogelenzang en de straat. Dit perceel grensde toen aan de noord-, zuid- en oostzijde al aan grond van de zusters. Zij bezaten dus minstens drie erven op hun nieuwe plaats.
Het overlijden van Willem die Brune kan de verhuizing hebben bespoedigd. Mogelijk veranderde de positie van de vrouwen in zijn huis nadat de oorspronkelijke eigenaar wegviel.
Waarschijnlijker is dat de gemeenschap meer ruimte nodig kreeg. Een gewoon woonhuis volstond voor een klein zusterhuis, maar niet voor een tertiarissen- of kanunnikessenklooster met kapel, refter, dormitorium, patershuis, kloostergang en tuin. Bij de Vogelenzang was nog onbebouwde grond beschikbaar.
Het oudste terrein lag niet bij de latere kapel
Hoewel het kloosterarchief slechts gedeeltelijk bewaard is gebleven, kan de uitbreiding van het terrein redelijk worden gevolgd. Op de kaart van Cornelis Anthonisz loopt het complex vanaf het Spui naar het zuiden, tot aan St. Barbara.
De kapel lag aan de zuidrand van het kloosterterrein, direct naast de kerk van St. Barbara. Toch lag daar niet de oudste kern.
Het eerste terrein bevond zich juist aan de noordzijde, bij de hoek van de Vogelenzang en de Oudezijds Voorburgwal. Van daaruit breidden de zusters zich naar het westen en het zuiden uit.
In tegenstelling tot St. Clara en St. Barbara was Maria-Magdalena aanvankelijk niet op de straat door Grimmenes georiënteerd. Het was een klooster aan de Voorburgwal. In 1422 werd het nog omschreven als gelegen “aan de Burgwal in Grimmenes”. Daar moet het oudste complex worden gezocht.
Het erf van Jan die Langhe
Een Hoekse voorman uit het netwerk van Dou
Het eerste kloostererf op de nieuwe plaats had vóór de zusters aan Jan die Langhe Stevensz toebehoord. Dat blijkt uit een vermelding uit 1425, waarin wordt gesproken over het huis en convent van Maria-Magdalena dat vroeger van Jan die Langhe was geweest.
Jan die Langhe behoorde rond de eeuwwisseling tot de Hoekse voormannen van Amsterdam. Hij maakte deel uit van het politieke en sociale netwerk in Grimmenes rond Gijsbert Dou.
Van de overdracht van het erf door Jan aan de zusters is geen akte bewaard gebleven. De ligging kan wel worden vastgesteld dankzij een oudere vermelding uit 1394.
Toen behoorde het erf aan Vrouwetgin, de vrouw van Jacob Cogman. Haar dochter Margriet was getrouwd met Jan die Langhe. Jan heeft het bezit waarschijnlijk via zijn vrouw of schoonfamilie geërfd. In 1406 wordt hij voor het eerst als eigenaar of bewoner genoemd.
Een huis zonder rechtstreekse uitgang naar de burgwal
In 1394 gaven de benaders van Amsterdam een smal perceel in erfpacht aan Vrouwetgin. Dit lag tussen de Vogelenzang en een pad dat vanaf haar huis naar de Oudezijds Voorburgwal liep. Het kleine erf strekte van de westzijde van haar huis tot aan de burgwal.
Uit de aanwezigheid van dat toegangspad blijkt dat haar eigen huis en erf niet tot de Voorburgwal doorliepen. Het lag alleen aan de Vogelenzang. Zonder het afzonderlijke pad had het geen toegang tot de gracht.
Ook het vroege klooster lag daarom aanvankelijk niet direct aan de Voorburgwal. Een kloosterlinge schreef in de vijftiende eeuw op de achterzijde van de oorspronkelijke oorkonde dat het document betrekking had op de uitgang naast de Vogelenzang naar de Burgwal.
De originele akte is bewaard gebleven in de Universiteitsbibliotheek Leiden. Bij een latere uitgave op basis van een achttiende-eeuws afschrift was over het hoofd gezien dat het oorspronkelijke document nog bestond. Juist de notitie op de rugzijde maakt de ruimtelijke reconstructie mogelijk.
Het eerste kloostererf moet vóór 1422 van Jan die Langhe aan de zusters zijn gekomen. In dat jaar kochten zij een ander perceel op de hoek van de straat en de Vogelenzang dat doorliep tot aan een erf dat zij al bezaten. Daarmee werd het oude erf van Jan bedoeld.
Twee oude renten op het kloosterhuis
Op het eerste erf rustten twee erfrenten. De oudste was waarschijnlijk tussen ongeveer 1375 en 1382 gevestigd ten gunste van de priester Evert Lutgensz.
In 1425 verwierven de memoriemeesters van de Oude Kerk een achtste deel van een oude Franse schild als jaarlijkse rente op het huis en convent van Maria-Magdalena. In de akte werd vermeld dat het erf vroeger aan Jan die Langhe had toebehoord en dat Evert Lutgensz de rente ooit aan de kerk had bestemd.
Evert was in 1359 verbonden aan het St.-Catharina-altaar in de Oude Kerk. Hij overleed tussen 1378 en 1382. Omdat de oude Franse schild in Amsterdam pas vanaf ongeveer 1373–1375 bij grondtransacties werd gebruikt, moet de rente tussen circa 1375 en zijn overlijden zijn gevestigd.
Later kwam op hetzelfde erf een tweede erfrente te rusten, verbonden met de Kabeljauwse schepen Dirk Baerdenz. In 1478 trad diens zoon Simon Dirk Baerdenz op toen zijn dochter Lijsbeth in het St.-Maria-Magdalenaklooster intrad. Simon deed bij haar professie afstand van zijn aandeel in de rente.
Ook de andere nakomelingen van Dirk Baerdenz moeten hun rechten hebben prijsgegeven of zich door het klooster hebben laten uitkopen. Bij de opheffing van de gemeenschap bestond deze rente niet meer.
De snelle uitbreiding vóór 1422
De hoek van de straat en de Vogelenzang
In de jaren tien en twintig van de vijftiende eeuw kochten de zusters snel nieuwe grond. In januari 1422 verwierf het klooster de zuidelijke helft van een erf op de hoek van de straat door Grimmenes en de Vogelenzang.
De andere helft bezat het toen al. Ook het direct zuidelijk gelegen erf was reeds van de gemeenschap. Het aangekochte halve erf kwam van de erfgenamen van Coptgin IJsbrandsz. De familie van Coptgin speelde ook een rol bij de vorming van het Paulusbroedersklooster en St. Ursula.
Het erf ten zuiden van de hoek was eerder eigendom geweest van Klaas Hein Gerritsz, een vriend van Gijsbert Dou. Vermoedelijk bezat het klooster ook al het huis en erf aan de Oudezijds Voorburgwal dat in het verlengde van Klaas’ perceel lag.
Daar had tot 1406 Jacob Veldert Jan Tetenznsz gewoond, een zwager van Klaas Hein en eveneens een goede bekende van Dou. Na 1406 kwam dit erf tijdelijk bij het Kartuizerklooster terecht, dat het later weer verkocht. De persoonlijke relatie met Dou kan daarom niet rechtstreeks de overdracht aan Maria-Magdalena hebben bepaald, maar het perceel maakte wel deel uit van hetzelfde netwerk van bewoners en grondbezitters.
In 1422 strekte het kloosterterrein zich al volledig van de straat tot de Voorburgwal uit. Tegelijk was de gemeenschap vanaf haar eerste erf één volledige kavel naar het zuiden opgeschoven.
Een zuidelijke kloosterexclave
Nog twee erven verder naar het zuiden bezat Maria-Magdalena in 1422 een afzonderlijk terrein tussen de straat en de Voorburgwal. In 1431 grensde dit direct aan St. Barbara.
Het stond aanvankelijk niet in verbinding met het hoofdterrein. Een erf van het St.-Pietersgilde en het St.-Nicolaasgilde lag ertussen.
De exclave had al vóór de komst van de zusters een religieuze bestemming. In het huis aan de straat woonde tot 1409 een groep tertianen onder leiding van Wouter Corstginsz. In dat jaar verhuisden Wouter en zijn gezellen naar de Oudezijds Achterburgwal, waar zij het Paulusbroedersklooster vormden.
Het achterste gedeelte aan de Voorburgwal verkocht Maria-Magdalena op 20 februari 1422. Later kwam dit perceel opnieuw in handen van de zusters. Dat blijkt uit de conflicten met St. Barbara die vanaf 1431 ook over deze grond gingen.
De twee gilden en hun ingewikkelde eigendom
Het erf tussen de hoofdkern en de zuidelijke exclave had een ingewikkelde juridische geschiedenis. Het St.-Nicolaasgilde van de snijders en het St.-Pietersgilde van de viskopers en vleeshouwers hadden het op 17 december 1371 verworven.
Daarna splitsten zij het perceel in de breedte in twee delen: een voorerf aan de straat en een achtererf aan de Oudezijds Voorburgwal. Het achtererf werd op 27 april 1384 verpacht voor twee oude Franse schilden per jaar, één schild aan ieder gilde. Het bedrag voor het voorerf is uit de oudste fase niet bekend.
In 1395 droeg het St.-Pietersgilde zijn helft van beide erven over aan Hendrik Lambertsz, de bewoner van het voorhuis. Daardoor kreeg Hendrik een merkwaardige rechtspositie. De ene helft van zijn huis en erf bezat hij vrij; de andere helft hield hij in erfpacht van het snijdersgilde.
In 1409 vernieuwde het St.-Nicolaasgilde de erfpacht op zijn helft van het voorerf en stelde de jaarlijkse betaling vast op tweeënhalve oude Franse schild.
De uiteindelijke situatie was dat het snijdersgilde recht had op tweeënhalve schild van het voorerf en één schild van het achtererf. Toen het gehele terrein later in het St.-Maria-Magdalenaklooster opging, nam het klooster deze lasten over.
Een goederenstaat uit 1579 laat zien dat de zusters beide pachten tot aan hun opheffing aan het St.-Nicolaasgilde bleven betalen.
Tussen 1422 en 1431 wordt het terrein gesloten
Waarschijnlijk verwierven de zusters tussen 1422 en 1431 de resterende erven tussen de Vogelenzang en St. Barbara. In 1431 begon een langdurige reeks geschillen over perceelsgrenzen en het aanbouwen tegen elkaars muren.
In dat jaar sloten de kloosters een overeenkomst over de breedte en ligging van een steeg die tussen hun terreinen naar de Voorburgwal liep. Uit dit akkoord blijkt dat de zuidwaartse uitbreiding van Maria-Magdalena voltooid was.
Het erf van de twee gilden en het in 1422 verkochte achtererf aan de Voorburgwal maakten inmiddels definitief deel uit van het kloostercomplex. De vroegere exclave was met de hoofdkern verbonden.
De kapel aan de grens met St. Barbara
Toestemming in 1427, wijdingen in 1433 en 1449
De kapel die op de kaart van Cornelis Anthonisz aan de zuidzijde van het terrein staat, werd vermoedelijk kort vóór 1431 gebouwd. Het kapittel van St. Marie gaf de zusters in 1427 toestemming voor de aanleg.
Op 24 januari 1433 wijdde de Utrechtse wijbisschop het hoofdaltaar en het kerkhof. Het altaar stond in de eerste plaats onder de bescherming van Maria Magdalena. Daarnaast werden de aartsengel Michaël, Johannes de Evangelist, Christoffel en Augustinus als patroonheiligen genoemd.
De kapel was in 1433 nog niet voltooid. Pas op 30 maart 1449 werden het kerkgebouw zelf, een tweede altaar en nog een kerkhof gewijd.
De kerk werd vanzelfsprekend aan Maria Magdalena toegewijd. Het tweede altaar werd gewijd aan het Heilig Kruis, de Maagd Maria, St. Agnes en Allerheiligen.
Dat in 1449 een ander kerkhof werd gewijd dan in 1433 blijkt uit de dorsale aantekeningen op de twee bisschoppelijke oorkonden. Op het document van 1433 noteerde een kloosterling dat het betrekking had op de wijding van het oude altaar en het oude kerkhof. Op de akte van 1449 werd geschreven dat zij ging over de wijding van de kerk, het laagste altaar en het kerkhof.
Eén poortgebouw met drie deuren
De nieuwe kapel en de andere kloostergebouwen aan de zuidzijde werden een voortdurende bron van ergernis voor St. Barbara.
In 1431 liep vanaf de Oudezijds Voorburgwal een smal pad van ongeveer anderhalve meter breed naar een poortgebouw tussen beide kloosters. Het gebouwtje moet een merkwaardige vorm hebben gehad. Aan de straatzijde was er één ingang. Aan de achterzijde waren twee uitgangen: één naar het zuiden voor St. Barbara en één naar het noorden voor Maria-Magdalena.
In de overeenkomst van 1431 werd bepaald dat er een nieuwe kloosterpoort aan de Voorburgwal moest worden gebouwd. Op de kaart van Cornelis Anthonisz is deze latere poort waarschijnlijk zichtbaar. Zij bestond uit twee afzonderlijke doorgangen, één voor ieder klooster.
Het gevecht om licht, muren en dakgoten
De Barbarakapel mag niet verder naar het oosten
In 1436 kreeg ook St. Barbara toestemming van het Haagse kapittel om een kloosterkapel te bouwen. De Barbarazusters besloten hun kerk juist aan de noordzijde van hun eigen terrein te plaatsen, slechts enkele meters van de kapel van Maria-Magdalena.
Op 11 april 1437 moesten de kloosters opnieuw een overeenkomst sluiten. Het belangrijkste punt was de omvang van de nieuwe Barbarakapel. St. Barbara beloofde de kerk niet verder dan twee traveeën naar het oosten uit te bouwen.
Het probleem was het licht. De kapel van Maria-Magdalena stond iets verder oostwaarts en dichter bij de Voorburgwal dan de kerk van St. Barbara. Wanneer de zuidelijke buur haar hoge gebouw verder naar het oosten verlengde, zou het koor van Maria-Magdalena gedurende een groot deel van de dag in de schaduw komen te liggen.
Door de uitbreiding van St. Barbara te begrenzen, kon worden voorkomen dat het koor volledig door de naburige kapel van het daglicht werd afgesneden.
Een huis aan de Voorburgwal en een steeds smaller steegje
De kapel was niet de enige bron van conflict. St. Barbara had een erf aan de Voorburgwal gekocht dat grensde aan Maria-Magdalena en aan de gemeenschappelijke steeg.
Afgesproken werd dat St. Barbara, wanneer het huis op dit erf ooit werd afgebroken of verplaatst, onmiddellijk een gedeelte van de vrijkomende grond aan de steeg moest toevoegen.
