De Haukes en Den Oever — de twee waterpoorten van Wieringen
Van oude Noordzeewereld tot postboot, wierhandel, visserij en Afsluitdijk
Twee havens, één eiland
Wie vandaag over Wieringen rijdt, ontmoet twee havens die nauwelijks op elkaar lijken. Aan de westkant ligt De Haukes rustig aan het Amstelmeer. Ganzen zoeken voedsel achter de dijk, plezierboten liggen in de haven en café De Postboot bewaart de herinnering aan reizigers, postschippers, wieraken en boerenwagens. De bedrijvigheid is verdwenen, maar onder de stilte ligt nog altijd een eeuwenoud havenverhaal.
Aan de oostkant ligt Den Oever. Daar klinkt nog altijd het geluid van een werkende haven. Kotters liggen langs de kades, netten worden gerepareerd en schepen varen uit naar Waddenzee en Noordzee. Waar De Haukes vooral een haven van herinnering werd, bleef Den Oever verbonden met visserij, handel en scheepvaart. De twee plekken ontwikkelden zich anders, maar hoorden eeuwenlang bij dezelfde Wieringer waterwereld.
Samen vormden De Haukes en Den Oever twee verschillende toegangen tot het eiland. Via De Haukes kwamen reizigers, post, vee en goederen vanaf het Noord-Hollandse vasteland. Vanuit Den Oever voeren vissers, schippers en vrachtvaarders de Zuiderzee op. De ene plek draaide sterk om aankomst en oversteek, de andere om uitvaren en terugkeren. Tussen beide havens ligt daardoor het verhaal van Wieringen zelf.
Hoog land in een wereld van water
Wieringen is geen jonge polder, maar oud land. Tijdens het Saalien werd de ondergrond door enorme ijsmassa’s gevormd. Keileem, zand, grind en stenen werden opgestuwd en samengedrukt tot een hogere rug. Toen later het omringende landschap veranderde in veen, kwelders, slikken, geulen en open water, bleef Wieringen boven het lagere land uitsteken. Op sommige plaatsen ligt het oude keileemlandschap nog dicht onder het oppervlak.
Juist die hoge ligging maakte bewoning mogelijk. Mensen konden wonen waar het omliggende gebied natter werd. Maar hoog land betekende niet dat Wieringen zelfstandig kon bestaan. Hout, graan, turf, ijzerwaren, kleding en andere benodigdheden moesten van elders komen. Vis, wol, kaas, dieren, zout, aangespoelde goederen en later grote hoeveelheden wier moesten juist naar buiten. Water werd daardoor tegelijk grens, gevaar, werkterrein en belangrijkste verkeersweg.
Daar ligt de oorsprong van het latere havenverhaal. Een haven begint niet pas bij een gemetselde kade of een havenkom. Zij begint zodra mensen een vaste plek nodig hebben om over te steken, goederen te laden, vangst aan land te brengen of contact met andere gebieden te onderhouden. De Haukes en Den Oever kregen pas veel later vaste havenvormen, maar de noodzaak waarop zij rustten was eeuwen ouder.
Vikingtijd en Westerklief
In de achtste en negende eeuw was Wieringen geen afgelegen eiland, maar onderdeel van de Noordzeewereld. Langs de kusten voeren handelaren, krijgers en schippers tussen Scandinavië, het Friese kustgebied en belangrijke handelsplaatsen in West-Europa. Friezen, Franken en later Deense Vikingen bewogen door hetzelfde maritieme gebied. Handel, strijd en politieke macht liepen daarbij voortdurend door elkaar en het water vormde de belangrijkste verbinding.
De zilverschatten van Westerklief, die vanaf 1996 werden gevonden, maken die wereld tastbaar. Munten, zilveren voorwerpen en hakzilver laten zien dat Wieringen verbonden was met verre handelsnetwerken. Het zilver kwam uit verschillende gebieden en weerspiegelt contacten die veel verder reikten dan Noord-Holland. Wie zulke bezittingen verzamelde, bevond zich in een samenleving waarin gewicht, zilverwaarde, handel en persoonlijke rijkdom nauw met elkaar waren verbonden.
Voor het latere verhaal van De Haukes en Den Oever is deze vroege laag belangrijk. Wieringen was al eeuwen vóór de aanleg van havens verbonden met varen, handel en uitwisseling. Water was geen rand van de wereld, maar de route naar andere gebieden. De havens zouden later precies die oude maritieme gerichtheid voortzetten, maar dan in een nieuwe tijd van visserij, postvaart, vracht en wierhandel.
