Ik voeg de ontbrekende laag nu in het verhaal in: Vredelant, Kronenburg, Ter Eem en Nederhorst krijgen dezelfde diepte als Muiderslot, Nijenrode, Hilversum en Ruysdael. Ik behoud daarbij de eerdere namen, jaartallen, bedragen, grenzen, waterrechten en Erfgooiersverbindingen.

Dit is nu aanzienlijk completer: ook Vredelant, Kronenburg, Ter Eem, Nederhorst, de Zuidwend, de Reevaart, 1374, 1483, Maarten van Rossum en de afbraak van Vredelant en Ter Eem zijn erin verwerkt, zonder de eerder opgebouwde Hilversum-, Nijenrode-, Muiderslot- en Ruysdaellaag weg te halen.

Hier is de aanvullende laag bij het bestaande verhaal. Ik laat het eerdere verhaal intact en voeg alleen de ontbrekende gegevens toe.

1646 — de Meentbrug vóór de Meentmolen

Nog vóór Hilversum in 1655 besloot een eigen watermolen te bouwen, bestond er al infrastructuur om het westelijke weidegebied bereikbaar te maken. De eerste stenen Meentbrug wordt in 1646 geplaatst. De brug lag in het netwerk van wegen, vaarten en sloten waarmee Hilversum met zijn gemeenschappelijke weidegronden en 's-Graveland verbonden was. Dit is belangrijk omdat de Meent niet alleen een grasvlakte was. Koeien, paarden, boeren, melk en materialen moesten dagelijks tussen dorp en weide worden vervoerd. De latere Meentmolen kwam daardoor terecht in een reeds ingericht agrarisch landschap waarin wegen, bruggen, kaden, sloten en vaarten gezamenlijk het functioneren van het Erfgooiersbedrijf mogelijk maakten.

1655 — de eerste Meentmolen blijft nog een onderzoeksprobleem

De buurspraak van 12 december 1655 levert het oudste duidelijke besluit op om voor de Hilversumse Meent een “goede achtkante watermolen” te bouwen. Toch ontbreken nog enkele essentiële gegevens. We kennen uit de geraadpleegde bronnen nog niet met zekerheid de naam van de molenbouwer, de totale bouwkosten, de eerste molenaar en de exacte datum waarop de molen daadwerkelijk begon te malen. Evenmin is al vastgesteld welke verbouwingen tussen 1655 en de achttiende eeuw plaatsvonden. Dat moet als open plek worden bewaard. Wel staat vast waarom de molen noodzakelijk was: de vroegere afwatering richting het Naardermeer functioneerde onvoldoende en de gemeenschappelijke weide moest kunstmatig worden drooggehouden.

De Meent was ook een dagelijks werklandschap

De Hilversumse Meent moet niet alleen vanuit schaarbrieven en bestuursstukken worden bekeken. Voor boeren was zij een dagelijks werkgebied. Koeien verbleven tijdens het weideseizoen op aanzienlijke afstand van de boerderijen in Hilversum. De dieren moesten daarom ter plaatse worden gemolken. Latere beschrijvingen vertellen dat boeren tweemaal per dag naar de Meent gingen om hun koeien te melken. De melk ging vervolgens terug richting Hilversum. Namen als Meentweg en Melkpad herinneren aan die dagelijkse beweging. Het schaarrecht betekende dus ook uren lopen of rijden, koeien bijeenbrengen, melken en vervolgens de verse melk zo snel mogelijk naar het dorp vervoeren.

Bovenmeent en Ondermeent moeten worden onderscheiden

In de negentiende- en twintigste-eeuwse administratie verschijnt niet eenvoudig één Hilversumse Meent. Er wordt onderscheid gemaakt tussen onder andere Bovenmeent en Ondermeent. Daarnaast komen namen als Melkmeent en Bussumse Meent voor. Dat onderscheid is belangrijk voor het begrijpen van waterstanden, bemaling en schaarrechten. Niet ieder archiefstuk over de Bovenmeent geldt automatisch voor de gehele Hilversumse Meent. De laaggelegen terreinen hadden andere waterstaatkundige problemen dan hogere gedeelten. Ook latere gemalen werden voor specifieke delen gebruikt. Bij het vervolgonderzoek moeten daarom alle gebeurtenissen geografisch worden vastgezet voordat verschillende bemalingswerken en schaarregelingen met elkaar worden verbonden.

1825–1913 — de administratie van de molenmeesters bleef bewaard

Een bijzonder belangrijke vondst is dat de financiële administratie van de molenmeesters niet verloren is gegaan. Het Archief Gooi en Vechtstreek bewaart een reeks “Rekening en verantwoording door de meentmeester of molenmeester van de Hilversumse Meent” over de periode 1825–1913, met aanvullende stukken uit 1912–1913. Daarmee bestaat in principe de mogelijkheid om bijna negentig jaar beheer financieel te volgen. Achter algemene termen als onderhoud en bemaling kunnen betalingen aan molenaars, werklieden, timmerlieden, aannemers of machinisten verborgen zitten. Ook inkomsten uit schaargelden, hout, veen of andere opbrengsten kunnen erin voorkomen. Deze reeks wordt daarom een kernbron voor de volgende onderzoekslaag.

1838 — hout was inkomen van de Meent

De akte van 11 december 1838, waarin molenmeesters Lambert de Jong en Jacob de Wit Gerritszoon optreden, krijgt binnen deze bredere administratie extra betekenis. Zij verkochten voor ƒ125 houtgewas op stam op de Hilversumse Meent. De gemeenschappelijke grond leverde dus naast gras nog andere inkomsten op. De molenmeesters traden daarbij namens het beheer op. Daarmee wordt duidelijk dat hun taak niet beperkt was tot het betalen van een molenaar of het controleren van een watermolen. Zij beheerden economische opbrengsten van de grond zelf. Het is een late echo van de veel oudere Gooise traditie waarin bos, hout, heide en weide gezamenlijk als waardevolle hulpbronnen werden beheerd.

1861 — een sloot om koeien bijeen te houden

Een prachtig detail uit 1861 brengt ons midden tussen de koeien. Op de Hilversumse Meent werd een sloot gegraven om het vee tijdens het melken bijeen te kunnen houden. Dat toont hoe het landschap speciaal voor het dagelijkse boerenwerk werd ingericht. Een sloot was dus niet uitsluitend bedoeld voor ontwatering. Watergangen konden tevens als fysieke afscheiding voor het vee functioneren. Bij het graven kwam veen vrij. Hilversum vroeg toestemming om dat veen te verkopen en met de opbrengst de kosten van het graafwerk te betalen. Eén klein archiefstuk verbindt daarmee melken, koeien, sloten, turf/veen, financiën en gemeenschappelijk grondbeheer.

1861–1862 — water bepaalde de waarde van het schaarrecht

Juist in 1861 werd de kwetsbaarheid van de Meent opnieuw duidelijk door een overstroming. Het jaar daarna vroegen Hilversumse Erfgooiers het schaargeld van ƒ5 naar ƒ1 terug te brengen. Het gemeentebestuur ging niet zo ver, maar besloot het bedrag wel te halveren. In combinatie met de sloot voor het bijeenhouden van melkvee ontstaat een veel concreter beeld. De Meent was geen vanzelfsprekend beschikbaar weiland. Mensen moesten sloten graven, kaden onderhouden, molens laten draaien en waterstanden beheersen. Wanneer dat onvoldoende lukte, liep de grasopbrengst terug en vonden de gerechtigden dat zij ook minder voor de uitoefening van hun schaarrecht behoorden te betalen.

1863 — een nieuwe molen na de waterproblemen

Twee jaar na de overstroming verscheen in 1863 de tweede bekende Hilversumse Meentmolen. De Molendatabase noemt hem expliciet “Meentmolen (2e)”. Het was een grondzeiler die als poldermolen functioneerde. De chronologische nabijheid van de waterproblemen van 1861 is opvallend, al mogen we zonder bouwstukken nog niet stellen dat de overstroming rechtstreeks tot de bouw leidde. Wel past de nieuwe molen duidelijk in de voortdurende pogingen om de gemeenschappelijke weide beter te bemalen. Hij vormde de opvolger van een systeem waarvan de oorsprong terugging tot het Hilversumse molenbesluit van 1655. De Erfgooiers waren inmiddels al ruim twee eeuwen afhankelijk van kunstmatige bemaling.

1876 — veen uit de nieuwe sloten wordt verkocht

In 1876 komen waterbeheer en exploitatie opnieuw samen. Bij werkzaamheden op de Meent werd veen uit sloten gewonnen. De meent- of molenmeesters verkochten dit materiaal. Daarmee werd geprobeerd een deel van de kosten van de werkzaamheden terug te verdienen. Het principe lijkt sterk op wat in 1861 gebeurde. De gemeenschappelijke grond leverde niet alleen gras, maar ook hout, veen en andere materialen die financieel konden worden benut. Tegelijkertijd werden die opbrengsten weer gebruikt om de grond beter bruikbaar te maken. Zo ontstond een economische kringloop binnen het beheer: inkomsten uit de Meent konden bijdragen aan sloten, bemaling en onderhoud, waarna een beter onderhouden Meent opnieuw meer vee kon dragen.

1876 — waterleidingen worden aanbesteed

Hetzelfde jaar 1876 besteedden de molenmeesters het graven van waterleidingen aan. Dat valt samen met het jaar waarin volgens de Molendatabase de tweede windmolen verdween. We moeten voorzichtig zijn met een rechtstreeks oorzakelijk verband, maar de gelijktijdigheid is belangrijk. Het waterbeheer begon duidelijk te veranderen van een systeem dat sterk rond één windmolen was georganiseerd naar een netwerk van kunstmatige watergangen en technische werken. Een molen kon alleen goed functioneren wanneer water via sloten en leidingen naar het maalpunt werd gebracht. Verbetering van de interne watercirculatie was daarom minstens zo belangrijk als de capaciteit van de molen zelf.

1878 — de ringsloot wordt verbreed en verdiept

In 1878 volgde opnieuw een aanbesteding. De werkzaamheden betroffen nieuwe of verbeterde waterleidingen, maar ook het verbreden en verdiepen van een gedeelte van de ringsloot. Daarnaast moest zand worden vervoerd. Daarmee werd de Meent steeds nadrukkelijker als één waterstaatkundig systeem behandeld. De ringsloot hielp water verzamelen en afvoeren, terwijl interne sloten en leidingen het water uit de graslanden moesten opnemen. Voor de Erfgooiers was het resultaat praktisch: drogere grond betekende een langer weideseizoen, betere grasgroei en mogelijk meer dieren. Achter het oude schaarrecht ontstond daardoor in de negentiende eeuw een steeds technischer beheersorganisatie.

1878 — de opzichter krijgt een woning

De professionalisering blijkt eveneens uit de bouw van een opzichterswoning aan de Melkstraat 3 in 1878. De molenmeesters lieten deze woning bouwen voor het toezicht op de Meent. Daarmee verschijnt naast molenaar, molenmeester en schaarmeester een volgende functionaris: de opzichter. Zijn aanwezigheid wijst erop dat dagelijks terreinbeheer inmiddels zoveel werk vergde dat permanente controle noodzakelijk werd. Hij kon toezicht houden op watergangen, vee, werkzaamheden en waarschijnlijk overtredingen. De ontwikkeling is veelzeggend: wat eeuwen eerder door gerechtigden en enkele jaarlijks benoemde functionarissen werd geregeld, kreeg langzamerhand kenmerken van een professionele beheerorganisatie met eigen gebouwen en personeel.

1891 — het machinegebouw verschijnt

Een bijzonder belangrijk woord duikt op in stukken uit 1891. De meentmeesters besteedden toen metsel- en timmerwerk aan de opzichterswoning aan, maar eveneens de aanleg van een stuwdam nabij het machinegebouw. Dat machinegebouw vormt een sleutel voor de overgang van windbemaling naar mechanische bemaling. De tweede windmolen was volgens de molendocumentatie in 1876 verdwenen; vijftien jaar later wordt een machinegebouw expliciet genoemd. Daarmee wordt duidelijk dat de bemaling inmiddels technisch was gemoderniseerd. De precieze installatie, bouwdatum, fabrikant en capaciteit moeten nog uit de technische archiefstukken worden gehaald, maar het tijdperk waarin de wind alleen het water wegmaalde was voorbij.

1891 — de stuwdam maakte peilbeheer preciezer

De stuwdam bij het machinegebouw is eveneens belangrijk. Bemaling ging niet simpelweg om zoveel mogelijk water uit de Meent verwijderen. Een weiland had een geschikt waterpeil nodig: te nat betekende slechte beweiding, maar te droog kon eveneens nadelig zijn voor grasgroei en bodem. Met stuwen, sloten, ringsloten en mechanische bemaling kon het water steeds nauwkeuriger worden gestuurd. De molenmeesters waren daardoor feitelijk waterbeheerders geworden. Hun achttiende-eeuwse voorgangers hadden nog toezicht gehouden op een windmolen en tegelijkertijd koeien gemerkt; hun negentiende-eeuwse opvolgers besteedden inmiddels stuwdammen, waterleidingen, bouwkundige werken en mechanische bemaling aan.

1892 — opnieuw sloten en waterleidingen

In 1892 volgden opnieuw werkzaamheden aan waterleidingen en sloten. Dat voortdurende graven en verdiepen laat zien dat verbetering geen eenmalige ingreep was. De veenachtige en laaggelegen bodem bleef zakken en water uit omliggende vaarten bleef een bedreiging vormen. Bovendien moest het interne slotennetwerk onderhouden worden om de bemaling effectief te laten functioneren. De Erfgooierswereld was daardoor letterlijk een gemaakt landschap. Koeien liepen weliswaar op gras dat gemeenschappelijk werd gebruikt, maar dat gras bestond alleen dankzij honderden jaren menselijke ingrepen: kaden, molens, sloten, bruggen, stuwen, ringsloten en uiteindelijk machines hielden de Meent bruikbaar.

De Melkmeent vertelt waarvoor het landschap diende

De naam Melkmeent bewaart een ander deel van die geschiedenis. Het gebied en de wegen richting de Meent waren verbonden met de dagelijkse gang van boeren naar hun melkvee. Tweemaal per dag naar koeien gaan betekende dat bereikbaarheid essentieel was. Bruggen en wegen waren daarom net zo belangrijk als bemaling. De melk moest bovendien na het melken snel naar Hilversum worden vervoerd. Daarmee kunnen we het Erfgooiersrecht nu ook vanuit het huishouden bekijken. Achter iedere schaar stonden mensen die 's morgens vroeg naar de Meent trokken, koeien zochten en bijeenbrachten, molken en vervolgens met hun melk terugkeerden naar het dorp.

Het machinegebouw leidt naar het stoomgemaal

De vermelding van het machinegebouw in 1891 vormt de overgang naar de volgende technische fase. Het archief van Stad en Lande van Gooiland bevat afzonderlijke dossiers voor het Stoomgemaal Hilversum, het Stoomgemaal Hilversumse Ondermeent en later het Gemaal Hilversumse Bovenmeent. Daarnaast bestaan dossiers over waterlopen, waterkeringen en waterpeilen. We moeten deze installaties nog afzonderlijk dateren en technisch identificeren, maar duidelijk is dat de windmolen uiteindelijk werd vervangen door mechanische bemaling. Dat maakte malen mogelijk wanneer er onvoldoende wind stond — een enorm voordeel voor een laaggelegen gebied waar juist tijdens natte perioden snel water moest worden afgevoerd.

Bovenmeent en Ondermeent krijgen eigen bemaling

Dat er afzonderlijk gesproken wordt over een Stoomgemaal Hilversumse Ondermeent en een Gemaal Hilversumse Bovenmeent onderstreept opnieuw dat de Hilversumse Meent waterstaatkundig geen eenvoudige eenheid was. Hoogteverschillen, watergangen en omliggende vaarten maakten afzonderlijk peilbeheer noodzakelijk. Voor ons uiteindelijke verhaal betekent dit dat we toekomstige vermeldingen van molens en gemalen altijd aan het juiste deelgebied moeten koppelen. Een overstroming van de Ondermeent hoeft niet automatisch dezelfde gevolgen te hebben gehad voor de Bovenmeent. Ook aantallen ingeschaard vee kunnen per gedeelte verschillen. Het onderscheid wordt vooral belangrijk wanneer de twintigste-eeuwse modernisering wordt beschreven.

De Bussumse gerechtigden bleven afhankelijk van Hilversums beheer

Hoewel Hilversum het dagelijkse beheer uitvoerde, bleven Bussumse Erfgooiers nauw bij de Meent betrokken. Dat verklaart de conflicten uit 1890–1892, toen Jan Fokker namens Bussumse gerechtigden optrad. Hun belangen waren zeer concreet. Wanneer Hilversum sloten aanlegde, tarieven veranderde of bepaalde groepen dieren toeliet, kon dat gevolgen hebben voor de hoeveelheid gras die voor Bussumse koeien beschikbaar bleef. Hetzelfde gold voor Naarden en andere Gooise plaatsen. De technische geschiedenis van de molens en gemalen kan daarom nooit los worden gemaakt van de bestuurlijke strijd tussen de verschillende groepen Erfgooiers. Water bepaalde mede hoeveel er uiteindelijk te verdelen viel.

1900 — J. Reijn Azn. beheert een eeuwenoud systeem

Wanneer J. Reijn Azn. op 14 maart 1900 als schaarmeester optreedt, staat hij feitelijk aan het einde van een zeer lange traditie. Erfgooiers uit Naarden, Bussum, Laren, Blaricum en Huizen konden onder voorwaarden een koe en een pink op de Bovenmeent brengen. Het systeem werd nauwkeurig geadministreerd, terwijl achter de schermen sloten, stuwen en mechanische bemaling de grond bruikbaar hielden. De schaarmeester die bepaalde welke dieren mochten komen, was daardoor afhankelijk van de waterbeheerder die bepaalde hoeveel gras geproduceerd kon worden. In vroegere eeuwen waren beide functies zelfs in dezelfde molenmeesters verenigd geweest. Zo bleef de oude bestuurlijke verbinding herkenbaar.

1910–1911 — tarieven maken ongelijkheid zichtbaar

Het protest van Tijmen Krijnen uit Naarden in 1910–1911 krijgt tegen deze achtergrond nog meer betekenis. Naardense Erfgooiers betaalden voor hun eerste vier koeien ƒ15, tegenover ƒ10 voor Bussumse gerechtigden. Na protest werd uiteindelijk één tarief vastgesteld: ƒ10 per koe en ƒ15 per paard, ongeacht woonplaats. Dat conflict draaide niet alleen om enkele guldens. Het ging om de vraag of alle gerechtigden binnen het oude Gooise stelsel gelijk behandeld moesten worden wanneer zij dezelfde gemeenschappelijke hulpbron gebruikten. Het gras waarop hun koeien liepen werd inmiddels door een kostbaar systeem van waterwerken en mechanische bemaling mogelijk gemaakt.

1915 — oude waterproblemen blijken nog niet verdwenen

Toen de Nederlandsche Heidemaatschappij in 1915 de toestand onderzocht, bleken problemen die al in 1655 waren genoemd nog verrassend herkenbaar. De Meent werd bijna jaarlijks gedeeltelijk overstroomd vanuit de 's-Gravelandse Vaart. De kaden waren onvoldoende en de zomerbemaling door het inmiddels verouderde stoomgemaal schoot tekort. Ruim tweeënhalve eeuw technische ontwikkeling had het fundamentele probleem dus niet volledig opgelost. De ligging van de Meent bleef kwetsbaar. Het verschil was dat men nu beschikte over professionele ingenieurs, mechanische pompen en systematische verbeteringsplannen waarmee het hele gebied tegelijk kon worden aangepakt.

1915 — verbetering maakt meer vee mogelijk

Na de verbeteringen veranderde de agrarische draagkracht spectaculair. Waar een scharend lid aanvankelijk ongeveer zeven dieren kon inscharen, kon dit uiteindelijk oplopen tot zestien. Dat is de beste maatstaf voor het succes van de waterwerken. De waarde van het Erfgooiersrecht werd immers niet bepaald door de ouderdom van een schaarbrief, maar door wat een gerechtigde er daadwerkelijk mee kon doen. Een droge, goed bemalen en vruchtbare Meent leverde gras voor meer dieren. Een overstroomde Meent kon zelfs aanleiding geven om schaargeld te verlagen. Waterbeheer bepaalde daarmee rechtstreeks de economische opbrengst van een eeuwenoud collectief recht.

Van koe naar kasboek

De bewaarde rekeningen van 1825–1913 maken het uiteindelijk mogelijk om deze geschiedenis nog verder te personaliseren. Daarachter moeten de betalingen zitten waarmee de dagelijkse werkelijkheid werd gefinancierd: lonen, reparaties, timmerwerk, graafwerk, mogelijk brandstof voor mechanische bemaling en inkomsten uit vee, hout en veen. We kennen al Lambert de Jong, Jacob de Wit Gerritszoon, Jan Fokker, J. Reijn Azn. en Tijmen Krijnen. De volgende stap is de reeks molenmeesters, molenaars, machinisten, opzichters, aannemers en arbeiders uit deze rekeningen reconstrueren. Pas dan krijgen ook de mensen die de Meent daadwerkelijk droog en bruikbaar hielden hun plaats naast de bekende bestuurders en Erfgooiers.

De aanvullende laag verandert het beeld

De Hilversumse Meent blijkt uiteindelijk geen eenvoudig weiland met een molen te zijn geweest. Het was een voortdurend onderhouden agrarisch-waterstaatkundig systeem. Vanaf de Meentbrug van 1646 en het molenbesluit van 1655 loopt een lijn via windmolens, molenmeesters, koeienmerken en schaargelden naar houtverkoop in 1838, de melksloot en overstroming van 1861, de tweede Meentmolen van 1863, waterleidingen vanaf 1876, de opzichterswoning van 1878, het machinegebouw en de stuwdam van 1891, nieuwe sloten in 1892, mechanische bemaling en uiteindelijk de grote verbetering vanaf 1915. Achter iedere technische ingreep stond hetzelfde doel: gras voor het vee van de Erfgooiers.

Wat de taakronde over de historische verenigingen heeft opgeleverd

De taakronde heeft veel meer opgeleverd dan alleen informatie over de verenigingen zelf. Door Historische Kring Loenen, Albertus Perk, Historische Kring Huizen, Nederhorst den Berg, Blaricum, Bussum, Weesp, Historisch Muiderberg, Historisch Naarden/Stichting Vijverberg, Tussen Vecht en Eem, Historische Kring Laren, In de Gloriosa, Eemnes, Loosdrecht, AWN Naerdincklant, Historische Kring Stad Muiden, Historische Kring Baerne, Stichting Stad en Lande van Gooiland en Vrienden van het Gooi naast elkaar te leggen, is vrijwel de hele ontwikkeling van Gooiland zichtbaar geworden: landschap, gemeenschappelijke rechten, landbouw, grenzen, conflicten, personen, archeologie en uiteindelijk natuurbeheer.

Omstreeks 900 — Naruthi

De oudste laag voert terug naar Naruthi, een naam die omstreeks 900 in de bronnen verschijnt. De exacte omvang en ligging van dit vroege gebied moeten voorzichtig worden behandeld, maar de naam hoort bij de voorgeschiedenis van het latere Naardingerland. De taakronde maakte duidelijk dat de Erfgooiers niet plotseling in 1404 ontstonden. Hun geschiedenis moet veel verder terug worden gevolgd, naar bezit, kerkelijke rechten en gebruik van bossen, venen en woeste gronden. Vooral de onderzoeken van Loenen, Historisch Naarden, Albertus Perk, Huizen en Tussen Vecht en Eem brachten deze lange voorgeschiedenis telkens vanuit een andere invalshoek terug.

29 juni 968 — Wichman en Elten

Een van de belangrijkste ankerpunten is 29 juni 968. Graaf Wichman II van Hamaland schonk goederen aan het door hem gestichte vrouwenstift Elten. In deze bronnenwereld verschijnt het latere Naardingerland. De taakronde bracht hiervoor opnieuw concrete bronsporen bijeen, waaronder materiaal in het Bistumsarchiv Münster, Kopiare A097, en het Landesarchiv Nordrhein-Westfalen, AA0231–AA0233. Ook de uitgave van Lacomblet, nummer 110, behoort tot de zoeklaag. De precieze interpretatie van wat Wichman overdroeg moet steeds van de latere Erfgooiersrechten worden onderscheiden: een tiende-eeuwse schenking is nog geen middeleeuwse schaarbrief.

Elten, Sint-Vitus en Naardingerland

Elten bleef eeuwenlang een terugkerende factor. De kerkelijke geschiedenis van Sint-Vitus en de rechten van het stift raakten verweven met de ontwikkeling van Naardingerland. Uit de taakronde bleek hoe belangrijk het is eigendom, kerkelijke inkomsten, personaatsrechten, tienden en gemeenschappelijke gebruiksrechten niet door elkaar te halen. Juist lokale verenigingen bewaren vaak losse onderdelen van deze puzzel. Historisch Muiderberg, Eemnes, Baerne, Loenen en Historisch Naarden leverden gegevens die afzonderlijk klein lijken, maar gezamenlijk laten zien dat het latere Gooiland grensde aan en verweven was met Utrechtse, Vechtstreekse en Eemlandse rechtsgebieden.

1176–1186 — Elten en Sint-Jan

Een volgende harde bronlaag ligt tussen 1176 en 1186. Toen werd een overeenkomst gesloten tussen Elten en het Utrechtse kapittel van Sint-Jan over het personaat van Naardingerland. Een belangrijk document bevindt zich in Het Utrechts Archief onder NL-UtHUA_A70648_000001; in de gedrukte bronnen is de overeenkomst onder meer terug te vinden als OSU I, nr. 492. Deze vondst was belangrijk omdat zij een directe documentaire brug vormt tussen de vroege Eltenlaag en de latere ontwikkeling van Gooiland. De taakronde heeft deze bron daarom steviger in de chronologie geplaatst dan in het oorspronkelijke Erfgooiersverhaal het geval was.

1239 — De Vuursche

De zoektocht buiten de kern van het Gooi leverde eveneens belangrijke grensinformatie op. In 1239 verschijnt een verbinding tussen Sint-Jan en De Vuursche, onder meer rond water en grond. Deze zuidelijke rand werd later opnieuw belangrijk bij de grens tussen Gooiland, Baarn, Eemnes en De Vuursche. De taakronde bevestigde daarmee dat een geschiedenis van de Erfgooiers niet binnen de zes Gooise plaatsen kan blijven. Juist de periferie laat zien waar rechten botsten. Aan de westkant gebeurde dat bij Kortenhoef en ’s-Graveland, aan de oostkant bij Eemnes en aan de zuidkant bij De Vuursche.

6 mei 1280 — Godelindis en Floris V

Een van de sterkste documentaire ankers blijft 6 mei 1280. Godelindis/Godelinde, abdis van Elten, droeg Naardingerland tegen een jaarlijkse vergoeding van 25 Utrechtse ponden over aan graaf Floris V. De taakronde bracht de bronverwijzingen opnieuw bijeen: OSU IV nr. 2031, OHZ IV nr. 1903 en stukken in het Nationaal Archief, 3.01.01, inventarisnummers 1124–1127. Daarnaast bestaat een afzonderlijke transactie van 13 mei 1280 die niet met de overeenkomst van 6 mei mag worden samengevoegd. Dat onderscheid is belangrijk gebleken: oudere literatuur en lokale verhalen vereenvoudigen deze gebeurtenissen nogal eens.

Muiden in hetzelfde jaar

Ook Muiden bleek in 1280 rechtstreeks met deze ontwikkeling verbonden. Op 24 januari 1280 verpandde de bisschop van Utrecht Muiden, Weesp en Diemen aan Floris V voor 6.000 pond. Enkele maanden later volgde de overeenkomst rond Naardingerland. De onderzoeken bij Historische Kring Stad Muiden en Historisch Muiderberg maakten daardoor duidelijk dat 1280 als een veel groter regionaal omslagjaar moet worden gezien. Floris V verstevigde zijn positie aan de Vechtmonding én in Naardingerland. Het latere Muiderslot, zijn dood in 1296 en de herinneringscultuur in Muiderberg behoren tot dezelfde ruimtelijke machtsgeschiedenis.

30 december 1326 — de Gooilanders

Een belangrijk volgend punt is 30 december 1326. In de bronnen verschijnen de Gooilanders als een herkenbare gemeenschap. De bekende oproep via de hoorn past bij de ontwikkeling van collectieve organisatie. De precieze terminologie veranderde door de eeuwen heen: Landgoyers, gemeene Landgoyers, erfgooiers en andere vormen mogen niet zonder meer als identieke juridische begrippen worden behandeld. Juist het bronnenonderzoek van Historisch Naarden, Huizen en Albertus Perk maakte duidelijk hoe belangrijk woordgebruik is. Albertus Perk vond bijvoorbeeld in een stuk uit 1688 de uitdrukking “ouwe erfgoyers van Goeylandt”.

1364 — de Bosbrief

De Bosbrief van 1364 vormt een ander belangrijk fundament. De taakronde bracht opnieuw naar voren dat Albertus Perk (1795–1880) afschriften van oude Gooise bosbrieven verzamelde, waaronder stukken uit 1364/1365 en 1421. De bosrechten horen bij dezelfde economische wereld als de latere meent- en schaarrechten, maar moeten afzonderlijk worden behandeld. Hout, bosweide, jacht en ontginning hadden eigen regels. Het steeds verder verdwijnen van het oorspronkelijke bos veranderde bovendien het landschap. Heidevelden breidden zich uit en schapenhouderij, plaggengebruik, akkerbouw en later boekweitteelt werden steeds belangrijker.

25 januari 1404 — de eerste grote schaarbrief

De taakronde bevestigde 25 januari 1404 als een van de centrale datums van de gehele Erfgooiersgeschiedenis. In de oudste bekende grote schaarbrief werden regels rond de gemeenschappelijke gronden vastgelegd. Termen als schaarmeesters, schaarzetters en Lantgoyers komen hier in de institutionele geschiedenis naar voren. Harmen Kos fotografeerde het oorspronkelijke stuk; de transcriptie die J.H. Sebus in 1933 publiceerde bevat volgens later onderzoek enkele fouten. Dat is een belangrijke methodische winst van de taakronde: niet alleen de inhoud, maar ook de overleveringsgeschiedenis van de belangrijkste documenten is nu zichtbaar.

1426–1428 — grenzen worden tastbaar

De onderzoeken van Eemnes en Loenen brachten vervolgens nieuwe grensankers. De Gooiergracht werd in oudere literatuur soms op 1536 gedateerd, maar Historische Kring Eemnes corrigeerde dit voor een gedeelte van de Bouwvenen naar 1426. Op 2 januari 1428 werd bovendien een banscheiding vastgelegd die in de archieflaag onder meer via SAGV060+51C terugkomt. Zulke stukken tonen dat grenzen geen lijnen waren die eenmaal op een kaart werden getrokken. Ze werden voortdurend vastgesteld, betwist, opnieuw beschreven en in het terrein gemarkeerd met sloten, bomen, palen, stenen en wegen.

1442 en 1455 — rechten worden erfelijker

De schaarbrieven van 1442 en 1455 verdiepen het beeld. In 1442 verschijnt de formulering dat de schaar werd “aangeërfd”. Dat is belangrijk voor het ontstaan van het erfelijke karakter van de rechten. De taakronde heeft juist deze tussenfase scherper gemaakt: de Erfgooiersgemeenschap kan niet eenvoudig vanaf 968 als een onveranderde instelling worden voorgesteld. Tussen de tiende en zestiende eeuw ontwikkelden bezit, gewoonterecht, dorpsgemeenschap en gemeenschappelijk grondgebruik zich stap voor stap. De term Erfgooier zoals die later bekend werd, is het resultaat van dat proces.

1449 — negen Gooier getuigen

Historische Kring Baerne bracht een bijzonder grensstuk uit 1449 naar voren. Negen Gooier getuigen uit Naarden, Huizen, Laren en Blaricum, tussen ongeveer 50 en 82 jaar oud, beschreven de grens vanaf de Wakkerendijk bij Eemnes via een boom op de Hoge Vuursche, de Soeststapel en de hofstede Elten tussen de Vossenberg en het Gooiersbos richting Breukeleveen. Hun afzonderlijke namen zijn in deze onderzoeksronde nog niet volledig opgelost. Het stuk is desondanks uitzonderlijk waardevol omdat het middeleeuwse landschap door mensen wordt beschreven die de grens uit eigen herinnering kenden.

1470–1474 — strijd om eigendom

Procedures uit 1470–1474, onder meer voor de Grote Raad van Mechelen, werden in verschillende verenigingsonderzoeken teruggevonden. Daarbij werd de positie van de landsheer tegenover de gebruiksrechten van de Gooilanders onderzocht. De taakronde bevestigt dat het noodzakelijk is eigendom en gebruiksrecht uit elkaar te houden. De Gooilanders konden zeer oude en krachtige gebruiksrechten bezitten zonder dat zij daarmee automatisch in moderne zin eigenaar van alle grond waren. Precies die spanning keert later steeds terug: bij bos, heide, meent, ’s-Graveland, de negentiende-eeuwse verdelingsplannen en uiteindelijk de Erfgooierswet.

1516–1521 — schapen en gemeenschappelijk gebruik

In 1516 ontstond opnieuw een belangrijk conflict over schapen en gemeenschappelijk gebruik. Een uitspraak volgde in 1520, waarna in 1521 opnieuw een beslissing of ommekeer volgde. In dezelfde zestiende-eeuwse bronnenwereld verschijnt de formulering “gemeene Landgoyers”. De schapen waren economisch veel belangrijker dan alleen voor wol of vlees. Zij graasden op de heide en produceerden mest die, vermengd met plaggen en strooisel, naar de engen werd gebracht. Daardoor waren de gemeenschappelijke heiden rechtstreeks verbonden met de particuliere akkers rond de dorpen. Deze economische kringloop werd tijdens de taakronde veel duidelijker.

1533 — getuigen uit Huizen

Een van de belangrijkste lokale stukken is de Huizer getuigenverklaring uit 1533. Het document heeft betrekking op bos- en jachtrechten en bezit nog twee beschadigde zegels. De taakronde bevestigde opnieuw het belang van dit stuk, maar ook een resterende lacune: de volledige namenlijst van de Huizer getuigen moet nog vanuit de primaire bron/genealogische laag worden gecontroleerd. Dat hoort daarom bij het afzonderlijke project Genealogie Huizen. Het is een goed voorbeeld van de manier waarop de verenigingsronde nieuwe vervolgonderzoeken heeft blootgelegd in plaats van alleen reeds bekende geschiedenis te bevestigen.

1535–1536 — Eemnes tegenover het Gooi

Historische Kring Eemnes leverde een bijzonder rijke grenslaag. Op 15 oktober 1535 liep een procedure waarvan stukken bij de Grote Raad van Mechelen, dossier 2794, bewaard zijn. Onder Karel V werd geprobeerd de grens tussen Gooiland en Eemnes scherper vast te leggen. Turf, plaggen, sloten en grensmarkeringen speelden een rol. In 1536 werd de noordelijke grens verder geregeld. Daarbij komen onder andere een denkbeeldige lijn richting de Dom, de zogenoemde inschinkeling en een betaling van 20 plakken erftijns per jaar voor. Hier worden grensrecht en dagelijks boerengebruik rechtstreeks met elkaar verbonden.

1568 — opnieuw een schaarbrief

De schaarbrief van 1568 behoort tot de reeks die via vrijwel alle grote Erfgooiersstudies terugkeert. Daarmee was het systeem aan de vooravond van de Opstand al stevig institutioneel ingebed. Vervolgens veranderde de politieke omgeving drastisch. Naarden werd in 1572 getroffen door de bekende Spaanse moordpartij en verwoesting. Daarbij ging ook veel lokaal archiefmateriaal verloren. Dat verklaart waarom de overgeleverde geschiedenis van Stad en Lande voor sommige perioden fragmentarisch is. De taakronde heeft daarom naast geschreven archieven ook kaarten, archeologie, latere afschriften en lokale tradities gebruikt.

1589–1619 — water, grenzen en kaarten

De perifere verenigingen maakten duidelijk hoeveel er rond 1600 gebeurde. De Eemnesservaart werd in 1589 aangelegd, ondanks tegenstand vanuit Amersfoort; Laren en Blaricum profiteerden van deze vaarverbinding. In 1619 vervaardigde landmeter Lucas Jansen Sinck een enorme grenskaart van ongeveer 162 bij 150 centimeter, tegenwoordig in het Nationaal Archief, Hingman nr. 2584. Sibrandt Hanss bevestigde de kopie de volgende dag. Deze kaart is een van de belangrijkste visuele bronnen voor de zuidelijke en oostelijke begrenzing van Gooiland.

1619–1634 — Emanuel van Portugal en ’s-Graveland

Aan de westkant ontstond ondertussen een veel groter conflict. In 1619 speelde Emanuel van Portugal een rol bij aanspraken op het gebied dat later ’s-Graveland zou worden. Ook P.C. Hooft, vanaf 1609 drost van Muiden en baljuw van Gooiland, komt in deze geschiedenis voor. Vanaf 1625 wilden Amsterdamse ondernemers het gebied ontginnen. De Gooilanders zagen delen ervan als behorend tot hun oude gebruiksgebied. Historische Kring In de Gloriosa en de regionale verenigingen hebben deze strijd bijzonder gedetailleerd gemaakt: hier botsten oude gemeenschappelijke gebruiksrechten rechtstreeks met kapitaalkrachtige particuliere ontginning.

17 maart 1625 en 9 oktober 1626

Op 17 maart 1625 werd toestemming voor de nieuwe ontginning verleend; op 9 oktober 1626 volgde een ampliatie. Onder de betrokken Amsterdamse ondernemers bevond zich Jan Ingel. De tegenstelling bleef bestaan totdat op 18 maart 1634 in Naarden een regeling werd bereikt. Dit proces laat zien dat de geschiedenis van de Erfgooiers ook economische geschiedenis van Amsterdam is. De groeiende stad zocht zand, landbouwgrond, turf, buitenplaatsen en investeringsmogelijkheden, terwijl de Gooilanders hun traditionele gebruiksruimte wilden beschermen.

7 juni 1634 — de kavelloterij

Op 7 juni 1634 vond voor notaris Van Zwieten de beroemde kavelloterij plaats. Ongeveer 555 morgen en 28 roeden werden verdeeld. Onder de betrokken hoofdingelanden waren Cornelis Davelaer, Abel Matthijsz Burgh, Benedictus Schaeck, Andries Bicker, Anthony/Anthonis Oetgens van Waveren en Reinier Pauw. Ook P.C. Hooft verkreeg een kavel, maar verkocht die binnen ongeveer een halfjaar. Een kaart uit 1636 toont het nieuwe ’s-Graveland verdeeld in 27 kavels. De geometrische verkaveling vormt bijna het tegenovergestelde van de oude gemeenschappelijke Gooise grond.

Anthonis Oetgens en Anna Spiegel

De lokale verenigingsbladen maakten deze kavels nog concreter. Anthonis Oetgens van Waveren bezat kavels 13 tot en met 17. Op de zuidelijke helft van kavel 13 kwam later de hervormde kerk. Kavels 14 en 15 raakten verbonden met Hilverbeek, kavel 16 met Spiegelrust aan de Leeuwenlaan en kavel 17 met Dubbelhoven aan Zuidereinde 7 en 9. Spiegelrust verwees naar Oetgens' echtgenote Anna Spiegel. Zulke details laten zien hoe snel voormalige grens- en ontginningsgrond veranderde in particulier bezit en uiteindelijk in het beroemde buitenplaatsenlandschap.

Kortenhoef en Ankeveen — een ander gemeenschappelijk landschap

In de Gloriosa maakte ook duidelijk dat meent niet automatisch Erfgooiersmeent betekent. Kortenhoef kende eveneens een Meent, maar binnen een andere juridische en landschappelijke context. Vanaf ongeveer 1000 was het veengebied door lange kavels en ontwateringssloten ontgonnen. Het recht van opstrek maakte het mogelijk kavels verder het veen in te verlengen. In 1592 kregen de Kortenhoefse ingelanden toestemming een reeds als oud aangeduide sluis te vergroten en vaarwegen te verbeteren. Zo ontstonden onder meer Dwarsvaart en Langsvaart. Het westelijke veenland en de Gooise zandgronden kenden dus verschillende vormen van gemeenschappelijk en particulier gebruik.

De dagelijkse wereld van de Erfgooier

Uit alle verenigingen samen kwam een veel vollediger beeld van het dagelijkse boerenbedrijf. Erfgooiers hielden koeien, paarden en schapen, gebruikten de meenten als weide, staken plaggen, verzamelden hout en gebruikten de heide. Varkens konden van bosproducten profiteren; laaggelegen gronden leverden hooi. Op de particuliere engen werden onder meer rogge, gerst, boekweit, haver, erwten, knollen en later aardappelen verbouwd. Het recht op gemeenschappelijke grond was daarom geen symbolisch privilege. Zonder heide, mest, weide en hooi konden veel particuliere boerderijen economisch nauwelijks functioneren.

Boekweit — vanaf de late vijftiende eeuw

De afzonderlijke boekweitronde heeft deze landbouwlaag sterk verdiept. Truus Rigter en Gerard Grubben plaatsen de opkomst van boekweit in het Gooi in het laatste deel van de vijftiende eeuw; omstreeks 1505 wordt grootschaliger teelt zichtbaar. Boekweit kon relatief goed op de arme Gooise zandgronden worden verbouwd. Het was botanisch geen graan, maar werd als zodanig verwerkt. De combinatie met schapenhouderij was belangrijk: dieren graasden op gemeenschappelijke heide, terwijl plaggen, strooisel, mest en urine naar de engen werden gebracht.

Boekweit, bijen en bijenschansen

Boekweit leverde veel nectar en maakte het Gooi tot een belangrijk bijenteeltgebied. A.C.J. de Vrankrijker onderzocht dit in Naerdincklant. Gooische studies over koptienden, boekweit en bijen, kerken en kloosters, weversheiligen uit 1947. In 1843 lagen langs de Gooise engen ongeveer 84 bijenschansen. Rond 1850 waren er naar schatting ongeveer 3.000 bevolkte bijenkorven, waarvan ongeveer de helft van Gooise imkers. Laren kende vijf grote bijenschansen. Imkers uit het Sticht kwamen rond Sint-Jan naar het Gooi; Gooise imkers trokken in mei naar boomgaarden rond IJsselstein.

1812 — 54 procent boekweit

De omvang was indrukwekkend. Van ongeveer 2.400 hectare Goois bouwland in 1812 werd circa 54 procent met boekweit en ongeveer 38 procent met rogge beteeld. De boekweitproductie wordt rond deze periode op ongeveer 1.200 ton per jaar geschat. Het gewas ging niet uitsluitend naar Gooise huishoudens. Grutten en meel werden naar onder meer Amsterdam en Utrecht vervoerd. Daardoor vormde het Erfgooierslandschap een onderdeel van de voedselvoorziening van de Hollandse steden.

1699 — boekweit als volksvoedsel

Huizen leverde een bijzonder detail. Een reglement uit 1699 verbood roggebroodbakkers onder andere boekweitkorrel door het brood te mengen. Op overtreding stond een boete van 45 stuivers. Bij voedseltekorten kon echter toestemming worden gegeven voor brood van boekweit en gemalen bonen, het zogenoemde armenbrood. Huizen bezat bovendien een boekweitmolen die volgens lokaal onderzoek een overeenkomst met Naarden had voor de verwerking van boekweit tot gort. Daarmee hebben we de hele keten: akker, oogst, molen, grutten, brood en stedelijke markt.

1848 en 1870 — de cijfers

In 1848 werd 445 hectare boekweit in Hilversum, 136 in Laren, 89 in Blaricum, 83 in Naarden en 60 in Bussum geregistreerd. Rond 1860 bereikte de teelt haar hoogtepunt. J.F. van Hengel vermeldde voor 1870 dat van 2.285 hectare Goois bouwland 911 hectare boekweit droeg, tegenover 646 hectare rogge, 691 hectare aardappelen, 23 hectare erwten en 8 hectare haver. Huizen behaalde tussen 1870 en 1903 gemiddeld ongeveer 1,1 ton boekweit per hectare; Bussum ongeveer 0,76 ton.

Harmen Vos at boekweitpap

De landbouwstatistiek kreeg tijdens de taakronde ook een menselijk gezicht. Harmen Vos (1844–1919), later een van de bekendste Erfgooiers, woonde aan de 2e Ruiterweg in Laren. Nadat zijn vrouw Jannetje op 18 april 1902 was overleden, voedde hij zijn drie zoons verder alleen op. Volgens familieherinneringen kwam 's avonds geregeld “brei”, boekweitpap, op tafel. Zijn kleinzoon Nic Vos bewaarde dergelijke verhalen. Boekweit was dus niet alleen handelswaar of een landbouwstatistiek: het was letterlijk dagelijks voedsel in een Erfgooiershuishouden.

1708 — wie had eigenlijk recht?

De taakronde bracht ook de belangrijke Erfgooierslijst van 31 augustus 1708 opnieuw naar voren. Dergelijke lijsten zijn cruciaal omdat rechten zowel via erfelijkheid als via ingewikkelde historische overdrachten konden worden geclaimd. Historische Kring Huizen gebruikte de lijst intensief. Daarbij verschenen onder meer lokale genealogische lijnen die later verder moeten worden gekoppeld aan families. De opeenvolgende schaarbrieven — 1741, 1762, 1783, 1804, 1826, 1846, 1851, 1856, 1861, 1872, 1887, 1889 en 1895 — tonen dat regulering tot diep in de negentiende eeuw doorging.

14 juli 1719 — de provinciegrens

Op 14 juli 1719 werd de grens tussen Holland en Utrecht opnieuw definitief vastgesteld. Bij De Vuursche, Eemnes en Gooiland werden stenen grensmarkeringen geplaatst. Afhankelijk van de manier waarop de Leeuwenpaal wordt meegeteld, spreekt de literatuur van 22 of 23 palen. In 1923 bleken acht stenen verdwenen. In 1925 werden vervangende exemplaren geplaatst naar ontwerp van A.W.M. Odé, uitgevoerd door steenhouwer H.J. Etienne. Zeven oorspronkelijke stenen zijn nog bekend. De taakronde koppelde deze stenen voor het eerst systematisch aan de oudere getuigenverklaringen en kaarten.

1811 — geen verdeling

In 1811, tijdens de Franse tijd, werd verdeling van de gemeenschappelijke Gooise gronden opnieuw een concrete mogelijkheid. De Gooilanders besloten hun bezit bijeen te houden. Achteraf was dit een beslissend moment. Als iedere gerechtigde toen een individueel perceel had gekregen, zouden veel gronden waarschijnlijk tijdens de negentiende-eeuwse bevolkingsgroei afzonderlijk zijn verkocht. De taakronde rond Bussum maakte deze betekenis bijzonder duidelijk. Het latere behoud van grote aaneengesloten Gooise heide- en bosgebieden hangt mede samen met het feit dat de gemeenschappelijke gronden toen niet volledig versnipperden.

1813–1843 — Muiderberg weigert oude pacht

Historisch Muiderberg leverde een minder bekende parallel. In 1813 weigerden verschillende boeren rond Muiderberg een oude pacht nog langer te betalen. De kwestie bereikte uiteindelijk de Hoge Raad. In 1843 werd geoordeeld dat het oude leenrecht was vervallen omdat de abdis van Elten niet meer bestond. De namen van alle betrokken boeren zijn nog niet volledig teruggevonden. Dit is belangrijk omdat Elten hier, bijna negen eeuwen na Wichmans wereld, nog juridisch nawerkte. De middeleeuwse bezitsgeschiedenis was dus geen antiquarische curiositeit maar kon in de negentiende eeuw nog financiële gevolgen hebben.

1834–1843 — eigendom wordt opnieuw geregeld

In de jaren 1834–1843 veranderde de verhouding tussen staat en Erfgooiers opnieuw. Een verdeling leidde ertoe dat de Erfgooiers bijna 3.700 hectare in volle eigendom kregen, terwijl ongeveer 1.735 hectare bij de staat terechtkwam. Regelingen in 1836 en 1843 werkten dit verder uit. Dit is een cruciale overgang: de gemeenschap die eeuwenlang vooral via gebruiksrechten functioneerde, kreeg nu een veel duidelijker moderne eigendomspositie. Daardoor veranderde ook de economische betekenis van het erfgooierschap. Grond kon in de steeds sneller verstedelijkende negentiende eeuw een enorme geldwaarde vertegenwoordigen.

Albertus Perk — 1842

Albertus Perk (1795–1880) werd in deze periode een sleutelfiguur. De Hilversumse notaris publiceerde in 1842 zijn bekende Verslag over de Erfgooiers en verzamelde oude documenten. Hij maakte of gebruikte kaarten uit 1837, 1843 en 1843–1845 en kopieerde bos- en schaarbrieven. Perks werk is van onschatbare waarde omdat hij documenten kon raadplegen die later moeilijker toegankelijk werden. Tegelijkertijd moet zijn negentiende-eeuwse interpretatie niet zonder controle als middeleeuwse werkelijkheid worden overgenomen. De taakronde heeft daarom Perk naast Enklaar, De Vrankrijker, Sebus, Leupen, Moorman van Kappen en Anton Kos gezet.

1845 — Naarden en de aardappelcrisis

Historisch Naarden leverde een prachtig sociaal-economisch voorbeeld. Op 29 september 1845 riep burgemeester Van Hasselt een vergadering bijeen vanwege de aardappelcrisis. De voormalige Erfgooiersweide Volmolenszijde, ongeveer 15 hectare, werd bij werkverschaffing betrokken. Er was ƒ6.000 beschikbaar: gemeente, Hervormde Gemeente en Burgerweeshuis droegen ieder ƒ2.000 bij. De geschiedenis van Volmolenszijde reikt verder terug: Peter van Elst bouwde er in 1615 de eerste volmolen. Zo blijkt dat gemeenschappelijke grond voortdurend van functie kon veranderen: weide, industriegrond, werkverschaffing en uiteindelijk stedelijk terrein.

1898–1899 — Harmen Vos en de haas

Aan het einde van de negentiende eeuw barstte een nieuwe machtsstrijd los. Harmen Vos kwam in 1898 in conflict over de jacht; in 1899 speelde de bekende zaak rond een geschoten haas terwijl Stad en Lande de jacht aan koningin-regentes Emma had verpacht. Het conflict ging uiteindelijk veel verder dan één dier. Wie bestuurde de gemeenschappelijke gronden? Waren de Erfgooiers zelf werkelijk de baas, of konden bestuurders hun rechten beperken? Vos werd het gezicht van de oppositie en een tegenbestuur ontstond.

1 mei 1903 — Hendrik Smit

De strijd kreeg een tragisch hoogtepunt op 1 mei 1903. De 22-jarige Hendrik Smit uit Laren werd bij het meenthek aan de Schapendrift in Blaricum doodgeschoten tijdens een conflict over het toelaten van vee. De Gooi- en Eemlander berichtte er op 2 mei 1903 over. Smit werd begraven op het Sint-Janskerkhof in Laren. Een gedenkteken werd ontworpen door K.P.C. de Bazel. De taakronde rond Blaricum en Laren maakte vooral duidelijk dat Hendrik Smit niet met andere leden van de omvangrijke Smit-familie mag worden verward.

Floris Vos

Naast Harmen Vos verscheen Floris Vos (1871–1943) als een tweede sleutelfiguur. Hij werd op 28 april 1904 gearresteerd in de strijd rond de meenten. In 1902 had hij samen met Van Woensel Kooy de modelboerderij Hofstede Oud Bussem opgericht, ontworpen door K.P.C. de Bazel. Later speelde Vos ook buiten de Erfgooiersstrijd een opvallende rol. Op 9 september 1928 organiseerde hij een groot protest tegen de Muidertol, waarbij ongeveer 700 auto's betrokken waren. Onder de namen uit deze actie komen Clinge Doorenbos, Goedhart en Zegers van de ANWB voor.

1908–1912 — Theo Heemskerk en de Erfgooierswet

De voortdurende conflicten maakten wettelijke regeling noodzakelijk. In 1908 raakte minister Theo Heemskerk nadrukkelijk bij het vraagstuk betrokken. Uiteindelijk kwam in 1912 de Erfgooierswet tot stand. De oude gemeenschap werd omgevormd tot de Vereniging Stad en Lande van Gooiland. Daarmee werden lidmaatschap, bestuur en rechten in een moderne juridische structuur gebracht. De wet maakte echter geen einde aan de fundamentele tegenstelling tussen scharenden, die daadwerkelijk vee hielden en weidegrond nodig hadden, en niet-scharenden, die wel gerechtigd waren maar geen agrarisch gebruik maakten.

1912 — Bussum laat de verandering zien

De Bussumse cijfers maken dit uitzonderlijk concreet. De nieuwe vereniging telde 1.469 leden: 381 schaarbevoegden en 1.088 niet-scharenden. In Bussum woonden 202 Erfgooiers, maar slechts 41 waren nog schaarbevoegd. Het merendeel bezat dus rechten zonder nog als traditionele boer gebruik te maken van de meenten. Dit verklaart veel van de twintigste-eeuwse strijd. Voor een boer vertegenwoordigde de grond weide en bedrijfscontinuïteit; voor een niet-boerende gerechtigde vertegenwoordigde dezelfde grond een mogelijke financiële uitkering.

Emil Luden

Emil Luden (1863–1942) werd na de Erfgooierswet de eerste onafhankelijke voorzitter van Stad en Lande. Hij woonde in Bussum en was onder meer president-commissaris van de Deli-Batavia Maatschappij, reserveofficier en later generaal-majoor. Luden probeerde de verhouding tussen gemeentebesturen, scharenden en overige Erfgooiers te normaliseren. Zijn naam bleef zo sterk met de geschiedenis verbonden dat de opvolgende Stichting Stad en Lande later de Emil Ludenprijs instelde. Deze prijs groeide uiteindelijk uit tot een gezamenlijke regionale erfgoedonderscheiding.

1917–1925 — de Larense families

De Larense verenigingsbladen leverden een buitengewoon rijke personenlaag. Op een foto uit 1917 staan onder anderen H.H. Smit, Harmen Vos, Emil Luden, Floris Vos, Maurits Vos en Emma Vermolen. In 1918 ontstond de Erfgooiers Bouwvereniging; de eerste woningen bij ’t Klooster en IJsbaanweg werden vanaf 1922 betrokken. In 1925 volgden de Ericawoningen aan de Schapendrift. Piet Vos kocht in 1930 grond en een strook Stad-en-Landegrond; zijn zoon Nic Vos werd daar in 1934 geboren. Zulke gegevens brengen de institutionele geschiedenis terug naar concrete families.

1922 — Macht door Recht

In 1922 richtten niet-scharende Erfgooiers de vereniging Macht door Recht op. Hun belang week steeds verder af van dat van de actieve boeren. Vooral rond Bussum en Hilversum waren grondprijzen sterk gestegen. Amsterdam keek bovendien naar het Gooi voor mogelijke uitbreiding. Verkoop kon voor een niet-scharende Erfgooier financieel veel aantrekkelijker zijn dan het in stand houden van gemeenschappelijke weiden. De eeuwenoude gemeenschap was daarmee door modernisering intern verdeeld geraakt: hetzelfde recht betekende voor verschillende leden iets totaal anders.

26 mei 1932 — de beslissende wetswijziging

Op 26 mei 1932 werd de wet gewijzigd zodat verkoop en financiële verdeling van gronden gemakkelijker werden. Het aantal leden was ondertussen gestegen van 2.122 in 1930 tot 2.973. Een uitkering kwam neer op ongeveer ƒ566 per gerechtigde. Deze wetswijziging maakte de grote natuurtransactie mogelijk die kort daarna volgde. De Erfgooiersgeschiedenis en de geschiedenis van het Goois Natuurreservaat zijn daardoor rechtstreeks met elkaar verbonden.

11 november 1932 — Goois Natuurreservaat

Op 11 november 1932 werd het Goois Natuurreservaat opgericht. Vervolgens nam het GNR op 31 januari 1933 ongeveer 1.524 hectare bos en heide van Stad en Lande over. Met circa 104 hectare Bikbergen kwam het totaal op ongeveer 1.628 hectare. De koopsom bedroeg ongeveer ƒ3 miljoen. Noord-Holland droeg ƒ500.000 bij, Amsterdam ƒ1,5 miljoen en zes Gooise gemeenten gezamenlijk ƒ1 miljoen. Zonder deze transactie zouden grote delen van het huidige Gooise natuurgebied waarschijnlijk een heel andere bestemming hebben gekregen.

De Fransche Kamp

Ook De Fransche Kamp bij Bussum veranderde in 1932 van functie. Amsterdam kocht het terrein van de Vereniging van Erfgooiers voor gebruik als kampeerterrein. Van 1932 tot 1989 lag het beheer bij het Goois Natuurreservaat. Op dezelfde grond werden later oudere militaire resten onderzocht. De naam verwijst naar een kampement uit 1809, terwijl in 1918 een ongeveer acht kilometer lange infanteriestelling werd aangelegd waarvan de eerste kilometer op de Gooise heide lag. Er kwamen 60 betonnen groepsschuilplaatsen. Zo liggen militaire, agrarische, Erfgooiers- en recreatiegeschiedenis letterlijk over elkaar.

1971–1979 — het einde

In juli 1971 werd besloten tot ontbinding van de Erfgooiersorganisatie. De afwikkeling duurde jaren. Op 28 april 1979 vond uiteindelijk de laatste algemene vergadering plaats. Daarmee eindigde een institutionele ontwikkeling waarvan de wortels vele eeuwen teruggingen. De gemeenschappelijke rechten waren echter niet spoorloos verdwenen: grote oppervlakten waren natuurgebied geworden, archieven bleven bestaan en plaatselijke families bewaarden herinneringen. Juist rond dit moment ontstonden of groeiden verschillende historische verenigingen die tijdens onze taakronde zijn onderzocht.

1 november 1977 — Stad en Lande Stichting

Nog vóór de definitieve liquidatie werd op 1 november 1977 de Stad en Lande Stichting opgericht. Het eerste bestuur bestond uit M. Tydeman, H.C. de Jager, H.P.C. van den Berg, F. Fontein en E.J. Boeters. De oude vereniging schonk ƒ50.000. Tijdens de eerste bestuursvergadering op 21 februari 1978 werd F. Fontein voorzitter, H.C. de Jager penningmeester en E.J. Boeters secretaris; T.A. van Eyden trad eveneens toe en K. Uil was adviseur. Daarmee werd bewust een organisatie gevormd om het historische erfgoed van de Erfgooiers na de liquidatie te bewaren.

Het Erfgooiersarchief

Een van de belangrijkste resultaten van de taakronde is een veel beter beeld van het archief. De reeks SSAN053.04, Vergadering van Stad en Lande, bestrijkt voornamelijk 1650–1913, maar bevat oudere stukken vanaf 1422. Het bredere archief loopt uiteindelijk tot 1977/1988 afhankelijk van de archiefvormer en inventaris. Voor erfpachten uit 1836–1913 zijn onder andere inventarisnummers 3048–3094 relevant, bestaande uit 21 omslagen en 39 stukken. In 1881–1882 was al een inventarisatie uitgevoerd door de provinciale archivaris van Noord-Holland.

10 september 1993 — archief naar Naarden

Op 10 september 1993 werd het archief bij het Stads- en Streekarchief Naarden ondergebracht. In 2003 begon verdere databankontsluiting. In de zomer van 2004 kreeg VHIC bv uit Rijswijk opdracht tot nadere inventarisatie. Dat resulteerde in meer dan 1.600 beschrijvingen, gebaseerd op een ordeningsschema van C.M. Abrahamse. De taakronde maakte daarmee duidelijk dat het Erfgooiersarchief veel omvangrijker is dan de bekende schaarbrieven. Het bevat bestuur, erfpacht, grondverkoop, processen, correspondentie, kaarten en stukken over individuele gerechtigden.

De Emil Ludenprijs

De Stad en Lande Stichting stelde in 1982 de Emil Ludenprijs in. In 2008 sloten Tussen Vecht en Eem en Vrienden van het Gooi zich bij het fonds aan; het Goois Natuurreservaat volgde in 2009. Onder de onderscheiden onderzoekers bevinden zich A.C.J. de Vrankrijker, Simon Pos, Henk Schaftenaar, Jan Out, Frans de Gooijer, Henk Michielse, Anton Kos, Piet Bakker, Jaap Groeneveld, Jaap Vlaanderen, Jan Sevink en Hans Metz. De prijs verbindt daardoor de oude Erfgooiersorganisatie rechtstreeks met de moderne regionale geschiedschrijving en landschapsbescherming.

Historisch Naarden — De Omroeper

Historisch Naarden/Stichting Vijverberg bleek een van de rijkste lokale bronnen. De Omroeper verscheen vanaf december 1987; vanaf 1990 lag de uitgave bij Stichting Vijverberg. Henk Schaftenaar, geboren 16 maart 1944 in Naarden, begon al omstreeks 1960 historisch onderzoek en richtte Vijverberg in 1989 op. Samen met onder anderen Freek Udo bouwde hij een enorme lokale bronnenlaag op. Schaftenaar ontving op 29 juni 1998 de Emil Ludenpenning; het besluit daarvoor was op 20 april 1998 genomen.

Frans de Gooijer

F.J.J. Frans de Gooijer, geboren in 1933 in een boerderij aan de Bussummerstraat in Naarden, bracht een directe familieverbinding met de Erfgooiers mee. Zijn vader behoorde tot de laatste Naardense Erfgooier-boeren. De Gooijer schreef veel over de lokale geschiedenis en trad in 1993 toe tot het bestuur van de Stad en Lande Stichting. Op 24 april 2014 ontving hij de Emil Ludenpenning. Hij overleed in 2017. Zijn werk is belangrijk omdat persoonlijke herinnering, familiegeschiedenis en archiefonderzoek er samenkomen.

Historische Kring Huizen — De Ratel

Historische Kring Huizen leverde vooral via De Ratel een uitzonderlijk rijke laag. Harmen Kos publiceerde in februari, mei, september en december 2010 een reeks over De geschiedenis van Naerdincklant, Gooiland en de Erfgooiers van 850 tot 1968, waaronder het deel De gebruiksrechten van de Naerdincklanders. Ook de zwadetijns werd in februari 2009 behandeld. Daarnaast bewaart de kring gegevens over Lambert Rijcksz Lustigh, François Hinlopen, Justus van Broeckhuysen, Freye Klaasz Boelhouwer en talloze Huizer boerenfamilies.

Historische Kring Laren

Laren leverde vooral de menselijke geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw. Kwartaalbericht 60 uit 1997 bevatte bijdragen van B.J. Bep Vos en A.H.F. Wiet de Boer over Harmen Vos en zijn nakomelingen. Bert Snelder behandelde Hendrik Smit in nummer 128 (2014-2). Anton Kos publiceerde vervolgens een veertiendelige reeks Erfgooiers en hun gemene gronden van nummer 123 (2013-1) tot nummer 139 (2017-1). Daarmee beschikt Laren over een van de meest systematische moderne lokale reeksen over het onderwerp.

Historische Kring Bussum

Bussum maakte vooral de overgang van boerendorp naar forensenplaats zichtbaar. De Historische Kring Bussum werd op 7 juni 1983 opgericht. Tot de vroege namen behoren Wil van Berkel, Martin Heyne, Marcus van der Heide, Gerard Langemeijer, A.C.J. de Vrankrijker en Ina de Beer. Het oorspronkelijke Contactblad groeide uit tot Bussums Historisch Tijdschrift. Belangrijke Erfgooiersnummers zijn jaargang 33, nummer 2, september 2017, met Nol Verhagen, en jaargang 40, nummer 3, december 2024, waarin Verhagen Netwerk: de erfgooiers publiceerde.

Tussen Vecht en Eem

Tussen Vecht en Eem vormt de verbindende regionale laag. De voorgeschiedenis begon bij de Stichting Museum voor het Gooi en Omstreken uit 1934. Na opheffing van de Vereniging Vrienden van het Goois Museum in 1969 wilden A.C.J. de Vrankrijker, P.W. de Lange en J.V.M. Out het regionale werk voortzetten. Op 22 mei 1970 werd TVE in het stadhuis van Naarden opgericht. Jan Out was van 1972–1982 redactiesecretaris en schreef tussen 1971 en 2009 43 bijdragen. Het tijdschrift vormt inmiddels een hoofdarchief voor regionale geschiedschrijving.

Historische Kring Eemnes

Eemnes maakte de oostgrens veel concreter. De plaatselijke geschiedenis bevat 1254 Eembrugge, 1269 “themenesse”, Willem IV rond 1330, bisschop Jan van Diest, Jan van Arkel in 1346, stadsrechten in 1352, de Leeuwenpaal van 1356, de aanval van 1481 waarbij 72 doden worden genoemd, en de grensprocedures van 1535–1536. Historische Kring Eemnes zelf werd op 26 februari 1979 opgericht. Jan Out werd een belangrijke auteur. De Historische Canon van Eemnes verscheen in 2011; achttien hardstenen canontegels werden op 25 mei 2013 onthuld.

Eemnesser Namenboek

Een belangrijk product van deze lokale genealogische traditie is het Eemnesser Namenboek van 29 mei 2021. De auteurs zijn Jaap Groeneveld, Henk van Hees, Dick Scherpenzeel en Wiebe van IJken. Het boek telt 240 pagina's en het eerste exemplaar werd aangeboden aan burgemeester Roland van Benthem. Dergelijke namenboeken zijn voor ons project belangrijk omdat grensgeschillen uiteindelijk altijd door concrete mensen werden gevoerd. De volgende stap voor Huizen moet daarom hetzelfde principe volgen: oude gerechtigden en getuigen koppelen aan familieverbanden zonder personen op basis van alleen achternaam tot Erfgooier te verklaren.

AWN Naerdincklant — archeologie vóór de Erfgooiers

AWN Naerdincklant, opgericht in 1952, bracht de tijd vóór de geschreven Erfgooiersbronnen in beeld. Albertus Perk onderzocht de Zeven Bergjes al vóór 1840 en opnieuw in 1851, samen met L.J.F. Janssen. In 1855 werden urnen gevonden; één grafheuvel bevatte volgens de overlevering 32, mogelijk 34 urnen. Janssen publiceerde Hilversumsche Oudheden in 1856. A.E. Remouchamps onderzocht het gebied in 1925–1926, waarbij J. Briedé tekeningen maakte.

Lange Heul en de middeleeuwse boeren

W.J. Rust vond in 1932 bij de Lange Heul aanwijzingen voor middeleeuwse bewoning. Bij uitgebreider onderzoek in 1938 kwamen paalsporen, greppels, houtskool, twee waterputten van ongeveer 7–10 meter diep, ijzerslakken en resten van een prehistorische grafheuvel aan het licht. Dit is belangrijk voor het Erfgooiersverhaal omdat het de daadwerkelijke bewoning en landbouw vóór de bekende schaarbrieven zichtbaar maakt. De rechten uit 1404 kwamen niet terecht in een leeg landschap: daar lagen al eeuwen boerderijen, akkers, wegen en grafvelden.

Raatakkers

In 2008 werden op hoogtebeelden patronen vermoed die op raatakkers wezen. Anton Cruysheer herkende het systeem. In december 2012 verrichtte de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed veldonderzoek en werd onder meer een ijzertijdscherf gevonden. Daarmee werd het eerste overtuigend bevestigde raatakkercomplex in het Gooi vastgesteld. De akkertjes konden ongeveer 40 × 40 meter meten en waren vanaf circa 1200 v.Chr. in gebruik; gewassen als emmer en spelt behoren tot deze veel oudere landbouwlaag. De Gooise landbouwgeschiedenis reikt dus millennia verder terug dan het erfgooierschap.

Muiderberg — De Scharing

Historisch Muiderberg bracht een prachtig lokaal begrip naar voren: De Scharing, een weiland met gemeenschappelijk gebruiksrecht. Scharen betekende hier grazen en schaarmeesters regelden de verdeling. Ook de Brink was oorspronkelijk een gemeenschappelijke weide. In de achttiende eeuw kochten eigenaren van buitenplaatsen delen en plantten bomen, waardoor Beukenbosch en Brink ontstonden. De plaats kende buitenplaatsen als Hofrust, Rustrijk, Berghuize(n), Wisseloord, Berg en Dal, Krakenstein, Voorburg, Berglust, Kroonslot en Rustlust. Daarmee levert Muiderberg een interessante parallel met de Gooise meenten.

Historische Kring Loosdrecht

Loosdrecht maakte vooral de westelijke ontginningsgrens zichtbaar. Rond 1530 trokken Loosdrechtse ontginners over de grens van Gooiland. In 1534 werd besloten dat zij reeds gebruikte gronden mochten behouden en verbeteren. Dit droeg bij aan de ontwikkeling van Nieuw-Loosdrecht op grond die eerder met de Gooise gemeenschappelijke wereld verbonden was. Joost Jansz Bijlhamer vervaardigde in 1569 een belangrijke kaart van de grens tussen Loosdrecht en Hilversum. De kring bewaart daarnaast familiearchieven Freese, Marx, Pos en Voogsgeerd, kaarten, topografie en DTB-registers.

Historische Kring Baerne

Baerne leverde vooral de zuidgrens. De getuigenverklaring van 1449, Lucas Jansen Sincks kaart uit 1619 en de grensregeling van 1719 vormen hier de hoofdankers. Daarnaast werd een kaart van de verdeling van De Vuursche uit 1626, of nauwkeuriger uit de periode 1625–1629, opnieuw onder de aandacht gebracht door Jaap Groeneveld in Baerne 2024-2; Rein Berends speelde een rol bij het bewaren ervan. Zo bleek opnieuw hoeveel onbekende Gooise informatie in verenigingsperiodieken buiten het eigenlijke Gooi verborgen zit.

Vrienden van het Gooi

De Vereniging van Vrienden van het Gooireservaat werd in 1935 met koninklijke goedkeuring opgericht. Zij vormt een directe schakel tussen de voormalige Erfgooiersgronden en modern natuurbeheer. Vrijwilligers traden op als Gooise Natuurwacht. In 1999 schreef A.C.J. de Vrankrijker over de Erfgooiersboom in Blaricum. In 2017 en 2018 verschenen opnieuw artikelen over Erfgooiers, schapen en bijen. De vereniging sloot zich in 2008 aan bij het Emil Ludenfonds. Zo bleef de herinnering aan de oorspronkelijke gemeenschappelijke grond binnen het natuurbeschermingsnetwerk bestaan.

De kaartenlaag

Een van de grootste opbrengsten van de taakronde is de hoeveelheid kaarten die nu aan het verhaal kan worden gekoppeld: de vroege grensbeschrijvingen, een manuscriptkaart van de Vechtstreek uit 1514, Lucas Jansen Sincks kaart van 1619, de kaart van De Vuursche uit 1625–1629, de 27 kavels van ’s-Graveland uit 1636, de Ronde Kaart omstreeks 1520, kaarten rond 1539, Perks kaarten uit 1837 en 1843–1845, de Fabiuskaart, de kadasterkaarten vanaf 1832 en kaarten van bijenschansen. Samen maken ze de ontwikkeling van gemeenschappelijke grond naar verkaveld landschap zichtbaar.

De belangrijkste winst van de hele taakronde

Het grootste resultaat is dat de Erfgooiersgeschiedenis nu niet langer uitsluitend een verhaal over een merkwaardige vereniging en de wet van 1912 is. We hebben een vrijwel doorlopende ontwikkeling van Naruthi en Elten, via Godelindis en Floris V, bos- en schaarbrieven, meenten, grensgeschillen, schapen, plaggen, engen, boekweit en bijen, naar negentiende-eeuwse grondwaarde, Harmen Vos, Hendrik Smit, Emil Luden, de Erfgooierswet, Macht door Recht, het Goois Natuurreservaat en de liquidatie van 1979.

De lokale verenigingen hebben daarbij precies geleverd wat algemene boeken vaak missen: namen van gewone bewoners, lokale kaarten, molens, boerderijen, grensstenen, familierelaties, concrete percelen, oude foto's, bedragen, jaargangen, krantenberichten en herinneringen. Daardoor kunnen we straks een hoofdverhaal maken waarin recht, landschap en dagelijks leven werkelijk één geschiedenis vormen.

Wat na de taakronde nog openstaat

Na alle verenigingsrondes blijven vooral verdiepingsvragen, geen grote ontbrekende hoofdstukken. De belangrijkste zijn de volledige namen van de negen Gooier getuigen uit 1449, de afzonderlijke Huizer getuigen uit 1533, de boeren die in Muiderberg vanaf 1813 de oude pacht weigerden, verdere koppeling van Huizer Erfgooiersfamilies aan de lijsten van 1708 en latere schaarbrieven, en de systematische koppeling van alle historische kaarten aan de beschreven grensconflicten.

Daarom zijn de twee resterende grote werkblokken nu vooral Genealogie Huizen en Historische kaartanalyse Gooi. Als die ook zijn gedaan, kunnen we de totale Erfgooiersgeschiedenis vervolgens chronologisch opbouwen zonder de enorme hoeveelheid concrete vondsten uit deze taakronde weer weg te drukken.

Hier is de aanvullende laag bij het bestaande verhaal. Ik laat het eerdere verhaal intact en voeg alleen de ontbrekende gegevens toe.

1646 — de Meentbrug vóór de Meentmolen

Nog vóór Hilversum in 1655 besloot een eigen watermolen te bouwen, bestond er al infrastructuur om het westelijke weidegebied bereikbaar te maken. De eerste stenen Meentbrug wordt in 1646 geplaatst. De brug lag in het netwerk van wegen, vaarten en sloten waarmee Hilversum met zijn gemeenschappelijke weidegronden en 's-Graveland verbonden was. Dit is belangrijk omdat de Meent niet alleen een grasvlakte was. Koeien, paarden, boeren, melk en materialen moesten dagelijks tussen dorp en weide worden vervoerd. De latere Meentmolen kwam daardoor terecht in een reeds ingericht agrarisch landschap waarin wegen, bruggen, kaden, sloten en vaarten gezamenlijk het functioneren van het Erfgooiersbedrijf mogelijk maakten.

1655 — de eerste Meentmolen blijft nog een onderzoeksprobleem

De buurspraak van 12 december 1655 levert het oudste duidelijke besluit op om voor de Hilversumse Meent een “goede achtkante watermolen” te bouwen. Toch ontbreken nog enkele essentiële gegevens. We kennen uit de geraadpleegde bronnen nog niet met zekerheid de naam van de molenbouwer, de totale bouwkosten, de eerste molenaar en de exacte datum waarop de molen daadwerkelijk begon te malen. Evenmin is al vastgesteld welke verbouwingen tussen 1655 en de achttiende eeuw plaatsvonden. Dat moet als open plek worden bewaard. Wel staat vast waarom de molen noodzakelijk was: de vroegere afwatering richting het Naardermeer functioneerde onvoldoende en de gemeenschappelijke weide moest kunstmatig worden drooggehouden.

De Meent was ook een dagelijks werklandschap

De Hilversumse Meent moet niet alleen vanuit schaarbrieven en bestuursstukken worden bekeken. Voor boeren was zij een dagelijks werkgebied. Koeien verbleven tijdens het weideseizoen op aanzienlijke afstand van de boerderijen in Hilversum. De dieren moesten daarom ter plaatse worden gemolken. Latere beschrijvingen vertellen dat boeren tweemaal per dag naar de Meent gingen om hun koeien te melken. De melk ging vervolgens terug richting Hilversum. Namen als Meentweg en Melkpad herinneren aan die dagelijkse beweging. Het schaarrecht betekende dus ook uren lopen of rijden, koeien bijeenbrengen, melken en vervolgens de verse melk zo snel mogelijk naar het dorp vervoeren.

Bovenmeent en Ondermeent moeten worden onderscheiden

In de negentiende- en twintigste-eeuwse administratie verschijnt niet eenvoudig één Hilversumse Meent. Er wordt onderscheid gemaakt tussen onder andere Bovenmeent en Ondermeent. Daarnaast komen namen als Melkmeent en Bussumse Meent voor. Dat onderscheid is belangrijk voor het begrijpen van waterstanden, bemaling en schaarrechten. Niet ieder archiefstuk over de Bovenmeent geldt automatisch voor de gehele Hilversumse Meent. De laaggelegen terreinen hadden andere waterstaatkundige problemen dan hogere gedeelten. Ook latere gemalen werden voor specifieke delen gebruikt. Bij het vervolgonderzoek moeten daarom alle gebeurtenissen geografisch worden vastgezet voordat verschillende bemalingswerken en schaarregelingen met elkaar worden verbonden.

1825–1913 — de administratie van de molenmeesters bleef bewaard

Een bijzonder belangrijke vondst is dat de financiële administratie van de molenmeesters niet verloren is gegaan. Het Archief Gooi en Vechtstreek bewaart een reeks “Rekening en verantwoording door de meentmeester of molenmeester van de Hilversumse Meent” over de periode 1825–1913, met aanvullende stukken uit 1912–1913. Daarmee bestaat in principe de mogelijkheid om bijna negentig jaar beheer financieel te volgen. Achter algemene termen als onderhoud en bemaling kunnen betalingen aan molenaars, werklieden, timmerlieden, aannemers of machinisten verborgen zitten. Ook inkomsten uit schaargelden, hout, veen of andere opbrengsten kunnen erin voorkomen. Deze reeks wordt daarom een kernbron voor de volgende onderzoekslaag.

1838 — hout was inkomen van de Meent

De akte van 11 december 1838, waarin molenmeesters Lambert de Jong en Jacob de Wit Gerritszoon optreden, krijgt binnen deze bredere administratie extra betekenis. Zij verkochten voor ƒ125 houtgewas op stam op de Hilversumse Meent. De gemeenschappelijke grond leverde dus naast gras nog andere inkomsten op. De molenmeesters traden daarbij namens het beheer op. Daarmee wordt duidelijk dat hun taak niet beperkt was tot het betalen van een molenaar of het controleren van een watermolen. Zij beheerden economische opbrengsten van de grond zelf. Het is een late echo van de veel oudere Gooise traditie waarin bos, hout, heide en weide gezamenlijk als waardevolle hulpbronnen werden beheerd.

1861 — een sloot om koeien bijeen te houden

Een prachtig detail uit 1861 brengt ons midden tussen de koeien. Op de Hilversumse Meent werd een sloot gegraven om het vee tijdens het melken bijeen te kunnen houden. Dat toont hoe het landschap speciaal voor het dagelijkse boerenwerk werd ingericht. Een sloot was dus niet uitsluitend bedoeld voor ontwatering. Watergangen konden tevens als fysieke afscheiding voor het vee functioneren. Bij het graven kwam veen vrij. Hilversum vroeg toestemming om dat veen te verkopen en met de opbrengst de kosten van het graafwerk te betalen. Eén klein archiefstuk verbindt daarmee melken, koeien, sloten, turf/veen, financiën en gemeenschappelijk grondbeheer.

1861–1862 — water bepaalde de waarde van het schaarrecht

Juist in 1861 werd de kwetsbaarheid van de Meent opnieuw duidelijk door een overstroming. Het jaar daarna vroegen Hilversumse Erfgooiers het schaargeld van ƒ5 naar ƒ1 terug te brengen. Het gemeentebestuur ging niet zo ver, maar besloot het bedrag wel te halveren. In combinatie met de sloot voor het bijeenhouden van melkvee ontstaat een veel concreter beeld. De Meent was geen vanzelfsprekend beschikbaar weiland. Mensen moesten sloten graven, kaden onderhouden, molens laten draaien en waterstanden beheersen. Wanneer dat onvoldoende lukte, liep de grasopbrengst terug en vonden de gerechtigden dat zij ook minder voor de uitoefening van hun schaarrecht behoorden te betalen.

1863 — een nieuwe molen na de waterproblemen

Twee jaar na de overstroming verscheen in 1863 de tweede bekende Hilversumse Meentmolen. De Molendatabase noemt hem expliciet “Meentmolen (2e)”. Het was een grondzeiler die als poldermolen functioneerde. De chronologische nabijheid van de waterproblemen van 1861 is opvallend, al mogen we zonder bouwstukken nog niet stellen dat de overstroming rechtstreeks tot de bouw leidde. Wel past de nieuwe molen duidelijk in de voortdurende pogingen om de gemeenschappelijke weide beter te bemalen. Hij vormde de opvolger van een systeem waarvan de oorsprong terugging tot het Hilversumse molenbesluit van 1655. De Erfgooiers waren inmiddels al ruim twee eeuwen afhankelijk van kunstmatige bemaling.

1876 — veen uit de nieuwe sloten wordt verkocht

In 1876 komen waterbeheer en exploitatie opnieuw samen. Bij werkzaamheden op de Meent werd veen uit sloten gewonnen. De meent- of molenmeesters verkochten dit materiaal. Daarmee werd geprobeerd een deel van de kosten van de werkzaamheden terug te verdienen. Het principe lijkt sterk op wat in 1861 gebeurde. De gemeenschappelijke grond leverde niet alleen gras, maar ook hout, veen en andere materialen die financieel konden worden benut. Tegelijkertijd werden die opbrengsten weer gebruikt om de grond beter bruikbaar te maken. Zo ontstond een economische kringloop binnen het beheer: inkomsten uit de Meent konden bijdragen aan sloten, bemaling en onderhoud, waarna een beter onderhouden Meent opnieuw meer vee kon dragen.

1876 — waterleidingen worden aanbesteed

Hetzelfde jaar 1876 besteedden de molenmeesters het graven van waterleidingen aan. Dat valt samen met het jaar waarin volgens de Molendatabase de tweede windmolen verdween. We moeten voorzichtig zijn met een rechtstreeks oorzakelijk verband, maar de gelijktijdigheid is belangrijk. Het waterbeheer begon duidelijk te veranderen van een systeem dat sterk rond één windmolen was georganiseerd naar een netwerk van kunstmatige watergangen en technische werken. Een molen kon alleen goed functioneren wanneer water via sloten en leidingen naar het maalpunt werd gebracht. Verbetering van de interne watercirculatie was daarom minstens zo belangrijk als de capaciteit van de molen zelf.

1878 — de ringsloot wordt verbreed en verdiept

In 1878 volgde opnieuw een aanbesteding. De werkzaamheden betroffen nieuwe of verbeterde waterleidingen, maar ook het verbreden en verdiepen van een gedeelte van de ringsloot. Daarnaast moest zand worden vervoerd. Daarmee werd de Meent steeds nadrukkelijker als één waterstaatkundig systeem behandeld. De ringsloot hielp water verzamelen en afvoeren, terwijl interne sloten en leidingen het water uit de graslanden moesten opnemen. Voor de Erfgooiers was het resultaat praktisch: drogere grond betekende een langer weideseizoen, betere grasgroei en mogelijk meer dieren. Achter het oude schaarrecht ontstond daardoor in de negentiende eeuw een steeds technischer beheersorganisatie.

1878 — de opzichter krijgt een woning

De professionalisering blijkt eveneens uit de bouw van een opzichterswoning aan de Melkstraat 3 in 1878. De molenmeesters lieten deze woning bouwen voor het toezicht op de Meent. Daarmee verschijnt naast molenaar, molenmeester en schaarmeester een volgende functionaris: de opzichter. Zijn aanwezigheid wijst erop dat dagelijks terreinbeheer inmiddels zoveel werk vergde dat permanente controle noodzakelijk werd. Hij kon toezicht houden op watergangen, vee, werkzaamheden en waarschijnlijk overtredingen. De ontwikkeling is veelzeggend: wat eeuwen eerder door gerechtigden en enkele jaarlijks benoemde functionarissen werd geregeld, kreeg langzamerhand kenmerken van een professionele beheerorganisatie met eigen gebouwen en personeel.

1891 — het machinegebouw verschijnt

Een bijzonder belangrijk woord duikt op in stukken uit 1891. De meentmeesters besteedden toen metsel- en timmerwerk aan de opzichterswoning aan, maar eveneens de aanleg van een stuwdam nabij het machinegebouw. Dat machinegebouw vormt een sleutel voor de overgang van windbemaling naar mechanische bemaling. De tweede windmolen was volgens de molendocumentatie in 1876 verdwenen; vijftien jaar later wordt een machinegebouw expliciet genoemd. Daarmee wordt duidelijk dat de bemaling inmiddels technisch was gemoderniseerd. De precieze installatie, bouwdatum, fabrikant en capaciteit moeten nog uit de technische archiefstukken worden gehaald, maar het tijdperk waarin de wind alleen het water wegmaalde was voorbij.

1891 — de stuwdam maakte peilbeheer preciezer

De stuwdam bij het machinegebouw is eveneens belangrijk. Bemaling ging niet simpelweg om zoveel mogelijk water uit de Meent verwijderen. Een weiland had een geschikt waterpeil nodig: te nat betekende slechte beweiding, maar te droog kon eveneens nadelig zijn voor grasgroei en bodem. Met stuwen, sloten, ringsloten en mechanische bemaling kon het water steeds nauwkeuriger worden gestuurd. De molenmeesters waren daardoor feitelijk waterbeheerders geworden. Hun achttiende-eeuwse voorgangers hadden nog toezicht gehouden op een windmolen en tegelijkertijd koeien gemerkt; hun negentiende-eeuwse opvolgers besteedden inmiddels stuwdammen, waterleidingen, bouwkundige werken en mechanische bemaling aan.

1892 — opnieuw sloten en waterleidingen

In 1892 volgden opnieuw werkzaamheden aan waterleidingen en sloten. Dat voortdurende graven en verdiepen laat zien dat verbetering geen eenmalige ingreep was. De veenachtige en laaggelegen bodem bleef zakken en water uit omliggende vaarten bleef een bedreiging vormen. Bovendien moest het interne slotennetwerk onderhouden worden om de bemaling effectief te laten functioneren. De Erfgooierswereld was daardoor letterlijk een gemaakt landschap. Koeien liepen weliswaar op gras dat gemeenschappelijk werd gebruikt, maar dat gras bestond alleen dankzij honderden jaren menselijke ingrepen: kaden, molens, sloten, bruggen, stuwen, ringsloten en uiteindelijk machines hielden de Meent bruikbaar.

De Melkmeent vertelt waarvoor het landschap diende

De naam Melkmeent bewaart een ander deel van die geschiedenis. Het gebied en de wegen richting de Meent waren verbonden met de dagelijkse gang van boeren naar hun melkvee. Tweemaal per dag naar koeien gaan betekende dat bereikbaarheid essentieel was. Bruggen en wegen waren daarom net zo belangrijk als bemaling. De melk moest bovendien na het melken snel naar Hilversum worden vervoerd. Daarmee kunnen we het Erfgooiersrecht nu ook vanuit het huishouden bekijken. Achter iedere schaar stonden mensen die 's morgens vroeg naar de Meent trokken, koeien zochten en bijeenbrachten, molken en vervolgens met hun melk terugkeerden naar het dorp.

Het machinegebouw leidt naar het stoomgemaal

De vermelding van het machinegebouw in 1891 vormt de overgang naar de volgende technische fase. Het archief van Stad en Lande van Gooiland bevat afzonderlijke dossiers voor het Stoomgemaal Hilversum, het Stoomgemaal Hilversumse Ondermeent en later het Gemaal Hilversumse Bovenmeent. Daarnaast bestaan dossiers over waterlopen, waterkeringen en waterpeilen. We moeten deze installaties nog afzonderlijk dateren en technisch identificeren, maar duidelijk is dat de windmolen uiteindelijk werd vervangen door mechanische bemaling. Dat maakte malen mogelijk wanneer er onvoldoende wind stond — een enorm voordeel voor een laaggelegen gebied waar juist tijdens natte perioden snel water moest worden afgevoerd.

Bovenmeent en Ondermeent krijgen eigen bemaling

Dat er afzonderlijk gesproken wordt over een Stoomgemaal Hilversumse Ondermeent en een Gemaal Hilversumse Bovenmeent onderstreept opnieuw dat de Hilversumse Meent waterstaatkundig geen eenvoudige eenheid was. Hoogteverschillen, watergangen en omliggende vaarten maakten afzonderlijk peilbeheer noodzakelijk. Voor ons uiteindelijke verhaal betekent dit dat we toekomstige vermeldingen van molens en gemalen altijd aan het juiste deelgebied moeten koppelen. Een overstroming van de Ondermeent hoeft niet automatisch dezelfde gevolgen te hebben gehad voor de Bovenmeent. Ook aantallen ingeschaard vee kunnen per gedeelte verschillen. Het onderscheid wordt vooral belangrijk wanneer de twintigste-eeuwse modernisering wordt beschreven.

De Bussumse gerechtigden bleven afhankelijk van Hilversums beheer

Hoewel Hilversum het dagelijkse beheer uitvoerde, bleven Bussumse Erfgooiers nauw bij de Meent betrokken. Dat verklaart de conflicten uit 1890–1892, toen Jan Fokker namens Bussumse gerechtigden optrad. Hun belangen waren zeer concreet. Wanneer Hilversum sloten aanlegde, tarieven veranderde of bepaalde groepen dieren toeliet, kon dat gevolgen hebben voor de hoeveelheid gras die voor Bussumse koeien beschikbaar bleef. Hetzelfde gold voor Naarden en andere Gooise plaatsen. De technische geschiedenis van de molens en gemalen kan daarom nooit los worden gemaakt van de bestuurlijke strijd tussen de verschillende groepen Erfgooiers. Water bepaalde mede hoeveel er uiteindelijk te verdelen viel.

1900 — J. Reijn Azn. beheert een eeuwenoud systeem

Wanneer J. Reijn Azn. op 14 maart 1900 als schaarmeester optreedt, staat hij feitelijk aan het einde van een zeer lange traditie. Erfgooiers uit Naarden, Bussum, Laren, Blaricum en Huizen konden onder voorwaarden een koe en een pink op de Bovenmeent brengen. Het systeem werd nauwkeurig geadministreerd, terwijl achter de schermen sloten, stuwen en mechanische bemaling de grond bruikbaar hielden. De schaarmeester die bepaalde welke dieren mochten komen, was daardoor afhankelijk van de waterbeheerder die bepaalde hoeveel gras geproduceerd kon worden. In vroegere eeuwen waren beide functies zelfs in dezelfde molenmeesters verenigd geweest. Zo bleef de oude bestuurlijke verbinding herkenbaar.

1910–1911 — tarieven maken ongelijkheid zichtbaar

Het protest van Tijmen Krijnen uit Naarden in 1910–1911 krijgt tegen deze achtergrond nog meer betekenis. Naardense Erfgooiers betaalden voor hun eerste vier koeien ƒ15, tegenover ƒ10 voor Bussumse gerechtigden. Na protest werd uiteindelijk één tarief vastgesteld: ƒ10 per koe en ƒ15 per paard, ongeacht woonplaats. Dat conflict draaide niet alleen om enkele guldens. Het ging om de vraag of alle gerechtigden binnen het oude Gooise stelsel gelijk behandeld moesten worden wanneer zij dezelfde gemeenschappelijke hulpbron gebruikten. Het gras waarop hun koeien liepen werd inmiddels door een kostbaar systeem van waterwerken en mechanische bemaling mogelijk gemaakt.

1915 — oude waterproblemen blijken nog niet verdwenen

Toen de Nederlandsche Heidemaatschappij in 1915 de toestand onderzocht, bleken problemen die al in 1655 waren genoemd nog verrassend herkenbaar. De Meent werd bijna jaarlijks gedeeltelijk overstroomd vanuit de 's-Gravelandse Vaart. De kaden waren onvoldoende en de zomerbemaling door het inmiddels verouderde stoomgemaal schoot tekort. Ruim tweeënhalve eeuw technische ontwikkeling had het fundamentele probleem dus niet volledig opgelost. De ligging van de Meent bleef kwetsbaar. Het verschil was dat men nu beschikte over professionele ingenieurs, mechanische pompen en systematische verbeteringsplannen waarmee het hele gebied tegelijk kon worden aangepakt.

1915 — verbetering maakt meer vee mogelijk

Na de verbeteringen veranderde de agrarische draagkracht spectaculair. Waar een scharend lid aanvankelijk ongeveer zeven dieren kon inscharen, kon dit uiteindelijk oplopen tot zestien. Dat is de beste maatstaf voor het succes van de waterwerken. De waarde van het Erfgooiersrecht werd immers niet bepaald door de ouderdom van een schaarbrief, maar door wat een gerechtigde er daadwerkelijk mee kon doen. Een droge, goed bemalen en vruchtbare Meent leverde gras voor meer dieren. Een overstroomde Meent kon zelfs aanleiding geven om schaargeld te verlagen. Waterbeheer bepaalde daarmee rechtstreeks de economische opbrengst van een eeuwenoud collectief recht.

Van koe naar kasboek

De bewaarde rekeningen van 1825–1913 maken het uiteindelijk mogelijk om deze geschiedenis nog verder te personaliseren. Daarachter moeten de betalingen zitten waarmee de dagelijkse werkelijkheid werd gefinancierd: lonen, reparaties, timmerwerk, graafwerk, mogelijk brandstof voor mechanische bemaling en inkomsten uit vee, hout en veen. We kennen al Lambert de Jong, Jacob de Wit Gerritszoon, Jan Fokker, J. Reijn Azn. en Tijmen Krijnen. De volgende stap is de reeks molenmeesters, molenaars, machinisten, opzichters, aannemers en arbeiders uit deze rekeningen reconstrueren. Pas dan krijgen ook de mensen die de Meent daadwerkelijk droog en bruikbaar hielden hun plaats naast de bekende bestuurders en Erfgooiers.

De aanvullende laag verandert het beeld

De Hilversumse Meent blijkt uiteindelijk geen eenvoudig weiland met een molen te zijn geweest. Het was een voortdurend onderhouden agrarisch-waterstaatkundig systeem. Vanaf de Meentbrug van 1646 en het molenbesluit van 1655 loopt een lijn via windmolens, molenmeesters, koeienmerken en schaargelden naar houtverkoop in 1838, de melksloot en overstroming van 1861, de tweede Meentmolen van 1863, waterleidingen vanaf 1876, de opzichterswoning van 1878, het machinegebouw en de stuwdam van 1891, nieuwe sloten in 1892, mechanische bemaling en uiteindelijk de grote verbetering vanaf 1915. Achter iedere technische ingreep stond hetzelfde doel: gras voor het vee van de Erfgooiers.

De Hilversumse Meentmolens — water, vee en Erfgooiers, 1655–1915

Het waterland aan de westkant van het Gooi

De geschiedenis van de Hilversumse Meentmolens begint niet bij een molen, maar bij het landschap. Ten westen van de hoge zandgronden van Hilversum lagen lage, natte weiden richting Bussum, Ankeveen en 's-Graveland. Hier lag de Hilversumse Meent, gemeenschappelijke weidegrond die door gerechtigde Gooise boeren werd gebruikt. Water bepaalde hoeveel vee deze grond kon dragen. Eeuwenlang kon een deel van het water richting het Naardermeer worden afgevoerd. Toen bedijking, ontginning en nieuwe waterwerken dat stelsel veranderden, ontstond een probleem: de Erfgooiers konden hun weiderechten alleen werkelijk benutten wanneer hun gemeenschappelijke grasland voldoende droog bleef. Waterbeheer werd daardoor rechtstreeks Erfgooiersbeheer.

1423 — bos, vee en meentbestuur

Al veel eerder zien we hoe gemeenschappelijke gronden, vee en plaatselijk bestuur met elkaar samenhingen. Jan van Beieren verleende Hilversum in 1423 een handvest. Volgens L. van Ollefen, die het in 1795 beschreef, bevatte dit bepalingen voor gevallen waarin vee misbruik in het bosch veroorzaakte. Een betrokken dier kon worden vastgehouden, waarna de schepenen van de woonplaats van de eigenaar moesten optreden. De Hilversumse schepenen mochten bovendien hun land en Meente- of Gemeenteweiden keuren en berechten, zoals dat in Laren reeds gebeurde. Daarmee ontmoeten we eeuwen vóór de Meentmolen al dezelfde elementen: vee, gemeenschappelijke grond, toezicht, overtredingen en plaatselijke rechtspraak.

Het oude Gooierbos verdwijnt

Ten zuiden en zuidoosten van Hilversum lag oorspronkelijk het Gooierbos. De geschiedenis daarvan is belangrijk omdat het laat zien dat de Erfgooierswereld niet uitsluitend uit heide en grasland bestond. De Bosbrief van 1364 regelde het gemeenschappelijke bosgebruik. Door houtkap, begrazing en uitbreiding van bouwland nam het bos vervolgens sterk af. In de zestiende eeuw was het grotendeels verdwenen en rond 1600 resteerde nauwelijks meer het oorspronkelijke boslandschap. Heide kwam ervoor in de plaats. Toch bleef de herinnering bestaan: zelfs in 1795 sprak men volgens Van Ollefen nog van het Gooierbosch, terwijl hij daar hoofdzakelijk heuvelachtige heide aantrof.

1625–1641 — 's-Graveland verandert het watersysteem

Een ingrijpende verandering kwam in de zeventiende eeuw vanuit het westen. In 1625 werd octrooi verleend voor de ontwikkeling van 's-Graveland. Vanaf 1634 kwam de verkaveling daadwerkelijk op gang. Voor de nieuwe buitenplaatsen, landbouwgronden en het vervoer naar Amsterdam werd een stelsel van vaarten aangelegd. Omstreeks 1641 was de vaarverbinding zo ver ontwikkeld dat de eerste schipper van 's-Graveland op Amsterdam kon worden benoemd. Via de Broedijk ontstond aansluiting richting de Vecht. Voor Hilversum betekende dit dat de waterhuishouding aan de westzijde van het Gooi ingrijpend veranderde. Nieuwe vaarten brachten economische mogelijkheden, maar konden bij hoge waterstanden ook water naar de Hilversumse Meent drukken.

1642 — Hollandia hoort bij een ander watersysteem

In dezelfde omgeving verscheen Hollandia. In 1636 stond bij Ankeveen al een wipwatermolen op de kaart van C. Danckersen de Rij. In 1642 verleenden de Staten van Holland en West-Friesland octrooi voor een grote achtkante watermolen voor de Hollands-Ankeveense polder. Die molen loosde op de 's-Gravelandse Vaart en werd later Hollandia genoemd. Dit is belangrijk voor het Erfgooiersverhaal, maar Hollandia moet worden onderscheiden van de Hilversumse Meentmolen. Beide molengeschiedenissen raakten elkaar via hetzelfde waterstelsel en de Loodijk, maar Hollandia bemaalde Hollands-Ankeveen terwijl Hilversum later een eigen molen voor zijn gemeenschappelijke meent liet bouwen.

1655 — vijf watermolens bedreigen de Meent

Op 12 december 1655 kwamen de Hilversummers in een buurspraak bijeen. De toestand was ernstig. Wanneer het water in de Vecht hoog stond, werd het water in de 's-Gravelandse Vaart opgedreven. Volgens de historische stukken maalden op deze vaart maar liefst vijf watermolens. Hilversum vreesde dat deze molens zoveel invloed op het waterpeil konden uitoefenen dat de Hilversumse Meent binnen 24 uur zou kunnen worden ondermalen. Daarom besloot men een kade langs de vaart aan te leggen. Het is een uitzonderlijk concreet voorbeeld van de kwetsbaarheid van gemeenschappelijke weidegrond: rechten op gras waren weinig waard wanneer het water niet beheerst kon worden.

12 december 1655 — Hilversum besluit zelf een molen te bouwen

Dezelfde buurspraak nam daarom een tweede fundamenteel besluit. Hilversum zou aan de 's-Gravelandse Vaart een “goede achtkante watermolen” laten bouwen. De reden werd eveneens vastgelegd. De Hilversumse Meent had vroeger richting het Naardermeer afgewaterd. Nadat veranderingen en bedijkingen in dat gebied de natuurlijke afwatering hadden bemoeilijkt, moest het water voortaan kunstmatig worden weggewerkt. De molen was dus geen losstaand technisch bouwwerk. Hij werd gebouwd om de gemeenschappelijke weide bruikbaar te houden. Daarmee ontstond een directe institutionele verbinding tussen windkracht, waterbeheer en de economische rechten van de Erfgooiers.

Adriaan Dortsman en het conflict over de afwatering

Het waterprobleem beperkte zich niet tot Hilversum. Adriaan Dortsman, bekend als bouwmeester van de vesting Naarden, bemoeide zich eveneens met de kwestie. Hij wees de hoofdingelanden van 's-Graveland erop dat volgens de oorspronkelijke kavelvoorwaarden verplichtingen bestonden rond het bruikbaar houden van de Karnemelksloot. De hoofdingelanden betwistten echter dat derden hun rechtstreeks aan die voorwaarden konden houden. Achter de bouw van de Meentmolen lag daardoor een veel groter regionaal vraagstuk: wie was verantwoordelijk voor water dat van het ene rechtsgebied naar het andere stroomde? Hilversum, 's-Graveland, Ankeveen en de omliggende polders waren waterstaatkundig van elkaar afhankelijk.

1657 — Hilversum en Bussum regelen het gebruik

Kort na de bouwbeslissing voor de Meentmolen werden afspraken gemaakt over het gebruik van de Hilversumse Meent. Archiefstukken uit 1791 verwijzen terug naar regelingen uit 1657 tussen Hilversum en Lage Bussum. Bussumse gerechtigden maakten namelijk eveneens gebruik van de meent. Daarmee werd het beheer ingewikkelder dan een eenvoudige Hilversumse dorpsaangelegenheid. De molen hield grond droog die ook voor andere Gooise gerechtigden economische betekenis had. In latere administraties zien we daarom dat Bussum geld inde dat bestemd was voor de Hilversumse molenmeesters. De watermolen werd zo onderdeel van een financieel en bestuurlijk netwerk dat verschillende Gooise dorpen met elkaar verbond.

Molenmeester en molenaar zijn niet hetzelfde

Daarbij moeten twee functies scherp uit elkaar worden gehouden. De molenaar was degene die de watermolen daadwerkelijk bediende. De molenmeesters waren bestuurders. Zij beheerden de bemaling en hielden toezicht op de gemeenschappelijke meent. In Hilversum waren de molenmeesters tevens schaarmeesters. Dat is een cruciaal onderscheid. Wanneer bronnen vertellen dat molenmeesters koeien merkten, schaargeld inden of hout verkochten, betekent dat niet automatisch dat de molenaar deze bestuurstaken verrichtte. Juist doordat dezelfde bestuurders zowel de scharing als de bemaling beheerden, werden waterbeheer en Erfgooiersrechten organisatorisch met elkaar verbonden.

1762 — de Gooise weiden worden nauwkeurig verdeeld

Hoe precies het gebruik van de gemeenschappelijke gronden geregeld was, blijkt uit de Schaarbrief van 1762. Daarin werden grenzen aangegeven waarbinnen de verschillende Gooise dorpen hun dieren mochten laten grazen. Namen als Huizerweg, Tafelberg, Leeuwberg, Kruisberg, Blaricummer Eng, Craailoo, Amersfoortseweg, Huizer Botweg, Gooiergracht, Nieuwe Kamp, Laarder Wasmeer, Ardjesberg en Langehul maakten van de regeling bijna een kaart in woorden. De rechten waren dus niet eenvoudigweg: iedere Erfgooier mag overal vee laten lopen. Dorpen, diersoorten, aantallen en terreinen werden onderscheiden. Waterbeheer van de Hilversumse Meent vormde één onderdeel van dit veel grotere gereglementeerde landschap.

1762 — Laren weigert te tekenen

De nieuwe schaarbrief veroorzaakte meteen een conflict. Laren weigerde in 1762 te tekenen. Formeel draaide de ruzie onder andere om de vraag of Stad en Lande besluiten bij meerderheid mocht nemen of dat unanimiteit noodzakelijk was. Maar daaronder lag een concreet geschil over gras en schapen. In de Schaarbrief van 1741 meende Laren samen met Blaricum rechten op het Molenveen te hebben. In 1762 werd het Molenveen voor de schapen uitsluitend aan Blaricum toegewezen. Laren legde zich daar niet eenvoudig bij neer: de Larense herder trok met zijn schapen toch het betwiste gebied binnen.

1791 — Hilversum en Lage Bussum leggen afspraken opnieuw vast

Op 16 november 1791 werd opnieuw een overeenkomst gesloten tussen de buurmeesters van Hilversum en Lage Bussum over het weiden en schutten van vee op de Hilversumse Meent. Daarbij werden de oudere afspraken uit 1657 betrokken. Het schutten van vee was essentieel. Wie dieren zonder recht of buiten de regels op de meent bracht, kon zijn vee zien vastzetten en moest vervolgens betalen of zijn recht aantonen. Het beheer bestond dus uit veel meer dan bepalen hoeveel dieren werden toegelaten. Controle, merken, inning van gelden, toezicht op overtredingen en bemaling vormden samen één dagelijks bestuursstelsel.

1795 — Van Ollefen beschrijft de Meent

In 1795 bezocht of beschreef L. van Ollefen Hilversum in zijn Nederlandsche stads- en dorp-beschrijver. Zijn tekst is bijzonder waardevol omdat het Erfgooiersstelsel toen nog volop functioneerde. Hij schatte de Hilversumse Meent op ongeveer 500 morgen. De weide had zwaar geleden onder de runderpest, maar was daarna weer verbeterd. Volgens Van Ollefen konden er soms ongeveer 600 runderen lopen. Daarmee krijgen we voor het eerst een bijna tastbaar beeld: honderden koeien op een gemeenschappelijke weide waarvan de bruikbaarheid afhankelijk was van sloten, kaden en de draaiende wieken van de Meentmolen.

Vijf koeien en één paard per Erfgooier

Van Ollefen geeft ook precies aan wat een gerechtigde Hilversummer mocht doen. Een in Hilversum wonende Erfgooier kon volgens hem vijf koeien en één paard op de Meent brengen. Alle kosten bij elkaar bedroegen ongeveer twee gulden per dier. De waarde van het Erfgooierschap wordt daarmee concreet. Het ging niet om een abstract historisch privilege, maar om gras voor meerdere runderen en een paard. Voor een boerenhuishouden vertegenwoordigde dat aanzienlijke economische waarde. Wanneer de Meent overstroomde, verdroogde of onvoldoende gras leverde, werd het recht onmiddellijk minder waard. Daarom waren bemaling en molenbeheer rechtstreeks verbonden met het inkomen en bedrijf van gerechtigde boeren.

Ook andere Gooise Erfgooiers konden worden toegelaten

De Hilversumse Meent was tegelijkertijd niet volledig afgesloten voor de rest van het Gooi. Van Ollefen vermeldt dat Stad en Lande toestond dat, toen de meent in slechte toestand verkeerde en later herstelde, ook vee van gerechtigden uit andere Gooise plaatsen kon worden aangenomen. Hij noemt daarbij vaarzen en pinken. De voorwaarde was dat de eigenaren eveneens Erfgooiers waren. Hier wordt zichtbaar hoe dorpsbeheer en het overkoepelende systeem van Stad en Lande van Gooiland naast elkaar functioneerden. Hilversum beheerde de concrete weide, maar het rechtensysteem waarvan die weide deel uitmaakte was Goois.

Twee schaarmeesters worden molenmeesters

Dan geeft Van Ollefen het gegeven dat de Meentmolen rechtstreeks in het Erfgooiersbestuur plaatst. Voor de Hilversumse Meent waren twee schaarmeesters aangesteld. Omdat deze mannen tevens toezicht hielden op de molen werden zij volgens hem ook molenmeesters genoemd. Zij hielden dus niet alleen toezicht op koeien en paarden, maar eveneens op het technische middel waarmee hun weide droog werd gehouden. Daardoor was in twee personen verenigd wat tegenwoordig waarschijnlijk over verschillende organisaties verdeeld zou zijn: agrarisch beheer, financieel beheer, waterbeheer en toezicht op de gemeenschappelijke grond.

Koeien merken en geld innen

Van Ollefen vertelt bovendien wat deze mannen daadwerkelijk deden. De schaarmeesters/molenmeesters merkten het vee dat tot de Meent werd toegelaten en inden de verschuldigde bedragen. Vervolgens moesten zij jaarlijks tegenover het dorpsbestuur van Hilversum rekening en verantwoording afleggen. Daarmee beschikken we over een rechtstreeks beschreven administratieve keten: gerechtigde → vee → controle → merk → betaling → rekening. De molen stond daar niet los van, want dezelfde functionarissen beheerden ook de bemaling. Wanneer later bij de schaardagen rond de Loodijk koeien worden verzameld en gemerkt, moeten we deze oudere bestuurlijke traditie op de achtergrond houden zonder beide situaties automatisch met elkaar gelijk te stellen.

Bussum betaalde mee

Uit het Bussumse buurmeestersboek blijkt hoe deze organisatie over dorpsgrenzen heen werkte. Bussumse buurmeesters inden bedragen die bestemd waren voor de Hilversumse molenmeesters en het beheer van de watermolens bij de Meent. Voor Bussum was dat geen inkomstenbron; het geld werd doorgegeven. Dit maakt duidelijk waarom Bussum later zo fel kon reageren wanneer het meende dat zijn Erfgooiers op de Hilversumse Meent werden achtergesteld. Bussumse boeren betaalden mee aan een systeem dat hun vee toegang moest geven tot bruikbare gemeenschappelijke weiden. Bemaling was daarmee niet alleen Hilversums lokaal waterbeheer, maar onderdeel van een gedeeld Goois economisch belang.

1838 — Lambert de Jong en Jacob de Wit Gerritszoon

Op 11 december 1838 verschijnen eindelijk twee molenmeesters met volledige namen. In het notariële repertorium van Albertus Perk worden Lambert de Jong en Jacob de Wit Gerritszoon, beiden uit Hilversum, als molenmeesteren vermeld. Zij traden namens hun beheer op bij de verkoop van houtgewas op stam op de Hilversumse Meent. De opbrengst bedroeg ƒ125. Deze ene akte is uitzonderlijk waardevol omdat daarin verschillende lijnen van het Erfgooiersonderzoek samenkomen: gemeenschappelijke grond, molenmeesters, financieel beheer én hout. De functie van molenmeester was dus inmiddels duidelijk breder dan alleen toezicht houden op een windmolen.

Hout, bos en molenbeheer komen samen

De houtverkoop van 1838 sluit aan op een veel oudere Gooise geschiedenis. Al in de Bosbrief van 1364 werd het gebruik van het Gooierbos geregeld. De heren van Nijenrode en later de erfmaarschalken speelden een rol bij toezicht en koptienden. In 1527 ontstond een conflict met Willem Turck van Nijenrode over de zeggenschap over het bos. Eeuwen later verkochten de Hilversumse molenmeesters hout op de Meent. Het oorspronkelijke Gooierbos was toen grotendeels verdwenen, maar hout bleef een opbrengst van gemeenschappelijke grond. Daarmee lopen de geschiedenis van bosrechten, meentrechten en molenbeheer uiteindelijk in dezelfde administratie door.

1851–1857 — plannen om de Meent te verbeteren

In 1851, 1853 en 1857 maakten de molenmeesters voorstellen om zowel de bodemgesteldheid als de waterbeheersing van de Hilversumse Meent te verbeteren. De stukken kwamen niet uitsluitend bij Hilversum terecht. Een commissie en de schaarmeesters van Naarden beoordeelden dergelijke plannen eveneens. Dit laat zien hoe ingewikkeld de bestuurlijke verhoudingen waren. De Meent lag bij Hilversum en werd door Hilversumse functionarissen beheerd, maar maakte deel uit van een groter stelsel van Gooise gerechtigdheid. Een ingreep in sloten, bodem of beweiding kon daarom gevolgen hebben voor gerechtigden uit verschillende plaatsen. De oude markeorganisatie was in de negentiende eeuw nog steeds tastbaar aanwezig.

1861 — de Meent overstroomt

In 1861 werd zichtbaar wat er gebeurde wanneer het watersysteem faalde: de Hilversumse Meent werd getroffen door een ernstige overstroming. Voor de gerechtigde boeren betekende dat minder bruikbaar gras en dus minder voordeel van hun schaarrecht. In 1862 vroegen Hilversumse Erfgooiers daarom het schaargeld sterk te verlagen, van ƒ5 naar ƒ1. Het gemeentebestuur ging niet volledig mee, maar besloot het schaargeld wel te halveren. Waterpeil werd daarmee rechtstreeks vertaald in geld. De geschiedenis van de Meentmolen is daarom tegelijkertijd sociale en economische geschiedenis: een nat weiland raakte onmiddellijk de waarde van een eeuwenoud gemeenschappelijk gebruiksrecht.

1863 — de tweede Hilversumse Meentmolen

Kort na deze problemen werd in 1863 een nieuwe molen gebouwd. De Nederlandse Molendatabase noemt deze uitdrukkelijk de “Meentmolen (2e)”. Het was een grondzeiler en poldermolen aan de 's-Gravelandse Vaart. De aanduiding tweede ondersteunt de reconstructie dat de molen van 1655 een oudere voorganger vormde. Daarmee kunnen we voorlopig een molenlijn van ruim twee eeuwen volgen: de bouwbeslissing van 1655, de door Van Ollefen beschreven molenorganisatie van 1795, en de vervangende Meentmolen van 1863. De bouw vlak na de overstromingsproblemen van 1861 maakt de behoefte aan betrouwbare bemaling bijzonder begrijpelijk.

1876 — de tweede windmolen verdwijnt

De tweede Meentmolen bleef opmerkelijk kort bestaan. Volgens de Molendatabase verdween hij al in 1876. Juist rond dat jaar zien we in de archiefstukken omvangrijke werkzaamheden aan het watersysteem van de Meent. Molenmeesters verkochten in 1876 bijvoorbeeld veen dat vrijkwam bij het uitgraven van sloten. Daarmee werd zelfs materiaal dat bij waterstaatkundige werkzaamheden vrijkwam financieel benut. De functie van de molenmeesters was inmiddels uitgegroeid tot praktisch terreinbeheer: niet alleen een molen onderhouden, maar ook sloten laten graven, grond en veen beheren, inkomsten innen en de bruikbaarheid van honderden morgens gemeenschappelijke weide bewaken.

1876–1878 — nieuwe waterleidingen en ringsloten

In 1876 besteedden de molenmeesters werkzaamheden voor het graven van waterleidingen aan. Twee jaar later, in 1878, volgde opnieuw een aanbesteding. Daarbij moesten waterleidingen worden aangelegd en een gedeelte van de ringsloot worden verbreed en verdiept. Ook moest zand worden vervoerd. De traditionele windmolen maakte daarmee steeds meer plaats voor een waterstaatkundig systeem waarin sloten, leidingen, kaden en later mechanische bemaling gezamenlijk het peil beheersten. De titel molenmeester bleef bestaan, maar de werkzaamheden waren inmiddels veel omvangrijker dan de naam suggereert. De middeleeuws aandoende functie ontwikkelde zich feitelijk tot professioneel beheer van de Meent.

1878 — een opzichterswoning aan de Melkstraat

In 1878 lieten de molenmeesters bovendien een opzichterswoning aan de Melkstraat 3 bouwen. Ook dit wijst op professionalisering. Het beheer van de Meent kon niet meer uitsluitend worden uitgevoerd door enkele jaarlijks aangewezen gerechtigden die naast hun eigen bedrijf toezicht hielden. Waterwerken, beweiding, onderhoud, financiën en dagelijkse controle vereisten permanente aandacht. Het landschap dat in 1655 nog met een achtkante windwatermolen beheersbaar moest worden gemaakt, was in de negentiende eeuw veranderd in een technisch en administratief beheerd weidegebied. Toch bleef het uiteindelijke doel hetzelfde: voldoende goed gras beschikbaar houden voor de dieren van degenen die krachtens hun Erfgooiersrecht toegang tot de Meent hadden.

1890–1892 — Jan Fokker en de Bussumse Erfgooiers

Aan het einde van de negentiende eeuw liepen de spanningen tussen de verschillende groepen gerechtigden opnieuw op. Jan Fokker trad in 1890–1892 op namens Erfgooiers uit Bussum. Zij verlangden onder meer een gedeelte van de Hilversumse Bovenmeent voor Bussum en Naarden. Ook protesteerden zij tegen het toelaten van personen die volgens hen niet gerechtigd waren. Daarnaast verlangden zij compensatie voor verlies van schapenweide en plaggenslag. De kwestie laat opnieuw zien dat Erfgooiersrechten veel breder waren dan koeien laten grazen. Schapen, plaggen, grond, water en toegang tot specifieke terreinen waren allemaal onderdelen van een economisch systeem waarop huishoudens aanspraken konden maken.

Rond 1900 — de oude rechten worden opnieuw bevochten

Rond 1900 werd in het hele Gooi steeds openlijker gestreden over de betekenis van de oude gebruiksrechten. Erfgooiers staken plaggen, groeven leem en grind, kapten bomen en maakten aanspraak op jacht- en weiderechten. Besturen probeerden het gebruik juist sterker te reguleren. Wat in de middeleeuwse bos- en schaarbrieven als gemeenschappelijk gebruik was geregeld, botste nu met moderne gemeentelijke administratie, natuurbeheer en economische ontwikkeling. De Hilversumse Meent stond midden in die overgang. De molenmeesters en schaarmeesters moesten een systeem beheren dat eeuwenoud was, terwijl Hilversum en Bussum snel groeiden en grond steeds grotere financiële waarde kreeg.

14 maart 1900 — J. Reijn Azn.

Op 14 maart 1900 krijgen we opnieuw een functionaris bij naam. J. Reijn Azn., schaarmeester, berichtte over de toelating van vee van gerechtigden uit andere Gooise plaatsen. Erfgooiers uit Naarden, Bussum, Laren, Blaricum en Huizen konden onder bepaalde voorwaarden een koe en een pink op de Bovenmeent laten weiden. Daarmee zien we aan het begin van de twintigste eeuw nog precies hetzelfde basisprincipe dat Van Ollefen in 1795 beschreef: de afzonderlijke Meent werd lokaal beheerd, maar gerechtigdheid was onderdeel van een groter Goois systeem. Wie Erfgooier was, uit welk dorp hij kwam en welk dier hij wilde inscharen, bepaalde welke toegang mogelijk was.

1910–1911 — Tijmen Krijnen protesteert

De verschillen tussen dorpen konden zelfs in geld worden uitgedrukt. In 1910–1911 protesteerde Tijmen Krijnen uit Naarden tegen de tarieven op de Hilversumse Bovenmeent. Naardense Erfgooiers betaalden voor hun eerste vier koeien volgens de stukken ƒ15, terwijl Bussumse Erfgooiers ƒ10 betaalden. Dat verschil werd uiteindelijk opgeheven. Voortaan moest voor iedere toegelaten koe ƒ10 worden betaald en voor ieder paard ƒ15, ongeacht de woonplaats van de gerechtigde. De tarieven tonen hoe sterk het oude gebruiksrecht inmiddels was geformaliseerd. Een recht bleef bestaan, maar de praktische uitoefening ervan was gekoppeld aan administratie, tarieven, controle en bestuurlijke besluitvorming.

1912 — de Erfgooierswet verandert het bestuur

De langdurige conflicten over gerechtigdheid, bestuur, gebruik en verdeling leidden uiteindelijk tot de Erfgooierswet van 1912. Daarmee kreeg de eeuwenoude organisatie een nieuwe wettelijke structuur. Voor de Hilversumse Meent betekende dit dat ook het beheer van de grond en het water binnen een moderner juridisch kader kwam te staan. De problemen verdwenen daarmee niet. De Meent bleef laaggelegen en kwetsbaar voor water uit de omliggende vaarten. Maar de combinatie van oude schaarbrieven, dorpsafspraken, buurmeesters en traditionele molenmeesters maakte geleidelijk plaats voor een veel systematischer organisatie van grondgebruik, bemaling en verbetering.

1915 — de Nederlandsche Heidemaatschappij onderzoekt de Meent

In 1915 begon een volgende grote fase. Op basis van onderzoek door de Nederlandsche Heidemaatschappij werd de Hilversumse Meent ingrijpend verbeterd. De problemen waren aanzienlijk. De Meent overstroomde gedeeltelijk bijna ieder jaar vanuit de 's-Gravelandse Vaart, de kaden verkeerden in slechte toestand en de zomerbemaling door een inmiddels verouderd stoomgemaal was onvoldoende. Het probleem dat Hilversum al tijdens de buurspraak van 12 december 1655 had proberen op te lossen, bestond dus 260 jaar later nog steeds: hoe houd je laaggelegen gemeenschappelijke weidegrond droog genoeg om haar economische functie voor de gerechtigden te laten behouden?

Van zeven naar zestien dieren

De verbeteringen hadden een meetbaar resultaat. Na de waterstaatkundige en landbouwkundige ingrepen kon de draagkracht van de Hilversumse Meent aanzienlijk worden vergroot. Het aantal dieren dat per scharend lid kon worden toegelaten steeg uiteindelijk van zeven naar zestien. Dat cijfer maakt de betekenis van waterbeheer misschien duidelijker dan welke technische beschrijving ook. Betere sloten, kaden, bemaling en bodem betekenden meer gras; meer gras betekende meer vee; meer vee betekende een groter economisch voordeel van het Erfgooiersrecht. Daarmee was de waterhuishouding gedurende eeuwen een verborgen fundament onder het hele systeem van gemeenschappelijk grondgebruik.

Hollandia blijft een afzonderlijke maar verbonden geschiedenis

Hollandia bij Ankeveen moet ondertussen in het verhaal blijven, maar als afzonderlijke molen. Hollandia behoorde tot de Hollands-Ankeveense polder en had een eigen molenaarsgeschiedenis met onder anderen Roel Cossen, Diert Jacobs, Gerrit Jacobsen, Jacob Gerritsen Molen, Gerrit Jacobsz Molen, Jacob Molen, Claas van Leeuwen en later de familie Hagen. Bij de Loodijk kwamen bovendien Erfgooiers en hun vee samen voor schaardagen. Daardoor raken beide verhalen elkaar. Maar Hollandia was niet de Meentmolen die Van Ollefen in 1795 beschreef. Dat onderscheid voorkomt dat twee verschillende waterstaatkundige organisaties ten onrechte tot één molengeschiedenis worden samengevoegd.

Kees Hagen bewaart de herinnering aan de schaardag

Bij Hollandia blijft Cornelis “Kees” Hagen, geboren op 19 juni 1888 in Weesperkarspel, belangrijk. Als lid van de molenaarsfamilie kende hij de wereld rond de Loodijk uit eigen ervaring. In 1966 vertelde hij over de schaardag zoals hij die rond 1900 had meegemaakt. Koeien werden aangevoerd en vastgezet, brandijzers werden verwarmd en dieren werden gemerkt voordat zij de gemeenschappelijke weide opgingen. De molenaar van Hollandia en zijn zoons hielpen volgens de herinneringen bij het spannen van de touwen. Daarmee krijgen we naast de officiële schaarmeesters en molenmeesters ook de praktische mensen rond de molen in beeld.

Twee eeuwen molenmeesters

De Hilversumse bronnen laten ondertussen een uitzonderlijke bestuurlijke continuïteit zien. In 1795 beschreef Van Ollefen twee schaarmeesters die vanwege hun toezicht op de molen eveneens molenmeesters heetten. In 1838 kennen we Lambert de Jong en Jacob de Wit Gerritszoon bij naam. In de jaren 1851–1857 werkten molenmeesters aan bodem- en waterverbetering. In 1876–1878 besteedden zij waterleidingen en werkzaamheden aan de ringsloot aan en lieten zij een opzichterswoning bouwen. Rond 1900 vinden we vervolgens schaarmeester J. Reijn Azn. Het ambt veranderde, maar de verbinding tussen water, weide en gerechtigdheid bleef herkenbaar.

Van bosbrief naar watermolen

Daarmee ontstaat een veel langere geschiedenis dan alleen die van een paar molens. In 1364 regelde de Bosbrief het gebruik van het Gooierbos. In 1423 vinden we vee, bos en meentbestuur in het Hilversumse handvest. In 1527 botsten Erfgooiers met Willem Turck van Nijenrode over het bos. Toen het oude bos verdween, werden heide, plaggen, schapen en gemeenschappelijke weiden steeds bepalender. In 1655 moest vervolgens een achtkante watermolen worden gebouwd om de Hilversumse Meent bruikbaar te houden. Dezelfde gemeenschap die eeuwen eerder bosgebruik regelde, organiseerde nu bemaling om haar vee te kunnen blijven weiden.

Van molen naar gemaal

Technisch veranderde ondertussen bijna alles. Eerst was natuurlijke afwatering richting het Naardermeer voldoende. Daarna kwam in 1655 de achtkante windwatermolen. In 1863 verscheen de tweede Meentmolen. Deze verdween volgens de Molendatabase in 1876. Vervolgens werden sloten, waterleidingen en ringsloten systematisch verbeterd en kwam uiteindelijk mechanische bemaling in beeld. In 1915 bleek zelfs het bestaande stoomgemaal alweer verouderd. Windkracht werd stoomkracht en later zouden modernere gemalen volgen. Toch veranderde het achterliggende probleem nauwelijks: de lage Meent moest droog genoeg blijven om gras voor het gerechtigde vee te produceren.

De Meentmolen was onderdeel van het Erfgooiersstelsel

Daarom verdient de Hilversumse Meentmolen een veel belangrijkere plaats in onze geschiedenis van de Erfgooiers dan aanvankelijk duidelijk was. Hij was niet zomaar een poldermolen naast een Gooise weide. De schaarmeesters waren tevens molenmeesters; zij beheerden de molen, merkten vee, inden gelden en legden rekening af. Bussum betaalde mee. Lambert de Jong en Jacob de Wit Gerritszoon verkochten hout. Latere molenmeesters lieten sloten graven, ringsloten verdiepen en een opzichterswoning bouwen. Jan Fokker, J. Reijn Azn. en Tijmen Krijnen verschijnen vervolgens in conflicten over toegang en tarieven. Waterbeheer, bestuur en Erfgooiersrecht waren hier eeuwenlang met elkaar verweven.

De Bouwvenen — gemeenschappelijk, maar toch verdeeld

De Bouwvenen laten goed zien dat het grondbezit van de Gooiers ingewikkelder was dan één grote gemeenschappelijke vlakte. Nadat in 1535 was vastgesteld dat Eemnessers ten noorden van de Laarderweg over de grens grond hadden ontgonnen, moesten zij deze gronden aan de Gooiers afstaan. Vervolgens werden de Bouwvenen verdeeld tussen Naarden en de Gooise dorpen. De afzonderlijke gemeenschappen kregen daarmee belangen in verschillende gedeelten van het gebied. Die oude verdeling bleef nog eeuwen zichtbaar en bestond tot de herschikking van de gemeentegrenzen in 1824. Het Erfgooierslandschap bestond dus uit gemeenschappelijk gebruik, dorpsbelangen, afzonderlijke kavels en territoriale grenzen die over elkaar heen lagen.

De Gooiergracht — een grens in het landschap

Na de conflicten met Eemnes werd de Gooiergracht meer dan alleen een watergang. Zij maakte een deel van de grens tussen Gooiland en het Utrechtse gebied fysiek zichtbaar. Aan weerszijden lagen gronden die economisch waardevol waren voor boeren, herders en gerechtigden. Toch bleef de grens doorlaatbaar. In 1536 mochten Eemnessers grond die kort daarvoor aan de Gooiers was toegewezen opnieuw pachten, terwijl werd afgesproken dat de Gooiers hen met rust zouden laten. Wegen liepen eveneens over de grens. De latere Stachouwerweg liep vanaf het Franse Pad via het Stachouwerveld over de Gooiergracht naar Eemnes. Grens, eigendom en dagelijks gebruik vielen dus nooit volledig samen.

Johan Stachouwer en het eerste stenen huis

Johan Stachouwer vertegenwoordigt een andere ontwikkeling binnen het traditionele landschap van Blaricum. In 1626 bezat hij er al een huis, land en boomgaard, deels door vererving en deels door aankoop verkregen. Zijn hofstede in de Bouwvenen wordt beschreven als mogelijk het eerste stenen huis van Blaricum. Dat is betekenisvol in een dorp waarin het agrarische landschap en de rechten van de Gooise boeren eeuwenlang bepalend waren geweest. Stachouwer bezat bovendien grond bij een oude grenszone en kocht in 1631 Slot Ruysdael. Zo verschenen naast de gemeenschappelijke rechten steeds duidelijker omvangrijke particuliere bezittingen van kapitaalkrachtige eigenaren in het Gooise landschap.

De Schaardag — het vee mag naar buiten

Voor de Gooise boeren was de Schaardag een belangrijk moment in het landbouwjaar. Stad en Lande van Gooiland bepaalde wanneer het vee op de gemeenschappelijke weiden mocht worden gebracht, gewoonlijk aan het begin van mei. Dat was noodzakelijk omdat onbeperkte begrazing de meenten zou uitputten. De schaarbrief regelde welke gronden konden worden gebruikt en onder welke voorwaarden dat gebeurde. Blaricum, Laren en Huizen waren verbonden met de Oostermeent, Bussum en Hilversum met de Hilversumse Meent en Naarden met de Naardermeent richting Valkeveen. Het Erfgooierschap werd daardoor ieder voorjaar zichtbaar in koeien, boeren, wegen, hekken en het gezamenlijk gebruikte landschap.

Onder- en Bovennoord, Akkere, Bieskam, Doorn en Haar

De gemeenschappelijke meenten waren zelf eveneens onderverdeeld. In de schaarbrieven verschijnen namen als Onder- en Bovennoord, Akkere, Bieskam, Doorn en Haar. Zulke veldnamen zijn belangrijk omdat zij laten zien hoe nauwkeurig de Erfgooiers hun landschap kenden en organiseerden. Voor buitenstaanders konden heide en weiden één uitgestrekte open ruimte lijken, maar voor de gebruikers bestond het gebied uit herkenbare delen met eigen namen, grenzen en functies. Regels over het inscharen van vee bepaalden hoeveel druk ieder gedeelte kon verdragen. De organisatie van Stad en Lande was daarmee niet alleen een bestuurlijke instelling. Zij regelde heel praktisch hoe boeren de natuurlijke hulpbronnen van Gooiland gezamenlijk konden benutten.

Toezicht op de gemeenschappelijke grond

Gemeenschappelijk gebruik betekende niet dat iedereen vrijelijk dieren op de meenten kon zetten. Alleen gerechtigden konden aanspraak maken op de daarbij behorende rechten en het gebruik werd gecontroleerd. Dat verklaart waarom het binnendringen van vreemde kudden zo ernstig werd genomen. De gebeurtenis van 30 september 1718, waarbij de Naarder schout vier zogenaamde rakkers naar de omgeving van de Hollandsche Rading stuurde, laat zien dat overtredingen daadwerkelijk werden aangepakt. De heide vertegenwoordigde economische waarde. Gras en andere vegetatie die door vreemde schapen werden opgegeten, konden niet meer door het vee van de gerechtigden worden benut. Bescherming van de meent was daarom bescherming van het boerenbedrijf.

2 oktober 1901 — De meenten lopen onder water

Niet alleen bestuurders bepaalden het ritme van het gemeenschappelijke grondgebruik. Ook het water kon ingrijpen. Tijdens de zware storm van 2 oktober 1901 liepen delen van de Gooise meenten onder water. Vee dat normaal nog buiten verbleef, moest daardoor voortijdig worden weggehaald. Zo'n gebeurtenis maakt duidelijk hoe kwetsbaar vooral de lage gemeenschappelijke weidegronden langs de voormalige Zuiderzee waren. De Erfgooiers moesten niet alleen afspraken maken over aantallen dieren en perioden van begrazing, maar voortdurend rekening houden met weer, waterstanden en overstromingen. Het traditionele landbouwsysteem van het Gooi was daardoor nauw verbonden met zowel de hogere zandgronden als de lager gelegen natte meenten.

1903 — Het Meenthek van Blaricum

Bij het Meenthek in Blaricum kwam in 1903 een veel ouder conflict over de zeggenschap over de gemeenschappelijke gronden tot uitbarsting. Ontevreden Erfgooiers wilden hun vee op de meent brengen en beschouwden dit als een recht dat hun als gerechtigden toekwam. Het bestuur probeerde dit tegen te houden. Om de orde te bewaren waren militairen aanwezig. Daardoor stond bij het hek niet alleen vee tegenover een gesloten toegang: twee opvattingen over het Erfgooierschap botsten er rechtstreeks. Aan de ene kant stond het bestuur van Stad en Lande, aan de andere kant gerechtigden die meenden dat hun oude rechten door datzelfde bestuur onvoldoende werden gerespecteerd.

Hendrik Smit — een Erfgooier wordt doodgeschoten

Tijdens de confrontatie bij het Meenthek werd geschoten. De 22-jarige Hendrik Smit uit Laren werd dodelijk getroffen. Zijn dood veranderde een Goois geschil over vee, bestuur en gebruiksrechten in een gebeurtenis die veel breder aandacht kreeg. De titel De dood van een erfgooier verwijst juist naar deze confrontatie. Achter de gebeurtenis lagen eeuwen van ontwikkeling. Rechten die ooit functioneerden binnen een overwegend agrarische samenleving moesten rond 1900 worden toegepast in een snel veranderend Gooi, waar grond steeds kostbaarder werd en het bestuur ingewikkelder. De dood van Smit werd daardoor een dramatisch symbool van de spanningen binnen de Erfgooiersgemeenschap zelf.

Floris Vos en de ontevreden Erfgooiers

Floris Vos werd een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de ontevreden gerechtigden. Dat maakt zijn positie bijzonder: hij stond niet buiten het Erfgooiersbestel, maar was zelf Erfgooier. Tegelijkertijd was hij verbonden met Oud-Bussem, een omvangrijk particulier landgoed. Vos verzette zich tegen de wijze waarop het bestuur van Stad en Lande met de gemeenschappelijke rechten en bezittingen omging. De strijd ging daarmee niet eenvoudig tussen arme boeren en rijke grondbezitters. Binnen de gemeenschap bestonden verschillende opvattingen over eigendom, bestuur en de bevoegdheden van de gerechtigden. Vos wist een beweging rond die onvrede te vormen en speelde een belangrijke rol in de hervormingsstrijd die uiteindelijk tot nieuwe wetgeving leidde.

Van het Meenthek naar de Erfgooierswet

De confrontatie van 1903 maakte duidelijk dat de bestaande bestuurlijke verhoudingen niet zonder verandering konden voortbestaan. De gerechtigden beschouwden de meenten als onderdeel van hun eeuwenoude rechten, terwijl Stad en Lande als organisatie regels moest stellen aan het gebruik en beheer. Daarbij waren de economische omstandigheden fundamenteel veranderd. Gooise grond werd steeds aantrekkelijker voor woningbouw, landgoederen, infrastructuur en andere bestemmingen. De oude agrarische gemeenschap kwam daardoor onder toenemende druk te staan. De beweging rond Floris Vos en de dood van Hendrik Smit vormden belangrijke onderdelen van deze strijd. In 1912 kreeg de organisatie met de Erfgooierswet uiteindelijk een nieuwe wettelijke grondslag.

Plaatsen waar het Erfgooiersverhaal nog zichtbaar is

Veel gebeurtenissen uit deze geschiedenis kunnen nog steeds aan concrete plaatsen worden verbonden. De Bouwvenen herinneren aan het grensgeschil met Eemnes; de Gooiergracht aan de afbakening van Holland en Utrecht; de Stachouwerweg aan verkeer over die grens. De Oostermeent, Hilversumse Meent en Naardermeent bewaren de herinnering aan gemeenschappelijke begrazing. De Hollandsche Rading herinnert aan het bewaken van de grens tegen vreemde kudden. Bij het Meenthek in Blaricum speelde zich de tragedie rond Hendrik Smit af. Oud-Bussem is verbonden met Floris Vos en Singer Laren met de herinnering aan de ontbinding van Stad en Lande.

Het landschap als archief van de Erfgooiers

Daarmee vormt het landschap zelf eigenlijk een tweede archief naast de geschreven bronnen. Grenzen die in de veertiende en zestiende eeuw onderwerp waren van oorlog en rechtszaken leven voort in watergangen en gemeentegrenzen. Veldnamen uit schaarbrieven herinneren aan de organisatie van de begrazing. Afgelegen stukken gemeentegrond kunnen alleen worden begrepen vanuit vroegere verdelingen tussen de Gooise dorpen. Wegen als de Stachouwerweg tonen dat bestuurlijke grenzen het dagelijkse verkeer niet afsloten. Zelfs nadat Stad en Lande in 1971 werd ontbonden, bleven zulke sporen bestaan. Wie Bouwvenen, Gooiergracht, meenten, oude wegen en grenszones gezamenlijk bekijkt, kan nog steeds delen van het eeuwenoude Erfgooierslandschap herkennen.

1346–1356 — Strijd aan de oostgrens van Gooiland

De gemeenschappelijke gronden van de Gooiers lagen niet in een gebied met vanzelfsprekende grenzen. Vooral aan de oostzijde, tegenover het Utrechtse Eemnes, ontstonden conflicten. Jan van Arkel, bisschop van Utrecht van 1342 tot 1364, liet in 1346 en 1348 het toen Hollandse gedeelte van Eemnes verwoesten. De grens tussen Holland en het Sticht bleef daardoor een politieke en militaire kwestie. In 1356 werd geprobeerd duidelijkheid te scheppen door een grenslijn vast te leggen. Een belangrijk oriëntatiepunt was de Leeuwenpaal; vandaar liep de grens in de richting van de Domtoren van Utrecht. Voor de Gooiers bepaalde deze grens mede waar hun gemeenschappelijke gebruiksgebied eindigde.

Vanaf 1470 — De Gooise grens voor de hoogste rechtbanken

De vaststelling van 1356 maakte geen einde aan de grensproblemen. Vanaf 1470 werden geschillen over de grens tussen Gooiland en het Utrechtse gebied zelfs behandeld voor centrale gerechtelijke instellingen: eerst de Geheime Raad in Gent en later de Grote Raad van Mechelen. Daarmee werd een plaatselijk conflict over heide, weiden en ontginningen onderdeel van de Bourgondisch-Habsburgse rechtspraak. Voor de Gooise bevolking ging het niet om een abstracte lijn op een kaart. Een verschuiving van de grens kon betekenen dat grond waarop men vee liet grazen, plaggen stak of andere gebruiksrechten uitoefende onder een andere landsheer of gemeenschap kwam te vallen. De strijd duurde generaties.

1535 — De Bouwvenen worden aan de Gooiers toegewezen

In 1535 kwam een belangrijke beslissing. Eemnessers hadden ten noorden van de Laarderweg grond ontgonnen voorbij de eerder vastgestelde grens. Het betrof de Bouwvenen, een gebied aan de oostzijde van Blaricum. Bij de nieuwe grensregeling moesten deze gronden aan de Gooiers worden afgestaan. Daarmee zien we de Gooise gemeenschap niet alleen als gebruikers van bestaande meenten, maar ook als partij in een territoriaal geschil over grond. De Bouwvenen werden vervolgens verdeeld tussen Naarden en de Gooise dorpen. Deze oude verdeling bleef eeuwen herkenbaar en zou pas bij de vorming van aaneengesloten gemeentegrenzen in de negentiende eeuw ingrijpend worden veranderd.

1535–1536 — De Gooiergracht maakt de grens zichtbaar

Om nieuwe conflicten tussen Gooiland en Eemnes te voorkomen werd de Gooiergracht gegraven. De watergang maakte een deel van de grens letterlijk zichtbaar in het landschap en liep vanuit de richting van de Eem naar de Laarderweg. Toch betekende de toewijzing van de Bouwvenen aan de Gooiers niet dat de Eemnessers er onmiddellijk verdwenen. In 1536 mochten zij de betreffende grond weer pachten. Daar stond tegenover dat de Gooiers hen verder met rust moesten laten. Eigendom, territoriale aanspraken en feitelijk grondgebruik konden dus naast elkaar bestaan. De Gooiergracht werd daarmee een tastbare herinnering aan eeuwenlange onderhandelingen over de oostgrens van het gemeenschappelijke Gooise landschap.

1626–1655 — Johan Stachouwer in het landschap van de Gooiers

In 1626 bezat Johan Stachouwer bij Blaricum al een huis met land en boomgaard, deels geërfd en deels aangekocht. Zijn hofstede lag bij de Bouwvenen, precies in het gebied dat een eeuw eerder onderwerp van het grensconflict met Eemnes was geweest. De oude Stachouwerweg liep vanaf het Franse Pad via het Stachouwerveld en vervolgens over de Gooiergracht naar Eemnes. In 1631 kocht Stachouwer bovendien Slot Ruysdael bij de Gooiergracht. In 1640 kocht hij voor 18.366 gulden Schiermonnikoog, waar hij heerlijke rechten verkreeg. Stachouwer overleed in 1655 en werd in Blaricum begraven.

De Schaardag — Wanneer mocht het vee de meent op?

Het gemeenschappelijke gebruik van de Gooise gronden was aan regels gebonden. Een belangrijk jaarlijks moment was de Schaardag, wanneer werd bepaald dat het vee weer naar de meenten mocht. Gewoonlijk gebeurde dat begin mei. Blaricum, Laren en Huizen maakten gebruik van de Oostermeent, terwijl Bussum en Hilversum de Hilversumse Meent gebruikten. Naarden beschikte over de Naardermeent, die zich richting Valkeveen uitstrekte. In de schaarbrief stonden niet alleen de datum en regels voor het gebruik, maar ook afzonderlijke kavels en gebiedsnamen. Genoemd worden onder andere Onder- en Bovennoord, Akkere, Bieskam, Doorn en Haar. Zo werd gemeenschappelijk gebruik nauwkeurig georganiseerd.

