Deel 1 — Van kreekrug tot Medemolaca: waarom Medemblik juist hier ontstond

Medemblik begint niet met Floris V, niet met Kasteel Radboud en zelfs niet met de stadsrechten van 1289. De oudste laag ligt veel dieper: in het landschap zelf. Wie Medemblik wil begrijpen, moet eerst naar water kijken. Niet naar water als achtergrond, maar als maker van de plaats. Medemblik ontstond omdat hier een bruikbare, hogere plek lag aan een oude veenstroom, op de overgang van land, binnenwater en open vaarroute.

Die oude waterloop werd later bekend als de Middenleek. In de stad leeft hij voort als de Oude Haven. Wat nu straatnaam, gedempt water en stadsherinnering is, was oorspronkelijk een brede veenrivier. Hij verbond het achterland met het Almere, het latere Zuiderzeegebied, en verder met het Vlie. Aan zo’n water kon men wonen, aanleggen, vee houden, goederen overslaan en contact onderhouden met andere plaatsen.

De Middenleek liep niet zomaar naar open water. Zij waterde af op het Meer van Wervershoof. Dat meer was in de Vroege Middeleeuwen een westelijke uitstulping van het Vlie. Het lag als een brede waterzone langs Medemblik, Wervershoof en Andijk. Daardoor kreeg Medemblik een dubbele ligging: aan een binnenlandse veenstroom én aan een groter water dat toegang gaf tot het Vlie, de Noordzee, het Almere, de Rijnlandse wateren en de noordelijke vaarwereld. De plek keek dus niet één kant op. Zij lag tegelijk naar het achterland, naar het binnenwater en naar de grote handelsroute.

Het landschap vóór de stad

Na de laatste ijstijd lag West-Friesland in een open dekzandlandschap. De pleistocene zandlagen liggen nu diep onder het maaiveld. Toen het klimaat warmer werd, steeg de zeespiegel. Het grondwater kwam omhoog en er ontstond veen. Later werd dat veen op veel plaatsen bedekt door wad- en kwelderafzettingen.

Tot ongeveer 3800 v.Chr. stond West-Friesland sterk onder invloed van de zee. Het gebied bestond uit geulen, zandige platen, kleilagen, kwelders en natte kommen. Daarna sloten zich langs de Noord-Hollandse kust strandwallen. De zee kon niet meer overal vrij binnenkomen, maar via zeegaten bleef zij het achterland bereiken. Vooral het zeegat van Bergen was belangrijk. Via dat zeegat liepen getijdengeulen diep West-Friesland in.

Toen het zeegat van Bergen tussen ongeveer 1400 en 1200 v.Chr. verder dichtslibde en uiteindelijk sloot, raakte West-Friesland steeds meer van directe zee-invloed afgesneden. Daarna kon veen groeien, terwijl oudere geulen als zandige banen in het landschap achterbleven. Die oudere geulen verdwenen dus niet echt. Zij bleven in de bodem liggen als vormgevers van latere bewoning.

Rond 2200 v.Chr. liep een grote west-oost georiënteerde geul door West-Friesland. Bij Aartswoud splitste die zich. Een noordelijke tak liep richting Medemblik; een zuidelijke tak liep richting Hoogwoud, Opmeer, Wognum en verder oostelijk West-Friesland. De noordelijke tak verlandde vermoedelijk al rond 2100 v.Chr., maar zijn zandige afzettingen bleven belangrijk. Toen het omliggende veen later inklonk, kwamen zulke oude geulafzettingen als hogere ruggen in het landschap te liggen.

Zo ontstond een betere, drogere route in een verder nat gebied. Vanuit Hoogwoud en Abbekerk liep zo’n hogere lijn richting Medemblik. In de archeologische literatuur wordt deze voormalige getijdengeul vaak de Kreekrug van Abbekerk genoemd. Die rug loopt van Aartswoud via Abbekerk, Twisk en Opperdoes richting Medemblik. Medemblik lag op het oostelijke uiteinde van die rug. Dat is belangrijk: de stad kwam niet zomaar aan een water te liggen, maar precies waar een oude zandige baan, een veenstroom en een groter water elkaar raakten.

Zulke kreekruggen waren geen bergen, maar in een veenlandschap maakte een halve meter verschil al veel uit. Daar kon een erf droger liggen. Daar kon vee staan. Daar kon een pad ontstaan. Daar kon een nederzetting blijven.

Dat deze rug al vóór de Middeleeuwen aantrekkelijk was, blijkt uit archeologische vondsten rond Medemblik. Bij de Schuitevoerderslaan zijn resten uit de Bronstijd gevonden, waaronder grafheuvels en huisplattegronden. Ook in de binnenstad, onder meer bij de St. Josephschool aan de Ridderstraat, kwamen sporen uit de Late Bronstijd en mogelijk uit de IJzertijd tevoorschijn. Medemblik was dus niet pas in de 7de eeuw een bruikbare plek. De middeleeuwse nederzetting bouwde voort op een veel oudere landschappelijke geschiktheid.

Lang werd gedacht dat het gebied tussen Bronstijd en Vroege Middeleeuwen vrijwel onbewoond was geraakt. Door nieuwe vondsten is dat beeld voorzichtiger geworden. Sporen bij het Bedrijventerrein Almere en bij de St. Josephschool laten zien dat delen van het landschap rond Medemblik in de IJzertijd mogelijk nog tijdelijk bewoonbaar waren. Voor de Romeinse tijd blijft het bewijs zwak. Er is slechts een hergebruikte scherf terra sigillata bekend. Die scherf bewijst geen Romeinse nederzetting, maar laat wel zien dat oude voorwerpen en contacten soms in latere lagen kunnen opduiken.

De plaats was dus aantrekkelijk door hoogte, maar niet alleen door hoogte. Minstens zo belangrijk was de afwatering. De Middenleek draineerde het veen en voerde water af naar het Meer van Wervershoof. In de 7de en 8ste eeuw maakte die combinatie van veenrivier, meer en Vlie het gebied rond Medemblik, Wervershoof en Andijk veel beter bewoonbaar dan nattere delen van het veenland.

Daar kwam bij dat de vroege middeleeuwen een relatief gunstige klimaatsfase kenden. De gemiddelde jaartemperatuur lag hoger dan in de eeuwen ervoor. Samen met de goede ontwatering maakte dat het veenland rond Medemblik tijdelijk beter geschikt voor bewoning, akkerbouw en veeteelt. Het bewoonbare gebied werd dus niet alleen bepaald door de hoogste grond, maar vooral door de vraag waar water weg kon.

Rond het Meer van Wervershoof werd later een kalkarme klei afgezet, plaatselijk bekend als kiekklei of pikklei. Juist daardoor zijn sommige bewoningslagen rond Medemblik archeologisch beter van elkaar te onderscheiden dan in andere delen van West-Friesland, waar lagen vaker door inklinking en latere verstoring dichter op elkaar liggen. Het landschap bewaarde dus niet alleen bewoning, maar hielp ook later om die bewoning te lezen.

Leken: de waterwereld van West-Friesland

Toen het zeegat van Bergen rond 1400–1200 v.Chr. verder dichtslibde en uiteindelijk sloot, raakte West-Friesland grotendeels met veen overgroeid. Door dat veen stroomden kleine waterlopen. In West-Friesland heetten zulke veenstromen vaak leken. Namen als Kromme Leek, Oosterleek en Middenleek bewaren die oude waterwereld.

De naam Medemblik wordt meestal verbonden met zo’n waternaam. In oude vormen komen namen voor als Medemolaca, Medemelacha, Medemelac, Medemleke, Medemblec en later Medembliec. Een bekende verklaring verbindt het eerste deel met “middelste” en het tweede deel met laca/leek, waterloop. Dan betekent de naam ongeveer: de middelste leek, de middelste waterloop.

Daarbij is gedacht aan een systeem van meerdere waterlopen: een Uiterleek of Oterleek, een Middenleek en mogelijk een Overleek. De huidige Kromme Leek hoeft dan niet precies dezelfde waterloop te zijn als de oude Middenleek, maar hoort wel bij dezelfde waterwereld. Zeker is vooral dit: Medemblik dankt zijn naam en bestaan aan water.

Ten zuiden van Medemblik ontstond later de Vliet, die de Middenleek met de Kromme Leek verbond. Daardoor kreeg Medemblik niet alleen toegang tot het grotere water van Vlie en Almere, maar ook tot een binnenlands netwerk van leken, vaarten en veenwateren. De stad lag dus aan een kruispunt van waterwegen. Vanuit Medemblik kon men naar het achterland, naar Wervershoof en Andijk, naar de binnenwateren van West-Friesland en naar de open vaarroute richting Vlie.

Deze waterwereld was tegelijk kans en gevaar. Water maakte vervoer mogelijk, maar ook afslag, overstroming en vernatting. Vanaf ongeveer 800 nam de zee-invloed via het Vlie toe. Tussen 900 en 1200 werd het landschap onrustiger. Overstromingen, landverlies en brakke invloeden veranderden het oostelijke kustgebied van Noord-Holland. De latere vorming van de Zuiderzee vernietigde waarschijnlijk veel sporen van nederzettingen en ontginningen ten noorden en oosten van Medemblik. Wat nu verdwenen water is, kan ooit bewoond of gebruikt land zijn geweest.

De Middenleek als oudste haven

De Middenleek was veel breder dan de latere Oude Haven. In archeologische reconstructies wordt uitgegaan van een breedte van ongeveer 30 meter. De latere Oude Haven was dus niet het begin, maar een versmalde, stedelijke vorm van een veel ouder water.

Aan de oevers van die Middenleek ontstond bewoning. Vooral rond de huidige Bonifaciuskerk, Oude Haven, Nieuwstraat, Ridderstraat, Muntstraat en Torenstraat lag de oudste kern. De nederzetting lag waarschijnlijk vooral op de zuidoever. De erven lagen richting het water; huizen stonden iets verder terug. Dat patroon past bij vroegmiddeleeuwse handelsplaatsen: een weg of erfzone langs het water, met aanlegplaatsen, opslag, huizen en werkruimte.

De oever zal niet zomaar een natuurlijke modderrand zijn geweest. Ook al zijn de oudste kaden nog niet overal archeologisch aangetoond, het ligt voor de hand dat bewoners de oever op een of andere manier geschikt maakten voor aanmeren, laden en lossen. Waar schuiten kwamen, moesten oevers worden verstevigd. Waar goederen werden gedragen, moesten natte plekken worden opgehoogd. Waar mensen generaties lang bleven wonen, ontstonden lagen van klei, mest, afval, houtskool, schelpen, riet, plaggen en puin.

Waarschijnlijk begon Medemolaca niet meteen als vast dorp. De vroegste fase kan eerder worden gedacht als een seizoensgebonden oevermarkt: een plek waar schepen aanlegden, goederen werden verzameld, mensen elkaar ontmoetten en reizigers tijdelijk verbleven. Handelaren konden hier hun schip op de zachte oever trekken, overnachten, wachten op beter weer of goederen overladen. Pas later groeide deze aanlegplaats uit tot een permanente nederzetting.

Misschien begon Medemblik met niets meer dan een schip dat in de tweede helft van de 7de eeuw aan de oever van de Medemolaca werd getrokken. De mensen aan boord kwamen waarschijnlijk niet om een dorp te stichten. Zij zochten een begaanbare oever, een veilige stopplaats of een plek om goederen over te slaan. Maar zulke kennis verspreidde zich. Een goede aanlegplaats werd opnieuw gebruikt. Een stopplaats werd een gewoonte. Een gewoonte werd een markt. En uit die markt groeide Medemolaca.

Een van de oudste middeleeuwse sporen is een greppel bij de St. Josephschool, ten westen van de Ridderstraat. De onderste vulling bevat materiaal uit ongeveer 675–725. De greppel liep haaks op de Medemolaca en kan zijn gebruikt voor ontwatering of als perceelsgrens. Daarmee krijgt de vroegste Medemblikker bewoning niet alleen een naam in bronnen, maar ook een spoor in de bodem.

Dat er weinig duidelijke gebouwen uit de 7de en 8ste eeuw zijn gevonden, betekent niet dat er toen nauwelijks mensen waren. De eerste bewoners bouwden waarschijnlijk op een veenlaag boven de zandige kreekrug. Toen dat veen later oxideerde en verdween, verdwenen ook veel ondiepe sporen van vloeren, wanden en palen. Diepere sporen, zoals greppels en waterputten, bleven beter bewaard. De archeologie van Medemblik is daardoor geen volledig huisboek, maar een beschadigd bodemarchief waarin vooral de diepere lijnen overleefden.

De oudste gebouwen stonden niet willekeurig. Bij de opgraving St. Josephschool bleek dat de huizen haaks op de Middenleek stonden. Die oriëntatie bleef lang doorwerken: ook latere bebouwing langs de Oude Haven volgt nog dezelfde hoofdrichting. Het water bepaalde dus niet alleen waar Medemblik lag, maar ook hoe de erven en huizen werden neergezet.

Vanaf de Karolingische periode kreeg Medemolaca waarschijnlijk een terpachtig karakter. De bewoners hoogden de oever steeds verder op. Zo ontstond geen ronde terp, maar een langgerekte verhoogde nederzetting langs het water: een soort West-Friese Langwurt. De latere huizenrijen langs de Oude Haven bewaren nog iets van die oude vorm. Medemblik was geen terp zoals in Friesland of Groningen, maar wel een opgehoogde oeverplaats waar wonen, varen, werken en handelen aan één lang lint lagen.