Beide kloosters hadden kennelijk weinig vertrouwen meer in hun vermogen om zelf te bepalen hoeveel grond daarvoor nodig was. Arbiters zouden moeten vaststellen hoe breed de doorgang werd, waar zij precies zou lopen en of zij moest worden verlegd.
Het bewuste perceel was eerder het erf van Dirk Dirksz. In 1422 wordt het genoemd als de zuidelijke belending van een erf van Maria-Magdalena. Het huis stond vermoedelijk aan de noordzijde van het erf, waardoor een eventuele afbraak daadwerkelijk ruimte voor verbreding van de steeg kon opleveren.
Het huis van Aaf Hendriks weduwe
Het akkoord van 1437 bevat nog een opmerkelijke bepaling. Maria-Magdalena beloofde het huis van Aaf Hendriks weduwe niet te kopen met de bedoeling St. Barbara te hinderen.
Het klooster mocht het huis alleen aanvaarden wanneer Aaf het uit eigen beweging schonk of bij testament naliet. Een doelgerichte aankoop was verboden.
De clausule laat zien hoe wantrouwig de gemeenschappen tegenover elkaar stonden. Grondaankopen werden niet langer uitsluitend als uitbreiding van het eigen klooster gezien, maar konden als een strategische aanval op de buur worden geïnterpreteerd.
De zusters van Maria-Magdalena leidden de bepaling in met de vrome wens dat de liefde die God is tussen de zusters van beide conventen altijd moest toenemen. De woorden waren positief bedoeld, maar krijgen door het conflict een scherpe ondertoon.
De noordermuur van de kerk tegen het dormitorium
Na 1437 zwijgen de bronnen enige tijd. In de jaren 1461–1463 laaide de strijd opnieuw in alle hevigheid op.
St. Barbara had zonder toestemming van Maria-Magdalena de noordmuur van zijn kerk tegen de zuidmuur van het dormitorium van de buren aangebouwd. Vervolgens legden de Barbarazusters of hun bouwlieden onder aan het kerkdak een dakgoot in of tegen die muurconstructie.
Voor de bewoonsters van het slaapgebouw was dat niet alleen een juridische kwestie. Wanneer de muren of de goot onvoldoende waterdicht waren, kon regenwater rechtstreeks in het dormitorium terechtkomen.
De zaak leidde tot een reeks notariële verklaringen en protesten. De felheid waarmee beide kloosters hun standpunt verdedigden, valt op. Het ging niet om een klein bouwkundig misverstand, maar om eigendom, onderhoud, waterafvoer, overlast en het recht om tegen een bestaande kloostermuur aan te bouwen.
Het stadsbestuur kiest onverwacht voor St. Barbara
In 1463 stelde het Amsterdamse stadsbestuur zich opvallend hard op tegenover Maria-Magdalena. De reden is onbekend. Politieke verhoudingen, persoonlijke banden of andere belangen kunnen een rol hebben gespeeld, maar de bronnen geven daarover geen zekerheid.
In een officieel protest verklaarden de priores en de procuratrix van Maria-Magdalena dat schout en burgemeesters hadden gedreigd de kloosterpoort aan de straat in Grimmenes af te breken. Dat zou gebeuren wanneer het klooster niet onmiddellijk een vergoeding betaalde aan St. Barbara voor het aanbrengen van de dakgoot.
De paradox was dat Maria-Magdalena niet om de goot had gevraagd en juist bezwaar maakte tegen de bouw. Toch moest het volgens de stedelijke bestuurders aan de buur betalen.
Drie notariële oorkonden uit 1462 en 1463 leggen het geschil uitvoerig vast. Uiteindelijk viel de beslissing in het voordeel van St. Barbara uit.
Daarmee waren de structurele problemen nog niet beëindigd. Pas op 31 juli 1527 troffen de twee kloosters een definitieve schikking over de muren, doorgangen en andere grenskwesties.
Geertruid Willem Coytinxdr en haar gemeenschap
Een leidster uit de stedelijke middenklasse
De opeenvolgende fasen van Maria-Magdalena zijn duidelijker te herkennen dan bij veel andere vrouwenhuizen. De gemeenschap begon in een gewoon Amsterdams woonhuis. Dat wijst op een zusterhuis zoals er kort na 1400 meer ontstonden.
Leidster was Geertruid Willem Coytinxdr. Haar familie behoorde waarschijnlijk niet tot het hoogste patriciaat, maar tot de stedelijke middenklasse.
Haar broers Frank en Arend bezaten enig onroerend goed, maar bekleedden geen openbaar ambt. Zij waren geen burgemeesters, schepenen of leden van de kleine bestuurlijke elite.
Toch waren haar verwanten in de beginjaren nauw bij het klooster betrokken. Arend trad meermaals op als voogd wanneer kloosterlingen of de gemeenschap een rechtshandeling verrichtten.
Geertruid laat daardoor zien dat de Amsterdamse kloosterbeweging niet uitsluitend vanuit de machtigste families werd opgebouwd. Ook een vrouw uit een redelijk gevestigde, maar niet-besturende poortersfamilie kon een gemeenschap leiden die later een omvangrijk kanunnikessenklooster werd.
In 1411 al tertiarissen
Nog voordat de vrouwen naar de Vogelenzang verhuisden, hadden zij zich bij de Derde Orde van Sint-Franciscus aangesloten.
Bij de eerste vermelding op 4 december 1411 wordt Geertruid aangeduid als ministerse van de gezamenlijke zusters van de Derde Orde van de boetvaardigheid van het convent van St. Maria Magdalena.
Het huis was toen dus organisatorisch al verder ontwikkeld dan een volledig vrij zusterhuis. De vrouwen hadden een ministerse, een kloosternaam en een erkende regel.
Of later ook de clausuur werd ingevoerd, is onbekend. Misschien was de tertiarissenfase te kort om daarvan duidelijke sporen na te laten.
Tussen 1422 en 1427 verruilden de zusters de regel van Franciscus voor die van Augustinus. Maria-Magdalena werd een klooster van reguliere kanunnikessen. Enkele jaren later sloot het huis zich aan bij het Kapittel van Sion, waarin verschillende Hollandse kanunnikessenkloosters waren verenigd.
Het privilege van 1427
Net als de andere Amsterdamse vrouwenkloosters ontving Maria-Magdalena rechten van het kapittel van St. Marie in Den Haag. Dat gebeurde op 6 februari 1427.
Het klooster werd tot de kleinere huizen gerekend. Er mochten maximaal vijftig zusters wonen.
De inhoud vertoonde weinig grote afwijkingen, maar enkele liturgische bepalingen die in andere privileges stonden, ontbraken. Er werd niet bepaald dat de hoogmis op bepaalde feestdagen vóór de noen beëindigd moest zijn. Ook de regel dat vespers in de kloosterkapel pas na afloop van de vespers in de parochiekerk mochten beginnen, ontbrak. Evenmin werd afzonderlijk toestemming gegeven voor het zingen van de metten op zes hoogtijdagen.
Maria-Magdalena behoorde wel tot de kloosters die een deel van hun offergaven moesten afstaan. De vice-cureit kreeg de helft van wat jaarlijks boven twee Franse kronen in de kapel werd ontvangen.
Gewoonlijk volgde de bisschoppelijke bevestiging enkele weken na het Haagse privilege. Bij Maria-Magdalena duurde dit meer dan twee jaar. De approbatie werd pas op 29 april 1429 afgegeven. De reden voor deze vertraging is niet bekend.
Wendelmoed Simonsdr en het St.-Margrietenklooster
Het enige klooster van Gansoord
Ten noorden van de Vogelenzang lag het St.-Margrietenklooster. Het was het enige klooster dat werkelijk in Gansoord stond.
Hoewel St. Margriet aan de andere kant van de oude veenplas lag en zich zelfstandig van de vier kloosters van Grimmenes ontwikkelde, hoorde het bij hetzelfde religieuze netwerk.
Ook deze gemeenschap kon in haar beginfase terugvallen op personen die met Gijsbert Dou en de door hem gestichte Windesheimse instellingen verbonden waren.
Het klooster ontstond aan de Oudezijds Voorburgwal, enkele tientallen meters ten zuiden van de St.-Pieterskapel. De vrouwen huurden daar het achterste gedeelte van een erf tussen de straat en de burgwal.
Hun verhuurders waren Gerrit meester Willemsz, een chirurgijn, en zijn moeder Jutte. De zusters woonden letterlijk achter hun huisbaas. Gerrit en Jutte bleven zelf het voorhuis aan de straat door Gansoord bewonen, terwijl de religieuze vrouwen op het achtererf bij de Voorburgwal leefden.
Leidster van de gemeenschap was Wendelmoed Moen Simonsznsdr.
Het huis van meester Willem en een overwelfd riool
Het gehele erf was oorspronkelijk verbonden geweest met meester Willem Willemsz, de vader van Gerrit. Deze chirurgijn was tussen 1367 en 1378 in Gansoord komen wonen.
Zijn grondbezit strekte zich vanaf de Amstel minstens tot de Oudezijds Voorburgwal uit en mogelijk nog verder naar het oosten. Het woonhuis stond aan de oostzijde van de straat door Gansoord.
Het gedeelte tussen de straat en de Amstel splitste Willem in twee delen, die hij in 1379 en 1382 in erfpacht uitgaf.
Het huis moet voor Amsterdamse begrippen groot en goed uitgerust zijn geweest. Vanuit de kelder liep een overwelfd riool onder de straat door en vervolgens onder de huizen op het westelijke deel van het erf naar de Amstel. Een dergelijke ondergrondse afvoer was rond 1400 uitzonderlijk.
De positie van de familie ging dus verder dan een eenvoudig ambachtelijk huishouden. Gerrit en zijn ouders bezaten grond, een ruim huis en de financiële mogelijkheid om religieuze en charitatieve instellingen te ondersteunen.
Een van de meest vertakte weldoenersnetwerken
Gerrit en zijn ouders kunnen tot de belangrijkste beschermers van religieuze en hulpbehoevende Amsterdammers tussen 1390 en 1425 worden gerekend. Hun netwerk was breed en veelzijdig.
Gerrits vader had omstreeks 1394 grond in Nieuwer-Amstel ter beschikking gesteld aan Gijsbert Dou en de toekomstige regulieren. Op die grond kon het Regulierenklooster worden gebouwd.
Gerrit zelf onderhield een goede relatie met de priester Robert Jansz. Deze geestelijke speelde vooral bij de vrouwengemeenschappen in de Nieuwe-Kerksparochie een belangrijke rol.
Via de familie van de chirurgijn liep daardoor een verbinding tussen het Regulierenklooster, de stedelijke zusterhuizen, verschillende priesters en de charitatieve instellingen van Amsterdam.
Een huurcontract voor 97 jaar
De zusters woonden er al
Op 4 januari 1415 legden Gerrit en Jutte de verhuur van het erf aan de Voorburgwal in een uitvoerige oorkonde vast. Wendelmoed en haar medezusters kregen de grond tegen een betrekkelijk lage jaarlijkse huur van drie oude Franse schilden.
Het erf grensde aan de zuidzijde aan een ander perceel van St. Margriet. Dat tweede erf hielden de zusters in erfpacht van het St.-Nicolaasgasthuis.
Het gasthuis had deze grond op 10 oktober 1404 ontvangen van zijn provenier Make Synninc en diens vrouw Ide. In ruil voor hun verzorging droegen zij een huis en erf in Gansoord en een daarachter gelegen erf aan de Voorburgwal aan het gasthuis over. Hun huis grensde aan dat van Gerrit meester Willemsz.
Op het eerste gezicht lijkt het erf van het St.-Nicolaasgasthuis daarom ouder kloosterbezit dan dat van Gerrit en Jutte. Toch was het erf van de chirurgijn waarschijnlijk de werkelijke beginplaats.
De huur was al vóór 1415 ingegaan. De oorkonde zegt uitdrukkelijk dat de zusters op het verhuurde erf woonden op het moment waarop de regeling werd vastgelegd. Het document uit 1415 was dus geen eerste toelating, maar een wijziging of bevestiging van een bestaande huurovereenkomst.
Geen eeuwige erfpacht, maar een termijn van 97 jaar
De gekozen rechtsvorm was ongebruikelijk. Amsterdamse kloosters en poorters kregen grond doorgaans in eeuwige erfpacht. St. Margriet ontving het erf niet in een ewelike pachte, maar voor een vaste huurtermijn van 97 jaar.
Gedurende die periode mochten de zusters alle gebouwen neerzetten die zij nodig achtten. Na afloop, in 1512, zouden de erfgenamen van Gerrit de keuze krijgen om de door het klooster gebouwde opstallen voor driehonderd Engelse nobelen over te nemen.
Het is de vraag of Gerrit en Jutte werkelijk verwachtten dat deze bepaling ooit volgens de letter zou worden uitgevoerd. Gerrit was hun enige kind, was ongetrouwd en had geen nakomelingen.
Na 97 jaar zou daarom niet één duidelijke erfgenaam optreden, maar mogelijk een omvangrijke en moeilijk te bepalen groep verre verwanten. Iedereen die over familievererving nadacht, kon voorzien hoe ingewikkeld de situatie in 1512 zou worden.
Gerrit sterft in 1418
Gerrit overleed al op 13 oktober 1418, nog vóór zijn moeder. Zijn sterfdatum kan worden gereconstrueerd uit verschillende gegevens.
Zijn jaargetijde werd in de Oude Kerk op 13 oktober gehouden. De laatste bekende aalmoes die hij persoonlijk aan de kartuizers gaf, dateert van 4 maart 1418. De eerste viering van zijn jaargetijde in het Kartuizerklooster vond plaats tussen 6 oktober en 2 november 1419. Daarbij kregen de monniken een bijzondere maaltijd met wijn.
Jutte overleefde haar zoon minstens acht jaar. Zij stierf tussen 16 en 21 februari, ergens in de periode 1426–1430. Haar laatste zekere vermelding als levende vrouw dateert van 16 oktober 1425. Op 22 januari 1431 wordt zij voor het eerst als overleden genoemd.
Jutte geeft huis en erven aan de zusters
Een kwijtschelding waarvan het origineel verdwenen is
Waarschijnlijk besloot Jutte in 1423 de ingewikkelde huurovereenkomst uit 1415 feitelijk terzijde te schuiven. Op 1 december van dat jaar schold zij het klooster alle schulden kwijt die het vanwege haar overleden zoon of om andere redenen aan haar verschuldigd was.
