Geschiedenis van het Gooi: van de prehistorie tot 1250

Deel 1 — Het landschap en het ontstaan van Gooiland

Lang voordat er sprake was van Gooiland, Naarden of Erfgooiers, ontstond het landschap waarin de geschiedenis van het Gooi zich zou afspelen. Landijs, smeltwater, zand, veen en water vormden een gebied van hoge, droge gronden en lage, natte zones. Mensen maakten al in de prehistorie gebruik van dit landschap. In de eeuwen daarna ontstonden nederzettingen, akkers, wegen en machtsverhoudingen die uiteindelijk de basis vormden voor het middeleeuwse Gooiland.

Hoe ontstond het landschap van het Gooi?

Het Gooise landschap kreeg zijn belangrijkste vormen tijdens de ijstijden. Landijs drukte en schoof bestaand materiaal op, waardoor hogere gronden en stuwwallen ontstonden. Smeltwater, zand en grind droegen verder bij aan het reliëf. Rond de hogere zandgronden lagen lagere en nattere gebieden, waar water en veenvorming een belangrijke rol speelden.

Het verschil tussen hoog en laag bepaalde mede hoe mensen het gebied gebruikten. De drogere gronden boden mogelijkheden voor bewoning, routes en landbouw, terwijl bossen, heide, veen en waterrijke gebieden andere natuurlijke hulpbronnen leverden. Het landschap vormde daarmee vanaf het begin een belangrijke voorwaarde voor de latere geschiedenis van Gooiland.

Wanneer kwamen de eerste bewoners naar het Gooi?

Mensen gebruikten het gebied van het huidige Gooi al in de prehistorie. Archeologische vondsten tonen menselijke aanwezigheid in verschillende perioden. Tot de bekendste zichtbare overblijfselen behoren grafheuvels op de hogere zandgronden. Deze archeologische resten laten zien dat het Gooi duizenden jaren vóór het ontstaan van het historische Gooiland al deel uitmaakte van een door mensen gebruikt landschap.

Bewoning was niet voortdurend hetzelfde. Mensen pasten hun gebruik van het gebied aan bodem, vegetatie, beschikbaar water en veranderingen in hun bestaanswijze aan. Daardoor ontstond gedurende vele eeuwen een cultuurlandschap waarin natuurlijke ontwikkeling en menselijke activiteit steeds sterker met elkaar verweven raakten.

Wat gebeurde er in het Gooi in de Romeinse tijd?

Het Gooi lag buiten de eigenlijke Romeinse rijksgrens, de limes. Dat betekent niet dat het gebied volledig losstond van ontwikkelingen in Romeins Nederland. Het Gooi maakte deel uit van het grotere landschap van Midden-Nederland, waarin nederzettingen, routes en contacten tussen verschillende gebieden bestonden.

Voor de geschiedenis van het Gooi is deze periode vooral een schakel tussen de prehistorische bewoning en de ontwikkelingen van de vroege middeleeuwen. Archeologische gegevens zijn daarbij belangrijker dan latere bestuurlijke namen: van het middeleeuwse Gooiland was in de Romeinse tijd nog geen sprake.

Hoe ontwikkelde het Gooi zich in de vroege middeleeuwen?

In de vroege middeleeuwen ontwikkelden bewoning, landbouw en nederzettingen zich verder. De hogere zandgronden bleven belangrijk omdat deze geschikter waren voor bewoning en akkerbouw dan de omliggende natte gebieden. Wegen en andere verbindingen koppelden nederzettingen aan elkaar en aan gebieden buiten het huidige Gooi.

Tegelijk veranderden bezit en macht. Grond was niet alleen belangrijk voor voedselproductie, maar kreeg ook betekenis binnen wereldlijke en kerkelijke machtsverhoudingen. Daardoor werd het landschap steeds meer een gebied waarin natuurlijke omstandigheden, bewoning, bezit en bestuur samenkwamen.

Van prehistorie naar Gooiland — de belangrijkste perioden

  • IJstijden — Landijs, smeltwater, zand en grind legden de basis voor het reliëf van het Gooi en de karakteristieke hogere zandgronden.
  • Prehistorie — Mensen gebruikten het Gooise landschap duizenden jaren geleden. Archeologische vondsten en grafheuvels vormen tastbare sporen van deze vroege geschiedenis.
  • Romeinse tijd — Het Gooi lag buiten de Romeinse rijksgrens, maar maakte deel uit van het bredere landschap van Midden-Nederland.
  • Vroege middeleeuwen — Bewoning, landbouw, nederzettingen en verbindingen ontwikkelden zich verder op en rond de hogere gronden.
  • 10e–12e eeuw — Grondbezit en wereldlijke en kerkelijke machtsverhoudingen werden steeds belangrijker voor het gebied waaruit het historische Gooiland zou ontstaan.
  • Tot 1250 — Nederzettingen, akkers, wegen, omliggende gronden en verschillende vormen van bezit en gebruik vormden samen steeds duidelijker een middeleeuws cultuurlandschap.

Wanneer ontstond Gooiland?

Gooiland ontstond niet in één jaar en ook niet door één gebeurtenis. Het historische Gooiland was het resultaat van een ontwikkeling van vele eeuwen. Landschap, bewoning, landbouw, grondbezit, bestuur en het gebruik van gemeenschappelijke en andere gronden raakten geleidelijk steeds nauwer met elkaar verbonden.

De hogere zandgronden boden plaats aan nederzettingen en akkers. Bossen, heide, veengebieden en omliggende natte gronden hadden eveneens economische

Geschiedenis van het Gooi: van de prehistorie tot 1250

Deel 1 — Het landschap en het ontstaan van Gooiland

Lang voordat er sprake was van Gooiland, Naarden of Erfgooiers, ontstond het landschap waarin de geschiedenis van het Gooi zich zou afspelen. Landijs, smeltwater, zand, veen en water vormden een gebied van hoge, droge gronden en lage, natte zones. Mensen maakten al in de prehistorie gebruik van dit landschap. In de eeuwen daarna ontstonden nederzettingen, akkers, wegen en machtsverhoudingen die uiteindelijk de basis vormden voor het middeleeuwse Gooiland.

Hoe ontstond het landschap van het Gooi?

Het Gooise landschap kreeg zijn belangrijkste vormen tijdens de ijstijden. Landijs drukte en schoof bestaand materiaal op, waardoor hogere gronden en stuwwallen ontstonden. Smeltwater, zand en grind droegen verder bij aan het reliëf. Rond de hogere zandgronden lagen lagere en nattere gebieden, waar water en veenvorming een belangrijke rol speelden.

Het verschil tussen hoog en laag bepaalde mede hoe mensen het gebied gebruikten. De drogere gronden boden mogelijkheden voor bewoning, routes en landbouw, terwijl bossen, heide, veen en waterrijke gebieden andere natuurlijke hulpbronnen leverden. Het landschap vormde daarmee vanaf het begin een belangrijke voorwaarde voor de latere geschiedenis van Gooiland.

Wanneer kwamen de eerste bewoners naar het Gooi?

Mensen gebruikten het gebied van het huidige Gooi al in de prehistorie. Archeologische vondsten tonen menselijke aanwezigheid in verschillende perioden. Tot de bekendste zichtbare overblijfselen behoren grafheuvels op de hogere zandgronden. Deze archeologische resten laten zien dat het Gooi duizenden jaren vóór het ontstaan van het historische Gooiland al deel uitmaakte van een door mensen gebruikt landschap.

Bewoning was niet voortdurend hetzelfde. Mensen pasten hun gebruik van het gebied aan bodem, vegetatie, beschikbaar water en veranderingen in hun bestaanswijze aan. Daardoor ontstond gedurende vele eeuwen een cultuurlandschap waarin natuurlijke ontwikkeling en menselijke activiteit steeds sterker met elkaar verweven raakten.

Wat gebeurde er in het Gooi in de Romeinse tijd?

Het Gooi lag buiten de eigenlijke Romeinse rijksgrens, de limes. Dat betekent niet dat het gebied volledig losstond van ontwikkelingen in Romeins Nederland. Het Gooi maakte deel uit van het grotere landschap van Midden-Nederland, waarin nederzettingen, routes en contacten tussen verschillende gebieden bestonden.

Voor de geschiedenis van het Gooi is deze periode vooral een schakel tussen de prehistorische bewoning en de ontwikkelingen van de vroege middeleeuwen. Archeologische gegevens zijn daarbij belangrijker dan latere bestuurlijke namen: van het middeleeuwse Gooiland was in de Romeinse tijd nog geen sprake.

Hoe ontwikkelde het Gooi zich in de vroege middeleeuwen?

In de vroege middeleeuwen ontwikkelden bewoning, landbouw en nederzettingen zich verder. De hogere zandgronden bleven belangrijk omdat deze geschikter waren voor bewoning en akkerbouw dan de omliggende natte gebieden. Wegen en andere verbindingen koppelden nederzettingen aan elkaar en aan gebieden buiten het huidige Gooi.

Tegelijk veranderden bezit en macht. Grond was niet alleen belangrijk voor voedselproductie, maar kreeg ook betekenis binnen wereldlijke en kerkelijke machtsverhoudingen. Daardoor werd het landschap steeds meer een gebied waarin natuurlijke omstandigheden, bewoning, bezit en bestuur samenkwamen.

Van prehistorie naar Gooiland — de belangrijkste perioden

IJstijden — Landijs, smeltwater, zand en grind legden de basis voor het reliëf van het Gooi en de karakteristieke hogere zandgronden.

Prehistorie — Mensen gebruikten het Gooise landschap duizenden jaren geleden. Archeologische vondsten en grafheuvels vormen tastbare sporen van deze vroege geschiedenis.

Romeinse tijd — Het Gooi lag buiten de Romeinse rijksgrens, maar maakte deel uit van het bredere landschap van Midden-Nederland.

Vroege middeleeuwen — Bewoning, landbouw, nederzettingen en verbindingen ontwikkelden zich verder op en rond de hogere gronden.

10e–12e eeuw — Grondbezit en wereldlijke en kerkelijke machtsverhoudingen werden steeds belangrijker voor het gebied waaruit het historische Gooiland zou ontstaan.

Tot 1250 — Nederzettingen, akkers, wegen, omliggende gronden en verschillende vormen van bezit en gebruik vormden samen steeds duidelijker een middeleeuws cultuurlandschap.

Wanneer ontstond Gooiland?

Gooiland ontstond niet in één jaar en ook niet door één gebeurtenis. Het historische Gooiland was het resultaat van een ontwikkeling van vele eeuwen. Landschap, bewoning, landbouw, grondbezit, bestuur en het gebruik van gemeenschappelijke en andere gronden raakten geleidelijk steeds nauwer met elkaar verbonden.

De hogere zandgronden boden plaats aan nederzettingen en akkers. Bossen, heide, veengebieden en omliggende natte gronden hadden eveneens economische betekenis. In de middeleeuwen kwamen daar steeds duidelijkere rechten, bezitsverhoudingen en bestuurlijke belangen bij. Zo groeide uit een veel ouder landschap het gebied dat als Gooiland herkenbaar zou worden.

Waarom is de periode tot 1250 belangrijk voor de geschiedenis van het Gooi?

Veel ontwikkelingen die de latere geschiedenis van het Gooi bepaalden, hadden oudere wortels. De ligging van nederzettingen hing samen met het landschap. Landbouw was verbonden met de beschikbare grond. Bossen, heide en andere niet-bebouwde gebieden hadden economische waarde. Tegelijk werden bezit, rechten en gezag steeds belangrijker.

Daarmee vormt de periode tot 1250 de achtergrond van onderwerpen die in de latere Gooise geschiedenis een hoofdrol krijgen: Gooiland, Naarden, grondbezit, gemeenschappelijke gronden, machtsverhoudingen en uiteindelijk de bijzondere positie van de Erfgooiers.


Deel 1 — Het landschap en het ontstaan van Gooiland

Prehistorie–1250

Hier begint het volledige historische verhaal over de vorming van het Gooise landschap, de vroegste bewoners en de eeuwenlange ontwikkeling waaruit het middeleeuwse Gooiland voortkwam.

Prehistorie–1250 — Het landschap en het ontstaan van Gooiland

Deel 1 — Het land vóór Gooiland

Lang voordat iemand sprak over het Gooi, Gooiland of Nardinclant, lag het landschap er al. Tijdens de ijstijden hadden landijs en smeltwater Midden-Nederland ingrijpend veranderd. Zand, grind en oudere afzettingen werden opgestuwd tot de hoge gronden die het Gooi nog altijd kenmerken. Rond deze zandige kern lag een veel lagere en nattere wereld. Aan de westzijde lagen de Vecht en haar lage omgeving; naar het oosten strekte het land zich uit richting de Eem. Het verschil tussen hoog en laag zou duizenden jaren bepalen waar mensen konden verblijven, reizen, vee houden en uiteindelijk hun akkers konden aanleggen.

Tussen Vecht, Eem en het grote water

De Gooise hoogten waren geen eiland. Water scheidde gebieden, maar verbond ze eveneens. Via de Vecht bestond een natuurlijke verbinding met het Utrechtse rivierengebied. Naar het noorden lag het grote water dat in de middeleeuwen als Almere bekend was en later onderdeel werd van de Zuiderzee. Aan de randen van de hoge zandgronden lagen natte graslanden, moerassen en veengebieden. Wie zich op de Gooise hoogten vestigde, leefde daardoor tussen verschillende landschappen. Droge grond en bos lagen betrekkelijk dicht bij water en drassig laagland. Die verscheidenheid zou later belangrijk worden voor landbouw, veeteelt, houtgebruik, visserij, verkeer en de gemeenschappelijke benutting van het land.

De eerste bewoners lieten hun sporen in het zand achter

Duizenden jaren voordat geschreven bronnen iets over Gooiland vertellen, waren mensen in deze streek aanwezig. Archeologische vondsten tonen dat de hogere zandgronden in verschillende perioden van de prehistorie werden bezocht en gebruikt. Vuursteen, aardewerk, begravingen en andere bodemsporen geven kleine vensters op een geschiedenis waarvan vrijwel alle verhalen verloren zijn gegaan. De namen van deze mensen kennen we niet. Toch maakt de verspreiding van hun sporen duidelijk waarom de hoogten aantrekkelijk waren. Hier was het droger dan in de omliggende laagten. Mensen konden zich gemakkelijker verplaatsen en verblijfplaatsen kiezen in een landschap waarin bos, open terrein, water en natte gronden elkaar afwisselden.

Grafheuvels maakten het landschap tot een plaats van herinnering

Tot de indrukwekkendste zichtbare resten behoren de grafheuvels. Zij maakten van een natuurlijk landschap ook een landschap van herinnering. Op de hogere gronden werden doden begraven en kregen plaatsen betekenis voor volgende generaties. Rond Hilversum en Laren zijn verschillende prehistorische vindplaatsen bekend geworden. Ook Crailoo, de Tafelberg, de Laarderhoogt en het Sint-Janskerkhof keren terug in de geschiedenis van het archeologische onderzoek naar het Gooi. Sommige plekken werden gedurende zeer lange perioden opnieuw gebruikt. Onder latere wegen, akkers, heidevelden, kerken en dorpen ligt daardoor een veel oudere menselijke geschiedenis verborgen, uit een tijd waarin niemand de streek nog Gooiland noemde.

Toen onderzoekers het oudste Gooi begonnen terug te vinden

Ook de ontdekking van die verre geschiedenis heeft inmiddels een geschiedenis van zichzelf. In de negentiende eeuw kregen Gooise oudheden steeds meer aandacht van plaatselijke onderzoekers en archeologen. Albertus Perk verzamelde en bestudeerde veel over de geschiedenis en oudheden van zijn geboortestreek. Ook de Leidse oudheidkundige L.J.F. Janssen onderzocht Gooise vondsten. Oude beschrijvingen en krantenberichten spreken over urnen, grafheuvels en voorwerpen die later onder meer als klokbekers werden herkend. Niet iedere negentiende-eeuwse verklaring is door modern archeologisch onderzoek bevestigd. Hun waarnemingen blijven echter belangrijk omdat zij vondsten en vindplaatsen vastlegden die anders misschien geheel uit het zicht waren verdwenen.

Mensen veranderden het Gooise landschap

Het Gooi bleef ondertussen geen ongerepte natuur. Bossen groeiden en werden plaatselijk teruggedrongen. Mensen gebruikten hout, hielden dieren en maakten gebruik van open terreinen. Naarmate landbouw belangrijker werd, veranderde ook de bodem. De hogere zandgronden boden andere mogelijkheden dan de vochtige gebieden rondom. Het bekende Gooise heidelandschap moet daarom niet worden voorgesteld als een landschap dat sinds de ijstijd onveranderd bleef bestaan. Begrazing, houtgebruik en in latere perioden het steken van plaggen hielpen open terreinen ontstaan en in stand houden. Langzaam werd het Gooi een cultuurlandschap, gevormd door een voortdurende wisselwerking tussen bodem, water, begroeiing en menselijk gebruik.

De bewoners veranderden, maar het hoge land bleef

Die ontwikkeling verliep niet zonder onderbrekingen. Nederzettingen konden verdwijnen of verschuiven, landbouwgrond kon tijdelijk buiten gebruik raken en nieuwe generaties gebruikten dezelfde streek anders dan hun voorgangers. De archeologische perioden vormen daarom geen ononderbroken geschiedenis van één Gooise bevolking. De prehistorische bewoners waren geen Erfgooiers en er bestond nog geen organisatie die met de latere Gooise marke kan worden gelijkgesteld. Toch ontstond al een blijvende verhouding tussen mens en landschap. Mensen gebruikten de hoge gronden voor bewoning en voedselproductie, terwijl bossen, weiden, water en ongecultiveerde terreinen daarnaast noodzakelijk bleven. Eeuwen later zou juist die combinatie bepalend worden voor de Gooise landbouwgemeenschappen.

Voorbij de Romeinse grens ging het leven verder

Toen het Romeinse Rijk zijn noordgrens langs de Rijn organiseerde, lag het Gooi buiten de eigenlijke limes. Toch hield de wereld niet bij die grens op. Via het Vecht- en Rijngebied konden mensen, goederen en ideeën zich tussen verschillende streken bewegen. Voor het Gooi zijn archeologische vondsten daarbij betrouwbaarder dan het achteraf verbinden van de streek aan één bekende bevolkingsgroep. Oudere geschiedschrijvers spraken soms met grote zekerheid over Friezen, Franken of Saksen als directe voorgangers van latere Gooise bewoners. Moderne geschiedschrijving vraagt meer voorzichtigheid. Contact met de Romeinse wereld was mogelijk, maar een eenvoudige rechte lijn van Romeinse tijd naar middeleeuwse Gooier kan niet worden getrokken.

Na Rome begint een moeilijk zichtbaar hoofdstuk

Na het verdwijnen van het Romeinse gezag werd de geschiedenis van het Gooi niet onderbroken, maar onze bronnen worden schaars. Voor de eeuwen tussen ongeveer 400 en 900 moeten archeologie, landschapsontwikkeling en latere geschreven gegevens samen worden gebruikt. Mensen bleven afhankelijk van bodem en water. De hogere gronden boden mogelijkheden voor bewoning en akkerbouw; daarbuiten lagen gronden die voor vee, hout en andere bestaansmiddelen konden worden gebruikt. Langzaam ontwikkelde zich een middeleeuws nederzettingslandschap. Pas tegen het einde van deze lange periode komen namen, instellingen en machthebbers in geschreven bronnen tevoorschijn. Vanaf dat moment krijgt het oude landschap voor ons steeds duidelijker een historische naam.

Deel 2 — Nardinclant verschijnt uit de bronnen

Een Gooise naam duikt op in een wereld van graven en kloosters

In de vroege middeleeuwen veranderde niet alleen het landschap. Ook bezit, kerk en bestuur werden steeds belangrijker. Utrecht ontwikkelde zich tot een belangrijk kerkelijk machtscentrum. Domeinen, kerken en rechten kwamen terecht in documenten die iets zichtbaar maken van een wereld die archeologie alleen niet kan vertellen. Voor het Gooi is daarom het verschijnen van de naam Nardinclant van grote betekenis. De naam komt in verschillende schrijfwijzen voor, waaronder Naerdinclant en Nardincklant. Daarmee wordt het gebied onderdeel van een geschreven juridische en politieke geschiedenis. Die documenten vertellen echter vooral over rechten en machthebbers, veel minder over het dagelijkse leven van de plaatselijke bewoners.

Wichman verbond Nardinclant met het verre Elten

Een hoofdrol in deze geschiedenis kreeg Wichman van Hamaland, een machtige tiende-eeuwse graaf. Op de Elterberg, tegenwoordig vlak over de Nederlands-Duitse grens, stichtte Wichman een religieuze gemeenschap voor adellijke vrouwen: het jufferenstift Hoog-Elten, verbonden met Sint-Vitus. Zijn dochter Luitgardis werd er de eerste abdis. Wichman voorzag zijn stichting van goederen en inkomsten. Daarbij verschijnen ook zijn rechten in Nardinclant. Zo raakte het vroege Gooi verbonden met een kloosterlijke instelling die vele dagreizen verderop lag. Gooiland maakte daarmee deel uit van een veel grotere Ottoonse wereld van adel, koningschap, kerkelijke instellingen, bezit en leenverhoudingen.

Wat schonk Wichman in 968 eigenlijk aan Elten?

Op 29 juni 968 bevestigde keizer Otto I de overdracht van goederen en rechten aan Elten. Juist deze oorkonde is later vaak veel te eenvoudig naverteld. Wichman zou heel Gooiland aan Elten hebben geschonken en daarmee zouden de Gooise bewoners onder het stift zijn gekomen. De Latijnse tekst vraagt om meer voorzichtigheid. Bij verschillende andere bezittingen worden gebouwen, bebouwde en onbebouwde grond, weiden, bossen, wateren en mancipia uitvoerig genoemd. Voor Nardinclant is de formulering anders. Daar gaat het om hetgeen Wichman als leen en de koning als bezit had. De band met Elten staat vast; volledig eigendom van heel Gooiland volgt daar niet automatisch uit.

De beroemde schenking blijkt ingewikkelder dan het verhaal

Dat onderscheid heeft grote gevolgen voor de geschiedenis van de Erfgooiers. Historici hebben lang gediscussieerd over de omvang van Wichmans bezit en de aard van de Eltense rechten. Er is onder meer gedacht aan een curtis, een domeinhof met daarbij behorende gronden, inkomsten en rechten. Ook begrippen als leen, eigendom, heerlijk recht en daadwerkelijk grondgebruik moeten van elkaar worden onderscheiden. Een instelling kon inkomsten of hogere rechten bezitten zonder dat iedere bewoner of ieder stuk grond op dezelfde juridische wijze aan haar onderworpen was. Het oude verhaal dat in 968 eenvoudig “heel Gooiland” werd weggegeven, verbergt daardoor precies de juridische ingewikkeldheid die later voor de Gooise geschiedenis zo belangrijk zou worden.

