Spanbroek — van steentijdstrandwal tot West-Friese stede
Een dorp met bijna alle lagen van West-Friesland
Spanbroek moet je niet klein vertellen. Het is geen gewoon dorp dat toevallig tegen Opmeer aan ligt, en ook geen plaats die pas begint bij een kerk, een raadhuis of een rij stolpboerderijen. Spanbroek is een van die West-Friese kernplaatsen waarin bijna het hele verhaal van de streek samenkomt: de oude kust, de eerste bewoners, de Bronstijd, de middeleeuwse ontginning, de kerk, de stede, de schout, de schepenen, de Wijzend, De Wip, de ringvaart, de molen, het windrecht, het boerenland, de houtzagerij, de stoomfabriek en de archeologie onder de erven.
Zandwerven: de oudste laag
Wie Spanbroek goed wil begrijpen, moet niet beginnen bij de huidige dorpskern, maar bij de ondergrond. West-Friesland was ooit geen strak polderland met rechte sloten en lage weiden, maar een beweeglijk kustgebied. Water, zand, klei, kreken, geulen, slikken, schorren en kwelders bepaalden het landschap. Op sommige plekken lagen hogere zandige ruggen. Die waren van levensbelang. In een nat landschap is hoogte geen detail, maar de eerste voorwaarde om te kunnen wonen.
Bij Spanbroek lag zo’n hogere rug: Zandwerven.
Zandwerven is de oudste en diepste laag van het Spanbroek-verhaal. Het buurtschap hoort historisch bij Spanbroek en behoort tot de belangrijkste prehistorische vindplaatsen van Noord-Holland. Hier werd zichtbaar dat West-Friesland al duizenden jaren geleden bewoond werd. Waar men vroeger kon denken dat het natte kustgebied te onrustig of te drassig was voor langdurige bewoning, bewezen de vondsten van Zandwerven iets anders. Mensen leefden hier niet aan de rand van de beschaving, maar midden in een rijk landschap dat zij goed wisten te gebruiken.
De eerste bewoners op de strandwal
Rond 1927 en 1928 ontdekte de West-Friese onderwijzer en amateurarcheoloog Jan Butter grote hoeveelheden prehistorisch materiaal op de akkers bij Zandwerven. Dat was geen toevallige vondst van een paar scherven. Het ging om zoveel materiaal dat duidelijk werd dat hier iets belangrijks in de bodem zat. De ontdekking trok de aandacht van professionele archeologen. In 1929 volgde onderzoek door professor Albert Egges van Giffen. Later werden de onderzoeken voortgezet door J.F. van Regteren Altena, en in de literatuur rond Zandwerven komen ook namen naar voren als J.A. Bakker, Clason en Pons.
De opgravingen lieten zien dat hier geen kortstondige kampplaats lag, maar een nederzettingslandschap. Archeologen vonden bewoningslagen, aardewerk, vuurstenen werktuigen, dierenbotten, visresten, mosselschelpen, haardplaatsen, paalgaten en afvalkuilen. Zulke vondsten vertellen meer dan alleen dat er mensen waren. Ze laten zien hoe die mensen leefden. Zij bouwden huizen, maakten vuur, kookten voedsel, slachtten dieren, repareerden werktuigen, verwerkten hout, verzamelden schelpdieren, vingen vis en lieten afval achter in kuilen die duizenden jaren later opnieuw werden geopend.
Vlaardingencultuur, Standvoetbekercultuur en dagelijks leven
De bewoners van Zandwerven worden verbonden met de Vlaardingencultuur en de Standvoetbekercultuur. Dat maakt de plek extra belangrijk, omdat zij hoort bij de overgangswereld tussen jagen, verzamelen, landbouw en veeteelt. De mensen van Zandwerven leefden van een gemengde economie. Runderen, varkens, schapen en geiten speelden een rol, maar het omliggende kustlandschap bleef even belangrijk. In afvalkuilen zijn resten gevonden van vissen, watervogels, mosselen en zelfs bruinvis.
De hogere strandwal gaf veiligheid. De lagere delen gaven voedsel. Dat is de kern van Zandwerven. Wonen kon op de rug; leven deed men met het hele landschap eromheen.