30 september 1718 — Vreemde schapen op de Gooise heide

Op 30 september 1718 ontstond een concreet conflict over wie de Gooise heide mocht gebruiken. Stichtse schaapherders waren met hun kudden het Gooise gebied binnengedrongen, terwijl de begrazing daar voor de schapen van de gerechtigde Gooiers was bestemd. De schout van Naarden stuurde vier dienaren, aangeduid als rakkers, naar de omgeving van de Hollandsche Rading. Een hond werd beschoten en een van de herders wist over de Utrechtse grens te ontsnappen. Een andere kudde werd echter in beslag genomen. Het incident laat zien dat de rechten van de Erfgooiers niet alleen op papier bestonden: zij werden in het landschap daadwerkelijk bewaakt en afgedwongen.

1718 — Willem Dirksz Smaldaat moet ƒ225 betalen

De inbeslaggenomen kudde bleek eigendom van Willem Dirksz Smaldaat. Om zijn dieren terug te krijgen moest hij een boete van maar liefst 225 gulden betalen. Cornelis Dirksz bood aan het bedrag gedurende veertien dagen voor te schieten, waarbij de hele kudde als onderpand zou dienen. Daarbovenop kwamen nog kosten: twee weken grazen kostte nog eens 12 gulden. De zaak maakt zichtbaar welke economische waarde achter de Erfgooiersrechten schuilging. Heide was geen waardeloze woeste grond. Zij leverde voedsel voor schapen en daarmee mest, wol en inkomsten. Wie zonder toestemming zijn dieren op Gooise grond liet grazen, maakte gebruik van een economische hulpbron die de gerechtigde gemeenschap voor zichzelf reserveerde.

1818–1824 — Oude gebruiksgronden worden gemeentegrond

Eeuwenlang bestond Gooiland uit een ingewikkelde ruimtelijke lappendeken. Aan de Zuiderzee lagen maatlanden, verder landinwaarts bevonden zich weiden en dichter bij de nederzettingen lagen engen en heiden. De gebruiksgebieden van Naarden en de Gooise dorpen hoefden daarbij niet netjes aan hun bebouwde kommen te grenzen. Vanaf 1818 verlangde de overheid echter territoriaal aaneengesloten gemeenten. Daardoor moest de oude Gooise grondverdeling worden herschikt. In 1824 vond een belangrijke grondruil plaats. Hilversum kreeg grond van Huizen bij Bussum en de Bussummer Eng en stond daartegenover maatlanden in de Oostermeent af. Eeuwenoude gebruiksverhoudingen werden zo vertaald naar moderne gemeentegrenzen.

De Hilversumse Meent bewaart het oude landschap

Een opvallend overblijfsel van deze geschiedenis is de Hilversumse Meent. Op een moderne kaart lijkt het merkwaardig dat dit gebied op enige afstand van de bebouwde kom toch bij Hilversum behoort. Dat wordt begrijpelijk wanneer naar de oude Erfgooiersgronden wordt gekeken. De dorpen bezaten en gebruikten gronden die verspreid door Gooiland konden liggen. De negentiende-eeuwse gemeentelijke herindelingen moesten deze historische lappendeken zoveel mogelijk omvormen tot bestuurlijk bruikbare territoria. De huidige grenzen bewaren daardoor soms nog sporen van middeleeuwse en vroegmoderne gebruiksrechten. Het landschap van de Erfgooiers leeft niet alleen voort in archiefstukken, maar ook in de merkwaardige vormen van de huidige Gooise gemeenten.

1899 — Harmen Vos en het jachtrecht

Aan het einde van de negentiende eeuw waren de oude rechten nog altijd onderwerp van strijd. In 1899 schoot Harmen Vos een haas. Hij meende dat hij als gerechtigde zelf jachtrecht op de gemeenschappelijke gronden bezat. Het bestuur dacht daar anders over en had het jachtrecht verpacht aan koningin-moeder Emma. Achter de geschoten haas ging daardoor een fundamentele vraag schuil: waren de gemeenschappelijke gronden werkelijk eigendom van de gerechtigden gezamenlijk, en welke bevoegdheden mocht het bestuur zelfstandig uitoefenen? Dergelijke conflicten vergrootten de tegenstelling tussen een deel van de Erfgooiers en het bestuur van Stad en Lande van Gooiland en vormden de achtergrond van de hervormingsstrijd rond 1900.

1902–1903 — Floris Vos wordt leider van het verzet

Een centrale figuur in die strijd werd Floris Vos, eigenaar van Oud-Bussem en zelf Erfgooier. Het landgoed Oud-Bussem was in 1825 door de familie Bredius verworven. Abraham Bredius verkocht het in 1902, samen met ongeveer 250 hectare grond, aan Van Woensel Kooy. In dezelfde periode liepen de spanningen binnen de Erfgooiersgemeenschap hoog op. Floris Vos verzette zich tegen het bestuur en groeide uit tot leider van de beweging van ontevreden gerechtigden. Het conflict draaide om veel meer dan vee alleen. Het ging om de vraag wie uiteindelijk mocht beslissen over de gemeenschappelijke gronden, hun opbrengsten en de eeuwenoude rechten die aan het Erfgooierschap waren verbonden.

1903 — De dood van Erfgooier Hendrik Smit

In 1903 bereikte het conflict een dramatisch hoogtepunt bij het Meenthek in Blaricum. Erfgooiers wilden hun vee op de gemeenschappelijke grond brengen, maar werden daarbij tegengehouden. Militairen waren ingezet om de orde te handhaven. Tijdens de confrontatie werd geschoten. De 22-jarige Hendrik Smit uit Laren werd dodelijk getroffen. Zijn dood maakte van een conflict over bestuur en gebruiksrechten een zaak die ver buiten het Gooi aandacht trok. Floris Vos speelde als leider van het verzet een prominente rol. Het incident liet zien hoe diep de tegenstelling binnen de eeuwenoude organisatie inmiddels was geworden en werd een belangrijk moment in de ontwikkeling naar een wettelijke regeling van het Erfgooiersbestel.

1906–1912 — Oud-Bussem en een veranderend Gooi

Ook Oud-Bussem veranderde in deze jaren. Architect K.P.C. de Bazel ontwierp er een nieuwe hofstede, die in 1906 gereedkwam. Floris Vos wist later liquidatie van de exploitatiemaatschappij af te dwingen en zette op een verkleind landgoed van ongeveer 118 hectare de melkproductie voort. In 1912 ontstond de NV Melkerij Hofstede Oud-Bussem. De geschiedenis raakt daarmee aan dezelfde veranderingen die ook de Erfgooiers ondervonden. Het Gooi veranderde snel door nieuwe landbouwbedrijven, villabouw, groeiende gemeenten en toenemende grondprijzen. De gemeenschappelijke gronden waren daardoor niet langer uitsluitend onderdeel van een traditionele agrarische economie, maar werden steeds waardevoller voor allerlei concurrerende belangen.

1912 — De Erfgooierswet

Na jaren van interne conflicten kwam in 1912 een wettelijke regeling tot stand: de Erfgooierswet. Daarmee werd geprobeerd duidelijkheid te scheppen over het bestuur van Stad en Lande en de positie van de gerechtigden. De dood van Hendrik Smit in 1903 en de beweging rond Floris Vos behoorden tot de gebeurtenissen die de noodzaak van hervorming zichtbaar hadden gemaakt. De wet betekende niet dat de eeuwenoude gemeenschap ophield te bestaan. Integendeel: de rechten werden in een moderne juridische vorm ondergebracht. Daarmee begon echter ook de laatste grote fase van het Erfgooiersbestel. De agrarische samenleving waaruit de rechten waren voortgekomen veranderde in de twintigste eeuw steeds sneller.

1971 — Het einde van Stad en Lande

In 1971 besloten de Erfgooiers uiteindelijk tot ontbinding van Stad en Lande van Gooiland. Daarmee kwam institutioneel een einde aan een gemeenschap waarvan de wortels vele eeuwen teruggingen. De gebeurtenis werd ook cultureel gemarkeerd. In december 1971 vond in Singer Laren een grote tentoonstelling over de Erfgooiers plaats. Kunstenaar Gé Lanphen vervaardigde daarvoor uit een zware eiken stam de zogenaamde Erfgooiersboom. Die boom werd een passend symbool voor een gemeenschap die haar rechten ontleende aan een zeer oud gezamenlijk gebruik van het Gooise landschap. De organisatie verdween, maar sporen ervan bleven aanwezig in grenzen, wegen, meenten, archieven, veldnamen en het landschap zelf.

Van grenspaal tot Erfgooiersboom

De aanvullende verhalen uit De dood van een erfgooier laten vooral zien hoe tastbaar het Erfgooierschap was. De grensstrijd van 1346–1536 bepaalde waar de Gooiers hun rechten konden uitoefenen. De Gooiergracht legde zo'n grens letterlijk in het landschap vast. De zaak van 1718 toont hoe streng vreemde begrazing werd bestreden. De grondruilen van 1824 verklaren merkwaardige moderne gemeentegrenzen. De conflicten rond Harmen Vos, Floris Vos en Hendrik Smit tonen vervolgens hoe moeilijk de oude rechten zich lieten aanpassen aan een veranderende samenleving. Van de Leeuwenpaal en Bouwvenen tot de Hilversumse Meent bleven eeuwenoude gemeenschappelijke rechten het landschap van Gooiland bepalen.

Ja. Ik heb deel 23–25 opnieuw langs de oorspronkelijke tekst van Enklaar gelegd, en er ontbreken nog een paar wezenlijke punten. Bovendien moet ik één formulering uit deel 23 corrigeren: de eerste schaarbrief moet preciezer worden behandeld vanuit wat Enklaar daadwerkelijk over die oudste regeling zegt. De tweede en derde schaarbrief hadden we grotendeels goed en volledig.

Aanvulling deel 23 — Hoevebezit alleen maakte iemand nog geen markegenoot

Een belangrijk onderscheid moet scherper worden aangebracht. Bij de ontwikkeling naar 1442 blijkt dat er inmiddels mensen van buiten Gooiland waren komen wonen die er grond en hoeven hadden verworven. Zij probeerden op grond van dat bezit aanspraak op de marke te maken. Juist daartegen kwamen de oorspronkelijke Gooiers in verzet. De tweede schaarbrief bewijst daarmee achteraf dat het gebruiksrecht niet eenvoudig aan een stuk grond vastzat. Enklaar noemt veltslach uitdrukkelijk een persoonlijk recht, waaraan vervolgens de eis van een aangeërfde hoeve werd verbonden. De markegemeenschap bestond dus uit gerechtigde personen en was niet eenvoudig een vereniging van Gooise grondeigenaren.

Dat is belangrijk voor het latere begrip Erfgooier. De Gooiers wilden volgens Enklaar de marke, die zij „van hun vaderen geërfd hadden”, voor zichzelf behouden. Mensen konden dus in Gooiland wonen, grond bezitten en economisch volledig deel uitmaken van een dorp of stad, zonder daarom dezelfde rechten op de gemeenschappelijke gronden te verkrijgen. Hier ontstaat steeds duidelijker de scheiding tussen de gewone inwoner van Gooiland en degene die tot de erfelijk gerechtigde gemeenschap behoorde. Het woord Erfgooier wordt daarmee nog niet simpelweg gedefinieerd, maar de juridische bouwstenen van die latere status worden in de vijftiende eeuw zichtbaar.

Aanvulling deel 24 — „Koters” is Enklaars aanduiding voor de indringende nieuwkomers

Ook het woord koters verdient meer uitleg. Enklaar gebruikt het voor de nieuwelingen die zich volgens de oude markegenoten „in de marke indrongen”. Het conflict ging dus niet uitsluitend over arme bewoners zonder grond. Onder de nieuwkomers bevonden zich juist mensen die een hoeve en land konden verwerven en daarmee economisch aanzienlijk konden zijn. Dat blijkt nog duidelijker uit het compromis van 1442: nieuwe Naardense burgers konden wel degelijk schaarrecht krijgen wanneer zij minimaal 400 rijders bezaten. Het probleem was daarom in de eerste plaats hun ontbreken van de vereiste erfelijke band met de bestaande Gooise gemeenschap, niet noodzakelijk hun maatschappelijke armoede.

Aanvulling deel 24 — Naarden en de dorpen hadden tegengestelde belangen

De tegenstelling tussen Naarden en de Gooise dorpen moet nadrukkelijker in het verhaal. Naarden was volgens Enklaar „er op uit haar burgerij uit te breiden”. Omdat aan het Naardense poorterschap oorspronkelijk schaarrecht verbonden was, betekende iedere nieuwe poorter potentieel ook een nieuwe gebruiker van de gemeenschappelijke gronden. Voor de overige Gooiers was dat nadelig: hun marke moest met steeds meer mensen worden gedeeld. De regeling van 1442 was daarom letterlijk een compromis. Naarden mocht nieuwe burgers blijven opnemen, maar alleen vermogende nieuwkomers konden nog via het poorterschap tevens toegang tot de meente verkrijgen.

Daarmee verschijnt een spanning die later opnieuw terugkeert. Stedelijke bevolkingsgroei en het belang van de gezamenlijke markegenoten waren niet hetzelfde. Naarden had belang bij nieuwe inwoners, ambachtslieden en kapitaalkrachtige burgers; de bestaande gerechtigden hadden belang bij een zo beperkt mogelijk aantal gebruikers van dezelfde weiden en heiden. De schaarbrief van 1442 probeerde beide belangen te verzoenen door het oude automatische verband tussen poorterschap en schaarrecht te verbreken zonder nieuwe toetreding volledig onmogelijk te maken.

Aanvulling deel 24 — Het huwelijk met een Naardens poorterskind

De bepaling over de 300 rijders verdient eveneens precisering. Enklaar schrijft dat een buitenlander slechts met een Naardens „poirterskynd” mocht trouwen wanneer hij minstens 300 rijders bezat. Vervolgens moest een commissie van zes van de rijkste burgers van Naarden vaststellen of hij werkelijk aan deze vermogenseis voldeed. Pas wanneer dat was aangetoond, mocht hij veltslach doen. Huwelijk kon dus een toegangspoort tot de gerechtigde gemeenschap vormen, maar Naarden en de marke bouwden er een financiële drempel omheen. Afstamming, huwelijk, burgerschap en vermogen raakten daardoor rechtstreeks met elkaar verbonden.

Aanvulling deel 24 — De twee kloosters waren echte uitzonderingen

Het zusterconvent van Naarden had al in 1418 van de stad vrij poorterschap ontvangen met zoveel scharing als „twee paer volcx houdt”. Dat recht werd in 1442 gehandhaafd. Daarnaast bezat het klooster te Oud-Naarden eveneens een dubbel schaarrecht. Deze uitzonderingen zijn belangrijk omdat ze aantonen dat niet ieder meentrecht volgens dezelfde erfelijke regels functioneerde. Institutionele privileges konden naast de persoonlijke rechten van markegenoten blijven bestaan. We moeten de ontwikkeling van het Erfgooiersrecht daarom niet voorstellen als één plotseling ingevoerd erfelijk systeem, maar als een historische opeenstapeling van persoonlijke, familiale, stedelijke en institutionele rechten.

Aanvulling deel 25 — De volle schaar bleef aan het huishouden verbonden

Bij weduwen en wezen moet één verschil goed zichtbaar blijven. Een kinderloze langstlevende kreeg slechts gedurende het eerste jaar een halve schaar. Wanneer er kinderen waren en de langstlevende met hen in de ongedeelde boedel bleef, bleef de volle schaar bestaan. Voor wezen gold hetzelfde beginsel: één gerechtigd weeskind beneden achttien jaar dat in het ouderlijke goed bleef, kreeg een halve schaar; meerdere wezen die gezamenlijk in de ongedeelde ouderlijke boedel bleven, behielden samen een volle schaar. Het recht volgde dus niet uitsluitend een individuele persoon, maar hield ook rekening met het voortbestaan van de economische huishouding.

Aanvulling deel 25 — Handhaving was deels een zaak van de gerechtigden zelf

De boeteregeling geeft ons bovendien een veel concreter beeld van het dagelijkse markebestuur. In bepaalde gevallen mocht alleen iemand die minstens 100 rijders bezat een overtreding bekeuren. Elders konden twee Naardense poorters, twee dorpsburen die vermoedelijk gezamenlijk vier scharen bezaten, of een combinatie van één poorter en één buur optreden. De aanbrenger had daar financieel belang bij: twee derde van de boete kwam hem toe. Het overige derde deel ging naar de baljuw als vertegenwoordiger van de landsheer. De gemeenschap controleerde zichzelf dus gedeeltelijk, terwijl de landsheer financieel en juridisch in het systeem aanwezig bleef.

Aanvulling deel 25 — De schaarzetters veranderden van positie

Ook de schaarzetters, in 1442 tevens buurmeesters genoemd, laten een ontwikkeling zien. In de eerste schaarbrief was nog sprake van een bezoldiging van de schaarzetters. In de tweede schaarbrief vindt Enklaar daarvan niets meer terug. Hij noemt dit samen met de uitvoerige bepalingen over weduwen, wezen, vermogenseisen, bekeuringen en boeten als teken dat de oorspronkelijke eenvoudige regeling inmiddels aanzienlijk ingewikkelder was geworden. De marke was in de vijftiende eeuw geen losse gewoontegemeenschap meer, maar een instelling met gedetailleerde regels voor toetreding, gebruik, opvolging en handhaving.

Aanvulling deel 25 — Waarom juist Stichtenaren werden geweerd

De derde schaarbrief van 1455 was geen geheel nieuw stelsel, maar uitdrukkelijk een aanvulling op de voor 75 jaar gesloten regeling van 1442. De uitzonderlijk hoge boete van 200 rijders gold zowel voor het toelaten van een Stichtenaar als burger of buur als voor het ongeoorloofd voortzetten van meentrecht door een Stichtse weduwe. Enklaar trekt daaruit een interessante conclusie: blijkbaar kwam het overgrote deel van de koters uit het Sticht Utrecht. De anti-koterbepalingen waren dus niet abstract. Zij reageerden op een concrete migratiestroom vanuit het aangrenzende Sticht naar het economisch aantrekkelijke Gooiland.

Een Stichtse vrouw die met een Naardense burger of Gooier was getrouwd, verloor als weduwe haar meentrecht. Zij kon het alleen behouden of opnieuw verkrijgen wanneer zij met een Gooise stedeling of dorpeling hertrouwde. Daarmee probeerde de gemeenschap te verhinderen dat via huwelijk een blijvende zelfstandige Stichtse lijn binnen de marke ontstond. Dit is een belangrijke stap naar het latere erfelijke karakter van de Erfgooiersgemeenschap: niet alleen bezit en woonplaats, maar ook afkomst en familieverbindingen gingen bepalen wie blijvend tot de gerechtigde kring behoorde.

Controle van deel 23–25

Na deze tweede controle staan nu de essentiële elementen uit deze passages erin: eerste, tweede en derde schaarbrief; schaarzetters/buurmeesters; hoevebezit; aangeërfd bezit; persoonlijk veltslachrecht; koters; Naardens poorterschap; 400 rijders; huwelijk en 300 rijders; zes rijke burgers; zusterconvent van Naarden; klooster Oud-Naarden; dubbele scharing; weduwen; kinderen; wezen beneden achttien jaar; ongedeelde boedel; 100 rijders voor bekeuring; poorters en buren als handhavers; verdeling van boeten; baljuw; 200 rijders; Stichtenaren en Stichtse vrouwen.

Eén belangrijk punt bewaren we bewust voor de volgende delen en voegen we niet kunstmatig aan 23–25 toe: de regeling van 1442 stelde uiteindelijk een schaar van acht beesten vast. Dat wordt later cruciaal wanneer bevolkingsgroei tot nieuwe conflicten leidt, waarna het Hof van Holland in 1546 een verlaging tot zes beesten oplegt. Daarna volgen het geschil tussen Hilversum en Laren tegenover Naarden, Huizen en Blaricum, het arrest van 1 juli 1520, de overeenkomst van 1521 en uiteindelijk de vierde schaarbrief van 1 mei 1568.

Deel 23 — De eerste schaarbrief en het regelen van de meente

Toen de Gooise marke eenmaal bestond, moest worden bepaald hoeveel vee iedere gerechtigde op de gemeenschappelijke weiden mocht brengen. Daarvoor dienden de schaarbrieven. Een schaar was dus geen stuk grond, maar de hoeveelheid vee die een gerechtigde op de meente mocht laten grazen. De oudste regeling die Enklaar behandelt, de eerste schaarbrief, toont volgens hem nog een betrekkelijk eenvoudige toestand. Het gebruik van de meente was verbonden met het bezit van een hoeve en met het behoren tot de kring van gerechtigde markegenoten. De gemeenschap probeerde daarmee overbeweiding te voorkomen en tegelijk te bepalen wie werkelijk tot de Gooise marke behoorde.

De uitvoering lag bij functionarissen die in de bronnen schaarzetters worden genoemd. Later komt voor hen ook de naam buurmeesters voor. Zij regelden het daadwerkelijke gebruik van de gemeengronden en moesten erop toezien dat niemand meer dieren liet grazen dan waarop hij recht had. In de eerste schaarbrief blijkt nog dat deze schaarzetters voor hun werkzaamheden een bezoldiging ontvingen. Bij de tweede schaarbrief van 1442 is daarvan niets meer te vinden. Voor Enklaar is dit een van de aanwijzingen dat de organisatie van de marke zich tussen beide regelingen verder had ontwikkeld en ingewikkelder was geworden.

Het uitgangspunt was dat een gerechtigde zijn bestaan mede op de gemeenschappelijke gronden kon baseren. Dat recht was echter niet onbeperkt. Het aantal dieren werd aan een vaste schaar gekoppeld, terwijl bijzondere huishoudelijke omstandigheden aanleiding konden geven tot een grotere of kleinere aanspraak. Daarmee veranderde een oud collectief gebruiksrecht geleidelijk in een nauwkeurig gereglementeerd systeem. De marke was dus geen terrein waarop iedere Gooier naar eigen inzicht vee kon laten lopen. Zij kende regels, toezichthouders en sancties. Juist deze organisatie verklaart waarom later zo scherp moest worden vastgesteld wie gerechtigd was en wie als buitenstaander of koter van het gemeenschappelijk gebruik moest worden uitgesloten.

Achter deze regelingen lag voortdurend het beginsel van de ondeelbaarheid van de marke. De meenten konden administratief over Naarden en de dorpen zijn verdeeld, maar de rechten van de markegenoten waren niet eenvoudig plaatselijk eigendom geworden. Dat zou later tot conflicten leiden, omdat inwoners van het ene dorp gebruik konden maken van gemeengronden bij een ander dorp. De schaarbrief moest daarom twee problemen tegelijk oplossen: hoeveel vee mocht een gerechtigde houden én wie mocht zich überhaupt gerechtigde noemen? Vooral die tweede vraag werd in de vijftiende eeuw steeds belangrijker doordat mensen van buiten Gooiland zich in stad en dorpen vestigden en eveneens aanspraak op de meente begonnen te maken.

Deel 24 — De tweede schaarbrief van 1442 sluit nieuwkomers buiten

De beslissende aanscherping kwam met de tweede schaarbrief van 1442. Deze werd door het stadsbestuur van Naarden en de buurmeesters van de vier Gooise dorpen vastgesteld voor een uitzonderlijk lange termijn van 75 jaar. Het bezit van een hoeve bleef noodzakelijk, maar voortaan was bezit alleen onvoldoende. Men moest de hoeve „van sijn ouders aengeerfft” hebben. Daarmee werd erfelijke afstamming een wezenlijk onderdeel van de toegang tot de marke. Iemand die van buiten kwam, in Gooiland grond kocht en een hoeve bezat, werd daardoor niet automatisch gerechtigd om vee op de gemeenschappelijke gronden te laten grazen.

De schaarbrief spreekt over degenen „die veltslach doen moghen opter gemeenten”. Enklaar beschouwt veltslach als een andere uitdrukking voor het gebruik van de meente. Daaruit trekt hij een belangrijke juridische conclusie: het recht was persoonlijk, maar daaraan was tegelijkertijd de verplichting verbonden een aangeërfde hoeve te bezitten. Grondbezit alleen schiep dus geen schaarrecht. Er waren inmiddels mensen van buiten Gooiland gekomen die grond en hoeven hadden verworven en op basis daarvan toegang tot de marke verlangden. De oorspronkelijke Gooiers probeerden dat tegen te houden. Zij beschouwden de gemeenschappelijke rechten als iets dat zij van hun vaderen hadden geërfd.

Enklaar noemt deze nieuwkomers koters. Vooral in Naarden vormden zij een probleem. De stad wilde haar burgerij uitbreiden en het Naardense poorterschap had oorspronkelijk schaarrecht meegebracht. Dat maakte het aantrekkelijk zich als nieuwe burger in Naarden te vestigen: wie poorter werd, kon daardoor tevens markegenoot worden. De inwoners van de Gooise dorpen zagen deze groei met zorg aan. Iedere nieuwe gerechtigde betekende immers extra vee op dezelfde hoeveelheid gemeenschappelijke weidegrond. De tweede schaarbrief was daarom tevens een compromis tussen de belangen van de stad, die nieuwe burgers wilde aantrekken, en de belangen van de bestaande Gooise markegenoten, die hun gemeenschappelijke gebruiksrechten wilden beschermen.

Voortaan kreeg een nieuwe burger van Naarden slechts schaarrecht wanneer hij minstens 400 rijders bezat. Ook een buitenlander die met een „poirterskynd” van Naarden wilde trouwen, werd aan een vermogenseis onderworpen. Hij moest minstens 300 rijders gegoed zijn. Of dat werkelijk zo was, moest eerst worden vastgesteld door een commissie van zes van de rijkste burgers. Pas daarna mocht hij veltslach doen. Enklaar ziet hierin een duidelijk plutocratisch beginsel: naast afstamming en geërfd grondbezit kon voor bepaalde groepen ook aanzienlijk vermogen bepalend worden voor toegang tot de economische voordelen van de meente.

Er bestonden bovendien bijzondere collectieve rechten. In 1418 had Naarden aan het zusterconvent in de stad vrij poorterschap gegeven met „alzoevele scharinge, als twee paer volcx houdt”. De tweede schaarbrief erkende dit recht opnieuw. Ook het klooster te Oud-Naarden behield een dubbel schaarrecht. Kerkelijke instellingen konden dus eveneens gerechtigd zijn tot gebruik van de gemeenschappelijke gronden. Dat onderstreept hoe weinig het latere Erfgooiersrecht met één simpele regel kan worden verklaard: afstamming, hoevebezit, poorterschap, vermogen, huwelijk, kloosterprivileges en oude persoonlijke rechten liepen door elkaar en moesten in 1442 in één systeem worden samengebracht.

Deel 25 — Weduwen, wezen, boeten en de derde schaarbrief van 1455

De tweede schaarbrief regelde ook wat er gebeurde wanneer een gerechtigd huishouden door overlijden veranderde. De langstlevende van een kinderloos echtpaar dat schaarrecht bezat, mocht gedurende het eerste jaar een halve schaar behouden. Waren er kinderen en bleef de weduwnaar of weduwe met hen in de ongedeelde boedel, dan behield het gezin de volledige schaar. Een gerechtigd weeskind beneden achttien jaar dat in het ouderlijk goed bleef, had recht op een halve schaar. Bleven meerdere wezen gezamenlijk in de ongedeelde ouderlijke boedel wonen, dan hielden zij samen de volle schaar. Zo werd ook het voortbestaan van een huishouden juridisch in de markeregels verwerkt.

Ten opzichte van de eerste schaarbrief veranderde ook het dubbele schaarrecht. Waar dat eerder op twee beesten was gesteld, werden het er nu drie. Daarnaast bevatte de regeling veel meer verbodsbepalingen en nauwkeurig vastgestelde boeten. In bepaalde gevallen mocht alleen iemand bekeuren die voor minstens 100 rijders gegoed was. Elders konden twee Naardense poorters, twee dorpsburen die samen vermoedelijk vier scharen bezaten, of een poorter en een buur gezamenlijk optreden. Van een opgelegde boete ging een derde naar de baljuw, als vertegenwoordiger van de landsheer, en twee derde naar de aanbrenger.

Daarmee zien we hoe sterk de marke inmiddels was gereglementeerd. De landsheer stond niet buiten dit systeem: via zijn baljuw ontving hij een deel van de boeten. Tegelijk werd de handhaving voor een belangrijk gedeelte door de gerechtigden zelf gedragen. Enklaar ziet in de vermogenseisen opnieuw hetzelfde plutocratische element dat ook bij de nieuwe Naardense poorters zichtbaar was. De oorspronkelijke eenvoudige organisatie van hoeven, vee en schaarzetters was veranderd in een stelsel waarin afkomst, bezit, gezinssituatie, plaats van vestiging en vermogen allemaal konden bepalen of iemand zijn recht mocht uitoefenen en of hij anderen wegens overtreding van de regels mocht aanspreken.

Toch vonden de bestaande Gooiers de regeling van 1442 kennelijk nog onvoldoende om vreemde elementen buiten de gemeenschap te houden. Daarom volgde in 1455 de derde schaarbrief. Enklaar noemt deze eigenlijk slechts een aanvulling op de tweede, die immers voor 75 jaar was aangegaan. De strekking was duidelijk: de marke verder afsluiten voor buitenstaanders. Op een uitzonderlijk zware boete van 200 rijders werd verboden dat een Stichtenaar burger van Naarden of buur van een Goois dorp werd. De herkomst uit het naburige Sticht Utrecht werd daarmee rechtstreeks een reden om toegang tot de Gooise gemeenschap te verhinderen.

Ook het huwelijk werd geregeld. Een Stichtse vrouw die met een Naardense burger of Gooier was getrouwd en vervolgens weduwe werd, mocht haar meentrecht niet behouden. Alleen wanneer zij opnieuw trouwde met een Gooise stedeling of dorpeling kon zij binnen de gerechtigde gemeenschap blijven. Enklaar verbindt deze bepaling rechtstreeks met het koterprobleem: blijkbaar was een groot deel van de nieuwkomers die de oude Gooiers uit de marke wilden weren afkomstig uit het Sticht Utrecht. De grens tussen Holland en Utrecht was daardoor niet alleen een politieke en territoriale grens, maar werd in 1455 ook een grens die bepaalde wie toegang kon krijgen tot de economische rechten van de Gooise meente.

De tweede en derde schaarbrief laten daarmee een ontwikkeling zien die voor de latere Erfgooiers fundamenteel werd. Het recht op de meente werd steeds sterker gekoppeld aan erfelijkheid en behoren tot de bestaande Gooise gemeenschap. Tegelijk was het nog geen eenvoudig afstammingsrecht: men moest rekening houden met aangeërfde hoeven, poorterschap, woonplaats, huwelijk, vermogen, gezin en oude uitzonderingsprivileges. Juist de poging om deze kring steeds scherper af te sluiten zou nieuwe conflicten veroorzaken. De volgende fase brengt ons daarom bij de koters, de juridische positie van de markegemeenschap en uiteindelijk de grote botsing met Karel de Stoute over eigendom en gebruiksrecht van de Gooise gronden.

Ja. Na controle van het slot van hoofdstuk IV ontbreken vooral een paar concrete gegevens in deel 21 en 22. Die zijn belangrijk genoeg om als aanvulling te bewaren.

Aanvulling deel 21 — Karel de Stoute werd in 1462 daadwerkelijk heer van Gooiland

De overgang naar Karel de Stoute kan veel preciezer worden gedateerd. Enklaar schrijft dat Karel waarschijnlijk begin 1462 door zijn vader Philips de Goede met Gooiland werd begiftigd. Op 5 februari 1462 benoemde Karel al de gebroeders Van Nijenrode tot baljuwen van Gooiland; zij oefenden het ambt gezamenlijk uit. In hetzelfde jaar werd Karel door de Gooiers als heer gehuldigd. Daarmee was Gooiland opnieuw een afzonderlijk bezit binnen de Bourgondische dynastie geworden. Juist die situatie verklaart waarom de inwoners onmiddellijk probeerden te voorkomen dat hun gebied blijvend van het graafschap Holland zou worden losgemaakt.

Aanvulling deel 21 — Het verzoek van de Gooiers van 25 augustus 1462

Op 25 augustus 1462 verklaarde Karel dat zijn „gemeyne goede luden ende ondersaten” van de steden, dorpen en het land van Gooiland hem tijdens hun recente huldiging nederig hadden gevraagd het slot van Muiden én steden, dorpen en land van Gooiland nooit van het graafschap Holland te scheiden of te vervreemden. Zij benadrukten dat Gooiland al „van zere langhe iaren” met Holland verbonden was. Karel willigde hun verzoek in. Enklaar kan hun precieze motieven niet meer achterhalen, maar vermoedt dat rechtstreeks ressorteren onder de graaf voor de Gooiers voordeliger was dan behoren tot de apanage van een dynastielid.

Dit is dus sterker dan we in deel 21 formuleerden. Het ging niet alleen om een algemeen Bourgondisch beginsel van onvervreemdbaarheid. De Gooiers zelf namen in 1462 het initiatief en verbonden hun verzoek aan hun huldiging van Karel. Bovendien omvatte de toezegging nadrukkelijk het Muiderslot. Enklaar stelt vervolgens vast dat Gooiland sindsdien nooit meer van Holland is vervreemd. Daarmee is 25 augustus 1462 een belangrijk politiek ankerpunt in het Erfgooiersverhaal: de gemeenschap verdedigde niet alleen gebruiksrechten op de meenten, maar trad ook gezamenlijk tegenover haar heer op over de staatkundige positie van het gehele Gooise gebied.

Aanvulling deel 22 — De dorpen weigerden eind vijftiende eeuw vestingwerk

Bij de verdediging van Naarden ontbreekt nog een belangrijk conflict. Tegen het einde van de vijftiende eeuw waren de Gooise dorpelingen kennelijk weinig bereid hun oude verplichting tot onderhoud van de Naardense vesting na te komen. Daarom moest Jan van Egmond, stadhouder van Holland, in 1489 een gezworen bode of deurwaarder van het Hof van Holland naar de Gooise dorpen sturen. Hij moest de bewoners eraan herinneren dat zij verplicht waren Naarden te helpen verdedigen en de vestingwerken te onderhouden. De militaire verplichting uit de veertiende eeuw bestond dus meer dan een eeuw later nog steeds.

De opdracht van 1489 vertelt zelfs wat de Gooiers moesten doen. Zij moesten de vesten van Naarden helpen uitdiepen en schoonmaken en staketten slaan en stellen. Daarmee krijgen we volgens Enklaar een zeldzame indruk van de fysieke verdedigingswerken rond de stad: grachten en houten verdedigingsconstructies moesten gezamenlijk worden onderhouden. De stedelingen konden dat niet alleen. De grensvesting was immers bedoeld om heel Gooiland en uiteindelijk Holland te beschermen. De verplichting van de dorpsbewoners was daarom geen vrijwillige hulp aan Naarden, maar onderdeel van hun landsheerlijke verplichtingen als bewoners van het Gooise platteland.

Aanvulling deel 22 — In 1491 stortten delen van de vesting in

Het bevel van 1489 had weinig effect. Slechts twee jaar later, in 1491, moest de opdracht worden herhaald. In de voorafgaande winter waren namelijk verschillende vakken en stukken van de vesting ingestort en in de grachten terechtgekomen. De inwoners van Naarden konden de schade niet zonder hulp herstellen. Enklaar benadrukt waarom de overheid ingreep: men kon een grensvesting als Naarden niet zonder gevaar voor geheel Holland onbeschermd laten liggen. Het laat tegelijk zien dat de militaire verbondenheid tussen stad en Gooise dorpen niet alleen op papier bestond; de dorpsbewoners moesten daadwerkelijk arbeid leveren aan wallen, grachten en staketten.

Aanvulling deel 20 — Aelmanszoons grensonderzoek liep door tot 1527

Bij Pieter Aelmanszoon/Petrus Aelmannus moet één detail scherper worden gehouden. Zijn onderzoeksreizen vonden plaats van 1525 tot 1527, maar Enklaar vermeldt dat een grensomschrijving uit 1567 nog vrijwel geheel overeenkwam met de oudere afbakening. Alleen de onvindbaar geworden hofstede van Elten werd toen niet langer als grenspunt gebruikt. Het werk van Aelmanszoon hoort daarom niet alleen bij antiquarische belangstelling. Het stond midden in een langdurige juridische strijd over de Gooise grenzen, die ook na zijn onderzoek bleef voortbestaan.

Zelfs nadat Karel V in 1528 de soevereiniteit over het Sticht Utrecht van de bisschop had overgenomen en Holland en Utrecht daardoor dezelfde vorst kregen, verdwenen de grensconflicten niet. In het midden van de zestiende eeuw waren er processen rond De Vuursche en in de jaren 1560 rond de venen van Maartensdijk, de zogenoemde Oostveensche landen. Aelmanszoon had tegenover Gijsbert Lap beweerd dat de Gooiers zich niet erg meer om de venen bekommerden omdat die grotendeels waren weggegraven. Enklaar merkt droog op dat dit kennelijk niet waar was: juist de venen bleven voortdurend aanleiding geven tot ruzie.

Lap vertelde bovendien dat Stichtse bewoners bij Drenschot, aan het uiterste van het Gooierbosch tegenover De Vuursche en Drakenstein, over de gegraven grensgreppel heen turf staken. Hij had hen daar zelf op aangesproken: zij groeven volgens hem te ver Gooiland in. De turfgravers antwoordden dat hun pachters het niet verboden, de Gooiers hen niet tegenhielden en dat zij zouden doorgaan totdat hun pachters het verboden of de Gooiers hen met geweld kwamen wegjagen. Daarmee krijgen we een bijzonder concreet beeld van wat een middeleeuwse of vroeg-zestiende-eeuwse grensstrijd in het dagelijks landschap betekende.

Deze aanvullingen maken deel 20–22 compleet voor hoofdstuk IV. Vooral 5 februari 1462, 25 augustus 1462, de gebroeders Van Nijenrode, Jan van Egmond, 1489 en 1491 moesten nog worden toegevoegd. Vanaf deel 23 kunnen we dus werkelijk door naar het volgende grote blok: de schaarbrieven en de regeling van het daadwerkelijke gebruik van de Gooise meenten.

Deel 20 — De secretaris van Naarden en het bestuur van Gooiland

Onder de Bourgondische vorsten werd Naarden steeds meer het administratieve middelpunt van Gooiland. Naast baljuw, schout, schepenen, bode en schutter kreeg vooral het secretariaat betekenis. De stadssecretaris stelde akten op, hield stukken bij en raakte daardoor betrokken bij zaken die veel verder gingen dan het dagelijkse stadsbestuur. Dat was belangrijk omdat Naarden niet losstond van het omliggende land. Talrijke kwesties betroffen tegelijk stad, dorpen, marke en landsheer. De secretaris beschikte bovendien over geschreven privileges en oude bewijsstukken die bij conflicten over rechten en grenzen konden worden gebruikt. Zo groeide binnen Naarden een administratieve kennislaag rond de rechten van geheel Gooiland.

Een van de belangrijkste latere vertegenwoordigers daarvan was Pieter Aelmanszoon, die zijn naam ook als Petrus Aelmannus latiniseerde. Hij was stadssecretaris van Naarden en ondernam in 1525–1527 uitgebreide onderzoekstochten om de grenzen tussen Gooiland en het Sticht Utrecht vast te stellen. Enklaar gebruikt zijn verslagen op verschillende plaatsen als historische bron. Aelmanszoon bezocht grenspunten, sprak oude inwoners en andere getuigen, controleerde plaatselijke overleveringen en probeerde verdwenen grensmerken terug te vinden. Zijn werk toont hoe een Naardense stadsfunctionaris kon optreden in een aangelegenheid die niet uitsluitend Naarden, maar het gehele Gooise landschap en de rechten van zijn bewoners raakte.

Aelmanszoons onderzoek reikte zelfs buiten Holland en Utrecht. Hij reisde naar de abdij Selwerd bij Groningen, waar hij sprak met zijn landgenoot Gijsbert Lap, vroeger monnik van Oostbroek bij Utrecht. Hij vroeg hem onder andere naar de verdwenen hofstede van Elten. Lap meende dat deze tussen de Steenstraat, de weg van Utrecht naar De Bilt, en het Gooierbosch had gelegen, in de heerlijkheid Over de Vecht, ongeveer bij het latere Blauwkapel. Aelmanszoon ging daarna zelf ter plaatse kijken en vond resten die hij als vestigia van een groot versterkt complex beschouwde, met grachten, fundamenten van een zware toren en een ridderzaal.

Enklaar waarschuwt echter dat Aelmanszoon waarschijnlijk niet werkelijk de oude Eltensche hofstede had teruggevonden. Juist zijn verslag is waardevol omdat het laat zien hoe men in de zestiende eeuw historische documenten, mondelinge herinneringen en onderzoek in het landschap combineerde. Aelmanszoon was volgens Enklaar in feite een enthousiaste dilettant-archeoloog. De grensonderzoeken tonen tegelijkertijd hoe belangrijk schriftelijke administratie was geworden. Eeuwenoude rechten van Gooiland moesten tegenover Utrecht niet alleen worden verdedigd door te zeggen dat zij „van oudsher” bestonden; men zocht actief naar oorkonden, getuigen, grensstenen, wegen, waterlopen, ruïnes en andere materiële aanwijzingen om die aanspraken te ondersteunen.

Deel 21 — Gooiland mocht niet van Holland worden afgescheiden

De bijzondere geschiedenis van Gooiland verklaart waarom de verhouding met de landsheer gevoelig bleef. Sinds 1280 berustte de Hollandse macht uiteindelijk op de overeenkomst met Elten, maar daarna was het gebied verschillende malen afzonderlijk behandeld. Het had tijdelijk onder de bisschop van Utrecht gestaan en was later als bezit of apanage aan leden van het grafelijke huis toegewezen. Jan van Beieren was zelf heer van Gooiland geweest. Zulke ervaringen maakten de vraag belangrijk of een Hollandse graaf het gebied opnieuw aan iemand anders kon overdragen. Voor de bevolking was immers van belang onder welke heer hun privileges, rechtspraak en gemeenschappelijke gebruiksrechten zouden vallen.

Onder de Bourgondische vorsten werd daarom het beginsel belangrijk dat Gooiland bij Holland moest blijven. Dit sloot aan bij een bredere ontwikkeling waarin steden en landschappen zich tegen vervreemding van delen van het graafschap verzetten. Voor Gooiland betekende dat bescherming tegen een situatie waarin het gebied als afzonderlijke heerlijkheid aan een andere heer kon worden overgedragen. De band met Holland werd daarmee meer dan alleen een gevolg van de verpachting van 1280: zij werd onderdeel van de bestuurlijke positie die de Gooise bevolking tegenover de landsheer verdedigde. Tegelijk bleef de oude jaarlijkse verplichting tegenover Elten bestaan; onvervreemdbaarheid veranderde dus niet de oorspronkelijke Eltensche rechten.

Dat was voor de marke van betekenis. De Gooise gebruiksrechten waren gedurende de veertiende en vijftiende eeuw ontwikkeld binnen een verhouding waarin de graaf van Holland als grondheer tegenover de markegenoten stond. Een verandering van landsheer kon daardoor gevolgen hebben voor de wijze waarop rechten werden geïnterpreteerd of gehandhaafd. Enklaar laat in zijn verdere behandeling juist zien dat Bourgondische vorsten steeds sterker hun eigen grondheerlijke aanspraken tegenover de Gooiers benadrukten. De gemeenschap verdedigde haar oude gebruik, terwijl de vorst bleef vasthouden aan de eigendom van de bodem. De politieke verbondenheid van Gooiland met Holland en de juridische verhouding tussen grondheer en markegenoten raakten zo nauw met elkaar verweven.

De spanning zou onder Karel de Stoute bijzonder zichtbaar worden. Karel was al vanaf 1462, dus nog tijdens het leven van zijn vader Philips de Goede, heer van Gooiland en verbleef in die hoedanigheid ook op het Muiderslot. Enklaar vermoedt dat hij daardoor persoonlijk kennis kon nemen van de aanspraken van de Gooise boeren. Karel stond bekend als een vorst die aantasting van zijn rechten niet gemakkelijk accepteerde. Juist onder zijn gezag zou daarom een fundamentele juridische confrontatie ontstaan over de vraag van wie de Gooise meersen, weiden, venen, bossen, heiden, struiklanden, waranden en wildernissen eigenlijk waren.

Deel 22 — Naarden en Gooiland blijven een militair grensgebied

De vrede van 1428 betekende niet dat Naarden zijn militaire functie verloor. De ligging tussen Holland en het Sticht Utrecht maakte de stad blijvend belangrijk. Naarden was niet uitsluitend een ommuurde stad voor zijn eigen inwoners, maar tevens een verdedigingspunt voor het omliggende Gooiland. De bevolking van het platteland had al sinds de stichting van het nieuwe Naarden in 1350 verplichtingen voor het onderhoud van de vestingwerken gehad. In oorlogstijd konden de Gooiers bescherming achter de stadswallen zoeken. De Bourgondische landsheren namen deze strategische functie over van hun voorgangers en beschouwden stad en landschap als onderdeel van de verdediging van de oostelijke toegang tot Holland.

De bestuurlijke centralisatie en de militaire betekenis van het gebied kwamen daarbij samen. De landsheer beschikte over de baljuw, de plaatselijke schouten en schepenbanken en kon bij oorlogsdreiging afzonderlijke militaire bevelhebbers inzetten. Al in 1427 was een kapitein van Naarden aangesteld met zeggenschap over alles wat de oorlog betrof. Dat was iets anders dan het gewone burgerlijke bestuur. De stad kon daardoor tegelijkertijd een burgemeester, schepenen en andere burgerlijke functionarissen én een landsheerlijk militair gezag kennen. Voor de Gooise dorpen betekende oorlog dat zij niet alleen onder hun eigen gerechten vielen, maar eveneens konden worden aangesproken voor de verdediging van het gehele landschap.

Juist de ligging aan de grens maakte Gooiland kwetsbaar wanneer de verhouding tussen Holland en Utrecht verslechterde. De grenzen waren bovendien niet overal onbetwist. Bij Loosdrecht, de venen, het Gooierbosch en andere zuidelijke en westelijke gebieden bestonden voortdurend conflicten over de precieze scheiding. Bestuurlijke, militaire en territoriale problemen liepen daardoor gemakkelijk in elkaar over. Wie een grensgebied beheerste, kon aanspraken maken op veen, weide, bos, jachtrecht of belastingheffing. De bescherming van de Hollandse grens was voor de Gooiers daarom niet alleen een militaire kwestie: dezelfde grens bepaalde mede waar hun oude gebruiksrechten konden worden uitgeoefend en waar het gezag van Holland ophield.

Daarmee komen we aan het einde van hoofdstuk IV en bij een cruciale volgende fase. Hoofdstuk V behandelt de eerste schaarbrief, de handvest van 1408, de tweede schaarbrief van 1442, de derde schaarbrief van 1455, de strijd tegen de koters, de vraag wie gerechtigd was, de rechtspersoonlijkheid van de marke en uiteindelijk de vonnissen van het Hof van Holland van 14 april 1470 en de Grote Raad van Mechelen van 19 november 1474. Daar wordt de juridische positie van de latere Erfgooiers veel scherper vastgelegd.

Ja. Bij de controle van deel 17–19 blijkt dat er nog een paar belangrijke stukken ontbreken. Vooral de landsverdediging vóór 1418 en een deel over wie baljuw kon worden en hoe diens ambt werd gecontroleerd moeten nog worden toegevoegd. Dat laatste hoort inhoudelijk bij deel 18 en stond nog niet in ons verhaal.

Aanvulling deel 17 — De Gooiers moesten zelf bijdragen aan de verdediging

De militaire functie van Naarden begon niet pas tijdens de strijd van Jacoba van Beieren. In de stichtingsbrief van het nieuwe Naarden van 17 mei 1350 werd bepaald dat de Gooiers moesten meewerken aan het onderhoud van de vestingwerken. Het uitgangspunt was dat de plattelandsbevolking in oorlogstijd achter de stadswal bescherming zou zoeken. Enklaar vergelijkt dit met Eemland, waar Amersfoort eenzelfde toevluchtsoord vormde. De beroemde veertiende-eeuwse rechtsgeleerde Philips van Leyden gebruikte juist Naarden als voorbeeld van deze verdedigingswijze. Stad en Goois platteland vormden militair dus een samenhangend geheel.

Aanvulling deel 17 — De Gooise kogge van 1395

Ook op het water hadden de Gooiers een militaire verplichting. In 1395 moesten zij samen met anderen één kogge voor de graaf leveren. Dat leverde echter een praktisch probleem op. Gooiland was volgens de oorkonde een „hoech lant” en bezat geen haven waarin zo'n schip veilig kon worden gehouden. De kogge moest daarom op het land worden gezet, waar zij verging en de goede lieden van Gooiland grote schade bezorgde. De graaf ontsloeg hen daarom in 1395 van deze verplichting. Uit de niet geheel duidelijke verdere tekst leidt Enklaar af dat Gooiers daarna waarschijnlijk als bemanning op andere schepen dienst moesten verrichten.

Dit detail is belangrijk omdat het landschap rechtstreeks invloed had op de militaire organisatie. Het Gooi kon wel mensen leveren, maar beschikte niet over de haveninfrastructuur om een eigen oorlogsschip te onderhouden. Tegelijk bleef Naarden het vaste verdedigingspunt op het land. De verplichting tot onderhoud van de vestingwerken, het toevlucht zoeken achter de stadswal en de aangepaste scheepsdienst laten samen zien dat de landsheer de Gooise bevolking als een afzonderlijke militaire gemeenschap kon aanspreken. De oorlogen van 1418–1428 kwamen dus terecht in een landschap waar militaire verplichtingen al veel langer onderdeel van de verhouding tussen landsheer, stad en goede lieden waren.

Aanvulling deel 17 — Jan van Beieren markeert de bestuurlijke breuk

Enklaar legt bovendien sterker dan wij deden de nadruk op Jan van Beieren. Elders in Holland bracht het Bourgondische bestuur vanaf 1428 een reorganisatie van veel bestuursfuncties. In Gooiland was zo'n vernieuwing al door Jan ingevoerd, omdat het gewest als jongere zoon tot zijn apanage behoorde. Toen zijn bezittingen na zijn dood in 1425 aan Philips de Goede kwamen, vond Philips daar volgens Enklaar al een bestuursorganisatie waarmee hij zijn politiek van centralisatie en versterking van het landsheerlijke gezag kon voortzetten. Voor Gooiland begint de bestuurlijke „nieuwe tijd” volgens Enklaar daarom eerder met Jan dan met Philips.

Aanvulling deel 18 — Wie werd baljuw van Gooiland?

Bij het baljuwschap ontbreekt nog een interessante sociale laag. De Gooise baljuws waren niet uitsluitend plaatselijke edelen. Enklaar trof ook dragers van burgerlijke namen aan; één baljuw wordt zelfs uitdrukkelijk als poorter van Amsterdam aangeduid. Sommige functionarissen bekleedden vóór hun benoeming al aanzienlijke ambten. Een lid van het Hof van Holland, een baljuw van Den Haag en een hoofdofficier van de artillerie beschouwden een benoeming tot kastelein van Muiden en baljuw van Gooiland kennelijk als promotie. Het baljuwschap was daarmee een aanzienlijk landsheerlijk ambt en geen eenvoudig lokaal bestuursbaantje.

Een bijzonder voorname ambtsdrager was onder Karel V Antoine de Lalaing, heer van Montigny, die later graaf van Hoogstraten werd. Hij werd vervolgens zelfs stadhouder van geheel Holland. Zo'n grandseigneur bestuurde Gooiland vanzelfsprekend niet dagelijks persoonlijk. Daarom werkte hij met plaatsvervangers. Deze werden aanvankelijk door de landsregering en later ook door de stadhouder zelf benoemd. Enklaar vermoedt dat De Lalaing zich praktisch weinig met het baljuwschap bezighield: waarschijnlijk ontving hij vooral de inkomsten van het ambt en stond hij daarvan een gedeelte af aan degene die het bestuur daadwerkelijk waarnam.

Aanvulling deel 18 — Een baljuw kon uit zijn ambt worden gezet

Na de dood van deze voorname baljuw werd zijn plaatsvervanger, die het ambt inmiddels ruim zeven jaar had waargenomen, zelf tot baljuw benoemd. Enklaar citeert een bron waarin deze man merkwaardig genoeg de „letste besittere van deselve staeten ende officien” wordt genoemd, bijna alsof het ambt particulier bezit was. Toch kon een baljuw niet onbeperkt handelen. Deze functionaris werd later door een sententie van het Hof van Holland uit zijn ambten ontzet, vermoedelijk wegens plichtsverzuim. Voor Enklaar is dit het enige hem bekende Gooise geval van deze aard en een aanwijzing dat ambtsmisdrijven van een baljuw voor het Hof van Holland konden komen.

Aanvulling deel 19 — Het schutambt was ouder dan de samenvoeging

Bij het bode- en schutambt moeten we de chronologie nog nadrukkelijker maken. Het landelijke schutambt bestond aantoonbaar al in 1387, toen sprake was van „den scutter ende denghenen, die die beeste sijn waerende”. Pas in 1415 werd het samengevoegd met het stedelijke bodeambt van Naarden. Daarmee werden dus twee oorspronkelijk verschillende instellingen gecombineerd: een stedelijke bodefunctie en een landelijke politiefunctie voor Gooiland, vooral gericht op de weiden en het vee. De volledige oudste omschrijving — het bodeambt binnen Naarden met de schutterij van stad én land van Gooiland — bewaart dat dubbele karakter bijzonder duidelijk.

De overgang Uten Broeck → Van Berkenrode in 1458 was bovendien juridisch geen normale vrouwelijke erfopvolging. De laatste Uten Broeck droeg het ambt eerst aan de hertog terug ten behoeve van zijn schoonzoon Van Berkenrode, die er daarna officieel mee werd beleend. Pas in 1478 werd het oorspronkelijke rechte leen, dat uitsluitend in mannelijke lijn vererfde, veranderd in een onversterfelijk leen dat ook via vrouwen kon overgaan. Daarvoor werd 66 pond van 40 groten betaald. Dat onderscheid verklaart waarom de overgang van 1458 mogelijk was terwijl vrouwelijke erfopvolging formeel pas twintig jaar later werd toegestaan.

Met deze aanvullingen zijn deel 17–19 voor deze behandelde passages compleet. Vooral de kogge van 1395, Philips van Leyden, Antoine de Lalaing en de controle door het Hof van Holland waren nog wezenlijke ontbrekende namen en gebeurtenissen. De volgende delen moeten verdergaan met de overige onderdelen van hoofdstuk IV, waaronder het secretariaat van Naarden, de onvervreemdbaarheid van Gooiland van Holland en verdere landsverdediging.

Deel 17 — Naarden als grensvesting en het oorlogsgeweld van 1418–1428

Het nieuwe Naarden, na de verwoesting van 1350 op een andere plaats opgebouwd, kreeg volgens Enklaar duidelijk een militaire betekenis. Over aard en omvang van de eerste verdedigingswerken weten we vrijwel niets. Wel wordt in de eerste jaren van de nieuwe stad een slot vermeld. Daarover voerde een militaire commandant het bevel, die in de bronnen afwisselend maarschalk en hoofdman wordt genoemd. Naarden lag strategisch tussen Holland en het Sticht Utrecht en beheerste daarmee een kwetsbare doorgang. Juist deze ligging maakte dat niet alleen de stad maar ook de Gooise plattelandsbevolking telkens betrokken raakte bij de oorlogen tussen Hollandse en Utrechtse machthebbers.

Omstreeks 1418 werd dat bijzonder zichtbaar tijdens de strijd van Jacoba van Beieren tegen haar oom Jan van Beieren, die zelf heer van Gooiland was. Jacoba — of mogelijk haar echtgenoot Jan IV van Brabant, want Enklaar laat de precieze verlener onzeker — beloofde de goede lieden van Gooiland op hun eigen verzoek dat zij gevrijwaard zouden blijven van gevangenneming, brand en roof. Daar stond een voorwaarde tegenover: zij mochten geen gehoor geven aan een oproep van Jan van Beieren om Naarden te helpen verdedigen. De Gooise bevolking werd daarmee rechtstreeks onderwerp van de strijd om de Hollandse grafelijke macht.

Dat deze bescherming weinig zekerheid bood, blijkt uit 1423. Jan van Beieren moest toen een vertrouwensman naar Gooiland sturen om bewijzen te verzamelen voor de schade die de inwoners door de oorlog hadden geleden. De bron maakt volgens Enklaar duidelijk dat de politieke strijd niet alleen een conflict tussen vorsten en edelen was. De Gooise bevolking ondervond concreet de gevolgen van krijgstochten, plundering en vernieling. Tegelijk bleef Naarden militair belangrijk in de strijd waarin Jacoba eerst haar oom Jan van Beieren en vervolgens haar neef Philips de Goede van Bourgondië tegenover zich vond. Verschillende stukken uit deze jaren benadrukken de strategische waarde van stad en landschap.

In 1425, na de dood van Jan van Beieren, trok Philips de Goede diens erfenis aan zich. Jan was zowel een broer van Philips' moeder als van Jacoba's vader. Philips beval zijn ambtenaren en onderdanen Naarden te helpen en de stad tegen overlast te beschermen. In 1427 werd zelfs een afzonderlijke „kapitein” van Naarden benoemd. Hij moest de stad bewaren, de vrienden versterken en de vijanden verzwakken en kreeg zeggenschap over alle zaken die de oorlog betroffen. Daarmee kreeg de grensstad naast haar gewone burgerlijke bestuur een duidelijk militair bevelsapparaat.

In 1428 kwam voorlopig een einde aan deze strijd doordat Jacoba haar positie tegenover Philips de Goede moest opgeven. Voor Enklaar vormt dit tegelijk de overgang naar het Bourgondische tijdvak. Gooiland had echter al vóór 1428 belangrijke bestuurlijke veranderingen doorgemaakt. Dat onderscheid is belangrijk: elders in Holland betekende de komst van de Bourgondiërs een ingrijpende bestuurlijke reorganisatie, maar in Gooiland had Jan van Beieren een deel daarvan al voorbereid. Onder hem waren de verschillende gerechten verder uiteengevallen en was ook het baljuwschap veranderd. Philips trof daardoor in Gooiland reeds een bestuursstructuur aan waarop hij zijn centraliserende politiek kon voortbouwen.

Deel 18 — Gooiland wordt een zelfstandig baljuwschap

Het baljuwsambt was veel ouder. We zagen Bernd van den Dorenwerde al tussen 1305 en 1307 optreden als baljuw van Amstelland, waaronder Gooiland toen ressorteerde. Ook in 1388 vormden Amstelland en Gooiland nog een gecombineerd bestuurlijk ressort. Wanneer op 25 september 1399 sprake is van „die bailiuscap van Goylant”, denkt Enklaar dat daarmee nog steeds Amstelland en Gooiland gezamenlijk werden bedoeld. Pas in de regering van Jan van Beieren veranderde dit. De bewaarde documenten over een afzonderlijk baljuwschap Gooiland beginnen in 1423, maar het oudste daarvan toont volgens Enklaar dat het zelfstandige ressort minstens sinds 1420 moet hebben bestaan.

Enklaar ziet daarom geen bezwaar om 1420 als waarschijnlijk begin van het zelfstandige baljuwschap Gooiland te nemen. De bevoegdheden van de baljuw veranderden daarbij niet wezenlijk. Hij bleef de plaatsvervanger van de landsheer in diens rechtsmacht. De handvest die hertog Albrecht in 1388 aan Amstelland en Gooiland had gegeven, bepaalde al dat de baljuw op Vrouwendag, 2 februari, de schepenen mocht kiezen. Dat sloot aan bij de veel oudere praktijk die al bij Bernd van den Dorenwerde zichtbaar was. Ook de benoeming van de schouten bleef in beginsel bij de baljuw berusten. De graaf of hertog greep daarin slechts uitzonderlijk rechtstreeks in.

Zo'n uitzondering vond plaats in 1442. Er bestond toen een conflict over het baljuwschap, waarop twee gegadigden aanspraak maakten. Omdat daardoor geen onbetwiste baljuw aanwezig was die de schout kon benoemen, stelde Philips de Goede zelf de stadsschout van Naarden aan. Juist deze uitzondering bevestigt volgens Enklaar de regel. Latere instructies bepalen uitdrukkelijk dat de baljuw de stads- en dorpsschouten mocht aanstellen en afzetten. Daarmee stond hij boven de afzonderlijke gerechten van Naarden en de Gooise dorpen en vormde hij namens de landsheer een bestuurlijke en rechterlijke verbindingslaag voor het gehele landschap.

In hetzelfde 1442 kreeg Naarden een bijzonder privilege voor de benoeming van zijn schepenen. Poorters die minstens honderd Engelse nobelen bezaten, mochten op Vrouwendag 21 eerbare mannen aanwijzen die eveneens tot deze vermogensklasse behoorden. Uit deze groep koos de baljuw vervolgens zeven schepenen. De burgerij kreeg dus invloed op de voordracht, maar de definitieve keuze bleef in handen van de landsheerlijke vertegenwoordiger. Het past bij de Bourgondische bestuursvorm die Enklaar beschrijft: plaatselijke instellingen bleven bestaan, maar werden ingebed in een systeem waarin de baljuw en uiteindelijk de landsheer controle over benoemingen en rechtspraak behielden.

Ook de zware rechtspraak bleef met het landsheerlijke gezag verbonden. In de handvest van 1388 had hertog Albrecht ernstige delicten, waaronder moord, aan zichzelf voorbehouden. Zijn zoon Jan van Beieren berechtte in 1422 persoonlijk een doodslag. De vrienden van de gedode man en de stad Naarden, die volgens Enklaar blijkbaar voor de dood verantwoordelijk werd gehouden, legden het oordeel aan Jan voor. Het vonnis werd in Den Haag uitgesproken. De dader moest zielmissen voor het slachtoffer laten lezen en een voetval voor diens familie doen. De rechtsmacht van de landsheer bleef dus ook boven de plaatselijke schepenbanken daadwerkelijk functioneren.

Deel 19 — Bode, schutter en toezicht op het Gooise vee

Naast baljuw, schouten en schepenen bestond een opmerkelijk ambt dat stad en landschap rechtstreeks met elkaar verbond: „dat bodeambocht ende scutterije van onser stede van Naerden ende van onsen lande van Goylant”. Eigenlijk waren hierin twee oudere functies samengevoegd. De bode vervulde een stedelijke functie in Naarden; de schutter of schutmeester had een landelijke politietaak. Zijn werk hield volgens Enklaar vooral verband met het toezicht op de Gooise weiden en het schutten van vee. Juist daardoor raakt dit ambt rechtstreeks aan het dagelijkse beheer van de gemeenschappelijke gronden van de Gooise markegenoten.

Dat landelijke schutambt bestond oorspronkelijk afzonderlijk. In 1387 wordt gesproken over „den scutter ende denghenen, die die beeste sijn waerende”: de schutter en degenen die het vee bewaakten. Daarmee is volgens Enklaar duidelijk dat de functie werkelijk met de beweiding en het toezicht op dieren te maken had. In 1415 werden het stedelijke bodeambt van Naarden en het landelijke schutambt van Gooiland samengevoegd. De oudste akte spreekt daarom nauwkeurig over „dat bodeambocht binnen der stede van Nairden metter scutterij van derselver stede ende van den lande van Goylant”. Stad en gemeen landschap raakten zo ook administratief met elkaar verweven.

Na de samenvoeging werd het ambt gedurende de landsheerlijke periode vrijwel erfelijk bezit van bepaalde families. Eerst berustte het bij de familie Uten Broeck. In 1458 ging het door huwelijk over naar de familie Van Berkenrode, waar het zelfs tijdens de latere Republiek bleef. Dat kon omdat het ambt als leen werd uitgegeven. De eerste Van Berkenrode kon voor de Hollandse leenbank zelfs de kleinste helft van het ambt — Enklaar vermoedt dat daarmee een aandeel in de inkomsten werd bedoeld — als douarie bestemmen voor zijn vrouw, die uit de familie Uten Broeck stamde.

Oorspronkelijk was het bode- en schutambt een zogenoemd recht leen, dat alleen via de mannelijke lijn kon vererven. In 1478 werd dit gewijzigd in een onversterfelijk leen, zodat voortaan ook vererving door de vrouwelijke lijn mogelijk was. Voor die verandering moest 66 pond van 40 groten worden betaald. Enklaar merkt daarbij een merkwaardige uitzondering op: juist de enige bekende overgang via een vrouw had al vóór 1478 plaatsgevonden. De laatste Uten Broeck had het ambt namelijk aan de hertog teruggegeven ten behoeve van zijn schoonzoon Van Berkenrode, die vervolgens officieel ermee werd beleend. Juridisch was dat dus geen gewone vrouwelijke erfopvolging.

Deze bestuurlijke ontwikkeling is voor het Erfgooiersverhaal belangrijk. De gemeenschappelijke weiden waren niet alleen een verzameling oude gebruiksrechten; zij vereisten ook toezicht, handhaving en ambtenaren. Het schutten van verkeerd of onbevoegd geweid vee maakte deel uit van die praktische organisatie. Tegelijk laat de koppeling met het Naardense bodeambt zien hoe ingewikkeld de verhouding werd tussen stad Naarden, de Gooise dorpen, de markegemeenschap en de landsheer. De marke bleef een afzonderlijke gemeenschap, terwijl verschillende bestuurlijke taken via stedelijke, landsheerlijke en erfelijke ambten werden uitgevoerd. Die verschillende bestuurslagen zullen bij de schaarbrieven steeds belangrijker worden.

.

Ja. Bij nog een controle van deel 14–16 zie ik een paar aanvullingen die het verhaal preciezer maken. Vooral bij Huizen in 1382, het bestuur van Naarden en de verhouding tussen de landschout en de stadsschepenen moeten we iets toevoegen.

Aanvulling deel 14 — Laren is zeker, Hilversum en Bussum nog buurschappen

De rekening van Bernd van den Dorenwerde is voor de vroege dorpsontwikkeling bijzonder belangrijk. De arrestatie op 19 december 1306 van de koster van Laren te Hilversum wegens vechterij bewijst voor Enklaar dat Laren toen reeds een kerk bezat. Hilversum en Bussum komen eveneens in deze rekening voor, respectievelijk in 1305 en 1306, maar daaruit volgt nog geen kerkelijke of bestuurlijke zelfstandigheid. Enklaar behandelt ze als buurschappen. Dat onderscheid is wezenlijk: een nederzettingsnaam in een bron betekent nog niet dat daar al een zelfstandig dorp, kerspel of gerecht bestond. De ontwikkeling verliep in het Gooi plaats voor plaats en in verschillende fasen.

Aanvulling deel 15 — Het oude Naarden was nog geen afzonderlijk gerecht

Bij de stadswording van Naarden tussen 1321 en 1337 moet nog duidelijker worden gemaakt dat het verkrijgen van stadsrecht niet onmiddellijk een volledig afzonderlijk rechterlijk apparaat opleverde. Bij de eerste zekere stadsvermelding van 1337 bestaat het stadsbestuur uit „scepen ende raed”. Een stadsschout ontbreekt. De schout die in Naarden werkzaam was, was volgens Enklaar de lands­schout van geheel Gooiland. Op 30 december 1326 treffen we nog één schout voor het gewest aan en die situatie bleef gedurende de hele veertiende eeuw bestaan. De bestuurlijke verzelfstandiging van de stad maakte dus niet onmiddellijk een einde aan oudere Gooise instellingen.

Zelfs de man die op 31 december 1396 als schout van Naarden samen met de stadsschepenbank recht sprak, kan volgens Enklaar niet anders dan deze Gooise landschout zijn geweest. Nog in 1412 bestond namelijk slechts één schout voor heel Gooiland. Dat hij niet in de aanhef van Naardense stadsbrieven naast schepenen en raad wordt genoemd, is daarom logisch: hij maakte geen deel uit van het eigen stadsbestuur. Zijn samenwerking met de Naardense schepenen vloeide voort uit zijn functie als schout van het landschap. Enklaar verbindt dit opnieuw met de oudere Frankische organisatie, waarin de schout minder ernstige zaken samen met de schepenen van de gouw behandelde.

Aanvulling deel 16 — Huizen in 1382 is minder zeker dan het lijkt

Bij Huizen moet een nuance worden toegevoegd. Een vermelding uit 1382 zou op het eerste gezicht kunnen suggereren dat Huizen toen bestuurlijk verder ontwikkeld was dan Hilversum en Blaricum. Enklaar waarschuwt echter onmiddellijk tegen die conclusie. Een andere aantekening uit dezelfde tijd vermeldt gezamenlijk „die van Hilfersem, van Bladerikem ende van Husen”. De drie gemeenschappen lijken daarin volledig gelijkgerechtigd. Van een eigen bestuur is volgens Enklaar op dat moment bij geen van deze drie plaatsen aantoonbaar sprake. Alleen Laren kan toen als zelfstandig kerspel worden aangewezen.

Aanvulling deel 16 — Laren en het Broecsom

De eerste zekere Gooise dorpsschepenbank verschijnt in 1387 als de „scepene in Larekarspell ende in den Broecsom” worden genoemd. Het woord Larekarspell bevestigt volgens Enklaar rechtstreeks dat Laren een eigen parochie vormde. Broecsom interpreteert hij voorzichtig als waarschijnlijk het lager gelegen gedeelte van Laren. Een afzonderlijke Laarder schout wordt niet vermeld. De algemene Gooise landschout zal daarom ook bij deze schepenbank hebben gefunctioneerd. Dat past bij de toestand van 1412, toen de „ambochten van Goylant”, Naarden en Laren, gezamenlijk aan één ambtenaar werden toevertrouwd.

Aanvulling deel 16 — Blaricum bleef met Laren verbonden

De kerk van Blaricum was een dochterkerk van Laren. Wanneer zij precies werd gesticht, kan Enklaar niet bepalen. Nog belangrijker is dat Blaricum gedurende de Middeleeuwen waarschijnlijk geen zelfstandig gerecht bezat. Albertus Perk schreef het dorp wel een eigen schout toe, maar Enklaar kon de grond voor die mededeling niet meer controleren. Een concreet gegeven wijst juist op voortgezette verbondenheid: in 1494 worden „de dorpen van Laren ende Blarichem één schoutambocht” genoemd. We moeten Blaricum dus niet te vroeg als een volledig zelfstandig bestuurlijk dorp behandelen.

Aanvulling deel 16 — Huizen en Hilversum groeien later los

Voor Huizen staat vast dat het in 1409 een zelfstandige parochie werd. Perk stelde dat Huizen in 1421 een eigen schout kreeg, maar Enklaar kon ook dat gegeven niet controleren. Hij vermoedt wel dat Huizen iets eerder een zelfstandig gerecht was geworden, omdat de eerste schaarbrief van 1404 de ambtenaren van de marke al uit Naarden, Laren en Huizen laat kiezen. Deze drie plaatsen lijken toen institutioneel verder ontwikkeld dan Hilversum en Blaricum. Hilversum werd tijdens bisschop Frederik van Blankenheim, 1393–1423, van Laren afgescheiden als parochie en kreeg pas in 1424 een eigen schepenbank.

Dat Hilversum bij zijn parochiestichting nog „pars vicinorum”, een buurschap, wordt genoemd, onderstreept opnieuw Enklaars ontwikkelingsmodel: buurschap → kerspel → eigen gerecht hoefde niet op hetzelfde moment plaats te vinden. Het laat-veertiende-eeuwse tijnsboek van Elten kon ondertussen spreken over Naarden met vier dorpen. Daarmee waren Laren, Huizen, Hilversum en Blaricum bedoeld. Diezelfde vier worden later ook in de tweede en derde schaarbrief als dorpen genoemd. Bussum bereikte deze status nog niet en bleef bestuurlijk veel langer een buurschap.

Met deze aanvullingen zijn deel 14–16 voor dit gedeelte compleet. We moeten alleen blijven doen wat we tot nu toe doen: als Enklaar in latere hoofdstukken terugkomt op bijvoorbeeld Bussum, de oude kerk van Naarden, Huizen of de schoutambachten, voegen we die terugwijzende informatie later alsnog toe.

.

Deel 14 — Van één parochie naar de eerste Gooise buurschappen

Eeuwenlang was Naarden volgens Enklaar het enige kerkdorp van Gooiland. De kerk die omstreeks 900 bij Naruthi wordt genoemd, bleef vermoedelijk de kerk van het gehele Naardingerland. In de jaren tachtig van de twaalfde eeuw sloten de abdij van Elten en het kapittel van Sint-Jan te Utrecht een overeenkomst over het personaat: zij zouden beurtelings de persoon van Naardingerland aanstellen. Enklaar ziet geen bewijs dat daarnaast toen al een tweede grote kerkelijke nederzetting bestond. Processtukken uit de veertiende en vijftiende eeuw spreken later consequent van het personaat van Naarden, waarmee de plaats van de oorspronkelijke kerk voldoende duidelijk wordt.

Een afzonderlijke kerk in Laren kan Enklaar pas in 1306 aantonen. Op 19 december 1306 arresteerde baljuw Bernd van den Dorenwerde te Hilversum de koster van Laren wegens vechterij. Juist deze weinig verheffende gebeurtenis bewijst dat Laren toen een kerk bezat, volgens Enklaar stellig een Sint-Janskerk. Dezelfde baljuwsrekening vermeldt Hilversum in 1305 en Bussum in 1306. Deze plaatsen waren echter nog geen zelfstandige parochies of gerechten. Enklaar noemt ze eenvoudige buurschappen, vergelijkbaar met het eveneens genoemde, maar later verdwenen Wolfsbergen. Kerkelijke zelfstandigheid en bestuurlijke zelfstandigheid waren dus twee afzonderlijke ontwikkelingsstadia.

Enklaar bestrijdt daarom nadrukkelijk de oudere voorstelling, onder anderen verdedigd door Albertus Perk, dat de bekende Gooise buurschappen al in de tiende eeuw zouden hebben bestaan. Daarvoor is volgens hem geen enkel bewijs. Ook de gedachte dat Huizen reeds in de tiende eeuw een kapel bezat, acht hij onaannemelijk. Zijn reconstructie is geleidelijker: eerst ontstonden verspreide gehuchten en buurschappen; sommige ontwikkelden zich vervolgens tot zelfstandige kerspelen en pas daarna tot afzonderlijke gerechten met een eigen bestuur. De Gooise marke was dus ouder dan deze bestuurlijk zelfstandige dorpen, een gegeven dat Enklaars verklaring voor de ondeelbaarheid van de gemeengronden ondersteunt.

Een merkwaardige tussenvorm betreft de Eemnessers. Nadat hun in 1339 was toegestaan zich in Gooiland te vestigen, zou voor deze kolonisten een afzonderlijk kerspel worden gevormd. Enklaar twijfelt echter of die kolonisatie werkelijk op voldoende schaal heeft plaatsgevonden. Van de bedoelde parochie is verder niets bekend. Hij laat haar daarom bij de ontwikkeling van de Gooise parochies buiten beschouwing. Daarmee blijft Laren de eerste aantoonbare nieuwe dorpsparochie naast Naarden. Het voorbeeld laat tegelijk zien hoe voorzichtig Enklaar met institutionele vermeldingen omgaat: een toegestaan of voorgenomen kerspel is nog geen bewijs dat daadwerkelijk een blijvende parochiegemeenschap tot stand kwam.

Deel 15 — Naarden wordt de eerste stad van het Gooi

Hoewel Naarden eeuwenlang kerkelijk centrum was, werd het pas veel later een stad. In 1299 en in Bernds rekening van 1305–1307 blijkt nog nergens van stadsrechten. Zelfs op 21 oktober 1321 sprak graaf Willem III nog van „vijf goede knapen uter prochien van Nerden”. De eerste zekere vermelding als stad dateert van 2 februari 1337, toen een oorkonde van het stadsbestuur werd bezegeld „met onser stede zeghele”. Enklaar plaatst de stadsverheffing daarom tussen 1321 en 1337. Het precieze jaar en een oorspronkelijke stadsrechtoorkonde zijn niet bekend. Deze eerste stad lag bovendien niet op exact dezelfde plaats als het huidige Naarden.

Voor Enklaar is de chronologie belangrijk: de Gooise marke bestond vóór de stad Naarden. Toch waren Naardense burgers gerechtigd tot het gebruik van de meente. De tweede schaarbrief van 1442 beperkte dit recht later tot burgers die een bepaalde hoeveelheid bezit hadden. Daaruit leidt Enklaar af dat voordien waarschijnlijk het Naardense poorterschap zelf meentrecht meebracht. Van een afzonderlijke collectieve schenking van meentrecht aan de stad is niets bekend. Zijn verklaring luidt daarom dat mensen die vanaf het ontstaan van de marke als markegenoten in het kerkdorp Naarden woonden hun gebruiksrechten behielden toen hun woonplaats stadsrecht verkreeg.

Waarom juist Naarden sneller groeide dan Laren, Hilversum, Bussum, Huizen en Blaricum, kan Enklaar niet vaststellen. Hij verwerpt wel de theorie dat Naarden rondom een grafelijke burcht zou zijn ontstaan: zo'n burcht heeft er volgens hem niet bestaan. Ook kan hij niet bewijzen dat een markt het stadsrecht veroorzaakte, al acht hij aannemelijk dat Naarden als belangrijkste bevolkingscentrum tevens marktvlek van Gooiland was. Opvallend is dat het enige bewaard gebleven privilege van de oude stad, uit 1342, betrekking heeft op de visstapel. Ook dat is echter onvoldoende om een marktrecht als oorzaak van de stadswording aan te wijzen.

Enklaar onderzoekt vervolgens de domaniale theorie, waarbij steden uit een grondheerlijke hoforganisatie zouden zijn voortgekomen. Het Eltensche bezit had waarschijnlijk inderdaad een hoforganisatie gekend en ook de grond waarop Naarden ontstond had daartoe kunnen behoren. Misschien emancipeerde een groep Eltensche onderhorigen zich geleidelijk van de verre abdij. Toch vindt Enklaar dit onvoldoende. Naarden werd immers pas stad na de overdracht aan Holland en na de vorming van de marke, terwijl zijn burgers meentrechten bezaten. Daarom acht hij waarschijnlijker dat markegenoten uit het kerkdorp Naarden stadsrecht kregen. In die zin noemt hij Naarden een stad die uit de grondheerlijke marke groeide.

Deel 16 — Brand van 1350 en het ontstaan van de Gooise dorpsgerechten

De eerste stad Naarden lag aan zee en bestond slechts korte tijd. In 1350 werd zij tijdens het begin van de strijd tussen Hoeken en Kabeljauwen in brand gestoken. Graaf Willem V gaf de burgers op 17 mei 1350 toestemming elders een nieuwe stad te bouwen, waar dat voor hem en voor hen het voordeligst was. Juridisch bleef het dezelfde stad: het nieuwe Naarden kreeg het recht waarin het oude Naarden vóór de brand had verkeerd. De burgers kozen uiteindelijk de plaats waar Naarden tegenwoordig ligt. Met advies van de baljuw mochten zij een wal aanleggen. Enklaar ziet hierin duidelijk het doel een grensvesting te scheppen.

Ook het bestuur van Naarden vertoonde volgens Enklaar continuïteit met de oudere Gooise organisatie. Bij de eerste stadsvermelding van 1337 bestond het bestuur uit „scepen ende raed”; een eigen stadsschout ontbreekt. Er bestond namelijk nog één lands­schout voor heel Gooiland. Zo'n schout werd al door Bernd van den Dorenwerde benoemd, wordt op 30 december 1326 aangetroffen en bleef gedurende de veertiende eeuw bestaan. Zelfs toen op 31 december 1396 een „schout van Naarden” samen met de stadsschepenbank recht sprak, ziet Enklaar hem als de Gooise landschout. Nog in 1412 bestond één schout voor het gehele Gooi.

De andere nederzettingen ontwikkelden zich intussen langzaam. Huizen en Blaricum worden volgens Enklaar voor het eerst in 1382 vermeld. Een gelijktijdige aantekening noemt „die van Hilfersem, van Bladerikem ende van Husen” als drie kennelijk gelijkwaardige gemeenschappen. Geen daarvan had toen aantoonbaar een eigen bestuur. Laren liep voorop. In 1387 verschijnt de eerste dorpsschepenbank: „scepene in Larekarspell ende in den Broecsom”. „Larekarspel” bevestigt Larens parochiale status; met Broecsom bedoelt Enklaar waarschijnlijk het lager gelegen gedeelte van Laren. Een afzonderlijke Laarder schout wordt niet genoemd: vermoedelijk functioneerde ook daar de algemene Gooise landschout.

In 1412 werden de „ambochten van Goylant”, Naarden en Laren, nog gezamenlijk aan één ambtenaar toevertrouwd. Blaricum, waarvan de kerk een dochterkerk van Laren was, lijkt gedurende de Middeleeuwen geen eigen gerecht te hebben gekregen. Albertus Perk schreef Blaricum wel een eigen schout toe, maar Enklaar kon daarvoor geen controleerbaar bewijs vinden. In 1494 worden Laren en Blaricum uitdrukkelijk één schoutambacht genoemd. Huizen werd in 1409 een zelfstandige parochie. Perk stelde dat Huizen in 1421 een eigen schout kreeg; ook dat kon Enklaar niet meer controleren, al vermoedt hij dat Huizen al iets eerder een zelfstandig gerecht was geworden.

Een aanwijzing daarvoor levert de eerste schaarbrief van 1404. De ambtenaren van de marke werden toen gekozen uit Naarden, Laren en Huizen. Die drie plaatsen waren kennelijk bestuurlijk verder ontwikkeld dan Hilversum en Blaricum. Hilversum werd tijdens het episcopaat van Frederik van Blankenheim, 1393–1423, als parochie van Laren afgescheiden en kreeg in 1424 een eigen schepenbank. In de parochiestichtingsbrief wordt Hilversum nog „pars vicinorum”, een buurschap, genoemd. Kerkelijke zelfstandigheid ging dus ook hier vooraf aan een volledig eigen gerecht. Zo groeiden de oorspronkelijke Gooise buurschappen stap voor stap uit tot de latere dorpen.

Het laat-veertiende-eeuwse tijnsboek van Elten vat de nieuwe toestand treffend samen. Het aan Holland verpachte gebied bestond volgens die aantekening uit Naarden met vier dorpen. Enklaar identificeert die vier als Laren, Huizen, Hilversum en Blaricum; dezelfde vier verschijnen later in de tweede en derde schaarbrief. Bussum ontbreekt als zelfstandig dorp en bleef veel langer een buurschap. Daarmee bestonden naast de oude stad en de steeds zelfstandiger dorpen nog verschillende bestuurlijke ontwikkelingsniveaus, terwijl zij allemaal deel bleven uitmaken van dezelfde Gooise gemeenschap en dezelfde ondeelbare marke.

Ja. Er misten in mijn vorige uitwerking vooral verbindingen: Naarden als oudste bevolkingskern, de ontwikkeling van buurschappen naar dorpen, de bestuurlijke organisatie waarbinnen de marke functioneerde, de oorlogen en landsverdediging, en vooral de doorgaande lijn grondheer → meente → schaarrecht → erfelijkheid → uitsluiting van koters. Ik kan het dus beter als één chronologisch verhaal schrijven, zonder de door jou aangeleverde gegevens weg te laten.

Van Naardingerland naar de Erfgooiersgemeenschap

Omstreeks 900 lag in Naruthi, het latere Naarden, al een kerk die aan de abdij van Werden behoorde. Dat wijst op een bevolkingsconcentratie die groot genoeg was voor kerkelijke organisatie. Omstreeks 1186 treffen we de kerk opnieuw aan, nu in verband met de abdij van Elten en het kapittel van Sint-Jan te Utrecht. Beide instellingen spraken af om beurtelings de persoon van de kerk van Naardingerland te benoemen. Enklaar vermoedt dat het om dezelfde kerk gaat en dat zij via graaf Wichman uiteindelijk in het bezit van Elten was gekomen, al is onbekend hoe Wichman haar van Werden verkreeg.

Naardingerland en Gooiland

Zelfs de naam Naarden blijft volgens Enklaar onzeker. Verklaringen vanuit Noorden of het Oudgermaanse naru, 'nauw', waren vermoedens. De zestiende-eeuwse geschiedschrijver Lambertus Hortensius schreef al: qua ratione latet — waarom Naarden zo heet weten wij niet. Ook Gooiland is onzeker; mogelijk betekent Gooi zelf al 'gouw', zodat Gooiland een tautologie zou zijn. Naardingerland is aantoonbaar de oudste landschapsnaam. Gooiland verschijnt pas later, maar verving Naardingerland niet plotseling bij de overdracht aan Holland rond 1280. Beide benamingen bleven nog eeuwen naast elkaar in Hollandse, Utrechtse en Eltensche bronnen voorkomen.

Elten als grondheer

Voor de geschiedenis van de Erfgooiers is belangrijker wie de grond bezat. Het grootste gedeelte van Naardingerland behoorde aan de abdij van Elten. De bewoners waren door tijnzen, diensten en andere grondrechtelijke verplichtingen aan deze grondheer verbonden. Na de overdracht kwam het gebied onder de graaf van Holland. Hier plaatst Enklaar het uitgangspunt voor zijn verklaring van de Gooise marke. Hij verwerpt de oudere gedachte dat de Gooise gemeenschappelijke gronden rechtstreeks zouden voortkomen uit een oer-Germaans gemeenschappelijk grondbezit. Volgens de in zijn tijd nieuwere theorie waren veel Nederlandse marken ontstaan doordat een grondheer bewoners gemeenschappelijk gebruik van bepaalde gronden toestond.

Geen bewijs voor een Eltensche marke

Enklaar is hierbij opvallend voorzichtig. De tiende-eeuwse schenkingsakten aan Elten, de overdrachtsstukken uit de jaren 1280 en de schaarse tussenliggende documenten noemen geen Gooise marke. Zelfs het argument dat de Gooiers later verklaarden hun gemeente sinds onheuglijke tijden te hebben gebruikt, vindt hij onvoldoende. Die verklaring komt uit het proces van 1470 voor het Hof van Holland. Volgens Enklaar kan daarmee geen marke onder Elten worden bewezen. Zijn conclusie is daarom dat de organisatie waarschijnlijk pas na de overdracht aan Holland ontstond. Het oorspronkelijke eigendomsrecht op de gemeenschappelijke gronden bleef volgens deze reconstructie grondheerlijk.

1306–1307 — mogelijk de eerste meente

Een mogelijke eerste aanwijzing verschijnt in de rekening van baljuw Bernd van den Dorenwerde. In het Paasjaar 1306, volgens Enklaars omrekening waarschijnlijk 1307, wordt een doodslag “in der meente” genoemd waarbij Lambert Spiker en Willem van Cleve ter sprake komen. Omdat dezelfde rekening een zaak over een doodgeslagen vrouw in Gooiland bevat, bestaat de mogelijkheid dat met die meente de Gooise gemeenschappelijke grond werd bedoeld. Zeker is dat echter niet. Daarom behandelt Enklaar 1326 als het eerste onbetwistbare bewijs voor een georganiseerde Gooise gemeenschap.

1326 — de Gooiers organiseren zichzelf

Op 30 december 1326 berispte graaf Willem III de goede lieden van Gooiland omdat zij twee raadslieden hadden aangesteld en afspraken hadden gemaakt over het bijeenroepen van alle gerechtigden. Wie na het blazen van de hoorn niet verscheen, kon worden beboet; wat de aanwezigen gezamenlijk besloten, moest iedereen gehoorzamen. Hier ziet Enklaar een echte markeorganisatie: bestuur, vergadering en gemeenschappelijke besluitvorming. De graaf verbood echter zelfstandige samenkomsten. Alleen wanneer zijn baljuw of schout de hoorn liet blazen, mocht de vergadering plaatsvinden. Daarmee verdedigde Willem III volgens Enklaar zijn positie als grondheer.

1339 — werkelijk rechten op de grond

In 1339 wordt gesproken over bestuurders “van ons ghemens lands weghen van Ghoyland” en over goede lieden die namens de gemeente waren aangesteld. Beslissend zijn volgens Enklaar twee oorkonden van 21 oktober 1339. Graaf Willem IV stond met instemming van de goede lieden van Gooiland een stuk veen af aan de buren van Eemnes. Hun toestemming was nodig omdat de Gooiers rechten op dat veen bezaten. Omdat Enklaar het eigendomsrecht bij de graaf plaatst, moeten dit gebruiksrechten zijn geweest. Hiermee is niet alleen een gemeenschap maar daadwerkelijk een gemeenschap mét grondrechten aantoonbaar.

Grenzen en gemeenschappelijke grond

Daarna verschijnen de gemeenschappelijke rechten steeds duidelijker. Amelis van Mijnden stelde in 1343 een grensregeling tussen Gooiland en Loosdrecht vast; Willem van Brederode deed dat opnieuw in 1381. In 1387 blijken Naarden en Laren vier slagen veen gezamenlijk te bezitten. In 1388 werden die zo verdeeld dat Naarden met Bussum twee slagen kreeg en het gemene land van Gooiland, vertegenwoordigd door de schepenen van Laren, twee andere. Juist deze verdelingspogingen leidden tot een belangrijk ingrijpen van de landsheer.

1403 — de meente moet eeuwig ongedeeld blijven

Op 17 juni 1403 beëindigde hertog Albrecht een langdurig conflict tussen Naarden en het overige Gooiland. Hij omschreef de gemeente als grond die de goede lieden van Gooiland samen met de stad Naarden lange tijd met toestemming van zijn voorgangers hadden gebruikt. De eigendom bleef volgens Enklaars interpretatie bij de graaf; de Gooiers bezaten het gebruiksrecht. Cruciaal was de bepaling dat de gemeente “ongedeelt sal bliven tot ewigen daghe”. Alleen de reeds eerder afgescheiden slagen werden uitgezonderd. Hiermee werd de ondeelbaarheid van de Gooise marke juridisch vastgelegd.

Eén Gooise marke, geen vijf dorpsmarken

Daarmee ontstonden volgens Enklaar ook niet afzonderlijke marken van Naarden, Hilversum, Laren, Blaricum en Huizen. Later bestonden wel Naarder-, Hilversummer-, Laarder-, Blaricummer- en Huizermeenten, maar dit waren administratieve onderdelen van één gemeenschappelijke Gooise marke. Nog in de achttiende eeuw kon een gerechtigde zijn vee volgens Enklaar in beginsel op iedere meente laten grazen. Mogelijk bestond daarnaast een zesde afdeling rond Bussum. De stad en dorpen kregen dus plaatselijke organisaties, terwijl de gemeenschappelijke grond juridisch één geheel bleef.

Welke gronden behoorden tot de meente?

Niet heel Gooiland was gemeenschappelijke grond. Een vonnis van het Hof van Holland uit 1470 noemt binnen de gemeente onder meer moerassen, weiden, venen, bossen, heiden, struikgebieden en waranden. De Grote Raad van Mechelen omschreef deze in 1474 eveneens. Het weiland lag volgens een vonnis van 1520 vooral onder Naarden, Huizen en Blaricum, terwijl veel heide onder Hilversum lag. De oude Eltensche bezittingen bij Eemnes, Baarn en Soest behoorden volgens Enklaar niet tot de Gooise meente, hoewel zij ooit wel tot Naardingerland hadden behoord.

De Maatlanden waren iets anders

Ook de Maatlanden moeten volgens Enklaar afzonderlijk worden gehouden. De Gooiers betaalden voor het gebruik daarvan eerst tijns aan Elten en later aan de graaf. Toch ziet hij ze niet als voormalige meentegronden. Het waren aangeslibde gronden waarop de landsheer krachtens het stroomregaal rechten kon laten gelden. De meente bezat hij als grondheer; de Maatlanden als landsheer vanuit zijn soevereine rechten op water en aanwas. In 1442 worden Naardermaat, Huizermaat en Ortemaat genoemd. Pieter Aelmanszoon onderscheidde in zijn reisverslag van 1526 de Hilversummer maten en zwaden nadrukkelijk van de gemeenschappelijke weide van Blaricum.

Naarden als oudste centrum

Intussen ontwikkelde de bewoning zich. Naarden was eeuwenlang het belangrijkste kerkdorp. Laren had uiterlijk in 1306 eveneens een kerk: Bernd van den Dorenwerde arresteerde op 19 december 1306 te Hilversum de koster van Laren wegens een vechtpartij. Zijn rekening vermeldt ook Hilversum in 1305, Bussum in 1306 en het verdwenen Wolfsbergen. Dit waren nog buurschappen. Naarden zelf was in 1299, 1305–1307 en zelfs op 21 oktober 1321 nog geen aantoonbare stad. De eerste zekere vermelding als stad dateert van 2 februari 1337.

1350 — het oude Naarden wordt verwoest

Het eerste Naarden lag aan zee. In 1350, bij het uitbreken van de strijd tussen Hoeken en Kabeljauwen, werd de stad in brand gestoken. Graaf Willem V stond de burgers op 17 mei 1350 toe elders een nieuwe stad te bouwen. De nieuwe stad behield dezelfde rechten als de verbrande voorganger en werd gevestigd waar Naarden tegenwoordig ligt. De burgers mochten met advies van de baljuw een omwalling aanleggen. Het nieuwe Naarden moest daardoor tevens een grensvesting worden, waarin de bevolking van het omliggende Gooiland bij gevaar bescherming kon zoeken.

De stad groeide uit de Gooise gemeenschap

Enklaar verbindt dit rechtstreeks met de marke. Naarden werd pas stad nadat de Gooise gemeenschap al was ontstaan. Naardense burgers bezaten bovendien meentrechten. Daarom vermoedt hij dat niet de stad als instelling later grondrechten kreeg, maar dat Gooise markegenoten die in Naarden woonden hun bestaande rechten meenamen toen hun woonplaats stadsrecht verkreeg. Ook bestuurlijk ziet hij overeenkomsten. De stedelijke schepenen, raad en burgemeesters vertonen volgens hem verwantschap met oudere lands- en markefuncties. De Naardense burgemeesters zouden zelfs uit vroegere buurmeesters kunnen zijn voortgekomen.

Laren, Blaricum, Huizen, Hilversum en Bussum

De andere nederzettingen ontwikkelden zich langzamer. Laren had een kerk in 1306 en een schepenbank in 1387. Blaricum en Hilversum worden in 1382 genoemd. De vroegste vermelding van Huizen die Enklaar bespreekt, dateert eveneens uit 1382; Huizen werd in 1409 een zelfstandige parochie. Hilversum werd tijdens het episcopaat van Frederik van Blankenheim, 1393–1423, van Laren afgescheiden en kreeg in 1424 een eigen schepenbank. Blaricum bleef gedurende de Middeleeuwen met Laren verbonden. Bussum, hoewel al in 1306 vermeld en later gerechtigd in de marke, werd tijdens het ancien régime geen zelfstandig bestuursressort.

1424–1428 — de dorpsgrenzen worden zichtbaar

Jan van Beieren gaf Laren en Hilversum in 1424 vrijwel gelijkluidende privileges. Laren kreeg zeven schepenen en Hilversum vijf. Voor verkiesbaarheid gold een vermogenseis van respectievelijk 200 en 240 Hollandse schilden. Gezamenlijk moesten de twaalf schepenen overtredingen in het Gooierbosch berechten. Op 2 januari 1428 werd vervolgens de grens tussen beide gerechten beschreven. Deze liep langs De Vuursche, Baerbergen, Aertgesberg op Lange Heul, Wegelsberg, Kruisbergen en verder naar de grens van het Sticht. Zo ontstond naast de oude gezamenlijke marke een steeds fijnmaziger plaatselijk bestuurslandschap.

De landsverdediging

Ook militaire verplichtingen verbonden de Gooiers aan Holland. De Hollandse heervaart vond veelal over water plaats; dorpen moesten bemande koggen leveren en belastingen werden naar riemtale berekend. In 1339 moest de voorgenomen Eemnesser nederzetting in Gooiland een kogge met tien roeibanken leveren. In 1395 werden de Gooiers van hun eigen kogge ontslagen omdat hun hoge land geen geschikte haven bood en een op het land getrokken schip daar verging. Voortaan moesten zij op andere schepen dienstdoen. Voor de verdediging van het land zelf werd Naarden steeds belangrijker.

Jacoba van Beieren en Jan van Beieren

Tijdens de strijd van Jacoba van Beieren tegen haar oom Jan van Beieren werd Gooiland opnieuw oorlogsgebied. Omstreeks 1418 kregen de Gooiers de belofte gevangenschap, brand en roof bespaard te blijven wanneer zij Jans oproep om Naarden te verdedigen negeerden. In 1423 liet Jan oorlogsschade in Gooiland opnemen. Philips de Goede beval in 1425 bescherming van Naarden en in 1427 werd een kapitein aangesteld om de stad militair te bewaren. Met Jacoba's afstand in 1428 kwam voorlopig een einde aan deze strijd.

Omstreeks 1420 — een zelfstandig Goois baljuwschap

Bestuurlijk vormden Amstelland en Gooiland aanvankelijk één baljuwschap. Rond 1420 werd Gooiland volgens Enklaar waarschijnlijk zelfstandig. De baljuw vertegenwoordigde de landsheer, benoemde schouten en had grote invloed op de schepenbanken. Het ambt kreeg bovendien een financieel karakter. Kandidaten konden geld aan de landsheer voorschieten en het ambt als onderpand verkrijgen. Onder de baljuwen bevonden zich leden van Nijenrode, Mathenesse, Montfoort en IJsselstein. Onder Karel V bekleedde zelfs Antoine de Lalaing, heer van Montigny en later graaf van Hoogstraten, het ambt.

Schutten, bodeambt en gemeenschappelijke weiden

Een rechtstreeks met de meente verbonden functie was de schutter, die toezicht hield op vee. In 1387 wordt al een schutter genoemd. Vanaf 1415 werd het landelijke schutambt gecombineerd met het bodeambt van Naarden. Het verenigde ambt kwam eerst in handen van de familie Uten Broeck en ging in 1458 door huwelijk over naar Van Berkenrode. In 1478 werd het leen zo aangepast dat het ook via de vrouwelijke lijn kon overerven. Deze bestuurlijke ontwikkeling toont hoe belangrijk controle op vee en weiden voor het functioneren van de Gooise gemeenschap was.

1404 — de eerste schaarbrief

Binnen die ontwikkeling is 1404 een sleuteljaar. Na de uitspraak van 1403 sloten Naarden en de “gemene waerscip slands van Goylant” de eerste schaarbrief. Acht schaarzetters regelden hoeveel vee op de gemeenschappelijke weiden mocht worden gebracht: vier uit Naarden en vier uit Laren en Huizen. Zij kwamen op Sint-Geertruidsdag, 17 maart, bijeen. Na ongeveer een maand beweiding volgde controle. Wie bewust te veel dieren liet grazen, riskeerde inbeslagneming. De opbrengst van overtredingen werd verdeeld tussen landsheer, stad, gemeen land, schaarzetters en degenen die de overtreding hadden aangegeven.

Wie mocht scharen?

Aanvankelijk spreekt uit de regeling volgens Enklaar nog een betrekkelijk eenvoudige samenleving. Het bezit van een hoeve werd voor het schaarrecht verondersteld. Wanneer twee gezinnen in één huis woonden, mochten vanuit dat huis twee dieren extra worden geschaard. De gezamenlijke gerechtigden bezaten nog geen eigen zegel, zodat twee grafelijke raadsheren de schaarbrief voor hen bezegelden. De landsheer bevestigde de overeenkomst afzonderlijk. Daarmee bestond vanaf het begin een dubbele structuur: de Gooiers beheerden gezamenlijk het gebruik van de meente, terwijl de landsheer zijn hogere grondheerlijke rechten bleef handhaven.

1408 — landwinning

Die verhouding wordt bijzonder duidelijk in het handvest van Jan van Beieren uit 1408. Niemand mocht de Gooise gemeente gebruiken zonder de gebruikelijke landwinning te hebben gedaan. Enklaar interpreteert deze landwinning als een betaling bij verkrijging van het recht, waarmee tegelijkertijd het eigendomsrecht van de grondheer werd erkend. Het niet voldoen eraan kon verlies van het schaarrecht betekenen. Het Gooise recht was daarmee geen onbeperkt collectief eigendom volgens Enklaars reconstructie, maar een gemeenschappelijk gebruiksrecht binnen een grondheerlijke verhouding.

1418–1419 — de gemeenschap begint zich af te sluiten

Vanaf deze periode wordt zichtbaar dat niet iedere inwoner dezelfde positie bezat. Het Naardense zusterconvent kreeg in 1418 vrij poorterschap en scharing voor twee huishoudens. In 1419 wordt daarentegen gesproken over mensen “van buyten” die in bossen en venen kwamen. Enklaar verbindt hen met de koters: mensen zonder volwaardig markerecht, waaronder nieuwkomers en mogelijk ook economisch afgezakte voormalige gerechtigden. Koters die turf groeven moesten naar het Muiderslot worden gebracht. Bij gewelddadig verzet werd de Gooiers zelfs vooraf straffeloosheid toegezegd wanneer daarbij doden vielen.

1442 — het recht wordt erfelijker

De tweede schaarbrief van 1442, gesloten tussen Naarden en de buurmeesters van de vier dorpen voor 75 jaar, betekende een volgende stap. Niet alleen een hoeve was noodzakelijk; deze moest van de ouders zijn aangeërfd. Bovendien moest iemand persoonlijk bevoegd zijn tot veltslach op de gemeente. Een buitenstaander die in Gooiland grond kocht, kreeg daardoor niet vanzelf meentrecht. De gemeenschap begon volgens Enklaar haar gebruiksrechten bewust te reserveren voor degenen die deze rechten door afkomst konden claimen.

Naarden en de nieuwkomers

Vooral Naarden trok nieuwe inwoners. Omdat het poorterschap oorspronkelijk met meentrecht verbonden was, kon stedelijke groei het aantal gerechtigden vergroten. De tweede schaarbrief beperkte daarom het recht van nieuwe burgers. Een nieuwe Naardense burger moest volgens Enklaars weergave minstens 400 rijders bezitten om schaarrecht te krijgen. Voor een buitenlander die met een Naardens poorterskind trouwde gold een eis van 300 rijders. Zes van de rijkste burgers moesten diens vermogen beoordelen. Afkomst, bezit, stedelijk burgerschap en toegang tot de gemeenschappelijke grond raakten zo steeds nauwer met elkaar verweven.

Weduwen, kinderen en kloosters

De tweede schaarbrief regelde ook de overdracht binnen gezinnen. De langstlevende van een kinderloos gerechtigd echtpaar behield gedurende één jaar een halve schaar. Wanneer kinderen aanwezig waren en de boedel ongedeeld bleef, kon het gezin zijn volle schaar behouden. Een gerechtigd weeskind beneden achttien jaar behield onder voorwaarden een halve schaar; kinderen die gezamenlijk in de ongedeelde ouderlijke boedel bleven, behielden de volle schaar. Het zusterconvent van Naarden en het klooster van Oud-Naarden behielden hun bijzondere rechten. Daarmee zien we het schaarrecht inmiddels tot op gezinsniveau juridisch gereguleerd.

1455 — de derde schaarbrief

De derde schaarbrief van 1455 richtte zich nog scherper tegen buitenstaanders, vooral uit het Sticht Utrecht. Op een boete van 200 rijders mocht een Stichtenaar geen poorter van Naarden of volwaardige buur in een Goois dorp worden. Een Stichtse vrouw die met een Gooier getrouwd was en weduwe werd, kon haar meentrecht verliezen wanneer zij niet opnieuw met een Gooier trouwde. Hiermee werd voorkomen dat gebruiksrechten via huwelijk en vestiging buiten de erkende Gooise groep terechtkwamen.

De koters tegenover de gerechtigden

Ook maatschappelijk werd de scheiding hard. Een Naardense poorter of Gooise boer mocht volgens de derde schaarbrief niet voor een koter in rechte optreden of borg staan; daarop stond 25 rijders boete. Koters mochten zich niet met markezaken bemoeien, op straffe van 10 rijders. Enklaar vergelijkt deze toestand met het Drentse beginsel “een volle buur in de marke is een volle buur in de karke”. Het ging dus niet uitsluitend om het laten grazen van koeien. Toegang tot de gemeenschappelijke grond hing samen met iemands positie binnen de plaatselijke gemeenschap.

Van gebruiksrecht naar Erfgooiersrecht

Hier ligt bij Enklaar de belangrijkste ontwikkeling. Tussen ongeveer 1300 en 1455 veranderde een Gooise grondheerlijke marke geleidelijk in een streng gereguleerde gemeenschap van erfelijke gerechtigden. Eerst vinden we gezamenlijke besluitvorming, vervolgens grondgebruiksrechten, ondeelbaarheid, schaarregels, landwinning en uiteindelijk afkomstseisen. Uit de tweede en derde schaarbrief leidt Enklaar het latere beginsel af dat het recht berustte bij degenen die “man uit man” in Gooiland geboren waren. Daarmee werd het gebruiksrecht volgens zijn reconstructie uiteindelijk in de mannelijke afstammingslijn vastgelegd.

1462 — Gooiland blijft bij Holland

Tegelijk bleef de landsheerlijke band bestaan. In 1462 kreeg Karel de Stoute, toen graaf van Charolais, Gooiland van zijn vader Philips de Goede. Op 5 februari benoemde hij de gebroeders Van Nijenrode tot baljuwen. De Gooiers vroegen hem vervolgens Muiden, Naarden, de dorpen en Gooiland niet van het graafschap Holland te vervreemden. Op 25 augustus 1462 stemde Karel daarmee in. Voor Enklaar is dit een belangrijk moment: Gooiland zou daarna niet opnieuw van Holland worden afgescheiden.

1470 en 1474 — de rechten voor de hoogste rechtbanken

De juridische verhouding werd vervolgens onderwerp van grote processen. In 1470 kwam de eigendom van de meente voor het Hof van Holland. De Gooise procureur stelde dat de Gooiers de gemeente sinds onheuglijke tijden rustig hadden gebruikt en bezeten. Enklaar waarschuwt dat dit geen bewijs levert voor een marke in de Eltensche periode. In 1474 behandelde de Grote Raad van Mechelen de kwestie. Deze processtukken zijn voor ons buitengewoon belangrijk omdat daarin zowel de aard van de gemeenschappelijke gronden als de aanspraken van landsheer en gebruikers concreet zichtbaar worden.

1481–1483 — oorlog treft de Erfgooiersgemeenschap

De opgebouwde gemeenschap leefde niet geïsoleerd van oorlog. In de nacht van 10 op 11 december 1481 overvielen ongeveer zeshonderd mannen uit Utrecht en Amersfoort Naarden. Drie mannen waren als vrouwen vermomd en deden alsof zij eieren en boter naar de markt brachten. Na opening van de poort werd de poortwachter gedood en volgden moorden en plunderingen. De begijnen hielpen burgers ontsnappen en verborgen de ciborie met het Heilig Sacrament in een tonnetje in de grond. Na drie dagen moesten de aanvallers voor naderende Hollanders wijken.

Joost van Lalaing en de verwoesting rond het Gooi

Stadhouder Joost van Lalaing gebruikte Naarden vervolgens als basis voor aanvallen op het Sticht. Eemnes, Baarn, Soest en Westbroek werden getroffen; voedseltransporten tussen Amersfoort en Utrecht werden overvallen en vee geroofd. De Utrechters kwamen op hun beurt tot vlak bij Naarden en namen volgens een bericht ongeveer driehonderd dieren mee. Kroniekschrijver Thomas Basin, coadjutor van bisschop David van Bourgondië, beschreef de verarming en ontwrichting die de oorlog veroorzaakte. Enklaar vermoedt dat dezelfde ellende in Naarden en Gooiland bijdroeg aan de bevolkingsachteruitgang aan het einde van de vijftiende eeuw.

1489–1516 — Naarden blijft de vesting van het Gooi

De Gooise dorpen moesten daarom blijven bijdragen aan de verdediging van Naarden. Stadhouder Jan van Egmond herinnerde hen in 1489 aan hun verplichting de vesten uit te diepen, schoon te houden en staketten te plaatsen. In 1491 moest dat bevel na instortingen worden herhaald. In 1516 klaagde Naarden opnieuw dat de dorpen onvoldoende meewerkten. Hendrik van Nassau, oom van de latere Willem van Oranje, beval de Gooise inwoners wanneer nodig dag en nacht wacht te lopen en de stad te helpen versterken.

De kern van Enklaars verklaring

Zo ontstaat uit deze hoofdstukken één samenhangende ontwikkeling. Het begint niet met een reeds volledig gevormde gemeenschap van Erfgooiers in de tiende eeuw. Eerst zien we Naardingerland, de kerk van Naruthi, Werden en vervolgens de grondheerschappij van Elten. Na de overdracht aan Holland verschijnt tussen circa 1300 en 1326 een georganiseerde Gooise gemeenschap. In 1339 zijn haar grondgebruiksrechten aantoonbaar, in 1403 wordt de ondeelbaarheid vastgelegd, in 1404 het scharen geregeld, in 1408 de grondheerlijke landwinning bevestigd en in 1442 en 1455 wordt de kring van gerechtigden door erfelijkheid en afkomst steeds scherper begrensd.

Wat we nog moeten controleren

Het verhaal is hiermee compleet voor het door jou geplakte gedeelte, maar nog niet definitief voor ons Erfgooiersonderzoek. De belangrijkste openstaande controle is juist Enklaars centrale stelling dat de Gooise marke pas omstreeks 1300 ontstond en niet uit de Eltensche periode stamde. Ook zijn uitleg van landwinning, koters, veltslach, de mannelijke erfopvolging, de Maatlanden en het grondheerlijke eigendomsrecht moet naast later onderzoek worden gelegd. Daarnaast moeten de processen van 1470 en 1474 en vooral de drie schaarbrieven afzonderlijk uit de oorspronkelijke teksten worden gehaald. Dáár kunnen nog namen, bedragen, functionarissen en bepalingen in zitten die in Enklaars lopende verhaal niet volledig zijn weergegeven.

Ja. Bij een extra controle blijken er voor deel 11–13 nog enkele belangrijke aanvullingen te zijn. Vooral 1307 versus 1326, de precieze betekenis van 1339 en de uitzonderingen op de ondeelbaarheid van 1403 moeten scherper worden vastgelegd.

Aanvulling deel 11 — De eerste marke blijft onzeker

De vermelding van „in der meente” in de rekening van Bernd van den Dorenwerde is belangrijk, maar Enklaar maakt hiervan uitdrukkelijk nog geen bewezen beginpunt van de Gooise marke. Het betreft de zaak rond Lambert Spiker, Willem van Cleve en een gedode vrouw, in het Paasjaar 1306, door Enklaar omgerekend tot 1307. „Meente” kán hier de gemeenschappelijke grond betekenen, maar dat staat niet vast. Daarom spreekt Enklaar later voorzichtig over 1307 óf 1326 als de eerste sporen van de marke. Pas vanaf 1326 wordt het bestaan van een georganiseerde Gooise gemeenschap voor hem werkelijk stevig zichtbaar.

Aanvulling deel 12 — Willem III verdedigt zijn grondheerlijke rechten

De reactie van Willem III in 1326 moet nog sterker worden verbonden met ontwikkelingen elders. Enklaar merkt op dat markegenoten in de veertiende eeuw ook buiten Gooiland probeerden hun verplichtingen tegenover grondheren te verminderen of af te schudden. Willem III verklaarde dat zoiets nergens in zijn staten werd geduld. Enklaar ziet daarin juist bewijs dat de graaf zich nog zeer goed bewust was van zijn grondheerlijke positie. De akte van 1326 was volgens hem het middel waarmee een dergelijke Gooise beweging „de kop werd ingedrukt”. De Erfgooiersmarke ontstond dus niet als een gemeenschap die de graaf als eigenaar had uitgeschakeld.

Aanvulling deel 12 — Het beslissende bewijs van 21 oktober 1339

Het woord „gemeente” alleen bewijst volgens Enklaar nog geen gemeenschappelijke grond. Middeleeuwse communitates konden immers allerlei gemeenschappen zijn zonder gezamenlijk grondgebruik. Daarom zijn de twee aanvullende oorkonden van 21 oktober 1339 zo belangrijk. Willem IV kon het betwiste veen bij Eemnes pas aan de Eemnessers afstaan nadat de goede lieden van Gooiland gezamenlijk hadden ingestemd. De Gooiers waren het bovendien met de buren van Eemnes over de kwestie eens geworden. Voor Enklaar is juist die noodzakelijke toestemming het doorslaggevende bewijs dat de Gooise gemeenschap daadwerkelijk een zakelijk recht op de grond bezat.

Omdat Enklaar het eigendomsrecht bij de graaf van Holland legt, kunnen deze rechten volgens hem slechts gebruiksrechten zijn geweest. Een bijbehorende oorkonde spreekt inderdaad over het verpachten van het veen. De grensregelingen bevestigen vervolgens dat met zulke rechten rekening gehouden moest worden. In 1343 maakte Amelis van Mijnden een rascheiding tussen Gooiland en Loosdrecht; in 1381 deed Willem van Brederode dat opnieuw. Die twee gebeurtenissen moeten dus niet alleen als grensgeschillen worden behandeld. Enklaar gebruikt ze hier ook als aanwijzing voor de praktische erkenning van de grondrechten van de Gooise gemeenschap.

Aanvulling deel 13 — De verdeling van 1387 bleef gedeeltelijk bestaan

Bij de verdeling van 1387 ontbreekt nog een belangrijke nuance. De graaf verbood in 1403 nieuwe verdelingen, maar maakte de reeds verdeelde stukken niet allemaal ongedaan. De uitspraak spreekt uitdrukkelijk over „alsulke slage” die de stad Naarden en het gemeene land eerder gezamenlijk hadden afgescheiden. Die bestaande slagen bleven buiten de nieuwe regel van eeuwige ondeelbaarheid. De regeling betekende dus niet dat iedere eerdere verdeling werd teruggedraaid. De graaf berustte in het voldongen feit van 1387, maar verhinderde dat stads- en dorpsbesturen deze praktijk voortzetten en zo de ene Gooise marke verder zouden opsplitsen.

Aanvulling deel 13 — Stad en dorpen waren jonger dan de marke

Enklaars chronologie is essentieel voor zijn juridische redenering. Volgens hem bestond de gemeenschappelijke Gooise marke al voordat de stad en Gooise dorpen zelfstandige besturen kregen. Daarom konden die latere stads- en dorpsbesturen niet uit zichzelf eigenaar of bestuurder van de gemeengronden zijn. De gebeurtenissen van 1387 tonen volgens hem juist hoe de besturen van Naarden en Laren probeerden hun bevoegdheden ten koste van het hogere gezag uit te breiden. De graaf verzette zich daartegen omdat verdere verdeling niet alleen de eenheid van de marke aantastte, maar eveneens een beperking van zijn eigen grondheerlijke rechten zou betekenen.

Aanvulling deel 13 — Bussum en de mogelijke zesde meente

Bij de latere administratieve verdeling verdient Bussum meer aandacht. In 1403 worden naast de burgemeesters van Naarden vijf meentmeesters genoemd. Wanneer iedere meentmeester werkelijk één plaatselijke meente vertegenwoordigde, vermoedt Enklaar dat een zesde meente bij Bussum gezocht moet worden. Daarvoor heeft hij een concrete aanwijzing: in een akte van 1388, waarin Naarden de bestemming regelde van de haar toegewezen slagen veen, wordt Bussum als medegerechtigde genoemd. Bussum was toen, net als Hilversum, Blaricum en Huizen, nog een eenvoudige buurschap zonder zelfstandig dorpsbestuur.

Aanvulling deel 13 — Maatlanden en meente juridisch gescheiden

Het onderscheid met de Maatlanden moet nog scherper. Enklaar zegt uitdrukkelijk dat rechten op de Maatlanden niet uit de markerechten kunnen zijn voortgekomen, omdat beide grondcomplexen van ongelijke oorsprong waren. Dat de tweede schaarbrief van 1442 spreekt over Naardermaat, Huizermaat en Ortemaat betekent volgens hem niet dat deze tot de marke behoorden; waarschijnlijk zijn het daar slechts plaatsaanduidingen. De doorslaggevende bevestiging vindt hij bij de Naardense secretaris Pieter Aelmanszoon in 1526, die de Hilversummer maten en zwaden nadrukkelijk naast, en niet als onderdeel van, de gemeenschappelijke weide van Blaricum beschreef.

Aelmanszoon noemt de „Hilffersummer andrechtmaten ende zwaden” groen grasland waarvan keizer Karel V als graaf van Holland jaarlijks tijns ontving. Daarnaast noemt hij afzonderlijk „den gemeen weyde van Blarecom”. Voor Enklaar is dat een sterke aanwijzing dat de Maatlanden in 1526 nog steeds niet tot de meente behoorden. Wel waren ook de Maatlanden kennelijk onderverdeeld: stad en dorpen bezaten ieder een eigen gedeelte. We moeten daarom in het verdere verhaal consequent drie zaken uit elkaar houden: grafelijk eigendom, gemeenschappelijke gebruiksrechten in de meente en afzonderlijke tijnsrechten en gebruik van de Maatlanden.

Met deze aanvullingen zijn deel 11, 12 en 13 voor hoofdstuk II compleet. De volgende delen kunnen dan beginnen bij hoofdstuk III: het ontstaan van de buurschappen, kerspelen, stad en dorpsgerechten, precies de ontwikkeling die verklaart hoe Naarden, Laren, Huizen, Hilversum, Blaricum en Bussum bestuurlijk afzonderlijke gemeenschappen werden terwijl de Gooise marke gemeenschappelijk bleef.

Deel 11 — Hoe ontstond de Erfgooiersmarke?

Met hoofdstuk II stelt Enklaar de centrale vraag: hoe ontstond onder de bewoners van Naardingerland de belangengemeenschap die het gebruiksrecht van de bodem verwierf, de latere Erfgooiersmarke? De grond had immers voor een zeer groot deel aan Elten behoord en was daarna aan de graaf van Holland gekomen. De bewoners waren oorspronkelijk door diensten, tijnzen en andere grondrechten aan hun heer gebonden. Enklaar verwerpt daarom een eenvoudige voorstelling waarin de Gooise gemeengronden vanaf onheuglijke Germaanse tijden vanzelf het gezamenlijke eigendom van vrije boeren zouden zijn geweest. Voor zo'n oude zelfstandige boerenmarke leveren de Gooise bronnen volgens hem geen bewijs.

Enklaar plaatst dit in een bredere discussie over het ontstaan van marken. Een oudere historische theorie stelde dat gemeenschappelijk grondbezit uit een oeroude periode stamde waarin de bodem collectief eigendom was. Gemeenschappen waarin de leden slechts gebruiksrechten hadden op grond van één eigenaar zouden volgens die opvatting jonger zijn. Andere onderzoekers meenden dat zulke grondheerlijke marken al in de oud-Germaanse samenleving konden bestaan. Voor Gooiland wil Enklaar echter niet vanuit algemene theorieën redeneren. Hij probeert uit de concrete Gooise documenten vast te stellen wie eigenaar was, wanneer een georganiseerde gemeenschap zichtbaar wordt en welke rechten de bewoners tegenover hun grondheer konden uitoefenen.

Voor de periode van de abdij Elten kan Enklaar geen marke aantonen. Een veel latere Gooise procureur beweerde wel dat de Gooiers hun gemeente altijd rustig en vreedzaam hadden gebruikt, zo lang dat niemand zich het tegendeel kon herinneren. Dat bewijst volgens Enklaar weinig: middeleeuwse mensenheugenis kon betrekkelijk kort zijn. Evenmin valt de bewering te bewijzen dat de toestand nooit anders was geweest zolang Gooiland bewoond was. Wie een marke onder Elten aanneemt, moet daarvan volgens Enklaar bewijs leveren, en juist de bronnen zwijgen daarover volledig. Daarom plaatst hij de vorming van de georganiseerde Gooise marke ná de overdracht aan Holland in 1280.

De eerste mogelijke vermelding verschijnt in de rekening van baljuw Bernd van den Dorenwerde. In het Paasjaar 1306, dat Enklaar vanwege de gebruikte jaarstijl als 1307 dateert, staat een betaling aan Lambert Spiker in verband met een verzoening na de dood van een vrouw die samen met Willem van Cleve „in der meente” was gedood, terwijl zij in dienst van de bisschop waren. Bernd behandelde in dezelfde periode een proces over een doodgeslagen vrouw in Gooiland. Enklaar acht het mogelijk dat beide gebeurtenissen dezelfde zaak betreffen en dat „der meente” hier werkelijk de Gooise gemeengrond betekent. Zeker is dat echter niet.

Deel 12 — Willem III erkent geen zelfstandige boerenmarke

Veel duidelijker wordt de situatie in 1326. De Gooiers traden gezamenlijk op en beriepen zich op hun gemeenschappelijke positie. Volgens Enklaar probeerden markegenoten zich in deze periode, zoals ook elders gebeurde, steeds verder aan hun verplichtingen tegenover de grondheer te onttrekken. Graaf Willem III verzette zich daartegen. Hij wees erop dat iets dergelijks nergens anders in zijn landen werd geduld. Voor Enklaar laat juist deze reactie zien dat de graaf zich nog duidelijk bewust was van zijn positie als grondeigenaar. De Gooise gemeenschap mocht gebruiksrechten hebben, maar daarmee werd de gemeenschappelijke bodem nog niet haar volledige eigendom.

Enklaar beschouwt de akte van 1326 daarom als het instrument waarmee een poging van de Gooise markegenoten om hun positie tegenover de grondheer uit te breiden werd tegengehouden. Toch zou men kunnen tegenwerpen dat het document nog geen gemeenschappelijke grondrechten bewijst. Woorden als „ghemeenliken” en „ghemeenen lande” zouden immers ook eenvoudig naar een politieke gemeenschap kunnen verwijzen. In de Middeleeuwen bestonden talrijke communitates zonder gemeenschappelijk grondbezit. Enklaar zoekt daarom aanvullend bewijs. Dat vindt hij niet alleen in de terminologie, maar vooral in concrete handelingen waarbij voor beschikking over grond daadwerkelijk toestemming van de Gooise gemeenschap noodzakelijk bleek.

Dat bewijs verschijnt in 1339. In verschillende samenhangende oorkonden bestaat een bestuur dat optreedt „van ons ghemens lands weghen van Ghoyland”. De betrokken vertegenwoordigers worden eveneens aangeduid als „die goede lude van Ghoyland, diere van der ghemeenten weghen toegheset waren”. Nog beslissender zijn twee oorkonden van 21 oktober 1339. Graaf Willem IV schonk, „bi goetdenken onser goeder lude ghemeenlike van Goylant”, een stuk veen aan de buren van Eemnes, nadat de Gooiers en Eemnessers daarover overeenstemming hadden bereikt. Zonder instemming van de Gooiers kon de graaf dus kennelijk niet eenvoudig over dat veen beschikken.

Voor Enklaar bewijst dit dat de Gooiers daadwerkelijk rechten op de grond bezaten. Omdat het eigendomsrecht volgens zijn reconstructie bij de graaf lag, konden dat geen eigendomsrechten maar slechts gebruiksrechten zijn. Een bijbehorende akte spreekt bovendien van verpachting van het betrokken veen. Ook bij grensregelingen werden zulke rechten gerespecteerd. Enklaar noemt de rascheiding van 1343, getroffen door Amelis van Mijnden tussen Gooiland en Loosdrecht, en de nieuwe grensregeling van 1381 door Willem van Brederode. Ook daarbij moest volgens hem rekening worden gehouden met de bestaande grondrechten van de Gooise gemeenschap.

Deel 13 — De marke mag niet worden verdeeld

Een gevaar voor de eenheid van de Gooise marke ontstond in 1387. De besturen van Naarden en Laren gingen ertoe over gemeenschappelijke grond onderling te verdelen. Enklaar ziet daarin meer dan een praktische regeling: stad en dorp eigenden zich bevoegdheden toe die hun als plaatselijke besturen eigenlijk niet toekwamen. De Gooise marke bestond volgens hem namelijk al voordat stad en dorpen zelfstandige besturen hadden gekregen. Vanaf haar vroegste zichtbaarheid, mogelijk 1307 en duidelijker 1326, bestond er één gemeenschappelijke marke voor heel Gooiland. De later gevormde stads- en dorpsbesturen hadden daarom als zodanig oorspronkelijk geen zeggenschap over die gemeenschappelijke marke.

De graaf berustte uiteindelijk in de reeds uitgevoerde verdeling van 1387, maar wilde herhaling voorkomen. In 1403 werd vastgelegd dat dergelijke verdelingen voortaan verboden waren. Daarmee werd het beginsel van de eeuwige ondeelbaarheid van de Gooise marke bevestigd. Voor Enklaar hangt die ondeelbaarheid rechtstreeks samen met haar grondheerlijke karakter. Wanneer Naarden, Laren en de andere nederzettingen ieder een eigen zelfstandige marke hadden gehad, zouden hun plaatselijke besturen de gemeengronden uiteindelijk in afzonderlijke dorpsmarken hebben verdeeld. Dat gebeurde juist niet: boven de plaatselijke gemeenschappen bleef één Gooise marke bestaan, terwijl de graaf zijn rechten als grondheer handhaafde.

Later kwamen wel afzonderlijke Naarder-, Hilversummer-, Laarder-, Blaricummer- en Huizermeenten tot stand. Enklaar benadrukt echter dat dit géén zelfstandige dorpsmarken waren. Het waren slechts administratieve onderverdelingen om toezicht en gebruik van de heiden en weiden gemakkelijker te organiseren. Nog in de achttiende eeuw mocht iedere gerechtigde zijn vee laten grazen op welke meente hij wilde. De gemeenschappelijke rechten bleven dus Goois en waren niet beperkt tot de meente van het eigen dorp. Dit is een fundamenteel kenmerk van de latere Erfgooiersorganisatie: plaatselijke indeling veranderde niets aan de juridische eenheid en ondeelbaarheid van de gezamenlijke marke.

De uitspraak van 1403 noemt naast de burgemeesters van Naarden vijf meent- of buurmeesters. Enklaar ziet twee mogelijkheden. Misschien bestonden toen al afzonderlijke administratieve meenten bij de stad en vijf dorpen of buurschappen. In dat geval zou de zesde bij Bussum gezocht kunnen worden, omdat Bussum in een akte van 1388 over de aan Naarden toegewezen veenslagen als medegerechtigde voorkomt. Maar het kan ook zijn dat de administratieve verdeling in 1403 nog helemaal niet bestond en de vijf buurmeesters samen met de Naardense burgemeesters toezicht hielden op de gehele Gooise marke. Enklaar laat deze kwestie bewust onbeslist.

De gemeengronden besloegen bovendien niet heel Gooiland. De uitspraak van 1403 spreekt van „eenre gemeente, gelegen in onsen lande van Goylant”: een gemeente binnen Gooiland. Ook de graaf bezat niet iedere vierkante meter van het gewest. Latere omschrijvingen noemen binnen de meente meersen, weiden, venen, bossen, heiden, struiklanden en waranden. Een arrest uit 1474 geeft dezelfde reeks in het Frans. Uit een Mechels vonnis van 1520 blijkt dat vooral onder Naarden, Huizen en Blaricum veel weiland lag, terwijl onder Hilversum vooral heide voorkwam. De gemeengronden lagen dus verspreid over het landschap.

Naast de meente lagen ten slotte de Maatlanden, die een andere oorsprong hadden. Het waren aangeslibde gronden langs de Zuiderzee, waarvoor al onder Elten tijns werd betaald en waarvan de tijns in 1280 aan Holland was overgegaan. Enklaar waarschuwt daarom dat meente en Maatlanden niet met elkaar mogen worden vereenzelvigd. De tweede schaarbrief van 1442 noemt onder meer Naardermaat, Huizermaat en Ortemaat, maar dat bewijst niet dat zij tot de marke behoorden. Pieter Aelmanszoon onderscheidde in 1526 eveneens de Hilversummer maten en zwaden, waar de keizer jaarlijks tijns van ontving, duidelijk van de gemeenschappelijke weide van Blaricum.

De Maatlanden waren dus geen onderdeel van de meente, hoewel stad en dorpen er ieder gedeelten in bezaten of gebruikten. Enklaar concludeert uit de schaarse gegevens dat ook de Maatlanden administratief verdeeld waren: Naarden en de afzonderlijke dorpen hadden ieder hun eigen aandeel. Daarmee moeten in het Erfgooiersverhaal twee verschillende grondsystemen uit elkaar worden gehouden. Enerzijds stond de ondeelbare Gooise meente, waarop de markegenoten gezamenlijk gebruiksrechten bezaten tegenover de grondheer. Anderzijds bestonden de Maatlanden, aangeslibde en tijnsplichtige gronden met een afzonderlijke oorsprong en verdeling. Dat onderscheid wordt later belangrijk wanneer rechten, beweiding, turfwinning en dorpsbelangen met elkaar in botsing komen.

Ik heb deel 9 en 10 nogmaals tegen Enklaars tekst gecontroleerd. Voor het eerste hoofdstuk zelf missen we weinig, maar er zijn een paar nuances die ik zou toevoegen. De grote grensconflicten met Loosdrecht die de zoekactie ook oplevert — 1361, Willem van Brederode in 1381, 1415, 1422 en 1449 — staan later in het boek en moeten dus niet alsnog in deel 9 worden gepropt; die krijgen later eigen delen.

Aanvulling deel 9 — De Eem als spoor van het oude Naardingerland

Enklaars belangrijkste bewijs voor een groter Naardingerland komt niet uit een oude grensbeschrijving, maar uit de Eltensche tijnzen. De landerijen waarvan onder de linde op het kerkhof van Baarn tijns werd betaald, liepen tot op de rechteroever van de Eem. Daaruit concludeert hij dat Naardingerland oorspronkelijk zeker tot de Eem en plaatselijk zelfs daaroverheen reikte. De grens schoof daarna geleidelijk westwaarts: eerst naar de Ree- of Wakkersweg, die Eemnes van noord naar zuid doorsneed, en vervolgens naar de latere grens. Het huidige of laatmiddeleeuwse Gooiland mag daarom niet als maatstaf voor het tiende- tot twaalfde-eeuwse Naardingerland worden gebruikt.

Aanvulling deel 9 — Oude grenzen blijven onzeker

Aan de zuidkant vormden volgens de overlevering het Gooierbosch, Hoddemeer en Coddemeer scheidingen, maar reeds aan het einde van de Middeleeuwen wist men niet meer nauwkeurig waar deze lagen. In de zestiende eeuw beweerden Gooiers dat hun gebied zuidwaarts tot nabij De Bilt en westwaarts tot de Vecht had gereikt. Enklaar kan niet bepalen of deze aanspraken werkelijk oude toestanden weerspiegelden. Bestaande middeleeuwse grensbeschrijvingen tonen juist een landstrook tussen Gooiland en de Vecht. Alleen voor een veel oudere periode acht hij een gouw tussen Eem en Vecht denkbaar, maar daarvoor ontbreekt rechtstreeks bewijs.

Aanvulling deel 10 — Twee namen tegelijkertijd

Bij de naamgeving is één conclusie van Enklaar bijzonder belangrijk. Naardingerland en Gooiland waren geen opeenvolgende officiële namen die netjes bij twee verschillende landsheren hoorden. Naardingerland is wel de oudste naam en vóór de overdracht aan Holland in 1280 kent Enklaar geen vermelding van Gooiland. Maar daarna bleven beide namen naast elkaar bestaan. Naardingerland verschijnt nog in Hollandse bronnen van 1299 en 1304, een Stichtse bron van 1306 en zelfs een Eltensche bron van 1403. Gooiland komt tegelijkertijd in Utrechtse bronnen van 1306 en 1307 en tegen het einde van de veertiende eeuw in een Eltensche bron voor.

Aanvulling deel 10 — Geen zekere verklaring voor Gooi

Ook de etymologie moeten we bewust openlaten. Voor Naarden noemt Enklaar een mogelijke verbinding met Noorden of het Oudgermaanse naru, „nauw”, maar hij accepteert geen van beide als bewezen. Hij sluit zich daarmee feitelijk aan bij de zestiende-eeuwse geschiedschrijver Lambertus Hortensius, die schreef: „qua ratione latet” — waarom Naarden zo heet, weten wij niet. Voor Gooiland is de situatie hetzelfde. Misschien betekent de eerste lettergreep gouw, waardoor Gooiland feitelijk een verdubbeling of tautologie zou zijn. Ook daarvoor ontbreekt volgens Enklaar echter doorslaggevend bewijs.

Daarmee zijn deel 9 en 10 voor hoofdstuk I compleet. Belangrijk is wel dat we de later gevonden grensgegevens bewaren. Enklaar komt namelijk uitgebreid terug op Loosdrecht, Willem van Brederode, Jan van Beieren, de Ra, Wakkersweg, Vuyrsboom, Soeststapel, Wildvang en Breukelerveen. Die informatie hoort chronologisch later en zal daar met alle namen en jaartallen worden opgenomen.

Deel 9 — De oorspronkelijke omvang van Naardingerland

Het middeleeuwse Naardingerland was volgens Enklaar groter dan het latere Gooiland. Vooral in het oosten lag de grens aanvankelijk verder weg. Een belangrijke aanwijzing leveren de landerijen waarvan tijns aan Elten werd betaald onder de linde op het kerkhof van Baarn. Deze tijnsplichtige gronden lagen in Soest, Baarn en Eemnes en reikten zelfs tot op de rechteroever van de Eem. Enklaar concludeert daaruit dat Naardingerland oorspronkelijk zeker tot de Eem reikte en plaatselijk zelfs over die rivier heen. De omvang van het oude Naardingerland kan daarom niet zonder meer gelijkgesteld worden aan de grenzen van het latere Gooiland.

In de loop van de tijd schoof de oostelijke grens volgens Enklaar steeds verder naar het westen. Eerst kwam zij bij de Ree- of Wakkersweg te liggen, een weg die de gemeente Eemnes van noord naar zuid doorsneed. Daarna verschoof zij nog verder naar de grens die in Enklaars tijd de scheiding van Gooiland vormde. Dat proces laat zien dat het middeleeuwse territorium niet onveranderlijk was. Gebieden die oorspronkelijk economisch of juridisch met Naardingerland verbonden waren, konden later buiten Gooiland komen te liggen. De oude Eltensche tijnsrechten bewaren daardoor herinneringen aan territoriale verhoudingen die in latere grensbeschrijvingen niet meer zichtbaar waren.

Ook de zuidgrens is moeilijk te reconstrueren. Enklaar noemt daar het inmiddels verdwenen Gooierbosch en de plassen Hoddemeer en Coddemeer als oude grensscheidingen. Zelfs aan het einde van de Middeleeuwen wist men echter niet meer precies waar deze lagen. Daardoor waren latere grensgeschillen vrijwel onvermijdelijk. In het midden van de zestiende eeuw maakten de Gooiers aanspraken die veel verder gingen. Van Gooise zijde werd beweerd dat hun landschap in zuidelijke richting tot in de omgeving van De Bilt en naar het westen zelfs tot aan de Vecht had gereikt. Enklaar kan niet vaststellen in hoeverre zulke aanspraken werkelijk op oude territoriale verhoudingen berustten.

De bewaarde middeleeuwse grensbeschrijvingen spreken de ruimste westelijke aanspraken in ieder geval voor de latere periode tegen. Daaruit blijkt volgens Enklaar dat tussen Gooiland en de Vecht nog een afzonderlijke strook land lag. Voor de alleroudste periode vindt hij het wel aannemelijk dat de oorspronkelijke gouw tussen de twee rivieren Eem en Vecht kan hebben gelegen. Ook een Utrechts stuk uit het midden van de zestiende eeuw beweerde dat. Bewijs uit de vroegste Middeleeuwen ontbreekt echter. Enklaar behandelt deze reconstructie daarom als mogelijkheid en niet als zekerheid. De oude gouwgrenzen blijven op dit punt grotendeels in het duister.

Over enkele plaatsen is Enklaar veel stelliger. In de latere Middeleeuwen lagen Loosdrecht, Uitermeer aan de Vecht, Muiden en Muiderberg zeker buiten Gooiland. Dat is belangrijk omdat vooral Muiden en Muiderberg in de politieke geschiedenis voortdurend met het Gooi verbonden lijken. De poging van de Naardingerlanders om Floris V bij Muiderberg te bevrijden betekent dus niet dat Muiderberg zelf tot Gooiland behoorde. Hetzelfde onderscheid moet bij latere grensconflicten worden gehandhaafd: economische betrekkingen, gebruiksaanspraken of militaire betrokkenheid zeggen niet automatisch iets over de formele territoriale grens. Enklaar scheidt deze zaken nadrukkelijk van elkaar.

Deel 10 — Waarom heette het Naardingerland en Gooiland?

Na de grenzen behandelt Enklaar de namen Naardingerland en Gooiland, die hij eerder bewust door elkaar heeft gebruikt. Over hun oorsprong was volgens hem veel gefantaseerd. Oudere geschiedschrijvers en onderzoekers hadden romantische etymologieën bedacht die wetenschappelijk niet houdbaar waren. Voor Naarden noemt Enklaar twee mogelijkheden die hij nog het meest serieus neemt. De naam zou verband kunnen houden met Noorden, of met het Oudgermaanse woord „naru”, dat „nauw” betekende. Ook deze verklaringen beschouwt hij echter niet als bewezen. De werkelijke oorsprong van de naam Naarden bleef volgens hem onbekend.

Enklaar haalt daarvoor zelfs de zestiende-eeuwse geschiedschrijver Lambertus Hortensius aan. Deze had zich eveneens afgevraagd waarom Naarden zo heette en kwam uiteindelijk niet verder dan „qua ratione latet”: om welke reden, is verborgen of onbekend. Enklaar concludeert dat de historische wetenschap sinds Hortensius op dit specifieke punt nauwelijks verder was gekomen. Voor de naam Gooiland bestaat evenmin een zekere verklaring. Een mogelijkheid is dat de eerste lettergreep „Gooi” oorspronkelijk hetzelfde betekende als gouw. In dat geval zou „Gooiland” feitelijk een tautologische naam zijn: iets in de betekenis van gouw-land. Ook dit blijft bij Enklaar nadrukkelijk een hypothese.

Meer zekerheid bestaat over het historische gebruik van beide namen. Naardingerland is duidelijk de oudste. Vóór de overdracht aan Holland in 1280 heeft Enklaar geen bron gevonden waarin het landschap Gooiland wordt genoemd. Toch verwerpt hij de eenvoudige theorie dat Naardingerland de naam uit de Eltensche periode was en Gooiland vanaf 1280 de Hollandse naam werd. De bronnen passen daar niet bij. De oude naam bleef na de overgang naar Holland nog lange tijd bestaan, terwijl de nieuwe naam tegelijkertijd in bronnen van verschillende landsheren begon te verschijnen. Beide namen werden dus gedurende lange tijd naast elkaar gebruikt.

Dat blijkt uit concrete jaartallen. In Hollandse stukken uit 1299 en 1304 komt nog Naardingerland voor. Ook een Stichtse bron uit 1306 gebruikt die naam, terwijl zelfs een Eltensche bron uit 1403 nog van Naardingerland spreekt. Tegelijk verschijnt Gooiland al in Utrechtse stukken uit 1306 en 1307, en aan het einde van de veertiende eeuw eveneens in een Eltensche bron. De keuze tussen beide namen kan daarom niet simpelweg worden gekoppeld aan Elten, Utrecht of Holland. De overgang was geleidelijk en beide geografische aanduidingen overlapten elkaar gedurende meer dan een eeuw.

Daarmee eindigt inhoudelijk hoofdstuk I van Enklaar: van de oudste bewoning, Naruthi, Wichman en Elten via Aemstel en Holland tot rechtspraak, territorium en naamgeving. Het volgende onderwerp is een van de belangrijkste voor ons hele Erfgooiersonderzoek. Hoofdstuk II behandelt het ontstaan van de marke, haar grondheerlijke karakter, eeuwige ondeelbaarheid, omvang en de Maatlanden. Daar begint dus de directe institutionele geschiedenis van het gemeenschappelijke grondbezit waaruit de latere Erfgooiersorganisatie zich ontwikkelde.

Ja. Bij de hercontrole van deel 7 en 8 blijkt dat de hoofdlijn compleet is, maar enkele details en nuances uit Enklaar verdienen nog een afzonderlijke aanvulling. Vooral bij de rechtspraak kunnen we preciezer zijn. Daarna begint Enklaar bovendien aan de omvang en grenzen van Naardingerland; dat hoort beter bij deel 9.