De oude eilandeconomie
Op Wieringen leefden mensen zelden van één beroep alleen. Het eiland bood mogelijkheden, maar het bestaan bleef onzeker. Storm, een slechte vangst, ziekte onder het vee of een moeizame overtocht konden direct gevolgen hebben voor een gezin. Daarom werd vrijwel alles benut wat land en water opleverden. Een boer kon schapen houden en kaas maken, maar daarnaast vracht vervoeren of in een ander seizoen helpen bij de wierwinning.
Vissers combineerden hun werk eveneens. Zij zetten fuiken uit, vingen paling, bot, schar, haring of ansjovis, maar konden ook een stukje land gebruiken, vee verzorgen of goederen vervoeren. Vrouwen en kinderen stonden niet buiten deze economie. Zij hielpen bij het huishouden, vee, voedselbereiding, vangstverwerking en later bij het keren, drogen en sorteren van wier. Het gezinsinkomen kwam vaak uit meerdere kleine bronnen tegelijk.
Schapen leverden vlees, wol, huiden, mest, vet en kaas. De producten moesten naar handelaren en markten buiten het eiland. Via aanlegplaatsen en later via De Haukes en Den Oever vonden zij hun weg naar plaatsen als Schagen, Alkmaar, Medemblik, Hoorn, Enkhuizen, Haarlem en Amsterdam. De haven begon daardoor niet bij de waterkant, maar op het erf waar een vracht werd verzameld en klaargemaakt.
Zout, strandvondsten en eendenkooien
Ook zoutwinning hoorde bij het oude economische landschap. Uit zouthoudend veen, darink, kon zout worden gewonnen. Het veen werd opgegraven, gedroogd of verbrand en de zoute as werd verder verwerkt. Zout was belangrijk voor het conserveren van vis en vlees. Daardoor was zoutwinning niet alleen grondstofwinning, maar ook een noodzakelijke schakel in voedselvoorziening, visserij en handel.
De zee leverde soms onverwachte inkomsten. Schepen konden tijdens stormen beschadigd raken, lading verliezen of vergaan. Hout, touw, tonnen, planken en handelswaar konden op Wieringen aanspoelen. Zulke strandvondsten hadden waarde. Wrakhout kon opnieuw worden gebruikt in gebouwen of schuren. Maar strandvonderij was geen vrije plundering. Wat aanspoelde viel onder rechten, regels en gezag en kon niet zonder meer worden gehouden.
Vanaf de vijftiende en zestiende eeuw kwamen eendenkooien vaker voor. Via wagen, schuit en schipper konden gevangen eenden terechtkomen bij poeliers en markten in Alkmaar, Hoorn, Haarlem en Amsterdam. Zo liepen ook deze landgebonden producten uiteindelijk naar het water. De Haukes en Den Oever werden later juist belangrijk omdat daar zulke goederen konden worden overgeladen en verder vervoerd.
Onrust, rovers en Watergeuzen
De ligging aan het water bracht niet alleen handel en werk. Wieringen was ook bereikbaar voor mensen die met geweld kwamen. In het begin van de zestiende eeuw werd het eiland bedreigd door Friese roversbenden, waaronder groepen die met Grote Pier werden verbonden. In 1522 plunderden soldaten van Gelre Wieringen. Voor de bewoners betekende oorlog daardoor geen ver verwijderd politiek conflict, maar iets wat letterlijk over water kon aankomen.
In 1572 werd Wieringen opnieuw getroffen, nu door de Watergeuzen. Het eiland werd gebrandschat. In hetzelfde jaar raakte het schip van geuzenaanvoerder Willem Bloys van Treslong voor Wieringen vast in het ijs. Volgens de overlevering werden zeventien bemanningsleden door Wieringers gedood. De situatie was gespannen, want de bewoners konden vergelding verwachten zodra de omstandigheden veranderden en het schip weer vrij kon komen.
Volgens de Wieringer overlevering liet Treslong later zijn zwaard bij de kerk van Oosterland achter als bewijs dat hij geen wraak zou nemen. Het verhaal laat zien dat dezelfde vaarroutes die handel en verkeer mogelijk maakten, het eiland ook kwetsbaar maakten voor geweld. De toekomstige havens lagen dus in een waterwereld waarin bereikbaarheid altijd zowel voordeel als risico betekende.
Den Oever en de grote vaart
Aan de oostkant van Wieringen ontwikkelde Den Oever zich tot een plaats van schippers en vissers. In de zeventiende eeuw groeide Amsterdam uit tot een belangrijk centrum van internationale handel. Grote zeeschepen voeren vanuit de Noordzee over de Zuiderzee richting Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen. Dat bracht kansen voor Wieringer schippers, die het ondiepe water kenden en konden inspelen op de problemen van diepstekende schepen.