Rond 900 was Medemolaca waarschijnlijk al meer dan een klein erf. Archeologisch is bewoning over minstens honderd meter langs de zuidoever aangetoond. Op basis van reconstructies kan de nederzetting mogelijk ongeveer 450 meter lang zijn geweest. Als langs dat lint ongeveer twintig huizen stonden, kan Medemolaca in de 9de eeuw tussen de 120 en 200 inwoners hebben gehad. Voor West-Friesland was dat aanzienlijk.

Rond 1100 was Medemelacha waarschijnlijk verder gegroeid. Voorzichtig kan worden gerekend met ongeveer zestig gebouwen. Afhankelijk van de huishoudensgrootte kan dat neerkomen op 360 tot 600 inwoners. Daarmee was Medemblik geen gewone boerennederzetting meer, maar het grootste regionale centrum van noordwestelijk Noord-Holland.

Medemblik vóór de stad: een oud centrum

Dat Medemblik oud is, blijkt niet alleen uit de naam. De plaats komt voor in de vroege kerkelijke en koninklijke sfeer. In het goederenregister van de Utrechtse Sint-Maartenskerk wordt Medemblik verbonden met de regalis decima, de koninklijke tiend. In de Latijnse formulering staat: In Medemolaca regalis decima.

Dat is een zwaar gegeven. Het betekent dat in Medemolaca koninklijke tienden lagen: inkomsten die oorspronkelijk bij het koninklijk domein hoorden. Zulke rechten kwamen niet zomaar bij een willekeurige plek terecht. Ze wijzen op een oud inkomstengebied, een plaats met betekenis, rechten en opbrengsten.

De goederenlijst van de Utrechtse Sint-Maartenskerk is grotendeels opgesteld in de periode 885–896, met latere aanvullingen tot 948. De inhoud verwijst waarschijnlijk naar een bezitssituatie van vóór 857. Daardoor is Medemolaca niet pas in de 10de eeuw belangrijk. De vermelding bewaart oudere rechten. De plek moet al eerder genoeg betekenis hebben gehad om in een kerkelijk-koninklijke administratie terecht te komen.

De regalis decima bewijst niet dat er in Medemblik een zichtbaar koninklijk gebouw stond, maar wel dat deze plek in een oude sfeer van koninklijke rechten, inkomsten en kerkelijke overdracht lag. Omdat de Utrechtse kerk alleen door schenking van een koning aan koningsgoed kon komen, wordt de koningstiend van Medemblik waarschijnlijk verbonden met de schenking van Peppijn III uit 753. Medemblik wordt daarin niet apart genoemd, maar de redenering is belangrijk: als de koningstiend toen in Utrechtse handen kwam, moet Medemolaca al vóór 753 voldoende handel, inkomsten en betekenis hebben gehad om koninklijke rechten waard te zijn.

Koninklijke rechten waren geen abstracte woorden. Als in Medemolaca tol, cijns of handelsinkomsten werden geheven, moet er iemand zijn geweest die namens de koning toezicht hield. Mogelijk verbleef in of bij Medemblik een tolgaarder: een koninklijke afgezant die goederenstromen controleerde en inkomsten inde. Of hij permanent in Medemblik woonde of vanuit een groter centrum werkte, blijft onzeker.

Tol past vooral bij bulkhandel. Dat maakt Medemblik belangrijker dan een plek waar af en toe luxevoorwerpen langskwamen. Hier passeerden waarschijnlijk grotere hoeveelheden goederen: voedsel, wol, huiden, hout, aardewerk, maalstenen, wijn of andere handelswaar. De koninklijke inkomsten waren juist interessant omdat veel kleine heffingen samen een vaste geldstroom konden vormen.

Opvallend is dat in Medemblik relatief weinig reliëfbandamforen zijn gevonden, terwijl die juist met bulktransport worden verbonden. Dat kan betekenen dat Medemblik niet alleen een opslagplaats was, maar ook een plaats van tussenhandelaren. Zulke middlemen bezaten niet per se de goederen zelf, maar vervoerden ze tussen grotere handelscentra en regionale markten. Medemblik lag dan als schakel tussen het Friese kustgebied, het Rijnland, het Almere, het Vlie en het West-Friese achterland.

De handelscontacten zijn zichtbaar in vondsten. In Medemblik zijn onder meer Rijnlands importaardewerk, vroegmiddeleeuws glas en maalsteenfragmenten van tefriet gevonden. Die maalstenen kwamen uit het Duitse Eifelgebied. Zulke vondsten tonen dat Medemblik niet alleen op West-Friesland was gericht, maar verbonden was met het Rijnland en de grotere Noordzeewereld.

De nederzetting was ook een werkplaats. In een vroegmiddeleeuwse greppel zijn leerresten gevonden, waaronder de huid van een koeienuier. Omdat die dunne huid nauwelijks bruikbaar was als leer, kan zij afval van leerbewerking zijn geweest. Ook zijn fragmenten van smeltkroezen en loodrolletjes aangetroffen. Mogelijk werden in Medemolaca zachte metalen zoals lood of tin verwerkt. Handel, ambacht en dagelijks werk lagen hier direct naast elkaar.

Er is discussie geweest of Medemolaca altijd zonder probleem gelijkgesteld mag worden aan het latere Medemblik. Oude namen zijn lastig. Middeleeuwse teksten zijn vaak later overgeschreven, namen konden veranderen en kopiisten konden vormen aanpassen. Toch wordt Medemolaca in de huidige historische en archeologische literatuur meestal met Medemblik verbonden. Niet alleen vanwege de klank, maar vooral vanwege het geheel: de ligging aan de Middenleek, de vroege bewoning, de kerkelijke rechten, de koninklijke tienden, de latere tol, munt en cijns, en de archeologische sporen rond de Oude Haven.

Waarschijnlijk was Medemolaca de eerste nederzetting in deze waterwereld. Vanuit deze kern verspreidde de bewoning zich in de 8ste eeuw verder rond het Meer van Wervershoof. Kleine agrarische nederzettingen ontstonden bij onder meer de Schuitevoerderslaan, de Vlietlanden en Wervershoof. Medemblik stond dus aan het begin van een regionale bewoningsbeweging. Het was niet alleen een plaats waar mensen woonden, maar ook een centrum van waaruit het omliggende veengebied werd gebruikt, ontwaterd, bewerkt en verbonden.

De kerkelijke kern

De kerklaag hoort al vroeg bij Medemblik. In de goederenlijst van de Sint-Maartenskerk te Utrecht, grotendeels opgesteld in de periode 885–896 en aangevuld tot 948, verschijnt Medemolaca met de regalis decima. Die rechten gaan waarschijnlijk terug op een oudere bezitssituatie. Waar kerkelijke inkomsten lagen, zal ook een kerkelijke organisatie hebben bestaan. De latere Bonifaciuskerk staat dus niet toevallig op deze plek. Zij staat boven een veel oudere heilige kern.

De huidige Bonifaciuskerk stond vroeger bekend als de Sint-Martinuskerk. Dat is veelzeggend. Sint Maarten was een typische Frankische beschermheilige. Kerken met deze heilige kunnen vaak teruggaan op een Frankische of vroegmiddeleeuwse voorganger. De naam past dus goed bij Medemblik als plaats waar Friese, Frankische en Utrechtse invloeden samenkwamen.

Het is goed mogelijk dat Medemolaca al tussen 750 en 800 een kerk had. Dat valt niet hard te bewijzen, maar het past bij de koningstiend, de Utrechtse rechten, de Sint-Maartensnaam en de strategische ligging. Een kerk in Medemblik lag aan de rand van een gebied waar nog veel missionariswerk nodig was. Zij kon tegelijk dienen als geloofsplek, teken van Frankische invloed en ankerpunt van kerkelijke inkomsten.

In 1118 wordt de kerk van Medemblik duidelijk zichtbaar in de schriftelijke bronnen, wanneer bisschop Godebald van Utrecht de kerkgoederen aan de kanunniken van Sint-Maarten schenkt. Daarmee wordt zichtbaar dat Medemblik sterk verbonden was met Utrecht. Die band was oud: Sint Maarten, koninklijke tienden, kerkelijke inkomsten en het latere kapittelbezit horen bij dezelfde lijn.

De schenking van Godebald was concreet. De kerk van Medemblik werd aan Sint-Maarten te Utrecht gegeven, zodat uit haar opbrengsten het jaarlijkse Sint-Maartensfeest kon worden gevierd. Waarschijnlijk ging het om ongeveer zes Utrechtse ponden per jaar. De pastoor van Medemblik kreeg daarmee ook een plaats in het kapittel. Dat laat zien dat de kerk van Medemblik inkomsten, status en bestuurlijke betekenis had.

Rond 1100 stond in Medemblik een indrukwekkende tufstenen kerk. Onder en bij de huidige Bonifaciuskerk zijn resten gevonden van een kerk van ongeveer 20 bij 45 meter. Voor die tijd was dat uitzonderlijk groot. Mogelijk was zij de grootste kerk van de regio en zelfs groter dan de abdijkerk van Egmond. Medemblik was dus niet alleen een havenplaats, maar ook een kerkelijk centrum voor het groeiende achterland.

De kerk van Medemblik stond niet los van de omgeving. Zij functioneerde waarschijnlijk als moederkerk voor het achterland dat door ontginningen steeds dichter werd bewoond. Vanuit Medemblik konden kerkelijke rechten, tienden, dopen, begravingen en parochiale zorg over het omliggende veengebied worden georganiseerd. Wie in een jonge ontginningsnederzetting woonde, kwam voor belangrijke kerkelijke momenten mogelijk nog naar Medemblik.

Ook de vondst van delen van middeleeuwse sarcofagen op het kerkterrein past hierbij. In 1962 werden op het kerkerf onderdelen van twee sarcofagen gevonden. Eén kon in 1964 worden gerestaureerd. De sarcofagen waren van Bentheimer zandsteen, een kostbaar geïmporteerd materiaal. Op een deel van het deksel stond een herdersstaf, wat wijst op een graf voor een hogere geestelijke, mogelijk een abt. Zulke sarcofagen worden voorzichtig in de 10de of 11de eeuw geplaatst. Zij laten zien dat het kerkterrein van Medemblik al zeer vroeg een plaats van aanzienlijke begraving was.

Toch blijft er een raadsel. Voor de periode vóór circa 1100 zijn in en rond Medemblik nauwelijks graven gevonden. Bij een nederzetting die al eeuwen bestond, is dat opvallend. Mogelijk lagen de oudste graven bij een verdwenen heiligdom, op een plek die later is afgeslagen of verstoord, of in veenbodem waar bot slecht bewaard bleef. Ook is voorzichtig gedacht aan een oudere omgang met water en doden, maar daarvoor ontbreekt hard bewijs. Zeker is vooral dat het vroegste grafveld van Medemblik nog niet is gevonden.

Dat maakt de kerk niet alleen een gebouw, maar een ankerpunt. Rond die kerk lag eeuwenlang begraving. Rond die kerk lag status. Rond die kerk lag waarschijnlijk al vroeg bewoning. En rond die kerk werd zichtbaar dat Medemblik niet alleen economisch, maar ook religieus en bestuurlijk boven zijn omgeving uitstak.

Koningshof, Wik en Oude Haven: later stadswater op oudere lijnen

De latere stadsplattegrond bewaart nog oudere waterstructuren. De Koningshof was oorspronkelijk waarschijnlijk een brede noord-zuid georiënteerde sloot, mogelijk een middeleeuwse kavelsloot. Later kwam deze sloot binnen de bebouwing van de stad te liggen en werd zij een grachtje met huizen erlangs. De naam Koningshof komt in bronnen vanaf de 16de eeuw voor, maar kan ouder zijn. Of hij rechtstreeks verwijst naar het oude koninklijke domein is niet bewezen, maar de naam past opvallend goed in een plaats waar al vroeg koninklijke rechten lagen.

De Koningshof blijft daarom een intrigerende plek. De naam bewijst geen koningshof, maar in een nederzetting met koninklijke rechten, tol, munt en cijns is het goed denkbaar dat ergens een administratief gebouw stond. Daar kon een tolgaarder goederenstromen registreren en inkomsten innen. De Koningshof is daarvoor een mogelijke locatie, maar archeologisch bewijs ontbreekt nog.

Ook de Wik hoort bij die waterwereld. De Wik was een west-oost lopende brede sloot, parallel aan de Oude Haven. Het woord “wik” betekende eenvoudig sloot of water. Archeologisch onderzoek liet zien dat de Wik meer dan acht meter breed was en begin 17de eeuw een houten beschoeiing kreeg. De westelijke tegenhanger van die beschoeiing moet ergens onder de huidige synagoge worden gezocht. De Wik werd later versmald en rond 1900 gedempt.

De Koningshof, Wik, Oude Haven en Gedempt Achterom zijn dus geen losse straatnamen. Zij bewaren de oude logica van Medemblik: waterlopen, kavelsloten, afwatering, erven, kaden, bruggen en latere dempingen. De stad groeide niet op een leeg vlak, maar over een ouder nat netwerk heen.

Een handelsplaats aan open water moest zich kunnen beschermen. Medemolaca lag met goederen, schepen en inkomsten direct aan het Meer van Wervershoof. In de 9de eeuw, toen ook Scandinavische plunderaars de kusten aandeden, was zo’n plaats kwetsbaar. Het is daarom mogelijk dat bij de havenmond een verdedigbare zone lag, misschien een wal of burgachtige structuur. Bewijs daarvoor is nog niet gevonden, maar de latere keuze van Floris V om juist hier een dwangburcht te bouwen maakt de gedachte begrijpelijk. Floris V kwam niet op een lege plek. Hij zette grafelijke macht bovenop een oud knooppunt.