Van de notariële oorkonde is slechts een beknopt achttiende-eeuws uittreksel van Pieter Vlaming bewaard. Het origineel maakte toen deel uit van de particuliere charterverzameling van Christoffel Beudeker, die later spoorloos is verdwenen.
Door de summiere samenvatting valt niet met zekerheid vast te stellen of de kwijtschelding ook de huurverplichtingen op het kloostererf omvatte. Dat is waarschijnlijk, maar niet bewijsbaar.
Drie toekomstige erfgenamen doen afstand
Een oorkonde van 16 oktober 1425 geeft meer zekerheid. Drie verwanten van Jutte deden afstand van hun toekomstige rechten op het huis en de erven die Gerrit en Jutte aan St. Margriet hadden gegeven.
De drie waren Geertruid, weduwe van Splinter van Rossen, Elisabeth Herman Wolfsdr en Margriet, weduwe van Jan Popeier. Zij noemden zichzelf mede-erfgenamen van Jutte. Er waren dus nog meer verwanten met toekomstige aanspraken.
De afstand betrof niet alleen het in 1415 verhuurde achtererf aan de Voorburgwal. Jutte had inmiddels ook haar eigen huis en erf aan de straat door Gansoord aan het klooster gegeven.
De oorkonde spreekt over één huis en meerdere erven. Het ene huis was het woonhuis van Gerrit en Jutte aan de straat. Op het achtererf aan de Voorburgwal stonden gebouwen die de zusters zelf hadden neergezet en die volgens het huurcontract al hun eigendom waren.
Waarschijnlijk sloot het klooster ook met de overige erfgenamen vergelijkbare overeenkomsten, al zijn daarvan geen documenten bewaard gebleven. Zo veranderde de tijdelijke huurconstructie binnen ongeveer tien jaar in feitelijk kloostereigendom.
Van een gewoon huis naar een kloosterkapel
De eerste kapel wordt in 1419 gewijd
Kort na 1415 begonnen de zusters intensief te bouwen. De aanleg van een kloosterkapel moet spoedig na het nieuwe huurcontract zijn gestart.
In 1416 was de bouw of inrichting al ver genoeg gevorderd om in het oratorium van St. Margriet een notariële handeling te laten plaatsvinden.
Op 16 oktober 1419 wijdde de Utrechtse wijbisschop de kapel en het hoofdaltaar. Het altaar werd toegewijd aan de Heilige Drie-eenheid, de Maagd Maria, St. Andreas, de vier kerkvaders Gregorius, Augustinus, Ambrosius en Hiëronymus, en aan Franciscus en Margaretha.
De kapel uit 1419 kan niet dezelfde zijn geweest als de grote kloosterkerk die later op de kaart van Cornelis Anthonisz werd afgebeeld. Die latere kerk stond op grond die in 1419 nog niet tot St. Margriet behoorde.
De eerste kapel moet waarschijnlijk dichter bij de Voorburgwal hebben gestaan, op of bij de oudste erven van Gerrit en Jutte.
Wat verwachtten Gerrit en Jutte in 1415?
De bepaling dat de erfgenamen in 1512 alle op het terrein neergezette gebouwen voor een vaste prijs konden kopen, roept een fundamentele vraag op.
Wanneer Gerrit en Jutte in 1415 verwachtten dat er een grote gewijde kapel, een dormitorium, refter en kloostergang zouden worden gebouwd, is het vreemd dat zij zulke religieuze gebouwen eenvoudig aan verre erfgenamen wilden laten verkopen.
De meest aannemelijke verklaring is dat er in 1415 nog geen echte kloostergebouwen stonden en dat de verhuurders evenmin rekenden op de snelle vorming van een volledig complex. De zusters leefden waarschijnlijk in een gewoon woonhuis.
Zij hadden de Derde Orde al aangenomen, maar ruimtelijk en dagelijks kan het verschil met een vrij zusterhuis nog klein zijn geweest. De moderne scheiding tussen “zusterhuis” en “tertiarissenklooster” was in de praktijk minder scherp dan de juridische terminologie doet vermoeden.
Waarom precies 97 jaar?
Ook de termijn van 97 jaar blijft raadselachtig. Mogelijk wilden Gerrit en Jutte de gemeenschap in totaal honderd jaar op hun grond laten wonen. Wanneer de zusters er sinds 1412 verbleven, zou een contract van 97 jaar dat afgeronde totaal hebben opgeleverd.
Voor een verblijf vanaf 1412 bestaat echter geen rechtstreeks bewijs. Het is slechts een mogelijke verklaring.
De termijn hing niet samen met een vaste regel van het Amsterdamse gewoonterecht. Er bestond geen algemene maximale huurduur van honderd jaar die men door een contract van 97 jaar probeerde te omzeilen.
Amsterdam kende wel flexibele pachten die tot de eerstvolgende stadsbrand duurden. Na een brand kon de grondeigenaar het erf opnieuw uitgeven. Het contract van St. Margriet behoorde echter niet tot die categorie.
De omslag van 1415–1416
Een vernieuwd huurcontract om te mogen bouwen
Waarom werd de bestaande huurovereenkomst juist in 1415 opnieuw vastgelegd? De meest waarschijnlijke reden is dat de zusters wilden bouwen.
Voor een eenvoudig woongebruik kon een mondelinge of oudere huurovereenkomst volstaan. Zodra de gemeenschap kostbare eigen gebouwen op andermans grond ging oprichten, moesten duur, eigendom en eventuele overname nauwkeurig worden geregeld.
Ook de verwerving van het erf van het St.-Nicolaasgasthuis kan de herziening hebben beïnvloed. Dat zuidelijke perceel hielden de zusters in erfpacht. Zij konden daarop gemakkelijker bouwen dan op tijdelijk gehuurde grond. De uitbreiding vergrootte daardoor de noodzaak ook de verhouding met Gerrit en Jutte opnieuw vast te leggen.
In 1415 was kennelijk nog niet duidelijk welke gebouwen precies zouden verrijzen. Kort daarna veranderde dat, toen de zusters met een echte kloosterkapel begonnen.
De onverwachte ontwikkeling kan verklaren waarom Jutte in 1423 bereid was de oude regeling los te laten en het terrein uiteindelijk volledig aan de gemeenschap gaf.
Vier zusters vernieuwen hun professie
Een oorkonde van 9 februari 1416 laat zien dat binnen het huis ook religieus een omslag plaatsvond.
Vier zusters vernieuwden ten overstaan van Willem Clinckaert hun professie. Clinckaert was minister-generaal van het Kapittel van Utrecht, het centrale verband van de tertiarissen in het bisdom.
De vier vrouwen waren ministerse Wendelmoed Simonsdr, Wendelmoed Jansdr, Geertruid Bartholomeusdr en Hillegonda Matthijsdr.
Zij hadden al eerder professie gedaan, maar die was kennelijk niet op de vereiste wijze afgelegd. De oude geloften werden daarom opnieuw en volgens de juiste procedure uitgesproken.
Getuigen waren de priesters Gerrit Hamer, Tideman Braem en Dirk van Voorst. Alle drie zijn bekend als biechtvader van een Amsterdamse gemeenschap van de Derde Orde.
Gerrit Hamer werd confessor van St. Agnes. Volgens de Agnietenkroniek overleed hij in 1449 nadat hij 33 jaar biechtvader was geweest. Dat betekent dat hij in 1416 naar Amsterdam kwam. Juist daardoor kan de akte niet, zoals in een oudere uitgave gebeurde, op 1406 worden gedateerd.
Tideman Braem was achtereenvolgens biechtvader van St. Maria en St. Geertruid.
Dirk van Voorst wordt in 1423, 1428 en 1429 als biechtvader van St. Margriet genoemd. Waarschijnlijk vervulde hij deze functie in 1416 al. Er is geen oudere confessor van het klooster bekend.
De verhuurakte van 1415 noemt alleen ministerse Wendelmoed en niet een biechtvader. Mogelijk kreeg de gemeenschap juist rond 1416 voor het eerst een vaste confessor.
De oorkonde wijst daarom op drie gelijktijdige veranderingen: de komst van een biechtvader, het herstellen van eerder onjuist afgelegde professies en de rechtstreekse bemoeienis van het Kapittel van Utrecht. Het kloosterleven werd in 1416 duidelijk aangescherpt.
De uitbreiding van St. Margriet naar het zuiden
Het erf van het St.-Nicolaasgasthuis
Vanuit het oudste erf breidde St. Margriet zich zowel naar het zuiden als naar het noorden uit. De zuidelijke groei begon waarschijnlijk het vroegst.
Vóór 1415 hield het klooster al het erf direct ten zuiden van het terrein van Gerrit en Jutte in erfpacht van het St.-Nicolaasgasthuis.
Tussen 1415 en 1421 kwam het volgende zuidelijke perceel erbij. Dit was eerder verbonden met twee broers met het patroniem Allartsz.
In 1411 grensde een later verworven erf nog aan grond van Pieter Allartsz. In 1404 bezat Roelof Allartsz in het verlengde daarvan een erf aan de straat door Gansoord. De exacte overdracht aan het klooster is niet bewaard, maar de veranderde belendingen maken duidelijk dat zij tussen 1415 en 1421 plaatsvond.
In 1421 grond van de Oude Nonnen
De derde zuidelijke uitbreiding volgde op 31 juli 1421. Het Oude Nonnenklooster gaf een erf in Gansoord aan St. Margriet in erfpacht.
De Oude Nonnen hadden dit perceel op 2 januari 1411 nog voor tweeënhalve Engelse nobel per jaar aan Meinert Simonsz verpacht. Later werd op de achterzijde van de pachtoorkonde aangetekend dat het erf inmiddels aan St. Margriet was gekomen.
Hoe de Oude Nonnen het erf oorspronkelijk hadden verkregen, is niet bekend. Mogelijk behoorde het tot de goederen waarmee Aleid, de weduwe van Dirk Frankenz, in 1393 de stichting of hervorming van het Oude Nonnenklooster ondersteunde. Zij schonk toen onder meer drie erfpachten in Gansoord.
De overdracht van 1421 is opnieuw een voorbeeld van de wijze waarop een regulier kanunnikessenklooster de vorming van een tertiarissenhuis hielp. De Oude Nonnen stelden niet alleen grond bij hun eigen klooster beschikbaar, maar droegen ook elders in de stad bezit over aan jongere religieuze gemeenschappen.
Het erf van Simon die Zael Adamsz
De laatste uitbreiding van St. Margriet naar de Vogelenzang is moeilijker te reconstrueren. De onvolledige archiefoverlevering speelt daarbij een rol, evenals onzekerheid over de oude verkaveling langs de noordoever.
Het volgende erf naar het zuiden was oorspronkelijk eigendom van Simon die Zael Adamsz, een neef van Gijsbert Dou. St. Margriet kreeg dit perceel uiteindelijk in bezit, maar waarschijnlijk niet rechtstreeks van Simon.
In 1411 was hij nog als eigenaar bekend. In 1421 werd gezegd dat het erf vroeger van hem was geweest. Simon was toen overleden, maar zijn weduwe Obrich leefde nog tot 1424.
Wanneer Obrich of andere erfgenamen de grond in 1421 nog hadden bezeten, zou de akte hen normaal als actuele eigenaar hebben genoemd. De formulering wijst erop dat het perceel al vóór 1421 uit het familiebezit was verdwenen.
Het klooster verwierf het pas na 1421. De precieze tussenschakel is onbekend.
Een kloostererf uit 1439
In een boedelscheiding uit 1439 wordt een huis en erf van de zusters van St. Margriet genoemd. Op het perceel rustte een jaarlijkse pacht van twee oude Franse schilden. Het lag direct ten noorden van het huis van Elisabeth Coppe Heinenzdr en haar man Lambert Klaasz.
Dit kan niet hetzelfde erf zijn als het terrein dat St. Margriet van het St.-Nicolaasgasthuis hield, ook al bedroeg ook die pacht twee oude Franse schilden.
De gasthuispacht bestond in 1584 nog en werd toen door de rechtsopvolger, het St.-Jorishof, geïnd. In de goederenstaat werd zij omgerekend tot vier gulden en acht stuivers. De pacht uit de boedelscheiding van 1439 moet dus op een ander perceel hebben gerust.
In 1455 tussen twee kloostererven
Op 20 februari 1455 kocht St. Margriet een erf aan de Vogelenzang. Het lag aan beide zijden tussen grond die al tot het klooster behoorde en dicht bij het in 1439 genoemde perceel.
De zusters hadden de noordelijke oever dus al vóór 1455 in verschillende stukken bereikt. De koop van dat jaar vulde een gat in hun bezit.
In 1458 volgden drie erven bij de hoek van de Vogelenzang en de straat door Gansoord. In 1479 kochten de zusters nog een verder oostelijk gelegen perceel.
Intussen was de veenplas grotendeels verdwenen. In 1479 werd de vroegere Vogelenzang zelf als een tuin of erf aangeduid, “vanouds genaamd de Vogelenzang”.
Vier oude hofsteden en dertien groten erfpacht
Het in 1479 verworven erf was belast met een kleine jaarlijkse pacht van dertien Hollandse groten. Daardoor kan het worden verbonden met een oudere verkaveling.
Rond het midden van de veertiende eeuw waren in de Vogelenzang vier hofsteden in erfpacht uitgegeven. De jaarlijkse bedragen bedroegen achtereenvolgens zestien, veertien, dertien en dertien groten.
Een deel van deze renten werd in de late veertiende eeuw aan het Oude Gasthuis nagelaten. De pachten op de tweede en derde hofstede waren vóór 1455 afgekocht.
De in 1479 nog bestaande rente van dertien groten moet daarom bij de vierde hofstede hebben gehoord en niet bij de derde.
Zelfs in 1479 waren nog gedeelten van de noordoever particulier bezit. Het kloosterterrein bereikte hier waarschijnlijk pas rond 1500 zijn definitieve omvang.
De noordwaartse groei tot de St.-Pieterskapel
Het erf van Hendrik die Vriese
Aan de noordkant liep St. Margriet uiteindelijk tegen de grond van de St.-Pieterskapel aan.
Direct ten noorden van het erf van Gerrit en Jutte lag een perceel dat Hendrik Ottenz, bijgenaamd Hendrik die Vriese, in 1393 van twee Amsterdammers in erfpacht had gekregen.
Het erf was in twee helften verdeeld. Op iedere helft rustte een jaarlijkse pacht van één Wilhelmusschild en één groot.
Pas in 1461 wordt met zekerheid vermeld dat het erf toen bij St. Margriet hoorde. Waarschijnlijk bezat het klooster het echter al veel langer.