De Zuiderzee was berucht om haar ondiepten. Grote, zwaarbeladen schepen konden niet overal veilig varen. Daarom ontstond werk voor lichters: kleinere vaartuigen waarop een deel van de lading werd overgezet. Door een zeeschip tijdelijk lichter te maken, kon het veiliger door ondiepe gedeelten varen. Zodra het schip weer dieper water bereikte, kon de lading opnieuw aan boord worden gebracht.
Wieringer schippers verdienden aan deze lichterschipperij. Den Oever werd daardoor niet alleen een vissersplaats, maar onderdeel van de grotere Hollandse scheepvaart. De band met Amsterdam was sterk. In 1642 werd Aris Pietersz van Wieringen als varensman in de Amsterdamse poorterboeken ingeschreven. Zelfs een VOC-jacht kreeg in 1627 de naam Wieringen. De maritieme wereld van Den Oever reikte daardoor veel verder dan het eiland zelf.
Het Wieringer Vlaak en de lichterschippers
Een van de belangrijke ondiepten in de omgeving was het Wieringer Vlaak. Voor diepstekende zeeschepen kon dit water een serieus obstakel vormen, vooral wanneer zij zwaarbeladen waren. De Zuiderzee bestond uit een ingewikkeld patroon van vaargeulen, banken en ondiepten. Een kapitein die deze omstandigheden onderschatte, kon vastlopen en kostbare tijd, lading of zelfs zijn schip verliezen.
Wieringer lichterschippers moesten weten waar het water diep genoeg was, hoe zandbanken veranderden, wat wind met de waterstand deed en wanneer een route wel of niet kon worden gebruikt. Zulke kennis werd door ervaring opgebouwd en vaak binnen schippersfamilies doorgegeven. Voor buitenstaanders was de Zuiderzee onvoorspelbaar; voor lokale schippers was zij een werkgebied dat voortdurend gelezen moest worden.
De aanleg van het Noordhollands Kanaal in 1824 veranderde deze economie. Grote schepen kregen een veiliger binnenvaartverbinding naar Amsterdam en de oude lichterschipperij verloor haar betekenis. Voor Den Oever betekende dat verlies van werk. De plaats bleef maritiem, maar vissers en schippers moesten zich sterker richten op visserij, kleinere vrachtvaart en andere inkomsten. Zo veranderde de functie van de haven al ruim vóór de twintigste eeuw.
De Haukes verschijnt aan de westkant
Aan de zuidwestkant van Wieringen lag De Haukes, bij Westerland en het Amsteldiep. Op de kaart van Jan Jansz. Dou uit 1681 staat de buurtschap met vier huizen aangegeven. Dat lijkt weinig, maar het betekent dat De Haukes toen al herkenbaar genoeg was om als afzonderlijke plek te worden vermeld. De betekenis lag niet in grootte, maar in de ligging aan de rand van het eiland.
Uit het doopboek van dominee Nanning Berckhout, predikant van Hippolytushoef en Westerland tussen 1681 en 1705, blijkt dat er minstens enkele gezinnen woonden. De bewoners leefden op de overgang tussen het hogere land van Westerland en het water. Juist zulke plekken waren geschikt voor aanleg, transport en oversteek. De natuurlijke omstandigheden bepaalden waar een boot dicht genoeg bij het eiland kon komen.
Wie rond 1700 bij De Haukes stond, zag nog geen haven met kades of vaste steigers. Men zag enkele huizen, een dijk, water, misschien een klein schip en een wagen uit Westerland. De havenfunctie zat nog niet in gebouwen, maar in gebruik. Zo groeide De Haukes langzaam uit tot vaste overgang tussen eiland en vasteland, omdat landschap en dagelijks verkeer die plek steeds opnieuw nodig maakten.
De Haukes en Westerland vóór de haven
Vóór omstreeks 1900 moet De Haukes niet worden voorgesteld als een haven met duidelijke kades, vaste steigers en een uitgebaggerde havenkom. Wieringen had toen eigenlijk nog geen echte havens. Kleine schepen konden bij Westerland op het strand worden getrokken, terwijl vaartuigen bij De Haukes en Den Oever vaak rechtstreeks aan de dijk lagen. Het water en de dijk vormden samen de eenvoudige haveninfrastructuur.