De beroemde standvoetbeker van Zandwerven hoort tot de bekendste vondsten uit deze omgeving. Maar de grootste waarde van Zandwerven ligt niet in één bijzonder voorwerp. De kracht zit in het geheel: aardewerk, vuursteen, dierenbotten, schelpen, paalgaten, kuilen en lagen samen. Daardoor wordt niet alleen een object zichtbaar, maar een gemeenschap.
De Bronstijd blijft zichtbaar
Ook na de Nieuwe Steentijd bleef het gebied betekenis houden. Bij Spanbroek zijn vondsten bekend uit de Vroege Bronstijd. Een belangrijk voorbeeld is een fragment wikkeldraadstempelkeramiek, gevonden in oude kreekrugafzettingen op ongeveer tachtig centimeter diepte. Deze vondst wordt gedateerd rond 1700 tot 1500 voor Christus. Het laat zien dat de hogere gronden ook na de neolithische bewoning deel bleven uitmaken van een bewoond en gebruikt landschap.
De stille eeuwen tussen Bronstijd en Middeleeuwen
Daarna wordt het verhaal minder helder. Tussen de Bronstijd en het middeleeuwse Spanbroek ligt een periode waarin de bronnen schaarser zijn. Dat is geen zwakte van het verhaal, maar een eerlijk onderdeel ervan. Niet iedere eeuw bewaart zich even goed in de bodem. Water, veenvorming, latere ontginning, landbouw, bebouwing en grondwerk kunnen sporen uitwissen of verplaatsen.
Spanbroek heeft daardoor geen volledig doorlopende archeologische lijn waarin elke generatie zichtbaar is. Het heeft sterke vensters: Zandwerven voor de steentijd, de Bronstijdvondst als vervolg, de middeleeuwse ontginning, de kerk en stede, De Wip, de Wijzend, de houtzaagmolen en de opgravingen aan de Spanbroekerweg en Van Roozendaalstraat.
Ontginning van het veenland
In de middeleeuwen veranderde het landschap ingrijpend. Grote delen van West-Friesland waren bedekt met veen. Van de tiende tot en met de twaalfde eeuw werd een groot deel van West-Friesland systematisch in cultuur gebracht. Sloten werden door het veen gegraven om water af te voeren. Door die ontwatering oxideerde het veen en begon het maaiveld te dalen. Daardoor werd het land kwetsbaarder voor overstromingen. Dijken werden noodzakelijk, en vanaf ongeveer 1250 werd West-Friesland beschermd door één samenhangende dijk: de Westfriese Omringdijk.
Spanbroek groeide in die wereld uit tot een agrarische nederzetting langs een ontginningsas. Het dorp lag niet willekeurig. De ligging volgde de bruikbare gronden, de watergangen en de wegen.
De Wijzend als oude waterlijn
Een belangrijke waterloop in dit landschap was de Wijzend. Het rapport over de Van Roozendaalstraat laat duidelijk zien hoe belangrijk die waterloop was. Het plangebied van de houtzaagmolen lag binnen de voormalige banne van Spanbroek, maar sloot aan op het historische dorpslint van Opmeer. De Wijzend vormde de grens tussen de waaierverkaveling van Spanbroek/Wognum aan de zuidzijde en het ontginningsblok ten noorden daarvan, waarin onder meer Opmeer, Hoogwoud en Aartswoud liggen. Dat betekent dat de Wijzend waarschijnlijk al tijdens de ontginning van het gebied in de elfde en/of twaalfde eeuw bestond.
De oudste bewoning van Spanbroek lag zuidelijker, langs de Spanbroekerweg. De bebouwing aan de Wijzend kwam vermoedelijk later, waarschijnlijk in de Late Middeleeuwen, en hing samen met de betekenis van de Wijzend als waterweg. Bij Opmeer werd op zeker moment een overtoom in de Wijzend gebouwd, waardoor schepen hun goederen moesten uitladen en vervolgens weer inladen.
De Sint-Bonifatiuskerk en de dorpsgemeenschap
De kerk werd het hart van de middeleeuwse gemeenschap. Spanbroek had een kerk gewijd aan Sint-Bonifatius. Rond deze kerk kwamen geloof, begrafenis, armenzorg, dorpsorde en gemeenschap samen. De kerk was niet alleen een gebouw voor de zondag. Zij bepaalde het ritme van het hele leven. Kinderen werden er gedoopt, huwelijken werden er gesloten en doden werden er begraven.