In 1428 kochten de zusters een erf ten zuiden van de St.-Pieterskapel. Aan de zuidkant grensde dat toen al aan een kloostererf. Dat moet het vroegere bezit van Hendrik die Vriese of een nog verder noordelijk gelegen perceel zijn geweest.
Twee renten komen bij andere kloosters terecht
De ene helft van de erfpachtrente op het erf van Hendrik die Vriese kwam later in handen van een begijn. Zij schonk haar recht in 1461 aan het Kartuizerklooster. Bij die gelegenheid werd uitdrukkelijk vermeld dat de rente op St. Margriet rustte.
De andere helft belandde bij het Oude Nonnenklooster via de professie van een non die Griet Jansdr heette. Waarschijnlijk was zij een dochter van Aleid, de weduwe van Jan Gerritsz van Alkmaar, aan wie deze rente in 1397 was verkocht.
Op de achterzijde van de oorspronkelijke akte werd later de naam van Griet Jansdr en het St.-Margrietenklooster genoteerd. De grond behoorde dus aan St. Margriet, terwijl de renterechten via vrouwelijke religieuzen bij andere instellingen terechtkwamen.
Outger Outgersz helpt bij de laatste meters
Veel verder naar het noorden kon het klooster niet groeien. De St.-Pieterskapel en de omliggende erven blokkeerden de weg.
Dankzij de tussenkomst van stadssecretaris Outger Outgersz konden in 1468 en 1471 nog enkele kleine aanwinsten bij de kapel worden gedaan.
Deze percelen veranderden de hoofdomvang van het klooster niet meer, maar vulden de noordelijke grens aan. De rol van Outger laat zien dat ook stedelijke topambtenaren soms als bemiddelaar bij religieuze grondverwerving optraden.
Een erf aan de Amstel tegenover het klooster
St. Margriet bezat enige tijd ook een erf aan de Amstel, recht tegenover het klooster. Het kwam oorspronkelijk uit het vermogen van de familie van Gerrit meester Willemsz, maar Gerrit en Jutte speelden bij deze verwerving geen actieve rol.
Het klooster kocht het perceel pas op 6 maart 1456. In 1493 verkocht het de grond weer aan het St.-Pietersgasthuis.
Het was een van de twee erven die meester Willem Willemsz, Gerrits vader, in 1378 en 1382 aan de Amstelzijde had verpacht. Onder deze erven liep het overwelfde riool vanuit zijn huis in Gansoord naar het water.
Een groot klooster dat tertiarissenhuis bleef
Tegenover de indrukwekkende ruimtelijke groei van St. Margriet stond een bescheiden ontwikkeling van zijn kerkelijke organisatie.
De gemeenschap veranderde van een vrij zusterhuis in een huis van de Derde Orde. Bij haar eerste zekere vermelding in 1415 wordt zij al als tertiarissenconvent aangeduid.
Verder wilde of kon zij niet gaan. De clausuur werd nooit ingevoerd en de zusters namen de regel van Augustinus niet aan. St. Margriet bleef gedurende zijn bestaan een tertiarissenhuis.
Het verschil tussen de oorspronkelijke zusterhuisfase en de vroege tertiarissenfase moet daarbij niet te groot worden gemaakt. In 1415 woonden de vrouwen waarschijnlijk nog in een gewoon huis. Pas daarna verschenen de kapel en andere kloostergebouwen. De juridische aansluiting bij een orde liep dus vooruit op de ruimtelijke ontwikkeling.
Op 28 augustus 1419 verleende het kapittel van St. Marie de gebruikelijke rechten: een eigen biechtvader, kapel, kerkhof en bediening van de sacramenten.
Het opvallendste onderdeel was het maximumaantal bewoners. St. Margriet mocht 75 zusters opnemen. De meeste Amsterdamse tertiarissenhuizen kregen een grens van vijftig of zestig. Alleen St. Clara lag met tachtig hoger.
Het kloosterterrein had in 1419 nog lang niet zijn latere omvang. Het hoge quotum kan daarom niet zijn gebaseerd op de grond die de zusters toen bezaten. Waarschijnlijk was het een erkenning van het feit dat St. Margriet reeds tot de grootste Amsterdamse vrouwengemeenschappen behoorde.
Aan weerszijden van de Vogelenzang stonden daarmee rond 1420 twee heel verschillende huizen. Maria-Magdalena groeide in korte tijd door naar de regel van Augustinus en het Kapittel van Sion. St. Margriet breidde zijn bezit over vrijwel de hele noordzijde van de oude veenplas uit, maar bleef trouw aan de Derde Orde. Beide begonnen in een gewoon woonhuis dat door Amsterdamse poorters ter beschikking was gesteld.
Einde deel 2 — Deel 3 begint aan de overzijde van de Oudezijds Voorburgwal met het St.-Agnesklooster, het St.-Catharinaklooster en het St.-Ceciliaklooster.
Amsterdam in de vroege vijftiende eeuw — Deel 3
St. Agnes, St. Catharina en St. Cecilia tussen de Oudezijds burgwallen
Vanaf het St.-Claraklooster liep men in de vijftiende eeuw oostwaarts naar de Oudezijds Voorburgwal. Aan de overzijde van het water lagen, van zuid naar noord, drie vrouwenkloosters vrijwel naast elkaar: het St.-Agnesklooster, het St.-Catharinaklooster en het St.-Ceciliaklooster. Achter deze rij, een gracht verder naar het oosten, lagen het St.-Ursulaklooster en het klooster van de Paulusbroeders. Zij stonden aan de buitenzijde van de Oudezijds Achterburgwal, aanvankelijk nog buiten de dichtbebouwde stad. Rond 1400 bestond dit zuidoostelijke deel van Amsterdam grotendeels uit tuinen, drassige erven, lijnbanen, vijvers en onbebouwde kavels. Binnen enkele tientallen jaren veranderde het in een religieus stadsdeel. De drie vrouwenkloosters aan de Voorburgwal waren daarbij nauw verbonden met het Oude Nonnenklooster, met enkele Amsterdamse grondbezitters en met families die meerdere dochters in verschillende gemeenschappen zagen intreden.
Rissent Klaasdr en het St.-Agnesklooster
Een klooster op de zuidpunt tussen twee burgwallen
Het Agnietenklooster lag op de zuidpunt van de strook grond tussen de Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijds Achterburgwal. Sinds de jaren negentig van de veertiende eeuw bezat het Oude Nonnenklooster hier een aanzienlijk grondgebied. Mogelijk behoorde zelfs de gehele zuidpunt aan de Oude Nonnen. Die eigendomssituatie bepaalde vanaf het eerste schriftelijke optreden van de Agnieten de verhouding tussen beide gemeenschappen. Het jongere klooster stond niet op een volledig onafhankelijk erf, maar op grond die uit het bezit van Amsterdams oudste vrouwenklooster afkomstig was. De relatie was daardoor tegelijkertijd religieus, ruimtelijk en financieel. Het Oude Nonnenklooster hielp een nieuwe vrouwengemeenschap aan een plaats waar zij een klooster kon bouwen, maar behield in de vorm van een jaarlijkse erfpacht een blijvend recht op het terrein. De vrouwen van St. Agnes werden zo buren én pachters van de Oude Nonnen.
De erfpacht van 23 januari 1406
De eerste zekere vermelding van St. Agnes dateert van 23 januari 1406. Op die dag beloofden de ministerse en de gezamenlijke zusters jaarlijks anderhalve nobel aan het Oude Nonnenklooster te betalen. De eeuwige pacht werd niet aan één afzonderlijk huis, tuin of kavel verbonden, maar aan het St.-Agnesklooster als geheel. Wel kregen de zusters het recht de betalingsplicht later op een ander stuk grond binnen Amsterdam over te brengen. Dat laatste laat zien dat het niet ging om een oude erfpacht die toevallig al op het terrein rustte en door de nieuwe bewoners werd overgenomen. In 1406 werd een nieuwe verplichting geschapen. De betaling was de tegenprestatie voor het gebruik van grond die tot dan aan de Oude Nonnen had toebehoord. De Agnieten vestigden zich dus in de winter van 1405 op 1406 aan de Voorburgwal op een erf dat door het Oude Nonnenklooster beschikbaar was gesteld.
De vermoedelijke invloed van Gijsbert Dou
Geen bewaarde oorkonde zegt uitdrukkelijk dat Gijsbert Dou de Oude Nonnen aanspoorde hun grond aan St. Agnes af te staan. Toch is het moeilijk zijn invloed geheel buiten deze overdracht te houden. Dou had het eerste Amsterdamse zusterhuis begeleid, was betrokken geweest bij de hervorming daarvan tot het Oude Nonnenklooster en woonde dicht bij de gemeenschappen van St. Clara en St. Barbara. De vrouwen die St. Agnes vormden, kwamen waarschijnlijk uit dezelfde religieuze kring. Het grondbeleid van de Oude Nonnen paste bovendien in een terugkerend patroon. Ook andere jongere vrouwenhuizen werden geholpen met grond, erfpacht of gebruiksrechten die aan het oudste klooster verbonden waren. De stichting van nieuwe kloosters was niet alleen het gevolg van particuliere vroomheid of toevallige grondverkopen. Bestaande kloosters konden doelbewust ruimte maken voor een tweede generatie religieuze gemeenschappen. Bij St. Agnes is die actieve rol vanaf 1406 bijzonder duidelijk.
Twee kloostertuinen ver buiten het eigen erf
Een tuin van ruim twaalfhonderd vierkante meter
De band met het Oude Nonnenklooster bleef niet beperkt tot het eigenlijke kloosterterrein. Samen met het St.-Ceciliaklooster gebruikte St. Agnes twee naast elkaar gelegen tuinen die eveneens met het bezit van de Oude Nonnen verbonden waren. Zij lagen niet direct achter de kloostergebouwen, maar op aanzienlijke afstand in het zuidwesten van de Buitenste Nes, schuin achter het Oude Nonnenklooster. De grootste tuin besloeg ruim 1.200 vierkante meter. De oorspronkelijke pachtoorkonde bevat de maten waarmee die oppervlakte kan worden berekend. Pieter Jacobsz had deze tuin op 25 augustus 1383 aan Zegram Oemtginsz in erfpacht gegeven. Toen de Oude Nonnen in 1401 het eigendomsrecht en de erfpachtcanon van verschillende tuinen in de Buitenste Nes verwierven, was Zegram nog steeds de gebruiker. Een latere aantekening op zijn pachtakte vermeldt dat de kloosters van St. Agnes en St. Cecilia de betreffende erfpacht gingen betalen.
Een vroegere vijver van ongeveer 350 vierkante meter
De tweede tuin was veel kleiner en was oorspronkelijk een vijver. De oppervlakte wordt nergens rechtstreeks genoemd, maar kan op ongeveer 350 tot 366 vierkante meter worden geschat. De jaarlijkse pacht bedroeg achttien groten. Uit andere verpachtingen in de Buitenste Nes blijkt dat Pieter Jacobsz en andere grondbezitters rond 1400 vaak een tarief hanteerden van driekwart groot per vierkante roede. Bij toepassing van die rekensleutel komt de vijver op ongeveer vierentwintig vierkante roeden uit. Frederik Gerrit Telschenz had het perceel op 16 augustus 1389 aan Sijbrand die Vrese verpacht. In april 1416 kocht de Hoekse patriciër Jacob van Lichtenberch, ook Jacob die Zael Klaasz genoemd, de eigendom van de erfgenamen van Frederik. Op 16 mei droeg hij die eigendom over aan het Oude Nonnenklooster, terwijl Sijbrand die Vrese nog gebruiker bleef.
Twee kloosters betalen ieder de helft
Een vijftiende-eeuwse schrijver noteerde op de achterzijde van de pachtoorkonde dat St. Agnes en St. Cecilia de pacht van achttien groten ieder voor de helft betaalden. Een latere hand voegde daaraan toe dat St. Cecilia zijn aandeel uiteindelijk had afgekocht. Bij de grootste tuin gebeurde iets vergelijkbaars. Ook daar bleef de oude pachtakte bewaard, terwijl een dorsale notitie de latere betaling door de twee tertiarissenkloosters vastlegde. De precieze datum waarop de vrouwen de tuinen gingen gebruiken, is niet bekend. Zij moeten de gebruiksrechten na 1401 en na 1416 hebben verkregen. Het ligt voor de hand dat zij de rechten van de toenmalige pachters kochten. In dat geval namen zij de bestaande erfpachtverplichtingen tegenover het Oude Nonnenklooster over. Toch kan het proces ook anders zijn verlopen. De Oude Nonnen kunnen de percelen aan zich hebben getrokken en daarna opnieuw aan de beide kloosters hebben verpacht.
Hoe eeuwig was een eeuwige pacht?
Een Amsterdamse erfpacht heette gewoonlijk een ewelike pachte, maar het woord “eeuwig” moet niet altijd letterlijk worden genomen. De eigenaar van de canon kon een erf soms terugnemen, opnieuw verpachten of de betaling aanpassen. In het archief van het Kartuizerklooster zijn verschillende voorbeelden bekend waarbij oude pachten werden gewijzigd. In de leggers wordt dan gesproken van pachten die mutata, veranderd, waren. Daarnaast bestond verhuur “tot de volgende brand”. Een erf werd dan in juridische taal eveneens tegen een eeuwige pacht uitgegeven, terwijl de overeenkomst bij de eerstvolgende stadsbrand eindigde. De oorspronkelijke eigenaar kreeg daarna het volledige beschikkingsrecht terug en kon opnieuw verpachten. Na de grote Amsterdamse brand van 1452 gebeurde dat op grote schaal. Veel erven werden tussen 1452 en 1454 opnieuw uitgegeven, meestal tegen een aangepast bedrag en in een modernere muntsoort. De precieze weg waarlangs de Agnieten en Cecilianen hun tuinen kregen, blijft daarom open.
Mogelijk opnieuw hulp van de Oude Nonnen
Juist door de nauwe verhouding tussen St. Agnes en het Oude Nonnenklooster is het verleidelijk ook bij de kloostertuinen een actieve rol aan de Oude Nonnen toe te schrijven. Zij kunnen niet alleen de jaarlijkse pacht hebben ontvangen, maar de grond bewust voor de twee jongere gemeenschappen hebben vrijgemaakt. Het bewijs ontbreekt echter. De oorspronkelijke gebruikers waren particulieren en de transportakten waarmee hun rechten aan St. Agnes en St. Cecilia kwamen, zijn niet bewaard gebleven. Evenmin weten we hoe lang de twee kloosters de tuinen in de Buitenste Nes gebruikten. Op de kaart van Cornelis Anthonisz uit de zestiende eeuw was dit gebied inmiddels bebouwd met woonhuizen. Zowel St. Agnes als St. Cecilia bezat toen een tuin binnen het eigen kloostercomplex. Mogelijk verkochten of verruilden zij hun afgelegen percelen toen hun terreinen aan de Voorburgwal groot genoeg waren geworden. Door het ontbreken van akten kan die overgang niet worden gedateerd.