Juist op zo’n eenvoudige aanlegplek kwamen verschillende vormen van vervoer samen. Een boer uit Westerland kon een wagen met wol, kaas of wier naar het water brengen. Een reiziger wachtte met bagage op de overtocht. Een schipper hield rekening met wind, getij en beschikbare diepte. Vissers en wierwerkers gebruikten dezelfde plek wanneer hun werk daarom vroeg.
De Haukes was daardoor een haven voordat er een echte haven lag. Westerland vormde het achterland met boeren, wierhandel, opslag en later pakhuizen; De Haukes vormde de opening naar het water. Pas aan het begin van de twintigste eeuw kregen De Haukes en Den Oever echte havenvormen. De stenen haven was dus het resultaat van een ontwikkeling die al eeuwen eerder was begonnen.
De postboot, het veer en het wachten
De Haukes groeide in de achttiende en negentiende eeuw uit tot een belangrijke verbinding met het Noord-Hollandse vasteland. Hier kwamen postboten en veerschuiten aan. Brieven, berichten, reizigers, kleine vracht en dagelijkse benodigdheden gingen over water. Voor een eilandgemeenschap betekende zo’n verbinding veel meer dan vervoer. Het was de route waarlangs nieuws, handel, familiecontacten en hulp het eiland konden bereiken.
De verbinding liep in verschillende perioden via Oudesluis, Oude Veer en later Van Ewijcksluis. Vanaf daar kon men verder reizen richting Schagen, Alkmaar, Hoorn, Medemblik, Haarlem of Amsterdam. Café De Postboot en Het Veerhuis bewaren nog altijd de herinnering aan die wereld. Mensen moesten soms lang wachten wanneer wind, mist, waterstand of ijsgang een overtocht vertraagde.
Bij strenge vorst werd het bijzonder moeilijk. IJs kon de gewone vaarroute blokkeren. Dan werd een ijsvlet gebruikt om mensen of voorraden over ijs en open water te vervoeren. Zulke momenten tonen hoe afhankelijk Wieringen van De Haukes was. De haven was geen romantisch uitstapje, maar een levenslijn die voedsel, nieuws en contact mogelijk maakte wanneer het eiland letterlijk van het vasteland was afgesneden.
De postboot Wieringen — 1911–1926
Aan het begin van de twintigste eeuw kreeg de oude oversteek haar modernste vorm. Voor 1896 werd de verbinding nog met zeilschepen onderhouden. Daarna kwam de petroleummotorboot Posterijen in gebruik. Motorisering maakte de dienst minder afhankelijk van wind en gaf eilandbewoners een regelmatiger verbinding met het vasteland. Toch bleef de route dezelfde levensfunctie vervullen als de oudere veerschuiten en postboten.
Op 24 december 1911 werd een nieuwe motorboot afgeleverd. Het schip was gebouwd op Scheepswerf De Industrie van Dirk en Willem Boot in Alphen aan den Rijn, onder bouwnummer 463. De boot kreeg een Deutz-Bronsmotor van 32 pk en werd Wieringen gedoopt. In 1912 kwam zij in de vaart tussen De Haukes en Van Ewijcksluis en werd zij een vertrouwd onderdeel van het dagelijks verkeer.
De laatste postschipper was Johannes Baijs, die in 1903 het werk van zijn vader Jan Baijs had overgenomen. Passagiers, vee, pakketten en goederen gingen mee. In 1924 veranderde de situatie door de voltooiing van de Amsteldiepdijk. Toen in 1926 een wegverbinding beschikbaar kwam, werd de boot overbodig. Op 12 maart 1926 maakte de Wieringen haar laatste overtocht. Wat eeuwenlang over water moest, ging voortaan over land.
Wier — de groene rijkdom van Wieringen
Een van de opvallendste bedrijfstakken van Wieringen was de wierwinning. Rond het eiland groeiden uitgestrekte velden Groot Zeegras, door Wieringers eenvoudig wier genoemd. Vanuit De Haukes voeren kleine aken en vissersschepen naar wiergronden als Lombok, Stompe, Zuidwal en Lutjewaard. Het werk volgde het seizoen en vroeg ervaring met ondiep water, bodem, getij en de groei van het zeegras.
Mannen gingen met zeisen, haken en netten het water in. Het wier werd gemaaid en opgevangen voordat het wegdreef. Daarna werd het aan boord gebracht. Aan land begon een tweede arbeidsfase. Boerenwagens brachten het wier naar de koog, waar het werd uitgespreid, ververst, opnieuw gedroogd en uiteindelijk geperst. Het werk liep dus van water naar haven, van haven naar land en daarna naar opslag en handel.
Boeren leverden paarden,