Drie Ottoonse keizers hielden Elten in beeld

De bevestiging van 968 stond niet op zichzelf. Op 3 augustus 970 werden opnieuw omvangrijke goederen voor de kerk van Sint-Vitus en de vrouwen van Elten bevestigd. Onder Otto II volgden verdere bevestigingen. Na conflicten rond de nalatenschap van Wichman speelde ook Otto III een rol; in 996 werd de positie van Elten opnieuw bevestigd. Nardinclant stond daarmee niet alleen in verbinding met een ver klooster, maar met het grotere politieke netwerk van het Ottoonse rijk. Keizers, regionale adel en kerkelijke instellingen gebruikten schenkingen, lenen en bevestigingsoorkonden om rechten vast te leggen. Voor de bewoners van het Gooi betekende dit dat boven hun lokale wereld een veel groter stelsel van macht en aanspraken bestond.

De verre rechten van Elten werden in het Gooi heel concreet

Voor boeren waren zulke rechten geen abstracte juridische formuleringen. Zij konden uiteindelijk betekenen dat een deel van de opbrengst moest worden afgedragen. Uit veel latere bronnen kennen we de koptienden, afdrachten over de opbrengst van bouwland. Vanaf 1503 is daarvan een omvangrijke administratie bewaard gebleven, waarin zelfs boeren en percelen zichtbaar worden. De oorsprong van deze latere verplichtingen wordt met de Eltense bezitsgeschiedenis verbonden. Voor de tiende en elfde eeuw beschikken we echter niet over zulke gedetailleerde registers. Het zou daarom onjuist zijn de situatie van 1503 zonder meer terug te projecteren naar 968. Wel blijkt hoe uitzonderlijk lang de band tussen het verre Elten en de Gooise grond bleef doorwerken.

Naarden, Laren en de andere Gooise nederzettingen groeien

Terwijl keizers en kloosterlingen hun rechten op perkament lieten vastleggen, leefden de bewoners op de Gooise zandgronden verder. De nederzettingen die later bekendstaan als Naarden, Laren, Huizen, Hilversum, Blaricum en Bussum kregen geleidelijk hun plaats in het landschap. Hun exacte ouderdom kan niet voor ieder dorp uit geschreven bronnen worden vastgesteld. Oudere onderzoekers beschouwden verschillende van deze plaatsen als zeer oud, maar moderne archeologie en plaatsnaamkunde dwingen tot voorzichtigheid met exacte stichtingsdata. Het waren bovendien nog niet noodzakelijk de compacte dorpen die we uit latere eeuwen kennen. Boerderijen, erven en akkers konden verspreid liggen en in de loop van generaties verschuiven.

Oud-Naarden keek uit over een veranderend water

Naarden nam binnen Nardinclant een bijzondere positie in. Het oorspronkelijke Oud-Naarden lag niet waar tegenwoordig de omwalde vestingstad ligt, maar noordelijker en dichter bij het water. In oudere geschiedschrijving is een vermelding van Naruthi uit 983 met Oud-Naarden verbonden; ook de Tafelberg speelde in zulke reconstructies een rol. Die identificaties zijn onderwerp van historiografische discussie en moeten niet als onbetwiste stichtingsbewijzen worden behandeld. De ligging bij het water was echter wezenlijk. Het Almere bood verbindingen en bestaansmogelijkheden, terwijl kustveranderingen tegelijk bedreigend konden zijn. De geschiedenis van Naarden werd daardoor vanaf het begin bepaald door de ontmoeting van Gooise zandgrond en noordelijk water.

Buiten de akkers lag het land dat iedereen nodig had

Rond de nederzettingen lagen akkers, maar daar hield het boerenland niet op. Bossen leverden hout en brandstof, vee had weidegrond nodig en andere ongecultiveerde terreinen leverden eveneens noodzakelijke producten. Later kennen we de Gooise engen als grote akkercomplexen en daarnaast de gemeenschappelijk gebruikte heiden, bossen en weiden. Voor de periode vóór 1200 weten we veel minder precies hoe het gebruik juridisch georganiseerd was. Toch is één zaak belangrijk: een boerenbedrijf kon nauwelijks zonder de omliggende gronden bestaan. Wie alleen naar eigendom van akkers kijkt, mist daarom een groot deel van de economie. De geschiedenis van Gooiland werd mede bepaald door de vraag wie toegang had tot het land buiten de akkers.

Waren deze boeren al Erfgooiers?

Hier ligt een belangrijk gevaar voor het historische verhaal. Gemeenschappelijk grondgebruik betekent niet automatisch dat er al een formele marke bestond. En een boer die vóór 1200 vee op gemeenschappelijke grond liet grazen, mag niet zonder meer een Erfgooier in de latere juridische betekenis worden genoemd. Historicus Anton Kos plaatst de ontwikkeling van marken als georganiseerde agrarische belangenverbanden vanaf ongeveer het midden van de dertiende eeuw. Tegelijk ontstonden die organisaties niet uit het niets. Veel eerder waren boeren al afhankelijk van uitgestrekte ongecultiveerde gronden. De latere Gooise organisatie bouwde dus voort op oudere gebruikspraktijken, maar mag daarmee niet simpelweg worden vereenzelvigd.

Wie was eigenlijk de baas over de Gooise gronden?

De werkelijkheid was ingewikkelder dan één eigenaar tegenover één gebruiker. Binnen het Eltense domein konden boeren gebruiksrechten hebben op woeste of grotendeels gemeenschappelijk gebruikte gronden. Sommige boeren beschikten daarnaast over eigen grond. Andere arbeid kon plaatsvinden op het voor de heer gereserveerde land, de terra indominicata. Daardoor konden verschillende rechten over hetzelfde landschap heen liggen. Degene die vee liet grazen, hoefde niet degene te zijn die de hogere juridische aanspraak op de grond bezat. En degene die inkomsten ontving, bewerkte het land niet noodzakelijk zelf. Deze gelaagdheid van bezit, gebruik en gezag werd een van de belangrijkste kenmerken van de latere strijd rond de Gooise meenten.

Naarden en Laren kwamen tussen kerkelijke machten terecht

Ook kerken bezaten grond en rechten. Voor 968–1280 zijn de bronnen volgens Kos te schaars om de volledige bezitsverhoudingen betrouwbaar te reconstrueren. Wel is bekend dat de kerken van Laren en Naarden grond hadden. In 1180 ontstond bovendien een conflict tussen het Utrechtse kapittel van Sint-Jan en Elten over de investituur, de benoeming, van de geestelijke van de kerk van Naarden. De oplossing laat mooi zien hoe macht in het middeleeuwse Gooi verdeeld kon zijn: beide instellingen zouden voortaan om beurten de pastoor benoemen. Een plaatselijke kerk kon zo tegelijkertijd verbonden zijn met belangen uit Utrecht en met het verre Elten.

Op het Sint-Janskerkhof kwamen eeuwen geschiedenis samen

Ook Laren kreeg een belangrijke kerkelijke betekenis. Het Sint-Janskerkhof zou nauw verbonden raken met Sint-Jan en met de latere Gooise processietraditie. Tegelijk is dezelfde omgeving archeologisch van belang. Daarmee komen op één plaats zeer verschillende tijdslagen samen: prehistorische sporen, middeleeuwse kerkelijke geschiedenis, oude wegen en later religieus gebruik. Die lagen mogen niet door elkaar worden gehaald. Een prehistorische vindplaats bewijst geen middeleeuwse christelijke continuïteit. Juist het tegenovergestelde maakt het Sint-Janskerkhof interessant: opeenvolgende generaties konden hetzelfde landschap gebruiken en er telkens een nieuwe betekenis aan geven. Het oude Gooi verdween niet; het werd steeds opnieuw ingericht.

De Van Amstels verschijnen aan de rand van Nardinclant

Tegen het einde van deze periode kwam nog een machtige familie in beeld: de Van Amstels. Zij waren ministerialen van de bisschop van Utrecht en verwierven belangen in Nardinclant. Kos acht het waarschijnlijk dat de Van Amstels voor de abdis van Elten als meiers of rentmeesters van het domein optraden. Daarmee kwam tussen de bewoners, Elten en Utrecht een regionale machtsfactor te staan die in de dertiende eeuw steeds belangrijker zou worden. Ook de graaf van Holland kreeg belang bij het gebied. De betrekkelijk kleine zandstreek tussen Vecht, Eem en het noordelijke water kwam zo terecht tussen meerdere wereldlijke en kerkelijke machten.

Rond 1250 lagen de ingrediënten voor een eeuwenlange strijd klaar

Rond 1250 bestond dus nog niet de Erfgooiersorganisatie zoals die uit latere eeuwen bekend is. Maar vrijwel alle elementen waaruit haar geschiedenis zou groeien, waren aanwezig. Er lagen oude nederzettingen, akkers, kerken en wegen. Boeren waren afhankelijk van bossen, weiden en andere gronden buiten hun eigen akkers. Elten bezat oude rechten en inkomsten, Utrecht oefende kerkelijke en wereldlijke invloed uit en de Van Amstels hadden een positie in Nardinclant verworven. Daaronder lag het veel oudere landschap van stuwwallen, zandgronden, veen en water. De volgende eeuwen zouden draaien om één steeds dringender vraag: wie mocht over het Gooise land beschikken, en welke rechten konden de bewoners daartegenover laten gelden?

Deel 3 — Van Nardinclant naar Gooiland

Rond 1250 kwam het oude Nardinclant tussen machtige buren te liggen

Rond het midden van de dertiende eeuw veranderde de wereld rond Nardinclant snel. Het vrouwenstift Hoog-Elten bezat er oude rechten, de bisschop van Utrecht oefende invloed uit en de heren van Amstel hadden zich tussen beide partijen een sterke positie verworven. Vanuit het westen breidden ondertussen de graven van Holland hun macht uit. Voor de bewoners van Naarden, Laren, Hilversum, Blaricum, Bussum en Huizen waren zulke machtsverschuivingen geen verre politiek. Zij konden raken aan belastingen, rechtspraak en vooral aan het gebruik van bos, heide, weiden en veengronden waarvan hun boerenbedrijven afhankelijk waren. Het land kreeg steeds meer belang voor mensen van buiten het Gooi.

De Van Amstels werden machtiger dan Elten lief was

Een centrale figuur was Gijsbrecht IV van Amstel, die omstreeks 1230 werd geboren. De Van Amstels traden op als regionale machthebbers en worden door Anton Kos verbonden met het beheer van Eltense belangen in Nardinclant. Maar de afstand tot Elten was groot en toezicht was moeilijk. Volgens Kos gingen de Van Amstels zich steeds zelfstandiger gedragen en werden bezittingen die zij zich hadden toegeëigend in de stukken rond 1280 zelfs als usurpaties voorgesteld. Voor Elten dreigde daarmee verlies van inkomsten en gezag. Tegelijk zag de Hollandse graaf Floris V de groeiende macht van de Van Amstels met argwaan. Nardinclant werd zo inzet van een veel groter machtsspel.

Floris V wilde de oostgrens van Holland versterken

Floris V, graaf van Holland van 1256 tot 1296, wilde zijn positie tegenover de Van Amstels en de bisschop van Utrecht versterken. Nardinclant was daarvoor strategisch gelegen. Het gebied lag tussen Holland en het Sticht, dicht bij de Vecht, Muiden en het water naar het noorden. Wie hier gezag uitoefende, kreeg dus meer dan akkers, bossen en heide. Hij versterkte zijn positie in een grensgebied waar handelsroutes, waterwegen en politieke invloed samenkwamen. Voor abdis Godelinde van Elten, die van 1272 tot 1288 aan het hoofd van het stift stond, bood Floris tegelijkertijd een oplossing voor het moeilijk bestuurbare bezit op grote afstand.

6 mei 1280 — een beslissende dag voor Nardinclant

Op 6 mei 1280 vond de overdracht plaats die de geschiedenis van het Gooi blijvend veranderde. Abdis Godelinde en haar convent droegen Nardinclant tegen een jaarlijkse vergoeding over aan Floris V en zijn opvolgers. De regeling omvatte uitgebreide gezagsrechten en rechten op akkerlanden, gecultiveerde en ongecultiveerde gronden, bossen, venen, weiden, graslanden, water en waterlopen. De juridische constructie moet zorgvuldig worden onderscheiden van een moderne verkoop van alle grond aan één eigenaar. Juist over de verhouding tussen hogere rechten, grondrechten en de bestaande gebruiksrechten van de bewoners zou later veel discussie ontstaan. Nardinclant kwam voortaan onder de Hollandse grafelijkheid te staan.

13 mei 1280 — Floris V en Godelinde ontmoeten elkaar bij Vreeland

Een week later, op 13 mei 1280, treffen we Floris V en Godelinde bij Vreeland. De overdracht werd daar verder bekrachtigd. Elten kreeg voortaan een vaste jaarlijkse opbrengst, terwijl de Hollandse graaf zijn gezag over Nardinclant kon uitbreiden. In de bronnen en latere reconstructies wordt een jaarlijkse vergoeding van 25 pond Utrechtse munt genoemd. Voor de bewoners betekende deze overeenkomst vooral dat boven hun bestaande wereld van akkers en gemeenschappelijk gebruikte gronden een nieuwe landsheer kwam te staan. Het was geen plotseling einde van alle Eltense banden. Kerkelijke en financiële rechten konden veel langer blijven bestaan. De wisseling van machthebber maakte de bestaande Gooise gebruiksrechten juist belangrijker.

Het oude Eltense systeem verdween niet op één dag

Daarmee veranderde 1280 niet alles tegelijk. De Gooise boeren hadden hun bedrijven gedurende generaties opgebouwd binnen een landschap waarin akkers en omliggende ongecultiveerde gronden bij elkaar hoorden. Elten had volgens Kos een exploitatieregime gekend waarin boeren onder bepaalde voorwaarden van die woeste gronden gebruikmaakten. De overdracht aan Holland maakte zulke bestaande gewoonten niet vanzelf ongedaan. Wel veranderde degene tegenover wie de bewoners hun belangen moesten beschermen. Floris V beschikte als graaf over sterke landsheerlijke aanspraken en kon zich beroepen op rechten over ongecultiveerde gronden. Precies daar lag een mogelijk conflict met boeren die dezelfde gronden vanuit gewoonte als noodzakelijk onderdeel van hun bedrijf beschouwden.

Uit onzekerheid groeide een sterkere Gooise organisatie

Anton Kos ziet de machtswisseling van 1280 daarom als een belangrijk moment in de ontwikkeling van de Gooise marken. De bewoners hoefden hun gemeenschappelijke gebruik niet op dat moment te hebben uitgevonden; juist oudere gebruikspraktijken lagen eraan ten grondslag. Nieuw was de politieke situatie waarin zij die belangen duidelijker gezamenlijk moesten verdedigen. Er ontwikkelden zich organisaties rond de agrarische gemene gronden en het bos. Vertegenwoordigers van Naarden, Blaricum, Bussum, Huizen, Hilversum en Laren kregen daarbij een rol. Het latere erfgooierschap moet dus niet worden voorgesteld als een instelling die op één dag werd gesticht, maar als het resultaat van een langdurig organisatieproces.

Gijsbrecht IV van Amstel verloor zijn Gooise positie

Voor Gijsbrecht IV van Amstel betekende de Hollandse overname een ernstige aantasting van zijn positie. De verhouding tussen Floris V en de Van Amstels bleef gespannen. Uiteindelijk verloor Gijsbrecht zijn macht in Nardinclant. In de jaren na 1280 werd de Hollandse greep op het gebied steeds steviger. Daarmee veranderde ook het politieke krachtenveld. Eeuwenlang had Elten boven de plaatselijke wereld gestaan, terwijl Utrecht en de Van Amstels daarnaast invloed uitoefenden. Nu kwam steeds nadrukkelijker de graaf van Holland tegenover de Gooise gebruikersgemeenschap te staan. Juist die verhouding tussen landsheer en plaatselijke gerechtigden zou de geschiedenis van de gemeenschappelijke gronden nog eeuwen beheersen.

1296 — Floris V werd gedood, maar Gooiland bleef Hollands

In 1296 eindigde het leven van Floris V gewelddadig. Na zijn gevangenneming door edelen, onder wie Gijsbrecht IV van Amstel, werd de graaf gedood. Rond zijn dood ontstonden later verhalen waarin Gooise boeren een bijzondere rol kregen. Volgens een bekende overlevering zouden zij Floris te hulp zijn gekomen en daardoor bijzondere rechten hebben verkregen. Zo aantrekkelijk als dit verhaal is, de oorsprong van de Gooise gebruiksrechten kan er niet eenvoudig mee worden verklaard. Die rechten en gebruiken hadden oudere wortels. De dood van Floris maakte bovendien de verandering van 1280 niet ongedaan. Nardinclant bleef verbonden met Holland, terwijl de bewoners hun eigen belangen steeds nadrukkelijker gezamenlijk organiseerden.

In 1299 leefde de oude naam Nardinclant nog

De overgang van Nardinclant naar Gooiland gebeurde evenmin op één bepaalde dag. De oude naam bleef na 1280 nog enige tijd bestaan. Rond 1299 komt Nardinclant nog in bestuurlijke context voor. Daarna raakte de naam geleidelijk op de achtergrond en werd Goylant, Goeylant of Gooiland gebruikelijker. Dat is belangrijk: de machtswisseling van 1280 en de naamsverandering mogen niet als één gebeurtenis worden voorgesteld. Eerst veranderde het landsheerlijke verband, daarna veranderde het taalgebruik geleidelijk mee. De oude naam verwees sterk naar Naarden; de nieuwe naam ging uiteindelijk de hele streek aanduiden. Rond 1300 betrad Gooiland steeds herkenbaarder de geschreven geschiedenis.

Deel 4 — De Gooiers maken van gebruik een gezamenlijk recht

De gemeenschappelijke grond was het kapitaal van een boerenbedrijf

Voor een Gooise boer bestond zijn bedrijf uit veel meer dan zijn eigen akker. Koeien en paarden hadden gras nodig, schapen vonden voedsel op de heide, uit het bos kwam hout en in de veengebieden lagen andere waardevolle gebruiksmogelijkheden. Ook plaggen, leem en turf konden voor het boerenbedrijf belangrijk zijn. Daardoor vormden de gemene gronden geen onbenutte wildernis naast de dorpen. Ze waren een wezenlijk onderdeel van de plaatselijke economie. Wanneer een buitenstaander een stuk grond ontgon, wanneer een landsheer het uitgaf of wanneer een andere gebruiker te veel vee liet grazen, konden andere boeren rechtstreeks in hun bestaan worden getroffen.

Gemeenschappelijk gebruik vereiste steeds strengere regels

Daar zat meteen een probleem. Wanneer iedereen onbeperkt dieren op dezelfde grond liet lopen, kon de ene boer het gras gebruiken dat zijn buurman nodig had. Hetzelfde gold voor hout, turf en andere natuurlijke hulpbronnen. Gemeenschappelijk gebruik kon alleen blijven bestaan wanneer gebruikers elkaar beperkingen oplegden. Daarom werden regels, toezicht en vertegenwoordiging steeds belangrijker. De geschiedenis van de Erfgooiers is dus niet alleen een geschiedenis van het verdedigen van vrijheid tegenover graaf of buitenstaander. Het is ook de geschiedenis van een gemeenschap die haar eigen leden moest begrenzen. Juist uit die noodzaak groeide een steeds duidelijker georganiseerd beheer van de Gooise gronden.

1326 — de hoorn riep de goede lieden van Gooiland bijeen

Op 30 december 1326 worden de Gooiers opvallend duidelijk als georganiseerde gemeenschap zichtbaar. Graaf Willem III van Holland, die van 1304 tot 1337 regeerde, bemoeide zich met hun vergaderingen. In de bron verschijnen de “goede luden van Ghoyland” en het bijeenroepen van mensen door het blazen van de hoorn. De graaf bepaalde dat zulke bijeenkomsten niet buiten zijn vertegenwoordigers om mochten plaatsvinden. Dat verbod zegt veel. De Gooise gemeenschap was kennelijk gewend zelf samen te komen om zaken te bespreken. Willem III bestreed niet noodzakelijk het bestaan van gezamenlijk grondgebruik, maar wilde voorkomen dat daaruit een zelfstandig gezag naast het zijne ontstond.

De goede lieden van Gooiland konden samen optreden

Met de woorden goede lieden van Gooiland verschijnt meer dan een verzameling losse boeren. De bewoners konden als groep handelen en beraadslagen over belangen die de afzonderlijke dorpen overstegen. Daarmee is nog niet bewezen dat de latere Erfgooiersorganisatie al volledig bestond. Wel wordt zichtbaar hoe het gezamenlijke gebruik van bos, heide, weiden en venen een gezamenlijke bestuursvorm noodzakelijk maakte. Een grensconflict kon immers boeren uit meerdere dorpen raken. Hetzelfde gold wanneer de graaf grond wilde uitgeven of wanneer buitenstaanders aanspraken maakten. De gebruikers van het landschap werden daardoor geleidelijk ook een politieke gemeenschap die tegenover landsheer en buren gezamenlijk kon optreden.

1330–1340 — in het veen bij Eemnes botsten twee werelden

Juist aan de oostzijde werd duidelijk waarom organisatie nodig was. In de jaren 1330–1340 ontstonden conflicten over de venen tussen Gooiland en Eemnes. Wat op het eerste gezicht drassig en weinig aantrekkelijk land leek, had economische waarde. Veen kon worden ontgonnen, grond kon na ontwatering worden gebruikt en turf leverde brandstof. Gooise gebruiksaanspraken botsten daardoor met de belangen van mensen die vanuit het Sticht het gebied wilden benutten. Het conflict ging niet alleen over een grenslijn op een kaart. Achter iedere aanspraak stonden boeren, vee, brandstof en toekomstige landbouwgrond. De oostelijke rand van Gooiland werd zo een gebied waar landschap en recht rechtstreeks met elkaar botsten.