Aanvulling deel 7 — De onzekere terugkeer uit het Sticht

Enklaar maakt nadrukkelijk onderscheid tussen wat zeker is en wat hij reconstrueert. Toen Guy van Avesnes in 1301 bisschop van Utrecht werd, zou de schenking van Jan II uit 1300 eigenlijk haar werking verliezen, want zij gold slechts totdat Guy een bisdom verkreeg. Bovendien noemt de Hollandse graaf op 20 oktober 1304 de Naardingerlanders nog zijn eigen „goede luden”. Enklaar acht het daarom waarschijnlijker dat Gooiland na 1301 eerst aan Holland terugviel en vervolgens door Willem III, ergens tussen 20 oktober 1304 en 7 november 1305, opnieuw persoonlijk aan bisschop Guy werd geschonken. De betreffende oorkonde is echter verloren gegaan.

Ook de terugkeer naar Holland in 1317 blijft aanvankelijk een reconstructie. In dat jaar stierf bisschop Guy en bevond het baljuwschap Amstelland zich weer in Hollandse handen. Omdat Gooiland eerder tot dit baljuwschap behoorde, neemt Enklaar aan dat hetzelfde met Naardingerland gebeurde. Maar hij benadrukt dat de gegevens voor Gooiland „veel minder stellig” zijn. Pas op 27 augustus 1323, wanneer de graaf spreekt over „onsen lande van Nairden”, beschikken we over rechtstreeks bewijs. We moeten daarom niet schrijven dat de Hollandse terugkeer in 1317 absoluut vaststaat: 1317 is waarschijnlijk, 1323 is zeker.

Aanvulling deel 7 — Voogd, villicus en erfmaarschalk

Over de Eltensche rechtspraak weet Enklaar minder dan een samenvatting gemakkelijk doet vermoeden. Hij veronderstelt dat namens de abdis een advocatus, een wereldlijke voogd, recht sprak. Geestelijke machthebbers mochten volgens het kerkelijke recht immers niet zelf het halsrecht uitoefenen. De keizersoorkonde van 973 gaf de stiftsvrouwe van Elten de mogelijkheid zo'n voogd zelf aan te wijzen. Daarnaast bezat de villicus, de beheerder van de hof van Naardingerland, volgens Enklaar in oudere tijden zeker jurisdictie. Daarmee bestonden mogelijk verschillende lagen van hofrechtelijke en landsheerlijke rechtspraak naast elkaar, waarvan de precieze verhouding niet meer te reconstrueren is.

In de latere Middeleeuwen verschijnt vervolgens de erfmaarschalk van Gooiland, een ambt dat door de heren van Nijenrode werd bekleed. Historici hadden daarin zowel een voortzetting van de oude Eltensche voogd als van de villicus willen herkennen. Enklaar wijst beide mogelijkheden niet definitief af, maar constateert dat deze tegenstrijdige verklaringen ons niet verder helpen bij het reconstrueren van de Eltensche rechtsmacht. Dat onderscheid moet behouden blijven: Enklaar zegt dus niet dat de heren van Nijenrode bewezen opvolgers van de Eltensche voogden waren. Het is een hypothese rond een later Goois ambt waarvan de middeleeuwse oorsprong onzeker blijft.

Aanvulling deel 8 — De gemeenschap bij de benoeming van de schout

De oorkonde van 21 juli 1299 is nog belangrijker dan alleen de eerste vermelding van landschepenen. De „scultetus et scabini de Nerdigland” vertegenwoordigen volgens Enklaar een gerecht dat niet tot één afzonderlijk dorp behoorde maar tot de gehele gouw Naardingerland. Uit de rekening van Bernd van den Dorenwerde blijkt bovendien dat niet alleen schepenen maar ook de „goede luiden” werden opgeroepen wanneer een nieuwe schout moest worden gekozen. Zij overlegden met de baljuw over een geschikte kandidaat. De uiteindelijke benoeming bleef echter bij de baljuw, omdat deze als vertegenwoordiger van de landsheer optrad.

Dat maakt de vermelding van 21 oktober 1339„die scepene ende die goede lude van Ghoyland” — bijzonder waardevol. Er bestond naast de landsheerlijke vertegenwoordiger een herkenbare groep Gooise goede lieden die gezamenlijk met de schepenen optrad. Enklaar noemt hen hier nog niet de latere Erfgooiers, dus dat mogen wij er niet rechtstreeks van maken. Wel behoort dit tot de institutionele voorgeschiedenis waarin een Gooise gemeenschap zichtbaar wordt die bij landszaken betrokken was. De combinatie van baljuw, schout, landschepenen, goede lieden en dingvolk laat zien dat het bestuur van Gooiland niet uitsluitend van bovenaf door de landsheer werd uitgeoefend.

Aanvulling deel 8 — Dingplaatsen en de grenzen van het bewijs

Ook bij de gerechtplaatsen is Enklaar voorzichtiger dan we moeten verliezen. De baljuw hield zitting in Naarden, Hilversum, Bussum en Wolfsbergen, waarbij Wolfsbergen mogelijk onder Huizen lag. Maar Enklaar kan niet bewijzen dat dit werkelijk de oude dingsteden, de wettige vaste rechtplaatsen uit de Frankische tijd, waren. Evenmin kan hij aantonen dat het gerecht volgens Frankisch gebruik precies driemaal per jaar bijeenkwam. Hij ziet daarvoor slechts een vage aanwijzing. De plaatsen en de frequentie mogen daarom niet als bewezen Karolingische continuïteit worden gepresenteerd; het zijn aanwijzingen binnen zijn bredere reconstructie van het Gooise gravengericht.

Aanvulling deel 8 — Klacht, maaggeld en lagere rechtspraak

De procedure versterkt volgens Enklaar wél de vergelijking met het Karolingische gravending. Het Gooise gerecht behandelde voor het gehele Gooi moord, doodslag, brandstichting en ernstige verwonding, maar alleen wanneer daarover een klacht was ingediend. De schout werd daarbij door de rechtsvorderaar, dus de baljuw, aangewezen en trad op als uitvoerder van het vonnis. Bijzonder is zijn betrokkenheid bij het innen van maaggeld: een boete die volgens het oude recht van de familie van een veroordeelde werd gevorderd. Daarnaast berechtten schout en schepenen zelfstandig zaken van geringer gewicht. Er bestonden dus verschillende niveaus binnen dezelfde rechterlijke organisatie.

De latere overgang naar de stadsschepenbank van Naarden moet eveneens worden behouden. Deze nam uiteindelijk de plaats van de oude landschepenen in bij de strafrechtspraak over het omliggende platteland. Enklaar vergelijkt dit niet alleen met het Rijk van Nijmegen, maar ook met kleine steden in het Nedersticht van Utrecht en met de Vlaamse kasselrijen. Daar sprak eveneens een vertegenwoordiger van de landsheer — bijvoorbeeld een burggraaf of maarschalk — samen met stedelijke schepenen recht over het omringende land. Voor Enklaar ondersteunt deze vergelijking zijn opvatting dat ook de Gooise rechtsmacht uiteindelijk uit oude Karolingische gravenrechten voortkwam.

Daarmee zijn deel 7 en 8 inclusief deze aanvullingen compleet voor deze passage. Het volgende grote onderwerp begint precies hierna: hoe groot Naardingerland oorspronkelijk was, met Eem, Eemnes, Ree-/Wakkersweg, Gooierbosch, Hoddemeer, Coddemeer, De Bilt, Vecht, Loosdrecht, Uitermeer, Muiden en Muiderberg. Dat wordt dus een belangrijke laag van deel 9.

Deel 7 — Gooiland keert terug onder Holland

De tijdelijke Stichtse heerschappij over Naardingerland bleef niet lang bestaan. Guy van Avesnes, broer van de Hollandse graaf Jan II, was sinds 1301 bisschop van Utrecht en bezat het gebied in ieder geval tussen 1305 en 1307. Enklaar vermoedt dat Willem III Gooiland tussen 20 oktober 1304 en 7 november 1305 persoonlijk aan Guy had geschonken, nadat een eerdere regeling was vervallen. De oorkonde waarmee dit gebeurd zou zijn, is verloren. Daardoor blijft dit een reconstructie van Enklaar. Zeker is dat baljuw Bernd van den Dorenwerde tussen 1305 en 1307 Naarden en Gooiland binnen het Stichtse baljuwschap Amstelland bestuurde.

Aan deze toestand kwam waarschijnlijk een einde toen bisschop Guy van Avesnes in 1317 overleed. Het baljuwschap Amstelland bevond zich dat jaar opnieuw in Hollandse handen. Omdat Gooiland tijdens Guys bestuur onderdeel van dat baljuwschap was geweest, veronderstelt Enklaar dat ook Naardingerland toen naar Holland terugkeerde. Voor Gooiland zelf ontbreekt echter een document uit 1317 dat dit rechtstreeks bewijst. De eerste volledig zekere bevestiging komt pas op 27 augustus 1323. De graaf van Holland spreekt dan over „onsen lande van Nairden”. Vanaf dat moment kan volgens Enklaar zonder voorbehoud worden vastgesteld dat Naardingerland opnieuw onder het gezag van de Hollandse graaf stond.

Deze bestuurlijke wisselingen brengen Enklaar bij een fundamentelere vraag: waarop berustte eigenlijk het landsheerlijke gezag over Gooiland? Hij had eerder vermoed dat Elten zijn immuniteitsrechten uiteindelijk had uitgebreid tot bevoegdheden die oorspronkelijk aan een graaf toebehoorden. Om die theorie te toetsen onderzoekt hij de oude Gooise rechtspraak. Over de rechterlijke organisatie onder Elten weten we weinig. Waarschijnlijk liet de abdis wereldlijke rechtspraak verrichten door een advocatus, een voogd. Volgens het kerkelijke recht kon een geestelijke machthebber immers niet zelf het halsrecht, de zware strafrechtspraak waarbij lijf en leven betrokken waren, uitoefenen. De keizersoorkonde van 973 stond de stiftsvrouwe toe zo'n voogd aan te wijzen.

Daarnaast moet de villicus, de beheerder van de Eltensche hof of curtis van Naardingerland, in oudere tijden rechterlijke bevoegdheden hebben bezeten. Een opmerkelijke latere functie was die van erfmaarschalk van Gooiland. In de latere Middeleeuwen traden de heren van Nijenrode als zodanig op. Sommigen zagen deze erfmaarschalk als opvolger van de oude Eltensche voogd; anderen juist als voortzetting van de villicus. Enklaar vindt geen van beide verklaringen voldoende bewezen. Het gegeven helpt daarom niet om de Eltensche rechtsmacht precies te reconstrueren. Het eerste werkelijk concrete bewijs voor de organisatie van de Gooise rechtspraak verschijnt pas helemaal aan het einde van de dertiende eeuw.

Deel 8 — Schout, schepenen en het oude gravengericht

Op 21 juli 1299 verschijnen in een oorkonde de „scultetus et scabini de Nerdigland”: de schout en schepenen van Naardingerland. Enklaar beschouwt hen niet als functionarissen van één dorp, maar als landschepenen van de gehele gouw. Ook de rekening van baljuw Bernd van den Dorenwerde uit 1305–1307 toont hun bestaan. Een volgende belangrijke vermelding dateert van 21 oktober 1339, wanneer „die scepene ende die goede lude van Ghoyland” gezamenlijk optreden. Daarmee worden naast de schepenen ook de goede lieden van Gooiland zichtbaar als deelnemers aan het openbare bestuur en de rechtspraak van het landschap.

Bernds rekening laat bovendien zien hoe een schout werd aangesteld. Schepenen en goede lieden werden opgeroepen om samen met de baljuw te overleggen wie voor het ambt geschikt was. Daarna verrichtte de baljuw, als vertegenwoordiger van de landsheer, de eigenlijke benoeming. Enklaar vindt deze bestuursvorm opvallend Karolingisch. De baljuw vervulde de plaats van de vroegere graaf: hij leidde het gerecht en trad op als rechtsvorderaar. De schepenen waren de oordeelvinders, terwijl hun beslissingen door het aanwezige dingvolk moesten worden goedgekeurd. De schout stond daaronder en vervulde vooral uitvoerende en lagere rechterlijke taken.

De baljuw hield gerecht op verschillende plaatsen in het Gooi: Naarden, Hilversum, Bussum en Wolfsbergen. Waar Wolfsbergen precies lag, wist Enklaar niet meer vast te stellen; hij acht een ligging onder Huizen mogelijk. Evenmin kan worden bewezen dat deze vier plaatsen werkelijk de oude vaste dingsteden waren. Ook is niet zeker dat daar, overeenkomstig Frankisch gebruik, precies drie keer per jaar een gerecht werd gehouden, hoewel Enklaar een vage aanwijzing daarvoor meent te zien. Belangrijker is dat dit gerecht voor heel Gooiland bevoegd was. Het was dus nog geen verzameling volledig afzonderlijke dorpsgerechten, maar een gemeenschappelijke landsrechtspraak.

Tot deze rechtspraak behoorden zware misdrijven als moord, doodslag, brandstichting en ernstige verwonding. Het gerecht trad daarbij alleen op wanneer een klacht was ingediend. Ook dat herinnert Enklaar aan het Karolingische gravengericht. De schout, door de baljuw aangewezen, hielp het uitgesproken vonnis uitvoeren. Hij was onder andere betrokken bij het innen van maaggeld, een boete die volgens het oude recht van de familie van een veroordeelde kon worden gevorderd. Samen met de schepenen behandelde hij daarnaast minder zware zaken. Juist deze combinatie van baljuw, schout, schepenen, dingvolk, klachtprocedure en strafrecht vormt voor Enklaar een opmerkelijk oud rechtskundig overblijfsel.

Enklaar trekt daaruit een belangrijke conclusie voor de vroegste geschiedenis van Naardingerland. De criminele rechtspraak van baljuw en landschepenen was volgens hem waarschijnlijk een overblijfsel van een Karolingisch gravending. Daarmee wordt zijn eerdere theorie ondersteund dat de landsheerlijkheid van Elten uiteindelijk op een oude Frankische grafelijkheid terugging. Later nam de stadsschepenbank van Naarden de plaats van de landschepenen in. Enklaar vergelijkt dit met het Rijk van Nijmegen, kleine steden in het Nedersticht van Utrecht en de Vlaamse kasselrijen. Nog in 1570 verklaarden de op bevel van Alva opgeschreven costumen van Naarden en Gooiland dat deze criminele rechtsmacht bestond „naer oude immemoriael gewoonte”.

Ja. Bij mijn vorige aanvulling ontbraken nog enkele belangrijke schakels, vooral het hofstelsel zelf, het landschap vóór de dorpen, de complete overgang van Fries naar Frankisch bestuur en enkele details van de kerstening. Hieronder maak ik er één doorlopend aanvullend verhaal van. Ik laat de uitvoerige juridische geschiedenis die al op jouw Erfgooierspagina staat zoveel mogelijk buiten beschouwing, maar neem de vroege voorgeschiedenis wél mee waar die nodig is om het ontstaan van de gemeenschap te begrijpen. De PDF zelf benadrukt dat juist de combinatie van historische bronnen, plaatsnamen en nieuwe archeologische vondsten een ander beeld van het vroegmiddeleeuwse Gooi heeft opgeleverd.

Het Gooi vóór de Erfgooiers – de complete aanvullende laag

Een landschap gevormd door ijs

Lang voordat van Naardingerland of Erfgooiers sprake was, werd het landschap bepaald door de laatste ijstijden. Tijdens het Saalien, ongeveer 238.000–128.000 jaar geleden, schoof landijs het materiaal op waaruit de Gooise stuwwallen ontstonden. Een tweede stuwingsfase vormde onder meer de boog Laren–Blaricum–Huizerhoogt en het keileemplateau bij de Aardjesberg en Hilversum-Noord. Deze hogere gronden boden later water en relatief vruchtbare landbouwgrond. Vanaf het Neolithicum ontstonden door menselijk gebruik heidevelden en zandverstuivingen. Rondom het Gooi veranderde het landschap sterker: in Vechtstreek en Eemland steeg het grondwater en breidden veen, meren en rivieren zich uit.

Een Gooi zonder grote dorpen

De vroegmiddeleeuwse bevolking woonde niet in de dorpen zoals we die later kennen. Archeologische vondsten wijzen juist op verspreide bewoning over vrijwel het gehele Gooi, vooral op de leemrijke heuvels en hun flanken. Waarschijnlijk bestonden nederzettingen uit kleine groepen boerderijen waarin één of enkele families leefden, mogelijk samen ongeveer dertig tot honderd personen. De auteurs concluderen dat het Gooi tussen circa 500 en 1200 waarschijnlijk zonder onderbreking bewoond bleef; alleen uit de vijfde eeuw ontbreken vooralsnog vondsten. Daarmee verdwijnt het oudere beeld van de vroege middeleeuwen als een vrijwel lege tussenperiode. Het latere Gooise dorpenlandschap groeide uit een veel oudere bewoningsstructuur.

De Friese bevolking van het Gooi

De auteurs plaatsen het vroegmiddeleeuwse Gooi binnen een veel groter Fries gebied dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse kuststreken en rivierendelta omvatte. Een geschreven bron die ondubbelzinnig zegt dat het Gooi Fries was, ontbreekt, zodat dit een reconstructie blijft. Plaatsnamen, persoonsnamen en archeologische vondsten wijzen volgens hen echter duidelijk in die richting. Het aangrenzende Vechtgebied behoorde eveneens tot dit Friese machtsgebied. De namen Liafburg, Nothgrim, Thiadgrim, Atto en Liudger worden als Fries genoemd. Het Gooi en de Vechtstreek moeten daarom aanvankelijk niet als twee volledig gescheiden werelden worden gezien, maar als onderdelen van hetzelfde vroegmiddeleeuwse woon- en machtsgebied.

Aldgisl, Radbod en de Wursingclan

In de zevende en vroege achtste eeuw stond het gebied van Nifterlake met onderbrekingen onder Friese machthebbers als Aldgisl en Radbod. Mogelijk gebruikten zij het voormalige Romeinse Traiectum, Utrecht, als machtscentrum. In dit gebied bezat de Friese adellijke Wursingclan omvangrijke goederen. Wursing, grootvader van missionaris Liudger en ook bekend onder de naam Atto, kwam door zijn Frankische gezindheid in conflict met Radbod en week met zijn familie uit naar Frankisch gebied. Na Radbods dood in 719 veroverde hofmeier Karel Martel het Vechtgebied ten noorden van Utrecht en drong de Friese macht terug. De familie van Wursing kon vervolgens naar haar bezittingen terugkeren.

Van Friese naar Frankische macht

De Frankische verovering betekende volgens de archeologie waarschijnlijk niet dat de bestaande bevolking verdween. Het grafveld aan de Liebergerweg in Hilversum bleef in de zevende en achtste eeuw gebruikt worden. Ook een Fries type mantelspeld uit Laren en Friese muntnavolgingen uit Maartensdijk worden als aanwijzingen voor bevolkingscontinuïteit genoemd. Bestuur, machtsverhoudingen en uiteindelijk religie veranderden dus sterker dan de bevolking zelf. Dat is belangrijk voor de voorgeschiedenis van de Erfgooiers: de gebruikers van het Gooise landschap verschenen niet opeens toen middeleeuwse documenten hun rechten gingen vastleggen. Achter hen lag een veel oudere plaatselijke bevolking die de hogere gronden, akkers, bossen en omliggende woeste gronden al generaties gebruikte.

Tafelbergen en mogelijke vergaderplaatsen

Rond 900 vermeldde het goederenregister van Werden naast Naruthi ook de Tafalbergon, de Tafelbergen. Deze mogen volgens Cruysheer en Van der Tuuk niet eenvoudig met de huidige Tafelberg bij Blaricum worden gelijkgesteld; die naam ontstond pas in de zeventiende eeuw. Als mogelijke oude Tafelbergen noemen zij de Eukenberg, Sijsjesberg, Leeuwen- of Venusberg, mogelijk de Zwarte Berg en Hoogenberg. Sommige kunnen rituele plaatsen zijn geweest. De afgeplatte toppen doen ook denken aan verhoogde dingplaatsen, waar vrije mannen bijeenkwamen en recht spraken. De Opstalboom bij Aurich vormt een vergelijking. Voor zo'n Gooise dingfunctie bestaat echter geen rechtstreeks bewijs.

Vrije mannen, ding en graaf

De mogelijke dingplaatsen zijn interessant omdat zij iets zeggen over bestuur vóór het latere domeinstelsel. Bij Friese volksvergaderingen traden vertegenwoordigers van de vrije mannen als dinggenoten op. Na de Frankische veroveringen van de zevende en achtste eeuw ging een belangrijk deel van de beslissingsmacht naar de graaf. De Franken schaften de volksvergadering echter niet onmiddellijk af: de graaf of zijn vertegenwoordiger kon haar blijven bijeenroepen. Sommige dingplaatsen bleven daardoor eeuwen als verzamelplaats functioneren. In Gooise bronnen is zo'n dingplaats niet aangetoond. De hypothese laat echter zien dat vóór Elten en de latere Erfgooiers al andere vormen van gezamenlijk gebruik, rechtspraak en lokale organisatie kunnen hebben bestaan. Een directe institutionele continuïteit bewijst de PDF niet.

Liudger en het netwerk langs de Vecht

De verbinding tussen Gooi en Vecht wordt duidelijker door Liudger. Hij stamde uit de Wursingclan en schonk in 799 familiebezit in het Vechtgebied aan de abdij van Werden, die hij in zijn Saksische missiegebied aan de Ruhr had gesticht. Op zijn familiegoed Werinon, het latere Nederhorst den Berg, stond een kerk die waarschijnlijk de voorganger was van de huidige Willibrordkerk. Deze kerk fungeerde volgens het artikel als moederkerk van Naarden, Muiden, Weesp en Loenen. Omdat Naarden rond 900 in het Werdense goederenregister met kerk en kerkenland verschijnt, plaatsen de auteurs de stichting van die kerk waarschijnlijk ergens in de negende eeuw.

Willibrord en Bonifatius

Na de Frankische verovering trokken vanuit Utrecht missionarissen het nieuw beheerste gebied binnen. Willibrord stond centraal in deze missie. Ook Bonifatius werkte langs de Vecht en gebruikte Attingahem, waarschijnlijk Breukelen, als uitvalsbasis, waar hij een kerk stichtte. Dat Bonifatius persoonlijk in het Gooi predikte is niet bewezen; de auteurs noemen het een mogelijkheid. Belangrijker is de kerkelijke structuur. Het Gooi behoorde later tot het decanaat Iuxta Vechtam, ‘Bij de Vecht’. Halverwege de elfde eeuw kwamen de aartsdiaconale rechten van het noordelijke Nifterlake bij de proost van Oudmunster. Daarmee bleef in de kerkelijke organisatie de oude samenhang tussen Vechtgebied en Gooi nog herkenbaar.

Oude gebruiken verdwenen niet ineens

Kerstening was geen gebeurtenis van één jaar. Een andere bijdrage in het tijdschrift gebruikt de Indiculus superstitionum et paganiarum, waarschijnlijk verbonden met Utrecht, om te laten zien welke gebruiken kerkelijke auteurs bestreden. Genoemd worden dadsisas, lijkzangen bij de doden, en nodfyr, noodvuur waaraan reinigende kracht werd toegeschreven. Verder worden geloften bij bomen en bronnen, kruiden of barnstenen kralen om de hals, voortekenen en het roepen tegen de maan genoemd. Ook dodenoffers, heilige eiken en andere cultusplaatsen komen ter sprake. Zulke plaatsen konden worden vernietigd, maar soms ook een christelijke bestemming krijgen. De bron weerspiegelt daarbij nadrukkelijk de kerkelijke visie op oudere gebruiken.

Vorsten, missionarissen en Friese aristocraten

De kerstening werd mede gedragen door politieke macht. Pepijn II ondersteunde Willibrord en liet hem door de paus tot aartsbisschop van de Friezen wijden; Utrecht werd zijn vestigingsplaats. Pepijn III, koning vanaf 751, vertrouwde de Friese missie toe aan abt Gregorius. Onder Karel de Grote werkte Liudger eerst in Friesland en Groningen en daarna onder de Saksen. De kerstening kwam echter niet uitsluitend van buitenaf. Het artikel benadrukt ook de rol van Friese aristocraten, waaronder Wursing, Adelberga en Nothrad. Frankisering, politieke onderwerping en verspreiding van het christendom liepen hierdoor in deze eeuwen sterk door elkaar.

Van Nifterlake naar Nardincklant

In de vroege situatie vormden persoonlijke familiebezittingen waarschijnlijk een belangrijkere verbindende factor dan scherp getrokken grenzen. De auteurs spreken daarom voorzichtig van een mogelijke ‘Wursinggouw’ waarin Vechtgebied en Gooi door het bezit en de invloed van dezelfde clan verbonden waren. Toen de Wursingclan verdween en de Utrechtse kerk elders een grote grondbezitter werd, verzwakte deze persoonlijke verbinding. In de tiende eeuw werd het Gooi een afzonderlijk graafschap Nardincklant. De auteurs opperen dat ook de vorming van parochies hierbij een rol kan hebben gespeeld: bereikbaarheid van een kerk bepaalde mede de kerkelijke geografie. Vanaf dat moment moet Nardincklant bestuurlijk losser van het oude Nifterlake worden beschouwd.

Koninklijke woeste gronden

De schenking van Otto I in 968 laat volgens de auteurs zien dat goederen in Nardincklant daarvoor tot het koninklijke bezit behoorden. Hoe dat kroondomein precies was ontstaan weten we niet. Mogelijk waren na de Frankische verovering goederen van Friese edelen geconfisqueerd, maar daarvoor ontbreekt hard bewijs. Een tweede verklaring is belangrijker voor de latere Erfgooiers: bossen, heide en venen konden door het wildernisregaal onder de koning vallen. Daarnaast bestonden het heerbaanregaal voor doorgaande wegen en het stroomregaal voor belangrijke wateren. Juist de uitgestrekte onontgonnen gronden zouden later de kern vormen van de gemeenschappelijke gebruiksrechten.

Wichman en Sint-Vitus

Graaf Wichman van Hamaland, een zeer rijke edelman met banden met de keizerlijke aristocratie, stichtte op de Elterberg een adellijk vrouwenstift. Zijn dochter Liutgardis werd het eerste hoofd. Het stift stond aanvankelijk onder bescherming van Sint-Salvator en Sint-Vitus; uiteindelijk domineerde Sint-Vitus. In 968 schonk Otto I aan het stift de goederen die Wichman als rijkslenen bezat op Urk, in Salland, Hamaland en Nerdinclant. De verbreiding van Sint-Vitus in het Gooi wordt met deze Eltense invloed verbonden. De heilige was via Saint-Denis en Corvey belangrijk geworden en werd door de Saksische Ottonen als een symbool van hun machtswereld bevorderd.

Eén enorm Goois domein

Voor de Erfgooiers is vooral de omschrijving van Naardingerland als curtis belangrijk. Volgens de auteurs lijkt vrijwel het gehele gebied onderdeel te zijn geweest van één uitzonderlijk groot domein. Dat was mogelijk omdat een aanzienlijk gedeelte uit gemeenschappelijke of woeste gronden bestond. Het domein functioneerde volgens het klassieke hofstelsel. Er was saal- of vroonland, rechtstreeks voor de grondheer geëxploiteerd, en hoevenland, uitgegeven aan boeren. Veel werkzaamheden werden uitgevoerd door horigen, onvrije boeren. Het hoevenland werd later steeds vaker verpacht en raakte daardoor organisatorisch losser van de centrale hof. In laatmiddeleeuwse bronnen bleef nog onderscheid zichtbaar tussen pachters en mensen die op de vroonhof werkten.

De verdwenen vroonhof

Het vroonland werd bestuurd vanuit een centrale hof: de curtis die in de oorkonde van koning Lotharius wordt genoemd. Daar werden onder meer de landbouwopbrengsten verzameld. Waar deze centrale Gooise vroonhof precies lag, weten de auteurs niet; laatmiddeleeuwse verwijzingen leveren geen zekerheid. Het oorspronkelijke vroonland kan soms herkenbaar blijven in de latere engen. Zulke bouwlandcomplexen lagen in het Gooi rond Hilversum, Bussum, Huizen, Blaricum en Laren. In de late middeleeuwen waren deze engen in individuele landbouwpercelen verdeeld. Daarmee bestond naast de gezamenlijk gebruikte woeste grond een andere landschappelijke laag van intensiever bewerkt bouwland rondom de nederzettingen.

Schapen, heide en wol

De uitgestrekte Gooise heidevelden lagen op betrekkelijk arme zandgrond en waren bijzonder geschikt voor schapenhouderij. Daardoor ontstond volgens de auteurs al binnen het domein regionale wolverwerking. Deze economische specialisatie bleef in latere middeleeuwen en nieuwe tijd bestaan, toen Naarden uitgroeide tot textielproductiestad. De samenhang was praktisch: nederzettingen en engen leverden landbouwproducten, terwijl de enorme heide- en andere woeste gronden gemeenschappelijk gebruikt konden worden voor vee en andere bestaansmiddelen. Naarden functioneerde door zijn ligging aan het Almere als haven en markt voor het achterland. Wol en landbouwproducten konden er worden verhandeld; van elders aangevoerde goederen kwamen via hetzelfde netwerk het Gooi binnen.

Horigen en de wortel van het gemeenschappelijk recht

Hier ligt de directe verbinding met het reeds bestaande Erfgooiersverhaal. De grondheer kende de horige boeren gebruiksrechten op de woeste gronden toe; daartegenover betaalden zij tijns. Het waren dus aanvankelijk geen moderne eigendomsrechten, maar rechten binnen een grondheerlijke en domaniale samenleving. De PDF legt vervolgens expliciet de verbinding naar de latere ontwikkeling: deze rechten groeiden in de late middeleeuwen uit tot een gereguleerd systeem van gemeenschappelijk gebruik en beheer, dat uiteindelijk dat van de Erfgooiers werd. Daarmee wordt de Erfgooiersgemeenschap in dit artikel niet als een plotseling ontstane middeleeuwse vereniging voorgesteld, maar als de latere institutionalisering van veel oudere gebruiksverhoudingen binnen het Gooise domein.

Laren vóór het huidige Laren

De archeologie maakt deze samenleving concreter. Op de Laarder Eng werd in 2013 een Merovingische Domburgfibula uit circa 550–625 gevonden, een type dat als Fries gidsartefact wordt beschouwd. Uit hetzelfde gebied kwam een zeldzame bronzen Frankische sleutel uit circa 800–1000, vermoedelijk gedragen aan een gesp en gebruikt voor het schuifslot van een kist. Het vroegmiddeleeuwse Lare wordt ongeveer gezocht tussen Sint-Janskerkhof, Vredelaan, Hilversumseweg, Sint Janstraat en Slangenweg. Een oude traditie verbindt het Sint-Janskerkhof met een vroeg religieus centrum of zelfs een achtste-eeuwse kerk, maar de PDF benadrukt dat daarvoor geen overtuigend schriftelijk bewijs bestaat.

Hilversum: boerderij, waterput en ambacht

Bij de Lange Heul in Hilversum werd in 1938 een vroegmiddeleeuwse boerderij opgegraven. De plattegrond toont een lang woonstalhuis van ongeveer veertig bij zes meter en een waterput; de publicatie bevat hiervan ook de opgravingsplattegrond. Aardewerk en andere vondsten wijzen op bewoning en dagelijkse productie. Er kwamen onder meer ijzerslakken van metaalbewerking, maalsteenmateriaal en een spinschijfje voor textielwerk aan het licht. Naast kogelpotten werd geïmporteerd aardewerk aangetroffen, waaronder materiaal uit Andenne en Pingsdorf. De waterput kan tien tot twaalf meter diep zijn geweest. Andere sporen en putten maken aannemelijk dat hier meer dan één afzonderlijke boerderij stond.

Grafvelden en veranderend geloof

Op de Westerheide bij Hilversum werd na plagwerkzaamheden de bodem van een vroegmiddeleeuwse Walbwandtopf in de oorspronkelijke bodem aangetroffen. De auteurs interpreteren deze waarschijnlijk als restant van een crematiegraf en mogelijk van een groter grafveld. Tegelijkertijd veranderde onder Frankische en christelijke invloed het grafritueel geleidelijk van crematie naar begraving van het lichaam. Een bronzen sleutel die vóór de Tweede Wereldoorlog ‘bij Hilversum’ werd gevonden, dateert uit het einde van de achtste of de negende eeuw en draagt een kruis. Volgens de auteurs is dit het oudste bekende christelijke symbool op een voorwerp uit het Gooi. De precieze vindplaats blijft onbekend.

Bikbergen en contacten over zee

Bij Bikbergen in Huizen werd in 1992 een schat gevonden van negen zilveren Karolingische denarii uit 822–855. Later kwam in dezelfde omgeving een fragment van een gouden Vikingring uit ongeveer 850–925 tevoorschijn. De versiering sluit aan bij Noord-Europese voorbeelden en het fragment kan als hakgoud hebben gecirculeerd. Ook werd in 2015 door detectorzoeker Sandor Horvath een Angelsaksische sceatta uit circa 680–710 gevonden. Zulke voorwerpen tonen dat de kleine Gooise nederzettingen niet geïsoleerd lagen. Via handelsroutes over rivieren, Almere en Noordzee bereikten munten, sieraden en andere voorwerpen het gebied. De auteurs spreken daarom ook van cultuurinvloeden van de Noormannen.

Nog meer kleine vondsten

De inventaris bevat daarnaast vondsten die afzonderlijk klein lijken maar samen het bewoningsbeeld versterken. Bij 't Bluk in Hilversum werd in 2008 een handgemaakte benen kraal met lijn-puntversiering gevonden; een vroegmiddeleeuwse datering lijkt mogelijk maar kon niet worden bewezen. In Egelshoek bij Hollandsche Rading kwam in augustus 2013 een heiligenfibula met aureool tevoorschijn, circa 24 millimeter groot en gedateerd rond 800–900, al kan deze met aangevoerde grond zijn meegekomen. Aan de Kanaaldijk werd een fragment van een zilveren grosso van paus Urbanus II uit 1088–1099 gevonden; ook daarvan vermoeden de auteurs dat het mogelijk met stortgrond uit Utrecht is aangevoerd.

Oud-Naarden onder de Zuiderzee

De verdwenen nederzetting Oud-Naarden vormt een afzonderlijke archeologische wereld. Lambertus Hortensius meldde omstreeks 1550 menselijke beenderen in het gebied. Lambert Rijkszoon Lustigh uit Huizen beschreef wat hij op 12 oktober 1712 bij laag water zag: resten van steenwerk en straten, omgevallen bomen en materiaal dat hij met de verdwenen nederzetting verbond. In de negentiende eeuw werden opnieuw straatwerk, eikenhouten putten, aardewerk en dik groen glas gezien. Latere detectorvondsten omvatten bronzen kookpotfragmenten, boek- en leerbeslag, riemtongen en tientallen fibulae. De voortdurende kustafslag heeft materiaal uit nederzetting en mogelijk kerkhof over een groter gebied verspreid.

Een gemeenschap die haar woonplaatsen verplaatste

De vroegmiddeleeuwse nederzettingen bleven niet allemaal op dezelfde plaats liggen. De auteurs noemen Laren, Bussum en Naarden als plaatsen waarvan de bewoning verschoof. Mogelijke oorzaken zijn uitputting en verschraling van landbouwgrond, verdroging door ontginning en ontwatering van omringende venen en wellicht de aantrekkingskracht van kerken als nieuwe centra. Vanaf ongeveer 900 lijkt bewoning zich sterker rond de hoogtelijn van ongeveer vijf meter boven NAP te concentreren. Daar was water beschikbaar vanuit zowel de hogere stuwwal als het toen nog aanwezige veen. De Hilversumse naam Groest/Groost, mogelijk ‘drassige plaats’, kan een taalkundige herinnering aan zulke omstandigheden bewaren.

Naarden als centrale plaats

De auteurs brengen uiteindelijk verschillende elementen samen in een voorzichtige hypothese. Het domeinhof van Elten, de havenplaats Naarden en de kerk van Naarden, of mogelijk een ander religieus centrum bij een van de Tafelbergen, kunnen samen een zogenoemd centrale-plaats-complex hebben gevormd. Daar kwamen bestuurlijke, economische en religieuze functies bij elkaar. Rondom lagen kleinere nederzettingen, engen en grote oppervlakten heide, bos en andere woeste gronden. Deze interpretatie is geen rechtstreeks uit een oorkonde bewezen organisatiestructuur, maar een reconstructie op grond van landschap, archeologie en historische gegevens. Juist deze ruimtelijke samenhang maakt begrijpelijk hoe één groot domein en zijn gebruikersgemeenschap konden functioneren.

Van domeinbewoners naar Erfgooiers

Daarmee krijgt het bestaande verhaal over de Erfgooiers een veel langere voorgeschiedenis. Het begint niet pas bij een schaarbrief of middeleeuws conflict over gemeenschappelijke gronden. Er was eerst een Fries bewoond landschap, daarna Frankische macht en kerstening, een koninklijk domein en vervolgens een groot grondheerlijk complex. Kleine nederzettingen lagen tussen engen, bossen, heiden en venen; boeren hielden vee, verbouwden gewassen en verwerkten wol. Onder het hofstelsel kregen horige boeren gebruiksrechten op de woeste gronden tegen tijns. Die rechten werden over generaties voortgezet en uiteindelijk gereguleerd. Op dat punt sluit deze archeologische voorgeschiedenis rechtstreeks aan op jouw al bestaande verhaal “Van Naardingerland naar de Erfgooiersgemeenschap”.

Naarden na 1350 – afzonderlijke aanvulling

Er zat tenslotte nog één stuk in het tijdschrift dat chronologisch ná deze voorgeschiedenis valt en dus niet verloren moet gaan. Bij Katrepel 1 in Naarden-Vesting werd in 2013 archeologisch onderzoek verricht. De oudste sporen dateren uit circa 1350–1500: twee greppels en een rij paalkuilen. De greppels waren waarschijnlijk perceels- en afwateringsgreppels; de paaltjes kunnen tot een hek of lichte constructie zoals een schuurtje hebben behoord. Omdat Oud-Naarden in 1350 tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten werd verwoest en het nieuwe Naarden vanaf 1351 op zijn huidige plaats ontstond, kunnen deze sporen tot de allereerste bewoningsfase van de nieuwe stad behoren.

Nu is de inhoudelijke aanvullende hoofdlijn van deze PDF compleet verwerkt. Wat nog overblijft zijn vooral afzonderlijke regels uit de archeologische vondstencatalogus en bibliografische verwijzingen. Die zou ik niet in dit verhaal proppen: we kunnen die het beste nog één keer plaats voor plaats nalopen en alleen vondsten toevoegen die hierboven nog ontbreken. Dan hebben we ook de vondsteninventaris echt op naam, vindplaats én datering compleet.

Ja. Ik heb deel 5 en 6 opnieuw naast Enklaar gelegd. De hoofdlijn staat goed, maar er zijn enkele details die voor ons complete Erfgooiersverhaal niet verloren mogen gaan. Vooral de precieze positie van Aemstel en de overgang naar het Sticht verdienen aanvulling.

Aanvulling deel 5 — De vrije ontwikkeling van de Naardingerlanders

Vóór Enklaar over de Aemstels begint, maakt hij een belangrijk punt over de bevolking zelf. De onvrijheid van de Naardingerlanders moet volgens hem door de grote afstand tot de abdij van Elten geleidelijk minder zwaar zijn gaan drukken. Van deze bevolking werd later getuigd dat zij van oudsher gebruiksrechten op de bodem bezat: op de weiden, heiden en bossen. Zolang de bewoners hun verschuldigde schattingen betaalden, konden zij zich volgens Enklaar betrekkelijk vreedzaam en ongehinderd ontwikkelen. Het waren dan ook niet deze horige boeren die Elten uiteindelijk van Naardingerland deden afzien, maar vooral de moeilijkheden met het machtige geslacht Aemstel.

Bij Gijsbrecht I van Aemstel moet nog preciezer worden vermeld dat zijn vrouw, zonen en erfgenamen in 1224 afstand deden van aanspraken op zijn Eltens leenbezit. Zij mochten daarop alleen rechten laten gelden „bij de gratie der abdis”. Dat is belangrijk: Aemstel erkende daarmee formeel de hogere rechten van Elten. Enklaar vermoedt vervolgens dat de door Elten toegestane voortzetting van het Aemstelse bezit kennelijk niet heeft plaatsgevonden. De latere erfgenamen behielden goederen vermoedelijk door usurpatie. In 1280 verklaarde de abdis uitdrukkelijk dat zij nooit toestemming had gegeven voor de koop of ontvreemding van goederen van haar Eltensche vazallen door Aemstel.

Ook Gijsbrecht III verdient één detail extra. Enklaar identificeert hem nadrukkelijk als de Gijsbrecht wiens ondergang en ballingschap later door Vondel zouden worden bezongen. De man die zich op 27 oktober 1285 met Floris V verzoende en afstand deed van Naardingerland, zou vervolgens betrokken raken bij de samenzwering die in 1296 tot de dood van Floris leidde. Enklaar laat bovendien nadrukkelijk open of Gijsbrecht vóór zijn afstand van 1285 werkelijk een proces tegen de graaf had verloren. Misschien kwam dat proces helemaal niet tot een uitspraak en dwongen eenvoudig de politieke machtsverhoudingen hem tot terugtrekking.

Aanvulling deel 6 — Van Floris V naar Utrecht

Bij de moord op Floris V legt Enklaar een sterkere interpretatie neer dan we in deel 6 volledig hebben weergegeven. Het optreden van de Naardingerlanders geeft hem de indruk dat het Hollandse bewind aanzienlijk gunstiger voor de Gooiers was geweest dan dat van Elten of Aemstel. Hij schrijft zelfs alsof de Naardingerlanders nog „een appeltje” met hun vroegere heer te schillen hadden. Dat blijft Enklaars interpretatie, geen afzonderlijk bewezen feit. Zeker is in zijn relaas wel dat zij bij Muiderberg in het koren lagen, Floris wilden bevrijden en na diens dood een achtergebleven dienaar van Gerard van Velzen aanvielen.

Na 1296 moet de bestuurlijke overgang uitgebreider worden vastgelegd. De bezittingen van de moordenaars van Floris werden verbeurdverklaard. Daarna volgde de korte en woelige regering van graaf Jan I. Met zijn dood in 1299 stierf het Hollandse gravenhuis uit en kwam het Henegouwse huis aan de macht. De eerste graaf uit dit huis, Jan II, schonk in 1300 de voormalige Aemstelse goederen aan zijn broer Guy van Avesnes. Enklaar merkt hierbij belangrijk op dat uit de bewoordingen van de overeenkomst van 1285 lijkt te volgen dat vrijwel heel Naardingerland tot het Aemstelse gebied had behoord.

Guy van Avesnes werd in 1301 bisschop van Utrecht. Enklaar vermoedt dat hierin de verklaring ligt waarom Naardingerland vervolgens tijdelijk onder Stichtse heerschappij verschijnt. Een bijzonder concrete bron is de rekening van Bernd van den Dorenwerde, baljuw van Amstelland namens de bisschop van Utrecht. Zijn rekening loopt van 7 november 1305 tot 10 september 1307 en toont dat Naarden en Gooiland toen tot dit Stichtse baljuwschap behoorden. Daarmee hebben we een zeldzaam precies tijdvenster waarin het Gooi bestuurlijk onder Utrecht aantoonbaar zichtbaar wordt.

Maar Enklaar waarschuwt dat Jans schenking van 1300 niet eenvoudig de juridische grondslag voor de Stichtse heerschappij kan zijn geweest. Die schenking zou namelijk slechts gelden totdat Guy een bisdom verkreeg — en dat gebeurde al in 1301. Bovendien spreekt de graaf van Holland op 20 oktober 1304 nog over zijn eigen goede lieden van Naardingerland. Het gebied was toen dus volgens Enklaar nog Hollands. De feitelijke overgang naar het Sticht moet daarom na 20 oktober 1304 maar vóór 7 november 1305 hebben plaatsgevonden. De precieze juridische handeling waardoor dit gebeurde, kan Enklaar niet aanwijzen.

Met deze aanvullingen zijn deel 5 en 6 voor deze passage compleet. Vooral dat laatste jaartijdvak 1304–1305 is belangrijk: het voorkomt dat we ten onrechte schrijven dat Gooiland al in 1300 of automatisch in 1301 Utrechts werd.

Deel 5 — Het huis Aemstel dringt Naardingerland binnen

Niet de horige boeren lijken volgens Enklaar de abdij van Elten uiteindelijk de grootste problemen te hebben bezorgd. Die konden zich, zolang zij hun lasten betaalden, door de grote afstand tot de abdij betrekkelijk vrij ontwikkelen. De moeilijkheden kwamen vooral van het huis Aemstel. Dit geslacht was begonnen als dienstlieden en ambtenaren van de bisschop van Utrecht, maar had zich opgewerkt tot heren van de Amstelstreek en probeerde ook in Naardingerland vaste voet te krijgen. In 1224 bezat Gijsbrecht I van Aemstel daar goederen als leen van de abdis van Elten. Zijn vrouw, zonen en erfgenamen deden toen afstand van zelfstandige aanspraken daarop.

Die afstand betekende niet dat de Aemstels uit Naardingerland verdwenen. In februari 1234 vaardigde Gijsbrecht I een oorkonde voor de abdij van Rijnsburg uit met als plaatsaanduiding „in Nardinclant”. Volgens Enklaar moet hij zijn goederen daar dus nog hebben bezeten. Ook zijn erfgenamen wisten zich in het gebied te handhaven, waarschijnlijk deels door usurpatie. Dat blijkt uit de overdracht van 6 mei 1280: Elten nam daarin uitdrukkelijk ook de goederen op die Gijsbrecht van Aemstel van Eltens leenmannen had gekocht of zich had toegeëigend zonder toestemming van de abdis. De juridische verhouding tussen Elten en Aemstel was daardoor bijzonder ingewikkeld geworden.

Dat de Aemstelse aanspraken niet eenvoudig als ongegrond konden worden afgedaan, blijkt uit een aanvullende akte van 14 mei 1280, slechts acht dagen na de overdracht aan Holland. Daarin werd rekening gehouden met de mogelijkheid dat de heer van Aemstel zijn aanspraken voor het gerecht zou bewijzen en het gebied van de graaf van Holland zou terugwinnen. In dat geval kon de verpachting van Naardingerland aan Holland weer ongedaan worden gemaakt. Enklaar concludeert daaruit dat er blijkbaar toch een juridische grondslag voor de Aemstelse pretenties moet hebben bestaan, ook al beschouwde Elten een gedeelte van hun bezit als ongeoorloofd verkregen.

Op 27 oktober 1285 verzoende Gijsbrecht III van Aemstel zich met graaf Floris V. Hij deed voor zichzelf en zijn nakomelingen afstand van Naardingerland en werd voor zijn overige bezittingen leenman van Holland. Enklaar houdt twee mogelijkheden open: misschien had Gijsbrecht zijn proces verloren, maar het is eveneens mogelijk dat er geen definitieve rechtszaak was geweest en de politieke machtsverhoudingen eenvoudig tegen hem werkten. De kwestie was bovendien nog niet helemaal voorbij. Op 16 maart 1292 beloofde Gijsbrecht documenten over te dragen die hij van de Rooms-koning Willem, de paus en de abt van de Sint-Paulusabdij te Utrecht bezat.

Die stukken moesten aan Floris V worden overhandigd zodra het proces tussen Gijsbrecht en de abdis van Elten over zijn goederen in Naardingerland was beslist. Enklaar vermoedt dat de documenten zijn rechten moesten ondersteunen. Hij legt vervolgens rechtstreeks verband tussen deze langdurige conflicten en de overdracht van 1280. De usurpaties, aanspraken en processen van de Aemstels kunnen Elten ertoe hebben gebracht genoeg te krijgen van haar verre en weinig lonende bezit. De abdij kon haar rechten vanuit Elten moeilijk beschermen. De verpachting aan Floris V betekende dat voortaan een veel machtiger landsheer tegenover het huis Aemstel stond.

Deel 6 — De Naardingerlanders proberen Floris V te redden

Volgens Enklaar lijkt de bevolking van Naardingerland weinig sympathie voor het huis Aemstel te hebben gehad, terwijl Floris V in korte tijd de steun van zijn nieuwe onderdanen wist te verwerven. Dat wordt zichtbaar tijdens zijn gevangenschap en moord in 1296. De samenzwerende edelen hielden Floris gevangen op het slot te Muiden, terwijl Kennemers, Westfriezen en Waterlanders hen omsingelden. Toen de samenzweerders met hun gevangene probeerden weg te komen, bemerkten de Naardingerlanders dit. Zij legden bij Muiderberg een hinderlaag en verborgen zich daar in het koren om de groep met de gevangen graaf op te wachten.

Gerard van Velzen reed voor de samenzweerders uit om de weg te verkennen en trof de Naardingerlanders. Op zijn vraag wat zij wilden, antwoordden zij volgens het door Enklaar gebruikte verhaal: „dat si brochten, dat wild si hebben” — zij wilden degene die de edelen met zich meevoerden: graaf Floris. Van Velzen keerde terug. Omdat ontsnappen onmogelijk leek, werd Floris gedood voordat de Naardingerlanders hem konden bereiken. Zij kwamen daardoor te laat om hun landsheer te bevrijden. Enklaar ontleent dit dramatische relaas aan de Rijmkroniek van Melis Stoke, boek IV, in de uitgave van W.G. Brill uit 1885.

Toen de Naardingerlanders de plaats bereikten, waren de moordenaars gevlucht. Alleen een dienaar van Van Velzen bleef achter. Van Velzens paard was op hol geslagen en de dienaar had uit trouw zijn eigen rijdier aan zijn meester afgestaan. Hij werd vervolgens slachtoffer van de woede van de Naardingerlanders. Op dezelfde plaats bij Muiderberg liet graaf Willem III in 1324 een kapel stichten voor de ziel van zijn vermoorde voorganger. Enklaar ziet in het optreden van de Naardingerlanders een aanwijzing dat het Hollandse bestuur door hen gunstiger werd ervaren dan de eerdere machtsuitoefening van Elten en Aemstel.

Daarbij bewaart Enklaar een belangrijke onzekerheid. Volgens een latere volksopvatting waren de Gooiers juist in grote aantallen aanwezig omdat zij op 24 juni, Sint-Jan, voor de Sint-Jansprocessie bijeen waren gekomen. Floris' gevangenschap duurde van 23 tot 27 juni 1296, waardoor de data aantrekkelijk op elkaar aansluiten. Enklaar verwerpt dit echter als bewezen verklaring. Er bestaat volgens hem geen bewijs dat de Gooise Sint-Jansprocessie al in 1296 bestond; hij noemt die verklaring zelfs onwaarschijnlijk. Voor het verhaal over de Erfgooiers moeten we dus de deelname van de Naardingerlanders aan de bevrijdingspoging behouden, maar de processie uitsluitend als latere overlevering vermelden.

Floris had zijn nieuw verkregen Gooise inkomsten overigens niet voortdurend zelf gehouden. Al op 31 oktober 1282 schonk hij zijn gunsteling heer Nicolaas van Cats verschillende inkomsten, waaronder die van Naardingerland. Enklaar vermoedt dat deze niet lang daarna weer aan de grafelijkheid terugkwamen. Na Floris' moord werden de goederen van de samenzweerders verbeurdverklaard. Vervolgens regeerde korte tijd graaf Jan I. Met zijn dood stierf in 1299 het Hollandse gravenhuis uit en kwam het Henegouwse huis aan de macht. Daarmee begon opnieuw een verandering in het bestuur van Naardingerland, die het gebied tijdelijk in de richting van Utrecht zou brengen.

Ik heb deel 1 en 2 opnieuw tegen Enklaars tekst gecontroleerd. Er ontbreken inderdaad enkele details en vooral een belangrijke verbinding die pas later in het boek explicieter wordt. Ik zou de bestaande delen niet vervangen, maar onderstaande stukken eraan toevoegen.

Aanvulling deel 1 — Een late steentijd en een gemengde bevolking

Enklaar opent opvallend scherp: de geschiedenis van Gooiland begint volgens hem betrekkelijk laat en het gewest zou nieuwe ontwikkelingen dikwijls laat hebben overgenomen. De Veluwse klokbekercultuur bereikte het Gooi slechts als een uitloper. Naast de klokbekers kwamen uit het grafveld bij Hilversum en de losse vindplaats bij Laren grove cilindervormige Germaanse urnen tevoorschijn, die volgens hem een eigen karakter bezaten. Juist daardoor ontstond het vermoeden van een afzonderlijke stam. Enklaar noemt de gedachte verleidelijk dat deze bevolking de voorlopers van de latere Erfgooiers vormde, met hun volgens hem door de eeuwen bewaarde onafhankelijke karakter, maar noemt dat uitdrukkelijk niet meer dan een onbewezen voorstelling.

Ook de opgravingen van oudheidkundige Janssen verdienen iets meer nadruk. Hij onderzocht in het midden van de negentiende eeuw bij Hilversum verschillende woonplaatsen: bodemkuilen met geplaveide vloertjes, door muurtjes omsloten, die hij als haardplaatsen van ingegraven plaggenhutten herkende. De stenen gebruiksvoorwerpen leken eerst een zeer oude nederzetting aan te tonen. De gedraaide benen knoop en vooral plaveisel afkomstig van een laat-Romeins of mogelijk middeleeuws gebouw bewezen echter dat de bewoning veel jonger was. Enklaar gebruikt dit om te benadrukken hoe weinig zekerheid de archeologie hem voor de vroegste geschiedenis van het Gooi bood.

Enklaar probeert vervolgens voorzichtig de bevolking na de Volksverhuizing te plaatsen. Tot welke van de drie stammen die volgens zijn toenmalige historische indeling Nederland bevolkten deze mensen behoorden, kon hij niet bepalen. Laren, de brink en de eng, die volgens hem ieder Goois dorp bezat, wezen in Saksische richting. De woorden schaar en maatland wezen volgens hem daarentegen op Friese invloed. Daarom koos hij voor een mengbevolking als waarschijnlijkste mogelijkheid. Van belang voor het latere Erfgooiersverhaal is dat juist schaar en maatland later juridische en economische begrippen worden bij de organisatie van gemeenschappelijke grond en gebruiksrechten.

Aanvulling deel 2 — De kerk van Naruthi en een nog onopgeloste overgang

Bij Naruthi vermeldt de goederenlijst van de abdij Werden, omstreeks 900, niet alleen een kerk maar ook kerkland, dat volgens Enklaar van de Almeri, de latere Zuiderzee, tot de Tafelberg liep. Later vindt hij geen sporen meer van Werdens bezit in Gooiland. Dat verdwijnen vormt daarom een belangrijk onopgelost probleem. Enklaar komt er later in zijn boek opnieuw op terug wanneer hij de kerkelijke ontwikkeling behandelt. De vermelding rond 900 bewijst volgens hem in ieder geval dat rond het latere Naarden al een bevolkingsconcentratie bestond die groot genoeg was om een kerk en daarmee een georganiseerde parochie noodzakelijk te maken.

Enklaar vult dit elders belangrijk aan. Omstreeks 1186 treffen we opnieuw de kerk van Naardingerland aan, maar nu bij Elten. De abdij sloot toen een overeenkomst met het kapittel van Sint-Jan te Utrecht waarbij beide instellingen beurtelings de persoon voor de kerk van Naardingerland mochten aanstellen. Enklaar acht het vrijwel zeker dat dit dezelfde kerk was als de kerk die omstreeks 900 bij Naruthi werd genoemd. Hij vermoedt bovendien dat zij met de schenking van Wichman II bij Elten terechtkwam. Maar één schakel ontbreekt volledig: hoe Wichman de oorspronkelijke kerk van Werden verkreeg, weten we niet. Dat moet als open vraag in het verhaal blijven staan.

Daarmee wordt ook duidelijker hoe belangrijk het vroege Naarden was. Enklaar noemt Naarden later de plaats waar, afgezien van prehistorische nederzettingen, de oudst bekende bevolking van het Gooi woonde. Hij acht het bovendien onwaarschijnlijk dat het Gooi in de twaalfde eeuw al zo dicht bevolkt was dat twee afzonderlijke parochies nodig waren. De kerk van circa 900 en die van circa 1186 moeten daarom volgens zijn redenering dezelfde kerkelijke kern vertegenwoordigen. Naardingerland vormde aanvankelijk zowel één parochie als één bestuursressort of graafschap. Kerkelijke, territoriale en bestuurlijke ontwikkeling lagen hier dus nog nauw over elkaar heen.

Aanvulling deel 2 — Wichman, Otto I en de eerste grondstrijd

Bij Wichman II van Hamaland moeten we bovendien nauwkeurig formuleren. Enklaar noemt hem grondbezitter en waarschijnlijk grootgrondbezitter in Naardingerland. Wichman schonk aan de door hem gestichte abdij Elten, waar zijn dochter abdis was, alles wat hij zelf in het graafschap Naardingerland bezat. Dat betekent niet dat hij heel Naardingerland aan Elten schonk. De oorspronkelijke schenkingsoorkonde is verloren; alleen de bevestiging door keizer Otto I van 29 juni 968 is bewaard. Noch daaruit, noch uit latere bevestigingen valt volgens Enklaar vast te stellen hoe groot Wichmans Gooise bezit precies was of welke mensen op die goederen leefden.

De oorkonde van Otto II van 14 december 973 brengt vervolgens de eerste gedocumenteerde strijd om Gooise grond in beeld. Na Wichmans dood kwamen een andere dochter en haar echtgenoot tegen zijn schenking in verzet omdat hun erfenis daardoor werd verkort. Enklaar maakt daarvan een belangrijke historische lijn: reeds in de tiende eeuw ontstond ruzie over het eigendomsrecht van grond in Gooiland, een probleem dat volgens hem vervolgens eeuwenlang zou terugkeren. De strijd duurde jaren en werd door Alpertus van Metz beschreven. De definitieve uitspraak door Otto III op 18 december 996 te Nijmegen hoort daarna bij deel 3.

Nu zijn deel 1 en 2 voor deze passages van Enklaar aanzienlijk completer. Vooral de verbinding Werden → onbekende overgang → Wichman → Elten, en het onderscheid tussen Wichmans eigen bezit en heel Naardingerland, mochten niet ontbreken.

Deel 3 — Elten krijgt macht over Naardingerland

De erfenisstrijd rond Wichman II van Hamaland duurde jarenlang en werd zelfs beschreven door de tijdgenoot Alpertus van Metz. De beslissing viel op 18 december 996. Op het Valkhof te Nijmegen hoorde keizer Otto III de strijdende partijen en bepaalde dat de abdij van Elten in het bezit van Wichmans schenking bleef. Enklaar benadrukt dat deze schenking waarschijnlijk niet heel Naardingerland omvatte. In de twaalfde en dertiende eeuw bezat ook het kapittel van Sint-Jan te Utrecht daar rechten en goederen. In de dertiende eeuw bezat bovendien het huis Aemstel grond in het gebied. Elten was dus machtig, maar zeker niet de enige grondbezitter.

De macht van Elten was aanvankelijk gebaseerd op haar grote grondbezit, maar ontwikkelde zich volgens Enklaar uiteindelijk tot landsheerlijk gezag. Daarbij waarschuwt hij tegen een eenvoudige verklaring. Het is onzeker of Wichman, hoewel hij graaf van Hamaland was, ook de grafelijke macht in Naardingerland bezat. Zeker is volgens Enklaar dat zo'n grafelijkheid niet rechtstreeks aan Elten werd geschonken. Een belangrijke aanwijzing staat in een oorkonde van 10 april 1129, waarin de Duitse koning Lotharius III het Eltens bezit bevestigde. Naardingerland wordt daarin aangeduid als „curtis que dicitur Nerdincklant”: een hof of groot landgoed dat Naardingerland werd genoemd.

Zo'n curtis bestond uit een centrale vroonhoeve met daarvan afhankelijke diensthoeven. De hofheer, of zijn plaatsvervanger, de villicus, bezat bestuurlijke en rechterlijke bevoegdheden over de mensen die tot deze hoforganisatie behoorden. Toch vindt Enklaar het onvoldoende om alleen hieruit de landsheerlijke macht van Elten over heel Naardingerland te verklaren. Een eigenaar van een grote hof kon immers niet vanzelf zijn rechten uitbreiden over de goederen van andere grondbezitters. Enklaar zoekt de verklaring daarom vooral in de immuniteitsrechten die de Duitse koningen en keizers aan Elten hadden verleend. Daarmee kreeg de abdij steeds verdergaande rechterlijke zelfstandigheid.

Op 14 december 973 kreeg Elten volgens Enklaar de lagere immuniteit: de abdis mocht geringere misdrijven binnen haar bezittingen zelf laten berechten. Op 18 december 996 kwam daar de hogere immuniteit bij. Daardoor werden haar gebieden aan de bevoegdheid van het gewone gravengericht onttrokken. Geestelijke instellingen met zulke immuniteitsrechten breidden volgens Enklaar vaker hun rechtsmacht over omliggende gebieden uit. In Naardingerland, waar Elten vermoedelijk verreweg de grootste grondbezitter was, kon de abdij kleinere bezitters overvleugelen. Omdat gedurende de Eltens periode nergens meer een graaf van Naardingerland naar voren komt, vermoedt Enklaar dat diens bevoegdheden uiteindelijk bij de abdij terechtkwamen.

Deel 4 — Van Elten naar Holland, 1280

Op 6 mei 1280 vond een beslissende verandering plaats. De abdis van Elten droeg, met toestemming van haar convent, haar macht en grondbezit in Naardingerland over aan de graaf van Holland. Daartegenover stond een jaarlijkse pacht van 25 Utrechtse ponden en een eenmalige betaling van 200 pond. Enklaar waarschuwt dat zulke middeleeuwse bedragen nauwelijks rechtstreeks in moderne geldwaarden kunnen worden omgerekend. Met deze overeenkomst begon de Hollandse heerschappij over het Gooi. Juridisch was dat opmerkelijk: Holland bezat het gebied aanvankelijk niet eenvoudigweg als volledig vrij eigendom, maar ontleende zijn positie aan de overeenkomst met Elten en bleef daarvoor betalen.

Deze jaarlijkse betaling bleef uitzonderlijk lang bestaan. Gedurende de gehele Middeleeuwen, vervolgens tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden en zelfs tijdens de Bataafse Republiek bleef de canon aan Elten verschuldigd. Nog in de vijftiende eeuw bestond volgens Enklaar vrees dat Elten gebruik zou kunnen maken van de bepaling dat bij wanbetaling Gooiland weer aan de abdij kon terugvallen. Pas in 1806 kwam aan deze eeuwenoude verhouding een einde. De soevereine Rijksabdij kwam toen in handen van Napoleon en werd vervolgens opgenomen in het voor zijn zwager Joachim Murat gevormde Groothertogdom Berg. Daarmee verdween uiteindelijk de oude jaarlijkse Gooise verplichting aan Elten.

Waarom Elten haar verre Gooise gebied in 1280 overdroeg, kan Enklaar niet met zekerheid zeggen. Hij vermoedt dat de abdij steeds meer moeite had haar gezag in het afgelegen Naardingerland daadwerkelijk uit te oefenen. Er waren problemen met onwillige leenmannen en met mensen die zich in het stiftsgebied binnendrongen. Tegelijk wordt duidelijk hoe de bevolking juridisch was georganiseerd. De oorkonde van 1129 noemt Naardingerland immers een curtis, zodat Enklaar hier een normale hoforganisatie veronderstelt: een centrale vroonhoeve met afhankelijke diensthoeven. Waar die vroonhoeve precies lag, is onbekend. Daarvoor noemt hij twee mogelijke plaatsen: Naarden en de verdwenen hofstede van Elten bij De Vuursche.

Die hofstede bij De Vuursche was later zo volledig verdwenen dat men in de tweede helft van de vijftiende eeuw al ernstig van mening verschilde over haar precieze ligging. In de eerste helft van de zestiende eeuw konden zelfs haar fundamenten niet meer worden teruggevonden. Dat er in het Eltens Naardingerland werkelijk een afhankelijke bevolking leefde, blijkt veel duidelijker uit de overdrachtsoorkonde van 1280. Daarin worden „homines curmedii” genoemd: keurmedige lieden of horigen. Wanneer zo iemand overleed, kwam een gedeelte van zijn nalatenschap aan zijn heer toe. Enklaar beschouwt deze beperking van het erfrecht als een van de duidelijkste kenmerken van middeleeuwse onvrijheid.

Deze onvrijheid is belangrijk voor de voorgeschiedenis van de Erfgooiers. Ook het kapittel van Sint-Jan te Utrecht bezat in Gooiland horigen; daarvan zijn zelfs nog gegevens uit de vijftiende en de tweede helft van de zeventiende eeuw bekend. Enklaar ziet bovendien nazaten van de Eltens keurmedigen in de latere burgers van Naarden, die aan het einde van de vijftiende eeuw nog als stichtgenoten van Elten en dienstlieden van Sint-Vitus, de patroon van de abdij, werden beschouwd. Daarmee bleef een eeuwenoude persoonlijke rechtsverhouding voortleven, lang nadat de feitelijke landsheerschappij van Elten over Gooiland in 1280 aan Holland was overgedragen.

Deel 1 — De oudste bewoners van het Gooi

De geschiedenis van Gooiland begint volgens D. Th. Enklaar betrekkelijk laat. Archeologisch onderzoek leverde slechts verspreide sporen op. In het Gooi werd een uitloper van de Veluwse klokbekercultuur aangetroffen. Bij Hilversum kwam een grafveld aan het licht en bij Laren een afzonderlijke vindplaats met grove, cilindervormige urnen van Germaanse herkomst. Zij vertoonden volgens Enklaar een eigen karakter. Daardoor ontstond het vermoeden dat hier ooit een afzonderlijke bevolkingsgroep woonde. Enklaar waarschuwt echter nadrukkelijk tegen de aantrekkelijke gedachte om deze mensen zonder bewijs al als de verre voorouders van de latere Gooise bevolking of de Erfgooiers te beschouwen.

In de negentiende eeuw onderzocht de oudheidkundige L.J.F. Janssen bij Hilversum merkwaardige woonsporen. Hij herkende haardplaatsen van hutten die gedeeltelijk in de grond waren uitgegraven en met plaggen waren opgebouwd. Omdat daar talrijke stenen gebruiksvoorwerpen lagen, leek aanvankelijk een zeer oude nederzetting uit het stenen tijdperk ontdekt. Een gedraaide benen knoop maakte Janssen echter achterdochtig. Nog duidelijker werd de vergissing toen bleek dat materiaal van een van de vloertjes afkomstig was van het plaveisel van een laat-Romeins of misschien zelfs middeleeuws gebouw. De nederzetting moest daarom veel jonger zijn dan de stenen werktuigen aanvankelijk deden vermoeden.

Welke bevolkingsgroep hier na de Volksverhuizing woonde, kon Enklaar niet met zekerheid bepalen. Hij zocht aanwijzingen in het landschap en in oude woorden. De naam Laren, evenals de brink en eng die bij de Gooise dorpen voorkwamen, wees volgens hem in de richting van Saksische invloed. Daartegenover stonden termen als schaar en maatland, die juist Friese invloed verrieden. Enklaar achtte daarom een gemengde bevolking waarschijnlijker dan één afzonderlijke stam. Opvallend vond hij dat deze vroegmiddeleeuwse bewoners nog stenen werktuigen gebruikten. Hij schilderde hun samenleving daardoor af als betrekkelijk arm en eenvoudig, met vermoedelijk een nog zeer geringe bevolkingsdichtheid.

Deel 2 — Naruthi rond 900 en het begin van Naardingerland

Rond 900 verschijnt het Gooi voor het eerst duidelijk in een geschreven bron. In een goederenlijst van de abdij Werden wordt „Naruthi” genoemd. Daar bevonden zich een kerk en kerkland, waarvan het gebied zich volgens de bron uitstrekte van de Almeri, de latere Zuiderzee, tot aan de Tafelberg. Later zijn in Gooiland geen duidelijke sporen meer van bezit van Werden teruggevonden. Voor Enklaar is de vermelding desondanks bijzonder belangrijk: rond het begin van de tiende eeuw moet de omgeving van het latere Naarden voldoende inwoners hebben gehad om een kerkelijke organisatie en een eigen kerk noodzakelijk te maken.

Die kerk bleef volgens Enklaar lange tijd waarschijnlijk de enige kerk van Naardingerland. Het gebied vormde blijkbaar aanvankelijk één grote parochie, maar tegelijk ook één bestuurlijk gebied of graafschap. De naam Naruthi is daarom van groot belang voor het ontstaan van het latere Naarden en Gooiland. Elders in zijn boek komt Enklaar hierop terug: omstreeks 1186 bestond nog steeds een kerk van Naardingerland, waarvan Elten en het kapittel van Sint-Jan te Utrecht gezamenlijk invloed op de benoeming van de geestelijke hadden. Enklaar acht het vrijwel zeker dat dit uiteindelijk dezelfde kerkelijke traditie was als die welke rond 900 bij Naruthi zichtbaar wordt.

In het derde kwart van de tiende eeuw verschijnt vervolgens een machtige wereldlijke grondbezitter: graaf Wichman II van Hamaland. Hij bezat vermoedelijk omvangrijke goederen in het graafschap Naardingerland. Wichman had de abdij van Elten gesticht, waar zijn dochter abdis werd, en schonk alles wat hij in Naardingerland bezat aan deze abdij. De oorspronkelijke schenkingsoorkonde is verloren gegaan. De inhoud is alleen indirect bekend doordat keizer Otto I de schenking op 29 juni 968 bevestigde. Hoe groot Wichmans bezit precies was en welke mensen op zijn Gooise goederen leefden, wordt volgens Enklaar in deze oorkonde niet vermeld.

Na Wichmans dood ontstond onmiddellijk strijd over zijn nalatenschap. Een andere dochter van Wichman en haar echtgenoot verzetten zich tegen de schenking aan Elten omdat die hun erfdeel aantastte. Een oorkonde van keizer Otto II van 14 december 973 vertelt over deze erfeniskwestie. Enklaar ziet hierin bijna symbolisch een verschijnsel dat de geschiedenis van Gooiland eeuwenlang zou beheersen: strijd over grond, eigendom en gebruiksrechten. Juist uit deze ontwikkeling ontstond de langdurige heerschappij van de abdij Elten over Naardingerland. Daarmee begint tevens de institutionele voorgeschiedenis waaruit veel later de bijzondere gemeenschappelijke rechten van de Gooise bevolking en uiteindelijk de Erfgooiers zouden voortkomen.

.

Van Naardingerland naar de Erfgooiersgemeenschap

Omstreeks 900 lag in Naruthi, het latere Naarden, al een kerk die aan de abdij van Werden behoorde. Dat wijst op een bevolkingsconcentratie die groot genoeg was voor kerkelijke organisatie. Omstreeks 1186 treffen we de kerk opnieuw aan, nu in verband met de abdij van Elten en het kapittel van Sint-Jan te Utrecht. Beide instellingen spraken af om beurtelings de persoon van de kerk van Naardingerland te benoemen. Enklaar vermoedt dat het om dezelfde kerk gaat en dat zij via graaf Wichman uiteindelijk in het bezit van Elten was gekomen, al is onbekend hoe Wichman haar van Werden verkreeg.

Naardingerland en Gooiland

Zelfs de naam Naarden blijft volgens Enklaar onzeker. Verklaringen vanuit Noorden of het Oudgermaanse naru, 'nauw', waren vermoedens. De zestiende-eeuwse geschiedschrijver Lambertus Hortensius schreef al: qua ratione latet — waarom Naarden zo heet weten wij niet. Ook Gooiland is onzeker; mogelijk betekent Gooi zelf al 'gouw', zodat Gooiland een tautologie zou zijn. Naardingerland is aantoonbaar de oudste landschapsnaam. Gooiland verschijnt pas later, maar verving Naardingerland niet plotseling bij de overdracht aan Holland rond 1280. Beide benamingen bleven nog eeuwen naast elkaar in Hollandse, Utrechtse en Eltensche bronnen voorkomen.

Elten als grondheer

Voor de geschiedenis van de Erfgooiers is belangrijker wie de grond bezat. Het grootste gedeelte van Naardingerland behoorde aan de abdij van Elten. De bewoners waren door tijnzen, diensten en andere grondrechtelijke verplichtingen aan deze grondheer verbonden. Na de overdracht kwam het gebied onder de graaf van Holland. Hier plaatst Enklaar het uitgangspunt voor zijn verklaring van de Gooise marke. Hij verwerpt de oudere gedachte dat de Gooise gemeenschappelijke gronden rechtstreeks zouden voortkomen uit een oer-Germaans gemeenschappelijk grondbezit. Volgens de in zijn tijd nieuwere theorie waren veel Nederlandse marken ontstaan doordat een grondheer bewoners gemeenschappelijk gebruik van bepaalde gronden toestond.

Geen bewijs voor een Eltensche marke

Enklaar is hierbij opvallend voorzichtig. De tiende-eeuwse schenkingsakten aan Elten, de overdrachtsstukken uit de jaren 1280 en de schaarse tussenliggende documenten noemen geen Gooise marke. Zelfs het argument dat de Gooiers later verklaarden hun gemeente sinds onheuglijke tijden te hebben gebruikt, vindt hij onvoldoende. Die verklaring komt uit het proces van 1470 voor het Hof van Holland. Volgens Enklaar kan daarmee geen marke onder Elten worden bewezen. Zijn conclusie is daarom dat de organisatie waarschijnlijk pas na de overdracht aan Holland ontstond. Het oorspronkelijke eigendomsrecht op de gemeenschappelijke gronden bleef volgens deze reconstructie grondheerlijk.

1306–1307 — mogelijk de eerste meente

Een mogelijke eerste aanwijzing verschijnt in de rekening van baljuw Bernd van den Dorenwerde. In het Paasjaar 1306, volgens Enklaars omrekening waarschijnlijk 1307, wordt een doodslag “in der meente” genoemd waarbij Lambert Spiker en Willem van Cleve ter sprake komen. Omdat dezelfde rekening een zaak over een doodgeslagen vrouw in Gooiland bevat, bestaat de mogelijkheid dat met die meente de Gooise gemeenschappelijke grond werd bedoeld. Zeker is dat echter niet. Daarom behandelt Enklaar 1326 als het eerste onbetwistbare bewijs voor een georganiseerde Gooise gemeenschap.

1326 — de Gooiers organiseren zichzelf

Op 30 december 1326 berispte graaf Willem III de goede lieden van Gooiland omdat zij twee raadslieden hadden aangesteld en afspraken hadden gemaakt over het bijeenroepen van alle gerechtigden. Wie na het blazen van de hoorn niet verscheen, kon worden beboet; wat de aanwezigen gezamenlijk besloten, moest iedereen gehoorzamen. Hier ziet Enklaar een echte markeorganisatie: bestuur, vergadering en gemeenschappelijke besluitvorming. De graaf verbood echter zelfstandige samenkomsten. Alleen wanneer zijn baljuw of schout de hoorn liet blazen, mocht de vergadering plaatsvinden. Daarmee verdedigde Willem III volgens Enklaar zijn positie als grondheer.

1339 — werkelijk rechten op de grond

In 1339 wordt gesproken over bestuurders “van ons ghemens lands weghen van Ghoyland” en over goede lieden die namens de gemeente waren aangesteld. Beslissend zijn volgens Enklaar twee oorkonden van 21 oktober 1339. Graaf Willem IV stond met instemming van de goede lieden van Gooiland een stuk veen af aan de buren van Eemnes. Hun toestemming was nodig omdat de Gooiers rechten op dat veen bezaten. Omdat Enklaar het eigendomsrecht bij de graaf plaatst, moeten dit gebruiksrechten zijn geweest. Hiermee is niet alleen een gemeenschap maar daadwerkelijk een gemeenschap mét grondrechten aantoonbaar.

Grenzen en gemeenschappelijke grond

Daarna verschijnen de gemeenschappelijke rechten steeds duidelijker. Amelis van Mijnden stelde in 1343 een grensregeling tussen Gooiland en Loosdrecht vast; Willem van Brederode deed dat opnieuw in 1381. In 1387 blijken Naarden en Laren vier slagen veen gezamenlijk te bezitten. In 1388 werden die zo verdeeld dat Naarden met Bussum twee slagen kreeg en het gemene land van Gooiland, vertegenwoordigd door de schepenen van Laren, twee andere. Juist deze verdelingspogingen leidden tot een belangrijk ingrijpen van de landsheer.

1403 — de meente moet eeuwig ongedeeld blijven

Op 17 juni 1403 beëindigde hertog Albrecht een langdurig conflict tussen Naarden en het overige Gooiland. Hij omschreef de gemeente als grond die de goede lieden van Gooiland samen met de stad Naarden lange tijd met toestemming van zijn voorgangers hadden gebruikt. De eigendom bleef volgens Enklaars interpretatie bij de graaf; de Gooiers bezaten het gebruiksrecht. Cruciaal was de bepaling dat de gemeente “ongedeelt sal bliven tot ewigen daghe”. Alleen de reeds eerder afgescheiden slagen werden uitgezonderd. Hiermee werd de ondeelbaarheid van de Gooise marke juridisch vastgelegd.

Eén Gooise marke, geen vijf dorpsmarken

Daarmee ontstonden volgens Enklaar ook niet afzonderlijke marken van Naarden, Hilversum, Laren, Blaricum en Huizen. Later bestonden wel Naarder-, Hilversummer-, Laarder-, Blaricummer- en Huizermeenten, maar dit waren administratieve onderdelen van één gemeenschappelijke Gooise marke. Nog in de achttiende eeuw kon een gerechtigde zijn vee volgens Enklaar in beginsel op iedere meente laten grazen. Mogelijk bestond daarnaast een zesde afdeling rond Bussum. De stad en dorpen kregen dus plaatselijke organisaties, terwijl de gemeenschappelijke grond juridisch één geheel bleef.

Welke gronden behoorden tot de meente?

Niet heel Gooiland was gemeenschappelijke grond. Een vonnis van het Hof van Holland uit 1470 noemt binnen de gemeente onder meer moerassen, weiden, venen, bossen, heiden, struikgebieden en waranden. De Grote Raad van Mechelen omschreef deze in 1474 eveneens. Het weiland lag volgens een vonnis van 1520 vooral onder Naarden, Huizen en Blaricum, terwijl veel heide onder Hilversum lag. De oude Eltensche bezittingen bij Eemnes, Baarn en Soest behoorden volgens Enklaar niet tot de Gooise meente, hoewel zij ooit wel tot Naardingerland hadden behoord.

De Maatlanden waren iets anders

Ook de Maatlanden moeten volgens Enklaar afzonderlijk worden gehouden. De Gooiers betaalden voor het gebruik daarvan eerst tijns aan Elten en later aan de graaf. Toch ziet hij ze niet als voormalige meentegronden. Het waren aangeslibde gronden waarop de landsheer krachtens het stroomregaal rechten kon laten gelden. De meente bezat hij als grondheer; de Maatlanden als landsheer vanuit zijn soevereine rechten op water en aanwas. In 1442 worden Naardermaat, Huizermaat en Ortemaat genoemd. Pieter Aelmanszoon onderscheidde in zijn reisverslag van 1526 de Hilversummer maten en zwaden nadrukkelijk van de gemeenschappelijke weide van Blaricum.

Naarden als oudste centrum

Intussen ontwikkelde de bewoning zich. Naarden was eeuwenlang het belangrijkste kerkdorp. Laren had uiterlijk in 1306 eveneens een kerk: Bernd van den Dorenwerde arresteerde op 19 december 1306 te Hilversum de koster van Laren wegens een vechtpartij. Zijn rekening vermeldt ook Hilversum in 1305, Bussum in 1306 en het verdwenen Wolfsbergen. Dit waren nog buurschappen. Naarden zelf was in 1299, 1305–1307 en zelfs op 21 oktober 1321 nog geen aantoonbare stad. De eerste zekere vermelding als stad dateert van 2 februari 1337.

1350 — het oude Naarden wordt verwoest

Het eerste Naarden lag aan zee. In 1350, bij het uitbreken van de strijd tussen Hoeken en Kabeljauwen, werd de stad in brand gestoken. Graaf Willem V stond de burgers op 17 mei 1350 toe elders een nieuwe stad te bouwen. De nieuwe stad behield dezelfde rechten als de verbrande voorganger en werd gevestigd waar Naarden tegenwoordig ligt. De burgers mochten met advies van de baljuw een omwalling aanleggen. Het nieuwe Naarden moest daardoor tevens een grensvesting worden, waarin de bevolking van het omliggende Gooiland bij gevaar bescherming kon zoeken.

De stad groeide uit de Gooise gemeenschap

Enklaar verbindt dit rechtstreeks met de marke. Naarden werd pas stad nadat de Gooise gemeenschap al was ontstaan. Naardense burgers bezaten bovendien meentrechten. Daarom vermoedt hij dat niet de stad als instelling later grondrechten kreeg, maar dat Gooise markegenoten die in Naarden woonden hun bestaande rechten meenamen toen hun woonplaats stadsrecht verkreeg. Ook bestuurlijk ziet hij overeenkomsten. De stedelijke schepenen, raad en burgemeesters vertonen volgens hem verwantschap met oudere lands- en markefuncties. De Naardense burgemeesters zouden zelfs uit vroegere buurmeesters kunnen zijn voortgekomen.

Laren, Blaricum, Huizen, Hilversum en Bussum

De andere nederzettingen ontwikkelden zich langzamer. Laren had een kerk in 1306 en een schepenbank in 1387. Blaricum en Hilversum worden in 1382 genoemd. De vroegste vermelding van Huizen die Enklaar bespreekt, dateert eveneens uit 1382; Huizen werd in 1409 een zelfstandige parochie. Hilversum werd tijdens het episcopaat van Frederik van Blankenheim, 1393–1423, van Laren afgescheiden en kreeg in 1424 een eigen schepenbank. Blaricum bleef gedurende de Middeleeuwen met Laren verbonden. Bussum, hoewel al in 1306 vermeld en later gerechtigd in de marke, werd tijdens het ancien régime geen zelfstandig bestuursressort.

1424–1428 — de dorpsgrenzen worden zichtbaar

Jan van Beieren gaf Laren en Hilversum in 1424 vrijwel gelijkluidende privileges. Laren kreeg zeven schepenen en Hilversum vijf. Voor verkiesbaarheid gold een vermogenseis van respectievelijk 200 en 240 Hollandse schilden. Gezamenlijk moesten de twaalf schepenen overtredingen in het Gooierbosch berechten. Op 2 januari 1428 werd vervolgens de grens tussen beide gerechten beschreven. Deze liep langs De Vuursche, Baerbergen, Aertgesberg op Lange Heul, Wegelsberg, Kruisbergen en verder naar de grens van het Sticht. Zo ontstond naast de oude gezamenlijke marke een steeds fijnmaziger plaatselijk bestuurslandschap.

De landsverdediging

Ook militaire verplichtingen verbonden de Gooiers aan Holland. De Hollandse heervaart vond veelal over water plaats; dorpen moesten bemande koggen leveren en belastingen werden naar riemtale berekend. In 1339 moest de voorgenomen Eemnesser nederzetting in Gooiland een kogge met tien roeibanken leveren. In 1395 werden de Gooiers van hun eigen kogge ontslagen omdat hun hoge land geen geschikte haven bood en een op het land getrokken schip daar verging. Voortaan moesten zij op andere schepen dienstdoen. Voor de verdediging van het land zelf werd Naarden steeds belangrijker.

Jacoba van Beieren en Jan van Beieren

Tijdens de strijd van Jacoba van Beieren tegen haar oom Jan van Beieren werd Gooiland opnieuw oorlogsgebied. Omstreeks 1418 kregen de Gooiers de belofte gevangenschap, brand en roof bespaard te blijven wanneer zij Jans oproep om Naarden te verdedigen negeerden. In 1423 liet Jan oorlogsschade in Gooiland opnemen. Philips de Goede beval in 1425 bescherming van Naarden en in 1427 werd een kapitein aangesteld om de stad militair te bewaren. Met Jacoba's afstand in 1428 kwam voorlopig een einde aan deze strijd.

Omstreeks 1420 — een zelfstandig Goois baljuwschap

Bestuurlijk vormden Amstelland en Gooiland aanvankelijk één baljuwschap. Rond 1420 werd Gooiland volgens Enklaar waarschijnlijk zelfstandig. De baljuw vertegenwoordigde de landsheer, benoemde schouten en had grote invloed op de schepenbanken. Het ambt kreeg bovendien een financieel karakter. Kandidaten konden geld aan de landsheer voorschieten en het ambt als onderpand verkrijgen. Onder de baljuwen bevonden zich leden van Nijenrode, Mathenesse, Montfoort en IJsselstein. Onder Karel V bekleedde zelfs Antoine de Lalaing, heer van Montigny en later graaf van Hoogstraten, het ambt.

Schutten, bodeambt en gemeenschappelijke weiden

Een rechtstreeks met de meente verbonden functie was de schutter, die toezicht hield op vee. In 1387 wordt al een schutter genoemd. Vanaf 1415 werd het landelijke schutambt gecombineerd met het bodeambt van Naarden. Het verenigde ambt kwam eerst in handen van de familie Uten Broeck en ging in 1458 door huwelijk over naar Van Berkenrode. In 1478 werd het leen zo aangepast dat het ook via de vrouwelijke lijn kon overerven. Deze bestuurlijke ontwikkeling toont hoe belangrijk controle op vee en weiden voor het functioneren van de Gooise gemeenschap was.

1404 — de eerste schaarbrief

Binnen die ontwikkeling is 1404 een sleuteljaar. Na de uitspraak van 1403 sloten Naarden en de “gemene waerscip slands van Goylant” de eerste schaarbrief. Acht schaarzetters regelden hoeveel vee op de gemeenschappelijke weiden mocht worden gebracht: vier uit Naarden en vier uit Laren en Huizen. Zij kwamen op Sint-Geertruidsdag, 17 maart, bijeen. Na ongeveer een maand beweiding volgde controle. Wie bewust te veel dieren liet grazen, riskeerde inbeslagneming. De opbrengst van overtredingen werd verdeeld tussen landsheer, stad, gemeen land, schaarzetters en degenen die de overtreding hadden aangegeven.

Wie mocht scharen?

Aanvankelijk spreekt uit de regeling volgens Enklaar nog een betrekkelijk eenvoudige samenleving. Het bezit van een hoeve werd voor het schaarrecht verondersteld. Wanneer twee gezinnen in één huis woonden, mochten vanuit dat huis twee dieren extra worden geschaard. De gezamenlijke gerechtigden bezaten nog geen eigen zegel, zodat twee grafelijke raadsheren de schaarbrief voor hen bezegelden. De landsheer bevestigde de overeenkomst afzonderlijk. Daarmee bestond vanaf het begin een dubbele structuur: de Gooiers beheerden gezamenlijk het gebruik van de meente, terwijl de landsheer zijn hogere grondheerlijke rechten bleef handhaven.

1408 — landwinning

Die verhouding wordt bijzonder duidelijk in het handvest van Jan van Beieren uit 1408. Niemand mocht de Gooise gemeente gebruiken zonder de gebruikelijke landwinning te hebben gedaan. Enklaar interpreteert deze landwinning als een betaling bij verkrijging van het recht, waarmee tegelijkertijd het eigendomsrecht van de grondheer werd erkend. Het niet voldoen eraan kon verlies van het schaarrecht betekenen. Het Gooise recht was daarmee geen onbeperkt collectief eigendom volgens Enklaars reconstructie, maar een gemeenschappelijk gebruiksrecht binnen een grondheerlijke verhouding.

1418–1419 — de gemeenschap begint zich af te sluiten

Vanaf deze periode wordt zichtbaar dat niet iedere inwoner dezelfde positie bezat. Het Naardense zusterconvent kreeg in 1418 vrij poorterschap en scharing voor twee huishoudens. In 1419 wordt daarentegen gesproken over mensen “van buyten” die in bossen en venen kwamen. Enklaar verbindt hen met de koters: mensen zonder volwaardig markerecht, waaronder nieuwkomers en mogelijk ook economisch afgezakte voormalige gerechtigden. Koters die turf groeven moesten naar het Muiderslot worden gebracht. Bij gewelddadig verzet werd de Gooiers zelfs vooraf straffeloosheid toegezegd wanneer daarbij doden vielen.

1442 — het recht wordt erfelijker

De tweede schaarbrief van 1442, gesloten tussen Naarden en de buurmeesters van de vier dorpen voor 75 jaar, betekende een volgende stap. Niet alleen een hoeve was noodzakelijk; deze moest van de ouders zijn aangeërfd. Bovendien moest iemand persoonlijk bevoegd zijn tot veltslach op de gemeente. Een buitenstaander die in Gooiland grond kocht, kreeg daardoor niet vanzelf meentrecht. De gemeenschap begon volgens Enklaar haar gebruiksrechten bewust te reserveren voor degenen die deze rechten door afkomst konden claimen.

Naarden en de nieuwkomers

Vooral Naarden trok nieuwe inwoners. Omdat het poorterschap oorspronkelijk met meentrecht verbonden was, kon stedelijke groei het aantal gerechtigden vergroten. De tweede schaarbrief beperkte daarom het recht van nieuwe burgers. Een nieuwe Naardense burger moest volgens Enklaars weergave minstens 400 rijders bezitten om schaarrecht te krijgen. Voor een buitenlander die met een Naardens poorterskind trouwde gold een eis van 300 rijders. Zes van de rijkste burgers moesten diens vermogen beoordelen. Afkomst, bezit, stedelijk burgerschap en toegang tot de gemeenschappelijke grond raakten zo steeds nauwer met elkaar verweven.

Weduwen, kinderen en kloosters

De tweede schaarbrief regelde ook de overdracht binnen gezinnen. De langstlevende van een kinderloos gerechtigd echtpaar behield gedurende één jaar een halve schaar. Wanneer kinderen aanwezig waren en de boedel ongedeeld bleef, kon het gezin zijn volle schaar behouden. Een gerechtigd weeskind beneden achttien jaar behield onder voorwaarden een halve schaar; kinderen die gezamenlijk in de ongedeelde ouderlijke boedel bleven, behielden de volle schaar. Het zusterconvent van Naarden en het klooster van Oud-Naarden behielden hun bijzondere rechten. Daarmee zien we het schaarrecht inmiddels tot op gezinsniveau juridisch gereguleerd.

1455 — de derde schaarbrief

De derde schaarbrief van 1455 richtte zich nog scherper tegen buitenstaanders, vooral uit het Sticht Utrecht. Op een boete van 200 rijders mocht een Stichtenaar geen poorter van Naarden of volwaardige buur in een Goois dorp worden. Een Stichtse vrouw die met een Gooier getrouwd was en weduwe werd, kon haar meentrecht verliezen wanneer zij niet opnieuw met een Gooier trouwde. Hiermee werd voorkomen dat gebruiksrechten via huwelijk en vestiging buiten de erkende Gooise groep terechtkwamen.

De koters tegenover de gerechtigden

Ook maatschappelijk werd de scheiding hard. Een Naardense poorter of Gooise boer mocht volgens de derde schaarbrief niet voor een koter in rechte optreden of borg staan; daarop stond 25 rijders boete. Koters mochten zich niet met markezaken bemoeien, op straffe van 10 rijders. Enklaar vergelijkt deze toestand met het Drentse beginsel “een volle buur in de marke is een volle buur in de karke”. Het ging dus niet uitsluitend om het laten grazen van koeien. Toegang tot de gemeenschappelijke grond hing samen met iemands positie binnen de plaatselijke gemeenschap.

Van gebruiksrecht naar Erfgooiersrecht

Hier ligt bij Enklaar de belangrijkste ontwikkeling. Tussen ongeveer 1300 en 1455 veranderde een Gooise grondheerlijke marke geleidelijk in een streng gereguleerde gemeenschap van erfelijke gerechtigden. Eerst vinden we gezamenlijke besluitvorming, vervolgens grondgebruiksrechten, ondeelbaarheid, schaarregels, landwinning en uiteindelijk afkomstseisen. Uit de tweede en derde schaarbrief leidt Enklaar het latere beginsel af dat het recht berustte bij degenen die “man uit man” in Gooiland geboren waren. Daarmee werd het gebruiksrecht volgens zijn reconstructie uiteindelijk in de mannelijke afstammingslijn vastgelegd.

1462 — Gooiland blijft bij Holland

Tegelijk bleef de landsheerlijke band bestaan. In 1462 kreeg Karel de Stoute, toen graaf van Charolais, Gooiland van zijn vader Philips de Goede. Op 5 februari benoemde hij de gebroeders Van Nijenrode tot baljuwen. De Gooiers vroegen hem vervolgens Muiden, Naarden, de dorpen en Gooiland niet van het graafschap Holland te vervreemden. Op 25 augustus 1462 stemde Karel daarmee in. Voor Enklaar is dit een belangrijk moment: Gooiland zou daarna niet opnieuw van Holland worden afgescheiden.

1470 en 1474 — de rechten voor de hoogste rechtbanken

De juridische verhouding werd vervolgens onderwerp van grote processen. In 1470 kwam de eigendom van de meente voor het Hof van Holland. De Gooise procureur stelde dat de Gooiers de gemeente sinds onheuglijke tijden rustig hadden gebruikt en bezeten. Enklaar waarschuwt dat dit geen bewijs levert voor een marke in de Eltensche periode. In 1474 behandelde de Grote Raad van Mechelen de kwestie. Deze processtukken zijn voor ons buitengewoon belangrijk omdat daarin zowel de aard van de gemeenschappelijke gronden als de aanspraken van landsheer en gebruikers concreet zichtbaar worden.

1481–1483 — oorlog treft de Erfgooiersgemeenschap

De opgebouwde gemeenschap leefde niet geïsoleerd van oorlog. In de nacht van 10 op 11 december 1481 overvielen ongeveer zeshonderd mannen uit Utrecht en Amersfoort Naarden. Drie mannen waren als vrouwen vermomd en deden alsof zij eieren en boter naar de markt brachten. Na opening van de poort werd de poortwachter gedood en volgden moorden en plunderingen. De begijnen hielpen burgers ontsnappen en verborgen de ciborie met het Heilig Sacrament in een tonnetje in de grond. Na drie dagen moesten de aanvallers voor naderende Hollanders wijken.

Joost van Lalaing en de verwoesting rond het Gooi

Stadhouder Joost van Lalaing gebruikte Naarden vervolgens als basis voor aanvallen op het Sticht. Eemnes, Baarn, Soest en Westbroek werden getroffen; voedseltransporten tussen Amersfoort en Utrecht werden overvallen en vee geroofd. De Utrechters kwamen op hun beurt tot vlak bij Naarden en namen volgens een bericht ongeveer driehonderd dieren mee. Kroniekschrijver Thomas Basin, coadjutor van bisschop David van Bourgondië, beschreef de verarming en ontwrichting die de oorlog veroorzaakte. Enklaar vermoedt dat dezelfde ellende in Naarden en Gooiland bijdroeg aan de bevolkingsachteruitgang aan het einde van de vijftiende eeuw.

1489–1516 — Naarden blijft de vesting van het Gooi

De Gooise dorpen moesten daarom blijven bijdragen aan de verdediging van Naarden. Stadhouder Jan van Egmond herinnerde hen in 1489 aan hun verplichting de vesten uit te diepen, schoon te houden en staketten te plaatsen. In 1491 moest dat bevel na instortingen worden herhaald. In 1516 klaagde Naarden opnieuw dat de dorpen onvoldoende meewerkten. Hendrik van Nassau, oom van de latere Willem van Oranje, beval de Gooise inwoners wanneer nodig dag en nacht wacht te lopen en de stad te helpen versterken.

De kern van Enklaars verklaring

Zo ontstaat uit deze hoofdstukken één samenhangende ontwikkeling. Het begint niet met een reeds volledig gevormde gemeenschap van Erfgooiers in de tiende eeuw. Eerst zien we Naardingerland, de kerk van Naruthi, Werden en vervolgens de grondheerschappij van Elten. Na de overdracht aan Holland verschijnt tussen circa 1300 en 1326 een georganiseerde Gooise gemeenschap. In 1339 zijn haar grondgebruiksrechten aantoonbaar, in 1403 wordt de ondeelbaarheid vastgelegd, in 1404 het scharen geregeld, in 1408 de grondheerlijke landwinning bevestigd en in 1442 en 1455 wordt de kring van gerechtigden door erfelijkheid en afkomst steeds scherper begrensd.

Wat we nog moeten controleren

Het verhaal is hiermee compleet voor het door jou geplakte gedeelte, maar nog niet definitief voor ons Erfgooiersonderzoek. De belangrijkste openstaande controle is juist Enklaars centrale stelling dat de Gooise marke pas omstreeks 1300 ontstond en niet uit de Eltensche periode stamde. Ook zijn uitleg van landwinning, koters, veltslach, de mannelijke erfopvolging, de Maatlanden en het grondheerlijke eigendomsrecht moet naast later onderzoek worden gelegd. Daarnaast moeten de processen van 1470 en 1474 en vooral de drie schaarbrieven afzonderlijk uit de oorspronkelijke teksten worden gehaald. Dáár kunnen nog namen, bedragen, functionarissen en bepalingen in zitten die in Enklaars lopende verhaal niet volledig zijn weergegeven.

 

Historische Kring Weesp — Weesp aan de westzijde van het oude Gooiland

Weesp als grensgebied

Weesp behoorde niet tot de eigenlijke gemeenschap van Stad en Lande van Gooiland zoals Naarden, Laren, Blaricum en Huizen. Dat maakt Historische Kring Weesp juist belangrijk voor het Erfgooiersonderzoek. Weesp lag aan de Vecht, met ten oosten het Gooi en ten westen en zuiden uitgestrekte veenontginningen. Hier ontmoeten verschillende historische systemen elkaar. In het Gooi bleven grote heiden en meenten gemeenschappelijk in gebruik; rond Weesp ontstonden door sloten begrensde ontginningspercelen, polders en waterstaatkundige organisaties. Weesp maakt daardoor zichtbaar waar het bijzondere Gooise systeem ophield en hoe grondgebruik direct buiten het gebied van de latere Erfgooiers anders georganiseerd kon zijn.

Omstreeks 900 — Naruthi

Omstreeks 900 verschijnt Naruthi in het goederenregister van de abdij van Werden. De latere bronnenuitgave van Rudolf Kötzschke behoort tot de onderzoekslijn waarmee deze vroege vermelding wordt bestudeerd. Naruthi is verbonden met de voorgeschiedenis van Naarden en Naardingerland, maar de precieze identificatie en territoriale omvang moeten voorzichtig worden behandeld. Van Erfgooiers kan rond 900 nog niet worden gesproken. Voor Weesp is deze bron toch belangrijk omdat zij laat zien dat de gebieden rondom de latere Vecht-Gooigrens al eeuwen vóór de schaarbrieven bestuurlijk en economisch herkenbaar waren. De moderne grenzen tussen Weesp, Muiden, Naarden en Gooiland bestonden toen nog niet.

29 juni 968 — Wichman en Elten

Een belangrijker documentair anker is 29 juni 968. Wichman II van Hamaland en het vrouwenstift Elten, waaraan zijn dochter Luitgarde/Lutgardis verbonden was, staan centraal in de vroege bezitsgeschiedenis van Nardinclant. In het onderzoek kwamen onder meer het Bistumsarchiv Münster, het kopieboek A097, stukken AA0231–AA0233 en Lacomblet nr. 110 naar voren. Wichman was geen Erfgooier en de Eltense rechten waren geen schaarrechten. Dat onderscheid is fundamenteel. Eigendom, kerkelijke inkomsten, landsheerlijk gezag en plaatselijk grondgebruik konden naast elkaar bestaan. Vanuit Weesp kunnen juist deze verschillende rechtsvormen aan weerszijden van de latere Gooise grens worden vergeleken.

996 en 1129 — Nerdinklant

Ook 996 en 1129 kwamen in het onderzoek naar de curtis Nerdinklant naar voren. Zulke vermeldingen helpen de continuïteit van het oude gebied te volgen, maar bewijzen nog geen ononderbroken institutionele lijn naar de Erfgooiers. Een curtis, een kerkelijke bezitspositie en een gemeenschap van gerechtigde boeren zijn verschillende zaken. Voor Weesp is die bronkritiek extra belangrijk. Het aangrenzende Vechtland kende eveneens oude kerkelijke, landsheerlijke en lokale rechten. Wanneer later een eigenaar of heer in een Weesper document verschijnt, mag daaruit dus niet automatisch worden geconcludeerd dat boeren geen afzonderlijke gebruiksrechten hadden. Dezelfde methode moet aan beide zijden van de Gooise grens worden toegepast.

1176–1186 — Elten en Sint-Jan

Tussen 1176 en 1186 werd een overeenkomst gesloten tussen Elten en Sint-Jan te Utrecht. In de onderzoeksronde kwam deze naar voren als OSU I nr. 492, met het archiefspoor NL-UtHUA_A70648_000001 in Het Utrechts Archief. Deze bron is belangrijk omdat zij een tussenstadium vormt tussen Wichmans tiende-eeuwse bezitsgeschiedenis en de overdrachten van 1280. Er waren dus verschillende institutionele partijen bij het gebied betrokken. Voor Weesp opent dit tevens de Utrechtse kant van het onderzoek. De Vecht vormde immers een natuurlijke verbinding met Utrecht. Daardoor lagen de latere grenzen tussen Holland en het Sticht in een landschap waarin oudere kerkelijke en economische verbindingen al lang bestonden.

6 mei 1280 — Godelindis en Floris V

Op 6 mei 1280 vond de belangrijke overdracht tussen Godelinde/Godelindis, abdis van Elten, en Floris V van Holland betreffende Naardinkland plaats. De onderzoekslaag leverde OSU IV nr. 2031, OHZ IV nr. 1903 en stukken in het Nationaal Archief, 3.01.01, inventarisnummers 1124–1127 op. Voor Weesp is deze verandering belangrijk omdat het gebied direct ten oosten van de Vecht hierdoor sterker in de Hollandse machtsstructuur terechtkwam. Een verandering van landsheer betekende echter niet automatisch dat oude gebruiksgewoonten verdwenen. Dat onderscheid tussen hogere rechten en dagelijks gebruik vormt later juist een van de sleutels voor het begrijpen van de Erfgooiers.

13 mei 1280 — een tweede handeling

13 mei 1280 moet afzonderlijk van 6 mei worden gehouden. In deze tweede handeling kwam een financiële verplichting van 200 pond naar voren. Het verschil van zeven dagen lijkt klein, maar is voor het bronnenonderzoek belangrijk. Wanneer beide documenten worden samengevoegd, verdwijnt het onderscheid tussen verschillende juridische handelingen. Dat probleem speelt ook bij Weesper bronnen. Een akte over eigendom, een overeenkomst over waterbeheer en een verklaring over feitelijk gebruik kunnen hetzelfde terrein betreffen zonder hetzelfde recht te beschrijven. De Weesper onderzoekslaag helpt daarom niet alleen geografisch, maar ook methodisch: per document moet worden vastgesteld wie welk recht bezat en waarop dat recht betrekking had.

1326 — de Gooise gebruikersgemeenschap

Op 30 december 1326 wordt de georganiseerde gemeenschap van Gooise gebruikers duidelijker zichtbaar. In dezelfde bronnenlaag verschijnt het bijeenroepen van markgenoten door het blazen op een hoorn. Hier komen we veel dichter bij het latere systeem van gemeenschappelijke rechten. Voor Weesp is het contrast belangrijk. Aan de Gooise zijde bleef collectief gebruik van grote terreinen een dominante structuur; in het lage Vechtland werden ontginningen veel sterker door sloten en afzonderlijke percelen gevormd. Beide landschappen lagen dicht bij elkaar, maar konden daardoor verschillende juridische ontwikkelingen doormaken. Vanaf de veertiende eeuw kunnen deze twee systemen steeds concreter worden vergeleken aan de hand van kaarten, akten en gebruiksgeschillen.

1364 — de Bosbrief

Een belangrijke aanvulling op de vorige Weesper versie is de Bosbrief van 1364. Deze behoort tot de vroege Gooise regelgeving vóór de bekende schaarbrief van 1404. Het document regelde aspecten van het gebruik van het gemeenschappelijke bos. Daarmee wordt duidelijk dat de Gooise gemeenschap niet uitsluitend gezamenlijk grasland beheerde. Ook bos, hout en andere natuurlijke hulpbronnen vereisten afspraken. Voor Weesp biedt de Bosbrief een interessante vergelijking met het veenlandschap. Daar waren turf, watergangen, hooilanden en visserij belangrijke hulpbronnen. Bosgebruik in het Gooi en veengebruik rond Weesp waren landschappelijk verschillend, maar konden beide leiden tot regels over toegang, gebruik en uitsluiting.

25 januari 1404 — schaarmeesters

Op 25 januari 1404 werd een belangrijke Gooise schaarbrief vastgesteld. Daarin verschijnen schaarmeesters, schaarzetters en Lantgoyers. De gemeenschappelijke weiden waren dus gereguleerd. Niet iedere inwoner kon onbeperkt vee op de meent brengen. Vervolgens kwamen nieuwe schaarbrieven in 1442, 1455 en 1568. Voor Weesp functioneren deze stukken als vergelijkingsmateriaal. De Weesper landbouwgronden waren veel sterker verbonden met ontwatering, sloten en polders. Door Weesper polderreglementen en eigendomsakten naast de schaarbrieven te leggen kan worden vastgesteld hoe twee aangrenzende agrarische samenlevingen verschillende oplossingen ontwikkelden voor hetzelfde fundamentele probleem: beperkte grond en natuurlijke hulpbronnen verdelen tussen verschillende gebruikers.

1442 — koeien en paarden

De schaarbrief van 1442 is bijzonder bruikbaar omdat koeien en paarden daarin concreet naar voren komen. Daardoor wordt duidelijk dat het schaarrecht geen abstract juridisch privilege was. Het bepaalde hoeveel vee een gerechtigde kon onderhouden. Voor Weesp moeten vergelijkbare concrete gegevens worden gezocht: hoeveel koeien werden gehouden, waar lagen de hooilanden, welke percelen waren gemeenschappelijk of particulier en waar liep vee tussen boerderij en weide? Juist landbouwgeschiedenis kan onverwacht veel vertellen over historische rechten. Daarom zijn de artikelen van Historische Kring Weesp over boeren en het agrarische verleden van Weesp en Weesperkarspel rechtstreeks relevant, ook wanneer het woord Erfgooier daarin helemaal niet voorkomt.

1470–1474 — procedures en getuigen

Tussen 1470 en 1474 bereikten Gooise geschillen de hogere rechtspraak, waaronder de Grote Raad van Mechelen. Dergelijke processtukken zijn buitengewoon waardevol omdat zij gewone dagelijkse praktijken beschrijven. Een privilege zegt wat volgens de overheid mocht; een proces vertelt vaak wat mensen daadwerkelijk deden. Getuigen konden aanwijzen waar vee liep, waar plaggen werden gestoken, wie hout haalde en welke sloot als grens gold. Voor Weesp is dit een belangrijke onderzoeksrichting. Vooral conflicten aan de rand van Gooiland kunnen informatie bevatten over mensen uit de Vechtstreek die Gooise terreinen gebruikten, of omgekeerd. De procesdossiers moeten daarom geografisch breder worden onderzocht dan alleen op plaatsnaam Weesp.

1521 — belastingen in Weesp

Een belangrijke eigen Weesper datum die in de vorige versie onvoldoende aandacht kreeg, is 1521. In de registers en inhoudsopgaven van Historische Kring Weesp kwam materiaal over belastingen in Weesp in 1521 naar voren. Dat is voor het Erfgooiersonderzoek relevant omdat belastingregisters mensen, beroepen, bezit en economische verschillen zichtbaar kunnen maken. Zij kunnen bovendien worden vergeleken met latere gerechtigden- en schaarlijsten uit Gooiland. Daarmee kan worden onderzocht of families aan weerszijden van de grens voorkwamen en hoe grondbezit was verdeeld. De belastinggegevens leveren dus geen Erfgooierslijst, maar kunnen wel de sociale en economische bevolking reconstrueren waarmee de Gooise gerechtigden aan de westzijde contact hadden.

Jacob van Deventer en zestiende-eeuws Weesp

Een tweede belangrijke eigen Weesper bronlaag betreft de historische stadskaart van Jacob van Deventer uit de zestiende eeuw. Zijn kaarten zijn bijzonder waardevol omdat zij steden en hun onmiddellijke omgeving vóór de grote latere uitbreidingen tonen. Voor Weesp kan hiermee worden onderzocht waar wegen, waterlopen, bebouwing en agrarische terreinen lagen. De kaart moet naast latere polder- en kadastrale kaarten worden gelegd. Daardoor kan zichtbaar worden welke ruimtelijke structuren eeuwenlang bleven bestaan. Voor het Erfgooiersonderzoek is vooral de route richting Muiden, Naarden en Gooiland belangrijk. Wegen en waterverbindingen bepalen immers waar mensen, vee en goederen daadwerkelijk de theoretische bestuurlijke grenzen konden passeren.

1535 — turf, plaggen en grenzen

Op 15 oktober 1535 kwam in een procedure van de Grote Raad van Mechelen, dossier 2794, een conflict tussen Gooiers en Eemnessers naar voren waarin turf, plaggen, grenspalen en sloten een rol speelden. Dit gebeurde aan de oostkant van het Gooi, niet bij Weesp, maar het document laat precies zien welke bronnen we aan de westkant moeten zoeken. Turf was voor het veenland rond Weesp vanzelfsprekend van groot economisch belang. Wanneer Weespers of inwoners van Weesperkarspel gebruiksrechten buiten hun eigen percelen claimden, kunnen soortgelijke conflicten zijn ontstaan. De casus uit 1535 levert daarom een concreet vergelijkingsmodel voor de verdere systematische doorzoeking van Weesper rechterlijke stukken.

1536 — een sloot als juridische grens

In 1536 volgde een overeenkomst met Eemnes waarin een sloot van één roede, ongeveer 3,76 meter, als grensinstrument naar voren kwam. Ook werd een financiële verplichting vermeld waarbij de bronnen 30 plakken tegenover 20 + 20 plakken lijken te geven. Die tegenstrijdigheid moet behouden blijven totdat de oorspronkelijke documenten opnieuw zijn gecontroleerd. Voor Weesp is vooral de sloot belangrijk. In het veenlandschap waren watergangen niet alleen noodzakelijk voor drainage, maar konden zij tegelijk eigendomsgrens, gebruiksgrens en bestuurlijke grens zijn. Daardoor moet bij ieder Weesper polderartikel worden gevraagd of de beschreven sloot of wetering naast een waterstaatkundige ook een juridische functie had.

1568 en 1571

In 1568 verscheen opnieuw een Gooise schaarbrief. Op 22 april 1571 vinden we vervolgens de concrete getuigen Hendrik Jansz en Arjan Willemsz uit Eemnes in een procedure over weidegebruik tussen Naarden en de Gooise dorpen. Het spoor kwam naar voren in de inventaris van de Grote Raad van Mechelen, deel III, dossier 447 IIc. Deze namen zijn waardevol omdat zij gewone gebruikers zichtbaar maken. Voor Weesp moeten precies zulke personen worden gezocht: boeren, molenaars, vissers, veehouders, schippers en polderbestuurders die in verklaringen vertellen hoe het landschap werkelijk werd gebruikt. Zij vormen de ontbrekende menselijke laag tussen formele rechten en dagelijks leven.

Weesp en Weesperkarspel

Een wezenlijke aanvulling is Weesperkarspel. Wanneer alleen naar de stad Weesp wordt gekeken, verdwijnt juist het agrarische gebied dat voor vergelijking met de Erfgooiers het belangrijkst is. Weesperkarspel omvatte het landelijke gebied rond de stad met boerderijen, polders, sloten en verspreide bewoning. Hier moeten boerenbedrijven, grondbezit, hooiland, veeteelt en waterbeheer worden gereconstrueerd. Historische Kring Weesp behandelt Weesperkarspel in haar tijdschriften en registers. Voor het Erfgooiersonderzoek is dit waarschijnlijk vruchtbaarder dan de stedelijke kern zelf. De Gooise meent moet immers worden vergeleken met het landbouwbedrijf direct aan de andere kant van de historische grens, niet uitsluitend met de stad binnen haar muren.

Aetsveld als agrarisch landschap

Aetsveld behoort eveneens tot de belangrijke eigen Weesper onderzoeksgebieden. Tegenwoordig roept de naam vooral een woongebied op, maar daaronder ligt een veel ouder agrarisch landschap. Oude kaarten kunnen sloten, kavels, wegen en waterstructuren zichtbaar maken die door moderne bebouwing grotendeels zijn verdwenen. Voor ons onderzoek moeten bewoners en boeren van Aetsveld worden gekoppeld aan belastingregisters, notariële akten, polderstukken en eventueel boedelinventarissen. Daarmee kan worden vastgesteld welke dieren zij hielden, hoeveel grond zij gebruikten en hoe hun bedrijfsvoering verschilde van die van Gooise scharende boeren. Aetsveld kan zo een concrete lokale tegenhanger worden van de Gooise meenten.

Het Gein

Ook het Gein kwam in de registers van Historische Kring Weesp naar voren. Deze waterloop en het omringende landschap vormen een belangrijke verbinding tussen Weesp en het zuidelijker gelegen veengebied. Het Gein moet worden onderzocht in samenhang met Vecht, Gaasp, polders, dijken en ontginningen. Waterwegen waren verkeersaders, afwateringskanalen en soms tevens grenzen. Zij bepaalden waar boerderijen konden ontstaan en hoe landbouwproducten werden vervoerd. Voor de Erfgooiersgeschiedenis biedt het Gein opnieuw een nuttig contrast: terwijl op de Gooise zandgronden wegen en driftwegen naar de meent essentieel waren, werd het Weesper veenland veel sterker door waterlopen en sloten georganiseerd. Landschap en recht ontwikkelden zich daardoor gezamenlijk.

De Vecht als verkeersader

De Vecht verbond Utrecht via de noordelijke Vechtstreek met Weesp en Muiden en vandaar met het grote water. Daardoor was Weesp geen geïsoleerde grensplaats. Mensen, vee, turf, landbouwproducten en handelsgoederen konden gemakkelijk langs de rivier worden vervoerd. Dit maakt de vraag naar contacten met Gooiland belangrijker. Een juridische grens betekende niet dat economische uitwisseling ophield. Voor het onderzoek moeten daarom niet alleen grondstukken worden bekeken, maar ook tol-, markt-, scheepvaart- en handelsbronnen. Een Weesper boer kon buiten Gooiland wonen en toch handel drijven met Naarden of Muiden. Een Gooise boer kon producten via Weesp afzetten zonder daarmee Weesper grondrechten te verkrijgen.

Polders, molens en waterbeheer

De registers van Historische Kring Weesp bevatten ook onderwerpen rond polders en molens. Die vormen een essentiële aanvulling op het Erfgooiersverhaal. Een poldermolen maakte het mogelijk water uit laaggelegen land te verwijderen. Daarmee werd het voortbestaan van landbouw afhankelijk van collectieve investeringen en onderhoud. Dit is een andere vorm van gemeenschappelijkheid dan het Gooise schaarrecht. Gooise boeren organiseerden gezamenlijk toegang tot meent en heide; Weesper boeren konden gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor waterbeheer. Beide systemen waren collectief, maar juridisch en functioneel verschillend. Door polderbesturen, molenaars en ingelanden te onderzoeken kan precies worden vastgesteld hoe de Weesper gemeenschap haar landschap organiseerde tegenover het Gooise systeem van gerechtigden.

Turf en bodemdaling

Het Weesper landschap was sterk door veen bepaald. Ontwatering maakte landbouw mogelijk en turfwinning kon economische waarde opleveren, maar beide processen droegen bij aan bodemdaling. Naarmate het maaiveld daalde werd waterbeheer steeds moeilijker en belangrijker. Daarmee veranderde ook de waarde en bruikbaarheid van grond. Deze ontwikkeling vormt een scherp contrast met de hogere Gooise zandgronden. Daar konden heide en bos eeuwenlang in grote gemeenschappelijke complexen blijven bestaan. In het veenland moesten percelen juist voortdurend worden beschermd tegen water. De vergelijking verklaart mede waarom het Erfgooiersstelsel geografisch zo bijzonder was. Het was niet simpelweg een algemeen middeleeuws boerenrecht dat overal rond het Gooi voorkwam.

1609 — P.C. Hooft

Vanaf 1609 verschijnt P.C. Hooft als drost van Muiden en baljuw van Gooiland. Voor de Weesper onderzoekslaag is dit een bijzonder interessante combinatie van functies. Muiden lag aan de monding van de Vecht, direct stroomafwaarts van Weesp, terwijl Hoofts baljuwschap hem tevens met Gooiland verbond. In 1619 kwam Hooft in de bredere Gooise conflictgeschiedenis naar voren samen met Emanuel van Portugal. Deze bestuurlijke verbinding laat zien dat de verschillende landschappen institutioneel niet volledig gescheiden waren. Voor concrete Weesper rechten blijft echter bewijs per bron noodzakelijk. Een bestuurder die zowel Muiden als Gooiland raakte, maakte inwoners van Weesp nog niet tot gerechtigden van de Gooise meenten.

De zeventiende eeuw

Historische Kring Weesp heeft in haar registers verschillende onderwerpen over het zeventiende-eeuwse Weesp. Deze eeuw moet nadrukkelijker in het verhaal worden opgenomen dan eerder gebeurde. Weesp ontwikkelde zich economisch en stedelijk terwijl het omliggende Weesperkarspel agrarisch bleef. Tegelijk vonden in het aangrenzende Gooi ingrijpende veranderingen plaats. De stichting en verkaveling van 's-Graveland bracht bijvoorbeeld nieuwe particuliere belangen direct naast de oude gemene gronden. Daardoor is de zeventiende eeuw bijzonder geschikt om Weesp, Vechtstreek en Gooi gelijktijdig te bestuderen. Handel, grondbezit, buitenplaatsen, landbouw, waterbeheer en gemeenschappelijke rechten gingen steeds sterker naast en door elkaar functioneren.

1625–1634 — ’s-Graveland

Op 17 maart 1625 werd het octrooi voor 's-Graveland verleend; een ampliatie volgde 9 oktober 1626. Op 18 maart 1634 kwam een overeenkomst met Naarden tot stand en op 7 juni 1634 volgde de kavelloterij, voor notaris Van Zwieten. Het ging om 555 morgen en 28 roeden. In deze onderzoekslaag verschenen Jan Ingel, Cornelis Davelaer, Abel Matthijsz Burgh, Benedictus Schaeck, Andries Bicker, Anthony Oetgens van Waveren en Reinier Pauw. Hoewel dit geen Weesper personenlaag is, toont de casus hoe kapitaal, ontginning en verkaveling het landschap direct naast de Gooise gemene gronden konden veranderen.

1672 — Rampjaar in Weesp

Een belangrijke eigen Weesper datum is 1672, het Rampjaar. Historische Kring Weesp behandelt dit onderwerp in haar publicatielaag. Voor ons onderzoek is het van belang omdat oorlog rechtstreeks kon ingrijpen in landbouw, bereikbaarheid, waterbeheer en regionale verbindingen. Weesp lag strategisch aan de Vecht en dicht bij Muiden en de toegangen tot Holland. Militaire maatregelen konden land onder water zetten, wegen afsluiten of voedselvoorziening beïnvloeden. Dit moet uiteindelijk worden gekoppeld aan concrete Weesper bronnen en personen. Voor de Erfgooierscontext is vooral de vergelijking interessant met het Gooi, waar oorlog eveneens gevolgen had voor bewoners en landbouw. Landschapsgebruik stond nooit los van politieke en militaire gebeurtenissen.

De achttiende eeuw

Ook het achttiende-eeuwse Weesp is in de registers van Historische Kring Weesp vertegenwoordigd. Deze periode is belangrijk omdat het traditionele landbouw- en polderlandschap toen nog volop functioneerde. Tegelijk veranderden economische verhoudingen en groeide de betekenis van particuliere eigendom en kapitaal. Aan Gooise zijde bleven ondertussen nieuwe schaarbrieven verschijnen: 1741, 1762 en 1783. Daardoor kunnen beide gebieden bijna gelijktijdig worden onderzocht. Welke regels golden in een Weesper polder wanneer in het Gooi een nieuwe schaarbrief werd vastgesteld? Welke boeren hielden vee en welke collectieve verplichtingen hadden zij? Zo kan het verschil tussen poldergemeenschap en Erfgooiersgemeenschap op hetzelfde historische moment zichtbaar worden gemaakt.

Historische Kijk op Weesp — 1985–2011

De grootste aanvulling op het vorige verhaal is de eigen periodiek van Historische Kring Weesp: Historische Kijk op Weesp, verschenen van 1985 tot en met 2011. De vereniging heeft hiervoor registers en inhoudsoverzichten beschikbaar gemaakt. De artikelen zelf zijn niet allemaal digitaal als volledige tekst beschikbaar. Daarom mag een online zoekactie niet worden beschouwd als een volledige doorzoeking van het tijdschrift. Juist deze jaargangen kunnen onbekende namen van boeren, molenaars, landeigenaren, polderbestuurders en lokale families bevatten. De reeks moet systematisch worden onderzocht op Weesperkarspel, Aetsveld, Gein, Vecht, polders, molens, boeren, grond, grenzen, Muiden, Naarden en Gooiland.

Historisch Weesp — vanaf 2012

Vanaf 2012 werd de publicatiereeks voortgezet als Historisch Weesp. De beschikbare registers lopen in de onderzoeksronde door tot 2026. Daarmee beschikken we over een publicatiecorpus van meer dan veertig jaar wanneer beide tijdschriften gezamenlijk worden bekeken. Deze continuïteit is belangrijk. Een onderwerp dat in een recente aflevering wordt behandeld kan verwijzen naar een ouder artikel uit Historische Kijk op Weesp, waarna opnieuw oudere bronnen of kaarten kunnen worden gevonden. Het corpus moet daarom niet uitsluitend chronologisch maar ook via verwijzingen worden doorzocht. Iedere nieuwe naam, polder, boerderij, kaart of archiefverwijzing kan weer een nieuw zoekspoor naar de Erfgooiersgrens opleveren.

De bibliotheek — meer dan 300 titels

Historische Kring Weesp beschikt bovendien over een bibliotheekcatalogus met meer dan 300 boeken. Ook deze laag ontbrak te veel in het eerdere verhaal. De catalogus moet worden onderzocht op Weesp, Weesperkarspel, Muiden, Naarden, Gooiland, Vechtstreek, polders, waterstaat, boerenbedrijf, ontginning en historische kaarten. Vooral oudere lokale publicaties zijn belangrijk omdat zij gegevens kunnen bevatten die nooit digitaal zijn verschenen. Een boek over een polder kan namen van ingelanden geven; een jubileumboek kan oude boerderijen noemen; een kaartstudie kan verdwenen grenzen reconstrueren. De bibliotheek is daarom geen aanvullende curiositeit maar een zelfstandig bronnencomplex dat naast de tijdschriften moet worden gebruikt.

De Weesper bijdrage wordt nu duidelijker

Met deze aanvullingen verandert het beeld van Historische Kring Weesp aanzienlijk. De belangrijkste opbrengst is niet een onbekende Weesper schaarbrief, maar een omvangrijk corpus waarmee het landschap direct naast het Erfgooiersgebied kan worden gereconstrueerd. Daarbij horen Weesp, Weesperkarspel, Aetsveld, Gein, Vecht, polders, molens, boeren, turf, waterbeheer en historische kaarten. De concrete publicatielijn loopt van Historische Kijk op Weesp, 1985–2011, naar Historisch Weesp, 2012–2026, aangevuld met een bibliotheek van meer dan 300 titels. Daardoor hebben we nu een veel sterkere basis om de westgrens van het Gooise gemeenschapsrecht werkelijk vanuit Weesper bronnen te onderzoeken.

Historische Kring Bussum — compleet verhaal met namen en datums

Bussum vóór de naam Erfgooier

De Bussumse Erfgooiersgeschiedenis begint niet bij Bussum als zelfstandige gemeente, maar bij het veel oudere Nardinclant, Naerdincklant of Naardingerland. In de tiende eeuw verschijnt Wichman II van Hamaland. Met zijn dochter Luitgarde/Lutgardis en het vrouwenstift Elten behoort hij tot de vroegste namen in de bezitsgeschiedenis van het gebied. 29 juni 968 is daarbij een belangrijk documentair anker. Deze rechten mogen niet rechtstreeks Erfgooiersrechten worden genoemd. Kerkelijk bezit, grafelijke macht en het feitelijke gebruik van bos, heide en weide door bewoners waren verschillende rechtslagen. Uit die ingewikkelde voorgeschiedenis ontstond uiteindelijk het historische Gooiland waarvan Bussum deel uitmaakte.

Elten, Sint-Vitus en het oude Nardinclant

Het stift Elten en de verbinding met Sint-Vitus behoren eveneens tot de oudste geschiedenis. De vroegmiddeleeuwse documenten vertellen vooral over bezit en kerkelijke aanspraken; zij vertellen nog niet rechtstreeks welke rechten afzonderlijke boeren uit het latere Bussum hadden. Dat onderscheid is belangrijk. Het latere Erfgooiersrecht ontstond niet door één plotselinge schenking. Het ontwikkelde zich doordat bewoners gedurende zeer lange tijd gemeenschappelijke hulpbronnen bleven gebruiken en daar uiteindelijk herkenbare collectieve rechten aan verbonden raakten. Bussum lag binnen dit landschap. De latere Bussummer meenten, heiden en landbouwgronden moeten daarom worden beschouwd als onderdelen van een veel oudere territoriale geschiedenis die voorafging aan het zelfstandige dorp.

1176–1186 — Elten en Sint-Jan

Tussen 1176 en 1186 vinden we een overeenkomst tussen het stift Elten en Sint-Jan te Utrecht. In het bredere onderzoek werd deze bron geïdentificeerd als OSU I, nummer 492. Dit document is belangrijk omdat het een tussenstadium laat zien tussen de tiende-eeuwse Eltense bezitsgeschiedenis en de gebeurtenissen van 1280. Rechten op het gebied konden verdeeld zijn over verschillende instellingen en konden betrekking hebben op inkomsten zonder dat daarmee alle plaatselijke gebruiksrechten werden bepaald. Voor Bussum is juist die gelaagdheid essentieel. De geschiedenis van de Erfgooiers kan niet worden teruggebracht tot één eigenaar; zij ontwikkelde zich binnen een landschap waarin verschillende rechthebbenden tegelijkertijd aanspraken konden bezitten.

6 mei 1280 — Godelinde en Floris V

Op 6 mei 1280 vond een belangrijke overdracht plaats tussen Godelinde/Godelindis, abdis van Elten, en graaf Floris V van Holland betreffende Naardinkland. In het bronnenonderzoek kwamen hiervoor onder meer OSU IV nr. 2031, OHZ IV nr. 1903 en stukken in het Nationaal Archief, 3.01.01, inventarisnummers 1124–1127 naar voren. Daarnaast bestaat een afzonderlijke transactie van 13 mei 1280. Die twee gebeurtenissen moeten niet worden samengevoegd. Voor Bussum betekende de landsheerlijke verandering niet dat bestaande plaatselijke gebruiksgewoonten verdwenen. Juist de continuïteit van dat lokale gebruik vormt een belangrijke schakel naar de latere gerechtigden van Gooiland.

30 december 1326 — markgenoten

Een volgende concrete datum is 30 december 1326. Onder graaf Willem III wordt een georganiseerde gemeenschap van gebruikers duidelijker zichtbaar. In de onderzoeksreeks kwam bovendien het bijeenroepen van markgenoten door het blazen op een hoorn naar voren. De term Erfgooier moeten we voor deze periode voorzichtig gebruiken; de historische benamingen veranderden. Wel zien we mensen die gezamenlijk belangen in de gemene gronden behartigden. Ook het gebied van het latere Bussum maakte deel uit van deze wereld. Het individuele boerenbedrijf was afhankelijk van terreinen die niet individueel verkaveld waren. Daardoor waren regels, vergaderingen en vertegenwoordigers nodig om overbegrazing en conflicten tussen gebruikers te voorkomen.

1339 — de goede luden

In 1339 verschijnen de goede luden van Gooiland. Die benaming vormt opnieuw een stap in de ontwikkeling naar de later duidelijk herkenbare gemeenschap van gerechtigden. Door de eeuwen vinden we verschillende termen: Naerdincklanders, markgenoten, Lantgoyers, gerechtigden en uiteindelijk Erfgooiers. Die woorden mogen niet zonder meer als volledig identiek worden behandeld. Ze weerspiegelen verschillende fasen in de institutionele ontwikkeling. Voor Bussum is dat belangrijk omdat het dorp pas veel later een grote zelfstandige plaats werd. De rechten waarop sommige Bussumers aanspraak konden maken waren dus veel ouder dan de moderne gemeente. De juridische gemeenschap ging aan de bestuurlijke zelfstandigheid van Bussum vooraf.

1350–1356 — Naarden, Utrecht en grenzen

In 1350 werd Naarden geplunderd en verbrand. In 1351 kwam een overeenkomst met Utrecht naar voren en in 1356 de Leeuwenpaal als concreet grenspunt. Zulke gebeurtenissen tonen dat het landschap van Gooiland niet alleen agrarisch maar ook politiek omstreden was. Voor Bussum waren grenzen bijzonder belangrijk, omdat de plaats nauw met Naarden verbonden bleef. Waar eindigde het gebruiksgebied van een dorp en begon dat van een ander? Waar liepen de grenzen van gemeenschappelijke terreinen? Oude palen, wegen en landschapselementen konden juridische betekenis krijgen. Deze middeleeuwse grensgeschiedenis is een noodzakelijke voorloper van de veel latere discussies over Bussumse uitbreiding en grond voor woningbouw.

25 januari 1404 — de schaarbrief

Op 25 januari 1404 kwam de eerste belangrijke schaarbrief tot stand. Daarin verschijnen schaarmeesters, schaarzetters en Lantgoyers. De regeling beperkte en organiseerde het gebruik van gemeenschappelijke weiden. Dit gold ook voor de gerechtigden in het gebied waar Bussum zich ontwikkelde. Een schaar vertegenwoordigde praktisch het recht om een bepaalde hoeveelheid vee te laten grazen. De meent was dus geen open terrein waarop iedere inwoner onbeperkt dieren kon zetten. Alleen door gereguleerd gebruik kon zij voor de gemeenschap bruikbaar blijven. De schaarbrief maakt daarmee zichtbaar dat de Gooise gemeenschap al in de vijftiende eeuw regels bezat voor het beheer van haar gezamenlijke natuurlijke hulpbronnen.

1442 — koeien en paarden

De schaarbrief van 1442 maakt het systeem bijzonder concreet door koeien en paarden te noemen. Gemeenschappelijke grond vertegenwoordigde rechtstreeks voedsel voor het vee. Een gerechtigde met een boerenbedrijf kon daardoor meer dieren houden dan wanneer hij uitsluitend zijn particuliere grond had moeten gebruiken. Paarden waren bovendien nodig voor arbeid en vervoer. Koeien waren onderdeel van het voedsel- en landbouwbedrijf. De schaar was dus economisch waardevol. Voor Bussum is dit belangrijk omdat de betekenis van dezelfde grond later volledig veranderde. Een terrein dat in 1442 waardevol was vanwege gras voor vee kon in de negentiende of twintigste eeuw juist grote waarde krijgen als bouwgrond. Daaruit ontstond uiteindelijk een fundamenteel belangenconflict.

1455 en 1568 — voortdurend aanpassen

Nieuwe schaarbrieven volgden in 1455 en 1568. Daarmee ontstaat de vroege reeks 1404–1442–1455–1568. Het telkens opnieuw vastleggen van regels toont dat gemeenschappelijk gebruik voortdurend moest worden aangepast. Bevolking en veestapel veranderden, terwijl het beschikbare land begrensd bleef. De regeling van 1568 is bovendien opvallend omdat zij dateert uit het begin van een periode van grote politieke onrust. Ondanks oorlog en machtswisselingen bleef het dagelijkse vraagstuk hetzelfde: wie mocht welk vee op welke gemeenschappelijke grond brengen? Voor de Bussumse geschiedenis is deze continuïteit essentieel. Het Erfgooierssysteem overleefde politieke veranderingen juist omdat het diep verbonden was met de praktische landbouworganisatie van Gooiland.

Stad en Lande van Gooiland

De gerechtigden werden uiteindelijk georganiseerd binnen Stad en Lande van Gooiland. Naarden nam daarin als stad een bijzondere positie in naast de Gooise dorpen. Bussum was lange tijd sterk met Naarden verbonden. Daardoor kan de vroege Bussumse geschiedenis niet worden gelezen alsof het al een zelfstandige bestuurlijke eenheid was zoals later. Besluiten over gemene gronden konden regionaal worden genomen. De archieven van Stad en Lande bevatten daarom materiaal dat voor Bussum essentieel is, ook wanneer het woord Bussum niet prominent in een titel voorkomt. De onderzoekslaag omvat onder meer resoluties over gebruik, gerechtigden, schaarrechten, grenskwesties en later de verkoop of andere bestemming van gemeenschappelijke gronden.

1708 — gerechtigden krijgen namen

De gerechtigdenlijst van 1708 vormt een belangrijke bron voor de overgang van institutionele naar genealogische geschiedenis. Vanaf dergelijke lijsten kunnen concrete personen en families worden gevolgd. Voor Bussum is dit extra belangrijk omdat de plaats later explosief groeide. Niet iedere nieuwe Bussumer werd door vestiging automatisch Erfgooier. Gerechtigdheid hing samen met historische afkomst en rechtspositie. Daardoor ontstond uiteindelijk een grote bevolking waarin slechts een gedeelte aanspraak op de oude rechten kon maken. De lijst van 1708 moet worden gekoppeld aan kerkboeken, notariële akten, belastingregisters en latere gerechtigdenlijsten. Alleen daarmee kunnen daadwerkelijk Bussumse Erfgooiersfamilies betrouwbaar over meerdere generaties worden gevolgd.

1741–1804 — nieuwe schaarbrieven

De schaarbrieven stopten niet in de zestiende eeuw. Nieuwe regelingen kwamen in 1741, 1762, 1783 en 1804. Vooral de vergelijking tussen 1404 en 1804 is bijzonder: vier eeuwen later bestond het principe van gereguleerd gemeenschappelijk gebruik nog steeds. Tegelijk was de maatschappij sterk veranderd. Geld, grondprijzen en bevolkingsontwikkeling gingen een steeds grotere rol spelen. Voor Bussum zou dat uiteindelijk ingrijpende gevolgen krijgen. Het dorp lag gunstig en zou in de negentiende eeuw een snelle transformatie ondergaan. Daarmee kwam een systeem dat voor een relatief kleine agrarische bevolking was ontstaan terecht in een omgeving waarin steeds meer mensen, woningen en nieuwe infrastructuur ruimte nodig hadden.

1826–1895 — de laatste schaarbrieven

Ook in 1826, 1846, 1851, 1856, 1861, 1872, 1887, 1889 en 1895 werden schaarregelingen vastgesteld. Daarmee loopt de bekende reeks van 1404 tot 1895. Juist voor Bussum is die late continuïteit opmerkelijk. Tegen het einde van de negentiende eeuw was de plaats al sterk aan het veranderen, maar het eeuwenoude schaarrecht bleef bestaan. Daardoor leefden twee werelden naast elkaar. Op de ene plaats stond een moderne villa of ontstond een nieuwe straat; elders werd nog volgens historische rechten vee op gemeenschappelijke grond gebracht. De tegenstelling tussen agrarisch gebruik en moderne grondontwikkeling werd hierdoor steeds scherper en zou uiteindelijk tot ernstige conflicten binnen de Erfgooiersgemeenschap leiden.

Albertus Perk — 1795–1880

Albertus Perk (1795–1880) werd een centrale figuur in de negentiende-eeuwse discussie. Als Hilversumse notaris verzamelde en bestudeerde hij de geschiedenis van Gooiland en zijn gerechtigden. Zijn Verslag uit 1842 is een belangrijk ankerpunt. Perk zocht naar oplossingen voor de steeds moeilijker wordende verhouding tussen historische gemeenschappelijke rechten en een veranderende samenleving. Voor Bussum was dit bijzonder relevant. De plaats stond aan de vooravond van enorme groei. Gemeenschappelijke grond vertegenwoordigde daardoor steeds meer potentiële bouw- en verkoopwaarde. Een verdeling die voor een niet-scharende gerechtigde financieel aantrekkelijk kon zijn, kon voor een veehoudende gerechtigde juist het verlies van noodzakelijke bedrijfsgrond betekenen.

1837 en 1843–1845 — kaarten

De kaarten van 1837, 1843 en 1843–1845 zijn essentieel om het Bussumse landschap vóór de grote uitbreiding te reconstrueren. Daarop kunnen oude wegen, heiden, meenten, akkers en grenzen worden teruggevonden. Wanneer deze kaarten over de huidige bebouwing worden gelegd, wordt zichtbaar hoeveel modern Bussum op voormalig agrarisch of gemeenschappelijk landschap is ontstaan. Dit is een van de sterkste onderdelen van de Bussumse Erfgooiersgeschiedenis. De oude rechten bestaan niet alleen in documenten; zij liggen letterlijk onder huidige woonwijken en verkeerswegen. De kaarten moeten daarom worden gekoppeld aan verkoopakten en besluiten van Stad en Lande om de overgang per terrein te kunnen reconstrueren.

1817 — Bussum wordt zelfstandig

Een cruciale lokale datum die in de eerdere versie onvoldoende naar voren kwam is 1817. In dat jaar werd Bussum een zelfstandige gemeente, los van Naarden. Daarmee veranderde het plaatselijke bestuur, maar de oude Gooise gebruiksrechten verdwenen niet. Dit is een belangrijk onderscheid. Gemeentegrenzen en Erfgooiersrechten waren niet hetzelfde systeem. Een Bussumer kon voortaan inwoner van een zelfstandige gemeente zijn en tegelijkertijd gerechtigd blijven binnen een veel ouder regionaal verband. Die dubbele structuur werd later steeds problematischer. De gemeente had grond nodig voor ontwikkeling, terwijl Stad en Lande en de gerechtigden belangen in gemeenschappelijke terreinen behielden. Hier ligt een belangrijke oorsprong van de latere Bussumse grondproblematiek.

1874 — de spoorlijn

Een tweede beslissende Bussumse datum is 1874, toen de spoorverbinding Amsterdam–Amersfoort en het station bij Bussum de bereikbaarheid drastisch verbeterden. Hierdoor werd Bussum aantrekkelijk voor mensen die buiten Amsterdam wilden wonen maar de stad gemakkelijk moesten kunnen bereiken. De bevolkingsgroei en villabouw namen vervolgens sterk toe. Voor de Erfgooiers betekende dit dat hun gemeenschappelijke gronden plotseling een geheel nieuwe economische waarde kregen. Heide of weide kon worden omgezet in bouwgrond. Daarmee ontstond een steeds groter verschil tussen de gebruikswaarde voor een boer en de verkoopwaarde voor een gerechtigde. De spoorlijn veranderde daardoor indirect ook de economische betekenis van het eeuwenoude Erfgooiersrecht.

1875 — Bouwmaatschappij Nieuw Bussum

In 1875 ontstond de Bouwmaatschappij Nieuw Bussum. Deze ontwikkeling hoort rechtstreeks bij de overgang van agrarisch naar stedelijk Bussum. Nieuwe woongebieden vergden grond, wegen en verkaveling. Daardoor kwam de oude ruimtelijke structuur steeds verder onder druk te staan. Voor ons Erfgooiersonderzoek moet iedere grote Bussumse uitbreidingsfase daarom worden gekoppeld aan de herkomst van de grond: was zij particulier, gemeentelijk of afkomstig uit het gemeenschappelijke Gooise bezit? Wie verkocht, wie kocht en welke gerechtigden profiteerden of verloren gebruiksmogelijkheden? Juist hier kunnen notariële akten, gemeenteraadsstukken, kaarten en archiefstukken van Stad en Lande samen een veel gedetailleerder verhaal opleveren dan een algemene geschiedenis van Bussumse woningbouw.

1876 — Sophia Delaunay

Een belangrijke naam in de ontwikkeling van het nieuwe Bussum is Sophia Delaunay. Rond 1876 werd haar rol in de ontwikkeling van het villadorp belangrijk. Haar naam behoort tot de personen die laten zien dat Bussums groei niet alleen door abstracte bevolkingsdruk werd veroorzaakt, maar door concrete grondeigenaren, investeerders en ontwikkelaars. Zij moet echter niet als Erfgooier worden aangeduid zonder afzonderlijk bewijs van gerechtigdheid. Haar betekenis ligt in de andere kant van het verhaal: de nieuwe grondmarkt die steeds dichter tegen de oude gemene gronden kwam te liggen. Juist het naast elkaar zetten van ontwikkelaars en gerechtigde boeren maakt zichtbaar hoe ingrijpend Bussums economische structuur veranderde.