In een middeleeuws dorp was de kerk ook een sociale instelling. Kerkmeesters beheerden kerkelijke goederen. Armenzorg vond via kerkelijke structuren plaats. Weduwen, wezen, zieken, pachters, boerengezinnen en ambachtslieden stonden allemaal in verhouding tot dezelfde parochiegemeenschap.
Spanbroek als plattelandsstede
Naast die kerkelijke laag kreeg Spanbroek een bestuurlijke betekenis die het dorp bijzonder maakt. Spanbroek hoorde tot de West-Friese plattelandssteden. Een stede als Spanbroek was geen grote handelsstad met zware muren, poorten en havens zoals Hoorn of Enkhuizen. Het was een plattelandsstede: een dorp of groep dorpen met rechten, bestuur en rechtspraak.
In 1413 werd door hertog Willem van Beieren het baljuwschap van Medemblik opgeheven en werd een groot deel van het platteland verdeeld in zeven schoutambten. Een daarvan was Spanbroek, dat met Opdam, Hensbroek en Opmeer voortaan één stede zou vormen. Bij handvest van 2 februari 1414 kreeg Spanbroek het stadsrecht van Schellinkhout. In die tijd betekende het verheffen van zulke landgemeenten tot stad vooral de oprichting van een zelfstandige vierschaar: een eigen rechtskring waarin recht kon worden gesproken.
In 1426 verloor Spanbroek zijn privileges. De plaats had deelgenomen aan de weerspannigheid van de West-Friezen en werd door hertog Philips van Bourgondië gestraft. In 1456 herkreeg Spanbroek zijn rechten. Vanaf dat moment hoort Spanbroek stevig in het rijtje van West-Friese plattelandssteden. De plaats had een eigen schout, baljuw of officier en een schepenbank.
Schout, schepenen, vierschaar en raadhuis
De vierschaar sprak recht. Aanvankelijk gebeurde dat nog bij de schout aan huis, maar omdat dit niet goed werkte, werd bepaald dat de vierschaar iedere woensdag om acht uur ’s morgens gehouden zou worden in een speciaal daarvoor bestemd gebouw bij de kerk.
Daarmee krijgt het oude raadhuis van Spanbroek een bijzondere betekenis. Vermoedelijk hangt de stichting van het oude raadhuis, dicht bij de kerk en daterend uit 1598, samen met deze behoefte aan een vaste plaats voor rechtspraak. In dat gebouw vergaderde de vierschaar. Het woord vierschaar verwijst naar de vier banken of scharen die een ruimte omsloten waarbinnen recht werd gesproken.
Ambachtsheren en heerlijk recht
Als eerste ambachtsheer wordt Arent van Gent genoemd, ridder en heer van Giessen. Hij kreeg op 5 november 1429 van hertogin Jacoba van Beieren de hoge en lage heerlijkheid van Spanbroek, Opmeer, Obdam en Hensbroek. Later ging de heerlijkheid door verkoop en erflating in verschillende handen over.
Rond 1530 was Georgius van Egmond, bisschop van Utrecht, ambachtsheer van Spanbroek. Bij zijn inhuldiging beloofde hij de privileges van de stede te handhaven. In 1537 stemde hij ermee in dat de keizer vijf schepenen in Spanbroek zou aanstellen en beëdigen.
Hier komen drie lagen samen: kerkelijke macht, wereldlijke macht en lokaal bestuur. Voor boeren en inwoners werd die macht concreet in pacht, boetes, belasting, erfdienstbaarheden, wateronderhoud, wegen en rechtszaken.
Spanbroek en Opmeer: samen, los en weer samen
Tot de Franse tijd behielden Spanbroek, Opmeer, Obdam en Hensbroek als heerlijkheden hun eigen besturen. Bij decreet van keizer Napoleon van 21 oktober 1811 werden met ingang van 1 januari 1812 enkele samenvoegingen opgelegd. Spanbroek en Opmeer werden samengevoegd. Bij Koninklijk Besluit van 13 december 1815 werden Spanbroek en Opmeer met ingang van 1 mei 1817 weer gescheiden.
Er kwamen nieuwe pogingen tot samenvoeging, onder meer bij de invoering van de gemeentewet in 1851, opnieuw in 1940 en later nog in 1951 naar aanleiding van het rapport van de commissie Ter Veer. Uiteindelijk kwam de definitieve samenvoeging tot één nieuwe gemeente Opmeer tot stand bij de wet van 12 maart 1959. Die samenvoeging ging in op 1 juli 1959.