1339 — zelfs de graaf kon Goois gebruiksrecht niet negeren

Een bijzonder belangrijk moment kwam in 1339. Graaf Willem IV van Holland gaf grond in het veengebied richting Eemnes uit, maar daarbij werden de rechten van de Gooise gemeenschap uitdrukkelijk meegewogen. In de stukken verschijnen opnieuw de goede lieden gezamenlijk van Gooiland en het recht dat zij op het betreffende veen hadden. Dat is belangrijk voor het begrijpen van hun positie. De Gooiers waren niet simpelweg boeren die gedoogd werden op grond waarover de graaf onbeperkt kon beschikken. Hun bestaande gebruiksaanspraken hadden voldoende gewicht om bij een grafelijke beschikking genoemd en gerespecteerd te worden. Gewoonte begon daarmee steeds zichtbaarder een juridisch verdedigbaar recht te worden.

1356 — houten palen trokken een grens door het landschap

Conflicten met het Sticht maakten uiteindelijk een tastbare grens noodzakelijk. In 1356 werd met Jan van Arkel, bisschop van Utrecht van 1342 tot 1364, een regeling getroffen over de grens tussen Gooiland en het Utrechtse gebied. Houten grenspalen moesten duidelijk maken waar beide rechtsgebieden uiteenliepen. Voor herders, boeren en turfstekers kreeg politieke geografie daarmee een zichtbare vorm. Aan de ene kant begon Holland, aan de andere kant het Sticht. Toch verdwenen de problemen niet door enkele palen in de grond te slaan. Grenzen werden verplaatst, betwist en opnieuw vastgesteld. Eeuwenlang zouden grenskwesties rond Gooiland terugkeren, juist omdat grond voor beide zijden economische waarde vertegenwoordigde.

Naarden en de Gooise dorpen hadden elkaar nodig

Binnen Gooiland zelf waren de belangen evenmin overal gelijk. Naarden ontwikkelde zich als stad en bezat andere bestuurlijke en economische belangen dan de agrarische dorpen Laren, Hilversum, Blaricum, Bussum en Huizen. Toch konden zij de gemeenschappelijke gronden niet eenvoudig van elkaar losmaken. Boeren uit verschillende nederzettingen waren afhankelijk van dezelfde grotere landschappelijke eenheid. Daardoor ontstond een merkwaardige combinatie van samenwerking en rivaliteit. Naar buiten konden de Gooiers gezamenlijk optreden tegenover Holland, Utrecht of Eemnes. Binnen Gooiland moest voortdurend worden onderhandeld over de vraag wie waar mocht weiden, hoeveel dieren iemand mocht houden en welke plaats binnen de gezamenlijke organisatie aan stad en dorpen toekwam.

1396 — Naarden breidde zijn rechtsgebied uit

Een nieuwe spanning ontstond in 1396, toen het stedelijke rechtsgebied van Naarden sterk werd uitgebreid. Daarbinnen kwam ook grond te liggen die voor boeren uit de Gooise dorpen van groot belang was, waaronder de Hilversumse meent. Daarmee werd een oud probleem ineens bestuurlijk scherp: betekende Naardens stadsrecht dat de stad ook vrij over de gemeenschappelijk gebruikte grond kon beschikken? Voor Hilversum en de andere gebruikers kon dat nauwelijks worden aanvaard. De kwestie maakte duidelijk dat gezamenlijk gebruik niet alleen tegenover buitenlandse of grafelijke aanspraken beschermd moest worden. Ook binnen Gooiland konden verschillende bestuurslagen botsen. Juist deze spanning vormde de directe achtergrond van de regelingen die kort na 1400 volgden.

25 januari 1404 — de eerste bekende schaarbrief

Op 25 januari 1404 werd de eerste bekende Gooise schaarbrief opgesteld. Daarmee werd het gebruik van de gemeenschappelijke weiden veel nauwkeuriger schriftelijk geregeld. De brief was geen geboorteakte van een gemeenschap die daarvoor niet bestond. Hij legde bestaande en betwiste gebruikspraktijken vast en maakte duidelijker wie mocht scharen en hoe het gemeenschappelijke land moest worden beheerd. De grond moest in beginsel ongedeeld blijven. Daarmee werd een principe vastgelegd dat eeuwenlang in de Gooise geschiedenis zou terugkeren: de meent moest niet stukje voor stukje verdwijnen in particuliere handen, maar bruikbaar blijven voor de gemeenschap van gerechtigden.

Acht mannen moesten voorkomen dat de sterkste boer alles nam

De regeling van 1404 maakte het beheer opmerkelijk concreet. Er werden acht schaarzetters of schaarmeesters aangewezen. Naarden koos vier mannen, terwijl vier andere vertegenwoordigers uit het gebied van de Gooise dorpen kwamen. Rond Sint-Geertruidendag, 17 maart, bepaalden zij hoeveel vee de gemeenschappelijke grond kon dragen. Dat aantal hoefde niet ieder jaar gelijk te zijn. De beschikbare weide en omstandigheden konden veranderen. Daarmee zien we de middeleeuwse gemeenschap bijna aan het werk: niet een abstract “eeuwenoud recht”, maar mensen die moesten berekenen hoeveel dieren het land kon voeden zonder dat rijke gebruikers de kleinere boeren verdrongen.

De schaar bepaalde hoeveel vee naar de meent mocht

Het begrip schaar kreeg hierdoor een centrale plaats in de Gooise geschiedenis. Het ging om het recht om een bepaalde hoeveelheid vee op de gemeenschappelijke weide te brengen. Dat recht had economische waarde. Een boer met toegang tot de meent hoefde immers niet al zijn weidegrond zelf te bezitten. Maar juist daarom moest het gebruik worden begrensd. Wanneer een welgestelde boer tientallen dieren meer liet grazen, verminderde hij wat voor anderen beschikbaar bleef. De schaarbrief veranderde gemeenschappelijk gebruik daarom in gereguleerd gemeenschappelijk gebruik. Vrijheid bestond alleen zolang ook grenzen werden geaccepteerd. Dat principe zou de organisatie van de Gooise gerechtigden nog eeuwen bepalen.

In 1404 had de gemeenschap zelfs nog geen eigen zegel

Een klein detail uit de schaarbrief vertelt veel over de ontwikkeling van de organisatie. De Gooise gebruikersgemeenschap beschikte kennelijk nog niet over een eigen geschikt landszegel. Daarom moesten externe gezagsdragers helpen bij de formele bezegeling van de overeenkomst. Dat toont hoe ver de organisatie inmiddels was gekomen, maar ook waar haar grenzen lagen. De gebruikers konden gezamenlijk onderhandelen, vertegenwoordigers aanwijzen en regels vaststellen, terwijl zij voor bepaalde formele handelingen nog afhankelijk waren van hogere of externe autoriteiten. De latere organisatie van Stad en Lande moet daarom niet terug in de tijd worden geprojecteerd. Rond 1404 was zij nog volop bezig haar bestuurlijke vorm te ontwikkelen.

Landgooiers, nog geen Erfgooiers

Ook de naam verdient aandacht. De mensen die deze rechten uitoefenden, werden in deze tijd nog niet gewoonlijk Erfgooiers genoemd. In en rond de vroege bronnen komen benamingen voor als Gooiers, Landgooiers, Gooierkinderen, ingeboren Gooiers en Gooilanders. De bekende naam Erfgooier is veel jonger. Dat betekent niet dat het recht zelf jong was, maar wel dat we latere begrippen niet achteloos op de middeleeuwen mogen plakken. De organisatie, het gebruiksrecht én de taal waarmee men beide beschreef, veranderden door de eeuwen heen. Juist dat maakt de schaarbrieven zo waardevol: zij laten die ontwikkeling stap voor stap op papier zichtbaar worden.

Rond 1404 was een Gooise gemeenschap herkenbaar geworden

Vanaf het landschap uit Deel 1 is nu een opmerkelijke ontwikkeling zichtbaar geworden. Eerst waren er akkers en omliggende gronden die boeren nodig hadden. Daarna kwamen Eltense rechten, de Hollandse landsheer en conflicten met naburige gebieden. Vervolgens verschenen gezamenlijke vergaderingen, de hoorn van 1326, de veenkwestie van 1339, de grensregeling van 1356, het conflict rond Naarden in 1396 en uiteindelijk de schaarbrief van 1404. Er was nog geen Erfgooiersvereniging in de moderne betekenis. Wel bestond inmiddels een georganiseerde gemeenschap die haar oude gebruik van het Gooise landschap gezamenlijk regelde en verdedigde. De volgende strijd zou vooral gaan over de moeilijkste vraag van allemaal: wie mocht tot die gemeenschap behoren?

Hier is de definitieve versie van Deel 5 en 6. Ik heb de eerdere tekst behouden, maar de ontbrekende concrete laag toegevoegd: 1449, Wildvang, de kerkdeuren, 1545, 1548, de scherpere bronkritiek rond 1470–1474, en meer van het dagelijkse functioneren achter de rechten.

Deel 5 — Het recht wordt erfelijk

Na 1404 begon de moeilijkste vraag: wie mocht eigenlijk meedoen?

De schaarbrief van 25 januari 1404 had het gebruik van de gemeenschappelijke gronden geregeld, maar daarmee ontstond meteen een moeilijker probleem. Heide, bos, veen en grasland waren eindig. Wanneer iedere nieuwe inwoner dezelfde rechten kreeg, zouden steeds meer mensen aanspraak maken op dezelfde hoeveelheid grond. De Gooise gemeenschap moest daarom bepalen wie werkelijk gerechtigd was. Wonen, boeren, afstamming en daadwerkelijk gebruik waren aanvankelijk nog nauw met elkaar verweven. In de vijftiende eeuw werden deze voorwaarden steeds scherper onderscheiden. Uit het gezamenlijke gebruik van een landschap groeide daardoor geleidelijk een meer gesloten gemeenschap waarin oude gerechtigdheid en afstamming steeds belangrijker werden.

De naam Erfgooier bestond nog niet

We moeten daarbij voorkomen dat we de latere naam Erfgooier te vroeg gebruiken. Albertus Perk vond voor 1404 de benaming Landgoyers. Andere bronnen spreken over Gooiers, Gooierkinderen, ingeboren Gooiers, Gooilanders en later opnieuw over de gemeene Landgoyers. Perks oudste gevonden vermelding van het woord Erfgooier dateerde pas uit 1688, toen werd gesproken over de “ouwe erfgoyers van Goeylandt”. Het recht is dus veel ouder dan de naam. Een Gooise boer uit 1450 behoorde tot de historische gemeenschap waaruit het erfgooierschap voortkwam, maar zou zichzelf niet vanzelfsprekend hebben aangeduid met het woord dat eeuwen later algemeen werd.

3 mei 1442 — de tweede schaarbrief

Op 3 mei 1442 volgde de tweede schaarbrief. Bijna veertig jaar ervaring sinds 1404 had duidelijk gemaakt dat gemeenschappelijk gebruik voortdurend nieuwe regels vereiste. De spanning liep niet alleen tussen Gooiers en buitenstaanders. Ook binnen de gemeenschap konden welgestelde gebruikers veel meer paarden, koeien en schapen bezitten dan kleinere boeren. Wanneer zij hun dieren onbeperkt op de meent brachten, bleef voor anderen minder gras over. Regels over scharing beschermden daarom niet alleen het landschap tegen overbelasting. Ze voorkwamen eveneens dat de rijkste gebruikers de gemeenschappelijke hulpbron feitelijk naar zich toetrokken. Het beheer van de meent was daardoor vanaf het begin ook sociale ordening.

In 1442 verschijnt het aangeërfde schaarrecht

De schaarbrief van 1442 bevat een formulering die voor de latere geschiedenis bijzonder belangrijk is. Er wordt gesproken over mensen aan wie “de schaar aangeërfd is”. Daarmee komt het erfelijke karakter van het gebruiksrecht duidelijk in beeld. Een schaar was dus niet eenvoudig toestemming die iedere inwoner telkens opnieuw kon aanvragen. Gerechtigdheid kon voortkomen uit een reeds bestaande positie binnen de gemeenschap en van eerdere generaties afkomstig zijn. Dat betekent nog niet dat het erfgooierschap van de zeventiende of negentiende eeuw in 1442 al volledig bestond. Wel zien we hoe gebruiksrecht, afkomst en overerving steeds nauwer met elkaar verbonden raakten.

Rijke en arme Landgooiers hadden niet hetzelfde belang

Achter die juridische ontwikkeling stonden gewone boerenhuishoudens. Een kleine boer met enkele koeien had belang bij strenge grenzen aan de scharing. Een vermogende veehouder kon juist voordeel hebben bij ruimere aantallen. Schaapherders rond Laren en Hilversum gebruikten bovendien andere delen van het landschap dan boeren die vooral rundvee hielden. Gemeenschappelijke grond verenigde de Gooiers dus niet automatisch. Dezelfde grond kon hen ook verdelen. Iedere bepaling over aantallen paarden, koeien of schapen had economische gevolgen. De schaarmeesters moesten daarom niet alleen beoordelen hoeveel dieren het landschap kon dragen, maar eveneens voorkomen dat individuele economische macht het gemeenschappelijke gebruik voor kleinere gerechtigden waardeloos maakte.

1439–1449 — de grens bleef gevaarlijk terrein

Ook buiten Gooiland bleven de spanningen bestaan. In 1439 waren er opnieuw klachten over mensen uit het Sticht Utrecht die Gooise of Hollandse gronden gebruikten. Heide, bos en veen hadden geen stenen muren. Een herder volgde zijn dieren, een turfgraver het bruikbare veen en een boer de grond die hij vanouds kende. Daardoor konden bestuurders een grens op perkament vastleggen zonder dat het conflict buiten verdwenen was. Tien jaar later werd duidelijk hoe ernstig zulke geschillen konden worden. In het omstreden veengebied Wildvang moest de Hollandse overheid proberen haar verbod op turfwinning daadwerkelijk bij de bevolking bekend te maken.

1449 — een schout was bang om doodgeslagen te worden

In 1449 kreeg een Hollandse deurwaarder opdracht in Westbroek, Tienhoven, Maarsseveen en Breukelen bekend te maken dat in Wildvang geen turf mocht worden gestoken. Dat bleek gevaarlijker dan een bestuurlijke opdracht doet vermoeden. De schout van Loosdrecht wilde niet meegaan omdat hij vreesde dat zij zouden worden doodgeslagen. Hij stelde slechts een dienaar en een paard beschikbaar. Ook plaatselijke kerkelijke gezagsdragers werkten niet vanzelfsprekend mee. De pastoor van Maarsseveen wilde de Hollandse stukken niet aannemen omdat hij alleen zijn Utrechtse heer erkende. Hier werd een grensgeschil plotseling een conflict tussen mensen die letterlijk verschillende overheden gehoorzaamden.

De Hollandse brieven eindigden op de kerkdeuren

De deurwaarder moest improviseren. Toen plaatselijke autoriteiten de Hollandse bevelen niet wilden aannemen, werden afschriften op kerkdeuren gespijkerd. Daarmee kwam de strijd om turf midden in het dorpsleven terecht. Een bevel uit de grafelijke administratie betekende weinig wanneer niemand ter plaatse bereid was het uit te voeren. De kerkdeur werd daarom een openbaar mededelingenbord waarop Holland zijn aanspraken zichtbaar maakte. Zulke voorvallen tonen wat achter woorden als grensrecht en gebruiksrecht schuilging. De geschiedenis speelde niet alleen in kanselarijen en rechtbanken, maar ook langs veenwegen en bij dorpskerken, tussen gerechtsdienaren, turfstekers en bewoners die niet noodzakelijk dezelfde landsheer erkenden.

1455 — de gemeenschap sloot haar deuren verder

De derde schaarbrief van 1455 verscherpte de afbakening van de gerechtigde gemeenschap. Vooral de instroom vanuit het Sticht vormde een probleem. Wanneer iedere nieuwkomer zich in een Goois dorp kon vestigen en vervolgens dezelfde toegang tot de meenten kreeg, zou het aantal gebruikers toenemen terwijl de hoeveelheid grond gelijk bleef. Een ordonnantie verbood daarom dat een man “uytten Gestichte” eenvoudig Goois poorter of buurman werd. Op overtreding stond volgens de overgeleverde regeling een zware boete van 200 rijders. Woonplaats alleen werd steeds minder voldoende; bestaande gerechtigdheid en afkomst kregen groter gewicht.

Het recht schoof van wonen naar erven

Hier ligt een van de belangrijkste ontwikkelingen naar het latere erfgooierschap. In een oudere situatie lagen woonplaats, boerenbedrijf en gebruik van de omliggende gronden dicht bij elkaar. In de vijftiende eeuw werd steeds belangrijker of iemand het recht van eerdere generaties had ontvangen. Daarmee werd de kring van gerechtigden gesloten. Dat beschermde de bestaande gebruikers tegen een onbeperkte uitbreiding van hun aantal, maar schiep tegelijkertijd een nieuw onderscheid. Twee gezinnen konden naast elkaar in hetzelfde Gooise dorp wonen terwijl slechts één familie toegang had tot bepaalde gemeenschappelijke rechten. De grens van Gooiland liep daardoor niet meer alleen langs het Sticht of Holland; er ontstond ook een juridische grens tussen de inwoners zelf.

De documenten werden het geheugen van de Gooiers

Naarmate het stelsel ingewikkelder werd, werden geschreven stukken belangrijker. Een beroep op “onze voorouders deden dit altijd” kon sterk zijn, maar tegenover een landsheer, rechter of concurrerende gebruiker waren documenten nog sterker. Schaarbrieven, bosbrieven, privileges, ordonnanties, sententies en grensstukken werden daarom het geheugen van de gemeenschap. Eeuwen later zouden dezelfde stukken opnieuw uit archieven worden gehaald wanneer iemand de rechten betwistte. De Gooise gebruiksgemeenschap overleefde niet alleen doordat families hun aanspraken van generatie op generatie doorgaven. Zij overleefde ook doordat opeenvolgende generaties steeds beter leerden aantonen dat hun voorgangers die aanspraken eveneens hadden uitgeoefend.

Deel 6 — Gewoonterecht tegenover vorstelijke macht

Wie eeuwenlang grond gebruikte, was daarmee nog geen eigenaar

Halverwege de vijftiende eeuw kwam een fundamenteler probleem naar voren. De Landgooiers beschouwden het gebruik van heide, bos, weide, veen en moeras als een oud recht. De landsheer kon dezelfde gebieden vanuit een heel andere juridische positie bekijken. Was eeuwenlang gebruik voldoende om rechten te bezitten? Of behoorden ongecultiveerde gronden uiteindelijk tot de landsheerlijke sfeer en konden zij worden uitgegeven of ontgonnen? Deze tegenstelling raakte het hart van het Gooise systeem. De boeren hoefden niet noodzakelijk te beweren dat hun voorouders ooit iedere hectare hadden gekocht. Hun sterkste argument was juist dat hun gemeenschap het land gebruikte sinds een tijd waarvan niemand zich het begin nog kon herinneren.

Karel de Stoute keek anders naar dezelfde wildernissen

Onder Karel de Stoute, die vanaf 1467 over Holland regeerde, werd de spanning scherper. Vanuit de vorstelijke overheid kon worden teruggegrepen op rechten die uiteindelijk samenhingen met de overdracht van Nardinclant in 1280. Daartegenover stonden de Gooiers met hun feitelijke gebruik van beemden, weiden, venen, moerassen, bossen, heiden, wateren, waranden en wildernissen. Voor een vorstelijke administratie konden zulke terreinen als ongecultiveerde gronden worden beschreven. Voor een Gooise boer waren het productieve delen van zijn bedrijf. Zijn dieren graasden er, zijn huishouden haalde er brandstof en materiaal en zijn akkers waren mede afhankelijk van producten uit het omliggende landschap.

1470–1474 — twee rechtsopvattingen botsen

De conflicten uit de jaren 1470, traditioneel vaak rond 1474 geplaatst, moeten zorgvuldig worden beschreven. De precieze identificatie en datering van afzonderlijke procedures vraagt bronkritiek; 1474 mag daarom niet als één eenvoudige beslissende “rechtszaak” worden voorgesteld. De kern van het geschil is echter duidelijk. De Gooise gebruikers beriepen zich op onheuglijk gebruik en op eerder erkende rechten. Zij hoefden niet te bewijzen dat één voorouder de grond ooit had gekocht. Hun argument was dat opeenvolgende generaties paarden, runderen, varkens en schapen op deze gronden hadden gehouden en er turf, plaggen en bosproducten vandaan haalden.

Eigendom en gebruiksrecht gingen steeds duidelijker uiteen

Uit zulke conflicten ontstond geen eenvoudige situatie waarin één partij alles won. Juist het onderscheid tussen eigendom, landsheerlijk gezag en gebruiksrecht werd belangrijker. De overheid kon hogere aanspraken op de grond handhaven, terwijl de Gooise gemeenschap tegelijkertijd haar oude gebruik verdedigde. Daarmee werd een probleem gecreëerd dat eeuwenlang terugkeerde. Als een landsheer of later een overheid eigenaar was, mocht die de grond dan zonder meer verkopen? Als de Gooiers een exclusief gebruiksrecht bezaten, hoeveel waarde had zo'n verkoop dan nog? En wie bepaalde vervolgens wat er met hout, turf, jacht, gras of ontginning gebeurde? De middeleeuwse rechtsstrijd zou daardoor veel langer doorwerken dan de middeleeuwen zelf.

De dorpen raakten onderling verdeeld over het landschap

Ook binnen Gooiland bestond geen eenvoudig gezamenlijk belang. Rond Laren en Hilversum lagen uitgestrekte heidegebieden die vooral voor schapen van betekenis waren. Andere plaatsen hadden gemakkelijker toegang tot noordelijker gelegen graslanden. Een boer kon dus formeel tot dezelfde gemeenschap behoren maar praktisch veel meer voordeel hebben van bepaalde gronden dan zijn buurman uit een ander dorp. Dat maakte het verdelen van lasten en rechten bijzonder lastig. Wanneer boeren uit noordelijke plaatsen schapen naar de heiden rond Laren en Hilversum brachten, terwijl Larense of Hilversumse gebruikers weinig voordeel hadden van verafgelegen meenten, kon een juridisch gelijk recht in de praktijk zeer ongelijk uitpakken.

Rond 1516 — boeren en schaapherders kwamen tegenover elkaar te staan

Rond 1516 liepen dergelijke tegenstellingen hoog op. Naarden, Huizen en Bussum stonden in conflicten tegenover vooral Laren en Hilversum. Rundveehouders en schaapherders gebruikten het landschap anders en hadden daardoor verschillende belangen. In procesmateriaal wordt zelfs melding gemaakt van het verjagen van herders en geweld. Voor een schaapherder was dat geen theoretische discussie over markerecht. Wanneer zijn kudde niet op de heide mocht komen, verloor hij de ruimte waarop zijn bedrijf was gebaseerd. De gemene grond kon de Gooise bevolking tegenover buitenstaanders verenigen, maar precies dezelfde grond kon dorpen en gebruikersgroepen binnen Gooiland fel tegenover elkaar zetten.