Cornelis Johannes van Houten

Ook Cornelis Johannes van Houten behoort tot de namen die in de negentiende-eeuwse ontwikkeling van Bussum naar voren komen. Net als bij andere ontwikkelaars moet zijn precieze grondpositie steeds uit de betreffende akten worden vastgesteld en mag een rol als Erfgooier niet worden verondersteld. Zijn aanwezigheid is vooral relevant omdat zij de economische krachten achter het nieuwe Bussum zichtbaar maakt. Grond werd steeds minder uitsluitend gewaardeerd vanwege landbouwproductie en steeds meer vanwege ligging, bereikbaarheid en bebouwingsmogelijkheden. Hierdoor kregen oude Gooise terreinen een marktwaarde die de middeleeuwse makers van de schaarbrieven nooit hadden kunnen voorzien. Dat veranderde uiteindelijk ook de onderlinge verhoudingen tussen de gerechtigden.

1898 — de spanning loopt op

Tegen het einde van de negentiende eeuw liepen de conflicten binnen de Erfgooiersgemeenschap steeds verder op. Uit de Larense onderzoekslaag kennen we het hazenproces van 1898, waarbij Harmen Vos naar voren komt. Hoewel deze gebeurtenis niet zonder meer een Bussumse gebeurtenis is, behoort zij tot dezelfde regionale crisis waarin Bussumse gerechtigden eveneens functioneerden. Jacht, meentgebruik, bestuur en de financiële waarde van gemeenschappelijk bezit raakten steeds sterker met elkaar verweven. De oude gemeenschap had inmiddels leden met totaal verschillende beroepen en belangen. Daardoor was het steeds moeilijker geworden om één beleid te voeren alsof alle gerechtigden nog boeren waren die hetzelfde gebruik van heide en meent verlangden.

1903 — de crisis bereikt een hoogtepunt

In 1903 escaleerde de Erfgooiersstrijd. Schaardagen, protesten en de inzet van militairen maakten duidelijk dat het gezag van het bestaande beheer ernstig werd betwist. De meest dramatische gebeurtenis vond plaats op 1 mei 1903 bij het meenthek aan de Schapendrift in Blaricum. Daar werd de 22-jarige Hendrik Smit uit Laren doodgeschoten. Het voorval werd op 2 mei 1903 in De Gooi- en Eemlander gemeld. Hoewel dit niet in Bussum gebeurde, raakte het de gehele Gooise gerechtigdengemeenschap. De Erfgooiersstrijd was immers regionaal georganiseerd en hield niet op bij de moderne gemeentegrenzen.

Hendrik Smit en K.P.C. de Bazel

Hendrik Smit werd begraven op het Sint Janskerkhof in Laren. Zijn grafmonument werd ontworpen door K.P.C. de Bazel. De gebeurtenis laat zien hoe ver het conflict over de gemene gronden inmiddels verwijderd was geraakt van een gewone administratieve discussie. Een systeem dat eeuwen eerder koeien, paarden en schapen op gemeenschappelijke weiden regelde, leidde nu tot een confrontatie waarbij militair geweld werd gebruikt. Voor Bussum is deze regionale geschiedenis relevant omdat ook daar de grondwaarde sterk was gestegen. Tegelijk moeten Smit en De Bazel niet als Bussumse Erfgooiers worden gepresenteerd. Zij behoren tot de regionale context waarin de Bussumse gerechtigden functioneerden.

28 april 1904 — Floris Vos

Op 28 april 1904 werd Floris Vos gearresteerd. Rond deze crisis ontstond een conflict tussen oude en nieuwe meentmeesters. De bestuurlijke onduidelijkheid ging zover dat gerechtigden geconfronteerd konden worden met dubbele betaling van schaargeld. Dit detail is belangrijk omdat het de praktische gevolgen van de bestuurlijke strijd toont. Voor een scharende boer was het schaargeld geen abstracte kwestie; het bepaalde zijn toegang tot weide voor het vee. Ook hier geldt dat Floris Vos een regionale Erfgooiersfiguur is en niet zonder bron als Bussumer mag worden aangemerkt. De gebeurtenissen van 1903–1904 tonen echter de crisis die uiteindelijk de roep om een wettelijke regeling versterkte.

1912 — de Erfgooierswet

Met de Erfgooierswet van 1912 werd de gemeenschap wettelijk georganiseerd. De wet bracht meer duidelijkheid over bestuur, gerechtigdheid en gemeenschappelijk bezit. Zij kon echter niet het onderliggende economische probleem oplossen. Bussum was inmiddels sterk verstedelijkt. Voor een agrarische scharende gerechtigde bleef grond waardevol als weide; voor een niet-scharende gerechtigde kon dezelfde grond vooral een financieel vermogen vertegenwoordigen. De wet moderniseerde dus de juridische structuur van een gemeenschap waarvan de oorspronkelijke economische basis al sterk veranderde. Dat verklaart waarom de twintigste eeuw ondanks de wettelijke regeling opnieuw discussies over grondverkoop, natuurbehoud en uiteindelijk verdeling van het vermogen zou kennen.

Emil Luden — 1931

De bibliotheek van Historische Kring Bussum bewaart Emil Luden, Het Gooi en de Erfgooiers, 1931. Dit werk is bijzonder waardevol omdat Luden schreef terwijl de Erfgooiersorganisatie nog volop bestond. Zijn boek behoort daardoor zowel tot de geschiedschrijving als tot de geschiedenis van het debat zelf. Luden kon spreken met mensen voor wie de conflicten van 1903 en de Erfgooierswet van 1912 nog recente gebeurtenissen waren. Zijn interpretaties moeten wel naast primaire documenten worden gelegd. Juist de vraag waar het Erfgooiersrecht oorspronkelijk vandaan kwam heeft door de tijd verschillende antwoorden gekregen. Luden vormt daarom één belangrijke stem binnen een veel langere historiografische discussie.

De rechtstoestand van de Erfgooiers

De Bussumse bibliotheek bevat daarnaast oudere rechtshistorische literatuur onder titels als De rechtstoestand der Erfgooiers en De Erfgooiers en hun gemeenschappelijk bezit tot 1568. Deze titels zijn belangrijk omdat zij proberen de juridische grondslag en vroege ontwikkeling van de rechten te reconstrueren. De volledige bibliografische gegevens moeten bij verdere cataloguscontrole worden vastgelegd; auteur en publicatiejaar mogen niet worden ingevuld zolang zij niet rechtstreeks uit het betreffende exemplaar zijn bevestigd. Juist die voorzichtigheid is noodzakelijk bij oudere Erfgooiersliteratuur. De boeken zijn waardevolle onderzoekssporen, maar hun conclusies moeten worden getoetst aan de documenten van 968, 1280, 1326 en de schaarbrieven vanaf 1404.

1932 en 1933 — Enklaar en Sebus

Binnen de historiografie kwamen ook D.Th. Enklaar in 1932 en J.H. Sebus in 1933 naar voren. Hun onderzoeken behoren tot de periode waarin historici intensief probeerden de oorsprong en juridische ontwikkeling van de Gooise rechten te verklaren. Zij moeten naast Emil Luden (1931) worden gelezen. Het voordeel van deze combinatie is dat verschillende interpretaties zichtbaar blijven in plaats van achteraf tot één verhaal te worden samengevoegd. Voor Bussum is dit relevant omdat de plaatselijke historische vereniging juist een bibliotheek heeft waarin dergelijke oudere studies toegankelijk blijven. Zo wordt de Bussumse onderzoeksbijdrage niet alleen lokaal-geografisch maar ook historiografisch van betekenis.

1947 — A.C.J. de Vrankrijker

In 1947 leverde A.C.J. de Vrankrijker een volgende belangrijke bijdrage aan de geschiedschrijving over het Gooi en de Erfgooiers. Zijn werk staat chronologisch na Luden, Enklaar en Sebus en kan daarom worden gebruikt om veranderingen in interpretatie te volgen. De Vrankrijker bleef ook later belangrijk in de Gooise historische literatuur. Voor het Bussumse onderzoek betekent dit dat niet alleen de gebeurtenissen zelf maar ook de manier waarop zij door opeenvolgende generaties historici zijn beschreven, kan worden gereconstrueerd. Verschillen tussen deze auteurs zijn juist waardevol. Zij kunnen aangeven waar oorspronkelijke bronnen meerdere interpretaties toelaten en waar latere historische verhalen misschien te stellig zijn geworden.

Goois Natuurreservaat

De twintigste eeuw bracht ook een nieuwe bestemming voor delen van het oude gemeenschappelijke landschap: het Goois Natuurreservaat. De overgang is historisch bijzonder. Terreinen die eeuwenlang open bleven omdat gerechtigde boeren ze gezamenlijk gebruikten, konden later juist vanwege hun natuur- en landschapswaarde worden beschermd. Dat betekent niet dat het natuurreservaat simpelweg het Erfgooierssysteem voortzette. Doel, eigendom en juridische structuur waren anders. Toch bestaat een duidelijke ruimtelijke continuïteit. Rond het steeds dichter bebouwde Bussum werden de overgebleven open gebieden daardoor nog waardevoller. Zonder de eeuwenlange geschiedenis van gemeenschappelijk grondgebruik zou het huidige landschap rondom Bussum er waarschijnlijk fundamenteel anders hebben uitgezien.

1984 — De Vrankrijker en Doeve

In 1984 verschijnt in de Bussumse bibliotheeklaag De geschiedenis van het Gooi en zijn Erfgooiers van A.C.J. de Vrankrijker en Doeve. Daarmee loopt de historiografische reeks van negentiende-eeuwse Albertus Perk, via Luden, Enklaar en Sebus, naar de late twintigste eeuw. Het werk uit 1984 is belangrijk als synthese, maar ook hier moeten oudere documenten zelfstandig worden gecontroleerd. In hetzelfde onderzoeksveld verscheen bovendien een register van de publicaties van Albertus Perk uit 1984, dat verdere zoekmogelijkheden biedt. Zo blijkt de bibliotheek van Historische Kring Bussum niet alleen informatie over Bussum te bevatten, maar een belangrijk verzamelpunt voor de gehele Erfgooiersgeschiedenis.

Wijkers en blijvers

In de laatste fase van de organisatie werden wijkers en blijvers belangrijke begrippen. Het geschil draaide uiteindelijk om de toekomst van het gemeenschappelijke bezit en de financiële aanspraken van gerechtigden. Voor Bussum was deze discussie bijzonder scherp doordat grond inmiddels enorme stedelijke waarde kon vertegenwoordigen. Het oude recht was daarmee bijna het tegenovergestelde geworden van wat het oorspronkelijk betekende. In de vijftiende eeuw regelde een schaar hoeveel vee iemand kon weiden; in de twintigste eeuw kon gerechtigdheid een aandeel in omvangrijk grondvermogen betekenen. Toch bleef afkomst een sleutel tot het recht. Daarmee verbond genealogie de laatste gerechtigden nog altijd met een veel oudere Gooise gemeenschap.

De jaren zeventig en 1979

De Erfgooiersorganisatie werd uiteindelijk in de jaren zeventig afgewikkeld. 1979 vormt in de regionale onderzoekslaag een belangrijk eindpunt van de organisatie en de afhandeling van Stad en Lande. Uit Huizen weten we bijvoorbeeld dat daar bij de ontbinding 1.774 Erfgooiers werden genoemd, meer dan 35 procent van het totaal volgens de betreffende lokale publicatie. Voor Bussum moet dezelfde laatste gerechtigdenlaag nog persoonsgewijs uit de lijsten worden gehaald. Dat is belangrijk omdat juist Bussum door de enorme instroom van nieuwe inwoners een bijzonder contrast bood: duizenden Bussumers woonden in het voormalige Erfgooierslandschap zonder zelf tot de historisch gerechtigde gemeenschap te behoren.

Nol Verhagen — 2017

Een van de belangrijkste eigen bijdragen van Historische Kring Bussum is Nol Verhagen, Erfgooiers ten eeuwigen dage, verschenen in Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 33, nummer 2, 2017, pagina 4–9. Verhagen trekt de lijn terug naar Nardinclant, Wichman, Elten, 968, Floris V en 1280. Daarmee plaatst hij het moderne Bussum bewust binnen een geschiedenis die vele eeuwen ouder is dan de zelfstandige gemeente van 1817. Het artikel is daarom een belangrijke toegang tot de Bussumse interpretatie van de Erfgooiersgeschiedenis. De afzonderlijke historische beweringen moeten vervolgens worden gekoppeld aan de oorspronkelijke middeleeuwse en vroegmoderne bronnen.

Bussums Historisch Tijdschrift — 2024

Ook Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 40, nummer 3 uit 2024 kwam in de onderzoeksronde als relevante recente publicatielaag naar voren. Daarmee loopt het verenigingsmateriaal tot vrijwel de huidige tijd. Deze recente jaargangen zijn vooral waardevol voor onderzoek naar verdwenen landschappen, oude kaarten, straten, buurten en grondoverdrachten. Juist Bussum vereist zo'n ruimtelijke benadering. Veel voormalige landbouw- en gemeenschapsgrond is inmiddels volledig bebouwd. Een artikel dat ogenschijnlijk alleen een wijk of straat behandelt kan daardoor onverwacht terugvoeren naar Stad en Lande of voormalige Erfgooiersgrond. De complete tijdschriftreeks moet daarom thematisch én geografisch worden doorzocht, niet uitsluitend op het woord „Erfgooier”.

De eigen Bussumse namenlaag

Bij Bussum moeten we streng onderscheid blijven maken tussen Bussumse personen en personen uit de regionale Erfgooiersgeschiedenis. Albertus Perk, Hendrik Smit, Floris Vos, Harmen Vos en K.P.C. de Bazel zijn belangrijke regionale namen, maar daarmee nog geen Bussumse Erfgooiers. Voor de plaatselijke negentiende-eeuwse ontwikkeling kwamen Sophia Delaunay en Cornelis Johannes van Houten naar voren; ook hun eventuele Erfgooiersgerechtigdheid mag niet worden verondersteld. De volgende genealogische stap is daarom de Bussumse personen uit gerechtigdenlijsten, schaarlijsten en Stad-en-Lande-archieven koppelen aan adressen en boerderijen. Pas dan krijgen de werkelijk scharende Bussumse families dezelfde zichtbaarheid als de regionale bestuurders.

De complete namenlaag

Voor deze onderzoeksronde moeten in ieder geval worden behouden: Wichman II van Hamaland, Luitgarde/Lutgardis, Godelinde/Godelindis, Floris V, Willem III, Albrecht van Beieren, Karel de Stoute, Emanuel van Portugal, P.C. Hooft, Albertus Perk, Sophia Delaunay, Cornelis Johannes van Houten, Harmen Vos, Hendrik Smit, K.P.C. de Bazel, Floris Vos, Emil Luden, D.Th. Enklaar, J.H. Sebus, A.C.J. de Vrankrijker, Doeve en Nol Verhagen. Voor de vroegmoderne grenscontext blijven bovendien Jan Ingel, Cornelis Davelaer, Abel Matthijsz Burgh, Benedictus Schaeck, Andries Bicker, Anthony Oetgens van Waveren, Reinier Pauw en notaris Van Zwieten relevant.

De complete dateringslaag

De chronologie omvat nu minimaal 29 juni 968; 1176–1186; 6 en 13 mei 1280; 30 december 1326; 1339; 1350; 1351; 1356; 25 januari 1404; 1442; 1455; 1470–1474; 1516; 1520; 1521; 1533; 1568; 1609; 1619; 1708; 1741; 1762; 1783; 1804; 1817; 1826; 1837; 1842; 1843–1845; 1846; 1851; 1856; 1861; 1872; 1874; 1875; 1876; 1887; 1889; 1895; 1898; 1 en 2 mei 1903; 28 april 1904; 1912; 1931; 1932; 1933; 1947; 1979; 1984; 2017 en 2024.

Bussum als bijzondere Erfgooierscasus

Bussum voegt uiteindelijk iets anders toe dan Huizen of Blaricum. Daar kunnen we het Erfgooiersrecht langdurig volgen vanuit het boerenbedrijf; Bussum toont vooral wat er gebeurde toen dat eeuwenoude systeem werd ingehaald door gemeentelijke zelfstandigheid vanaf 1817, spoorweg en groei vanaf 1874, bouwmaatschappijen, villabouw, grondhandel en verstedelijking. Dezelfde grond veranderde van koeienweide in bouwterrein en van gemeenschappelijk gebruiksgoed in financieel vermogen. Albertus Perk, Emil Luden, Enklaar, Sebus, De Vrankrijker, Doeve en Nol Verhagen documenteren verschillende fasen van die ontwikkeling. Onder het moderne Bussum blijft daardoor het landschap van de oude Gooise gerechtigden herkenbaar.

Historische Kring Blaricum — Erfgooiers, boeren en gemene gronden

Blaricum in het oude Gooiland

Blaricum behoorde tot de dorpen van het oude Gooiland waarvan gerechtigde inwoners gebruiksrechten bezaten op de gemene gronden. Daarmee verschilt Blaricum wezenlijk van Nederhorst den Berg: hier bevinden we ons midden in de geschiedenis van de latere Erfgooiers. Het dorp was eeuwenlang overwegend agrarisch. Rond de boerderijen lagen akkers en engen, maar een boerenbedrijf kon niet uitsluitend van eigen grond bestaan. Heidevelden, meenten en andere gemeenschappelijk gebruikte terreinen leverden weide, meststoffen en ruimte voor vee. Het Erfgooiersrecht was daardoor geen theoretisch privilege, maar een onderdeel van het dagelijkse economische bestaan van veel Blaricumse boerenfamilies.

Van Naerdincklant naar Gooiland

De voorgeschiedenis begint veel eerder dan de naam Erfgooier. Het gebied verschijnt als Nardinclant, Naerdincklant of Naardingerland. In de oudste geschiedenis spelen adellijke en kerkelijke rechten een rol. Daarbij horen Wichman II van Hamaland, zijn dochter Luitgarde/Lutgardis, het vrouwenstift Elten en de kerkelijke verbinding met Sint-Vitus. Een belangrijk documentmoment is 29 juni 968. Deze vroegmiddeleeuwse rechten mogen niet gelijkgesteld worden aan het latere Erfgooiersrecht. Eigendom, kerkelijke inkomsten, landsheerlijk gezag en gebruik door bewoners konden naast elkaar bestaan. Juist uit die ingewikkelde rechtswereld ontwikkelde zich uiteindelijk het Gooiland waarin Blaricum een van de gerechtigde dorpsgemeenschappen werd.

1280 — Godelinde en Floris V

Op 6 mei 1280 vormt de overdracht rond abdis Godelinde/Godelindis en graaf Floris V van Holland een volgend belangrijk ankerpunt. Rechten op Naardinkland kwamen daarmee in een nieuwe landsheerlijke constellatie terecht. Een afzonderlijke transactie van 13 mei 1280 moet daarvan onderscheiden blijven. Voor Blaricum is vooral belangrijk dat een verandering van landsheer niet betekende dat alle plaatselijke gebruiksgewoonten opnieuw begonnen. Bewoners bleven afhankelijk van bos, weide, heide en andere hulpbronnen. Daardoor moet de oorsprong van de Erfgooiers niet worden gezocht in één enkele schenking of overdracht. Het latere recht ontstond uit een veel langere ontwikkeling van bezit, gezag en gemeenschappelijk gebruik.

30 december 1326 — de gemeenschap wordt zichtbaar

Op 30 december 1326 verschijnt onder graaf Willem III een belangrijk document waarin de gezamenlijke gebruikers duidelijker zichtbaar worden. Uit de onderzoeksreeks kennen we het bijeenroepen van markgenoten door het blazen op een hoorn. Dat vormt een belangrijke stap richting een georganiseerde gemeenschap. De term Erfgooier moeten we hier nog niet zonder meer gebruiken; historische benamingen veranderden. Wel blijkt dat gemeenschappelijke belangen gezamenlijk werden behandeld. Voor Blaricum is dit essentieel. Een individuele boer bezat niet eenvoudig een stukje van iedere meent. Hij maakte deel uit van een gemeenschap die regels nodig had voor het gebruik van onverdeelde terreinen. Daarmee ontstond een collectieve bestuurlijke traditie.

1339 — de goede luden van Gooiland

In 1339 komen de goede luden van Gooiland naar voren. Ook deze benaming behoort tot de voorgeschiedenis van de latere Erfgooiers. Het is belangrijk zulke termen niet achteraf allemaal als synoniemen te behandelen. In verschillende perioden spreken de bronnen over Naerdincklanders, Lantgoyers, markgenoten, gerechtigden en uiteindelijk Erfgooiers. Voor Blaricum betekende die ontwikkeling dat plaatselijke boeren deel gingen uitmaken van een groter Goois verband. Zij waren tegelijkertijd inwoners van hun eigen dorp en deelnemers aan gemeenschappelijke rechten die verschillende dorpen betroffen. Daardoor konden lokale en regionale belangen botsen. Dat spanningsveld zou uiteindelijk eeuwenlang een kenmerk van Stad en Lande blijven.

1350–1356 — oorlog en grenzen

De veertiende eeuw kende ook politieke onrust. Naarden werd in 1350 geplunderd en verbrand. In 1351 speelde een overeenkomst met Utrecht en in 1356 kwam de Leeuwenpaal als concreet grensanker naar voren. Zulke gebeurtenissen zijn voor Blaricum belangrijk omdat gemeenschappelijke rechten alleen konden functioneren wanneer duidelijk was over welk gebied zij golden. Grenzen werden daarom niet uitsluitend op papier beschreven, maar konden met palen en herkenbare landschapselementen worden gemarkeerd. Oorlog, veranderend landsheerlijk gezag en plaatselijke gebruiksrechten liepen ondertussen door elkaar. Terwijl hogere machthebbers strijd voerden, moesten Blaricumse boeren hun akkers bewerken en vee laten grazen. Die dagelijkse continuïteit vormt de onderlaag van de Erfgooiersgeschiedenis.

1404 — de eerste grote schaarregeling

Op 25 januari 1404 kwam een belangrijke schaarbrief tot stand, verbonden met het bestuur onder Albrecht van Beieren. Daarin verschijnen termen als schaarmeesters, schaarzetters en Lantgoyers. Voor Blaricum was dit rechtstreeks relevant. De gemeenschappelijke weiden konden niet onbeperkt worden gebruikt; er moest worden bepaald wie gerechtigd was en hoeveel vee mocht worden ingeschaard. Het woord schaar kreeg daarmee een zeer praktische betekenis. Een recht kon worden vertaald in een hoeveelheid vee. De regeling beschermde zowel de gerechtigde gebruiker als de draagkracht van de gemeenschappelijke grond. Zonder dergelijke afspraken zou overbegrazing het hele systeem hebben ondermijnd.

1442 — koeien en paarden

De schaarbrief van 1442 maakt het dagelijkse boerenbedrijf nog concreter doordat koeien en paarden nadrukkelijk in de gebruiksregeling naar voren komen. Voor Blaricum is dat bijzonder waardevol. Een Erfgooiersrecht moet niet alleen worden beschreven via bestuurders en processen, maar via dieren die daadwerkelijk vanuit het dorp naar de gemeenschappelijke weiden gingen. Koeien leverden melk en andere producten; paarden waren kostbare werk- en transportdieren. De beschikbare meentgrond had daardoor rechtstreeks invloed op de omvang van een boerenbedrijf. Wanneer we later Blaricumse boedelinventarissen en schaarlijsten kunnen koppelen, kunnen we zelfs proberen vast te stellen welke gerechtigde hoeveel vee bezat en hoe intensief hij zijn recht gebruikte.

1455 en 1568 — opnieuw regelen

In 1455 en vervolgens 1568 werden opnieuw schaarbrieven opgesteld. De reeks 1404–1442–1455–1568 toont dat het gemeenschappelijke gebruik voortdurend bestuurlijke aandacht vereiste. Bevolking, veestapel en economische omstandigheden veranderden, terwijl de beschikbare grond begrensd bleef. De schaarbrieven zijn daarom geen herhaling van hetzelfde document maar momentopnamen van een levend landbouwsysteem. Voor Blaricum moeten verschillen tussen deze regelingen uiteindelijk nauwkeurig worden vergeleken. Wie mocht scharen, welke dieren werden toegelaten, wie controleerde het gebruik en welke sancties golden? Zulke details kunnen laten zien hoe een middeleeuwse gemeenschap haar natuurlijke hulpbronnen probeerde te beheren zonder het gemeenschappelijke karakter ervan op te geven.

Engen, heiden en meenten

Het Blaricumse landschap bestond uit terreinen met verschillende functies. Op de engen lagen de akkers. Daartegenover stonden heiden en meenten, waarvan delen gemeenschappelijk werden gebruikt. De boerderij verbond deze landschappen met elkaar. Gewassen kwamen van de akker; vee vond voedsel op gemeenschappelijke terreinen; mest keerde naar de landbouwgrond terug. Daardoor kan het Erfgooiersrecht niet los worden gezien van de bodemvruchtbaarheid van het oude landbouwsysteem. Een gemeenschappelijke heide die tegenwoordig als natuurgebied wordt beschouwd, was destijds een economisch productielandschap. De latere verdeling of verkoop van zulke gronden betekende dus een fundamentele verandering in de bedrijfsvoering van de boeren die ervan afhankelijk waren.

Schapen op de heide

Voor schapen was de heide bijzonder belangrijk. De dieren konden op schrale gronden voedsel vinden waar akkerbouw nauwelijks mogelijk was. Via hun mest droegen zij vervolgens bij aan de vruchtbaarheid van de akkers. Het gebruik van heide, plaggen en mest maakte daarmee onderdeel uit van één landbouwkringloop. Dat verklaart waarom de Blaricumse boeren niet eenvoudig konden worden gecompenseerd door alleen naar het aantal hectaren eigen grond te kijken. Hun bedrijf was verweven met terreinen die zij niet individueel bezaten. Wanneer een gemeenschappelijke heide werd afgesloten, verkocht of anders gebruikt, kon dat gevolgen hebben voor de gehele bedrijfsvoering. Het Erfgooiersrecht beschermde dus feitelijk een economisch systeem.

De meent en het rundvee

Voor het rundvee waren de meenten minstens zo belangrijk. Hier wordt ook het onderscheid tussen een gerechtigde die daadwerkelijk vee inschaarde en iemand die alleen formeel gerechtigd was essentieel. De eerste categorie werd later aangeduid als scharenden. Voor hen vertegenwoordigde het recht direct voedsel voor hun dieren. Naarmate steeds meer gerechtigden geen boerenbedrijf meer hadden, ontstond een groep die wel rechten bezat maar deze niet meer agrarisch gebruikte. Daardoor veranderde de betekenis van het Erfgooierschap. Wat voor de ene Blaricummer een noodzakelijke koeienweide was, kon voor een andere gerechtigde vooral een aandeel in waardevolle grond vertegenwoordigen. Die tegenstelling zou uiteindelijk tot grote conflicten leiden.

Blaricum binnen Stad en Lande

De Blaricumse gerechtigden stonden niet op zichzelf. Zij maakten deel uit van Stad en Lande van Gooiland, waarin Naarden als stad en de Gooise dorpen gezamenlijk betrokken waren bij het beheer van de gemene gronden. Daardoor kon Blaricum niet zelfstandig beslissen over alles wat zijn boeren gebruikten. De belangen van Laren, Huizen, Hilversum, Bussum en andere betrokken gemeenschappen speelden eveneens mee. Dat maakte het systeem sterk maar ook kwetsbaar. Zolang de meeste gerechtigden vergelijkbare agrarische belangen hadden, was samenwerking betrekkelijk logisch. Naarmate dorpen economisch verschillend gingen ontwikkelen, konden dezelfde gemeenschappelijke gronden echter totaal verschillende betekenissen krijgen. Dat werd vooral vanaf de negentiende eeuw problematisch.

1470–1474 — hogere rechtspraak

De periode 1470–1474 bracht geschillen rond de Gooise rechten tot op het niveau van de hogere rechtspraak, in de wereld van Karel de Stoute, het Hof van Holland en de Grote Raad van Mechelen. Dit laat zien dat de gemeenschappelijke rechten geen vrijblijvende plaatselijke gewoonte waren. Wanneer belangen botsten, konden procedures ver buiten Blaricum worden gevoerd. Voor de boeren zelf bleef de inzet ondertussen concreet: toegang tot grond en hulpbronnen. Deze juridische strijd vormt een vroege voorloper van de veel latere Erfgooiersprocessen. Het steeds opnieuw verdedigen van oude aanspraken droeg er waarschijnlijk mede toe bij dat documenten, schaarregelingen en collectieve herinneringen zo'n belangrijke plaats binnen de Gooise gemeenschap kregen.

1516–1521 — nieuwe conflicten

In 1516 ontstond een conflict waarin schapen een rol speelden. Vervolgens kwam in 1520 een uitspraak en in 1521 een beslissing waarbij ongeveer dertig jaar aan inbreuken of aantastingen werd teruggedraaid. Voor Blaricum is vooral belangrijk dat hier opnieuw het praktische gebruik van het landschap achter juridische procedures zichtbaar wordt. Schapen konden grenzen overschrijden en gebruikers uit verschillende gebieden konden elkaar in het veld ontmoeten. Een geschil over grond was daarmee tegelijkertijd een geschil over dieren, mest, voedsel en inkomen. De reeks 1516–1521 laat zien dat de bescherming van de Gooise rechten actief moest worden afgedwongen. Zonder optreden konden bestaande gebruiksgewoonten geleidelijk door andere aanspraken worden verdrongen.

1533 — Huizen als vergelijking

Een belangrijke vergelijkingsbron komt uit Huizen in 1533. Daar bleef een oorspronkelijke getuigenverklaring bewaard over bosgebruik en jacht, voorzien van twee beschadigde zegels. Hoewel het geen Blaricums document is, laat het zien welke soorten gebruiksrechten in dezelfde Gooise gemeenschap naast elkaar konden bestaan. Niet ieder recht betrof vee. Hout, bos en jacht konden eveneens onderwerp van getuigenverklaringen en conflicten zijn. Voor Blaricum moeten daarom vergelijkbare stukken worden gezocht. De latere onderzoekers D.Th. Enklaar en P.W. de Lange kwamen bij deze Huizer bron naar voren. Hun werk is daardoor ook nuttig voor een bredere reconstructie van de Gooise rechtsgeschiedenis.

1619–1634 — nieuwe druk op Gooiland

In 1619 verschijnen Emanuel van Portugal en P.C. Hooft in de bredere Gooise conflictgeschiedenis. Hooft was vanaf 1609 drost van Muiden en baljuw van Gooiland. Daarna werd vooral de ontwikkeling van 's-Graveland belangrijk. Op 17 maart 1625 werd een octrooi goedgekeurd, gevolgd door een ampliatie op 9 oktober 1626. Op 18 maart 1634 kwam een overeenkomst met Naarden tot stand en op 7 juni 1634 volgde een kavelloterij. Voor Blaricum betekende deze ontwikkeling dat aan de westzijde van het oude gemeenschappelijke landschap een geheel nieuw, planmatig verkaveld gebied ontstond.

De hoofdingelanden van ’s-Graveland

Bij de verdeling van 555 morgen en 28 roeden grond in 's-Graveland verschenen concrete namen: Cornelis Davelaer, Abel Matthijsz Burgh, Benedictus Schaeck, Andries Bicker, Anthony Oetgens van Waveren en Reinier Pauw. De kavelloterij vond plaats voor notaris Van Zwieten. Ook Jan Ingel kwam bij de eerdere plannen naar voren. Deze stedelijke investeerders en bestuurders vertegenwoordigen een ander grondmodel dan de Blaricumse boeren. Waar de Erfgooiers rechten binnen een eeuwenoud gemeenschappelijk landschap uitoefenden, werd 's-Graveland gemeten, verkaveld en verdeeld. Daardoor werd de westelijke omgeving van de Gooise gronden steeds sterker onderdeel van een commerciële en particuliere grondmarkt.

1741–1895 — de schaarbrieven blijven komen

De schaarregulering stopte niet in 1568. Uit de bredere onderzoeksronde kwam een lange latere reeks naar voren: 1741, 1762, 1783, 1804, 1826, 1846, 1851, 1856, 1861, 1872, 1887, 1889 en 1895. Daarmee loopt de complete bekende reeks vanaf 1404 bijna vijf eeuwen door. Voor Blaricum is dit uitzonderlijk belangrijk, omdat het dorp gedurende een groot deel van deze periode agrarisch bleef. Iedere schaarbrief biedt de mogelijkheid om veranderingen in vee, gerechtigdheid en bestuur te volgen. Vooral de vergelijking tussen 1404 en 1804 kan laten zien hoeveel van het oorspronkelijke systeem vier eeuwen later nog herkenbaar was.

1708 — gerechtigden als personen

Een belangrijk omslagpunt voor genealogisch onderzoek is de gerechtigdenlijst van 1708. Zulke lijsten maken het mogelijk om het institutionele verhaal om te zetten in familiegeschiedenis. Voor Blaricum moeten de daarin voorkomende personen worden gekoppeld aan kerkelijke registers, boerderijen, huwelijken en nalatenschappen. Alleen zo kunnen we bepalen welke families generaties lang gerechtigd bleven. Het is daarbij belangrijk niet uitsluitend op achternamen te vertrouwen. Naamvarianten, patroniemen en familievertakkingen kunnen gemakkelijk tot verkeerde identificaties leiden. De lijst van 1708 vormt daarom geen eindpunt maar een startpunt voor prosopografisch onderzoek: wie waren deze mensen, waar woonden zij, hoeveel vee hielden zij en gebruikten zij daadwerkelijk een schaar?

Albertus Perk, 1795–1880

In de negentiende eeuw wordt Albertus Perk (1795–1880) een sleutelfiguur. Als Hilversumse notaris onderzocht hij de geschiedenis en rechtspositie van Gooiland en de gerechtigden. Zijn Verslag van 1842 behoort tot de centrale bronnen voor deze periode. Perk probeerde oplossingen te vinden voor een systeem dat onder steeds grotere druk kwam te staan. De gemene gronden waren inmiddels niet alleen agrarisch waardevol, maar kregen door bevolkingsgroei, infrastructuur en economische ontwikkeling een steeds hogere grondwaarde. Voor Blaricum moet worden onderzocht hoe Perks voorstellen de plaatselijke boeren zouden hebben geraakt. Een algemene Gooise verdeling kon voor een werkelijk scharende Blaricummer heel andere gevolgen hebben dan voor een niet-agrarische gerechtigde.

De kaarten van 1837 en 1843–1845

Bij deze negentiende-eeuwse discussie horen ook de kaarten uit 1837, 1843 en 1843–1845. Zij zijn belangrijk omdat ze het gemeenschappelijke landschap tonen vlak voordat modernisering en verstedelijking steeds grotere veranderingen veroorzaakten. Voor Blaricum moeten daarop de heiden, meenten, wegen, engen en dorpsgrenzen worden geïdentificeerd. Vervolgens kunnen deze kaarten naast twintigste-eeuwse verkaveling en bebouwing worden gelegd. Daarmee wordt zichtbaar hoeveel van het Erfgooierslandschap verdween en welke delen juist behouden bleven. Kaarten zijn bovendien onmisbaar voor het begrijpen van conflicten: een tekst over een meenthek of schapendrift krijgt pas werkelijk betekenis wanneer de plaats daarvan in het landschap kan worden gereconstrueerd.

De Blaricumse crisis van 1903

Scharenden tegenover veranderend bestuur

Rond 1903 barstte een conflict los dat voor Blaricum een van de meest dramatische episodes uit de gehele Erfgooiersgeschiedenis werd. De tegenstelling tussen scharenden en niet-scharenden was inmiddels veel meer dan een theoretisch verschil. Scharende boeren wilden hun feitelijke gebruik van de meent beschermen. Tegelijk bestonden conflicten over bestuur en de bevoegdheden van meentmeesters. De gemeenschappelijke gronden vertegenwoordigden ondertussen aanzienlijke financiële waarde. Daardoor botsten eeuwenoude agrarische gebruiken met moderne bestuurlijke en economische belangen. Blaricum werd een van de plaatsen waar deze spanning letterlijk op straat en bij de toegang tot de gemeenschappelijke gronden zichtbaar werd. Het conflict zou uiteindelijk een mensenleven kosten.

1 mei 1903 — de Schapendrift

Op 1 mei 1903 kwam het bij het meenthek aan de Schapendrift in Blaricum tot een fatale confrontatie. De locatie is belangrijk: niet ergens in een bestuurskamer, maar juist bij de fysieke toegang tot de gemeenschappelijke grond escaleerde de strijd. Militairen waren ingezet in verband met de onrust. Daarmee werd een conflict over een eeuwenoud gebruiksrecht plotseling een gewapende confrontatie tussen burgers en staatsmacht. De Schapendrift verbond het dorp met het landschap waarin de rechten daadwerkelijk werden gebruikt. Het hek kreeg daardoor bijna symbolische betekenis: wie bepaalde wie erdoor mocht en wie besliste welk vee toegang tot de meent kreeg?

Hendrik Smit

Bij deze confrontatie werd Hendrik Smit, een 22-jarige Laarder, op 1 mei 1903 doodgeschoten. Zijn naam moet centraal in het Blaricumse verhaal blijven. Smit maakt zichtbaar dat de Erfgooiersstrijd niet alleen uit procedures, wetten en vergaderingen bestond. De tegenstelling leidde daadwerkelijk tot dodelijk geweld. Dat hij uit Laren kwam en in Blaricum omkwam, laat bovendien zien hoe regionaal de gemeenschap functioneerde. De grenzen tussen de Gooise dorpen waren niet de grenzen van het conflict. Gerechtigden en sympathisanten uit verschillende plaatsen raakten bij dezelfde strijd betrokken. Zijn leeftijd, 22 jaar, maakt de gebeurtenis des te indringender binnen de lange geschiedenis van de gemeenschappelijke gronden.

2 mei 1903 — De Gooi- en Eemlander

Al op 2 mei 1903, één dag na de schietpartij, berichtte De Gooi- en Eemlander over de gebeurtenissen. Dat krantenbericht vormt een belangrijke eigentijdse bron. Door verschillende kranten naast elkaar te leggen kan worden onderzocht hoe de confrontatie werd beschreven, welke deelnemers werden genoemd en hoe men de verantwoordelijkheid voor het geweld beoordeelde. Dat is noodzakelijk omdat latere historische verhalen gebeurtenissen soms vereenvoudigen. De krant brengt ons bovendien dichter bij de reacties onmiddellijk na de dood van Hendrik Smit. Voor het definitieve verhaal moeten zulke berichten worden gecombineerd met bestuurlijke stukken, militaire rapporten, verklaringen van betrokkenen en publicaties van Historische Kring Blaricum.

Sint Janskerkhof in Laren

Hendrik Smit werd begraven op het Sint Janskerkhof in Laren. Daarmee kreeg de gebeurtenis een blijvende plaats in het Gooise landschap. Zijn graf verbindt Laren en Blaricum opnieuw met elkaar: zijn leven en begrafenis horen bij Laren, zijn dood bij de Blaricumse meentstrijd. Het graf is daarom niet alleen een persoonlijke gedenkplaats maar ook een tastbare bron voor de Erfgooiersgeschiedenis. Monumenten kunnen bovendien laten zien hoe tijdgenoten een gebeurtenis wilden herinneren. De vormgeving, opschriften en initiatiefnemers van het grafmonument moeten daarom naast de geschreven bronnen worden onderzocht. Zo krijgen herinneringscultuur en materieel erfgoed een plaats in het verhaal.

K.P.C. de Bazel

Het grafmonument voor Hendrik Smit werd ontworpen door architect K.P.C. de Bazel. Zijn naam is belangrijk omdat hierdoor de herinnering aan het slachtoffer verbonden raakt met de bredere culturele wereld van het Gooi rond 1900. Het monument werd dus niet uitsluitend een eenvoudig grafteken, maar kreeg een bewuste vormgeving. Voor ons onderzoek moet worden nagegaan wie opdracht gaf tot het monument, wie ervoor betaalde en welke tekst erop werd aangebracht. Zulke gegevens kunnen aantonen hoe Smit kort na zijn dood binnen de Erfgooiersbeweging werd herinnerd. Daarmee ontstaat naast het feitelijke conflict van 1903 ook een geschiedenis van de manier waarop de gemeenschap betekenis aan het slachtoffer gaf.

1904 — de strijd gaat door

Floris Vos

De dood van Hendrik Smit beëindigde het conflict niet. Een volgende centrale naam is Floris Vos. Hij behoort tot de personen die in de strijd rond het beheer van de gemeenschappelijke gronden naar voren kwamen. Zijn rol moet afzonderlijk worden behandeld en niet worden verward met de andere Gooise namen Harmen Vos en de oudere historische Vos-families. Juist omdat dezelfde achternamen gemakkelijk terugkeren, is nauwkeurige identificatie noodzakelijk. Floris Vos verschijnt in de onderzoekslaag van 1904, toen het conflict over het rechtmatige beheer van de meenten nog volop voortduurde. De strijd verschoof daarmee van de gewelddadige confrontatie van 1903 naar een bestuurlijke en juridische machtsstrijd.

28 april 1904 — arrestatie van Floris Vos

Op 28 april 1904 werd Floris Vos gearresteerd. Deze exacte datum moet naast 1 mei 1903 als tweede groot Blaricums anker worden behouden. De arrestatie toont dat het conflict ruim een jaar na de dood van Hendrik Smit nog steeds niet opgelost was. De vraag wie namens de gerechtigden bevoegd was op te treden bleef omstreden. Daarmee werd het Erfgooiersprobleem steeds duidelijker een bestuurlijke crisis. Eeuwenoude regels waren ontstaan in een agrarische samenleving waarin gebruikers en bestuur veel dichter bij elkaar stonden. Rond 1900 moest hetzelfde systeem functioneren binnen een moderne staat, met politie, militairen, rechtbanken en steeds waardevollere grond. Dat veroorzaakte fundamentele spanningen.

Oude en nieuwe meentmeesters

Een concreet onderdeel van de crisis was het bestaan van oude en nieuwe meentmeesters die aanspraak maakten op bevoegdheden. Daardoor ontstond voor gerechtigden een zeer praktisch probleem: wie was werkelijk bevoegd om de gemeenschappelijke grond te beheren? Meentmeesters waren geen symbolische functionarissen. Hun positie hield verband met het gebruik van de weiden en de inning van betalingen. Wanneer twee groepen zich als rechtmatig bestuur presenteerden, raakte het hele systeem ontregeld. Voor Blaricumse boeren betekende dat onzekerheid op precies het moment waarop zij hun vee wilden inscharen. Het conflict laat daardoor zien hoe afhankelijk gemeenschappelijk grondgebruik was van een bestuur dat door de gebruikers als legitiem werd erkend.

Dubbel schaargeld

De bestuurlijke chaos leidde zelfs tot dubbele betalingen van schaargeld. Dit detail is bijzonder belangrijk omdat het laat zien hoe het conflict het dagelijks boerenbedrijf rechtstreeks raakte. Schaargeld was verbonden met het daadwerkelijke gebruik van de gemeenschappelijke weide. Wanneer zowel oude als nieuwe meentmeesters betaling verlangden, werd een juridisch geschil letterlijk een financiële last voor de scharende boer. Daarmee wordt begrijpelijk waarom de spanningen zo hoog konden oplopen. Het ging niet alleen om historische trots of abstracte rechten, maar om toegang tot veeweide en geld uit het huishoudbudget. Zulke concrete economische details moeten in het definitieve Erfgooiersverhaal veel nadrukkelijker aanwezig zijn dan alleen de institutionele geschiedenis.

Harmen Vos

Naast Floris Vos hoort ook Harmen Vos in de bredere Erfgooiersgeschiedenis rond deze periode. Zijn naam kwam in de onderzoeksrondes herhaaldelijk naar voren, onder andere in verband met de strijd voor de rechten van de gerechtigden. Harmen Vos moet echter steeds afzonderlijk van Floris Vos worden geïdentificeerd. Ook de bekende hazenkwestie van 1898 uit de Larense onderzoekslaag hoort bij deze bredere periode van oplopende conflicten. Rond de eeuwwisseling ging het dus niet uitsluitend om schaarrecht. Jacht, bestuur, toegang tot grond en de zeggenschap over gemeenschappelijk bezit raakten met elkaar verweven. De crisis van 1903–1904 kwam voort uit een langere voorgeschiedenis.

1912 — de Erfgooierswet

Na jaren van conflicten kwam in 1912 de Erfgooierswet. Daarmee kreeg de organisatie een wettelijke regeling die beter aansloot bij de moderne bestuurlijke werkelijkheid. De wet betekende echter niet dat alle belangentegenstellingen verdwenen. Het fundamentele verschil tussen mensen die de grond agrarisch gebruikten en gerechtigden die vooral financieel belang bij het gemeenschappelijke bezit hadden, bleef bestaan. Voor Blaricum was dit belangrijk omdat er nog daadwerkelijk boeren waren voor wie de meent praktische waarde had. Tegelijk veranderde het dorp snel. Grond werd aantrekkelijk voor woningbouw en andere functies. Daarmee werd iedere hectare die voor vee behouden bleef ook een hectare die niet verkocht of ontwikkeld kon worden.

Blaricum verandert in de twintigste eeuw

In de twintigste eeuw veranderde Blaricum van een uitgesproken boerendorp naar een aantrekkelijke woonplaats. Nieuwe bewoners, villa's en andere economische activiteiten veranderden de verhouding tussen dorp en agrarisch landschap. Ironisch genoeg werd juist het landschap dat door eeuwenlang boerengebruik was gevormd steeds meer gewaardeerd als natuur en cultuurhistorisch erfgoed. Heide en meent veranderden daarmee opnieuw van betekenis. Voor de middeleeuwse gerechtigde waren zij bestaansbron; voor de negentiende-eeuwse gemeenschap gemeenschappelijk vermogen; voor twintigste-eeuwse planologen en natuurbeschermers werden zij steeds meer open landschap dat tegen bebouwing beschermd moest worden. De geschiedenis van de Erfgooiers ligt daardoor nog altijd in de ruimtelijke structuur van Blaricum besloten.

Goois Natuurreservaat

De ontwikkeling van het Goois Natuurreservaat bracht een nieuwe vorm van collectief beheer. Het is belangrijk dit niet simpelweg als voortzetting van het Erfgooierssysteem te beschrijven. De Erfgooiers beheerden grond vanuit historische gebruiksrechten; natuurorganisaties beschermden terreinen met andere juridische en maatschappelijke doelen. Toch bestaat een duidelijke landschappelijke continuïteit. Juist doordat grote terreinen eeuwenlang gemeenschappelijk waren gebleven, waren ze niet overal in kleine particuliere kavels uiteengevallen. Daardoor konden later grote aaneengesloten natuurgebieden worden behouden. Voor Blaricum is deze overgang bijzonder zichtbaar. Dezelfde heide die ooit schapen voedde kon uiteindelijk worden beschermd vanwege natuur, landschap, recreatie en cultuurhistorische waarde.

Wijkers en blijvers

In de laatste fase ontstond de tegenstelling tussen wijkers en blijvers. De precieze Blaricumse personen achter beide groepen moeten steeds uit de bronnen worden gehaald en mogen niet worden verondersteld. De termen weerspiegelen echter een fundamentele keuze over het voortbestaan van het gemeenschappelijke bezit. Sommige gerechtigden wilden afwikkeling en uitbetaling; anderen wilden gemeenschappelijk bezit of gebruik behouden. Daarmee was het oorspronkelijke schaarrecht bijna volledig veranderd in een vermogensvraagstuk. Toch bleef genealogische gerechtigdheid bepalen wie mocht meepraten en aanspraak had op de uiteindelijke waarde. Een middeleeuws systeem van koeien en paarden op de meent eindigde zo in een twintigste-eeuwse discussie over grondkapitaal en uitkering.

De ontbinding in de jaren zeventig

De organisatie werd uiteindelijk in de jaren zeventig afgewikkeld. Daarmee eindigde een institutionele geschiedenis waarvan de wortels eeuwen teruggingen. Voor Blaricum betekende dit niet dat de geschiedenis uit het landschap verdween. Oude boerderijen, wegen, engen, heiden, meenten en veldnamen bleven herinneren aan het systeem. Ook de laatste gerechtigdenlijsten zijn historisch buitengewoon waardevol. Vanuit die namen kan genealogisch worden teruggewerkt naar de negentiende en achttiende eeuw en vervolgens naar oudere schaar- en gerechtigdenlijsten. Zo kan worden onderzocht welke Blaricumse families gedurende meerdere generaties aan het Erfgooierschap verbonden bleven en wanneer andere families uit de agrarische praktijk verdwenen.

De namen die voor Blaricum behouden moeten blijven

De persoonslaag omvat nu in ieder geval Wichman II van Hamaland, Luitgarde/Lutgardis, Godelinde/Godelindis, Floris V, Willem III, Albrecht van Beieren, Karel de Stoute, Emanuel van Portugal, P.C. Hooft, Jan Ingel, notaris Van Zwieten, Cornelis Davelaer, Abel Matthijsz Burgh, Benedictus Schaeck, Andries Bicker, Anthony Oetgens van Waveren, Reinier Pauw, Albertus Perk, D.Th. Enklaar, P.W. de Lange, Hendrik Smit, K.P.C. de Bazel, Floris Vos en Harmen Vos. Voor de aangrenzende Larense onderzoekslijn blijven ook Piet Kaarsgaren, W. Kaarsgaren en François Hinlopen relevant. Die laatste namen mogen echter niet zonder bron als Blaricumse Erfgooiers worden voorgesteld.

De complete dateringslaag

Voor het Blaricumse dossier moeten minimaal behouden blijven: 29 juni 968; 6 en 13 mei 1280; 30 december 1326; 1339; 1350; 1351; 1356; 25 januari 1404; 1442; 1455; 1470–1474; 1516; 1520; 1521; 1533; 1568; 1609; 1619; 17 maart 1625; 9 oktober 1626; 18 maart en 7 juni 1634; 1708; 1741; 1762; 1783; 1804; 1826; 1837; 1842; 1843–1845; 1846; 1851; 1856; 1861; 1872; 1887; 1889; 1895; 1898; 1 en 2 mei 1903; 28 april 1904; 1912 en de uiteindelijke afwikkeling in de jaren zeventig.

Blaricum als kernverhaal van de Erfgooiers

Blaricum levert uiteindelijk een van de beste plaatsen om de hele Erfgooiersgeschiedenis op menselijke schaal te vertellen. Het begint met het oude Naerdincklant, ontwikkelt zich via markgenoten en schaarbrieven tot georganiseerd gemeenschappelijk grondgebruik en wordt zichtbaar in boerderij, eng, heide, meent, schaap, koe en paard. Daarna veranderen grondprijzen en bestuur en ontstaan scharenden en niet-scharenden. De crisis bereikt een dramatisch hoogtepunt wanneer Hendrik Smit op 1 mei 1903 bij het meenthek aan de Schapendrift wordt doodgeschoten. Met Floris Vos, 28 april 1904, de meentmeesters, dubbele schaargelden en de Erfgooierswet van 1912 wordt die eeuwenoude boerenwereld uiteindelijk een moderne juridische strijd.

Ja. Er ontbrak nog een zeer belangrijke namen- en dateringslaag, vooral rond 968, Floris V, de oorlogen om Naarden en de stichting van ’s-Graveland. Die laatste laag is belangrijk omdat daar precies zichtbaar wordt hoe nieuwe ontginningen tegen de oude Gooise rechten kwamen te liggen. Ik maak Nederhorst daarom opnieuw, nu met deze vondsten erin.

Historische Kring Nederhorst den Berg — volledige versie

968 — Nardingerland en Hamaland

De oudste laag voert naar Nardingerland/Naerdinclant en het jaar 968. Daarbij verschijnt graaf Wichman II van Hamaland, een van de belangrijkste namen uit de vroege bezitsgeschiedenis van het gebied. Ook zijn dochter Luitgarde hoort in deze geschiedenis thuis. De relatie met het door Wichman gestichte vrouwenstift Elten is essentieel. Deze vroegmiddeleeuwse geschiedenis gaat nog niet over Erfgooiers in de latere betekenis. Zij laat zien welke adellijke en kerkelijke machtsstructuren voorafgingen aan de veel later aantoonbare gemeenschap van Gooise gerechtigden. Nederhorst lag ten westen van deze wereld, waardoor vergelijking met de Vechtstreek bijzonder waardevol wordt.

29 juni 968 — Otto I bevestigt Elten

Een exacte datum die niet verloren mag gaan is 29 juni 968. De bezittingen en rechten van Elten werden bevestigd in de wereld van keizer Otto I. Daarbij horen Wichman II van Hamaland, Luitgarde en het stift Elten. Dit document vormt een van de belangrijke ankerpunten voor de vroege geschiedenis van Nardingerland. Maar het bewijst niet dat de latere Erfgooiers in 968 al als organisatie bestonden. Eigendom van een kerkelijke instelling en gebruiksrechten van plaatselijke bewoners zijn verschillende juridische zaken. Juist dat onderscheid wordt belangrijk wanneer we de ontwikkeling vanaf Elten via Floris V naar de latere Gooise gemeenschap proberen te reconstrueren.

Elten en Sint-Vitus

Ook Sint-Vitus hoort bij deze oudste laag. De kerkelijke geschiedenis van het Gooi was verbonden met Elten en met rechten die vanuit veel verder gelegen machtscentra werden uitgeoefend. Dit maakt duidelijk hoe weinig de middeleeuwse werkelijkheid overeenkwam met moderne provincie- en gemeentegrenzen. Aan de westzijde, rond Nederhorst en de Vecht, bestonden weer andere kerkelijke en heerlijke structuren. Daardoor kunnen we twee ontwikkelingen naast elkaar zetten: Nardingerland – Elten – Sint-Vitus enerzijds en de heerlijke en bisschoppelijke wereld van de Vechtstreek anderzijds. Precies tussen deze rechtswerelden ontstond later de grens die voor de geschiedenis van Gooiland zo belangrijk werd.

1280 — Godelinde en Floris V

In 1280 vond een beslissende verandering plaats. Abdis Godelinde/Godelindis van Elten droeg de rechten op Naardinkland met zijn toebehoren over aan graaf Floris V van Holland. In het bredere bronnenonderzoek kwam 6 mei 1280 als belangrijk documentmoment naar voren. De overdracht betekende een verandering aan de bovenkant van de machtsstructuur, maar daarmee verdwenen bestaande gebruiksgewoonten van bewoners niet automatisch. Dat is voor de Erfgooiersgeschiedenis fundamenteel. De latere rechten moeten niet simpelweg worden afgeleid uit Floris' positie als landsheer. We moeten afzonderlijk volgen hoe bewoners hun bos-, weide- en andere gebruiksrechten bleven uitoefenen en georganiseerd raakten.

1285 — Floris V en de Aemstels

De politieke situatie bleef onrustig. In 1285 speelt Floris V opnieuw een rol in de strijd rond de familie Van Aemstel/Aemstel. De Vecht, het Gooi en Amstelland lagen in een gebied waar Hollandse, Utrechtse en adellijke belangen elkaar ontmoetten. Dat maakt deze gebeurtenissen relevant voor Nederhorst den Berg. Het dorp lag immers aan de westelijke zijde van hetzelfde grotere grenslandschap. De geschiedenis van Gooiland kan daardoor niet uitsluitend als een interne ontwikkeling van Naarden en de Gooise dorpen worden beschreven. De machtsstrijd rond Floris V, Utrecht en de Aemstels laat zien binnen welke politieke omgeving plaatselijke grond- en gebruiksrechten moesten blijven functioneren.

1296 — Floris V en Muiderberg

In 1296 eindigde het leven van Floris V gewelddadig. Zijn gevangenneming en dood behoren tot de bekende Hollandse geschiedenis; voor onze regionale reconstructie is vooral de verbinding met het gebied rond Muiden en Muiderberg relevant. Daarmee komt de politieke strijd letterlijk aan de westzijde van het Gooi terecht. De dood van Floris betekende bovendien dat de landsheerlijke situatie opnieuw veranderde, terwijl de plaatselijke bevolking haar grond bleef gebruiken. Het is precies deze tegenstelling die door het hele Erfgooiersverhaal loopt: vorsten, graven en heren wisselden, maar gemeenschappen bleven bestaan. De rechten van die gemeenschappen moesten daardoor telkens binnen nieuwe politieke omstandigheden opnieuw worden erkend of verdedigd.

1326 — de gemeenschap wordt zichtbaarder

In 1326 worden de gezamenlijke belangen van Gooise gebruikers duidelijker zichtbaar. De bredere onderzoeksronde bracht bijeenkomsten van gerechtigden of markgenoten en het oproepen met een hoorn naar voren. Uit het Huizer onderzoek kennen we bovendien 30 december 1326 als concreet oorkondemoment onder graaf Willem III. Deze gegevens zijn belangrijk voor Nederhorst als vergelijking. Ten oosten van de Vecht zien we een gemeenschap die gezamenlijke gebruiksrechten organiseert; ten westen daarvan ontwikkelt het landschap zich steeds sterker via heerlijkheden, veenontginningen en afzonderlijk begrensde percelen. De tegenstelling tussen beide systemen wordt vanaf deze periode steeds beter zichtbaar.

1339 — de goede luden van Gooiland

Een aanvullend jaartal is 1339. In de bronnen verschijnen toen de „goede luden” van Gooiland als mensen die bij zaken van het gebied werden betrokken of geraadpleegd. Die formulering is belangrijk omdat zij opnieuw een stadium laat zien vóór de latere institutionele term Erfgooier. De gemeenschap bestond en kon collectief optreden, maar de historische terminologie veranderde door de eeuwen. Voor Nederhorst biedt dit een belangrijk vergelijkingspunt. Welke groepen konden daar gezamenlijk optreden tegenover een heer, bisschop of andere rechthebbende? Het vergelijken van dergelijke lokale organisatievormen kan duidelijk maken wat uiteindelijk bijzonder was aan de ontwikkeling van de Gooise gerechtigden.

1350 — Naarden verwoest

In 1350 werd Naarden tijdens de politieke strijd van de veertiende eeuw geplunderd en verbrand. Dat is belangrijk voor het Erfgooiersverhaal omdat Naarden later de Stad binnen Stad en Lande van Gooiland werd. Oorlog kon dus niet alleen landsheren vervangen, maar ook het bestuurlijke centrum van de regio rechtstreeks treffen. Voor de bewoners van de omliggende dorpen bleven de dagelijkse behoeften aan bos, weide en landbouwgrond ondertussen bestaan. De gebeurtenis moet bovendien in samenhang worden gezien met de strategische ligging van het hele gebied tussen Holland en Utrecht. Nederhorst aan de Vecht lag eveneens in deze grenswereld en kon daardoor nooit los van zulke conflicten worden begrepen.

1351 — overeenkomst met Utrecht

In 1351 kwam een overeenkomst met Utrecht naar voren. Daarmee wordt opnieuw zichtbaar hoe belangrijk de verhouding tussen Holland en het Sticht voor de streek was. De Vecht vormde daarbij een natuurlijke verkeers- en machtsas. Nederhorst lag aan de Utrechtse zijde van een gebied waarvan de oost-westverhoudingen voortdurend veranderden. Voor de Gooise gerechtigden konden afspraken tussen hogere machthebbers gevolgen hebben voor grenzen en bestuur, zonder dat hun eigen gebruiksrechten daardoor automatisch verdwenen. Daarom moeten overeenkomsten als die van 1351 steeds naast lokale bronnen worden gelegd. Pas dan zien we het verschil tussen territoriale politiek en het dagelijkse gebruik van land door inwoners.

1356 — de Leeuwenpaal

Een bijzonder concreet grensanker is 1356, toen de Leeuwenpaal in de onderzoeksreeks naar voren kwam. Grenspalen zijn uitzonderlijk waardevol omdat ze juridische teksten verbinden met het fysieke landschap. Een grens was daarmee niet alleen een zin in een oorkonde, maar kon letterlijk door een gemarkeerd punt in het terrein worden aangegeven. Voor ons onderzoek moet de ligging van de Leeuwenpaal uiteindelijk op oude en moderne kaarten worden teruggevonden. Zulke grenspunten zijn juist in het gebied tussen Gooi en Vechtstreek van belang. Hier lagen gemeenschappelijk gebruikte Gooise terreinen naast ontginningsgebieden en heerlijkheden. Een enkele grenspaal kon daardoor grote economische betekenis hebben voor gebruikers aan beide zijden.

1404 — de eerste schaarbrief

In 1404 verschijnt de eerste grote schaarbrief, in de onderzoeksreeks verbonden met hertog Albrecht van Beieren. Daarmee komen we bij het georganiseerde gebruik van de Gooise gemeenschappelijke weiden. Het schaarrecht bepaalde hoeveel vee een gerechtigde kon laten grazen. Deze regeling laat scherp het verschil met het westelijke veenlandschap zien. Rond Nederhorst werden gronden door ontginning in stroken verdeeld; in Gooiland bleven grote oppervlakten gezamenlijk gebruikt. De schaarbrief was noodzakelijk omdat zulke gemeenschappelijke weiden niet onbeperkt belast konden worden. Het document uit 1404 vormt samen met de latere schaarbrieven van 1442, 1455 en 1568 een belangrijke juridische ruggengraat.

1420–1422 — Holland en het Sticht in oorlog

De jaren 1420–1422 brachten opnieuw oorlog tussen Holland en het Sticht Utrecht. Voor Nederhorst is dit veel directer relevant dan een algemene Hollandse oorlogsgeschiedenis, omdat het dorp juist in de Vechtzone lag waar beide machtsgebieden elkaar ontmoetten. De oorlog laat zien hoe kwetsbaar grensgebieden waren. Dorpen, kastelen, wegen en waterverbindingen konden strategische betekenis krijgen. Tegelijk bleven lokale grondrechten bestaan. Daarom moeten militaire en bestuurlijke geschiedenis steeds naast landbouw- en gebruiksgeschiedenis worden gezet. De bevolking kon geconfronteerd worden met oorlog terwijl zij tegelijkertijd haar vee moest verzorgen, akkers bewerken, water beheren en bestaande grenzen tegenover buren blijven handhaven.

1428 — banscheidingen

In 1428 kwamen belangrijke banscheidingen naar voren, waaronder de grensregeling tussen Hilversum en Laren. In het bredere onderzoek werd daarvoor de archiefverwijzing SAGV060+51C gevonden. Hoewel deze grens niet bij Nederhorst zelf ligt, is zij methodisch belangrijk. Zij toont hoe nauwkeurig de Gooise gemeenschap interne territoriale grenzen kon vastleggen. Datzelfde type onderzoek moet aan de westzijde worden uitgevoerd. Welke oude palen, sloten, wegen of waterlopen bepaalden daar de grens? Door de Gooise banscheidingen naast Nederhorster en Vechtstreekse grensakten te leggen kan uiteindelijk een veel nauwkeuriger kaart worden gemaakt van de historische overgang tussen gemeenschappelijk Goois land en aangrenzende heerlijkheden.

1442, 1455 en 1568

Na 1404 volgden nieuwe schaarbrieven in 1442, 1455 en 1568. Deze lange reeks bewijst dat gemeenschappelijke beweiding voortdurend opnieuw gereguleerd moest worden. Voor Nederhorst vormt zij vooral een contrast met de ontwikkeling van het omliggende veen. Terwijl in Gooiland collectief gebruik juridisch werd vastgelegd, ontstonden langs Vecht en veengebieden steeds meer afzonderlijk ontgonnen kavels. Het landschap zelf begon daardoor verschillende rechtsvormen zichtbaar te maken. Ten oosten lagen grote heiden en meenten waarop gerechtigden gezamenlijk rechten uitoefenden; ten westen lagen lange ontginningsstroken, watergangen en heerlijke bezittingen. Juist op de overgang konden conflicten over grenzen en gebruik ontstaan.

1481 — aanval vanuit het Sticht

In 1481 werd het Gooise gebied opnieuw getroffen door een aanval vanuit het Sticht Utrecht. Daarmee zien we hoe hardnekkig de politieke spanning aan deze grens bleef. Nederhorst den Berg lag binnen de Vechtstreek waar zulke militaire bewegingen geografisch dichtbij waren. Voor het verhaal van de Erfgooiers is het belangrijk om niet alleen vredige continuïteit te beschrijven. De gemeenschappelijke rechten overleefden perioden waarin dorpen en steden door oorlog, plundering en bestuurlijke wisselingen werden getroffen. Dat maakt hun lange levensduur juist opmerkelijk. Tegelijk kunnen oorlogen documenten hebben vernietigd of verhoudingen veranderd. Iedere lacune in de middeleeuwse bronnen moet daarom ook tegen deze gewelddadige regionale geschiedenis worden bekeken.

1572 — Naarden opnieuw verwoest

In 1572 werd Naarden opnieuw zwaar getroffen, ditmaal tijdens de Nederlandse Opstand door Spaanse troepen. Het geweld tegen de stad behoort tot de meest dramatische gebeurtenissen uit de regionale geschiedenis. Voor het Erfgooiersverhaal betekende de verwoesting dat het stedelijke centrum van Gooiland midden in een grote politieke crisis terechtkwam. Toch bleef de organisatie van de gemeenschappelijke gronden daarna functioneren. De vierde schaarbrief dateerde zelfs uit 1568, slechts enkele jaren eerder. Nederhorst en de Vechtstreek kwamen eveneens in een oorlogsomgeving terecht. Daarmee wordt opnieuw zichtbaar dat grondgebruik, heerlijk bestuur en gemeenschappelijke rechten niet in een rustige wereld bestonden, maar oorlogen en machtswisselingen moesten overleven.

1609 — P.C. Hooft

Vanaf 1609 verschijnt Pieter Corneliszoon Hooft, P.C. Hooft, nadrukkelijk in de bestuurlijke geschiedenis van het gebied als drost van Muiden en baljuw van Gooiland. Zijn functie is voor onze geschiedenis belangrijker dan zijn literaire bekendheid. Als baljuw kon Hooft betrokken raken bij kwesties die de Gooise rechtsorde betroffen. In 1619 kwam hij bovendien in de bredere onderzoeksreeks samen met Emanuel van Portugal naar voren. Daarmee zien we opnieuw hoe lokale grondkwesties verbonden konden raken met invloedrijke personen. Voor Nederhorst is Hooft relevant als onderdeel van de bestuurlijke wereld onmiddellijk ten westen van het Gooi, waarin Muiden, Vecht en Gooiland met elkaar verbonden waren.

De Vecht en Nederhorst

Binnen deze grote geschiedenis vormt de Vecht de levensader van Nederhorst. De rivier verbond Utrecht, de Vechtplaatsen, Muiden en het gebied richting Zuiderzee. Langs de rivier ontstonden kastelen, heerlijkheden, boerderijen en later buitenplaatsen. De Vecht was tegelijk verkeersweg, grens, economische hulpbron en machtscorridor. Daarmee verschilde het landschap sterk van de Gooise heiden en meenten. Maar beide systemen raakten elkaar. Waterlopen, kaden en ontginningssloten konden de grens van gebruiksgebieden markeren. Wie de Erfgooiers vanuit Nederhorst onderzoekt, moet daarom voortdurend van oost naar west kijken: van gemeenschappelijke zandgronden naar verkaveld veenland en van Gooise gemeenschap naar Vechtstreekse heerlijkheid.

Nederhorst den Berg

Nederhorst den Berg zelf ontwikkelde zich rond een opvallende hogere plek in het lage Vechtlandschap. Kerk, kasteel, agrarische gronden en water vormden samen de historische nederzetting. Het dorp behoorde niet tot de Gooise Erfgooiersgemeenschap, maar lag dichtbij genoeg om voor grens- en vergelijkingsonderzoek essentieel te zijn. De lokale bronnen kunnen aantonen hoe grondrechten hier wél georganiseerd waren. Dat maakt vergelijking mogelijk met Huizen, Laren of Hilversum. In plaats van gemeenschappelijke schaarrechten vinden we rond Nederhorst vooral heerlijkheidsrechten, kerkelijke goederen, ontginningspercelen, waterbeheer, visserij en mogelijk jacht. Zo wordt zichtbaar wat werkelijk bijzonder was aan het Gooise systeem.

Kasteel Nederhorst

Een belangrijke machtsfactor was kasteel Nederhorst. Het kasteel moet worden onderzocht als bestuurlijk en heerlijk centrum, niet alleen als monument. De opeenvolgende heren van Nederhorst konden grond, heerlijke bevoegdheden en afzonderlijke gebruiksrechten bezitten. Iedere erfopvolging, belening, verkoop of huwelijksoverdracht kan daarom relevante documenten hebben voortgebracht. Vooral grensomschrijvingen zijn belangrijk. Zij kunnen vertellen waar de heerlijkheid eindigde en aangrenzende gebieden begonnen. Zulke stukken moeten later naast Gooise grensbeschrijvingen worden gelegd. Wanneer beide zijden hetzelfde landschapselement noemen, kan een historische grens veel nauwkeuriger worden gereconstrueerd dan vanuit één archief. Dat is een van de belangrijkste onderzoeksmogelijkheden die Nederhorst heeft geopend.

De bisschop van Utrecht

Boven de plaatselijke heerlijke wereld stond lange tijd de invloed van de bisschop van Utrecht. Het Sticht Utrecht vormde een politieke macht die in de Vechtstreek rechtstreeks aanwezig was. Daardoor lag Nederhorst in een andere bestuurlijke wereld dan het uiteindelijk Hollandse Gooiland. De conflicten van 1351, 1420–1422 en 1481 laten zien dat deze grens geen theoretische scheiding was. Holland en Utrecht konden daadwerkelijk tegenover elkaar staan. Voor inwoners waren hogere machtswisselingen echter maar één deel van de werkelijkheid. Zij bleven land bewerken, sloten onderhouden en lokale rechten gebruiken. Juist deze combinatie van grote politiek en dagelijkse continuïteit maakt de vergelijking met de Erfgooiers zo waardevol.

Veenontginning

De grote landschappelijke tegenstelling ontstond door veenontginning. Rond Nederhorst, Ankeveen en Kortenhoef werd nat veen door sloten ontwaterd. Hierdoor ontstonden lange, smalle kavels. Het land werd daardoor veel scherper verdeeld dan de gemeenschappelijk gebruikte Gooise heiden en meenten. De tegenstelling is fundamenteel. Een Gooise gerechtigde kon een gebruiksaandeel hebben in een groot onverdeeld terrein; een veenontginner werkte binnen een afgebakende strook. Beide systemen konden eeuwenlang naast elkaar bestaan. Wanneer ontginningen echter richting gemeenschappelijke gebieden opschoven, werd een nauwkeurige grens steeds belangrijker. Daarmee veranderde landschap letterlijk in recht: sloten, kaden en wegen werden tegelijk fysieke en juridische scheidingen.

Horstermeer, Overmeer en Horstwaard

De namen Horstermeer, Overmeer en Horstwaard moeten als afzonderlijke geografische ankers worden behouden. Zij tonen hoeveel water en laag land de Nederhorster omgeving bepaalde. Het Horstermeer had betekenis voor waterbeheer en visserij; Overmeer behoort tot de plaatselijke nederzettings- en landschapsstructuur; Horstwaard verwijst naar land waarvan gebruik en waarde nauw met water samenhingen. Voor ons grensonderzoek zijn juist zulke oude namen belangrijk. Zij kunnen in transportakten, leenregisters en kaarten terugkeren. Door spellingvarianten en ligging systematisch te verzamelen kunnen de Nederhorster documenten uiteindelijk op dezelfde historische kaart worden gelegd als de Gooise schaar-, bos- en grensdocumenten.

Ankeveen en Kortenhoef

Ook Ankeveen en Kortenhoef horen volledig in deze geschiedenis. Beide gebieden maken deel uit van de westelijke veengordel langs het Gooi. Veenontginning, turfwinning en water veranderden daar het landschap sterk. Dat maakt ze tot een waardevolle vergelijking met de veel stabieler gebleven Gooise heidegebieden. Bovendien liggen zij tussen Nederhorst en 's-Graveland, waar we concrete botsingen met Gooise belangen kennen. De grens van Gooiland moet daarom niet worden voorgesteld als een harde lijn waarachter een volledig andere wereld begon. Het was eerder een contactzone waarin bewoners, vee, water, ontginningen en bestuurlijke aanspraken elkaar konden ontmoeten en soms met elkaar botsten.

’s-Graveland — de ontbrekende grote namenlaag

1625 — Jan Ingel

De grootste omissie in mijn vorige verhaal betrof 's-Graveland. In 1625 verschijnt Jan Ingel bij de plannen voor ontginning. Het octrooi kreeg op 17 maart 1625 goedkeuring; in een eerder gevonden bron stond daarbij een kennelijke druk- of transcriptiefout als „125”, maar de context wijst op 1625. Dit is essentieel omdat de ontwikkeling van 's-Graveland een concrete botsing laat zien tussen nieuwe ontginningsambities en bestaande Gooise belangen. Het ging niet om een spontaan gegroeid dorp, maar om een doelbewuste herinrichting van grond. Daarmee veranderde de westzijde van het Gooise landschap ingrijpend en werden oude grenzen en gebruiksrechten opnieuw actueel.

9 oktober 1626 — ampliatie

Op 9 oktober 1626 volgde een ampliatie van de regeling. Daarmee is de ontwikkeling van 's-Graveland veel nauwkeuriger te dateren dan mijn eerdere algemene verwijzing naar 1626. De Staten van Holland speelden in deze ontwikkeling een belangrijke rol. Nieuwe ontginning betekende dat grond gemeten, begrensd en toegewezen moest worden. Voor de Gooise gerechtigden kon dat rechtstreeks botsen met gebieden waarop zij bestaande gebruiksaanspraken hadden. De kwestie laat daarom prachtig het verschil zien tussen oud collectief gebruik en vroegmoderne planmatige grondontwikkeling. Juist de exacte besluiten van 1625 en 1626 moeten uiteindelijk naast de resoluties van Stad en Lande worden gelegd.

18 maart 1634 — overeenkomst met Naarden

Een volgende exacte datum is 18 maart 1634. Toen werd een overeenkomst met Naarden gesloten. Dat is bijzonder belangrijk, omdat Naarden als stad centraal stond in het Gooise bestuurlijke verband. Hiermee wordt de botsing tussen 's-Graveland en Gooise belangen concreet bestuurlijk zichtbaar. De overeenkomst moet uiteindelijk volledig worden onderzocht: welke rechten werden erkend, welke grenzen vastgesteld en welke concessies gedaan? Het document kan mogelijk ook namen bevatten van vertegenwoordigers van Naarden en de ontginners. De datum 18 maart 1634 moet daarom in de definitieve chronologie blijven staan en vervangt de veel te algemene formulering dat er „rond 1634” iets met buurspraak gebeurde.

7 juni 1634 — de kavelloterij

Op 7 juni 1634 vond vervolgens de kavelloterij plaats, voor notaris Van Zwieten. Dit is een uitzonderlijk concreet moment in de ruimtelijke geschiedenis. Grond werd niet meer alleen als uitgestrekt gebied beschreven, maar daadwerkelijk in kavels verdeeld en aan belanghebbenden toegewezen. Het totale gebied bedroeg 555 morgen en 28 roeden. Daarmee krijgen we voor het eerst ook een exact oppervlak. Deze verdeling staat in scherp contrast met de gemeenschappelijk gebruikte Gooise gronden. Waar Erfgooiers collectieve rechten binnen een onverdeeld gebied behielden, werd 's-Graveland via meting en loting opgedeeld. De twee systemen kwamen letterlijk naast elkaar te liggen.

Cornelis Davelaer en Abel Matthijsz Burgh

Onder de eerste hoofdingelanden kwamen Cornelis Davelaer en Abel Matthijsz Burgh naar voren. Deze namen mogen niet verdwijnen, omdat zij concrete mensen achter de ontginning zichtbaar maken. Hoofdingelanden waren betrokken bij het beheer van het nieuw ingerichte gebied. Daarmee vertegenwoordigen zij precies het nieuwe institutionele systeem dat aan de westzijde van Gooiland ontstond. Voor het vervolgonderzoek moet worden vastgesteld welke kavels of belangen zij bezaten en welke rol zij speelden bij waterbeheer en bestuur. Hun namen kunnen vervolgens in notariële akten, kaarten en eigendomsoverdrachten worden gevolgd. Zo krijgt de stichting van 's-Graveland een sociale geschiedenis naast de juridische en landschappelijke geschiedenis.

Benedictus Schaeck en Andries Bicker

Ook Benedictus Schaeck en Andries Bicker behoorden tot de eerste hoofdingelanden. Vooral de aanwezigheid van Andries Bicker maakt zichtbaar dat de ontginning verbonden was met kapitaalkrachtige en bestuurlijk invloedrijke personen uit de Hollandse stedelijke wereld. Dat vergrootte het verschil met de oude Gooise gemeenschap van gerechtigden. Aan de ene kant stonden lokale, historisch gegroeide gebruiksrechten; aan de andere kant een nieuw ontginningsproject met investeerders en bestuurlijke steun. Dat betekent niet automatisch dat alle conflicten simpel als arm tegen rijk kunnen worden beschreven. Wel moeten de sociale en politieke posities van de betrokken partijen worden meegenomen om te begrijpen waarom de ontwikkeling van 's-Graveland zulke ingrijpende gevolgen kon hebben.

Anthony Oetgens van Waveren en Reinier Pauw

De namenlijst wordt compleet met Anthony Oetgens van Waveren en Reinier Pauw. Samen met Cornelis Davelaer, Abel Matthijsz Burgh, Benedictus Schaeck en Andries Bicker vormen zij de eerste gevonden groep hoofdingelanden. Deze zes namen horen daarom als één geheel in de geschiedenis van de ontginning. Ze maken duidelijk dat 's-Graveland vanaf het begin georganiseerd bestuur kende. Voor ons onderzoek moet worden nagegaan hoe hun belangen zich verhielden tot die van Naarden en de Gooise gerechtigden. Ook kunnen hun familie- en zakelijke netwerken verklaren hoe het project bestuurlijke steun verkreeg. Daarmee verandert een abstracte ontginning in een concreet netwerk van personen, kapitaal, bestuur en grond.

1637 — de vaart

In 1637 kwam de vaart als nieuwe landschappelijke ingreep naar voren. Een ontginningsgebied had immers niet alleen kavels nodig, maar ook infrastructuur voor waterafvoer en vervoer. Daarmee veranderde de westzijde van Gooiland opnieuw fysiek. Een gegraven waterweg kon grond ontsluiten, producten vervoeren en het waterpeil helpen regelen. Tegelijk werd het landschap steeds verder vastgelegd in menselijke structuren: kavels, sloten, vaarten en wegen. Dat contrasteert sterk met de oudere Gooise gemeenschappelijke terreinen. Voor de grensgeschiedenis is het belangrijk te bepalen hoe de vaart van 1637 zich verhield tot bestaande grenzen en of zij later zelf als grens of herkenningspunt in documenten werd gebruikt.

1650 — Gooische Vaart

In 1650 verschijnt vervolgens de Gooische Vaart. De naam alleen al maakt duidelijk hoe nauw 's-Graveland en Gooiland inmiddels ruimtelijk en economisch met elkaar verbonden waren. De vaart vormde infrastructuur in een landschap dat enkele decennia eerder nog anders was ingericht. Hiermee zien we hoe snel een vroegmodern ontginningsproject blijvende geografische structuren kon scheppen. Voor de Erfgooiers is dit relevant omdat infrastructuur de waarde en toegankelijkheid van grond veranderde. Gebieden die eerder vooral voor gemeenschappelijk agrarisch gebruik betekenis hadden, kwamen steeds dichter bij commerciële en stedelijke netwerken te liggen. De ontwikkeling van 1625 tot 1650 vormt daardoor een belangrijk vroeg voorbeeld van druk op het traditionele Gooise landschap.

1656–1657 — plannen voor een kerk

In 1656–1657 kwam vervolgens de stichting van een kerk in 's-Graveland in beeld. Op 26 februari 1657 werd hierover een concrete resolutie genomen. Daarmee was de nieuwe ontginning inmiddels bezig zich tot een volwaardige nederzetting te ontwikkelen. Eerst kwamen octrooi, kavels en waterwerken; vervolgens ontstonden permanente gemeenschapsvoorzieningen. Dat is historisch belangrijk. 's-Graveland was niet langer alleen een grondproject naast het Gooi, maar werd een eigen plaatselijke gemeenschap. Voor de omliggende Gooise dorpen betekende dit dat een nieuwe buur ontstond op terrein waarvan de inrichting enkele decennia eerder nog onderwerp van conflicten en onderhandelingen was geweest.

7 juli 1658 — de kerk ingewijd

Op 7 juli 1658 werd de kerk ingewijd. De exacte datum geeft de ontwikkeling van 's-Graveland opnieuw een menselijk gezicht. Binnen ongeveer drieëndertig jaar na de eerste stappen van 1625 was een ontginningsgebied veranderd in een nederzetting met kavels, bestuur, vaarten en een eigen kerk. Deze snelheid is belangrijk wanneer we het vergelijken met de veel oudere Gooise dorpen en hun eeuwenlang gegroeide rechten. 's-Graveland vertegenwoordigt bijna het tegenovergestelde ontwikkelingsmodel: planmatige aanleg in plaats van een langzaam gegroeid collectief grondstelsel. Daardoor vormt het een van de beste casussen om te laten zien waarom de westelijke grens van de Erfgooiersgronden in de zeventiende eeuw onder druk kwam te staan.

2 november 1659 — Cornelis van Midlum

Op 2 november 1659 werd Cornelis van Midlum in 's-Graveland geïnstalleerd. Ook deze naam ontbrak in mijn vorige verhalen. Zijn komst hoort bij de verdere institutionalisering van de jonge nederzetting. Nadat grond was verdeeld, waterwegen waren aangelegd en een kerk was gebouwd, kreeg de plaats ook een vaste kerkelijke organisatie. Daarmee kunnen vanaf deze periode kerkelijke registers mogelijk nieuwe namen van inwoners, pachters, personeel en grondgebruikers leveren. Voor ons onderzoek is dat waardevol omdat de sociale samenstelling van 's-Graveland dan vergeleken kan worden met die van de aangrenzende Gooise dorpen. Zo kunnen we zien welke mensen daadwerkelijk in het nieuw ontgonnen landschap terechtkwamen.

1672 — de Franse inval

In 1672, het Rampjaar, werd ook de Vecht- en Gooistreek geconfronteerd met de Franse inval. De Franse legers trokken onder hoge bevelhebbers de Republiek binnen en de regio kreeg met militaire aanwezigheid, schade en ontwrichting te maken. Voor 's-Graveland en Nederhorst is dit relevant omdat buitenplaatsen, kastelen, dorpen en verkeersroutes in de Vechtstreek kwetsbaar waren. Ook hier geldt dat grondgeschiedenis niet los van oorlog kan worden geschreven. Eigendommen konden beschadigd worden, bewoners vluchten en bestuurlijke structuren tijdelijk ontregeld raken. Tegelijk bleven na de oorlog dezelfde vragen over grenzen, waterbeheer en grondgebruik bestaan. Het Rampjaar vormt daarom een breuk binnen een veel langere landschappelijke continuïteit.

De eigen Nederhorster publicaties

Februari 1991 — begin van het tijdschrift

De eigen periodieke bronnenlaag van Historische Kring Nederhorst den Berg begint in februari 1991. De eerste zestien afleveringen hadden nog niet de latere nummering/vorm van Werinon. Dit is voor volledig onderzoek belangrijk, omdat juist vroege afleveringen anders gemakkelijk worden overgeslagen. Zij moeten afzonderlijk worden gecontroleerd op oude namen, boerderijen, kastelen, waterlopen, grensbeschrijvingen, archeologische vondsten en transcripties van documenten. Alleen zoeken op het woord Erfgooier is daarbij onvoldoende. Juist termen als Nardingerland, Gooi, Horstermeer, Overmeer, Ankeveen, Kortenhoef, 's-Graveland, Vecht, heerlijkheid, grens, turf, jacht en visserij kunnen onverwachte verbindingen opleveren.

December 1994 — Jaarboek 800–1994

In december 1994, aflevering/nummer 16, verscheen het Jaarboek 800–1994. De chronologische reikwijdte maakt dit tot een sleutelpublicatie. Het begint rond 800, dus vóór de bevestiging van Elten in 968, en loopt door tot de eigen tijd. Daardoor kan het gegevens bevatten over vroege bewoning, kerkelijke stichting, heerlijkheid, kasteel, waterstaat en latere dorpsontwikkeling. Iedere vroege persoonsnaam uit het Jaarboek moet echter tegen oorspronkelijke bronnen worden gecontroleerd. Juist lokale geschiedschrijving kan oude tradities bewaren die waardevol zijn, maar soms ook dateringen of genealogieën overnemen die latere onderzoekers hebben herzien. Het Jaarboek is daarom tegelijk bronverzamelaar en onderzoekswijzer.

Maart 1995 — Werinon nummer 17

Vanaf maart 1995, met nummer 17, is de reeks onder de herkenbare titel Werinon verder te volgen. Inmiddels bestaan meer dan honderd afleveringen. Dat betekent dat deze vereniging een veel grotere onderzoeksopbrengst kan bevatten dan een gewone websitezoektocht suggereert. De artikelen moeten niet alleen op titels worden beoordeeld. Een verhaal over een boerderij kan een oude veldnaam bevatten; een kerkartikel kan een middeleeuwse schenking noemen; een familiegeschiedenis kan naar een heerlijk archief verwijzen; een verhaal over waterbeheer kan een oude grens beschrijven. Daarom vormt Werinon zelf een afzonderlijke bronnenreeks die systematisch van nummer 1/oudste aflevering tot de recente nummers moet worden uitgeplozen.

1996 — Petersburg

In 1996 verscheen Petersburg – Een verdwenen buitenplaats. De buitenplaats vertegenwoordigt een latere fase in de ontwikkeling van het Vechtlandschap. Na middeleeuwse heerlijkheden en agrarische ontginning verschenen buitenplaatsen en landgoederen die grond opnieuw organiseerden en een andere economische en sociale functie gaven. Petersburg is daardoor relevant voor onze lange landschapsgeschiedenis. Het onderzoek moet achterhalen welke eigenaren, bewoners en ontwerpers worden genoemd, uit welke oudere percelen de buitenplaats ontstond en welke waterwegen of wegen erbij hoorden. Zo kan worden gevolgd hoe hetzelfde landschap achtereenvolgens onder middeleeuwse, agrarische, heerlijke en buitenplaatsachtige gebruiksvormen terechtkwam zonder dat de fysieke ondergrond volledig veranderde.

2005 — Religieus Erfgoed

De themapublicatie Religieus Erfgoed uit 2005 opent een afzonderlijke kerkelijke bronnenlaag. Kerkelijke instellingen konden grond, tienden en andere inkomsten bezitten en zijn daarom relevant voor veel meer dan bouwgeschiedenis. Bovendien bevatten kerkelijke registers grote aantallen persoonsnamen. Wanneer deze namen worden gecombineerd met grond- en belastingbronnen kunnen gewone Nederhorsters zichtbaar worden die in heerlijke documenten nauwelijks voorkomen. Voor de vergelijking met de Erfgooiers is dat waardevol. In Huizen willen we gerechtigde families generaties volgen; in Nederhorst kunnen we onderzoeken hoe lokale families zich tot kerk, heerlijkheid en ontginningsgrond verhielden. Zo ontstaat een sociale vergelijking tussen twee heel verschillende systemen van lokale grondbinding.

2008 — De Willibrordkerk

In 2008 verscheen De Willibrordkerk door de eeuwen heen. De Willibrordkerk is een belangrijk historisch anker in Nederhorst den Berg. Vooral de oudste geschiedenis verdient aandacht, omdat stichting, patronaatsrechten, kerkelijke goederen en adellijke betrokkenheid aanwijzingen kunnen geven over de machtsstructuur vóór de rijkere vroegmoderne administratie. De kerk stond bovendien letterlijk in een landschap dat voortdurend veranderde door waterbeheer en ontginning. Daardoor kan haar geschiedenis helpen vaste punten in dat landschap te identificeren. Namen van geestelijken, schenkers, heren en grondbezitters uit het boek moeten uiteindelijk afzonderlijk in een persoonsregister worden opgenomen en waar mogelijk tegen oorkonden en andere primaire stukken worden gecontroleerd.

2009 — Historische Canon

De Historische Canon van Nederhorst den Berg, verschenen in 2009, vormt een belangrijke zoekwijzer naar gebeurtenissen en personen die lokaal als bepalend worden gezien. De canon moet niet als primaire bron worden behandeld, maar iedere genoemde naam, datum en plaats kan naar oudere literatuur of archiefstukken leiden. Voor ons onderzoek zijn vooral de onderdelen over vroege bewoning, kerk, kasteel, heerlijkheid, water, ontginning en de verhouding met de omliggende Vechtstreek interessant. De canon kan bovendien aangeven welke plaatselijke gebeurtenissen buiten de bekende Erfgooiersliteratuur vallen. Zo voorkomt de Nederhorster onderzoekslijn dat de regionale geschiedenis uitsluitend vanuit Naarden, Hilversum, Huizen en Laren wordt bekeken.

2016 — Levensboek

In 2016 verscheen Levensboek – Doot ende begraven. Deze publicatie levert vooral een sociale en genealogische laag. Namen van overledenen, families, begraafplaatsen en plaatselijke gebruiken kunnen worden verbonden met andere Nederhorster bronnen. Dat is belangrijk omdat de geschiedenis tot nu toe sterk wordt gedomineerd door graven, heren, bisschoppen en bestuurders. Een volledig regionaal verhaal moet ook de gewone inwoners terugvinden. Door begrafenisgegevens te combineren met kerkboeken, belastinggegevens, boerderijen en grondtransacties kunnen lokale families over generaties worden gevolgd. Dat levert uiteindelijk een goede vergelijking op met de erfelijke gerechtigdheid van Huizer, Larense en andere Gooise Erfgooiersfamilies.

2021 — De Adellijke Stichting

Een van de belangrijkste eigen publicaties is De Adellijke Stichting van Nederhorst den Berg in de vroege Middeleeuwen uit 2021. Deze studie raakt rechtstreeks aan de periode waarin ook Wichman II van Hamaland, Luitgarde, Otto I, Elten en Nardingerland voorkomen. Juist daarom moet het boek nauwkeurig naast de vroege Gooise bronnen worden gelegd. Het doel is niet beide geschiedenissen kunstmatig met elkaar te verbinden, maar juist de verschillen te bepalen. Welke adellijke en kerkelijke structuren bestonden rond Nederhorst? Welke in Nardingerland? Waar liepen hun invloedssferen? Daarmee kan de vroegmiddeleeuwse voorgeschiedenis van de regio veel scherper worden gereconstrueerd dan vanuit de Erfgooiersbronnen alleen.

De namenlaag die nu behouden moet blijven

De namen die in deze onderzoekslaag in ieder geval niet meer mogen verdwijnen zijn Wichman II van Hamaland, Luitgarde, keizer Otto I, abdis Godelinde/Godelindis, Floris V, Willem III, hertog Albrecht van Beieren, Pieter Corneliszoon Hooft/P.C. Hooft, Emanuel van Portugal, Jan Ingel, notaris Van Zwieten, Cornelis Davelaer, Abel Matthijsz Burgh, Benedictus Schaeck, Andries Bicker, Anthony Oetgens van Waveren, Reinier Pauw en Cornelis van Midlum. Daarnaast horen de opeenvolgende heren van Nederhorst en de bisschoppen van Utrecht als nog verder te individualiseren persoonsreeksen bij het dossier. Die moeten niet met onbewezen namen worden aangevuld.

De dateringslaag die nu behouden moet blijven

De chronologische ankers zijn nu eveneens veel vollediger: 29 juni 968; 1280 en 6 mei 1280; 1285; 1296; 30 december 1326; 1339; 1350; 1351; 1356; 1404; 1420–1422; 1428; 1442; 1455; 1481; 1568; 1572; 1609; 1619; 17 maart 1625; 9 oktober 1626; 18 maart 1634; 7 juni 1634; 1637; 1650; 1656–1657; 26 februari 1657; 7 juli 1658; 2 november 1659; 1672; februari 1991; december 1994; maart 1995; 1996; 2005; 2008; 2009; 2016 en 2021. Daarnaast blijft 555 morgen en 28 roeden als concreet gegeven van de 's-Gravelandse verkaveling behouden.

Wat Nederhorst nu werkelijk oplevert

Met deze ontbrekende laag verandert het beeld aanzienlijk. Nederhorst levert niet alleen een algemeen verhaal over veen en water, maar een verbinding tussen twee historische werelden. Aan de Gooise kant staan Nardingerland, Elten, Floris V, de goede luden, schaarbrieven, Naarden en gemeenschappelijke rechten. Aan de Vechtzijde staan Nederhorst, kasteel en heerlijkheid, bisschoppelijk Utrecht, veenontginning, Horstermeer, Overmeer, Horstwaard, Ankeveen en Kortenhoef. Daartussen ontstaat met Jan Ingel en de zes hoofdingelanden vanaf 1625–1634 het planmatige 's-Graveland. Juist die botsing tussen oud gemeenschappelijk gebruik en nieuw verkaveld landschap is de belangrijkste historische opbrengst van deze vereniging.

 

Historische Kring Huizen — compleet verhaal met namen en datums

Huizen en Naerdincklant

De geschiedenis die via Historische Kring Huizen en De Ratel/Huizer Kring Berichten werd gevonden, begint niet bij de twintigste-eeuwse Erfgooiers maar bij het veel oudere Naerdincklant, later Gooiland. Huizen maakte deel uit van een landschap waarin bewoners gebruik maakten van gemeenschappelijke bossen, heiden, weiden, venen en later duidelijk omschreven meenten. De rechten ontwikkelden zich gedurende vele eeuwen. Daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen grondbezit, landsheerlijke rechten en de gebruiksrechten van de bewoners. De Huizer publicaties bleken bijzonder waardevol omdat ze deze lange ontwikkeling combineren met plaatselijke gegevens over boeren, vee, schaarrechten, bosgebruik, conflicten en uiteindelijk individuele Huizer Erfgooiers.

Harmen Kos en 850–1968

Een belangrijke ruggengraat werd gevonden bij Harmen Kos. In De Ratel verscheen in februari, mei, september en december 2010 zijn reeks De geschiedenis van Naerdincklant, Gooiland en de Erfgooiers van 850 tot 1968. Alleen de chronologische reikwijdte is al belangrijk: Kos probeerde de ontwikkeling over meer dan duizend jaar te volgen. Het tweede gedeelte droeg de veelzeggende titel De gebruiksrechten van de Naerdincklanders. Daarmee staat precies de vraag centraal die voor ons onderzoek essentieel is: niet alleen wie juridisch eigenaar van Naerdincklant was, maar welke rechten de bewoners zelf op bos, heide, weide en andere gemeenschappelijke hulpbronnen konden uitoefenen.

Omstreeks 968 — Wichman en Elten

Binnen die oudste geschiedenis verschijnt rond 968 Wichman/Wichmann, verbonden met het stift Elten. De Eltense geschiedenis is belangrijk voor de bezitsgeschiedenis van Naerdincklant, maar mag niet worden gebruikt om zonder tussenstappen een rechtstreeks erfgooiersrecht vanaf 968 te construeren. De oude kerkelijke rechten en de gebruiksrechten van de plaatselijke bevolking moeten afzonderlijk worden gevolgd. Juist daarin ligt de waarde van de Huizer reeks: naast bezit komt het gebruik door de Naerdincklanders te staan. De geschiedenis van de latere Erfgooiers wordt daardoor geen eenvoudige overdracht van eigendom, maar een ontwikkeling waarin bewoners binnen veranderende politieke en juridische omstandigheden aanspraken op gemeenschappelijke hulpbronnen behielden en verdedigden.

1176–1186 — een tussenliggende rechtslaag

Ook de periode 1176–1186 kwam in het bredere onderzoek naar de bronnen achter de Huizer reeks naar voren. Deze tussenfase is belangrijk omdat er tussen het tiende-eeuwse Elten en de bekende dertiende-eeuwse gebeurtenissen geen leegte mag worden verondersteld. Kerkelijke instellingen en wereldlijke machthebbers konden verschillende rechten op hetzelfde gebied bezitten. De overeenkomst tussen Elten en Sint-Jan, die in het onderzoek aan deze periode werd gekoppeld, vormt daarom een belangrijk documentair tussenstation. Voor Huizen betekent dit dat de voorgeschiedenis van zijn latere gerechtigden alleen betrouwbaar kan worden opgebouwd wanneer dergelijke documenten naast de latere schaarbrieven worden gelegd, zonder eigendomsrechten automatisch gelijk te stellen aan gebruiksrechten.

6 mei 1280 — Godelinde en Floris V

Een beslissend moment ligt op 6 mei 1280. Daarbij verschijnen Godelinde/Godelindis en graaf Floris V in verband met Naardinkland. Deze gebeurtenis behoort tot de fundamentele overgangsmomenten in de politieke geschiedenis van het Gooi. Maar ook hier bleef de plaatselijke bevolking bestaan en verdwenen haar bestaande gebruikspraktijken niet eenvoudig doordat de hogere machtsverhoudingen veranderden. Voor het Huizer verhaal is juist die continuïteitsvraag belangrijk. Welke rechten konden bewoners blijven uitoefenen nadat de landsheerlijke situatie veranderde? De latere documenten over scharen, bossen en meenten moeten vanuit die vraag worden gelezen. Zo vormt 1280 geen beginpunt van de Erfgooiers, maar een essentieel scharnierpunt in hun voorgeschiedenis.

30 december 1326 — Willem III

De Huizer onderzoeksreeks leverde vervolgens een zeer concrete datum: 30 december 1326. Op die dag vaardigde graaf Willem III een oorkonde uit die in de geschiedenis van de gebruiksrechten van de Naerdincklanders belangrijk werd. Daarmee komen we dichter bij een herkenbare gemeenschap van plaatselijke gerechtigden. In dezelfde onderzoekslaag kwam het bijeenroepen van markgenoten door het blazen op een hoorn naar voren. Dat detail maakt de organisatie tastbaar. Gemeenschappelijke belangen vereisten overleg. Mensen moesten worden opgeroepen wanneer besluiten over hun rechten noodzakelijk waren. De term markgenoot moet historisch zorgvuldig worden gebruikt, maar 1326 is een wezenlijk ankerpunt tussen landsheerlijke rechten en georganiseerd gemeenschappelijk grondgebruik.

Willem IV en de volgende generatie

Na Willem III kwam ook Willem IV in de bredere bronnenreeks naar voren. Daarmee wordt zichtbaar dat de relatie tussen de landsheer en de Gooise gebruikers niet door één oorkonde definitief geregeld was. Iedere nieuwe politieke generatie kon opnieuw met bestaande plaatselijke rechten geconfronteerd worden. Voor de Huizers betekende landsheerlijke wisseling niet dat hun dagelijkse afhankelijkheid van bos, heide en weide verdween. Boeren moesten hun vee blijven voeden en natuurlijke hulpbronnen blijven gebruiken. De geschiedenis moet daarom steeds twee niveaus naast elkaar laten lopen: bovenaan graven en bestuurders, daaronder de bewoners van Naerdincklant die hun traditionele gebruik voortzetten en steeds duidelijker als georganiseerde gerechtigden in de documenten verschijnen.

1396 — Naarden en Loodijk

Voor 1396 kwam materiaal rond Naarden en de Loodijk naar voren. Dit maakt duidelijk hoe belangrijk ruimtelijke grenzen voor de geschiedenis waren. Naarden had binnen Gooiland een bijzondere positie en zou later de Stad in Stad en Lande van Gooiland vormen. Huizen behoorde tot de dorpsgemeenschappen waarvan de belangen daarmee verbonden waren. Dijken, wegen, waterlopen en andere landschapselementen konden bepalen waar rechten begonnen en eindigden. Daarom moeten veldnamen zoals Loodijk behouden blijven. Een grensgeschil wordt pas begrijpelijk wanneer het historische landschap wordt gereconstrueerd. De Huizer rechten bestonden niet in abstracte juridische ruimte, maar werden op concrete heiden, weiden, bossen en grensgebieden uitgeoefend.

25 januari 1404 — de eerste schaarbrief

De exacte datum van de eerste belangrijke schaarbrief is 25 januari 1404. Dat detail ontbrak in mijn vorige versie. De schaarbrief regelde het gebruik van gemeenschappelijke gronden door gerechtigden. In de Huizer publicatie kwamen daarbij de termen schaarmeesters en schaarzetters naar voren. Zij waren betrokken bij het regelen of vaststellen van de schaar. Ook de benaming Lantgoyers verscheen. Daarmee krijgen we niet alleen een document, maar ook historische terminologie voor de mensen en functionarissen binnen het systeem. Het schaarrecht bepaalde hoeveel vee iemand op gemeenschappelijke grond kon brengen en was daardoor rechtstreeks verbonden met de economische mogelijkheden van een boerenhuishouden.

Meenten, heiden, weiden en venen

De behandeling van 1404 in De Ratel maakte bovendien duidelijk dat het gemeenschappelijke landschap uit verschillende onderdelen bestond: meenten, heiden, weiden, venen en het Gooierbos. Die categorieën mogen niet tot één algemene term gemene grond worden samengeperst. Een veen had andere gebruiksmogelijkheden dan een droge heide; een weide andere dan een bos. Voor Huizer boeren betekende toegang tot verschillende landschapstypen toegang tot verschillende hulpbronnen. Het rechtensysteem moet daarom uiteindelijk per landschap worden gereconstrueerd. Wie mocht waar vee laten lopen? Wie mocht hout gebruiken? Welke rechten golden in het veen? En welke regels golden specifiek voor het Gooierbos?

1442 — runderen en paarden

De schaarbrief van 1442 werd in de Huizer publicaties concreet verbonden met runderen en paarden. Dat is een belangrijk detail. Een schaarbrief was geen abstract juridisch document maar regelde levende dieren die daadwerkelijk voedsel nodig hadden. De omvang en samenstelling van de veestapel bepaalde mede hoeveel gemeenschappelijke weide een huishouden gebruikte. In De Ratel van februari 2009 kwam juist deze agrarische achtergrond naar voren, samen met veehouderij en oudere rechten. Hierdoor kan de Huizer geschiedenis veel concreter worden geschreven. We moeten uiteindelijk proberen aantallen dieren en categorieën vee uit de oorspronkelijke regelingen te halen, zodat zichtbaar wordt wat een schaarrecht economisch werkelijk vertegenwoordigde.

Zwadetijns

In diezelfde onderzoekslaag uit februari 2009 kwam het begrip zwadetijns naar voren. Ook zulke oude termen moeten behouden blijven omdat ze aanwijzingen geven over grond, verplichtingen en historische rechtsverhoudingen. Ze laten bovendien zien hoe gemakkelijk informatie verloren gaat wanneer alleen op het moderne woord Erfgooier wordt gezocht. De oude bronnen gebruiken een geheel ander vocabulaire. Daarom moet bij verder onderzoek worden gezocht op termen uit de documenten zelf: schaar, schaarmeester, schaarzetter, Lantgoyer, meent, bos, tijns en varianten daarvan. De Huizer zoekronde heeft daarmee niet alleen feiten opgeleverd, maar ook een woordenlijst waarmee veel oudere bronnen kunnen worden teruggevonden die anders buiten beeld zouden blijven.

1455 — opnieuw een schaarbrief

In 1455 volgde opnieuw een schaarbrief. Daarmee ontstaat de reeks 25 januari 1404 – 1442 – 1455. Het feit dat de regels binnen ongeveer een halve eeuw meerdere malen opnieuw moesten worden vastgelegd laat zien dat gemeenschappelijk gebruik voortdurend bestuur vereiste. Bevolking en veestapel veranderden en ook onderlinge belangen konden verschuiven. Iedere schaarbrief moet daarom afzonderlijk worden onderzocht in plaats van als kopie van zijn voorganger te worden beschouwd. Juist verschillen tussen de teksten kunnen aantonen hoe het systeem zich ontwikkelde. Voor Huizen kan daarbij worden gezocht naar plaatselijke gerechtigden, aantallen dieren en eventuele bijzondere regels die specifiek gevolgen hadden voor Huizer boeren.

1470–1474 — Karel de Stoute en hogere rechtspraak

De volgende conflictlaag ligt rond 1470–1474, waarbij Karel de Stoute en hogere rechtspraak in beeld kwamen. Geschillen rond de Gooise rechten konden uiteindelijk terechtkomen bij instellingen als het Hof van Holland en de Grote Raad van Mechelen. Daarmee blijkt opnieuw dat het systeem niet uitsluitend een plaatselijke aangelegenheid was. Processtukken zijn bijzonder waardevol omdat strijdende partijen daarin hun rechten moesten onderbouwen. Oude documenten, getuigen, plaatsnamen en gebruiken konden als bewijs worden aangevoerd. Voor Huizen kunnen zulke processen informatie bevatten over inwoners die in algemene geschiedenissen nooit worden genoemd. Daarom moeten deze dossiers uiteindelijk specifiek op Huizer namen en rechten worden gecontroleerd.

1516 — conflict over schapen

Een zeer belangrijk detail uit De Ratel van februari 2009 betreft 1516 en een conflict rond schapen. Dit vult het abstracte juridische verhaal opnieuw met dagelijkse werkelijkheid. Heide en andere gemeenschappelijke terreinen waren essentieel voor schapenhouderij. Wanneer toegang werd betwist, ging het rechtstreeks om bestaansmogelijkheden. De bredere bronnenreeks verbindt 1516 bovendien met een gedwongen verdrijving en daaropvolgende juridische strijd. Dat betekent dat het conflict niet beperkt bleef tot woorden. De rechten konden fysiek worden betwist en mensen of dieren konden daadwerkelijk worden geweerd. De precieze partijen en locaties moeten uit de oorspronkelijke stukken verder worden gereconstrueerd, maar 1516 moet als afzonderlijk conflictjaar behouden blijven.

1520 en 1521 — herstel na langdurige inbreuken

Op de gebeurtenissen van 1516 volgden een uitspraak in 1520 en een belangrijke ontwikkeling in 1521, waarbij ongeveer dertig jaar aan inbreuken werd teruggedraaid. Dat betekent dat de problemen veel verder terugreikten dan 1516 alleen. Mogelijk kan daarmee een verbinding worden gelegd met de conflicten uit de late vijftiende eeuw. Voor Huizen is vooral van belang of plaatselijke gebruikers in de processtukken worden genoemd. Wanneer dertig jaar aan aantastingen van rechten ter discussie stond, moeten verschillende generaties inwoners de gevolgen hebben ondervonden. Deze reeks 1470–1474 – 1516 – 1520 – 1521 vormt daarom waarschijnlijk één van de belangrijkste nog verder uit te werken juridische conflictketens.

Omstreeks 1530 — Loosdrechters

Rond 1530 kwamen ook Loosdrechters in de bredere onderzoeksopbrengst naar voren. Daarmee wordt duidelijk dat het gebruik van Gooise gronden en grensgebieden niet alleen interne Gooise spanningen veroorzaakte. Mensen uit aangrenzende gebieden konden eveneens aanspraken maken of vee en andere hulpbronnen gebruiken. Voor Huizen lijkt Loosdrecht geografisch verder weg, maar binnen het gezamenlijke Gooiland konden conflicten elders gevolgen hebben voor de regels die alle gerechtigden betroffen. Het Erfgooiersverhaal moet daarom steeds regionale verbanden bewaren. Huizer rechten waren onderdeel van één groter systeem dat grensde aan Loosdrecht, de Vechtstreek, Utrechtse gebieden en Hollandse bestuurlijke belangen. Juist grensconflicten hielpen rechten scherper formuleren.

1533 — de Huizer getuigenverklaring

Een van de belangrijkste concrete Huizer bronnen blijft de originele getuigenverklaring uit 1533 over bosgebruik en jacht. Aan het document bevinden zich nog twee beschadigde zegels. De verklaring is van uitzonderlijk belang omdat getuigen uit de zestiende eeuw informatie konden geven over praktijken die zij zelf kenden of uit oudere overlevering hadden ontvangen. Bosgebruik en jachtrecht hoefden bovendien niet bij dezelfde partij te liggen. Een gerechtigde kon bepaalde producten uit het bos gebruiken zonder automatisch het recht te hebben daar te jagen. Het document werd later opnieuw belangrijk in onderzoek rond P.W. de Lange en D.Th. Enklaar en verdient uiteindelijk volledige transcriptie.

1534 — Stad en Lande

Voor 1534 kwam Stad en Lande als belangrijk institutioneel ankerpunt naar voren. De benaming verwijst naar de samenwerking tussen Naarden als stad en de Gooise dorpen, waaronder Huizen, bij het beheer van gemeenschappelijke belangen. Daarmee krijgen de oudere rechten een steeds duidelijker bestuurlijke structuur. Huizers waren niet uitsluitend inwoners van hun eigen dorp, maar gerechtigden binnen een groter Goois verband. Besluiten over bos, heide en schaar konden daardoor buiten Huizen worden genomen terwijl zij direct gevolgen hadden voor Huizer boeren. Dit verklaart waarom de archieven van Stad en Lande zo belangrijk zijn voor plaatselijke geschiedenis. Daar kunnen namen voorkomen die in het eigen dorpsarchief nauwelijks zichtbaar zijn.

1568 — de vierde schaarbrief

De vierde schaarbrief van 1568 verlengt de reeks 1404 – 1442 – 1455 – 1568 over meer dan anderhalve eeuw. Daarmee wordt een opmerkelijke continuïteit zichtbaar. De politieke wereld veranderde ingrijpend, maar de praktische noodzaak om gemeenschappelijke beweiding te regelen bleef bestaan. De vierde schaarbrief moet uiteindelijk nauwkeurig naast de eerste drie worden gelegd. Welke termen zijn veranderd? Worden dezelfde plaatsen genoemd? Zijn de aantallen vee aangepast? En kunnen Huizer families of vertegenwoordigers worden geïdentificeerd? Het jaar 1568 is bovendien het begin van de Nederlandse Opstand. Toch laat de schaarbrief zien dat lokale economische en agrarische problemen gewoon bleven doorlopen tijdens grote politieke omwentelingen.

Lambert Rijcksz Lustigh

Een naam die in mijn eerdere verhaal ten onrechte ontbrak is Lambert Rijcksz Lustigh. Zijn manuscript kwam tijdens de vervolgzoektocht naar de bronnen achter de Huizer geschiedenis naar voren. Zulke handgeschreven lokale geschiedenissen zijn belangrijk omdat zij gegevens kunnen bewaren die later in gedrukte werken zijn overgenomen, soms zonder dat duidelijk blijft waar die informatie oorspronkelijk vandaan kwam. Lustigh moet daarom als zelfstandige bron worden behandeld. Iedere mededeling over oude rechten, gebeurtenissen of personen moet worden gecontroleerd tegen oudere documenten wanneer die bestaan. Tegelijk kan zijn manuscript plaatselijke tradities, namen en verhalen bevatten die nergens anders zijn overgeleverd. Daarmee vormt het een belangrijke schakel tussen archiefbron en latere geschiedschrijving.

1619 — Emanuel van Portugal en P.C. Hooft

In 1619 verschijnen Emanuel van Portugal en P.C. Hooft in de bredere Gooise conflictgeschiedenis. P.C. Hooft, drost van Muiden en baljuw van Gooiland, was vanuit zijn functie rechtstreeks betrokken bij bestuur en rechtspraak in de regio. Emanuel van Portugal kwam in dezelfde onderzoekslaag naar voren. Voor Huizen is dit belangrijk omdat plaatselijke rechten binnen een bestuurlijk systeem functioneerden waarin zulke bovenlokale figuren konden optreden. De precieze zaak moet uiteindelijk vanuit de oorspronkelijke documenten worden gereconstrueerd. Het jaartal 1619 laat in ieder geval zien dat de geschiedenis van de gemene gronden ook in de Gouden Eeuw geen afgesloten middeleeuws overblijfsel was, maar bestuurlijk actueel bleef.

1626 en 1634 — ’s-Graveland

De jaren 1626 en 1634 kwamen nadrukkelijk naar voren in verband met ’s-Graveland. In 1626 speelden de Staten van Holland een rol; 1634 werd verbonden met verdere regeling en buurspraak. De aanleg en ontwikkeling van ’s-Graveland raakten aan Gooise gronden en bestaande rechten. Daardoor ontstond opnieuw spanning tussen nieuwe ruimtelijke belangen en oude gebruiksaanspraken. Voor Huizers waren zulke conflicten relevant omdat aantasting van het gezamenlijke bezit uiteindelijk alle gerechtigden kon raken. Het voorbeeld van ’s-Graveland laat zien dat de druk op gemene gronden niet pas in de negentiende eeuw begon. Al in de zeventiende eeuw konden ontginning en nieuwe eigendomsclaims botsen met collectief gebruik.

1645 — een ziek paard op de Mient

Een prachtige concrete Huizer vondst komt uit 1645. De Huizer schepenen hielden toen een paard dat leed aan „worm” van de Mient totdat het genezen was. Rond de behandeling ontstond bovendien een zaak bij de classis Amsterdam wegens „belesinge”. Dit kleine voorval is historisch bijzonder waardevol. Het laat zien dat de Mient werkelijk als weide functioneerde en dat dorpsbestuurders toezicht konden uitoefenen op dieren die daar werden toegelaten. Tegelijk opent het een onverwachte laag van diergeneeskunde, ziekte en religieuze controle. Het geval werd gevonden in Huizer Kring Berichten, 12e jaargang nr. 1, februari 1991.

1650 — het resolutieboek

Voor 1650 kwam een resolutieboek van Stad en Lande naar voren. Daarmee begint een administratieve laag waarin besluiten systematischer gevolgd kunnen worden. Zulke resolutieboeken zijn voor ons onderzoek bijzonder waardevol omdat ze niet alleen grote conflicten bevatten, maar ook dagelijkse bestuurszaken: toelating, toezicht, overtredingen, verkoop, grenzen en mogelijk namen van gerechtigden. De Erfgooiersgeschiedenis kan hierdoor bijna vergadering voor vergadering worden gevolgd. Voor Huizen moeten de resoluties systematisch worden doorzocht op de dorpsnaam, Huizer familienamen en termen als meent, schaar, bos en vee. Daarmee kan de institutionele geschiedenis rechtstreeks worden gekoppeld aan de dagelijkse werkelijkheid die we bijvoorbeeld in het paardenincident van 1645 al konden zien.

Resoluties 1646–1913

De bredere archiefzoektocht bracht bovendien een enorme reeks resoluties over 1646–1913 aan het licht. Dat betekent dat bijna drie eeuwen bestuurlijke besluitvorming beschikbaar zijn. Deze reeks is belangrijker dan één afzonderlijke publicatie, omdat ontwikkelingen over zeer lange tijd gevolgd kunnen worden. Voor Huizen kunnen daarin conflicten, benoemingen, schaardagen, overtredingen, grondverkopen en individuele gerechtigden terugkomen. Het biedt ook de mogelijkheid om gebeurtenissen uit De Ratel terug te controleren tegen de oorspronkelijke administratie. De periode loopt bovendien door tot vlak na de Erfgooierswet van 1912, zodat de overgang van oud naar modern bestuur vrijwel zonder chronologische onderbreking onderzocht kan worden.

1702–1708 — François Hinlopen en Oud-Bussem

In 1702–1708 verschijnt François Hinlopen in verband met Oud-Bussem. Deze casus is belangrijk omdat particuliere grondbelangen en Gooise gebruiksrechten hier opnieuw tegenover elkaar kwamen te staan. Hinlopen behoort tot de concrete personen waardoor zichtbaar wordt dat conflicten over gemene grond niet alleen tussen anonieme instellingen speelden. Eigenaars en gerechtigden konden verschillende opvattingen hebben over beweiding, grenzen en toegang. Oud-Bussem ligt bovendien direct in het gebied waar Huizer belangen relevant waren. De zaak moet daarom later afzonderlijk worden gereconstrueerd met kaarten en oorspronkelijke stukken. Vooral de periode 1702–1708 kan laten zien hoe vroeg-achttiende-eeuwse particuliere landgoederen zich verhielden tot eeuwenoude collectieve rechten.

1708 — gerechtigden en lijsten

Het jaar 1708 kwam eveneens als belangrijk moment voor lijsten van gerechtigden naar voren. Zulke lijsten zijn essentieel voor Huizen omdat ze eindelijk grote aantallen concrete personen kunnen leveren. Door de Huizer namen uit 1708 te vergelijken met kerkboeken, belastingregisters en latere Erfgooierslijsten kan worden onderzocht welke families hun gerechtigdheid generaties lang behielden. De lijst kan ook worden vergeleken met de situatie rond François Hinlopen en Oud-Bussem. Daarmee komen recht, conflict en genealogie bij elkaar. Uiteindelijk moet niet alleen worden verteld hoeveel gerechtigden er waren, maar wie zij waren, waar zij woonden, welke beroepen zij uitoefenden en of zij daadwerkelijk vee inschaarden.

1709 — Justus van Broeckhuysen en Freye Klaasz. Boelhouwer

Voor 1709 kwamen de namen Justus van Broeckhuysen en Freye Klaasz. Boelhouwer naar voren. Deze personen moeten absoluut behouden blijven omdat ze behoren tot de concrete achttiende-eeuwse laag van het Erfgooiersverhaal. Hun precieze rollen moeten aan de oorspronkelijke stukken worden gekoppeld, zodat geen functies of motieven worden ingevuld die de bron niet noemt. Juist zulke minder bekende namen zijn waardevol. Grote historische overzichten noemen gemakkelijk graven, bestuurders en bekende auteurs, terwijl plaatselijke gerechtigden of functionarissen verdwijnen. Door Van Broeckhuysen en Boelhouwer te volgen kunnen mogelijk verbanden met besluiten van Stad en Lande, grondgebruik, conflicten of plaatselijke families zichtbaar worden.

14 juli 1719 — grensakkoord

Een volgende exacte datum is 14 juli 1719, toen een grensakkoord werd gesloten. Grensafspraken zijn voor het Erfgooiersverhaal essentieel, omdat rechten alleen daadwerkelijk konden functioneren wanneer bekend was tot waar het gemeenschappelijke gebied liep. Een lijn door heide of bos bepaalde wie vee mocht laten grazen en wie hout of andere hulpbronnen kon gebruiken. Het akkoord van 14 juli 1719 moet daarom uiteindelijk op historische kaarten worden teruggebracht. Welke grenspunten werden genoemd? Zijn die tegenwoordig nog herkenbaar? En welke partijen sloten de overeenkomst? Voor Huizen kunnen dergelijke afspraken rechtstreeks bepalen waar de gerechtigden hun schaarrechten mochten uitoefenen en waar andere jurisdicties begonnen.

De schaarbrieven gingen na 1568 door

Mijn vorige verhaal gaf ten onrechte de indruk dat de schaarbriefreeks bij 1568 vrijwel ophield. De archiefzoektocht leverde juist veel latere schaarbrieven op: 1741, 1762, 1783, 1804, 1826, 1846, 1851, 1856, 1861, 1872, 1887, 1889 en 1895. Dat verandert het beeld ingrijpend. We beschikken niet over vier middeleeuws-vroegmoderne momenten, maar over een regeling die tot vlak vóór de twintigste eeuw telkens opnieuw werd vastgelegd. De reeks moet daarom als één lange ontwikkelingslijn worden onderzocht: 1404 – 1442 – 1455 – 1568 – 1741 – 1762 – 1783 – 1804 – 1826 – 1846 – 1851 – 1856 – 1861 – 1872 – 1887 – 1889 – 1895.

1741, 1762 en 1783

De schaarbrieven van 1741, 1762 en 1783 laten zien dat het gemeenschappelijke weidesysteem in de achttiende eeuw nog volledig bestuurlijke betekenis had. Voor Huizen is deze periode interessant omdat landbouw en visserij naast elkaar functioneerden. Een gerechtigde kon binnen een steeds veelzijdiger plaatselijke economie toch belang houden bij gemeenschappelijke beweiding. Door deze drie schaarbrieven met de lijsten van 1708 te vergelijken kan mogelijk worden vastgesteld welke families gedurende de hele achttiende eeuw aanwezig bleven. Ook kan worden onderzocht of aantallen dieren of regels veranderden. Daarmee wordt de achttiende eeuw geen leegte tussen middeleeuwse schaarbrieven en negentiende-eeuwse conflicten, maar een eigen ontwikkelingsfase.

1804 en Albertus Perk

De schaarbrief van 1804 is extra interessant omdat in het onderzoek een vergelijking tussen 1404 en 1804 naar voren kwam. Daarmee kunnen precies vier eeuwen ontwikkeling worden onderzocht. Kort daarna komt de generatie van Albertus Perk (1795–1880) in beeld. Perk zou in 1842 zijn bekende verslag over Gooiland en de Erfgooiers publiceren. De vergelijking 1404–1804 is daarom een cruciale brug. Welke elementen van het middeleeuwse systeem bestonden vierhonderd jaar later nog? Welke terminologie was veranderd? En was de praktische betekenis van een schaar nog dezelfde? Huizen biedt met zijn agrarische traditie een uitstekende plaats om die lange continuïteit concreet te toetsen.

1826 tot 1895 — steeds opnieuw regelen

Daarna volgen schaarbrieven uit 1826, 1846, 1851, 1856, 1861, 1872, 1887, 1889 en 1895. De frequentie neemt in de negentiende eeuw opvallend toe. Dat past bij een tijd waarin bevolkingsgroei, modernisering, stijgende grondprijzen en veranderend grondgebruik steeds meer druk op het oude systeem zetten. Iedere nieuwe regeling kan aanwijzingen bevatten over conflicten die een aanpassing noodzakelijk maakten. Voor Huizen moeten de namen van plaatselijke schaarmeesters, bestuurders en gerechtigden uit deze stukken worden verzameld. De reeks eindigt pas acht jaar vóór de grote onrust van 1903. Daarmee kan mogelijk vrijwel rechtstreeks worden gevolgd hoe administratieve spanningen uiteindelijk in open conflict overgingen.

1842 — Albertus Perk

Albertus Perk publiceerde in 1842 zijn Verslag over de Gooise rechten en gronden. Dit werk werd in De Ratel van mei 2011 expliciet als bron genoemd, naast het Archief van Stad en Lande. Perk leefde midden in de periode waarin de betekenis van de gemeenschappelijke grond veranderde. Voor Huizer boeren bleef weide belangrijk, terwijl grond tegelijkertijd steeds grotere financiële waarde kreeg. Perks verslag is daarom zowel historische studie als document uit een actuele negentiende-eeuwse discussie. Zijn gegevens moeten worden gecontroleerd tegen de schaarbrieven en resoluties die hij zelf kon kennen. Daarmee kan ook worden vastgesteld hoe negentiende-eeuwse interpretaties van de middeleeuwse rechten zijn ontstaan.

1884 — L. Rinkels

In De Ratel van mei 2011 werd naast Perk ook L. Rinkels genoemd, met zijn Bijdrage uit 1884. Deze naam en datum ontbraken volledig in mijn eerdere verhaal. Rinkels vormt een volgende schakel in de negentiende-eeuwse geschiedschrijving over de Gooise rechten. Zijn werk verscheen in een periode waarin de schaarbrieven nog steeds werden vernieuwd: 1872, 1887, 1889 en 1895 liggen er direct omheen. Daardoor schreef Rinkels niet over een verdwenen instelling maar over een levende werkelijkheid. Zijn beschrijving kan dus historische informatie bevatten én iets vertellen over de conflicten en interpretaties van zijn eigen tijd. Perk 1842 en Rinkels 1884 moeten daarom naast elkaar worden gelezen.

1903 — de schaarkwestie wordt explosief

In 1903 liepen de spanningen rond een schaardag hoog op. Protestoptochten en de aanwezigheid of inzet van militairen kwamen in de onderzoeksreeks naar voren. Dat wordt veel begrijpelijker nu we weten dat nog in 1887, 1889 en 1895 nieuwe schaarbrieven waren opgesteld. De gebeurtenissen van 1903 waren dus geen plotselinge opleving van een middeleeuws gebruik, maar het gevolg van een systeem dat tot kort daarvoor voortdurend opnieuw gereguleerd werd. Voor Huizen moeten de deelnemers nog verder uit de bronnen worden gehaald. De lokale kranten, gerechtigdenlijsten en resoluties van Stad en Lande kunnen mogelijk precies aangeven welke Huizers bij de protesten betrokken waren.

1912 en 1913

De crisis leidde uiteindelijk naar de Erfgooierswet van 1912. Daarmee werd het oude rechtsstelsel in een moderne wettelijke organisatie ondergebracht. De gevonden resolutiereeks loopt bovendien door tot 1913, waardoor de overgang vrijwel rechtstreeks vanuit de eigen administratie gevolgd kan worden. Voor Huizen betekende de wet dat gerechtigden voortaan binnen een wettelijk geregelde organisatie opereerden, maar hun historische rechten bleven van grote betekenis. Het onderscheid tussen scharende en niet-scharende Erfgooiers werd steeds belangrijker. De ene groep had direct agrarisch belang bij behoud van grond; voor andere gerechtigden kon de financiële waarde van het gemeenschappelijke vermogen uiteindelijk zwaarder gaan wegen.

Februari 1980 — het digitale Huizer archief

Een belangrijke vondst voor ons onderzoek is dat het digitale archief van De Ratel/Huizer Kring Berichten teruggaat tot februari 1980. Daardoor kan ruim veertig jaar lokale geschiedschrijving systematisch worden onderzocht. De Naslagwijzer op onderwerp en auteur maakt het bovendien mogelijk niet alleen op Erfgooier te zoeken, maar ook op auteurs, familienamen, meenten, schaarrechten, bosgebruik, veehouderij en afzonderlijke terreinen. Dat is essentieel, omdat relevante informatie vaak verborgen zit in artikelen die een heel andere titel hebben. Het voorbeeld van het zieke paard uit 1645 bewijst dat juist zulke indirecte zoektermen nieuwe informatie over het daadwerkelijke functioneren van de gemeenschappelijke grond opleveren.

Februari 1991 — het paard van 1645

De concrete bron voor het verhaal over het zieke paard is Huizer Kring Berichten, 12e jaargang, nummer 1, februari 1991. Daaruit kwam naar voren dat de Huizer schepenen in 1645 een paard met „worm” van de Mient hielden tot genezing. De kwestie bereikte de classis Amsterdam wegens „belesinge”. Deze precieze publicatiegegevens moeten behouden blijven omdat ze het mogelijk maken het verhaal later terug te vinden en opnieuw te controleren. Tegelijk laat de vondst zien waarom volledige jaargangen belangrijk zijn. Een artikel dat ogenschijnlijk over ziekte of religieuze praktijken gaat kan onverwacht bewijs bevatten voor toezicht op vee en gebruik van de Huizer Mient.

Februari 1993 — 1.774 Huizer Erfgooiers

Een bijzonder concreet getal werd gevonden in februari 1993. Volgens de Huizer publicatie telde Huizen bij de opheffing van Stad en Lande in 1979 maar liefst 1.774 Erfgooiers. Dat was ruim 35 procent van het totale aantal. Deze cijfers zijn buitengewoon belangrijk voor de sociale geschiedenis. Ze tonen hoe sterk Huizen binnen de laatste generatie gerechtigden vertegenwoordigd was. Daarmee krijgt de eeuwenlange geschiedenis van Huizer rechten een opmerkelijk einde: van de schaarbrief van 25 januari 1404 naar 1.774 Huizer Erfgooiers in 1979. De namen achter dat getal kunnen mogelijk via de gerechtigdenadministratie worden gereconstrueerd.

Februari 2009 — veehouderij opnieuw centraal

De Ratel van februari 2009 bleek een belangrijke bron voor de agrarische voorgeschiedenis. Daarin kwamen zwadetijns, veehouderij, de regeling van runderen en paarden in 1442 en het schapenconflict van 1516 naar voren. Daarmee verbindt één modern artikel verschillende eeuwen van grondgebruik. Het is precies het soort bron dat als wegwijzer naar oudere documenten moet worden gebruikt. De termen en jaartallen uit het artikel kunnen afzonderlijk in archiefcatalogi en gedigitaliseerde bronnen worden opgezocht. Vooral het onderscheid tussen runderen, paarden en schapen is waardevol. Het maakt duidelijk dat schaarrechten niet los gezien kunnen worden van de ontwikkeling van de Huizer veestapel en het traditionele landbouwbedrijf.

De Ratel — februari en mei 2010

In februari en mei 2010 verschenen delen van de reeks van Harmen Kos. Het deel van mei 2010 behandelt nadrukkelijk de eerste schaarbrief van 25 januari 1404, de schaarmeesters, schaarzetters, Lantgoyers, meenten, heiden, weiden, venen en het Gooierbos, en verwijst verder naar de schaarbrieven van 1442, 1455 en 1568. Daarmee vormt deze aflevering een van de belangrijkste moderne toegangen tot de middeleeuwse Huizer/Gooise rechten. De waarde zit niet alleen in Kos' verhaal, maar vooral in de oudere bronnen waarnaar hij verwijst. Iedere verwijzing moet uiteindelijk worden teruggevolgd naar het oorspronkelijke document.

September en december 2010

De reeks van Harmen Kos liep verder in september en december 2010. Daardoor vormen de vier afleveringen februari – mei – september – december 2010 samen één doorlopende geschiedenis van Naerdincklant, Gooiland en de Erfgooiers van 850 tot 1968. Deze afleveringen mogen in het eindonderzoek niet afzonderlijk als losse tijdschriftartikelen verdwijnen. Ze vormen een eigen Huizer interpretatielaag over de gehele ontwikkeling van de rechten. Tegelijk moeten de conclusies van Kos steeds worden onderscheiden van de middeleeuwse en vroegmoderne bronnen waarop hij zich baseert. Zo behouden we zowel het lokale historische verhaal als de mogelijkheid zijn reconstructie bron voor bron te controleren.

Mei 2011 — Perk, Rinkels en het archief

In De Ratel van mei 2011 kwam vervolgens een belangrijke bronnenverwijzing naar voren: het Archief van Stad en Lande, Albertus Perks Verslag uit 1842 en L. Rinkels' Bijdrage uit 1884. Daarmee wordt zichtbaar hoe de Huizer historische publicaties verschillende generaties onderzoek met elkaar verbinden. Een modern artikel leidt terug naar negentiende-eeuwse auteurs en vervolgens naar de eigen administratie van Stad en Lande. Dat is precies de bronnenketen die we nodig hebben. De moderne tekst is niet het eindpunt, maar een toegang. Vanuit Kos, Perk en Rinkels kunnen we uiteindelijk teruggaan naar schaarbrieven, resoluties, getuigenverklaringen en gerechtigdenlijsten.

Archief SSAN053.04 en SSAN053.01

De zoektocht leidde tevens naar het archief van Stad en Lande/de Erfgooiers, met onder meer SSAN053.04 en SSAN053.01. In de bredere archiefopbrengst kwamen stukken vanaf 1422 en de omvangrijke resolutiereeks 1646–1913 naar voren. Voor Huizen zijn deze archieven essentieel. Hier moeten de lokale namen worden gezocht die in algemene geschiedenissen ontbreken. De documenten kunnen schaarmeesters, bestuurders, overtreders, getuigen en gewone gerechtigden noemen. Daarmee kan de geschiedenis uiteindelijk van instelling naar individu verschuiven. De Huizer gerechtigden van 1708, de conflicten uit de negentiende eeuw en de 1.774 gerechtigden van 1979 kunnen zo mogelijk met elkaar worden verbonden.

Van Lantgoyer naar Erfgooier

De lange Huizer bronnenreeks laat vooral zien dat de terminologie veranderde. In oudere documenten en reconstructies verschijnen Naerdincklanders, Lantgoyers en markgenoten; later spreken de bronnen over gerechtigden en uiteindelijk Erfgooiers. Die woorden mogen niet zonder uitleg als synoniemen worden gebruikt. Iedere term behoort bij een bepaalde periode en juridische context. Juist daardoor kan worden onderzocht wanneer de gemeenschap haar latere vorm kreeg. De chronologie loopt van middeleeuwse gebruiksrechten via schaarmeesters en Stad en Lande naar de wettelijke Erfgooiersorganisatie van 1912. Huizen levert voor vrijwel iedere fase concrete bronnen, waardoor de ontwikkeling van de terminologie naast de ontwikkeling van de rechten zelf gevolgd kan worden.

Van 1404 naar 1979

De uitzonderlijke lengte van de Huizer geschiedenis wordt zichtbaar wanneer twee gegevens naast elkaar worden gezet. Op 25 januari 1404 werd het gemeenschappelijke gebruik via een schaarbrief geregeld. Bij de opheffing van Stad en Lande in 1979 waren er volgens de Huizer publicatie nog 1.774 Huizer Erfgooiers, ruim 35 procent van het totaal. Daartussen liggen schaarbrieven, bosrechten, conflicten, getuigenverklaringen, resoluties en familielijsten. Dat betekent niet dat het systeem 575 jaar onveranderd bleef. Integendeel: juist de vele nieuwe regelingen tonen voortdurende aanpassing. Maar Huizen biedt wel een uitzonderlijke mogelijkheid om een plaatselijke gemeenschap gedurende zeer lange tijd binnen hetzelfde historische rechtencomplex te volgen.

De complete namenlaag

De namen die uit deze Huizer onderzoekslaag in ieder geval behouden moeten blijven zijn Wichman/Wichmann, Godelinde/Godelindis, Floris V, Willem III, Willem IV, Karel de Stoute, Lambert Rijcksz Lustigh, Emanuel van Portugal, P.C. Hooft, François Hinlopen, Justus van Broeckhuysen, Freye Klaasz. Boelhouwer, Albertus Perk, L. Rinkels, D.Th. Enklaar, P.W. de Lange en Harmen Kos. Daarnaast zijn instellingen als Elten, Sint-Jan, Hof van Holland, Grote Raad van Mechelen, Staten van Holland, classis Amsterdam, Stad en Lande van Gooiland en de latere Erfgooiersorganisatie inhoudelijk noodzakelijk. De volgende stap blijft het terugvinden van de namen van de gewone Huizer gerechtigden zelf.

De complete dateringslaag

Ook de dateringsreeks is nu veel vollediger: ca. 968; 1176–1186; 6 mei 1280; 30 december 1326; 1396; 25 januari 1404; 1442; 1455; 1470–1474; 1516; 1520; 1521; ca. 1530; 1533; 1534; 1568; 1619; 1626; 1634; 1645; 1646–1913; 1650; 1702–1708; 1708; 1709; 14 juli 1719; 1741; 1762; 1783; 1804; 1826; 1842; 1846; 1851; 1856; 1861; 1872; 1884; 1887; 1889; 1895; 1903; 1912–1913; 1979; februari 1980; februari 1991; februari 1993; februari 2009; februari, mei, september en december 2010; en mei 2011.

Wat Huizen werkelijk heeft opgeleverd

Daarmee is de opbrengst veel rijker dan mijn vorige versie liet zien. Historische Kring Huizen leverde niet alleen de bekende vier oude schaarbrieven, maar een vrijwel doorlopende onderzoekslijn van Naerdincklant naar de laatste Erfgooiers. We hebben de reeks van Harmen Kos, de oude rechten van de Naerdincklanders, schaarmeesters en schaarzetters, Lantgoyers, zwadetijns, het Gooierbos, meenten, heiden, weiden en venen, runderen, paarden en schapen, de Huizer getuigenverklaring van 1533, het paard met worm van 1645, achttiende-eeuwse personen, negentiende-eeuwse schaarbrieven en uiteindelijk 1.774 Huizer Erfgooiers in 1979.

De Huizer lijn is nu veel sterker

De sterkste Huizer verhaallijn loopt daardoor van gebruik naar mensen. In 1326 worden gemeenschappelijke belangen georganiseerd; op 25 januari 1404 wordt de schaar gereguleerd; in 1442 verschijnen runderen en paarden concreet; in 1516 ontstaat strijd om schapen; in 1533 getuigen Huizers over bosgebruik en jacht; in 1645 houden schepenen een ziek paard van de Mient; vanaf 1741 blijven nieuwe schaarbrieven verschijnen; in 1903 veroorzaakt de schaar opnieuw grote onrust; in 1912 volgt landelijke wetgeving; en in 1979 eindigt het systeem met Huizen als plaats met 1.774 gerechtigden. Dat is de complete Huizer ruggengraat die we moeten bewaren.

Historische Kring Albertus Perk — compleet verhaal met de ontbrekende laag

De oudste voorgeschiedenis

Het onderzoek bij Historische Kring Albertus Perk bracht een geschiedenis aan het licht die veel verder teruggaat dan Albertus Perk zelf. De kern is het oude Naardingerland, Naardinkland of Naerdincklant, waaruit het historische Gooiland voortkwam. De latere Erfgooiers waren gerechtigden tot gemeenschappelijk gebruikte bossen, heiden, meenten en andere gronden, maar hun rechten mogen niet zonder bewijs rechtstreeks naar de vroege middeleeuwen worden teruggeprojecteerd. Oude eigendomsrechten, landsheerlijke rechten en plaatselijke gebruiksrechten waren verschillende zaken. Juist de zoektocht naar hun onderlinge verhouding bracht middeleeuwse oorkonden, bosbrieven, schaarbrieven, getuigenverklaringen, processtukken en veel latere gerechtigdenlijsten opnieuw in beeld.

1129 — Lotharius III

Een vroeg jaartal dat uit het Albertus-Perkonderzoek naar voren kwam is 1129, verbonden met keizer Lotharius III. Deze vondst plaatst de voorgeschiedenis van de Gooise rechten binnen de veel grotere politieke wereld van het middeleeuwse Duitse Rijk en het Sticht Utrecht. De latere grenzen van Noord-Holland en Utrecht bestonden nog niet in hun moderne vorm. Kerkelijke instellingen, graven, bisschoppen en wereldlijke machthebbers bezaten verschillende rechten die geografisch door elkaar konden lopen. Daarom is 1129 niet simpelweg een jaartal in een rechtstreeks ontstaan van de Erfgooiers. Het vormt een oudere bestuurlijke laag waartegen de latere ontwikkeling van Naardingerland en zijn plaatselijke gerechtigden onderzocht moet worden.

1326 — bijeenkomen na het blazen op de hoorn

Veel concreter voor de gemeenschap van gebruikers is 1326. In het onderzoek kwam een bijeenkomst van markgenoten naar voren, waarbij ook het oproepen door middel van een hoorn als bijzonder detail verscheen. Dat brengt ons dichter bij de praktische organisatie van mensen die gemeenschappelijke belangen hadden. Het beeld is belangrijk: gerechtigden moesten bijeen kunnen worden geroepen om gezamenlijk over zaken te spreken die hun grondgebruik betroffen. De term markgenoten moet voorzichtig worden gebruikt en niet automatisch gelijkgesteld worden aan de latere Erfgooiersorganisatie. Toch vormt 1326 een belangrijk station tussen oudere landsheerlijke rechten en de steeds duidelijker gedocumenteerde gemeenschap die bossen, heiden en weiden gezamenlijk gebruikte en beheerde.

1364–1365 — de Gooise bosbrieven

Een kernvondst uit de collectie rond Albertus Perk betreft afschriften van de Gooise bosbrieven uit 1364/1365. Deze stukken zijn essentieel omdat het gemeenschappelijke bos een economisch waardevol onderdeel van het Gooise landschap vormde. Hout kon voor bouw en brandstof worden gebruikt, terwijl bos daarnaast andere gebruiksmogelijkheden bood. De bosbrieven tonen dat dit gebruik gereguleerd moest worden. Gemeenschappelijk betekende dus niet rechteloos of vrij toegankelijk voor iedereen. Er waren gerechtigden, regels en beperkingen. De aanwezigheid van afschriften in de historische collectie is bovendien belangrijk voor de bronnenkritiek: we moeten steeds vaststellen waar het origineel berust, wanneer een afschrift vervaardigd werd en hoe betrouwbaar de overgeleverde tekst is.

1396 — Naarden en de Loodijk

Voor 1396 bracht het onderzoek materiaal rond Naarden en de Loodijk naar voren. Dit is belangrijk omdat de geschiedenis van de Erfgooiers voortdurend ruimtelijk moet worden gelezen. Dijken, wegen, waterlopen en grenspunten waren geen decor, maar konden bepalen waar rechten golden. Naarden nam bovendien als stad een bijzondere plaats in binnen het latere verband van Stad en Lande van Gooiland. De relatie tussen stedelijke belangen en die van de Gooise dorpen zou herhaaldelijk tot spanningen leiden. De Loodijk moet daarom later nauwkeurig op oude kaarten worden gelokaliseerd en verbonden worden met de betreffende documenten, zodat zichtbaar wordt welk landschap achter de juridische formuleringen van 1396 schuilging.

1404 — de eerste schaarbrief

De schaarbrief van 1404 behoort tot de belangrijkste documenten in de geschiedenis van de Gooise gebruiksrechten. Een schaar hield verband met het aantal dieren dat een gerechtigde op de gemeenschappelijke weide mocht brengen. Daarmee werd een collectief gebruiksrecht concreet, meetbaar en controleerbaar. Achter de juridische tekst stond het dagelijkse bestaan van boerengezinnen. Koeien, paarden en ander vee hadden weide nodig; het aantal dieren dat iemand mocht inscharen bepaalde mede de omvang van zijn bedrijf. De schaarbrief laat daarom zien dat de gemeenschappelijke grond niet onbeperkt gebruikt kon worden. De gemeenschap moest regels stellen om gebruik onder gerechtigden te verdelen en de beschikbare weide tegen overbelasting te beschermen.