Ringvaart, kaasmarkt en agrarische bedrijven
Van oorsprong hadden Spanbroek en Opmeer een agrarisch karakter. De ringvaart die Spanbroek en Opmeer van elkaar scheidde, zorgde voor een goede verbinding met Alkmaar en Amsterdam. Daardoor vestigden zich agrarisch georiënteerde bedrijven: pakhuizen voor veevoer en kazen, wagenmakerijen, zadelmakerijen en andere bedrijven die met boerenland, vervoer en handel samenhingen. Heel vroeger was er zelfs een kaasmarkt.
Dat detail past prachtig bij Spanbroek: een dorp van boeren, koeien, kaas, waterwegen en marktverbindingen.
De Wip: overtoom, sluis en handelsroute
Water was voortdurend aanwezig. Spanbroek lag niet aan een grote zeehaven, maar het water bepaalde wel de bereikbaarheid en economie. Sloten, vaarten, bruggen, sluizen en overtomen waren de werkwegen van het landschap.
Een van de belangrijkste plekken in dit waterverhaal is De Wip. Daar lag eerst een overtoom: een plaats waar schuiten over een waterkering konden worden getrokken. In 1591 werd deze oude overtoom vervangen door een sluis met een wipbrug.
Een sluis veranderde de beweging van mensen en goederen. Schuiten hoefden niet meer moeizaam over een overtoom te worden gehaald, maar konden via gecontroleerd water passeren. De eerste wipbrug bij De Wip hoort daarom niet alleen bij waterbeheer, maar ook bij handel en macht. Hoorn probeerde de bouw tegen te houden. Dat detail laat zien dat waterverbindingen economische belangen raakten.
Boerenland, stolpen en dagelijks werk
Toch bleef het dorp in de basis agrarisch. Eeuwenlang draaide het dagelijks leven om land, vee en water. Boeren, pachters, knechten, dienstboden, ambachtslieden, weduwen en kinderen leefden in een landschap dat voortdurend onderhoud vroeg. Sloten moesten worden geschoond, bruggen onderhouden, wegen begaanbaar gehouden en erven droog gehouden.
Stolpboerderijen gingen later het gezicht van het dorp en de omgeving bepalen. De stolp is niet zomaar een boerderijtype, maar een antwoord op een agrarische wereld waarin wonen, werken, opslag en veehouderij onder één groot dak werden samengebracht.
Opgravingen aan de Spanbroekerweg
De archeologie aan de Spanbroekerweg maakt dat boerenleven tastbaar. Waar Zandwerven de oudste laag van het verhaal vormt, laten de opgravingen aan de Spanbroekerweg zien hoe het middeleeuwse en vroegmoderne Spanbroek onder de huidige erven doorloopt.
Spanbroekerweg 120: middeleeuwse boerderijen
Bij Spanbroekerweg 120 werd in juni 2013 archeologisch onderzoek uitgevoerd. Daar kwamen resten aan het licht van twee middeleeuwse boerderijen en delen van een zeventiende-eeuwse stolpboerderij. Er werden paalsporen, erfstructuren, ophogingslagen, huttenleem, klei, houtskool en resten van leemvloeren herkend.
Vooral het huttenleem is betekenisvol. Zulke resten vertellen hoe huizen gebouwd waren: houten palen, vlechtwerk, aangesmeerde leem, vloeren, vuurplaatsen en erven. Daardoor komt het gewone huis dichtbij.
Spanbroekerweg 23: met oud hout gebouwd
Ook Spanbroekerweg 23 is een sterke plaats in het verhaal. Daar werd in 2016 archeologisch en bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd op het perceel van een gesloopte stolpboerderij. De boerderij bleek een Noord-Hollandse stolp te zijn, met een grotere stal en een andere indeling dan de West-Friese variant. Het houtskelet, het vierkant, was grotendeels opgebouwd uit hergebruikt eikenhout. Zelfs een grenen molenwiek was in de constructie verwerkt.
Een oude molenwiek in een boerderij laat zien hoe zuinig en praktisch men met materiaal omging. Goed hout was kostbaar. Balken, stijlen en onderdelen kregen een tweede leven.
Spanbroekerweg 116: oude bewoningsas
Spanbroekerweg 116 bevestigt dat de oude bewoningsas van Spanbroek archeologisch gevoelig blijft. Onder moderne bebouwing en erven kunnen nog oudere resten liggen: greppels, sloten, vloeren, kuilen, paalsporen, ophogingen, oude erfstructuren en bewoningslagen.