De heide van Laren en Hilversum was productieland

Het is daarom misleidend de Gooise heide als waardeloze “woeste grond” voor te stellen. Schapen vonden er voedsel en leverden wol, vlees en mest. Plaggen en ander organisch materiaal konden in het landbouwsysteem worden benut. Het open landschap had dus economische betekenis, ook wanneer het geen akker was. Dat verklaart waarom conflicten over toegang zo hardnekkig konden worden. Voor een landsheer kon ontginning een verbetering van ongecultiveerde grond lijken. Voor een bestaande gebruiker kon dezelfde ontginning betekenen dat hij een essentieel deel van zijn bedrijfsruimte verloor. Het verschil tussen beide perspectieven loopt als een rode draad door de verdere geschiedenis van de Gooise meenten.

1545 — turf en hout mochten niet zomaar verdwijnen

In 1545 maakten Hilversum, Naarden en andere Gooise partijen opnieuw afspraken over gemeenschappelijke hulpbronnen. Vooral de uitvoer van turf en hout werd streng aangepakt. Volgens het overgeleverde materiaal kon een overtreder een boete van vijftig Carolusgulden krijgen en bovendien zijn paard en wagen verliezen. Dat waren buitengewoon tastbare straffen. Een paard en wagen waren voor een boerenbedrijf kostbare productiemiddelen waarmee mest, hooi, turf, graan en andere goederen werden vervoerd. Wie gemeenschappelijk materiaal voor eigen winst buiten Gooiland bracht, onttrok iets aan een voorraad waarvan ook andere gerechtigden afhankelijk waren. Daarom werd dergelijke handel niet als een onschuldige bijverdienste behandeld.

1548 — ook vreemdelingen bleven een probleem

Een vonnis uit 1548 laat zien dat de afbakening van de gemeenschap nog altijd niet voltooid was. In het stuk werd gesproken over uitheemsen, het binnenbrengen van vreemdelingen, de Gooiers en die van Naarden en de Gooilanders. Daarmee keren dezelfde vragen terug die al in 1455 speelden. Wie mocht zich binnen de gemeenschap vestigen? Wanneer kreeg een inwoner toegang tot de gemeenschappelijke hulpbronnen? En kon iemand door huwelijk, verhuizing of andere omstandigheden alsnog binnen de kring komen? Iedere nieuwe gerechtigde betekende potentieel meer dieren, meer houtgebruik en meer aanspraken op dezelfde eindige hoeveelheid grond. Afstamming werd daardoor niet alleen een kwestie van identiteit, maar ook een instrument om economische druk te begrenzen.

Het Gooiersbos vormde een tweede strijdtoneel

Naast de weiden en heiden kende Gooiland gemeenschappelijk gebruikte bossen. Vooral het Gooiersbos speelde een belangrijke rol. Hout was nodig voor huizen, schuren, hekken, gereedschappen en vuur. Maar een bos kon sneller verdwijnen dan een geschreven recht. Wanneer grote bomen werden gekapt en jonge opslag geen kans kreeg, veranderde een bos uiteindelijk in struikgewas of open terrein. Ook strooisel en andere bosproducten werden meegenomen. Daarom moest niet alleen het vee worden gereguleerd. Houtgebruik vereiste eveneens toezicht en onderlinge afspraken. De geschiedenis van de Gooise gemene gronden werd zo ook een geschiedenis van landschapsverandering: van bos naar steeds opener terrein.

Willem Turck en Josina van Nijenrode verschijnen in het bosconflict

In de zestiende-eeuwse strijd rond het bos komen ook individuele namen naar voren. Willem Turck speelde een rol in de conflicten over rechten en beheer. Na zijn dood probeerde Josina van Nijenrode opnieuw tot afspraken te komen. In 1552 nodigde zij Naarden en de Gooise dorpen uit voor overleg. Niet iedereen wilde meewerken. Een inspectie van het bos leverde ondertussen een somber beeld op: grote bomen waren verdwenen, overal stonden stronken en zelfs strooisel werd weggehaald. Hier werd zichtbaar wat onbeperkt gebruik kon veroorzaken. Een recht om hout te gebruiken had uiteindelijk weinig betekenis wanneer door datzelfde gebruik het bos waarvan iedereen afhankelijk was verdween.

1555 — bij De Vuursche moest de grens opnieuw worden vastgelegd

Ook aan de zuidzijde bleef de begrenzing van Gooiland problemen veroorzaken. In 1555 kwam een akkoord tot stand met Johan van Culemborg, heer van De Vuursche, over de afscheiding van gronden. Daarmee herhaalde zich een patroon dat al bij Eemnes en Wildvang zichtbaar was. Een grens die plaatselijke bewoners uit gewoonte meenden te kennen, moest tegenover naburige heren en gebruikers juridisch worden bewezen. De Gooise gemeenschap moest dus twee dingen tegelijk doen: intern bepalen wie hoeveel mocht gebruiken en extern verdedigen waar het gemeenschappelijke gebruiksgebied begon en eindigde. Beide waren noodzakelijk om een eindige hoeveelheid grond voor de gerechtigden beschikbaar te houden.

1568 — de vierde schaarbrief brengt opnieuw orde

In 1568 volgde een vierde belangrijke schaarbrief. De hoeveelheid groot vee die een gerechtigde op de gemeenschappelijke gronden mocht brengen werd opnieuw beperkt. In de overgeleverde uitleg verschijnt een maximum van zes schaarbeesten. Tegelijk moest rekening worden gehouden met de bijzondere positie van de schapenhouderij rond Laren en Hilversum. Daarmee keerde het bestuur terug naar hetzelfde probleem dat al in 1404 zichtbaar was: hoeveel dieren kon het landschap dragen zonder dat de ene gebruiker de andere verdrong? Meer dan anderhalve eeuw schriftelijke regelgeving had die natuurlijke grens niet weggenomen. Iedere generatie moest opnieuw bepalen hoe een oud collectief recht in veranderende economische omstandigheden bruikbaar bleef.

Oud-Bussum kreeg een uitzonderlijk dubbel schaarrecht

Binnen dezelfde rechtswereld kreeg Groot- of Oud-Bussum een opmerkelijke uitzonderingspositie. Pauwels van Loo, kastelein van Muiden en baljuw van Gooiland, kreeg wegens bewezen diensten een regeling waarbij de bewoner van zijn pachthuis dubbel mocht scharen, zelfs wanneer die bewoner persoonlijk niet volgens de gewone weg gerechtigd was. Ook zijn vrouw Anna van Rosseau, hun kinderen en latere rechthebbenden werden bij deze rechten betrokken. Daardoor werd het gebruiksrecht hier uitzonderlijk sterk aan een bepaalde hofstede verbonden. Wat in de zestiende eeuw misschien als een bijzondere gunst kon worden gezien, zou later een bron van grote juridische problemen worden wanneer nieuwe bezitters van Oud-Bussum zich opnieuw op deze oude rechten beriepen.

In 1568 was het systeem sterker én ingewikkelder dan ooit

Tussen 1404 en 1568 waren de Gooise gebruiksrechten ingrijpend veranderd. De schaarbrieven van 1404, 1442, 1455 en 1568 regelden het gebruik steeds nauwkeuriger. Het recht werd sterker met overerving verbonden, buitenstaanders werden geweerd en grenzen bewaakt. Tegelijk ontstonden uitzonderingen, conflicten tussen dorpen en verschillen tussen rijke en arme gebruikers. De Landgooiers behielden hun gemeenschappelijke gronden dus niet doordat hun stelsel eeuwenlang onveranderd bleef. Ze behielden ze juist doordat iedere generatie regels aanpaste, documenten bewaarde, processen voerde en grenzen verdedigde. In 1568, het jaar waarin ook de Nederlandse Opstand begon, stond in Gooiland inmiddels een gemeenschap met eeuwen ervaring in het verdedigen van haar rechten.

Hier is de definitieve versie van Deel 7 en 8. Ik heb de concrete punten gecontroleerd en aangescherpt. Vooral 1619, 1625–1634, Hinlopen 1705, de lijst van 31 augustus 1708 en de kaart van 1709 zijn nu preciezer. Ook heb ik echte namen uit de Larense registratie toegevoegd.

Deel 7 — Stad en Lande krijgt een bestuur en een geheugen

Na 1568 moesten oude rechten iedere dag worden bestuurd

De schaarbrief van 1568 had opnieuw grenzen gesteld aan het gebruik van de Gooise meenten, maar een geschreven regeling voerde zichzelf niet uit. Jaar na jaar moesten mensen beslissen hoeveel vee het land kon dragen, overtredingen controleren, grenzen bewaken, geld beheren en conflicten oplossen. Tegelijk veranderde de wereld rondom Gooiland. Holland raakte verwikkeld in de Nederlandse Opstand, Amsterdam groeide en vermogende stedelingen kregen belangstelling voor Gooise grond. De oude gemeenschap van Landgooiers moest daardoor steeds meer als een werkelijk bestuur functioneren. De geschiedenis verschuift geleidelijk van afzonderlijke schaarbrieven naar vergaderingen, functionarissen, financiën, resoluties, kaarten en uiteindelijk een omvangrijk eigen archief.

Stad en Lande ontstond niet op één dag

De Vergadering van Stad en Lande van Gooiland moet niet worden voorgesteld als een vereniging die op één bepaalde dag werd opgericht. Zij groeide voort uit de veel oudere samenwerking tussen Naarden en de Gooise dorpen. De stad was Naarden; het land bestond uit de omliggende Gooise gemeenschappen. Naarmate het bestuur ingewikkelder werd, moesten besluiten steeds vaker schriftelijk worden vastgelegd. Daarmee veranderde ook de aard van de organisatie. De gemeenschap die eeuwen eerder nog door een hoorn bijeen kon worden geroepen, ontwikkelde een administratie waarmee oude rechten konden worden aangetoond en nieuwe besluiten voor volgende generaties konden worden bewaard.

Naarden bleef het bestuurlijke zwaartepunt

Naarden behield daarbij een bijzondere positie. Het was een stad met andere economische en bestuurlijke belangen dan Laren, Hilversum, Huizen, Blaricum en Bussum. Toch waren stad en dorpen door dezelfde gemene gronden aan elkaar verbonden. Een Larense schaapherder keek anders naar de heide dan een Huizer veeboer, terwijl Naardense bestuurders opnieuw andere belangen konden hebben. Stad en Lande was daarom nooit een idyllische gemeenschap waarin iedereen hetzelfde wilde. De organisatie was juist noodzakelijk omdat belangen voortdurend botsten. Gemeenschappelijk bezit vereiste niet alleen eensgezindheid, maar vooral een bestuurlijke manier om ruzie, schaarste en concurrerende aanspraken in regels en besluiten om te zetten.

1619 — een Portugese prins wilde grond bij Hilversum

In oktober 1619 liep prins Emanuel van Portugal (1568–1638) over het Eerste en Tweede Blok ten westen en zuidwesten van Hilversum. Emanuel was door zijn huwelijk verbonden met de familie van Willem van Oranje en zag mogelijkheden om in het gebied buitenplaatsen aan te leggen. Hij vroeg de Gooise baljuw Pieter Corneliszoon Hooft (1581–1647) toestemming om grond te kopen. Hooft weigerde. Op deze terreinen rustten de gebruiksrechten van de Gooise gerechtigden en daar kon de baljuw niet eenvoudig aan voorbijgaan. Een landschap dat voor Emanuel geschikt leek voor buitenplaatsen, was voor Gooise boeren onderdeel van hun economische bestaansruimte.

Voor een Amsterdammer was wildernis voor een Gooier boerenland

Dat verschil in perspectief zou steeds belangrijker worden. Stedelijke investeerders konden naar zand, heide, struikgewas en natte grond kijken en een gebied zien dat door ontginning economisch waardevoller kon worden. Een Gooise boer keek anders. Zijn schapen gebruikten de heide, koeien en paarden hadden gras nodig en plaggen, strooisel, hout en andere producten waren onderdeel van het landbouwbedrijf. Grond hoefde niet omgeploegd, omheind of bebouwd te zijn om waarde te hebben. Juist de botsing tussen deze twee ideeën — ontginnen om waarde te creëren tegenover gebruiken omdat het land al waarde had — zou enkele jaren later rond 's-Graveland tot een groot conflict leiden.

15 maart 1625 — Amsterdamse ondernemers krijgen hun kans

Op 15 maart 1625 verleenden de Staten van Holland een octrooi voor de ontginning van grond ten westen van Hilversum. Het ging om ruim 500 hectare, later verdeeld in 27 kavels. Onder de initiatiefnemers bevond zich Jan Ingel. De Amsterdamse ondernemers wilden het zand afgraven, het gebied ontginnen en er landbouwgrond en later buitenplaatsen ontwikkelen. Het afgegraven zand kon bovendien worden gebruikt voor de grote Amsterdamse stadsuitbreidingen. Voor de Gooise gebruikers betekende het project echter dat een aanzienlijk gebied waarop zij gebruiksaanspraken maakten uit het bestaande gemeenschappelijke landschap dreigde te verdwijnen.

P.C. Hooft kwam tussen twee werelden terecht

De positie van P.C. Hooft werd hierdoor opmerkelijk. In 1619 had hij Emanuel van Portugal nog afgeraden de Gooise grond te kopen vanwege de bestaande gebruiksrechten. Enkele jaren later werd hij betrokken bij de ontwikkeling van 's-Graveland en zou hij uiteindelijk zelf tot de gegadigden voor een kavel behoren. Hooft was niet alleen dichter en bewoner van het Muiderslot, maar ook baljuw van Gooiland. Hij bevond zich daardoor tussen de Hollandse overheid, Amsterdamse ondernemers en Gooise gebruikers. In 1634 behoorde hij tot degenen die een kavel kregen; hij deed die echter binnen korte tijd weer van de hand.

1626 — de Gooiers gooiden de ontginningen omver

De Gooise gebruikers beperkten zich niet tot juridische bezwaren. Toen de werkzaamheden begonnen, werd daadwerkelijk tegen de ontginning opgetreden. Aangelegde werken werden vernield en ongedaan gemaakt. De Staten van Holland moesten ingrijpen om verdere verstoring te voorkomen. Hier zien we hoe diep het conflict zat. Voor Amsterdamse ondernemers betekenden greppels, kavels en ontwatering het begin van verbetering. Voor de Gooiers betekenden dezelfde werkzaamheden dat grond die zij generaties hadden gebruikt fysiek aan hun wereld werd onttrokken. Het recht op papier en het landschap buiten kwamen rechtstreeks tegenover elkaar te staan. Het conflict om 's-Graveland werd daarmee een van de grootste vroegmoderne botsingen rond de Gooise gemene gronden.

De riek werd later het symbool van het Gooise verzet

In de herinnering aan zulke conflicten kreeg de riek of mestvork later bijna symbolische betekenis. Het was gewoon boerenwerktuig, maar paste bij het beeld van Gooise boeren die hun gemeenschappelijke grond tegen invloedrijke buitenstaanders verdedigden. Niet ieder kleurrijk detail uit latere verhalen kan rechtstreeks uit zeventiende-eeuwse documenten worden bevestigd. Het daadwerkelijke verzet tegen de ontginning staat echter vast. Daarvoor is geen legende nodig. Gooise gebruikers zagen hoe werkzaamheden hun oude gebruikslandschap veranderden en grepen daadwerkelijk in. Daarmee kreeg een eeuwenoude juridische vraag een heel fysieke vorm: hoeveel macht had een gebruiksrecht wanneer iemand anders met toestemming van de overheid begon te graven?

1632 — het gemeenschappelijke land kreeg een rekening

De organisatie van Stad en Lande werd ondertussen steeds zakelijker. Gemeenschappelijke grond bracht niet alleen rechten maar ook gezamenlijke lasten met zich mee. Belastingen moesten worden betaald, processen kostten geld en bestuur en toezicht moesten worden georganiseerd. In de administratie zien we daardoor steeds duidelijker een financiële huishouding ontstaan. De oude gemeenschap van gerechtigden werd tegelijkertijd een bestuurlijke organisatie die inkomsten en uitgaven moest kunnen verantwoorden. Dat veranderde de aard van het erfgooiersrecht. Een mondeling beroep op de gebruiken van voorouders bleef belangrijk, maar een organisatie die geld beheerde en rechtszaken voerde had daarnaast rekeningen, registers, besluiten en bewaard bewijs nodig.

1634 — na jaren strijd kwam het compromis over 's-Graveland

Pas in 1634 werd een overeenkomst bereikt waardoor de ontwikkeling van 's-Graveland daadwerkelijk kon doorgaan. In juni werden de 27 kavels verdeeld. De nieuwe ontginning bleef bestaan, maar moest rekening houden met de bestaande Gooise rechten. De inwoners van 's-Graveland werden niet simpelweg door hun vestiging gerechtigde Gooiers. Dat onderscheid was fundamenteel. Een nieuwe gemeenschap kon geografisch midden tussen oude Gooise gebruiksgebieden ontstaan zonder daarmee automatisch toegang te krijgen tot alle overige meenten. Na de overeenkomst werden de ontginningen voortgezet; later ontstond langs de 's-Gravelandse Vaart het landschap van buitenplaatsen waarvoor de streek bekend zou worden.

Afkomst en werkelijk gebruik groeiden verder uit elkaar

Daarmee werd een ontwikkeling versterkt die al eerder zichtbaar was. Afstamming, woonplaats en daadwerkelijk gebruik waren niet noodzakelijk hetzelfde. Iemand kon uit een gerechtigde Gooise familie stammen maar buiten het gebied wonen. Omgekeerd kon iemand zich in de omgeving vestigen zonder daarmee automatisch dezelfde oude rechten te verkrijgen. Dit onderscheid zou later van enorme betekenis worden. Uiteindelijk ontstonden gerechtigden die zelf geen vee hielden en zelfs gerechtigden die tijdelijk buiten het Gooi woonden. Het recht werd steeds duidelijker iets wat een persoon door afkomst kon bezitten, terwijl de praktische uitoefening ervan afhankelijk bleef van woonplaats, vee en geldende regels.

Het recht van de voorouders kwam steeds vaker uit een archiefkist

Naarmate conflicten ingewikkelder werden, groeide ook het belang van oude documenten. Schaarbrieven, grensregelingen, processtukken, financiële stukken en kaarten werden zorgvuldig bewaard. Wanneer een buitenstaander een Goois recht betwistte, konden oude documenten opnieuw tevoorschijn worden gehaald. Daarmee kreeg de gemeenschap een schriftelijk geheugen. Wat vroeger vooral door plaatselijke kennis en gewoonte was doorgegeven, kon nu met papier, perkament, zegels en oude uitspraken worden verdedigd. Deze ontwikkeling was essentieel. Zonder een eigen administratie zou het voor Stad en Lande steeds moeilijker zijn geworden om tegenover Hollandse bestuurders, rechters en kapitaalkrachtige grondbezitters eeuwenoude aanspraken aannemelijk te maken.

Deel 8 — Van Landgooier naar Erfgooier

Na 1650 werd het oude recht steeds administratief

De grote conflicten trekken de aandacht, maar Stad en Lande functioneerde vooral in de jaren tussen zulke botsingen. Bestuurders moesten beslissen over beweiding, schapen, hout, plaggen, turf, grenzen, overtredingen, financiën en gerechtigden. Regels vertellen daarbij vaak wat mensen werkelijk deden. Een verbod op overmatige houtkap wijst op houtkap; een boete voor verkeerd ingeschaard vee bewijst dat gebruikers probeerden meer dieren op de meent te brengen. Achter de administratie stonden boeren die hun voordeel zochten, buren die elkaar aangaven en functionarissen die moesten controleren. Het systeem bleef bestaan doordat overtredingen telkens opnieuw in bestuurlijke regels werden vertaald.

Het landschap bepaalde nog altijd het boerenjaar

Voor een scharende Gooier was de meent geen juridische abstractie. Koeien en paarden moesten naar grasland, terwijl de heiden rond Laren en Hilversum vooral voor de schapenhouderij van betekenis waren. Hout, turf, plaggen en strooisel bleven eveneens economische producten. De eigen boerderij en de gemeenschappelijke grond vormden samen één bedrijfssysteem. Een gezin kon een huis en akkers bezitten, maar zonder toegang tot voldoende weide en andere hulpbronnen economisch kwetsbaar zijn. Dat verklaart waarom de oude rechten ondanks alle bestuurlijke veranderingen hun waarde behielden. Achter iedere resolutie van Stad en Lande bleef uiteindelijk dezelfde vraag liggen: hoeveel van het Gooise landschap mocht een huishouden gebruiken?

Het recht raakte steeds sterker verbonden met familie

In de zeventiende eeuw werd tegelijkertijd duidelijker dat gerechtigdheid niet uitsluitend voortkwam uit feitelijk boerengebruik. Afstamming kreeg steeds groter gewicht. Daardoor konden recht en gebruik van elkaar losraken. Een man uit een gerechtigde familie kon rechten bezitten terwijl hij op dat moment geen koe of paard op de meent had. Een ander kon een groot boerenbedrijf bezitten maar zonder de vereiste afkomst niet dezelfde positie hebben. Deze ontwikkeling verklaart waarom genealogie later zo belangrijk werd. Een familieband was niet alleen iets om trots op te zijn. Zij kon bepalen of iemand toegang had tot waardevolle gemeenschappelijke grond.

Rond 1688 verschijnt eindelijk het woord Erfgooier

Pas laat verschijnt de naam waarmee de gemeenschap tegenwoordig het bekendst is. Albertus Perk vond een aantekening uit 1688 waarin sprake was van de “ouwe erfgoyers van Goeylandt”. Dat is eeuwen later dan de schenking aan Elten, de eerste vergaderingen en de schaarbrieven. Het woord Erfgooier mag daarom niet als bewijs worden gebruikt dat sinds 968 een organisatie met die naam bestond. De ontwikkeling was veel geleidelijker. Landgooiers, ingeboren Gooiers en andere historische benamingen gingen vooraf aan de latere Erfgooier. De continuïteit zat in de rechten en families, niet in één onveranderde organisatie of één onveranderde naam.