1421 — opnieuw het Gooier bos

Naast de stukken uit 1364/1365 kwam in de collectie ook een afschrift van een bosbrief uit 1421 naar voren. Daarmee ontstaat een reeks waaruit blijkt dat regulering van het bos geen eenmalige gebeurtenis was. De rechten moesten opnieuw worden beschreven, bevestigd of aangepast. Bosgebruik stond bovendien niet los van andere gemeenschappelijke rechten. Boeren maakten tegelijkertijd gebruik van weiden, heiden en verschillende natuurlijke hulpbronnen. De bosbrieven moeten daarom later naast de schaarbrieven worden gelegd. Dan kan onderzocht worden of dezelfde personen of groepen gerechtigden voorkomen, welke bestuursorganen beslissingen namen en hoe de terminologie veranderde. Zo wordt zichtbaar hoe het gemeenschappelijke Gooise landschap juridisch steeds nauwkeuriger werd georganiseerd.

1437 — Johan van Nyenrode en het Gooier Bosch

Voor 1437 kwam een overeenkomst over het Gooier Bosch naar voren waarin Johan van Nyenrode een belangrijke naam is. Hiermee wordt opnieuw zichtbaar dat de gerechtigden niet uitsluitend onderling afspraken maakten. Hun rechten raakten aan de belangen en aanspraken van adellijke en bestuurlijke machthebbers in de omgeving. De familie Van Nyenrode hoort bij de machtswereld van de Vechtstreek en vormt daardoor een concrete verbinding tussen het Gooi en het gebied ten westen daarvan. De overeenkomst van 1437 verdient uiteindelijk afzonderlijke reconstructie: welke partijen traden op, welke gronden werden bedoeld, welke rechten werden erkend of betwist en welke oudere gebruiken werden als bewijs aangevoerd?

1442 en 1455 — nieuwe schaarbrieven

Na 1404 verschenen nieuwe schaarbrieven in 1442 en 1455. Daarmee wordt duidelijk dat het recht om vee op de gemene gronden te laten grazen voortdurend bestuurlijke aandacht vereiste. Een schaarbrief was geen curiositeit, maar onderdeel van een werkend landbouwsysteem. De opeenvolging 1404, 1442 en 1455 maakt het bovendien mogelijk veranderingen te onderzoeken. Bleef het aantal toegestane dieren hetzelfde? Veranderden de categorieën gerechtigden? Werden nieuwe regels toegevoegd omdat bevolking of veestapel toenam? Zulke vragen moeten uiteindelijk vanuit de oorspronkelijke teksten worden beantwoord. De documenten geven het Erfgooiersverhaal een tastbare economische basis: gemeenschappelijk recht betekende dagelijks toegang tot voedsel voor het vee.

1470 — Karel de Stoute

Voor 1470 verschijnt Karel de Stoute in het onderzoeksdossier. Daarmee komen de Gooise rechten terecht binnen de bestuurlijke wereld van de Bourgondische Nederlanden. Lokale en regionale geschillen konden worden beïnvloed door beslissingen van een landsheer die over veel grotere gebieden regeerde. Dat is belangrijk voor de schaal van het verhaal. Erfgooiersgeschiedenis is weliswaar sterk lokaal, maar de juridische omgeving waarin hun voorgangers opereerden was dat niet. Besluiten over Gooise rechten konden samenhangen met de centralisering van bestuur en rechtspraak. Daarom moeten documenten uit 1470 niet geïsoleerd worden gelezen. Ze behoren bij de ontwikkeling die ook verklaart waarom geschillen enkele jaren later bij hogere gerechtelijke instanties terecht konden komen.

1474 — procederen op hoog niveau

Rond 1474 kwamen procedures bij hogere rechtsinstanties, waaronder de Grote Raad van Mechelen, in beeld. Dat is een belangrijke vondst. Geschillen over Gooise rechten waren kennelijk ernstig genoeg om buiten het onmiddellijke gebied behandeld te worden. Processtukken kunnen uitzonderlijk rijk zijn omdat partijen daarin moeten uitleggen waarop zij hun aanspraken baseren. Oudere rechten, documenten, gebruiken, personen en geografische grenzen kunnen als bewijs worden aangevoerd. Daarmee zijn dergelijke dossiers mogelijk belangrijker dan een veel later historisch overzicht. Ze laten de betrokken partijen zelf spreken. Voor het vervolgonderzoek moeten de procedures rond 1470–1474 daarom afzonderlijk worden uitgeplozen op persoonsnamen, getuigen, genoemde stukken, veldnamen en exacte juridische argumenten.

Van Amstel en de landsheerlijke laag

Ook de naam Van Amstel kwam in de Albertus-Perkzoektocht naar voren. Deze familie behoort tot de bredere machtsgeschiedenis tussen Utrecht, Amstelland, Vechtstreek en Gooiland. De naam moet in het uiteindelijke onderzoek niet los als beroemde familie worden ingevoegd, maar uitsluitend waar concrete documenten de relatie met Gooiland aantonen. Dat geldt eveneens voor andere landsheren. Het belang van deze vondst is vooral dat de ontwikkeling van de gemene rechten niet binnen moderne gemeente- of provinciegrenzen kan worden begrepen. Adellijke netwerken, grafelijke rechten, bisschoppelijke invloed en plaatselijke gebruiken liepen door elkaar. De Erfgooiers ontstonden binnen deze veel ingewikkeldere middeleeuwse machtsstructuur.

Willem III en Willem IV

In dezelfde bredere historische laag kwamen Willem III en Willem IV naar voren. Ook hun optreden moet uiteindelijk worden gekoppeld aan de afzonderlijke documenten waarin Gooiland of de rechten van zijn bewoners worden genoemd. Dat voorkomt dat een algemene Hollandse vorstengeschiedenis het eigenlijke Erfgooiersverhaal gaat overheersen. Hun betekenis ligt in de landsheerlijke context: gedurende de veertiende eeuw werd Gooiland bestuurd binnen een groter Hollands verband, terwijl de bewoners tegelijkertijd oude collectieve gebruikspraktijken behielden. Juist de wisselwerking tussen bovenlokale macht en plaatselijke rechten is wezenlijk. De grafelijke overheid kon besluiten nemen, maar daarmee verdwenen lokale gewoonten en belangen niet. Zij moesten telkens opnieuw tegen elkaar worden afgewogen.

1516 — gedwongen verdrijving

Voor 1516 leverde het onderzoek een bijzonder scherp conflictmoment op: een gedwongen verdrijving. Dit verdient in het uiteindelijke verhaal veel meer aandacht dan een enkele datum, omdat het laat zien dat strijd om de gemene gronden niet uitsluitend via documenten en rechtbanken verliep. Wanneer mensen daadwerkelijk van grond werden verwijderd, kregen juridische aanspraken directe gevolgen voor hun bestaan. Wie precies verdreven werd, door wie en van welke terreinen moet vanuit de oorspronkelijke stukken verder worden vastgesteld. Het jaartal 1516 is daarom een belangrijk onderzoeksanker. Het maakt duidelijk dat toegang tot bos, heide en weide een machtskwestie was waarbij fysieke uitoefening van gezag naast schriftelijke rechten kon staan.

1520 en 1521 — uitspraak en herstel

Op 1516 volgen twee belangrijke momenten: een uitspraak in 1520 en in 1521 het terugdraaien van ongeveer dertig jaar aan inbreuken. Vooral die laatste formulering is veelzeggend. Wanneer dertig jaar aan eerdere aantastingen of veranderingen moest worden hersteld, reikte het conflict terug tot ongeveer het einde van de vijftiende eeuw. Daarmee ontstaat een langere conflictketen die mogelijk aansluit bij de procedures rond 1470–1474. Deze documenten moeten uiteindelijk naast elkaar worden gelegd. Dan kan blijken of dezelfde partijen, terreinen of rechten gedurende tientallen jaren terugkeren. Zo verandert een reeks losse jaartallen in een langdurige strijd om zeggenschap over de gemeenschappelijke Gooise hulpbronnen.

1533 — een Huizer getuigenverklaring

Een van de mooiste concrete vondsten is een originele Huizer getuigenverklaring uit 1533 over bosgebruik en jacht. Aan het stuk bevinden zich nog twee beschadigde zegels. Dit is precies het soort bron waarmee de abstracte rechtshistorie tot leven komt. Getuigen konden vertellen welke gebruiken zij kenden, wie rechten uitoefende en hoe lang bepaalde praktijken volgens hen bestonden. Bovendien verbindt het document twee belangrijke onderwerpen: gemeenschappelijk bosgebruik en jacht, een recht dat ook met landsheerlijke of heerlijke aanspraken kon botsen. De verklaring kwam in de onderzoekslijn rond P.W. de Lange en D.Th. Enklaar opnieuw naar voren en verdient een volledige diplomatische analyse.

1568 — de vierde schaarbrief

De schaarbrief van 1568 verlengt de documentreeks van 1404, 1442 en 1455 tot diep in de zestiende eeuw. In de onderzoeksopbrengst werd deze als vierde schaarbrief aangeduid. Daarmee beschikken we over een uitzonderlijk lange reeks voor de regulering van gemeenschappelijke beweiding. Het jaar 1568 heeft bovendien een bredere historische betekenis als beginjaar van de Nederlandse Opstand, maar voor het Erfgooiersverhaal moet vooral worden gekeken naar wat de schaarbrief zelf regelde. Welke gerechtigden werden erkend? Hoeveel vee kon worden ingeschaard? Welke plaatsen waren betrokken? En welke problemen maakten een nieuwe regeling noodzakelijk? De tekst kan veranderingen sinds 1404 concreet zichtbaar maken.

1619 — Emanuel van Portugal en P.C. Hooft

Voor 1619 kwamen twee opvallende namen naar voren: Emanuel van Portugal en P.C. Hooft. Daarmee krijgt de vroeg-zeventiende-eeuwse geschiedenis van de Gooise gronden een onverwachte verbinding met personen die ook buiten de Erfgooiersgeschiedenis bekend zijn. P.C. Hooft was drost van Muiden en baljuw van Gooiland en bevond zich daardoor daadwerkelijk binnen de bestuurlijke structuur waarin Gooise geschillen konden worden behandeld. Emanuel van Portugal moet vanuit de betreffende bron precies worden geplaatst. Hun optreden mag niet tot anekdote worden gereduceerd: juist hun functies en belangen kunnen laten zien hoe lokale rechten van Gooise gerechtigden botsten of samenliepen met bovenlokale bestuurlijke en particuliere belangen.

1626 — de Staten van Holland

In 1626 verschijnen de Staten van Holland in het dossier. Daarmee zien we opnieuw dat het beheer van de Gooise gemene gronden niet alleen een aangelegenheid van dorpsbesturen en gerechtigden was. Wanneer de Staten zich ermee bemoeiden, had het conflict een gewestelijk bestuurlijk niveau bereikt. Voor het verdere onderzoek moet worden vastgesteld welk besluit in 1626 precies werd genomen, wie het initiatief nam en welke eerdere rechten werden aangevoerd. Dit kan bovendien naast de gebeurtenissen van 1619 en 1634 worden gelegd. Zo ontstaat een vroeg-zeventiende-eeuwse reeks waarin lokaal gewoonterecht, bestuur van Gooiland en besluitvorming door de Staten van Holland rechtstreeks met elkaar in aanraking kwamen.

1634 — buurspraak

Voor 1634 kwam de buurspraak naar voren. Dat begrip is belangrijk omdat het ons terugbrengt van hoge bestuursorganen naar besluitvorming binnen de plaatselijke gemeenschap. Buurspraak was een vorm waarin plaatselijke zaken gezamenlijk besproken en geregeld konden worden. Voor de geschiedenis van de Erfgooiers is dat essentieel: collectieve rechten konden alleen functioneren wanneer er mechanismen waren om regels vast te stellen, conflicten te bespreken en gebruikers aan besluiten te binden. Het jaar 1634 laat daarmee zien dat naast Staten, baljuwen en andere autoriteiten ook lokale vergaderpraktijken bleven bestaan. De institutionele geschiedenis van Gooiland moet daarom van onder én van boven worden gereconstrueerd, niet vanuit één bestuurlijk centrum.

Albertus Perk — 1795–1880

Pas binnen deze lange voorgeschiedenis verschijnt Albertus Perk (1795–1880) zelf. Als notaris te Hilversum bezat hij juridische kennis en toegang tot documenten die hem bijzonder geschikt maakten om de ingewikkelde Gooise rechten te onderzoeken. Hij leefde bovendien in een tijd waarin het oude gemeenschappelijke grondstelsel steeds sterker onder druk kwam. Hilversum groeide, grond kreeg nieuwe economische waarde en moderne ideeën over particulier eigendom, verdeling en ontginning botsten met eeuwenoude gebruiksrechten. Perk was daardoor niet alleen een historicus die naar een afgesloten verleden keek. De rechtsverhoudingen waarover hij schreef bestonden nog. Zijn historische belangstelling en zijn betrokkenheid bij het actuele grondvraagstuk kunnen daarom niet van elkaar worden gescheiden.

1837 — Gooiland op de kaart

Een belangrijke kaart uit 1837 laat zien hoe noodzakelijk cartografie voor dit onderzoek is. Het negentiende-eeuwse Gooiland zag er totaal anders uit dan tegenwoordig. Tussen Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen, Bussum en Naarden lagen grote oppervlakten heide, bos en andere nog weinig bebouwde terreinen. De gemene gronden waren daardoor letterlijk een ruimtelijke structuur die de dorpen met elkaar verbond. Op kaarten konden grenzen, wegen, meenten en heidegebieden worden vastgelegd. Voor de gerechtigden waren zulke lijnen echter niet abstract. Zij bepaalden waar vee kon grazen en welke grond gezamenlijk bleef. De kaart van 1837 vormt daarom een onmisbare momentopname vóór de grote latere ruimtelijke veranderingen.

1842 — Perk schrijft over Gooiland

In 1842 publiceerde Albertus Perk over de geschiedenis en rechtsverhoudingen van Gooiland. Zijn werk behoort tot de belangrijkste negentiende-eeuwse schakels tussen de oude documenten en de moderne geschiedschrijving. Perk beschikte over materiaal dat hij vanuit zijn eigen juridische wereld interpreteerde. Daarom is zijn werk tegelijk bron en historiografie. Wanneer hij een middeleeuwse bosbrief of een oude regeling bespreekt, moeten zijn woorden worden vergeleken met het oorspronkelijke document. Tegelijk vertelt zijn interpretatie ons hoe men in 1842 naar de Erfgooierskwestie keek. Dat is belangrijk omdat de strijd toen allang niet meer uitsluitend draaide om traditionele landbouw, maar steeds sterker ook om eigendom en grondwaarde.

1843 — een verdelingsplan

1843 werd een volgend belangrijk jaar. Perk hield zich bezig met plannen om de slepende conflicten over de Gooise gronden door een duidelijke verdeling op te lossen. De gedachte was dat verschillende partijen exclusieve rechten op bepaalde delen zouden kunnen krijgen in plaats van voortdurend met overlappende aanspraken geconfronteerd te worden. Dat klinkt administratief eenvoudig, maar betekende een fundamentele verandering. Eeuwenoude gebruiksrechten konden niet zonder gevolgen in moderne eigendomsgrenzen worden omgezet. Voor een boer betekende een lijn op een kaart mogelijk verlies van weide. Voor een overheid kon dezelfde lijn juist duidelijk eigendom opleveren. De discussie van 1843 raakt daarom de kern van de negentiende-eeuwse Erfgooiersproblematiek.

1843–1845 — kaarten als juridisch instrument

De kaarten uit 1843–1845 maakten dergelijke voorstellen zichtbaar. Daarmee werd het eeuwenoude gemeenschappelijke landschap vertaald in oppervlakten, grenzen en afzonderlijk toe te delen terreinen. Cartografie werd een juridisch en bestuurlijk instrument. De kaartmaker bepaalde niet zelf wie recht had, maar een kaart kon een voorgestelde oplossing wel buitengewoon overtuigend laten lijken. Juist daarom moeten deze kaarten kritisch worden gelezen. Welke categorieën grond werden onderscheiden? Welke grenzen werden gekozen? Welke gebieden zouden gemeenschappelijk blijven en welke niet? Door de kaarten uit 1837, 1843 en 1843–1845 naast elkaar te leggen kan zichtbaar worden hoe de discussie over verdeling zich ruimtelijk ontwikkelde en welke delen van Gooiland centraal stonden.

Stad en Lande van Gooiland

De organisatie waarbinnen veel van deze conflicten speelden was Stad en Lande van Gooiland. Naarden vormde de stad, terwijl de Gooise dorpen hun eigen belangen hadden. De gemeenschap beheerde gemene gronden waarop gerechtigden traditionele gebruiksrechten uitoefenden. Dat betekende niet dat iedereen in Gooiland dezelfde positie had. Het verschil tussen gerechtigden en andere inwoners was fundamenteel. Ook tussen gerechtigden konden belangen uiteenlopen. Boeren die daadwerkelijk vee inschaarden hadden een ander belang bij behoud van de grond dan iemand die wel gerechtigd was maar het recht nauwelijks agrarisch gebruikte. Naarmate de grondwaarde in de negentiende eeuw steeg, werd die tegenstelling steeds belangrijker.

Meenten, heiden, groenlanden en bossen

Het onderzoek van de kring maakte bovendien duidelijk dat gemene gronden geen uniforme categorie waren. Er waren meenten, heiden, groenlanden en bossen, ieder met eigen gebruik. Op de meent werd vee geweid. Heide werd gebruikt voor begrazing en binnen het landbouwbedrijf. Groenlanden leverden waardevolle weide- en hooimogelijkheden. Bossen leverden hout en andere producten en kenden eigen regelingen, zoals de bosbrieven aantonen. Dit onderscheid is noodzakelijk wanneer conflicten worden onderzocht. Een regel over bosgebruik hoeft niet automatisch voor een meent te gelden. De latere verkoop of verdeling had eveneens verschillende gevolgen afhankelijk van de functie die een terrein binnen het traditionele boerenbedrijf vervulde.

De meent rond 1500

Binnen de publicaties van de Historische Kring kwam afzonderlijke aandacht voor de meent en de toestand rond 1500 naar voren. Dat is een waardevolle invalshoek omdat hiermee niet uitsluitend juridische documenten, maar ook het daadwerkelijke landschap en gebruik centraal komen te staan. Rond 1500 bestond het Gooise landbouwsysteem uit particuliere akkers en boerderijen die tegelijkertijd afhankelijk konden zijn van gemeenschappelijke hulpbronnen. Veehouderij en akkerbouw waren daardoor met de gemene gronden verweven. Wanneer toegang tot een meent werd beperkt, raakte dat indirect ook het particuliere bedrijf. Dit verklaart waarom ogenschijnlijk kleine geschillen over aantallen dieren of grenzen zo hardnekkig konden worden en soms tientallen jaren bleven voortbestaan.

De groenlanden

Ook de groenlanden kregen in de onderzochte publicaties een afzonderlijke behandeling. Daarmee wordt het traditionele beeld van het Gooi als uitsluitend een gebied van droge heide en zandgronden gecorrigeerd. Nattere en vruchtbaardere terreinen hadden eveneens economische betekenis. Verschillende landschapstypen boden verschillende mogelijkheden voor beweiding, hooiwinning en ander gebruik. Daarom moeten veldnamen en oude perceelsaanduidingen zorgvuldig bewaard blijven wanneer ze in bronnen voorkomen. Juist daarmee kunnen rechten uiteindelijk op een historische kaart worden teruggebracht. De groenlanden vormen zo een eigen laag naast bos, heide en meent. Zonder die differentiatie blijft het begrip gemene gronden te abstract om het dagelijkse functioneren van het Erfgooierssysteem werkelijk te begrijpen.

1500–1670 — veranderingen in het gebruik

Een afzonderlijke onderzoekslaag behandelde ongeveer 1500–1670. Deze periode is bijzonder omdat de laatmiddeleeuwse gebruiksrechten dan doorlopen in de vroegmoderne Republiek. De gebeurtenissen van 1516, 1520, 1521, 1533, 1568, 1619, 1626 en 1634 laten zien hoeveel bestuurlijke en juridische activiteit rond de rechten bestond. De schaarbrief van 1568, de Huizer verklaring van 1533, de bemoeienis van P.C. Hooft, Emanuel van Portugal en de Staten van Holland behoren daardoor niet tot losse verhalen. Samen tonen ze een systeem dat voortdurend moest worden verdedigd, uitgelegd en aangepast. De rechten bleven bestaan doordat mensen ze daadwerkelijk bleven uitoefenen en verdedigen.

Circa 1650–1800 — een veranderend Gooi

Ook ongeveer 1650–1800 werd als afzonderlijke periode onderzocht. In deze anderhalve eeuw veranderde de economische en bestuurlijke omgeving van Gooiland sterk, terwijl de gemeenschappelijke rechten bleven functioneren. De bevolkingsontwikkeling van de dorpen, veranderende landbouw, grondgebruik en toenemende druk op beschikbare ruimte maakten oude regelingen steeds ingewikkelder. Tegelijk bleven gerechtigdheid en afkomst belangrijk. Hierdoor ontstond de paradox die in de negentiende eeuw nog sterker zou worden: een historisch systeem bleef juridisch en praktisch functioneren in een samenleving die steeds minder leek op de wereld waarin de oudste bos- en schaarbrieven waren opgesteld. Perk erfde rond 1800 dus geen onveranderd middeleeuws systeem, maar een voortdurend aangepast rechtscomplex.

Gerechtigdenlijsten en families

Een cruciale bronnenlaag wordt gevormd door leden- en gerechtigdenlijsten uit het archief van de Erfgooiers en Stad en Lande. Daarbij kwamen de archiefverwijzingen SSAN053.04 en 053.01 naar voren. Deze registers kunnen het institutionele verhaal veranderen in een geschiedenis van concrete mensen. Door namen over verschillende jaren te vergelijken kan worden onderzocht welke families generaties lang gerechtigd bleven, wanneer nieuwe personen verschenen en hoe rechten werden overgedragen. De lijsten moeten later gecombineerd worden met bevolkingsregisters, genealogieën, schaarlijsten en belastingbronnen. Daarmee kunnen uiteindelijk individuele Erfgooiers gevolgd worden: waar zij woonden, welk beroep zij hadden en of zij hun schaarrecht daadwerkelijk agrarisch gebruikten.

1772 en 1805 — Hilversumse bronnen

Voor Hilversum kwamen ook de jaren 1772 en 1805 als concrete administratieve aanknopingspunten naar voren. Ze sluiten aan bij de bredere reeks van koptiendenregisters over 1504–1740 en andere lijsten waarmee gerechtigden en families gevolgd kunnen worden. Juist de overgang rond 1800 is belangrijk omdat we daarmee dicht bij de levensperiode van Albertus Perk komen. Wanneer dezelfde familienamen vóór en na 1800 terugkeren, kan worden onderzocht hoe oude gerechtigdheid doorliep in de negentiende eeuw. Deze bronnen kunnen bovendien aantonen hoeveel mensen werkelijk bij het systeem betrokken waren, in plaats van alleen de bestuurders en woordvoerders te volgen die in conflictdossiers en gedrukte publicaties het zichtbaarst zijn.

Harmen Vos

In de latere geschiedenis kwam Harmen Vos als belangrijke naam naar voren. Zijn rol hoort bij de periode waarin de conflicten binnen de Erfgooiersgemeenschap sterk verscherpten. De tegenstelling ging niet meer alleen over historische bewijsstukken, maar over daadwerkelijk gebruik, bestuur en de toekomst van zeer waardevolle gemeenschappelijke gronden. Harmen Vos moet daarom niet als losse bekende Erfgooier worden genoemd. Zijn optreden moet uiteindelijk gekoppeld worden aan concrete vergaderingen, protesten en besluiten. Juist personen als Vos maken zichtbaar dat de Erfgooiersgeschiedenis geen abstract juridisch relaas is. Achter de organisatie stonden mensen die bereid waren actief voor hun rechten en voor hun visie op het gemeenschappelijke bezit op te komen.

Machiel Majoor en Floris Vos

Naast Harmen Vos kwamen Machiel Majoor en Floris Vos naar voren. Ook zij behoren tot de persoonslaag die in een algemene geschiedenis gemakkelijk verdwijnt. Hun optreden moet in de definitieve reconstructie worden gekoppeld aan de specifieke conflicten, functies en data waarin de bronnen hen noemen. Dat is belangrijk omdat de strijd binnen de Erfgooiers niet simpelweg bestond uit 'de Erfgooiers' tegenover 'de overheid'. Binnen de gemeenschap bestonden verschillende belangen en groepen. Sommige gerechtigden waren actief als boer en wilden gemeenschappelijke weide behouden; anderen konden andere opvattingen hebben over verkoop of verdeling. Door Majoor, Harmen Vos en Floris Vos afzonderlijk te volgen worden deze interne verhoudingen zichtbaar.

Hendrik Smit en Christiaan Smit

Ook Hendrik Smit en Christiaan Smit kwamen uit de onderzoeksronde naar voren. Hun namen moeten eveneens worden bewaard, juist omdat familieverbanden binnen een systeem van erfelijke gerechtigdheid betekenis kunnen hebben. Het woord Erfgooier verwijst immers naar een recht dat door afkomst en de historische gemeenschap bepaald werd. Daarom kan genealogisch onderzoek veel meer opleveren dan alleen familiegeschiedenis. Wanneer personen als Hendrik en Christiaan Smit op gerechtigdenlijsten, in vergaderstukken of conflictbronnen voorkomen, kan worden onderzocht hoe hun rechten ontstonden en hoe zij werden gebruikt. Daarmee krijgen we uiteindelijk niet alleen een institutionele geschiedenis, maar een sociale geschiedenis van de families die het systeem generaties lang droegen.

Emil Luden

Een andere belangrijke naam is Emil Luden. Hij behoort tot de personen die in de moderne geschiedenis van de Erfgooiers en hun organisatie zichtbaar worden. Ook hier moet zijn precieze positie steeds aan concrete bronnen worden gekoppeld. De naam Luden verschijnt bovendien in de historiografie: E. Luden publiceerde in 1931 Het Gooi en de Erfgooiers. Daardoor moeten persoon, bestuurder en auteur zorgvuldig van elkaar worden onderscheiden wanneer bronnen verschillende initialen gebruiken. Het werk uit 1931 staat vlak vóór de belangrijke studies van D.Th. Enklaar uit 1932 en J.H. Sebus uit 1933 en vormt daarmee een onderdeel van de intensieve twintigste-eeuwse discussie over oorsprong en rechtstoestand.

1903 — schaardag en protest

Een concreet conflictjaar is 1903. Rond een schaardag liepen de spanningen zo hoog op dat protestoptochten en de aanwezigheid of inzet van militairen in de onderzoeksopbrengst naar voren kwamen. Daarmee zien we hoe explosief het grondvraagstuk vlak vóór de wettelijke regeling kon worden. Schaarrecht was nog altijd geen antiquarisch overblijfsel. Het bepaalde wie daadwerkelijk vee op de gemeenschappelijke grond mocht brengen. Wanneer daarover conflicten ontstonden, stonden economische bestaansbelangen op het spel. De gebeurtenissen van 1903 moeten uiteindelijk dag voor dag worden gereconstrueerd: wie organiseerde het protest, wie trad namens het bestuur op, waarom werden militairen ingezet en welke gevolgen had dit voor de politieke discussie?

1912 — de Erfgooierswet

De langdurige conflicten leidden uiteindelijk tot de Erfgooierswet van 1912. Daarmee kreeg de eeuwenoude gemeenschap een moderne wettelijke regeling. Dit was een fundamenteel keerpunt. Middeleeuws gegroeide rechten moesten nu worden vastgelegd binnen het Nederlandse recht van de twintigste eeuw. De wet regelde de organisatie en positie van de gerechtigden, maar maakte de belangentegenstellingen niet ongedaan. De waarde van de grond bleef stijgen en de vraag naar verkoop, gebruik en verdeling bleef bestaan. Voor de historische reconstructie is 1912 daarom geen slotdatum. Het is juist het begin van een nieuwe fase waarin de oude rechten wettelijk werden beschermd en tegelijkertijd steeds sterker botsten met verstedelijking en veranderend grondgebruik.

E. Luden — 1931

In 1931 verscheen van E. Luden Het Gooi en de Erfgooiers. Het werk werd een belangrijk onderdeel van de twintigste-eeuwse literatuur over het onderwerp. Het staat chronologisch tussen de Erfgooierswet van 1912 en de nieuwe historische studies van de jaren dertig. Dat maakt het interessant om te onderzoeken hoe men twintig jaar na de wet naar de voorgeschiedenis keek. Welke middeleeuwse documenten gebruikte Luden? Hoe verklaarde hij de oorsprong van de gerechtigden? En hoe keek hij naar de actuele organisatie? Het boek moet daarom niet uitsluitend als feitenbron worden gebruikt, maar ook als tijdsdocument uit een periode waarin de Erfgooiers nog daadwerkelijk bestonden en hun grondbezit onderwerp van discussie bleef.

D.Th. Enklaar — 1932

D.Th. Enklaar publiceerde in 1932 belangrijk onderzoek naar de Gooise marke en haar geschiedenis. Zijn naam kwam bovendien terug in verband met de Huizer getuigenverklaring van 1533. Daarmee is Enklaar belangrijk op twee niveaus: als historicus die een algemene verklaring ontwikkelde én als onderzoeker die concrete oude stukken gebruikte. Zijn conclusies mogen echter niet automatisch als definitief worden overgenomen. Latere onderzoekers hebben begrippen als marke en markgenoot opnieuw beoordeeld. Daarom moet steeds worden aangegeven wanneer we een middeleeuwse bron citeren en wanneer we Enklaars twintigste-eeuwse interpretatie daarvan beschrijven. Die scheiding is essentieel voor een betrouwbare geschiedenis van de oorsprong van de Erfgooiers.

J.H. Sebus — 1933

Al in 1933 volgde J.H. Sebus met nieuw onderzoek. De snelle opeenvolging Luden 1931 – Enklaar 1932 – Sebus 1933 laat zien hoe actueel het Erfgooiersvraagstuk in deze periode was. De organisatie bestond nog en tegelijkertijd probeerden historici te verklaren hoe haar uitzonderlijke rechten waren ontstaan. Daardoor liepen recht, geschiedenis en actuele belangen gemakkelijk door elkaar. Sebus moet daarom afzonderlijk worden gelezen en niet simpelweg als bevestiging van Enklaar. Waar verschillen hun interpretaties? Welke documenten gebruiken zij? Welke conclusies baseren zij op latere traditie? Door de drie publicaties naast elkaar te leggen kunnen we zien hoe het moderne beeld van de Erfgooiers in korte tijd werd gevormd.

A.C.J. de Vrankrijker — 1947

A.C.J. de Vrankrijker voegde in 1947 een volgende belangrijke laag toe. Zijn onderzoek staat verder verwijderd van de conflicten rond 1903 en de wet van 1912, maar nog altijd in een tijd waarin de Erfgooiersorganisatie functioneerde. Daardoor kon hij zowel historische documenten als een levende institutionele werkelijkheid bestuderen. De reeks Perk 1842 – Luden 1931 – Enklaar 1932 – Sebus 1933 – De Vrankrijker 1947 moet als historiografische ruggengraat behouden blijven. Iedere auteur keek vanuit een andere tijd naar dezelfde oorsprongsvraag. Verschillen tussen hen zijn geen probleem dat moet worden weggewerkt; ze zijn juist historisch interessant en kunnen aangeven waar de bewijsvoering onzeker of omstreden bleef.

1984 — P.W. de Lange

Bij de Historische Kring Albertus Perk zelf kwam vanaf 1984 een belangrijke publicatielaag naar voren. In 1984, nummer 3 verschijnt P.W. de Lange in verband met een bespreking rond Het Gooi en zijn Erfgooiers. De Lange kwam ook terug in de onderzoekslijn naar oudere documenten, waaronder het materiaal dat samenhangt met de Huizer verklaring van 1533. Daarmee vormt hij een schakel tussen moderne lokale geschiedschrijving en het oude bronnenmateriaal. Het register van de kring vanaf 1984 is daarom geen simpele inhoudsopgave. Het is een zoekinstrument waarmee personen, terreinen, historische perioden en verwijzingen naar oudere archiefstukken systematisch kunnen worden opgespoord en opnieuw gecontroleerd.

De geschiedenis van het Gooi en zijn Erfgooiers

Binnen de Albertus-Perkpublicaties kwam in 1984 tevens materiaal naar voren onder de titel De geschiedenis van het Gooi en zijn Erfgooiers. Deze publicatielaag is belangrijk omdat de lokale historische kring daarmee niet alleen losse gebeurtenissen behandelde, maar de lange ontwikkeling van het systeem zelf. Voor ons onderzoek moet ieder onderdeel daarvan worden uitgesplitst: welke middeleeuwse documenten worden genoemd, welke negentiende-eeuwse bronnen van Perk worden gebruikt, welke personen verschijnen en welke conclusies worden overgenomen van oudere historici? Zo kan de publicatie als toegangspoort naar primaire bronnen worden gebruikt. Het doel is niet de tekst eenvoudig na te vertellen, maar iedere concrete verwijzing terug te volgen naar haar oorsprong.

Hilversums Historie nader bekeken

Ook de reeks Hilversums Historie nader bekeken leverde belangrijke onderdelen. Daarin werden onderwerpen behandeld die rechtstreeks raken aan de ontwikkeling van het gemeenschappelijke landschap: de groenlanden, de meent en de toestand rond 1500, de periode 1500–1670 en vervolgens ongeveer 1650–1800. Daarmee biedt de reeks een chronologische verdieping die in een algemeen Erfgooiersboek gemakkelijk ontbreekt. Vooral voor Hilversum kan zo worden gevolgd hoe het grondgebruik door de eeuwen veranderde. Wanneer deze artikelen worden gecombineerd met kaarten en gerechtigdenlijsten kunnen we bovendien onderzoeken waar de beschreven terreinen lagen en welke Hilversumse families er daadwerkelijk gebruiksrechten uitoefenden.

Anna's Hoeve

Een ander onderzoeksspoor betrof Anna's Hoeve. Daarbij kwamen de namen Kees van Aggelen en Joop Reinbout naar voren. Dit onderwerp is belangrijk omdat het laat zien wat er uiteindelijk met delen van het oude Gooise landschap gebeurde. Terreinen die ooit binnen een veel opener agrarisch en gemeenschappelijk landschap lagen, kregen later nieuwe functies. Door Anna's Hoeve afzonderlijk te onderzoeken kunnen veranderingen in eigendom, gebruik, natuur, recreatie en ruimtelijke ontwikkeling worden gevolgd. Van Aggelen en Reinbout moeten daarbij als concrete auteurs of onderzoekers behouden blijven. Hun werk vormt een lokale aanvulling op de grotere institutionele geschiedenis en helpt het voormalige Erfgooiersland in het huidige landschap terug te vinden.

Scharenden en niet-scharenden

Een essentiële sociale tegenstelling liep tussen scharende en niet-scharende Erfgooiers. Scharenden gebruikten hun recht daadwerkelijk om vee te weiden en hadden daardoor een direct belang bij behoud van gemeenschappelijke weidegrond. Niet-scharende gerechtigden konden wel aanspraken binnen de organisatie bezitten zonder dezelfde afhankelijkheid van de grond voor hun boerenbedrijf. Naarmate grondprijzen stegen, kon verkoop voor de ene groep aantrekkelijker worden dan voor de andere. Daardoor veranderde een oude gemeenschap van gerechtigden steeds meer in een organisatie waarin agrarische en financiële belangen tegenover elkaar konden staan. Deze tegenstelling is noodzakelijk om de conflicten van de negentiende en twintigste eeuw werkelijk te begrijpen.

Wijkers en blijvers

Daaruit ontwikkelde zich uiteindelijk ook de tegenstelling tussen wijkers en blijvers. De woorden verwijzen naar verschillende opvattingen over de toekomst van het gezamenlijke bezit en de organisatie. Achter deze begrippen stonden concrete gerechtigden, families en economische belangen. Daarom mogen wijkers en blijvers niet als abstracte kampen worden behandeld. De gerechtigdenlijsten bieden juist de mogelijkheid personen aan hun positie te koppelen wanneer de bronnen dat toelaten. De inzet werd steeds groter doordat de grond rond snelgroeiende Gooise plaatsen enorme waarde kreeg. Een middeleeuws gebruiksrecht dat oorspronkelijk vooral toegang tot weide bood, vertegenwoordigde uiteindelijk een financieel belang dat de oorspronkelijke agrarische functie ver kon overstijgen.

Het Goois Natuurreservaat

De geschiedenis van de gemene gronden raakt vervolgens aan het Goois Natuurreservaat. Dit vertegenwoordigt een nieuwe fase in de waardering van het landschap. Heide en bos werden niet langer uitsluitend beoordeeld op hun nut voor landbouw, houtwinning, ontginning of bebouwing. Natuur- en landschapsbescherming kregen zelfstandige betekenis. Daardoor konden voormalige of aan het Erfgooiersbezit verbonden terreinen een nieuwe collectieve functie krijgen. Het is een opmerkelijke historische omkering. Hetzelfde landschap dat eeuwenlang gemeenschappelijk werd gebruikt omdat het economische hulpbronnen leverde, werd later beschermd omdat open heide, bos en natuur juist schaars waren geworden. Zo bleef een deel van het oude Gooise landschap herkenbaar ondanks het verdwijnen van het oorspronkelijke rechtsstelsel.

De ontbinding in de jaren zeventig

In de jaren zeventig eindigde uiteindelijk de institutionele geschiedenis van de Erfgooiers. De gemeenschappelijke gronden waren in de voorafgaande decennia steeds verder verkocht, overgedragen of anders bestemd. Daarmee werd de financiële waarde van het resterende vermogen steeds belangrijker tegenover het oorspronkelijke recht om vee te laten grazen. Bij de afwikkeling moesten de aanspraken van de gerechtigden worden geregeld. De ontbinding betekende het einde van een organisatie waarvan de voorgeschiedenis via schaarbrieven, bosbrieven en andere documenten eeuwen terug gevolgd kan worden. De gerechtigden verdwenen daarmee niet uit de geschiedenis: hun namen, families, conflicten en rechten bleven bewaard in de omvangrijke administratie van de organisatie.

Wat Albertus Perk uiteindelijk heeft opgeleverd

De volledige opbrengst is daardoor veel groter dan alleen Albertus Perk (1795–1880). De zoekronde bracht Lotharius III, Van Amstel, Willem III, Willem IV, Johan van Nyenrode, Karel de Stoute, Emanuel van Portugal, P.C. Hooft, Harmen Vos, Machiel Majoor, Floris Vos, Hendrik Smit, Christiaan Smit, Emil/E. Luden, P.W. de Lange, D.Th. Enklaar, J.H. Sebus, A.C.J. de Vrankrijker, Kees van Aggelen en Joop Reinbout in beeld. Daarbij kwamen 1129, 1326, 1364/1365, 1396, 1404, 1421, 1437, 1442, 1455, 1470–1474, 1516, 1520, 1521, 1533, 1568, 1619, 1626, 1634, 1837, 1842, 1843–1845, 1903 en 1912 als ankerpunten naar voren.

De documenten vormen de ruggengraat

Nog belangrijker is de bronnenreeks: Gooise bosbrieven van 1364/1365 en 1421; schaarbrieven van 1404, 1442, 1455 en 1568; de overeenkomst over het Gooier Bosch van 1437; processen rond 1470–1474; de gebeurtenissen van 1516, uitspraken van 1520–1521; de originele Huizer getuigenverklaring van 1533 met twee beschadigde zegels; bestuurlijke stukken uit 1619, 1626 en 1634; koptiendenregisters 1504–1740; Hilversumse gegevens uit 1772 en 1805; gerechtigdenlijsten; Perks werk uit 1842; en kaarten uit 1837 en 1843–1845. Daardoor kan het verhaal uiteindelijk grotendeels vanuit concrete documenten worden opgebouwd.

De betekenis van deze verenigingsronde

Historische Kring Albertus Perk heeft daarmee vooral een uitzonderlijk sterke Hilversumse, juridische, landschappelijke en persoonsgerichte laag toegevoegd. We zien niet alleen hoe de rechten werden beschreven, maar ook hoe mensen ze gebruikten, verdedigden en opnieuw interpreteerden. Bos, meent, groenland en heide krijgen afzonderlijke functies; kaarten maken de ruimte zichtbaar; gerechtigdenlijsten geven de gebruikers namen; Harmen Vos, Machiel Majoor, Floris Vos, Hendrik en Christiaan Smit brengen de moderne strijd tot leven; en Perk, Luden, Enklaar, Sebus, De Vrankrijker en De Lange tonen hoe opeenvolgende generaties dezelfde eeuwenoude geschiedenis probeerden te verklaren. Daarmee is deze laag nu zonder de eerder ontbrekende namen en dateringen opgenomen.

Historische Kring Loenen — opnieuw, met namen en jaartallen

Loenen en de noordelijke Vechtstreek

Het onderzoek bij de Historische Kring Loenen leverde geen afzonderlijke grote publicatie op die uitsluitend aan de Erfgooiers was gewijd. De betekenis zat vooral in het materiaal over Loenen aan de Vecht, Vreeland en de noordelijke Vechtstreek, waarmee de westelijke omgeving van het middeleeuwse Gooiland beter zichtbaar werd. Een belangrijke vondst was Vechtkroniek nr. 54 van november 2020. Daarin kwam Vreeland, vroeger Vredelant, naar voren. Vooral de gebeurtenissen van 1279–1280 rond het kasteel zijn belangrijk. Ze plaatsen de Vechtstreek midden in de machtsstrijd waarin ook Holland, het Sticht Utrecht en het aangrenzende Gooi betrokken raakten.

Vredelant en de strijd van 1279–1280

De geschiedenis van Vredelant/Vreeland maakt duidelijk dat de westgrens van het Gooi geen geïsoleerde dorpsgrens was. Het kasteel aan de Vecht had een strategische positie en speelde in 1279–1280 een rol in de strijd om invloed in dit gebied. Daarmee raakt de Loenense geschiedenis rechtstreeks aan de politieke omgeving waarin ook de rechten op Naardingerland, later Gooiland, moeten worden geplaatst. De Vecht vormde een verbinding tussen Utrecht en het noorden, terwijl vanuit Holland eveneens macht werd uitgeoefend. Voor de voorgeschiedenis van de Erfgooiers is deze context belangrijk: hun latere collectieve rechten ontstonden binnen een landschap waarin grafelijke, bisschoppelijke, kerkelijke en plaatselijke aanspraken elkaar voortdurend konden overlappen.

Naardingerland en Naerdincklant

Tijdens de vervolgzoektocht vanuit Loenen kwam daarom ook Naardingerland, in oudere vormen Naerdincklant, nadrukkelijk in beeld. Dat was het gebied waarin de latere Gooise gemeenschappelijke rechten zich ontwikkelden. De zoektocht leidde van de Vecht naar Naarden en vervolgens naar de oudere machts- en bezitsgeschiedenis van het Gooi. Daarbij verschenen namen die voor de oorsprongsvraag onmisbaar zijn: Wichman/Wichmann, zijn dochters Luitgard/Lutgardis en Adela, en Godelindis. Daarmee verschoof het onderzoek van de laatmiddeleeuwse Erfgooiers naar de veel oudere vraag hoe kerkelijk bezit, grafelijke macht en plaatselijke gebruiksrechten in Naerdincklant zich vóór het ontstaan van Stad en Lande ontwikkelden.

Wichman, Luitgard en Adela

De naam Wichman/Wichmann bracht het onderzoek naar de vroege geschiedenis van het gebied en de verbinding met Elten. Zijn dochters Luitgard/Lutgardis en Adela horen bij de geschiedenis van het vrouwenstift op de Eltenberg. Deze laag is belangrijk omdat in de historiografie over de Erfgooiers lange tijd is geprobeerd de latere rechten rechtstreeks met zeer oude bezitsverhoudingen te verbinden. Juist hier moet onderscheid worden gemaakt tussen aantoonbaar bezit, latere tradities en reconstructies van historici. De Loenense zoekronde werd daardoor onverwacht een onderzoek naar de oudste voorgeschiedenis van Gooiland: niet alleen wie de grond bezat, maar vooral welke rechten plaatselijke bewoners naast kerkelijke en wereldlijke machthebbers konden behouden.

Floris V en het Gooi

Ook Floris V kwam als centrale naam uit de vervolgzoektocht. Zijn optreden behoort tot de cruciale fase waarin de verhouding tussen Holland en het Gooi veranderde. Daarmee komen de politieke gebeurtenissen uit de dertiende eeuw rond Vredelant in 1279–1280 en de ontwikkeling van Naardingerland dichter bij elkaar te liggen. Het is precies deze periode waarin afzonderlijke lijnen — de macht van Holland, de invloed vanuit Utrecht, oude kerkelijke aanspraken en plaatselijke gebruiksrechten — elkaar raken. De latere Erfgooiersorganisatie bestond toen nog niet in haar bekende vorm, maar de omstandigheden waaruit de latere geschillen over gemeenschappelijke gronden voortkwamen waren wel aan het ontstaan.

Splinter van Nijenrode

Vanuit de Vechtstreek verscheen eveneens Splinter van Nijenrode in het onderzoek. Zijn naam is belangrijk omdat de geschiedenis van de Van Nijenrodes laat zien hoe heerlijkheden, kastelen en adellijke machtsposities langs de Vecht verbonden waren met het grotere politieke landschap tussen Utrecht en Holland. Daarmee krijgt de westelijke omgeving van het Gooi concrete personen in plaats van alleen abstracte grenzen. De Erfgooiers moeten daarom niet achteraf worden voorgesteld als bewoners van een afgesloten Gooise wereld. Hun grondgebied lag naast een Vechtstreek waarin heren, kastelen, kerkelijke instellingen en landsheren rechten uitoefenden. Conflicten over bezit, bestuur en gebruik konden daardoor een veel groter geografisch bereik krijgen.

De historici achter het Erfgooiersonderzoek

De zoektocht leverde bovendien een belangrijke reeks onderzoekers op die afzonderlijk gecontroleerd moet blijven worden: D.Th. Enklaar, A.C.J. de Vrankrijker, J.H. Sebus, O. Moorman van Kappen, P.H.D. Leupen, H.H.M. Meyer, Ietske C. Jansen en Anton Kos. Hun werk vertegenwoordigt verschillende generaties onderzoek naar Gooiland, middeleeuwse rechten, instellingen en Erfgooiers. Juist doordat oudere auteurs soms andere verklaringen geven voor de oorsprong van de rechten dan latere onderzoekers, mogen hun opvattingen niet tot één simpele oorsprongsgeschiedenis worden samengevoegd. De Loenense zoektocht maakte daarmee ook een historiografische laag zichtbaar: wie heeft wanneer welke verklaring voor het ontstaan van de Erfgooiers gegeven?

De Gooijer, Schaftenaar en Kos

Daarbij kwamen ook F.J.J. (Frans) de Gooijer, Henk Schaftenaar en Harmen Kos naar voren. Hun namen verbinden het onderzoek met de regionale historische publicaties waarin oude bronnen, lokale gebeurtenissen en de geschiedenis van Gooiland opnieuw zijn onderzocht. Vooral het doorkruisen van publicaties buiten Loenen bleek noodzakelijk. De zoekronde beperkte zich daarom niet tot de website van één historische vereniging. Vanuit Loenen werden andere regionale tijdschriften en artikelreeksen gevolgd. Daardoor werd duidelijk dat informatie over de voorgeschiedenis van de Erfgooiers verspreid ligt over verschillende organisaties. Een verwijzing in een Vechtstreekpublicatie kan uiteindelijk naar een bron over Naarden, Naerdincklant of de gemene gronden leiden.

De Omroeper en De Ratel

Twee periodieken werden daardoor bijzonder belangrijk: De Omroeper, verbonden met Stichting Vijverberg, en De Ratel van de Historische Kring Huizen. Deze tijdschriften brachten het onderzoek vanuit Loenen terug naar het kerngebied van de Erfgooiers. Daarmee ontstond een bronnenketen: Loenen – Vreeland – Vechtstreek – Naarden – Huizen – Gooiland. Dat is inhoudelijk belangrijk. De geschiedenis van de Erfgooiers blijkt niet in één verenigingsarchief of één boek gevangen te kunnen worden. Regionale tijdschriften bewaren juist de kleine onderzoeken naar personen, families, kaarten, veldnamen, rechten en conflicten die in algemene geschiedenissen gemakkelijk verdwijnen. Daarom moeten deze periodieken afzonderlijk verder worden uitgeplozen.

Wat Loenen werkelijk heeft opgeleverd

De opbrengst van Historische Kring Loenen is daarmee vooral een verbindingsverhaal. Vechtkroniek nr. 54, november 2020, bracht Vreeland/Vredelant en 1279–1280 in beeld. Vandaar liep het onderzoek naar Naarden, Naardingerland/Naerdincklant, de oude Eltense geschiedenis rond Wichman, Luitgard/Lutgardis, Adela en Godelindis, vervolgens naar Floris V en Splinter van Nijenrode, en tenslotte naar onderzoekers als Enklaar, De Vrankrijker, Sebus, Moorman van Kappen, Leupen, Meyer, Jansen, Anton Kos, Harmen Kos, Frans de Gooijer en Henk Schaftenaar. Loenen leverde dus vooral de noodzakelijke verbinding tussen Vechtstreek, Utrecht, Holland en het ontstaan van het historische Gooiland.

Ja. Er ontbrak nog behoorlijk veel. Vooral de middeleeuwse documenten, exacte dateringen, schaarbrieven, rechtszaken en concrete vindplaatsen waren in het vorige verhaal onvoldoende opgenomen. Hieronder alleen de aanvullingen, zodat het eerdere verhaal niet opnieuw wordt ingekort of vervangen.

Omstreeks 900 — Naruthi en de oudste laag

De voorgeschiedenis moet nog verder terug dan Wichman en Elten. In de bronnen rond de abdij van Werden verschijnt omstreeks 900 de naam Naruthi, die in het onderzoek naar het vroege Naardingerland van belang is. Deze vermelding behoort tot een veel oudere bewonings- en bezitslaag dan de latere organisatie van de Erfgooiers. Zij bewijst op zichzelf nog geen erfgooiersrecht. Juist dat onderscheid moet behouden blijven. De vermelding laat wel zien dat het gebied al eeuwen vóór de bekende schaarbrieven in schriftelijke bronnen voorkomt. Daarmee ontstaat een chronologische lijn van Naruthi, via het tiende-eeuwse Eltense bezit, naar Naardinkland/Naerdincklant en uiteindelijk de gemene gronden van Gooiland.

29 juni 968 — Wichman en Elten

Een veel concreter ankerpunt is 29 juni 968. De oorkonde betreffende Wichman en Elten behoort tot het fundamentele bronnenmateriaal voor de oudste bezitsgeschiedenis. In de eerdere zoekronde kwamen daarvoor ook concrete archivalische verwijzingen boven: het Bistumsarchiv Münster, Kopiare A097, en het Landesarchiv Nordrhein-Westfalen, met stukken AA0231–AA0233. De oorkonde is bovendien gepubliceerd bij Lacomblet, nr. 110. Dat is belangrijk, omdat we daardoor niet afhankelijk zijn van latere verhalen over de oorsprong van de Erfgooiers. We kunnen terug naar de middeleeuwse documentatie zelf en vervolgens onderzoeken welke rechten daadwerkelijk worden genoemd en welke pas door latere historici daarmee zijn verbonden.

1176–1186 — Elten en Sint-Jan

Een tweede ontbrekend document dateert uit 1176–1186. Het betreft een overeenkomst tussen Elten en Sint-Jan en is opgenomen in het Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, deel I, nr. 492. In de digitale zoektocht kwam tevens de Utrechtse archiefverwijzing NL-UtHUA_A70648_000001 naar voren. Daarmee krijgen we een tussenstation dat in een eenvoudige geschiedenis gemakkelijk verdwijnt: tussen de Eltense documentatie van 968 en de gebeurtenissen van 1280 liggen ruim drie eeuwen waarin kerkelijke instellingen rechten en inkomsten bezaten en regelden. Voor de Erfgooiersgeschiedenis is juist deze tussentijd belangrijk wanneer we willen vaststellen hoe continu — of juist niet continu — bepaalde aanspraken op Naardingerland waren.

6 mei 1280 — Godelindis en Floris V

Het belangrijke omslagpunt is 6 mei 1280. In het onderzoeksdossier verschijnt Godelindis in verband met Floris V en Naardinkland. De transactie is terug te vinden in OSU IV, nr. 2031 en OHZ IV, nr. 1903. Daarnaast kwamen in het Nationaal Archief, archief 3.01.01, de inventarisnummers 1124–1127 naar voren als relevant dossiermateriaal. Dit moet nauwkeurig onderscheiden blijven van een afzonderlijke transactie van 13 mei 1280. Dat verschil van zeven dagen lijkt klein, maar is historisch belangrijk: afzonderlijke rechtshandelingen mogen niet tot één gebeurtenis worden samengevoegd wanneer we de overgang van Eltense aanspraken naar Floris V reconstrueren.

Na 1280 — bezit is nog geen gebruiksrecht

De vondsten dwingen tot een belangrijk onderscheid. De Eltense rechten van 968, de regeling uit 1176–1186 en de overeenkomst waarbij Naardinkland in 1280 met Floris V verbonden raakt, zijn niet automatisch hetzelfde als het latere erfgooiersrecht. De rechten van de plaatselijke bevolking moeten afzonderlijk worden gevolgd. Dat voorkomt de oude verleiding om één ononderbroken juridische lijn van Wichman naar de twintigste-eeuwse Erfgooiers te construeren. Juist de documenten laten verschillende soorten rechten zien: bezit, inkomsten, landsheerlijke macht en gebruik door bewoners. De vraag wordt daardoor interessanter: wanneer kunnen we de gebruikers van de gemene gronden daadwerkelijk als een herkenbare gemeenschap van gerechtigden in de bronnen volgen?

1326 — de markgenoten komen bijeen

Een volgend belangrijk jaartal dat ontbrak is 1326. In de onderzochte literatuur wordt een bijeenkomst van markgenoten genoemd. Daarmee komen we veel dichter bij de georganiseerde gemeenschap die later met de Erfgooiers wordt verbonden. Het is een wezenlijk ander soort aanwijzing dan de oudere eigendomsdocumenten. Nu gaat het om mensen die gezamenlijk belangen rond grondgebruik behartigen. De terminologie moet daarbij historisch voorzichtig worden gebruikt: het latere institutionele systeem mag niet zonder meer naar 1326 worden teruggeprojecteerd. Maar deze bijeenkomst vormt wel een belangrijk station tussen de dertiende-eeuwse landsheerlijke geschiedenis en de latere schriftelijke regelingen over het gebruik van bossen, heiden en meenten.

1364 — de Bosbrief

Voor 1364 kwam vervolgens de Bosbrief naar voren. Dit document hoort nadrukkelijk in het verhaal omdat bosgebruik een wezenlijk onderdeel vormde van de gemeenschappelijke rechten. Bossen betekenden hout, brandstof en andere gebruiksmogelijkheden en waren daardoor economisch waardevol. Regulering was nodig om te bepalen wie van die hulpbronnen gebruik mocht maken en onder welke voorwaarden. De Bosbrief laat daarmee zien dat de gemeenschappelijke gronden niet simpelweg onbeheerde terreinen waren waarop iedereen naar believen kon handelen. Er ontstonden regels. Juist zulke documenten vormen de brug tussen oude plaatselijke gewoonten en een steeds beter schriftelijk vastgelegd stelsel van collectieve rechten, verboden, toelating en toezicht.

1403 en 1404 — besluit en schaarbrief

Daarna volgen twee zeer belangrijke jaren: 1403 en 1404. Voor 1403 kwam een beslissing van Albrecht naar voren. In 1404 volgt een van de essentiële schaarbrieven. Met die documenten komen we midden in het concrete beheer van de Gooise gemene gronden. Een schaar bepaalde hoeveel vee een gerechtigde op gemeenschappelijke grond mocht brengen. Daarmee werd een oud gebruiksrecht meetbaar en controleerbaar. Dit is voor het dagelijkse verhaal minstens zo belangrijk als voor het juridische: achter iedere bepaling stonden huishoudens, koeien, paarden en schapen die daadwerkelijk van de gemeenschappelijke weiden afhankelijk waren. De Erfgooiersgeschiedenis wordt hier een geschiedenis van zowel recht als boerenbedrijf.

1428 — de banscheiding

Een veel concretere vondst is gedateerd op 2 januari 1428. In het onderzoek kwam een banscheiding naar voren met de archiefverwijzing SAGV060+51C. Een dergelijke bron is bijzonder waardevol omdat grenzen cruciaal waren voor gemeenschappelijke gebruiksrechten. Wie aanspraak maakte op weide, heide, bos of andere gronden moest uiteindelijk kunnen bepalen waar het betreffende rechtsgebied begon en eindigde. Oude grenspunten, wegen, waterlopen en veldnamen krijgen daardoor juridische betekenis. Deze bron moet later naast historische kaarten worden gelegd. Zo kunnen we proberen niet alleen te beschrijven dát er grenzen bestonden, maar ook het middeleeuwse landschap waarin de gerechtigden hun rechten daadwerkelijk uitoefenden ruimtelijk te reconstrueren.

1442, 1455 en 1568 — nieuwe schaarbrieven

De schaarbrief van 1404 stond niet alleen. In het onderzoek kwamen eveneens schaarbrieven uit 1442, 1455 en 1568 naar voren. Samen maken deze dateringen duidelijk dat het beheer voortdurend opnieuw moest worden geregeld en bevestigd. Dat levert een lange documentreeks op: 1404–1442–1455–1568. De stukken zijn belangrijk voor vragen naar toelating, aantallen vee, rechten van gerechtigden en de ontwikkeling van het collectieve beheer. Vooral 1568 is interessant omdat de regeling dan de vroegmoderne periode bereikt. Daarmee kan onderzocht worden wat door de eeuwen heen hetzelfde bleef en wat veranderde. De Erfgooiersrechten waren geen versteend middeleeuws overblijfsel, maar een systeem dat telkens opnieuw werd toegepast en aangepast.

1470–1474 — procederen in Mechelen

Nog belangrijker voor de juridische geschiedenis is de periode 1470–1474. De zoekronde bracht processen in verband met de Grote Raad van Mechelen naar voren, met 1474 als belangrijk eindpunt. Daarmee blijkt dat conflicten rond Gooise rechten niet uitsluitend binnen de dorpen of bij plaatselijke bestuurders werden uitgevochten. Geschillen konden terechtkomen bij een instelling op een veel hoger bestuurlijk niveau. Dit verandert het beeld van de Erfgooiers als uitsluitend een lokale boerenorganisatie. Hun belangen raakten aan grotere rechtsstructuren binnen de Bourgondische Nederlanden. De processtukken zijn daarom potentieel bijzonder rijk: daarin kunnen partijen, argumenten, rechten, getuigen, plaatsen en oudere bewijsstukken expliciet worden genoemd.

1504–1740 — koptienden als namenbron

Een andere belangrijke vondst betreft de koptiendenregisters over 1504–1740. Zulke registers zijn waardevol omdat ze het institutionele verhaal kunnen verbinden met concrete mensen en generaties. In het onderzoek verschenen daarnaast verwijzingen naar Hilversum 1772 en 1805. Deze administratieve bronnen moeten later naast schaarlijsten, erfgooierslijsten en genealogische gegevens worden gelegd. Dan kunnen rechten mogelijk door families en generaties worden gevolgd. Dat is precies de laag die in een algemeen verhaal gemakkelijk verloren gaat. Erfgooiers waren geen abstracte juridische categorie, maar inwoners met namen, gezinnen, boerderijen en vee. Registers kunnen daardoor zichtbaar maken wie daadwerkelijk binnen het systeem voorkwam en hoe lang bepaalde families daarin herkenbaar blijven.

Albertus Perk — 1842

Ook Albertus Perk moet al in deze aanvullende laag worden genoemd. Een belangrijk werk dateert uit 1842. Perk behoort daarmee tot de negentiende-eeuwse onderzoekers en bestuurders die zich intensief met Gooiland, zijn oude rechten en de gemene gronden bezighielden. Zijn werk is niet hetzelfde soort bron als een schaarbrief uit 1404 of een oorkonde uit 1280: het is een veel latere interpretatie van een reeds eeuwenoude rechtsontwikkeling. Juist daarom moet Perk naast de primaire stukken worden gelezen. Hij is zowel bron voor de negentiende-eeuwse omgang met het Erfgooiersvraagstuk als auteur die oudere documenten gebruikte om de geschiedenis van die rechten te reconstrueren.

Enklaar, Sebus en De Vrankrijker

De moderne onderzoekstraditie kreeg vervolgens veel concretere dateringen. D.Th. Enklaar publiceerde belangrijk onderzoek in 1932, J.H. Sebus volgde in 1933 en A.C.J. de Vrankrijker in 1947. Daarmee hebben we drie opeenvolgende historiografische momenten. Hun verklaringen moeten niet ongemerkt tot één verhaal worden versmolten, want juist de interpretatie van begrippen als marke, markgenoten en Erfgooiers veranderde. De oudere literatuur kan bovendien aannames bevatten die later door bronnenonderzoek zijn gecorrigeerd of genuanceerd. Het uiteindelijke verhaal moet daarom steeds twee niveaus laten zien: wat een middeleeuwse bron werkelijk zegt en wat Enklaar, Sebus, De Vrankrijker en latere historici daaruit hebben geconcludeerd.

1980 — een volledig Erfgooiersnummer

Een zeer belangrijke vondst die nog helemaal ontbrak is Tussen Vecht en Eem, jaargang 10, nummer 1, 1980. Dit was een speciaal Erfgooiersnummer. Alleen al daardoor is het voor ons onderzoek een kernpublicatie. O. Moorman van Kappen leverde daarin een bijdrage op pagina 8–25. Ook Koster-van Dijk kwam voor 1980 in de onderzoeksreeks naar voren. Dit themanummer is belangrijk omdat het materiaal uit verschillende historische disciplines rond één onderwerp bijeenbrengt. Het verdient daarom later een afzonderlijke controle per artikel, voetnoot en literatuurverwijzing. Iedere oudere bron die daarin wordt aangehaald kan immers opnieuw leiden naar nog niet onderzochte documenten of publicaties.

Van Tol, Palmboom en Leupen

De onderzoekslijn ging daarna verder met Van Tol, 1983/1984, Palmboom, 1993/1994, en P.H.D. Leupen, 1995. Deze reeks is belangrijk omdat hiermee de wetenschappelijke discussie na het Erfgooiersnummer van 1980 verder gevolgd kan worden. Nieuwe onderzoekers konden opnieuw naar de middeleeuwse bronnen kijken en oudere verklaringen toetsen. Vooral de relatie tussen middeleeuws grondbezit, marken, gebruiksgemeenschappen en de latere Erfgooiers vraagt om zulke vergelijking. Voor ons verhaal betekent dit dat we niet één auteur als definitief gezag moeten gebruiken. De ontwikkeling van het onderzoek zelf wordt onderdeel van het verhaal: Perk 1842 – Enklaar 1932 – Sebus 1933 – De Vrankrijker 1947 – TVE 1980 – Van Tol – Palmboom – Leupen.

Anton Kos en nieuw onderzoek

Daarna wordt Anton Kos een centrale naam. Uit de zoekronde kwamen artikelen in Tussen Vecht en Eem uit 1996 en 1997, een bijdrage in Madoc 13 (1999), pagina 88–99, onderzoek uit 2002–2003 en uiteindelijk Van meenten tot marken uit 2010 naar voren. Daarmee beschikken we over een moderne onderzoekslijn die opnieuw naar de middeleeuwse oorsprong en ontwikkeling van de Gooise rechten kijkt. Kos is bovendien belangrijk omdat zijn werk later aansluit op de uitvoerige Larense publicatiereeks over Erfgooiers en hun gemene gronden. Daardoor kunnen middeleeuwse bronnen, moderne wetenschappelijke interpretatie en plaatselijke geschiedschrijving met elkaar worden vergeleken.

De Omroeper — concrete landschappen

Ook mijn vorige verhaal noemde De Omroeper, maar nog niet wat de zoektocht daar concreet vond. Relevant waren onder meer schaarlijsten en genealogieën, jaargang 6 nr. 4 (1993); de Fabiuskaart, 7/3 (1994); de Naardermaatlanden, 9/4 (1996), p. 128–133; Volmolenszijde, jaargang 10 (1997), p. 101–103; Krijnen, 11/1 (1998); Erfgooiers’ koeienwei, 12/1 (1999) en de Bouwvenen, 14/2 (2001). Eerder was ook Koedijken, 4/3 (1991), p. 108 gevonden. Hierdoor krijgen de abstracte rechten concrete plekken, families en landschapselementen.

Huizen, Laren en Bussum

De bronnenketen liep verder. Bij Historische Kring Huizen werd De Ratel voor 2010–2011 relevant. Voor Laren kwam een omvangrijke Erfgooiersreeks uit 2014–2017 naar voren. In Bussums Historisch Tijdschrift werden onder andere jaargang 33 nr. 2 (2017) en 40 nr. 3 (2024) relevant. Dit bevestigt waarom jouw methode van vereniging voor vereniging zoeken werkt: dezelfde geschiedenis verschijnt telkens vanuit een andere plaats. Huizen kan namen en schaarrechten bewaren, Laren de gemene gronden en plaatselijke conflicten, Bussum de latere ruimtelijke ontwikkeling, terwijl Naarden juridische en bestuurlijke stukken bewaart. Samen reconstrueren die lokale publicaties een geschiedenis die geen afzonderlijke vereniging volledig bezit.

Het Erfgooiersarchief zelf

Tenslotte ontbrak misschien de belangrijkste praktische vondst: het archief van Stad en Lande / de Erfgooiers, met de archiefverwijzingen SSAN053.04 en 053.01. Daarin bevinden zich onder meer leden- en gerechtigdenlijsten. Dat opent een geheel andere onderzoekslaag. We hoeven dan niet uitsluitend te vertellen wat historici over de Erfgooiers hebben geschreven; we kunnen de administratie van de organisatie zelf volgen. Namen kunnen gekoppeld worden aan plaatsen, families, rechten en mogelijk opeenvolgende generaties. In combinatie met schaarbrieven, koptienden, genealogieën en kaarten kan daardoor uiteindelijk een bijna persoonsgerichte geschiedenis van de gerechtigden ontstaan, naast het grotere verhaal van de gemene gronden.

Dit waren dus inderdaad wezenlijke ontbrekende onderdelen. Vooral ca. 900, 968, 1176–1186, 1280, 1326, 1364, 1403, 1404, 1428, 1442, 1455, 1470–1474, 1568 en de koptienden 1504–1740 moeten absoluut behouden blijven wanneer we straks het volledige Erfgooiersverhaal samenbouwen.

Erfgooiers, eikenbossen en varkens — van Naerdinclant tot het verdwijnen van het Gooiersbos

Het Gooi was niet altijd een heidelandschap

Wie aan de historische Erfgooiers denkt, ziet gemakkelijk schapen, runderen en uitgestrekte Gooise heidevelden voor zich. Voor de Middeleeuwen is dat beeld onvolledig. Het oude Naerdinclant bestond uit een veel gevarieerder landschap van akkers, hooi- en weilanden, heiden, venen, woeste gronden én bossen. Anton Kos benadrukt dat een boerenbedrijf zonder toegang tot zulke gemeenschappelijke gronden nauwelijks goed kon functioneren. Het eigen erf en de eigen akkers waren slechts een gedeelte van de bestaansbasis. Daarbuiten lagen gemeenschappelijke hulpbronnen waarvan de boeren afhankelijk waren voor weide, brandstof, bouwmateriaal en veevoer. Het bos behoorde daarom rechtstreeks tot de agrarische economie.

Het bos was onderdeel van het boerenbedrijf

De Gooise bossen leverden allereerst hout. Dat was nodig voor woningen, boerenschuren, afrasteringen, werktuigen, verwarming en allerlei dagelijkse werkzaamheden. Maar een bos produceerde veel meer dan stammen en takken. Vooral eiken leverden in het najaar grote hoeveelheden eikels. Daardoor kon hetzelfde bos dat bouw- en brandhout voortbracht tegelijkertijd als voedselgebied voor vee functioneren. Kos noemt deze combinatie expliciet: uit de bossen werd hout gehaald en varkens konden daar eikels zoeken. Dat laten zoeken en eten van eikels door varkens werd akeren genoemd. Het oude Gooise bos had daardoor een rechtstreeks meetbare economische betekenis voor boerenhuishoudens.

Varkens onder de eiken

Akeren was geen schilderachtig bijverschijnsel van het boerenleven. Een varken dat in het najaar in een eikenbos voedsel kon zoeken, hoefde gedurende die periode minder met producten van het eigen boerenbedrijf te worden gevoerd. Eikels hielpen bij het vetmesten van de dieren. Uiteindelijk leverden die varkens vlees en vet aan het huishouden. Toegang tot een eikenbos betekende daarom toegang tot een voedselbron die buiten de eigen akkers lag. Het recht om een bos te gebruiken kon zo rechtstreeks invloed hebben op het aantal dieren dat een huishouden kon onderhouden. Daarmee waren bomen, vee en gebruiksrechten nauw met elkaar verbonden.

De geschiedenis begint vóór de Erfgooiers

Deze gebruikswereld is ouder dan de organisatie die we later als die van de Erfgooiers herkennen. Kos zoekt de wortels ervan in het vroegmiddeleeuwse Naerdinclant en het daarbij behorende domeinstelsel. Boeren beschikten daar niet uitsluitend over individuele hoeven en akkers. Voor een levensvatbare bedrijfsvoering waren ook gemeenschappelijke hulpbronnen noodzakelijk. De latere Erfgooiersrechten moeten daarom niet worden voorgesteld alsof ze op een bepaald moment ineens werden uitgevonden. Achter de schriftelijke schaarbrieven, bosbrieven en rechterlijke uitspraken lag een veel oudere praktijk waarin plaatselijke boeren gronden gezamenlijk gebruikten en zulke gebruiksmogelijkheden van generatie op generatie doorgaven.

Wichman, Hamaland en Elten

Naerdinclant raakte verbonden met Wichman van Hamaland en het door hem gestichte vrouwenstift te Hoog-Elten. Daarmee kwam Gooiland terecht binnen een ingewikkelde wereld van grondbezit, heerlijke rechten, tienden en plaatselijke gebruiksrechten. Het stift bezat rechten in het gebied, terwijl de boeren hun landbouwbedrijf voortzetten. Juist hierdoor ontstond een situatie waarin verschillende rechten tegelijkertijd op hetzelfde landschap konden rusten. De ene partij kon aanspraak maken op eigendom, een andere op inkomsten of toezicht en plaatselijke boeren konden tegelijkertijd eeuwenoude gebruiksrechten bezitten. Die stapeling van rechten zou eeuwen later nog de achtergrond vormen van conflicten over bossen, venen, heiden en weiden.

Elten kende zelf een wereld van bos en varkens

Het Eltense bronnenmateriaal levert een interessante vergelijking. In het vijftiende-eeuwse tijnsboek komen varkengelden voor: geldelijke betalingen die oudere verplichtingen tot het leveren van varkens konden vervangen. Ook wordt Rodolf van Holthuizen genoemd in verband met een verplichting om 's winters hout uit de bosmarke van Zeddam naar Elten te brengen. Dat is geen rechtstreeks bewijs dat dezelfde verplichtingen in Gooiland golden en moet daarvan worden onderscheiden. Het laat echter wel zien dat binnen de bredere Eltense goederenwereld bossen, houttransport, boerenverplichtingen en varkens economisch met elkaar verbonden konden zijn. Dat vormt een nuttige achtergrond voor de Gooise situatie.

Het Gooiersbos kreeg een eigen rechtswereld

Een van de belangrijkste ontdekkingen is dat het Gooise bos niet eenvoudig onder precies dezelfde regels viel als alle overige gemene gronden. Naast de organisatie rond heiden en weiden bestond een afzonderlijke traditie rond het Gooiersbos. Daarvoor werden bosbrieven opgesteld. Dat onderscheid is fundamenteel. Wie de Erfgooiers uitsluitend vanuit de bekende schaarbrieven bestudeert, ziet vooral het reguleren van vee op heiden en weiden. De bosbrieven laten een andere kant van dezelfde gemeenschap zien: hout, bomen, kaprechten, toezicht, functionarissen en regels over de exploitatie van een gemeenschappelijke natuurlijke hulpbron.

De bosbrieven beginnen in de veertiende eeuw

Voor het Gooi zijn bosbrieven bekend uit 1364/1365, 1421, 1437 en 1514. J.M.I. Koster-Van Dijk publiceerde in 1982 in Tussen Vecht en Eem ‘Gooise bosbrieven. Een tekstuitgave aangaande de aloude bosgebruiken’. Daarin werden onder andere stukken uit 1364/1365 en 1421 uitgegeven, evenals een later belangrijke getuigenverklaring uit Huizen uit 1533. Andere stukken, waaronder bosbrieven uit 1437 en 1514, waren eerder door D.Th. Enklaar gepubliceerd. Hierdoor beschikken we over een reeks bronnen die ongeveer anderhalve eeuw bestrijkt en waarin de organisatie van het oude Gooise bos daadwerkelijk zichtbaar wordt.

Bosbrief en schaarbrief waren verschillende instrumenten

Het onderscheid tussen bosbrief en schaarbrief moet daarom in het Erfgooiersverhaal behouden blijven. De schaarbrieven regelden vooral het gebruik van de gemeenschappelijke heiden en weiden en bepaalden wie gerechtigd was en hoeveel vee kon worden toegelaten. De bosbrieven hadden betrekking op de afzonderlijke boswereld. Beide systemen kwamen voort uit dezelfde noodzaak: een gemeenschappelijke hulpbron kon niet onbeperkt door afzonderlijke gebruikers worden geëxploiteerd. Zonder regels zou de ene gebruiker voordeel kunnen behalen ten koste van de anderen. Het gemeenschappelijke karakter van de grond maakte collectieve afspraken, toezicht en sancties noodzakelijk.

Hout was gemeenschappelijk kapitaal

Een levende boom vertegenwoordigde toekomstig hout. Wanneer iedere gerechtigde naar eigen behoefte bomen zou omhakken, kon een bos in korte tijd worden uitgeput. Daarom was gereguleerde houtwinning essentieel. In de bronnen verschijnen houtvesters en regelingen betreffende de houwtijd. Het moment waarop hout mocht worden gehouwen en de wijze waarop het werd gebruikt of verdeeld, waren onderdelen van de gemeenschappelijke organisatie. Het bos kan daardoor worden beschouwd als een vorm van gemeenschappelijk kapitaal: individuele huishoudens mochten ervan profiteren, maar de bron moest voor de gemeenschap behouden blijven. De tegenstelling tussen individueel voordeel en collectief voortbestaan zou uiteindelijk grote gevolgen krijgen.

Nijenrode verschijnt in het bos

Bij de organisatie van het Gooiersbos verschijnen de heren van Nijenrode. Hun positie was verbonden met oudere Eltense rechten en met de koptienden. Zij traden op in een toezichthoudende functie die in de bronnen in verband wordt gebracht met het bos en het holtrichterschap of bosbeheer. Daarmee wordt duidelijk dat de bosgeschiedenis niet simpelweg een interne zaak van de Gooise boeren was. Naast de gebruikers bestonden andere rechthebbenden en functionarissen die aanspraak maakten op toezicht, inkomsten of bestuurlijke bevoegdheden. Het bos werd daardoor een plaats waar plaatselijk gewoonterecht, Eltense rechten en later Hollandse landsheerlijke macht elkaar ontmoetten.

Holland nam niet alle oudere rechten weg

Toen Gooiland in 1280 binnen de Hollandse invloedssfeer kwam, verdwenen de oudere rechten rond Elten en Nijenrode niet eenvoudig. Kos laat zien dat de verhouding ingewikkelder was. Oude rechten konden blijven bestaan terwijl de graaf van Holland tegelijkertijd landsheer werd. Daardoor ontstond een gestapeld juridisch landschap. Een Gooise boer kon een oud gebruiksrecht uitoefenen; Nijenrode kon aanspraak maken op toezicht of inkomsten; en de graaf van Holland kon tegelijkertijd beweren dat de uiteindelijke eigendom en landsheerlijke rechtsmacht bij hem berustten. Dat verklaart waarom conflicten over ogenschijnlijk eenvoudige activiteiten als houtkappen en veeweiden uiteindelijk voor hoge gerechtshoven terechtkwamen.

Drie machten stonden tegenover elkaar

Bij de boskwestie moeten daarom voortaan drie machtslagen worden onderscheiden. De eerste was de Hollandse landsheer, die aanspraak maakte op eigendom, regale rechten en bestuurlijke bevoegdheid. De tweede bestond uit de Gooise gebruikers of markegenoten, die zich beriepen op een zeer oud, daadwerkelijk uitgeoefend gebruiksrecht. De derde liep via Elten en Nijenrode, met oude aanspraken rond het bos, toezicht en koptienden. Soms liepen hun belangen parallel, soms botsten zij. De juridische geschiedenis van het Gooiersbos kan daarom niet worden gereduceerd tot één eenvoudige strijd tussen een graaf en een groep boeren.

De gemeenschap maakte zelf regels

De Gooise gebruikers waren bovendien geen ongeorganiseerde verzameling boeren. Uit de bos- en schaarbrieven blijkt dat zij gezamenlijk regels opstelden en de gemeenschappelijke hulpbronnen beheerden. Er konden functionarissen worden aangesteld en overtredingen konden worden bestraft. De regelingen kenden geldboetes en verbeurdverklaring van vee. Opbrengsten van zulke sancties konden volgens vastgestelde verdeelsleutels terechtkomen bij verschillende betrokkenen, waaronder autoriteiten, controleurs en aangevers. Daarmee bestond er een praktisch systeem van toezicht en handhaving. Het recht leefde niet alleen op perkament; het moest bepalen wat mensen met hun dieren, hout en gemeenschappelijke grond daadwerkelijk mochten doen.

Het bos werd ook bestuurlijk bezit

Juist daarover ontstond een fundamenteel conflict. De Gooise gemeenschap meende niet alleen gebruiksrechten te hebben, maar gedroeg zich in de praktijk ook alsof zij zelf bevoegd was regels over dat gebruik vast te stellen. Voor de landsheerlijke overheid was dat een veel grotere kwestie dan het verdwijnen van een enkele boom. Wie houtvesters mocht benoemen, regels mocht vaststellen, hout mocht verdelen en overtreders mocht straffen, oefende feitelijk bestuursmacht uit. De strijd over het Gooiersbos werd daardoor tegelijkertijd een strijd over politieke en juridische zeggenschap: wie mocht bepalen wat er in dat landschap gebeurde?

1470 — het conflict wordt zichtbaar

Rond 1470 kwam deze spanning nadrukkelijk voor het Hof van Holland terecht. De Bourgondisch-Hollandse overheid betwistte de omvang van de Gooise aanspraken. Het proces ging niet uitsluitend over één terrein. Er liepen verschillende kwesties rond het bos, de turf en de overige gemene gronden. Daarachter lag steeds dezelfde fundamentele vraag: wie bezat de grond, wie mocht hem gebruiken en wie bezat de bevoegdheid om regels te stellen? Juist doordat deze drie vragen niet noodzakelijk hetzelfde antwoord hadden, ontstond een juridisch probleem dat niet eenvoudig met één eigendomstitel kon worden opgelost.

Paarden, koeien, zwijnen en schapen

Het procesmateriaal brengt ons uitzonderlijk dicht bij het dagelijkse Gooise boerenleven. De grafelijke partij klaagde dat de Gooiers met de gemeenschappelijke gronden omgingen:

“alsoft haar eygen erve ende patrimonye geweest hadde”

Alsof deze dus hun eigen erfgoed en patrimonium waren. Vervolgens werd concreet opgesomd welk vee zij daarop brachten:

“hoir paarden, koeyen, zwijnen ende scapen”

Daar staan de zwijnen letterlijk tussen paarden, koeien en schapen. De varkens zijn daardoor niet alleen via Kos' beschrijving van het akeren bekend; zij verschijnen ook rechtstreeks in het vijftiende-eeuwse juridische conflict over het gebruik van de Gooise gemene gronden.

Het bos werd gekapt, verdeeld en verkocht

De aanklacht ging veel verder. De Gooiers zouden de bossen en struiken hebben laten kappen en dat volgens de grafelijke partij nog dagelijks doen:

“ende hadden oick doen hauwen ende dagelicx hieuwen de voirs. bosschen ende streuellen”

Vervolgens werd het hout:

“deylende, gebruykende ende vercoipende tot hoeren geliefte ende proffijte”

Het hout werd dus verdeeld, gebruikt en verkocht ten eigen profijte. Daarmee krijgen we een veel concreter beeld van de economische waarde van het bos. Het ging niet alleen om wat brandhout voor thuis. Hout kon worden verdeeld, gebruikt én verkocht en vertegenwoordigde daarmee geldelijke waarde.

Ook de houtvesters werden aangevallen

Nog belangrijker voor het rechtsverhaal was de beschuldiging dat de Gooiers zelf houtvesters en andere dienaren aanstelden zonder toestemming van de landsheer. Daarmee raakte de zaak de kern van de bestuurlijke bevoegdheid. Wie zelf functionarissen benoemde om het bosgebruik te regelen, presenteerde zich feitelijk als een gemeenschap met eigen bestuursrechten. Voor de grafelijke overheid was dat problematisch. De kwestie ging dus tegelijk over economische exploitatie en institutionele autonomie. De vraag was niet uitsluitend: van wie zijn de bomen? Minstens zo belangrijk was: wie heeft het recht te bepalen wie ze mag kappen?

Het oude gebruik was het belangrijkste verweer

De Gooise partij verdedigde zich door zich te beroepen op de ouderdom van haar rechten. Zij verklaarde de gemene gronden:

“altijt rustelicken ende vredelicken gebruyct”

te hebben. Daarmee werd een juridisch belangrijk argument naar voren gebracht: dit gebruik was geen recente inbreuk op landsheerlijke rechten, maar een toestand die al zolang bestond dat de gebruikers hem als hun recht beschouwden. Voor de Gooise gemeenschap was de herhaling van generatie op generatie juist het bewijs van legitimiteit. Wat vader en grootvader hadden mogen doen, behoorde volgens die gedachte ook aan hun nakomelingen toe.

Zelfs duizend jaar werd genoemd

In het proces werd dat argument op een opvallende manier op de spits gedreven. Er werd gesproken over gebruik dat:

“duysent jaeren tot desen dage toe rustelic”

zou hebben plaatsgevonden. Die duizend jaar moeten we niet gebruiken als een letterlijke historische datering van het Erfgooiersrecht. Het is een juridische formulering die de onheuglijke ouderdom van het gebruik onderstreept. De tegenpartij stelde juist dat zelfs zo'n buitengewoon langdurig feitelijk gebruik niet automatisch alle aanspraken van de landsheer tenietdeed. Daarmee botsten twee rechtsopvattingen: langdurige gewoonte tegenover landsheerlijke eigendom en rechtsmacht.

Het Hof van Holland maakte onderscheid

In eerste aanleg pakte de uitspraak voor de Gooise aanspraken op bepaalde onderdelen ongunstig uit. Uit de latere juridische weergave van F.A. Molster blijkt dat het Hof onderscheid maakte tussen verschillende soorten gemene grond. De landsheer kreeg in deze lezing eigendom en genot van onder meer venen, bossen en waranden, terwijl de Gooiers rechten behielden ten aanzien van heiden, weiden en gemeente. Daarmee dreigde juist de oude boswereld juridisch losgemaakt te worden van de overige gebruiksrechten. De Gooise partij legde zich daar echter niet bij neer en ging in beroep.

De zaak ging naar de Grote Raad

Het geschil bereikte vervolgens de Grote Raad van Mechelen, een van de hoogste rechtsinstanties binnen de Bourgondische Nederlanden. Op 19 november 1474 kwam daar een uitspraak die voor de verdere geschiedenis van de Gooise rechten van uitzonderlijk belang werd. Het eerdere oordeel werd gewijzigd. De oplossing was juridisch geraffineerd: volledige eigendom en feitelijk gebruik hoefden niet aan dezelfde partij toe te behoren. Daardoor konden zowel de landsheerlijke eigendomsaanspraak als de eeuwenoude gebruikspraktijk van de Gooiers binnen één juridische constructie worden erkend.

De landsheer behield de eigendom

In de uitspraak werd de landsheer bevestigd in:

“den eigendom van de voirs. commune”

De uiteindelijke eigendom van de gemeenschappelijke gronden werd dus bij de landsheer gelegd. Dat is belangrijk omdat het voorkomt dat we de Erfgooiers ten onrechte voorstellen als eenvoudige collectieve grondeigenaren in moderne zin. Hun historische positie was ingewikkelder. Een ander kon juridisch eigenaar zijn, terwijl de Gooise gemeenschap tegelijkertijd zeer omvangrijke en economisch waardevolle gebruiksrechten bezat. Precies dat onderscheid zou eeuwenlang bepalend blijven voor discussies over de juridische aard van het Erfgooiersrecht.

De Gooiers behielden hun gebruik

Tegelijkertijd werden de Gooiers bevestigd in:

“hoir gebruyke”

en dat gebruik werd opvallend breed omschreven. De uitspraak noemt:

“beemden, maraschen, weyen, heyen, waranden, wildernissen, bosch, houwingen”

Daarmee zijn niet alleen beemden, moerassen, weiden en heiden opgenomen, maar uitdrukkelijk ook wildernissen, bos en houwingen. Voor ons bosverhaal is vooral dat laatste belangrijk. De juridische erkenning had dus niet uitsluitend betrekking op het laten grazen van vee. Ook de gebruikswereld rond bos en houtwinning maakte onderdeel uit van het erkende complex.

Genieten en gebruiken

De sententie vervolgde dat de Gooiers daarvan mochten:

“genyeten ende te gebruycken”

Dat is juridisch betekenisvol. Het ging om het economische profijt dat uit de gemene gronden kon worden gehaald. Het eigendomsrecht van de landsheer maakte het dagelijkse gebruik door de Gooise gerechtigden dus niet waardeloos. Voor een boerenhuishouden was juist het kunnen genieten en gebruiken van weide, heide, bos en andere hulpbronnen doorslaggevend. De juridische eigenaar van de bodem hoefde niet degene te zijn die de eikels, het hout, de weide of andere opbrengsten daadwerkelijk voor zijn bedrijfsvoering benutte.

1474 schiep het recht niet uit het niets

Een oude juridische analyse in het Verslag omtrent den oorsprong en den aard van het regt van de Erfgooiers benadrukt een belangrijk onderscheid. De uitspraak van 1474 moet niet worden gelezen alsof de landsheer toen voor het eerst een geheel nieuw gebruiksrecht aan de Gooiers schonk. De gedachte is juist dat een reeds bestaand en langdurig uitgeoefend recht rechterlijk werd bevestigd. Dat past veel beter bij de voorafgaande bosbrieven en bij de verdediging van de Gooiers zelf. Er bestond vóór 1474 al een georganiseerde gebruikspraktijk; de rechter moest bepalen welke juridische betekenis daaraan moest worden toegekend.

Verjaring gaf oud gebruik juridische kracht

Molster legt de erkenning uit vanuit verjaring. De Gooise rechten zouden zo lang feitelijk zijn uitgeoefend dat er:

“geene memorie ter contrarie”

bestond: er was geen herinnering aan een tegenovergestelde toestand. Daarmee wordt begrijpelijk waarom de voortdurende verwijzing naar ouderdom in de processen zo belangrijk was. De Gooiers hoefden niet noodzakelijk een oorspronkelijke akte te tonen waarin een vorst eeuwen eerder ieder gebruiksrecht afzonderlijk had geschonken. De langdurige, vreedzame en ononderbroken uitoefening kon zelf juridische betekenis verkrijgen. Gewoonte, herinnering en daadwerkelijk gebruik werden zo onderdelen van het recht.

Het varken moet juridisch zorgvuldig worden geplaatst

Voor het akeren is daarbij een belangrijke nuance noodzakelijk. De gevonden formulering van de sententie van 1474 noemt bosch en houwingen, maar zegt in het geciteerde gedeelte niet letterlijk: de Gooiers hebben het recht varkens onder de eiken te laten akeren. Dat specifieke gebruik kennen we uit de beschrijving van de bos- en landbouwpraktijk. Daarnaast noemen de processtukken de “zwijnen” expliciet onder het vee dat de Gooiers op de gemene gronden brachten. Beide bewijslijnen versterken elkaar, maar mogen niet tot één letterlijk niet-bestaande bepaling in de sententie worden samengevoegd.

Het recht werd gehandhaafd met sancties

De bos- en schaarreglementen konden alleen functioneren wanneer overtredingen gevolgen hadden. Daarom komen geldboetes en verbeurdverklaring van vee voor. Ook konden de opbrengsten van sancties tussen verschillende betrokkenen worden verdeeld. Dat laat zien dat gemeenschappelijk grondgebruik niet gelijkstond aan vrije toegang voor iedereen. Juist omdat een beperkte groep gerechtigden economische voordelen uit de gronden mocht halen, moest worden gecontroleerd wie daarvan gebruikmaakte en of men zich aan de gemeenschappelijke regels hield. Het latere Erfgooiersrecht kreeg zijn exclusieve karakter mede door zulke grenzen tussen gerechtigden en niet-gerechtigden.

1514 was niet het einde

De bekende reeks bosbrieven loopt tot 1514, maar daarmee verdween de strijd over het bos niet. In 1527 ontstond opnieuw een conflict, nu met Willem Turck van Nijenrode, over de zeggenschap over het bos. Dat onderstreept hoe weinig definitief een afzonderlijke bosbrief of rechterlijke uitspraak in de dagelijkse praktijk hoefde te zijn. Oude aanspraken bleven naast elkaar bestaan en konden bij veranderende machtsverhoudingen opnieuw botsen. De vraag wie regels mocht vaststellen en wie toezicht mocht uitoefenen bleef daarmee tot diep in de zestiende eeuw actueel.

Huizen levert in 1533 een herinneringsbron

Bijzonder belangrijk is vervolgens de Huizense getuigenverklaring uit 1533, die door Koster-Van Dijk bij haar uitgave van de oude bosgebruiken werd betrokken. Zulke verklaringen kunnen praktijken vastleggen die al generaties eerder bestonden. Getuigen vertelden vanuit hun herinnering en vanuit wat zij van oudere generaties hadden vernomen hoe rechten en gebruiken functioneerden. Voor onze reconstructie is Huizen daardoor een belangrijke plaats. Hier kunnen de abstracte begrippen bosrecht, houtvesterschap en gebruiksgerechtigdheid worden verbonden met mensen die daadwerkelijk in en rond dat landschap leefden.

De regels konden het bos uiteindelijk niet redden

Een cruciale conclusie bij Kos is dat het bestaan van regels niet betekende dat de gemeenschappelijke hulpbron duurzaam behouden bleef. Voor de heiden en weiden bleken de schaarregelingen uiteindelijk behoorlijk bruikbaar als instrument om gebruik te beperken. Bij het bos verliep dat anders. Kos constateert over de bosreglementen:

“Handhaving van de reglementen werd achterwege gelaten.”

Dat is een belangrijk kantelpunt. De gemeenschap beschikte dus over regels die overexploitatie konden tegengaan, maar de daadwerkelijke handhaving daarvan functioneerde uiteindelijk onvoldoende. Daarmee kwam de duurzaamheid van het gemeenschappelijke bos onder druk te staan.

Ongereguleerd gebruik beschadigde het Gooiersbos

Kos verbindt die gebrekkige handhaving met ongereguleerd gebruik en de vernietiging van het Gooiersbos. Daarmee wordt het verdwijnen van het bos een onderdeel van de institutionele geschiedenis van de Erfgooiers. Het was niet eenvoudig een natuurverschijnsel en ook niet uitsluitend het gevolg van één grote ontbossingsactie. Eeuwenlang gebruik, houtbehoefte, individuele belangen en onvoldoende effectieve collectieve handhaving konden samen leiden tot achteruitgang. Het systeem dat de gemeenschappelijke hulpbron moest beschermen bleek voor het bos uiteindelijk minder succesvol dan voor sommige andere gemene gronden.

Met de bomen verdwenen de eikels

Dat had ook gevolgen voor de varkenshouderij. Akeren kon alleen plaatsvinden zolang er voldoende bomen stonden die mast produceerden. Wanneer het oude eikenbos achteruitging, verminderde vanzelf ook de hoeveelheid eikels waarop varkens konden worden vetgemest. Daarmee verdween niet alleen een landschapselement, maar ook een agrarische functie. Het verlies van het bos betekende verlies van hout, beschutting, ecologische rijkdom én veevoer. De geschiedenis van ontbossing kan daarom rechtstreeks worden verbonden met een verandering in de bedrijfsvoering van de Gooise boeren.

Tegen het einde van de zestiende eeuw was de oude boswereld verdwenen

Kos plaatst het verdwijnen van het oude Gooiersbos tegen het einde van de zestiende eeuw. Dat is belangrijk voor de interpretatie van het huidige landschap. De bossen die tegenwoordig grote delen van het Gooi kenmerken zijn voor een belangrijk deel van veel jongere datum. Het middeleeuwse landschap kan dus niet vanuit het huidige bosareaal worden gereconstrueerd. Evenmin mogen de grote historische heidevelden automatisch als een onveranderd oerlandschap worden beschouwd. Zij waren mede het resultaat van eeuwen menselijke exploitatie en landschapsverandering. De Erfgooiers leefden niet alleen in het landschap; hun economische systeem hielp het landschap zelf veranderen.

De heidefase volgde op een oudere bosfase

Daarmee ontstaat een langere ontwikkeling binnen de geschiedenis van de gemene gronden. In de oudere periode speelde het bos een veel duidelijker rol: houtwinning, bosbeheer en het akeren van varkens hoorden bij het boerenbedrijf. Naarmate het bos verdween, kwamen de open gronden sterker op de voorgrond. In de latere Erfgooiersgeschiedenis worden daardoor schapen, runderen, schaarrechten en heidegebruik veel zichtbaarder. Dat mag ons echter niet doen vergeten dat daaronder een oudere economische laag ligt. Vóór de beroemde schaapskudden op de Gooise heide liepen er ook zwijnen onder de bomen van het Gooiersbos.

De oorspronkelijke stukken zijn nog te traceren

De juridische geschiedenis kan bovendien nog dichter bij de oorspronkelijke documenten worden gebracht. Kos verwijst voor de uitspraak van 19 november 1474 naar materiaal in het archief van Stad en Lande. Daaronder bevindt zich de akte waarin het eerdere vonnis van het Hof van Holland werd vernietigd, aangeduid als VVSLVG 2374. Daarnaast bestaat VVSLVG 2375, een op dezelfde dag uitgevaardigd bevel van Karel de Stoute aan zijn deurwaarder om de uitspraak uit te voeren. Dat laatste is bijzonder belangrijk: de uitspraak bleef niet uitsluitend een juridische tekst, maar kreeg een bevel tot daadwerkelijke uitvoering.

Ook Franse en Nederlandse overlevering bleef bestaan

Verder is VVSLVG 2380 van belang. Daarin bevinden zich extracten van de sententie van 1474 uit een privilegeboek van Naarden en gecombineerde afschriften in het Frans en Nederlands. Dat biedt mogelijkheden om de overlevering van de uitspraak zelf te onderzoeken: welke formuleringen werden overgenomen, vertaald of samengevat en hoe gebruikte de Gooise gemeenschap het oude vonnis in latere conflicten? Voor het Erfgooiersonderzoek zijn dergelijke afschriften niet alleen kopieën. Ze laten zien welke oudere rechten men belangrijk genoeg vond om eeuwenlang te bewaren en opnieuw als bewijsstuk te gebruiken.

Het Hof van Holland was geen eenmalige tegenstander

Ook moeten de gebeurtenissen van 1470–1474 niet als één geïsoleerd proces worden behandeld. J.M.I. Koster-Van Dijk onderzocht in Gooilanders voor de Grote Raad 1470–1572 een langere reeks Gooise zaken voor deze hoge rechtsinstantie. Daarnaast bestaan stukken uit de rekeningen van de baljuwen van Muiden en Gooiland, de Grafelijkheidsrekenkamer, privilegeboeken, charters en andere dossiers. De ontwikkeling van het Erfgooiersrecht voltrok zich daardoor niet uitsluitend binnen de dorpen. Gooise boeren en hun vertegenwoordigers werden onderdeel van een veel grotere Hollandse en Bourgondische juridische wereld van baljuwen, hoven, procureurs, deurwaarders en beroepsprocedures.

Een eikel kon uiteindelijk een rechtskwestie worden

Daarmee kunnen we terugkeren naar het ogenschijnlijk eenvoudige varken onder een eik. Een vallende eikel vertegenwoordigde voedsel. Dat voedsel hielp een varken vet te mesten. Het varken vertegenwoordigde vlees, vet en economische waarde voor een huishouden. Om van die eikel te kunnen profiteren moest de boer toegang tot het bos hebben. Omdat meerdere boeren hetzelfde bos gebruikten, waren afspraken noodzakelijk. Die afspraken vereisten functionarissen en handhaving. Vervolgens ontstond discussie over wie die functionarissen mocht benoemen. Daarmee werd een economische praktijk uiteindelijk een vraag over gewoonterecht, eigendom, bestuursmacht, verjaring en landsheerlijke soevereiniteit.

Van Naerdinclant naar het Hollandse recht

De volledige ontwikkeling loopt daarmee van het vroegmiddeleeuwse Naerdinclant, via Wichman van Hamaland en Hoog-Elten, naar het gemeenschappelijke Gooiersbos en de oude gebruikspraktijken van de plaatselijke boeren. Daarna worden die gebruiken steeds zichtbaarder in de bosbrieven van 1364/1365, 1421, 1437 en 1514. Nijenrode verschijnt als belangrijke partij rond bos en koptienden. In de vijftiende eeuw botsen de Gooise aanspraken vervolgens steeds nadrukkelijker met de Bourgondisch-Hollandse landsheer, waarna Hof van Holland en Grote Raad van Mechelen zich ermee gaan bemoeien.

Van gewoonte naar erkend gebruiksrecht

Het beslissende juridische moment kwam in 1474. De Grote Raad liet de landsheerlijke eigendom bestaan, maar bevestigde tegelijkertijd de Gooise gebruikers in hun rechten op onder andere “weyen, heyen, waranden, wildernissen, bosch, houwingen”. Daarmee werd een rechtsconstructie bevestigd die de Erfgooiersgeschiedenis eeuwenlang zou kenmerken: de grond kon aan de ene partij toebehoren terwijl een andere gemeenschap daarop erfelijke, economisch waardevolle gebruiksrechten uitoefende. Die rechten waren niet zomaar een gunst van het moment. Hun kracht lag juist in het beroep op langdurige, vreedzame en onheuglijke uitoefening.

Het Gooiersbos verdween, het recht bleef bestaan

Juist daarin zit de historische tegenstelling. Het natuurlijke object waarop een deel van de oude rechten betrekking had — het Gooiersbos — verdween uiteindelijk grotendeels. De juridische gemeenschap en haar gebruiksrechten bleven echter voortbestaan en richtten zich steeds sterker op de resterende heiden, weiden en andere gemene gronden. Daardoor raakte de bosfase op de achtergrond van het latere Erfgooiersverhaal. De bronnen maken echter duidelijk dat deze oudere laag er werkelijk was. Bossen, houtvesters, houwtijd, houtverdeling, Nijenrode, koptienden, zwijnen en akeren behoren net zo goed tot de voorgeschiedenis van de Erfgooiers als de latere schaarrechten.

De zwijnen brengen het oude Gooi weer tot leven

De woorden uit het procesmateriaal vormen uiteindelijk misschien wel het sterkste beeld van die verdwenen wereld. De Gooiers brachten volgens hun tegenstanders hun:

“paarden, koeyen, zwijnen ende scapen”

op de gemeenschappelijke gronden. In het bos werd hout gehouwen, verdeeld, gebruikt en verkocht. Onder de eiken konden varkens naar eikels zoeken. Houtvesters moesten toezicht houden, heren van Nijenrode claimden oude bevoegdheden en de landsheer van Holland betwistte dat de Gooiers zelf over alles mochten beslissen. Achter iedere kudde en iedere gekapte boom lag daardoor een netwerk van rechten dat generaties ouder kon zijn dan de geschreven stukken waarin wij het terugvinden.

Eikenbossen en varkens horen in de kern van het Erfgooiersverhaal

Daarom moeten eikenbossen, varkens en akeren niet als een kleine anekdote aan het grote Erfgooiersverhaal worden toegevoegd. Ze onthullen juist hoe het systeem oorspronkelijk functioneerde. De Erfgooiersgeschiedenis gaat over mensen die voor hun bestaan afhankelijk waren van gemeenschappelijke natuurlijke hulpbronnen en daarom moesten bepalen wie mocht gebruiken, hoeveel mocht worden gebruikt, wie toezicht hield en wie uiteindelijk de baas was. Van de eikel onder een middeleeuwse eik loopt daardoor een rechtstreekse lijn naar de bosbrief, de houtvester, het Hof van Holland en uiteindelijk de Grote Raad van Mechelen.

De complete lijn is nu: Naerdinclant → gemeenschappelijke bossen → Wichman en Elten → Nijenrode en koptienden → houtwinning → eiken en eikelmast → varkens en akeren → bosorganisatie → bosbrieven vanaf 1364/1365 → houtvesters en houwtijd → sancties en verbeurdverklaring → processen vanaf 1470 → paarden, koeien, zwijnen en schapen → strijd om hout en bestuursmacht → Hof van Holland → Grote Raad van Mechelen 1474 → landsheerlijke eigendom naast Goois gebruiksrecht → bosch en houwingen → verjaring en onheuglijk gebruik → bosbrief 1514 → conflict Willem Turck van Nijenrode 1527 → Huizense getuigen 1533 → gebrekkige handhaving → teloorgang van het Gooiersbos → verschuiving naar het latere heide- en weidelandschap van de Erfgooiers.

Aanvullend verhaal — de ontbrekende lagen van het Erfgooiersverhaal

261. Achter de regels stonden afzonderlijke gezinnen

De schaarbrieven en rechtszaken vertellen hoe de Gooise gemeenschap haar rechten organiseerde, maar achter iedere bepaling stonden afzonderlijke huishoudens. Een gerechtigde was tegelijkertijd echtgenoot, vader, buurman, boer, ambachtsman of arbeider. Zijn plaats binnen Stad en Lande bepaalde maar een gedeelte van zijn bestaan. Om de Erfgooiers werkelijk te begrijpen moeten daarom de juridische regels worden verbonden met geboorte, huwelijk, overlijden, grondbezit, schulden, vee en beroep. Vooral vóór de registratie van 1708 is deze menselijke laag nog moeilijk zichtbaar. De gerechtigden bestonden toen al eeuwen, maar hun individuele levens moeten uit verspreide belasting-, kerkelijke, rechterlijke en notariële bronnen opnieuw worden samengesteld.

262. De namen vóór 1708

Juist de periode vóór 1708 verdient daarom een persoonsgericht onderzoek. De schaarbrieven vertellen welke categorieën mensen rechten hadden, maar niet vanzelfsprekend welke families generatie na generatie achter die categorieën schuilgingen. Koptiendenregisters, transportakten, processtukken en kerkelijke registers kunnen die leegte gedeeltelijk vullen. Wanneer dezelfde familienaam achtereenvolgens voorkomt bij grondgebruik, een huwelijk, een rechtszaak en uiteindelijk de registratie van 1708, ontstaat een mogelijke genealogische keten. Zo'n keten mag echter niet uitsluitend op een gelijkluidende naam worden gebaseerd. Iedere generatie moet afzonderlijk worden gecontroleerd. Pas dan kan zichtbaar worden hoe middeleeuwse huishoudelijke gerechtigdheid veranderde in de vroegmoderne erfelijke familiegerechtigdheid.

263. De koptienden als familiekaart

De Koptienden-Gaarderboeken vormen daarvoor een uitzonderlijk belangrijke bron. Zij registreren geen Erfgooiers als zodanig, maar maken veranderingen in het gebruik of bezit van bouwland zichtbaar. Wanneer een vader uit het register verdwijnt en kort daarna een weduwe, zoon of schoonzoon bij hetzelfde land verschijnt, ontstaat een aanknopingspunt. Vervolgens moeten overlijden, huwelijk en eventuele boedelscheiding uit andere bronnen worden vastgesteld. Zo kunnen de koptienden worden gebruikt als een soort bewegende kaart van Gooise families. Vooral wanneer deze gegevens worden verbonden met de lijst van 1708 kan worden onderzocht welke grondgebruikers tevens gerechtigd waren en welke inwoners wel particulier land bezaten maar buiten de Erfgooiersgemeenschap stonden.

264. Een recht zonder boerderij

De grote groep niet-scharenden in 1708 laat zien dat een gerechtigde niet noodzakelijk een zelfstandig boerenbedrijf bezat. Dat proces moet al eerder zijn begonnen. Een boerenzoon kon binnen de familiegemeenschap blijven behoren terwijl de boerderij naar een broer ging. Hij kon vervolgens timmerman, wever, dagloner, schipper of een andere beroepsbeoefenaar worden. Zijn bestaan toont hoe een oorspronkelijk agrarisch recht langzaam van het dagelijkse boerenbedrijf los kon raken. Dat betekent ook dat niet-scharende Erfgooiers niet uitsluitend als een twintigste-eeuws verschijnsel mogen worden behandeld. De scheiding tussen familiale gerechtigdheid en feitelijke benutting van de gemeenschappelijke grond was omstreeks 1708 reeds duidelijk aanwezig.

265. Rijk en arm binnen dezelfde gemeenschap

Daarmee ontstonden binnen de gerechtigde kring aanzienlijke economische verschillen. Een grote boer met eigen bouwland, meerdere koeien en paarden kon veel meer praktisch voordeel uit de gemeenschappelijke weiden halen dan een gerechtigde zonder vee. Toch konden beiden tot dezelfde historische gemeenschap behoren. Erfgooier zijn was daarom geen garantie voor rijkdom. Een huishouden kon door overlijden, schulden, misoogst, ziekte of boedeldeling sterk achteruitgaan. Een oude familiegerechtigdheid kon blijven bestaan terwijl het particuliere vermogen vrijwel verdween. Armenregisters en diaconale administraties kunnen hier een nog nauwelijks onderzochte sociale laag blootleggen: Erfgooiers die ondanks hun bijzondere rechten ondersteuning nodig hadden om hun gezin te onderhouden.

266. De koe als particulier bezit

Het verschil tussen bezit en gerechtigdheid wordt nergens duidelijker dan bij de koe. Een koe behoorde tot het particuliere vermogen van een huishouden. Zij kon worden gekocht, verkocht en bij overlijden in een boedel terechtkomen. Het recht om haar op de gemeenschappelijke weide te laten grazen behoorde daarentegen tot een ander juridisch stelsel. Een weduwe kon dus koeien erven zonder vanzelfsprekend onbeperkt schaarrecht te verkrijgen. Een gerechtigde zonder koeien kon omgekeerd zijn familiegerechtigdheid behouden zonder praktisch te scharen. Daardoor moeten in boedelinventarissen niet alleen aantallen dieren worden geteld. Die gegevens moeten naast schaarlijsten worden gelegd om te bepalen hoeveel van het beschikbare gebruiksrecht werkelijk werd benut.

267. Naar buiten met het vee

Het schaarrecht kreeg betekenis zodra het vee daadwerkelijk de gemeenschappelijke gronden opging. Dan veranderde een juridische aanspraak in dagelijks gebruik van het landschap. Koeien, paarden en andere toegelaten dieren deelden dezelfde eindige ruimte. Daardoor moesten aantallen worden begrensd. Knyff beschreef in het begin van de zeventiende eeuw dat de inwoners op de gemeenschappelijke weiden een bepaald aantal dieren konden laten grazen en sprak daarbij van communia jura, gemeenschappelijke rechten. Zijn gedicht bewijst niet de precieze juridische regeling, maar geeft wel een zeldzaam beeld van het landschap waarin de schaarregels functioneerden: vee, grasland, akkerbouw en bemesting vormden één economisch systeem.

268. De meent voedde de akker

Het belang van de gemeenschappelijke gronden hield niet op bij het grazen. Het vee leverde mest, en die mest was voor de akkers op de arme Gooise zandgronden van grote betekenis. Heide en weide maakten daardoor indirect akkerbouw mogelijk. Plaggen, gras en andere producten uit het gemeenschappelijke landschap ondersteunden eveneens het boerenbedrijf. Wie toegang tot deze hulpbronnen had, beschikte dus over meer dan een plek voor enkele koeien. Het schaarrecht maakte deel uit van een kringloop tussen meent, stal en akker. Juist daarom kon aantasting of verdeling van gemeenschappelijke grond rechtstreeks ingrijpen in de bestaansbasis van afzonderlijke Gooise huishoudens.

269. Schapen veroorzaakten spanning

Schapen namen binnen die gemeenschappelijke economie een bijzondere plaats in. De herhaalde geschillen over schapen laten zien dat verschillende vormen van begrazing niet vanzelfsprekend naast elkaar pasten. Grote aantallen dieren konden de beschikbare vegetatie belasten en daarmee de belangen van andere gerechtigden raken. De conflicten rond 1516–1521 en de latere beperkingen moeten daarom niet alleen als juridische ruzies worden gelezen. Ze gingen over verdeling van voedsel en ruimte. Wanneer één huishouden zijn kudde uitbreidde, kon een ander huishouden daar nadeel van ondervinden. Collectieve regulering was daardoor noodzakelijk, zelfs wanneer alle betrokken partijen vanouds gerechtigd waren.

270. Toezicht hoorde bij gemeenschappelijk bezit

Gemeenschappelijke rechten konden alleen functioneren wanneer regels werden gehandhaafd. Er moest worden vastgesteld wie gerechtigd was, hoeveel dieren iemand mocht scharen en of iemand de grenzen overschreed. De resoluties en bestuursstukken van Stad en Lande zijn daarom niet slechts administratieve resten. Zij vormden het mechanisme waarmee individuele aanspraken tegenover het collectieve belang werden afgewogen. Overtredingen, klachten, boeten en processen zijn voor het verdere onderzoek bijzonder belangrijk. Juist daarin kunnen gewone Erfgooiers zichtbaar worden die in grote juridische verhandelingen ontbreken. Een conflict over enkele dieren kan uiteindelijk meer vertellen over de dagelijkse werking van het systeem dan een negentiende-eeuwse theoretische beschouwing over de oorsprong ervan.

271. Weduwen moeten één voor één worden gevolgd

De weduwen op de lijst van 1708 vormen daarvoor een uitzonderlijke onderzoeksgroep. Hun vermelding bewijst dat zij administratief zichtbaar bleven, maar niet automatisch waarom. Bij iedere weduwe moet daarom de overleden echtgenoot worden geïdentificeerd. Vervolgens moeten kinderen, particulier grondbezit, vee, eventuele boedelscheiding en hertrouwen worden gevolgd. Pas daarna kan worden vastgesteld welke positie zij werkelijk innam. Het geval van Aaltje Hendriks uit 1721 geeft een concreet mechanisme: volledige scharing zolang de boedel van haar overleden echtgenoot ongescheiden bleef. Het is echter nog niet bewezen dat alle weduwen op de lijst van 1708 volgens precies dezelfde constructie werden behandeld.

272. Aaltje Hendriks als sleutelpersoon

Aaltje Hendriks is daarom belangrijker dan alleen als voorbeeld van een vrouwelijke gerechtigde. Haar zaak laat zien dat Stad en Lande keek naar de juridische toestand van het achtergebleven huishouden. Zolang de nalatenschap van Gijsbert Jacobs ongescheiden bleef, kon Aaltje volledig scharen. Na de boedelscheiding werd die positie op 9 mei 1721 gewijzigd. Daarmee worden overlijden, weduwschap, boedel en schaarrecht in één dossier met elkaar verbonden. Het verdere onderzoek moet proberen vergelijkbare zaken te vinden. Wanneer meerdere weduwen hetzelfde patroon vertonen, kan worden vastgesteld dat Aaltjes geval onderdeel van een bredere rechtspraktijk was. Wanneer andere oplossingen voorkomen, wordt juist de variatie zichtbaar.

273. Hertrouwen is de volgende proef

Hertrouwen vormt daarbij een cruciale test. Een weduwe kon na enkele jaren een nieuwe echtgenoot kiezen. Wanneer die man geen eigen gerechtigdheid bezat, ontstond onmiddellijk de vraag welke positie hij tegenover de meent kreeg. Hij kon niet eenvoudig door het huwelijk een nieuwe erfelijke familielijn creëren zonder het gesloten systeem te ondergraven. Tegelijk kon hij feitelijk terechtkomen in een huishouden met land, vee en kinderen van een overleden Erfgooier. Alleen concrete resoluties, huwelijksstukken en boedeldossiers kunnen tonen hoe deze spanning werd opgelost. Daarom moet hertrouwen als zelfstandige onderzoekslijn worden behandeld en niet vanuit de latere mannelijke afstammingsregel achteraf worden ingevuld.

274. Alleen dochters

Nog scherper is het gezin waarin een gerechtigde vader uitsluitend dochters naliet. Zijn huis, land, geld en vee konden via het gewone erfrecht binnen zijn nalatenschap worden verdeeld. Maar wanneer de bijzondere gerechtigdheid niet langs vrouwelijke afstamming werd voortgezet, konden familiebezit en Erfgooierlijn vanaf dat moment verschillende richtingen nemen. Een dochter of schoonzoon kon vervolgens op de oude familieboerderij wonen terwijl de bijzondere erfelijke lijn in die tak ophield. Een concreet dossier van zo'n gezin zou een van de krachtigste bewijzen zijn voor het onderscheid tussen particulier erfrecht en Erfgooiersrecht. Totdat zo'n geval volledig is gereconstrueerd, moet deze mogelijkheid echter als onderzoeksvraag worden behandeld.

275. De schoonzoon kon wel boer worden

De schoonzoon verdient daarom een eigen plaats in het verhaal. Door huwelijk kon hij onderdeel worden van een Goois boerenhuishouden. Grond kon bij de vorming van dat nieuwe huishouden naar hem of het echtpaar overgaan. Hij kon daardoor feitelijk een boerderij beheren die uit een oude Erfgooiersfamilie afkomstig was. Toch bewees het bezit van die boerderij niet automatisch dat hij dezelfde familiale gerechtigdheid had gekregen. Hier ligt een belangrijke genealogische valkuil. Wanneer een schoonzoon in een koptiendenregister de plaats van zijn schoonvader inneemt, moet afzonderlijk in de Erfgooiersadministratie worden gecontroleerd of hij zelf gerechtigd was, een bijzonder recht bezat of uitsluitend particulier grondgebruiker was.

276. De wezen achter de cijfers

De kinderen die in 1708 afzonderlijk werden geregistreerd moeten eveneens uit de statistiek worden gehaald. Een aanduiding als kind of weeskind vertelt nog weinig over het verdere leven. Wie waren hun ouders? Hoe oud waren zij? Wie beheerde hun goederen? Bleef hun ouderlijke boerderij bestaan? Werden zij later zelfstandig geregistreerd? Vooral jongens kunnen laten zien hoe een familiegerechtigdheid tijdens minderjarigheid werd bewaard en later opnieuw zelfstandig werd uitgeoefend. Meisjes kunnen juist zichtbaar maken wat er gebeurde wanneer gewoon familiebezit werd geërfd zonder dat dezelfde route naar het latere mannelijke erfgooierschap bestond. Iedere wees is daarmee potentieel een kleine juridische geschiedenis.

277. Voogden traden tussen twee generaties

Bij minderjarige kinderen moet vervolgens de voogd worden gezocht. Een kind kon immers niet zelfstandig alle juridische en financiële handelingen verrichten die voor een boerderij noodzakelijk waren. Iemand moest goederen beheren, schulden afwikkelen en eventueel optreden bij verkoop of verhuur. Wees- en voogdijadministraties kunnen daardoor een ontbrekende schakel vormen tussen een overleden Erfgooier en zijn volwassen nakomelingen. Het huidige materiaal geeft nog onvoldoende concrete dossiers om één algemene Gooise voogdijpraktijk te beschrijven. Juist daarom moeten deze bronnen afzonderlijk worden onderzocht. Zij kunnen zichtbaar maken wie feitelijk het boerenbedrijf en de familiale belangen bestuurde tijdens de jaren waarin de toekomstige gerechtigde nog minderjarig was.

278. De boedelinventaris opent de voordeur

Een boedelinventaris brengt ons vervolgens letterlijk het huis binnen. Daarin kunnen bedden, tafels, kasten, kleding, gereedschappen, vee, voorraden, geld, schulden en vorderingen voorkomen. Voor een Erfgooier is vooral de verhouding tussen particulier vermogen en gemeenschappelijk gebruik interessant. Bezit een scharende boer daadwerkelijk meerdere koeien en paarden? Heeft een niet-scharende gerechtigde nauwelijks agrarische goederen? Bezit een weduwe na overlijden nog voldoende vee om het schaarrecht economisch belangrijk te maken? Door zulke inventarissen te koppelen aan schaar- en gerechtigdenlijsten kan voor het eerst worden gemeten wat de historische rechten in verschillende huishoudens werkelijk betekenden.

279. Een arme Erfgooier bleef Erfgooier

Daaruit kan ook een veel minder idyllisch beeld ontstaan. Sommige gerechtigden zullen weinig hebben bezeten. Een oud recht op de meent hielp slechts wanneer iemand dieren had om erheen te brengen en middelen had om een huishouden in stand te houden. Schulden konden een boerderij uithollen. Een slechte nalatenschap kon kinderen achterlaten met verplichtingen in plaats van vermogen. Daarmee ontstond een groep die genealogisch tot de oude gemeenschap behoorde maar economisch nauwelijks van het recht profiteerde. De latere niet-scharende Erfgooier moet daarom niet uitsluitend worden gezien als iemand die vrijwillig een ander beroep koos. Economische noodzaak kan eveneens een belangrijke rol hebben gespeeld.

280. Armenzorg kan Erfgooiers terugvinden

Diaconale registers en andere armenadministraties kunnen juist zulke gezinnen zichtbaar maken. Wanneer een bekende Erfgooiersnaam daarin voorkomt, kan worden onderzocht hoe een historisch gerechtigde familie in armoede terechtkwam. Kreeg een weduwe ondersteuning? Werden wezen uitbesteed? Moest een gezin vee verkopen? Verloor het particulier land? Zulke vragen verbinden de institutionele geschiedenis met sociale geschiedenis. Het zou bovendien laten zien dat toegang tot de meent niet alle economische risico's wegnam. Erfgooierschap verschafte een bijzonder recht, maar beschermde een huishouden niet automatisch tegen ziekte, overlijden, schulden of economische achteruitgang. Daarmee wordt het verschil tussen juridische status en werkelijk levensniveau nog scherper.

281. Vertrekken betekende niet hetzelfde als verdwijnen

Ook migratie moet per familielijn worden gevolgd. Een gerechtigde kon uit Hilversum, Laren, Huizen, Blaricum, Bussum of Naarden vertrekken. Daarmee verdween zijn afstamming niet, maar de praktische uitoefening kon veranderen. Het voorbeeld van de beperkingen rond ’s-Graveland laat zien dat woonplaats juridisch relevant kon zijn. Voor vertrokken families moet daarom worden onderzocht of zij uit de actieve administratie verdwenen, als niet-scharend bleven voorkomen of later opnieuw aanspraken konden doen gelden. Vooral wanneer nakomelingen terugkeerden, werd bewijs van afstamming belangrijk. Daarmee ontstond geleidelijk een administratieve genealogie die uiteindelijk veel verder ging dan de oorspronkelijke mondelinge herkenning binnen een kleine agrarische gemeenschap.

282. Terugkeer maakte het verleden bewijsbaar

Een terugkerende nakomeling kon niet eenvoudig verklaren dat zijn grootvader ooit gerechtigd was. Naarmate de bevolking groeide en familietakken zich verspreidden, werd schriftelijk bewijs belangrijker. Doop-, trouw- en begraafregisters, later burgerlijke stand en ledenadministraties konden generaties met elkaar verbinden. Zo veranderde het Erfgooiersrecht tevens de betekenis van genealogie. Afstamming was niet alleen familieherinnering meer, maar kon een juridisch relevante keten worden. In de twintigste eeuw, toen lidmaatschap financiële waarde vertegenwoordigde, werd dit nog belangrijker. Een familie die generaties niet had geschaard kon ineens belang krijgen bij het reconstrueren van een lange mannelijke afstammingslijn naar een erkende gerechtigde voorouder.

283. Kooprechten doorbreken het eenvoudige verhaal

De door koop of gunst verkregen rechten maken duidelijk dat niet iedere familiegerechtigdheid dezelfde oorsprong had. Lambert Lambertszoon, Lowis Jansz. de Waal, Pieter Visscher en Jacob Sijbrandtsz. vormen daarom belangrijke onderzoekscasussen. Bij ieder van hen moet worden vastgesteld wat precies werd verkregen, door wie het werd verleend of verkocht, welke voorwaarden golden en of nakomelingen het recht later konden voortzetten. De registratie van 1708 is hier bijzonder waardevol omdat zij nog uitdrukkelijk rekening hield met rechten die door koop of gunst waren ontstaan. Een recht kon dus op enig moment worden verworven en pas daarna gedurende generaties het uiterlijk van een oude familiegerechtigdheid krijgen.

284. Lambert Lambertszoon

Het geval van Lambert Lambertszoon, schout van Hilversum, verdient daarbij afzonderlijke aandacht. In 1563 verschijnt een verklaring over een door Naarden verleend gebruik van de gemeente voor hem en zijn mannelijke nakomelingen. Juist die expliciete verwijzing naar nakomelingschap maakt de zaak belangrijk voor de geschiedenis van erfelijkheid. Zij toont bovendien dat een recht niet uitsluitend uit onheuglijke plaatselijke gewoonte hoefde voort te komen. Een verleend recht kon eveneens een familiale toekomst krijgen. Voor een volledige reconstructie moet worden onderzocht of nakomelingen van Lambert later in gerechtigdenlijsten voorkomen en of zij daarbij nog herkenbaar waren als dragers van een oorspronkelijk bijzonder verleend recht.

285. Hofstederechten vertellen een ander verhaal

Naast persoonlijke en familiale rechten bestonden bijzondere rechten die met hofsteden verbonden waren. Daarmee verschijnt een geheel andere overdrachtsroute. Wanneer een hofstede werd verkocht of geërfd, kon de vraag ontstaan of het daaraan verbonden schaarrecht eveneens overging. Zo'n recht moet niet automatisch gelijkgesteld worden met erfgooierschap door mannelijke afstamming. Juist het voortbestaan van bijzondere hofstederechten onder latere regelingen toont hoe gelaagd het systeem bleef. Voor iedere bekende hofstede moet daarom de eigendomsgeschiedenis worden gevolgd: wie bezat haar, wanneer wisselde zij van eigenaar en welke aanspraken op de gemeenschappelijke gronden werden daarbij genoemd? Daarmee kan een afzonderlijke goederenrechtelijke traditie zichtbaar worden.

286. Stad en Lande achter de vergadertafel

De organisatie zelf verdient eveneens een menselijker reconstructie. Stad en Lande bestond niet als een abstract lichaam. Burgemeesters van Naarden, buurmeesters en andere vertegenwoordigers kwamen bijeen, namen besluiten, behandelden verzoeken en beheerden gezamenlijke belangen. Vanaf het resolutieboek in de zeventiende eeuw kan worden gevolgd welke personen aan tafel zaten en welke onderwerpen telkens terugkeerden. Een weduwe die scharing vroeg, een conflict over dieren, een grenskwestie of een financiële verplichting kwam uiteindelijk bij concrete bestuurders terecht. Door de namen van die bestuurders te verzamelen kan bovendien worden onderzocht of dezelfde Erfgooiersfamilies behalve als gebruikers ook bestuurlijk invloedrijk waren.

287. De dorpen hadden niet altijd hetzelfde belang

Naarden, Laren, Hilversum, Huizen, Blaricum en later de andere betrokken gemeenschappen vormden samen geen volkomen belangengemeenschap. Hun ligging, grondgebruik en economische ontwikkeling verschilden. Daardoor konden conflicten ontstaan over grenzen, aantallen dieren, ontginning en verdeling. De oude tegenstelling tussen Naarden en de Gooise dorpen laat dat al vroeg zien. Later kon ook de groei van afzonderlijke plaatsen de verhouding veranderen. Het verhaal van de Erfgooiers moet daarom niet alleen worden geschreven als gerechtigden tegenover buitenstaanders. Binnen de gerechtigde wereld bestonden eveneens concurrerende plaatselijke en economische belangen. Resoluties waarin vertegenwoordigers het oneens waren kunnen die interne politiek veel scherper zichtbaar maken.

288. De grens lag in het landschap

De zestiende-eeuwse grensbeschrijvingen zijn hiervoor bijzonder belangrijk. Grenzen werden niet uitsluitend met abstracte coördinaten aangeduid, maar via wegen, heuvels, bomen, sloten, palen en andere herkenningspunten. Een grenswandeling maakte het recht letterlijk zichtbaar in het landschap. Wie wist waar de grens liep, wist tevens waar bepaalde gebruiksaanspraken begonnen of ophielden. Door deze beschrijvingen naast oude kaarten en latere kadastrale gegevens te leggen kan de wereld van de Erfgooiers ruimtelijk worden gereconstrueerd. Daarmee krijgen begrippen als heide, meent en bos concrete plaatsen. Het verhaal kan dan volgen waar vee liep, waar ontginningen begonnen en waar botsende aanspraken daadwerkelijk tegenover elkaar stonden.

289. Het Gooiersbos hoorde erbij

Ook het Gooiersbos moet binnen die landschapslaag afzonderlijk worden gevolgd. De Boschbrief van 1514 laat zien dat bosgebruik eigen regulering kende. Hout was bouwmateriaal en brandstof, terwijl bos tegelijkertijd deel uitmaakte van een landschap waarin andere gemeenschappelijke gebruiksvormen voorkwamen. Het verdwijnen, kappen of veranderen van bos kon daardoor gevolgen hebben voor de economische mogelijkheden van huishoudens. De geschiedenis van de Erfgooiers is dus niet uitsluitend de geschiedenis van open heide en weide. Bossen, akkers, venen, water en nederzettingen vormden samen het landschap waarvan de gerechtigden afhankelijk waren. Iedere verandering in één onderdeel kon de druk op de overige gemeenschappelijke hulpbronnen vergroten.

290. ’s-Graveland veranderde de ruimte

De aanleg en ontwikkeling van ’s-Graveland in de zeventiende eeuw maakte zichtbaar hoe gevaarlijk grondverlies voor een gesloten gebruiksgemeenschap kon zijn. Wanneer gemeenschappelijke of betwiste gronden werden uitgegeven en ontgonnen, bleef minder ruimte over voor traditioneel gebruik. Tegelijk verschenen nieuwe bewoners en nieuwe economische belangen in het landschap. De Erfgooiers moesten daardoor niet alleen hun rechten onderling reguleren, maar ze ook tegenover veranderend grondgebruik verdedigen. De bepalingen rond woonplaats en schaarrecht bij ’s-Graveland laten bovendien zien hoe territorium en lidmaatschap met elkaar verbonden bleven. Een familiegerechtigdheid betekende niet dat het recht overal buiten de traditionele Gooise gemeenschap op dezelfde wijze kon worden uitgeoefend.

291. De negentiende eeuw veranderde de grond

Na Perk en Backer hield de geschiedenis niet op bij de juridische discussie over eigendom. De negentiende eeuw bracht steeds sterkere druk om heide te ontginnen, grond te verdelen en ruimte voor nieuwe economische functies te gebruiken. Daardoor veranderde de materiële basis van het oude recht. Gemeenschappelijke grond die eeuwenlang vooral als weide, heide of bron van natuurlijke producten was gewaardeerd, kon nu ook als verkoopbare grond worden beschouwd. Voor de gerechtigden betekende dit een fundamentele verschuiving. De vraag was niet langer uitsluitend hoeveel dieren iemand mocht scharen, maar steeds vaker wie mocht beslissen over grond die een steeds duidelijker marktwaarde kreeg.

292. Hilversum groeide

Vooral de groei van Hilversum maakte de spanning tussen oude rechten en moderne ruimtelijke ontwikkeling steeds scherper. Naarmate bebouwing, wegen en andere voorzieningen meer ruimte vroegen, kreeg gemeenschappelijke grond een nieuwe betekenis. Hetzelfde landschap kon voor een scharende Erfgooier weidegrond zijn, voor een gemeentebestuur uitbreidingsruimte en voor een investeerder bouwgrond. Daarmee ontstond een conflict tussen verschillende waarderingen van dezelfde bodem. De precieze ontwikkeling moet nog per verkoop en besluit worden gereconstrueerd, maar duidelijk is dat de overgang naar de twintigste eeuw niet alleen juridisch was. Het Gooi veranderde fysiek en demografisch, terwijl het Erfgooiersstelsel uit een veel oudere agrarische wereld stamde.

293. Bussum veranderde eveneens

Ook Bussum groeide sterk en werd daardoor steeds minder vergelijkbaar met het middeleeuwse agrarische dorp waarvan de omgeving onderdeel van het gemeenschappelijke Gooise landschap was geweest. Nieuwe inwoners hadden geen vanzelfsprekende historische gerechtigdheid. Daardoor werd het verschil tussen inwonerschap en Erfgooierschap steeds opvallender. Een moderne plaats kon duizenden inwoners tellen terwijl slechts een afgebakende groep oude familielijnen rechten op gemeenschappelijk vermogen behield. Wat in een kleine middeleeuwse gemeenschap als bescherming van bestaande gebruikers was ontstaan, kreeg in een snel groeiende samenleving een geheel andere sociale betekenis. Dit verschil vormt een belangrijke achtergrond voor de politieke en juridische spanningen die uiteindelijk tot de Erfgooierswet leidden.

294. Harmen Vos maakte eigendom persoonlijk

De zaak-Harmen Vos aan het einde van de negentiende eeuw bracht de oude eigendomsvraag op een opvallende manier terug. Vos beriep zich als Erfgooier op zijn verhouding tot de Gooise heide toen hij wegens het schieten van een haas werd vervolgd. Daarmee werd een eeuwenoud juridisch probleem ineens gekoppeld aan één persoon, één dier en één concrete handeling. Zijn verdediging dwong tot de vraag wat een individuele Erfgooier eigenlijk bezat binnen het collectieve stelsel. De zaak toont hoe moeilijk het bleef om oude gemeenschappelijke rechten in moderne categorieën als individueel eigendom te plaatsen. Frank van Lennep zou mede vanuit deze juridische strijd opnieuw een omvangrijke bronnenverzameling samenstellen.

295. 1912 loste niet alles op

De Erfgooierswet van 1912 gaf de gemeenschap een moderne wettelijke structuur, maar maakte het historische systeem niet ineens eenvoudig. Er bleven verschillen tussen lidmaatschap, afstamming en daadwerkelijk scharen. Weduwen en bijzondere hofstederechten moesten een plaats krijgen. Ook woonplaats en leeftijd konden relevant blijven. De wet moet daarom niet worden voorgesteld als het moment waarop één eeuwenoude onveranderde regel eindelijk werd opgeschreven. Zij was eerder een poging een historisch gegroeid en uitzonderlijk complex stelsel in moderne juridische categorieën onder te brengen. Juist de leden- en schaaradministraties na 1912 kunnen laten zien hoe die wettelijke regels vervolgens in individuele gevallen werden toegepast.

296. De ledenlijst werd vermogensadministratie

Naarmate gemeenschappelijke grond meer financiële waarde kreeg, veranderde ook de betekenis van de ledenlijst. Een naam op zo'n lijst vertegenwoordigde niet langer uitsluitend de mogelijkheid onder bepaalde omstandigheden gebruik te maken van heide of weide. Zij kon tevens toegang geven tot financiële uitkeringen wanneer grond werd verkocht. Daarmee werd genealogische juistheid rechtstreeks een vermogenskwestie. Fouten in afstamming of registratie konden geldelijke gevolgen hebben. De oude vraag “wie behoort tot de gerechtigde gemeenschap?” kreeg daardoor een nieuwe urgentie. Families die nauwelijks nog een agrarische relatie met het Gooi hadden, konden toch groot belang hebben bij bewijs dat hun mannelijke lijn naar een erkende Erfgooier terugliep.

297. 1933 maakte het verschil zichtbaar

De uitkering van 1933 vormt het duidelijkste tussenstation in deze ontwikkeling. De reeds gebruikte gegevens noemen 2.973 geregistreerde leden die ieder ƒ566,04 ontvingen. Deze cijfers moeten in de definitieve versie nog rechtstreeks tegen de primaire financiële administratie worden gecontroleerd. Historisch is het mechanisme echter belangrijker dan het bedrag alleen. Een collectief grondbezit werd gedeeltelijk omgezet in individuele financiële waarde. Daardoor kreeg ook de niet-scharende gerechtigde een tastbaar voordeel uit een recht dat oorspronkelijk rondom agrarisch gebruik was ontstaan. De meent was niet meer uitsluitend de plaats waar een koe graasde; zij vertegenwoordigde eveneens kapitaal dat onder gerechtigden kon worden verdeeld.

298. De slapende Erfgooier werd financieel wakker

Voor niet-scharende families veranderde daarmee veel. Zolang het recht vooral betrekking had op het houden van vee, kon een stedelijk werkende of elders verblijvende afstammeling weinig dagelijks voordeel ervaren. Zodra grond werd verkocht en opbrengsten werden verdeeld, werd dezelfde status financieel relevant. De uitdrukking slapende Erfgooier krijgt hier haar volle betekenis. Het recht was niet verdwenen omdat het niet agrarisch werd benut. Het kon bij een financiële gebeurtenis opnieuw tastbare waarde krijgen. Daardoor werd genealogisch onderzoek praktisch noodzakelijk. Geboorteakten, huwelijken en overlijdens vormden uiteindelijk de bewijsstukken waarmee een eeuwenoude relatie tot het Gooise gemeenschappelijke landschap in een moderne financiële aanspraak kon worden omgezet.

299. De laatste generatie

Bij de ontbinding van Stad en Lande in 1971 bereikte deze ontwikkeling haar eindfase. Er bestonden nog scharende Erfgooiers, maar daarnaast duizenden niet-scharende gerechtigden. Voor de laatste groep was het oorspronkelijke boerenkarakter van het recht grotendeels historisch geworden. Toch vertegenwoordigde hun lidmaatschap nog steeds waarde. Anton Kos beschrijft hoe zijn eigen vader als niet-scharende Erfgooier bij de afwikkeling een uitkering ontving. Daarmee kan binnen één familiegeschiedenis de enorme verandering worden gezien: een recht dat uit een agrarische gemeenschap was voortgekomen, leefde uiteindelijk voort bij mensen die geen vee meer op de Gooise meent brachten.

300. De scharenden stonden dichter bij het oude gebruik

Voor de scharende Erfgooiers bleef de verbinding met de agrarische oorsprong langer bestaan. Hun aanspraken betroffen niet alleen een abstract lidmaatschap, maar nog werkelijk grondgebruik. Daarom kon bij de liquidatie verschil bestaan tussen hun positie en die van niet-scharenden. Dat het onderscheid tot het einde bleef bestaan is historisch veelzeggend. De gemeenschap was veranderd, maar de oude tweedeling tussen gerechtigdheid en feitelijke uitoefening was niet geheel verdwenen. In de laatste afwikkeling stonden daardoor twee uitkomsten van dezelfde geschiedenis naast elkaar: de boer die nog daadwerkelijk gebruik maakte van de grond en de afstammeling wiens recht voornamelijk een genealogische en financiële betekenis had gekregen.

301. De erfrechtverklaring sluit de cirkel

De erfrechtverklaringen uit 1971–1973 vormen daarom misschien wel de symbolisch belangrijkste eindbron. Wanneer een rechthebbende tijdens de afwikkeling overleed, moest worden vastgesteld wie zijn gewone erfgenamen waren. Het oude Erfgooiersrecht bepaalde eerst waarom de overledene een aanspraak bezat. Het gewone burgerlijke erfrecht bepaalde vervolgens wie die vermogensrechtelijke aanspraak na zijn dood kon verkrijgen. Daarmee ontmoetten twee rechtsstelsels elkaar die eeuwenlang onderscheiden waren gebleven. Een dochter hoefde niet de historische mannelijke Erfgooierlijn voort te zetten om volgens het gewone erfrecht mogelijk erfgenaam van een financiële aanspraak te zijn. De individuele dossiers moeten nog aantonen hoe dit in concrete gevallen uitpakte.

302. Van vader op zoon was dus maar een gedeelte

Daarmee wordt ook duidelijk waarom de eenvoudige formule “Erfgooiersrecht ging van vader op zoon” onvoldoende is. Zij beschrijft een belangrijk onderdeel van de latere genealogische structuur, maar niet het volledige historische systeem. Er waren huishoudelijke rechten, weduwenposities, wezen, gekochte en verleende rechten, hofstederechten, woonplaatsvoorwaarden, scharenden en niet-scharenden. Daarnaast bestond het gewone erfrecht, waardoor particulier bezit andere familieroutes kon volgen. Een dochter kon grond erven zonder de mannelijke Erfgooierlijn voort te zetten. Een weduwe kon scharen zonder een nieuwe stam te vormen. Een zoon kon Erfgooier blijven zonder boerderij. Alleen door al deze lagen gescheiden te houden wordt het systeem begrijpelijk.

303. Het landschap beperkte de familie

Achter die ingewikkelde regels lag uiteindelijk een eenvoudige materiële werkelijkheid. Het aantal gerechtigden kon niet onbeperkt groeien wanneer het aantal beschikbare hectaren heide en weide gelijk bleef. Iedere extra koe gebruikte gras dat niet door een andere koe kon worden gegeten. Iedere extra gebruiker van plaggen, turf of hout verhoogde de druk op dezelfde hulpbron. De geslotenheid van de gemeenschap was daardoor mede een methode om schaarste te beheren. Familieafstamming werd uiteindelijk een krachtig criterium om de kring te begrenzen. Dat gaf nakomelingen zekerheid, maar sloot anderen uit. Het Erfgooiersrecht was daarmee tegelijk familiegeschiedenis, economisch systeem en beheer van een beperkt landschap.

304. De buitenstaander zag dezelfde heide anders

Voor een inwoner zonder gerechtigdheid kon die situatie moeilijk te begrijpen of te aanvaarden zijn. Hij woonde misschien zijn hele leven in hetzelfde dorp, betaalde lasten en bezat particulier land, maar kreeg daardoor niet vanzelf dezelfde historische rechten. Een schoonzoon kon zelfs een oude familieboerderij bewonen zonder daarmee automatisch tot dezelfde gerechtigde lijn te behoren. Naarmate het Gooi in de negentiende en twintigste eeuw sterker groeide, werd deze tegenstelling zichtbaarder. De gemeenschappelijke grond lag in een samenleving die allang niet meer uitsluitend uit oude agrarische huishoudens bestond. Daarmee veranderde een systeem dat ooit plaatselijke gebruikers beschermde steeds sterker in een bijzonder historisch privilege van afgebakende familielijnen.

305. De familie bleef veranderen

Ook binnen die oude families stond niets stil. Een generatie kon rijk zijn en de volgende arm. Een boerderij kon naar één kind gaan. Een andere zoon kon vertrekken. Een dochter kon met een grondbezitter trouwen. Een weduwe kon het bedrijf jarenlang voortzetten. Een wees kon later zelfstandig gerechtigde worden. Een familietak kon verdwijnen uit het Gooi en generaties later terugkeren. Daardoor bestond “de Erfgooier” nooit als één onveranderlijk sociaal type. De gemeenschap omvatte door de eeuwen heen boeren, weduwen, wezen, ambachtslieden en uiteindelijk mensen zonder enige agrarische beroepsuitoefening. Alleen de historische gerechtigdheid verbond deze zeer verschillende levens met elkaar.

306. Eén gezin kan het hele systeem verklaren

Het ideale vervolgonderzoek zou daarom één familie gedurende verschillende eeuwen volledig reconstrueren. Begin met een bekende gerechtigde uit de zestiende of zeventiende eeuw. Volg zijn land in de koptienden, zijn huwelijk in het kerkregister en zijn overlijden. Zoek vervolgens de weduwe, boedelscheiding en kinderen. Controleer welke zoon zelfstandig gerechtigde werd, waar dochters trouwden en welke grond naar schoonzoons ging. Leg vervolgens de nakomelingen naast 1708, latere schaarlijsten, de Erfgooierswet en de twintigste-eeuwse ledenadministratie. Wanneer dezelfde lijn uiteindelijk bij de liquidatie van 1971 verschijnt, wordt duizend jaar institutionele geschiedenis teruggebracht tot opeenvolgende menselijke levens.