Daarmee wordt de Spanbroekerweg een tweede ruggengraat in het verhaal. Zandwerven vertelt de prehistorie. De Spanbroekerweg vertelt het middeleeuwse en vroegmoderne boerenland.
Van Roozendaalstraat: derde ruggengraat van het verhaal
Door het rapport over de Van Roozendaalstraat komt daar nog een derde ruggengraat bij: de industriële en ambachtelijke laag van Spanbroek.
Aan de Van Roozendaalstraat 13-15 lag tot 2023 het fabriekscomplex van JET BIK, waar lichtkoepels werden gemaakt. Toen dit complex werd gesloopt voor de bouw van de nieuwe woonwijk De Drie Hofjes, bleek dat deze plek veel ouder en rijker was dan alleen een modern fabrieksterrein. In mei en juni 2023 voerde Archeologie West-Friesland hier een opgraving uit. In totaal werden tien werkputten aangelegd en 1362 vierkante meter onderzocht. Omdat op alle onderzochte locaties sporen aanwezig waren, werden twee zones opgegraven: aan de oostzijde de locatie van stolpboerderij ’t Slothuis en aan de westzijde de locatie van de houtzagerij, met huizen en het balkengat.
De houtzaagmolen van 1727
De houtzaagmolen van Spanbroek werd in 1727 gebouwd. Dat is opvallend, want houtzaagmolens stonden in de zeventiende en achttiende eeuw vooral bij steden als Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik. Op het platteland waren ze zeldzaam. In 1731 waren er in heel Holland 448 houtzaagmolens, maar bijna allemaal in stedelijke of havengebonden gebieden. De molen van Spanbroek was dus een bijzondere verschijning op het platteland.
De bouw van de molen hangt samen met het recht op wind, een van de heerlijke rechten. Johanna Jacoba van Gheel, Vrouw van Spanbroek, verleende aan Joris Spruijt toestemming om een windzaagmolen op te richten. Daarvoor moest jaarlijks zes gulden worden betaald vanwege het recht op de wind, ingaande op 1 januari 1729.
Windrecht, Joris Spruijt en Jan Braak
De houtzaagmolen stond op naam van Joris Spruijt. Hij kwam uit een boerenfamilie uit Berkhout en woonde in elk geval vanaf 1720 in Opmeer. Het eigendom was verdeeld over vijf participanten: Joris Spruijt, Claas Rol uit Purmerend, Johannes Agricola uit Hensbroek, Elias Agricola uit Hoorn en Gerrit Agricola uit Spanbroek.
In 1732 stapte Joris Spruijt uit de onderneming. De andere participanten verkochten zijn aandeel aan Jan Braak. Jan Braak werd eigenaar van een vijfde deel van de molen en erkende in 1733 dat hij jaarlijks zes gulden recognitie voor het recht op de wind moest betalen. Hij was ook eigenaar van de stolpboerderij aan de Wijzend even ten oosten van de houtzaagmolen, de boerderij die bekendstond als ’t Slothuis.
Jan Braak raakte in een hoogoplopend conflict met de Heer van Spanbroek, de baljuw en het dorpsbestuur. De Heer van Spanbroek greep het recht van de wind aan om Braak aan te pakken. De zaak liep door tot het Hof van Holland en uiteindelijk tot de Hoge Raad. In 1755 werd Braak alsnog in het gelijk gesteld. Hij mocht blijven malen, zolang hij de jaarlijkse zes gulden recognitie bleef betalen.
Dit conflict laat zien hoe Spanbroek als plattelandsstede werkte. De molen stond niet los van de heerlijkheid, de schout, de schepenbank en het dorpsbestuur.
Balkengat, sleephelling en houttransport
In 1787 werd de molen publiek geveild in herberg De Valk. De omschrijving uit het veilboek is prachtig: het ging om “een hegte sterke en welgelegen houtsaagmoolen”, een wipmolen met huising, schuren, loodsen, werf en een stukje land, samen 375 roeden groot, met gereedschappen, wagens en schuit.
In 1832 was het complex in bezit van houtkoper Pieter Groot. Er was een woonhuis en stolpboerderij, een houtzaagmolen op een rechthoekige zaagschuur, droogschuren aan weerszijden en een balkengat. Dat balkengat was een stuk water waarin boomstammen vóór het zagen enige tijd dreven. Dit “wateren” maakte het hout duurzamer en hielp voorkomen dat planken na het zagen krom trokken.