Een nieuwe naam voor een veel oudere rechtenwereld

Juist rond deze tijd paste het woord Erfgooier steeds beter bij wat het recht geworden was. Het gebruiksrecht was sterk verbonden geraakt met overerving. Toch bleef er een wezenlijk verschil tussen iemand die het recht bezat en iemand die het daadwerkelijk gebruikte. Niet iedere gerechtigde was boer, niet iedere boer hield vee en niet iedere afstammeling woonde voortdurend in Gooiland. Daarmee ontstond langzaam de scheiding die later zo belangrijk werd tussen scharende, niet-scharende en uitwonende gerechtigden. Het middeleeuwse recht op gezamenlijk boerenland was bezig een erfelijk juridisch recht van honderden afzonderlijke personen te worden.

1705 — François Hinlopen laat zijn vee zonder betaling inscharen

De volgende grote botsing begon rond Oud-Bussem. De rijke Amsterdammer François Hinlopen (1657–1735) bezat daar een hofstede. Tot 1702 had hij betaald om zijn koeien en paarden op de Gooise weiden te laten lopen. Hinlopen vond echter dat hij en zijn oom Michel Hinlopen (1619–1708) door hun langdurige verblijf en de oude rechten van Oud-Bussem zelf schaarrecht hadden. In 1705 liet François zijn vee zonder betaling de meent opgaan. De schaarmeesters namen de dieren onmiddellijk in beslag en verkochten ze volgens de geldende regels openbaar. Daarmee begon een proces dat onbedoeld de hele Erfgooiersgemeenschap nauwkeuriger zou vastleggen dan ooit tevoren.

Oud-Bussem bezat inderdaad een oude uitzondering

Hinlopen had niet alles uit de lucht gegrepen. Aan de oude hofstede Oud-Bussem was een bijzonder zakelijk schaarrecht verbonden. De discussie ging echter over de vraag hoever dat recht reikte en of Hinlopen er persoonlijk aanspraak op kon maken. Stad en Lande stelde daartegenover dat hij geen “man uit man geboren Gooier” was en dus niet persoonlijk het gewone erfgooiersrecht bezat. Het zakelijke recht van de hofstede werd erkend, maar dat maakte Hinlopen nog geen gewone gerechtigde. Bovendien was het oude huis in het Rampjaar 1672 verwoest en daarna kennelijk op een iets andere plaats herbouwd, wat de juridische kwestie nog ingewikkelder maakte.

Een tegenstander dwong de Erfgooiers zichzelf te bewijzen

Hinlopen bracht de zaak voor het gerecht en verloor, maar zijn optreden had een onverwacht gevolg. De overheid begon fundamentele vragen te stellen: wie waren die Erfgooiers eigenlijk, wat hield hun schaarrecht in en waar lagen hun gemene gronden precies? Mondeling geheugen en verspreide oude stukken waren niet langer voldoende. Er moest een overzicht komen van de gerechtigden én van het landschap waarop zij hun rechten uitoefenden. Zo dwong juist iemand die de rechtspositie van de Erfgooiers betwistte de gemeenschap ertoe zichzelf veel nauwkeuriger vast te leggen. De tegenstander van het systeem hielp daarmee onbedoeld een van de belangrijkste bewijzen voor het voortbestaan ervan creëren.

31 augustus 1708 — 1.088 gerechtigden krijgen een naam

Op 31 augustus 1708 werd de beroemde lijst van gerechtigden vastgelegd. Zij bevatte 1.088 namen. Daarvan waren volgens de sterkste reconstructie 464 scharend en 624 niet-scharend. Dat betekent dat een meerderheid wel gerechtigd was maar op dat moment zelf geen vee op de gemeenschappelijke weiden liet lopen. Recht en praktisch boerengebruik waren dus duidelijk uit elkaar gegroeid. De lijst omvatte mensen uit Naarden, Bussum, Hilversum, Huizen, Laren en Blaricum, maar ook uitwonenden kwamen in de administratieve wereld voor. Vanaf dit moment kreeg een eeuwenoud collectief gebruiksrecht letterlijk honderden individuele namen.

In Laren verschijnen Schaapherder, Huisman, Bus, Mol en Roelen

De lijst wordt pas werkelijk menselijk wanneer we enkele namen zien. Onder de Larense gerechtigden komen familienamen voor als Schaapherder, Huisman, Bus, Mol en Roelen. Daarnaast treffen we registraties aan als “de kinderen van Tijmen Tijmens Jansz”, “de weduwe Gerrit Huijbertsz” en “de weduwe Jannetje Elbertsz”. Daarmee verschijnen achter het woord Erfgooier gezinnen, overleden vaders, weduwen en kinderen. Het recht raakte dus niet alleen aan vee en grond, maar ook aan huwelijk, overlijden, familie en erfopvolging. Een regel over de Gooise meent kon rechtstreeks bepalen welke economische positie een huishouden na het overlijden van een gerechtigde behield.

Ook ongeveer veertig Bussumers stonden tussen de gerechtigden

De verdeling was niet in ieder dorp gelijk. Bussum telde in de registratie slechts ongeveer veertig gerechtigden. Dat maakt duidelijk hoe verschillend de Gooise gemeenschappen in omvang waren. Toch maakten ook deze Bussumers deel uit van hetzelfde rechtensysteem als de veel grotere groepen elders. De lijst van 1708 werd later van uitzonderlijk belang: wie aanspraak wilde maken op het erfgooierschap moest zijn afstamming uiteindelijk kunnen verbinden met een gerechtigde uit deze historische registratie. Een bestuurlijke lijst die ontstond uit een conflict over vee veranderde daardoor in een genealogisch fundament dat nog ruim tweeënhalve eeuw betekenis zou houden.

1709 — nu werd ook het land zelf opgemeten

Na de mensen moest het landschap worden vastgelegd. In 1709 werd een kaart voltooid waarop de Gooise gemene gronden werden aangegeven. Volgens de latere opmeting ging het om ongeveer 6.732 Rijnlandse morgen, ongeveer 5.732 hectare en daarmee ruwweg de helft van Gooiland. Daaronder bevonden zich heidegronden, bossen, venen, graslanden en andere terreinen. In 1719 werd vanwege een nieuw grensgeschil met Utrecht opnieuw een kaart gemaakt. Waar grenzen ooit door plaatselijke herinnering, palen en herkenningspunten werden bewaakt, verschenen nu landmeters, oppervlaktematen en nauwkeuriger kaarten. Het erfgooiersrecht werd daarmee ook cartografisch vastgelegd.

Rond 1710 stonden mens én landschap op papier

Daarmee was een ontwikkeling van bijna vier eeuwen voltooid. In 1326 verschenen de goede lieden van Gooiland nog als collectief dat door een hoorn bijeenkwam. In 1404 werd hun scharing schriftelijk geregeld. In de vijftiende en zestiende eeuw werd het recht steeds sterker aan afkomst gekoppeld. Rond 1688 verscheen de naam Erfgooier. En in 1708–1709 stonden zowel de gerechtigden als hun gemeenschappelijke landschap op papier en kaart. Dat maakte het systeem sterker bewijsbaar dan ooit. Maar precies die nauwkeurigheid bracht een nieuw probleem mee: wat moest er gebeuren wanneer het aantal erfelijke gerechtigden bleef groeien, terwijl de hoeveelheid Gooise grond niet groter werd?

Ik vind Deel 9–11 inhoudelijk een goede overgang, maar de vorige versie was nog niet definitief. Deel 9 heeft een sterke lijn van rechten → landschap → schaarste → economische waarde. Deel 10 is belangrijk omdat de zes Gooise plaatsen eindelijk ieder een eigen karakter krijgen. Deel 11 maakt vervolgens begrijpelijk waarom het eeuwenoude systeem in de negentiende eeuw in een totaal andere wereld terechtkwam.

Wat ik vooral wilde verbeteren, was de historische precisie. Sommige formuleringen over de Leeuwenpalen, de economische ontwikkeling van de dorpen en de Franse/Bataafse tijd waren te stellig of te algemeen. Ook mocht Deel 10 meer geschiedenis bevatten dan alleen een beschrijving van de dorpen. Daarom heb ik hieronder niets van de hoofdlijn weggegooid, maar wel aangescherpt en uitgebreid. De chronologie loopt nu door naar 1832, zodat het volgende deel werkelijk met de moderne Erfgooierskwestie kan beginnen.

Deel 9 — Het recht groeit, maar het land niet

Na 1708 kon Stad en Lande tellen wie gerechtigd was

De lijst van 31 augustus 1708 had een eeuwenoude gemeenschap in afzonderlijke namen vastgelegd. Dat maakte het bestuur overzichtelijker, maar loste het belangrijkste probleem niet op. Het erfgooiersrecht kon binnen families worden doorgegeven, terwijl de oppervlakte van de meenten niet meegroeide. Bovendien waren lang niet alle gerechtigden nog daadwerkelijk veehouder. Van de 1.088 geregistreerde gerechtigden werden er 464 als scharend en 624 als niet-scharend aangeduid. Daarmee was een ontwikkeling zichtbaar die grote gevolgen zou krijgen: gerechtigdheid en daadwerkelijk gebruik van de grond waren niet langer hetzelfde. Het recht kon voortbestaan wanneer de koeien, paarden of schapen uit een huishouden verdwenen.

Een scharende en een niet-scharende Erfgooier hadden andere belangen

Voor een scharende Erfgooier was de meent dagelijkse bedrijfsruimte. Een droog voorjaar, slecht gras of beperking van het aantal dieren kon rechtstreeks zijn huishouden raken. Een niet-scharende gerechtigde bezat eveneens een erfelijk recht, maar gebruikte het op dat moment niet voor vee. Daardoor konden binnen dezelfde gemeenschap verschillende economische belangen ontstaan. De scharende boer had vooral belang bij behoud van voldoende weidegrond. Een gerechtigde zonder vee kon gemakkelijker belangstelling krijgen voor andere opbrengsten van het gemeenschappelijke bezit. Dat betekende niet dat beide groepen voortdurend tegenover elkaar stonden. Wel ontstond hier een structurele tegenstelling die later steeds belangrijker werd wanneer verkoop en verdeling van grond ter sprake kwamen.

De kaart van 1709 veranderde landschap in meetbare grond

Na de registratie van de mensen werd ook hun landschap nauwkeuriger vastgelegd. De kaart van 1709 bracht de gemeenschappelijke gronden van Gooiland in beeld. Heide, bos, veen, grasland en andere terreinen konden voortaan niet alleen door gebruik, oude grenspunten en plaatselijke herinnering worden beschreven, maar ook door lijnen en oppervlaktematen. Dat veranderde ongemerkt de manier waarop naar de meenten kon worden gekeken. Voor een herder bleef de heide een plaats waar zijn kudde voedsel vond. Voor een bestuurder werd hetzelfde terrein tegelijkertijd een begrensde oppervlakte. Zodra land nauwkeurig kon worden gemeten, kon het uiteindelijk ook gemakkelijker worden gewaardeerd, verdeeld, verpacht of verkocht.

1719 — opnieuw moesten Holland en Utrecht hun grens bepalen

De kaart van 1709 betekende niet dat alle grensproblemen waren verdwenen. In 1719 moest opnieuw naar de grens tussen het Hollandse Gooiland en het Sticht Utrecht worden gekeken. De oostelijke en zuidelijke rand liep door heide, bos en andere terreinen waarin een natuurlijke grens lang niet altijd zichtbaar was. Oude palen konden verdwijnen, verrotten of worden verplaatst. Een onduidelijke grens was meer dan een cartografisch probleem. Achter iedere lijn konden rechten op beweiding, hout, turf en andere hulpbronnen liggen. Daarom werden landmeters, kaarten en grensmarkeringen steeds belangrijker. Een landschap dat eeuwenlang vooral door gebruik was gekend, werd steeds nauwkeuriger door bestuurders en deskundigen beschreven.

De grens werd uiteindelijk in steen zichtbaar

Langs delen van de grens tussen Noord-Holland en Utrecht herinneren de Leeuwenpalen aan deze eeuwenlange afbakening. Bij onder meer Hilversum en Lage Vuursche staan natuurstenen grenspalen met heraldische tekens van beide gewesten. Zij behoren tot een latere, tastbare fase van een grensgeschiedenis die al in de middeleeuwen begon. Ook watergangen zoals de Gooiergracht, langs Blaricum en Laren richting Hilversum, werden onderdeel van het grenslandschap. We moeten deze stenen palen niet zonder meer terugplaatsen in 1719: grenslijnen konden veel ouder zijn dan de nog bestaande markeringen. Juist de opeenvolging van houten palen, watergangen, kaarten en stenen grensstenen laat zien hoe hardnekkig de kwestie was.

Ook binnen Gooiland kon de meent stukje voor stukje verdwijnen

Niet alleen de buitengrens moest worden bewaakt. Binnen Gooiland konden particuliere akkers, erven en andere bezittingen langzaam tegen de gemeenschappelijke grond opschuiven. Een hek dat verder werd gezet, een sloot die anders werd gegraven of een akker die de heide in werd uitgebreid kon op zichzelf weinig lijken. Wanneer zulke veranderingen zich tientallen jaren herhaalden, kon de gemeenschap echter aanzienlijke oppervlakten verliezen. Het toezicht op de meenten ging daarom ook over kleine dagelijkse grensoverschrijdingen. Het spectaculaire conflict rond 's-Graveland was slechts één vorm van grondverlies. Veel moeilijker te herkennen was de langzame aantasting door tientallen afzonderlijke gebruikers die ieder een klein stukje extra probeerden te benutten.

Het Gooise bos droeg de sporen van eeuwen gebruik

Ook het landschap zelf veranderde. Veel vroegere bosgronden waren door houtkap, begrazing en ander gebruik opener geworden. Hout bleef ondertussen noodzakelijk voor huizen, boerderijen, hekken, werktuigen en brandstof. De gemeenschap moest daardoor voortdurend kiezen tussen gebruik op korte termijn en beschikbaarheid voor later. Hetzelfde probleem gold voor plaggen, strooisel en turf. De regels waren geen natuurbescherming in moderne zin. Het doel was in de eerste plaats het behoud van een economisch bruikbaar landschap voor de gerechtigden. Toch hadden die regels landschappelijke gevolgen. Het Gooise landschap dat later als karakteristiek en zelfs natuurlijk werd bewonderd, was voor een belangrijk deel gevormd door eeuwen menselijke exploitatie.

Schapen hielpen de Gooise heide open te houden

Dat gold vooral voor de heide rond Laren en Hilversum. Schaapskudden graasden op de gemeenschappelijke terreinen en het steken van plaggen droeg eveneens bij aan het open karakter. Schapen leverden wol en vlees, maar hun betekenis ging verder. Mest kon worden verzameld en met ander materiaal op de akkers worden gebracht. Zo waren heide, schaapskooi en eng onderdelen van hetzelfde agrarische systeem. De heide was dus geen leeg gebied tussen de dorpen. Zij vormde productieland dat op een andere manier werd gebruikt dan een akker. Wanneer later kunstmest, bebossing en andere vormen van grondgebruik opkwamen, zou juist deze eeuwenoude samenhang langzaam uiteenvallen.

De meent vertegenwoordigde steeds duidelijker ook geld

In de achttiende eeuw werd daarnaast steeds zichtbaarder dat gemeenschappelijke grond niet alleen gebruikswaarde maar ook vermogenswaarde vertegenwoordigde. Hout kon worden verkocht, zand kon waarde hebben, grond kon worden verpacht en ontginning kon inkomsten opleveren. Voor een scharende boer bleef iedere hectare vooral onderdeel van zijn bedrijf. Voor een gerechtigde zonder vee kon dezelfde hectare ook worden gezien als bezit waaruit geld moest kunnen worden gehaald. Daarmee kwam een vraag op die later steeds moeilijker te ontwijken was: bestonden de meenten in de eerste plaats om de boerenbedrijven van de scharende Erfgooiers in stand te houden, of hadden alle gerechtigden aanspraak op de economische waarde ervan?

Deel 10 — Buitenplaatsen, dorpen en een veranderend Gooiland

Rond de meenten ontstond een tweede Goois landschap

Terwijl de Erfgooiers hun heiden, weiden en bossen beheerden, veranderde de omgeving. Vooral 's-Graveland ontwikkelde zich tot een landschap van buitenplaatsen. Vermogende Amsterdammers lieten er huizen bouwen, tuinen aanleggen, lanen planten en waterpartijen graven. Daardoor ontstonden vlak naast de Gooise boerenwereld twee totaal verschillende manieren om grond te gebruiken. De ene was gebaseerd op gemeenschappelijke beweiding en landbouw; de andere op particulier bezit, investering, representatie en buitenleven. Het contrast was groot, maar beide werelden waren economisch met elkaar verbonden. Buitenplaatsen hadden personeel, voedsel, paarden, bouwmateriaal en ambachtslieden nodig. Amsterdamse rijkdom begon zo steeds duidelijker het landschap rond de Gooise meenten te veranderen.

's-Graveland liet zien hoe snel grond van karakter kon veranderen

Het gebied dat in de jaren 1620 en 1630 nog het toneel was geweest van een gewelddadig grondconflict, ontwikkelde zich daarna tot een reeks landgoederen. Namen als Schaep en Burgh, Boekesteyn, Gooilust, Hilverbeek en Trompenburgh raakten met 's-Graveland verbonden. Zandafgraving, sloten, bomen, tuinen en bebouwing veranderden het terrein ingrijpend. Voor de Erfgooiers bleef 's-Graveland daardoor een tastbaar voorbeeld van wat ontginning betekende. Een terrein dat eenmaal particulier was verkaveld en ingericht, keerde niet gemakkelijk terug naar gemeenschappelijk gebruik. De grens tussen 's-Graveland en Gooiland werd zo ook een grens tussen twee verschillende economische en landschappelijke systemen.

Trompenburgh bracht de wereld van de Republiek tot aan het Gooi

De bekendste buitenplaats werd Trompenburgh, verbonden met admiraal Cornelis Tromp. Nadat een voorganger tijdens het Rampjaar 1672 was verwoest, ontstond het karakteristieke huis dat nog altijd met zijn naam verbonden is. Tromp vertegenwoordigde een wereld van zeeoorlog, Amsterdamse rijkdom en bestuurlijke elite die ver verwijderd lijkt van de Gooise schaarmeesters. Toch lagen beide werelden letterlijk naast elkaar. Voor een buitenplaatseigenaar kon grond schoonheid, status en investering betekenen. Voor een Erfgooier kon dezelfde omgeving bestaan uit gras, heide en hout die nodig waren om een boerenbedrijf draaiende te houden. De groei van buitenplaatsen verhoogde bovendien de aantrekkelijkheid en waarde van Gooise grond.

Hilversum begon uit zijn oude agrarische vorm te groeien

Vooral Hilversum veranderde. Landbouw en schapenhouderij bleven belangrijk, maar daarnaast ontwikkelden zich ambachten en nijverheid. De bevolking nam toe en het dorp kreeg steeds meer economische activiteiten die niet rechtstreeks van de meent afhankelijk waren. Toch lag Hilversum midden tussen grote gemeenschappelijke heidegebieden. Daardoor ontstond hier een tegenstelling die later bijzonder scherp zou worden. Het dorp had ruimte nodig voor woningen, wegen en bedrijven, terwijl veel omliggende grond onder oude gebruiksrechten viel. Iedere uitbreiding kon daardoor raken aan de belangen van Erfgooiers. Hilversum werd langzaam een plaats waarvoor een middeleeuws agrarisch grondstelsel steeds moeilijker aansloot bij de nieuwe ruimtelijke werkelijkheid.

Laren bleef veel sterker met de heide verbonden

In Laren bleef de agrarische relatie met de heide langer zichtbaar. Schaapskudden trokken vanuit het dorp naar de gemeenschappelijke gronden. De omliggende engen, heiden en boerderijen vormden een landschap waarin het oude gebruiksstelsel nog dagelijks herkenbaar was. Voor een Larense scharende Erfgooier betekende een beperking van de heide direct minder ruimte voor zijn dieren. Daarom kon een besluit dat voor een niet-scharende gerechtigde vooral over grondwaarde ging, voor een Larense veehouder rechtstreeks zijn bedrijf raken. Later zou juist het pittoreske agrarische landschap kunstenaars en nieuwe bewoners aantrekken. Daarmee werd de boerenwereld die het landschap had gevormd uiteindelijk zelf onderdeel van de aantrekkingskracht waardoor die wereld veranderde.

Huizen combineerde boerenland met het water

Huizen ontwikkelde een andere economische mengvorm. Landbouw en veehouderij bleven bestaan, maar de ligging bij het Zuiderzeegebied maakte ook visserij en activiteiten rond het water belangrijk. Een Huizer huishouden hoefde daarom niet uitsluitend van de meent afhankelijk te zijn. Toch bleven de gemeenschappelijke rechten betekenis houden voor gezinnen die vee en akkers combineerden met andere inkomsten. Daarmee wordt duidelijk waarom we niet over één economisch type Erfgooier kunnen spreken. Dezelfde juridische gerechtigdheid kon in Laren vooral met schapen, in Hilversum met een veranderende dorpsnijverheid en in Huizen met een combinatie van landbouw en watergerichte activiteiten samenhangen.

Blaricum bleef midden in het oude agrarische landschap liggen

Blaricum behield eveneens lang een sterk agrarisch karakter. Boerderijen, engen, weiden en heiden lagen in een samenhangend landschap. Hier bleef goed zichtbaar waarom de gemene gronden oorspronkelijk zo belangrijk waren. De boer bezat of gebruikte zijn akker, maar voor vee, plaggen en andere hulpbronnen was hij afhankelijk van een veel groter gebied. Tegelijk lag Blaricum dicht bij routes en plaatsen waar de invloed van Amsterdam en andere stedelijke milieus steeds merkbaarder werd. De spanning tussen oud boerengebruik en nieuwe belangstelling voor het landschap zou hier later eveneens groeien. Het Gooi werd aantrekkelijk juist doordat eeuwen agrarisch gebruik een bijzonder landschap hadden achtergelaten.

Bussum was nog klein voordat alles veranderde

Bussum vormde in de achttiende eeuw nog een kleine gemeenschap tussen Naarden en Hilversum. De registratie van 1708 telde er slechts ongeveer veertig gerechtigden. De enorme groei die Bussum later zou doormaken was nog niet begonnen. Dat maakt de plaats historisch bijzonder interessant. Het Erfgooiersstelsel was gevormd voor een wereld van kleine agrarische nederzettingen. Wanneer Bussum in de negentiende eeuw duizenden nieuwe inwoners zou aantrekken, bleef het aantal mensen met oude erfelijke rechten beperkt tot bepaalde families. Daardoor ontstond uiteindelijk een merkwaardige situatie: een steeds grotere bevolking woonde te midden van gronden waarop slechts een deel van de inwoners historische gebruiksaanspraken bezat.