Waarom juist hier?

Medemblik ontstond juist hier omdat drie dingen samenkwamen.

Ten eerste was er een hogere, beter bewoonbare rug in het natte landschap. Ten tweede was er de Middenleek, een vaarwater dat het veenachterland met het Meer van Wervershoof, het Almere en het Vlie verbond. Ten derde was er een vroege kerkelijke en koninklijke betekenis, zichtbaar in de regalis decima en later in de band met Sint Maarten te Utrecht.

Daar moet nog een vierde laag bij worden gezet: afwatering. De plaats lag niet simpelweg op de hoogste plek, maar op een plek waar water bruikbaar werd. De Middenleek, het Meer van Wervershoof en het Vlie trokken water weg uit het veen. Daardoor kon hier eerder worden gewoond, geakkerd, geweid en gevaren. Het landschap bood geen vaste zekerheid, maar wel een tijdelijke opening. Medemblik ontstond in die opening.

Dat maakte Medemblik anders dan een gewoon boerenerf. Het was een plek waar water, handel, kerk, bezit en bestuur samenkwamen. De bewoners konden leven van vee, vis, akkerproducten, ambacht en verkeer over water. Schuiten konden aanleggen. Goederen konden worden overgeslagen. Kerkelijke rechten konden worden geïnd. Later konden tol, munt en cijns hier logisch aansluiten.

De oudste geschiedenis van Medemblik is dus geen rechte lijn van dorp naar stad. Het is een stapeling. Eerst het landschap. Dan de oude getijdengeul. Dan de veenstroom. Dan de hogere oever. Dan de aanlegplaats. Dan de oevermarkt. Dan de nederzetting. Dan de kerkelijke rechten. Dan de koninklijke tiend. Dan de handelsfunctie. Dan de moederkerk. Dan pas de latere stad en het kasteel.

Wat in de vroege middeleeuwen begon als waterplaats met kerkelijke en koninklijke rechten, kon later zonder breuk doorgroeien tot een plaats van tol, munt, cijns en grafelijk bestuur. Floris V bouwde dus niet op leeg land. Hij legde grafelijke macht bovenop een veel oudere kern.

Medemblik werd oud omdat het water hier niet alleen bedreigde, maar ook droeg.

Deel 2

Medemblik in de veertiende eeuw

Stad, kasteel, haven, dijk, bierhandel en grafelijke macht

1. Een eeuw die niet rustig begon

De veertiende eeuw begon voor Medemblik niet rustig. De stad kwam uit de brand en strijd van 1296 en 1297. Graaf Floris V was in 1296 vermoord. West-Friesland kwam opnieuw in opstand en het grafelijke kasteel bij Medemblik werd belegerd. Het slot hield stand, maar de stad zelf kreeg volgens latere overlevering zware schade. Medemblik zou in 1297 zo zwaar zijn verbrand dat er geen huis was blijven staan. Of die zin letterlijk of versterkt moet worden gelezen, verandert niets aan de kern: de stad begon de nieuwe eeuw vanuit herstel, beschadiging en grafelijke herordening.

Daarna werd Medemblik geen gewone nederzetting meer. Het werd een grafelijke sleutelplaats: stad, kasteelplaats, haven, kerkplaats en bestuurscentrum voor oostelijk West-Friesland. Juist die combinatie maakte Medemblik bijzonder. De stad lag niet alleen aan water, maar ook aan macht. Zij had een oude handels- en bewoningslaag, een haven aan de Oude Haven, een kerkelijke kern en het kasteel van de graaf. Vanuit die plek kon de graaf zijn gezag over een moeilijk gebied zichtbaar maken.

Medemblik had op 25 maart 1289 stadsrechten gekregen van Floris V. Vanaf dat moment was de plaats juridisch geen gewoon dorp meer. De stad had een eigen stedelijke rechtbank voor strafzaken en civiele zaken. De schout, ook wel baljuw of officier genoemd, trad in strafzaken op als eiser, terwijl schepenen vonnis wezen. Zij deden dat ook in civiele zaken, waarin particulieren tegenover elkaar konden staan. Daarmee werd Medemblik een stad met poorters, recht, schepenbank, bestuur, marktbelang en grafelijke betekenis.

Toch was dat stadsrecht geen eindpunt. Een stadsrecht maakte nog geen volgroeide stad. Na 1297 moest Medemblik opnieuw grond onder de voeten krijgen. Huizen moesten worden hersteld of herbouwd. Erven moesten bruikbaar blijven. Kaden, sloten, wegen, bruggen en dijken vroegen arbeid. De Oude Haven moest blijven functioneren. Het kasteel moest bereikbaar en verdedigbaar blijven.

De stad begon de veertiende eeuw dus als plaats in wederopbouw: niet arm aan betekenis, maar wel kwetsbaar door oorlog, water en bestuurlijke druk. Medemblik was oud en belangrijk, maar moest zichzelf opnieuw vasthouden.

2. Na 1297: stad onder grafelijke controle

Na de onderwerping van West-Friesland in 1297 kwam Medemblik steviger onder het gezag van de graaf van Holland. Het kasteel bleef daarbij het zichtbare machtsanker. Vanuit dit slot keek de graaf niet alleen naar de stad, maar ook naar de omliggende bannen, dijken, waterlopen en dorpen.

De graaf had belang bij duidelijke bannen. Een banne was niet alleen een dorpsnaam, maar een rechtsgebied en bestuurlijk gebied. Via bannen werd zichtbaar wie onder welk gerecht viel, wie boeten betaalde, wie dijklasten droeg, wie bij schouw moest komen, wie diensten moest leveren en welk land of erf bij welk centrum hoorde.

De schaal was:

graaf → baljuw of schout → banne of dorp → inwoners, land, dijk, boete en dienstplicht.

Een rekening uit 1311 van door de baljuw van Medemblik geïnde boeten is belangrijk, omdat die een vroege opsomming geeft van bannen in oostelijk West-Friesland. Zulke rekeningen laten zien hoe grafelijke macht niet alleen via oorlog of kasteel liep, maar ook via boete, plicht, naam, plaats en registratie.

In die bannen woonden mannen, vrouwen en kinderen. Zij vormden het leefgebied van parochie, kerspel, erf en dorp. Het officiële bestuur, de eed en de vertegenwoordiging in het gerecht liepen via schout en schepenen. Dijkplicht, heervaart en lasten konden via erven, land, huishoudens en plichtdragende huislieden lopen. Zo werd de dagelijkse wereld van sloot, land, dijk en erf verbonden met de wereld van baljuw, kasteel en graaf.

Medemblik werd daardoor voor oostelijk West-Friesland meer dan een stad. Het werd een bestuurlijk knooppunt. Zware grafelijke zaken en belangrijke bestuurlijke kwesties konden via Medemblik lopen. De stad stond dus tussen twee werelden: de oude West-Friese dorpen met hun lokale structuren, en de grafelijke macht die daar na 1297 overheen werd gelegd.

Dat is belangrijk voor het verhaal. Medemblik was niet alleen een plaats waar mensen woonden. Het was een plaats waar de graaf West-Friesland leesbaar maakte: wie hoorde waar, wie betaalde wat, wie moest komen opdagen, welk land hoorde bij welke banne, en waar liep de grens tussen plicht, bezit en recht.

3. 1300-1325: een stad die opnieuw moest groeien

In de vroege veertiende eeuw moest Medemblik zich herstellen. De stad had in 1289 stadsrechten gekregen, maar de echte stad moest op de grond worden gemaakt. Er moesten huizen worden gebouwd, erven opgehoogd, kaden onderhouden, sloten uitgegraven, wegen verbeterd en handelsruimte gemaakt.

Een stad bestond niet alleen uit rechten op perkament. Zij bestond uit hout, klei, riet, zoden, bruggen, schuren, kades, kerkpaden en werkende mensen.

De Oude Haven bleef daarbij de oude ader. Dit was de voormalige Middenleek, de waterloop waaraan Medemblik zijn vroegste bestaan dankte. In de veertiende eeuw was dit water nog steeds belangrijk voor aanvoer, afvoer, laden, lossen en contact met het achterland. De stad lag niet alleen aan zee, maar ook aan binnenwater. Schuiten konden goederen via waterwegen naar stad en kasteel brengen.

Archeologisch past dit bij de ophogingslagen rond de Oude Haven en Koningshof. In lagen uit de dertiende en veertiende eeuw zijn kogelpotaardewerk, proto-steengoed, bijna-steengoed en vroege ophogingen gevonden. Dat wijst op bewoning, ophoging en gebruik van het terrein langs de zuidoever van de Oude Haven. De stad groeide niet op droge zandgrond, maar op aangevulde, opgehoogde en telkens aangepaste grond.

De Middenleek en het Vlie vormden van oorsprong de levensader van Medemblik. Maar toen vanuit het Vlie de Zuiderzee sterker werd, veranderde dat water steeds meer in een bedreiging. Archeologisch is aangetoond dat bewoningssporen zijn verspoeld, dat een nieuwe bedding in de Middenleek of Oude Haven werd uitgeschuurd en dat huiserven sterk werden opgehoogd en uitgebreid in de oeverzone.

Ook werd tussen de Oude Haven en de Vliet vermoedelijk al in de dertiende eeuw een dam aangelegd. Het water van de Vliet werd zo veel mogelijk buiten de stad om naar sluizen in de Omringdijk geleid. Dat laat zien hoe praktisch de stad moest denken. Water moest bruikbaar blijven voor vervoer en afwatering, maar mocht de huizen, erven en straten niet overnemen.

Zo groeide Medemblik letterlijk omhoog. Niet omdat men dat mooi vond, maar omdat het moest. Water kwam dichtbij, grond zakte, oevers veranderden en bewoners moesten telkens opnieuw droge vloeren, stevige erven en bruikbare werkplaatsen maken.

4. De Oude Haven als middeleeuwse levenslijn

De Oude Haven was in de veertiende eeuw nog geen verdwenen sloot, maar een breed en levend havenwater. In latere reconstructies wordt de vroegere Middenleek veel breder gedacht dan de latere Oude Haven. De oever moet ingericht zijn geweest voor schepen, kaden, erven en verkeer. Huizen stonden waarschijnlijk niet pal in het water, maar met erven, werkzones en opslagplekken richting haven.

Aan dit water lagen handel, opslag, voedsel, ambacht en verkeer dicht bij elkaar. Hier kwamen kleine schepen binnen. Hier werden producten uit het achterland gebracht. Hier werden goederen verder vervoerd. De haven verbond Medemblik met de Zuiderzee, maar ook met dorpen, bannen, landerijen en waterlopen achter de stad.

De Oude Haven was daarom meer dan een watergang. Zij was de lijn waarlangs Medemblik zichzelf vasthield. Zonder haven geen handel. Zonder water geen verbinding met het achterland. Zonder dijk geen veiligheid. Zonder ophoging geen bewoning.

In de veertiende eeuw kwamen al die lagen samen in dezelfde smalle zone: kade, erf, huis, werkplaats, schuit, sloot en dijk.

In deze eeuw was Medemblik nog geen havenstad van de latere zestiende en zeventiende eeuw. Toch lag de basis er al. De stad leefde van waterverkeer, vis, veeproducten, graan, bouwmateriaal, hout, turf, zout, kleinhandel en bestuurlijke aanwezigheid. De haven bracht de stad in contact met het achterland, maar ook met grotere waternetwerken.

Medemblik lag daarmee op een dubbele grens. Aan de ene kant keek de stad naar de dorpen en bannen achter haar. Daar lagen erven, sloten, weilanden, akkers, kerken en dijken. Aan de andere kant keek zij naar de Zuiderzee. Daar kwamen schepen, stormen, handelsroutes, visgronden en gevaar vandaan.

Die dubbelheid is de kern van de Oude Haven. Zij gaf leven, maar vroeg voortdurend onderhoud. Zij maakte handel mogelijk, maar kon ook uitschuren. Zij was de oude bestaansreden van Medemblik, maar werd in de veertiende eeuw ook een plaats waar het water steeds zwaarder drukte.

5. 1321 en 1323: Willem III, hopbier en de Medemblikker biertol

In dezelfde periode kwam Medemblik ook in beeld als plaats van grafelijke belasting op handel. Dat gebeurde via bier. Aan het einde van de dertiende eeuw was in Noord-Duitsland het hopbier sterk opgekomen. Dit bier was langer houdbaar dan het oudere gruitbier en werd in het begin van de veertiende eeuw snel populair in de Nederlanden.

Voor de graaf van Holland was dat een financieel probleem. Op gruitbier werd belasting geheven via het gruitgeld. Als mensen steeds meer Noord-Duits hopbier gingen drinken, liep die oude inkomstenbron terug. Graaf Willem III probeerde daarom in 1321 de invoer van Noord-Duits hopbier te verbieden.

Dat verbod hield geen stand. In 1323 zag Willem III ervan af, waarschijnlijk omdat er tekorten dreigden. Daarna koos hij voor een praktische oplossing: het ingevoerde bier mocht binnenkomen, maar moest wel worden belast. Die belasting heette de biertol.

Belangrijk is dat deze biertol in Medemblik en Amsterdam zou worden geheven. Dat waren ook de enige plaatsen waar Noord-Duits hopbier aan land mocht worden gebracht. Daarmee stond Medemblik vroeg in een internationale handelsregeling, naast Amsterdam.