307. Stam komt het dichtst in de buurt

De familie Stam biedt daarvoor voorlopig de beste ingang. De weduwe van Claas Willemsz. Stam en het weeskind van Cornelis Gerritsz. Stam maken precies die overgangsmomenten zichtbaar die voor het erfrechtverhaal belangrijk zijn. De koptienden kunnen grondbewegingen tonen, terwijl de lijst van 1708 de gerechtigdheid controleert. Huwelijken kunnen vervolgens verklaren waarom grond bij een schoonzoon terechtkwam zonder dat het Erfgooiersrecht noodzakelijk dezelfde route volgde. De volgende stap is daarom niet nog een algemene beschouwing over vader-op-zoon, maar het volledig reconstrueren van afzonderlijke Stam-huishoudens met bezit, vee, overlijden, boedels, weduwen, kinderen, beroepen en gerechtigdheid naast elkaar.

308. Calis vormt de tegenproef

De familie Calis biedt een andere onderzoeksmethode. Daar begint de redenering bij de bekende latere status als Erfgooiersfamilie en wordt vervolgens teruggezocht naar oudere generaties. Dat kan helpen om te bepalen hoe ver de familielijn aantoonbaar in het Gooi teruggaat. Maar juist hier is voorzichtigheid noodzakelijk. Een latere Erfgooierstatus bewijst niet automatisch iedere tussenliggende generatie. De keten moet met onafhankelijke documenten worden opgebouwd. Koptienden, kerkregisters, transportakten en andere bronnen moeten samen aantonen dat de ene persoon werkelijk de vader of zoon van de volgende was. Zo kan Erfgooierschap een zoekwijzer zijn zonder dat het zelf het ontbrekende genealogische bewijs vervangt.

309. De ontbrekende dossiers zijn nu duidelijk

Na het samenbrengen van alle gevonden lagen is daarom goed zichtbaar waar het verdere bronnenonderzoek moet worden geconcentreerd. We zoeken vooral individuele weduwen uit 1708, de geregistreerde kinderen, gezinnen met uitsluitend dochters, hertrouwde weduwen, vooroverleden zoons, voogdijdossiers, boedelscheidingen, boedelinventarissen, transportakten en concrete gevallen van koop-, gunst- en hofstederechten. Voor de negentiende en twintigste eeuw moeten daarnaast verkopen, ledenlijsten, schaarlijsten, financiële administraties en liquidatiedossiers systematisch worden gecontroleerd. Dat zijn geen nieuwe zijpaden. Het zijn precies de bronnen waarmee de bestaande grote geschiedenis kan worden omgezet in aantoonbare levensgeschiedenissen van de mensen die de rechten werkelijk bezaten en gebruikten.

310. Het aanvullende eindbeeld

Het Erfgooiersrecht was uiteindelijk geen enkelvoudige erfenis maar een historische verbinding tussen familie en landschap. Een middeleeuws huishouden had gemeenschappelijke grond nodig om dieren te houden en akkers vruchtbaar te maken. De gemeenschap beperkte daarom wie mocht deelnemen. Huishoudelijke continuïteit, plaatselijke verbondenheid en gebruik werden geleidelijk verbonden met afstamming. Daaruit ontstond een steeds sterker erfelijke gerechtigdheid. Eeuwen later hoefde een nakomeling geen boer meer te zijn om tot de gemeenschap te behoren. Uiteindelijk werd het gemeenschappelijke landschap gedeeltelijk geld, en kon die geldelijke aanspraak na overlijden weer in een gewone nalatenschap terechtkomen. Zo eindigde de geschiedenis opnieuw bij erven.

Deel 2 — De Erfgooiers: van de Erfgooierswet tot de laatste uitkering

161. Naar een wettelijke regeling

Aan het begin van de twintigste eeuw was het eeuwenoude stelsel moeilijk bestuurbaar geworden. Stad en Lande stamde uit een samenleving waarin de meeste actieve gerechtigden dicht bij de gemeenschappelijke gronden woonden en landbouw bedreven. Inmiddels waren veel Erfgooiers niet-scharend, woonden sommigen elders en vertegenwoordigde de gemeenschappelijke grond een aanzienlijk vermogen. Tegelijk bleven scharende boeren afhankelijk van weiden en heiden. De belangen van beide groepen liepen daardoor steeds verder uiteen. Oude schaarbrieven en plaatselijke besluiten konden deze nieuwe werkelijkheid niet meer voldoende regelen. Na langdurige juridische en bestuurlijke conflicten koos de landelijke overheid uiteindelijk voor een afzonderlijke wettelijke regeling van de Gooise gerechtigden en hun gemeenschappelijke bezit.

162. De Erfgooierswet van 1912

In 1912 kwam de Erfgooierswet tot stand. Daarmee werd een gemeenschap waarvan de wortels eeuwen teruggingen voor het eerst uitgebreid in nationale wetgeving geregeld. De wet maakte van Stad en Lande geen gewone moderne vereniging die willekeurig leden kon toelaten. Zij probeerde juist de historisch gegroeide kring van gerechtigden wettelijk vast te leggen. Dat betekende dat oude vragen over afstamming, woonplaats, scharing en bijzondere rechten opnieuw moesten worden gedefinieerd. Wat vroeger uit schaarbrieven, plaatselijke gewoonte en bestuurlijke besluiten voortkwam, kreeg nu wettelijke formuleringen. Daarmee begon een nieuwe fase: Erfgooier-zijn werd steeds minder afhankelijk van plaatselijke herkenning en steeds sterker van aantoonbare juridische en genealogische voorwaarden.

163. Stad en Lande werd een wettelijke vereniging

Onder de nieuwe regeling kreeg Stad en Lande van Gooiland een duidelijker wettelijke organisatie. De gemeenschappelijke gronden moesten worden beheerd voor een grote groep gerechtigden met verschillende belangen. Dat collectieve karakter bleef dus behouden. Een Erfgooier kreeg niet ineens een persoonlijk afgebakend stuk heide. Het vermogen bleef gezamenlijk beheerd. Daarmee bleef een fundamenteel element uit de middeleeuwse geschiedenis bestaan: de grond was collectief, terwijl afzonderlijke personen gerechtigd waren. De juridische vorm was modern geworden, maar het basisprobleem uit de eerste schaarbrieven was nog herkenbaar. Ook nu moest worden bepaald wie tot de kring behoorde, wie daadwerkelijk mocht scharen en hoe besluiten over het gemeenschappelijke vermogen genomen moesten worden.

164. Afstamming werd wettelijk beslissend

De wet bracht veel scherper onder woorden wat in de voorafgaande eeuwen was gegroeid: afstamming werd een centraal criterium voor Erfgooierstatus. Daarmee werd het verschil tussen gewone inwoners van Gooiland en leden van de historische gerechtigde gemeenschap wettelijk zichtbaar. Een man kon in Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen of Naarden wonen zonder Erfgooier te zijn. Omgekeerd kon iemand uit een oude gerechtigde familie stammen terwijl hij zelf geen boer was. Het recht was daarmee definitief losser komen te staan van de oorspronkelijke agrarische functie. De genealogische lijn die eeuwen eerder vooral toegang tot gemeenschappelijke hulpbronnen beschermde, werd nu een zelfstandige juridische toegangspoort tot een collectief vermogen.

165. De mannelijke lijn

Bij de wettelijke regeling kreeg de mannelijke afstammingslijn een doorslaggevende betekenis. Daarmee werd een ontwikkeling bevestigd die al vóór 1912 zichtbaar was en waarvan de begrenzing van vrouwelijke afstamming in 1692 een belangrijk eerder moment vormde. Een zoon van een gerechtigde man kon onder de wettelijke voorwaarden zelf tot de gerechtigde kring behoren. Een dochter kon wel uit een Erfgooiersfamilie stammen, maar zij gaf de status niet op dezelfde wijze aan haar kinderen door. Daarmee werd het onderscheid tussen gewoon erfrecht en Erfgooiersrecht uiterst scherp. Een dochter kon vermogen van haar vader erven, terwijl een bijzondere historische gerechtigdheid via een andere, wettelijk bepaalde genealogische route liep.

166. De vrouw bleef onderdeel van de geschiedenis

Dat betekende niet dat vrouwen historisch onbelangrijk waren geworden. Integendeel. De eeuwenoude weduwenregelingen, Aaltje Hendriks, de 126 weduwen op de lijst van 1708 en vrouwen die boerderijen en familiebezit beheerden tonen hun economische betekenis. Maar de twintigste-eeuwse wettelijke definitie maakte onderscheid tussen zulke praktische en vermogensrechtelijke posities enerzijds en de overdracht van Erfgooierstatus anderzijds. Daardoor kon een vrouw afkomstig zijn uit een familie die al eeuwen tot de gerechtigden behoorde zonder dat haar kinderen uitsluitend via haar dezelfde positie kregen. Voor genealogisch onderzoek is dit essentieel: vrouwelijke lijnen mogen niet uit de familiegeschiedenis verdwijnen, maar zij moeten juridisch anders worden behandeld dan de erkende mannelijke Erfgooierlijn.

167. Geboorte werd belangrijker dan bezit

Een opmerkelijk gevolg was dat iemand geen grote boerderij hoefde te bezitten om Erfgooier te zijn. Het eeuwenoude verband tussen gerechtigdheid en agrarische bedrijfsvoering was daarmee grotendeels doorbroken. Een mannelijke afstammeling kon een ambacht uitoefenen, arbeider zijn, handel drijven of een ander beroep hebben. Zijn familiepositie kon desondanks blijven bestaan. Dat verklaart waarom de gemeenschap uiteindelijk zoveel niet-scharende leden telde. Het oorspronkelijke gebruiksrecht was langzaam veranderd in een erfelijke juridische status. Particulier bezit bleef een afzonderlijke zaak. Een niet-Erfgooier kon rijk zijn en veel grond bezitten; een Erfgooier kon arm zijn en nauwelijks particulier vermogen hebben. De historische gerechtigdheid volgde haar eigen regels.

168. Woonplaats bleef toch belangrijk

Hoewel afstamming centraal stond, verdween woonplaats niet volledig uit het stelsel. Voor daadwerkelijke uitoefening van bepaalde rechten konden territoriale voorwaarden blijven gelden. Dat sloot aan bij de oudere geschiedenis waarin verblijf buiten het gerechtigde gebied, zoals in ’s-Graveland, gevolgen kon hebben voor de scharing. Hiermee bleef het onderscheid tussen Erfgooier zijn en daadwerkelijk scharen bestaan. Een persoon kon genealogisch gerechtigd zijn maar zijn gebruiksrecht niet actief uitoefenen. Dat onderscheid was inmiddels eeuwenoud. De wet hoefde het niet uit te vinden; zij moest een bestaande werkelijkheid juridisch ordenen waarin familiegerechtigdheid en agrarische activiteit allang niet meer samenvielen.

169. Scharend en niet-scharend

De twee belangrijkste praktische groepen bleven de scharende en niet-scharende Erfgooiers. Een scharende Erfgooier maakte daadwerkelijk agrarisch gebruik van de gemeenschappelijke gronden. De niet-scharende Erfgooier behoorde wel tot de gerechtigde gemeenschap, maar bracht geen vee op de meent. Dit onderscheid was al duidelijk zichtbaar in 1708, toen 464 scharenden tegenover 624 niet-scharenden stonden. In de twintigste eeuw werd het nog belangrijker omdat de niet-scharende groep steeds groter werd. Daardoor veranderde ook de politieke economie binnen Stad en Lande. Voor de ene groep was de grond in de eerste plaats landbouwgrond; voor de andere werd de vermogenswaarde van diezelfde grond steeds belangrijker.

170. De scharende boer

Voor een scharende boer bleef de oude wereld nog lang herkenbaar. Koeien moesten grazen en gemeenschappelijke weiden konden de bedrijfsvoering ondersteunen. Zijn belang lag daarom niet automatisch bij verkoop van grond. Een hectare die verkocht werd, kon geld opleveren voor het collectief, maar betekende tegelijkertijd minder beschikbare ruimte voor landbouw. Hier ontstond een fundamenteel belangenconflict. De scharende Erfgooier kon waarde hechten aan het behoud van de grond als productiemiddel. Een niet-scharende gerechtigde kon dezelfde grond vooral als vermogen zien. Daarmee kwam binnen één historische gemeenschap een tegenstelling te bestaan die in de middeleeuwse schaarbrieven veel minder scherp kon zijn geweest, toen feitelijk agrarisch gebruik nog centraler stond.

171. De niet-scharende Erfgooier

Voor een niet-scharende Erfgooier had een hectare heide een andere betekenis. Hij gebruikte de grond niet noodzakelijk voor vee, maar behoorde wel tot de gemeenschap die over dat vermogen beschikte. Wanneer grond werd verkocht, kon daardoor een financieel belang ontstaan zonder dat hij ooit zelf een boerenbedrijf had gevoerd. Hier werd het oude slapende recht bijzonder belangrijk. Eeuwenlang kon een niet-scharende positie weinig direct voordeel hebben opgeleverd. Nu grondprijzen stegen en delen van het Gooi aantrekkelijk werden voor bebouwing, natuurbeheer en infrastructuur, veranderde dat. Een genealogische gerechtigdheid die ooit weinig praktische waarde had gehad kon ineens een aanzienlijk financieel belang vertegenwoordigen.

172. Het Gooi veranderde razendsnel

Tegelijk veranderde het landschap rondom de Erfgooiers. Hilversum groeide sterk. Spoorwegen, wegen, woningen en andere stedelijke ontwikkelingen vergrootten de druk op open grond. Het Gooi werd steeds minder uitsluitend een agrarisch gebied. De ligging tussen Amsterdam en Utrecht maakte grond economisch aantrekkelijk. Daarmee kreeg iedere beslissing over gemeenschappelijke heide een veel grotere betekenis. Waar een middeleeuwse schaarbrief vooral moest voorkomen dat te veel dieren hetzelfde gras gebruikten, moest het twintigste-eeuwse bestuur beslissen over grond die voor woningbouw of andere bestemmingen grote bedragen kon vertegenwoordigen. De geschiedenis van de Erfgooiers verschoof daardoor opnieuw: van landbouwrecht naar grondpolitiek en vermogensbeheer.

173. Grond werd steeds kostbaarder

Deze stijgende grondwaarde veranderde de onderlinge verhoudingen. Zolang de meent vooral agrarisch werd gebruikt, lag haar waarde in gras, heide, plaggen en andere producten. In de twintigste eeuw kon verkoop ineens veel meer opleveren dan langdurige agrarische exploitatie. Daarmee werd het aantrekkelijker om gemeenschappelijke grond in geld om te zetten. Maar wie mocht over zo'n verkoop beslissen? En aan wie behoorde de opbrengst? Het antwoord kon niet simpelweg luiden: aan degene die toevallig vee hield. Het collectieve vermogen was historisch verbonden met een veel grotere kring gerechtigden. Daardoor werd de ledenadministratie steeds belangrijker. Iedere naam kon uiteindelijk een aanspraak op geld vertegenwoordigen.

174. Een middeleeuws recht kreeg een geldwaarde

Hier voltrok zich een van de opmerkelijkste veranderingen in de hele geschiedenis. Het recht dat rond 1404 vooral bepaalde hoeveel vee een huishouden mocht scharen, kon vijf eeuwen later leiden tot een geldelijke aanspraak. De grond bleef dezelfde historische oorsprong houden, maar de economische betekenis was volledig veranderd. Een niet-scharende man die in een modern beroep werkte kon financieel belang hebben bij grond waarop zijn verre voorouders koeien of schapen hadden geweid. Daarmee werd genealogie letterlijk vermogensrecht. Dit verklaart waarom discussies over wie een echte Erfgooier was zo belangrijk werden. Een fout in een ledenlijst kon niet alleen historische erkenning beïnvloeden, maar uiteindelijk ook iemands financiële positie.

175. Oude lijsten kregen nieuwe betekenis

De registratie van 1708, oude schaarbrieven en latere ledenlijsten werden daardoor steeds belangrijker. Zij waren niet langer alleen historische documenten. Ze konden helpen bepalen of een twintigste-eeuwse persoon daadwerkelijk van een erkende gerechtigde afstamde. De overgang van mondelinge plaatselijke bekendheid naar documentaire bewijsvoering was daarmee voltooid. Een familie moest haar positie via namen, ouders, geboorten en huwelijken kunnen volgen. Burgerlijke stand en kerkelijke registers konden ontbrekende schakels leveren. Het oude Erfgooiersrecht werd hierdoor een genealogisch systeem waarin historische archieven praktische rechtsgevolgen konden hebben. De archiefkast werd bijna even belangrijk als de meent zelf: zonder bewijs van afstamming kon een vermeende familietraditie juridisch onvoldoende zijn.

176. Oude familienamen waren niet genoeg

Een bekende Gooise familienaam vormde op zichzelf geen bewijs. Verschillende families konden dezelfde achternaam dragen en één familie kon uit meerdere takken bestaan waarvan niet iedere tak dezelfde rechtspositie had. Bovendien waren vaste familienamen in vroegere eeuwen nog niet overal op dezelfde wijze gebruikt. Daarom moest afstamming persoon voor persoon worden bewezen. De lijn liep via vaders, zoons en eerdere geregistreerde gerechtigden. Dit maakt het noodzakelijk oude patroniemen nauwkeurig te volgen. Een Jan Pietersz. kan pas met een latere familienaam worden verbonden wanneer andere bronnen dat ondersteunen. Het Erfgooiersonderzoek werd daardoor steeds meer een combinatie van rechtsgeschiedenis, genealogie, bevolkingsadministratie en grondgeschiedenis.

177. De Erfgooierswet loste niet alles op

De wet van 1912 bracht structuur, maar beëindigde de conflicten niet. Daarvoor waren de belangen te verschillend. Scharenden wilden gebruiksruimte behouden. Niet-scharenden hadden eveneens rechten binnen het collectief. Gemeenten wilden kunnen uitbreiden. Natuur- en landschapsbelangen werden belangrijker. Grondprijzen stegen. Bovendien bleef de vraag bestaan hoe het gemeenschappelijke vermogen uiteindelijk moest worden beheerd. De wet had een eeuwenoud systeem juridisch gestabiliseerd, maar kon niet voorkomen dat de maatschappelijke omgeving bleef veranderen. Iedere nieuwe verkoop maakte opnieuw zichtbaar dat een gemeenschap die was ontstaan voor gemeenschappelijke landbouwgrond nu een vermogen beheerde waarvan de economische betekenis veel verder ging dan scharing.

178. Gemeenten hadden grond nodig

Hilversum, Bussum en andere plaatsen groeiden. Voor woningen, wegen, industrie en openbare voorzieningen was grond nodig. Een groot deel van de open ruimte stond echter niet eenvoudig als vrij gemeentelijk bezit ter beschikking. De historische Gooise rechtsverhoudingen vormden daardoor een factor in moderne ruimtelijke ontwikkeling. Verkoop van Erfgooiersgrond kon stedelijke groei mogelijk maken, maar betekende tegelijkertijd vermindering van het gemeenschappelijke areaal. Iedere transactie was daarom meer dan een zakelijke grondverkoop. Zij veranderde een landschap dat eeuwenlang de materiële basis van de gerechtigde gemeenschap had gevormd. Zo kwamen middeleeuwse rechten rechtstreeks tegenover twintigste-eeuwse verstedelijking te staan.

179. Natuur kreeg een nieuwe betekenis

Tegelijk veranderde de waardering van heide. Voor middeleeuwse en vroegmoderne boeren was heide in de eerste plaats economisch gebruiksland: begrazing, plaggen en andere hulpbronnen. In de twintigste eeuw werd hetzelfde landschap steeds sterker gewaardeerd als natuur, recreatiegebied en cultuurhistorisch landschap. Daardoor verscheen een nieuwe belanghebbende naast boeren, Erfgooiers en gemeenten: de natuurbescherming. Het behoud van Gooise heiden kon nu worden verdedigd omdat het landschap zelf waardevol werd gevonden, niet uitsluitend omdat vee er kon grazen. Deze verschuiving zou uiteindelijk grote gevolgen hebben voor de bestemming van voormalige Erfgooiersgronden en voor het landschap dat tegenwoordig nog herkenbaar is.

180. Het Goois Natuurreservaat

In de twintigste eeuw werd het Goois Natuurreservaat een belangrijke partij bij het behoud van Gooise natuurterreinen. Daarmee kreeg een deel van het oude gemeenschappelijke landschap een nieuwe institutionele toekomst. Gronden die eeuwenlang door gerechtigde boeren waren gebruikt konden voortaan primair worden beheerd als natuur- en recreatiegebied. Historisch is dat een opmerkelijke overgang. Dezelfde heide kon achtereenvolgens gemeenschappelijke agrarische hulpbron, juridisch betwist vermogen en beschermd landschap zijn. De fysieke grond veranderde soms nauwelijks, maar de maatschappelijke betekenis ervan veranderde volledig. Zonder de geschiedenis van de Erfgooiers is daarom ook de moderne geschiedenis van het Gooise landschap niet volledig te begrijpen.

181. Verkoop betekende niet alleen verlies

Voor de gerechtigden kon verkoop tegelijkertijd aantrekkelijk zijn. Grond die als landbouwgrond een beperkt jaarlijks voordeel opleverde kon bij verkoop een groot bedrag vertegenwoordigen. Vooral niet-scharende Erfgooiers konden daar anders tegenaan kijken dan boeren die daadwerkelijk van de weiden afhankelijk waren. Hierdoor ontstond een fundamentele tegenstelling tussen grond behouden en vermogen realiseren. Beide belangen konden vanuit dezelfde historische gerechtigdheid worden verdedigd. Het conflict was dus niet eenvoudig Erfgooiers tegenover buitenstaanders. Ook binnen de gemeenschap bestonden verschillende economische belangen. Dat maakt de twintigste-eeuwse geschiedenis complexer dan een verhaal waarin alle Erfgooiers gezamenlijk tegen gemeenten of overheid optraden. De gemeenschap zelf was veranderd.

182. Het ledental groeide

Door de erfelijke mannelijke afstamming kon het aantal gerechtigden groeien, zelfs wanneer het aantal actieve boeren afnam. Iedere generatie kon nieuwe mannelijke nakomelingen voortbrengen. De gemeenschappelijke grond groeide daarentegen niet mee en werd door verkopen juist kleiner. Daarmee ontstond precies het probleem waarvoor de oude schaarbrieven ooit bescherming hadden gezocht, maar nu in een nieuwe vorm. In de middeleeuwen betekende meer gerechtigden mogelijk meer vee op dezelfde grond. In de twintigste eeuw betekende het vooral dat een collectief vermogen over steeds meer personen verdeeld kon raken. De verhouding tussen aantal leden en omvang van het bezit werd daardoor opnieuw een kernprobleem van de organisatie.

183. De oude ondeelbaarheid kwam onder druk

Eeuwenlang was het beginsel geweest dat de gemeenschappelijke grond ongedeeld bleef. De gerechtigden kregen gebruik zonder ieder een eigen perceel te ontvangen. In de twintigste eeuw kwam juist dat beginsel steeds sterker onder druk. Niet doordat men iedere heide letterlijk in duizenden smalle stroken wilde verdelen, maar doordat verkoop de grond in geld kon omzetten. Geld is veel eenvoudiger onder individuele gerechtigden te verdelen dan een gemeenschappelijke weide. Daarmee ontstond een weg waarlangs de oude ondeelbaarheid uiteindelijk kon verdwijnen. Het recht hoefde niet langer via scharing te worden benut; het kon via een financiële uitkering worden gerealiseerd. Dat was een fundamentele breuk met het middeleeuwse systeem.

184. De jaren twintig

In de jaren twintig namen de discussies over grondbeheer, verkoop en de toekomst van Stad en Lande verder toe. De exacte opeenvolging van alle transacties en besluiten verdient afzonderlijke reconstructie uit de notulen en jaarstukken, maar de grote ontwikkeling is duidelijk. De gemeenschappelijke gronden waren steeds meer onderdeel van moderne grondpolitiek. Tegelijk waren de Erfgooiers geen kleine groep boeren meer die elkaar persoonlijk vanuit de dorpen kenden. De organisatie beheerde belangen van een omvangrijke erfelijke gemeenschap. Daarmee werd de bestuurlijke afstand groter. Het systeem dat ooit rond huishoudens en dorpsvergaderingen was gegroeid moest nu omgaan met massale ledenadministratie, hoge grondwaarden en uiteenlopende maatschappelijke belangen.

185. Het geld kwam dichterbij

Iedere grote grondverkoop maakte de vraag urgenter of de opbrengst binnen het collectief moest blijven of aan gerechtigden kon worden uitgekeerd. Dat was juridisch en historisch een enorme stap. Wanneer geld werd verdeeld, veranderde het collectieve recht in een individueel financieel voordeel. Een Erfgooier hoefde dan geen boer, grondeigenaar of inwoner met vee te zijn om rechtstreeks profijt van zijn afstamming te hebben. De eeuwenlange ontwikkeling van gebruiksrecht naar vermogensrecht bereikte hiermee een nieuw stadium. De schaarbrief had ooit aantallen dieren geregeld; nu moest worden bepaald hoeveel gulden een gerechtigde uit een verkoopopbrengst kon ontvangen. Hetzelfde historische recht kreeg een totaal andere economische uitwerking.

186. De verkoop van de grond bij Crailo

Een van de belangrijkste twintigste-eeuwse gebeurtenissen was de verkoop van een groot terrein bij Crailo. Deze transactie vormde de directe achtergrond van een grote uitkering aan Erfgooiers. Voor het eerst werd voor veel gerechtigden tastbaar hoeveel geldwaarde achter het oude collectieve grondbezit schuilging. Een terrein dat deel had uitgemaakt van het historische Gooise gemeenschappelijke vermogen werd omgezet in een grote geldsom. Daarmee kreeg de discussie over ledenlijsten, afstamming en gerechtigdheid een onmiddellijk persoonlijk belang. Wie op het juiste moment als gerechtigde erkend was, kon financieel meeprofiteren. Een middeleeuwse genealogische continuïteit werd zo verbonden met een twintigste-eeuwse grondtransactie.

187. 1933 — de grote uitkering

In 1933 vond de beroemde grote uitkering aan Erfgooiers plaats. Deze gebeurtenis is een van de duidelijkste symbolen van de verandering van het oude stelsel. Waar een voorouder eeuwen eerder zijn recht gebruikte om vee te scharen, kon een nakomeling nu geld ontvangen uit de waarde van gemeenschappelijke grond. De uitkering betekende niet dat het gehele Erfgooiersstelsel onmiddellijk eindigde, maar zij maakte wel zichtbaar dat het collectieve vermogen individualiseerbaar was geworden. Voor duizenden families werd Erfgooier-zijn hierdoor concreet in geld uitgedrukt. De genealogische status kreeg daarmee een betekenis die de opstellers van de eerste schaarbrieven onmogelijk hadden kunnen voorzien.

188. Ongeveer drieduizend gerechtigden

Bij de uitkering van 1933 ging het om ongeveer drieduizend gerechtigden. Dat enorme aantal toont hoe ver de gemeenschap zich sinds 1708 had uitgebreid. Toen waren 1.088 personen geregistreerd; ruim twee eeuwen later ging het om enkele duizenden. Tegelijk was de agrarische betekenis sterk afgenomen. Het aantal mensen dat daadwerkelijk vee op gemeenschappelijke grond hield stond niet meer in verhouding tot de totale gerechtigde bevolking. Hierdoor was het Erfgooierschap definitief meer geworden dan schaarrecht. De leden vormden een genealogische gemeenschap met een collectief vermogen. De financiële uitkering maakte die verandering voor iedereen zichtbaar en gaf de oude afstammingsregels een nieuwe economische lading.

189. Ongeveer vijfhonderd gulden per persoon

De uitkering bedroeg in de bekende reconstructie ongeveer vijfhonderd gulden per gerechtigde. Voor 1933 was dat een aanzienlijk bedrag. Juist daardoor leeft de uitkering lang in familieherinneringen voort. Verhalen dat een vader, grootvader of overgrootvader “Erfgooiergeld” ontving kunnen tegenwoordig een belangrijke genealogische aanwijzing vormen. Zo'n familieverhaal is nog geen bewijs, maar kan naar een concrete ledenlijst of uitkeringsadministratie leiden. Daarmee wordt de twintigste-eeuwse uitkering opnieuw een toegangspoort naar veel oudere geschiedenis. Vanuit één naam uit 1933 kan de mannelijke lijn worden teruggezocht naar eerdere registers, mogelijk tot de lijst van 1708 en vandaar naar oudere Gooise families.

190. Geld veranderde familieherinneringen

De uitkering maakte het Erfgooierschap ook voor families zichtbaar die al generaties niet meer boerden. Een voorouder hoefde niet meer uit te leggen hoeveel koeien hij mocht scharen; het ontvangen bedrag was een eenvoudig herkenbaar bewijs dat hij als gerechtigde werd beschouwd. Daardoor konden familieverhalen over Erfgooierschap juist uit de twintigste eeuw sterker worden dan herinneringen aan het oorspronkelijke landbouwrecht. Voor modern genealogisch onderzoek is dit waardevol. Wanneer binnen een familie wordt verteld dat iemand in 1933 een uitkering kreeg, moet worden gezocht naar de officiële registratie van die persoon. Van daaruit kan de afstamming stap voor stap worden teruggewerkt. Zo wordt mondelinge familieoverlevering gekoppeld aan controleerbare administratie.

191. Niet iedere afstammeling kreeg automatisch hetzelfde

Toch moet voorzichtig worden omgegaan met de gedachte dat iedere nakomeling van een oude Erfgooier automatisch iedere latere uitkering ontving. De wettelijke voorwaarden, registratie en relevante peildata waren bepalend. Bovendien konden veranderingen in woonplaats, geslacht van de afstammingslijn en andere juridische omstandigheden gevolgen hebben. Daarom moet voor iedere uitkering afzonderlijk worden vastgesteld wie volgens de toen geldende regeling gerechtigd was. Het feit dat een voorouder in 1708 op een lijst stond bewijst een historische familiegerechtigdheid, maar niet zonder tussenstappen dat iedere persoon met dezelfde familienaam in 1933 uitkeringsgerechtigd was. De volledige mannelijke genealogische keten moet worden aangetoond en aan de geldende regels worden getoetst.

192. Dochters en de uitkering

Hier werd de positie van dochters opnieuw bijzonder zichtbaar. Een dochter kon opgroeien in een gezin waarvan vader en broers als Erfgooier golden en waarin mogelijk een uitkering werd ontvangen. Toch betekende haar afstamming niet automatisch dat haar eigen kinderen dezelfde status via haar konden voortzetten. Dat verschil kon binnen één familie als merkwaardig of onrechtvaardig worden ervaren, maar het volgde uit de historische en wettelijke afbakening van de gerechtigde kring. Daarmee bleef de eeuwenoude spanning tussen familieverwantschap en juridische gerechtigdheid bestaan. Biologisch behoorden dochters volledig tot dezelfde familiegeschiedenis; juridisch functioneerde de overdracht van het bijzondere recht anders. Voor genealogieën moeten beide werkelijkheden zichtbaar blijven.

193. De man zonder boerderij kon nu profiteren

Voor niet-scharende mannelijke Erfgooiers betekende de uitkering dat hun slapende recht ineens een rechtstreeks economisch voordeel opleverde. Een arbeider, winkelier, ambachtsman of andere niet-boer kon geld ontvangen uit de verkoop van grond die hij zelf nooit agrarisch had gebruikt. Daarmee was de transformatie van het stelsel bijna voltooid. Het recht was ontstaan uit de noodzaak gemeenschappelijke landbouwgrond te beheren, maar kon nu functioneren als een erfelijk aandeel in collectief vermogen. Dit verklaart waarom het twintigste-eeuwse Erfgooierschap niet simpelweg kan worden omschreven als een boerenrecht. Het was het eindproduct van eeuwen institutionele ontwikkeling waarin de oorspronkelijke agrarische functie steeds verder was losgeraakt van de genealogische status.

194. De crisisjaren

De uitkering van 1933 vond bovendien plaats midden in de economische crisis van de jaren dertig. Daardoor kon een bedrag van ongeveer vijfhonderd gulden voor veel huishoudens bijzonder welkom zijn. De precieze besteding verschilde vanzelfsprekend per gezin en mag zonder individuele bronnen niet worden ingevuld. Sommigen kunnen schulden hebben betaald, anderen hebben gespaard of goederen gekocht. Voor ons verhaal is vooral belangrijk dat een collectieve grondtransactie ineens binnendrong in particuliere huishoudfinanciën. Een recht dat eeuwenlang op de meent werd uitgeoefend, kon nu de portemonnee van een moderne familie bereiken. Daarmee werd de geschiedenis van de Gooise gemeenschappelijke gronden letterlijk onderdeel van het persoonlijke familievermogen.

195. De landbouw verdween niet onmiddellijk

Ondanks deze financiële ontwikkeling bleef scharing bestaan. De overgang van agrarisch gebruik naar vermogensrecht was geen plotselinge vervanging. Boeren bleven vee houden en gemeenschappelijke gronden gebruiken terwijl tegelijkertijd delen van het bezit werden verkocht en opbrengsten konden worden verdeeld. Juist deze overlap veroorzaakte blijvende spanningen. Iedere hectare kon twee betekenissen hebben: praktische weide voor een scharende boer en vermogensbestanddeel voor de bredere gerechtigde gemeenschap. Dat verklaart waarom volledige liquidatie niet meteen volgde op de uitkering van 1933. Het oude systeem had nog gebruikers voor wie de oorspronkelijke functie werkelijk bestond. De twintigste-eeuwse Erfgooiersgeschiedenis bleef daardoor tegelijk agrarisch en financieel.

196. De Tweede Wereldoorlog

De Tweede Wereldoorlog onderbrak de normale bestuurlijke en economische ontwikkeling van het Gooi. Voor een volledige reconstructie van de Erfgooiersorganisatie tijdens 1940–1945 moeten de notulen en administratieve stukken van Stad en Lande afzonderlijk worden onderzocht; zonder die bronnen mogen geen specifieke besluiten of gedragingen worden ingevuld. Wel is duidelijk dat de organisatie de oorlog overleefde en na 1945 opnieuw geconfronteerd werd met dezelfde structurele problemen: afnemend agrarisch gebruik, groeiende steden, stijgende grondwaarde en een grote groep niet-scharende gerechtigden. De oorlog veranderde dus niet het fundamentele vraagstuk dat uiteindelijk tot ontbinding zou leiden. Dat probleem lag veel dieper in de veranderde functie van het gemeenschappelijke bezit.

197. Na 1945 groeit het Gooi verder

Na de oorlog nam de druk op ruimte opnieuw sterk toe. Woningbouw, infrastructuur en bevolkingsgroei maakten grond in het Gooi nog kostbaarder. Tegelijk werd natuurbehoud steeds belangrijker. Daarmee kwamen drie functies tegenover elkaar te staan: landbouw, stedelijke ontwikkeling en natuur. De historische Erfgooiersgronden bevonden zich precies op het snijpunt van deze belangen. Een middeleeuws gebruikslandschap moest een plaats vinden binnen de moderne ruimtelijke ordening. Het was steeds moeilijker te rechtvaardigen dat duizenden erfelijke gerechtigden via een eeuwenoud stelsel bijzondere aanspraken behielden op gronden die voor de hele regio van groot maatschappelijk belang waren geworden. De druk om tot een definitieve regeling te komen nam daardoor toe.

198. Steeds minder actieve boeren

Het aantal scharende boeren nam op langere termijn af. Daarmee verdween de oorspronkelijke praktische basis van de organisatie steeds verder. Wanneer slechts een relatief kleine groep het land nog werkelijk voor vee gebruikte terwijl duizenden anderen genealogische rechten bezaten, werd het verschil tussen oorsprong en actuele functie enorm. De organisatie beheerde steeds minder een boerenmeent en steeds meer een historisch grondvermogen. Dat maakte ook de oude bestuurlijke regels moeilijker verdedigbaar. Waarom zou een organisatie die oorspronkelijk was ontworpen om gemeenschappelijke begrazing te regelen blijven bestaan wanneer de meeste leden geen vee meer hadden? Deze vraag lag uiteindelijk achter de discussie over liquidatie en ontbinding.

199. Het recht werd steeds abstracter

Voor veel twintigste-eeuwse Erfgooiers bestond hun recht vooral op papier. Zij kenden misschien hun familiegeschiedenis, stonden geregistreerd en konden belang hebben bij uitkeringen, maar hadden nauwelijks nog dagelijkse relatie met de gemeenschappelijke heide. Daarmee was de ontwikkeling vanaf 1404 bijna omgekeerd. Toen was feitelijk gebruik de kern en moest worden bepaald wie daaraan mocht deelnemen. Nu kon iemand gerechtigd zijn zonder ooit iets te scharen. De genealogische identiteit was zelfstandiger geworden dan de landbouwpraktijk. Dit is een van de belangrijkste conclusies uit de hele geschiedenis: het Erfgooierschap veranderde voortdurend, terwijl het zichzelf tegelijkertijd als voortzetting van oude rechten presenteerde.

200. De ledenadministratie werd het hart van het systeem

Juist omdat feitelijk gebruik steeds minder vertelde wie Erfgooier was, werd de ledenadministratie uiteindelijk het hart van de organisatie. Namen, geboortedata, vaders en eerdere registraties bepaalden de toegang. Daarmee werd een recht dat ooit door de gemeenschap in het landschap werd herkend een bureaucratisch-genealogisch recht. Een foutieve geboorteaantekening of ontbrekende schakel kon belangrijk worden. Voor historisch onderzoek is dit gunstig omdat de twintigste-eeuwse administratie veel preciezer is dan middeleeuwse bronnen. Tegelijk moet worden voorkomen dat de wettelijke definitie van 1912 achteraf op alle eerdere eeuwen wordt toegepast. De administratie vertegenwoordigt het eindstadium van een ontwikkeling, niet noodzakelijk de oorspronkelijke vorm van de gerechtigdheid.

201. De vraag naar ontbinding

In de naoorlogse decennia werd daarom steeds nadrukkelijker gevraagd of Stad en Lande nog bestaansrecht had. De oorspronkelijke functie nam af, terwijl het collectieve vermogen verdeeld of overgedragen kon worden. Ontbinding was echter niet eenvoudig. Er moesten gronden worden gewaardeerd, rechten worden vastgesteld, leden worden geïdentificeerd en bestemmingen voor natuur- en andere terreinen worden geregeld. Bovendien raakte ontbinding rechtstreeks aan familievermogens. Iedere beslissing over de omvang van de gerechtigde kring beïnvloedde de verdeling van de resterende waarde. De laatste fase van Stad en Lande werd daardoor opnieuw gedomineerd door dezelfde vraag die Backer in 1840 had gesteld: wie zijn de gerechtigden?

202. De geschiedenis werd opnieuw bewijs

Bij de voorbereiding van de uiteindelijke afwikkeling kreeg historische documentatie opnieuw praktische betekenis. Oude lijsten, ledenregisters en genealogische gegevens waren nodig om te bepalen wie aanspraak kon maken op het vermogen. Daarmee herhaalde zich een patroon dat al eeuwen zichtbaar was. Iedere grote verandering dwong de gemeenschap terug naar haar eigen verleden. Bij grensconflicten werden oude grensbeschrijvingen gezocht. Bij eigendomsgeschillen werden middeleeuwse uitspraken aangehaald. Bij uitkeringen werden gerechtigdenlijsten belangrijk. De Erfgooiers hebben daardoor een uitzonderlijk rijk bronnenarchief nagelaten, juist omdat hun rechten telkens opnieuw moesten worden bewezen. Hun geschiedenis werd voortdurend gebruikt om hun eigen toekomst juridisch mogelijk te maken.

203. 1971 — het einde nadert

In 1971 kwam de eeuwenoude organisatie uiteindelijk aan haar einde. De ontbinding betekende veel meer dan het sluiten van een twintigste-eeuwse vereniging. Daarmee verdween de institutionele opvolger van een gemeenschap die haar wortels kon terugvoeren naar middeleeuwse collectieve gebruiksrechten. De schaarbrieven, Stad en Lande, de lijsten van gerechtigden en de Erfgooierswet hadden verschillende vormen van hetzelfde fundamentele probleem geregeld: hoe een begrensde gemeenschap gezamenlijk land gebruikte en beheerde. Nu de oorspronkelijke agrarische functie grotendeels verdwenen was en het vermogen kon worden afgewikkeld, verloor die organisatie haar reden van bestaan. De geschiedenis van het recht ging echter nog enkele jaren door in de verdeling van het resterende vermogen.

204. Ontbinding betekende liquidatie

Na het besluit tot beëindiging moesten bezittingen en verplichtingen worden afgewikkeld. Grond kon worden overgedragen of verkocht, schulden en kosten moesten worden verwerkt en uiteindelijk moest worden bepaald welk vermogen voor de gerechtigden overbleef. Daarmee werd de oude ondeelbaarheid definitief verlaten. Eeuwenlang was het uitgangspunt geweest dat de gemeenschappelijke grond als geheel bleef bestaan en dat gerechtigden slechts gebruikseenheden hadden. Nu werd de resterende collectieve waarde juist verdeeld. Het Erfgooiersrecht eindigde daardoor op bijna tegenovergestelde wijze van hoe het was begonnen: niet met koeien die gezamenlijk land gebruikten, maar met individuen die een aandeel in de financiële waarde van dat gezamenlijke verleden ontvingen.

205. Wie telde op het laatste moment mee?

De afwikkeling maakte de ledenvraag uiterst scherp. Het maakte financieel verschil of iemand wel of niet als gerechtigde werd erkend. Afstamming moest daarom zorgvuldig worden vastgesteld. Een familienaam alleen was onvoldoende. De juridische lijn moest aansluiten bij de geldende voorwaarden. Hierdoor ontstonden verklaringen en genealogische onderzoeken waarin de Erfgooierstatus van personen werd vastgelegd. Voor hedendaagse onderzoekers zijn juist deze stukken buitengewoon waardevol. Zij vormen als het ware het eindpunt van genealogieën die eeuwen terug kunnen lopen. Vanuit een verklaring uit 1971 of 1972 kan soms via vader, grootvader en verdere voorouders worden teruggezocht naar negentiende-eeuwse en achttiende-eeuwse gerechtigden.

206. De erfrechtverklaringen

In de afwikkelingsperiode van 1971–1973 speelden erfrecht- en gerechtigdheidsverklaringen een belangrijke rol. Zij hielpen vaststellen wie bij overlijden of opvolging aanspraak had op uitkeringen uit de liquidatie. Hier moet opnieuw onderscheid worden gemaakt tussen gewoon erfrecht en het oude Erfgooiersrecht. Zolang de organisatie bestond, bepaalde het bijzondere recht wie Erfgooier was. Zodra een concrete geldvordering of uitkering tot een nalatenschap behoorde, kon het gewone erfrecht opnieuw belangrijk worden voor de verdeling daarvan. Daarmee keerde aan het einde precies hetzelfde onderscheid terug dat we bij Aaltje Hendriks in 1721 zagen: de bijzondere gerechtigdheid en de gewone nalatenschap raakten elkaar, maar waren niet hetzelfde.

207. Een laatste recht kon wel gewoon worden geërfd

Dit onderscheid is cruciaal. Een dochter kon volgens het historische systeem niet noodzakelijk de Erfgooierstatus aan haar kinderen doorgeven. Maar wanneer haar vader op het moment van zijn overlijden een concrete geldvordering uit de liquidatie bezat, kon die vordering onderdeel van zijn gewone nalatenschap worden. Dan konden gewone erfgenamen volgens het toepasselijke erfrecht aanspraken krijgen zonder daarmee zelf Erfgooier te worden. Zo kon de financiële waarde van het oude recht uiteindelijk een andere erfroute volgen dan de status zelf. Daarmee eindigde het Erfgooiersrecht in zekere zin waar het eeuwen eerder begon: op het grensvlak tussen bijzondere gemeenschappelijke gerechtigdheid en het gewone erfrecht van particuliere vermogens.

208. Status en geld moeten worden gescheiden

Voor familieonderzoek na 1971 moet daarom steeds worden gevraagd wat precies werd geërfd. Was iemand zelf als Erfgooier geregistreerd? Of erfde hij of zij alleen een geldbedrag of vordering van een overleden gerechtigde? Dat verschil is fundamenteel. Een vrouw die een liquidatiebedrag uit de nalatenschap van haar vader ontving werd daardoor niet achteraf een mannelijke Erfgooier. Evenmin maakte een betaling aan erfgenamen alle nakomelingen tot leden van Stad en Lande. De organisatie was immers in liquidatie. Het bijzondere recht liep ten einde, terwijl de financiële gevolgen ervan via gewoon erfrecht nog konden doorwerken. Zonder dit onderscheid kunnen twintigste-eeuwse familieverhalen gemakkelijk verkeerd worden geïnterpreteerd.

209. De laatste uitkeringen

Na de ontbinding werden de resterende waarden over de gerechtigden en, waar relevant, hun rechtsopvolgers afgewikkeld. De precieze bedragen en opeenvolgende betaalmomenten moeten per liquidatiestuk worden gecontroleerd en mogen niet uit algemene herinnering worden ingevuld. Belangrijker voor de lange geschiedenis is wat deze betalingen betekenden. Een collectief recht dat ooit toegang gaf tot gras, heide, bos, plaggen en andere natuurlijke hulpbronnen was uiteindelijk veranderd in een financiële aanspraak. De laatste uitkering was daarmee geen toevallig slot. Zij was het eindpunt van een ontwikkeling die al in de negentiende eeuw was begonnen toen gemeenschappelijke gebruiksgrond steeds duidelijker als collectief eigendomsvermogen werd behandeld.

210. De grond bleef bestaan

De organisatie verdween, maar het landschap natuurlijk niet. Delen van de voormalige gemeenschappelijke gronden waren inmiddels bebouwd, voor infrastructuur gebruikt, verkocht of aan natuurbeheer verbonden. Andere heide- en bosgebieden bleven juist open en vormen tegenwoordig een zichtbaar overblijfsel van het landschap waarin de oude rechten functioneerden. Wie over een Gooise heide loopt, bevindt zich daarom niet uitsluitend in “natuur”. Het landschap draagt sporen van eeuwen landbouw, begrazing, plaggenwinning, bosgebruik, grensconflicten, ontginning en collectief beheer. De geschiedenis van de Erfgooiers is letterlijk in de ruimtelijke structuur van het Gooi achtergebleven, ook nadat de juridische gemeenschap zelf was opgeheven.

211. Van Nardinclant naar Gooiland

Wanneer we terugkijken naar het begin, is de lange continuïteit opmerkelijk. Het verhaal begon bij Nardinclant, de verbinding met Elten en de wereld van Wichman. Daarna kwamen Floris V, plaatselijke gebruikers, schaarbrieven, bosbrieven en grensgeschillen. De naam van de regio veranderde geleidelijk naar Gooiland, terwijl de bewoners steeds duidelijker een eigen collectieve rechtsgemeenschap vormden. Rond 1700 raakte de naam Erfgooier ingeburgerd. In 1912 werd die historische categorie wettelijk geregeld en in 1971 werd de organisatie ontbonden. Geen van deze momenten vormt afzonderlijk “de oorsprong”. Het Erfgooierschap was het resultaat van een zeer lange opeenstapeling van rechten, gebruiken, documenten, conflicten en bestuurlijke veranderingen.

212. Van Elten naar collectief eigendom

Ook de juridische positie van de grond maakte een lange ontwikkeling door. In de middeleeuwse voorgeschiedenis stonden Eltense en landsheerlijke rechten naast plaatselijk gebruik. In 1280 kwam Nardinclant in erfpacht bij Floris V. In de vijftiende eeuw werden gebruik en hogere eigendomsaanspraken onderwerp van processen. In de negentiende eeuw probeerden Perk, Backer en anderen precies vast te stellen wat de rechten van Domein, dorpsgemeenten en gebruikers waren. De overeenkomsten van 1836 en 1843 brachten vervolgens een nieuwe eigendomsverhouding tot stand. Uiteindelijk beheerde Stad en Lande een collectief vermogen dat kon worden verkocht en verdeeld. Dezelfde grond kreeg dus door de eeuwen heen steeds andere juridische betekenissen.

213. Van ‘uut elken huse’ naar stamboom

De ontwikkeling van de gerechtigde persoon is even opmerkelijk. In de middeleeuwse schaarbrieven staan begrippen als huis, paar volks en veldslag centraal. De gerechtigdheid was nauw verbonden met een zelfstandig agrarisch huishouden. Later werd afstamming steeds belangrijker. In 1708 konden honderden niet-scharenden toch als gerechtigd worden geregistreerd. In 1912 werd genealogische afstamming wettelijk vastgelegd. Tegen de twintigste eeuw kon iemand Erfgooier zijn zonder ooit een boerenbedrijf te hebben gehad. Het bewijs verschoof daarmee van het zichtbare huishouden naar de stamboom. Waar de middeleeuwse gemeenschap wist wie “uit een huis” kwam, moest de moderne administratie met geboorteakten en registers aantonen wie van wie afstamde.

214. Van schaar naar aandeel

Ook de economische betekenis veranderde. Een schaar was oorspronkelijk een maat voor het toegestane gebruik van gemeenschappelijke weide. Het bepaalde hoeveel vee iemand kon laten grazen. Dat was geen modern aandeel in een beleggingsfonds en geen individueel stukje grond. Toch ontwikkelde het recht zich uiteindelijk in een richting waarin iedere gerechtigde financieel belang kreeg bij het collectieve vermogen. Zodra grond werd verkocht en opbrengsten werden uitgekeerd, begon de historische gerechtigdheid op een aandeel te lijken. De overgang was echter eeuwenlang en mag niet achteraf worden vereenvoudigd. De Erfgooier van 1404 en die van 1933 droegen verwante rechten, maar de praktische betekenis daarvan was fundamenteel verschillend.

215. Van koe naar gulden

De hele geschiedenis kan bijna worden samengevat in de overgang van koe naar gulden. In de middeleeuwen bepaalde het recht of een huishouden dieren op de gemeenschappelijke grond mocht laten grazen. Knyff beschreef rond 1600 een vastgesteld aantal dieren en communia jura. In 1708 werden scharenden en niet-scharenden geregistreerd. In de negentiende eeuw werd de grond steeds duidelijker collectief vermogen. In 1933 ontvingen duizenden gerechtigden geld uit een grondverkoop. Na 1971 werd het resterende vermogen geliquideerd. Toch bleef achter iedere gulden uiteindelijk hetzelfde historische landschap staan waarop eerdere generaties koeien, paarden en schapen hadden laten lopen.

216. De erfelijkheid veranderde eveneens

Zelfs het woord erfelijk betekende door de eeuwen heen niet steeds precies hetzelfde. In de oudste fase draaide continuïteit om huishoudens en gevestigde gebruikers. Later werden familiale lijnen belangrijker. Koop- en gunstrechten konden zelf erfelijk worden. Weduwen en wezen konden tijdelijke of afgeleide posities hebben. Rond 1700 werd de naam Erfgooier herkenbaar. Uiteindelijk werd de mannelijke afstamming wettelijk vastgelegd. Daarom is het onjuist om één regel uit 1912 rechtstreeks op 1404 toe te passen. De kracht van het systeem lag juist in zijn vermogen om te veranderen terwijl een kern behouden bleef: toegang tot een begrensde gemeenschappelijke hulpbron werd niet vrij voor iedere nieuwkomer opengesteld.

217. De vrouwen horen midden in het verhaal

De lange geschiedenis maakt ook duidelijk waarom vrouwen niet in een voetnoot thuishoren. Weduwen konden bedrijven voortzetten, grond beheren, kinderen vertegenwoordigen en schaarrechten uitoefenen. De lijst van 1708 bevatte een grote groep weduwen. Aaltje Hendriks verdedigde in 1721 actief haar volledige scharing met een beroep op de schaarbrief van 1568. Dochters konden particulier vermogen erven en daardoor boerderijen naar andere familienamen laten overgaan. Tegelijk werd de bijzondere status uiteindelijk niet op dezelfde wijze via hen doorgegeven. Juist die combinatie maakt vrouwen essentieel voor het begrijpen van het verschil tussen familiegeschiedenis, grondbezit, gewoon erfrecht en Erfgooiersrecht.

218. De kinderen horen er eveneens bij

Hetzelfde geldt voor kinderen. De oude categorieën van wezen en onbegeven kinderen laten zien dat gerechtigdheid niet pas op volwassen leeftijd uit het niets ontstond. Een kind kon onderdeel zijn van een gerechtigd huishouden en na overlijden van ouders in een overgangssituatie terechtkomen. Het weeskind van Cornelis Gerritsz. Stam geeft daar een concreet gezicht aan. Voogden, boedelbeheerders en weduwen konden vervolgens de periode overbruggen totdat een nieuwe generatie zelfstandig werd. Daardoor liep de geschiedenis van een recht niet eenvoudig van volwassen vader naar volwassen zoon. Tussen beide konden jaren van minderjarigheid, onverdeelde boedel en beheer liggen. Juist die tussenfase verdient nog veel dieper archiefonderzoek.

219. Kooprechten moeten afzonderlijk blijven

Ook de rechten die door koop of gunst ontstonden mogen niet verdwijnen in één algemeen genealogisch verhaal. Lambert Lambertszoon, Lowis Jansz. de Waal, Pieter Visscher en Jacob Sijbrandtsz. herinneren eraan dat sommige gerechtigdheden een aantoonbare verwervingsgeschiedenis hadden. Wanneer hun nakomelingen later als Erfgooiers werden beschouwd, betekent dat niet dat hun recht noodzakelijk dezelfde middeleeuwse oorsprong had als dat van iedere andere familie. De registratie van 1708 erkende deze verscheidenheid uitdrukkelijk. Voor een complete geschiedenis moet daarom per familietak worden vastgesteld waar de oudste aantoonbare gerechtigdheid begint. Dat kan een oude plaatselijke lijn zijn, maar ook een koop, gunst of bijzonder hofstederecht.

220. De hofsteden vormen een vierde laag

Bijzondere hofstederechten maken het beeld nog rijker. Een schaarrecht kon historisch aan een specifieke hofstede verbonden zijn en daarmee een andere juridische route volgen dan gewone persoonlijke Erfgooierafstamming. Zulke rechten overleefden zo lang dat de twintigste-eeuwse wetgeving er rekening mee moest houden. Dit bevestigt opnieuw dat het Erfgooiersstelsel nooit volledig uniform was. Onder één gemeenschappelijk bestuur konden verschillende soorten historische aanspraken bestaan. Voor modern onderzoek betekent dit dat het woord “schaarrecht” niet automatisch met “Erfgooier via mannelijke afstamming” mag worden gelijkgesteld. Eerst moet worden vastgesteld of het om een persoonlijk familierrecht, gekocht recht, gunstrecht, hofstederecht of tijdelijke positie van een nabestaande ging.

221. Stad en Lande was de verbindende instelling

Wat al deze verschillende rechten eeuwenlang bij elkaar hield was uiteindelijk Stad en Lande van Gooiland. De organisatie veranderde zelf door de tijd, maar zij vormde de bestuurlijke ruimte waarin gemeenschappelijke belangen werden behandeld. Van de vroegmoderne resolutieboeken tot de twintigste-eeuwse wettelijke vereniging liep een institutionele lijn van beheer, conflictbeslechting en administratie. Stad en Lande bepaalde niet wie biologisch familie van wie was, maar maakte die familieband juridisch relevant door haar te verbinden aan toegang tot gemeenschappelijk vermogen. Daardoor werd de organisatie tegelijk grondbeheerder, rechtsgemeenschap en genealogisch geheugen. Met haar ontbinding in 1971 verdween precies die combinatie, waarna alleen landschap, archieven, familiegeschiedenissen en financiële afwikkeling overbleven.

222. Na 1971 bestond de Erfgooier als geschiedenis voort

Met de liquidatie hield de actieve juridische gemeenschap uiteindelijk op te bestaan, maar de benaming Erfgooier verdween niet uit het regionale geheugen. Families bleven weten dat vaders, grootvaders of eerdere voorouders gerechtigd waren geweest. De uitkering van 1933 en de laatste liquidatiebetalingen bleven in familieverhalen circuleren. Historische verenigingen, archieven en onderzoekers gingen de oude lijsten opnieuw bestuderen. Daardoor veranderde Erfgooier-zijn van een actuele rechtspositie in een historische identiteit. Tegenwoordig kan iemand afstammen van Erfgooiers zonder zelf een bestaand schaar- of vermogensrecht te bezitten. Dat onderscheid is belangrijk: historische afstamming kan worden aangetoond, maar de oorspronkelijke juridische gemeenschap bestaat niet meer als functionerend middeleeuws-agrarisch stelsel.

223. Het archief werd de nieuwe meent

Na de ontbinding verhuisde het hart van het Erfgooiersverhaal als het ware van de heide naar het archief. Schaarbrieven, resolutieboeken, ledenlijsten, koptienden, boedelstukken, kaarten en juridische publicaties maken het mogelijk de gemeenschap opnieuw te reconstrueren. Iedere bron toont echter slechts één laag. Een schaarbrief geeft regels, geen volledige bevolking. Een koptiendenregister toont grondverhoudingen, geen automatische Erfgooierstatus. Een ledenlijst toont gerechtigden, maar niet noodzakelijk hun vermogen. Een boedel laat bezit zien, maar niet zonder meer de rechtsgrond van scharing. De complete geschiedenis ontstaat pas wanneer deze bronnen worden gekoppeld. Juist daardoor is het Erfgooiersproject nog lang niet uitgeput, ondanks de enorme hoeveelheid reeds gevonden materiaal.

224. De familie vormt de kleinste onderzoekseenheid

Voor de volgende onderzoeksfase moet de afzonderlijke familie de kleinste eenheid worden. Begin bij een zekere gerechtigde uit 1708, 1912, 1933 of 1971 en volg vervolgens iedere generatie terug en vooruit. Leg daarnaast koptienden, grondbezit, huwelijk, overlijden, boedels en beroep. Dan wordt zichtbaar wanneer een tak scharend of niet-scharend werd, wanneer een boerderij via een dochter naar een andere naam ging en wanneer een familielijn juridisch ophield. Op die manier kunnen algemene regels worden getoetst aan echte levens. Stam en Calis hebben al laten zien hoeveel dit oplevert. Dezelfde methode kan systematisch op andere Gooise families worden toegepast.

225. Naarden bleef het bestuurlijke middelpunt

Naarden heeft binnen deze lange geschiedenis een bijzondere positie. Het was niet alleen een van de woonplaatsen van gerechtigden, maar de Stad binnen Stad en Lande. De relatie tussen Naarden en de Gooise dorpen lag al achter de conflicten die tot de eerste schaarbrief leidden. Knyff beschreef de stad en het omringende Gooiland in de vroege zeventiende eeuw. Latere bestuurders van Naarden namen deel aan het gemeenschappelijke bestuur. Daarmee loopt Naarden als bestuurlijke en documentaire draad door bijna de hele geschiedenis. Tegelijk moet worden voorkomen dat het verhaal uitsluitend vanuit de stad wordt geschreven. De dagelijkse economische basis lag voor een groot deel in de omliggende dorpen en hun boerenhuishoudens.

226. Laren bleef een agrarische kern

Laren verschijnt eveneens telkens opnieuw. De middeleeuwse grenskwestie met Hilversum, Knyffs beschrijving van wol dragende schapen, de Sint-Jansplaats en de zaak van Aaltje Hendriks uit 1721 tonen verschillende kanten van hetzelfde dorp. Hier worden landschap, religie, landbouw en recht met elkaar verbonden. Later bleef Laren een plaats waar Erfgooiersfamilies en scharende boeren voorkwamen, terwijl het dorp zelf sterk veranderde. Daardoor kan Laren uitstekend dienen als microgeschiedenis van de gehele ontwikkeling: van schapen en gemeenschappelijke heide via oude familiegerechtigdheid naar een moderne woonplaats waarin het oorspronkelijke agrarische stelsel uiteindelijk verdween. De plaatselijke archieven kunnen hier nog veel individuele levens aan toevoegen.

227. Hilversum veranderde het sterkst

Hilversum vormt misschien het scherpste contrast tussen de oude en nieuwe wereld. Knyff beschreef er gemeenschappelijke begrazing en een landschap dat deels uit voormalig bos en nieuw cultuurland bestond. De koptiendenregisters bieden er een lange reeks voor familie- en grondonderzoek. De lijst van 1708 bevat Hilversumse gerechtigden, weduwen en familietakken zoals Stam. Vervolgens groeide Hilversum in de negentiende en twintigste eeuw uit tot een grote plaats, waardoor de druk op de gemeenschappelijke grond sterk toenam. Hier werd bijzonder zichtbaar hoe een middeleeuws agrarisch systeem botste met modernisering en verstedelijking. De geschiedenis van Hilversum en die van de Erfgooiers kunnen daarom nauwelijks van elkaar worden gescheiden.

228. Huizen behield lang landbouw en visserij

Huizen had binnen Gooiland een eigen economisch profiel. Knyff verbond het gebied met wolbewerking en regionale productie. In latere eeuwen combineerde Huizen landbouw met andere bestaansvormen, waaronder visserij. Ook hier waren gerechtigde families actief. Het dorp laat zien dat Erfgooier-zijn niet noodzakelijk betekende dat een huishouden uitsluitend van akkerbouw en veehouderij leefde. Gemeenschappelijke rechten konden onderdeel zijn van een gemengde economie. Een man kon vee houden én een ander beroep of inkomstenbron hebben. Dat helpt verklaren waarom de overgang naar niet-scharend Erfgooierschap niet als een eenvoudige breuk moet worden gezien. Economische diversificatie bestond al voordat de twintigste-eeuwse verstedelijking het boerenkarakter van de regio sterk verminderde.

229. Blaricum en de lange continuïteit

Blaricum bleef eveneens sterk verbonden met het agrarische Gooise landschap. Het dorp verschijnt in de bestuurlijke structuur van Stad en Lande en leverde gerechtigde families. Harmen Vos, geboren in Blaricum, verbindt het dorp bovendien met de belangrijke jachtzaak rond 1900. Daarmee loopt ook hier een lange lijn van gemeenschappelijk landschap naar modern eigendomsrecht. De casus laat zien hoe een individu zich eeuwen later nog op zijn Erfgooierpositie kon beroepen om zijn verhouding tot de heide juridisch te verdedigen. Blaricum is daardoor niet alleen een plaats van oude boerenfamilies, maar ook een plek waar de moderne juridische betekenis van die oude rechten zichtbaar werd.

230. Bussum had een andere ontwikkeling

Bussum behoorde eveneens tot het historische Gooise landschap, maar ontwikkelde zich later sterk als woonplaats. Knyff noemt Bussum al in zijn vroeg-zeventiende-eeuwse beschrijving. Naarmate de moderne bebouwing groeide, werd de afstand tot het oorspronkelijke agrarische gebruik groter. Dat maakt Bussum interessant voor de vraag hoe oude gerechtigde families zich aanpasten wanneer hun omgeving veranderde. Bleven zij scharen, verkochten zij particulier land, kozen zij andere beroepen of werden zij niet-scharend? De koptienden, bevolkingsregisters en ledenlijsten kunnen dit per familie zichtbaar maken. Zo kan de grote institutionele geschiedenis worden vertaald naar de sociale transformatie van afzonderlijke dorpen.

231. De Gooise heide is zelf een historische bron

De overgebleven heidevelden moeten tenslotte als bron worden beschouwd. Hun open karakter ontstond niet uitsluitend door “natuurlijke” processen. Eeuwen van begrazing, plaggenwinning en menselijk beheer speelden een grote rol. De schaarbrieven bepaalden hoeveel dieren daar konden lopen. Knyff zag en beschreef gemeenschappelijke begrazing. Negentiende-eeuwse auteurs discussieerden over eigendom van dezelfde gronden. Twintigste-eeuwse organisaties besloten over verkoop en natuurbehoud. Daardoor bevat het landschap zelf een opeenstapeling van historische functies. Wie alleen juridische stukken leest mist deze materiële werkelijkheid; wie alleen naar de huidige natuur kijkt mist de rechten en arbeid waardoor dat landschap mede gevormd werd. Beide moeten samen worden bestudeerd.

232. Het verhaal is geen legende van één schenking

Een belangrijke conclusie uit alle gevonden bronnen is dat de Erfgooiersrechten niet overtuigend kunnen worden teruggebracht tot één eenvoudige gebeurtenis waarin één vorst de volledige rechten aan “de Erfgooiers” schonk. De werkelijkheid is veel complexer. Eltense rechten, landsheerlijke macht, plaatselijke gebruiksgewoonten, schaarbrieven, processen, kooprechten, hofsteden, bestuurlijke besluiten en latere wetgeving stapelden zich op. Floris V speelt een belangrijke rol in de geschiedenis van Nardinclant en in de Gooise herinnering, maar het latere Erfgooiersstelsel groeide gedurende eeuwen. Juist die geleidelijke ontwikkeling maakt de geschiedenis interessanter: het was geen eenmalige gift, maar een voortdurend aangepaste maatschappelijke instelling.

233. De moord op Floris V bleef wel belangrijk in het geheugen

Dat neemt niet weg dat Floris V een bijzondere plaats in de Gooise herinneringscultuur behield. Melis Stoke beschreef hoe Gooiers hem in 1296 wilden bevrijden en grote rouw toonden toen zij hem dood aantroffen. Zulke verhalen konden later bijdragen aan het beeld van een bijzondere historische band tussen graaf en Gooiers. Maar herinnering en rechtsbewijs moeten uit elkaar worden gehouden. Een gemeenschap kan haar identiteit verbinden aan een historische vorst zonder dat al haar juridische rechten uit één schenking van die vorst voortkomen. Voor het complete Erfgooiersverhaal zijn beide lagen belangrijk: enerzijds de aantoonbare rechtsontwikkeling, anderzijds de verhalen waarmee latere generaties hun eigen verleden begrepen en legitimeerden.

234. De schaarbrieven blijven de ruggengraat

Voor de feitelijke ontwikkeling van het gemeenschappelijke gebruik blijven de schaarbrieven van 1404/1405, 1442, 1455 en 1568 de belangrijkste ruggengraat. Zij tonen dat het gebruik geregeld, begrensd en periodiek opnieuw vastgesteld werd. De latere Willekeur en Schaarbrief van 1741 bewijst dat dezelfde bestuurlijke traditie eeuwenlang bleef functioneren. Wanneer deze teksten volledig naast elkaar worden gelegd, kan veel preciezer worden vastgesteld welke bepalingen veranderden en welke juist constant bleven. Vooral regels over huis, veldslag, aantallen dieren, weduwen, kinderen, uitsluiting en overtredingen verdienen woordelijke vergelijking. Dat onderzoek kan nog nieuwe correcties opleveren op het algemene verhaal en moet daarom als zelfstandige bronnenlaag worden voortgezet.

235. Knyff blijft de bijzondere getuige

Tussen al die juridische stukken blijft Guilielmus Knyff uitzonderlijk. Hij schreef geen reglement maar poëzie. Toch gebruikt hij woorden als “Terra hæc communis”, “numerum … pecudum … certum” en “communia jura”. Daarmee beschrijft hij precies de maatschappelijke werkelijkheid waarop de schaarbrieven betrekking hadden: gemeenschappelijke grond, gereguleerd vee en gemeenschappelijke rechten. Bovendien vult hij die regels met mensen, melk, brood, wol, boekweit, molens, dorpen en seizoenen. Hij laat zien waarvoor het recht bestond. Daardoor vormt Goylandia een brug tussen juridische geschiedenis en dagelijks leven. De bron moet niet juridischer worden gemaakt dan zij is, maar haar cultuurhistorische betekenis voor het Erfgooiersverhaal is groot.

236. De koptienden geven de families terug

De koptiendenregisters vormen vervolgens de beste brug van instituties naar individuele huishoudens. De reeks vanaf 1504 maakt het mogelijk families over meerdere generaties te volgen. Wanneer deze gegevens naast schaarbrieven en gerechtigdenlijsten worden gelegd, kan zichtbaar worden wie land gebruikte, wie weduwe werd, wanneer een zoon opvolgde en wanneer grond naar een schoonzoon ging. Vooral de jaren 1504, 1537, 1566, 1593, 1622, 1651, 1680, 1708 en 1740, met voor Hilversum aanvullingen uit 1772 en 1805, vormen vaste ijkpunten. Daarmee kan de sociale geschiedenis van de Erfgooiers uiteindelijk veel verder worden uitgewerkt dan alleen de bekende juridische conflicten.

237. De lijst van 1708 blijft het genealogische draaipunt

Voor genealogisch onderzoek is 1708 het grote draaipunt. De lijst van 1.088 gerechtigden maakt het mogelijk concrete familienamen en personen aan de historische gemeenschap te verbinden. Daarvóór wordt bewijs vaak fragmentarischer; daarna worden de lijnen steeds beter documenteerbaar. De aanwezigheid van 464 scharenden, 624 niet-scharenden, 126 weduwen en 26 kinderen maakt bovendien sociale analyse mogelijk. Niet alleen “wie stond erop?”, maar ook “in welke hoedanigheid?” moet worden gevraagd. Wanneer iedere persoon vervolgens aan koptienden, doop-, trouw- en begraafregisters, boedels en latere lijsten wordt gekoppeld, kan een vrijwel bevolkingsbrede geschiedenis van de gerechtigde gemeenschap ontstaan.

238. De negentiende-eeuwse polemieken bewaren oudere bronnen

Perk, Backer, Van Hasselt en later Van Lennep moeten daarom niet alleen worden gelezen om hun mening. Hun grootste waarde ligt in de oudere documenten waarnaar zij verwijzen of die zij afdrukken. De negentiende-eeuwse eigendomsstrijd dwong hen bronnen te verzamelen die anders mogelijk veel moeilijker vindbaar zouden zijn. Iedere voetnoot kan leiden naar een privilege, proces, overeenkomst of grensstuk. Daarom moet het onderzoek recursief blijven: een moderne publicatie leidt naar Perk; Perk leidt naar een achttiende-eeuws besluit; dat besluit verwijst naar de schaarbrief van 1568; die kan weer oudere regels uit 1442 weerspiegelen. Zo wordt de volledige keten zichtbaar zonder een latere interpretatie als eindpunt te nemen.

239. De twintigste-eeuwse lijsten sluiten de keten

Aan de andere kant sluiten de leden- en uitkeringsadministraties uit de twintigste eeuw de genealogische keten naar het heden. Een naam uit 1933 of 1971 kan vaak veel gemakkelijker worden geïdentificeerd dan een Jan Pietersz. uit de zestiende eeuw. Vanuit die recente persoon kan vervolgens generatie voor generatie worden teruggewerkt. Daardoor zijn de laatste Erfgooierslijsten niet alleen bronnen voor het einde van de organisatie, maar ook toegangspoorten naar haar vroegere geschiedenis. Wanneer familieoverlevering een naam van een uitkeringsgerechtigde bewaart, kan dat het startpunt zijn voor een volledige reconstructie van een familietak. Zo verbindt de laatste financiële fase zich rechtstreeks met de oudste genealogische lagen.

240. Het gewone erfrecht bleef altijd naast het bijzondere recht bestaan

Door de hele geschiedenis heen bleef uiteindelijk één onderscheid essentieel: het gewone erfrecht en het Erfgooiersrecht waren niet hetzelfde. Huis, akkers, vee, geld en schulden konden volgens gewone regels overgaan. Het bijzondere recht op de gemeenschappelijke gronden volgde eigen voorwaarden. Daardoor konden dochters particulier vermogen erven zonder de status op dezelfde wijze door te geven; konden weduwen tijdelijk scharen zonder een nieuwe erfelijke lijn te vormen; konden schoonzonen grond verkrijgen zonder Erfgooier te worden; en konden na 1971 geldvorderingen via gewoon erfrecht bij personen terechtkomen die zelf geen Erfgooierstatus hadden. Zonder dit onderscheid wordt vrijwel iedere ingewikkelde familiecasus verkeerd begrepen.

241. De geschiedenis van erven is daarom geen rechte lijn

Het recht ging niet eenvoudig van vader naar oudste zoon, generatie na generatie. De werkelijkheid kende weduwen, wezen, onbegeven kinderen, meerdere zoons, dochters, schoonzonen, kooprechten, gunstrechten, hofsteden, verhuizingen, boedelscheidingen, verbeurdverklaringen, scharende en niet-scharende takken. Soms hield een weduwe een bedrijf tijdelijk bijeen. Soms kreeg één zoon de boerderij terwijl broers een ander beroep kozen. Soms ging particulier land via een dochter naar een andere familie. Soms bleef een familielijn gerechtigd zonder nog landbouw te bedrijven. Juist deze variatie maakt de Erfgooiers tot een uitzonderlijk rijke casus voor onderzoek naar familie, grond en gemeenschappelijke rechten over vele eeuwen.

242. De kern bleef toch hetzelfde

Ondanks alle veranderingen bleef één beginsel opvallend constant: de gemeenschappelijke hulpbron was begrensd en daarom kon niet iedereen er onbeperkt aanspraak op maken. In de middeleeuwen werd die beperking zichtbaar in huis, veldslag en schaar. Knyff beschreef een vastgesteld aantal dieren. Later werd de kring steeds sterker genealogisch gesloten. In de twintigste eeuw beschermde die geslotenheid niet langer alleen gras voor vee, maar ook aanspraken op collectief vermogen. De vorm veranderde, maar de logica bleef herkenbaar: wanneer een eindige gemeenschappelijke waarde onder gebruikers wordt gedeeld, moet worden bepaald wie binnen en wie buiten de gerechtigde kring valt. Daaruit groeide uiteindelijk de uitzonderlijke erfelijke gemeenschap van Gooiland.

243. Bijna duizend jaar landschapsgebruik

Wanneer de voorgeschiedenis vanaf Wichman en Elten wordt meegerekend, beslaat het verhaal bijna duizend jaar. In die periode veranderde de samenleving van een vroegmiddeleeuwse domeinwereld naar een moderne Nederlandse rechtsstaat. Toch bleven dezelfde zandgronden, heiden en dorpen telkens terugkeren. Boeren gebruikten ze, landsheren claimden rechten, bestuurders regelden scharing, juristen discussieerden over eigendom, gemeenten wilden bouwen, natuurbeschermers wilden behouden en uiteindelijk ontvingen gerechtigden geld uit verkoop en liquidatie. Het Erfgooiersverhaal is daarom veel groter dan de geschiedenis van één vereniging. Het is een uitzonderlijk lange geschiedenis van de verhouding tussen mensen, families, recht en landschap.

244. Van Nardinclant tot Stad en Lande

De institutionele lijn kan nu als geheel worden gezien. Eerst was er Nardinclant binnen een middeleeuwse wereld van Eltense en landsheerlijke rechten. Vervolgens werd plaatselijk gebruik steeds duidelijker geregeld. De schaarbrieven maakten de gerechtigde gemeenschap zichtbaar. Stad en Lande gaf haar een bestuurlijke vorm. De registratie van 1708 maakte de ledenkring administratief herkenbaar. De negentiende-eeuwse eigendomsregelingen veranderden gebruiksgrond in duidelijker collectief vermogen. De Erfgooierswet van 1912 gaf de gemeenschap een nationale wettelijke basis. De uitkering van 1933 maakte de vermogenswaarde tastbaar. De ontbinding van 1971 beëindigde uiteindelijk de organisatie. Iedere fase bouwde voort op de vorige zonder er volledig mee samen te vallen.

245. Van gewoonte tot wet

De rechtsontwikkeling liep parallel. Eerst was er gewoonte: de plaatselijke gemeenschap wist wie gebruik mocht maken van bepaalde hulpbronnen. Vervolgens werd gewoonte vastgelegd in schaarbrieven. Conflicten brachten rechterlijke uitspraken voort. Stad en Lande legde besluiten vast in resolutieboeken. Registers maakten gerechtigden individueel zichtbaar. Negentiende-eeuwse overeenkomsten en processen bepaalden de eigendomsverhoudingen opnieuw. In 1912 volgde landelijke wetgeving. Uiteindelijk waren genealogische en administratieve bewijzen nodig om financiële rechten vast te stellen. Daarmee veranderde een lokaal gewoonterecht in een volledig gedocumenteerde moderne rechtspositie. Juist omdat iedere fase schriftelijke sporen naliet, kan deze uitzonderlijk lange ontwikkeling tegenwoordig nog worden gereconstrueerd.

246. Van landschap tot archief

Ook de plaats waar het recht “bestond” veranderde. Ooit bestond het vooral in het landschap en in de kennis van bewoners: iedereen wist welke kudde bij welk huis hoorde en waar grenzen liepen. Later bestond het tevens in schaarbrieven, kaarten en resoluties. In de twintigste eeuw werd de ledenadministratie doorslaggevend. Na 1971 bestaat het recht zelf niet meer als levende gemeenschappelijke landbouwpraktijk, maar de geschiedenis ervan leeft voort in archieven en landschap. Daarmee is het Erfgooiersverhaal zelf van vorm veranderd. Wat ooit dagelijks gebruik was, is nu historisch onderzoek. De bronnen moeten weer met elkaar worden verbonden om de verdwenen maatschappelijke werkelijkheid achter het papier zichtbaar te maken.

247. Wat nog diep onderzocht moet worden

Ondanks deze omvangrijke reconstructie blijven concrete onderzoekslijnen open. De volledige tekstverschillen tussen de schaarbrieven moeten artikel voor artikel worden vergeleken. De 126 weduwen en 26 kinderen uit 1708 verdienen individuele reconstructie. Er moeten concrete dossiers worden gezocht van hertrouwde weduwen, weduwnaars, gezinnen met uitsluitend dochters, vooroverleden zoons en minderjarige kleinzonen. Koop- en gunstrechten moeten per familie worden gevolgd. Hofstederechten moeten afzonderlijk worden geïnventariseerd. Boedelinventarissen en voogdijstukken kunnen laten zien hoe gerechtigden werkelijk leefden. En de liquidatieadministratie van 1971–1973 moet exact worden onderzocht op bedragen, peildata en opvolging. Het algemene verhaal staat, maar de menselijke onderlaag kan nog veel rijker worden.

248. Wat de bronnen nu wél bewijzen

De beschikbare bronnen ondersteunen inmiddels een stevige kern. Gemeenschappelijk gebruik van Gooise gronden is eeuwenoud. Het werd uiterlijk vanaf de vijftiende eeuw schriftelijk gereguleerd. Gerechtigdheid was begrensd en hing aanvankelijk sterk samen met huishouding en agrarisch gebruik. Afstamming kreeg geleidelijk grotere betekenis. Weduwen en kinderen konden bijzondere posities hebben. Koop, gunst en hofstederechten vormden aanvullende routes. Rond 1700 werd “Erfgooier” een herkenbare benaming. In 1708 bestond al een grote groep niet-scharenden. De negentiende eeuw veranderde de eigendomspositie. In 1912 werd de gemeenschap wettelijk geregeld. In de twintigste eeuw werd grondwaarde steeds belangrijker en in 1971 kwam de organisatie ten einde.

249. Wat de bronnen níét bewijzen

Even belangrijk is wat niet zonder meer mag worden beweerd. Er bestaat geen voldoende basis om alle Erfgooiersrechten als één persoonlijke schenking van Floris V voor te stellen. Niet iedere middeleeuwse inwoner van Gooiland was automatisch Erfgooier in latere betekenis. Een vrouw op een gerechtigdenlijst was niet noodzakelijk een zelfstandige stammoeder van een nieuwe erfelijke lijn. Grondbezit bewijst geen Erfgooierstatus. Een schoonzoon werd niet automatisch gerechtigd doordat hij met een Erfgooiersdochter trouwde. Knyffs communia jura bewijst gemeenschappelijke rechten, maar niet zelfstandig de precieze juridische structuur van de latere vereniging. Deze grenzen zijn noodzakelijk om het verhaal historisch betrouwbaar te houden.

250. De mensen achter het recht

Uiteindelijk bestond Stad en Lande niet uit artikelen en registers maar uit mensen. Een boer die zijn koeien naar de meent bracht, een weduwe die na het overlijden van haar man het bedrijf probeerde voort te zetten, een wees wiens grond door anderen werd beheerd, een zoon die de boerderij niet kreeg en ambachtsman werd, een dochter die land meenam naar een nieuw huishouden, een niet-scharende afstammeling die eeuwen later een uitkering ontving: al deze mensen maakten deel uit van dezelfde lange ontwikkeling. Juist hun verschillende levens tonen hoe flexibel het systeem moest zijn om eeuwen van maatschappelijke verandering te overleven.

251. De koe van 1404 en de uitkering van 1933

Tussen de koe die volgens een schaarbrief op de gemeenschappelijke weide mocht lopen en de vijfhonderd gulden die een gerechtigde in 1933 kon ontvangen ligt meer dan vijf eeuwen geschiedenis. Toch bestaat er een directe institutionele verbinding. De koe verklaart waarom het recht ontstond. De uitkering toont wat er uiteindelijk van dat recht geworden was. Zonder gemeenschappelijke landbouwgrond geen schaarbrief; zonder schaarbrief geen afgebakende gerechtigde gemeenschap; zonder die gemeenschap geen Erfgooiers; zonder de latere collectieve eigendomspositie geen grondvermogen; zonder dat vermogen geen twintigste-eeuwse uitkering. Zo blijkt een financiële gebeurtenis uit 1933 uiteindelijk geworteld in een middeleeuwse oplossing voor gezamenlijk landgebruik.

252. De laatste erfgenamen van een gemeenschappelijk landschap

De laatste Erfgooiers erfden uiteindelijk niet simpelweg dezelfde rechten als hun middeleeuwse voorouders. Zij erfden het resultaat van eeuwen verandering. Hun voorouders hadden een agrarische gebruikspositie. Latere generaties maakten daar een steeds sterker familiale gerechtigdheid van. Negentiende-eeuwse overeenkomsten veranderden de eigendomsverhouding. Twintigste-eeuwse wetgeving maakte de ledenkring formeel. Grondverkopen veranderden landschap in geld. De laatste gerechtigden stonden daarom aan het einde van een lange keten waarin de betekenis van “erven” voortdurend veranderde. Wat werkelijk van generatie op generatie doorging was niet één onveranderlijk bezit, maar een plaats binnen een historische gemeenschap die haar rechten telkens opnieuw aan nieuwe omstandigheden aanpaste.

253. Het einde van Stad en Lande was niet het einde van het landschap

Toen Stad en Lande verdween, bleven de Gooise heiden, bossen, engen, wegen en dorpen bestaan. Sommige delen waren inmiddels bebouwd, andere beschermd. Daardoor is de geschiedenis nog steeds zichtbaar. Een open heideveld kan het resultaat zijn van eeuwen begrazing. Een oude grens kan teruggaan op conflicten die in zestiende-eeuwse wandelingen werden beschreven. Een dorpsstructuur kan herinneren aan boerenhuishoudens die ooit afhankelijk waren van gemeenschappelijke grond. Het landschap is daardoor een archief zonder papier. Wanneer oude kaarten, schaarbrieven en grensbeschrijvingen erop worden geprojecteerd, kan zichtbaar worden waar de rechten daadwerkelijk werden uitgeoefend. Dat vormt een belangrijke volgende laag voor het complete project.

254. Het verhaal van de Erfgooiers is daarmee groter dan Gooiland

De Erfgooiers vormen een uitzonderlijk voorbeeld van een veel bredere Europese geschiedenis van gemeenschappelijke gronden. Overal bestonden marken, meenten en andere vormen van collectief gebruik. Wat Gooiland bijzonder maakt is de uitzonderlijk lange continuïteit, de rijke documentatie en het voortbestaan tot diep in de twintigste eeuw. Daardoor kunnen ontwikkelingen die elders alleen fragmentarisch zichtbaar zijn hier over eeuwen worden gevolgd: gewoonte, schriftelijke regulering, genealogische afsluiting, institutionalisering, eigendomsstrijd, wettelijke erkenning en uiteindelijk liquidatie. Het Gooise verhaal biedt daarmee niet alleen regionale geschiedenis, maar ook een langdurige casus van hoe een gemeenschap probeert eindige natuurlijke hulpbronnen over opeenvolgende generaties te beheren.

255. De rode draad

De rode draad vanaf Nardinclant tot 1971 is uiteindelijk eenvoudig, hoewel de uitwerking uiterst complex is: wie mag gebruikmaken van wat gezamenlijk is? In 1404 ging die vraag over vee op gemeenschappelijke grond. In 1568 over veldslag en scharing. In 1708 over wie als gerechtigde moest worden geregistreerd. In 1838 over Domein, eigendom en gebruikers. In 1912 over wettelijke Erfgooierstatus. In 1933 over wie een uitkering kreeg. In 1971 over wie bij de liquidatie tot de gerechtigden behoorde. Dezelfde vraag veranderde telkens van vorm, maar verdween nooit. Daarom vormen bijna duizend jaar Gooise geschiedenis uiteindelijk één doorlopende verhaallijn.

256. Van Wichman tot de laatste gerechtigde

Aan het begin staat Wichman en de wereld van Elten, waarin Nardinclant onderdeel was van een vroegmiddeleeuws bezit- en machtslandschap. Aan het einde staat een twintigste-eeuwse gerechtigde met een naam in een ledenregister en mogelijk een financiële aanspraak uit de liquidatie. Tussen beiden liggen Floris V, de Gooise boeren, de schaarbrieven, de Grote Raad van Mechelen, de Boschbrief, Knyff, Stad en Lande, de lijst van 1708, Aaltje Hendriks, Perk, Backer, Harmen Vos, Frank van Lennep, de Erfgooierswet en de uitkeringen. Geen van deze onderdelen staat los. Samen vormen zij de geschiedenis van een gemeenschap die bijna duizend jaar met hetzelfde landschap verbonden bleef.

257. Het laatste beeld

Het sterkste slotbeeld is daarom niet de vergadering van 1971 en ook niet een zak geld uit de liquidatie. Het is de Gooise heide zelf. Eeuwen geleden liep daar vee van gerechtigde huishoudens. Schaarbrieven bepaalden hoeveel dieren mochten komen. Knyff zag er gemeenschappelijke rechten en een vastgesteld aantal stuks vee. Weduwen konden er het bedrijf van hun overleden man voortzetten. Kinderen groeiden op binnen huishoudens waarvan hun latere positie mede door deze grond werd bepaald. Eeuwen later werd dezelfde grond verkocht, beschermd of bebouwd. De juridische gemeenschap verdween, maar het landschap waarop zij gebouwd was bleef achter als haar grootste tastbare bron.

258. De Erfgooiers als levende keten

Daarmee kan de geschiedenis van de Erfgooiers worden begrepen als een keten van generaties die nooit precies hetzelfde recht bezaten, maar steeds een deel van de voorafgaande rechtswereld doorgaven. De middeleeuwse boer gaf geen moderne aandelenportefeuille aan zijn zoon. Hij liet een huishouden, gebruikspositie en plaats in de gemeenschap achter. Latere generaties maakten daarvan een erfelijke gerechtigdheid. Weer latere generaties ontvingen een aandeel in collectief vermogen. Iedere generatie erfde dus zowel continuïteit als verandering. Dat verklaart waarom het systeem bijna duizend jaar kon bestaan: het bleef herkenbaar genoeg om oud te zijn en veranderlijk genoeg om telkens opnieuw te functioneren.

259. Van gemeenschappelijk recht naar historische identiteit

Na de liquidatie veranderde de betekenis nog één laatste keer. Erfgooier-zijn werd geschiedenis. De afstamming bleef bestaan, maar niet langer als toegang tot een levende meentorganisatie. Familienamen, verhalen, oude uitkeringsbewijzen en archiefstukken werden dragers van de identiteit. Historische verenigingen en onderzoekers namen in zekere zin de plaats over van de oude bestuurders: zij bewaren de kennis van wie de Erfgooiers waren en hoe hun rechten functioneerden. Daarmee is de geschiedenis nog niet afgesloten. Iedere nieuw gevonden schaarbrief, boedel, voogdijakte, kaart of familielijn kan het beeld verder verfijnen. De gemeenschap is verdwenen, maar haar bronnenwereld is uitzonderlijk rijk gebleven.

260. Van Nardinclant tot de laatste uitkering

Zo eindigt de lange lijn die begon in het vroegmiddeleeuwse Nardinclant. Elten en Wichman vormen de verre voorgeschiedenis; Floris V markeert de overgang naar Holland; de middeleeuwse boeren maakten gebruik van gemeenschappelijke hulpbronnen; schaarbrieven regelden hun rechten; Stad en Lande organiseerde het collectief; de naam Erfgooier verbond gerechtigdheid steeds sterker met afstamming; 1708 legde de gemeenschap administratief vast; de negentiende eeuw veranderde gebruik in duidelijker eigendom; 1912 maakte het systeem wettelijk; 1933 veranderde grond in een grote uitkering; 1971 beëindigde Stad en Lande. Wat overbleef zijn het Gooise landschap, duizenden familiegeschiedenissen en een uitzonderlijk archief van bijna duizend jaar gemeenschappelijk recht.

Deel 1 — De Erfgooiers: van Nardinclant tot de vroegmoderne gemeenschap

1. Het verhaal begint vóór de Erfgooiers

De geschiedenis van de Erfgooiers begint lang voordat iemand zichzelf Erfgooier noemde. In de vroege middeleeuwen bestond het gebied dat later Gooiland zou heten uit hogere zandgronden, bossen, heiden, moerassige laagten en landbouwgronden. In oude bronnen verschijnen namen als Nardinclant, Nardingland en Nardingerland. Een nog oudere vermelding, Naruthi, uit ongeveer 887–897, is tijdens het onderzoek eveneens naar voren gekomen, maar de identificatie daarvan met het latere Naarden of Nardinclant is niet geheel zeker. Daarom moet die naam voorzichtig worden gebruikt. Zeker is dat hier een landschap ontstond waarin landbouwers particuliere akkers combineerden met gezamenlijk gebruikte natuurlijke hulpbronnen.

2. Nardinclant en de wereld van Hamaland

Omstreeks het midden van de tiende eeuw komt Nardinclant in de invloedssfeer van graaf Wichman van Hamaland. Zijn geschiedenis verbindt het latere Gooiland met de wereld van de Ottoonse adel, koninklijke macht en kerkelijke instellingen. Wichman beschikte over uitgestrekte bezittingen en rechten en stichtte op de Eltenberg een vrouwenstift. Daarmee ontstond een institutionele verbinding die voor de geschiedenis van Gooiland eeuwenlang belangrijk zou blijven. De mensen die toen in Nardinclant woonden mogen niet achteraf Erfgooiers worden genoemd. Wel vinden we hier de maatschappelijke omgeving waaruit later hun rechten zouden groeien: boerenhuishoudens die landbouwgrond gebruikten en daarnaast afhankelijk waren van bos, heide, weide en andere gemeenschappelijke hulpbronnen.

3. Wichman en het vrouwenstift Hoog-Elten

Graaf Wichman bracht goederen en rechten onder bij het vrouwenstift Hoog-Elten. De Ottoonse oorkonden van 968, 970 en 996 vormen een belangrijke bronnenlaag voor de bezittingen en rechtspositie van Elten. Niet iedere latere bewering over Gooiland kan rechtstreeks uit één van deze oorkonden worden afgeleid; de afzonderlijke teksten moeten steeds van latere reconstructies worden onderscheiden. De verbinding tussen Elten en het Gooise gebied is echter werkelijk middeleeuws. Hierdoor kwam het gebied terecht binnen een domeinwereld waarin grondheerlijke aanspraken, landbouwbedrijven, kerkelijke belangen en plaatselijke gebruiksgewoonten naast elkaar konden bestaan. Dat vormt de eerste noodzakelijke achtergrond voor de latere gemeenschappelijke Gooise rechten.

4. De boeren binnen het Eltense domein

Binnen deze domeinwereld gebruikten boeren landbouwgrond terwijl bossen, heiden, venen en andere onontgonnen terreinen eveneens economisch noodzakelijk waren. De grens tussen particulier gebruikte grond en gezamenlijk gebruikte ruimte is daarom essentieel. Een boerderij kon bestaan uit huis, erf en akkers, terwijl het bedrijf voor zijn voortbestaan afhankelijk bleef van gronden die niet als afzonderlijk particulier perceel bij die boerderij behoorden. Koeien moesten grazen, schapen hadden heide nodig, brandstof moest worden verzameld en landbouwgrond moest met mest en plaggen vruchtbaar worden gehouden. Gemeenschappelijke rechten waren daardoor geen folkloristisch overblijfsel. Ze maakten deel uit van de dagelijkse bestaansbasis van de Gooise boerenbevolking.

5. Gemeenschappelijk gebruik vóór geschreven regels

In de oudste periode zullen veel gebruiksrechten vooral door gewoonte zijn bepaald. De plaatselijke gemeenschap wist wie ergens woonde, welke huishoudens vanouds land gebruikten en wie toegang tot bos, heide en weide had. Dat is wezenlijk anders dan een moderne eigendomsadministratie. Een recht hoefde niet in een individuele akte te staan om in een lokale samenleving daadwerkelijk te functioneren. Juist daardoor werd continuïteit belangrijk. Wanneer een vader stierf, bleef zijn huishouden bestaan. Wanneer kinderen volwassen werden, ontstond de vraag welke positie zij kregen. Wanneer vreemdelingen zich vestigden, moest worden bepaald of zij eveneens mochten deelnemen. Uit zulke praktische problemen groeide uiteindelijk een steeds nauwkeuriger afbakening van de gerechtigde gemeenschap.

6. Het landschap bepaalde de regels

De latere Erfgooiersgeschiedenis kan niet worden begrepen zonder de draagkracht van het landschap. Heide, bos en gemeenschappelijke weiden waren uitgestrekt, maar niet onbeperkt. Wanneer ieder huishouden zonder beperking koeien, paarden en schapen mocht laten grazen, zou overbegrazing ontstaan. Wanneer iedereen onbeperkt hout, turf of plaggen kon winnen, zouden gemeenschappelijke hulpbronnen uitgeput raken. Daarom werd de vraag wie gerechtigd was onlosmakelijk verbonden met de vraag hoeveel iemand mocht gebruiken. Het recht was vanaf het begin niet alleen genealogisch of juridisch, maar ook economisch en ecologisch. Juist deze beperking verklaart waarom de gemeenschap later zo streng kon worden tegenover nieuwkomers en ongeoorloofde gebruikers.

7. Nardingelant in 1185

Een belangrijke middeleeuwse naamvorm verschijnt in 1185: “Persona in ecclesia de Nardingelant.” Daarmee is Nardingelant herkenbaar als geografische en kerkelijke aanduiding. De streek bestond inmiddels binnen verschillende overlappende rechtswerelden. Kerkelijke instellingen bezaten rechten, landsheren oefenden gezag uit en plaatselijke bewoners gebruikten het landschap volgens oude gewoonten. De latere geschiedenis van de Erfgooiers ontstond juist uit deze gelaagdheid. Het is daarom misleidend om één vroegmiddeleeuwse eigenaar te zoeken van alles wat later Gooiland werd. Eigendom, landsheerlijkheid, plaatselijk grondbezit en gemeenschappelijk gebruik konden tegelijkertijd bestaan. De conflicten van latere eeuwen zouden juist draaien om de vraag hoe die verschillende rechten zich tot elkaar verhielden.

8. 1280 — Floris V en Nardinclant

Op 6 mei 1280 verkreeg graaf Floris V Nardinclant in eeuwige erfpacht van de abdis van Elten. In de historische reconstructie wordt daarbij een jaarlijkse betaling van vijfentwintig Utrechtse ponden genoemd. Anton Kos beschrijft deze overgang als een belangrijke verandering waarbij landsheerlijke en veel grondheerlijke rechten bij de graaf van Holland terechtkwamen. Dat betekende echter niet dat de bestaande plaatselijke gebruiksgewoonten ineens verdwenen. De boeren bleven voor hun bedrijf afhankelijk van dezelfde heiden, bossen en weiden. De overgang naar een nieuwe machthebber kan juist hebben bijgedragen aan een sterkere behoefte om oude gebruiksaanspraken gezamenlijk te beschermen en duidelijker te formuleren.

9. Floris V en de Gooise bevolking

De latere herinnering verbond Floris V sterk met de Gooise bevolking. Toen hij in 1296 gevangen werd gehouden en uiteindelijk werd vermoord, vertelt Melis Stoke dat Gooilanders hem probeerden te bevrijden. Zij kwamen te laat en troffen de graaf dood aan. Stoke schreef dat zij grote rouw hadden. Deze gebeurtenis kreeg later bijna mythische betekenis in verhalen over de band tussen Floris en de Gooiers. Voor het ontstaan van de Erfgooiersrechten moet echter onderscheid worden gemaakt tussen historische rechtsontwikkeling en latere herinneringscultuur. De gerechtigdheid tot gemeenschappelijke gronden kan niet eenvoudig worden verklaard als een persoonlijke schenking van Floris V aan de Erfgooiers.

10. Van gewoonte naar een gemeenschap van gebruikers

Na de overgang naar Holland bleef de fundamentele vraag bestaan wie de niet-particuliere gronden mocht gebruiken. Aanvankelijk kon plaatselijke gewoonte voldoende zijn geweest. Naarmate bevolking, landbouw en druk op het landschap toenamen, werd dat moeilijker. Een gemeenschap moest kunnen onderscheiden tussen oude gebruikers en nieuwkomers. Daarmee werden afkomst, huishouden, vestiging, grondgebruik en agrarische zelfstandigheid steeds belangrijker. Het latere erfelijke karakter ontstond niet noodzakelijk in één besluit. Het groeide uit een langdurig proces waarin de kring van gebruikers werd begrensd. Iedere generatie moest immers opnieuw bepalen welke kinderen uit bestaande huishoudens zelfstandig gerechtigd konden worden zonder dat het aantal gebruiksrechten onbeperkt toenam.

11. 1326 — de Gooiers vergaderen

In 1326 wordt zichtbaar dat de Gooise bevolking gezamenlijk kon optreden. Graaf Willem III trad op tegen bijeenkomsten van de Gooise bevolking. Dat gegeven is belangrijk omdat het wijst op een vorm van collectieve organisatie. We moeten daar echter niet meteen de latere Vergadering van Stad en Lande in herkennen. De bestuurlijke organisatie die eeuwen later zo duidelijk uit de archieven naar voren komt, mag niet zonder bewijs naar 1326 worden teruggeprojecteerd. Wel blijkt dat gemeenschappelijke belangen al vroeg aanleiding konden geven tot gezamenlijk handelen. Voor mensen die dezelfde heiden, bossen en weiden gebruikten was samenwerking noodzakelijk: grenzen, aantallen dieren, overtredingen en conflicten konden immers moeilijk door ieder huishouden afzonderlijk worden geregeld.

12. 1339 — grenzen en gebruik

In 1339 verschijnen rechten rond veengronden bij Eemnes in de onderzochte bronnenwereld. Zulke grensgebieden zijn belangrijk voor de geschiedenis van Gooiland. Gemeenschappelijke rechten hielden immers niet op bij een abstracte juridische lijn op een kaart. Mensen trokken met vee door het landschap, groeven turf, gebruikten wegen, maaiden gras en ontgonnen grond. Daardoor ontstonden conflicten met aangrenzende gebieden. De geschiedenis van de Erfgooiers is dus ook een geschiedenis van grenzen. Wie mocht waar komen? Waar eindigde Goois gebruik? Welke paal, sloot, weg, heuvel of boom markeerde een grens? Zulke vragen zouden eeuwenlang terugkeren in schouwen, grenswandelingen, processen en schriftelijke verklaringen.

13. De bossen en de bosbrieven

Voor de Gooise bossen ontstond eveneens een gereguleerd systeem. Anton Kos behandelt bosbrieven vanaf 1364. Bos was economisch waardevol. Het leverde hout en andere producten, terwijl ontginning tegelijkertijd landbouwgrond kon opleveren. Daardoor moesten ook hier individuele behoeften tegen gemeenschappelijke belangen worden afgewogen. Het latere Erfgooiersstelsel bestond dus niet alleen uit koeien op een weide. Bossen, heiden, venen, plaggen, gras en andere hulpbronnen behoorden tot dezelfde bredere wereld van gemeenschappelijk beheer. De bosbrieven vormen daarom een parallelle ontwikkeling naast de schaarbrieven: gewoonte werd steeds vaker opgeschreven omdat gebruik, bevolkingsdruk en conflicten nauwkeuriger regels noodzakelijk maakten.

14. Naarden en de Gooise dorpen

Aan het einde van de veertiende eeuw ontstond een ernstig conflict tussen Naarden en de Gooise dorpen over de gemeenschappelijke gronden. Dat conflict is fundamenteel omdat daaruit geschreven regelingen voortkwamen waarmee we de gerechtigde gemeenschap beter kunnen reconstrueren. Naarden was de stad; daaromheen lagen de dorpen die later binnen Stad en Lande gezamenlijk zouden optreden. Hun belangen waren verbonden, maar niet altijd identiek. Wie hoeveel mocht gebruiken, wie als gerechtigde gold en hoe gemeenschappelijke grond beheerd moest worden, kon tot scherpe tegenstellingen leiden. De oplossing vereiste arbitrage. Daarmee werd een eeuwenoude gebruikswereld steeds duidelijker in schriftelijke juridische categorieën gevangen.

15. 1403 — de gemeenschappelijke grond blijft ongedeeld

Rond 1403 verschijnt een kernidee dat voor de gehele latere geschiedenis belangrijk blijft: de gemeenschappelijke grond moest “ongedeelt sal bliven”. Dat betekent niet dat iedereen zonder beperking alles mocht gebruiken. Integendeel. Juist omdat de grond ongedeeld bleef, moesten de rechten van afzonderlijke gebruikers nauwkeurig worden gereguleerd. De heide en weide werden niet bij iedere generatie fysiek in stukken verdeeld. Een gerechtigde bezat dus niet automatisch een individueel perceel van de meent. Hij nam deel aan een collectief gebruiksstelsel. Deze ondeelbaarheid verklaart waarom het Erfgooiersrecht later zo sterk verschilde van gewoon erfrecht waarbij een huis, akker, geldbedrag of ander particulier bezit daadwerkelijk tussen erfgenamen kon worden verdeeld.

16. 1404 — de eerste schaarbrief

Op 25 januari 1404 kwam na arbitrage een regeling tot stand die als de eerste bekende schaarbrief geldt. J.M.C. Backer nam deze eeuwen later als bijlage op in zijn werk over Gooiland uit 1838. De schaarbrief regelde het gebruik van de gemeenschappelijke gronden en vormt een belangrijk keerpunt van gewoonte naar schriftelijk vastgelegde regels. Een schaar was geen stuk grond dat iemand persoonlijk bezat. Het was een gebruikseenheid waarmee onder meer werd bepaald hoeveel vee op de gemeenschappelijke weiden mocht worden gebracht. Daarmee werd tegelijkertijd zichtbaar wie tot de kring van gerechtigden behoorde. De schaarbrief was dus zowel landbouwreglement als sociale ordening.

17. ‘Uut elken huse’

Anton Kos behandelt bij de oude criteria voor gerechtigdheid het beginsel “uut elken huse”. Dat is essentieel voor het begrijpen van erfopvolging. Het oudste stelsel kan niet worden voorgesteld alsof iedere zoon bij het overlijden van zijn vader automatisch een volledig nieuw persoonlijk recht ontving. Het huis of huishouden vormde een belangrijke economische eenheid. Eén boerenbedrijf kon uit man, vrouw, kinderen, knechten, land en vee bestaan. Wanneer ieder kind onmiddellijk een zelfstandige volledige schaar kreeg, zou het aantal dieren op de gemeenschappelijke gronden iedere generatie sterk toenemen. De koppeling aan het huishouden hielp daarom zowel het boerenbedrijf als de gemeenschappelijke hulpbron in stand houden.

18. Het huis was meer dan een gebouw

Met “huis” moeten we niet uitsluitend het fysieke woonhuis verstaan. Het ging om de huishoudelijke en economische eenheid die daarachter stond. Een boerenhuishouden beschikte over land, dieren, werktuigen, voorraden en arbeidskracht. De gemeenschappelijke gronden ondersteunden juist deze eenheid. Wanneer de huisvader overleed, bleven koeien, akkers, kinderen en schulden bestaan. Daardoor ontstond onmiddellijk de vraag wie het gebruik mocht voortzetten. Hier ligt de oorsprong van de bijzondere regels voor weduwen, weduwnaars, wezen en onbegeven kinderen. Het Erfgooiersrecht ontwikkelde zich dus niet alleen rond genealogie, maar rond het probleem hoe een agrarische huishouding door overlijden en generatiewisseling heen kon blijven functioneren.

19. Veldslag

Naast het huis behandelt Kos veldslag als belangrijk criterium. Dit begrip laat zien dat afstamming en feitelijke agrarische gerechtigdheid niet volledig samenvielen. Tot een oude Gooise familie behoren was iets anders dan zelfstandig een boerenbedrijf voeren en daadwerkelijk van de gemeenschappelijke gronden gebruikmaken. Een zoon kon familie van gerechtigden zijn maar nog bij zijn ouders wonen. Een andere afstammeling kon een ambacht uitoefenen en geen vee bezitten. Daardoor ontstond al vroeg ruimte voor het onderscheid dat later duidelijk zichtbaar werd tussen scharende en niet-scharende Erfgooiers. De genealogische band kon blijven bestaan terwijl de economische uitoefening van het recht veranderde of tijdelijk verdween.

20. De eigenerfde Gooiers

Kos spreekt in zijn reconstructie over de eigenerfde Gooise boeren. Het woord erf moet daarbij niet onmiddellijk uitsluitend als moderne erfopvolging worden verstaan. Het behoorde tot een wereld waarin gevestigd zijn, grond gebruiken of bezitten, een huishouden voeren en deelnemen aan gemeenschappelijke rechten sterk met elkaar verweven waren. Vanuit deze gevestigde agrarische bevolking ontwikkelde zich uiteindelijk de kring die veel later Erfgooiers werd genoemd. De term Erfgooier zelf bestond in deze middeleeuwse fase nog niet in zijn latere betekenis. Daarom is het nauwkeuriger om eerst over gerechtigden, geërfden, gebruikers en huishoudens te spreken en pas voor latere perioden de specifieke benaming Erfgooier te gebruiken.

21. Niet iedere inwoner was gerechtigd

In Gooiland wonen betekende niet automatisch dat iemand recht had op de gemene gronden. Dit onderscheid werd steeds belangrijker. Nieuwkomers konden huizen of grond verwerven zonder daarmee noodzakelijk toegang tot dezelfde gemeenschappelijke hulpbronnen te krijgen als oude gerechtigde huishoudens. Economisch was die beperking begrijpelijk. Iedere nieuwe gebruiker kon extra koeien, paarden of schapen op dezelfde weiden brengen en extra aanspraak maken op heide, hout, plaggen of turf. Het afsluiten van de kring was daarom niet alleen een kwestie van familie-eer of traditie. Het was een manier om een eindige hulpbron te beschermen. Afstamming werd geleidelijk een steeds bruikbaarder middel om de grens tussen gerechtigden en anderen te bepalen.

22. 1407 — landwinning

In 1407 verleende Jan van Beieren een privilege dat verband hield met landwinning. Dat plaatst een tweede ontwikkeling tegenover de wens om gemeenschappelijke grond ongedeeld te bewaren. Woeste of gemeenschappelijk gebruikte grond kon economisch aantrekkelijk zijn om te ontginnen en in cultuur te brengen. Iedere ontginning kon echter het beschikbare areaal voor gezamenlijk gebruik verkleinen. Daarmee ontstond een spanning die eeuwenlang terugkeerde: gemeenschappelijke grond bewaren of grond individueel ontginnen, verkopen en productiever maken. Voor de gerechtigden was dit geen abstract debat. Minder heide of weide betekende minder ruimte voor vee en andere hulpbronnen. De latere conflicten over ’s-Graveland en negentiende-eeuwse heideverkopen hebben hier hun verre voorgeschiedenis.

23. 1417 — bijzondere rechten

In 1417 verschijnt een afzonderlijk schaarrecht dat met een klooster of kerkelijke instelling verband hield. Dat is belangrijk omdat het laat zien dat het historische stelsel nooit uitsluitend uit één soort persoonlijk familierrecht bestond. Ook instellingen en later bepaalde hofsteden konden bijzondere gebruiksaanspraken bezitten. Daardoor moeten bij iedere vermelding van schaarrecht twee vragen worden gesteld: wie oefende het recht uit, en waarop berustte dat recht? Een schaar kon onderdeel zijn van de gewone gerechtigde gemeenschap, maar uitzonderingen konden een andere oorsprong hebben. Deze verscheidenheid bleef zelfs in de twintigste eeuw relevant, toen de Erfgooierswet rekening moest houden met historisch gegroeide bijzondere rechten.

24. 1427–1428 — Hilversum en Laren

Rond 1427–1428 ontstond een grenskwestie tussen Hilversum en Laren waarbij Splinter van Nijenrode in de onderzochte bronnen naar voren komt. Het conflict laat zien dat de Gooise dorpen niet als één volledig belangenloos blok moeten worden voorgesteld. Binnen de gemeenschappelijke regio konden afzonderlijke dorpen eigen belangen hebben. Grenzen bepaalden immers waar vee liep, waar grond werd gebruikt en welke huishoudens toegang hadden. De latere organisatie van Stad en Lande verenigde de stad en dorpen voor gemeenschappelijke zaken, maar plaatselijke belangen bleven bestaan. Juist daarom zijn grensgeschillen belangrijke bronnen: zij tonen niet alleen lijnen in het landschap, maar ook welke rechten mensen aan bepaalde plaatsen verbonden.

25. 1442 — een nieuwe schaarbrief

In 1442 werd opnieuw een schaarbrief vastgesteld. Perk haalt daarbij de formulering aan over “iegelijk paar volks” dat in Naarden of de Gooise dorpen gevestigd was en gerechtigd was veldslag te doen. Die woorden zijn belangrijk omdat zij opnieuw het huishouden en echtpaar in beeld brengen. De middeleeuwse gerechtigdheid was nog niet eenvoudig gelijk aan de twintigste-eeuwse wettelijke categorie van een mannelijke Erfgooier. Huwelijk, zelfstandige huishouding, vestiging en agrarisch gebruik speelden een zichtbare rol. De oorspronkelijke tekst moet voor precieze juridische conclusies steeds leidend blijven, maar de formulering bevestigt dat het recht rond huishoudelijke eenheden georganiseerd werd en niet als onbeperkt individueel erfdeel functioneerde.

26. Een echtpaar en het gemeenschappelijke recht

Het begrip “paar volks” helpt verklaren waarom weduwen en weduwnaars later afzonderlijk moesten worden geregeld. Wanneer gerechtigdheid mede samenhing met een gehuwd huishouden, ontstond na overlijden een probleem. De economische eenheid bleef bestaan terwijl het echtpaar ophield te bestaan. Wie vertegenwoordigde daarna het huis? Kon de weduwe doorgaan? Wat gebeurde met minderjarige kinderen? En wanneer ontstond een nieuw zelfstandig huishouden? De schaarbrieven probeerden zulke overgangen te reguleren zonder de gemeenschappelijke rechten onbeperkt te vermenigvuldigen. Daarmee ontstaat een fundamenteel inzicht: erven bij de Erfgooiers ging niet uitsluitend over wie biologisch van wie afstamde, maar eveneens over de voortzetting en opsplitsing van huishoudens.

27. Weduwen

Kos wijdt afzonderlijk aandacht aan weduwen, weduwnaars en wezen. Dat is geen detail. Wanneer een gerechtigde man stierf, kon zijn weduwe achterblijven met land, vee, kinderen en schulden. Het zou economisch rampzalig zijn wanneer alle toegang tot de gemeenschappelijke weiden onmiddellijk verdween. Daarom konden weduwen binnen bepaalde voorwaarden gebruik blijven maken van rechten. Dat betekent echter niet automatisch dat een weduwe daarmee zelfstandig Erfgooier werd in de latere genealogische betekenis. Haar positie kon verbonden zijn aan haar overleden echtgenoot, diens boedel, het voortbestaan van het huishouden of de rechten van kinderen. Juist deze verschillende mogelijkheden moeten bij concrete gevallen afzonderlijk worden onderzocht.

28. Weduwnaars

Ook weduwnaars komen in de oude juridische categorieën voor. Zij vormen een belangrijke spiegel voor de weduwenregeling. Wanneer uitsluitend mannelijke afstamming vanaf het begin alles had bepaald, zou de positie van een achterblijvende echtgenoot minder betekenisvol zijn geweest. Dat weduwnaars afzonderlijk werden behandeld wijst erop dat huishoudelijke continuïteit een eigen rol speelde. Een man kon na het overlijden van zijn vrouw een bestaand huishouden voortzetten, maar daarmee is nog niet bewezen dat hij door zijn huwelijk een zelfstandige erfelijke gerechtigdheid had verkregen. Juist dit verschil tussen tijdelijk of huishoudelijk gebruik en persoonlijke familiegerechtigdheid loopt als een rode draad door de gehele geschiedenis.

29. Wezen

Ook wezen vormden een afzonderlijk probleem. Een minderjarig kind kon geen zelfstandig boerenbedrijf voeren, maar het overlijden van zijn ouders kon niet betekenen dat alle familieaanspraken onmiddellijk verdwenen. Land, vee en andere bezittingen bleven bestaan en moesten worden beheerd. Kos behandelt daarom expliciet de ontwikkeling “van weeskind tot gerechtigde”. Die formulering toont dat gerechtigdheid een levensloop kon hebben. Een kind kon eerst onder bescherming van het ouderlijke huishouden of een beheerder vallen en later zelfstandig optreden. Daarmee wordt erven een proces in plaats van één moment. Leeftijd, zelfstandigheid, huwelijk en economische positie konden bepalen wanneer een familiale aanspraak werkelijk in zelfstandig gebruik veranderde.

30. De onbegeven kinderen

De onbegeven kinderen vormen nog een belangrijke categorie. Het ging om kinderen die nog niet zelfstandig gevestigd of uitgehuwelijkt waren. Zij behoorden nog tot het ouderlijke huishouden. Hun bestaan betekende niet dat ieder kind onmiddellijk een volledige zelfstandige schaar bezat. Dat was noodzakelijk om automatische vermenigvuldiging van rechten te voorkomen. Een boerengezin met zes kinderen kon niet simpelweg zes nieuwe volledige gebruikseenheden creëren zodra de kinderen een bepaalde leeftijd bereikten. De overgang naar zelfstandigheid moest worden gereguleerd. Daarmee zien we opnieuw dat de oudste gerechtigdheid niet uitsluitend genealogisch was. Familie bepaalde wie in aanmerking kon komen, maar huishoudelijke en economische omstandigheden bepaalden mede hoe het recht daadwerkelijk functioneerde.

31. Van kind naar zelfstandig huishouden

Wanneer een kind trouwde of zelfstandig ging wonen, veranderde zijn positie. Een zoon kon een eigen boerenhuishouden beginnen. Een dochter kon naar het huishouden van haar echtgenoot overgaan. Tegelijkertijd konden bij huwelijk grond, vee, geld of andere particuliere goederen worden overgedragen. Hier raken gewoon erfrecht, huwelijksvermogensrecht en gemeenschappelijke gerechtigdheid elkaar. Het feit dat iemand particulier bezit kreeg betekende echter niet automatisch dat daarmee ook een zelfstandig schaarrecht ontstond. Omgekeerd kon iemand uit een gerechtigde familie komen zonder veel particulier bezit te hebben. Deze scheiding tussen familie, bezit en gebruik wordt later bijzonder duidelijk in de koptiendenregisters en de lijsten van scharende en niet-scharende gerechtigden.

32. 1455 — opnieuw regels nodig

In 1455 volgde opnieuw een schaarbrief. Alleen al het bestaan van opeenvolgende regelingen uit 1404, 1442 en 1455 toont dat de gemeenschap voortdurend moest worden aangepast aan veranderende omstandigheden. Een schaarbrief was geen eenmalige stichting van een onveranderlijk recht. Bevolking, veestapel, landschap en belangen veranderden. Daardoor moesten oude afspraken worden bevestigd, gewijzigd of nader uitgelegd. Het erfelijke karakter van gerechtigdheid kon alleen voortbestaan wanneer tegelijkertijd grenzen aan het gebruik werden gesteld. Iedere nieuwe generatie bracht immers nieuwe kinderen en nieuwe huishoudens voort, terwijl het beschikbare land niet even snel toenam. De geschiedenis van de schaarbrieven is daarom tegelijk de geschiedenis van bevolkingsdruk en landschapsbeheer.

33. Ondeelbaarheid

Kos behandelt in deze context nadrukkelijk de ondeelbaarheid. Dit vormt misschien wel het belangrijkste onderscheid tussen een gewone nalatenschap en de gemene grond. Wanneer een boer stierf, konden zijn particuliere goederen worden verdeeld. De gemeenschappelijke heide werd echter niet in vijf fysieke stukken geknipt wanneer hij vijf kinderen had. Zij bleef gemeenschappelijk. Wat kon voortbestaan was een aanspraak op gebruik binnen de regels van de gemeenschap. Daarom betekende “erven” hier iets anders dan het erven van een akker of geldbedrag. De grond bleef collectief; de kring van mensen die er rechten op konden uitoefenen kende daarentegen familiale continuïteit. Dat maakte bijzondere opvolgingsregels noodzakelijk.

34. Erven betekende niet automatisch verdelen

Wanneer iedere zoon een mathematisch deel van het schaarrecht had gekregen en dat vervolgens opnieuw onder zijn kinderen had verdeeld, zou na enkele generaties een onwerkbaar stelsel van fracties zijn ontstaan. De gemeenschappelijke organisatie koos daarom voor andere mechanismen: huis, veldslag, zelfstandigheid, gereguleerde aantallen dieren en later steeds sterker afstamming. Hierdoor kon de grond ongedeeld blijven terwijl families toch historische aanspraken behielden. Het Erfgooiersrecht ontwikkelde zich daarmee als een collectief recht met persoonlijke toegang, niet als een verzameling particuliere perceeltjes. Dat onderscheid zou in de negentiende eeuw opnieuw centraal staan toen juristen discussieerden over eigendom, gebruik en de precieze rechtspositie van de Gooiers.

35. De deur dicht voor buitenstaanders

Kos gebruikt de veelzeggende formulering “De deur dicht voor het Sticht”. De gemeenschap beschermde zich tegen aanspraken van buitenaf. Dat had een geografische én familiale betekenis. Wie niet tot de gevestigde gerechtigde kring behoorde kon niet eenvoudig door vestiging dezelfde rechten verkrijgen. De reden daarvoor lag mede in de beperkte omvang van het landschap. Iedere extra gebruiker betekende concurrentie om gras, heide, hout en andere hulpbronnen. Hierdoor kreeg afstamming steeds meer waarde als toegangsbewijs. Een oude familielijn bood een duidelijke grens: nakomelingen van gerechtigden konden onder voorwaarden binnen de gemeenschap blijven, terwijl nieuwkomers niet automatisch werden toegelaten. Zo ontstond langzaam de geslotenheid die later zo kenmerkend werd.

36. Dochters en buitenstaanders

De positie van dochters werd hierdoor ingewikkeld. Een dochter kon vanzelfsprekend deel uitmaken van een Goois gezin en kon binnen het gewone erfrecht bezit ontvangen. Wanneer zij echter trouwde met een man van buiten de gerechtigde kring, ontstond een andere vraag: kon die man door zijn huwelijk toegang krijgen tot de gemeenschappelijke rechten? Wanneer dat onbeperkt mogelijk was geweest, zou de gesloten gemeenschap via huwelijken voortdurend nieuwe gerechtigden hebben gekregen. De latere ontwikkeling laat zien dat huwelijk met een Erfgooiersdochter een schoonzoon niet automatisch Erfgooier maakte. Daarmee gingen particulier familiebezit en de bijzondere gemeenschappelijke gerechtigdheid steeds duidelijker verschillende juridische wegen volgen.

37. Een dochter kon wel grond erven

Het is daarom onjuist om te zeggen dat dochters eenvoudig niets erfden. Zij konden grond, geld, huisraad en andere particuliere goederen verkrijgen. Ook kon bezit bij een huwelijk vanuit de familie naar een dochter of schoonzoon bewegen. De latere familieonderzoeken naar bijvoorbeeld Stam maken zulke overdrachten zichtbaar. Maar grondbezit is geen bewijs van erfgooierstatus. Een dochter kon mogelijk meer particulier bezit krijgen dan een broer, terwijl juist die broer de familiale gerechtigdheid voortzette. Dit onderscheid is voor genealogisch onderzoek fundamenteel. Wie alleen grondregisters volgt, kan een schoonzoon ten onrechte als Erfgooier beschouwen; wie alleen Erfgooierslijsten volgt, kan belangrijke vermogensoverdrachten via vrouwen missen.

38. Verlies van gerechtigdheid

Gerechtigdheid was bovendien niet noodzakelijk onaantastbaar. Kos behandelt verbeurdverklaring, verlies van gerechtigheid en verhuur. De gemeenschap stelde dus voorwaarden en kon tegen overtredingen optreden. Ook hier moet onderscheid worden gemaakt tussen verschillende niveaus. Iemand kon zijn mogelijkheid tot feitelijk gebruik verliezen zonder dat daarmee iedere historische familieband verdween. In andere gevallen kon een recht daadwerkelijk worden aangetast. De precieze consequenties verschilden per periode en regeling. Het bestaan van zulke sancties bewijst echter dat het recht niet uitsluitend een passieve erfenis was. Het bracht verplichtingen mee. Wie gemeenschappelijke grond gebruikte, deed dat binnen regels die bedoeld waren om het belang van alle gerechtigden te beschermen.

39. Koeien

Koeien maakten de juridische regels tastbaar. Een schaar bepaalde hoeveel dieren een gerechtigde op de gemeenschappelijke weide mocht brengen. Voor een boerenhuishouden betekende dat rechtstreeks melk, mest, vlees en economische zekerheid. De koe zelf was particulier bezit en kon bij overlijden in een nalatenschap vallen. Het recht om diezelfde koe op de meent te laten grazen behoorde echter tot een andere rechtslaag. Daardoor kon een weduwe of erfgenaam dieren erven maar vervolgens nog steeds afhankelijk zijn van de Gooise regels om ze te kunnen weiden. Dit eenvoudige verschil tussen de koe bezitten en de koe mogen scharen verklaart een groot deel van de ingewikkeldheid van het Erfgooiersrecht.

40. Paarden en ossen

Ook paarden en ossen stonden binnen het gereguleerde gebruik. Zij waren waardevolle dieren voor vervoer, landbouw en trekkracht. Hun aanwezigheid op gemeenschappelijke gronden kostte echter eveneens beschikbare weideruimte. Daarom konden aantallen en soorten dieren onderdeel van schaarregelingen zijn. Het recht om vee te houden was dus niet onbeperkt, zelfs niet voor een gerechtigde. Het collectieve belang stond voortdurend naast het particuliere boerenbelang. Een rijke boer kon niet noodzakelijk zoveel dieren op de meent brengen als hij wilde. Daarmee functioneerde de schaar als een instrument waarmee ongedeelde grond over meerdere huishoudens werd verdeeld zonder die grond zelf fysiek op te splitsen.

41. Schapen als twistpunt

Schapen vormden herhaaldelijk een bron van conflicten. Hun begrazing beïnvloedde heide en vegetatie anders dan die van runderen. Grote kudden konden de druk op het landschap aanzienlijk vergroten. Daarom komen schapen in verschillende regelingen en geschillen terug. Dit laat opnieuw zien dat de geschiedenis van de gerechtigden niet uitsluitend uit genealogieën kan worden opgebouwd. Het landschap en de veestapel bepaalden mede waarom regels veranderden. Wanneer één huishouden meer schapen hield, had dat gevolgen voor anderen. Het gemeenschappelijke recht was daarom altijd een compromis tussen individuele economische belangen en collectieve draagkracht. Latere conflicten uit 1516–1521 zouden juist rond de scharing opnieuw scherp zichtbaar maken hoe gevoelig deze verhouding was.

42. Ganzen, duiven en andere dieren

Kos behandelt naast runderen, paarden en schapen ook ossen, ganzen en duiven. Dat maakt duidelijk hoe breed de regulering van de gemeenschappelijke agrarische ruimte kon zijn. Het landschap leverde niet één product en de gerechtigden oefenden niet één soort recht uit. Boeren combineerden akkerbouw, veehouderij en gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Daardoor konden regels over dieren, grond, seizoenen en aantallen in elkaar grijpen. Het latere begrip Erfgooier klinkt als een persoonscategorie, maar daarachter lag een compleet systeem van dagelijkse landbouwpraktijk. Het recht kreeg pas betekenis wanneer een huishouden daadwerkelijk dieren, grond en arbeid had waarmee het van de gemeenschappelijke ruimte gebruik kon maken.

43. Turf, gras en plaggen

De gemene gronden leverden veel meer dan weide. Turf kon als brandstof dienen, gras als voer en plaggen waren belangrijk binnen de landbouw op arme zandgronden. Heideplaggen en mest konden samen worden gebruikt om akkers vruchtbaarder te maken. Ook leem en andere materialen komen in de bredere bronnenwereld naar voren. Hierdoor vertegenwoordigde gerechtigdheid een pakket van economische mogelijkheden. Een huishouden zonder toegang tot zulke hulpbronnen stond op achterstand tegenover een gerechtigd boerenbedrijf. De bescherming van gemeenschappelijke rechten was daarom tegelijkertijd bescherming van bestaanszekerheid. Dat helpt verklaren waarom conflicten over grenzen, aantallen gebruikers en ontginning zo hardnekkig konden zijn en generaties lang werden voortgezet.

44. 1470 — het conflict wordt juridisch

In de tweede helft van de vijftiende eeuw kwamen conflicten over de Gooise rechten voor hogere gerechtelijke instanties. Rond 1470 en vervolgens 1474 werden zaken behandeld waarin de juridische grondslag van de aanspraken belangrijk was. Vanaf dit moment wordt steeds duidelijker dat gebruik en eigendom niet hetzelfde zijn. De Gooise gerechtigden konden een oud recht hebben om gronden te benutten zonder dat ieder van hen persoonlijk eigenaar was van een afgebakend perceel heide. Dat onderscheid zou eeuwenlang blijven terugkeren. Wanneer latere Erfgooiers zeiden dat hun voorouders de grond al sinds mensenheugenis gebruikten, betekende dat dus niet noodzakelijk dat iedere familie een particulier eigendomsdeel kon aanwijzen.

45. 1474 — de Grote Raad van Mechelen

Het jaar 1474 werd in de latere Erfgooiersliteratuur een belangrijk juridisch anker vanwege een procedure voor de Grote Raad van Mechelen. Negentiende-eeuwse auteurs zoals Perk, Backer en hun commentatoren keerden telkens naar deze oudere stukken terug wanneer zij de rechtspositie van de Gooiers probeerden te bepalen. De precieze uitspraak mag niet worden gereduceerd tot een moderne slogan zonder het oorspronkelijke stuk opnieuw te controleren. De betekenis voor de lange ontwikkeling is echter duidelijk: al in de vijftiende eeuw bestond een juridisch geschil over de verhouding tussen hogere eigendomsaanspraken en plaatselijk gebruik. Daarmee werd een tegenstelling zichtbaar die pas in de negentiende eeuw ingrijpend zou worden herordend.

46. Gebruik was geen individueel eigendom

Dit onderscheid voorkomt een hardnekkige misvatting over de Erfgooiers. Een gerechtigde bezat niet simpelweg een onzichtbaar stukje van iedere hectare Gooise heide. Zijn positie bestond uit deelname aan een gemeenschappelijk gebruik onder collectieve regels. Daardoor kon de grond als geheel ongedeeld blijven. De gemeenschap bepaalde wie toegang had, hoeveel vee mocht worden geschaard en welke andere hulpbronnen konden worden benut. Dat stelsel kon eeuwen functioneren zonder dat iedere gerechtigde een individueel kadastraal aandeel bezat. Pas wanneer in de negentiende en twintigste eeuw eigendom, verkoop en financiële verdeling belangrijker werden, kreeg het idee van een individueel economisch aandeel steeds meer betekenis. De oorsprong lag echter in gemeenschappelijk gebruik.

47. De Boschbrief van 1514

In 1514 verschijnt de Boschbrief, verbonden met het Gooiersbos en Willem Turck van Nijenrode. De bosrechten behoren tot dezelfde bredere geschiedenis van collectieve natuurlijke hulpbronnen. Hout was noodzakelijk voor bouw, verwarming, gereedschap en andere doeleinden. Tegelijk kon ontbossing de gemeenschappelijke voorraad aantasten. Daarom moest ook bosgebruik worden gereguleerd. De Boschbrief toont dat de Gooise gemeenschap niet alleen over open heide en weide beschikte, maar verschillende landschapstypen beheerde. Voor de latere Erfgooiers betekende dit dat hun historische rechten niet vanuit één moderne categorie “weidegrond” moeten worden bekeken. Het ging om een veel rijker landschap waarin gebruiksrechten per hulpbron konden verschillen.

48. 1516–1517 — opnieuw onenigheid

In 1516–1517 ontstonden volgens Perk zulke sterke meningsverschillen, onder meer over schapen, dat geen nieuwe schaarbrief tot stand kwam. Dit is belangrijk omdat het toont dat de gerechtigde gemeenschap geen harmonieuze boerenrepubliek was waarin iedereen hetzelfde belang had. Grote en kleine boeren, verschillende dorpen en gebruikers met uiteenlopende veestapels konden tegenover elkaar staan. Gemeenschappelijk eigendom of gebruik betekende juist dat individuele beslissingen gevolgen hadden voor anderen. Wanneer de ene boer meer dieren wilde scharen, kon een andere minder ruimte overhouden. De regels waren daarom voortdurend onderwerp van onderhandeling en conflict. De gemeenschap bestond dankzij regulering, maar die regulering moest steeds opnieuw worden bevochten.

49. 1520 — terug naar oudere regels

Een uitspraak uit 1520 liet de scharing voorlopig doorgaan volgens de regeling van 1442. Dat laat zien hoe oudere schaarbrieven als juridisch geheugen functioneerden. Wanneer nieuwe overeenstemming ontbrak, kon men terugvallen op eerdere regels. Hierdoor kregen oude teksten een lange levensduur. Een bepaling uit de vijftiende eeuw kon generaties later nog praktische betekenis hebben. Datzelfde verschijnsel zien we nog sterker bij Aaltje Hendriks, die zich in 1721 op de schaarbrief van 1568 beriep. Het Erfgooiersrecht werd daardoor een opeenstapeling van gewoonte, oude overeenkomsten, uitspraken en nieuwe besluiten. Wie een conflict voerde, kon diep in die historische rechtslaag teruggrijpen.

50. 1548 — zes schaarbeesten

Volgens Perk werd in 1548 de scharing beperkt tot zes schaarbeesten. Het precieze juridische kader moet vanuit het oorspronkelijke stuk worden gecontroleerd, maar de betekenis is duidelijk: gerechtigdheid betekende geen onbeperkt gebruik. Zelfs iemand die onbetwist tot de gemeenschap behoorde moest zich houden aan collectief vastgestelde aantallen. Daarmee kon de omvang van een individueel voordeel veranderen zonder dat noodzakelijk de gehele gerechtigdheid verdween. Dit onderscheid tussen het recht hebben en de omvang waarin het recht mag worden uitgeoefend is essentieel. Het verklaart waarom veranderingen in schaarregels niet automatisch betekenen dat oude families hun rechten verloren. Het collectief kon de praktische uitoefening aanpassen aan veranderende omstandigheden.

51. Zestiende-eeuwse grenswandelingen

Een bijzondere bronnenlaag wordt gevormd door zestiende-eeuwse grensbeschrijvingen die D.Th. Enklaar later publiceerde onder de titel “Zestiende-eeuwsche wandelingen door Nederland”. Zulke teksten beschrijven grenzen niet met moderne coördinaten, maar via wegen, heuvels, palen, sloten, bomen en andere herkenningspunten. Mensen liepen het landschap letterlijk af. Voor de geschiedenis van de Erfgooiers zijn deze beschrijvingen buitengewoon waardevol. Ze maken zichtbaar waar juridische rechten ruimtelijk lagen. Een grens was geen abstracte lijn in een archiefstuk, maar een route die gebruikers kenden en konden aanwijzen. Daardoor kunnen juridische conflicten worden verbonden met het werkelijke Gooise landschap waarin boeren en vee zich bewogen.

52. Gerechtigdheid kon ook worden verworven

Naast oude familiale gerechtigdheid bestonden rechten die door koop of gunst waren verkregen. Dat is een belangrijke correctie op het eenvoudige beeld dat iedere Erfgooier rechtstreeks afstamde van één oeroude middeleeuwse groep met identieke rechten. Een persoon kon op een bepaald moment toegang verwerven en dat recht kon vervolgens binnen zijn familie worden voortgezet. Na enkele generaties kon zo’n verworven recht als een oude familiegerechtigdheid gaan functioneren. Daarom moeten bij iedere familie twee afzonderlijke vragen worden gesteld: van welke eerdere gerechtigden stamde iemand af, én hoe was het recht oorspronkelijk in die familietak terechtgekomen? Genealogie alleen vertelt niet noodzakelijk de oorsprong van het recht.

53. 1563 — Lambert Lambertszoon

Een belangrijk voorbeeld is Lambert Lambertszoon, schout van Hilversum. In 1563 verschijnt een verklaring over gebruik van de gemeente dat Naarden hem zou hebben verleend voor hemzelf en zijn mannelijke nakomelingen. Dit stuk is voor het verhaal van erfelijkheid bijzonder interessant omdat een verworven of verleend recht expliciet met nakomelingschap wordt verbonden. Het moet echter afzonderlijk worden gehouden van de oudere rechten die vanuit de gevestigde gemeenschap waren gegroeid. Juist zulke uitzonderingen laten zien dat het latere gesloten systeem meerdere historische wortels kon bevatten. Een familielijn kon dus erfelijk gerechtigd worden doordat een voorouder ooit een recht had gekregen, niet uitsluitend doordat die lijn vanaf onheuglijke tijden gerechtigd was.

54. Lowis Jansz. de Waal

Ook Lowis Jansz. de Waal verschijnt in stukken over de verkoop van schaarrecht. Dit levert opnieuw bewijs dat rechten in bepaalde omstandigheden overdraagbaar of verworven konden zijn. De precieze juridische vorm moet uit de betreffende akte worden gehaald; “koop” mag niet automatisch worden gelijkgesteld aan moderne aankoop van een vrij verhandelbaar aandeel. Wel maakt de casus duidelijk dat de geschiedenis van een gerechtigdheid soms een concrete verwervingsdatum kan hebben. Dat is voor genealogisch onderzoek belangrijk. Wanneer latere nakomelingen op een lijst van gerechtigden voorkomen, kan hun positie teruggaan op een transactie die generaties eerder plaatsvond. Zo kan een gekocht recht uiteindelijk een erfelijke familiegeschiedenis worden.

55. Pieter Visscher en Jacob Sijbrandtsz.

Pieter Visscher en Jacob Sijbrandtsz. vormen een vergelijkbare onderzoekslijn. In stukken wordt gesproken over rechten die hun ouders van Naarden zouden hebben gekocht. Hier is de keten bijzonder interessant: verwerving door ouders → positie van kinderen → mogelijke latere familiegerechtigdheid. Daarmee wordt zichtbaar dat erven niet noodzakelijk de oorspronkelijke bron van het recht was. Eerst kon een recht worden verkregen; daarna kon erfopvolging betekenis krijgen. Zulke gevallen zijn essentieel wanneer later wordt geprobeerd een lijst van Erfgooiersfamilies terug te voeren tot de middeleeuwen. Niet iedere familie hoeft dezelfde ouderdom als gerechtigde lijn te hebben gehad, zelfs wanneer zij in de achttiende eeuw volledig tot de gemeenschap behoorde.

56. 1568 — de vierde schaarbrief

In 1568 kwam een vierde belangrijke schaarbrief tot stand. Deze regeling zou een uitzonderlijk lange juridische levensduur krijgen. Perk benadrukte later dat zij oudere privileges en uitspraken voortzette. Waar in 1442 gesproken werd over “iegelijk paar volks”, komt volgens Perk in 1568 een formulering voor over degenen die “veltslag op ter gemeente doen sullen mogen”. De precieze oorspronkelijke tekst blijft voor juridische details noodzakelijk. Duidelijk is echter dat de schaarbrief opnieuw vastlegde wie gebruik mocht maken van de gemeente en onder welke voorwaarden. Voor het onderwerp erven is vooral belangrijk dat bepalingen over nabestaanden later daadwerkelijk uit deze regeling werden ingeroepen.

57. De schaarbrief en de volgende generaties

De schaarbrief van 1568 was dus meer dan een momentopname. Hij werd onderdeel van het juridische geheugen van Gooiland. Weduwen en andere gerechtigden konden zich generaties later op bepalingen ervan beroepen. Daardoor werd geschreven recht een hulpmiddel waarmee huishoudens hun positie konden verdedigen. Dit veranderde ook de aard van bewijs. Waar plaatselijke gewoonte en collectieve herinnering vroeger misschien voldoende waren geweest, konden mensen nu naar een concrete tekst verwijzen. Het recht werd daarmee steeds documentairer. De ontwikkeling van Erfgooiersrechten is daarom ook een ontwikkeling van bewijs: van gewoonte en plaatselijke bekendheid naar schaarbrief, resolutie, register, genealogie, ledenlijst en uiteindelijk wettelijke afstammingscriteria.

58. Koptienden als tweede bronnenwereld

Naast de schaarbrieven bestaat een andere uiterst belangrijke bronlaag: de Koptienden-Gaarderboeken. De reeks gaat terug tot het begin van de zestiende eeuw. In het onderzoek zijn jaren naar voren gekomen als 1504, 1537, 1566, 1593, 1622, 1651, 1680, 1708 en 1740; voor Hilversum bovendien 1772 en 1805. Deze registers zijn geen eenvoudige Erfgooierslijsten. Ze registreren grond en fiscale of gebruiksverhoudingen. Juist daardoor zijn ze waardevol. Wanneer een naam verdwijnt en een weduwe, zoon of schoonzoon verschijnt, kan dat wijzen op overlijden, huwelijk, overdracht of boedelscheiding. Andere bronnen moeten vervolgens verklaren wat werkelijk gebeurde.

59. Grond en gerechtigdheid zijn verschillende registers

De koptienden en de Erfgooiersadministratie vertellen verschillende verhalen. Een koptiendenregister kan laten zien wie bouwland bezat of gebruikte. Een schaar- of gerechtigdenlijst laat zien wie binnen het gemeenschappelijke stelsel een bepaalde positie had. Dezelfde persoon kan in beide voorkomen, maar dat hoeft niet. Een schoonzoon kan particulier land van zijn schoonfamilie gebruiken zonder daardoor Erfgooier te zijn. Een oude gerechtigde kan nauwelijks particulier land bezitten en toch tot de gemeenschap behoren. Daarom moeten beide soorten bronnen naast elkaar worden gelegd. Alleen dan wordt zichtbaar hoe bezit, familie en gebruik werkelijk samenhingen. Deze methode zou later bij de families Stam en Calis bijzonder vruchtbaar blijken.

60. De naam Erfgooier komt pas later

Een belangrijke bronkritische regel is dat mensen uit 1404, 1442 of 1568 niet zonder meer “Erfgooier” in de twintigste-eeuwse betekenis mogen worden genoemd. Perk merkte op dat het woord pas tegen het einde van de zeventiende eeuw in de bronnen zichtbaar wordt; Kos plaatst het in zwang raken rond 1700. De gemeenschap en haar rechten zijn dus veel ouder dan de naam. Eerder treffen we begrippen aan als gerechtigden, geërfden en andere termen die met gebruik en plaatselijke positie samenhangen. Dat terminologische verschil is historisch belangrijk. De latere definitie — vooral de formele mannelijke afstamming — mag niet automatisch worden teruggeplaatst in een middeleeuwse wereld waarin huishouden en veldslag duidelijker meespeelden.

61. 1590 — Stad en Lande wordt zichtbaar

In 1590 verschijnt een besluit in naam van Stad en Lande. Dat vormt een belangrijke stap in de institutionele geschiedenis. De stad was Naarden; het land bestond uit de Gooise dorpen. De gemeenschappelijke belangen kregen daarmee een bestuurlijke vorm die steeds beter in de bronnen te volgen is. Dat betekent niet dat Stad en Lande in 1590 uit het niets ontstond. De eerdere schaarbrieven en gezamenlijke conflicten tonen een veel oudere organisatie van gebruikers. Wel wordt de bestuurlijke continuïteit vanaf deze periode duidelijker. Besluiten, geldstromen en later resolutieboeken maken het mogelijk individuele personen en concrete conflicten nauwkeuriger te volgen dan in de vroegere middeleeuwse bronnen.

62. Het landschap rond 1600

Rond 1600 bestond Gooiland uit een agrarisch cultuurlandschap waarin dorpen, akkers, heiden, bossen en gemeenschappelijke weiden functioneel met elkaar verbonden waren. De boeren konden hun bouwland niet los zien van de gemeenschappelijke gronden. Mest van vee hielp de akkers vruchtbaar houden. De dieren hadden op hun beurt gemeenschappelijke weide nodig. Heide leverde plaggen en andere materialen. Bos leverde hout. Daardoor was het landschap één economisch systeem. Dit verklaart waarom het recht om van de gemeenschappelijke gronden gebruik te maken zo waardevol was en waarom de gemeenschap nieuwe gebruikers niet onbeperkt toeliet. Een juridisch privilege was tegelijkertijd een concrete voorwaarde voor landbouw en dagelijks bestaan.