Een derde tuin uit de nalatenschap van Obrich
Meer dan 750 vierkante meter naast de Oude Nonnen
In 1424 kwamen St. Agnes en St. Cecilia gezamenlijk in het bezit van nog een derde tuin. Deze lag niet naast de twee eerdere percelen, maar enkele honderden meters oostelijker, onmiddellijk ten zuiden van het Oude Nonnenklooster. De tuin had een oppervlakte van ruim 750 vierkante meter. Simon die Zael Adamsz, een verwant van Gijsbert Dou, had hem in 1402 in pacht. Door vergelijking met de belendende percelen kan hij worden geïdentificeerd als de meest westelijke tuin ten zuiden van het klooster. Pieter Jacobsz had deze grond waarschijnlijk rond 1390 aan Dirk Pietersz verhuurd voor 37 groten per jaar. Wanneer opnieuw wordt gerekend met driekwart groot per vierkante roede, komt de oppervlakte op iets meer dan 750 vierkante meter. De tuin bereikte de kloosters niet via een gewone aankoop, maar door een ingewikkelde familie-erfenis na het overlijden van Simons weduwe Obrich.
Obrich, Brechte en de collaterale erfgenamen
Obrich, de weduwe van Simon die Zael Adamsz, overleed op 17 september 1424. Haar enige kind was Brechte, de weduwe van Simon die Zael Jacobsz, een broer van Gijsbert Dou. Brechte stierf kort vóór of kort na haar moeder en liet geen kinderen na. Daardoor gingen de nalatenschappen van moeder en dochter niet over op rechtstreekse afstammelingen, maar werden zij verdeeld onder verwanten in de zijlinie. Tot deze collaterale erfgenamen behoorden Reecx Roelof Klaaszdr en Agnes Roelof Klaaszdr. De ene was ingetreden in St. Agnes, de andere in St. Cecilia. Door hun erfdeel kwam de tuin na 1424 in gezamenlijk gebruik van beide kloosters. De oorkonde waarin de erfenis werd verdeeld, is zwaar beschadigd. De naam van Reecx is tegenwoordig niet meer volledig leesbaar, maar oudere regesten en het necrologium van het Agnietenklooster bewaren haar identiteit. Haar memorie werd op 3 februari gevierd.
Afstand van de vaart en de tuin in 1432
Op 26 mei 1432 deden St. Agnes en St. Cecilia afstand van hun rechten op de Oude Nonnenvaart en de weg die langs dit water ten zuiden van het Oude Nonnenklooster liep. Die gebruiksrechten hadden zij samen met de tuin uit de nalatenschap van Obrich verkregen. Met de overdracht kwam het terrein opnieuw volledig bij de Oude Nonnen. De tuin werd opgenomen in de grote kloostertuin die zij in deze periode ten zuiden van hun gebouwen aanlegden. De Agnieten en Cecilianen hebben dit derde perceel dus hoogstens ongeveer acht jaar gebruikt. Dat korte bezit past bij de oorsprong als erfdeel van kloosterzusters. De tuin was niet noodzakelijk verworven omdat beide instellingen daar langdurig hun voedselvoorziening wilden organiseren. Hij was via twee vrouwelijke familieleden in hun bezit geraakt en kon daarna worden overgedragen aan het klooster dat de omliggende grond al beheerste en daar een aaneengesloten tuin wilde vormen.
Het geboortejaar 1397 uit de Agnietenkroniek
St.-Agnesavond als begin van het klooster
De oorkonde van 23 januari 1406 markeert het eerste zekere optreden van St. Agnes als tertiarissenhuis. De zestiende-eeuwse kloosterkroniek gaf echter een veel vroeger en nauwkeuriger geboortejaar. Volgens de chroniqueur begon het huis in 1397 op de avond vóór het feest van St. Agnes, 20 januari. De eerste zusters zouden uit het St.-Claraklooster zijn gekomen. Omdat zij juist op St.-Agnesavond hun nieuwe plaats betrokken, kozen zij Agnes als patrones. De kroniek formuleert het ontstaan als een duidelijke afsplitsing: het huis was “gesproten” uit St. Clara. Deze overlevering verklaarde zowel de naam van het klooster als de herkomst van de eerste vrouwen. Zij sloot bovendien aan bij de latere herinnering aan Rissent Klaasdr, die als eerste mater gold en volgens dezelfde kroniek eerder in St. Clara had geleefd. Toch werd dit verhaal pas ongeveer anderhalve eeuw na de vermeende gebeurtenissen opgeschreven.
Een kroniek die na 1452 veel betrouwbaarder wordt
De betrouwbaarheid van de Agnietenkroniek verschilt sterk per periode. Voor de jaren na de grote stadsbrand van 1452 is het werk buitengewoon gedetailleerd. Vooral over de bouw en inrichting van de nieuwe kloosterkapel, waarmee in 1470 werd begonnen, geeft de schrijver zoveel bedragen, materialen, werkzaamheden en namen dat hij vrijwel zeker over een volledige boekhouding beschikte. Voor de tijd vóór de brand is zijn kennis veel beperkter. De kroniekschrijver maakte zelf van 1452 een cesuur. Volgens hem brandde het gehele klooster tot de grond toe af. Er bleef nauwelijks iets bruikbaars over: alleen een balk, die lange tijd op de putgalg lag, en een klein houten kistje. Door deze vernietiging konden ook oude administratieve stukken, rekeningen en herinneringsdocumenten verloren zijn gegaan. De auteur moest het vroege verleden daarom grotendeels reconstrueren uit mondelinge tradities, memories en schaarse overgebleven gegevens.
Fouten bij de eerste maters
Voor de periode vóór 1452 vermeldt de kroniek vooral de sterfjaren van de eerste biechtvader en de eerste drie maters. Zelfs daarin maakte de schrijver fouten. De eerste confessor was volgens hem Gerrit Hamer, die op 1 februari 1449 overleed. De eerste drie maters waren achtereenvolgens Rissent Klaasdr, gestorven op 24 december 1427, Ide Dirksdr, gestorven op 14 april 1425, en Brecht Luitginsdr, gestorven op 10 mei 1440. Daarmee liet de chroniqueur de tweede mater twee jaar vóór de eerste sterven. Ook elders bevat zijn lijst van maters chronologische onmogelijkheden en verkeerde opvolgingen. De fout hoeft niet te betekenen dat de genoemde vrouwen verzonnen zijn. Hun memories en sterfdata kunnen afzonderlijk juist zijn geweest. De auteur wist alleen niet meer precies in welke volgorde zij de gemeenschap hadden geleid. Voor de exacte gebeurtenissen rond 1397 is zijn gezag daarom beperkt.
De mythe van Dou als algemene biechtvader
Ook Gijsbert Dou werd in de kroniek in een onjuiste context geplaatst. Nadat de schrijver de gevolgen van de brand van 1452 had beschreven, merkte hij op dat het klooster enige tijd zonder eigen pater had gezeten. Vervolgens schreef hij over een algemene biechtvader, Gijsbert Dou, die bijna de eerste confessor van alle toen beginnende conventen zou zijn geweest. Door het woordgebruik lijkt het alsof Dou het gat in de geestelijke leiding na 1449 of 1452 had opgevuld. Dat is onmogelijk, want Dou stierf al in 1420. St. Agnes zat na het overlijden van Gerrit Hamer ongeveer vijf jaar zonder eigen conventspater. Pas eind 1453 of begin 1454 werd Jan Dier aangesteld. Hij bestuurde het klooster vijftien jaar en overleed op 28 juli 1469. Dou kan in deze tussenperiode geen enkele rol hebben gespeeld.
Andere priesters waren de werkelijke confessors
De mededeling dat Dou de eerste biechtvader van vrijwel alle Amsterdamse vrouwenkloosters was, behoort waarschijnlijk tot de zestiende-eeuwse mythevorming rond zijn persoon. Dou was zonder twijfel de grote inspirator van de religieuze beweging in Grimmenes. Hij bracht mensen samen, hielp gemeenschappen aan grond en had invloed op hun hervorming. De dagelijkse taak van biechtvader in de tertiarissenhuizen werd echter meestal vervuld door andere priesters, vaak mannen die niet uit Amsterdam afkomstig waren. Tideman Braem trad op bij St. Maria en later St. Geertruid. Dirk van Voorst begeleidde St. Margriet. Gerrit of Gerard Hamer werd confessor van St. Agnes. Deze priesters hoorden de biecht, verzorgden de sacramenten, traden juridisch namens de vrouwen op en begeleidden professies. De kroniek vergrootte Dou’s algemene betekenis achteraf tot een concrete ambtsfunctie die hij vermoedelijk nooit bij al die huizen afzonderlijk vervulde.
Niet alles uit de kroniek hoeft onwaar te zijn
De fouten betekenen niet dat het verhaal over de oorsprong van St. Agnes volledig terzijde moet worden geschoven. De chroniqueur beschreef voor 1397 niet de stichting van een formeel tertiarissenklooster, maar het begin van een zusterhuis. Juist zulke losse religieuze huishoudens lieten nauwelijks schriftelijke sporen na. Dat een gemeenschap negen jaar vóór haar eerste bewaarde erfpachtoorkonde bestond, is daarom goed mogelijk. Ook een afsplitsing van St. Clara past in de ontwikkeling van de Amsterdamse vrouwenhuizen. St. Clara was waarschijnlijk na het oorspronkelijke zusterhuis van de Oude Nonnen de oudste nieuwe gemeenschap. Het was bovendien een groot huis, waarvoor in 1414 een maximum van tachtig zusters werd toegestaan. Vanuit zo’n omvangrijke groep konden enkele vrouwen besluiten elders een nieuw huishouden te vormen. Dat zij zich daarbij oriënteerden op Gijsbert Dou, die pal naast St. Clara woonde, is eveneens logisch.
Rissent Klaasdr als verbinding met St. Clara
Volgens de kroniek was Rissent Klaasdr vóór haar leiderschap in St. Agnes zuster in St. Clara. Ook deze mededeling kan uit een oudere kloostertraditie afkomstig zijn. Rissent werd tot lang na haar dood op kerstavond herdacht als de eerste mater van de Agnieten. Haar rol behoorde dus tot de kern van het institutionele geheugen. Wanneer zij werkelijk uit St. Clara kwam en een aantal vrouwen meenam, lijkt het ontstaan van St. Agnes op latere, beter gedocumenteerde afsplitsingen binnen kloosterfamilies. Een groeiende gemeenschap bracht een tweede huis voort, waarbij een ervaren zuster als leidster optrad. Het exacte jaartal 1397 en de keuze van St.-Agnesavond kunnen later zijn aangescherpt of symbolisch ingevuld. De hoofdlijn — een groep vrouwen uit St. Clara onder leiding van Rissent — blijft echter aannemelijk. De kroniek is op dit punt geen hard bewijs, maar evenmin een verhaal zonder historische grond.
Het huis van Willem die Brune en Nelle
Een woonhuis in Grimmenes wordt een zusterhuis
Hoewel het precieze jaar van de afscheiding onzeker blijft, is wel bekend waar de vrouwen naartoe gingen. Zij kregen onderdak in het huis van Willem die Brune Roelofsz in Grimmenes. Willem en zijn vrouw Nelle stelden hun woning aan de zusters ter beschikking. De gemeenschap bleef daar lange tijd. Dit was nog geen kloostercomplex met een kapel, refter, pandgang en dormitorium, maar een gewoon stedelijk woonhuis waarin de vrouwen gezamenlijk hun religieuze levenswijze vormgaven. De betekenis van deze gastvrijheid bleef diep in het geheugen van St. Agnes verankerd. Willem, Nelle en hun kinderen kregen een jaarlijks jaargetijde op 18 augustus. Naast de memories voor Gijsbert Dou, Jan van den Gronde en Rissent Klaasdr was dit de enige herdenking uit de ontstaansperiode die aan het einde van de zestiende eeuw nog werd gevierd. Hun huis was kennelijk onmisbaar geweest voor het voortbestaan van de vroege gemeenschap.
De verhuizing in de winter van 1405–1406
De zusters bleven waarschijnlijk in het huis van Willem die Brune tot hun verhuizing in de winter van 1405 op 1406. Toen trokken zij naar het erf van de Oude Nonnen aan de Oudezijds Voorburgwal. Deze stap kan worden verbonden met hun overgang van vrij zusterhuis naar een gemeenschap van de Derde Orde van Sint-Franciscus. Voor een klein zusterhuis kon een bestaand woonhuis voldoende zijn. Een tertiarissenklooster had op den duur meer ruimte nodig. Er moesten afzonderlijke vertrekken, een gebedsruimte of kapel, dienstgebouwen en een tuin kunnen komen. De erfpachtoorkonde van januari 1406 was daardoor niet noodzakelijk het begin van de vrouwengemeenschap zelf. Zij markeerde eerder de eerste regularisering en de ruimtelijke uitbouw tot klooster. Het Oude Nonnenklooster speelde dan niet de hoofdrol bij het oorspronkelijke ontstaan, maar wel bij de verandering van het huis van Rissent en haar zusters in een erkend tertiarissenconvent.
Een tweede gemeenschap trekt in hetzelfde huis
Het huis van Willem die Brune bleef na het vertrek van de Agnieten niet lang leeg. Een nieuwe groep religieuze vrouwen trok er in, ditmaal onder leiding van Geertruid Willemsdr of Geertruid Willem Coytinxdr. Deze vrouwen bleven er in ieder geval tot na 1411 wonen. Uit hun gemeenschap groeide het St.-Maria-Magdalenaklooster aan het Spui. Hetzelfde Amsterdamse woonhuis bood dus achtereenvolgens plaats aan twee kloosters in hun vroegste fase. Dat verklaart waarom Willem en Nelle niet alleen als incidentele weldoeners moeten worden gezien. Zij ondersteunden een vorm van lekendevotie waarbij hun bezit rechtstreeks werd gebruikt om religieuze vrouwen een zelfstandig gemeenschapsleven mogelijk te maken. De eerste groep vertrok zodra zij een groter terrein kon betrekken; de tweede gebruikte het huis als vertrekpunt voor een eigen ontwikkeling. De woning functioneerde daarmee als tijdelijke religieuze infrastructuur binnen de stad.