Amsterdam werd door zijn gunstige ligging al snel de belangrijkste overslagplaats voor Duits en vooral Hamburgs bier. De Medemblikker biertol speelde uiteindelijk een kleinere rol. Toch is dat niet onbelangrijk. Juist omdat Medemblik in 1323 naast Amsterdam wordt genoemd, zien we dat de stad nog steeds grafelijke betekenis had als haven- en tolplaats.

Deze bierlaag past goed bij Medemblik in de veertiende eeuw. De stad was geen wereldhaven, maar wel een oude grafelijke havenstad met toegang tot de Zuiderzee, verbinding met het achterland en een plaats in handelsstromen tussen Noord-Duitsland, Holland en West-Friesland. Bier was dagelijkse drank, handelswaar en belastingbron tegelijk.

Hier wordt Medemblik even heel concreet. Geen algemene handelsstad, maar een plek waar de graaf bepaalde wat waar aan land mocht komen. Bier kwam niet alleen in kannen en tonnen de stad binnen; het kwam ook binnen in rekeningen, tolregels en grafelijke inkomsten.

6. 1325: gebed in het kasteel

Het kasteel van Medemblik was in de veertiende eeuw niet alleen een verdedigingswerk. Het was ook een bewoond, gebruikt en bestuurd huis. Daar zaten grafelijke dienaren. Daar werden bevelen ontvangen. Daar werden voorraden bewaard. Daar werd gegeten, gerepareerd, gebeden, gewacht en gerekend.

Een mooi detail komt uit 1325. Baljuw Dirk van Oudshoorn had een gebedsruimte in het slot. Hij kreeg van graaf Willem III toestemming om een vaste kapelaan in dienst te nemen. De graaf betaalde het salaris, terwijl de baljuw de kapelaan eten en drinken moest geven.

Daarmee krijgt het kasteel ineens een dagelijks gezicht: niet alleen poort en toren, maar ook altaar, kapelaan, maaltijd, rekening en verplichting.

Dat gebed in het slot past bij de functie van het kasteel. Macht had in de middeleeuwen ook een religieuze vorm. Wie recht sprak, bevelen gaf of land bestuurde, deed dat in een wereld waarin kerk, eed, altaar en gezag elkaar raakten. Het kasteel was dus niet los van de kerkelijke wereld. Het stond naast de stad, maar had ook zijn eigen kapelruimte.

Die kapel zegt bovendien iets over de status van het slot. Een eenvoudig wachthuis had zo’n voorziening niet nodig. Een grafelijk steunpunt wel. De baljuw woonde of verbleef daar namens de graaf. Mensen kwamen er voor bestuur, onderhoud, bewaking, bevoorrading en recht. De kapelaan maakte deel uit van die wereld.

Zo krijgt Medemblik in de vroege veertiende eeuw twee geestelijke zwaartepunten. In de stad stond de oude kerkelijke plaats van Medemblik. In het kasteel was een grafelijke gebedsruimte. De ene hoorde bij de stadsgemeenschap, de andere bij het hof en het grafelijke bestuur.

Samen laten zij zien dat Medemblik niet alleen economisch en militair, maar ook kerkelijk en bestuurlijk gewicht had.

7. 1334: de Sint-Clemensvloed en de kwetsbare oostkant

Een belangrijk kantelpunt in het landschap was de Sint-Clemensvloed van 1334. Die vloed richtte grote schade aan. In de veertiende eeuw was er zelfs sprake van dat Medemblik misschien niet behouden kon blijven. De West-Friezen moesten aan de graaf beloven dat zij zouden helpen bij het verplaatsen van het kasteel als dat nodig mocht zijn.

Dat is een van de sterkste scènes uit de veertiende-eeuwse geschiedenis van Medemblik: zelfs het grafelijke machtsanker stond niet onaantastbaar tegenover de zee.

Bij het kasteel wordt verondersteld dat er in de veertiende eeuw landafslag aan de oostzijde plaatsvond. Daardoor veranderde mogelijk de toegang en oriëntatie van het kasteel. Eerder zou de toegang meer oostelijk gericht kunnen zijn geweest. Later verschoof de oriëntatie naar het noorden. Dat hangt waarschijnlijk samen met schade aan buitendijks land, afslag door de Zuiderzee en de aanleg van een inlaagdijk.

Door zo’n inlaagdijk werd land prijsgegeven om de veiligheid van het achterliggende gebied te bewaren. De dijk kwam dan landinwaarts te liggen. Dat betekende niet dat alles meteen verdween. Maar het betekende wel dat mensen erkenden dat de oude grens niet langer veilig was.

Buitendijks gebracht land hoefde niet direct door de golven te verdwijnen. Het kon nog worden gebruikt of later opnieuw worden bedijkt. Juist daarom is het landschap rond Medemblik zo interessant. Er was niet één scherpe lijn tussen land en water, maar een bewegende zone van dijk, voorland, koog, nes, gebruiksgrond en afslag.

Dat had gevolgen voor het kasteel. Een oorspronkelijk oostelijk poorthuis kan daardoor zijn functie grotendeels hebben verloren. Mogelijk is een oudere voorburcht of bolwerk deels in het latere dijklichaam verdwenen en deels door de Zuiderzee weggeslagen. Hard bewezen is dit nog niet; toekomstig geofysisch onderzoek zou hierover meer kunnen zeggen. Maar als landschappelijke verklaring past het goed bij de kwetsbare ligging van Medemblik aan de oostzijde.

De Sint-Clemensvloed maakt duidelijk dat waterbeheer geen randonderwerp was. Het was de kern van het bestaan. Medemblik kon stad, haven en bestuurscentrum zijn, maar alleen zolang dijk, kade, inlaag, ophoging en herstel bleven werken.

8. 1339: Medemblik was nog groot

In 1339 was Medemblik nog geen kleine of achterblijvende stad. Volgens een grafelijk stuk telde de stad 225 mannen. Dat getal moet niet worden gelezen als een moderne volkstelling. Volgens de uitleg van Lesger gaat het om huishoudens die ieder één man moesten leveren voor het dijkonderhoud. Dat betekent dat Medemblik ongeveer 225 huizen had.

Als men rekent met gemiddeld 5,5 personen per huishouden, komt dat neer op ongeveer 1238 inwoners.

Dat aantal is belangrijk, omdat het Medemblik in zijn juiste verhouding zet. De stad was in 1339 groter dan Enkhuizen en Gommerskarspel samen, die 160 mannen telden, en veel groter dan Hoorn, dat op slechts 70 mannen stond. Medemblik had dus alle potentie om zich te ontwikkelen tot een belangrijke maritieme handelsstad.

Juist daarom is de veertiende eeuw zo interessant. Medemblik begon niet als achterblijver. Medemblik begon met een voorsprong. De stad had oud recht, een kasteel, een haven, een kerkelijke kern, een muntverleden, een grafelijke positie en een stevig bevolkingsaantal. Toch werd zij in de loop van de veertiende eeuw voorbijgestreefd door Hoorn en Enkhuizen.

Die verschuiving kwam niet doordat Medemblik niets voorstelde. Zij kwam doordat de omstandigheden veranderden. De zee werd dreigender. De Oude Haven en de oevers vroegen onderhoud. Dijklasten drukten zwaar. Hoorn en Enkhuizen konden gunstiger inspelen op groeiende handelsstromen. Medemblik bleef belangrijk, maar haar vroege voorsprong werd kwetsbaar.

Daarom moet Medemblik in de veertiende eeuw niet worden verteld als een stad die klein bleef. Beter is: Medemblik was vroeg groot, maar lag op een plek waar water, dijkkosten en veranderende handelsroutes de groei afremden.

De stad verloor niet meteen haar betekenis. Zij verloor langzaam haar vanzelfsprekende leidende positie.

9. 1343-1344: Noorderkoog en Zuiderkoog

Voor de veertiende eeuw is een zeer belangrijk gegeven de rekening van Gheret Heynenz., rentmeester van Holland, uit 1343 en 1344. Daarin worden tienden genoemd van de Medemliker Zuiderkoog en Noorderkoog.

De tekst noemt:

“haer Gheraert van den Vliete van den thienden van Medemleker zudercoich”

en ook:

“die zelve van den thienden van Medemleker norder coich.”

De historicus Piet Boon heeft deze Noorderkoog en Zuiderkoog geïdentificeerd als buitendijks land bij Medemblik, buiten de Oosterdijk, tegenover het kasteel. Dat is belangrijk, omdat het laat zien dat het gebied ten oosten van het kasteel niet meteen verloren was. Zelfs als het buiten de hoofdzeedijk lag, kon het nog bruikbaar blijven.

Dit buitendijkse land leverde inkomsten op. Er werden tienden van geheven. Het was dus geen waardeloze slikrand, maar economisch bruikbaar land. Het kon worden beweid, gebruikt, misschien deels ingezaaid of tijdelijk bedijkt. De graaf had er belang bij, de rentmeester noteerde inkomsten, en lokale gebruikers betaalden voor gebruik.

De Noorderkoog en Zuiderkoog laten zien dat Medemblik aan een overgangszone lag. Het was geen stad achter een harde rechte grens tussen land en zee. Er waren dijken, voorlanden, kogen, nessen, buitendijkse gronden, zomerse gebruiksgronden en kwetsbare randen. Sommige stukken waren bruikbaar zolang het water het toeliet. Andere stukken konden later worden opgegeven of verloren gaan.

Zo wordt het landschap rond Medemblik veel concreter. Aan de ene kant lag de stad met haven, kerk en huizen. Aan de andere kant lag het kasteel met zijn grafelijke domein. Daarvoor en daarnaast lagen buitendijkse gronden die geld konden opleveren, maar tegelijk onder dreiging stonden.

Medemblik leefde dus niet alleen van binnenstedelijke handel. Ook de rand van land en zee had economische waarde.

10. Buitendijks land als nuttige rand

Het buitendijkse land bij Medemblik vertelt veel over de veertiende eeuw. De stad lag niet achter één harde grens tussen veilig land en gevaarlijke zee. Er was een overgangszone: dijk, nes, koog, voorland, buitendijks land, zomergebruik en dreiging van afslag.

Zulk land kon nog jarenlang nuttig zijn voordat de Zuiderzee het opslokte. Het kon in droge seizoenen worden gebruikt, soms met een zomerdijk beschermd, en het kon inkomsten opleveren. De Noorderkoog en Zuiderkoog uit 1343-1344 laten zien dat de grafelijkheid ook zulke randen financieel en bestuurlijk volgde.

Hier zie je Medemblik als grensstad. Niet grensstad tussen landen, maar tussen veilig binnendijks land en gevaarlijk buitendijks voorland. De stad leefde met water, maar moest tegelijk telkens land terugwinnen, verdedigen of opgeven.

Dat maakt de oostkant van Medemblik belangrijk. Daar lag niet alleen zee. Daar lagen mogelijkheden, inkomsten en risico’s. Een stuk voorland kon weide zijn, tiendgrond, gebruiksgrond of verdedigingsruimte. Maar hetzelfde stuk land kon bij storm veranderen in verlies, schade en dreiging. De grafelijke administratie zag dus niet alleen huizen en mensen, maar ook randen van land die nog iets konden opbrengen.

Als er land buitendijks kwam te liggen, betekende dat niet dat het meteen door de golven werd weggeslagen. Buitendijks gebracht land kon nog blijven bestaan en gebruikt worden. Dat past bij het beeld van een verschuivende dijk- en voorlandzone rond het kasteel.

Medemblik werd zo gevormd door een voortdurend gesprek met de zee. Soms hield men land vast. Soms werd land opgegeven. Soms bracht een rand nog belasting op. Soms moest een dijk naar binnen.

Dit is de wereld waarin de stad, het kasteel en de omliggende kogen functioneerden.

11. 1345-1351: de Hollandse machtsstrijd raakt Medemblik

De jaren na 1339 waren niet rustig. In 1345 sneuvelde graaf Willem IV bij de strijd in Friesland. Hij liet geen wettige kinderen na. Daardoor ontstond een opvolgingsprobleem in Holland, Zeeland en Henegouwen. De macht kwam terecht bij zijn zuster Margaretha van Beieren, maar ook haar zoon Willem V kreeg een bestuurlijke rol.

Uit die spanning groeiden de Hoekse en Kabeljauwse twisten.

Deze strijd wordt vaak als een Hollandse partijstrijd verteld, maar voor Medemblik werd zij heel concreet. Het ging niet alleen om edelen ver weg. Het ging ook om kastelen, steden, havens, inkomsten en controle over strategische plaatsen. Medemblik had zo’n strategische plaats. De stad had een haven, een oude grafelijke positie en vooral een kasteel.

In 1351 werd Medemblik belegerd. Dat beleg hoort bij de vroege fase van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De strijd draaide niet alleen om de stad, maar vooral ook om het bezit van het kasteel. Wie het kasteel van Medemblik bezat, had een grafelijk steunpunt in oostelijk West-Friesland.

Dat is een belangrijke laag in het verhaal. Het kasteel was niet alleen een herinnering aan Floris V en de onderwerping van West-Friesland. Het bleef ook in de veertiende eeuw een inzet van strijd. Wie het verloor, verloor niet zomaar een gebouw, maar een machtspositie.

Zo kreeg Medemblik in 1351 opnieuw te maken met geweld rond het kasteel. Na 1297 was de stad al hersteld uit brand en opstand. In 1351 werd duidelijk dat grafelijke macht ook binnen Holland zelf kon splijten.

De stad stond dus niet alleen tegenover de zee, maar ook midden in de politieke spanningen van het graafschap. Dat maakt de veertiende eeuw nog minder rustig. Medemblik moest niet alleen dijken onderhouden en erven ophogen, maar ook overleven binnen een graafschap waarin de macht zelf betwist werd.