Naarden bleef stad binnen een overwegend agrarisch stelsel

Naarden had opnieuw een andere positie. De vestingstad kende bestuurders, militairen, ambachtslieden en handelaren en was veel minder uitsluitend agrarisch dan de omliggende dorpen. Toch behield zij binnen Stad en Lande een belangrijke plaats. Dat leverde een structurele dubbelrol op. Naarden vertegenwoordigde stedelijke belangen, maar bestuurde mee over rechten die uit een agrarische wereld waren voortgekomen. Naarmate de economische waarde van de meenten veranderde, werd deze spanning belangrijker. Wat voor een boer noodzakelijke weidegrond was, kon vanuit stedelijk perspectief ook worden gezien als grondreserve, inkomstenbron of ruimte voor ontwikkeling.

Rond 1750 bestond niet langer één Gooise boerenwereld

Tegen het midden van de achttiende eeuw bestond Gooiland daarom uit veel meer dan Erfgooiers met koeien en schapen. Er waren boeren, schaapherders, vissers, ambachtslieden, stedelingen, bestuurders, buitenplaatseigenaren en gerechtigden zonder vee. De rechten bleven bestaan, maar de samenleving waarin zij functioneerden veranderde. Dat was juist de kracht én de kwetsbaarheid van het systeem. Een erfelijk recht kon generaties voortbestaan, ook wanneer een familie niet langer van landbouw leefde. Daardoor werd het erfgooierschap steeds minder vanzelfsprekend hetzelfde als het Gooise boerenbedrijf. De gemeenschap van gerechtigden en de bevolking van Gooiland begonnen langzaam twee verschillende groepen te worden.

Deel 11 — Revolutie en het oude recht, 1780–1832

Aan het einde van de achttiende eeuw begon de wereld rond Stad en Lande te kantelen

Vanaf de laatste decennia van de achttiende eeuw veranderde de Nederlandse politieke wereld ingrijpend. Discussies over bestuur, burgerrechten, privileges en eigendom kregen een nieuwe lading. Voor Stad en Lande was dat belangrijk. Het Gooise systeem berustte immers juist op historische verschillen. Een afstammeling uit een gerechtigde familie kon rechten bezitten die zijn buurman miste. Eeuwenlang was dat als onderdeel van het plaatselijke gewoonterecht verdedigd. In een tijd waarin oude bestuurlijke en maatschappelijke privileges kritisch werden bekeken, moest veel nauwkeuriger worden uitgelegd wat het erfgooiersrecht eigenlijk was: een voorrecht van een gesloten groep, een gemeenschappelijk eigendomsrecht, of een historisch gebruiksrecht dat juridisch bescherming verdiende?

1795 — de Bataafse Revolutie veranderde de politieke taal

In 1795 stortte de oude Republiek in en ontstond de Bataafse Republiek. De nieuwe politieke orde wilde oude bestuurlijke structuren hervormen en legde meer nadruk op burgerschap en gelijkheid. Daarmee ontstond een lastige vraag voor de Gooise gerechtigden. Hun positie was per definitie niet gelijk aan die van alle andere inwoners. Alleen bepaalde families konden aanspraak maken op de oude rechten. Dat maakte het noodzakelijk onderscheid te maken tussen een politiek privilege en een privaat of zakelijk gebruiksrecht. Als het erfgooierschap alleen een overblijfsel van een oude bestuursorde was, kon hervorming het aantasten. Als het om vermogensrechten ging, lag dat juridisch heel anders.

De Bataafse hervormingen maakten de gemeenten belangrijker

De bestuurlijke hervormingen rond en na 1795 veranderden ook de positie van de Gooise plaatsen. Naarden, Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen en Bussum ontwikkelden zich steeds duidelijker als plaatselijke bestuurlijke eenheden die uiteindelijk moderne gemeenten zouden worden. Daarmee ontstond een fundamenteel verschil met Stad en Lande. Een gemeentebestuur moest alle inwoners vertegenwoordigen. Stad en Lande vertegenwoordigde de historische kring van gerechtigden. Zolang bijna iedereen in een kleine agrarische gemeenschap bij hetzelfde systeem betrokken was, kon dat verschil minder opvallend zijn. Naarmate bevolking en economie veranderden, konden gemeente en Erfgooiers echter geheel verschillende belangen krijgen bij precies dezelfde grond.

1806 — onder koning Lodewijk Napoleon veranderde het bestuur opnieuw

In 1806 maakte de Bataafse Republiek plaats voor het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon. Opnieuw veranderde het hogere bestuur waaronder de Gooise instellingen functioneerden. Voor Stad en Lande betekende dat niet dat eeuwenoude gebruiksrechten plotseling verdwenen. De gemeenschap had inmiddels geleerd onder zeer verschillende landsheren en regeringen te functioneren. Wel werd de afstand tussen oude plaatselijke rechtsvormen en de steeds centraler georganiseerde staat groter. De nieuwe overheid verlangde bestuurlijke duidelijkheid, terwijl het Gooise stelsel juist bestond uit een historische combinatie van gemeenschappelijke gronden, persoonlijke gerechtigdheid, plaatselijke regels en oude uitzonderingen.

1810 — Gooiland werd rechtstreeks onderdeel van Napoleons rijk

In 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd bij het Franse Keizerrijk van Napoleon Bonaparte. Daarmee kwam ook Gooiland rechtstreeks onder Frans bestuur. Registratie, belastingheffing en juridische uniformering kregen steeds grotere betekenis. Voor de Erfgooiers was dat opnieuw een confrontatie tussen twee werelden. Hun rechten waren niet ontworpen binnen een moderne gecentraliseerde staat. Ze waren gedurende eeuwen gegroeid uit gewoonte, schaarbrieven, grensregelingen, uitspraken en familieafstamming. Juist daarom werden de oude documenten zo belangrijk. Hoe moderner het bestuur werd, hoe noodzakelijker het werd om een middeleeuws recht in een voor juristen en ambtenaren begrijpelijke vorm te bewijzen.

Oude woorden moesten in een nieuwe juridische wereld passen

Begrippen als meent, schaar, Landgooier, ingeboren Gooier en Erfgooier kwamen uit een andere rechtswereld dan het negentiende-eeuwse burgerlijke recht. Daardoor ontstonden fundamentele vragen. Wie was eigenaar van de grond? Waren de Erfgooiers gezamenlijk eigenaar, hadden zij uitsluitend gebruiksrechten of bezat een andere rechtspersoon de grond waarop hun rechten rustten? Welke positie hadden de nieuwe gemeenten? Zulke vragen waren niet eenvoudig met één middeleeuwse oorkonde te beantwoorden. De rechtspositie was juist gedurende eeuwen opgebouwd. Daarom konden verschillende juristen later uit dezelfde historische documenten verschillende conclusies trekken. De ingewikkeldheid van de Erfgooierskwestie kwam niet voort uit een gebrek aan geschiedenis, maar uit een overvloed aan opeenvolgende historische rechtslagen.

1813–1815 — opnieuw een nieuwe staat boven het oude Gooiland

Na de val van Napoleon veranderde het staatsbestel opnieuw. In 1813 keerde een onafhankelijk Nederlands bestuur terug; vanaf 1815 bestond het Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I. Stad en Lande had daarmee in enkele decennia achtereenvolgens de Republiek, de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland, het Franse Keizerrijk en het nieuwe koninkrijk meegemaakt. Toch bleven de Gooise rechten bestaan. Dat is belangrijk voor hun geschiedenis. Hun voortbestaan berustte niet op één landsheer of één staatsvorm. Iedere nieuwe overheid trof een reeds bestaande gemeenschap aan die haar aanspraken met gebruik, oude documenten, kaarten, lijsten en eerdere erkenningen kon onderbouwen.

Het kadaster zou het landschap nauwkeuriger vastleggen dan ooit

De moderne staat wilde ook weten waar grond precies lag, hoe groot percelen waren en wie ermee verbonden was. De voorbereidingen voor een landelijk kadaster begonnen al tijdens de Franse tijd. Landmeters gingen het landschap systematisch beschrijven en opdelen in genummerde percelen. Voor Gooiland was dat een nieuwe fase in een ontwikkeling die al met de kaarten van 1709 en 1719 zichtbaar was. Heide, bos en meent werden steeds minder uitsluitend als grote landschappelijke eenheden beschreven. Zij verschenen nu binnen een systeem waarin iedere grens juridisch en fiscaal betekenis kon krijgen. Daarmee werd het moeilijker om onduidelijkheden eenvoudig aan plaatselijke gewoonte over te laten.

1832 — de Gooise grond kwam op de kadastrale kaart

Toen het Nederlandse kadaster in 1832 officieel in werking trad, werd ook het Gooise landschap op een nieuwe manier leesbaar. Gemeenten werden verdeeld in secties en percelen, met nummers, oppervlaktematen en geregistreerde gegevens. De oude meenten verdwenen daardoor niet, maar zij kwamen terecht binnen een moderne administratieve structuur. Een middeleeuwse gebruiksgemeenschap en een negentiende-eeuwse kadastrale staat lagen voortaan over hetzelfde landschap heen. Dat zou grote gevolgen krijgen. Zodra grond nauwkeurig was geregistreerd, werd ook de vraag scherper wie juridisch over die grond mocht beschikken, wie inkomsten uit verkoop mocht ontvangen en welke positie de afzonderlijke gemeenten tegenover de Erfgooiers hadden.

De bevolking groeide, maar niet iedereen werd Erfgooier

Tegelijk begonnen de Gooise plaatsen te veranderen. Vooral Hilversum groeide, terwijl ook elders bebouwing en bevolking toenamen. Nieuwe inwoners werden niet automatisch gerechtigd. Daarmee ontstond een steeds grotere groep Gooise bewoners zonder toegang tot de historische gemeenschappelijke rechten. Het oude systeem had zich ontwikkeld in kleine gemeenschappen waarin landbouw en meentgebruik nauw met elkaar samenhingen. In de negentiende eeuw kwamen daar bewoners naast te staan die hun inkomen uit nijverheid, handel, dienstverlening of andere activiteiten haalden. Het onderscheid tussen inwoner van het Gooi en Erfgooier werd daardoor maatschappelijk veel zichtbaarder dan het in de middeleeuwse boerenwereld ooit was geweest.

In 1832 lag de moderne Erfgooierskwestie klaar

Rond 1832 kwamen alle oude en nieuwe lagen samen. Er waren gemeenschappelijke gronden waarvan de geschiedenis eeuwen terugging, erfelijke gerechtigden, scharende boeren, gerechtigden zonder vee, afzonderlijke gemeenten, een groeiende bevolking en een staat die iedere hectare nauwkeurig wilde registreren. De middeleeuwse vraag “wie mag hier scharen?” kreeg daardoor een moderne tegenhanger: wie mocht beschikken over de economische waarde van de Gooise grond? In de decennia daarna zouden spoorwegen, villabouw, ontginning, gemeentelijke uitbreiding, grondverkoop en uiteindelijk natuurbescherming die vraag steeds urgenter maken. Het conflict om de meent was daarmee niet afgelopen. Het stond juist op het punt een geheel nieuwe fase binnen te gaan.

Ik vind Deel 14–16 al sterk, maar bij controle miste inderdaad nog een paar belangrijke namen, data en gebeurtenissen. Vooral Deel 16 kon beter: Machiel Janszoon Majoor, de vergadering van 4 april 1900, de dode Hendrik Smit in 1903, de rol van de burgemeester van Blaricum en de latere commissie onder mr. G. Gratema horen in de aanloop naar 1912. Ook Harmen Vos moet preciezer worden neergezet: geboren in Blaricum op 21 februari 1844, later woonachtig in Laren.

Bij vervoer konden de data eveneens scherper: 10 juni 1874 eerste trein over de Oosterspoorweg; oprichting Gooische Stoomtram 17 december 1880; Amsterdam–Diemerbrug 17 mei 1881; Naarden bereikt 20 augustus 1881; Naarden–Laren–Hilversum en Hilversum–Laren–Blaricum–Huizen 15 april 1882; en daarnaast vanaf 8 november 1883 de afzonderlijke verbinding Bussum–Huizen.

Hiermee zou ik Deel 14–16 definitief vastzetten:

Deel 14 — De trein breekt het oude Gooiland open

Na 1850 kreeg dezelfde grond steeds meer betekenissen

Rond 1850 gebruikten scharende Erfgooiers nog grote oppervlakten weide en heide voor hun vee. Maar naast deze agrarische waarde verschenen andere belangen. Gemeenten hadden ruimte nodig, ondernemers zagen mogelijkheden voor ontginning en nijverheid en vermogende stedelingen ontdekten het Gooi als woongebied. Daarmee veranderde langzaam de kern van de grondstrijd. Eeuwenlang hadden de Gooise conflicten vooral gedraaid om de vraag wie bepaalde gronden mocht gebruiken. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd steeds belangrijker waarvoor diezelfde grond mocht worden gebruikt. Een hectare heide kon tegelijk schapenland, bouwgrond, handelswaar, toekomstig bos en aantrekkelijk landschap zijn.

Hilversum groeide buiten zijn oude boerenwereld

Vooral Hilversum veranderde snel. Landbouw en schapenhouderij verdwenen niet, maar daarnaast bestond een belangrijke textiel- en tapijtnijverheid. Huisnijverheid en fabrieksmatige productie kwamen naast het oude boerenbedrijf te staan. De bevolking groeide en daarmee ook het aantal mensen dat voor zijn bestaan nauwelijks of niet van de meent afhankelijk was. Dat veranderde de verhouding tussen dorp en gemeenschappelijke grond. Rond een klein agrarisch Hilversum konden uitgestrekte heiden vanzelfsprekend onderdeel van het bedrijfssysteem zijn. Rond een groeiende plaats met arbeiders, ondernemers, winkels en nieuwe woningen werden diezelfde heiden steeds meer gezien als ruimte waar het dorp uiteindelijk naartoe kon groeien.

Gerrit Veen vertegenwoordigde het industriële Hilversum

Een belangrijke figuur in deze ontwikkeling was fabrikeur Gerrit Veen (1797–1863). Met de verdere toepassing van het jacquardweefgetouw droeg hij bij aan de ontwikkeling van de Hilversumse tapijtproductie. Hilversumse producten vonden afzet buiten de streek en zelfs buiten Nederland. Veen liet in 1856 bovendien woningen bouwen voor weduwen en wezen aan de Schapenkamp. Zulke ontwikkelingen laten zien dat Hilversum midden negentiende eeuw al veel meer was dan een brinkdorp tussen schapen en heide. Fabriek, arbeiderswoning, boerenbedrijf en gemeenschappelijke grond bestonden naast elkaar. Juist die vermenging maakte de toekomstige ruimtelijke strijd zo ingewikkeld.

Dokter Van Hengel keek achter de economische groei

Arts Johannes van Hengel (1811–1892), die zich in 1838 in Hilversum vestigde, keek naar een kant van het dorp die op landschapskaarten nauwelijks zichtbaar was. Hij beschreef slechte hygiëne, mesthopen bij woningen en drinkwater, vervuiling en de sociale omstandigheden van arbeidersgezinnen. Ook kinderarbeid behoorde tot de werkelijkheid van de textielnijverheid. Het romantische beeld van een Goois dorp tussen groene engen en paarse heide vertelt daarom slechts een deel van het verhaal. De economische groei bracht werk en bevolking, maar eveneens armoede, vervuiling en woningproblemen. Daardoor kregen gemeentelijke voorzieningen en uitbreiding steeds meer urgentie.

Gemeentegrond en Erfgooiersgrond waren niet hetzelfde

Hier werd een fundamenteel bestuurlijk probleem zichtbaar. De gemeente vertegenwoordigde alle inwoners van Hilversum, terwijl Stad en Lande een historische gemeenschap van gerechtigden vertegenwoordigde. Een nieuwe arbeider die zich in Hilversum vestigde kon gemeentelijk inwoner zijn zonder Erfgooier te worden. Naarmate zulke inwoners talrijker werden, vielen Gooier, gemeentebewoner en Erfgooier steeds minder samen. Voor het gemeentebestuur kon uitbreiding noodzakelijk zijn voor duizenden inwoners. Voor een scharende Erfgooier kon dezelfde grond noodzakelijk zijn voor zijn koeien. De middeleeuwse rechten waren daarmee niet verdwenen, maar ze functioneerden voortaan binnen een samenleving waarvoor ze nooit ontworpen waren.

10 juni 1874 — de eerste trein reed door het Gooi

Op 10 juni 1874 reed de eerste trein over de nieuwe Oosterspoorweg van Amsterdam naar het oosten. De spoorlijn maakte het Gooi plotseling veel beter bereikbaar. Het belang daarvan kan nauwelijks worden overschat. Voorheen betekende wonen buiten Amsterdam een veel grotere afstand tot werk, handel en stedelijke voorzieningen. Met de spoorweg werd regelmatig reizen mogelijk. Het Gooi kon daardoor woongebied worden voor mensen die economisch met Amsterdam verbonden bleven. De trein veranderde niet onmiddellijk een schaarbrief of erfgooiersrecht, maar veranderde wel de waarde van de grond waarop die rechten rustten.

Naarden-Bussum werd een poort naar een nieuw Gooi

Het station Naarden-Bussum opende eveneens op 10 juni 1874. Vooral voor Bussum waren de gevolgen enorm. Rond de opening telde het dorp ongeveer 1.200 inwoners; vijftig jaar later waren dat er circa 24.000. De spoorweg maakte de kleine agrarische nederzetting aantrekkelijk voor Amsterdammers die buiten de stad wilden wonen. Nieuwe straten, woningen en villawijken verschenen. Daarmee ontstond precies het probleem waarvoor het Erfgooiersstelsel nauwelijks een historisch precedent had: een plaats kon explosief groeien terwijl slechts bepaalde families aanspraak behielden op eeuwenoude gemeenschappelijke rechten.

Ook Hilversum werd door het spoor naar Amsterdam getrokken

Hilversum profiteerde eveneens sterk van de nieuwe spoorverbinding. Ondernemers konden gemakkelijker goederen en mensen vervoeren en welgestelde stedelingen konden het dorp als woonplaats kiezen. De afstand tussen Amsterdam en Gooiland werd in praktische zin veel kleiner. Daarmee veranderde ook de grondmarkt. Grond dichtbij station, weg of bebouwing vertegenwoordigde een andere waarde dan afgelegen boerenland. Villa's en nieuwe woonwijken begonnen het landschap binnen te dringen. De verandering verliep niet in één keer, maar vanaf 1874 stond vast dat de Gooise dorpen niet langer uitsluitend vanuit hun eigen agrarische omgeving hoefden te leven. Het Gooi werd steeds nadrukkelijker onderdeel van de stedelijke wereld rondom Amsterdam.

De nieuwe bewoners keken anders naar de heide

Een boer kon een heideveld beoordelen op de hoeveelheid vee die het kon dragen. Een nieuwe inwoner zag ruimte, uitzicht en gezonde buitenlucht. Een ondernemer kon er toekomstige bouwgrond in zien. Voor een gemeente vormde het een uitbreidingsreserve. Daardoor ontstond rond dezelfde grond een veelheid aan belangen. De culturele betekenis veranderde eveneens. Stedelingen gingen juist waarderen wat voor Gooise boeren dagelijkse werkomgeving was: de open heide, zandwegen, boerderijen en schaapskudden. De merkwaardige situatie ontstond dat de modernisering die het oude landschap bedreigde tegelijkertijd steeds meer mensen naar dat landschap trok.

De spoorlijn maakte erfgooiersgrond financieel steeds aantrekkelijker

Daarmee kwam de tegenstelling tussen scharende en niet-scharende Erfgooiers opnieuw naar voren. Voor de eerste groep betekende grond gras en bedrijfszekerheid. Voor gerechtigden zonder vee kon grondverkoop aantrekkelijker worden naarmate bouwgrond duurder werd. De spoorlijn had dus indirect invloed op een rechtenstelsel dat eeuwen ouder was dan de locomotief. Iedere nieuwe verbinding, woning en villa kon de geldwaarde van het gemeenschappelijke bezit verhogen. De vraag of de grond behouden of verkocht moest worden, werd daardoor steeds moeilijker los te zien van de vraag welke groep Erfgooiers uiteindelijk het meeste belang bij een besluit had.

Deel 15 — Stoomtram, kunstenaars en het ontdek­te Gooiland

17 december 1880 — de Gooische Stoomtram werd opgericht

Niet ieder Goois dorp lag aan de spoorlijn. Daarom werd op 17 december 1880 de N.V. Gooische Stoomtram opgericht. Ingenieur C. Bok behoorde tot de initiatiefnemers; ook de jonge Larense ondernemer Jan Hamdorff zag kansen in een betere verbinding met Amsterdam. Op 17 mei 1881 ging Amsterdam–Diemerbrug open. Later dat jaar volgden uitbreidingen en op 20 augustus 1881 bereikte de tram Naarden. Daarmee begon een vervoersnetwerk dat de spoorlijn veel dieper het Gooi in zou laten doorwerken.

15 april 1882 — Laren, Blaricum en Huizen werden bereikbaar

Op 15 april 1882 werd de verbinding vanuit Naarden naar Laren en Hilversum geopend. Op dezelfde dag begon de dienst Hilversum–Laren–Blaricum–Huizen. Daarmee waren ook dorpen zonder hoofdspoorstation veel gemakkelijker vanuit Amsterdam en Hilversum bereikbaar. In Laren fungeerde De Vergulde Postwagen aanvankelijk als tramhalte en stationskoffiekamer. Jan Hamdorff was er nauw bij betrokken. De tram bracht niet alleen bewoners en goederen. Zij bracht dagjesmensen, kunstenaars en toekomstige nieuwe inwoners rechtstreeks naar dorpen waarvan het landelijke karakter juist de aantrekkingskracht vormde.

Huizen kreeg zelfs twee tramverbindingen

De ontsluiting van Huizen verdient afzonderlijke aandacht. Vanaf 1882 liep de Gooische Stoomtram vanuit Hilversum via Laren en Blaricum naar Huizen, met een eenvoudig eindpunt aan de latere Lindenlaan. Op 8 november 1883 begon bovendien de tramdienst Bussum–Huizen, geëxploiteerd door de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. Huizen werd daarmee zowel met Hilversum en de zuidelijke Gooistreek als met het spoorstation Naarden-Bussum verbonden. Voor personen én goederen werd het dorp veel toegankelijker.