Van zusterhuis tot regulier kapittel
In 1419 nog geen aantoonbare clausuur
St. Agnes doorliep in de vijftiende eeuw uiteindelijk het volledige traject van zusterhuis naar regulier kanunnikessenklooster. De overgang naar de Derde Orde vond kort vóór of in 1406 plaats. Of daarna ook de clausuur werd ingevoerd, is niet duidelijk. Gezien de latere hervorming tot een regulier kapittel is een periode van besloten leven aannemelijk, maar rechtstreeks bewijs ontbreekt. In 1419 was de clausuur in ieder geval nog niet formeel vastgelegd. In het privilege dat deken en kapittel van St. Marie in Den Haag dat jaar aan St. Agnes verleenden, werden de bewoners eenvoudig als zusters aangeduid. Bij St. Catharina, St. Clara en St. Dionysius gebruikte het kapittel juist de woorden “besloten” of “te besluiten” zusters. Die formulering gaf aan dat de clausuur al bestond of onmiddellijk zou worden ingevoerd. Het ontbreken ervan bij St. Agnes wijst erop dat de gemeenschap toen nog een opener tertiarissenhuis was.
Het Haagse privilege en de offergaven
Het privilege van 1419 week inhoudelijk nauwelijks af van de regelingen voor andere Amsterdamse vrouwenkloosters. St. Agnes kreeg een eigen biechtvader, het recht om sacramenten binnen de gemeenschap te ontvangen, een kapel en een eigen kerkhof. Het toegestane aantal bewoners werd op zestig zusters gesteld, naast zes of zeven proveniersters. Een bijzonder voordeel betrof de offergaven in de kapel. De Agnieten mochten alle ontvangen oblatiën zelf behouden. Sommige andere kloosters moesten de helft van de jaarlijkse opbrengst boven een vastgesteld bedrag aan de vice-cureit van de Oude Kerk afstaan. St. Agnes hoefde dat niet. De vaste financiële compensatie voor de parochiekerk bleef wel bestaan. Het privilege gaf de gemeenschap daarmee een grote praktische zelfstandigheid, zonder haar al tot een volledig besloten klooster te maken. De zusters stonden nog altijd binnen de Derde Orde en hielden een mildere leefvorm dan reguliere kanunnikessen.
Jan Dier en de aansluiting bij het Kapittel van Sion
In 1458 zetten de Agnieten de laatste stap. Hun klooster werd hervormd tot een regulier kapittel van kanunnikessen. De toenmalige conventspater Jan Dier speelde daarbij een belangrijke rol. Hij had nauwe banden met het Kapittel van Sion, een verband van Hollandse kloosters van reguliere kanunnikessen. Onder zijn invloed sloten de Agnieten zich bij dit kapittel aan. De hervorming betekende een strengere regel, een duidelijker monastieke organisatie en waarschijnlijk een volledige clausuur. Zij vond plaats zes jaar na de verwoestende brand van 1452, in een periode waarin het klooster zijn gebouwen en institutionele bestaan opnieuw moest opbouwen. Jan Dier was eind 1453 of begin 1454 als biechtvader aangesteld, na een periode van ongeveer vijf jaar zonder eigen pater. Hij begeleidde dus zowel de materiële wederopbouw als de kerkelijke verandering. Het voormalige zusterhuis van Rissent Klaasdr was daarmee een volwaardig regulier vrouwenklooster geworden.
Het St.-Catharinaklooster
Niet het tweede St.-Margrietenklooster
Direct ten noorden van St. Agnes lag het St.-Catharinaklooster. In oudere beschrijvingen is het ten onrechte soms als een tweede St.-Margrietenklooster aangeduid. De verwarring ontstond mede door een fout in het onderschrift bij een oude kloosterplattegrond. Die vergissing was al gemaakt door de achttiende-eeuwse verzamelaar Pieter Vlaming en werd later door Wagenaar overgenomen. De bewaarde drukproeven van de kloosterplattegronden, waarvan enkele opschriften van Vlamings hand dragen en aan uitgever Isaak Tirion zijn gericht, laten zien dat de fout niet pas tijdens het drukken ontstond. Op de zestiende-eeuwse kaarten van Cornelis Anthonisz en Jacob van Deventer is St. Catharina duidelijk zichtbaar aan de oostzijde van de Oudezijds Voorburgwal, tussen St. Agnes en St. Cecilia. Toch is het onzeker of de gemeenschap vanaf haar ontstaan op deze plaats woonde. De vijftiende-eeuwse bronnen plaatsen haar aanvankelijk mogelijk een gracht verder naar het oosten.
Een kloostererf aan de nieuwe gracht in 1412
Op 26 februari 1412 wordt een erf van St. Catharina genoemd aan de overzijde van de Oudezijds Achterburgwal. In dit gebied stonden nog nauwelijks huizen. Het bestond vooral uit tuinen en onbebouwde grond. De formulering van de akte suggereert echter dat het niet om een eenvoudige moestuin ging. Twee tuinen lagen “over de nieuwe gracht”, waarbij aan de ene zijde het convent van St. Catharina en aan de andere zijde Jan Abbenz werden genoemd. De gemeenschap zelf gold dus als belending. Het terrein lag aan de westzijde van de latere Kloveniersburgwal, iets ten zuiden van de huidige Oude Hoogstraat. De exacte plaats kan worden gereconstrueerd met behulp van twee latere oorkonden uit 1460 en 1471. Zij beschrijven grond ten noorden van het Paulusbroedersklooster en het verdwenen Broederspad, vlak bij de huidige Waalse Kerk.
De tuin van priester Jan Vinck
Op 20 augustus 1460 verkocht de priester Jan Vinck een tuin aan de Paulusbroeders. Deze lag ten noorden van hun kerk en van het pad langs hun klooster. Aan de oostzijde grensde de tuin aan een erf van St. Catharina. Het betreffende pad, het Broederspad, liep iets ten noorden van de huidige Waalse Kerk vanaf de Oudezijds Achterburgwal in oostelijke richting. Jan Vinck had het oude eigendomsrecht op zijn tuin al op 12 februari 1454 gekocht. Hij stond nauw met het Paulusbroedersklooster in verbinding. In 1449 liet hij in de Oude Kerk een St.-Anthoniusaltaar oprichten. De Paulusbroeders werden later collator van dit altaar. Zijn halfbroer, de priester Dirk Jan Helmersz, stichtte in 1465 mede voor het zielenheil van Jan Vinck een omvangrijke vicarie. Alleen een Paulusbroeder mocht die bedienen, waardoor de vicarie in de praktijk met het klooster werd verbonden.
De overdracht aan de Paulusbroeders in 1471
Elf jaar na de verkoop van Jan Vincks tuin droeg het St.-Catharinaklooster zijn grond in dit gebied aan de Paulusbroeders over. De oorkonde van 10 mei 1471 is onnauwkeurig uitgegeven, maar het origineel bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek Leiden. In werkelijkheid ging het om twee naast elkaar gelegen erven. Het eerste lag direct ten noorden van het Paulusbroedersklooster. Aan de westzijde grensde het aan de voormalige tuin van Jan Vinck, die de broeders in 1460 hadden gekocht. Een oostelijke belending werd niet genoemd. Daaruit kan worden afgeleid dat het erf tot aan de kade van de latere Kloveniersburgwal doorliep. Het was dus een lang perceel tussen de Achterburgwal en de oostelijke gracht. De breedte kan worden gereconstrueerd uit de verschillende oude erfpachten waarmee de afzonderlijke delen waren belast.
Drie erfpachten op één groot erf
Op het eerste erf rustten drie oude betalingen: driekwart oude Franse schild, zestien groten en zes Hollandse schellingen per jaar. Pieter Jacobsz had in juli 1384 vier tuinen verpacht voor samen driekwart Franse schild en één andere tuin voor zestien groten. De zes schellingen wijzen vermoedelijk op de verpachting van ongeveer een halve tuin. Ter vergelijking: een halve tuin ten noorden van de latere Paulusbroederskerk werd in december 1383 voor zes groten per jaar uitgegeven. Door de verschillende oorspronkelijke tuinen bij elkaar op te tellen, kan de breedte van het in 1471 verkochte erf op ongeveer vijftig tot vijfenvijftig meter worden geschat. Tuinen in dit deel van Amsterdam waren doorgaans twintig tot dertig meter lang, overeenkomend met vijf tot acht roeden. Het perceel moet daardoor een oppervlakte van ongeveer duizend tot vijftienhonderd vierkante meter hebben gehad. Voor een gewone kloostertuin was dat al een aanzienlijk terrein.
Een tweede erf met lakenramen
Naast het grote erf droegen de Catharinazusters in 1471 ook hun rechten op een tweede, zuidelijk aansluitend perceel aan de Paulusbroeders over. Dit was eerder door het klooster in erfpacht gegeven aan de lakenbereider Allard Hermansz. Hij had er zijn ramen geplaatst waarop lakens na het verven en volleren werden opgespannen en gedroogd. De muntsoort waarin de erfpacht was vastgesteld, wijst op een oorspronkelijke verpachting in de jaren twintig of dertig van de vijftiende eeuw. Waarschijnlijk was niet Allard zelf, maar zijn vader Herman Romboutsz de eerste pachter. Deze Herman werd ook Herman Romme genoemd. Zijn zoon kan het erf later in herpacht hebben gekregen tegen hetzelfde bedrag. Sinds 10 april 1420 hield Herman bovendien een groot erf in pacht dat ten westen van St. Catharina en ten noorden van het Paulusbroedersklooster lag. Voor dat terrein betaalde hij acht Franse schilden per jaar.
Waarom dit waarschijnlijk het eerste kloosterterrein was
Er zijn twee sterke aanwijzingen dat deze twee erven niet slechts buitentuinen van St. Catharina waren, maar het oorspronkelijke kloosterterrein. Ten eerste spreken de vroege belendingen niet over “een tuin” of “een erf” van de zusters. In 1412 wordt eenvoudig het convent van St. Catharina genoemd. Ook in 1460 heet de oostelijke buur van Jan Vincks tuin het St.-Catharinaconvent. Zulke formuleringen werden normaal gebruikt wanneer het eigenlijke huis op het betreffende terrein stond. Ten tweede bedroeg de gezamenlijke oppervlakte van de beide erven vermoedelijk ongeveer tweeduizend vierkante meter. Dat is uitzonderlijk groot voor een losstaande moestuin. De omvang past beter bij een zusterhuis dat ruimte nodig had voor woningen, dienstgebouwen, een gebedsruimte, een tuin en mogelijk een vroege kapel. De reconstructie is niet volledig bewijsbaar, maar verklaart zowel de woordkeuze als de omvang van het bezit.
Een verhuizing rond 1420
Wanneer St. Catharina inderdaad aanvankelijk tussen de Achterburgwal en de latere Kloveniersburgwal stond, moet de gemeenschap later zijn verhuisd naar de Oudezijds Voorburgwal. De meest aannemelijke datering ligt rond 1420. Kort vóór 1415 verlieten de toekomstige Paulusbroeders hun huis in Grimmenes en vestigden zich aan de Oudezijds Achterburgwal, zeer dicht bij het terrein van St. Catharina. Voor beide gemeenschappen kan daardoor ruimtegebrek zijn ontstaan. Ook de verpachting van het noordelijke Catharina-erf aan Herman Romme of zijn familie wijst erop dat de zusters het toen niet langer zelf als woonplaats gebruikten. Wanneer een belangrijk deel van het terrein in de jaren twintig of dertig voor lakenramen werd uitgegeven, moet het klooster elders een nieuwe kern hebben gehad. De datering rond 1420 sluit bovendien aan bij de snelle verstedelijking van dit deel van Amsterdam.
De stad schuift over de tuinen heen
Rond 1400 was het grootste deel van de grond ten oosten van de Oudezijds Voorburgwal nog onbebouwd. In de eerste helft van de vijftiende eeuw veranderde dat snel. Nieuwe huizen, werkplaatsen, kloosters en straten namen de vroegere tuinen en lange kavels in beslag. Het latere terrein van St. Catharina aan de Voorburgwal was omvangrijk. Op de kaart van Cornelis Anthonisz besloeg het een groot deel van de strook tussen beide Oudezijds burgwallen. Het is nauwelijks voorstelbaar dat een klooster zo’n aaneengesloten hoeveelheid onbebouwde grond pas rond 1450 had kunnen kopen. Rond 1420 bestond die mogelijkheid nog wel. De gemeenschap kan daarom haar oude buitenterrein hebben verlaten op een moment dat dichter bij het centrum nog voldoende ruimte beschikbaar was. Daarna verhuurde zij delen van de voormalige vestigingsplaats, totdat de resterende rechten in 1471 aan de Paulusbroeders werden verkocht. Zo weerspiegelt de verhuizing de verdichting van Amsterdam zelf.
Opnieuw grond van het Oude Nonnenklooster
Een erfpacht uit de legger van 1473
Er zijn geen transportakten bewaard waarin staat hoe St. Catharina zijn nieuwe terrein aan de Oudezijds Voorburgwal verwierf. Toch wijst een latere financiële bron opnieuw naar het Oude Nonnenklooster. Uit een legger van de Oude Nonnen uit 1473 blijkt dat het St.-Catharinaklooster jaarlijks één Franse schild aan hen betaalde. De post verbindt de pacht niet met een afzonderlijk huis of een losse tuin elders in Amsterdam, maar rechtstreeks met het Catharinaklooster zelf. Dat is een concrete aanwijzing dat de verplichting op het kloosterterrein aan de Voorburgwal rustte. Hetzelfde patroon is bekend van St. Agnes, dat vanaf 1406 een erfpacht betaalde die op de gemeenschap als geheel was gevestigd. De kans is daarom groot dat de Oude Nonnen ook St. Catharina van grond voorzagen. Hun bezit tussen de Voorburgwal en Achterburgwal reikte in de vroege vijftiende eeuw noordwaarts, al kan de precieze grens niet worden vastgesteld.
De pacht wordt in 1512 afgekocht
De jaarlijkse betaling van één Franse schild bleef lang bestaan. In 1512 kocht het St.-Catharinaklooster de erfpacht af. Vanaf dat moment hoefde het niet langer jaarlijks aan de Oude Nonnen te betalen en werd het terrein vrijer eigendom. De afkoop laat zien dat de pacht geen tijdelijke vergoeding uit de ontstaansfase was, maar een blijvend zakelijk recht dat meer dan een eeuw op het klooster rustte. De verhouding tussen beide gemeenschappen bleef daardoor ook lang na de vermoedelijke verhuizing rond 1420 financieel zichtbaar. Het Oude Nonnenklooster trad niet noodzakelijk op als eigenaar van de gebouwen of bestuurder van St. Catharina. Het bezat het recht op een jaarlijkse opbrengst uit de grond. Zulke rechten konden kloosters generaties lang met elkaar verbinden. Religieuze nabijheid kreeg daardoor een materiële vorm in leggers, jaarlijkse betalingen, kwitanties en uiteindelijk een afkoopsom waarmee de jongere gemeenschap zich van de oude verplichting bevrijdde.