12. Het kasteel als bestuurs- en voorraadplaats

Het kasteel van Medemblik bleef in de veertiende eeuw een grafelijk steunpunt. Het was geen romantisch woonkasteel, maar een praktisch machtsgebouw. Het had grachten, bruggen, torens, voorraadruimten, dienstgebouwen en waarschijnlijk een bolwerk of voorburcht.

De oudste schriftelijke melding van enkele functionele onderdelen komt uit een rekening van baljuw Bartolomeus van Raaphorst uit 1386. Daarin worden werkzaamheden genoemd aan de brug, aan de keuken, aan het bakhuis en aan wat verder aan het huis te Medemblik gedaan moest worden. Ook wordt smeedwerk genoemd.

Dat laat zien dat het kasteel in de veertiende eeuw een werkend gebouw was: er werd gerepareerd, gekookt, gebakken, gelopen, opgeslagen en onderhouden.

Latere rekeningen uit de vijftiende en zestiende eeuw laten goed zien hoe het kasteel werkte. Er waren stallen, hokken, opslag, bouwhuizen, een bakkerij, brouwerij, melkerij en graanopslag. Voor de veertiende eeuw moeten we voorzichtig blijven, maar de basis van zo’n systeem zal al aanwezig zijn geweest. Een kasteel moest zichzelf kunnen bevoorraden, manschappen kunnen huisvesten en als grafelijke plaats functioneren.

Het terrein rond het kasteel bestond niet alleen uit muren. Er waren grachten, bruggen, wegen, sloten, mogelijk een hofweide en verbindingen met binnenwater. Het kasteel stond daarmee in een eigen grafelijk domein naast de stad.

De aangebouwde meest oostelijke vleugel van het kasteel wordt op basis van opmetingen tot de veertiende eeuw gerekend. Ook dat is belangrijk. Het slot stond niet als een onveranderlijk gebouw in het landschap. Het werd aangepast, gerepareerd en uitgebreid.

Het kasteel was dus tegelijk verdediging, woning, opslagplaats, bestuurscentrum en symbool. Wie vanaf de stad of vanaf het water naar Medemblik keek, zag niet alleen huizen en haven, maar ook de bakstenen aanwezigheid van de graaf.

Die bakstenen aanwezigheid was meer dan bouwmateriaal. Zij zei: hier staat grafelijke macht.

13. Namen rond het kasteel

Het kasteel van Medemblik krijgt in de veertiende eeuw meer gezicht wanneer de namen uit de bronnen worden genoemd. In 1325 verschijnt Dirk van Oudshoorn, baljuw van Medemblik. Hij had een gebedsruimte in het slot en mocht van graaf Willem III een vaste kapelaan aanstellen. De graaf betaalde het salaris, maar Dirk van Oudshoorn moest de kapelaan zelf eten en drinken geven.

Dat ene detail brengt het kasteel dichtbij: grafelijke rekening, baljuw, kapelaan, maaltijd en gebed kwamen samen binnen de muren.

Later, in 1386, komt Bartolomeus van Raaphorst in beeld. Hij was baljuw en zijn rekening noemt reparaties en werkzaamheden aan het kasteel. Daarmee wordt zichtbaar dat het slot niet alleen gebouwd was en daarna bleef staan. Het moest voortdurend worden onderhouden. Bruggen, keuken, bakhuis, smeedwerk en andere onderdelen vroegen geld, arbeid en toezicht.

Ook de latere kasteelbronnen helpen om de veertiende-eeuwse basis te begrijpen. Het onderhoudsverslag uit 1438-1444 hoort strikt genomen bij de vijftiende eeuw, maar het noemt onderdelen die waarschijnlijk voortbouwen op oudere structuren: torens, poorthuizen, zaal, grote kamer, blauwe kamer, garderobe, altaar en bakhuis. Daarom mag die bron niet rechtstreeks als bewijs voor elk veertiende-eeuws detail worden gebruikt, maar wel als venster op hoe zo’n grafelijk kasteel functioneerde.

Zo krijgt het kasteel drie namenlagen: Dirk van Oudshoorn voor 1325, Willem III als graaf die de kapelaan betaalde, en Bartolomeus van Raaphorst voor de rekening van 1386.

Daarmee wordt het slot minder anoniem. Het wordt een plaats waar concrete mensen namens de graaf werkten, betaalden, baden, bouwden en bestuurden.

14. De hofweide: landbouw bij het slot

Hoewel de duidelijkste bronnen over de hofweide uit de vijftiende eeuw komen, past de hofweide waarschijnlijk in een oudere structuur rond het kasteel. Het woord zegt het al: een weide bij het hof, dus bij het grafelijke huis. Later weten we dat daar vee graasde en dat het kasteel agrarische voorzieningen had.

Voor de veertiende eeuw is dit belangrijk, omdat een kasteel niet los stond van voedselproductie. Paarden, koeien, ossen, varkens, schapen en kippen vroegen ruimte, voer en arbeid. Er moest hooi zijn, graan, melk, vlees, brood en bier. De omgeving van het slot was dus deels militair, deels bestuurlijk en deels agrarisch.

Medemblik had daardoor twee centra naast elkaar: de stad rond haven en kerk, en het grafelijke domein rond kasteel, gracht, hofweide en buitendijks land. Die twee centra stonden niet los van elkaar. De stad leverde mensen, ambachten, handel en verbindingen. Het kasteel leverde macht, bescherming, bestuur en grafelijke aanwezigheid.

De hofweide maakt ook duidelijk dat de grens tussen stad en platteland niet scherp was. Zelfs naast een kasteel lagen weiden, sloten, stallen en erven. Bestuur en landbouw liepen door elkaar. Een grafelijke plaats moest eten, drinken, dieren houden, brandstof hebben en voorraad opbouwen.

Daarmee krijgt de veertiende-eeuwse stad een ander beeld dan alleen muren en rechten. Medemblik was een stad waar poorters, schippers, ambachtslieden, geestelijken, grafelijke dienaren en boerenfuncties naast elkaar voorkwamen. De stad keek naar zee, maar stond met beide voeten in een agrarisch achterland.

Het kasteel stond dus niet als een los militair blok naast de stad. Het had een eigen voedselkring, eigen werkruimte en eigen gebruiksland. De graaf had niet alleen stenen nodig, maar ook brood, bier, paardenvoer, hooi, hout, ijzer en mensenhanden.

15. Kerk en stad

Ook de Bonifaciuskerk bleef een belangrijk anker. Van de kerk van Medemblik is voor het eerst sprake in een document van 1118. Daarbij schonk de bisschop van Utrecht de kerkgoederen van Medemblik aan de kanunniken van Sint Maarten. Het bijbehorende kerkgebouw heeft waarschijnlijk op dezelfde plaats gestaan als de huidige kerk.

In de veertiende eeuw stond Medemblik dus al lang in een oude kerkelijke traditie. De huidige grote kerk werd pas vanaf 1404 gebouwd, net na de veertiende eeuw. Maar die bouw kwam niet uit het niets. Zij volgde op een oudere kerkelijke plaats met begraafterrein, tufsteenresten, sarcofagen en langdurige status. De veertiende-eeuwse stad had dus al een stevig kerkelijk centrum, ook al was het huidige gebouw nog niet begonnen.

De kerk was meer dan een gebouw voor de zondag. Zij hoorde bij doop, huwelijk, dood, begraven, klokgelui, gedenken, processie, eed en samenkomst. Inwoners van Medemblik — mannen, vrouwen en kinderen — kenden hun stad via zulke plekken. De kerk gaf de stad een geestelijke kern. Het kasteel gaf de stad een grafelijke kern. De haven gaf de stad een economische kern.

De kerk, de haven en het kasteel vormden samen de drie zwaartepunten van Medemblik: ziel, handel en macht. Wie de veertiende-eeuwse stad wil begrijpen, moet die drie niet losmaken. De kerk stond bij het leven van de inwoners. De haven stond bij arbeid en verkeer. Het kasteel stond bij graaf, recht en bestuur.

Rond 1400 kwam daar een nieuwe bouwfase aan. De bouw van de huidige kerk begon in 1404 en de kerk en toren werden in de loop van de vijftiende eeuw voltooid. Daarmee sluit de veertiende eeuw af op de drempel van een nieuwe zichtbare stad: de oude kerkelijke plaats werd monumentaler, terwijl Medemblik zijn rol als oud centrum bleef vasthouden.

De stad ging dus niet leeg de vijftiende eeuw in. Zij nam een oude kerkelijke plek, een werkende haven en een grafelijk kasteel mee.

16. Archeologische laag van de veertiende eeuw

De veertiende eeuw is archeologisch niet altijd eenvoudig te pakken. In de Koningshof en rond de Oude Haven zijn lagen gevonden die uit de dertiende of veertiende eeuw dateren. Daarbij gaat het om ophogingslagen, mogelijke vloerlagen en aardewerk.

Belangrijk zijn de vondsten van kogelpotaardewerk, proto-steengoed en bijna-steengoed. Deze horen bij de overgang van de volle middeleeuwen naar de latere middeleeuwen. In sommige profielen lagen dunne kleilaagjes die als middeleeuwse huisvloeren kunnen worden geïnterpreteerd. Zulke vloeren passen bij houten huizen in een natte stad, waar men telkens klei aanbracht om droog en vlak te kunnen wonen.

Ook gestapelde zoden zijn belangrijk. In Medemblik zijn zulke zodenpakketten vaker aangetroffen. Ze kunnen wijzen op erfafscheidingen, randen van huisplaatsen of opgehoogde plateaus. In een natte stad waren zoden praktisch: ze hielden grond vast, maakten randen steviger en hielpen tegen wateroverlast.

Huizen van hout, klei, riet en zoden laten zich moeilijk terugvinden. Hout vergaat, leem verkruimelt en veen klinkt in. Toch vertellen de bodemlagen genoeg. De stad werd laag voor laag opgehoogd. Bewoners brachten klei, mest, organisch materiaal, puin en huisafval aan. Niet als nette stadsplanning, maar omdat het nodig was. Water stond hoog, straten zakten, erven werden nat, vloeren moesten omhoog.

Zo groeide Medemblik letterlijk op zijn eigen afval, ophoging en herstel. Dat klinkt ruw, maar het is precies hoe middeleeuwse steden op natte bodem vaak groeiden. Elke generatie legde iets boven op de vorige. Een vloer werd te laag, een erf werd nat, een kade zakte weg, een huisplaats moest hoger.

De stad werd niet één keer gebouwd en daarna afgemaakt. Zij werd telkens opnieuw aangepast.

Daarom is archeologie voor Medemblik zo belangrijk. De bodem laat zien wat geschreven bronnen vaak overslaan: de moeite om te wonen, te werken en droog te blijven.

17. Huizen van hout, klei en zoden

De veertiende-eeuwse huizen van Medemblik waren waarschijnlijk grotendeels van hout, leem, riet en zoden. Baksteen kwam wel op, zeker bij machtige gebouwen zoals het kasteel, maar was nog niet overal vanzelfsprekend. Gewone bebouwing was kwetsbaarder en liet minder duidelijke resten achter.

Een houten huis kon op stijlen staan, met vlechtwerk en leem, rieten dakbedekking, houten vloeren of aangestampte kleivloeren. Rond het huis lagen erven, kuilen, greppels, afvalzones en werkplekken. Op zo’n erf werd niet alleen gewoond. Er werd gekookt, gerepareerd, geslacht, opgeslagen, gezaagd, gesponnen, gedroogd, gerookt en verhandeld.

In een stad als Medemblik was de haven nooit ver weg. Dat betekende dat sommige erven ook werkzones waren. Netten konden worden hersteld, tonnen opgeslagen, hout bewerkt, vis verwerkt, goederen tijdelijk neergelegd. De grens tussen woning, werkplaats en opslag was niet scherp.

De stad kende waarschijnlijk ook kleine ambachtslieden: timmerlieden, smeden, kuipers, schippers, vissers, bouwlieden, handelaren en mensen die voor het kasteel werkten. De aanwezigheid van het kasteel vroeg onderhoud: hout, ijzer, voedsel, leer, touw, stenen, kalk, brood, bier en arbeid. De haven vroeg scheepswerk, overslag, opslag en vervoer. De kerk vroeg bouw, onderhoud, kaarsen, textiel, boeken, klokwerk en rituele zorg.

Medemblik was daarmee geen stille dijkplaats, maar een werkende stad. Zij was nog klein naar latere maatstaven, maar groot genoeg om functies te bundelen.

En waar functies bij elkaar komen, trekken zij nieuwe mensen aan. Soort zoekt soort: een schipper zoekt een haven met lading, een koopman zoekt andere kooplieden en krediet, een ambachtsman zoekt klanten, een grafelijke dienaar zoekt bestuur en voorraad, een boer zoekt markt en recht.

In de veertiende eeuw was dat proces nog kwetsbaar. Maar de basis lag er.

18. Handel en contacten

Medemblik lag in de veertiende eeuw nog steeds aan handelsroutes. De grote bloei van de latere zestiende en zeventiende eeuw moest nog komen, maar de basis was aanwezig. De haven, de toltraditie, het oude muntverleden, de ligging aan de Zuiderzee en de verbinding met het West-Friese achterland maakten de stad geschikt voor handel.

Goederen kwamen uit dorpen en bannen naar de stad: graan, vee, zuivel, wol, huiden, vis, hout, turf en zoutachtige producten. Via water konden goederen verder worden vervoerd. De stad had marktkracht omdat zij haven, bestuur, kerk en grafelijke bescherming combineerde.