De tram veranderde het tempo van het dagelijkse leven

De rails lagen dikwijls direct in of naast bestaande wegen. Boerenwagens, voetgangers, vee en tram moesten daardoor dezelfde ruimte delen. De stoomtram kreeg later de beruchte bijnaam “Gooische Moordenaar” vanwege de vele ongelukken. De naam herinnert eraan dat modernisering niet alleen sneller vervoer betekende. Het landschap was eeuwenlang ingericht voor mensen, dieren en langzaam verkeer. Nu kwamen daar zware voertuigen met een geheel ander tempo bij. Dezelfde weg waarover een Erfgooier zijn vee naar de meent bracht, kon voortaan ook worden gebruikt door reizigers die vanuit Amsterdam een dagje naar het Gooi kwamen.

Jozef Israëls hielp kunstenaars naar Laren kijken

Nog voordat de tram reed, hadden kunstenaars het Gooise boerenlandschap ontdekt. Jozef Israëls (1824–1911) bezocht het gebied en wees andere kunstenaars op Laren. Na de opening van de tramverbinding werd het dorp nog toegankelijker. Albert Neuhuys (1844–1914) kwam in 1882 naar Laren op aanraden van Israëls. Hij stimuleerde vervolgens Anton Mauve (1838–1888) om eveneens te komen. Mauve vestigde zich er in 1885 definitief, nadat hij er al verschillende zomers had doorgebracht. Rond hen groeide de kunstenaarswereld die later met de Larense School werd verbonden.

De boerenwereld werd een schilderachtig onderwerp

De kunstenaars schilderden boereninterieurs, vrouwen aan het werk, schaapskudden, zandwegen en heidevelden. Daarmee veranderde opnieuw de betekenis van het landschap. Voor de Erfgooier was een schaapskudde onderdeel van het bedrijf. Voor de schilder kon dezelfde kudde licht, kleur en landelijke eenvoud vertegenwoordigen. Voor een kunstkoper in Amsterdam of het buitenland werd het vervolgens een beeld van het Nederlandse platteland. De Gooise boerenwereld kreeg zo een culturele waarde die los kon komen te staan van haar economische functie. Juist terwijl landbouw en gemeenschappelijk grondgebruik onder druk kwamen te staan, werd het landschap dat zij hadden voortgebracht steeds beroemder.

Jan Hamdorff maakte van bezoekers een nieuwe economische kracht

Jan Hamdorff begreep de mogelijkheden van die belangstelling. Zijn hotel in Laren werd een ontmoetingsplaats voor kunstenaars, bezoekers en andere gasten. De verbinding tussen tram, hotel, kunst en landschap maakte Laren steeds bekender. Het dorp verdiende daardoor niet meer uitsluitend aan landbouw en plaatselijke nijverheid. Ook bezoekers werden economisch belangrijk. Dat had een opmerkelijk gevolg. Het behouden van een aantrekkelijk dorps- en heidelandschap kon zelf waarde krijgen. De oude meent had daarmee naast agrarische en financiële waarde langzaam een derde betekenis gekregen: zij werd onderdeel van het beeld en de aantrekkingskracht van het Gooi.

Laren groeide mee met zijn reputatie

In 1879 telde Laren ongeveer 1.971 inwoners. In 1889 waren het er circa 2.107, waarna de groei versnelde. In 1920 zou het dorp al 5.127 inwoners tellen. Nieuwe bewoners kwamen niet allemaal uit de oude Gooise families. Daarmee groeide ook hier de afstand tussen de totale bevolking en de groep Erfgooiers. De paradox werd steeds duidelijker: het traditionele landschap trok mensen aan, maar iedere nieuwe woning veranderde datzelfde landschap.

Het moderne Gooi begon zichzelf op te eten

Trein, tram, villa, hotel en kunstenaarskolonie waren afzonderlijk geen bedreiging voor het hele landschap. Samen veroorzaakten zij echter een fundamentele verschuiving. Grond werd duurder, dorpen groeiden en steeds meer mensen wilden in het Gooi wonen zonder van de gemeenschappelijke gronden afhankelijk te zijn. De meenten lagen daardoor niet langer aan de buitenkant van kleine boerenplaatsen. Ze kwamen steeds meer te liggen tussen groeiende woonkernen en verkeersverbindingen. Het oude Erfgooiersstelsel had eeuwenlang beschermd tegen buitenstaanders die vee of turf wilden gebruiken. Nu verscheen een veel krachtiger buitenwereld die de grond zelf wilde kopen.

Deel 16 — Harmen Vos, Floris Vos en de strijd om Stad en Lande

Tegen het einde van de eeuw ging het niet alleen meer om grond

Aan het einde van de negentiende eeuw groeide de onvrede onder Erfgooiers over het bestuur van hun gemeenschappelijke bezit. Een belangrijk probleem was dat de gerechtigden zelf onvoldoende invloed meenden te hebben. Niet-Erfgooiers konden via gemeentelijke structuren en het bestaande bestuur een belangrijke rol spelen, terwijl grondverkopen en andere besluiten rechtstreeks het vermogen en boerenbedrijf van gerechtigden raakten. Veel Erfgooiers vonden dat een organisatie die hun gemeenschappelijke gronden beheerde ook daadwerkelijk door hen moest worden gecontroleerd. De strijd verschoof daarmee van grondgebruik naar vertegenwoordiging: wie mocht namens de Erfgooiers beslissen?

Harmen Vos — geboren in Blaricum, Erfgooier in Laren

Een van de opvallendste figuren in die strijd was Harmen Vos (1844–1919). Hij werd op 21 februari 1844 in Blaricum geboren en woonde later in Laren. Hij was Erfgooier en onbezoldigd veldwachter of koddebeier. Juist daardoor is het incident waarmee hij beroemd werd zo bijzonder. Vos moest zelf toezien op ongeoorloofde jacht, maar betwistte dat een Erfgooier als stroper kon worden behandeld wanneer hij op gemeenschappelijke Gooise grond jaagde. Achter zijn optreden zat dus geen toevallige ruzie over één haas, maar een principiële opvatting over de betekenis van het erfgooiersrecht.

18 november 1898 — één haas bracht het hele stelsel voor de rechter

Op 18 november 1898 schoot Harmen Vos een haas op Gooise grond waarvan het jachtrecht aan de Kroon was verpacht. Hij kreeg een proces-verbaal wegens stroperij. Vos vond dat onaanvaardbaar. Volgens zijn redenering jaagde hij als Erfgooier op grond waarop hij zelf gerechtigd was. Bovendien betwistte hij dat het bestuur het jachtrecht zonder instemming van de gerechtigden aan een ander kon verpachten. Zo werd één dode haas het middelpunt van een veel grotere vraag: hoe ver reikten de bevoegdheden van Stad en Lande over grond die aan de Erfgooiers toebehoorde?

De drie Kaarsgarens brachten de jachtpartij de rechtszaal binnen

Tijdens de procedure verschenen opmerkelijk concrete getuigenverklaringen. P. Kaarsgaren had Vos in jagende houding gezien. W. Kaarsgaren hoorde een schot, zag rook en zag Vos daarna de haas opnemen. Ook J. Kaarsgaren speelde in de verklaringen een rol. Het alledaagse tafereel — heide, hakhout, geweer en haas — kwam zo tegenover eeuwen aan Gooise rechtshistorie te staan. Vos kreeg aanvankelijk een boete van ƒ25, maar legde zich daar niet bij neer. Hij bleef procederen. Daarmee dwong hij de rechterlijke macht uiteindelijk naar de juridische constructie achter het vermeende stroperijfeit te kijken.

De strafzaak liep vast op burgerlijk recht

De procedure maakte duidelijk dat eerst moest worden vastgesteld welke burgerrechtelijke rechten de Erfgooiers en het bestuur precies hadden. Daardoor kon de zaak niet eenvoudig als een gewone stroperijzaak worden afgehandeld. De vervolging werd uiteindelijk geschorst. Dat betekende niet dat de rechter definitief had vastgesteld dat iedere Erfgooier onbeperkt jachtrecht bezat. Wel werd zichtbaar dat de bevoegdheid van het bestuur niet vanzelfsprekend genoeg was om het conflict eenvoudig strafrechtelijk af te doen. De haas had daarmee precies het probleem blootgelegd dat al langer sluimerde: de rechtspositie van de gerechtigden en hun bestuur was onvoldoende helder geregeld.

Harmen ging daarna opnieuw de heide op

Vos beschouwde de uitkomst kennelijk niet als reden om voorzichtig te worden. Minder dan een week na de uitspraak trok hij opnieuw op jacht, ditmaal op patrijzen op de heide bij Huizen. Zijn optreden maakte hem tot een herkenbaar symbool van de ontevreden Erfgooier. Het ging daarbij niet alleen om koppigheid. Voor mannen als Vos was erfgooiersrecht geen historische curiositeit in een archief. Het was een levend recht dat bepaalde wat zij op het land van hun gemeenschap meenden te mogen doen.

4 april 1900 — Machiel Janszoon Majoor roept de Erfgooiers bijeen

De onvrede kreeg nu een georganiseerde vorm. Machiel Janszoon Majoor uit Laren riep op 4 april 1900 een grote vergadering van Erfgooiers bijeen in de Grote Kerk van Naarden. Daar werd het bestaande bestuur het recht betwist om zonder voldoende zeggenschap van de gerechtigden de gemeenschappelijke gronden te beheren. Een nieuwe beweging ontstond. Daarmee keerde de Grote Kerk opnieuw terug als plaats waar de Gooise gemeenschap over haar rechten vergaderde, bijna negentig jaar nadat de gerechtigden daar in 1811 verdelingsplannen hadden afgewezen.

Floris Vos werd de voorman van de nieuwe partij

Een centrale figuur werd Floris Vos (1871–1943), een Huizer Erfgooier die uitgroeide tot een van de belangrijkste hervormers binnen de gemeenschap. Hij werd voorzitter van de nieuwe partij en zette de strijd bestuurlijk en juridisch voort. Floris Vos moet daarbij duidelijk van Harmen Vos worden onderscheiden. Harmen had met zijn haas een principiële rechtsvraag zichtbaar gemaakt; Floris hielp de onvrede om te zetten in een georganiseerde beweging. Later zou hij ook een uitgesproken pleitbezorger van de Erfgooierswet worden.

De nieuwe partij kreeg honderden gerechtigden achter zich

De beweging bleef niet beperkt tot enkele dwarsliggers. Volgens de overgeleverde geschiedenis wist Machiel Janszoon Majoor ongeveer tweehonderd Erfgooiers rond de tegenbeweging te verzamelen. Daarmee werd duidelijk dat de onvrede structureel was. Toch stonden niet alle gerechtigden achter de opstandelingen. Vooral scharende boeren verkeerden in een kwetsbare positie. Zij hadden de meenten daadwerkelijk nodig. Wie openlijk brak met het bestaande bestuur kon problemen krijgen wanneer zijn vee moest worden toegelaten. Het conflict verdeelde daarom niet alleen bestuur en Erfgooiers, maar ook de Erfgooiers onderling.

1903 — een schaardag eindigde met de dood van Hendrik Smit

In 1903 liep de strijd dramatisch uit de hand. Een Erfgooier wilde vee op de meent brengen zonder de verschuldigde betaling aan de meentmeester van het oude bestuur te voldoen. Rond de toelating ontstond een conflict. De burgemeester van Blaricum liet uiteindelijk zelfs militairen inzetten. Tijdens de ongeregeldheden kwam de jonge Larense Erfgooier Hendrik Smit om het leven. Daarmee was de Erfgooierskwestie niet langer een plaatselijk juridisch geschil over oude rechten. Er was een dode gevallen. De zaak trok landelijke aandacht en maakte duidelijk dat een wettelijke oplossing nauwelijks nog kon worden uitgesteld.

De burgemeester mocht niet langer partij kiezen

Het optreden rond Blaricum kreeg ook bestuurlijke gevolgen. De minister van Binnenlandse Zaken bemoeide zich met de kwestie en maakte duidelijk dat de burgemeester, die tevens betrokken was bij het oude bestuur, niet eenvoudig als partij in het conflict kon optreden. Ook elders ontstonden incidenten. In Hilversum werd de toegang tot de meent voor aanhangers van de nieuwe beweging een strijdpunt. De oude plaatselijke bestuursstructuur was daarmee praktisch onhoudbaar geworden. Gemeentelijk gezag, politietoezicht, militair optreden en het bestuur van gemeenschappelijke grond liepen te veel door elkaar.

Zelfs het brandmerk op een koe werd onderdeel van de strijd

Voor scharende Erfgooiers bleef ondertussen een heel praktische kwestie bestaan: hun vee moest de meent op. Dieren werden gebrandmerkt, zodat meentmeesters konden zien dat zij met erfgooiersrecht mochten grazen. De nieuwe partij adviseerde boeren die economisch niet zonder de meent konden hun vee desnoods onder protest door het oude bestuur te laten merken. Daarmee werd de bestuurlijke crisis letterlijk zichtbaar op de huid van de koeien. Het toont hoe weinig abstract deze strijd was. Achter iedere juridische discussie stonden boeren die 's morgens hun dieren naar het gras moesten brengen.

1906 — een landelijke regeling kwam eindelijk in beeld

Na jaren van conflicten kwam in 1906 na onderhandelingen een conceptregeling met ontwerpstatuten tot stand. De landelijke overheid probeerde daarmee een vorm te vinden waarin de historische rechten konden blijven bestaan zonder de bestuurlijke chaos voort te zetten. Ook onderzoek en advisering, onder meer verbonden met mr. G. Gratema, speelden een rol in het traject dat uiteindelijk naar wettelijke regeling leidde. In 1907 werd de Tweede Kamer nadrukkelijk bij de kwestie betrokken. De Erfgooiers waren daarmee van een regionale rechtenstrijd een onderwerp van landelijke wetgeving geworden.

1910 — het wetsvoorstel was gereed

In 1910 lag het wetsvoorstel klaar. Tijdens de voorbereiding werd opnieuw duidelijk dat “de Erfgooiers” geen homogene groep vormden. Vooral de belangen van scharenden en niet-scharenden botsten. Scharende boeren wilden de grond behouden omdat hun bedrijf ervan afhankelijk was. Niet-scharenden konden veel sterker geïnteresseerd zijn in de vermogenswaarde van het bezit. Een wettelijke regeling moest daarom niet alleen een conflict tussen Erfgooiers en bestuur oplossen, maar eveneens een conflict binnen de gerechtigde gemeenschap zelf.

14 maart en 24 april 1912 — de wet passeert de Kamers

Op 14 maart 1912 nam de Tweede Kamer de Erfgooierswet aan. De Eerste Kamer volgde op 24 april 1912. De scharende Erfgooiers probeerden de aanvaarding nog tegen te houden omdat zij vreesden voor hun traditionele positie. De wet bood hun aanvankelijk juist bescherming, maar hun bezorgdheid raakte wel een wezenlijk punt: de gemeenschap zou voortaan niet uitsluitend meer op gewoonterecht en eigen historische regelingen rusten. Zij werd onderdeel van de Nederlandse wettelijke rechtsorde.

25 april 1912 — de Erfgooierswet

De Erfgooierswet van 25 april 1912, Staatsblad nr. 149, bracht de grote ommekeer. De nieuwe Vereniging Stad en Lande van Gooiland, gevestigd te Naarden, kreeg ongeveer 3.260 hectare gemeenschappelijke heiden en weiden in eigendom. Het bestuur zou voortaan wettelijk worden ingericht. De eeuwenoude gemeenschap verdween dus niet. Zij kreeg juist een formele juridische vorm waarmee de staat haar rechten erkende én reguleerde.

Eeuwen gewoonterecht eindigden niet — ze werden wet

Daarmee bereikte een ontwikkeling die in de middeleeuwen was begonnen een uitzonderlijk moment. De goede lieden van Gooiland uit 1326, de schaarbrief van 1404, de erfelijkheid die in de vijftiende eeuw steeds duidelijker werd, de naam Erfgooier vanaf de zeventiende eeuw, de lijst van 1708 en de verdelingen van 1836 en 1843 lagen allemaal achter deze wet. In 1912 werd niet een duizend jaar oude onveranderde organisatie officieel gemaakt. Een voortdurend veranderend stelsel van gebruiksrechten werd in een moderne vereniging ondergebracht. En juist toen dat eindelijk geregeld leek, kwam de volgende strijd al in zicht: moest de grond boerenland blijven, worden verkocht, of als Goois landschap worden behouden?

Ik heb de punten toegepast en de laatste twee delen nogmaals gecontroleerd. Daarbij komen inderdaad een paar belangrijke aanvullingen boven: Emil Luden hoort nadrukkelijk in Deel 17, het bestuur telde vijftien leden en de nieuwe vereniging functioneerde feitelijk pas vanaf 1913. Ook kunnen we het boerenbedrijf veel concreter maken: door de meentverbeteringen steeg het toegestane aantal stuks vee per scharend lid uiteindelijk van 7 naar 16. Voor de natuurbescherming moeten naast A. Röell ook P.G. van Tienhoven en de concrete uitbreiding met Bikbergen/Bikbergerbos worden genoemd.

Hiermee zou ik Deel 17 en 18 definitief vastzetten.

Deel 17 — Erfgooierswet, boeren en de strijd om het Gooise landschap

1 juli 1912 — het eeuwenoude recht krijgt een wettelijke organisatie

Op 1 juli 1912 trad de Erfgooierswet in werking. De oude rechtsgemeenschap werd daarmee omgevormd tot de Vereniging Stad en Lande van Gooiland. Het was geen simpele voortzetting van een sinds de middeleeuwen onveranderde organisatie. Eeuwen gewoonterecht, schaarbrieven, rechterlijke uitspraken en bestuurlijke regelingen werden nu ondergebracht in een moderne wettelijke constructie. De vereniging kreeg de gemeenschappelijke gronden in eigendom en de gerechtigden werden haar leden. Daarmee bereikte de ontwikkeling die bij de middeleeuwse Gooise marken was begonnen een geheel nieuwe fase: het erfgooiersrecht werd niet afgeschaft, maar door de Nederlandse staat formeel georganiseerd.

De nieuwe vereniging moest eerst haar eigen leden terugvinden

Daarvoor moest opnieuw worden vastgesteld wie werkelijk Erfgooier was. De nieuwe ledenlijst bevatte 1.469 gerechtigden. Daarvan waren 381 scharend en 1.088 niet-scharend. Alleen al in Bussum stonden 202 Erfgooiers geregistreerd, maar slechts 41 waren schaarbevoegd. Die cijfers laten zien hoe sterk de gemeenschap sinds 1708 was veranderd. De meerderheid bezat wel het erfelijke recht maar hield geen vee op de meent. Een instelling die uit een agrarische samenleving was voortgekomen, bestond inmiddels grotendeels uit mensen voor wie het erfgooiersrecht niet meer rechtstreeks verbonden was met koeien, paarden of schapen.

Het bestuur kreeg vijftien zetels

Ook het bestuur weerspiegelde de ingewikkelde belangenverhoudingen. Het telde vijftien leden: zes gekozen door de scharende Erfgooiers, twee door de niet-scharenden, zes afkomstig uit de Gooise gemeenten en één vertegenwoordiger van de Kroon. Scharenden en niet-scharenden kregen in de algemene vergadering gelijk stemrecht per persoon, waardoor de veel talrijkere niet-scharenden daar numeriek de meerderheid vormden. De wet beperkte daarom bepaalde bevoegdheden van de vergadering en gaf het bestuur een sterke positie. Het nieuwe Stad en Lande was dus bewust zo ingericht dat niet één van de belangengroepen eenvoudig de volledige macht over de gemeenschappelijke grond kon grijpen.

1912 betekende nog niet dat het nieuwe bestuur onmiddellijk werkte

Hoewel de wet op 1 juli 1912 inging, moest de oude bestuursorganisatie eerst worden afgewikkeld. De eerste nieuwe algemene vergadering kwam daardoor pas in december 1913 bijeen. Vervolgens moesten opnieuw reglementen worden opgesteld. Het archief bevat onder meer commissies voor een reglement van orde uit 1914, een regeling voor bestuursfuncties en een commissie die tussen 1915 en 1918 werkte aan regels voor gebruik en genot van de gronden. De wet had dus het juridische raamwerk geleverd, maar de dagelijkse praktijk moest daarna opnieuw worden ingericht.

Emil Luden wordt de bestuurder van het nieuwe Stad en Lande

Een centrale figuur werd Emil Luden (1863–1942). Onder zijn voorzitterschap begon de nieuwe organisatie de landbouwgronden doelgerichter te verbeteren. Luden was daarmee veel meer dan beheerder van oude rechten. Hij probeerde van Stad en Lande een moderne organisatie voor landbouw en veeteelt te maken. De vereniging hield zich bezig met bemesting, gewassen, landbouwbenodigdheden, vee, wegen, waterhuishouding en toezicht. Het archief laat zien hoe breed dat werk werd: van veeziekten en inscharen tot wegen, bruggen, jacht, visrecht, zandwinning, bos en heide. De oude markengemeenschap kreeg een bijna bedrijfsmatige bestuurspraktijk.

De meenten waren in 1913 bepaald geen ideale weilanden

Dat moderniseren was noodzakelijk. De toestand van verschillende weidegronden was slecht. Koeien vonden onvoldoende voedsel en natte terreinen hadden problemen met ontwatering. Stad en Lande investeerde daarom in waterkeringen, ontwateringssloten, verharde wegen en beweidingsblokken. Ook bemesting werd belangrijker. Op de Naardermeent vergde vooral bescherming tegen landverlies aan de zeezijde grote bedragen. Elders moesten water en grasgroei worden verbeterd. Daarmee wordt duidelijk wat een scharend recht werkelijk betekende: niet een abstract recht op papier, maar toegang tot gras waarvan de kwaliteit mede bepaalde hoeveel melk of vee een boerenbedrijf kon voortbrengen.

Van zeven naar zestien stuks vee per scharende Erfgooier

De verbeteringen hadden meetbaar resultaat. Het maximum dat een scharend lid mocht weiden kon uiteindelijk geleidelijk worden verhoogd van zeven naar zestien stuks vee. Bovendien konden dieren gemiddeld ongeveer drie weken eerder de goede weide op en bleef in een normale zomer tot laat in de herfst voldoende voedsel beschikbaar. Daar stond een hogere prijs tegenover. Onderhoud, toezicht en bemesting kostten geld; de kosten van het weiden konden oplopen tot ongeveer ƒ30 per koe voor het seizoen van half april tot de winter. De gemoderniseerde meent werd dus productiever, maar ook kapitaalintensiever.