Vier stadia van het St.-Catharinaklooster
Van zusterhuis naar besloten tertiarissenhuis
St. Catharina doorliep vier organisatorische fasen: een vrij zusterhuis, een tertiarissenhuis, een tertiarissenklooster met clausuur en uiteindelijk een regulier kapittel. Over de eerste fase zijn geen contemporaine bronnen bewaard. Ook de datum waarop de vrouwen de regel van de Derde Orde van Sint-Franciscus aannamen, is onbekend. Wel ontving St. Catharina op 30 oktober 1414 samen met St. Clara als eerste van de nieuwe Amsterdamse vrouwenkloosters de gebruikelijke privileges van het hofkapittel in Den Haag. De zusters kregen een eigen kapel, biechtvader en kerkhof. Deze vroege bevoorrechting wijst erop dat de gemeenschap al geruime tijd bestond. In de oorkonde werden zij aangeduid als reeds besloten of nog te besluiten zusters. De clausuur was dus ingevoerd of stond onmiddellijk op het punt te worden ingevoerd. Gewoonlijk gebeurde dat pas jaren nadat een gemeenschap de franciscaanse regel had aangenomen.
Bijna dezelfde rechten als St. Clara
De privileges voor St. Catharina en St. Clara waren vrijwel identiek. Beide gemeenschappen mochten een eigen biechtvader kiezen, sacramenten binnen het klooster ontvangen en hun bewoners op een eigen kerkhof begraven. Bij St. Catharina werd het maximum op zestig zusters gesteld, met daarnaast zes of zeven proveniersters. St. Clara kreeg met tachtig bewoners een hoger quotum. Beide huizen werden in 1414 al als besloten gemeenschappen beschouwd. Dat onderscheidde hen van St. Agnes, dat in 1419 nog eenvoudig als een huis van zusters werd aangeduid. De overeenkomst tussen St. Catharina en St. Clara versterkt de indruk dat beide tot de oudste vrouwenhuizen van de tweede generatie behoorden. Hun schriftelijke verschijning in 1414 was waarschijnlijk niet het begin van hun religieuze leven, maar het moment waarop reeds ontwikkelde tertiarissenhuizen hun verhouding tot de Oude Kerk en het Haagse kapittel juridisch lieten vastleggen.
De overstap naar de regel van Augustinus
Tussen 1457 en 1461 verliet St. Catharina de Derde Orde van Sint-Franciscus en nam de regel van Augustinus aan. Daarmee veranderde het tertiarissenhuis in een volledig regulier kapittel van kanunnikessen. De hervorming bracht het klooster onder toezicht van de Congregatie van Windesheim. Dat was dezelfde hervormingsbeweging waarmee Gijsbert Dou en de Amsterdamse regulieren al sinds het einde van de veertiende eeuw waren verbonden. De ontwikkeling van St. Catharina liep daardoor van een los zusterhuis via een door de kerk geordende, besloten gemeenschap uiteindelijk naar het strengere Windesheimse kloosterleven. Deze stap had gevolgen voor bestuur, liturgie, professie en clausuur. De zusters werden reguliere kanunnikessen en moesten hun dagelijkse leven volgens een vollediger monastieke regel inrichten. Ook de verhouding tot een mannelijke geestelijke leiding werd sterker vastgelegd. Het klooster bleef zelfstandig bezit beheren, maar werd onderdeel van een bredere congregatie.
Paus Sixtus IV en de prior van het Regulierenklooster
In 1475 bevestigde paus Sixtus IV de aansluiting van St. Catharina bij Windesheim. Hij werkte de bestuurlijke verhouding verder uit. Niet alleen St. Catharina, maar ook het St.-Geertruidenklooster had in dezelfde periode aansluiting bij de congregatie gezocht. De paus droeg de bestuurlijke bevoegdheid over beide Amsterdamse vrouwenkloosters op aan de prior van het Regulierenklooster. Daarmee kwam de plaatselijke mannencommuniteit die uit de kring van Gijsbert Dou was ontstaan formeel boven twee reguliere vrouwenhuizen te staan. De prior kreeg verantwoordelijkheid voor toezicht, hervorming en waarschijnlijk de benoeming of goedkeuring van geestelijke begeleiders. De verbinding die in de vroege vijftiende eeuw vooral via informele netwerken, grondoverdrachten en persoonlijke relaties had bestaan, kreeg nu een kerkelijk-juridische vorm. St. Catharina was niet langer een zelfstandig ontstaan vrouwenhuis aan de stadsrand, maar een regulier kapittel binnen het Windesheimse stelsel.
Het St.-Ceciliaklooster
Het derde klooster aan de Voorburgwal
Ten noorden van St. Catharina lag het St.-Ceciliaklooster. Voor dit huis zijn evenmin directe bronnen over het eerste ontstaan of de verwerving van het gehele kloosterterrein bewaard. Toch laten oude erfpachten, familieverbanden en latere grensbeschrijvingen een groot deel van de ruimtelijke ontwikkeling reconstrueren. Er zijn geen aanwijzingen dat de Cecilianen ooit op een andere plaats woonden. Bij de eerste vermelding in 1411 lag de gemeenschap al tussen de Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijds Achterburgwal. In dit gebied hadden in de late veertiende eeuw twee families veel grond: de familie van Roemer Heinenz en de familie van Pieter Jacobsz. Het zuidelijke deel van het latere kloosterterrein kwam uit het bezit van Roemer en zijn verwanten. Het noordelijke deel behoorde oorspronkelijk tot de langgerekte grondstrook van Pieter Jacobsz. St. Cecilia groeide dus op de grens van twee oude familiecomplexen.
Het land van Roemer Heinenz en Roelof Klaasz
Meer dan één hectare in 1394 verkocht
Het zuidelijke gedeelte van het Ceciliaterrein maakte deel uit van een uitgestrekt bezit van Roemer Heinenz en verschillende familieleden. Samen met zijn neef Roelof Klaasz verkocht Roemer in 1394 ruim één hectare grond aan het Oude Nonnenklooster. De verkoop betrof alleen het land waarvan zij toen nog zowel eigenaar als gebruiker waren. Verschillende delen hadden zij vóór 1394 al in erfpacht uitgegeven. Zulke verpachte percelen werden van de overdracht uitgezonderd. De Oude Nonnen kregen dus geen volledig aaneengesloten hectare, maar een terrein waarin oudere pachtrechten als afzonderlijke juridische eilanden bleven bestaan. Juist enkele van die uitgezonderde erven gingen later op in St. Cecilia. Daardoor betaalde het klooster niet slechts aan één instelling, maar aan verschillende bezitters van oude erfpachtcanons. De geschiedenis van het terrein is alleen te volgen door deze losse renten en hun latere ontvangers naast elkaar te leggen.
De erfpacht van Frederik Gerrit Telschenz
Van de oude verpachtingen door Roemers familie is één originele transactie rechtstreeks gedocumenteerd. Op 13 april 1383 gaven Roemer Heinenz en zijn zwager Klaas Servaasz, de vader van Roelof Klaasz, een erf aan de Oudezijds Voorburgwal in erfpacht aan Frederik Gerrit Telschenz. De jaarlijkse canon bedroeg driekwart Franse schild. Het perceel werd later onderdeel van St. Cecilia. Aantekeningen bij afschriften van de pachtoorkonde vermelden dat het klooster de betaling overnam. Het recht om de pacht te innen bleef in de familie van Roemer. Uiteindelijk erfde een van zijn dochters het. Zij legateerde de canon op 27 april 1449 aan de memoriepriesters van de Oude Kerk. Vanaf dat moment vloeide de jaarlijkse opbrengst uit een stuk Ceciliagrond naar de priesters die in de parochiekerk de gestichte memories verzorgden. Een oude familiepacht werd zo onderdeel van het kerkelijke herinneringssysteem van Amsterdam.
Een tweede pacht via Lobbrich Roemersdr
Het ene bewaarde contract was niet de enige erfpacht uit het bezit van Roemers familie. St. Cecilia betaalde ook jaarlijks 22 stuivers min één oort aan het Nieuwe Nonnenklooster. Volgens de legger van de Nieuwe Nonnen hadden zij dit recht ontvangen van Lobbrich Roemersdr, een andere dochter van Roemer Heinenz. Zij trad in het tweede kwart van de vijftiende eeuw in het Nieuwe Nonnenklooster in en bracht bezittingen mee. Bij omrekening blijkt 22 stuivers min een kwart stuiver exact overeen te komen met driekwart oude Franse schild. Rond 1450 gold één oude Franse schild als 29 stuivers; driekwart daarvan was 21¾ stuiver. Roemer of een familielid had dus minimaal nog een tweede erf voor hetzelfde bedrag verpacht. Lobbrich schonk bij haar professie bovendien twee morgen land in Duivendrecht. Een oorkonde over dit land noemt haar ouders Roemer Heinenz en Aelwitte, ook Aleid Witte genoemd.
Een derde pacht aan het St.-Pietersgasthuis
St. Cecilia betaalde daarnaast een eeuwige erfpacht aan het St.-Pietersgasthuis. Deze komt al voor in de oudste legger van het gasthuis uit 1442. Het bedrag bedroeg zeven tiende Franse schild per jaar, vrijwel evenveel als de twee pachten van driekwart schild en bovendien vastgesteld in dezelfde munt. Er is geen oorkonde bewaard die laat zien hoe het gasthuis dit recht verkreeg. Gezien de hoogte, ouderdom en ligging is het aannemelijk dat ook deze canon uit het bezit van Roemer Heinenz of zijn nakomelingen kwam. In de literatuur is soms nog een tweede betaling van één Rijnsgulden aan het gasthuis genoemd. In werkelijkheid gaat het om dezelfde erfpacht. Twee opeenvolgende schrijvers noteerden haar ieder eenmaal in de oudste legger, maar gebruikten verschillende muntsoorten. Er waren dus niet twee lasten, maar één oude pacht die in de boekhouding tweemaal werd omgerekend en geregistreerd.
Frederik Telschenz duikt opnieuw op
Een pachter rond verschillende zusterhuizen
De aanwezigheid van Frederik Gerrit Telschenz bij de grond van St. Cecilia kan toeval zijn, maar hij verschijnt opvallend vaak rond de nieuwe vrouwenkloosters. Hij hield tuinen en vijverkampen op de plaats waar later het Nieuwe Nonnenklooster ontstond. Hij verpachtte ook een van de twee tuinen in de zuidpunt van de Buitenste Nes die St. Agnes en St. Cecilia tot ongeveer 1432 gezamenlijk gebruikten. Nu blijkt hij eveneens pachter van een erf dat in St. Cecilia opging. Daarmee bewoog hij zich door hetzelfde zuidoostelijke grondgebied waar verschillende zusterhuizen werden gevormd. Het blijft onduidelijk of Frederik zelf religieuze gemeenschappen bewust hielp, of dat de zusters later eenvoudig zijn pachtrechten kochten omdat zij juist op die plaatsen wilden uitbreiden. De herhaalde betrokkenheid maakt wel duidelijk hoe sterk de kloostervorming verweven was met een bestaande markt van tuinen, erfpachten en vijvers die al vóór 1400 door particuliere poorters werd gebruikt.
De familie van Servaas Roelofsz
Geen topregenten, wel invloedrijk in religieus Amsterdam
Roemer Heinenz was door het huwelijk van een van zijn zusters verbonden geraakt met de familie van schepen Servaas Roelofsz. Servaas was via huwelijk verwant aan de voorname geslachten Pont en Hollant. Toch behoorden hij en zijn broers niet tot de absolute politieke top van Amsterdam. Hun bestuurlijke invloed was beperkt, maar hun betekenis voor de religieuze ontwikkeling van de stad was groot. Servaas’ broer Willem die Brune Roelofsz stelde zijn huis achtereenvolgens beschikbaar aan de vrouwen van St. Agnes en aan de gemeenschap waaruit St. Maria-Magdalena groeide. In 1389 was Willem bovendien samen met Gijsbert Dou en andere Amsterdamse poorters een van de vier voogden van het eerste zusterhuis, dat later het Oude Nonnenklooster werd. De familie leverde dus grond, onderdak, toezicht en persoonlijke betrokkenheid. Zij vormde een verbindende laag tussen de oude stedelijke grondbezitters en de nieuwe religieuze gemeenschappen.
Priester Klaas Roelofsz wordt kartuizer
Een andere broer, de priester Klaas Roelofsz, trad in het Kartuizerklooster in. Voor hem lieten Servaas, Willem en hun neef Roelof Klaasz een eigen kartuizercel bouwen. Zo’n cel was geen kleine slaapplaats, maar een zelfstandige woning met werkruimte en tuin binnen het kloostercomplex. De investering toont dat de familie de professie van Klaas materieel ondersteunde. Zijn kloosterleven eindigde echter tragisch. Tijdens onderhoudswerkzaamheden in de voorraadkelder van het St.-Andriesklooster stortte een gewelf in. Klaas werd onder het puin bedolven en kwam om het leven. De precieze data van zijn professie en overlijden zijn niet bekend, maar beide gebeurtenissen vonden vermoedelijk vóór 1396 plaats. In dat jaar troffen familieleden een uitgebreide erfrechtelijke regeling zonder dat Klaas of het Kartuizerklooster als partij werd genoemd. Dat wijst erop dat hij toen al overleden was en zijn vermogenspositie was afgewikkeld.
Drie dochters in drie aangrenzende kloosters
Agnes, Margriet en Reecx Roelof Klaaszdr
Het meest opvallende familiegegeven betreft Roelof Klaasz, de neef van Roemer Heinenz en mede-eigenaar van het land waarop later St. Agnes, St. Catharina en St. Cecilia verrezen. Roelof stierf na 1418 en liet drie dochters na: Agnes, Margriet en Reecx. In een oorkonde uit 1424 blijken alle drie tertiaris te zijn. Agnes leefde in St. Cecilia, Margriet in St. Catharina en Reecx in St. Agnes. De naam van Reecx is in het zwaar beschadigde origineel tegenwoordig onleesbaar geworden, maar was rond 1960 nog zichtbaar en werd toen door ir. J. Kam in zijn kaartsysteem van Amsterdamse charters vastgelegd. Ook het kloosternecrologium bevestigt haar voornaam. De drie dochters woonden dus ieder in een van de drie vrouwenhuizen die naast elkaar waren gebouwd op of bij grond die eens aan hun vader en zijn familie had toebehoord.