Vanaf het midden van de veertiende eeuw nam de aanvoer en het afmesten van ossen in West-Friesland een grote vlucht. Hoorn groeide vroeg uit tot centrum van veehandel, maar ook Enkhuizen en Medemblik deden mee. Het nat worden van lager gelegen gronden en de inklinking van de bodem maakten veel akkerland minder geschikt voor graanteelt. Grasland werd belangrijker, en dat stimuleerde vetweiderij en vleesveehouderij.

Ook bier hoort bij deze handelswereld. Bier was dagelijkse drank, handelswaar en belastingobject. Medemblik wordt in de veertiende eeuw genoemd als een van de twee havens waar bier uit Hamburg van het grafelijke gezag mocht worden ingevoerd. Over zulke ingevoerde lading moest belasting worden betaald: bij ossen de beestentol, bij bier de biertol.

De inwoners waren niet alleen boeren of vissers. Er moeten schippers, ambachtslieden, handelaars, bouwlieden, geestelijken, grafelijke dienaren en stedelijke bestuurders zijn geweest. De stad trok functies naar zich toe omdat daar al functies zaten. Waar haven, bestuur, recht, opslag en handel samenkomen, volgen nieuwe mensen en goederen.

Deze handelswereld was niet los van het landschap. Juist doordat het land natter werd en akkerbouw moeilijker kon worden, kreeg grasland meer gewicht. Vee, zuivel, huiden, wol en vlees sloten aan op een veranderend West-Friesland. Medemblik lag aan de rand van dat achterland en kon producten opnemen, doorvoeren of belasten.

De stad was dus niet alleen een kasteelstad. Zij was ook een schakel tussen boerenerf, weiland, haven, schipper en grafelijke rekening.

19. 1352-1354 en 1364-1366: Medemblikker bierhalers

Na het beleg van 1351 verdwijnt Medemblik niet uit de handelsbronnen. Integendeel: juist in de jaren daarna komen Medemblikker schippers voor in de bierhandel tussen Hamburg en Amsterdam.

De Amsterdamse biertolregisters zijn bewaard voor twee perioden: van oktober 1352 tot mei 1354 en van juli 1364 tot en met april 1366.

In die registers worden vijf schippers uit Medemblik genoemd die actief waren in het biertransport vanaf Hamburg naar Amsterdam. Twee van hen voeren slechts eenmaal bier aan. Een derde deed dat twee keer. Maar twee namen vallen sterker op. Jacob dzn. voer vier keer bier aan. Hitdebrant maakte zelfs vijf reizen naar Hamburg. Zulke schippers kunnen worden aangeduid als echte bierhalers.

Dit is een mooie concrete laag voor de veertiende eeuw. De handel wordt daardoor minder algemeen. We zien geen abstracte “scheepvaart”, maar mensen uit Medemblik die daadwerkelijk over zee voeren. Zij haalden bier uit Hamburg, voeren via de Noordzee en Zuiderzee en brachten hun lading naar Amsterdam, waar de belangrijkste overslag en belastingheffing plaatsvond.

Dat Amsterdam de grootste rol speelde, maakt Medemblik niet onbelangrijk. Het laat juist zien hoe kleinere havensteden in grotere handelsketens pasten. Medemblik was niet altijd de eindhaven of hoofdmarkt, maar Medemblikker schippers verdienden wel aan het vervoer. Zij kenden het water, hadden schepen, namen risico’s en verbonden West-Friesland met Noord-Duitse handelsplaatsen.

De bierhandel past bovendien bij de bredere ontwikkeling van de veertiende eeuw. Hollandse steden groeiden, de vraag naar voedsel en drank nam toe, en Noord-Duitse handelsnetwerken leverden graan, bier en andere goederen. Medemblik stond aan de rand van die wereld, maar wel met de boeg naar zee.

Door Jacob dzn. en Hitdebrant krijgt de stad een menselijk gezicht. Het zijn geen grote regenten uit een latere eeuw, maar schippers die de waterweg kenden. Zij voeren niet voor glorie, maar voor lading, loon, handel en risico.

20. Medemblik als oudste stad van West-Friesland

In de veertiende eeuw droeg Medemblik nog het gewicht van zijn vroege stadsrecht. De stad had in 1289 rechten gekregen van Floris V en was daarmee de eerste stad van West-Friesland. Hoorn kreeg pas in 1356 stadsrechten. Enkhuizen volgde later. Dat betekent niet dat Medemblik altijd groter of rijker bleef, maar wel dat het in de veertiende eeuw een oude juridische voorsprong had.

Die positie hing samen met Floris V en het kasteel. Medemblik was de grafelijke stad aan de oostkant van West-Friesland. Waar Hoorn en Enkhuizen later sterker als handelssteden zouden groeien, bleef Medemblik in deze eeuw vooral de stad van oud centrum, haven, kasteel, kerk en grafelijke controle.

Het getal van 1339 maakt dat nog duidelijker. Met 225 mannen, omgerekend ongeveer 1238 inwoners, stond Medemblik er in de eerste helft van de veertiende eeuw krachtig voor. Zij was groter dan Hoorn en groter dan Enkhuizen/Gommerskarspel. Medemblik was dus niet alleen oud in recht, maar ook aanzienlijk in omvang.

Toch zat in diezelfde eeuw al de omslag. De stad had veel potentie, maar het water werkte tegen. De Oude Haven bleef belangrijk, maar vroeg voortdurend onderhoud. Het land rond de stad was kwetsbaar. De Sint-Clemensvloed van 1334 liet zien hoe dicht de dreiging bij het hart van de stad kwam. De kasteelplaats zelf kon onderwerp worden van verplaatsing als de situatie te gevaarlijk werd.

Daarom is Medemblik in de veertiende eeuw geen verhaal van eenvoudige bloei of eenvoudig verval. Het is een verhaal van voorsprong onder druk. De stad was oud, groot en belangrijk, maar haar ligging maakte groei duur en onzeker. Dezelfde waterwegen die haar betekenis hadden gegeven, konden haar ook remmen.

Medemblik was geen mislukte stad. Zij was een oude stad op een moeilijke plek. En juist dat maakt haar geschiedenis interessant.

21. 1356: Hoorn krijgt stadsrechten, Medemblik krijgt concurrentie

Een belangrijk jaartal voor de veertiende eeuw is 1356. Op 27 maart 1356 kreeg Hoorn stadsrechten van hertog Willem van Beieren, oftewel Willem V van Holland. Daarmee kreeg Medemblik binnen West-Friesland een stedelijke buur en concurrent.

Dat veranderde het krachtenveld. Medemblik was ouder en grafelijker. Hoorn lag gunstig voor handel en zou in de volgende eeuwen sterk groeien. In de veertiende eeuw begon dus langzaam een verschuiving. Medemblik bleef belangrijk, maar stond niet langer alleen als stedelijke plaats in West-Friesland.

Toch behield Medemblik zijn eigen profiel. Het was geen kopie van Hoorn. Het was ouder, meer verbonden met kasteel en grafelijke macht, en dieper geworteld in de vroege middeleeuwen. De stad droeg een oudere laag: de vroegmiddeleeuwse handelsplaats, de kerkelijke kern, de koninklijke en bisschoppelijke herinnering, het grafelijke stadsrecht en de dwangburcht van Floris V.

Hoorn groeide op een andere manier. Daar zou de haven- en handelsfunctie steeds sterker worden. Medemblik bleef sterker verbonden met haar positie als grafelijke sleutelplaats. Dat maakte haar niet onbelangrijk, maar wel anders. In een tijd waarin handelsstromen, scheepsvaart en marktkracht steeds zwaarder gingen tellen, kreeg Hoorn meer ruimte om te groeien.

Deze concurrentie moet niet als plotselinge breuk worden verteld. Het was een langzaam verschuiven. In 1339 was Medemblik nog groter. In de loop van de veertiende eeuw gingen Hoorn en Enkhuizen haar voorbij. Dat gebeurde niet in één jaar, maar door tientallen jaren van waterdruk, handelsgroei elders, dijklasten, ligging, marktontwikkeling en bestuurlijke keuzes.

Medemblik bleef dus een oude stad, maar niet meer vanzelf de leidende stad. Dat is de kern van de veertiende-eeuwse overgang.

22. De stad als schakel tussen graaf en West-Friesland

De graaf gebruikte Medemblik als schakel. Na de onderwerping van West-Friesland bleef veel lokaal dorpsbestuur bestaan, maar er kwam grafelijke controle overheen. Dat gebeurde via baljuw, schout, schepenbank, boeten, rechtspraak en dijkorganisatie.

De inwoners van bannen waren mannen, vrouwen en kinderen die in het leefgebied, de parochie en het kerspel woonden. Officiële vertegenwoordiging, bestuur en rechtspraak liepen via schout en schepenen. Dijkplicht, heervaart en lasten konden via erven, land, huishoudens en plichtdragende huislieden lopen. De schepenen vormden de bestuurlijke en rechterlijke kern.

Voor Medemblik betekende dit dat de stad niet los van haar omgeving kan worden verteld. De stad stond in verbinding met Opperdoes, Twisk, Abbekerk, Wervershoof, Oostwoud, Midwoud en andere dorpen in het oostelijke West-Friese landschap. Via water, dijk, kerk, markt en recht kwamen die werelden bij elkaar.

Wel moet voor de veertiende eeuw voorzichtig worden geformuleerd. Almersdorp, Oostwoud, Opperdoes en Wervershoof werden pas in 1414 aan het rechtsgebied van Medemblik toegevoegd. Dat ligt net na dit hoofdstuk. In de veertiende eeuw waren die dorpen dus nog niet op dezelfde manier onderdeel van het stedelijke rechtsgebied. Maar Medemblik was wel al het grafelijke knooppunt in deze oostelijke omgeving.

Dat verschil is belangrijk. Medemblik hoefde niet juridisch alles te omvatten om toch centraal te zijn. Het kasteel, de baljuw, de haven, de dijkorganisatie en de grafelijke administratie maakten de stad al tot een schakel tussen graaf en land.

Zo bewoog macht door het landschap. Niet alleen via muren, maar via namen in rekeningen, boeten, schouwen, dijken, erven, bannen en verplichtingen. Medemblik was de plek waar die lijnen zichtbaar werden.

23. Waterbeheer als dagelijks bestuur

In de veertiende eeuw was waterbeheer geen aparte technische taak. Het was bestuur, economie en overleven tegelijk. Dijken moesten worden geschouwd. Sloten moesten openblijven. Kaden moesten worden onderhouden. Voorland moest worden benut zolang het kon. Inlagen moesten worden aangelegd waar de zee te sterk werd.

Medemblik lag daarbij op een kwetsbare plek. De stad had de Oude Haven, de Vliet, grachten, sloten en de Zuiderzee voor zich. Achter de stad lag een ontgonnen veengebied dat bleef zakken. Voor de stad lag een zee die steeds meer kracht kreeg.

Daarom is de veertiende eeuw in Medemblik geen eeuw van stilstand. Het is een eeuw van aanpassen: ophogen, dijken, beschoeien, gebruiken, verliezen en opnieuw ordenen.

De Westfriese Omringdijk was daarbij niet alleen een lijn op de kaart. Hij was een werktaak. Mensen moesten komen opdagen. Huishoudens moesten bijdragen. Bestuurders moesten regelen. Schouten en schepenen moesten toezicht houden. De graaf had belang bij duidelijke indeling, want zonder duidelijkheid over bannen, erven en plichten werd dijkonderhoud onuitvoerbaar.

Het getal van 225 mannen in 1339 laat dat goed zien. Het werd gekoppeld aan huishoudens die ieder een man moesten leveren voor dijkonderhoud. Daarmee staat de stad niet alleen als bevolkingscijfer in beeld, maar ook als gemeenschap van dijkplicht. Medemblik was groot, maar die grootte betekende ook verplichting.

Waterbeheer maakte van Medemblik een stad van arbeid. Niet alleen schippers en kooplieden bepaalden haar bestaan, maar ook mensen die grond droegen, klei verplaatsten, palen sloegen, sloten schoonmaakten, kaden herstelden en vloeren ophoogden.

De stad bleef bestaan door voortdurend werk. Zij werd letterlijk door dijken op haar plaats gehouden.

24. Kader — datums en namen in de veertiende eeuw

25 maart 1289 — Graaf Floris V verleent Medemblik stadsrechten. Daarmee wordt Medemblik de eerste stad van West-Friesland.

1296 — Floris V wordt vermoord. Daarna keren de kansen tijdelijk tegen het grafelijk huis.

1297 — West-Friezen belegeren het kasteel van Medemblik. Een grafelijk leger verdrijft hen. Medemblik zou zo zwaar zijn verbrand dat er geen huis bleef staan. De Slag bij Vronen betekent het einde van het West-Friese vrijheidsstreven.

1311 — In grafelijke administratie worden bannen en boeten zichtbaar. Dit past bij Medemblik als grafelijk controlepunt voor oostelijk West-Friesland.

1321 — Graaf Willem III probeert de invoer van Noord-Duits hopbier te verbieden.

1323 — Willem III laat het verbod los en stelt de biertol in. Medemblik en Amsterdam zijn de plaatsen waar Noord-Duits hopbier aan land mag worden gebracht.

1325 — Baljuw Dirk van Oudshoorn mag in het kasteel een vaste kapelaan aanstellen. Willem III betaalt het salaris; de baljuw zorgt voor eten en drinken.

1334 — De Sint-Clemensvloed richt grote schade aan. Er wordt zelfs rekening gehouden met het verplaatsen van stad en kasteel als dat nodig zou zijn.