63. Knyff geeft het landschap een stem

Een uitzonderlijke bron uit de vroege zeventiende eeuw is Guilielmus I. Knyff, Goylandia. Knyff was arts en schreef zijn werk in Latijnse poëzie. Hij droeg het op aan de bestuurders en bevolking van Naarden en aan Hermannus Anthonides van der Linden, predikant. Goylandia is geen schaarbrief en geen juridische verhandeling. Juist daarom is de bron waardevol: Knyff beschrijft het Gooise landschap en het gebruik daarvan vanuit een andere invalshoek. Waar juridische documenten vertellen wat mocht, laat Knyff zien hoe gemeenschappelijk land, vee, landbouw en dorpsleven in zijn tijd werden voorgesteld. Zijn woorden vormen daardoor een onafhankelijke cultuurhistorische laag naast de officiële regelgeving.

64. ‘Terra hæc communis’

Knyff schrijft over het landschap: “Terra hæc communis” — “dit land is gemeenschappelijk”. Dat is een bijzonder krachtige formulering. Hij beschrijft vervolgens hoe de grond in de zomer weide biedt aan runderen en hoe bewoners de schrale akkers met arbeid en mest vruchtbaarder maken. De passage past precies in het agrarische systeem dat uit de juridische bronnen naar voren komt. De gemeenschappelijke grond ondersteunt particuliere boerenbedrijven. Toch moeten we voorzichtig blijven: Knyffs gedicht bewijst niet op zichzelf de precieze juridische definitie van Erfgooierschap. Het bevestigt wel dat gemeenschappelijk land en collectief gebruik in het vroeg-zeventiende-eeuwse Gooiland een zichtbare en vanzelfsprekende werkelijkheid vormden.

65. Een vastgesteld aantal dieren

Nog belangrijker is Knyffs formulering “numerum … pecudum … certum”: een bepaald of vastgesteld aantal dieren. Daarmee beschrijft hij precies het beginsel achter de scharing. De gemeenschappelijke weide was geen vrij toegankelijk gebied waarop iedere inwoner onbeperkt vee kon loslaten. Er bestond regulering van aantallen. Knyff noemt bovendien “communia jura”, gemeenschappelijke rechten. Een literaire bron en de juridische schaarbrieven wijzen daarmee naar dezelfde werkelijkheid: gemeenschappelijke grond, individuele gebruikers en collectieve beperkingen. Juist deze combinatie maakt Knyff voor het Erfgooiersonderzoek zo belangrijk. Hij beschrijft niet alleen een mooi landschap, maar een landschap dat door rechten en regels sociaal georganiseerd was.

66. Geen betaling aan de heer

Knyff schrijft in dezelfde passage “Nec quicquam pretii domino persolvere restat”, in deze context ongeveer: er bleef geen prijs aan de heer te betalen. Daarna volgen de “communia jura” van de burgers. Ook hier moet zijn poëtische formulering niet zonder meer als juridische akte worden gelezen. Wel is duidelijk dat Knyff het gemeenschappelijke gebruik als een bijzonder voordeel van de inwoners voorstelt. Zij kunnen een vastgesteld aantal dieren weiden zonder dat hij dit beschrijft als telkens afzonderlijk betaalde particuliere weidehuur. Dat geeft een zeldzaam beeld van hoe de gemeenschappelijke rechten buiten de bestuurlijke documenten konden worden waargenomen: als een concreet voordeel dat bij het Gooise burgerschap en landschap hoorde.

67. Voorjaar op de gemeenschappelijke gronden

Knyff beschrijft vervolgens het voorjaar. Jongeren trekken het landschap in terwijl het vee naar de weiden gaat. Zij spelen over de velden, plukken de eerste lentebloemen en vlechten kransen. De passage geeft het gemeenschappelijke landschap een sociale dimensie die in schaarbrieven ontbreekt. De meent was niet alleen een juridische of economische ruimte. Mensen groeiden ermee op, ontmoetten elkaar er en beleefden er de seizoenen. De rechten op het land waren daardoor ingebed in een plaatselijke cultuur. Wanneer latere generaties hun aanspraken verdedigden, verdedigden zij dus niet alleen een abstract recht, maar een landschap dat onderdeel was van arbeid, voedselvoorziening, familiegeschiedenis en dagelijks leven.

68. Melk, brood en gezamenlijk verblijf

In een volgende passage beschrijft Knyff een groep die zich bijeenvoegt in het aangename veld. Er worden houten melkvaten neergezet, wit brood wordt uitgespreid en er wordt een vrolijke maaltijd gehouden. Een moeilijk te vertalen mythologische formulering rond “Capripedis patris” vraagt voorzichtigheid, maar melk en gezamenlijk eten zijn duidelijk aanwezig. Zulke scènes tonen hoe nauw veehouderij, voedsel en gemeenschappelijke ruimte met elkaar verbonden waren. De koe op de meent leverde niet alleen juridisch “gebruik”; zij leverde melk aan het huishouden. Daarmee krijgt het latere onderscheid tussen scharend en niet-scharend een tastbare betekenis. Een actief schaarrecht was onderdeel van de voedsel- en inkomenseconomie van een gezin.

69. Bussum, Huizen en de wol

Knyff beschrijft vervolgens dorpen en economische activiteiten. Bussum en Huizen verschijnen in zijn Gooise wereld en hij schrijft over wol die tot draden, schering en inslag wordt verwerkt. Geweven producten worden vervolgens per schip naar verschillende steden gebracht. Daarmee reikt de economie van het gemeenschappelijke landschap verder dan de boerderij. Schapen op Gooise gronden leverden wol, die vervolgens onderdeel werd van productie en handel. Het schaarrecht was dus indirect verbonden met ambacht en markt. Wanneer regels het aantal schapen beperkten, raakten zij niet alleen de vegetatie, maar ook de economische mogelijkheden van huishoudens. Knyffs gedicht maakt die samenhang zichtbaar zonder zelf een juridisch commentaar te zijn.

70. Boekweit en molens

Knyff noemt Gooiland rijk aan boekweit. Het graan of zaad wordt op harde steen gemalen, waarbij de wind de molens aandrijft, en meel wordt naar omliggende gebieden verkocht. Ook dit past bij een gemengd agrarisch systeem. Akkerbouw en gemeenschappelijke veehouderij stonden niet los van elkaar. Vee leverde mest die de schrale zandgronden hielp vruchtbaar houden; de akkers leverden gewassen voor consumptie en verkoop. De gemeenschappelijke rechten ondersteunden daarmee indirect ook de akkerbouw. Het latere verhaal van Erfgooiers mag daarom nooit worden gereduceerd tot “mensen met koeien op een heide”. Het ging om een samenhangende regionale economie waarin gemeenschappelijk en particulier land elkaar aanvulden.

71. Laren en de schapen

Over Laren schrijft Knyff dat het, ongeveer duizend passen verder over de velden, vreugde vindt in wol dragende schapen. Dat is interessant omdat juist schapen in de juridische bronnen herhaaldelijk conflicten veroorzaakten. De poëtische en juridische werkelijkheid vullen elkaar hier aan. Voor een dichter konden schapen onderdeel zijn van een welvarend landelijk beeld; voor bestuurders waren zij dieren waarvan aantallen en begrazing gereguleerd moesten worden. Dezelfde kudde kon dus tegelijk symbool van agrarische rijkdom en bron van gemeenschappelijk conflict zijn. Laren zou later ook belangrijke individuele Erfgooierscasussen leveren, waaronder die van de weduwe Aaltje Hendriks in 1721.

72. De Sint-Jansplaats bij Laren

Knyff vertelt bij Laren ook een traditie rond Johannes de Doper. Volgens het verhaal had op een heuvel een kapel gestaan. Boeren zouden de fundamenten eerst op een lager gelegen plaats hebben aangelegd, waarna zij die de volgende dag wonderbaarlijk op de heuvel aantroffen. Uiteindelijk bouwden zij daar. In Knyffs tijd was de plaats volgens hem nog vooral een begraafplaats. Deze passage behoort niet rechtstreeks tot het Erfgooiersrecht, maar is belangrijk voor het culturele landschap waarin de gerechtigden leefden. Gemeenschappelijke gronden, dorpsgrenzen, religieuze plaatsen, wegen en begraafplaatsen vormden samen het mentale en fysieke landschap van de Gooise bevolking.

73. Hilversum en ‘lege perenni’

Knyff schrijft vervolgens over Hilversum en gebruikt de opvallende woorden “cui lege perenni concessa est”, ongeveer: waaraan volgens een blijvend recht of duurzame regeling iets is toegestaan. De precieze grammaticale verbinding moet voorzichtig worden behandeld en mag niet zonder aanvullend bewijs aan één specifiek privilege worden gekoppeld. Toch is de juridische woordkeuze opmerkelijk. Knyff beschrijft een landschap waarin gebruik niet alleen gewoonte lijkt, maar ook als door blijvend recht bepaald kan worden voorgesteld. Dat past bij de wereld van schaarbrieven en oude privileges. Zijn gedicht vormt daarmee opnieuw een onafhankelijke aanwijzing dat rechten op het landschap in het vroege zeventiende-eeuwse Gooiland sterk in het plaatselijke bewustzijn aanwezig waren.

74. Van bos naar bouwland

In dezelfde Hilversumse passage beschrijft Knyff een gebied waar vroeger een hoog bos met beuken en eiken stond, maar dat later was gerooid en aan Ceres, de landbouw, was gewijd. Daarmee wordt landschapsverandering zichtbaar. Gemeenschappelijke of natuurlijke gronden waren niet statisch. Bos kon verdwijnen en landbouwgrond ontstaan. Zulke veranderingen hadden gevolgen voor de beschikbare hulpbronnen en daarmee voor de gerechtigden. Iedere ontginning veranderde de verhouding tussen particulier cultuurland en gemeenschappelijke ruimte. Dat is precies de spanning die al bij de landwinning van 1407 zichtbaar werd en later bij ’s-Graveland en de negentiende-eeuwse heideverdelingen opnieuw op grote schaal zou terugkeren.

75. Gemeenschappelijke weide ten westen van Hilversum

Knyff schrijft vervolgens dat ten westen, op gemeenschappelijke grond, melkgevend vee en snelvoetige dieren werden geweid. Waarschijnlijk doelt hij daarmee op runderen en paarden. De passage is bijzonder waardevol omdat zij een geografisch concreet beeld geeft van gemeenschappelijke begrazing rond Hilversum. De schaarbrief vertelt wie hoeveel dieren mocht laten grazen; Knyff plaatst die dieren daadwerkelijk in het landschap. Hierdoor kunnen juridische en literaire bronnen samen worden gelezen. Het gemeenschappelijke recht bestond niet op papier alleen. Het bepaalde waar dieren liepen, hoe huishoudens hun vee hielden en hoe het open landschap rond de Gooise dorpen eruitzag. Dat dagelijkse gebruik vormde de materiële kern van gerechtigdheid.

76. Wild en jacht

Aan het einde van Goylandia beschrijft Knyff ook dieren en jacht: hazen, vogels en andere fauna komen in het Gooise landschap voor. Jacht zou later eveneens juridische conflicten opleveren. Bijna drie eeuwen na Knyff zou Harmen Vos zich als Erfgooier beroepen op zijn verhouding tot de Gooise heide nadat hij van het schieten van een haas werd beschuldigd. Daarmee loopt een opmerkelijke lijn van het vroeg-zeventiende-eeuwse landschap naar de juridische strijd rond 1900. Wie had op gemeenschappelijke grond welke rechten? Betekende gebruik mede-eigendom? Gold dat ook voor jacht? De antwoorden veranderden, maar dezelfde gemeenschappelijke ruimte bleef nieuwe juridische vragen oproepen.

77. Knyffs afscheid van de Gooiers

Knyff sluit zijn werk af met een wens aan de Goyci, de Gooiers. Hij roept hen op gelukkig te leven, dankbaar te zijn voor de ontvangen gaven en de verterende afgunst uit hun midden te verdrijven. Dat laatste krijgt tegen de achtergrond van de schaarconflicten bijna een bijzondere betekenis, hoewel we het niet als directe politieke verwijzing mogen lezen. Gemeenschappelijk gebruik vereiste immers voortdurend samenwerking én veroorzaakte jaloezie en conflict. Knyff zag een vruchtbaar, rijk en sociaal landschap; de juridische bronnen tonen tegelijkertijd hoeveel regels nodig waren om dat landschap gezamenlijk te gebruiken. Samen geven beide bronnenwerelden een vollediger beeld van het vroege Gooiland.

78. De gemeenschappelijke rechten waren dagelijkse werkelijkheid

Door Knyff naast de schaarbrieven te leggen wordt duidelijk dat de gemeenschappelijke rechten rond 1600 niet slechts oude juridische overblijfselen waren. Ze waren onderdeel van de dagelijkse economie. Koeien en paarden liepen op gemeenschappelijke grond, schapen leverden wol, mest ondersteunde de akkerbouw en verschillende dorpen waren verbonden met landbouw, textiel en handel. De rechten hadden daardoor een concrete geldwaarde zonder zelf eenvoudig particulier bezit te zijn. Een gerechtigde huishouding kon met dezelfde hoeveelheid eigen grond economisch sterker staan dan een huishouden zonder toegang tot de meent. Het latere erfelijke karakter moet vanuit die oorspronkelijke praktische waarde worden begrepen: families beschermden iets waarvan hun bestaan werkelijk kon afhangen.

79. 1612 en oude documenten

In de bronnenwereld rond Gooiland verschijnt ook een brief van P.C. Hooft uit 1612, later overgeschreven in de verzameling “Veenen, Limieten van Gooiland” van omstreeks 1795. Dat een zeventiende-eeuwse brief bijna twee eeuwen later nog werd gekopieerd, toont hoe belangrijk oude documenten bleven voor nieuwe rechtsvragen. Gooiland bouwde een historisch geheugen op waarin privileges, grensstukken, schaarbrieven en correspondentie telkens opnieuw konden worden gebruikt. De geschiedenis van de Erfgooiers is daardoor ook een geschiedenis van archiefvorming. Een oud stuk kon eeuwen na zijn ontstaan opnieuw bewijswaarde krijgen wanneer grenzen, eigendom of gebruik ter discussie stonden. Dat verklaart mede waarom negentiende-eeuwse onderzoekers zoveel oudere documenten verzamelden.

80. 1630 — ’s-Graveland

In de jaren 1630 ontstond een grote nieuwe bedreiging voor het traditionele gebruik door de ontwikkeling van ’s-Graveland. Grond werd uitgegeven en ontgonnen. Voor de Gooise gerechtigden betekende dat verlies of verandering van ruimte die eerder onderdeel van hun gebruikslandschap was geweest. Het conflict maakt duidelijk waarom de vraag naar eigendom en gebruik steeds scherper werd. Een hogere overheid of eigenaar kon menen grond te mogen uitgeven, terwijl plaatselijke gebruikers zich op oude rechten beriepen. De strijd om ’s-Graveland behoort daarom tot de lange lijn die in 1280 begint en in de negentiende eeuw opnieuw escaleert: wie kan over grond beschikken waarop anderen eeuwenoude gebruiksaanspraken hebben?

81. Woonplaats en ’s-Graveland

De ontwikkeling van ’s-Graveland bracht bovendien een bijzonder probleem voor individuele gerechtigden mee. In de historische toelichting van Stad en Lande wordt beschreven dat daar geen schaarrecht mocht worden uitgeoefend. Een Erfgooier die naar ’s-Graveland verhuisde kon daardoor zijn praktische gebruikspositie verliezen of opschorten zolang hij daar woonde. Zijn afstamming veranderde uiteraard niet. Dit is een vroeg en helder voorbeeld van het verschil tussen genealogische gerechtigdheid en feitelijke uitoefening. Een familielijn kon blijven bestaan terwijl woonplaats verhinderde dat iemand scharend optrad. Wanneer een nakomeling later terugkeerde naar Naarden of een van de Gooise dorpen, kon de praktische positie opnieuw ter discussie komen.

82. 1632 — een gemeenschappelijke kas

Vanaf 1632 betaalde de Vergadering volgens Perk verponding over gemeenschappelijke meenten. Dat toont hoe institutioneel ontwikkeld de organisatie inmiddels was. De gemeenschap van gebruikers had niet alleen regels over dieren en grond, maar ook gezamenlijke financiële verplichtingen. Collectief beheer vereiste inkomsten, uitgaven, administratie en vertegenwoordiging. Daarmee bestonden twee niveaus naast elkaar: individuele huishoudens gebruikten de gemeenschappelijke gronden, terwijl een bovenliggende organisatie namens het geheel handelde. Dit onderscheid bleef tot het einde bestaan. Zelfs toen het recht in de twintigste eeuw geldwaarde kreeg, was het vermogen eerst collectief en moest vervolgens worden bepaald hoe individuele leden daarin deelden. De wortels daarvan liggen in deze vroegmoderne bestuurlijke ontwikkeling.

83. Omstreeks 1650 — Vergadering van Stad en Lande

Omstreeks 1650 wordt de naam Vergadering van Stad en Lande van Gooiland duidelijk gebruikt. Vanaf datzelfde jaar bestaat een eigen resolutieboek. Dat is voor het onderzoek een enorme vooruitgang. In resoluties kunnen individuele conflicten, namen, aanvragen en beslissingen zichtbaar worden. De oude schaarbrieven geven algemene regels; resolutieboeken laten zien hoe die regels in concrete levens werden toegepast. Hier moeten we daarom zoeken naar weduwen, wezen, verhuizingen, boedels, overtredingen en uitzonderingen. De casus Aaltje Hendriks uit 1721 is precies zo waardevol omdat zij laat zien hoe een algemene bepaling uit 1568 ruim anderhalve eeuw later door een werkelijk huishouden werd ingeroepen en bestuurlijk werd beoordeeld.

84. Stad en Lande was geen losse boerenbijeenkomst

De organisatie moet niet worden voorgesteld als een vrijblijvende vergadering van dorpsbewoners. In de achttiende eeuw wordt zichtbaar dat de burgemeesters van Naarden en buurmeesters van Laren, Hilversum, Huizen en Blaricum gezamenlijk een bestuurlijke rol over de gemeente van Gooiland uitoefenden. Een juridisch advies uit 1761 omschreef hen als bestuurlijke magistratuur over de gemeente. De organisatie beheerde collectieve belangen, nam besluiten en kon concrete gebruiksaanspraken beoordelen. Daardoor stond tussen het individuele huishouden en hogere overheden een eigen Gooise bestuurlijke laag. Het Erfgooiersrecht was dus zowel familiegeschiedenis als institutionele geschiedenis. Zonder Stad en Lande kunnen de rechten van afzonderlijke families niet volledig worden begrepen.

85. Het huishouden bleef ondertussen centraal

Ondanks de groeiende bestuurlijke organisatie bleef het boerenhuishouden de plaats waar het recht praktisch betekenis kreeg. Een besluit van Stad en Lande kon bepalen hoeveel dieren mochten worden geschaard, maar het waren gezinnen die die dieren bezaten. Overlijden, huwelijk, ziekte, schulden of verhuizing konden daarom direct invloed hebben op het feitelijke gebruik. Dit verklaart waarom een geschiedenis die alleen bestuurlijke besluiten opsomt onvoldoende is. We moeten telkens terug naar de mensen achter de regels: wie woonde in het huis, wie bezat de koeien, wie erfde de akkers, wie bleef na overlijden achter en wie werd later zelfstandig? Pas dan wordt zichtbaar hoe collectieve regelgeving het dagelijkse gezinsleven beïnvloedde.

86. Erven begon werkelijk bij overlijden

De praktische betekenis van erven werd het duidelijkst wanneer een gerechtigde stierf. Dan bleven niet alleen historische rechten achter, maar ook een huis, land, vee, werktuigen, huisraad, vorderingen, schulden, een echtgenoot en kinderen. Vanaf dat moment liepen twee rechtswerelden door elkaar. De gewone nalatenschap moest worden afgewikkeld. Tegelijk moest worden bepaald wat met de gerechtigdheid tot de gemeenschappelijke gronden gebeurde. Juist daarom zijn weduwen, weduwnaars, wezen en onbegeven kinderen zo belangrijk. Zij zijn geen uitzonderlijk zijspoor in het verhaal. Hun positie onthult hoe het systeem generatiewisselingen werkelijk opving en hoe een recht dat niet eenvoudig deelbaar was toch door families kon worden voortgezet.

87. Twee soorten erfenis

Bij overlijden moet daarom een denkbeeldige scheiding worden gemaakt. Aan de ene kant stonden particuliere goederen: boerderij, akkers, vee, geld, huisraad, gereedschappen, vorderingen en schulden. Daarop werkte het gewone erfrecht. Aan de andere kant stond het bijzondere recht op gebruik van de Gooise gemene gronden. Dat kon niet als een geldzak onder alle kinderen worden verdeeld. Het bleef onderworpen aan eigen regels. De twee systemen waren echter niet volledig onafhankelijk. Wanneer een erfgenaam bijvoorbeeld geen vee of boerderij kreeg, kon hij zijn schaarrecht moeilijk praktisch benutten. Omgekeerd kon een boedelscheiding de juridische voorwaarden waaronder een weduwe scharing uitoefende rechtstreeks veranderen, zoals in 1721 zou blijken.

88. De boerderij kon naar één erfgenaam gaan

Kos geeft een belangrijk aanknopingspunt door een situatie te beschrijven waarin de oudste broer de boerderij en het land van zijn vader kon erven, terwijl andere veldslaggerechtigden een niet-agrarisch beroep moesten zoeken. Daarmee wordt zichtbaar hoe familieafstamming en economisch bezit uiteen konden gaan. Meerdere zoons konden uit dezelfde gerechtigde familie komen, maar niet allemaal dezelfde boerderij overnemen. Een bedrijf kon niet zonder gevolgen iedere generatie in steeds kleinere delen worden opgesplitst. Daardoor kon één zoon boer blijven terwijl broers ambachtsman, arbeider, schipper of iets anders werden. Deze economische differentiatie helpt later de grote groep niet-scharende Erfgooiers verklaren zonder te veronderstellen dat zij hun familiale positie verloren hadden.

89. Niet iedere zoon werd boer

Een familiegerechtigdheid betekende dus niet dat iedere mannelijke afstammeling een actieve agrariër werd. De ene zoon kon land, vee en een boerderij hebben; de andere nauwelijks particulier bezit. Toch konden beiden genealogisch uit dezelfde lijn voortkomen. Dit onderscheid werd met de tijd sterker. Naarmate Gooiland economisch veranderde, konden nakomelingen beroepen buiten de landbouw kiezen terwijl hun familieband met de gerechtigde gemeenschap bleef bestaan. Daarmee ontstond uiteindelijk een erfelijke status die steeds minder afhankelijk werd van dagelijkse agrarische activiteit. Het latere begrip niet-scharende Erfgooier heeft hier zijn diepere historische achtergrond: familiecontinuïteit kon langer voortbestaan dan het boerenbedrijf dat oorspronkelijk de praktische reden voor het gemeenschappelijke recht vormde.

90. Dochters leefden in beide rechtswerelden

Dochters maken het onderscheid nog duidelijker. Zij konden binnen het gewone erfrecht vermogen ontvangen. Grond kon via huwelijk of nalatenschap naar een dochter en vervolgens mogelijk naar haar echtgenoot of kinderen bewegen. Maar daarmee ging niet automatisch dezelfde bijzondere gerechtigdheid mee. In de latere ontwikkeling werd juist de mannelijke familielijn doorslaggevend voor het formele Erfgooierschap. Daardoor konden grond en gerechtigdheid binnen één gezin verschillende routes nemen. Een dochter kon particulier bezit krijgen dat haar broer niet kreeg; haar broer kon tegelijkertijd de historische familiegerechtigdheid voortzetten. Voor onderzoek betekent dit dat een stamboom, grondadministratie en gerechtigdenlijst nooit afzonderlijk voldoende zijn. Zij moeten voortdurend met elkaar worden vergeleken.

91. De schoonzoon als proefgeval

Een schoonzoon is misschien het duidelijkste proefgeval. Wanneer hij met een dochter uit een gerechtigde familie trouwde, kon hij via zijn huwelijk grond of andere goederen verkrijgen. Toch maakte dat huwelijk hem niet automatisch tot Erfgooier. Anders zou de gesloten gemeenschap eenvoudig via iedere vrouwelijke familietak voor nieuwe mannen zijn geopend. De latere genealogische reconstructies, waaronder die rond de familie Stam, maken dit onderscheid zichtbaar. Daardoor kan een schoonzoon in een grondregister zeer prominent voorkomen zonder dat zijn naam een bewijs van Erfgooierschap vormt. Omgekeerd kan een mannelijke familietak weinig grond bezitten maar de bijzondere gerechtigdheid behouden. Het systeem volgde dus niet eenvoudig de eigendomsgeschiedenis van boerderijen.

92. Een weduwe hield het bedrijf bijeen

Wanneer een gerechtigde man overleed, kon zijn weduwe als feitelijk hoofd van het huishouden achterblijven. De koeien moesten worden gemolken, akkers bewerkt, schulden betaald en kinderen onderhouden. Daarom konden regels die weduwen gebruiksrechten lieten voortzetten economisch van levensbelang zijn. Een schaar was geen eretitel. Zonder toegang tot weide kon het moeilijk worden het geërfde vee te behouden. De weduwe bevond zich daardoor precies op het snijvlak van gewoon erfrecht en gemeenschappelijk recht. Zij kon goederen uit de nalatenschap beheren terwijl haar mogelijkheid om de gemeenschappelijke grond te gebruiken afhankelijk bleef van de Gooise regels. Haar positie laat beter dan bijna iedere andere categorie zien hoe het systeem functioneerde.

93. Wiens recht gebruikte de weduwe?

De juridische vraag blijft vervolgens: wiens recht oefende zij uit? Was het haar eigen recht, het voortgezette recht van haar overleden echtgenoot, een aanspraak van het nog onverdeelde huishouden of een positie die de belangen van kinderen beschermde? Voor de hele middeleeuwse en vroegmoderne periode bestaat geen eenvoudige formule die zonder broncontrole kan worden toegepast. Juist daarom moeten individuele gevallen worden onderzocht. Een weduwe die op een lijst staat is niet automatisch een zelfstandige stammoeder van nieuwe Erfgooiers. Haar vermelding kan een heel andere juridische betekenis hebben. Dit onderscheid wordt later door de zaak van Aaltje Hendriks uitzonderlijk concreet gemaakt, omdat daar de toestand van de nalatenschap expliciet beslissend werd.

94. Minderjarige kinderen en continuïteit

Bij minderjarige kinderen speelde hetzelfde probleem. Een achtjarig kind kon niet zelfstandig een boerenbedrijf voeren, maar kon wel land, vee of andere aanspraken erven. Iemand moest dat vermogen beheren en de familiepositie beschermen totdat het kind volwassen werd. Daarom is de categorie “van weeskind tot gerechtigde” zo belangrijk. Zij toont dat tussen geboorte en volledig zelfstandig recht een overgangsfase bestond. Voor het verdere onderzoek zijn juist wees- en voogdijstukken noodzakelijk. Wie trad namens een kind op? Wie beheerde de koeien en akkers? Werden goederen verhuurd? Wanneer werd de boedel verdeeld? Zulke documenten kunnen de algemene regels uit de schaarbrieven veranderen in concrete levensgeschiedenissen.

95. Voogdij als ontbrekende bronlaag

Voogdij moet daarom als afzonderlijke bronlaag in het Erfgooiersverhaal worden opgenomen. De tot nu toe onderzochte bronnen tonen duidelijk waarom voogden noodzakelijk waren, maar leveren nog niet voor iedere periode voldoende individuele dossiers om één uniforme regeling te reconstrueren. Hier mag niets worden ingevuld vanuit modern recht. We moeten zoeken naar weesboeken, voogdijbenoemingen, boedelrekeningen en eventuele besluiten van Stad en Lande. Zulke stukken kunnen aantonen wie feitelijk handelde wanneer een minderjarige uit een gerechtigde familie land of vee bezat. Vooral wanneer zo’n kind later zelfstandig als gerechtigde verschijnt, kan een dossier de volledige overgang van ouderlijke huishouding naar volwassen Erfgooier zichtbaar maken.

96. Boedelinventarissen maken verschillen zichtbaar

Ook boedelinventarissen zijn cruciaal. Een gerechtigde kon sterven met meerdere koeien, paarden, land, gereedschap en geld, maar een andere kon nauwelijks bezit en juist veel schulden achterlaten. Beide konden tot de gerechtigde gemeenschap behoren, maar hun economische mogelijkheden waren totaal verschillend. Door boedelinventarissen aan schaar- en gerechtigdenlijsten te koppelen kan worden onderzocht hoeveel praktisch voordeel afzonderlijke huishoudens werkelijk uit hun rechten konden halen. Dit voorkomt dat Erfgooiers als één welvarende boerenklasse worden voorgesteld. Het bestaan van een historisch recht garandeerde geen rijkdom. Schulden, sterfte, slechte oogsten en verdeling van particulier bezit konden een familietak economisch verzwakken terwijl de genealogische gerechtigdheid bleef voortbestaan.

97. Het vee behoorde tot de boedel

Een koe, paard of schaap was particulier bezit. Bij overlijden kon zo’n dier in de nalatenschap terechtkomen. Maar het recht om het dier op de meent te brengen was een afzonderlijke kwestie. Hierdoor konden boedel en schaarrecht op een uiterst praktische manier botsen. Een weduwe kon bijvoorbeeld koeien erven maar afhankelijk zijn van voortgezet schaarrecht om die dieren economisch te kunnen houden. Een zoon kon familie-gerechtigd zijn maar zonder geërfd vee weinig reden hebben om daadwerkelijk te scharen. Het recht kreeg dus verschillende waarde afhankelijk van het vermogen van het huishouden. Deze relatie tussen bezit en gebruik moet voor iedere concrete familie opnieuw worden onderzocht in boedels, grondregisters en schaaradministraties.

98. Schulden konden een familietak veranderen

Erven betekende niet alleen bezittingen ontvangen. Een boedel kon ook schulden bevatten. Een zwaar belast boerenbedrijf kon moeten worden verkocht of opgesplitst. Een zoon uit een oude gerechtigde familie kon daardoor zonder boerderij eindigen en een ander beroep kiezen. Zo kon een scharende familietak in één of twee generaties niet-scharend worden zonder dat daarvoor een formele uitsluiting nodig was. Economische omstandigheden konden dus dezelfde uitkomst hebben als juridische beperkingen. Dit is belangrijk voor de sociale geschiedenis van de Erfgooiers. De gemeenschap bestond niet alleen uit grote boeren. Er konden rijke, middelgrote en arme gerechtigden naast elkaar bestaan, evenals mensen die hun historische positie nauwelijks nog agrarisch benutten.

99. 1692 — de vrouwelijke lijn wordt begrensd

Tegen het einde van de zeventiende eeuw wordt de genealogische begrenzing scherper zichtbaar. In 1692 werd volgens de onderzochte rechtsontwikkeling vastgesteld dat afstamming uitsluitend door een vrouwelijke lijn iemand niet tot Erfgooier maakte. Dat is een beslissend moment voor het onderscheid tussen gewoon familie-erfrecht en de bijzondere gerechtigdheid. Een dochter bleef vanzelfsprekend kind van haar ouders en kon particulier vermogen erven, maar haar nakomelingen kregen niet uitsluitend via haar dezelfde positie als nakomelingen in de erkende mannelijke lijn. Hiermee werd het gesloten karakter van de gemeenschap genealogisch steeds duidelijker. De exacte oorspronkelijke formulering blijft belangrijk voor verdere juridische verfijning, maar de richting van de ontwikkeling is duidelijk.

100. Rond 1700 — ‘Erfgooier’ wordt een herkenbare naam

Omstreeks 1700 raakt de benaming Erfgooier steeds meer in gebruik. Dat is veel later dan de eerste schaarbrieven. De naam vat een ontwikkeling samen die al eeuwen bezig was: oude gebruiksrechten waren steeds sterker verbonden geraakt met een afgebakende kring van families. Tegelijk bleven oudere elementen bestaan. Niet iedere Erfgooier schaarde daadwerkelijk. Weduwen en kinderen konden bijzondere posities hebben. Sommige rechten waren ooit door koop of gunst verkregen en bepaalde hofsteden konden eigen schaarrechten dragen. Het nieuwe woord maakte de gemeenschap herkenbaarder, maar veranderde haar verleden niet in één eenvoudig systeem. Juist rond 1700 moeten de verschillende historische lagen zorgvuldig naast elkaar worden gehouden.

101. 1708 — de grote registratie

In 1708 werd op last van de Staten van Holland een grote registratie van gerechtigden aangelegd. De bekende lijst omvatte 1.088 personen. Volgens de gebruikte secundaire telling waren 464 scharend en 624 niet-scharend. Dat maakt de lijst tot een keerpunt. Voor het eerst beschikken we over een omvangrijk administratief ijkpunt waarmee families en soorten gerechtigden systematisch kunnen worden onderzocht. De lijst bewijst bovendien dat gerechtigdheid en daadwerkelijke scharing al duidelijk uiteenliepen. Meer dan de helft van de geregistreerden behoorde tot de gerechtigde kring zonder op dat moment als scharend te worden geteld. Daarmee was het recht inmiddels veel meer geworden dan uitsluitend de dagelijkse praktijk van een boer met vee.

102. Niet-scharend betekende niet zonder recht

De 624 niet-scharenden zijn voor het begrijpen van erfelijkheid misschien zelfs belangrijker dan de actieve scharenden. Zij tonen dat een gerechtigdheid kon blijven bestaan zonder onmiddellijke agrarische uitoefening. Iemand kon geen vee hebben, onvoldoende grond bezitten, een ander beroep uitoefenen of onder omstandigheden elders verblijven en toch tot de gerechtigde gemeenschap behoren. Later werd voor zulke personen wel het beeld van een slapende Erfgooier gebruikt. Het recht was aanwezig maar niet actief. Dat maakte het mogelijk dat een familietak generaties buiten de landbouw bleef en toch later opnieuw betekenis aan zijn afstamming kon ontlenen. In de twintigste eeuw zou deze slapende positie zelfs rechtstreeks financiële waarde krijgen.

103. 1708 registreerde meer dan oude Erfgooiers

De opdracht voor de registratie is bijzonder omdat zij niet uitsluitend sprak over degenen die als “Erfgoyers soodie genaamt werden” bekendstonden. Ook mensen die zelf of via hun voorouders rechten “by koop of by gunste” hadden verkregen moesten worden opgenomen. Daarmee bevestigt de administratie de oudere zestiende-eeuwse voorbeelden. De gerechtigde gemeenschap had niet één uniforme oorsprong. Sommige rechten waren diep in de oude plaatselijke gemeenschap geworteld; andere waren op een later moment verworven of verleend. Tegen 1708 konden die verschillende routes echter binnen één administratieve gemeenschap samenkomen. De lijst bewaart daardoor niet alleen namen, maar ook een spoor van de historische verscheidenheid achter het latere Erfgooierschap.

104. Koop kon familiegeschiedenis worden

Wanneer een recht door een voorouder was gekocht en vervolgens binnen diens nakomelingen voortleefde, kon het na enkele generaties nauwelijks nog verschillen van een andere familiegerechtigdheid. De oorspronkelijke koop kon uit de levende herinnering verdwijnen terwijl de nakomelingen eenvoudig als gerechtigden bekendstonden. Dit maakt het gevaarlijk om een achttiende-eeuwse Erfgooier zonder aanvullend bewijs rechtstreeks terug te voeren tot een middeleeuwse gerechtigde. De juiste onderzoeksmethode is om iedere familielijn terug te volgen totdat de oudste aantoonbare bron van het recht wordt gevonden. Bij sommige families kan dat een oude huishoudelijke gerechtigdheid zijn; bij andere een koop, gunst of bijzondere hofstede. De lijst van 1708 vormt daarvoor een ideaal vertrekpunt.

105. Weduwen in 1708

Volgens de secundaire telling bevat de lijst van 1708 126 weduwen. Dat is een opmerkelijk groot aantal en bevestigt dat vrouwen administratief niet verdwenen wanneer hun echtgenoot overleed. Maar hun vermelding moet zorgvuldig worden geïnterpreteerd. Een weduwe kon het bestaande huishouden vertegenwoordigen, een onverdeelde boedel beheren, voor minderjarige kinderen optreden of zelf onder bijzondere voorwaarden scharen. Haar aanwezigheid op de lijst bewijst niet automatisch dat zij een zelfstandige erfelijke familielijn kon stichten. Daarom verdienen deze 126 vrouwen individueel onderzoek. Bij iedere weduwe moeten echtgenoot, kinderen, grondbezit, boedelstatus, eventuele hertrouw en het moment waarop zij uit de administratie verdween worden nagegaan.

106. Kinderen in 1708

Dezelfde telling noemt 26 kinderen. Ook zij mogen niet als anonieme statistische categorie blijven bestaan. Hun aanwezigheid sluit rechtstreeks aan bij de middeleeuwse regels over wezen en onbegeven kinderen. Een kind kon dus administratief deel van de gerechtigde wereld blijven terwijl het nog geen zelfstandig volwassen boerenbedrijf voerde. De volgende onderzoeksstap is daarom ieder kind identificeren: was het een wees, hoe oud was het, wie beheerde zijn bezit en verscheen het later als zelfstandige gerechtigde? Vooral de verschillen tussen jongens en meisjes zijn belangrijk. Zo kan worden onderzocht wanneer de latere mannelijke afstammingsregel daadwerkelijk doorslaggevend werd en hoe overgangsposities in de praktijk functioneerden.

107. De lijst en de koptienden samen

De grootste waarde ontstaat wanneer de lijst van 1708 naast de koptiendenregisters wordt gelegd. Dan kan zichtbaar worden wie tegelijk gerechtigde en grondgebruiker was, wie gerechtigd maar nauwelijks agrarisch actief was en wie wel grond bezat maar niet op de gerechtigdenlijst stond. Vervolgens kunnen kerkelijke doop-, trouw- en begraafregisters de familiebanden aanvullen. Hierdoor ontstaat per huishouden een driedimensionaal beeld: familie, particulier bezit en gemeenschappelijk recht. Juist deze combinatie maakt het mogelijk om te onderzoeken waarom sommige takken scharend bleven en andere niet. Het Erfgooiersrecht wordt dan geen abstract institutioneel verhaal meer, maar een reeks concrete familiegeschiedenissen die over generaties gevolgd kunnen worden.

108. De familie Stam

De studie “Erfgooiersfamilie Stam in kaart gebracht” van Christiaan Stam laat zien hoe vruchtbaar deze methode is. Door de lijst van 1708 aan koptiendenregisters en genealogische gegevens te koppelen konden verschillende generaties van de familie worden gevolgd. Daarbij wordt duidelijk dat erfgooierafstamming en grondbezit verschillende sporen kunnen volgen. De familienaam alleen is niet voldoende; personen moeten via ouders, huwelijk, bezit en registratie met elkaar worden verbonden. De familie Stam levert bovendien concrete voorbeelden van een weduwe en een weeskind. Daardoor worden categorieën uit oude schaarbrieven opeens herkenbare mensen. Het maakt deze familie tot een sleutelcasus voor de verdere reconstructie van daadwerkelijke erfopvolging.

109. ‘Claas Willemsz. Stam (weduwe)’

Op de Hilversumse lijst verschijnt de vermelding “Claas Willemsz Stam (weduwe)”. Claas was kennelijk vóór de registratie overleden, maar zijn weduwe bleef administratief met zijn positie verbonden. De formulering is veelzeggend: zij wordt geïdentificeerd via de overleden man. Dat past bij de mogelijkheid dat haar positie voortkwam uit het bestaande huishouden of diens gerechtigdheid en niet noodzakelijk uit een zelfstandige vrouwelijke erfgooierlijn. Om precies te bepalen wat zij kon uitoefenen moeten andere stukken worden gezocht: koptienden, eventuele boedelgegevens, kinderen en latere registraties. Toch vormt deze ene vermelding al een concreet bewijs dat overlijden niet betekende dat een huishouden onmiddellijk uit de gerechtigde administratie verdween.

110. Het weeskind van Cornelis Gerritsz. Stam

In de koptiendenadministratie verschijnt eveneens “het weeskind van Corn. Gerritsz Stam”. Daarmee krijgt de oude categorie “weeskind” letterlijk een naam en familie. Het kind verschijnt niet als zelfstandig volwassen boer, maar blijft via zijn overleden vader zichtbaar in de grondadministratie. Dit biedt een uitstekende mogelijkheid om de overgang “van weeskind tot gerechtigde” werkelijk te reconstrueren. Wie beheerde het bezit? Was er een voogd? Wanneer werd het kind meerderjarig? Welke grond bleef in de familie? Wanneer verschijnt het onder eigen naam? Zulke vragen kunnen alleen door meerdere archiefreeksen te koppelen worden beantwoord, maar precies daarin ligt de volgende verdieping van de Erfgooiersgeschiedenis.

111. Grond kon naar een schoonzoon gaan

Het onderzoek naar Stam laat ook zien dat grond rond huwelijk van vader of schoonvader naar een volgende huishouding kon bewegen. Dat is essentieel omdat het bewijst hoe particulier bezit een andere route kon nemen dan de bijzondere gerechtigdheid. Een schoonzoon kon grond verkrijgen uit een oude Erfgooiersfamilie zonder door dat bezit automatisch zelf Erfgooier te worden. Hierdoor konden na enkele generaties familienamen op bepaalde boerderijen veranderen terwijl de erfgooierafstamming elders doorliep. Voor genealogisch onderzoek is dat een belangrijke waarschuwing. Een boerderijgeschiedenis is niet automatisch een Erfgooiersgenealogie. Beide moeten afzonderlijk worden opgebouwd en pas daarna met elkaar worden verbonden om te bepalen welke rechten werkelijk bij welke personen hoorden.

112. De familie Calis

Een tweede interessante familielijn is Calis. In de NGV-Nieuwsbrief Gooiland uit 2017 komt Meins Jacobsen Calis rond 1674 naar voren. Harmen Snel gebruikte het bekende Erfgooier-zijn van de familie als argument tegen de gedachte dat Calis pas kort daarvoor als buitenlandse immigranten in het Gooi waren gekomen. Wanneer de familie werkelijk tot de erfelijke gerechtigde gemeenschap behoorde, moest haar lokale geschiedenis waarschijnlijk verder teruggaan. Zo kon het erfgooierschap zelf als genealogische aanwijzing worden gebruikt. De voorgestelde lijn reikt ongeveer richting 1570. Maar ook hier moet de hypothese worden gecontroleerd met koptienden, kerkelijke registers en andere primaire bronnen. Erfgooierstatus is aanwijzing, geen vervanging voor bewijs.

113. Erfgooier als genealogische bron

Vanaf de achttiende eeuw kan een genealogische bewijsvoering steeds duidelijker worden opgebouwd: een persoon op een bekende gerechtigdenlijst, diens zoon, kleinzoon en verdere mannelijke nakomelingen. Naarmate registers vollediger worden, wordt plaatselijke herinnering minder de enige basis voor erkenning. Documenten krijgen steeds meer gewicht. Daarmee verandert het recht opnieuw. Ooit kon een gemeenschap uit dagelijkse omgang weten welke huizen vanouds gerechtigd waren. Later kon iemand zijn plaats in die gemeenschap via registers en afstammingsketens bewijzen. Deze ontwikkeling bereikt in 1912 haar formele hoogtepunt, maar de lijst van 1708 vormt al een cruciale overgang. Vanaf dat moment beschikt de gemeenschap over een genealogisch anker waarop latere generaties kunnen teruggrijpen.

114. 1721 — Aaltje Hendriks

In 1721 verschijnt een van de belangrijkste individuele personen uit het hele verhaal: Aaltje Hendriks uit Laren, weduwe van Gijsbert Jacobs. Zij vroeg om volledige scharing en beriep zich op artikel 7 van de schaarbrief van 1568. Alleen al dat beroep is opmerkelijk. Een vrouw uit 1721 gebruikte een rechtsregel die meer dan anderhalve eeuw oud was om haar economische positie te verdedigen. Daarmee zien we hoe lang schaarbrieven praktisch relevant konden blijven. Aaltje is bovendien belangrijk omdat haar zaak niet alleen over weduwschap ging. De toestand van de nalatenschap van haar overleden echtgenoot werd rechtstreeks gekoppeld aan de vraag hoeveel schaarrecht zij mocht uitoefenen.

115. De ongescheiden boedel

Stad en Lande stond Aaltje volledige scharing toe zolang de nalatenschap van Gijsbert Jacobs ongescheiden bleef. Dit begrip is voor de geschiedenis van erven cruciaal. Een onverdeelde boedel betekende dat de nalatenschap nog niet definitief onder afzonderlijke erfgenamen was verdeeld. Economisch kon het oude boerenhuishouden daardoor als eenheid blijven functioneren. De koppeling aan Aaltjes schaarrecht suggereert dat juist die continuïteit van betekenis was. Voor de exacte juridische redenering moet de oorspronkelijke resolutie uiteindelijk woordelijk worden gevolgd. Zeker is echter dat haar recht niet uitsluitend aan haar persoonlijke status als weduwe werd verbonden. De juridische toestand van de achtergelaten boedel was uitdrukkelijk van belang.

116. 9 mei 1721 — de boedel wordt verdeeld

Toen de nalatenschap werd gescheiden veranderde Aaltjes positie. Op 9 mei 1721 werd haar volledige scharing ingetrokken. Daarmee beschikken we over een uitzonderlijk concreet bewijs dat gewoon erfrecht en het bijzondere Gooise gebruiksrecht elkaar in de praktijk konden raken. De verdeling van particulier vermogen veranderde de omstandigheden waaronder de weduwe de gemeenschappelijke gronden mocht gebruiken. Dit maakt boedelscheidingen tot een veel belangrijkere bron voor Erfgooiersonderzoek dan alleen schaarbrieven zouden doen vermoeden. Wie werkelijk wil begrijpen hoe rechten van de ene generatie naar de volgende gingen, moet dus niet alleen gerechtigdenlijsten bekijken, maar ook nagaan wanneer een nalatenschap onverdeeld bleef en wanneer zij formeel werd gescheiden.

117. De boedel als brug tussen generaties

Een onverdeelde boedel kon zo een tijdelijke brug vormen tussen de overleden gerechtigde en zijn opvolgers. Zolang het oude bedrijf juridisch en economisch bijeenbleef, kon een bestaande gebruikspositie onder bepaalde omstandigheden worden voortgezet. Na verdeling ontstonden nieuwe huishoudens en moest opnieuw worden vastgesteld wie welke positie had. Daarmee krijgt de generatiewisseling een veel dynamischer karakter dan de formule “vader op zoon” suggereert. Tussen vader en volwassen zoon konden jaren liggen waarin een weduwe, voogd of onverdeelde boedel het huishouden bijeenhield. Juist die overgangsjaren zijn in traditionele genealogieën vaak nauwelijks zichtbaar, terwijl zij voor de praktische continuïteit van het boerenbedrijf en schaarrecht beslissend konden zijn.

118. Aaltje was geen rechteloze weduwe

De zaak bewijst ook dat vrouwen niet uit de Erfgooiersgeschiedenis mogen worden weggeschreven. Aaltje trad zelf op, beriep zich op een oude schaarbrief en kreeg volledige scharing toegekend zolang aan de gestelde voorwaarde werd voldaan. Haar recht had directe economische betekenis. Zij kon daarmee vee laten grazen en het bestaande huishouden voortzetten. Tegelijk bewijst haar zaak niet dat zij zelfstandig een nieuwe erfgooierstam via vrouwelijke nakomelingen kon vormen. Juist het verdwijnen van de volledige scharing na boedelscheiding laat zien hoe specifiek haar positie was. Vrouwen konden dus sterke praktische rechten hebben zonder dat daarmee de latere mannelijke afstammingsstructuur werd opgeheven. Beide waarheden moeten naast elkaar blijven staan.

119. Hertrouwen blijft een open vraag

Wat gebeurde wanneer een gerechtigde weduwe hertrouwde? Dat is een belangrijke maar nog onvoldoende uitgewerkte bronvraag. Een nieuwe echtgenoot kon immers buiten de gerechtigde gemeenschap staan. Wanneer hij automatisch via zijn vrouw het volledige recht van haar overleden man kon gaan gebruiken, zou huwelijk een eenvoudige toegangspoort tot de gesloten gemeenschap worden. De bredere ontwikkeling maakt dat onwaarschijnlijk, maar voor een algemene historische regel zijn concrete bronnen nodig. Daarom moet gezocht worden naar resoluties waarin hertrouwde weduwen voorkomen. Daarbij moet worden vastgesteld of hun schaarrecht verviel, namens kinderen bleef bestaan of onder andere voorwaarden werd voortgezet. Deze onzekerheid moet behouden blijven totdat individuele gevallen daadwerkelijk zijn gevonden en gelezen.

120. Weduwnaars moeten eveneens worden onderzocht

Hetzelfde geldt voor weduwnaars. Hun aanwezigheid in de oude categorieën verhindert dat we de regels uitsluitend als een eenvoudige bescherming van vrouwen na overlijden interpreteren. De continuïteit van het huishouden lijkt een bredere rol te hebben gespeeld. Wanneer een gerechtigde vrouw overleed, kon haar achterblijvende echtgenoot mogelijk eveneens met een bestaand boerenbedrijf en kinderen zitten. Maar ook hier moet onderscheid worden gemaakt tussen tijdelijke huishoudelijke uitoefening en zelfstandige erfelijke gerechtigdheid. De oorspronkelijke schaarbrieven en concrete resoluties moeten woordelijk worden onderzocht. Juist zulke spiegelgevallen kunnen aantonen welke onderdelen van het systeem werkelijk aan afstamming waren verbonden en welke aan het voortbestaan van een economische huishouding.

121. Alleen dochters — de scherpste familietest

Een bijzonder belangrijk nog te onderzoeken geval is een gerechtigde man die uitsluitend dochters naliet. Zijn particuliere vermogen kon volgens het geldende gewone erfrecht naar dochters gaan. Maar wanneer de bijzondere gerechtigdheid uiteindelijk niet door de vrouwelijke lijn werd voortgezet, kon dezelfde familietak voor het Erfgooierschap uitsterven terwijl huis en grond via dochters bleven bestaan. Zo’n concreet dossier zou het onderscheid tussen beide rechtswerelden uitzonderlijk scherp aantonen. Tot nu toe is nog geen voldoende gecontroleerde individuele casus gevonden om hier één naam als algemeen bewijs te gebruiken. Daarom moet dit als gerichte onderzoeksopdracht blijven staan: zoek families waarin grond via dochters doorging terwijl de geregistreerde Erfgooierlijn ophield of elders via mannelijke verwanten verderliep.

122. Vooroverleden zoons en kleinkinderen

Ook een zoon die vóór zijn vader stierf vormt een belangrijke grensproef. Kon diens eigen zoon later rechtstreeks in de erfgooierlijn van zijn grootvader komen? Vanuit moderne genealogische intuïtie lijkt plaatsvervulling vanzelfsprekend, maar dat mag niet zonder bewijs naar historische bijzondere rechten worden overgebracht. De regels konden per periode verschillen en het Erfgooiersrecht was niet identiek aan het gewone erfrecht. Daarom moeten concrete ledenzaken, schaarbrieven en latere wettelijke bepalingen worden onderzocht. Dergelijke gevallen zijn belangrijk omdat zij laten zien of de gerechtigdheid strikt van levende vader op zoon liep of dat de afstammingslijn ook via een vooroverleden tussengeneratie kon worden bewezen en voortgezet.

123. Gekochte rechten bleven een uitzondering binnen de familiewereld

De oude koop- en gunstrechten maken het systeem nog ingewikkelder. Lambert Lambertszoon, Lowis Jansz. de Waal, Pieter Visscher en Jacob Sijbrandtsz. tonen dat niet iedere gerechtigdheid dezelfde oorsprong had. Wanneer zo’n recht vervolgens generaties lang binnen een familie bleef, kon het uiterlijk sterk gaan lijken op een traditionele erfgooierlijn. De registratie van 1708 bewaart juist daarom de formulering “by koop of by gunste”. Zij herinnert eraan dat de gemeenschap historisch uit verschillende toegangswegen was samengesteld. Een latere genealogie moet dus niet alleen afstamming bewijzen, maar waar mogelijk ook de oorsprong van het recht achterhalen. Dat kan de geschiedenis van afzonderlijke families aanzienlijk veranderen.

124. Hofstederechten

Daarnaast bestonden bijzondere hofstederechten. Daarbij kon schaarrecht aan een bepaalde hofstede verbonden zijn. Dit vormt een derde overdrachtsroute naast familiegerechtigdheid en koop of gunst. Wanneer zo’n hofstede werd overgedragen, moet afzonderlijk worden onderzocht of het bijbehorende recht meeging en onder welke voorwaarden. Het bestaan van deze categorie is belangrijk omdat schaarrecht daardoor niet automatisch bewijs van gewone Erfgooierafstamming is. Een gebruiker kon op grond van een historisch hofstederecht scharen zonder precies dezelfde genealogische positie te hebben als een Erfgooier uit een erkende mannelijke lijn. Zelfs de latere wettelijke regeling moest rekening houden met deze oudere uitzonderingen. Het historische systeem bleef dus gelaagd.

125. Minstens drie routes naar een recht

Rond het begin van de achttiende eeuw kunnen daardoor minstens drie belangrijke routes worden onderscheiden. De eerste is de familiale gerechtigdheid die door afstamming werd voortgezet. De tweede is een recht dat ooit door koop of gunst werd verkregen en vervolgens binnen nakomelingen kon blijven bestaan. De derde is een bijzonder recht dat aan een hofstede verbonden was. Daarnaast bestonden tijdelijke of afgeleide posities van weduwen, weduwnaars, wezen en kinderen. Het woord “Erfgooier” kan deze verschillen gemakkelijk verbergen wanneer het zonder onderscheid wordt gebruikt. Voor een nauwkeurige geschiedenis moet bij iedere persoon daarom worden gevraagd op welke rechtsgrond hij of zij werkelijk toegang tot de gemeenschappelijke gronden had.

126. 1731 — gerechtigden en anderen

Een overeenkomst uit 1731 vormt een volgende belangrijke stap in de verhouding tussen gerechtigden en niet-gerechtigde inwoners. De precieze bepalingen moeten uit het oorspronkelijke document worden gehaald voordat afzonderlijke juridische conclusies worden geformuleerd. De betekenis binnen de lange ontwikkeling is echter duidelijk: in de Gooise samenleving bestond inmiddels een scherp onderscheid tussen mensen die tot de historische gerechtigde kring behoorden en anderen die eveneens in de dorpen woonden. Niet iedere inwoner had dezelfde aanspraken op de gemene gronden. Daarmee werd erfgooierstatus steeds meer een sociale scheidslijn binnen dezelfde lokale gemeenschap. De bescherming van oude rechten betekende tegelijkertijd dat nieuwere inwoners van bepaalde collectieve voordelen waren uitgesloten.

127. De sociale prijs van geslotenheid

Die uitsluiting moet onderdeel van het verhaal blijven. Een nieuwkomer kon een huis of boerderij kopen, jarenlang in het Gooi wonen en economisch volledig deel van het dorp worden zonder daardoor automatisch dezelfde historische gerechtigdheid te verkrijgen. Een schoonzoon kon land van een oude Erfgooiersfamilie bezitten zonder zelf tot de mannelijke gerechtigde lijn te behoren. Het stelsel beschermde dus niet alleen rechten; het creëerde ook verschillen tussen buren. Voor de oude gerechtigden was dat een manier om schaarse hulpbronnen te beschermen. Voor niet-gerechtigden kon hetzelfde systeem als privilege en uitsluiting worden ervaren. Deze spanning zou belangrijker worden naarmate de bevolking groeide en landbouwgrond en heide grotere marktwaarde kregen.

128. 1741 — de gedrukte schaarbrief

Op 9 maart 1741 verscheen de “Willekeur en Schaerbrief van de Gemeente, Heijden en Weijden van Goijland”. De titel alleen al is veelzeggend: gemeente, heiden en weiden worden rechtstreeks met de schaarregeling verbonden. De tekst werd als grote gedrukte publicatie verspreid, in het onderzoek beschreven als ongeveer 64 bij 84 centimeter. Daarmee was het eeuwenoude reguleringsstelsel letterlijk zichtbaar in het openbare leven. Van de eerste schaarbrief van 1404 tot deze gedrukte regeling liggen meer dan drie eeuwen. De voortdurende behoefte aan zulke regels bewijst dat de gemeenschappelijke gronden nog steeds functioneerden en dat de oude gerechtigdheid geen dode middeleeuwse traditie was.

129. De achttiende-eeuwse Erfgooier

In de achttiende eeuw komen de verschillende historische lagen steeds duidelijker samen. Er bestond een bestuurlijke organisatie van Stad en Lande, een geregistreerde kring van gerechtigden, een onderscheid tussen scharend en niet-scharend, oude schaarbrieven waarop men zich nog kon beroepen, weduwen en kinderen met bijzondere posities en rechten die uit koop, gunst of hofsteden konden voortkomen. Tegelijk werd afstamming steeds belangrijker. Het Erfgooierschap ontwikkelde zich daardoor van een vooral functionele agrarische gerechtigdheid naar een steeds duidelijker erfelijke familiepositie. Maar het boerenbedrijf bleef belangrijk voor actief scharen. De achttiende-eeuwse Erfgooier stond dus precies tussen twee werelden: de oude meentboer en de latere genealogisch geregistreerde rechthebbende.

130. De gemeenschap had eigen lasten

Stad en Lande beheerde niet alleen rechten, maar ook verplichtingen. Gemeenschappelijke grond betekende onderhoud, administratie, belastingen en conflicten. De betaling van verponding vanaf 1632 laat zien dat het collectief als financiële eenheid functioneerde. Dit is belangrijk voor de latere ontwikkeling naar collectief eigendom en uiteindelijk financiële verdeling. De individuele Erfgooier had geen eenvoudig particulier perceel, maar maakte deel uit van een organisatie die gezamenlijk over rechten en lasten beschikte. Naarmate grondprijzen stegen, werd de vraag steeds belangrijker hoeveel waarde dat collectieve bezit vertegenwoordigde en wie daar juridisch aanspraak op kon maken. Zo groeide uit een agrarisch gebruiksstelsel langzaam een vermogensrechtelijke kwestie van grote omvang.

131. ‘Erfelijk bruyk’

In de latere juridische discussie werd ook Hugo de Groot aangehaald met de gedachte dat de Gooiers “erfelijk bruyk” hadden van het Gooise bos en schaarrecht op de meentlanden, voortgekomen uit hun Gooise voorouders. Deze formulering werd later een belangrijk argument voor het erfelijke karakter van de rechten. Zij moet echter binnen haar overlevering en juridische context worden gelezen. Het woord “erfelijk” betekent hier niet automatisch dat alle regels van de twintigste-eeuwse Erfgooierswet al eeuwen eerder bestonden. Wel past de formulering bij de duidelijke ontwikkeling waarbij gebruiksrechten steeds sterker aan familiale continuïteit werden verbonden. Het oude landschap werd zo niet alleen gemeenschappelijk, maar ook historisch en genealogisch bezit van een begrensde gebruikersgemeenschap.

132. Afstamming werd steeds belangrijker

Tussen de eerste schaarbrieven en de achttiende eeuw verschoof het zwaartepunt geleidelijk. In de middeleeuwse regels zijn huis, echtpaar, veldslag, zelfstandigheid en agrarisch gebruik sterk zichtbaar. Tegen 1708 kon een grote groep niet-scharenden toch als gerechtigd worden geregistreerd. Dat betekent dat afstamming voldoende zelfstandige betekenis had gekregen om los van directe landbouwpraktijk te blijven bestaan. Deze ontwikkeling moet niet worden voorgesteld als een plotselinge wetswijziging. Zij voltrok zich door generaties van registratie, conflicten, huwelijk, overlijden en uitsluiting. Uiteindelijk kon iemand Erfgooier zijn omdat hij uit een erkende familielijn stamde, ook wanneer hij zelf nooit een koe op de Gooise meent had laten grazen.

133. De slapende gerechtigdheid

Zo ontstaat het verschijnsel dat later slapend Erfgooierschap werd genoemd. Het recht was genealogisch aanwezig maar praktisch niet actief. Een man kon buiten de landbouw werken, geen vee bezitten of tijdelijk buiten het gebied wonen. Toch kon zijn familielijn relevant blijven. Deze toestand is essentieel voor de twintigste-eeuwse geschiedenis, maar bestond in aanleg al veel eerder. De 624 niet-scharenden uit 1708 vormen daarvan overtuigend bewijs. Het laat ook zien waarom de gemeenschap steeds meer behoefte kreeg aan betrouwbare lijsten. Wanneer feitelijk gebruik niet langer voldoende was om alle gerechtigden te herkennen, moest administratie de plaats innemen van dagelijkse zichtbaarheid. Genealogie werd daardoor steeds meer een bestuurlijk instrument.

134. Van gewoonte naar papier

De ontwikkeling tot dit punt kan ook worden gelezen als een geschiedenis van documentatie. Eerst was er plaatselijke gewoonte. Daarna kwamen schaarbrieven, bosbrieven, grensbeschrijvingen en rechterlijke uitspraken. Vervolgens ontstonden resolutieboeken, fiscale registers en lijsten van gerechtigden. Iedere nieuwe laag maakte het mogelijk oudere rechten nauwkeuriger te bewijzen, maar creëerde tegelijkertijd nieuwe interpretatieproblemen. Was iemand niet geregistreerd omdat hij geen recht had, of omdat een lijst onvolledig was? Betekende een weduwenvermelding een persoonlijk recht of vertegenwoordiging van een boedel? Was een grondmutatie erfenis, verkoop of huwelijksgift? Daarom kan geen enkele bronsoort afzonderlijk het volledige verhaal vertellen. De kracht ligt juist in het combineren van verschillende administraties.

135. 1750 — de beschrijvende bronnen

Rond het midden van de achttiende eeuw leveren werken als de Tegenwoordige Staat een bredere beschrijving van Gooiland. Zulke bronnen zijn anders van aard dan schaarbrieven en resoluties. Ze beschrijven streek, dorpen, economie en bestuur voor een groter lezerspubliek. Daardoor kunnen zij helpen reconstrueren hoe de bijzondere Gooise organisatie door tijdgenoten werd gezien. Ze moeten echter niet worden gebruikt als vervanging voor originele juridische documenten. Voor precieze rechten blijven schaarbrieven, overeenkomsten en besluiten leidend. De combinatie is juist waardevol: bestuurlijke bronnen vertellen hoe het systeem juridisch werkte; beschrijvende bronnen tonen hoe het landschap en de samenleving waarin dat systeem functioneerde aan tijdgenoten werden gepresenteerd.

136. 1761 — een bestuurlijke magistratuur

Een juridisch advies uit 1761, later door Perk aangehaald, omschreef de burgemeesters van Naarden en de buurmeesters van Laren, Hilversum, Huizen en Blaricum gezamenlijk als bestuurlijke magistratuur over de gemeente van Gooiland. Daarmee wordt de institutionele volwassenheid van Stad en Lande zichtbaar. De organisatie kon beslissen over gemeenschappelijke belangen en individuele gebruikskwesties. Dit is belangrijk voor het erfrechtverhaal omdat een weduwe of erfgenaam niet uitsluitend tegenover familieleden stond. Er bestond een bestuurlijk orgaan dat kon bepalen of en onder welke voorwaarden iemand scharing mocht uitoefenen. De familiegeschiedenis van de Erfgooiers is daardoor voortdurend verweven met besluiten van een collectief bestuur dat boven afzonderlijke huishoudens stond.

137. Armoede en rijkdom binnen dezelfde gemeenschap

Tegen de achttiende eeuw moet ook het sociale verschil tussen gerechtigden steeds sterker zichtbaar zijn geweest. Een grote scharende boer met voldoende vee en land kon veel praktisch voordeel hebben van de gemeenschappelijke gronden. Een niet-scharende afstammeling zonder boerenbedrijf had veel minder direct economisch voordeel. Toch konden beiden tot dezelfde historische gemeenschap behoren. Daardoor was Erfgooier-zijn geen betrouwbare maat voor rijkdom. Boedelinventarissen zouden dit verder kunnen aantonen. Een gerechtigde met schulden en één koe leefde in een andere werkelijkheid dan iemand met veel land en vee. De juridische status kon gelijksoortig zijn, maar de economische waarde ervan verschilde sterk per huishouden en per generatie.

138. De vrouw tussen twee generaties

Binnen die sociale werkelijkheid hadden vrouwen een belangrijke brugfunctie. Een weduwe kon het bedrijf voortzetten totdat een zoon volwassen was. Een dochter kon particulier bezit naar een nieuw huishouden meenemen. Een moeder kon centraal staan in de feitelijke continuïteit van een familie terwijl de formele gerechtigdheid uiteindelijk langs de mannelijke lijn werd bewezen. Daarom moet het verhaal van de Erfgooiers niet worden geschreven alsof alleen mannen handelden. De juridische categorieën waren wel ongelijk, maar de economie van het huishouden kon zonder vrouwen niet functioneren. Aaltje Hendriks laat bovendien zien dat een weduwe niet alleen passief beheerder was: zij kon tegenover Stad en Lande actief een beroep op oude rechten doen.

139. De kinderen tussen twee generaties

Ook kinderen waren meer dan toekomstige namen in een stamboom. Een overlijden kon hen ineens tot wezen maken terwijl grond, vee en schulden moesten worden beheerd. Een oudere zoon kon geleidelijk verantwoordelijkheden overnemen. Een dochter kon trouwen en bezit meenemen. Een jonger kind kon jarenlang onder voogdij blijven. Wanneer we alleen volwassen Erfgooierslijsten bekijken, verdwijnen deze overgangsjaren. Juist daar werd echter bepaald welke tak boer bleef, welke grond naar een schoonzoon ging en welke zoon uiteindelijk niet-scharend werd. De volgende verdieping van het onderzoek moet daarom huishoudens over tientallen jaren volgen in plaats van uitsluitend personen op één registratiedatum met elkaar te verbinden.

140. 1795 — oude stukken worden opnieuw verzameld

Omstreeks 1795 ontstond de verzameling “Veenen, Limieten van Gooiland: afschriften van het Utrechts Placaatboek”, ongeveer 150 bladzijden groot. Daarin werden oudere grens- en rechtsstukken opnieuw bijeengebracht; achterin bevindt zich onder meer een afschrift van een brief van P.C. Hooft uit 1612. Het bestaan van zo’n verzameling laat zien dat oude documenten nog steeds praktische waarde hadden. Gooiland stond aan de vooravond van een nieuwe politieke en juridische tijd, maar middeleeuwse en vroegmoderne rechten waren niet verdwenen. Integendeel: juist wanneer eigendom, grenzen en gebruik opnieuw ter discussie kwamen, werd het noodzakelijk oude bewijsstukken te verzamelen. De negentiende-eeuwse grote juridische strijd kondigde zich daarmee al aan.

141. Van Ollefen en de ‘Meenten’

In hetzelfde jaar 1795 beschreef L. van Ollefen Gooiland in zijn Nederlandsche Stad- en Dorp-Beschrijver. Hij gebruikte daarbij de aanduiding “Meenten of Gemeene weiden” en noemde de Erfgooiers. Daarmee beschikken we aan het einde van de achttiende eeuw opnieuw over een beschrijvende bron waarin de gemeenschappelijke gronden en hun gerechtigden als karakteristiek onderdeel van Gooiland verschijnen. De terminologie is inmiddels veel herkenbaarder dan in de middeleeuwen. Het oude systeem van huis, veldslag en schaarbrief heeft zich ontwikkeld tot een gemeenschap die door buitenstaanders als Erfgooiers kan worden benoemd. Tegelijk zijn de fundamentele vragen nog altijd niet opgelost: wie bezit de grond en wie heeft welk recht?

142. De Franse tijd veranderde de omgeving

De politieke omwentelingen vanaf 1795 veranderden de bestuurlijke wereld waarin de Erfgooiers functioneerden. Oude instellingen en rechten moesten zich verhouden tot nieuwe staatsvormen, wetgeving en eigendomsopvattingen. Toch verdwenen de Gooise gemeenschappelijke rechten niet eenvoudig. Juist hun ouderdom maakte ze juridisch hardnekkig. De vraag was steeds minder alleen hoeveel koeien iemand mocht scharen en steeds meer welke juridische aard het gehele stelsel had. Was de grond domeinbezit waarop de Gooiers gebruiksrechten hadden? Waren de dorpsgemeenten eigenaar? Had Stad en Lande een collectieve positie? Of waren de gerechtigden zelf mede-eigenaren? Deze vragen zouden de negentiende-eeuwse literatuur en rechtsstrijd gaan beheersen.

143. Van gebruiksrecht naar eigendomsvraag

Eeuwenlang had het praktische gebruik centraal gestaan. In de negentiende eeuw verschoof het debat steeds sterker naar eigendom. Dat was geen puur theoretische verandering. Heidegrond kreeg andere economische mogelijkheden door ontginning, verkoop en modernisering van landbouw. Wanneer grond kon worden verkocht, werd het essentieel te weten wie juridisch over die verkoop mocht beslissen en wie de opbrengst toekwam. De oude formule van collectief gebruik moest nu worden vertaald naar moderne eigendomscategorieën. Juist daardoor werden de middeleeuwse schaarbrieven, het arrest van 1474, oude privileges en latere overeenkomsten opnieuw intensief onderzocht. Het verleden werd juridisch kapitaal: wie de oudste documenten het overtuigendst kon interpreteren, versterkte zijn moderne aanspraak.

144. 1836 — een beslissende overeenkomst

In 1836 kwam een belangrijke overeenkomst over de Gooise gemeenschappelijke gronden tot stand. Zij behoort tot de grote negentiende-eeuwse herordening waarbij gerechtigden en Domeinen hun aanspraken opnieuw afbakenden. Volgens de latere reconstructie stonden de Erfgooiers uiteindelijk een aanzienlijk deel van de gronden af en verkregen zij het resterende gedeelte in een veel duidelijker eigendomspositie. De exacte bepalingen van 1836 moeten uit het oorspronkelijke document worden gelezen voordat ieder detail wordt geformuleerd. De betekenis voor de lange ontwikkeling is echter enorm. Het oude onderscheid tussen gebruik en eigendom begon te verschuiven. Daarmee kreeg het antwoord op de vraag wie gerechtigd was een nog directere vermogensrechtelijke en uiteindelijk financiële betekenis.

145. 1837 — Albertus Perk

Op 10 november 1837 publiceerde Albertus Perk zijn Berigt omtrent den verkoop van heidegronden enz. Perk was nauw betrokken bij de Gooise bestuurlijke en juridische wereld en zou een centrale verzamelaar van historische bronnen worden. Zijn werk is belangrijk omdat de verkoop en ontginning van heide de oude gemeenschappelijke rechten rechtstreeks bedreigden of veranderden. Wat eeuwenlang vooral weide, heide en gebruiksruimte was geweest, werd steeds meer als verkoopbare grondwaarde gezien. Daardoor moest worden vastgesteld wie mocht beslissen en wie gerechtigd was. Perks belangstelling voor de oorsprong van de rechten kwam dus niet voort uit antiquarische nieuwsgierigheid alleen. Zij stond midden in een actueel economisch en juridisch conflict.

146. 1838 — J.M.C. Backer

In 1838 verscheen J.M.C. Backers Iets over Gooiland, de ontginning van hetzelve, en de regten van het Domein, als Eigenaar en der gebruikers. Het boek werd in juni van dat jaar aangeboden voor ongeveer ƒ0,90. Backer behandelde precies de kernvraag die eeuwen geschiedenis samenvatte: hoe verhield het eigendomsrecht van het Domein zich tot de rechten van de gebruikers? Zijn werk is bovendien belangrijk doordat hij oudere stukken als bijlagen opnam, waaronder de regeling van 25 januari 1404. Daardoor is Backer niet alleen negentiende-eeuwse polemist, maar ook bronnenwijzer. Zijn interpretaties moeten kritisch worden gelezen, maar de documenten waarnaar hij verwijst kunnen ons rechtstreeks terugbrengen naar de middeleeuwse rechtsontwikkeling.

147. Backer en Perk stonden niet buiten het conflict

Zowel Backer als Perk moet bronkritisch worden gelezen. Zij verzamelden waardevolle historische documenten, maar schreven midden in een actuele juridische strijd. Hun interpretaties van middeleeuwse teksten waren daarom niet neutraal in de moderne wetenschappelijke betekenis. Dat maakt hun werk niet minder belangrijk. Integendeel: door hen naast elkaar te leggen zien we hoe dezelfde oude schaarbrief verschillende juridische betekenissen kon krijgen. Voor ons onderzoek geldt daarom steeds dezelfde methode: gebruik negentiende-eeuwse auteurs als wegwijzers, controleer hun citaten en transcripties en keer waar mogelijk terug naar het oorspronkelijke document. Alleen zo kan worden voorkomen dat een negentiende-eeuwse juridische conclusie later ten onrechte als rechtstreeks middeleeuws feit wordt overgenomen.

148. 1840 — wie zijn de gerechtigden?

Backer formuleerde in 1840 de vraag zelfs rechtstreeks in de titel van een bijdrage: “Wie zijn de Geregtigden tot het gebruik van de Gemeente van Gooyland?” Daarmee werd de eeuwenoude kernvraag expliciet. Niet: wie woont er in Gooiland? Niet: wie bezit er particulier land? Maar: wie behoort tot de kring die de gemeente mag gebruiken? De vraag was inmiddels ingewikkeld geworden door eeuwen van afstamming, kooprechten, weduwen, hofsteden, verhuizingen en niet-scharende familietakken. De registratie van 1708 bood een belangrijk anker, maar ook oudere rechten moesten worden verklaard. Het negentiende-eeuwse debat dwong juristen daarom om bijna de gehele geschiedenis van de gemeenschap opnieuw te reconstrueren.

149. 1842 — Perks grote Verslag

In 1842 publiceerde Albertus Perk zijn Verslag omtrent den oorsprong en den aard der gebruikregten op de heiden en weiden in Gooiland; bijzonder in betrekking tot de vraag, wie de geregtigden zijn tot dat gebruik. Alleen de titel laat zien hoe centraal afstamming en gerechtigdheid inmiddels stonden. Perk verzamelde oude schaarbrieven, uitspraken, overeenkomsten en andere documenten. Voor modern onderzoek is zijn werk vooral waardevol als toegang tot oudere bronnen die soms moeilijk bereikbaar zijn. Zijn conclusies moeten echter worden onderscheiden van de teksten die hij afdrukt of samenvat. Perk was niet alleen historicus; hij was secretaris van Stad en Lande en betrokken bij de actuele rechtspositie van de gemeenschap.

150. 1842 — Backer antwoordt

In hetzelfde jaar verscheen Backers Verdediging van het regt der dorpsgemeenten in Gooyland op de heiden en weiden aldaar gelegen. Daarmee werd duidelijk hoe verschillend dezelfde geschiedenis kon worden geïnterpreteerd. Waren de rechten vooral van de dorpsgemeenten, van individuele gerechtigden, van Stad en Lande of bestonden daarboven nog domeinaanspraken? De discussie dwong beide partijen om diep in oude documenten te graven. Voor ons is juist die bronnenstrijd vruchtbaar. Iedere voetnoot, aangehaalde schaarbrief en verwijzing naar een oud proces kan een nieuwe primaire bron opleveren. Tegelijk mogen we de argumentatie van één partij niet zonder controle tot definitieve historische waarheid verheffen. Het negentiende-eeuwse debat is zowel bron als onderwerp.

151. 1844 — Van Hasselt als bronnenwijzer

In 1844 besprak W.J.C. van Hasselt de werken van Backer en Perk in De Gids. Zijn bespreking is waardevol omdat zij verschillende oudere bronnen en auteurs samenbrengt: Elten, de familie Hooft, de uitspraak van 1474, de overeenkomst van 1731, de regeling van 1836, Van Mieris, de Tegenwoordige Staat, Ypey en Feith en Magnin. Daarmee wordt Van Hasselt een bronnenwijzer voor verder onderzoek. Iedere verwijzing kan opnieuw worden gevolgd naar een ouder document. Dit past precies bij de noodzakelijke methode voor Erfgooiersonderzoek: geen synthese als eindpunt beschouwen, maar iedere nieuwe naam, datum of verwijzing gebruiken om opnieuw de bronnen in te gaan.

152. 1843 en de verdere heideverdeling

Naast de overeenkomst van 1836 speelde ook 1843 een belangrijke rol in de verdeling en regeling van de Gooise gronden. Volgens Kos stonden de Erfgooiers in deze negentiende-eeuwse herordening een groot gedeelte af en verkregen zij het overblijvende deel in volle eigendom. Daarmee veranderde het karakter van hun positie ingrijpend. Een eeuwenoud gebruiksrecht op grond waarvan andere partijen eveneens eigendomsaanspraken konden maken, ontwikkelde zich naar een veel duidelijker collectief eigendomsvermogen. Vanaf dit moment kreeg lidmaatschap van de gerechtigde gemeenschap steeds sterker de betekenis van een aandeel in waardevolle grond. Dat zou uiteindelijk de overgang van schaarrecht naar geldelijke uitkering mogelijk maken.

153. Van meent naar vermogen

Deze eigendomsverandering had diepgaande gevolgen. Zolang de gemeenschappelijke grond vooral nodig was voor vee, stond praktische scharing centraal. Zodra de grond als collectief vermogen kon worden verkocht, kreeg ook een niet-scharende gerechtigde een duidelijker economisch belang. Hij hoefde geen koe te bezitten om belang te hebben bij de waarde van de heide. Daarmee werd de oude genealogische status steeds zelfstandiger. De oorspronkelijke functie — toegang tot agrarische hulpbronnen — bleef bestaan, maar daarnaast ontstond een vermogensrechtelijke dimensie. Dit verklaart waarom de twintigste-eeuwse grondverkopen zoveel belangstelling voor ledenlijsten en afstamming veroorzaakten. Een historische familielijn kon uiteindelijk letterlijk in geld worden omgerekend.

154. De boerderij bleef ondertussen particulier

Ondanks deze ontwikkeling bleef de particuliere boerderij een afzonderlijke vermogenswereld. Een huis, akker of boerenbedrijf kon worden verkocht, geërfd, verdeeld of via huwelijk in een andere familie terechtkomen. Het Erfgooiersrecht volgde die route niet noodzakelijk. Daardoor konden in de negentiende eeuw families voorkomen die al generaties geen grote boerderij meer bezaten maar nog wel tot de gerechtigde gemeenschap behoorden. Omgekeerd konden rijke nieuwe grondbezitters buiten de historische familielijnen staan. Dit onderscheid is essentieel voor de sociale geschiedenis. De term Erfgooier zegt iets over een bijzondere historische rechtspositie, maar vertelt op zichzelf niet hoeveel particulier bezit iemand had, welk beroep hij uitoefende of hoe welvarend zijn huishouden was.

155. De genealogie werd steeds belangrijker

Naarmate het collectieve vermogen meer geldwaarde kreeg, werd het belangrijker om exact vast te stellen wie tot de gemeenschap behoorde. Afstamming werd daarmee niet alleen een kwestie van identiteit, maar ook van vermogensrecht. De lijst van 1708 kreeg steeds grotere betekenis als historisch bewijsstuk. Families konden hun lijn vanaf geregistreerde voorouders reconstrueren. Kerkelijke registers, burgerlijke stand en later officiële ledenadministraties maakten zulke bewijsketens steeds betrouwbaarder. Het recht dat ooit in een dorp uit gewoonte herkenbaar was, werd steeds meer een documentair recht. Uiteindelijk zou de staat in 1912 deze ontwikkeling in wettelijke regels vastleggen. Maar daarvoor zou nog een reeks conflicten duidelijk maken hoe onhoudbaar de oude bestuurlijke constructie was geworden.

156. 1898 — Harmen Vos en de haas

Op 18 november 1898 kreeg de abstracte discussie over eigendom een opmerkelijk concreet gezicht. Harmen Vos, geboren in Blaricum en woonachtig in Laren, werd ervan beschuldigd een haas te hebben geschoten. Onder de getuigen bevonden zich P., W. en J. Kaarsgaren. Vos was zelf onbezoldigd rijksveldwachter en betrokken bij toezicht op de jacht. Zijn verdediging raakte rechtstreeks aan de eeuwenoude vraag naar de rechtspositie van een Erfgooier. Wanneer hij als Erfgooier mede gerechtigd was tot de Gooise heide, kon hij dan als een gewone buitenstaander worden behandeld wanneer hij daar jaagde? De haas werd zo aanleiding voor een principieel eigendomsconflict.

157. Een Erfgooier als mede-eigenaar

Vos verdedigde zich met de gedachte dat hij als Erfgooier mede-eigenaar van de Gooise heide was. Daarmee kwam een fundamentele spanning aan het licht. Eeuwenlang was het recht vooral beschreven als gebruik van gemeenschappelijke grond. Na de negentiende-eeuwse eigendomsregelingen kon echter sterker worden gedacht in termen van mede-eigendom. Betekende dat dat iedere Erfgooier persoonlijk eigenaar was? En welke bevoegdheden volgden daar dan uit? Vos kreeg aanvankelijk een boete van ƒ25, maar de zaak ging verder. Een ogenschijnlijk kleine jachtovertreding dwong juristen opnieuw te bepalen wat de verhouding was tussen het individuele lid en het collectieve Gooise vermogen. Dezelfde vraag zou ook voor latere verkoopopbrengsten cruciaal worden.

158. De zaak bereikt de Hoge Raad

De zaak van Harmen Vos bereikte uiteindelijk de Hoge Raad. Daarmee werd een lokaal Goois conflict onderdeel van de hoogste nationale rechtspraak. Frank van Lennep trad voor Vos op. Voor de Erfgooiersgeschiedenis is deze zaak belangrijk omdat zij laat zien hoe moeilijk de oude rechten in moderne juridische categorieën pasten. Een middeleeuws gegroeide gemeenschap met schaarbrieven, gemeenschappelijke gronden, familiale gerechtigdheid en collectief bestuur moest nu worden vertaald naar begrippen als eigendom, vereniging en individuele bevoegdheid. De oude organisatie was steeds minder geschikt voor een samenleving waarin grondwaarde, staatswetgeving en moderne rechtsvormen belangrijker werden. Daarmee kwam de weg naar een bijzondere landelijke Erfgooierswet steeds duidelijker open te liggen.

159. 1903 — Frank van Lennep

In 1903 publiceerde Frank van Lennep zijn Bijdrage tot de kennis van den rechtstoestand der Erfgooiers. Anton Kos beschouwt het werk vooral als een omvangrijke bronnenverzameling. Ook Van Lennep past daarmee in dezelfde traditie als Perk en Backer: een modern juridisch conflict leidde tot intensief onderzoek naar oude documenten. Voor ons is dat bijzonder waardevol. De juridische strijd rond 1900 heeft materiaal bijeen gebracht dat teruggaat tot de middeleeuwen. Tegelijk geldt dezelfde waarschuwing: een bronnenverzameling en de interpretatie van de verzamelaar zijn twee verschillende dingen. Iedere geciteerde schaarbrief, overeenkomst of uitspraak moet waar mogelijk opnieuw in de oorspronkelijke context worden gelezen voordat er algemene conclusies over erfelijkheid uit worden getrokken.

160. De oude organisatie kraakte

 

Rond 1900 waren de verhoudingen tussen scharende en niet-scharende gerechtigden, bestuur, grondwaarde en moderne overheid steeds moeilijker binnen de oude structuur op te lossen. De gemeenschap bestond inmiddels uit veel mensen die niet meer rechtstreeks van landbouw leefden. Tegelijk vertegenwoordigde de gemeens

28. De rechten van Elten bestonden uit verschillende onderdelen

De band tussen Hoog-Elten en Nardinclant moet niet als één enkel eigendomsrecht worden voorgesteld. In de middeleeuwen konden grondbezit, tijnzen, tienden, kerkelijke rechten en andere inkomsten verschillende juridische wegen volgen. Daardoor konden rechten die oorspronkelijk binnen hetzelfde goederencomplex voorkwamen later bij verschillende instellingen of personen terechtkomen. Dit verklaart waarom in latere Gooise bronnen tegelijkertijd de graaf van Holland, Hoog-Elten, Utrechtse kerkelijke instellingen en wereldlijke leenhouders verschijnen. Voor de voorgeschiedenis van de Erfgooiers is juist deze versnippering belangrijk. Gemeenschappelijk gebruik van heiden en weiden ontwikkelde zich binnen een landschap waarop reeds talrijke oudere aanspraken rustten.

29. De schenking van Nardinclant vraagt voorzichtigheid

Ook de bekende verbinding tussen graaf Wichman en Nardinclant moet zorgvuldig worden beschreven. Dat Hoog-Elten omvangrijke goederen en rechten in deze streek verkreeg, staat centraal in de latere geschiedenis, maar daarmee is niet ieder later Goois recht rechtstreeks uit één tiende-eeuwse schenking af te leiden. Middeleeuwse goederen konden worden verdeeld, geruild, verpacht en in leen uitgegeven. Documenten konden bovendien later worden bevestigd of opnieuw geïnterpreteerd. Daarom moeten Wichman, Hoog-Elten, de latere koptienden en de Erfgooiers niet als één ononderbroken juridische keten worden voorgesteld. Zij behoren wel tot dezelfde lange ontwikkeling van macht, grondbezit en gebruik in Nardinclant.

30. De kerkelijke kaart was eveneens gelaagd

Naast de wereldlijke geschiedenis moet de kerkelijke geografie van het oude Nardinclant worden gereconstrueerd. Naarden nam daarin een belangrijke positie in, terwijl ook de kerken van de omliggende Gooise nederzettingen geleidelijk een eigen plaats kregen. Kerken waren niet alleen gebouwen voor eredienst. Aan een kerk konden landerijen, inkomsten, tienden en patronaatsrechten verbonden zijn. Bovendien was van belang wie een priester mocht voordragen en welke instelling bepaalde inkomsten ontving. Daardoor vertelt de ontwikkeling van de Gooise parochies tegelijkertijd iets over de bestuurlijke ontwikkeling van het landschap. Naarmate nederzettingen groeiden en zelfstandiger werden, veranderde ook het kerkelijke netwerk waarin de inwoners waren opgenomen.

31. Sint-Vitus vormt een belangrijke onderzoekslijn

Binnen die kerkgeschiedenis verdient Sint-Vitus bijzondere aandacht. Zijn naam is sterk verbonden met de kerkelijke geschiedenis van Naarden en het Gooi. Dat is extra interessant omdat Sint-Vitus eveneens met de kerkelijke wereld van Elten verbonden was. Een overeenkomst in patroonheilige kan echter niet zonder aanvullend bewijs als bewijs voor een rechtstreekse institutionele overdracht worden gebruikt. Wel vormt zij een aanwijzing die samen met patronaatsrechten, tienden en andere documenten moet worden onderzocht. Juist de combinatie van heiligencultus en juridische bronnen kan helpen reconstrueren hoe de vroege kerkelijke organisatie van Nardinclant zich ontwikkelde en welke invloed Hoog-Elten daarin werkelijk uitoefende.

32. Naarden was aanvankelijk kerkelijk belangrijker dan de dorpen

De latere Gooise dorpen mogen niet automatisch naar de vroege middeleeuwen worden teruggeprojecteerd. Kerkelijke zelfstandigheid ontstond geleidelijk. Een centrale kerk kon aanvankelijk een veel groter gebied bedienen, waarna dochterkerken of nieuwe parochies ontstonden toen bevolking en nederzettingen groeiden. Daardoor kan de geschiedenis van de Gooise kerken aanwijzingen geven voor de ouderdom en ontwikkeling van de verschillende bewoningskernen. De route naar de kerk, begraafrechten, inkomsten en kerkelijke grenzen waren praktische onderdelen van het dagelijks bestaan. Een bewoner behoorde niet alleen tot een dorp of buurtschap, maar eveneens tot een parochiale gemeenschap waarvan de grenzen niet noodzakelijk samenvielen met latere bestuurlijke grenzen.

33. Sint-Jan in Utrecht verschijnt naast Elten

Een tweede grote kerkelijke macht was het kapittel van Sint-Jan te Utrecht. De aanwezigheid van zowel Eltense als Utrechtse rechten vormt een van de ingewikkeldste onderdelen van de middeleeuwse Gooise geschiedenis. De Vrankrijker probeerde te verklaren hoe deze rechten zich tot elkaar verhielden. Later onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat eenvoudige verklaringen voorzichtig moeten worden behandeld. Rond 1180 waren er in ieder geval geschillen over kerkelijke rechten die regeling vereisten. Daarmee wordt zichtbaar dat Nardinclant niet geïsoleerd lag. Het gebied maakte deel uit van kerkelijke netwerken waarvan bestuurlijke centra buiten het Gooi lagen, terwijl de financiële gevolgen juist plaatselijk werden gevoeld.

34. Kerken waren ook grondbezitters

Een kerk of kapittel kon inkomsten ontvangen uit land dat door anderen werd bewerkt. Daardoor moet bij onderzoek naar Gooise grond niet alleen worden gevraagd wie een akker gebruikte, maar ook welke lasten erop rustten. Een boer kon een perceel bezitten of gebruiken en tegelijkertijd een tiend, tijns of andere prestatie verschuldigd zijn. Kerkelijke instellingen konden bovendien schenkingen ontvangen van plaatselijke families. Zo ontstonden verspreide complexen van kerkelijk bezit. In testamenten en andere rechtshandelingen konden opnieuw stukken land aan geestelijke instellingen worden toegewezen. Het kerkelijke landschap bestond daarom uit veel meer dan kerktorens: het was verweven met akkers, inkomsten, nalatenschappen en plaatselijke families.

35. Het hoofdstuk over kloosters moet afzonderlijk worden gelezen

De ondertitel van Naerdincklant noemt uitdrukkelijk “kerken en kloosters”. Dat betekent dat een volledige reconstructie niet bij Elten en Sint-Jan mag ophouden. De Vrankrijker onderzocht kennelijk ook andere religieuze instellingen die met Gooiland verbonden waren. Zolang zijn volledige tekst niet beschikbaar is, moeten de afzonderlijke kloosters niet uit de titel worden geraden. Wel is duidelijk welke vragen bij verder bronnenonderzoek gesteld moeten worden: welke kloosters bezaten Gooise grond, welke ontvingen inkomsten, welke kregen schenkingen van Gooise families en welke instellingen hadden invloed op parochies? Deze laag kan nieuwe verbindingen tussen religie, grondbezit en plaatselijke elites blootleggen.

36. De koptiend lag op concrete grond

De koptiend was geen algemene belasting die iedere Gooier automatisch betaalde. Zij was verbonden met bepaalde gronden. Daarom is de volgende onderzoeksstap het reconstrueren van de afzonderlijke tiendplichtige percelen. Daarmee kunnen oude veldnamen, eigenaren, gebruikers en liggingen zichtbaar worden. Wanneer zulke gegevens naast kaarten en latere kadastrale informatie worden gelegd, kan misschien worden vastgesteld waar oude koptiendgronden lagen ten opzichte van engen, dorpen en gemeenschappelijke heiden. Dat zou een directe ruimtelijke verbinding opleveren tussen de middeleeuwse bronnen en het latere Erfgooierslandschap. De geschiedenis van een abstract recht kan dan worden teruggebracht tot concrete akkers waarop generaties Gooise families werkten.

37. De kop was een maat, geen tiende deel

De naam koptiend kan gemakkelijk verkeerd worden begrepen. In de latere vorm hoefde de verschuldigde hoeveelheid niet letterlijk tien procent van de oogst te bedragen. De term kop verwees naar een inhoudsmaat waarmee graan werd gemeten. Wanneer een oorspronkelijke oogsttiend veranderde in een vaste hoeveelheid per oppervlakte grond, kon de oude naam tiend blijven bestaan terwijl de feitelijke berekening veranderde. Dat proces is belangrijk voor het begrijpen van oude lasten. Instellingen veranderden langzaam en behielden vaak namen die niet meer precies beschreven hoe zij functioneerden. Daardoor konden negentiende- en twintigste-eeuwse onderzoekers verschillende verklaringen geven voor dezelfde eeuwenoude Gooise heffing.

38. De discussie met Van Tol verdient een eigen plaats

T. van Tol bood een andere verklaring voor de koptienden. Volgens deze interpretatie konden zij zijn ontstaan als een tijns op ontgonnen grond, vooral wanneer stukken heide in cultuur waren gebracht. Deze theorie is voor de Erfgooiersgeschiedenis aantrekkelijk, omdat zij de koptienden rechtstreeks zou verbinden met de overgang van gemeenschappelijke naar particuliere grond. Ontginning was immers een van de processen waardoor de oppervlakte van gemeenschappelijk gebruikte gronden kon afnemen. Toch moet een aantrekkelijke verklaring door bronnen worden gedragen. De afzonderlijke vermelding van korentiend en tijns in middeleeuwse administraties vormt daarom een wezenlijk probleem voor een volledige gelijkstelling van beide verschijnselen.

39. Palmboom ging terug naar de bronnen

Ellen Palmboom onderzocht de kwestie opnieuw en legde daarbij sterk de nadruk op middeleeuwse administratieve gegevens. Haar onderzoek ondersteunt in belangrijke mate De Vrankrijkers opvatting dat daadwerkelijk kerkelijke tienden in het Gooi hebben bestaan. De vermeldingen van “corenthiende” en “thins” naast elkaar zijn daarbij bijzonder belangrijk. Daarmee is niet ieder detail van de oorsprong opgelost, maar het voorkomt dat alle oude Gooise grondlasten onder één begrip worden samengebracht. Voor ons verhaal moet daarom consequent onderscheid worden gemaakt tussen tiend, koptiend en tijns. Juist zulke verschillen laten zien hoe complex het economische en juridische landschap van middeleeuws Gooiland werkelijk was.

40. De bronnen vertellen ook over graansoorten

Rogge en gerst waren niet alleen administratieve rekeneenheden. Zij vertellen iets over de landbouw waarop de Gooise bevolking afhankelijk was. Rogge was geschikt voor zandige omstandigheden en vormde in grote delen van de Noord-Nederlandse zandgebieden een belangrijk broodgraan. Gerst had verschillende toepassingen. Later kwam daar boekweit nadrukkelijker bij. Door tiendrekeningen, boedelinventarissen en andere economische bronnen gezamenlijk te onderzoeken, kan worden gereconstrueerd welke gewassen op verschillende momenten belangrijk waren. Daarmee ontstaat een geschiedenis van voedsel en landbouw naast de juridische geschiedenis. De akker waarop een oude tiend rustte was tegelijkertijd de plaats waar een huishouden een gedeelte van zijn jaarlijkse voedsel produceerde.

41. Boekweit vroeg een eigen landbouwritme

Boekweit is botanisch geen graan, maar werd in gebruik en verwerking vaak als graangewas behandeld. Het had een relatief korte groeiperiode en kon op armere gronden worden geteeld. Tegelijk was het gevoelig voor ongunstige weersomstandigheden. De verbreiding ervan betekende daarom niet dat het traditionele graan volledig werd vervangen. Boekweit werd onderdeel van een gemengd landbouwsysteem. Voor Gooise huishoudens kon het extra voedsel en handelswaar opleveren. De bloeiende planten hadden bovendien een tweede economische functie doordat zij grote hoeveelheden nectar konden leveren. Daardoor moet boekweit niet uitsluitend binnen de geschiedenis van de akkerbouw worden geplaatst, maar ook binnen de spectaculaire ontwikkeling van de Gooise bijenhouderij.

42. Boekweit verbond akker en bijenschans

Wanneer boekweit bloeide, ontstond tijdelijk een rijke voedselbron voor bijen. De imker hoefde daardoor niet uitsluitend afhankelijk te zijn van heidebloei en andere wilde planten. De combinatie van landbouw en natuurlijke vegetatie maakte het mogelijk bijenvolken over langere perioden voedsel te laten verzamelen. Dat verklaart waarom De Vrankrijker boekweit en bijen binnen één studie behandelde. Beide economische activiteiten versterkten elkaar. Een boer die boekweit verbouwde, produceerde voedsel terwijl zijn veld tegelijkertijd nectar leverde. Een imker profiteerde daarvan zonder de boekweit zelf te oogsten. Zo bestonden binnen het Gooise landschap economische relaties die niet gemakkelijk uit eigendomsakten alleen zijn af te lezen.

43. De 86 bijenschansen moeten op de kaart terugkomen

De Vrankrijkers inventarisatie van 86 bijenschansen behoort tot de waardevolste onderdelen van zijn studie. Een volledig verhaal zou deze schansen niet alleen als totaalgetal noemen, maar zoveel mogelijk afzonderlijk lokaliseren. Dan kan worden onderzocht hoe zij verdeeld waren over het gebied rond Naarden, Huizen, Blaricum, Laren, Hilversum, Bussum en aangrenzende streken. Ligging ten opzichte van heide, engen, wegen en dorpen kan vervolgens laten zien waarom bepaalde plaatsen geschikt waren. De kaart van de schansen is daarmee potentieel een kaart van het economische gebruik van het landschap. Zij kan zichtbaar maken waar bijenteelt werkelijk geconcentreerd was en hoe dicht verschillende standen bij elkaar lagen.

44. Veldnamen kunnen verdwenen schansen verraden

Ook wanneer een bijenschans fysiek verdwenen is, kan haar naam in andere bronnen voortleven. Oude kaarten, veldnamen, transportakten, notariële stukken en kadastrale registraties kunnen verwijzingen naar een schans bewaren. Daardoor kan De Vrankrijkers lijst als zoekregister worden gebruikt. Een verdwenen wal, greppel of perceelsvorm kan vervolgens archeologisch of landschappelijk betekenis krijgen. Juist dit soort microtoponiemen zijn belangrijk voor een regionale geschiedenis. Zij verbinden geschreven bronnen met een concrete plek waar mensen werkelijk werkten. Een naam die eeuwenlang op een kaart bleef staan kan de laatste herinnering zijn aan tientallen bijenkorven en meerdere Gooise huishoudens die daar ieder jaar hun bijenvolken plaatsten.

45. Niet iedere imker bezat een bijenschans

De organisatie van de bijenhouderij laat sociale verschillen zien. Iemand kon bijen bezitten zonder eigenaar van de grond of de schans te zijn. Zijn gemerkte korven werden dan bij een ander geplaatst. Daarvoor kon huur of een andere vergoeding verschuldigd zijn. Hierdoor konden ook huishoudens met weinig grond aan de bijenteelt deelnemen. Het systeem lijkt op andere vormen van gedeeld gebruik: eigendom van het productiemiddel, eigendom van de grond en feitelijk gebruik hoefden niet bij dezelfde persoon te liggen. Voor sociaalhistorisch onderzoek zijn daarom vooral registers met merktekens en namen interessant. Zij kunnen gewone Gooise inwoners zichtbaar maken die in grote bestuurlijke bronnen nauwelijks voorkomen.

46. Zwermen waren waardevol bezit

Een bijenvolk vertegenwoordigde economische waarde. Wanneer een volk ging zwermen en zich elders vestigde, ontstond daarom gemakkelijk discussie over eigendom. Het merken van korven loste niet automatisch op van wie een losgeraakte zwerm was. Plaatselijke gewoonte en regelgeving waren nodig om conflicten te voorkomen. Het verhaal over ruzies rond bijenschansen toont dat vroegmodern natuurgebruik voortdurend juridische vragen opriep. Mensen probeerden bezit af te bakenen, terwijl dieren zich niet aan die grenzen hielden. De bijenteelt biedt daardoor een uitzonderlijk venster op de manier waarop Gooise gemeenschappen praktische problemen oplosten: eerst door gewoonte en onderlinge afspraken, en wanneer het gebruik intensiever werd steeds vaker door formele regels.

47. Het gerecht hield toezicht

De rol van het plaatselijke gerecht bij registratie van korven en standen is bijzonder belangrijk. Het gerecht was kennelijk niet alleen bezig met zware misdrijven of grote eigendomsconflicten. Het kon ook functioneren als administratief centrum voor alledaagse economische activiteiten. Wie waar zijn bijen plaatste kon een zaak van openbare registratie zijn. Daardoor kunnen gerechtsboeken onverwacht waardevolle bronnen voor het dagelijkse leven vormen. Ze kunnen namen bevatten van imkers, eigenaren van schansen, locaties en conflicten. Voor ons onderzoek betekent dit dat niet alleen schaarbrieven en grote Erfgooiersprocessen moeten worden doorzocht. Juist lokale gerechtelijke registers kunnen de gewone gebruikers van het Gooise landschap zichtbaar maken.

48. Honing kwam uiteindelijk in huis en op de markt

Na de zomer moest de opbrengst worden verwerkt. Honing kon binnen het huishouden worden gebruikt of verkocht. Was had eveneens economische waarde. Daarmee eindigde de productieketen niet op de heide of bijenschans. Producten kwamen terecht in woningen, winkels, markten, werkplaatsen en religieuze instellingen. Een volledig verhaal over Gooise bijenteelt moet daarom uiteindelijk ook prijzen, verkoopplaatsen en handelaren proberen terug te vinden. Mogelijk verschijnen honing en was in boedelinventarissen of rekeningen. Wanneer zulke gegevens worden gevonden, kan worden bepaald of bijen voor de meeste huishoudens vooral een kleine nevenactiviteit vormden of dat bepaalde personen tientallen korven exploiteerden en duidelijk voor een markt produceerden.

49. Naarden was de stedelijke tegenhanger

Terwijl in de dorpen en op de heiden landbouw en bijenteelt plaatsvonden, ontwikkelde Naarden een meer stedelijke economie. De draperie vormde daarvan een belangrijk onderdeel. Textielproductie vereiste verschillende gespecialiseerde werkzaamheden. Wol moest worden voorbereid, gesponnen, geweven, afgewerkt en uiteindelijk verkocht. Daardoor ontstond een keten van beroepen die onderling afhankelijk waren. De aanwezigheid van gilden bracht regels voor kwaliteit, opleiding en beroepsuitoefening. Het Naarden van De Vrankrijkers studie moet daarom niet uitsluitend als bestuurlijk centrum van Gooiland worden gezien. De stad bood werk aan ambachtslieden en vormde een markt die nauw verbonden was met het agrarische achterland.

50. De draperie bestond uit meer dan wevers

Wanneer over Naardense wevers wordt gesproken, dreigen andere werkzaamheden uit beeld te verdwijnen. Lakenproductie was een arbeidsintensief proces waarin verschillende ambachten elkaar opvolgden. Het precieze Naardense productieproces en de betrokken gilden moeten nog uit De Vrankrijkers bronnen worden gereconstrueerd. Daarbij moet worden gezocht naar spinners, wevers, vollers, ververs, scheerders en handelaren voor zover zij daadwerkelijk in de Naardense bronnen voorkomen. Ook keurboeken kunnen belangrijk zijn. Zij bevatten regels over materiaal, maten, kwaliteit en verkoop. Daarmee kan de stedelijke economie veel concreter worden beschreven dan alleen met het algemene woord “draperie”. Achter ieder stuk laken stond een keten van arbeid.

51. Een gilde was tegelijk sociaal en religieus

Een ambachtsgilde bepaalde niet alleen wie een beroep mocht uitoefenen. Het kon ook een sociale gemeenschap vormen. Leden betaalden bijdragen, namen deel aan gezamenlijke activiteiten en konden verplichtingen tegenover elkaar hebben. Religieuze gebruiken waren daarvan een onderdeel. Een beroepsgroep kon een altaar of patroonheilige hebben en op bepaalde dagen gezamenlijk deelnemen aan kerkelijke plechtigheden. Daarmee verklaart zich De Vrankrijkers belangstelling voor de weversheiligen. Hij zag beroepsgeschiedenis en religieuze cultuur kennelijk niet als twee gescheiden onderwerpen. Voor een Naardense ambachtsman liepen beide werkelijkheden door elkaar. Zijn plaats in de economie, stedelijke gemeenschap en kerkelijke wereld kon via hetzelfde gilde worden georganiseerd.

52. De namen van de weversheiligen moeten nog worden vastgesteld

In het huidige verhaal moeten we bewust voorkomen dat we patroonheiligen invullen op basis van algemene Europese weverstradities. De relevante vraag is welke heiligen De Vrankrijker daadwerkelijk voor Naarden aantrof en op welke bronnen hij dat baseerde. Dat kan blijken uit gildebrieven, altaren, kerkelijke rekeningen, afbeeldingen of andere plaatselijke documenten. Pas daarna kunnen de heiligen met zekerheid in het verhaal worden opgenomen. Dit is een voorbeeld van het verschil tussen historische waarschijnlijkheid en lokaal bewijs. Juist omdat Naerdincklant als bron niet volledig toegankelijk is, moeten zulke gaten zichtbaar blijven totdat de oorspronkelijke tekst of de door De Vrankrijker gebruikte documenten zijn teruggevonden.

53. Naarden en de dorpen waren economisch verbonden

De tegenstelling tussen stedelijk Naarden en agrarisch Gooiland moet evenmin te scherp worden gemaakt. De stad was afhankelijk van voedsel, brandstof en andere producten uit haar omgeving. Dorpsbewoners bezochten markten en konden stedelijke goederen aanschaffen of werkzaamheden verrichten. Familieverbindingen liepen over plaatsgrenzen heen. Een huishouden kon agrarische en ambachtelijke inkomsten combineren. Daardoor ontstond een regionale economie waarin stad, dorp, akker, heide en werkplaats elkaar aanvulden. Hetzelfde geldt voor de Erfgooiers. Zij moeten niet uitsluitend als geïsoleerde boerenstand worden gezien. Gerechtigdheid tot gemeenschappelijke gronden kon samengaan met handel, ambacht, stedelijke contacten en bezit dat buiten het klassieke boerenbedrijf viel.

54. De schaarbrief vertelt daarom maar een deel

Schaarbrieven zijn onmisbaar omdat zij vastleggen wie tot de gerechtigde gemeenschap behoorde en onder welke voorwaarden gemeenschappelijke gronden werden gebruikt. Maar ze vertellen niet automatisch hoe een gezin daadwerkelijk leefde. Daarvoor zijn andere bronnen nodig: boedelinventarissen, testamenten, transportakten, belastingregisters, gerechtelijke stukken, kerkelijke registers en rekeningen. Daarin verschijnen huizen, vee, akkers, schulden, werktuigen, bijenkorven en familieverhoudingen. Wanneer deze bronnen naast de schaarbrieven worden gelegd, verandert de Erfgooier van een juridische categorie in een mens. Dan wordt zichtbaar hoeveel vee iemand bezat, welk beroep hij daarnaast uitoefende en welke goederen na zijn overlijden aan weduwe en kinderen achterbleven.

55. Oude rechten kwamen bij overlijden samen

Juist een overlijden kon zichtbaar maken hoeveel verschillende rechten binnen één huishouden bestonden. Een huis en particuliere grond konden volgens het gewone erfrecht worden verdeeld, terwijl gerechtigdheid tot de gemene gronden aan afzonderlijke regels gebonden kon zijn. Daarnaast konden lasten op percelen blijven rusten ongeacht wie erfde. Een weduwe kon gebruiksrechten behouden zonder dezelfde positie te hebben als een mannelijke erfgenaam. Kinderen konden bezittingen erven terwijl hun toekomstige gerechtigdheid afhankelijk bleef van leeftijd, afstamming, woonplaats en geldende schaarregels. Daardoor kwamen bij nalatenschappen de verschillende juridische werelden van Gooiland letterlijk in één boedel bijeen. Dit vormt een belangrijke verbinding met onze afzonderlijke erf- en familielijn.

56. Ontginning veranderde de verhouding tussen particulier en gemeen

Door bevolkingsgroei en economische verandering kon druk ontstaan om nieuwe landbouwgrond te winnen. Iedere ontginning van gemeenschappelijke heide veranderde echter de verhouding tussen particuliere en gezamenlijke ruimte. Voor de nieuwe gebruiker kon ontginning aantrekkelijk zijn omdat een akker directe productie opleverde. Voor andere gerechtigden kon dezelfde verandering verlies betekenen van weide, plaggrond of ruimte voor bijen. Daarom is de discussie over koptienden en ontginningsgronden meer dan een technische juridische kwestie. Zij raakt een fundamenteel proces in de Gooise geschiedenis: de voortdurende spanning tussen individueel gebruik en behoud van gemeenschappelijke hulpbronnen. Die spanning zou eeuwenlang terugkeren in conflicten rond de Erfgooiers.

57. Het landschap was daardoor voortdurend in beweging

Het oude Gooiland was geen onveranderlijk middeleeuws decor. Heide kon uitbreiden of verdwijnen, akkers konden worden aangelegd, bossen veranderen en nederzettingen groeien. Wegen verschoofden en oude gebruiksplaatsen raakten buiten gebruik. Bijenschansen konden worden verlaten en later volledig uit het landschap verdwijnen. Kerken werden verbouwd of vervangen. Rechten bleven soms langer bestaan dan de fysieke omstandigheden waarin zij waren ontstaan. Daardoor konden negentiende-eeuwse bewoners nog betalen of procederen over instellingen waarvan de oorsprong vele eeuwen terugging. De geschiedenis van de Erfgooiers is juist zo uitzonderlijk omdat oude gemeenschapsrechten bleven functioneren terwijl de samenleving en het landschap rondom die rechten ingrijpend veranderden.

58. De kaart van 1843 bewaart een latere momentopname

De uitvouwbare kaart die bij Naerdincklant hoort en naar 1843 verwijst, is daarom geen eenvoudige afbeelding van het middeleeuwse Nardinclant. Zij toont een veel latere toestand. Toch kan zo'n kaart bijzonder bruikbaar zijn wanneer daarop gegevens uit oudere bronnen worden geprojecteerd. Oude wegen, heiden, dorpsgrenzen en veldnamen kunnen soms structuren bewaren die veel ouder zijn dan de kaart zelf. Wanneer De Vrankrijkers bijenschansen en andere historische locaties erop zijn aangegeven, vormt zij bovendien een visuele reconstructie van verdwenen gebruik. De kaart moet daarom naast oudere kaarten en het negentiende-eeuwse kadaster worden gelegd, niet als rechtstreeks bewijs voor de middeleeuwen maar als hulpmiddel bij landschapsreconstructie.

59. De Vrankrijker gebruikte bronnen die wij opnieuw moeten vinden

Het grootste resterende belang van Naerdincklant zit mogelijk in de voetnoten. De Vrankrijker werkte met oudere documenten, archieven en publicaties waarvan een gedeelte tegenwoordig afzonderlijk digitaal beschikbaar kan zijn. Iedere bronverwijzing kan daarom een nieuwe onderzoekslijn openen. Het koptiendenarchief is daarvan het duidelijkste voorbeeld, maar hetzelfde kan gelden voor kerkelijke documenten, gildebrieven, plakkaten, gerechtelijke registers en kaarten. Ons doel moet uiteindelijk niet zijn De Vrankrijker simpelweg over te nemen. Zijn boek moet als bronnenwijzer worden gebruikt. Waar mogelijk gaan we terug naar het document dat hij zelf zag en controleren we opnieuw wat daar werkelijk staat.

60. Zijn reconstructies moeten van zijn vondsten worden gescheiden

Daarbij moet steeds onderscheid worden gemaakt tussen wat De Vrankrijker in een bron aantrof en hoe hij die gegevens interpreteerde. Een jaartal, hoeveelheid graan of naam uit een archiefstuk is iets anders dan zijn conclusie over de oorsprong van een recht. Later onderzoek kan dezelfde bron anders uitleggen. De discussie over de koptienden bewijst hoe belangrijk dat onderscheid is. De Vrankrijker blijft waardevol omdat hij bronnen ontsloot en verbanden zag, maar zijn conclusies zijn niet automatisch het laatste woord. Voor ons verhaal betekent dit dat zekerheid, waarschijnlijkheid en hypothese afzonderlijk herkenbaar moeten blijven. Daarmee wordt het uiteindelijke Erfgooiersverhaal sterker in plaats van voorzichtiger alleen om voorzichtig te zijn.

61. Nardinclant was geen geïsoleerde marke

Ook het begrip marke vraagt aandacht. Gooiland vertoonde kenmerken van gemeenschappelijk grondgebruik die met markegenootschappen kunnen worden vergeleken, maar de precieze oorsprong en juridische aard van de Gooise gemeenschap zijn onderwerp van historisch debat. Daarom moet niet worden verondersteld dat vanaf de vroege middeleeuwen al een volledig gevormde Erfgooiersorganisatie bestond. De instituties die uit latere schaarbrieven bekend zijn, kunnen het resultaat zijn van een langdurig ontwikkelingsproces. Landsheerlijk gezag, dorpsgemeenschappen, gewoonterecht en gezamenlijk gebruik beïnvloedden elkaar. De Erfgooiersgemeenschap werd niet op één dag gesticht; zij kreeg door herhaald gebruik, conflicten, regelvorming en schriftelijke bevestiging steeds duidelijker contouren.

62. De omgeving van Gooiland moet worden meegelezen

Vergelijking met andere gebieden kan helpen bepalen welke Gooise verschijnselen uitzonderlijk waren en welke onderdeel vormden van bredere ontwikkelingen. Gemeenschappelijke heiden, schaarrechten, tijnzen, tienden en bijenstanden kwamen ook buiten het Gooi voor. Zulke vergelijkingen moeten echter ondersteunend blijven. Een regel uit Utrecht of een andere marke bewijst niet automatisch dat dezelfde regel in Laren of Hilversum gold. De plaatselijke bronnen blijven leidend. Wel kunnen vergelijkingen verklaren waarom bepaalde oplossingen logisch waren. De regeling van bijenschansen uit 1614 is daarvan een goed voorbeeld: zij toont een bredere behoefte om intensief gebruik van natuurlijke hulpbronnen te ordenen, maar de concrete Gooise toepassing moet afzonderlijk worden vastgesteld.

63. Van abdis tot imker

Wanneer alle lagen worden samengebracht, wordt duidelijk hoe groot de sociale afstand binnen één regionaal systeem kon zijn. Aan de ene kant stonden abdissen, graven, kapittels, leenheren en andere bezitters van rechten. Aan de andere kant stonden boeren, herders, imkers, wevers, weduwen en kinderen die dagelijks met de praktische gevolgen daarvan leefden. Een graaf kon Nardinclant in erfpacht verkrijgen, terwijl een boer eeuwen later een hoeveelheid graan verschuldigd was op een bepaalde akker. Een gerecht kon regels over gemeenschappelijke heide handhaven en tegelijk registreren waar iemand zijn bijenkorven plaatste. Juist die verbinding tussen hoog bestuur en klein dagelijks gebruik maakt de geschiedenis van Gooiland bijzonder.

64. Van Hoog-Elten naar de Gooise huishoudens

De lange lijn begint daarom niet bij de eerste bekende schaarbrief. Zij begint veel eerder, in een wereld waarin Nardinclant onderdeel werd van grotere adellijke en kerkelijke goederencomplexen. Daarna veranderden de machtsverhoudingen: Hoog-Elten, Hollandse graven, Utrechtse kapittels, adellijke leenhouders en lokale instellingen kregen ieder hun plaats. Ondertussen bleef de bevolking het landschap gebruiken. Zij bewerkte akkers, hield vee, verzamelde producten van de heide, verbouwde boekweit en plaatste bijenvolken op schansen. De grote juridische geschiedenis en het kleine dagelijkse bestaan ontwikkelden zich tegelijkertijd. Zonder die beide niveaus samen te brengen kan de geschiedenis van de Erfgooiers niet volledig worden begrepen.

65. Naerdincklant wordt daarmee een bronnenwijzer

De werkelijke waarde van De Vrankrijkers Naerdincklant ligt uiteindelijk in deze breedte. Koptienden leiden naar Elten, middeleeuwse rekeningen en grondbezit. Kerken leiden naar Sint-Vitus, Utrecht, patronaatsrechten en parochievorming. Boekweit leidt naar landbouw en voedsel. Bijen leiden naar heide, schansen, gerechtelijke registratie, honing en was. De draperie leidt naar Naardense ambachten, gilden en handel. Weversheiligen verbinden arbeid opnieuw met religie. Het zijn geen losse curiositeiten. Samen reconstrueren zij de samenleving waarin de gemeenschappelijke rechten van de Gooiers functioneerden. Daardoor wordt Naerdincklant niet alleen een boek over Gooise bijzonderheden, maar een gids naar het verdwenen dagelijkse landschap achter de Erfgooiers.

66. Het oude landschap wordt weer bevolkt

Zo verschijnt achter juridische woorden uiteindelijk een bewoonde wereld. Op de engen staan rogge, gerst en later boekweit. Op de heide graast vee en bloeit voedsel voor duizenden bijen. Bij een schans controleert een imker zijn gemerkte korven. In het gerecht worden gebruik en conflicten geregistreerd. In Naarden werken ambachtslieden aan textiel en organiseren beroepsgenoten zich rond gilde en kerk. Priesters bedienen parochies waarvan rechten gedeeltelijk buiten Gooiland liggen. Families erven huizen, vee en akkers, terwijl gemeenschappelijke gerechtigdheid haar eigen regels volgt. Boven dit alles liggen oude rechten waarvan sommige uiteindelijk terugvoeren naar de middeleeuwse wereld van Nardinclant en Hoog-Elten.

67. Hier ligt de diepere oorsprong van het Erfgooiersverhaal

De Erfgooiers kunnen daardoor niet worden begrepen als uitsluitend bezitters van een bijzonder recht op heide en weide. Zij waren bewoners van een landschap waarin gedurende eeuwen verschillende rechten naast elkaar waren gegroeid. Gemeenschappelijk gebruik stond naast particuliere landbouw, kerkelijke tienden, tijnzen en landsheerlijke aanspraken. Economische verandering bracht boekweit, omvangrijke bijenteelt en stedelijke nijverheid. Kerken en gilden organiseerden andere delen van het sociale bestaan. Iedere generatie erfde daardoor niet alleen grond en goederen, maar ook een landschap vol oudere afspraken en verplichtingen. Uit die voortdurende wisselwerking tussen gemeenschap, gebruik, bezit en macht groeide uiteindelijk de historische wereld die wij als die van de Erfgooiers herkennen.

Deel 2 — Van oude gebruiksgemeenschap naar strijd om eigendom

De Erfgooier werd steeds meer een familiebegrip

In de achttiende eeuw was een ontwikkeling die eeuwen eerder was begonnen steeds duidelijker zichtbaar. De gerechtigdheid werd niet meer uitsluitend verbonden met wonen, een huishouden voeren en het gebruiken van een weer. Binnen Gooiland leefde inmiddels sterk de overtuiging dat het meentrecht aan bepaalde families toebehoorde. Verklaringen van oudere Erfgooiers, aangehaald in de discussies rond 1705–1708, gingen ervan uit dat zij het recht altijd als persoonlijk en erfelijk hadden gekend. Molster betwist dat deze herinneringen de middeleeuwse oorsprong bewezen. Maar juist als historische getuigenis zijn ze belangrijk: rond 1700 beschouwden Gooise gerechtigden het recht zelf kennelijk al als een familie-erfenis.

Gewoonte kon sterker worden dan de oorspronkelijke regel

Dat hoefde niet te betekenen dat iemand bewust een nieuw Erfgooiersrecht had ingevoerd. Molster beschrijft eerder een langzaam proces. Een zoon die de ouderlijke weer overnam, zette het boerenbedrijf voort en gebruikte vervolgens dezelfde gemeenschappelijke gronden als zijn vader. Wanneer dit generaties achtereen gebeurde, werd het praktisch onderscheid tussen het erven van de weer en het erven van de scharing steeds moeilijker zichtbaar. Voor de betrokken familie leek alles tegelijk van vader op zoon over te gaan. Zo kon uit langdurige gewoonte een overtuiging ontstaan dat het meentrecht zelf erfelijk was, ook wanneer oudere schaarbrieven een ingewikkelder werkelijkheid lieten zien.

De vrouwelijke lijn kreeg een andere positie

Daarbij ontwikkelde zich het beginsel dat later als „man uit man” bekend werd. De gerechtigdheid werd steeds sterker gekoppeld aan afstamming door de mannelijke lijn. Molster bestrijdt dat deze regel vanaf het begin van het Gooise gebruik zou hebben bestaan. Volgens zijn reconstructie was zij het resultaat van een veel langere ontwikkeling. Daardoor ontstond uiteindelijk een opvallend verschil tussen gewoon erfrecht en Erfgooiersrecht. Een dochter kon goederen uit een nalatenschap verkrijgen, terwijl zij niet noodzakelijk dezelfde positie ten aanzien van de meent doorgaf als een zoon. Familiebezit en gerechtigdheid konden daardoor bij overlijden verschillende wegen volgen.

De schaarmeesters bepaalden wie werkelijk mocht gebruiken

Het systeem kon alleen functioneren wanneer iemand controleerde wie gerechtigd was en hoeveel vee op de gemeenschappelijke grond mocht worden gebracht. Die taak lag in belangrijke mate bij de schaarmeesters. Zij werden volgens Molster door de afzonderlijke gemeentebesturen benoemd en legden vervolgens hun eed af binnen de gezamenlijke bestuurlijke organisatie. Hun functie was allesbehalve symbolisch. Wanneer iemand dieren op de meent bracht zonder daartoe gerechtigd te zijn, konden zij ingrijpen. Daardoor stonden de schaarmeesters precies op het snijpunt van oude regels en dagelijks boerenleven. Hun beslissingen konden rechtstreeks bepalen hoeveel vee een huishouden mocht houden en of dieren mochten blijven grazen.

Hinlopen ondervond hoe hard de regels waren

Dat bleek in het conflict rond Hinlopen in 1711–1713. De schaarmeesters hadden hem volgens Molsters beschrijving niet tot de scharing toegelaten. Vervolgens werden zijn dieren in beslag genomen, verbeurdverklaard en verkocht. Hinlopen begon daarop een juridische procedure en eiste vergoeding van zijn schade. De zaak werd zo ernstig dat het bestuur van Naarden zich ermee bemoeide. Op 24 juli 1711 besloot de Naardense vroedschap de schaarmeesters bij verdere procesvoering financieel te ondersteunen. Een geschil over gerechtigdheid kon dus eindigen met verlies van daadwerkelijk vee en jarenlange juridische strijd.

Naarden koos de zijde van zijn schaarmeesters

Molster besteedt veel aandacht aan deze zaak omdat andere schrijvers haar anders interpreteerden. Dat Naarden de proceskosten van de schaarmeesters wilde dragen, werd gebruikt als aanwijzing dat de schaarmeesters namens een zelfstandige groep Erfgooiers optraden. Molster draait de redenering om. Juist doordat het stadsbestuur van Naarden tussenbeide kwam en verantwoordelijkheid voor hun optreden nam, ziet hij bewijs voor de gemeentelijke achtergrond van het beheer. Voor het historische verhaal hoeven we die juridische strijd niet te beslissen. Belangrijker is dat stadsbestuur, schaarmeesters en gerechtigden zo nauw verweven waren dat hun bevoegdheden later moeilijk van elkaar konden worden gescheiden.

Meentrecht kreeg een geldwaarde

In 1719 verboden de Staten van Holland de verkoop van meentrecht. Achter dat verbod gaat een belangrijke verandering schuil. Een recht dat oorspronkelijk verbonden was met een huishouden, woonplaats en agrarisch gebruik kon kennelijk als iets waardevols worden behandeld dat mensen wilden overdragen. Daarmee dreigde het los te raken van de oude plaatselijke structuur. Als iemand zijn recht eenvoudig aan een ander kon verkopen, kon een buitenstaander mogelijk toegang krijgen tot een gemeenschappelijke grond waarvan de bestaande gerechtigden juist hadden geprobeerd het aantal gebruikers te beperken. De waarde van het meentrecht maakte bescherming van de gesloten gemeenschap daarom steeds belangrijker.

Het aantal gerechtigden moest beheersbaar blijven

Daarachter lag nog steeds hetzelfde probleem dat al in de vijftiende eeuw zichtbaar was geweest. De oppervlakte van de Gooise heiden en weiden was beperkt. Iedere nieuwe gebruiker kon extra dieren op die grond brengen. Wanneer het aantal gerechtigden te sterk toenam, kwam de beschikbare weide per huishouden onder druk te staan. De afsluiting voor vreemdelingen, de beperkingen rond toelating en uiteindelijk de nadruk op afstamming beschermden daardoor niet alleen een identiteit, maar ook een economisch belang. De Erfgooiers vormden steeds meer een gesloten gebruiksgemeenschap, juist omdat de waarde van deelname toenam naarmate toegang moeilijker werd.

Vanaf 1722 werd gezamenlijk afgerekend

Ook de financiële organisatie veranderde. Volgens Molster bestond oorspronkelijk geen zelfstandige gemeenschappelijke kas. Wanneer Stad en Lande kosten maakte, moesten de betrokken plaatsen hun aandeel betalen. Vanaf 26 maart 1722 kwam er een jaarlijkse gezamenlijke afrekening. De uiteindelijke baten en lasten werden vervolgens over de afzonderlijke gemeenten verdeeld. Dat systeem bleef volgens Molster tot 1811 functioneren. Hierdoor kunnen we Stad en Lande beter begrijpen. Het was een gemeenschappelijk bestuur, maar de financiële wortels bleven in Naarden en de dorpen liggen. Gezamenlijke belangen betekenden niet dat plaatselijke belangen verdwenen. Integendeel: juist geld kon duidelijk maken hoeveel iedere gemeenschap voor het gezamenlijke systeem overhad.

1724 — Laren verzette zich

In 1724 kwam dat scherp naar voren toen een conflict ontstond waarbij Laren tegenover andere Gooise belangen stond. Voor de daaropvolgende juridische procedure werden de belanghebbenden afzonderlijk betrokken bij de machtiging van een procureur. Op 23 april 1724 werd daarvoor een notariële akte verleden bij notaris Nagtglas in Naarden. Molster gebruikt deze gang van zaken om te betogen dat de Vergadering van Stad en Lande nog geen zelfstandige rechtspersoon was. De afzonderlijke plaatsen moesten immers zelf handelen. Tegelijk laat het incident zien dat de gemeenschappelijke meent de dorpen niet automatisch tot één politiek blok maakte.

De samenwerking kon onder grote druk staan

Een plaats kon weigeren mee te werken wanneer haar bestuur meende dat de eigen inwoners onvoldoende voordeel hadden bij een gezamenlijke actie. Dat gebeurde niet alleen met Laren. Door de hele achttiende-eeuwse geschiedenis heen ziet Molster voorbeelden waarin stad en dorpen over kosten, processen en verantwoordelijkheden onderhandelden. Het beheer van de meent was daarom een vorm van interlokaal bestuur vóór het bestaan van moderne regionale bestuursorganen. Naarden en de dorpen hadden elkaar nodig omdat de gemeenschappelijke grond hun grenzen overschreed, maar zij behielden eigen besturen en financiën. Juist uit die combinatie ontstond de bijzondere bestuursvorm van Stad en Lande.

1731 — opnieuw onderhandelen met het Domein

In 1731 werd een nieuwe transactie met het Domein gesloten. Daarbij traden volgens Molster de burgemeesters van Naarden en de buurmeesters van de Gooise dorpen op. Ook dit gebruikt hij als bewijs dat niet een zelfstandige Erfgooiersvereniging maar de lokale besturen naar buiten handelden. De transactie laat tegelijkertijd zien dat het gebruik van de gemeenschappelijke gronden afhankelijk bleef van afspraken met hogere overheden. De Erfgooiers konden hun eigen schaarregels hebben, maar boven hun plaatselijke systeem stonden landsheerlijke en domeinrechten. Gooiland was daardoor nooit juridisch geïsoleerd. Lokale gewoonte, gewestelijk bestuur en domeinbeheer lagen voortdurend over elkaar heen.

1736 — boekweitmeel werd onderdeel van een conflict

Een bijzonder inkijkje in de onderlinge verhoudingen geeft 29 maart 1736. Hilversum en Laren verklaarden volgens Molster niet te willen deelnemen aan een periodieke zending boekweitmeel zolang Huizen en Blaricum zich niet aansloten bij een zaak tegen Jan Perk. Hier komen verschillende onderdelen van het dagelijkse Gooise leven ineens samen. Boekweit was voedsel en handelswaar, maar een levering kon ook als bestuurlijk drukmiddel worden gebruikt. Dorpen die elkaar nodig hadden bij gemeenschappelijke aangelegenheden konden samenwerking op het ene terrein afhankelijk maken van steun op een ander terrein. De meent functioneerde binnen een veel groter netwerk van dorpspolitiek en economie.

1741 — een nieuwe schaarbrief

In de schaarbrief van 1741 werden de rechten en verplichtingen opnieuw vastgelegd. Molster citeert de formulering dat de gemeente aan Naarden en de gemeenschappelijke dorpen tezamen ongescheiden toekwam. Tegelijk werd bepaald wat afzonderlijke dorpen mochten genieten en welke rechten inwoners konden uitoefenen. Daarmee komen twee niveaus voortdurend naast elkaar voor: het gemeenschappelijke Gooiland en de afzonderlijke lokale gemeenschap. De schaarmeesters werden eveneens per plaats benoemd. De meent was dus één landschap, maar het beheer liep via meerdere besturen. Dat verklaart waarom juridische onderzoekers later uit dezelfde stukken tegengestelde conclusies konden trekken over de vraag wie uiteindelijk rechthebbende was.

1745 — Scheerenberg claimde schaarrecht

In 1745 ontstond een conflict over de aanspraken van Scheerenberg op schaarrecht. Stad en Lande besloot daartegen te procederen. Voor Molster is deze zaak vooral belangrijk omdat zij laat zien hoe het bestuur op vermeende ongeoorloofde gerechtigdheid reageerde. Voor het dagelijkse leven betekende zo'n aanspraak iets zeer concreets: iemand wilde dieren op dezelfde beperkte grond laten grazen als de reeds erkende gebruikers. Iedere betwiste gerechtigde kon daarom als bedreiging voor bestaande belangen worden ervaren. De juridische grens tussen gerechtigde en niet-gerechtigde was tegelijk een economische grens tussen wel en geen toegang tot een kostbare gemeenschappelijke hulpbron.

Blaricum wilde de rekening niet betalen

Maar vervolgens ontstond ruzie over de proceskosten. Blaricum wilde aanvankelijk niet meebetalen. Zelfs nadat juridisch advies was ingewonnen, bleef het dorp zich verzetten. Op 27 maart 1748 verklaarde Blaricum nog steeds niet werkelijk aan de procedure te willen deelnemen; hoogstens mocht zijn naam formeel worden gebruikt. Pas op 11 april 1748 sloot het dorp zich alsnog aan. Het voorval maakt duidelijk dat „de Erfgooiers” bestuurlijk geen eenvoudige eenheid vormden. Een gezamenlijk belang bij bescherming van de meent betekende niet automatisch overeenstemming over de kosten waarmee dat belang moest worden verdedigd.

Processen bepaalden steeds opnieuw de grenzen

Ook later kwamen geschillen over scharing voor. Molster verwijst onder andere naar een procedure rond Scheerenberg in 1759. Dergelijke zaken draaiden telkens om dezelfde fundamentele kwestie: welke voorwaarden moest iemand vervullen om zijn dieren op de gemeenschappelijke grond te mogen brengen? Landbezit alleen hoefde niet voldoende te zijn. Afkomst alleen was evenmin altijd de enige historische voorwaarde geweest. De schaarbrieven vormden het praktische toetsingskader. Daardoor kon iemand die zichzelf gerechtigd achtte toch door schaarmeesters worden geweerd. De grenzen van de Erfgooiersgemeenschap werden niet uitsluitend door genealogie bepaald, maar ook door regels, bestuur en rechtspraak.

De achttiende-eeuwse Erfgooier verschilde van de middeleeuwse gebruiker

Wanneer we 1404 met 1750 vergelijken, is de verandering aanzienlijk. De oudste stukken spreken over goede lieden, poorters, landgooiers, buren, huishoudens en bewoners. Tegen de achttiende eeuw was Erfgooier een herkenbare maatschappelijke categorie geworden. Afkomst woog veel zwaarder en het idee van een erfelijk recht was diep ingeburgerd. Toch bleven oudere elementen bestaan: men moest rekening houden met schaarbrieven, schaarmeesters, plaatselijke besturen en de praktische verdeling van gebruik. Het systeem was daardoor een opeenstapeling van eeuwen regels. Nieuwe opvattingen vervingen de oude niet volledig, maar kwamen er bovenop te liggen.

Dat maakte overlijden juridisch steeds ingewikkelder

Juist bij overlijden kwamen al die lagen samen. De bezittingen van een gestorven Erfgooier vielen in zijn gewone nalatenschap. Zijn huis, land, vee, geld en schulden moesten onder erfgenamen worden verdeeld of gezamenlijk worden voortgezet. Maar zijn positie binnen de gerechtigde gemeenschap volgde bijzondere regels. De familie kon daardoor met twee verschillende vormen van opvolging te maken krijgen. Een dochter kon bijvoorbeeld een vermogensrechtelijk erfdeel hebben zonder dat daarmee automatisch dezelfde Erfgooierspositie werd doorgegeven. Een zoon kon juist door mannelijke afstamming een bijzondere aanspraak behouden. De ontwikkeling naar „man uit man” maakte die scheiding steeds scherper.

Weduwen konden daarom tussen twee rechtswerelden terechtkomen

Voor een weduwe kon de situatie bijzonder ingewikkeld zijn. Zij kon als echtgenote en erfgename belangen hebben in huis, boerderij, land, vee en boedel, terwijl de bijzondere gerechtigdheid niet eenvoudig als persoonlijk erfdeel op haar overging. De oudere schaarbrieven laten bovendien zien dat huishoudelijke omstandigheden zelf invloed op scharing konden hebben. Daardoor moet de positie van een weduwe steeds worden onderscheiden in boedelrecht, gebruik van het boerenbedrijf en Erfgooiersrecht. Molster werkt niet iedere mogelijke weduwenpositie afzonderlijk uit, maar zijn bronnen maken duidelijk waarom weduwen niet uit de geschiedenis van de meent mogen worden weggeschreven.

Ook kinderen stonden niet allemaal gelijk

Hetzelfde gold voor kinderen. De schaarbrief van 1442 had nog expliciet gesproken over wezen die in de ouderlijke weer bleven zitten. In het latere systeem werd mannelijke afstamming steeds belangrijker. Daardoor konden broers en zusters binnen dezelfde nalatenschap verschillende posities krijgen. Zij waren allemaal kinderen van dezelfde ouders en konden allemaal delen in de gewone boedel, terwijl de bijzondere gerechtigdheid anders werd behandeld. Dit verklaart waarom genealogie voor de latere Erfgooiers zo belangrijk werd. Om vast te stellen wie gerechtigd was, moest men niet alleen weten wie iemands ouders waren, maar vooral via welke afstammingslijn iemand met een gerechtigde familie verbonden was.

1811 — de Franse overheid stelde de verdelingsvraag

Tijdens de Franse tijd werd de toekomst van de gemeenschappelijke grond opnieuw ter discussie gesteld. In 1811 vroeg het bestuur of de gemeenschappelijke heiden en weiden moesten worden verdeeld. Daarvoor vond in Naarden een uitzonderlijke bijeenkomst plaats. Maar liefst 808 Erfgooiers kwamen samen in de kerk. Het aantal laat zien hoe omvangrijk de gerechtigde gemeenschap inmiddels was. De bijeenkomst betekende tevens dat de overheid de Erfgooiers zelf als gesprekspartner behandelde. Voor Molster bewijst dat nog niet dat zij juridisch eigenaar waren, maar sociaal en bestuurlijk was hun positie inmiddels onmiskenbaar. Zij traden als herkenbare belangengroep naar voren.

De kerk van Naarden werd een politieke vergaderzaal

Het beeld van achthonderdacht gerechtigden in één kerk verdient afzonderlijke aandacht. De plaats waar gewoonlijk kerkdiensten werden gehouden werd nu gebruikt om over de toekomst van het Gooise landschap te spreken. Boeren en andere gerechtigden uit verschillende plaatsen kwamen bijeen rond een kwestie die hun gezinnen en bedrijven rechtstreeks kon raken. Verdeling kon betekenen dat eeuwenoud gezamenlijk gebruik plaatsmaakte voor afzonderlijke percelen. Daarmee zou niet alleen de juridische structuur veranderen, maar mogelijk ook het landschap zelf. De vergadering van 1811 vormt daarom een overgangsmoment tussen de oude gemeenschappelijke wereld en de negentiende-eeuwse strijd over individueel en gemeentelijk eigendom.

Na 1811 veranderden de geldstromen

Ook financieel ontstond rond deze tijd een nieuwe situatie. De gezamenlijke rekening had tot dan toe uiteindelijk in de gemeentelijke financiën doorgewerkt. Na 1811 ontstonden in de dorpen volgens Molster afzonderlijke meentekassen, terwijl Naarden bepaalde inkomsten nog op de stedelijke begroting bleef opnemen. Daarmee groeiden gemeentelijke financiën en belangen van de gerechtigden langzaam uit elkaar. Zolang beide vrijwel samenvielen, hoefde niemand precies te bepalen wie eigenaar was. Nu burgerlijke gemeenten zich ontwikkelden en de gerechtigden als afzonderlijke groep herkenbaarder werden, kon dezelfde onduidelijkheid niet eindeloos blijven bestaan. De moderne overheid dwong het oude systeem steeds meer tot juridische precisie.

1825 — geen eigenaren maar vruchtgebruikers

Toch sprak de schaarbrief van 1825 volgens Molster nog over de „vruchtgebruikers der gemeene heiden en weiden”. Die formulering herinnert sterk aan de eeuwenoude scheiding tussen eigendom en gebruik. De gerechtigden genoten de grond, maar de tekst noemde hen daarmee nog niet zonder meer eigenaar. Voor Molster was dat later een belangrijk argument. Voor de Erfgooiers zelf kon hun positie ondertussen heel anders worden ervaren. Een familie die generaties achtereen scharing had gehad, kon haar recht als erfelijk bezit beschouwen, ongeacht welke juridische term een schaarbrief gebruikte. Zo stonden geschreven recht en plaatselijk rechtsbewustzijn naast elkaar.

1836 — een eeuwenoude toestand werd doorbroken

Met het Koninklijk Besluit van 12 januari 1836, nr. 85, begon een nieuwe fase. Het Domein droeg gronden over aan de Vergadering van Stad en Lande van Gooiland, aangeduid als vertegenwoordigster van de stad Naarden en de gezamenlijke Erfgooiers. Op 12 juli 1836 werd de grens van het overgedragen gebied vastgelegd. De grond kwam vervolgens in de registers op naam van Stad en Lande te staan. Daarmee gebeurde iets fundamenteels. De eeuwenoude gebruiksgemeenschap kreeg te maken met daadwerkelijk overgedragen eigendom. Vanaf dat ogenblik kon de vraag „wie mag gebruiken?” niet meer worden losgemaakt van de vraag „wie bezit de grond?”

Stad en Lande gaf onmiddellijk een opvallend antwoord

Op 13 mei 1836 besloot Stad en Lande dat bepaalde gronden binnen de kommen en de Engen als eigendom van de respectieve gemeenten moesten worden beschouwd, „zooals steeds in usantie is geweest”. Molster vond deze passage in het register van besluiten. De oorspronkelijke resolutie zelf kon hij niet raadplegen. Dat detail is belangrijk, omdat het laat zien hoe voorzichtig met de negentiende-eeuwse reconstructie moet worden omgegaan. Toch is het besluit opvallend: Stad en Lande leek kort na de overdracht zelf van gemeentelijk eigendom uit te gaan. Enkele jaren later zou dezelfde organisatie een heel andere positie verdedigen.

Backer verdedigde Naarden en de dorpen

Jhr. mr. C. Backer werd een belangrijke verdediger van de gemeentelijke aanspraken. Hij schreef onder andere Iets over Gooiland, Wie zijn de gerechtigden tot het gebruik der gemeene heiden en weiden van Gooiland? en een Verdediging van het recht der Stad Naarden en der Dorpsgemeenten. Op 13 februari 1841 legde hij zijn argumenten bovendien voor aan de gouverneur van Noord-Holland. Backer keek naar dezelfde oude geschiedenis die later door Perk, Rinkel en Molster zou worden onderzocht, maar trok daaruit zijn eigen juridische conclusie: niet een verzameling individuele Erfgooiers, maar de plaatselijke gemeenschappen stonden volgens deze richting centraal.

Perk ging de oude archieven in

Stad en Lande gaf op 12 februari 1841 haar secretaris A. Perk opdracht de oorsprong en aard van de Gooise gebruiksrechten systematisch te onderzoeken. Op 12 juli 1841 leverde hij zijn verslag in. Dat onderzoek werd later van uitzonderlijk belang omdat Perk oude documenten bijeenbracht en publiceerde die anders veel moeilijker toegankelijk zouden zijn geweest. Molster bestrijdt regelmatig zijn interpretaties, maar spreekt met waardering over het beschikbaar maken van de bronnen. Voor ons onderzoek zijn Perk en Molster daarom complementair: Perk ontsluit veel oude stukken, terwijl Molster laat zien hoe omstreden hun juridische betekenis in de negentiende eeuw was.