Was de verdeling bewust gekozen?
Het is verleidelijk te denken dat Roelof Klaasz zijn dochters bewust over de drie aangrenzende kloosters verdeelde omdat zijn familie met het terrein verbonden was. Daarvoor bestaat geen rechtstreeks bewijs. Kloosterkeuze kon afhangen van persoonlijke voorkeur, beschikbare plaatsen, de strengheid van de regel, familieleden die al binnen waren of de hoogte van de vereiste inbreng. Toch is de samenloop bijzonder. De drie vrouwen traden niet willekeurig verspreid over Amsterdam in, maar kwamen terecht in precies de drie kloosters die op de voormalige familiegrond lagen. Via hun professies konden bezittingen, renten of erfdelen aan de kloosters toevallen. De gezamenlijke tuin die St. Agnes en St. Cecilia na 1424 uit de nalatenschap van Obrich en Brechte kregen, laat zien hoe zulke familie-erfenissen werkten. Ook wanneer Roelof de verdeling niet vooraf organiseerde, bleven zijn dochters de religieuze gemeenschappen materieel verbinden met het oude familiebezit.
Het noordelijke terrein van Pieter Jacobsz
Een langgerekte oude grondstrook
Het noordelijke deel van St. Cecilia behoorde niet tot het land van Roemer Heinenz, maar tot het omvangrijke grondbezit van Pieter Jacobsz, die ongeveer tussen 1345 en 1416 leefde. Pieter bezat grote delen van Grimmenes, de Buitenste Nes en Gansoord. Vanaf de Halsteeg liep zijn grond zuidwaarts tot voorbij de naar hem genoemde Pieter Jacobszsteeg. Het bezit eindigde niet bij de Oudezijds Voorburgwal. Het vormde een langgerekte strook die over de grachten heen tot voorbij de Oudezijds Achterburgwal doorliep. De aaneengesloten vorm en de grote lengte wijzen op een zeer oude oorsprong. Mogelijk ging het bezit rechtstreeks terug op grond van de opeenvolgende stadsheren: eerst de heren van Amstel en daarna de graven van Holland. In de veertiende eeuw was deze brede strook in handen van Pieter en zijn familie geraakt. Door verkaveling, verpachting en stedelijke bebouwing werd zij daarna in afzonderlijke erven uiteengelegd.
De Pieter Jacobszsteeg verschijnt in 1386
Pieter verkavelde vanaf 1383 zijn grond aan de buitenzijde van de Achterburgwal tot regelmatige tuinen en erven. Ook aan de westzijde, in Gansoord tussen de Amstel en de Voorburgwal, werd zijn bezit tijdens zijn leven verdeeld. De Pieter Jacobszsteeg, tegenwoordig de Pieter Jacobszstraat, wordt voor het eerst op 12 december 1386 vermeld. Zulke persoonsnaamstegen ontstonden vaak wanneer een grondbezitter een groot erf door middel van een nieuwe doorgang ontsloot en de omliggende kavels ging uitgeven. De straatnaam vormt daardoor een aanwijzing voor de periode waarin de oude brede grondstrook werd verkaveld. Ook tussen de Voorburgwal en Achterburgwal begon Pieter afzonderlijke stukken te verpachten. Het latere St.-Ceciliaklooster kwam in een gebied te liggen waar deze verkaveling nog jong was. Daardoor konden betrekkelijk grote percelen beschikbaar komen voordat de stedelijke bebouwing zich volledig had gesloten.
De schuttersdoelen bij de Achterburgwal
In 1382 zonderde Pieter een stuk grond bij de Oudezijds Achterburgwal van zijn bezit af. Hij verpachtte het aan het Amsterdamse schuttersgilde, dat er kort tevoren zijn doelen had gebouwd. Het erf lag niet direct aan de gracht, maar wel vlakbij. Aan het begin van de vijftiende eeuw gaf Pieter nog een tweede perceel in deze omgeving aan de schutters in gebruik. De doelen bestonden uit lange banen waarop met boog of kruisboog werd geoefend. Zij hadden daarom veel onbebouwde lengte nodig en pasten goed in het nog open gebied ten oosten van het centrum. Later lag een deel van dit schuttersterrein bij de noordgrens van St. Cecilia. De aanwezigheid van de doelen verklaart waarom niet alle grond in één keer aan het klooster kon worden toegevoegd. Religieuze instellingen, stedelijke gilden en particuliere pachters gebruikten hier verschillende delen van dezelfde oude familiekavel.
Een mogelijk termijnhuis van de Haarlemse dominicanen
Pieter of zijn familie verpachtte vermoedelijk ook een klein erf aan de Oudezijds Achterburgwal aan de dominicanen van Haarlem. Zij gebruikten het als termijnhuis. Bedelorden hadden buiten hun eigen stad vaak zulke huizen waar broeders tijdens bedeltochten konden overnachten, goederen opslaan of contacten onderhouden. Het Amsterdamse erf was geen volledig klooster, maar een stedelijke steunpost van het Haarlemse convent. De precieze transactie is niet bewaard, waardoor de identificatie onzeker blijft. Toch past het termijnhuis in de gemengde religieuze en economische functie van het gebied. Naast tuinen, schuttersbanen en particuliere erven verschenen tijdelijke of permanente religieuze vestigingen. St. Cecilia ontstond niet op leeg land, maar binnen een mozaïek van oudere gebruiksrechten. De latere kloostermuren legden een vaste grens rond percelen die daarvoor door schutters, dominicanen, tuinders en grondbezitters op verschillende manieren waren benut.
Waar liep de grens tussen de twee families?
De Pieter Jacobszstraat als aanwijzing
De grens tussen het land van Roemer Heinenz en dat van Pieter Jacobsz kan worden benaderd via de ligging van de Pieter Jacobszstraat. Minstens twee erven ten zuiden van deze steeg behoorden nog tot Pieters bezit. In 1418 waren het tweede en het derde huis ten zuiden van de hoek met de Oudezijds Voorburgwal in handen van respectievelijk zijn schoonzoon Tideman Jacob van Barghenz en zijn zoon Joost Pietersz. De grondstrook van Pieter moet aanvankelijk als één breed en recht kavel over de burgwallen hebben doorgelopen. Daardoor lag de zuidelijke grens van zijn bezit minstens twintig meter ten zuiden van de latere St.-Ceciliënsteeg. Deze steeg, tegenwoordig de Prinsenhofsteeg, liep vrijwel in het verlengde van de Pieter Jacobszstraat. Zij markeerde in de middeleeuwen de noordgrens van het St.-Ceciliaklooster. Het terrein ten noorden of direct rond deze lijn moet daarom uit het bezit van Pieter zijn voortgekomen.
De Pieter Jacobszbrug verbond beide stegen
Dat de Pieter Jacobszstraat en de St.-Ceciliënsteeg vrijwel tegenover elkaar lagen, was geen toeval. Over de Oudezijds Voorburgwal lag in de middeleeuwen een brug die beide doorgangen verbond. Deze heette de Pieter Jacobszbrug. De straat, brug en achterliggende steeg vormden samen een oost-westroute door het oude grondbezit. Toen St. Cecilia zijn noordgrens langs de steeg kreeg, bleef de oudere verkavelingsstructuur in de kloosterplattegrond herkenbaar. De kloostermuur volgde niet uitsluitend een religieus ontworpen grens, maar een bestaande lijn in het stedelijke landschap. Zulke topografische details maken het mogelijk verdwenen eigendomsverhoudingen te reconstrueren. De middeleeuwse namen leggen vast welke familie vóór de bouw van het klooster de toegang en verkaveling had bepaald. Zelfs nadat de grond in een religieus complex was opgegaan, bleven straat en brug de herinnering aan Pieter Jacobsz dragen.
Een verloren oorkonde uit 1414
In de achttiende eeuw bezat geschiedschrijver Jan Wagenaar nog een oorkonde van 8 januari 1414 over St. Cecilia. Het klooster verpachtte daarin een erf ten noorden van de latere St.-Ceciliënsteeg aan het schuttersgilde. Juist de ligging ten noorden van de steeg plaatst het perceel zonder twijfel binnen het oorspronkelijke bezit van Pieter Jacobsz. De akte bewees volgens Wagenaar dat St. Cecilia de grond van Pieter zelf of van zijn zoon Joost Pietersz had gekregen. Hij gaf slechts een korte parafrase. Het document is later verdwenen en komt niet voor in de bewaarde dossiers van Pieter Vlaming, Andries Schoemaker of Wagenaar. Daardoor weten we niet of het een schenking, koop of erfpacht was. Wel staat vast dat het klooster vóór januari 1414 over dit noordelijke deel beschikte. Er zijn geen bekende erfpachten op dit gedeelte, wat een schenking of vrije overdracht mogelijk maakt.
Wanneer kreeg St. Cecilia het noordelijke deel?
De precieze datum van verwerving blijft onbekend. In 1411 wordt het klooster voor het eerst genoemd; in januari 1414 kon het zelf al grond aan het schuttersgilde verpachten. De overdracht door Pieter Jacobsz of Joost Pietersz moet dus vóór die datum hebben plaatsgevonden. Mogelijk gebeurde zij in de eerste jaren na het ontstaan van de gemeenschap. Het ontbreken van een blijvende erfpacht kan betekenen dat het terrein volledig werd geschonken. Het kan ook zijn dat de betalingen later werden afgekocht of dat de relevante financiële registers verloren gingen. De familie van Pieter hielp in dezelfde periode ook andere religieuze instellingen met grond en rechten. Daardoor past een bijdrage aan St. Cecilia in een breder patroon. Het kloosterterrein bestond uiteindelijk uit een zuidelijk deel waarop oude pachten van Roemers familie rustten en een noordelijk deel dat waarschijnlijk rechtstreeks door Pieter of zijn zoon werd overgedragen.
Een zusterhuis zonder archief
De eerste vermelding in 1411
Er zijn geen rechtstreekse verwijzingen naar een vrij zusterhuis dat aan St. Cecilia voorafging. Dat ontbreken zegt weinig. Een zusterhuis bezat in zijn eerste fase nauwelijks zelfstandig vermogen en trad niet als rechtspersoon op. Akten werden op naam van individuele vrouwen, verhuurders of voogden opgesteld. Daardoor kon geen herkenbaar “zusterhuisarchief” ontstaan. Pas na de aansluiting bij de Derde Orde van Sint-Franciscus verscheen de gemeenschap als klooster in de bronnen. De eerste vermelding dateert uit 1411. In dat jaar ontving St. Cecilia samen met het St.-Maria-Magdalenaklooster twee renten in de Lange Niezel en de Kerkstraat. De schenker was Gerrit die Rassche Jacobsz, over wie verder vrijwel niets bekend is. De renten laten zien dat St. Cecilia toen al als zelfstandige instelling bezit kon ontvangen. De gemeenschap moet dus eerder zijn gevormd en vóór 1411 de tertiarissenregel hebben aangenomen.
Geen clausuur in St. Cecilia
De clausuur werd in St. Cecilia nooit ingevoerd. In de privileges die het hofkapittel in 1437 en opnieuw in 1493 voor het klooster uitvaardigde, wordt eenvoudig over “de zusters” gesproken. Bij besloten gemeenschappen gebruikte het kapittel uitdrukkelijk termen als “besloten zusters” of “zusters die besloten zullen worden”. Dat verschil in formulering was juridisch relevant. De Cecilianen mochten het kloosterterrein gemakkelijker verlaten en behielden waarschijnlijk meer contact met familieleden, bezit en stedelijke werkzaamheden dan reguliere kanunnikessen. Daarmee behoorde St. Cecilia tot de Amsterdamse kloosters met het mildste regime. De vrouwen waren wel tertiarissen, leefden volgens een gemeenschappelijke regel en stonden onder leiding van een ministerse en biechtvader, maar werden niet achter een blijvende clausuur geplaatst. De gemeenschap ontwikkelde zich evenmin later tot een regulier Augustijns kapittel. Zij bleef bij de oorspronkelijke tussenpositie van de Derde Orde.
Zesentwintig jaar wachten op privileges
Mogelijk hield het milde regime verband met de late formele bevoorrechting. De meeste Amsterdamse tertiarissenhuizen ontvingen binnen ongeveer tien jaar na hun eerste schriftelijke vermelding het recht op een eigen kapel, kerkhof en gekozen biechtvader. Bij St. Cecilia lagen 26 jaar tussen de eerste vermelding in 1411 en het privilege van 19 juni 1437. Waarom de gemeenschap zo lang wachtte, is onbekend. Misschien beschikte zij aanvankelijk over eenvoudige of informele voorzieningen en had zij minder behoefte aan een volledig zelfstandig kerkelijk leven. Het kan ook zijn dat eerdere rechten verloren zijn gegaan of dat de zusters bewust een open gemeenschap bleven. De privileges van 1437 weken inhoudelijk nauwelijks af van die van andere tertiarissenhuizen. St. Cecilia mocht zestig zusters en zes of zeven proveniersters opnemen, een eigen confessor kiezen, sacramenten ontvangen, een kapel gebruiken en bewoners op een kloosterkerkhof begraven. De clausuur maakte geen deel uit van de regeling.
Drie kloosters, één oud grondlandschap
St. Agnes, St. Catharina en St. Cecilia stonden uiteindelijk als drie afzonderlijke kloosters naast elkaar. Hun ontstaan was echter diep met hetzelfde oude grondlandschap verweven. St. Agnes kreeg zijn erf rechtstreeks van het Oude Nonnenklooster en betaalde vanaf 1406 anderhalve nobel. St. Catharina stond mogelijk eerst buiten de Achterburgwal, verhuisde rond 1420 en betaalde later één Franse schild aan de Oude Nonnen. St. Cecilia groeide uit grond van de families van Roemer Heinenz en Pieter Jacobsz en droeg meerdere oude erfpachten. De drie dochters van Roelof Klaasz leefden ieder in een van de drie huizen. Tuinen werden gezamenlijk gebruikt, nalatenschappen overgedragen en renten aan andere kloosters of gasthuizen betaald. De kloosterrij aan de Voorburgwal was daardoor niet het resultaat van drie afzonderlijke stichtingsplannen. Zij groeide uit overlappende familiebezittingen, vrouwenkeuzes, erfpachten en hulp van oudere religieuze instellingen.
Einde deel 3 — Deel 4 begint achter deze kloosterrij, aan de buitenzijde van de Oudezijds Achterburgwal, met het St.-Ursulaklooster en het Paulusbroedersklooster.