1339 — Medemblik telt volgens het grafelijke stuk Dit es die grote van al den lande van Vriesland 225 mannen. Volgens Lesger staat dit gelijk aan 225 huishoudens die ieder één man voor dijkonderhoud konden leveren. Omgerekend komt dat neer op ongeveer 1238 inwoners.

1343-1344 — Rentmeester Gheret Heynenz. noteert tienden van de Medemliker Zuiderkoog en Noorderkoog. Gheraert van den Vliete wordt daarbij genoemd.

1345 — Graaf Willem IV sterft kinderloos. De opvolgingskwestie leidt tot de Hoekse en Kabeljauwse twisten, met Margaretha van Beieren en haar zoon Willem V als hoofdfiguren.

1351 — Medemblik wordt belegerd tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De inzet is vooral het bezit van het kasteel.

1352-1354 — Eerste bewaarde periode van Amsterdamse biertolregisters waarin Medemblikker schippers voorkomen.

27 maart 1356 — Hoorn krijgt stadsrechten van Willem V van Holland. Vanaf dit moment heeft Medemblik een stedelijke concurrent in West-Friesland.

1364-1366 — Tweede bewaarde periode van Amsterdamse biertolregisters met Medemblikker schippers in het biertransport. Jacob dzn. en Hitdebrant vallen op als terugkerende bierhalers.

1386 — Baljuw Bartolomeus van Raaphorst noemt in een rekening werkzaamheden en reparaties aan het kasteel van Medemblik.

1404 — Net na de veertiende eeuw begint de bouw van de huidige Bonifaciuskerk. De oudere kerkelijke plaats gaat al terug tot de vermelding van 1118.

25. Wat de veertiende eeuw zichtbaar maakt

De veertiende eeuw laat Medemblik zien als een stad in overgang. De vroege handelsplaats was stad geworden. De grafelijke burcht stond er. De oude Middenleek functioneerde als haven. Het buitendijkse land bij de Oosterdijk leverde nog inkomsten op. De kerk bleef een oud geestelijk centrum. De omliggende bannen werden steviger in grafelijke structuren getrokken.

Tegelijk was alles kwetsbaar. Land kon afslaan. De kasteeloriëntatie veranderde waarschijnlijk door waterdruk. De stad moest groeien op natte grond. Archeologische lagen tonen geen glad verhaal, maar een stad die telkens grond onder de voeten moest maken.

Medemblik was in deze eeuw oud en nieuw tegelijk. Oud door haar kerkelijke verleden, haar vroege bewoning en haar positie als oudste stad van West-Friesland. Nieuw door het stadsrecht, de grafelijke bestuursvorm, de stedelijke rechtbank, de herbouw na 1297 en de voortdurende aanpassing aan water en handel.

De stad had een duidelijke eigen identiteit. Zij was geen latere VOC-stad, geen eenvoudige agrarische nederzetting en geen kopie van Hoorn. Medemblik was een oude havenstad met een kasteel. Dat kasteel maakte haar grafelijk. De haven maakte haar economisch. De dijk maakte haar kwetsbaar. De kerk maakte haar oud. De bannen maakten haar regionaal.

In die combinatie ligt haar veertiende-eeuwse betekenis. Medemblik was een plaats waar de grote lijnen van West-Friesland samenkwamen: onderwerping, grafelijke macht, waterbeheer, handel, bier, ossen, kerk, stadsvorming en dorpslandschap.

De eeuw eindigde niet met verdwijning. Medemblik bleef bestaan. Maar de voorsprong van 1339 was niet vanzelfsprekend meer. Rond 1400 stond de stad nog stevig op de kaart, maar Hoorn en Enkhuizen hadden de beweging naar grotere handelsgroei ingezet.

Medemblik ging de vijftiende eeuw in als oude stad onder druk: niet verdwenen, maar veranderd.

26. Slot: Medemblik rond 1400

Rond 1400 stond Medemblik stevig op de kaart. Niet als grootste stad, maar als oudste stedelijke machtsplaats van West-Friesland. De stad had een oude haven, een oude kerk, een grafelijk kasteel, buitendijkse inkomsten, bannen in haar omgeving en een landschap dat voortdurend om onderhoud vroeg.

De veertiende eeuw maakte Medemblik tot wat het daarna bleef: een stad waar water, bestuur, dijk, handel, kerk en grafelijke macht niet los van elkaar bestonden. Alles liep door elkaar. De Oude Haven, het kasteel, de Oosterdijk, de hofweide, de Noorderkoog, de Zuiderkoog, de kerk en de omliggende dorpen vormden samen één verhaal.

Rond 1400 was Medemblik dus geen verdwenen koploper, maar een stad waarvan de vroege voorsprong onder druk stond. Zij was vroeg groot geweest, maar haar ligging vroeg veel. Dezelfde waterwereld die haar had laten ontstaan, bedreigde haar oevers, haar haven en zelfs de positie van het kasteel. Dijklasten, stormvloeden, buitendijks land en ophogingen maakten de groei moeilijker.

Toch bleef de stad belangrijk. Zij hield haar stadsrecht, haar havenfunctie, haar kerkelijke anker, haar grafelijke kasteel en haar positie in oostelijk West-Friesland. De veertiende eeuw was dus geen lege tussenfase, maar een vormende eeuw. Hier werd zichtbaar waarom Medemblik oud en belangrijk was, maar ook waarom Hoorn en Enkhuizen later sterker konden doorgroeien.

Dat is de veertiende-eeuwse kern van Medemblik: een oude havenstad die onder grafelijke druk opnieuw werd opgebouwd, door water werd bedreigd, door dijken letterlijk op haar plaats werd gehouden, door bier- en veehandel met grotere netwerken verbonden was en door haar kasteel een bestuurscentrum bleef voor oostelijk West-Friesland.

Bronnenlaag voor deze eindfase

Voor deze eindfase zijn vooral deze bronlagen gebruikt:

Oud Medemblik / Vereniging Oud Medemblik
Artikelen uit de jaaruitgaven, vooral over het kasteel, de biertol, slachtvee, bierhandel, Medemblikker schippers en het functioneren van het slot.

Archeologie West-Friesland — Dwars door Medemblik
Voor de Oude Haven, Koningshof, ophogingslagen, 1339, bevolkingsverhoudingen, waterdruk, Middenleek, Vliet en de ontwikkeling van de oude stad.

Westfries Archief
Voor stadsrechten, rechtsgebied, bannen, bestuur, schout, schepenen en de latere uitbreiding van het rechtsgebied in 1414.

Bonifaciuskerk Medemblik
Voor de kerkelijke lijn: vermelding van de kerk in 1118 en de bouw van de huidige kerk vanaf 1404.

Algemene historische context Hoekse en Kabeljauwse twisten
Voor de bredere machtsstrijd na 1345, met Willem IV, Margaretha van Beieren en Willem V.

Medemblik in de vijftiende eeuw

Stad, kasteel, kerk, hofweide, haven, dijk en buitendijks land

Medemblik ging de vijftiende eeuw in als oudste stad van West-Friesland, als kasteelplaats van de graaf van Holland en als havenplaats aan een oud water. De stad was niet nieuw. Zij droeg al eeuwen geschiedenis onder haar straten: de oude Middenleek, de Oude Haven, de kerkplaats, de vroegmiddeleeuwse bewoning, de grafelijke rechten, het kasteel van Floris V en de dijken die het lage land moesten vasthouden.

In de vijftiende eeuw werd Medemblik niet vooral groter door spectaculaire uitbreiding. De stad werd vooral zichtbaar als werkende machtsplaats. Alles moest onderhouden worden: de kerk, de haven, de slotgrachten, de bruggen, de hofweide, de buitendijkse landen, de dijken, de sloten, de toegang tot het kasteel en de verbinding met de omliggende bannen.

1404 — De bouw van de grote Bonifaciuskerk

Een van de belangrijkste jaartallen is 1404. In dat jaar begon de bouw van de huidige Bonifaciuskerk. Die bouw kwam niet uit het niets. Medemblik had al veel langer een kerkelijke kern. De plaats wordt in verband gebracht met de oude Utrechtse Sint-Maartensrechten en met de koninklijke tienden die in de vroege bronnen bij Medemblik worden genoemd. In 1114 of 1118 schonk bisschop Godebald van Utrecht de kerk van Medemblik aan de kanunniken van Sint Maarten.

De kerk van 1404 stond dus op een oude heilige plaats. Rond de kerk werd al eeuwen begraven. De vondst van middeleeuwse sarcofaagfragmenten op het kerkterrein wijst op een zeer oude en belangrijke kerkelijke begraafplaats. Eén gerestaureerde sarcofaag van Bentheimer zandsteen had op het deksel een herdersstaf. Dat wijst op een hoge geestelijke, mogelijk een abt. Zulke stenen moesten van ver komen en waren kostbaar.

De bouw van de grote kerk laat zien dat Medemblik rond 1400 nog altijd stedelijke kracht had. De kerk werd in de loop van de vijftiende eeuw voltooid. Zij werd het geestelijke middelpunt van de stad, zichtbaar voor bewoners, schippers, reizigers en mensen uit het achterland.

Stad en kasteel naast elkaar

Medemblik bestond in de vijftiende eeuw uit twee nauw verbonden werelden. Aan de ene kant lag de stad, met huizen, kerk, haven, straten, ambachten en inwoners. Aan de andere kant lag het grafelijke domein rond het kasteel: hoofdburcht, bolwerk, grachten, bruggen, hofweide en buitendijks land.

Het kasteel was geen los decorstuk. Het was een werkend grafelijk huis. Er moesten mensen wonen, eten, werken, waken en bouwen. Er waren stallen, opslagplaatsen, graan, vee, riet, hout, bier, brood en gereedschap nodig. De grachten moesten diep blijven. Bruggen moesten veilig zijn. Het bolwerk moest bereikbaar blijven, maar niet voor iedereen.

De stad en het slot lagen dicht bij elkaar, maar vielen niet samen. Het kasteel was een grafelijke enclave naast de stad. De toegang werd bewaakt. De ruimte rond het slot werd begrensd door water, dijken, sloten en hekken.

1413 — Daniël van Cralingen wordt kastelein en dijkgraaf

Op 12 maart 1413 benoemde graaf Willem VI Daniël van Cralingen tot kastelein en dijkgraaf van Medemblik. Deze benoeming laat goed zien hoe het kasteel economisch functioneerde. Daniël kreeg inkomsten uit verschillende bronnen: de tienden bij Medemblik, het Bennemeer, de visserij rond het huis, de zwanen en de hofweide.

Dat betekent dat het kasteleinschap niet alleen een militaire functie was. De kastelein moest het slot beheren en onderhouden. Daarvoor kreeg hij inkomsten uit land, water, visserij, zwanendrift en weidegrond.

Het Bennemeer lag tussen Abbekerk, Broerdijk en Twisk. De visserij rond het huis leverde opbrengsten op. De zwanen hoorden bij heerlijke rechten en status. De hofweide was het land dat bij het grafelijke huis hoorde.

1414 — Dirc van Zanthorst

Op 12 april 1414 kreeg Dirc van Zanthorst het kasteleinschap onder dezelfde voorwaarden. Hij werd een belangrijke naam in het vijftiende-eeuwse Medemblik. Vooral door zijn band met het buitendijkse land ten oosten van het kasteel bleef zijn naam lang aan dit gebied verbonden.

Dirc van Zanthorst was kastelein vanaf 1414 tot in 1417, maar zijn invloed op het buitendijkse gebied bleef veel langer zichtbaar. Het land werd later aangeduid als Dirc van Zanthorsts uiterdijk, grote nes, Zandhorst nesse of nes.

De hofweide: boerenbedrijf bij het kasteel

Ten westen van het kasteel lag waarschijnlijk de hofweide. De exacte afmetingen zijn niet bekend, maar duidelijk is dat het een terrein was dat bij het grafelijke huis hoorde. Het woord hofweide zegt veel: het was weidegrond bij het hof, dus bij het kasteel.

Daar graasde vee. Waarschijnlijk ging het niet alleen om grasland, maar ook om een bredere agrarische functie. Het kasteel had later stallen en hokken voor paarden, koeien, ossen, varkens, schapen en kippen. Ook waren er bouwhuizen, een dorsvloer, een ossenstal, een hooiberg, een melkerij, een bakkerij en een brouwerij.

De Molkentoren, de noordwestelijke toren van het slot, wijst op zuivelopslag of zuivelverwerking. Koren werd opgeslagen op de zolder boven de zaal. Het kasteel was dus ook een boerenbedrijf. Er werd gemolken, gebakken, gebrouwen, gehooid, gevoerd, opgeslagen en verwerkt.

1416 — Buitendijks land voor het kasteel

Op 29 augustus 1416 gaf graaf Willem VI aan Dirc van Zanthorst toestemming om buitendijks land voor het kasteel met een zomerdijk te bedijken. Het ging om land tussen een waterarm voor het huis van Medemblik en land dat priester Geryt Jacopsz. al had bedijkt.

Dirc mocht het land bedijken, gebruiken, bezaaien, omheinen en beheren. Daarbij hoorde ook onderhoud aan zeedijk, sluizen, hekken en grachten. Dit laat zien dat het buitendijkse land niet meteen verloren land was. Het lag gevaarlijk, maar het kon nog veel opleveren.

Een zomerdijk bood tijdelijke bescherming. Zulke landen konden worden beweid, ingezaaid of anders gebruikt zolang de zee het toeliet. Medemblik leefde dus op de grens van binnendijks en buitendijks land.