Via een sleephelling werden de boomstammen uit het water naar de zaagschuur getrokken. Hout werd niet zomaar aangevoerd en gezaagd; het onderging een proces van opslag, wateren, zagen, drogen, vervoeren en verkopen.
Pieter Groot, Jacob Over en Van den Steen
In 1837 liet Pieter Groot de molen publiek veilen. In de advertentie werd hij omschreven als een achtkantige houtzaagmolen met erf, kapitaal woonhuis, houtloods en royale balkenhaven, plus een boerenhuis en erf. Dat is belangrijk, want in 1787 was de molen nog een wipmolen. Tussen 1787 en 1837 was hij dus vervangen door een achtkantige molen.
De kopers waren Jacob Over en Petrus François van den Steen, burgemeester van Spanbroek. Op 7 februari 1844 werd de houtzaagmolen getroffen door brand. In augustus 1844 werd de molen herbouwd. Na het overlijden van Jacob Over in 1846 werd Van den Steen de enige eigenaar. Hij kocht in dat jaar ook de heerlijkheid Spanbroek.
Brand, herbouw en arbeidersleven
In 1887 vierde Spanbroek feest ter ere van Petrus François van den Steen, omdat hij 77 jaar was en vijftig jaar eigenaar van de houtzaagmolen. Na zijn overlijden in 1888 ging het complex over naar zijn zoon Hector Jacob Koenraad van den Steen, burgemeester van Spanbroek en Opmeer.
In 1859 werkten er volgens de Hoornsche Courant acht arbeiders in de molen. Namen als Simon Sneeboer, Volkert van Leeuwen, Arien Loos en Egbert Dirkmaat brengen de arbeiderswereld van de molen dichterbij. Egbert Dirkmaat werkte volgens een bericht in 1887 al zestig jaar op de molen; dat betekent dat hij rond 1827 als knecht moet zijn begonnen.
Van windmolen naar stoomhoutzagerij
Rond 1902 en 1903 veranderde het complex ingrijpend. De oude stolpboerderij werd afgebroken, het balkengat werd versmald en ten oosten daarvan werd een nieuw houtzaagcomplex gebouwd van ongeveer 33 meter lang en 13 meter breed. In 1903 kwam daar een stoomhoutzagerij bij. Daarmee stapte Spanbroek van windkracht naar stoomkracht.
In 1904 of 1905 werd de stoomhoutzagerij uitgebreid. Er kwam een bakstenen gebouw met een grote fabrieksschoorsteen en een nieuwe, grotere stoommachine. De oude houtzaagmolen werd in 1905 afgebroken.
Stoomhoutzagerij Wilhelmina en De Tijdgeest
Aan het begin van de twintigste eeuw was op deze plek sprake van een klein industrieel complex. In advertenties uit de periode 1903-1909 wordt het bedrijf “Stoomhoutzagerij en schaverij Wilhelmina” genoemd. Tegelijk wordt het gebouw in het kadaster ook aangeduid als maalderij. Oude advertenties noemen de maalderij “stoommeelfabriek en graanhandel De Tijdgeest”. Waarschijnlijk werd één stoommachine gebruikt voor zowel de houtzagerij als de maalderij.
Rond 1900 had Spanbroek aan de Wijzend dus een industrieel cluster: houtzagerij, schaverij, stoommachine, maalderij, graanhandel, loodsen, balkengat, fabrieksschoorsteen, paarden, wagens en arbeiders.
’t Slothuis: stolp, erf en mogelijk oudere versterkte plek
Bij dat complex hoorde ook ’t Slothuis. Ruim een kilometer ten oosten van de houtzagerij stond een stolpboerderij met die naam. De eigenaren zijn bekend vanaf 1735 tot de afbraak in 1905. Gedurende een groot deel van die periode was ’t Slothuis eigendom van een eigenaar van de houtzagerij of diens erfgenamen.
De naam ’t Slothuis maakt nieuwsgierig. Aan de oostzijde van het plangebied zijn sporen en vondsten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aangetroffen van vóór de bouw van de achttiende-eeuwse stolpboerderij, waaronder zestiende-eeuwse bakstenen. In combinatie met de naam ’t Slothuis roept dat de mogelijkheid op dat hier ooit een versterkt huis heeft gestaan.