De schaardag bleef een heel praktische gebeurtenis

Voor de scharende Erfgooier begon het seizoen niet met een juridische discussie maar met vee. Koeien en paarden moesten worden toegelaten, gecontroleerd en herkenbaar zijn als dieren die met erfgooiersrecht graasden. Meentmeesters en later meentbeambten hielden toezicht. Het brandmerken dat we tijdens de conflicten rond 1900 al zagen, hoorde bij deze praktische beheerswereld. Ook veeziekten vormden een gevaar: het archief bevat vanaf 1892 rapporten van meentbeambten en correspondentie met veeartsen over besmettelijke ziekten en maatregelen bij het inscharen. De gemeenschappelijke weide was daarmee tegelijkertijd oud recht, boerenbedrijf en veterinair beheer.

Niet iedere boer vertrouwde de nieuwe landbouwmethoden

De modernisering werd aanvankelijk niet overal enthousiast ontvangen. Onder Erfgooiers bestond wantrouwen tegen kunstmest en andere nieuwe methoden. Sommigen vreesden dat bemesting ziekten onder het vee zou veroorzaken of dat nieuwe grassoorten niet zouden aanslaan. Naarmate bleek dat de verbeteringen werkelijk meer en beter gras opleverden, nam die weerstand af. Bij de verbetering van de Oostermeent ontstond zelfs waardering voor het nieuwe beheer. Dit is een belangrijke menselijke laag: modernisering werd niet van de ene dag op de andere geaccepteerd. Boeren die hun bedrijf op generaties ervaring hadden gebaseerd moesten vertrouwen krijgen in ingenieurs, bemesting en nieuw ingerichte weiden.

Tegelijk verloor de heide haar oude agrarische betekenis

Terwijl de graslanden werden verbeterd, veranderde de positie van de heide. De akkerbouw was sterk teruggelopen en de traditionele schapenhouderij was vrijwel verdwenen. Kunstmest verminderde bovendien de noodzaak om plaggen en mest uit het oude heidesysteem te combineren. Daardoor werden bos- en heidegebieden voor veel boeren economisch minder belangrijk. Juist dat veroorzaakte een nieuw probleem. Grond die de scharende boer nauwelijks meer nodig had, vertegenwoordigde voor de niet-scharende Erfgooier nog altijd gemeenschappelijk vermogen. En voor gemeenten, projectontwikkelaars en nieuwe bewoners had dezelfde heide inmiddels een heel andere waarde gekregen.

1922 — Macht door Recht eist waarde voor de niet-scharenden

De onvrede onder niet-scharende Erfgooiers leidde in 1922 tot de oprichting van Macht door Recht. Deze beweging wilde dat ook degenen zonder vee voordeel kregen van het gezamenlijke bezit en stuurde uiteindelijk aan op verkoop of ontbinding. De tegenstelling die in 1708 al zichtbaar was geworden, bereikte hiermee een nieuwe fase. De scharende boer ontving voordeel doordat Stad en Lande geld in zijn weidegrond investeerde. De niet-scharende gerechtigde zag tegelijkertijd dat kostbare heide en bos nauwelijks directe inkomsten opleverden. Waarom, zo kon hij vragen, moest gezamenlijk vermogen vast blijven zitten in grond die hij zelf niet gebruikte?

1922 — De Miranda wil een stad op de Bussummer- en Westerheide

In datzelfde jaar verscheen een plan dat liet zien hoeveel de heide inmiddels waard kon zijn. De Amsterdamse wethouder Salomon de Miranda wilde de Amsterdamse woningnood mede oplossen door op de Bussummer- en Westerheide een grote tuinstad voor ongeveer 50.000 inwoners te ontwikkelen. Het plan kwam ver genoeg om serieus onderzocht te worden. Daarmee stond ineens een landschap ter discussie dat eeuwenlang door Gooise boeren was gebruikt. Waar vroeger schapen liepen, konden tienduizenden woningen en inwoners verschijnen. Het plan veroorzaakte grote weerstand en hielp de moderne natuurbeschermingsbeweging in het Gooi mobiliseren.

De heide kreeg een vierde betekenis: natuur

Hier vond een beslissende verschuiving plaats. Voor de middeleeuwse Gooier was de heide productieland. Voor negentiende-eeuwse ontginners was zij grond die productiever gemaakt kon worden. Voor De Miranda was zij potentiële stedelijke ruimte. Maar steeds meer mensen zagen dezelfde heide nu als natuur en landschap dat behouden moest blijven. Dat was historisch gezien opmerkelijk. De open heide was geen onaangeroerde wildernis. Zij was juist mede ontstaan en in stand gebleven door begrazing, plaggenwinning en ander boerengebruik. Moderne natuurbeschermers wilden dus een landschap bewaren dat door eeuwen menselijke exploitatie was gevormd.

1924–1930 — de Bevredigingscommissie zoekt een uitweg

Binnen Stad en Lande werd ondertussen geprobeerd de strijd tussen de verschillende groepen te beëindigen. De Bevredigingscommissie, waarvan het archief stukken uit 1924–1930 bevat, onderzocht mogelijke oplossingen. Er kwamen zelfs twee commissietrajecten en contacten met gemeenten en andere belanghebbenden. De vraag was steeds dezelfde: konden scharenden, niet-scharenden, gemeenten en natuurbeschermers een regeling vinden waarbij niet één partij alles verloor? In 1926 was de kwestie al zo urgent dat zij in de Eerste Kamer werd besproken. De vijftienjarige beschermingsperiode uit de Erfgooierswet zou immers in 1927 aflopen.

1927 — de wettelijke rustperiode liep af

De Erfgooierswet had bepaald dat de nieuwe organisatie gedurende vijftien jaar niet eenvoudig kon worden ontbonden. In 1927 liep die termijn af. Vanaf dat moment kon de toekomst van Stad en Lande opnieuw fundamenteel ter discussie worden gesteld. De vrees bestond dat gronden na ontbinding bij particulieren, bouwmaatschappijen of grondspeculanten terecht zouden komen. In het parlement werd zelfs gewaarschuwd dat daarmee het karakter van het Gooi verloren kon gaan. De Erfgooierskwestie was daardoor niet langer alleen een conflict over boerenrechten. Zij was uitgegroeid tot een debat over de ruimtelijke toekomst van de gehele streek.

Deel 18 — Van Erfgooiersgrond naar beschermd Goois landschap

P.G. van Tienhoven en A. Röell zoeken een definitieve oplossing

Twee namen worden belangrijk in de overgang naar natuurbescherming: mr. P.G. van Tienhoven, voorzitter van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, en jhr. mr. dr. A. Röell, commissaris van de Koningin in Noord-Holland. Zij zagen het gevaar dat grote Gooise natuurterreinen door verkoop en bebouwing verloren konden gaan en werkten aan een oplossing waarbij de grond daadwerkelijk zou worden aangekocht. Daarmee verschoof de strategie. Het landschap moest niet alleen door bestemmingsafspraken of tijdelijke beperkingen worden beschermd. Wie blijvende zekerheid wilde, moest proberen de grond zelf in handen van een natuurbeschermingsorganisatie te brengen.

11 februari 1930 — Röell brengt de overheden bij elkaar

In 1930 kwam de samenwerking in een beslissende fase. Röell nam contact op met de Gooise gemeentebesturen om gezamenlijk een oplossing voor het natuurschoon te zoeken. De zes gemeenten konden de financiële last niet gemakkelijk alleen dragen. Daarom werden ook de provincie Noord-Holland en Amsterdam betrokken. Dat laatste was opmerkelijk: Amsterdam had nog maar enkele jaren eerder naar de heide gekeken als mogelijke bouwplaats voor een tuinstad. Nu werd de hoofdstad een financiële partner in het behoud ervan. Provinciale Staten keurden het bereikte akkoord op 18 december 1930 goed.

Een overeenkomst voor 75 jaar bleek niet genoeg

Een eerste oplossing voorzag erin dat Stad en Lande ongeveer 1.500 hectare bos en heide gedurende 75 jaar ongemoeid zou laten. Daarvoor zou jaarlijks ongeveer ƒ60.000 worden betaald. Het plan bood bescherming, maar geen zekerheid voor de verre toekomst. Na afloop van de termijn kon dezelfde discussie opnieuw beginnen. Daarom werd het verworpen. De betrokken partijen kozen uiteindelijk voor een veel ingrijpender constructie: de natuurterreinen moesten worden gekocht. Daarmee zou het doel van de grond zelf veranderen. De heide zou niet langer erfgooiersvermogen zijn waarop voorlopig niet gebouwd mocht worden, maar natuurgebied waarvan blijvend behoud het uitgangspunt werd.

26 mei 1932 — de Erfgooierswet wordt gewijzigd

Daarvoor moest eerst de Erfgooierswet worden aangepast. De wetswijziging van 26 mei 1932, gepubliceerd als Staatsblad 217, maakte verkoop van een gedeelte van het bezit van Stad en Lande mogelijk, gecombineerd met een eenmalige uitkering aan de deelgerechtigden. De wetgever opende daarmee de weg naar een historische transactie. Twintig jaar eerder had dezelfde wettelijke structuur de gemeenschappelijke gronden onder de nieuwe vereniging gebracht. Nu werd zij aangepast om een groot deel van die gronden juist blijvend uit het Erfgooiersbezit te halen.

11 november 1932 — het Gooisch Natuurreservaat wordt opgericht

Op 11 november 1932 werd de Stichting Gooisch Natuurreservaat opgericht. De statutaire doelstelling was uitzonderlijk ambitieus: Gooise terreinen verwerven om ze “ten eeuwigen dage” ongeschonden als natuurreservaat te behouden. Daarmee verscheen voor het eerst een organisatie die het landschap niet primair wilde gebruiken voor landbouw, ontginning, grondhandel of woningbouw. Het behoud van het landschap zelf werd het hoofddoel. De provincie Noord-Holland, Amsterdam en de zes Gooise gemeenten — Naarden, Huizen, Bussum, Blaricum, Laren en Hilversum — vormden gezamenlijk de bestuurlijke en financiële basis.

31 januari 1933 — de grote overdracht

Op 31 januari 1933 passeerde de koopakte. Over de exacte oppervlakte bestaan in latere bronnen kleine verschillen: 1.524 of 1.526 hectare wordt genoemd. Die twee cijfers moeten niet als afzonderlijke verkopen worden behandeld; ze hebben betrekking op dezelfde grote transactie. Het ging om bossen, heidevelden en andere natuurterreinen die Stad en Lande aan het Goois Natuurreservaat overdroeg. De koopsom bedroeg ongeveer twee miljoen gulden. Daarmee veranderde een enorm gedeelte van het eeuwenoude gemeenschappelijke landschap in beschermd natuurgebied.

Slapende Erfgooiers werden plotseling wakker

De verkoop had een onmiddellijk gevolg. Wanneer miljoenen guldens onder gerechtigden konden worden verdeeld, werd het ineens bijzonder belangrijk om te bewijzen dat men Erfgooier was. Het aantal geregistreerde leden bedroeg rond 1930 ongeveer 2.122, maar liep bij de uitbetaling op tot 2.973. Oude familiepapieren, registers en ledenlijsten kregen daardoor opnieuw financiële betekenis. Mensen die hun erfgooiersrecht nauwelijks actief hadden gebruikt, meldden zich nu als zogenoemde slapende Erfgooiers. Een rechtenstelsel dat ooit bepaalde wie zijn koe op de meent mocht zetten, bepaalde in 1933 wie aanspraak kon maken op honderden guldens.

Iedere gerechtigde kreeg ƒ566,04

Uiteindelijk werden 2.973 gerechtigden bij de uitbetaling meegeteld. Zij ontvingen ieder ƒ566,04. Midden in de economische crisis van de jaren dertig was dat een aanzienlijk bedrag. De uitbetaling toont hoe ingrijpend de betekenis van het erfgooiersrecht was veranderd. In de middeleeuwen betekende gerechtigdheid toegang tot gras, bos, turf, plaggen en andere hulpbronnen. In 1933 kon dezelfde historische afstamming rechtstreeks worden omgezet in geld. De grond was daarmee naast gebruiksrecht en gemeenschappelijk bezit ook een individueel voelbaar vermogensrecht geworden.

De boeren hielden ongeveer 1.300 hectare weidegrond

De verkoop betekende echter niet dat Stad en Lande ophield te bestaan. De Erfgooiers hielden ongeveer 1.524 hectare over, waaronder circa 1.300 hectare meenten en andere weilanden. Het bestuur kon zich daardoor na de verkoop sterker richten op de belangen van de scharende boeren, veeteelt en beheer van de graslanden. Dat is belangrijk voor het slot van het verhaal: in 1933 verdwenen de Erfgooiers niet uit het landschap. Koeien bleven op de meenten lopen. De eeuwenoude agrarische gemeenschap bestond naast het nieuwe natuurreservaat voort.

28 april 1933 — Bikbergerbos komt erbij

Het Goois Natuurreservaat begon vrijwel onmiddellijk uit te breiden. Op 28 april 1933 werd van particuliere eigenaren het Bikbergerbos/Bikbergen verworven, ongeveer 103 à 104 hectare groot. Daarmee groeide het eerste bezit van circa 1.524–1.526 hectare tot ongeveer 1.628 hectare. De aankoop is belangrijk omdat zij laat zien dat het reservaat vanaf het begin meer was dan een constructie om voormalige Erfgooiersgrond te beheren. Het werd een actieve natuurbeschermingsorganisatie die ook particuliere terreinen aankocht wanneer daarmee het Gooise landschap kon worden versterkt.

Drie miljoen gulden legde de eerste groene basis

Voor het oorspronkelijke reservaat van ongeveer 1.628 hectare werd in totaal bijna drie miljoen gulden bijeen gebracht. Volgens een historische reconstructie droeg Noord-Holland ongeveer ƒ500.000 bij, Amsterdam ongeveer ƒ1,5 miljoen en de Gooise gemeenten gezamenlijk ongeveer ƒ1 miljoen. Daarmee werd natuurbescherming voor het eerst een grote publieke investering in de streek. Het contrast met de middeleeuwen is enorm. Toen beschermden de Gooiers hun heide omdat hun vee ervan leefde. Nu betaalden overheden miljoenen om te voorkomen dat hetzelfde landschap onder huizen en wegen zou verdwijnen.

Tussen 1933 en 1940 werden de gaten langzaam opgevuld

Na de eerste grote aankopen volgde geen tweede spectaculaire overdracht van vergelijkbare omvang. De eerste jaren stonden vooral in het teken van consolidatie en gestage verwerving van kleinere percelen en complexen. Daarmee konden bestaande natuurterreinen beter met elkaar worden verbonden en kwetsbare stukken worden veiliggesteld. Het reservaat groeide van ongeveer 1.628 hectare in 1933 naar 1.773 hectare aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Die groei van ongeveer 145 hectare kwam dus uit een reeks kleinere aanvullingen, niet uit één tweede grote Erfgooiersverkoop.

Het landschap werd nu beheerd omdat het landschap moest blijven bestaan

Daarmee veranderde ook de betekenis van beheer. Een Erfgooier beheerde heide en grasland om een boerenbedrijf mogelijk te maken. Het Goois Natuurreservaat moest terreinen beheren om hun landschappelijke en natuurlijke karakter te behouden. Ironisch genoeg betekende dat niet dat menselijk ingrijpen volledig kon stoppen. De heide was juist door eeuwen begrazing open gebleven. Wanneer alle gebruik verdween, kon zij dichtgroeien met struiken en bos. Moderne natuurbescherming erfde daardoor niet alleen de grond van de Erfgooiers, maar ook een landschap waarvan het karakter zonder beheer niet vanzelf bleef bestaan.

In 1940 was 1.773 hectare natuur veiliggesteld

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1940 bezat het Goois Natuurreservaat ongeveer 1.773 hectare. Daarmee was in minder dan acht jaar een omvangrijk beschermd gebied ontstaan midden in een streek die juist sterk verstedelijkte. De groei van Hilversum en Bussum was niet gestopt en ook Laren, Blaricum, Huizen en Naarden veranderden verder. Maar tussen de bebouwde gebieden bleven grote heide- en boscomplexen bestaan. Het karakteristieke patroon van het moderne Gooi — stedelijke kernen omgeven en van elkaar gescheiden door grote groene gebieden — kreeg daarmee een institutionele basis.

De Erfgooiers hadden het landschap niet als natuurreservaat ontworpen

Dat resultaat mag niet achteraf aan de middeleeuwse Gooiers worden toegeschreven. Zij beschermden de heide niet vanuit moderne ideeën over biodiversiteit of recreatie. Zij verdedigden hun economische gebruiksrechten. Schapen moesten kunnen grazen, koeien hadden weide nodig, hout en plaggen waren waardevol en buitenstaanders mochten die hulpbronnen niet zomaar gebruiken. Maar precies dat gemeenschappelijke systeem had grootschalige particuliere verkaveling eeuwenlang bemoeilijkt. Toen de agrarische functie afnam, lagen daardoor nog steeds grote aaneengesloten gebieden klaar die in natuurreservaat konden worden veranderd.

In 1940 waren Gooise bevolking en Erfgooiers niet langer dezelfde gemeenschap

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog bestonden de Erfgooiers nog steeds. Stad en Lande bleef bestaan, scharende boeren hielden vee en de meenten bleven in gebruik. Maar Erfgooier en Gooier waren allang niet meer vanzelfsprekend hetzelfde. Hilversum en Bussum waren sterk gegroeid, Laren had kunstenaars en nieuwe bewoners aangetrokken, trein en tram hadden de streek met Amsterdam verbonden en duizenden inwoners behoorden niet tot de oude gerechtigde families. Tegelijk was een groot deel van het landschap dat ooit door Erfgooiers werd gebruikt nu beschermd natuurgebied.

Van Nardinclant naar het beschermde Gooi

Daarmee sluit de lange ontwikkeling van de 18 delen. Het verhaal begon met ijs, zand, grafheuvels en de eerste bewoners. Daarna verschenen Nardinclant, Wichman van Hamaland, Elten, Floris V, de goede lieden van Gooiland, schaarbrieven, Landgooiers en Erfgooiers. Dezelfde grond werd achtereenvolgens domein, gemeenschappelijk gebruiksland, twistpunt, boerenmeent, eigendom, bouwgrond en natuurgebied. Namen als Albertus Perk, Harmen Vos, Machiel Majoor, Floris Vos, Emil Luden, Salomon de Miranda, P.G. van Tienhoven en A. Röell markeren de latere fasen. In 1940 was het oude Gooiland niet verdwenen. Het leefde voort in familienamen, archieven, meenten, grenzen én in het landschap zelf.

Bronnen:

  • Anton Kos, Van meenten tot marken. Een onderzoek naar de oorsprong en ontwikkeling van de Gooise marken en de gebruiksrechten op de gemene gronden van de Gooise markegenoten (1280–1568), proefschrift Universiteit Leiden, 2009. Dit is een van de belangrijkste wetenschappelijke bronnen voor de markevorming, Elten, Floris V, de schaarbrieven en de ontwikkeling van de gebruiksrechten.
  • A.C.J. de Vrankrijker & D.Th. Enklaar, Geschiedenis van Gooiland, 1972. Belangrijke algemene regionale geschiedenis, maar oudere interpretaties steeds vergelijken met moderner onderzoek.
  • Albertus Perk, negentiende-eeuwse publicaties, afschriften, kaarten en onderzoek naar de rechten van Stad en Lande. Essentieel voor de verdelingen van 1836 en 1843 en voor de negentiende-eeuwse geschiedschrijving van de Erfgooiers.
  • Archief Stad en Lande van Gooiland / Vereniging Stad en Lande van Gooiland. Schaarbrieven, ledenlijsten, bestuursstukken, grondzaken, meentbeheer, vee, processen en twintigste-eeuwse commissies.
  • Erfgooierswet van 25 april 1912, Staatsblad 149, plus de wijziging van 26 mei 1932, Staatsblad 217. Dit zijn primaire juridische bronnen voor de overgang naar de Vereniging Stad en Lande en de latere grondverkoop.
  • Goois Natuurreservaat, historische documentatie over de Erfgooiers, de oprichting in 1932, grondaankopen en ontwikkeling van het reservaat.
  • Historische Kring Laren, Kwartaalbericht en afzonderlijke historische onderzoeken. Belangrijk voor Harmen Vos, Floris Vos, Laren, kunstenaars, tram, Brink, Erfgooiers en lokale families.
  • Historische Kring Bussum, Bussums Historisch Tijdschrift en oudere publicaties. Vooral bruikbaar voor de Erfgooierswet, ledenlijsten, meentverbetering, landbouw, spoorweg en de enorme groei van Bussum.
  • Historische Kring Huizen, De Ratel. Belangrijk voor Huizen, de Erfgooiers, tramverbindingen, landbouw en de conflicten rond Stad en Lande.
  • Tussen Vecht en Eem, regionale historische publicaties. Vooral waardevol voor de bredere geschiedenis van Gooi en Vechtstreek en voor de geschiedenis van het Goois Natuurreservaat.
  • Oneindig Noord-Holland, achtergrondartikelen over Gooise buitenplaatsen, villaparken, kunstenaars, stoomtram, molens, landschap en regionale geschiedenis.
  • Delpher, voor historische kranten, tijdschriften en boeken. Vooral belangrijk om gebeurtenissen uit de negentiende en vroege twintigste eeuw met contemporaine berichtgeving te controleren.
  • De door ons gebruikte Historische Kring Blaricum, De Deelgenoot nr. 103 (2023), met onder meer Wichman, Elten, Nardinclant, 968, koptienden, 1280 en de latere geschiedenis van Stad en Lande.
  • Het onderzochte Naerdincklant-knipselarchief, vooral voor de geschiedenis van het archeologische onderzoek: L.J.F. Janssen, Albertus Perk, Crailoo, grafheuvels, urnen, Tafelberg, Hilversum en oudere archeologische interpretaties. Deze bron gebruiken we kritisch omdat verschillende negentiende- en vroegtwintigste-eeuwse conclusies inmiddels achterhaald zijn.
  • L.J.F. Janssen en de negentiende-eeuwse archeologische publicaties over de Gooise grafheuvels, aangevuld met later onderzoek van onder anderen P.J.R. Modderman. Daarmee kunnen de oudere verhalen over “koepelgraven”, klokbekercultuur en vermeende Germaanse bewoning worden onderscheiden van latere archeologische inzichten.