De Noorderkoog, Zuiderkoog en Zandhorst nesse

Al in 1343 en 1344 worden de Medemliker Noorderkoog en Zuiderkoog genoemd in rekeningen van de rentmeester van Holland. Piet Boon heeft deze geïdentificeerd als buitendijks land bij Medemblik, buiten de Oosterdijk, tegenover het kasteel.

In de vijftiende eeuw bleef dat gebied belangrijk. Door Dirc van Zanthorst werd in 1437 ongeveer 44 morgen bedijkt, ongeveer 37,5 hectare. In 1457 bedijkten Reyner en Jacob Louwesz. nog eens 20 morgen, ongeveer 17 hectare. Dat zijn flinke oppervlakten. Het buitendijkse gebied was dus geen smalle strook, maar een serieus gebruikslandschap.

Op 21 september 1442 verkocht Dirc van Zanthorst het gebied wegens schulden aan zijn neef Jan Dever van Mynden. Toch bleef zijn naam er nog lang aan verbonden, zelfs tot 1485.

De kwetsbare oostkant van Medemblik

De oostzijde van het kasteel lag kwetsbaar aan de Zuiderzee. Mogelijk was er al in de veertiende eeuw land afgeslagen, misschien rond de Sint-Clemensvloed van 1334/1335. Daardoor kan de oorspronkelijke toegang van het kasteel zijn veranderd. Een oude oostelijke toegang raakte waarschijnlijk minder bruikbaar en de oriëntatie verschoof meer naar het noorden.

Mogelijk is een oudere voorburcht of bolwerk deels in het dijklichaam verdwenen en deels door de Zuiderzee verzwolgen. Dat is niet hard bewezen, maar het past bij de latere reconstructies van het kasteelterrein. Toekomstig geofysisch onderzoek zou daar meer duidelijkheid over kunnen geven.

1438 — Brug, portaal, valhekken en vluchtdeurtje

In 1438 werd een zwaar portaal gebouwd op de brug tussen de hoofdburcht en het bolwerk. Dit portaal had twee valhekken, een valbrug en een vluchtdeurtje. Dat was nodig om ongewenste toeloop vanuit de stad tegen te houden.

Deze brugconstructie zegt veel over het kasteel. De hoofdburcht en het bolwerk waren gescheiden door een brede gracht. De brug moest lang genoeg zijn om zo’n zware beveiligde toegang te dragen. Het kasteel was dus sterk afgesloten van zijn omgeving.

De stad lag dichtbij, maar de toegang tot het slot werd zorgvuldig geregeld. Het kasteel bleef een grafelijk machtsgebied binnen of naast de stedelijke ruimte.

1457-1458 — Sloten tussen dijk, slot en hofweide

Een rekening uit 1457-1458 noemt werkzaamheden aan een sloot aan de noordzijde tussen de dijk, het slot en de hofweide. Ook aan de zuidzijde werd gegraven. De sloot moest vijf voeten wijder worden gemaakt en er moesten maatregelen worden genomen zodat vee niet over de sloten kon lopen.

Dit is een belangrijke aanwijzing voor de inrichting van het grafelijke domein. Ten noorden van het kasteel en de hofweide lag een dijk of wal. Tussen die dijk en het slot lagen sloten. De hofweide werd dus begrensd en beschermd.

Ook bewijst deze bron dat er werkelijk vee rond het kasteel liep. De hofweide was geen papieren recht, maar een gebruikt agrarisch terrein.

1458-1459 — Het pad naar de zeedijk

In 1458-1459 wordt vermeld dat het pad van het bolwerk naar de zeedijk was verzakt en door water aan beide zijden was ondermijnd. Men kon er nauwelijks nog overheen gaan of rijden. Ook de beschutting en omheining binnen het bolwerk waren door ouderdom vergaan.

Dit toont hoe kwetsbaar de toegang tot het kasteel was. Het pad lag tussen wateren en moest voortdurend worden hersteld. De verbinding tussen bolwerk en zeedijk was dus niet zomaar een weg, maar een waterbouwkundig werk: dam, pad, brug, sloot en dijk tegelijk.

De noordelijke dijk of wal

Uit de vijftiende-eeuwse bronnen blijkt dat ten noorden van het kasteel en de hofweide een dijk of wal lag. Die liep door tot aan de zeedijk. Deze wal grensde het grafelijke domein af.

Later werd deze structuur belangrijk voor de stadsverdediging. In 1572-1573 werd de oude dijk of wal waarschijnlijk versterkt en opgenomen in de eerste stadsomwalling. Op een belegeringskaart uit 1588 wordt deze structuur aangeduid als “oude wal”.

Dat betekent dat een vijftiende-eeuwse dijk later onderdeel werd van de militaire stad. De wal begon dus niet als moderne vestingwal, maar als begrenzing en bescherming van het grafelijke kasteelterrein.

De Oude Haven en het binnenwater

De Oude Haven bleef in de vijftiende eeuw de oude levensader van Medemblik. Dit water was de vroegere Middenleek, waaraan de stad haar oorsprong dankte. In de vijftiende eeuw had deze haven nog betekenis voor aanvoer, afvoer, handel en verbinding met het achterland.

Naast de haven waren ook binnenwateren belangrijk. Vanuit de Vliet liepen waterwegen naar de stad en het kasteel. Schuiten konden goederen naar het slot brengen. Later wordt zelfs genoemd dat riet met een schuit tot onder een toren van het kasteel werd aangevoerd.

Medemblik was dus een waterstad. Goederen bewogen via haven, sloot, gracht en binnenwater. Wegen waren belangrijk, maar water was vaak praktischer.

De kasteelgrachten

De kasteelgrachten waren essentieel. Zij beschermden het slot, scheidden de hoofdburcht van het bolwerk en maakten aanvoer per water mogelijk. Ze moesten diep genoeg blijven. Dichtslibbing, uitdroging en oeverafkalving waren gevaarlijk.

Een te ondiepe gracht was niet alleen slecht voor waterbeheer, maar ook voor verdediging. Als de gracht droogviel, konden indringers dichter bij het kasteel komen. Daarom moest de gracht worden uitgebaggerd, beschoeid en onderhouden.

1483 — Maximiliaan van Oostenrijk grijpt in

In 1483 gaf Maximiliaan van Oostenrijk aan Filips van Wassenaar, kastelein van Medemblik, bevel om de kasteelgrachten te laten uitbaggeren. De grachten moesten tot op de oude bodem worden gedregd en schoongemaakt.

Het werk moest worden gedaan door de onderdanen in het kasteleinschap, het dijkgraafschap en de Vier Noorder Koggen. Dat laat zien dat het onderhoud van het kasteel niet alleen een zaak van de stad was. Het omliggende gebied droeg mee.

De gracht van het kasteel was grafelijk belang. Als die gracht droogviel of dichtslibde, werd het slot kwetsbaar. Daarom werd een groter gebied verplicht om mee te werken.

Filips van Wassenaar als kastelein

Filips van Wassenaar was in 1483 kastelein van Medemblik. Als kastelein beheerde hij het grafelijke huis. Hij moest zorgen voor veiligheid, onderhoud, uitvoering van bevelen en contact met het omliggende gebied.

Zijn positie was dus meer dan die van een slotbewoner. Hij was de grafelijke functionaris die het kasteel als machtsinstrument moest laten werken.

De Vier Noorder Koggen

De vermelding van de Vier Noorder Koggen in 1483 is belangrijk. De koggen waren verbanden van dorpen en bannen die samen verantwoordelijkheid droegen voor dijken, waterbeheer en lasten. Medemblik stond als stad en kasteelplaats midden in dit systeem.

Een banne was niet alleen een dorpsnaam, maar een rechtsgebied en bestuurlijk gebied. Via bannen werd zichtbaar wie onder welk gerecht viel, wie boeten betaalde, wie dijklasten droeg, wie bij schouw moest verschijnen en welk land bij welk centrum hoorde.

De inwoners van zulke bannen waren mannen, vrouwen en kinderen. Bestuur, eed en officiële vertegenwoordiging liepen via schout en schepenen. Lasten, dijkplicht en diensten liepen via land, erven, huishoudens en plichtdragende huislieden. Medemblik was het grafelijke knooppunt in dit landschap.

Handel, ambacht en dagelijkse stad

De economie van Medemblik in de vijftiende eeuw bestond uit havenverkeer, regionale handel, ambacht, landbouwproducten, visserij, grafelijke functies en kerkelijke activiteiten. De stad kreeg goederen uit het achterland: graan, hooi, vee, zuivel, wol, huiden, hout, turf en vis.

De aanwezigheid van het kasteel zorgde voor extra vraag. Er waren bouwlieden, timmerlieden, schippers, gravers, brouwers, bakkers, hooiers, knechten en ambachtslieden nodig. Bier en brood hoorden bij het dagelijkse werk. Riet, hout, steen, puin en aarde waren nodig voor onderhoud.

Soort zoekt soort: waar een haven, kerk, kasteel, bestuur, opslag en ambacht samenkomen, trekken nieuwe goederen, mensen en functies naartoe.

Archeologische laag van de vijftiende eeuw

De vijftiende-eeuwse archeologische laag is minder rijk dan de vondstcomplexen rond 1600, maar ze is wel aanwezig. In Medemblik zijn ophogingslagen gevonden met laatmiddeleeuws materiaal. Een laag met fragmenten van een bakpan, een grape en een bord met boogjes van wit slib wordt in de periode 1400-1550 geplaatst. Ook geglazuurd steengoed uit 1300-1500 komt voor.

Losse vondsten uit de late vijftiende en zestiende eeuw zijn onder meer een klein oliekannetje van Raeren-steengoed, een steengoed spinsteen en een randfragment van roodbakkend aardewerk met witte sliblaag en sgraffito-golfjes.

Dit zijn geen koninklijke voorwerpen, maar juist daarom waardevol. Ze laten koken, bewaren, spinnen, eten en dagelijks werk zien. De vijftiende-eeuwse stad bestond uit zulke gewone handelingen.

Ophogen en wonen op natte grond

Medemblik moest voortdurend worden opgehoogd. De stad lag in een nat gebied. Erven, straten en vloeren zakten, werden drassig of moesten worden verbeterd. Klei, puin, mest, organisch materiaal en afval werden gebruikt om terreinen bruikbaar te houden.

In sommige profielen zijn dunne kleilaagjes aangetroffen die als huisvloeren kunnen worden geïnterpreteerd. Ook zodenpakketten zijn bekend. Zulke gestapelde zoden konden dienen als erfafscheiding, versteviging of rand van een verhoogd huisplatform.

De stad groeide letterlijk laag voor laag.

Medemblik rond 1500

Rond 1500 was Medemblik nog duidelijk een middeleeuwse stad. De Oude Haven was nog aanwezig. De Bonifaciuskerk was in de vijftiende eeuw voltooid. Het kasteel stond met zijn hoofdburcht, bolwerk, grachten en hofweide aan de zuidoostkant. Ten oosten lag het buitendijkse land. Ten noorden van het grafelijke domein lag de oude dijk of wal.

Maar de zestiende eeuw zou grote veranderingen brengen. In 1517 werd Medemblik getroffen door Grote Pier en de Gelderse zwarte benden. In 1555 brandde opnieuw een groot deel van de stad. Rond 1560 tekende Jacob van Deventer zijn plattegrond. In 1572-1573 werd de eerste stadsomwalling aangelegd. Daarna volgden nieuwe havens, nieuwe wallen en grote veranderingen rond het kasteel.

De vijftiende eeuw is daardoor de laatste eeuw waarin het middeleeuwse Medemblik nog goed herkenbaar is: kerk, Oude Haven, kasteel, hofweide, buitendijks land, grachten, dijk en stad dicht bij elkaar.

Slot — De betekenis van de vijftiende eeuw

De vijftiende eeuw laat Medemblik zien als een werkende stad in een oud landschap. Niet één gebeurtenis bepaalt deze eeuw, maar de samenhang van alles.

In 1404 begint de bouw van de grote Bonifaciuskerk. In 1413 wordt Daniël van Cralingen kastelein en dijkgraaf. In 1414 volgt Dirc van Zanthorst. In 1416 krijgt hij toestemming om buitendijks land met een zomerdijk te bedijken. In 1438 wordt de brug tussen hoofdburcht en bolwerk beveiligd met portaal, valhekken, valbrug en vluchtdeurtje. In 1442 verkoopt Dirc van Zanthorst zijn buitendijkse rechten aan Jan Dever van Mynden. In 1457 en 1458 worden sloten bij dijk, slot en hofweide verbreed. In 1458 en 1459 blijkt het pad van bolwerk naar zeedijk zwaar aangetast door water. In 1483 beveelt Maximiliaan van Oostenrijk dat de kasteelgrachten tot op de oude bodem worden uitgebaggerd.

Daarmee is de vijftiende eeuw geen lege overgang tussen middeleeuwen en vroegmoderne tijd. Het is de eeuw waarin Medemblik als middeleeuws systeem zichtbaar wordt: een stad aan een oude haven, een kerk op een oude heilige plek, een grafelijk kasteel met hofweide, een buitendijks land dat nog opbrengst gaf, een dijk die later stadswal werd, en een achterland van bannen, koggen, dorpen, erven en inwoners.

Medemblik leefde in deze eeuw van water, maar vocht er ook tegen. De stad gebruikte de haven, de sloten, de grachten en het buitendijkse land. Tegelijk moesten dijken, wallen, beschoeiingen, paden en grachten steeds worden hersteld.

Dat is de kern van Medemblik in de vijftiende eeuw: een oude West-Friese stad waar grafelijke macht, kerkelijke ouderdom, havenverkeer, landbouw, dijkplicht en waterbeheer één doorlopend verhaal vormen.