De stolpboerderij ’t Slothuis werd rond 1727 gebouwd en in 1905 gesloopt. Dankzij de aangetroffen sporen kon de indeling van de boerderij grotendeels worden gereconstrueerd.
Faillissement, afbraak en nieuwe industrie
De stoomhoutzagerij kende maar een kort leven. In 1909 bleek het bedrijf failliet. In augustus van dat jaar werd de houtvoorraad openbaar verkocht, samen met paarden en wagens. In november 1909 werd de volledige fabriek aangeboden, met fabrieksgebouw, machinekamer, ketelhuis, een 25 meter hoge fabrieksschoorsteen, loodsen, stoommachine, houtbewerkingsmachines, graanmaalinrichting en de percelen met herenhuis en arbeiderswoning.
In 1910 werden de stoomhoutzagerij, maalderij en houtloodsen afgebroken. Alleen de twee woonhuizen en het balkengat bleven nog even over. In 1922 werd het balkengat gedempt. Daarna veranderde de plek opnieuw. In 1928 bouwde koopman Dirk Scholten er een schuur. Vanaf 1936 waren Pieter Pietersz en Theodorus Koomen eigenaar; zij handelden in graan en peulvruchten.
Van Kuin naar BIK en JET BIK
In 1953 liet timmerfabriek Kuin een grote loods bouwen. In 1956 kwam daar een tweede schuur bij van de gebroeders Koomen. Later werden de gebouwen van Koomen opgekocht door Kuin en groeide de timmerfabriek verder. In de jaren tachtig veranderde de naam in BIK Bouwproducten en later in JET BIK, gespecialiseerd in lichtkoepels. In 2022 werden de gebouwen van JET BIK gesloopt.
Daarmee kwam een einde aan het industriële karakter dat deze plek bijna driehonderd jaar had gehad.
Spanbroek als opeenvolgend werklandschap
De geschiedenis van Spanbroek is een geschiedenis van opeenvolgende werklandschappen. In de steentijd gebruikten mensen de strandwal van Zandwerven en het natte kustlandschap eromheen. In de Bronstijd bleven hogere ruggen en kreekruggen aantrekkelijk. In de middeleeuwen werd het veen ontgonnen, werden sloten gegraven en ontstonden dorpslinten. Rond de Sint-Bonifatiuskerk groeide een gemeenschap. Als stede kreeg Spanbroek rechtspraak, schout, schepenen en een raadhuis. Langs de Wijzend en bij De Wip werden water, handel en vervoer georganiseerd. Aan de Spanbroekerweg lagen boerderijen, stolpen en erven. Aan de Van Roozendaalstraat groeide een houtzaagmolen uit tot een stoomzagerij, maalderij, timmerfabriek en uiteindelijk modern industrieel terrein.
Waarom Spanbroek zelfstandig blijft
Spanbroek moet niet worden opgeslokt door Opmeer. Daarvoor is het eigen verhaal te sterk. Zandwerven, de Stede Spanbroek, de Sint-Bonifatiuskerk, het oude raadhuis, De Wip, de Spanbroekerweg-opgravingen, de Wijzend, de houtzaagmolen, het windrecht, ’t Slothuis en de stoomhoutzagerij geven Spanbroek een eigen historische identiteit.
Wat Spanbroek bijzonder maakt, is niet één gebeurtenis. Het is juist de combinatie. Er zijn dorpen met een sterke middeleeuwse kerk. Er zijn plaatsen met mooie stolpen. Er zijn archeologische vindplaatsen uit de steentijd. Er zijn dorpen met stadsrechten. Er zijn plekken met een molenverhaal. Spanbroek heeft al die lagen tegelijk.
Daarom is Spanbroek een kernplaats in het verhaal van West-Friesland. Hier kun je de grote geschiedenis van de streek vertellen zonder het dorp te verlaten: van strandwal naar stede, van vuursteen naar leemvloer, van overtoom naar sluis, van windrecht naar stoommachine, van balkengat naar lichtkoepelfabriek.
Kernzin
Spanbroek is geen bijlage bij Opmeer, maar een eigen historisch ankerpunt: een West-Friese plaats waar meer dan vijfduizend jaar bewoning, bestuur, geloof, waterbeheer, boerenleven, ambacht en industrie samenkomen in één doorlopend verhaal.