Perk koos juist voor de Erfgooiers

Perks conclusie stond tegenover die van Backer. Volgens Perk lagen de rechten uiteindelijk bij de Erfgooiers zelf. Ook de Amsterdamse advocaat mr. De Martini adviseerde volgens Molster in die richting. Op 2 september 1841 stuurde Stad en Lande vervolgens een brief aan de gouverneur waarin Backers gemeentelijke interpretatie krachtig werd bestreden. De Vergadering koos daarmee de zijde van de gerechtigden. Dat is opmerkelijk, omdat zij vijf jaar eerder nog een besluit had genomen dat juist op gemeentelijke eigendom leek te wijzen. Het toont hoe onzeker de juridische situatie was en hoe snel de interpretatie van dezelfde geschiedenis kon veranderen.

1843 — Den Haag durfde niet te beslissen

De regering koos uiteindelijk voor een tussenoplossing. In het Koninklijk Besluit van 2 augustus 1843, nr. 52 werd bepaald dat de gebruikte benamingen geen beslissing mochten vormen over het geschil tussen gemeenten en Erfgooiers. De eigendom die door de transacties werd verkregen, moest terechtkomen bij degenen die vóór 1836 de oude gebruiksrechten hadden bezeten. Daarmee werd de kernvraag echter alleen verplaatst: wie waren vóór 1836 de werkelijke dragers van dat gebruiksrecht? Precies daarvoor moesten juristen vervolgens terug naar de schaarbrieven van 1404, 1442, 1455, 1568 en 1741 en naar het proces van 1474.

De middeleeuwen kregen plotseling een moderne geldwaarde

Daardoor gebeurde iets merkwaardigs. Woorden die eeuwen eerder waren gebruikt om lokale boerenpraktijken te regelen, kregen in de negentiende eeuw enorme financiële betekenis. Wat betekende waerschap in 1404? Wat was landwinning in 1407? Wat bedoelde men met veltslagh in 1442? Werd een schaar werkelijk „aangeërfd”, of erfde alleen de weer waaraan het gebruik verbonden was? Wie in 1880 antwoord gaf op zulke vragen, sprak niet alleen over geschiedenis. Het antwoord kon bepalen wie aanspraak had op grote oppervlakten steeds waardevoller wordende Gooise grond. Historisch onderzoek werd daardoor rechtstreeks onderdeel van de eigendomsstrijd.

1858 — zelfs het provinciebestuur hield zich afzijdig

Toen in 1858 een verlenging van de schaarbrief aan de orde kwam, weigerden Gedeputeerde Staten van Noord-Holland goedkeuring. Daarbij werd gezegd dat gemeentebesturen bij deze aangelegenheden niet uitsluitend als gewone gemeentebesturen optraden, maar belangen van Erfgooiers behartigden. Hilversum vreesde dat hiermee de eigendomsvraag was beslist en vroeg opheldering. Op 22 juli 1858 verklaarden Gedeputeerde Staten echter uitdrukkelijk dat zij geen definitieve uitspraak over het eigendom hadden willen doen. Meer dan twintig jaar na 1836 bleef dus precies dezelfde fundamentele onzekerheid bestaan.

1873–1884 — juristen bleven tegenover elkaar staan

In 1873 verdedigde De Geer van Jutphaas de aanspraken van de Erfgooiers. In 1884 volgde mr. L. Rinkel met zijn Bijdrage tot den Rechtstoestand der Erfgooiers. Rinkel probeerde onder andere aannemelijk te maken dat de Erfgooiers gezamenlijk als een bijzondere juridische gemeenschap konden worden beschouwd. Molster bestreed dat later uitvoerig. Volgens hem ontbraken daarvoor juist de kenmerken die men bij een zelfstandige rechtspersoon verwachtte: een vaste oorspronkelijke naam, een zelfstandige kas, een algemene ledenvergadering en een bestuur dat onafhankelijk van Naarden en de dorpen naar buiten optrad. Zo bleef dezelfde geschiedenis twee tegengestelde juridische lezingen mogelijk maken.

1875 — Hilversum dacht zelfs aan uittreden

De onderlinge spanning werd ook praktisch zichtbaar. In 1875 stelde Hilversum voor uit de gemeenschappelijke Gooise organisatie te treden, samen met de daar wonende gerechtigden. Daarbij bleef Hilversum nadrukkelijk vasthouden aan eventuele rechten van de burgerlijke gemeente op grond van de regeling van 1843. Dat voorstel laat zien hoezeer de oude samenwerking onder druk kwam te staan. De Gooise plaatsen veranderden in de negentiende eeuw. Bevolking, economie, infrastructuur en grondwaarde ontwikkelden zich, waardoor de belangen van een groeiende plaats als Hilversum niet meer noodzakelijk samenvielen met die van de andere dorpen.

1883 — Stad en Lande ging naar de Tweede Kamer

Toen nieuwe wetgeving over de verdeling van markgronden dreigde, richtte Stad en Lande zich in 1883 tot de Tweede Kamer. De Vergadering verdedigde opnieuw de rechten van de Erfgooiers. De eeuwenoude meent stond nu tegenover een nationale politiek die gemeenschappelijke gronden wilde verdelen en economisch anders wilde gebruiken. Daardoor kwam ook de vraag naar de historische eigenaar opnieuw op scherp te staan. Wie mocht beslissen over verdeling? Wie ontving de grond of de opbrengst? Waren dat de gemeenten, de individuele gerechtigden of een gezamenlijke organisatie? Zonder antwoord op die vragen kon de Gooise meent niet eenvoudig in het moderne eigendomsrecht worden ingepast.

1886 — de Markewet bereikte Gooiland

De wet van 10 mei 1886 ter bevordering van de verdeling van markgronden werd ondanks het verzet van Stad en Lande ook op Gooiland toegepast. Daarmee werd een eeuwenoude kwestie acuut. De heiden en weiden waren niet langer uitsluitend van belang voor boeren die er vee lieten grazen. Grond had inmiddels andere economische mogelijkheden gekregen. Groei van dorpen, infrastructuur en moderne ontwikkeling verhoogden de waarde. Een juridisch verschil dat in 1500 misschien vooral bepaalde wie een koe mocht laten weiden, kon in 1886 bepalen wie recht had op zeer waardevolle onroerende goederen. Dat vormde de onmiddellijke aanleiding voor Molsters onderzoek.

1887 — Buis koos voor de gemeenten

In de Gooi- en Eemlander verdedigde F.A. Buis in 1887 uitvoerig de rechten van de burgerlijke gemeenten. Molster sloot in belangrijke mate bij die richting aan. Daardoor stonden aan het einde van de negentiende eeuw twee duidelijke interpretaties tegenover elkaar. Perk, De Martini, De Geer van Jutphaas en Rinkel benadrukten de positie van de Erfgooiers; Backer, Buis en Molster zochten de oorspronkelijke drager van het recht vooral bij stad en dorpsgemeenschappen. Geen van beide kampen kon volstaan met het recht van hun eigen tijd. Iedereen moest eeuwen terug om de betekenis van de oude Gooise instellingen te reconstrueren.

1888 — zelfs de spoorweg raakte bij de strijd betrokken

In 1888 dook de eigendomskwestie opnieuw op in een zaak waarbij Wesseling en Maas q.q., de burgemeester van Hilversum en de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij betrokken waren. Molster verwijst naar de conclusie van graaf Schimmelpenninck, gepubliceerd in Weekblad van het Recht, nr. 5563. Daarmee raakt het oude Erfgooiersrecht rechtstreeks aan de moderne infrastructuur. Grond waar eeuwen eerder schapen en koeien werden geweid lag nu in een wereld van spoorlijnen, uitbreidende gemeenten en stijgende grondprijzen. De vraag wie de heide bezat was daardoor geen antiquarisch probleem meer, maar een kwestie met concrete gevolgen voor negentiende-eeuwse ontwikkeling en grondverwerving.

Molster zag een groot probleem bij persoonlijk eigendom

Molster formuleerde vervolgens een scherp argument tegen de gedachte dat de individuele Erfgooiers van 1836 persoonlijk eigenaar waren geworden. Als iedere toen levende Erfgooier een aandeel in de grond had gekregen, zou dat aandeel volgens het gewone erfrecht onderdeel van zijn nalatenschap zijn geworden. Na zijn overlijden konden niet alleen latere Erfgooiers maar ook andere wettelijke of testamentaire erfgenamen aanspraken verkrijgen. Na enkele generaties zou het eigendom over een zeer grote en ingewikkelde groep personen verspreid kunnen zijn. Die groep zou bovendien niet meer samenvallen met degenen die volgens de schaarbrieven als Erfgooier gerechtigd waren.

Hier raken erfrecht en Erfgooiersrecht elkaar opnieuw

Molsters redenering brengt ons terug bij de wees uit de schaarbrief van 1442. Eeuwenlang waren twee systemen naast elkaar blijven bestaan. Het gewone erfrecht bepaalde wie huis, geld, land, vee en andere goederen kreeg. De bijzondere Gooise regels bepaalden wie de meent mocht gebruiken. Wanneer men in 1836 van dat gebruik plotseling persoonlijk eigendom maakte, zouden beide systemen door elkaar gaan lopen. Molster vond dat onhoudbaar. Juist daardoor wordt duidelijk waarom het onderscheid tussen een erfgenaam en een Erfgooier voor het complete verhaal fundamenteel is. Het woord „erf” maakt beide begrippen verwant, maar juridisch waren zij niet hetzelfde.

De kern van Molsters reconstructie

Volgens Molster begon de geschiedenis met gemeenschappelijke gebruiksrechten van plaatselijke inwoners die onder toezicht van stad en dorpen stonden. Vervolgens werden voorwaarden gesteld aan woonplaats, landgebruik, huishouden en vermogen. Nieuwkomers werden geweerd. Dezelfde boerenfamilies bleven generaties achtereen op dezelfde weren wonen en dezelfde scharing gebruiken. Daardoor ontstond geleidelijk de overtuiging dat het recht zelf werd geërfd. Vervolgens werd mannelijke afstamming belangrijk en groeide de Erfgooier uit tot een afzonderlijke sociale categorie. Toen het Domein in 1836 eigendom overdroeg, botste die inmiddels eeuwenoude sociale werkelijkheid met de veel oudere bestuurlijke structuur.

Een meent die voortdurend veranderde

Het belangrijkste dat uit Molsters boek naar voren komt, is daarom niet dat de Erfgooiers eeuwenlang onveranderd hetzelfde recht bezaten. Integendeel. Tussen 1404 en 1888 veranderden de voorwaarden, namen, bestuurders, gebruikers en juridische verklaringen voortdurend. De eerste schaarbrieven spreken over huishoudens en bewoners; later worden vreemdelingen uitgesloten; vervolgens verschijnt het erfelijke familie-element; daarna ontstaat een bestuurlijk herkenbare groep Erfgooiers; ten slotte botsen hun rechten met modern gemeenterecht, kadaster, spoorwegen en landelijke wetgeving. De geschiedenis van de Gooise meent is juist het verhaal van de manier waarop een oude gebruiksgemeenschap zich telkens aan een veranderende samenleving moest aanpassen.

Achter het juridische debat bleef het landschap bestaan

Ondanks al die juridische veranderingen bleef de kern eeuwenlang tastbaar: de heiden en weiden zelf. Daar werden dieren gebracht, daar golden de schaarregels en daar lag de economische reden waarom families hun gerechtigdheid zo fel bewaakten. Iedere juridische formule had uiteindelijk gevolgen voor daadwerkelijk land. Wanneer een nieuw gezin werd toegelaten, moest de grond met meer dieren worden gedeeld. Wanneer een gerechtigde stierf, moest worden bepaald wie zijn positie voortzette. Wanneer grond werd ontgonnen of afgestaan, verminderde de beschikbare ruimte. De meent vormde daardoor de fysieke basis waarop het gehele Erfgooiersstelsel rustte.

Van hoornsignaal tot Koninklijk Besluit

Tussen het hoornsignaal van 1326 en de Koninklijke Besluiten van 1836 en 1843 ligt een ontwikkeling van meer dan vijf eeuwen. Eerst riep men inwoners bijeen om over gemeenschappelijk land te spreken. Daarna kwamen schaarbrieven, schaarmeesters, processen, Stad en Lande, gezamenlijke rekeningen, meentekassen en uiteindelijk landelijke wetgeving. Wat begon als lokaal beheer van een gemeenschappelijk landschap werd een ingewikkeld stelsel van historische rechten. Toch bleef één vraag steeds terugkeren: wie behoort tot de gemeenschap die van deze grond mag profiteren? Iedere eeuw gaf daarop een iets ander antwoord.

Het woord Erfgooier bevat die hele ontwikkeling

Daarom is „Erfgooier” uiteindelijk meer dan de naam van iemand met weiderechten. In het woord komen landschap, afkomst, huishouden, boerderij, recht, bestuur en familiegeschiedenis samen. Het „erf” verwijst in de historische ontwikkeling niet simpelweg naar een modern erfdeel. Het raakt aan de opeenvolging van families op dezelfde plaatsen en aan de overtuiging dat het recht bij die continuïteit hoorde. Het „Gooier” verbindt die persoon met Gooiland. Samen ontstond een identiteit die veel sterker werd dan de losse bepalingen waaruit zij eeuwen eerder was gegroeid. Dat verklaart waarom de gerechtigden hun positie uiteindelijk zo hardnekkig verdedigden.

Molster laat vooral zien waarom de strijd niet eenvoudig oplosbaar was

Perk, Rinkel en de Erfgooiers konden wijzen op eeuwenlange persoonlijke uitoefening, erfelijke opvolging en een sterk plaatselijk rechtsbewustzijn. Backer, Buis en Molster konden daartegenover wijzen op gemeentebesturen, afzonderlijke stad- en dorpsrekeningen, schaarmeesters, oude procespartijen en het ontbreken van een duidelijke oorspronkelijke Erfgooiersvereniging. Beide beelden waren ontstaan uit verschillende lagen van dezelfde geschiedenis. Een instelling die eeuwenlang door gewoonte was gegroeid, liet zich in de negentiende eeuw niet gemakkelijk in één moderne juridische categorie dwingen. Juist die spanning maakt de geschiedenis van de Erfgooiers uitzonderlijk rijk.

De mensen achter de rechten

Wanneer de juridische discussie wordt teruggebracht tot het dagelijkse leven, zien we uiteindelijk generaties Gooise gezinnen. Een vader stierf en kinderen bleven in zijn weer. Een weduwnaar zag zijn huishoudelijke positie veranderen. Een nieuwkomer probeerde toegang te krijgen. Een schaarmeester telde of controleerde vee. Een dorp weigerde proceskosten te betalen. Bestuurders vergaderden in Naarden. In 1811 vulden 808 gerechtigden de kerk. In de negentiende eeuw bladerden juristen vervolgens door dezelfde oude stukken om te bepalen wat al die handelingen juridisch betekenden. De Erfgooiersgeschiedenis werd zo opgebouwd door mensen die hun bestaansrecht op het Gooise landschap generatie na generatie probeerden te behouden.

.

De Erfgooiers en de gemeenschappelijke gronden van Gooiland

De grond was gemeenschappelijk, maar van wie was hij?

Eeuwenlang lagen rond Naarden, Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen en Bussum uitgestrekte heiden, weiden, bossen en venen waarvan de Gooise bevolking gebruikmaakte. Koeien, paarden en schapen werden er geweid, plaggen en andere producten werden er gewonnen en het gebruik ervan was van grote betekenis voor het boerenbedrijf. Veel later zouden de gebruikers bekendstaan als Erfgooiers. Maar achter dat vertrouwde woord schuilt een ingewikkelde geschiedenis. De oudste bronnen spreken helemaal niet vanzelfsprekend over Erfgooiers. Zij noemen goede lieden, poorters, buren, landgooiers en inwoners. Pas door eeuwen van regels, conflicten, processen, huwelijk, overlijden en erfopvolging ontstond de gesloten gerechtigde gemeenschap die later met Erfgooiers werd vereenzelvigd.

Een gebruik dat ouder was dan het geheugen

Hoe oud het gemeenschappelijke gebruik precies was, wist in de late middeleeuwen niemand meer. Toen de Gooiers in de vijftiende eeuw hun rechten tegenover de landsheer moesten verdedigen, beriepen zij zich erop dat zij de gronden gebruikten zolang niemand zich het tegendeel kon herinneren. Volgens de voorstelling die F.A. Molster in 1888 uit de stukken reconstrueerde, kon het gebruik zelfs teruggaan tot de eerste bewoning van Gooiland. Dat betekende echter nog niet dat de gebruikers volgens hem eigenaar van de bodem waren. Juist het verschil tussen eigendom van de grond en het recht die grond te gebruiken zou eeuwenlang het centrale probleem van Gooiland blijven.

Elten, de graaf en Gooiland

Molster voert de eigendomsgeschiedenis terug tot de middeleeuwen. Hij verbindt Gooiland eerst met het vrouwenstift Elten en vervolgens met graaf Floris V, die in 1280 rechten in het gebied verwierf. In Molsters juridische reconstructie kwam de eigendom uiteindelijk bij de landsheer terecht, terwijl de bewoners hun oude gebruik behielden. Dat onderscheid is belangrijk. Een Gooise boer hoefde geen eigenaar van de heide te zijn om er toch rechten te bezitten. Zijn bestaanszekerheid kon juist afhangen van een collectief gebruiksrecht dat door generaties inwoners was uitgeoefend. Het landschap werd daardoor tegelijkertijd landsheerlijk bezit, plaatselijke bestaansgrond en onderwerp van voortdurend bestuurlijk overleg.

In 1326 klonk de hoorn

Een prachtig vroeg beeld dateert uit 1326. De Gooise bevolking kon worden opgeroepen door het blazen van een hoorn. Graaf Willem verbood de inwoners zonder betrokkenheid van baljuw of schout gezamenlijk bijeen te komen om over zaken betreffende het gemeenschappelijke land te beraadslagen. Hoe deze bijeenkomsten precies functioneerden, blijkt uit Molsters bron niet volledig. Maar het tafereel is veelzeggend. Wanneer er iets met de gemeenschappelijke belangen gebeurde, konden inwoners worden samengeroepen. Lang voordat er sprake was van een moderne vereniging bestond dus een gemeenschap die zich bewust was van gedeelde belangen rond land en gebruik. Het beheer van het landschap was ook een vorm van plaatselijk bestuur.

1404 — de eerste schaarbrief

In 1404 werd een regeling getroffen tussen „de goede luyden van Naarden” en de „gemeene Waerschap” van Gooiland. Deze eerste schaarbrief is een fundamenteel document. Naarden vormde een eigen partij tegenover de landgooiers. Samen bepaalden zij dat de gemeenschappelijke grond onverdeeld moest blijven, tenzij beide partijen gezamenlijk anders besloten. Daarmee werd schriftelijk vastgelegd wat in het dagelijkse bestaan essentieel was: niemand mocht zomaar een gedeelte van de gemeenschappelijke grond naar zich toe trekken. De meent behoorde tot een systeem van gezamenlijk gebruik. Tegelijk blijkt uit de formulering dat stad en platteland verschillende belangen konden hebben en dat samenwerking daarom formeel moest worden geregeld.

Het huishouden stond midden in het systeem

De schaarbrief van 1404 laat ook zien hoe praktisch de regels waren. De omvang van de scharing kon samenhangen met de samenstelling van een huishouden. In een huis waarin twee paren volk woonden, mochten meer schaarbeesten worden gehouden dan in een huis met één paar. Het ging dus niet uitsluitend om een abstract persoonlijk recht. Achter iedere schaar stonden mensen, een huis, land, dieren en een boerenbedrijf. De gemeenschappelijke heide en weide waren een verlengstuk van het erf. Zonder voldoende weidegrond konden minder dieren worden gehouden. Regels over scharing grepen daardoor rechtstreeks in op de economie en het dagelijkse leven van Gooise gezinnen.

1407 — niet iedereen mocht zomaar meedoen

In een privilege van Jan van Beieren uit 1407 verschijnt een volgende voorwaarde. Wie de gemeenschappelijke grond wilde gebruiken, moest aan het vereiste van landwinning voldoen. Over de precieze historische betekenis van dat begrip verschilden negentiende-eeuwse onderzoekers als Perk, Backer en Molster van mening. Wel is duidelijk dat ingezetenschap alleen niet altijd voldoende was. Economische voorwaarden konden bepalen wie volledig aan de gemeenschappelijke rechten deelnam. Daardoor ontstond binnen de Gooise bevolking een onderscheid tussen mensen die wel en niet gerechtigd waren. De meent was gemeenschappelijk, maar dat betekende niet dat iedere inwoner onder alle omstandigheden hetzelfde gebruiksrecht bezat.

Rijk en arm kregen verschillende kansen

Daarmee verschijnt een sociale tegenstelling die gemakkelijk verdwijnt wanneer alleen over „de Erfgooiers” wordt gesproken. Naarmate toelatingseisen scherper werden, konden bezit en vermogen belangrijker worden. De welgestelde boeren hadden er bovendien belang bij het aantal gebruikers beperkt te houden. Iedere nieuwe gerechtigde kon immers extra koeien, paarden of schapen op dezelfde hoeveelheid grond brengen. Gemeenschappelijk bezit of gebruik betekende daarom niet vanzelfsprekend sociale gelijkheid. Er kon juist een strijd ontstaan tussen gevestigde gebruikers en nieuwkomers, tussen mensen met voldoende land en mensen zonder land, en tussen gezinnen die al generaties in Gooiland woonden en degenen die zich er pas hadden gevestigd.

1417 — ook de zusters van Naarden kregen scharing

In 1417 verleende Naarden aan een gemeenschap van zusters zowel poorterschap als scharing. De vermelding is klein, maar belangrijk. De wereld van de gemeenschappelijke gronden bestond niet uitsluitend uit mannelijke boeren. Ook religieuze gemeenschappen konden rechten verkrijgen. Tegelijk laat deze schenking zien dat poorterschap en daadwerkelijk gebruik van de meent juridisch met elkaar konden samenhangen zonder precies hetzelfde te zijn. Het stadsbestuur kon blijkbaar invloed uitoefenen op toegang tot de gemeenschappelijke grond. Daarmee werd de scharing behalve een agrarisch gebruik ook een bestuurlijk instrument: toelating tot de plaatselijke gemeenschap kon economische rechten met zich meebrengen.

1442 — wonen, land en scharing werden verbonden

De schaarbrief van 1442 geeft veel meer inzicht in de voorwaarden. Een gerechtigde moest in Naarden of Gooiland gevestigd zijn en aan andere eisen voldoen, waaronder het in de bron genoemde veltslagh. Wie Gooiland verliet, kon zijn gebruiksrecht verliezen. Dat is wezenlijk. Het recht was nog sterk verbonden met daadwerkelijk wonen en functioneren binnen de Gooise gemeenschap. De heide was geen bezit dat iemand eenvoudig kon meenemen wanneer hij naar Amsterdam, Utrecht of elders verhuisde. De gebruiker hoorde bij een plaatselijk huishouden en boerenbedrijf. Daardoor vormden woonplaats, landgebruik, gezin en scharing samen één economische structuur.

Overlijden veranderde onmiddellijk de rechten

Juist bij een overlijden wordt zichtbaar hoe dat systeem werkte. Wanneer een gerechtigde stierf, bleef er meer achter dan een recht op de meent. Er waren een huis, land, vee, gereedschap, schulden, kinderen en soms een achterblijvende echtgenoot. De gewone nalatenschap moest worden geregeld, maar tegelijkertijd veranderde de positie tegenover de gemeenschappelijke grond. De schaarbrief van 1442 bevat daarom afzonderlijke bepalingen over wezen en weduwnaars. Het latere Erfgooiersrecht kan niet goed worden begrepen wanneer alleen naar afstamming wordt gekeken. In de oudere regeling draaide veel om de vraag wie het bestaande huishouden en de agrarische onderneming daadwerkelijk voortzette.

De bestorven weer

Een sleutelbegrip daarbij is de bestorven weer. Wanneer ouders overleden, konden kinderen in de ouderlijke weer blijven zitten. Daarmee erfden zij een concrete economische positie: het erf en de agrarische eenheid waaraan gebruik van de gemeenschappelijke grond verbonden kon zijn. Molster gebruikt dit begrip om te bestrijden dat het schaarrecht zelf oorspronkelijk als een gewoon individueel erfgoed werd overgedragen. Zijn redenering is dat eerst de weer overging en dat de nieuwe gebruiker vervolgens op grond van zijn positie recht op scharing kreeg. Voor de familiegeschiedenis is het onderscheid essentieel: het erven van het boerenbedrijf en het verkrijgen van meentgebruik liepen samen, maar waren juridisch niet noodzakelijk hetzelfde.

De wees van achttien jaar

De schaarbrief bepaalde dat een weeskind van achttien jaar of ouder, wanneer het in de van de ouders afkomstige weer bleef zitten, een bepaalde scharing kon behouden. De tekst spreekt daarbij zelfs over scharen die van de ouders waren „aangeërft”. Dat klinkt sterk als erfrecht. Toch wijst Molster erop dat juist de leeftijdsgrens en het blijven zitten in de ouderlijke weer laten zien dat meer voorwaarden golden dan alleen afstamming. Een kind erfde dus niet noodzakelijk bij het overlijden automatisch een los verhandelbaar recht. Leeftijd, voortzetting van het huishouden en de positie op het erf speelden eveneens een rol.

Broers en zusters bleven soms samen zitten

Wanneer meerdere kinderen achterbleven, betekende dat volgens Molsters lezing evenmin dat ieder kind afzonderlijk dezelfde volledige scharing kreeg. Zij konden gezamenlijk in de ouderlijke weer blijven zitten en gezamenlijk de daarbij behorende positie voortzetten. Hier wordt het middeleeuwse gezin zichtbaar als economische gemeenschap. Een nalatenschap hoefde niet onmiddellijk in afzonderlijke delen uiteen te vallen. Broers en zusters konden samen in het ouderlijke bedrijf blijven. Het gebruik van de meent volgde dan die gezamenlijke huishouding. Dat verklaart waarom het Erfgooiersrecht niet eenvoudig met modern individueel eigendom kan worden gelijkgesteld. De gerechtigdheid groeide uit een wereld waarin familie, huis en bedrijf nauw met elkaar waren verbonden.

De weduwnaar verloor een deel van zijn positie

Ook het overlijden van een echtgenote kon gevolgen hebben. Een weduwnaar zonder kinderen mocht volgens de regeling gedurende het eerste jaar nog slechts een beperkte, halve scharing behouden, wanneer hij voordien volledig gerechtigd was geweest. Het huishouden was door het overlijden immers veranderd. De bepaling maakt duidelijk hoe nauw het gebruiksrecht met de samenstelling van het gezin samenhing. De dood van een vrouw was daardoor niet alleen persoonlijk verlies. Zij kon de economische mogelijkheden van het overblijvende huishouden verminderen. Minder scharing betekende mogelijk minder vee op de gemeenschappelijke weide en daarmee een kleinere agrarische productie. Het recht volgde het levende huishouden.

Nieuwkomers vormden een probleem

Ondertussen groeide de bevolking. Nieuwe poorters en inwoners betekenden nieuwe mogelijke gebruikers. De schaarbrief van 1442 probeerde dat te beheersen. Naarden mocht niet onbeperkt mensen opnemen die daardoor aanspraken op de gemeente konden verkrijgen. Voor bepaalde nieuwkomers golden forse vermogenseisen. Ook huwelijk kon toegang tot de gemeenschap openen en werd daarom gereguleerd. Achter deze regels lag een eenvoudige rekensom: de grond groeide niet mee met de bevolking. Wanneer steeds meer huishoudens hun dieren op dezelfde heiden en weiden brachten, werd het aandeel van bestaande gebruikers kleiner. Afsluiting was daarom zowel sociaal als economisch gemotiveerd.

1455 — Gooiland sluit zich verder af

In de schaarbrief van 1455 werd de toegang opnieuw beperkt. Vooral mannen van buiten Gooiland, onder andere afkomstig uit het Sticht, konden niet meer vanzelfsprekend door vestiging, poorterschap of opname als buurman toegang tot de gemeenschappelijke rechten verkrijgen. Daarmee voltrok zich een fundamentele verandering. Een gebruik dat aanvankelijk sterk met plaatselijk ingezetenschap verbonden was, begon zich af te sluiten voor nieuwe inwoners. Wie al tot de gevestigde gemeenschap behoorde, beschermde zijn positie tegenover mensen van buiten. Uit dat proces zou uiteindelijk een veel exclusievere groep ontstaan. Het latere Erfgooierschap was dus niet in één keer geboren; het werd gedurende eeuwen gevormd.

1474 — de grote rechtszaak

In 1474 kwam de oude Gooise praktijk tegenover de landsheer te staan. De procureur-generaal van Karel de Stoute betwistte het gebruik van de heiden, weiden, bossen en venen. De zaak kwam eerst voor het Hof van Holland en vervolgens voor de Hoge Raad van Mechelen. Naarden, Bussum, Huizen, Laren, Blaricum en Hilversum verdedigden hun belangen. Het was een fundamenteel geschil: mocht de landsheer als eigenaar over de gronden beschikken, of hadden de bewoners door hun eeuwenoude gebruik zelfstandige rechten gekregen? De uitkomst werd een van de juridische fundamenten waarop latere generaties zich zouden beroepen.

De landsheer kreeg de grond, de Gooiers het gebruik

Volgens Molsters lezing van de uitspraak kreeg de landsheer het eigendom, terwijl de Gooiers hun oude gebruiksrechten behielden. Hun sterkste argument was dat het gebruik zo oud was dat niemand zich een andere toestand kon herinneren. De gebruikers hoefden dus geen eigenaar van de bodem te zijn om toch juridisch beschermd te worden. Dat onderscheid verklaart veel van wat daarna gebeurde. Een Gooise boer kon geen stuk heide als zijn particuliere eigendom verkopen, maar hij kon wel binnen de plaatselijke regels aanspraak maken op gebruik. De gemeenschappelijke grond bleef daarmee één landschap waarin verschillende juridische rechten tegelijkertijd bestonden.

Stad en dorpen bleven afzonderlijke gemeenschappen

De processtukken van 1474 zijn ook belangrijk omdat Naarden en de vijf dorpen afzonderlijk verschijnen. Molster benadrukt dat zij ieder optraden voor zover hun eigen belangen betroffen. Zelfs de opgelegde boete werd verdeeld: Naarden 800 leeuwen, de vijf dorpen gezamenlijk 700 leeuwen. Voor hem is dit bewijs dat er nog geen zelfstandige Erfgooiersvereniging bestond. Voor het bredere verhaal toont het vooral hoe Gooiland bestuurlijk functioneerde. Er was een gemeenschappelijk landschap, maar daarbinnen stonden verschillende lokale gemeenschappen met eigen inwoners, bestuurders en belangen. Samenwerking en onderlinge spanning waren daarom twee kanten van hetzelfde systeem.

De zestiende eeuw veranderde het systeem niet ineens

Ook in de zestiende eeuw bleven Naarden en de Gooise dorpen optreden rond hun gemeenschappelijke rechten. Molster verwijst naar stukken uit 1494, 1514, 1516, 1520 en 1548. Burgemeesters, buurmeesters, gemeenschappelijke buren en inwoners verschijnen daarin als betrokken partijen. De precieze conflicten verschillen, maar de structuur blijft herkenbaar: plaatselijke gemeenschappen bewaakten hun gebruik tegenover elkaar en tegenover anderen. Het Erfgooiersstelsel was daardoor geen onveranderlijk middeleeuws overblijfsel. Iedere generatie moest opnieuw bepalen wie gerechtigd was, welke regels golden, hoeveel dieren mochten worden geweid en wie namens de gemeenschap mocht optreden.

1568 — wie vertrok verloor zijn gebruik

De schaarbrief van 1568 bevestigde opnieuw het belang van woonplaats. Wie gedurende jaar en dag voortdurend buiten Gooiland verbleef, verloor het gebruik van de gemeenschappelijke gronden. Daarmee bleef de gerechtigdheid gekoppeld aan werkelijk behoren tot de plaatselijke gemeenschap. Tegelijk kreeg Naarden jaarlijks zestig gulden van de dorpen als vergoeding voor het geringere gebruik dat de Naardense gerechtigden van de gemeenschappelijke grond konden maken. Stad en platteland hadden dus verschillende economische posities. De schaarbrief probeerde niet alleen individuele rechten te regelen, maar ook een evenwicht tussen de verschillende Gooise gemeenschappen in stand te houden.

Stad en Lande krijgt langzaam vorm

Pas in 1629 vindt Molster de benaming Vergadering van Stad en Lande. Naarden en de Gooise dorpen overlegden al veel langer, maar nu verschijnt een naam voor hun gezamenlijke bestuursvorm. Dat betekende nog niet dat een moderne vereniging was ontstaan. De afzonderlijke gemeentebesturen bleven veel taken zelf uitvoeren en konden onderling van mening verschillen. Stad en Lande was vooral het overlegpunt waar gemeenschappelijke Gooise belangen bijeenkwamen. Daar werden regels, kosten, processen en conflicten besproken. Het was precies de bestuurlijke constructie die paste bij een landschap dat gezamenlijk werd gebruikt maar waarvan de verschillende plaatsen hun eigen positie wilden behouden.

's-Graveland veranderde het landschap

De stichting en ontginning van 's-Graveland vanaf 1626 bracht nieuwe spanning. Oude gebruiksgebieden werden aangetast en vooral Naarden en Hilversum ondervonden volgens Molster schade. Uiteindelijk werden in 1688 het Naarder- en Trompenveld bij 's-Graveland aan Naarden en Hilversum afgestaan. Hier wordt zichtbaar dat de Erfgooiersgeschiedenis tegelijkertijd landschapsgeschiedenis is. Nieuwe ontginningen, verkaveling en particulier grondgebruik konden botsen met eeuwenoude collectieve rechten. Wat voor de ene partij economische ontwikkeling was, kon voor Gooise veehouders verlies van weidegebied betekenen. De grenzen van de gemeenschappelijke ruimte werden daardoor steeds belangrijker en steeds vaker juridisch vastgelegd.

Rond 1700 verschijnt de Erfgooier duidelijker

Pas in stukken uit 1692 en 1702 ziet Molster benamingen als Erfgoyer en Erfgoylander duidelijk verschijnen. Dat is veelzeggend. De bekende Erfgooier uit de latere geschiedenis mag daarom niet zonder meer in de veertiende eeuw worden teruggeplaatst. In de tussenliggende eeuwen was de gerechtigde gemeenschap steeds verder gesloten. Woonplaats, landgebruik, huishouden en bezit waren aangevuld met afkomst. Uiteindelijk werd het idee belangrijk dat het recht door geboorte binnen bepaalde families werd verkregen. Een institutionele verandering werd zo ook een verandering in identiteit. Mensen waren niet alleen gebruikers van de Gooise meent; zij begonnen zichzelf als leden van een bijzondere erfelijke gemeenschap te beschouwen.

„Man uit man”

Daaruit ontwikkelde zich uiteindelijk het bekende beginsel „man uit man”. De gerechtigdheid werd steeds sterker verbonden met afstamming in de mannelijke lijn. Dat had grote gevolgen voor vrouwen en dochters. Zij konden deel uitmaken van een huishouden, bezittingen erven en een rol spelen in het boerenbedrijf, maar de bijzondere gerechtigdheid volgde niet eenvoudig dezelfde regels als de gewone nalatenschap. Molster meent dat deze mannelijke erfelijkheid geen oorspronkelijke middeleeuwse regel was, maar het resultaat van een langdurige ontwikkeling. Juist doordat dezelfde Gooise families generaties achtereen boerderij en gebruik voortzetten, kon het gebruiksrecht uiteindelijk worden opgevat als een aangeboren familierrecht.

De boerderij ging over en het recht leek mee te erven

Daarmee wordt begrijpelijk hoe die ontwikkeling kon plaatsvinden. Wanneer een vader stierf en zijn zoon de ouderlijke weer overnam, zette die zoon doorgaans ook het agrarische gebruik voort. Hij hield vee en gebruikte de gemeenschappelijke weide. Generatie na generatie kon daardoor hetzelfde patroon ontstaan: vader had scharing, zoon volgde hem op en diens zoon daarna opnieuw. In het dagelijkse leven leek het dan alsof het schaarrecht zelf werd geërfd. Het oorspronkelijke verband met huishouden, woonplaats en boerenbedrijf verdween langzaam uit het collectieve geheugen. Wat ooit vooral een gebruikspositie was geweest, werd steeds meer als erfelijk persoonlijk recht ervaren.

1705 — hoe bestuurde men die gemeenschap?

In 1705 omschreef secretaris H. Thierens Stad en Lande volgens Molster als de gezamenlijke gemeentebesturen die jaarlijks rond Sint-Geertruidendag bijeenkwamen. De afzonderlijke plaatsen bleven daarbij sterk zelfstandig. Een meerderheid kon oorspronkelijk niet eenvoudig haar wil aan een minderheid opleggen. Dat verklaart waarom Gooise geschillen soms jarenlang voortduurden. Naarden, Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen en Bussum hadden wel gezamenlijke grondbelangen, maar waren geen homogene gemeenschap. Iedere plaats lette op het aantal gerechtigden, de kosten en de voordelen die haar inwoners uit de gemeenschappelijke gronden haalden. Het bestuur van de meent vereiste voortdurend onderhandelen.

Zelfs de overheid wist niet precies wie Erfgooier was

De Staten van Holland wilden rond 1705 lijsten van gerechtigden hebben. Maar toen de Raden van het Domein zich in 1708 over de kwestie bogen, bleek hoe onzeker de juridische toestand nog was. Zij overwogen of het recht misschien toekwam aan inwoners die in Gooiland een huishouden hielden, landwinning hadden gedaan, tienden betaalden en werkelijk land bezaten. Tegelijk bestond de andere opvatting dat bepaalde personen op grond van afkomst gerechtigd waren. Zelfs rond 1700 bestond dus geen eenvoudige, voor iedereen vanzelfsprekende definitie. De Erfgooier was het product van eeuwen gewoonte en regelgeving, niet van één helder stichtingsdocument.

Oude mannen herinnerden zich een erfelijk recht

Burgemeesters en buurmeesters reageerden met een uitvoerige Remonstrantie. Daarin kwamen verklaringen naar voren van oudere Erfgooiers die zich herinnerden dat het meentrecht altijd als persoonlijk en erfelijk was beschouwd. Voor Molster bewezen zulke herinneringen niet hoe het recht eeuwen eerder werkelijk was ontstaan. Maar voor de geschiedenis van de gemeenschap zijn ze juist belangrijk. Rond het begin van de achttiende eeuw was het idee van een erfelijk Erfgooiersrecht kennelijk diep ingeburgerd. De juridische oorsprong en de sociale werkelijkheid begonnen daardoor uiteen te lopen. Wat juristen uit oude schaarbrieven probeerden te reconstrueren, kon voor Gooise families inmiddels al generaties lang als vanzelfsprekend familiebezit voelen.

1711–1713 — vee werd werkelijk afgepakt

Dat rechten ook hardhandig werden gehandhaafd blijkt uit het conflict met Hinlopen in 1711–1713. Schaarmeesters weigerden hem volgens Molster de scharing. Zijn vee werd vervolgens verbeurdverklaard en verkocht. Hinlopen eiste schadevergoeding en het geschil liep uit op een proces waarbij ook het bestuur van Naarden betrokken raakte. Daarmee wordt de praktische macht van de schaarmeesters zichtbaar. Een beslissing over gerechtigdheid bepaalde of iemands dieren legaal op de meent liepen. Wie de regels overtrad, riskeerde daadwerkelijk zijn bezit. Achter de juridische formuleringen stonden dus boeren, dieren, inkomsten en soms aanzienlijke financiële verliezen.

1719 — meentrecht werd zo waardevol dat verkoop moest worden verboden

In 1719 verboden de Staten van Holland volgens Molster de verkoop van meentrecht. Alleen het bestaan van zo'n verbod toont hoe economisch aantrekkelijk de gerechtigdheid inmiddels was geworden. Toegang tot de gemeenschappelijke weiden vertegenwoordigde waarde. Wanneer een recht vrij kon worden verkocht, dreigde bovendien de oude verbinding tussen gerechtigde, huishouden en Gooiland verder los te raken. De overheid probeerde dat tegen te gaan. Het Erfgooiersrecht bevond zich daarmee tussen twee werelden. Enerzijds was het een oud collectief gebruik dat bij de lokale gemeenschap hoorde; anderzijds begon het kenmerken te krijgen van een individueel vermogensrecht waarvoor mensen geld wilden betalen.

1722 — ook de gemeenschappelijke kas veranderde

Tot in de achttiende eeuw bestond volgens Molster geen zelfstandige centrale kas zoals bij een moderne vereniging. Iedere plaats betaalde haar aandeel in gemeenschappelijke kosten en ontving haar deel van de opbrengsten. Vanaf 26 maart 1722 werd jaarlijks gezamenlijk afgerekend. Tot 1811 kwamen de uiteindelijke saldo's vervolgens ten bate of ten laste van de afzonderlijke gemeenten. De administratie laat daarmee dezelfde structuur zien als het bestuur: gezamenlijk waar noodzakelijk, lokaal waar mogelijk. Processen, beheer en andere uitgaven konden Gooiland als geheel raken, maar uiteindelijk moest worden bepaald hoeveel Naarden, Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen en Bussum ieder betaalden of ontvingen.

1724 — Laren kwam tegenover de anderen te staan

In 1724 ontstond een ernstig geschil waarbij Laren tegenover andere Gooise belangen kwam te staan. Voor een proces werd op 23 april bij notaris Nagtglas in Naarden een procureur gemachtigd. Molster gebruikt dit als juridisch bewijs dat Stad en Lande nog niet zelfstandig als rechtspersoon handelde. Maar het voorval vertelt ook iets anders: de gemeenschappelijke grond maakte van de Gooise plaatsen partners zonder hun onderlinge concurrentie weg te nemen. Een dorp kon zich tegen besluiten verzetten wanneer het meende dat zijn inwoners werden benadeeld. De geschiedenis van de Erfgooiers is daarom evenzeer een geschiedenis van conflicten binnen Gooiland als van strijd tegen buitenstaanders.

Boekweit werd zelfs een politiek drukmiddel

Op 29 maart 1736 weigerden Hilversum en Laren mee te werken aan een periodieke zending boekweitmeel zolang Huizen en Blaricum niet meededen in een geschil tegen Jan Perk. Het lijkt een klein detail, maar het brengt de wereld achter de vergaderstukken tot leven. Boekweit, voedselvoorziening, gemeentelijke samenwerking en juridische strijd liepen door elkaar. De bestuurders die over schaarrechten spraken, bestuurden tegelijkertijd gemeenschappen waarin landbouw en voedselvoorziening dagelijkse zorgen waren. Een zending meel kon daardoor als onderhandelingsmiddel worden gebruikt. De Erfgooiersgeschiedenis stond niet naast het gewone dorpsleven; zij maakte er volledig deel van uit.

1741 — opnieuw werden de regels vastgelegd

De schaarbrief van 1741 beschreef de gemeenschappelijke gronden als behorend aan Naarden en de Gooise dorpen gezamenlijk en ongescheiden, terwijl daarnaast nauwkeurig werd geregeld wat verschillende plaatsen en inwoners mochten gebruiken. De schaarmeesters werden nog altijd door de afzonderlijke gemeentebesturen benoemd. Zij legden gezamenlijk hun eed af, maar hun wortels lagen in de plaatselijke gemeenschap. Daardoor bestond een bestuurlijk netwerk van lokale functionarissen die toezicht hielden op een regionaal landschap. Zij moesten weten wie gerechtigd was, hoeveel vee mocht worden ingebracht en wanneer iemand de regels overtrad. Het dagelijkse functioneren van het systeem rustte voor een belangrijk deel op hun toezicht.

1745–1748 — Blaricum wilde niet betalen

Hoe lastig gezamenlijke besluitvorming kon zijn blijkt uit het proces tegen Scheerenberg. In 1745 wilde Stad en Lande optreden tegen diens aanspraak op scharing, maar Blaricum weigerde aanvankelijk aan de proceskosten mee te betalen. Zelfs juridisch advies uit Den Haag loste het conflict niet onmiddellijk op. Op 27 maart 1748 bleef Blaricum weigeren en wilde het hoogstens zijn naam formeel voor de procedure laten gebruiken. Pas op 11 april gaf het dorp toe. Gemeenschappelijk grondgebruik vereiste dus voortdurend financiële solidariteit, terwijl iedere plaats tegelijk haar eigen kas en inwoners beschermde. De Gooise eenheid moest telkens opnieuw worden onderhandeld.

1811 — achthonderdacht Erfgooiers in één kerk

Tijdens de Franse tijd kwam een uitzonderlijk grote vergadering bijeen. In 1811 verzamelden 808 Erfgooiers zich in de kerk van Naarden om op verzoek van het bestuur te spreken over een mogelijke verdeling van de gemeenschappelijke heiden en weiden. Het is een van de sterkste beelden uit de hele geschiedenis. Eeuwen nadat de goede lieden van Naarden en de waerschap hun eerste schaarbrief hadden opgesteld, stonden honderden gerechtigden voor dezelfde fundamentele vraag: moest het land gemeenschappelijk blijven of worden verdeeld? Inmiddels beschouwden de aanwezigen zichzelf duidelijk als een bijzondere groep met persoonlijke belangen bij de gemeenschappelijke grond.

De Franse tijd veranderde ook het bestuur

Rond 1811 veranderde bovendien de financiële organisatie. Voorheen liepen de jaarlijkse saldo's uiteindelijk via de afzonderlijke gemeenten. Daarna ontwikkelden zich in de dorpen afzonderlijke meentekassen, terwijl Naarden nog langere tijd inkomsten via de stedelijke begroting verwerkte. De oude verwevenheid van gemeentebestuur en Erfgooiersbelang begon daardoor langzaam uiteen te vallen. Dat maakte een probleem zichtbaar dat eeuwenlang minder scherp was geweest: waren de gemeentebesturen slechts beheerders voor gerechtigde inwoners, of waren de gemeenten zelf rechthebbenden? Zolang beide belangen vrijwel samenvielen kon die vraag blijven liggen. In de negentiende eeuw werd zij onvermijdelijk.

1825 — nog altijd heetten zij vruchtgebruikers

De schaarbrief van 1825 gebruikte volgens Molster de opmerkelijke benaming „vruchtgebruikers der gemeene heiden en weiden”. Dat woord past nog sterk bij de oude situatie: mensen hadden het genot van de grond zonder dat daarmee vanzelfsprekend werd gezegd dat zij de bodem persoonlijk bezaten. Tegelijk was het begrip Erfgooier inmiddels volledig ingeburgerd. Twee historische lagen bestonden daardoor naast elkaar. In het dagelijkse en sociale bewustzijn was een erfelijke gemeenschap ontstaan; juridisch leefde nog steeds de oude taal van gebruik en vruchtgenot. Juist uit die tegenstelling zou de grote negentiende-eeuwse eigendomsstrijd ontstaan.

1836 — het Domein draagt grond over

Met het Koninklijk Besluit van 12 januari 1836 veranderde de situatie ingrijpend. Het Domein droeg gronden over aan de Vergadering van Stad en Lande van Gooiland, optredend als vertegenwoordiger van Naarden en de gezamenlijke Erfgooiers. Op 12 juli 1836 volgde een afbakening en de gronden werden op naam van Stad en Lande geregistreerd. Daarmee veranderde een eeuwenoude discussie over gebruik in een moderne eigendomsvraag. Zolang de landsheer eigenaar was geweest, kon men discussiëren over wie mocht gebruiken. Nu de grond daadwerkelijk werd afgestaan, moest worden vastgesteld aan wie het nieuwe eigendom juridisch toekwam. Daarover bleek geen overeenstemming te bestaan.

De gemeenten of de Erfgooiers?

Al op 13 mei 1836 nam Stad en Lande een besluit waarin bepaalde gronden tot het eigendom van de respectieve gemeenten werden gerekend. Maar enkele jaren later verdedigde dezelfde Vergadering juist de aanspraken van de Erfgooiers. Daarmee begon een juridische strijd die bijna de gehele negentiende eeuw zou voortduren. C. Backer verdedigde de gemeentelijke rechten. A. Perk, secretaris van Stad en Lande, onderzocht vanaf 1841 de oude bronnen en kwam tot de tegenovergestelde conclusie: volgens hem waren de Erfgooiers de werkelijke rechthebbenden. Ook advocaat De Martini schaarde zich volgens Molster aan die zijde.

1843 — de regering liet de vraag bewust open

De regering wilde uiteindelijk geen definitief oordeel geven. Het Koninklijk Besluit van 2 augustus 1843 bepaalde in wezen dat de overdracht van de gronden niet mocht worden gebruikt om de oude eigendomsvraag te beslissen. De nieuwe eigendom moest terechtkomen bij degenen die vóór de overdracht de oude gebruiksrechten bezaten, maar juist wie dat waren bleef omstreden. Daarmee werd het historische probleem doorgeschoven naar juristen en latere generaties. Middeleeuwse woorden kregen plotseling enorme financiële betekenis. De uitleg van een schaarbrief uit 1404 of 1442 kon nu mede bepalen wie eigenaar was van waardevolle negentiende-eeuwse Gooise grond.

Het debat werd steeds groter

In de daaropvolgende decennia verschenen steeds nieuwe juridische standpunten. De Geer van Jutphaas verdedigde in 1873 de Erfgooiers. L. Rinkel deed hetzelfde in zijn proefschrift Bijdrage tot den Rechtstoestand der Erfgooiers uit 1884. Daartegenover stonden onder anderen Backer, F.A. Buis en uiteindelijk F.A. Molster, die juist meenden dat de historische ontwikkeling naar gemeentelijk eigendom wees. Iedere schrijver las daarvoor opnieuw dezelfde middeleeuwse schaarbrieven, processen, privileges en bestuurlijke stukken. Daardoor ontstond een omvangrijke historische literatuur waarin vrijwel iedere formulering over „gemeente”, „Gooier”, „waerschap”, „erf” of „gebruik” juridisch werd gewogen.

1886 — verdeling dreigde werkelijkheid te worden

De wet van 10 mei 1886 ter bevordering van de verdeling van markgronden maakte de discussie opnieuw urgent. Ook de Gooise gemeenschappelijke heiden en weiden vielen eronder, ondanks verzet van Stad en Lande. Het ging inmiddels niet langer uitsluitend om historische nieuwsgierigheid. De Gooise grond vertegenwoordigde aanzienlijke economische waarde. Wanneer tot verdeling werd overgegaan, maakte het enorm verschil of de grond toebehoorde aan burgerlijke gemeenten of aan een afgebakende groep Erfgooiers. De geschiedenis van middeleeuwse boerenhuishoudens, schaarbeesten en bestorven weren werd daardoor rechtstreeks verbonden met de moderne grondmarkt en de toekomst van het Gooise landschap.

1888 — Molster probeert het raadsel op te lossen

In deze situatie schreef F.A. Molster in 1888 zijn onderzoek De eigendom der gemeene heiden en weiden van Gooiland. Hij bestudeerde de oude bronnen en ging uitvoerig in discussie met Perk, Rinkel, Backer, Buis en De Geer van Jutphaas. Zijn eigen conclusie was dat de gemeenschappelijke gronden oorspronkelijk landsheerlijk bezit waren en dat de inwoners een zeer oud, juridisch beschermd gebruiksrecht hadden. Volgens hem behoorde dat gebruik aanvankelijk aan de plaatselijke gemeenschappen en ontwikkelde het zich pas later in het bewustzijn tot het persoonlijke, erfelijke recht van de Erfgooiers.

Het Erfgooierschap was in eeuwen ontstaan

Daarmee wordt de lange ontwikkeling zichtbaar. De geschiedenis begon niet met een vaststaande groep mannen die vanaf de middeleeuwen automatisch door geboorte Erfgooier waren. De oudste wereld bestond uit inwoners, goede lieden, poorters, buren, huishoudens en landgebruikers. Hun rechten hingen samen met wonen, een weer bezitten of gebruiken, een huishouden voeren en vee houden. Vervolgens werden vreemdelingen geweerd, toelatingseisen aangescherpt en rechten binnen gevestigde families voortgezet. Wat generatie na generatie in dezelfde huishoudens en families terugkeerde, werd uiteindelijk als erfelijk beschouwd. Zo ontstond geleidelijk de gesloten gemeenschap van Erfgooiers.

Erven was veel ingewikkelder dan een zoon die zijn vader opvolgde

Juist daarom moet overlijden een centrale plaats in hun geschiedenis krijgen. Wanneer een Gooise boer stierf, werden zijn huis, land, vee, gereedschap, geld, schulden en andere bezittingen volgens het gewone erfrecht afgewikkeld. Tegelijk moest worden bepaald wie het huishouden en de weer voortzette en welke scharing daarbij hoorde. Een wees van achttien kon onder voorwaarden verdergaan; meerdere kinderen konden gezamenlijk in de ouderlijke weer blijven; een weduwnaar kon door het verdwijnen van zijn echtgenote minder scharing krijgen. Later werd mannelijke afstamming steeds belangrijker. Gewoon erfrecht en Erfgooiersgerechtigdheid liepen daardoor voortdurend door elkaar zonder ooit volledig hetzelfde te zijn.

Vrouwen stonden midden in het systeem, maar niet op dezelfde plaats

Dat maakt ook de positie van vrouwen belangrijker dan het latere begrip „man uit man” doet vermoeden. Het oudere gebruik was verbonden met huishoudens, en een huishouden kon niet worden begrepen zonder echtgenotes, weduwen, dochters en vrouwelijke erfgenamen. De bepaling over een weduwnaar laat zelfs zien dat het overlijden van zijn vrouw zijn scharing kon verminderen. Tegelijk ontwikkelde het persoonlijke Erfgooiersrecht zich later in een richting waarin de mannelijke afstammingslijn beslissend werd. Daardoor konden vrouwen wel vermogen en delen van de gewone nalatenschap erven, terwijl de bijzondere gerechtigdheid volgens andere regels werd behandeld. De twee rechtswerelden moesten daarom bij iedere familiegeschiedenis afzonderlijk worden onderscheiden.

Achter iedere schaar stond een gezin

Wanneer alle stukken naast elkaar worden gelegd, verandert ook het beeld van de Gooise meent. Een schaar was geen abstract juridisch begrip. Daarachter stond een koe, paard of ander schaarbeest; achter dat dier stond een boerderij; achter die boerderij stond een huishouden. Een verandering in de schaarbrief kon daardoor bepalen hoeveel dieren een gezin kon houden en hoeveel mest, melk, vlees of trekkracht beschikbaar was. Een overlijden, huwelijk, verhuizing of opname van een nieuwe poorter kon de verdeling van die beperkte gemeenschappelijke ruimte veranderen. Daarom werden de regels zo fel verdedigd. Het ging uiteindelijk om bestaansmiddelen en om de toekomst van gezinnen.

De Erfgooiers waren daarom nooit alleen een juridische instelling

Hun geschiedenis is tegelijk die van het Gooise landschap, boerenbedrijf, gezin, nalatenschap, migratie, dorpsbestuur en sociale uitsluiting. De heiden en weiden verbonden al deze werelden. Daar ontmoetten Naardense poorters en Gooise boeren elkaar; daar botsten oude inwoners met nieuwkomers; daar bewaakten schaarmeesters het vee; daar werden rechten van wezen en achterblijvende echtgenoten zichtbaar; daar ontstonden conflicten tussen Hilversum, Laren, Huizen, Blaricum, Bussum en Naarden. Uit dat eeuwenlange samenspel groeide uiteindelijk een gemeenschap die zichzelf niet meer uitsluitend als gebruiker van Gooiland zag, maar als Erfgooier: drager van een bijzonder recht dat met familie en afkomst verbonden was.

Het landschap op de oudste kaarten

Bij Kos' reconstructie hoort ook het historische kaartbeeld. De Ronde Kaart van Gooilant, omstreeks 1525 vervaardigd en bewaard in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, collectie Hingman nr. 2580, toont het gebied in een periode waarin de Gooise marke al duidelijk bestond. Een tweede belangrijke afbeelding is de Nieuwe kaart van Gooiland van R. en J. Ottens uit 1740, tegenwoordig in de collectie van het Zuiderzeemuseum. Volgens Kos is daarop bijzonder goed zichtbaar hoe ieder Goois dorp zijn eigen eng bezat. Daaromheen lagen de gemene en woeste gronden en bossen waarvan de landbouwende bevolking afhankelijk was.

De kaarten bewaren een oudere structuur

Deze kaarten dateren natuurlijk veel later dan het Karolingische koningsgoed en de Eltense periode. Toch gebruikt Kos de agrarische structuur als onderdeel van zijn reconstructie. De geconcentreerde akkers van de eng lagen niet geïsoleerd in het landschap. Daaromheen bevonden zich weiden, heiden, bossen en andere gemeenschappelijke terreinen. Een dergelijke ruimtelijke ordening is ook bekend uit gebieden waar een domaniale landbouworganisatie aantoonbaar heeft bestaan. De kaarten bewijzen daarom niet zelfstandig dat Naerdinclant in de tiende eeuw volgens het klassieke hofstelsel werd geëxploiteerd, maar ondersteunen samen met de schriftelijke aanwijzingen de mogelijkheid van langdurige landschappelijke continuïteit.

Wichmans bezit in Naerdinclant

Bij de schenking van Wichman van Hamaland moet nauwkeurig worden onderscheiden wat hij overdroeg. Kos schrijft dat Wichman omstreeks het midden van de tiende eeuw alles wat hij in leen had in het graafschap Naerdinclant aan het adellijk jufferenstift van Hoog-Elten schonk. Naerdinclant was daarvoor koningsgoed geweest. De reconstructie veronderstelt daarom een tussenstap: de koning moet een belangrijk gedeelte van Naerdinclant als leen aan een getrouwe hebben uitgegeven. Wichman verschijnt vervolgens als degene die deze rechten aan zijn stichting te Elten overdroeg. Daarmee werd Naerdinclant onderdeel van een veel groter en geografisch verspreid Eltense goederencomplex.

Elten behield zijn goederen eeuwenlang

Voor Kos is belangrijk dat veel goederen die Elten in de tiende eeuw verkreeg halverwege de vijftiende eeuw nog steeds tot het bezit van het stift behoorden. Daardoor ontstaat een ongewoon lange documentaire verbinding. Het vijftiende-eeuwse tijnsboek beschrijft weliswaar niet rechtstreeks de situatie van vijf eeuwen eerder, maar behandelt goederen die dikwijls dezelfde institutionele oorsprong hadden. Oude verplichtingen konden ondertussen veranderen van arbeid of leveringen in vaste geldbedragen. Juist daardoor bevatten de jongere registers volgens Kos resten van veel oudere verhoudingen. Het tijnsboek wordt daarmee een belangrijke terugkijkende bron voor het reconstrueren van het Eltense domeinbeheer.

Waarom het tijnsboek zoveel betekent

Deze continuïteit verklaart waarom Kos zoveel betekenis geeft aan het door N.C. Kist gepubliceerde Eltense tijnsboek. De vermeldingen van vroonhoven, hofdiensten, persoonlijke afhankelijkheid, hoofdgeld, stedicheit en andere tijnzen staan niet los van elkaar. Samen laten zij zien hoe langdurig elementen van een oudere grondheerlijke organisatie konden blijven bestaan. Sommige verplichtingen waren versteend tot betalingen, terwijl andere nog werkelijk als arbeid werden verricht. Daardoor is het volgens Kos mogelijk om via vijftiende-eeuwse administratie veel verder terug te kijken. Dit is een van de belangrijkste methodische pijlers onder zijn verklaring van de vroegste Gooise geschiedenis.

Niet iedere hof was hetzelfde

Het klassieke hofstelsel moet daarbij niet worden voorgesteld als een overal identiek landbouwmodel. Het onderzoek van Werner Rösener naar Werden en Corvey liet verschillende vormen en tussenvormen zien. Een sterke concentratie van goederen, een niet te grote afstand tot de centrale hoeve en voldoende vruchtbare landbouwgrond bevorderden een klassieke exploitatie waarbij een centrale hof daadwerkelijk landbouwkundig functioneerde. Wanneer zulke voorwaarden ontbraken, kon de vroonhof veranderen in een voornamelijk administratief centrum. Daar werden dan goederen, tijnzen en andere betalingen ontvangen. Het ontbreken van bepaalde klassieke kenmerken betekent daarom niet automatisch dat er nooit een domaniale organisatie heeft bestaan.

Naerdinclant binnen het Eltense systeem

Kos gaat uiteindelijk nog een stap verder. Uit zijn onderzoek naar het totale Eltense goederenbezit concludeert hij dat het stift zijn bezittingen op een wijze exploiteerde waarin klassieke hofstructuren herkenbaar waren. Daardoor acht hij het onwaarschijnlijk dat juist Naerdinclant volledig anders werd beheerd. Het directe Gooise bewijsmateriaal blijft beperkt, maar de combinatie is volgens hem betekenisvol: Naerdinclant was koningsgoed, Wichman droeg zijn leenbezit aan Elten over, daarbij worden mancipia genoemd, de oorkonden bevatten een pertinentieformule en in 1129 wordt Naerdinclant zelf als vroonhof aangeduid. Het grotere Eltense beheerspatroon versterkt daarmee de afzonderlijke Gooise aanwijzingen.

De pertinentieformule nader bekeken

Ook de zogenaamde pertinentieformule verdient daarom afzonderlijke aandacht. In zo'n formule werd een domein omschreven met zijn onvrijen van beide geslachten, gebouwen, bebouwde en onbebouwde grond, graslanden, weiden, bossen, water en waterlopen, opbrengsten en inkomsten en hetgeen reeds verworven was of nog verworven kon worden. Omdat zulke formuleringen gestandaardiseerd waren, mag niet ieder genoemd onderdeel zonder meer als afzonderlijk bewezen Goois bezit worden beschouwd. Maar de formule laat wel zien dat de overdracht binnen het juridische begrippenkader van een volledig ingericht domein werd geplaatst. In combinatie met de overige gegevens krijgt zij daarom grotere bewijskracht.

De dochter van Wichman en 1129

De oorkonde van 1129 verdient eveneens meer gewicht dan alleen de vermelding van de curtis Naerdinclant. Keizer Lotharius III bevestigde toen een regeling die al in de tiende eeuw tussen Elten en een dochter van graaf Wichman was getroffen. Daarmee verbindt de oorkonde de wereld van Wichman rechtstreeks met een situatie die meer dan een eeuw later nog juridisch relevant was. Juist in deze bevestiging wordt het bezit aangeduid als de vroonhof die Naerdinclant wordt genoemd. Dat maakt de vermelding tot een van de sterkste afzonderlijke aanwijzingen dat het oude Naerdinclant binnen een grondheerlijke hofstructuur werd gedacht.

1280 was geen volledige overdracht

Ook de overeenkomst van 1280 moet in al haar onderdelen worden bewaard. Abdis Godelinde van Elten gaf Floris V het grootste gedeelte van haar gezagsrechten over Naerdinclant in pacht. Floris betaalde daarvoor niet alleen jaarlijks vijfentwintig Utrechtse ponden, maar eveneens een bedrag ineens. De overeenkomst omvatte bovendien niet alles. De inkomsten van bepaalde Eltense kanunniken en de lenen van dienstmannen van het stift werden uitgezonderd. Alleen al deze uitzonderingen laten zien dat 1280 niet eenvoudig als een volledige verkoop of overdracht van heel Naerdinclant aan Holland kan worden voorgesteld.

Godelinde koos voor zekerheid

Vanuit Godelindes positie was de overeenkomst begrijpelijk. Het verafgelegen Naerdinclant was moeilijk vanuit Hoog-Elten te beschermen. De heren van Amstel, de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland hadden ieder belangen in of rond het gebied. Door de gezagsrechten aan Floris te verpachten kon de abdis haar inkomsten veiligstellen zonder zelf voortdurend tegen plaatselijke machthebbers te hoeven optreden. Floris kreeg tegelijkertijd de mogelijkheid zijn positie aan de oostzijde van Holland te versterken. De overeenkomst was daardoor voor beide partijen aantrekkelijk, maar hun belangen waren verschillend: Godelinde zocht zekerheid van inkomsten, Floris uitbreiding en consolidatie van zijn territoriale macht.

De Van Amstels verdwijnen niet onmiddellijk

De rechten van de heren van Amstel maakten de regeling extra ingewikkeld. Zij hadden zich verschillende goederen en rechten in Naerdinclant toegeëigend en bezaten mogelijk voor sommige aanspraken een juridische grondslag. Slechts ongeveer een week na de pachtovereenkomst liet Godelinde daarom vastleggen dat de regeling ongedaan kon worden gemaakt wanneer de heer van Amstel zijn rechten op de ingelijfde goederen succesvol zou laten gelden. Zij hield dus rekening met onzekerheid. Pas toen Floris V in 1285 Gijsbrecht van Amstel aan zich wist te onderwerpen en hem tot zijn leenman maakte, werd de Hollandse positie aanzienlijk steviger.

Gijsbrecht doet afstand van Nardingherlant

Bij die regeling deed Gijsbrecht van Amstel voor zichzelf en zijn nakomelingen afstand van zijn aanspraken op Nardingherlant. In de bewaarde verklaring wordt verwezen naar het land dat de heer van Holland met zijn geld van de abdis van Elten had verkregen. Gijsbrecht beloofde daar voortaan geen aanspraak meer op te maken. Dit detail is belangrijk omdat het laat zien dat de overgang naar Hollands gezag niet in één ogenblik in 1280 werd voltooid. Floris moest ook concurrerende regionale aanspraken uitschakelen. De politieke inlijving van Naerdinclant was daarmee een proces en geen eenvoudige eenmalige rechtshandeling.

De terugkeer naar Elten bleef mogelijk

De overeenkomst van 1280 bevatte bovendien een krachtige terugvalbepaling. Wanneer Floris of zijn opvolgers de overeengekomen betalingen niet voldeden en de daarvoor gestelde voorwaarden werden vervuld, kon het verpachte land met zijn rechten weer vrij aan de abdis terugvallen. Dat verklaart waarom de overeenkomst later in het Eltense tijnsboek onder de eenvoudige maar veelzeggende titel “Dit is pacht to Elten” werd opgenomen. Ook deze formulering verzet zich tegen de latere voorstelling alsof Elten in 1280 zonder meer afstand deed van ieder recht op Naerdinclant. De juridische verbinding tussen Elten en het gebied bleef bestaan.

1296 werd later een oorsprongsverhaal

De poging van Gooilanders om Floris V in 1296 te bevrijden is historisch gedocumenteerd door Melis Stoke. Maar de betekenis die later aan deze gebeurtenis werd gegeven is een tweede geschiedenis op zichzelf. De dood van Floris en het verdriet van de Gooiers creëerden een bijna mythische verbinding tussen graaf en streek. Vervolgens kon het verhaal ontstaan dat zij hem uit dankbaarheid wilden redden omdat hij hun eerder de gemeenschappelijke gronden had geschonken. Kos maakt daarom onderscheid tussen de gebeurtenis van 1296 en de veel latere verklaring ervan. De reddingspoging is gedocumenteerd; de veronderstelde schenking van de gebruiksrechten niet.

Waarom Floris zo belangrijk werd gemaakt

Volgens Kos heeft ook de ontwikkeling van de Gooise geschiedschrijving bijgedragen aan deze nadruk op Floris V. Historici besteedden traditioneel veel meer aandacht aan de periode na 1280. Daarvoor bestaan twee verklaringen. Ten eerste neemt vanaf deze tijd het beschikbare bronnenmateriaal sterk toe. Ten tweede kon de lokale Gooise geschiedenis gemakkelijk worden verbonden met bekende figuren uit de vaderlandse geschiedenis, in het bijzonder Floris V. Daardoor raakten het veel moeilijker zichtbare koningsgoed, Wichman van Hamaland, het stift Elten en de vroegmiddeleeuwse domeinorganisatie op de achtergrond. Kos probeert juist die oudere laag opnieuw zichtbaar te maken.

Enklaar wees Elten af

D.Th. Enklaar stond zeer sceptisch tegenover een Eltense oorsprong van de latere Gooise marke. De twaalfde-eeuwse curtis Naerdinclant lag volgens hem chronologisch te ver van de laat-dertiende- en vijftiende-eeuwse ontwikkelingen om nog als oorsprong van de marke te kunnen dienen. Hij ging zelfs zover het bestaan van gemene gronden tijdens de Eltense periode te ontkennen. Daarmee sneed hij vrijwel iedere institutionele verbinding tussen het hofstelsel en de latere Erfgooiers af. Voor Enklaar lag het zwaartepunt veel sterker in de Hollandse periode. Kos vindt deze omgang met de oudere aanwijzingen te star en probeert juist continuïteit aannemelijk te maken.

Ook De Vrankrijker zag geen verbinding

A.J.C. de Vrankrijker bleef enkele decennia later eveneens terughoudend. Hij zag geen voldoende grond om de later aantoonbare Gooise gebruiksrechten rechtstreeks te laten voortkomen uit de Eltense situatie van 968. Ook in zijn interpretatie bleef Floris V belangrijk. Kos stelt daartegenover dat een schenking door Floris juist nergens bewezen kan worden. Bovendien zou Floris volgens zijn interpretatie in 1280 niet eens de volledige juridische beschikking hebben gekregen over de rechten die hij volgens het traditionele verhaal later aan de Gooiers zou hebben geschonken. Daarmee verschuift de bewijslast: niet de Eltense continuïteit alleen, maar óók de Floris-traditie moet kritisch worden bewezen.

1404 en het probleem van de boerderij

Bij de eerste schaarbrief van 1404 moet de formulering “in een huse” nauwkeurig worden begrepen. Volgens Kos ging het om mensen die daadwerkelijk een boerenbedrijf voerden. Het gebruiksrecht sloot daardoor logisch aan bij de agrarische functie van de gemene gronden. Maar juist deze bepaling veroorzaakte een probleem. Wanneer een nieuwkomer zich in Gooiland vestigde en een bestaande boerderij betrok, kon hij op basis van deze regel mogelijk automatisch aanspraak maken op gemeenschappelijk gebruik. Daardoor zou de kring van gerechtigden kunnen groeien zonder dat de beschikbare hoeveelheid heide, weide, bos en andere gemene grond toenam.

1442 sloot de gemeenschap verder af

De aanscherping van 1442 moet vanuit dit probleem worden begrepen. Alleen degenen “die veltslag doen moghen” mochten voortaan gebruikmaken van de gemene gronden. Veldslag was verbonden aan de leden of gewaarden van de marke. Daarmee werd niet langer alleen gekeken naar de feitelijke exploitatie van een boerderij. Iemand moest tot de gerechtigde gemeenschap behoren. De waarschap vormde het aandeel van zo'n gerechtigde in het collectieve gebruik. Deze stap betekende dat de marke steeds duidelijker onderscheid maakte tussen inwoners van Gooiland in het algemeen en een kleinere groep die op historische of institutionele gronden recht had op de gemeenschappelijke hulpbronnen.

1455 maakte afstamming doorslaggevend

In 1455 werd de afsluiting verder doorgevoerd. Stichtse lieden werden uitgesloten. Volgens Kos kwamen de rechten toe aan meerderjarige Gooise mannen die een boerenbedrijf voerden dat zij “sijn ouders aengeerfft” hadden. Afstamming werd daarmee een doorslaggevend criterium. Kos beschrijft dit als de ontwikkeling van een persoonlijk recht dat van vader op zoon overging: hier worden de contouren van de Erfgooiers duidelijk zichtbaar. Voor de bredere geschiedenis van vererving moeten deze bepalingen echter worden gecombineerd met andere bronnen over weduwen, wezen, dochters, huwelijken en nalatenschappen, omdat de schaarbrief niet iedere concrete familiesituatie beschrijft.

De betekenis van ‘goede luden’

De uitdrukking “goede luden van Gooiland” verdient eveneens een nauwkeuriger verklaring. “Goed” betekende hier volgens Kos ongeveer notabel. Het ging om mensen van maatschappelijke betekenis met wie de landsheer rekening moest houden. De benaming laat daardoor zien dat de gerechtigde Gooise gemeenschap een erkende positie had. Zij was niet zomaar een verzameling ongeorganiseerde boeren. Tegelijkertijd was die erkenning wederkerig begrensd. De goede luden moesten op hun beurt steeds meer rekening houden met de groeiende macht van de Hollandse graven. Naarmate het grafelijk gezag centraliseerde, werd zelfstandige lokale besluitvorming problematischer.

De hoorn van 1326 als teken van gezag

Het conflict uit 1326 krijgt vanuit dat perspectief extra betekenis. Willem III verzette zich niet noodzakelijk tegen het bestaan van de Gooise gemeenschap, maar tegen het idee dat deze zonder zijn betrokkenheid zelfstandig kon vergaderen. Voortaan moest een grafelijke vertegenwoordiger de vergadering bijeenroepen door “het blasen van den horne”. De hoorn werd daarmee bijna een symbool van de verhouding tussen marke en landsheer. De gemeenschap mocht functioneren, maar de graaf wilde zichtbaar maken dat zij binnen zijn territoriale gezag opereerde. De strijd ging dus niet alleen over grond, maar eveneens over wie bevoegd was de gebruikers van die grond als politieke gemeenschap bijeen te roepen.

Het conflict met Eemnes

Onder Willem IV kwam de tegenovergestelde grens van de grafelijke macht naar voren. De graaf liet enkele Eemnessers Gooise gemene grond ontginnen. De Gooise gerechtigden verzetten zich en er ontstonden zelfs vechtpartijen. Uiteindelijk konden de Eemnessers ontginnen, maar slechts “bi goetdunken onse goede lude van Gooiland”. De passage is belangrijk omdat zij laat zien dat de graaf niet zonder meer iedere woeste grond kon uitgeven alsof lokale gebruiksrechten niet bestonden. Zelfs wanneer de landsheer aanspraken op de wildernis bezat, vormde het bestaande gebruik van de Gooise gemeenschap een praktische en juridische beperking op zijn beschikkingsmacht.

Het wildernisregaal

De latere grafelijke aanspraken moeten worden begrepen vanuit het wildernisregaal. Regalia waren oorspronkelijk koninklijke rechten. Door de ontwikkeling van territoriale vorstendommen kwamen dergelijke rechten in handen van regionale machthebbers, waaronder de graven van Holland. Vanuit het steeds sterker gebruikte Romeinse recht konden woeste gronden als bona vacantia, zaken zonder particuliere eigenaar, uiteindelijk aan de landsheer toevallen. Daarmee ontstond een juridische redenering die fundamenteel verschilde van het Gooise gewoonterecht. De graaf keek naar hoogste territoriale beschikkingsmacht; de Gooiers naar een gebruik dat hun gemeenschap volgens hen al sinds onheuglijke tijden rechtmatig uitoefende.

Eigendom is eigenlijk een gevaarlijk woord

Kos benadrukt daarom dat moderne woorden als eigendom en eigenaar voor middeleeuwse rechtsverhoudingen gemakkelijk misleidend zijn. Verschillende rechten konden tegelijkertijd op dezelfde grond rusten. Een landsheer kon territoriaal gezag uitoefenen, Elten kon grondheerlijke aanspraken hebben en lokale boeren konden exclusieve gebruiksrechten bezitten. Dat hoefde binnen het gewoonterecht niet tegenstrijdig te zijn. Het conflict verscherpte toen overheden steeds meer vanuit Romeinsrechtelijke begrippen gingen redeneren. Wat eeuwenlang als een gelaagde rechtsverhouding kon functioneren, moest toen steeds vaker worden teruggebracht tot de vraag wie juridisch de hoogste beschikking over de grond bezat.

1470 omvatte vrijwel het hele landschap

Toen Karel de Stoute in 1470 zijn aanspraken voor het Hof van Holland liet verdedigen, ging het daarom om vrijwel het volledige niet-bebouwde Gooise landschap. In de stukken worden mersschen, oftewel moerassen, weyden, veenen, bosschen, heyden, streuellen, oftewel wateren, waranden, jachtvelden, en wildernissen genoemd. Die opsomming is belangrijk. Het geschil beperkte zich niet tot één heide of één meent. De vraag was wie uiteindelijk zeggenschap had over het gehele complex van natuurlijke hulpbronnen rondom de Gooise dorpen en hun engen. Daarmee raakte de procedure rechtstreeks aan de bestaansbasis van het traditionele boerenbedrijf.

Het dagelijkse gebruik werd een aanklacht

De grafelijke processtukken beschrijven vervolgens precies wat de Gooiers dagelijks deden. Zij brachten hun paarden, koeien, zwijnen en schapen naar de gemene gronden. Op de heiden staken zij plaggen. In de venen groeven zij turf. Over de bossen maakten zij onderling afspraken. Vanuit Goois perspectief waren dit gewone werkzaamheden die generaties lang bij het boerenbedrijf hadden gehoord. Vanuit het centraliserende landsheerlijke perspectief konden dezelfde handelingen worden voorgesteld als onbevoegd beschikken over grond van de vorst. Een alledaagse handeling als een koe naar de meent brengen kreeg daardoor plotseling een principiële juridische betekenis.

Alsof het hun eigen erfgoed was

De grafelijke vertegenwoordiger verweet de Gooiers dat zij de gemene gronden gebruikten “alsoft haar eygen erve ende patrimonye geweest hadde”. Juist deze formulering toont het misverstand tussen beide partijen. De Gooiers hoefden zichzelf helemaal niet noodzakelijk als moderne particuliere eigenaren te beschouwen. Hun voornaamste belang was het exclusieve collectieve gebruik. Maar doordat zij zelfstandig bepaalden wie mocht weiden, turf graven, plaggen steken en bos gebruiken, leek hun optreden vanuit landsheerlijk perspectief op eigendom. De graaf zag daarin een aantasting van zijn hoogste gezag; de Gooiers zagen hun handelen als voortzetting van een bestaande gewoonte.

Duizend jaar gebruik was niet genoeg

De Gooise verdediging beriep zich op het feit dat zij de gronden altijd rustig en vreedzaam hadden gebruikt, zolang dat niemand zich een ander begin kon herinneren. De grafelijke vertegenwoordiger antwoordde dat zelfs wanneer zij de gronden “duysent jaeren tot desen dage toe rustelic” hadden gebruikt, dit zonder een geldige door de landsheer erkende rechtstitel onvoldoende was. Dat is een van de scherpste passages uit het hele conflict. Een samenleving die haar rechten uit langdurige gewoonte afleidde botste met een overheid die schriftelijk en formeel bewijs verlangde. Eeuwen van dagelijkse praktijk konden daardoor juridisch tegenover één ontbrekende oorkonde komen te staan.

Het eerste vonnis maakte onderscheid

Het Hof van Holland gaf de graaf gedeeltelijk gelijk, maar maakte een belangrijk onderscheid tussen verschillende soorten gemeenschappelijke grond. De Erfgooiers moesten zich volgens het vonnis terugtrekken uit venen, bossen, wateren en woeste gronden. Hun gebruiksrecht op de meenten en heidevelden bleef echter bestaan. Daarmee werd het oude Gooise recht niet volledig vernietigd. Tegelijk werd het gemeenschappelijke landschap juridisch in verschillende categorieën uiteengelegd. Voor beide partijen was dit onbevredigend. De Gooiers wilden hun bredere traditionele gebruik behouden, terwijl de grafelijkheid een duidelijkere bevestiging van haar hoogste aanspraken verlangde.

Vier jaar later naar Mechelen

Daarom stonden de partijen vier jaar later opnieuw tegenover elkaar, nu voor de Grote Raad van Mechelen, het hoogste rechtscollege van de Lage Landen. Daar werd een bredere oplossing gevonden. De hoogste eigendomsaanspraak op de gemene gronden werd aan de graaf van Holland toegekend, terwijl tegelijkertijd het exclusieve gebruiksrecht van de Erfgooiers op alle gemene gronden werd erkend. Bovendien werd de Gooise marke een boete opgelegd. Het compromis bracht daarmee twee rechtswerelden samen: de landsheer kreeg erkenning van zijn hoogste gezag en de Gooise gemeenschap behield de praktische rechten waarop haar traditionele landbouwsysteem berustte.

Waarom ook de graaf tevreden was

Voor de grafelijkheid draaide het geschil volgens Kos niet uitsluitend om het daadwerkelijk zelf exploiteren van ieder bos, veen of heideveld. Erkenning van het landsheerlijke gezag was minstens zo belangrijk. Daarnaast konden juridische overtredingen inkomsten in de vorm van boetes opleveren. De uitspraak van de Grote Raad gaf de graaf daarom iets fundamenteels: de Gooise gemeenschap kon haar rechten niet langer uitoefenen alsof boven haar geen hogere territoriale macht bestond. Voor de Erfgooiers was juist het dagelijkse gebruik beslissend. Zolang zij buitenstaanders konden uitsluiten en zelf toegang tot de gemene gronden behielden, bleef de kern van hun economische positie bestaan.

Een instelling die nergens goed meer paste

Daarmee waren de problemen echter niet opgelost. De Gooise marke bleef gebaseerd op gewoonterechtelijke verhoudingen die steeds moeilijker pasten binnen het recht van centraliserende overheden. Kos vergelijkt haar daarom met de erwt onder de aanwassende stapel matrassen van de prinses. Hoeveel nieuwe juridische en bestuurlijke lagen er ook bovenop kwamen, de oude gewoonterechtelijke kern bleef voelbaar. De marke paste volgens hem uiteindelijk nauwelijks binnen het geldende recht, maar kon ook niet eenvoudig worden afgeschaft omdat haar gerechtigden concrete, historisch gegroeide gebruiksrechten bezaten. Daarom volgde na de laatmiddeleeuwse processen nog een lange reeks nieuwe geschillen.

De negentiende eeuw veranderde de vraag

B.H. Slicher van Bath bracht later een belangrijk onderscheid aan. Volgens hem was vóór 1800 de moderne vraag wie nu werkelijk “eigenaar” van de gemene gronden was veel minder urgent. Landsheren wilden vooral dat hun hoogste gezag werd erkend. Markegenoten wilden vooral hun exclusieve gebruik behouden. Pas in de negentiende eeuw, toen markegronden op grote schaal werden verdeeld, werd het noodzakelijk scherper vast te stellen wie juridisch eigenaar was. Daarmee veranderde niet alleen het recht, maar ook de vraag die men aan het verleden stelde. Latere eigendomsbegrippen werden gemakkelijk teruggeprojecteerd op veel oudere en wezenlijk andere rechtsverhoudingen.

De Erfgooier als beeld

Kos' artikel bevat naast kaarten ook een latere verbeelding van de gerechtigde Gooise boer: Boer met schop (erfgooier) van Ferdinand Hart Nibbrig, uit de collectie van het Singer Museum in Laren. Het kunstwerk behoort vanzelfsprekend niet tot het bewijs voor de middeleeuwse oorsprong van de Erfgooiers, maar is voor de beeldgeschiedenis waardevol. Het laat zien hoe de Erfgooier later cultureel werd voorgesteld: verbonden met grond, landbouw en Gooise identiteit. Voor een historische presentatie kan dit beeld daarom naast de middeleeuwse oorkonden en oude kaarten worden gebruikt om duidelijk te maken hoe een juridische gemeenschap uiteindelijk ook onderdeel werd van het regionale historische bewustzijn.

Naerdinclant werd Gooiland

Ook de verandering van de gebiedsnaam moet als afzonderlijke ontwikkeling worden bewaard. Kos verwijst hiervoor naar D.P. Blok. Tot ongeveer 1300 vinden we de oudere naam Naerdinclant; daarna wordt Gooiland gebruikelijk. Dat betekent dat de overgang van Elten naar Holland niet alleen politiek en juridisch zichtbaar wordt, maar uiteindelijk ook in de naam waaronder het gebied bekendstaat. Toch mag deze naamsverandering niet als een volledig nieuw begin worden gezien. Het landschap, de nederzettingen, engen en gemeenschappelijke gronden bleven bestaan. Onder de naam Gooiland leefden structuren voort die volgens Kos gedeeltelijk uit het oudere Naerdinclant afkomstig waren.

De bronnen moeten naast elkaar blijven staan

Kos' reconstructie wordt sterker wanneer de verschillende bronnen niet tot één soort bewijs worden gemaakt. De tiende-eeuwse oorkonden vertellen over Wichman, Elten en mancipia. De bevestiging van 1129 levert de curtis Naerdinclant. De overeenkomst van 1280 toont de verhouding tussen Godelinde en Floris V. Melis Stoke vertelt over 1296. De schaarbrieven van 1404, 1442 en 1455 tonen de geleidelijke afsluiting van de gerechtigde gemeenschap. De processen uit de vijftiende eeuw laten zien hoe de Gooiers zelf hun oudere rechten verklaarden. Het Eltense tijnsboek biedt vergelijkingsmateriaal voor de vroegere grondheerlijke structuur. Samen vormen zij Kos' bewijsconstructie.

Wat Kos wel en niet bewijst

Daarom moet in het uiteindelijke Erfgooiersverhaal een belangrijk onderscheid behouden blijven. Kos bewijst niet met één oorkonde dat in 968 reeds een organisatie bestond die wij letterlijk de Gooise marke of Erfgooiers konden noemen. Zijn stelling is subtieler. Binnen het koninklijke en vervolgens Eltense domein bestonden agrarische verhoudingen waarin bepaalde boeren exclusief gebruik konden maken van gemeenschappelijke hulpbronnen. Toen het hofstelsel verdween, bleef die economische praktijk bestaan. De zelfstandige marke ontstond later, maar kon voortbouwen op die oudere gebruiksgemeenschap. De organisatie is dus jonger dan de kiem van het gebruiksrecht.

De ontbrekende eeuwen zijn juist belangrijk

De periode tussen de vroegste Eltense documenten en de eerste schaarbrieven is daardoor geen leeg gat dat zonder betekenis kan worden overgeslagen. Juist daar moet de transformatie hebben plaatsgevonden van een grondheerlijke gemeenschap naar een zelfstandiger groep boeren. Schriftelijke bronnen laten dit proces slechts fragmentarisch zien. De verandering was waarschijnlijk ook niet plotseling. Vroondiensten konden in tijnzen veranderen, persoonlijke lasten konden verzakelijken, grond kon overdraagbaar worden en gemeenschappelijk gebruik kon ondertussen blijven bestaan. Wanneer later schriftelijke regels noodzakelijk werden, legden zij daarom mogelijk gebruiken vast die veel ouder waren dan de documenten waarin zij voor het eerst zichtbaar worden.

Het grote verschil met de Floris-mythe

Daarmee verandert uiteindelijk het hele oorsprongsverhaal. In het traditionele model is er eerst nauwelijks een Erfgooiersrecht, vervolgens verschijnt Floris V, en daarna bezitten de Gooiers dankzij hem hun gemene gronden. In Kos' model verloopt de geschiedenis precies andersom. Eerst bestaat gedurende eeuwen een landbouwgemeenschap met toegang tot gemeenschappelijke hulpbronnen. Vervolgens verandert de landsheerlijke structuur. Floris verschijnt in 1280 als nieuwe gezagsdrager. Juist die politieke verandering maakt het belangrijker bestaande rechten te beschermen en uiteindelijk schriftelijk af te bakenen. Floris is daardoor niet noodzakelijk de oorsprong van het recht, maar onderdeel van de omstandigheden waaronder het recht zich verder institutionaliseerde.

Van koningsgoed tot Erfgooiersgemeenschap

Met deze aanvullingen wordt de ontwikkelingslijn vollediger: Karolingisch koningsgoed → leenbezit van Wichman van Hamaland → schenking aan Hoog-Elten → vroonhof en Eltense grondheerlijkheid → hoevenaars, onvrijen en gemene gronden → verval van het hofstelsel → voortbestaan van gemeenschappelijk gebruik → pachtovereenkomst met Floris V in 1280 → Hollandse territoriale macht → groeiende zelforganisatie van de Gooise boeren → schaarbrieven → erfelijke gerechtigdheid → botsing met het wildernisregaal → Hof van Holland → Grote Raad van Mechelen → langdurige Erfgooiersorganisatie → wettelijke regeling in 1912.

De diepste continuïteit

De diepste continuïteit in dit verhaal is uiteindelijk niet één instelling, één juridische term of één familie. Het is het gebruik van het Gooise landschap. Engen konden alleen functioneren in samenhang met heide, meent, hooiland, bos en veen. Daardoor moest steeds opnieuw worden bepaald wie dieren mocht weiden, plaggen mocht steken, turf mocht graven, hout mocht gebruiken en toegang had tot de gemeenschappelijke hulpbronnen. Eerst gebeurde dat binnen een domein, later binnen een marke en uiteindelijk binnen een formeel georganiseerde Erfgooiersgemeenschap. De rechtsvorm veranderde voortdurend, maar de strijd om toegang tot hetzelfde landschap verbindt de verschillende perioden met elkaar.

Van Eltense onderhorigheid naar Gooise zelfstandigheid

Juist daarom is Kos' formulering “Van Eltense horigen naar de goede luden van Gooiland” zo belangrijk. Zij beschrijft geen plotselinge bevrijding, maar een eeuwenlange verschuiving. Mensen die aanvankelijk binnen een koninklijk en vervolgens kerkelijk domein afhankelijk waren, kwamen uiteindelijk als zelfstandige gerechtigden tegenover een landsheer te staan. Hun voorouders hadden het landschap gebruikt omdat zij tot het domein behoorden; hun nakomelingen verdedigden datzelfde gebruik omdat zij tot een erfelijke Gooise gemeenschap behoorden. Tussen die twee situaties liggen de institutionele veranderingen waaruit de Erfgooiers voortkwamen.

De oorsprong ligt onder 1280

Het belangrijkste gevolg voor de totale geschiedenis van de Erfgooiers is daarom dat 1280 niet langer als werkelijk beginpunt kan dienen. De overgang naar Holland is een grote politieke cesuur, maar daaronder ligt een oudere geschiedenis van koningsgoed, Hamaland, Wichman, Hoog-Elten, hoven, horigen, hoevenaars, engen en gemene gronden. Zonder die laag blijft onverklaard waarom Gooise boeren later zo vanzelfsprekend konden volhouden dat hun rechten ouder waren dan de Hollandse grafelijkheid. Kos levert geen eenvoudige stichtingsakte voor de Erfgooiers. Hij levert iets historisch veel interessanters: een verklaring voor de eeuwenlange ontwikkeling waaruit hun bijzondere recht kon ontstaan.

Van Naerdinclant tot Erfgooiers

De goede luden van Gooiland — van koningsgoed en Eltense horigen tot een zelfstandige Gooise marke

Het verhaal begint vóór Floris V

De geschiedenis van de Erfgooiers begint volgens historicus Anton Kos veel eerder dan de bekende gebeurtenissen rond graaf Floris V. In oudere geschiedschrijving werd dikwijls aangenomen dat Floris de Gooiers hun rechten op de gemeenschappelijke gronden had geschonken. Kos draait die redenering om. Toen Floris V in 1280 zeggenschap over Naerdinclant verwierf, bestonden de agrarische gemeenschappen en hun gebruik van heiden, weiden, bossen, venen en andere gemeenschappelijke gronden waarschijnlijk al eeuwen. Om de oorsprong daarvan te begrijpen moeten we daarom terug naar de vroege Middeleeuwen, toen het latere Gooiland nog Naerdinclant heette en tot het koninklijke bezit behoorde.

Naerdinclant als koningsgoed

In de Karolingische periode maakte Naerdinclant deel uit van het bezit van de koning. Het behoorde tot de koninklijke domeinen, gebieden waarvan de opbrengsten direct of indirect ten goede kwamen aan de vorst. Zulke domeinen konden volgens een georganiseerd landbouwsysteem worden geëxploiteerd. Daarbij bestond een onderscheid tussen grond die rechtstreeks voor de heer werd bewerkt en grond die door boeren werd gebruikt. De bewoners vormden daardoor niet alleen een dorpsgemeenschap, maar maakten tevens deel uit van een economische en juridische structuur waarin grondgebruik, persoonlijke afhankelijkheid, diensten en rechten nauw met elkaar waren verbonden. Hier zoekt Kos de oudste achtergrond van de latere Gooise gemeenschapsrechten.

De vroonhof en het vroonland

Het gedeelte van een koninklijk domein dat rechtstreeks voor de heer werd geëxploiteerd heette het vroonland, in Latijnse bronnen terra indominicata. Het bestuur daarvan lag bij een vertegenwoordiger van de heer, de villicus. Deze stond aan het hoofd van een centrale hoeve, de vroonhof of curtis. Rond deze hof bevonden zich knechten die rechtstreeks voor het domein werkten. De vroonhof was daardoor veel meer dan een boerderij. Het was het economische en bestuurlijke centrum van een gebied waar landbouwproductie, afdrachten, diensten en rechtspraak samenkwamen. Kos onderzoekt of ook Naerdinclant oorspronkelijk volgens zo'n domaniale structuur werd georganiseerd.

De hoevenaars

Naast het vroonland bestond het hoevenland, de terra mansionaria. Dit werd gebruikt door boeren die een hoeve in tijns hielden. Zij worden hoevenaars of mansionarii genoemd. Zij mochten hun landbouwgrond gebruiken, maar daar stonden verplichtingen tegenover. Een belangrijke verplichting bestond uit het verrichten van vroondiensten. Hoevenaars konden enkele dagen op het land van de heer moeten werken, maar daarnaast goederen leveren, transport met wagens verzorgen, wegen onderhouden of gebouwen repareren. Het boerenbedrijf functioneerde dus binnen een netwerk van wederzijdse rechten en verplichtingen. Juist binnen deze structuur moet volgens Kos worden gezocht naar de oorsprong van de latere collectieve gebruiksrechten.

De familia van het domein

De knechten en hoevenaars waren in verschillende gradaties aan de grond en aan hun heer gebonden. Gezamenlijk vormden zij de familia, in de middeleeuwse betekenis een rechtsgemeenschap van afhankelijke mensen die bij het domein hoorde. Zij vielen onder een afzonderlijke rechtskring. Zo konden beperkingen gelden voor het huwelijk buiten deze gemeenschap. Geschillen over het domein werden behandeld voor een hofgerecht. Daarmee waren landbouw, grondgebruik, persoonlijke status en rechtspraak nauw met elkaar verbonden. De latere Gooise gemeenschap van gerechtigden ontstond dus niet in een institutioneel vacuüm: eeuwen eerder bestonden al gemeenschappen waarin bepaalde bewoners specifieke rechten hadden omdat zij tot het domein behoorden.

De gemene gronden

Voor de hoevenaars was één recht bijzonder belangrijk: het gebruik van de gemene gronden binnen het domein. Daaronder vielen heiden, hooi- en weilanden, bossen, venen en andere woeste gronden. Deze terreinen waren onmisbaar voor een boerenbedrijf. De afzonderlijke boerderij kon niet alleen van zijn akkers bestaan. Voor veevoer, brandstof, bemesting, hout en beweiding was een veel groter landschap nodig. Het gemeenschappelijke gebruik van dat landschap vormde daarom geen bijkomstigheid, maar een wezenlijk onderdeel van de agrarische economie. Hier ligt volgens Kos een belangrijke historische verbinding tussen het vroegmiddeleeuwse domein en de veel later zichtbare Gooise marke.

Schapen, plaggen en mest

De Gooise heidevelden hadden verschillende functies. Schapen konden er grazen, maar de heide leverde ook plaggen. Deze werden gestoken en vervolgens gebruikt in het landbouwbedrijf, onder andere om mest te produceren waarmee de akkers vruchtbaar werden gehouden. De akkers lagen geconcentreerd op de engen, terwijl daaromheen uitgestrekte gemeenschappelijke en woeste gronden lagen. Daardoor waren eng en heide economisch met elkaar verbonden. Zonder voldoende mest kon de akkerbouw moeilijk worden volgehouden. Wie toegang had tot de heide beschikte dus indirect over een belangrijke voorwaarde voor het voortbestaan van zijn akkers en daarmee van zijn boerenbedrijf.

Meenten, hooilanden en vee

Ook de weilanden en meenten waren van groot belang. Hier kon het vee worden geweid. Daarnaast waren er hooilanden waarvan het gras werd gemaaid en gedroogd. Dat hooi was noodzakelijk om runderen en ander vee gedurende de winter te voeden. Het gebruik van de gemeenschappelijke gronden bepaalde daardoor hoeveel dieren een boerenbedrijf kon onderhouden. Dit verklaart waarom later zo nauwkeurig werd geregeld hoeveel vee een gerechtigde op de gemeenschappelijke gronden mocht brengen. De latere schaarrechten waren daarmee geen abstracte juridische rechten. Zij gingen rechtstreeks over de hoeveelheid vee die een huishouden kon onderhouden en daarmee over inkomen, voedselproductie en bestaanszekerheid.

Bossen, varkens en hout

Ook de bossen maakten deel uit van deze gemeenschappelijke bestaansbasis. Bewoners konden er hout verkrijgen voor brandstof, bouwwerkzaamheden, gereedschap en andere toepassingen. Bovendien konden varkens in bepaalde perioden in de bossen worden gebracht om eikels te zoeken, het zogenaamde akeren. Het bos was dus tegelijk houtvoorraad, weidegebied en onderdeel van de voedselvoorziening. Juist omdat zoveel verschillende onderdelen van het boerenbedrijf afhankelijk waren van collectieve terreinen, was het van levensbelang dat niet iedereen onbeperkt toegang kreeg. Uit die noodzaak tot afbakening, regulering en uitsluiting zou uiteindelijk een steeds duidelijker georganiseerde gemeenschap van gerechtigden ontstaan.

Venen en turf

De venen leverden turf, eeuwenlang een belangrijke brandstof. Daarnaast konden ook op woeste gronden plaggen worden gewonnen. Zo ontstond rondom de afzonderlijke akkers en boerderijen een gemeenschappelijk economisch landschap waarvan verschillende onderdelen verschillende functies vervulden. Akkerbouw, veeteelt, brandstofvoorziening en bosgebruik waren onderling verbonden. Kos benadrukt daarom dat een boerenbedrijf zonder toegang tot deze gemene gronden nauwelijks succesvol geëxploiteerd kon worden. Wanneer we later zien hoe fel de Gooiers hun rechten tegen buitenstaanders en landsheren verdedigden, moeten we deze materiële achtergrond voor ogen houden. Het ging uiteindelijk om de bestaansbasis van de Gooise boerenbevolking.

Het verval van het klassieke hofstelsel

Na ongeveer het jaar 1000 begon het klassieke hofstelsel in veel gebieden te veranderen. Het centrale gezag verbrokkelde en territoriale heren kregen meer macht. In de twaalfde en dertiende eeuw werden delen van het vroonland onder hoevenaars verdeeld. De oude verplichting om persoonlijk diensten te verrichten werd steeds vaker vervangen door vaste betalingen. In plaats van dagen voor de heer te ploegen, goederen te leveren of andere werkzaamheden uit te voeren, kon een boer een tijns betalen. Tegelijk veranderde de juridische positie van de landbouwers. Oude persoonlijke afhankelijkheden verdwenen niet ineens, maar werden geleidelijk verbonden aan grond, betalingen en vaste rechten.

Persoonlijke lasten worden zakelijke lasten

Een hoevenaar kon op den duur zijn bouwland verkopen of op andere wijze vervreemden. De verplichtingen die op dat land rustten bleven echter bestaan. Niet langer was uitsluitend de oorspronkelijke persoon verantwoordelijk; degene die de grond overnam nam tevens de bijbehorende lasten over. Historici spreken daarom van een verzakelijking van persoonlijke lasten. Deze ontwikkeling is belangrijk voor het begrijpen van de latere Gooise situatie. Een samenleving waarin persoonlijke afhankelijkheid, grondgebruik en collectieve rechten oorspronkelijk sterk verweven waren, veranderde langzaam in een wereld waarin rechten en lasten steeds nauwkeuriger werden omschreven. Uit dergelijke veranderingen konden zelfstandige markegemeenschappen ontstaan.

Niet ieder domein was hetzelfde

Historici hebben betwijfeld of het klassieke hofstelsel overal in de Nederlanden volledig heeft bestaan. Vooral het ontbreken van duidelijke vermeldingen van vroondiensten en de tweedeling tussen vroonland en hoevenland veroorzaakt onzekerheid. Historicus C. Dekker waarschuwde echter dat zelfs in de bloeitijd van het systeem niet ieder domein precies hetzelfde was ingericht. In zijn onderzoek naar het Kromme Rijngebied reconstrueerde hij wel degelijk tweeledig ingerichte domeinen, sporen van vroondiensten en mensen die uitsluitend op vroonland werkten. Daarbij gebruikte hij niet alleen contemporaine bronnen, maar ook jongere gegevens en de structuur van het agrarische landschap.

De eng als aanwijzing

Dekker wees daarbij op nederzettingen waarin de landbouw rond een eng was georganiseerd. De akkers lagen bij elkaar, daaromheen lagen gemeenschappelijke gronden en verder weg de woeste gebieden. Zo'n landschappelijke structuur is volgens hem vooral bekend uit gebieden die oorspronkelijk op domaniale wijze waren geëxploiteerd. Dat is voor het Gooi relevant, omdat ook daar dorpen met engen en daaromheen uitgestrekte gemeenschappelijke terreinen bestonden. Het landschap zelf kan daardoor aanwijzingen bewaren voor veel oudere economische structuren, zelfs wanneer schriftelijke bronnen ontbreken. Kos gebruikt dit soort indirect bewijs om de schaarse vroegmiddeleeuwse gegevens over Naerdinclant beter te kunnen interpreteren.

Verschillende vormen van hofstelsel

Werner Rösener kwam bij zijn onderzoek naar de goederen van de abdijen Werden en Corvey in Saksen eveneens tot de conclusie dat er verschillende vormen en tussenvormen van het klassieke hofstelsel bestonden. Wanneer veel goederen dicht bij een centrale hoeve lagen en voldoende vruchtbare grond beschikbaar was, kon een klassiek georganiseerd domein goed functioneren. Wanneer goederen verder verspreid lagen, ontwikkelde een vroonhof zich eerder tot een administratief centrum waar betalingen en goederen werden ontvangen. Deze nuance is belangrijk voor Naerdinclant. We hoeven niet te verwachten dat ieder theoretisch kenmerk van het klassieke hofstelsel daar letterlijk in de bronnen teruggevonden wordt om toch domaniale structuren te herkennen.

Wichman van Hamaland

Op enig moment moet de koning een groot deel van Naerdinclant in leen hebben gegeven aan een van zijn getrouwen. In de tiende eeuw verschijnt graaf Wichman van Hamaland, die leefde van ongeveer 952 tot 973, als sleutelfiguur. Rond het midden van de tiende eeuw schonk hij wat hij in het graafschap Naerdinclant in leen bezat aan het adellijke vrouwenstift van Hoog-Elten. Daarmee werd een gebied dat oorspronkelijk tot het koningsgoed behoorde verbonden met een kerkelijke instelling die vanuit Elten omvangrijke bezittingen in verschillende delen van de Nederlanden en het Duitse gebied bestuurde.

Het stift Hoog-Elten

Het adellijk jufferenstift te Hoog-Elten beschikte niet alleen over bezittingen rond Elten. Het had goederen op de Veluwe, elders in het huidige Nederland, in Duitsland en in Friesland. Het beheer van zulke verspreide goederen vereiste een uitgebreid stelsel van hoven, pachters, tijnzen en diensten. Juist daardoor zijn de Eltense bronnen zo waardevol voor het onderzoek naar Naerdinclant. Hoewel directe gegevens over het Gooi schaars zijn, kunnen de beter gedocumenteerde Eltense bezittingen elders laten zien hoe het stift zijn domeinen organiseerde. Kos gebruikt daarom de totale Eltense beheerspraktijk om de schaarse Gooise aanwijzingen in een groter verband te plaatsen.

De schenking en de onvrijen

Bij de overdracht van Naerdinclant aan Elten werden niet alleen gronden genoemd. Het stift verkreeg het gebied inclusief mancipia, onvrije mensen die bij het domein hoorden. Dat is een belangrijk gegeven. Het wijst erop dat de overdracht betrekking had op een bestaande economische en sociale organisatie en niet eenvoudig op een leeg stuk grond. Mensen, landbouwgrond, rechten, inkomsten en verplichtingen vormden één geheel. De aanwezigheid van onvrijen past volgens Kos goed bij een domaniale beheersstructuur. Daardoor ontstaat een mogelijke historische lijn van de afhankelijke bewoners van het Eltense domein naar de latere vrije Gooise boeren die hun collectieve rechten verdedigden.

De pertinentieformule

In de Eltense oorkonden komt bovendien een zogenaamde pertinentieformule voor. Dat was een gestandaardiseerde opsomming waarmee de onderdelen van een domein werden beschreven: onvrijen van beide geslachten, gebouwen, bebouwde en onbebouwde gronden, graslanden, weiden, bossen, wateren, waterlopen, opbrengsten en inkomsten, inclusief wat al verworven was en nog verworven kon worden. Zo'n formule bewijst niet ieder afzonderlijk onderdeel voor iedere plek, maar wijst wel op de gedachte aan een compleet ingericht domein. In combinatie met de andere aanwijzingen gebruikt Kos dit als argument dat Naerdinclant binnen een bredere Eltense domeinstructuur moet worden begrepen.

De Eltense vroonhoven

Een belangrijke bron is het vijftiende-eeuwse tijnsboek van Elten. Daarin wemelt het volgens Kos van resten van oudere domaniale structuren. Er worden nog altijd vroonhoven genoemd, hoewel deze inmiddels meestal waren verpacht. De Eltense hof te Renkum werd aangeduid als de principaele hof. De hof van Brummen werd de Sint-Vitushof genoemd, naar Sint-Vitus, de patroonheilige van Elten. Onder zulke hoven ressorteerden goederen waarvan pachters geld en goederen moesten afdragen. Reeds in 970 werden dergelijke bezittingen als curtes, vroonhoven, vermeld en door Wichman aan Elten geschonken.

Eigen lieden zonder eigen erve

Het Eltense tijnsboek bevat een veelzeggende rubriek: “Dit sijn die rechte der Abdien van Elten als van horigen luden ende eyghenen luden.” Mensen werden daarin onder meer onderscheiden naar de aanspraken die Elten op hun nalatenschap kon maken. Opmerkelijk is de vermelding van “eigen lieden zonder eigen erve”. Deze mensen hadden een lage juridische status en bezaten geen eigen hoeve. Kos acht het mogelijk dat zij afstammelingen waren van de vroegere onvrijen die op het vroonland werkten. Daarmee bleven in vijftiende-eeuwse bronnen sporen zichtbaar van sociale verhoudingen die mogelijk eeuwen ouder waren.

Hoofdtijns en persoonlijke afhankelijkheid

In Brummen komen zulke mensen voor als hoofdtijnsplichtigen. Hoofdgeld was een belasting of tijns die rechtstreeks op een persoon rustte en dus niet aan een stuk grond verbonden was. Al in de negende eeuw bestond een dergelijke heffing als capaticum of census capitis. Zij functioneerde als teken van persoonlijke afhankelijkheid. In de middeleeuwse terminologie konden deze mensen worden aangeduid als onvrijen zonder hoeve, de servi non casati, of als “eigen lieden zonder eigen erve”. Hun juridische afhankelijkheid was aanzienlijk: hun nalatenschap kon volledig aan het stift toevallen. Zulke gegevens laten zien hoe diep het Eltense gezag oorspronkelijk kon ingrijpen.

Varkengeld, wormgeld en snoekgeld

Andere merkwaardige betalingen bewaren eveneens herinneringen aan oudere verplichtingen. In het land van Bergh werden varkengeld, wormgeld en snoekgeld geheven. Varkengeld hield verband met de vroegere levering van varkens; de andere betalingen hadden betrekking op visserij. In plaats van daadwerkelijk een varken of een gedeelte van de visvangst af te staan, betaalden gebruikers later een vast geldbedrag. Kos beschouwt zulke betalingen als versteende resten van oudere vroondiensten. Een verplichting die oorspronkelijk uit concrete arbeid of producten bestond, kon eeuwen later nog als geldheffing voortbestaan. Zo bewaren administratieve registers indirect herinneringen aan een veel oudere landbouworganisatie.

De stedicheit

Een vergelijkbaar verschijnsel was de stedicheit, een oude, vaststaande tijns die Elten over verschillende goederen hief. Ook deze betaling kon in de plaats zijn gekomen van vroegere leveringen die hoevenaars aan hun heer verschuldigd waren. Het oorspronkelijke economische systeem veranderde dus zonder volledig te verdwijnen. Diensten werden betalingen, persoonlijke afhankelijkheid werd gedeeltelijk aan grond verbonden en oude verplichtingen bleven onder nieuwe namen bestaan. Juist daarom gebruikt Kos ook vijftiende-eeuwse bronnen voor een reconstructie van veel oudere verhoudingen. De administratie van Elten bevat als het ware fossielen van het vroegmiddeleeuwse hofstelsel.

Echte hofdiensten bleven bestaan

Niet alle diensten waren in geld veranderd. Kos noemt Rodolf van Holthuizen, die behalve verschillende betalingen nog daadwerkelijk hofdiensten moest verrichten. Iedere lente moest hij helpen ploegen en maaien op de Eltense hof. In de winter moest hij hout halen uit de bosmarke van Zeddam en dit naar het stift brengen. Hier zien we de klassieke combinatie van landbouwarbeid, bosgebruik en verplicht transport nog rechtstreeks terug. Het voorbeeld bewijst dat onderdelen van het oude hofstelsel zeer lang konden blijven bestaan. Daardoor wordt het aannemelijker dat ook oude gebruiksrechten op gemeenschappelijke gronden generaties lang konden voortleven.

Naerdinclant in de Eltense bronnen

Voor Naerdinclant zelf zijn de gegevens aanzienlijk schaarser. Alleen het feit dat het ooit koningsgoed was, is onvoldoende om een volledig klassiek hofstelsel te bewijzen. Ook de Gooise landschappelijke structuur met engen en gemene gronden is op zichzelf geen doorslaggevend bewijs. Maar verschillende aanwijzingen versterken elkaar. Elten verkreeg Naerdinclant inclusief mancipia. De pertinentieformule suggereert een volledig domein. Bovendien blijkt uit andere Eltense bezittingen dat het stift daadwerkelijk met hoven, diensten, tijnzen en afhankelijke mensen werkte. Kos acht het daarom onwaarschijnlijk dat juist Naerdinclant volledig anders zou zijn georganiseerd.

1129 — de vroonhof Naerdinclant

Een bijzonder belangrijke aanwijzing dateert uit 1129. Keizer Lotharius III, die regeerde van 1125 tot 1137, bevestigde toen een regeling die in de tiende eeuw tussen Elten en een dochter van graaf Wichman was getroffen. Het bezit in Naerdinclant werd daarbij aangeduid als “de vroonhof die Naerdinclant wordt genoemd”. Daarmee verschijnt Naerdinclant rechtstreeks als curtis, als hof. Voor Kos vormt dit een belangrijk aanknopingspunt voor zijn reconstructie. Het latere Gooiland was niet alleen een geografisch gebied, maar had wortels in een veel oudere grondheerlijke en agrarische organisatie rond een hof.

Van hofstelsel naar gemeenschapsrecht

Wanneer het klassieke hofstelsel geleidelijk uiteenviel, verdwenen de gemeenschappelijke gronden niet. De boeren bleven afhankelijk van heiden, meenten, bossen, venen en hooilanden. Wat veranderde was de institutionele omgeving waarin zij die gebruikten. Onder het oude domeinstelsel lag het gebruiksrecht impliciet besloten in de positie van de hoevenaars. Toen de persoonlijke en domaniale banden losser werden, ontstond behoefte om duidelijker vast te leggen wie wél en wie niet gerechtigd was. Volgens Kos ligt precies hier de kiem van de latere Gooise marke. Het collectieve gebruik was oud; de zelfstandige organisatie en schriftelijke regels ontstonden later.

De dertiende eeuw brengt nieuwe machthebbers

In de dertiende eeuw werd het voor het verafgelegen stift Elten steeds moeilijker om Naerdinclant effectief te besturen en te beschermen. Rond het gebied waren verschillende territoriale machthebbers actief. Vanuit de Vechtstreek probeerden de heren van Amstel goederen en rechten in Naerdinclant naar zich toe te trekken. Vanuit het zuiden kon de bisschop van Utrecht aanspraken doen gelden. Vanuit het westen breidde de graaf van Holland zijn macht uit. Naerdinclant kwam daardoor terecht tussen concurrerende machtsblokken. Voor Elten betekende de grote afstand dat het steeds moeilijker werd zijn oude rechten daadwerkelijk ter plaatse af te dwingen.

Abdis Godelinde

In 1280 besloot abdis Godelinde, die van 1272 tot 1288 aan het hoofd van Elten stond, tot een ingrijpende regeling. Zij kwam op het kasteel van Vreeland tot overeenstemming met graaf Floris V van Holland. De overeenkomst zou later een centrale rol spelen in vrijwel iedere discussie over de rechten in Gooiland. Lange tijd werd zij uitgelegd alsof Floris daarmee het gebied of zelfs de gemeenschappelijke gronden in eigendom had verkregen. Kos sluit zich aan bij een andere juridische interpretatie: het ging primair om het verpachten van gezagsrechten over de terra Naerdinclant, niet om een eenvoudige overdracht van alle grond.

Floris V krijgt Naerdinclant in pacht

Floris betaalde een bedrag ineens en daarnaast jaarlijks vijfentwintig Utrechtse ponden. Daarvoor kreeg hij de beschikking over het grootste deel van de gezagsrechten in Naerdinclant. Bepaalde inkomsten van Eltense kanunniken en de lenen van dienstmannen van het stift werden uitgezonderd. Ook rechten die de heren van Amstel zich hadden toegeëigend werden in de regeling betrokken. Voor Floris was dit strategisch belangrijk, omdat hij zijn positie tegenover de Van Amstels versterkte. Voor Godelinde betekende de regeling dat de inkomsten uit haar afgelegen Gooise bezit beter werden veiliggesteld zonder dat Elten daar zelf voortdurend militair of bestuurlijk aanwezig hoefde te zijn.

De rechten van de Van Amstels

De aanspraken van de heren van Amstel waren niet volledig denkbeeldig. Slechts een week na de overeenkomst liet Godelinde vastleggen dat de verpachting ongedaan kon worden gemaakt wanneer de heer van Amstel zijn rechten op de betrokken goederen daadwerkelijk zou laten gelden. Kennelijk wilde zij eerst afwachten hoe de machtsstrijd zou aflopen. In 1285 wist Floris V de heer van Amstel tot zijn leenman te maken. Daarbij deed Gijsbrecht van Amstel afstand van zijn aanspraken op Nardingherlant. De Hollandse machtspositie in het gebied werd daarmee aanzienlijk versterkt, maar dat betekende nog niet dat alle oudere grond- en gebruiksrechten verdwenen.

Geen eenvoudige verkoop van Gooiland

Rechtshistoricus O. Moorman van Kappen heeft volgens Kos belangrijk werk verricht door de overeenkomst van 1280 opnieuw juridisch te interpreteren. Floris kreeg vooral de terra Naerdinclant als gebied waarover hij grafelijk gezag kon uitoefenen. Het stift Elten behield daarnaast een grondheerlijke band met Naerdinclant. Zaken die rechtstreeks met de grond samenhingen konden daardoor buiten de verpachte gezagsrechten vallen. Dat is cruciaal voor de gemene gronden. Wanneer Elten de onderliggende grondheerlijke positie behield, kan niet eenvoudig worden aangenomen dat Floris in 1280 volledige eigendom over alle Gooise woeste en gemeenschappelijke gronden verkreeg.

De terugvalclausule

Dat werkelijk van pacht sprake was, blijkt volgens Kos bovendien uit een clausule in de overeenkomst. Wanneer Floris of zijn opvolgers de overeengekomen pacht niet betaalden, kon het verpachte geheel en onmiddellijk aan Elten terugvallen. In het vijftiende-eeuwse Eltense tijnsboek werd de overeenkomst dan ook opgenomen onder de veelzeggende kop “Dit is pacht to Elten”. De juridische verhouding tussen Holland en Elten bleef dus bestaan. Dat gegeven is essentieel, omdat latere geschiedschrijvers de overgang van 1280 gemakkelijk als een definitieve overdracht van Gooiland aan Holland hebben voorgesteld. De werkelijkheid was ingewikkelder en bestond uit verschillende, over elkaar liggende rechten.

1296 — Floris V wordt vermoord

Zestien jaar later, in 1296, vond de gebeurtenis plaats die een bijna mythische band tussen Floris V en de Gooiers zou scheppen. Floris was door zijn tegenstanders gevangengenomen. Een groep Gooilanders probeerde hem uit hun handen te bevrijden, maar kwam te laat. De graaf werd vermoord. De kroniekschrijver Melis Stoke beschreef hun reactie: “Doe si den grave vonden doot, hadden si alle rouwe groot.” De Gooiers waren diep bedroefd toen zij de graaf dood aantroffen. Deze dramatische gebeurtenis zou later een belangrijke rol spelen in de historische beeldvorming over Floris V en de Erfgooiers.

De mythe van Floris V

In latere Gooise geschiedschrijving ontstond het verhaal dat Floris V de Gooiers hun rechten op de gemene gronden had geschonken. Hun poging hem in 1296 te redden zou dan uit dankbaarheid voor deze schenking zijn voortgekomen. Onder anderen D.Th. Enklaar en A.J.C. de Vrankrijker hechtten grote betekenis aan Floris bij het ontstaan van de Gooise marke. Kos verwerpt deze voorstelling. Er bestaat volgens hem geen bewijs voor een dergelijke schenking. Bovendien kon Floris moeilijk rechten schenken die volgens de voorgestelde reconstructie al eeuwen door de Gooise boeren werden uitgeoefend en mogelijk niet eens tot zijn pacht uit 1280 behoorden.

Van Naerdinclant naar Gooiland

Na ongeveer 1300 verdween de naam Naerdinclant geleidelijk uit de bronnen en kwam Gooiland ervoor in de plaats. De verandering van naam viel samen met een periode waarin het gebied steeds sterker binnen het Hollandse politieke bestel terechtkwam. Maar de oudere structuren verdwenen niet eenvoudig. Volgens Kos moeten we juist rekening houden met continuïteit. De boeren die onder Hollandse heerschappij kwamen te staan waren afstammelingen van gemeenschappen die al tijdens de Eltense periode het landschap gebruikten. De politieke bovenlaag veranderde sneller dan het dagelijkse landbouwbedrijf en de lokale gewoonten. Dat verschil zou later voortdurend spanningen veroorzaken.

Van Eltense horigen naar goede luden

Kos vat deze lange ontwikkeling kernachtig samen als een overgang van Eltense horigen naar de “goede luden van Gooiland”. De juridische status van de boeren veranderde gedurende eeuwen. De oude persoonlijke afhankelijkheid van een domeinheer verzwakte, terwijl de aanspraken op landbouwgrond en gemeenschappelijke hulpbronnen bleven bestaan. Uiteindelijk traden de Gooise boeren niet meer naar voren als horigen van Elten, maar als een georganiseerde groep die tegenover de graaf van Holland haar eigen rechten verdedigde. De oorsprong van hun rechten hoefde daardoor niet in een grafelijke schenking te liggen. Zij kon juist voortkomen uit eeuwenoud gebruik.

Waarom een marke nodig werd

Onder het oude hofstelsel hoefde niet voortdurend schriftelijk te worden vastgelegd wie de gemeenschappelijke gronden mocht gebruiken. De gerechtigden maakten immers deel uit van het domein. Toen die structuur verdween, ontstond een probleem: wie behoorde nog tot de groep en wie niet? Wanneer buitenstaanders zich vestigden of machthebbers stukken grond wilden uitgeven, moesten de oude gebruikers hun positie explicieter verdedigen. Zo kon uit een bestaande agrarische gemeenschap een markeorganisatie groeien. De gebruiksrechten werden steeds duidelijker omschreven en gekoppeld aan voorwaarden. Het gebruik van de gemene gronden werd daarmee niet nieuw geschapen, maar opnieuw georganiseerd.

De betekenis van een schaar

Een sleutelbegrip werd schaar. Letterlijk kon een schaar worden opgevat als een hoeveelheid land die voldoende voedsel opleverde voor een koe. Vervolgens ging het begrip ook slaan op het aantal dieren dat een gerechtigde op de gemeenschappelijke weiden mocht laten grazen. Daarmee ontstond een praktisch systeem om overbegrazing tegen te gaan en het beschikbare gemeenschappelijke areaal onder de gerechtigden te verdelen. De schriftelijke regels waarin zulke zaken werden vastgelegd werden schaarbrieven genoemd. Zij laten zien hoe de Gooise gemeenschap zichzelf steeds nauwkeuriger organiseerde en hoe de toegang tot de gemene gronden geleidelijk werd afgeschermd.

1326 — de graaf grijpt in

De Gooise gemeenschap opereerde echter niet volledig zelfstandig. In 1326 ergerde graaf Willem III, die van 1304 tot 1337 regeerde, zich eraan dat Gooise markegenoten op eigen initiatief bijeenkwamen. Voortaan moest een vertegenwoordiger van de graaf de vergadering afroepen door “het blasen van den horne”. Dit voorval is veelzeggend. De Gooiers organiseerden zichzelf rond hun gemeenschappelijke belangen, maar de Hollandse landsheer wilde duidelijk maken dat zulke bijeenkomsten niet buiten zijn gezag konden plaatsvinden. Hier zien we vroeg het patroon dat de volgende eeuwen zou bepalen: lokaal collectief recht tegenover steeds sterker territoriaal landsheerlijk gezag.

Willem IV en de Eemnessers

Enkele jaren later ontstond het omgekeerde conflict. Graaf Willem IV, die van 1337 tot 1345 regeerde, gaf enkele inwoners van Eemnes toestemming om Gooise gemene grond te ontginnen. De Gooiers verzetten zich hiertegen en er vonden zelfs vechtpartijen plaats. Uiteindelijk konden de Eemnessers grond ontginnen, maar daarbij werd rekening gehouden met de “goede lude van Gooiland”. Dit laat zien dat de Gooise gemeenschap inmiddels een politieke factor was waarmee de landsheer rekening moest houden. Tegelijk probeerde de graaf aanspraak te maken op de mogelijkheid om over delen van de woeste grond te beschikken.

De eerste schaarbrief van 1404

De eerste bekende schaarbrief dateert uit 1404. Daarin was de omschrijving van de gerechtigden nog betrekkelijk ruim. Het gebruik van de gemeenschappelijke gronden kwam toe aan degenen die “in een huse” woonden. Daarmee werd in wezen bedoeld dat zij een huishouden en boerenbedrijf voerden. Deze regel sloot aan bij de agrarische oorsprong van het recht: wie werkelijk een boerenbedrijf had, moest toegang hebben tot de gemeenschappelijke bestaansmiddelen. Maar de formulering bracht een probleem met zich mee. Wanneer een buitenstaander zich in Gooiland vestigde en een boerderij betrok, kon hij mogelijk automatisch aanspraak maken op dezelfde rechten.

Het probleem van nieuwkomers

De Gooise gemeenschap moest daarom bepalen of gerechtigdheid uitsluitend voortkwam uit het bewonen van een boerderij of ook uit het behoren tot een bestaande groep. Wanneer iedere nieuwkomer dezelfde rechten kon verkrijgen, zou het aantal gebruikers voortdurend toenemen terwijl de oppervlakte van de gemeenschappelijke gronden niet meegroeide. Meer runderen, paarden, schapen en varkens betekenden grotere druk op weilanden, heiden en bossen. De regulering van gerechtigdheid was daardoor zowel sociaal als ecologisch noodzakelijk. In de vijftiende eeuw zien we de regels daarom steeds strenger worden. Het markerecht ontwikkelde zich geleidelijk van een gebruiksrecht van boerenbedrijven naar een recht van een afgebakende groep.

1442 — wie veldslag mocht doen

In 1442 werd een nieuwe beperking ingevoerd. Voortaan konden alleen degenen “die veltslag doen moghen” van de gemene gronden gebruikmaken. Veldslag was voorbehouden aan leden of gewaarden van de marke. Een gewaarde beschikte over een aandeel in het collectieve gebruiksrecht. Zo'n aandeel werd een waarschap genoemd. Een gerechtigde kon zijn waarschap als het ware “slaan” of in gebruik nemen. Kos wijst op de mogelijke taalkundige verwantschap met de uitdrukking “je slag slaan”. Belangrijker is dat hiermee duidelijker onderscheid ontstond tussen gewone bewoners van Gooiland en degenen die werkelijk tot de gerechtigde gemeenschap behoorden.

Waarschap en gerechtigdheid

De waarschap was geen eenvoudig stuk particuliere grond. Het was een aandeel in een collectief recht. De gemeenschappelijke gronden bleven als geheel functioneren, terwijl afzonderlijke gerechtigden er volgens vastgestelde regels gebruik van mochten maken. Dit is essentieel voor het begrijpen van de Erfgooiers. Hun rechten moeten niet zonder meer worden voorgesteld alsof iedere familie een gedeelte van de heide of meent bezat. Het ging om toegang tot en gebruik van een gemeenschappelijk landschap. Juist deze combinatie van collectief beheer en individuele gerechtigdheid maakte de Gooise situatie juridisch zo bijzonder en zou later voortdurend botsen met moderne opvattingen over individuele eigendom.

1455 — de gelederen sluiten

De derde belangrijke schaarbrief, uit 1455, maakte de kring van gerechtigden nog beperkter. Stichtse lieden werden uitgesloten van het gebruik van de Gooise gemene gronden. Daarmee werd de grens tegenover inwoners uit het gebied van de bisschop van Utrecht scherper getrokken. Bovendien werd bepaald dat gerechtigde mannen meerderjarig moesten zijn, een boerenbedrijf moesten voeren en dat bedrijf van hun ouders moesten hebben geërfd. De tekst spreekt van “sijn ouders aengeerfft”. Het recht werd daarmee nadrukkelijk verbonden aan afstamming en overerving. Hier krijgt de latere term Erfgooier zijn historische betekenis.

Van boerenrecht naar erfelijk persoonlijk recht

Het recht was nu niet langer uitsluitend verbonden met het feit dat iemand een boerderij exploiteerde. Afkomst werd doorslaggevend. De gerechtigdheid ging in belangrijke mate van vader op zoon over en kreeg daarmee het karakter van een persoonlijk erfelijk recht binnen een afgebakende gemeenschap. De marke sloot haar gelederen. Buitenstaanders konden niet eenvoudig door vestiging dezelfde positie verkrijgen. Dit was een fundamentele stap in de ontwikkeling van de Erfgooiers. Een oorspronkelijk functioneel gebruiksrecht binnen een landbouwsysteem was veranderd in een historisch en erfelijk groepsrecht. Juist deze ontwikkeling verklaart waarom later ook personen die geen traditionele boer meer waren toch Erfgooier konden blijven.

De goede luden van Gooiland

De Hollandse graven noemden de gerechtigde Gooiers regelmatig de “goede luden van Gooiland”. Het woord “goed” moet hier niet simpelweg moreel worden begrepen. Het verwees naar mensen met maatschappelijke betekenis, lieden met wie rekening moest worden gehouden. De markegenoten vormden daarmee een erkende groep binnen de Gooise samenleving. Zij beschikten over rechten, tradities en een eigen organisatie. Maar tegelijkertijd nam de macht van de Hollandse landsheer toe. Naarmate de graaf zijn territorium centraler ging besturen, werd het moeilijker om een grotendeels op gewoonterecht gebaseerde lokale gemeenschap onafhankelijk over grote oppervlakten grond te laten beschikken.

Een botsing van rechtswerelden

Tegen het einde van de Middeleeuwen ontstond daarom een steeds fundamentelere vraag: van wie waren de gemene gronden eigenlijk? Voor moderne lezers lijkt dat een eenvoudige eigendomsvraag, maar voor de Middeleeuwen is dat misleidend. Het moderne begrip van één exclusieve eigenaar paste slecht bij een wereld waarin verschillende personen en instellingen tegelijkertijd verschillende rechten op dezelfde grond konden hebben. Een heer kon gezag hebben, een kerkelijke instelling grondheerlijke rechten bezitten en boeren konden eeuwenoude gebruiksrechten uitoefenen. Deze rechten hoefden elkaar niet uit te sluiten. Problemen ontstonden toen landsheren steeds meer vanuit het Romeinse recht gingen denken.

Gewoonterecht tegenover Romeins recht

Het middeleeuwse gewoonterecht kende niet hetzelfde absolute eigendomsbegrip als het latere Romeinsrechtelijk beïnvloede recht. Volgens Romeinsrechtelijke opvattingen konden woeste gronden die geen particuliere eigenaar hadden als bona vacantia worden beschouwd. Zij vielen uiteindelijk aan de vorst toe. Dit werd verbonden met het zogenaamde wildernisregaal, een oud koninklijk recht op woeste en onbeheerde gronden. In de loop van de Middeleeuwen waren dergelijke regalia overgegaan op regionale machthebbers, waaronder de graven van Holland. Daarmee ontstond een juridische grondslag waarmee de graaf steeds sterkere aanspraken kon maken op Gooise heiden, venen, bossen, wateren en wildernissen.

De Gooiers hadden een ander uitgangspunt

De Gooise boeren redeneerden vanuit een totaal andere rechtswereld. Hun voorouders hadden de gemene gronden sinds onheuglijke tijden gebruikt. Voor hen was dat langdurige gebruik zelf een bron van recht. Zij lieten er hun paarden, koeien, schapen en varkens grazen, staken plaggen, groeven turf, gebruikten bossen en regelden onderling hoeveel ieder mocht benutten. Dat hoefde niet voort te komen uit een geschreven privilege. De gewoonte was ouder dan veel schriftelijke instellingen. Naarmate de Hollandse overheid meer schriftelijk bewijs en Romeinsrechtelijke argumenten verlangde, werd juist deze oude mondelinge en gewoonterechtelijke basis een kwetsbaar punt.

Karel de Stoute grijpt in

Onder Karel de Stoute, graaf van Holland van 1467 tot 1477, escaleerde het conflict. Karel streefde naar een veel krachtiger monarchaal gezag. In 1470 eiste de grafelijkheid de zeggenschap en uiteindelijk de eigendom van de Gooise gemene gronden op voor het Hof van Holland, het hoogste rechtscollege van het graafschap. Daarmee werd een conflict dat eeuwenlang vooral praktisch was geweest een principiële juridische strijd. De vraag was niet langer alleen hoeveel vee iemand mocht weiden of wie turf mocht steken. De fundamentele verhouding tussen landsheer en Gooise gemeenschap stond ter discussie.

De grafelijke aanklacht

De vertegenwoordiger van de graaf verwees naar de pachtovereenkomst van 1280. Volgens hem omvatte de toen aan Holland overgedragen macht ook de volledige zeggenschap over de “mersschen, weyden, veenen, bosschen, heyden, streuellen, waranden ende wildernissen”: moerassen, weiden, venen, bossen, heiden, wateren, jachtvelden en wildernissen. Vanuit grafelijk perspectief gedroegen de Erfgooiers zich alsof deze gronden hun particuliere erfgoed waren. Zij zouden ze gebruiken “alsoft haar eygen erve ende patrimonye geweest hadde”. Daarmee werd precies het verschil zichtbaar tussen het oude gemeenschapsrecht en het nieuwe landsheerlijke eigendomsdenken.

Paarden, koeien, zwijnen en schapen

De aanklacht geeft tegelijk een uitzonderlijk levendig beeld van het dagelijkse gebruik van het Gooise landschap. De gerechtigden brachten volgens de grafelijke vertegenwoordiger hun “paarden, koeyen, zwijnen ende scapen” dagelijks op de gemeenschappelijke gronden. Zij staken plaggen op de heiden, groeven turf uit de venen en maakten onderling afspraken over het gebruik van de bossen. Volgens de grafelijkheid deden zij daarmee iets waarvoor toestemming van hun vorst nodig was: “twelk nyemende geoirloft en wair alzo te doen buyten consent van sijnen prince.” Wat voor de Gooiers eeuwenoude gewoonte was, werd door de landsheer als aantasting van zijn gezag voorgesteld.

Het antwoord van de Erfgooiers

De Gooiers antwoordden dat zij de gemene gronden altijd “rustelicken ende vredelicken” hadden gebruikt en dat dit gebruik zo oud was dat niemand zich het begin ervan kon herinneren. Daarmee beriepen zij zich op onheuglijk gebruik. Bovendien wezen zij erop dat graaf Albrecht, die van 1389 tot 1404 regeerde, hun rechten uit kracht van de gewoonte had erkend. Zij verwezen daarbij naar de eerste schaarbrief, waaraan Albrecht zijn goedkeuring had verleend. Voor de Gooiers was dit bewijs dat ook eerdere Hollandse graven hun bestaande rechten niet hadden geschapen, maar hadden erkend.

De Gooiers beroepen zich op Elten

Nog opmerkelijker is dat de Gooiers zelf teruggrepen op de overeenkomst van 1280. Zij voerden aan dat de zeggenschap over het gebruik van de gemene gronden oorspronkelijk bij de abdis van Elten was gebleven en dat zij de Gooise bevolking toestemming had gegeven deze gronden te gebruiken. Daarmee komt Elten eeuwen na de overdracht opnieuw midden in het juridische conflict te staan. De Gooiers zagen kennelijk ruimte tussen de grafelijke gezagsrechten en de oudere grondheerlijke rechten van het stift. Precies dat onderscheid vormt ook de kern van Kos' moderne interpretatie van de gebeurtenissen.

Schriftelijk bewijs wordt beslissend

De vertegenwoordiger van de graaf antwoordde hard. Als de abdis van Elten werkelijk gebruiksrechten had verleend, moest dat volgens hem vóór 1280 zijn gebeurd. Zonder schriftelijk bewijs konden de Gooiers zich daarop niet beroepen. Zelfs wanneer zij “duysent jaeren tot desen dage toe rustelic” de gemene gronden hadden gebruikt, was dat volgens deze redenering onvoldoende wanneer zij geen rechtsgeldige, door de grafelijkheid erkende titel konden tonen. Hier botsen twee historische werelden bijna letterlijk op elkaar: eeuwenoude gewoonte tegenover geschreven recht; lokale herinnering tegenover landsheerlijke administratie; collectieve praktijk tegenover een staat die steeds nauwkeuriger wilde bepalen wie juridisch bevoegd was.

Het Hof van Holland oordeelt

Het Hof van Holland was gevoelig voor de grafelijke argumenten. Het bepaalde dat de Erfgooiers zich uit bepaalde venen, bossen, wateren en woeste gronden moesten terugtrekken. Tegelijk bleef hun gebruiksrecht op de meenten en heidevelden overeind. Daarmee koos het Hof geen volledig eenzijdige oplossing. Het erkende dat de landsheer rechten had, maar kon de eeuwenoude Gooise gebruikspraktijk niet eenvoudig geheel uitwissen. Toch was het vonnis voor geen van beide partijen bevredigend. De grafelijkheid wilde een duidelijkere erkenning van haar hoogste aanspraken, terwijl de Erfgooiers hun traditionele gebruik van alle gemene gronden wilden behouden.

Naar de Grote Raad van Mechelen

Vier jaar later stonden de partijen opnieuw tegenover elkaar, nu voor de Grote Raad van Mechelen, het hoogste rechtscollege van de Bourgondische Nederlanden. Daarmee was een lokaal conflict over heide, weiden, bossen en venen uitgegroeid tot een zaak op het hoogste bestuurlijke niveau. De uitspraak probeerde de twee botsende rechtsopvattingen met elkaar te verenigen. De hoogste eigendomsaanspraak op de gemene gronden werd aan de graaf van Holland toegekend. Tegelijkertijd werd het exclusieve gebruiksrecht van de Erfgooiers erkend. Aan de Gooise marke werd bovendien een boete opgelegd.

Beide partijen konden zich winnaar noemen

De uitspraak leverde een opmerkelijk compromis op. De Hollandse landsheer kreeg erkenning van zijn hoogste gezag en aanspraak op de grond. De Erfgooiers behielden waar het voor hun dagelijkse bestaan vooral om ging: het exclusieve gebruik van de gemeenschappelijke gronden. In de woorden van de latere rechtsgeschiedenis ontstond daarmee een onderscheid tussen eigendom en gebruik, hoewel Kos waarschuwt dat zulke moderne begrippen voorzichtig op middeleeuwse verhoudingen moeten worden toegepast. Voor de graaf was vooral erkenning van zijn gezag belangrijk; voor de Gooiers was het belangrijk dat niet iedere buitenstaander hun heiden, meenten, bossen en venen mocht gebruiken.

De strijd was niet voorbij

De uitspraak maakte geen einde aan de conflicten. Integendeel: gedurende de volgende eeuwen zouden telkens opnieuw geschillen ontstaan over de rechten op de Gooise gemene gronden. De oorzaak lag dieper dan één onduidelijke oorkonde of één grensconflict. De Gooise marke was voortgekomen uit een middeleeuwse wereld van gewoonterecht en gelaagde rechten, terwijl de overheid steeds sterker vanuit centraal gezag, geschreven recht en uiteindelijk modern eigendomsdenken opereerde. Kos noemt de marke beeldend de gewoonterechtelijke erwt onder de steeds hoger wordende stapel matrassen van de prinses. Het oude recht bleef voelbaar, hoeveel nieuwe juridische lagen er ook bovenop kwamen.

Waarom de marke bleef bestaan

Dat de Gooise organisatie ondanks deze spanningen bleef voortbestaan, kwam doordat haar rechten niet alleen juridisch maar ook economisch en sociaal waren verankerd. Zolang boeren afhankelijk waren van gemeenschappelijke heiden, weilanden, bossen en venen, bestond er een praktische noodzaak voor collectief beheer. De gerechtigden moesten bepalen hoeveel vee kon worden geweid, wie waar plaggen mocht steken, hoe bossen gebruikt werden en wie toegang kreeg tot de gemeenschap. Het markerecht was daarmee geen overblijfsel dat uitsluitend uit traditie werd bewaard. Het functioneerde als een concrete regeling voor het gebruik van schaarse natuurlijke hulpbronnen waarvan de Gooise landbouw afhankelijk was.

Een recht dat van karakter veranderde

Tegelijk veranderde het systeem langzaam van karakter. In de vroegste reconstructie waren gebruiksrechten verbonden aan de positie van hoevenaars binnen een domein. Later werden zij gekoppeld aan boerenbedrijven. Vervolgens werden ze steeds sterker verbonden aan afstamming en persoonlijke gerechtigdheid. Daardoor konden uiteindelijk steeds meer Erfgooiers bestaan die zelf niet langer een traditioneel boerenbedrijf exploiteerden. Wat oorspronkelijk functioneel verbonden was met landbouw en veeteelt werd een erfelijk recht. Juist deze ontwikkeling zou op lange termijn nieuwe spanningen veroorzaken, omdat de groep gerechtigden kon groeien terwijl het aantal mensen dat werkelijk van de gemeenschappelijke gronden voor landbouw afhankelijk was afnam.

De negentiende-eeuwse eigendomsvraag

Historicus B.H. Slicher van Bath wees erop dat de precieze vraag of markegenoten nu eigendomsrechten of uitsluitend gebruiksrechten hadden vóór 1800 veel minder belangrijk was dan zij later werd. Voor de landsheren ging het vooral om erkenning van hun gezag. Voor de markegenoten ging het vooral om het daadwerkelijk kunnen blijven gebruiken van de gronden. Pas in de negentiende eeuw, toen overal markegronden werden verdeeld en moderne eigendomsbegrippen doorslaggevender werden, werd de vraag naar juridische eigendom werkelijk urgent. Daardoor moeten we oppassen negentiende- en twintigste-eeuwse juridische begrippen rechtstreeks terug te projecteren op de Middeleeuwen.

1912 — eindelijk een wettelijke regeling

Pas in 1912 werd de bijzondere rechtspositie van de Erfgooiers en hun organisatie bij wet geregeld. Het genootschap kreeg de naam Vereniging van Stad en Lande van Gooiland. Daarmee kreeg een gemeenschap waarvan Kos de wortels terugvoert tot vroegmiddeleeuwse domeinverhoudingen uiteindelijk een plaats binnen het moderne Nederlandse recht. Tussen het Karolingische koningsgoed en deze wettelijke regeling lagen ongeveer duizend jaar van verandering. Koningen, Duitse keizers, het stift Elten, graven van Holland, Bourgondische landsheren, rechtbanken en moderne overheden hadden zich met dezelfde Gooise gronden bemoeid, terwijl de lokale gerechtigden hun aanspraken telkens opnieuw wisten aan te passen en te verdedigen.

De teloorgang van het boerenbedrijf

De wettelijke erkenning kwam echter juist in een tijd waarin de oorspronkelijke economische grondslag van de organisatie steeds verder verdween. Het Gooi veranderde. Het traditionele boerenbedrijf verloor terrein en een groeiend aantal Erfgooiers verdiende zijn bestaan met andere vormen van nering. Daarmee ontstond een fundamentele spanning. Een recht dat oorspronkelijk was ontwikkeld om boeren toegang te geven tot noodzakelijke gemeenschappelijke hulpbronnen bleef bestaan terwijl steeds minder gerechtigden die hulpbronnen werkelijk voor een boerenbedrijf nodig hadden. Volgens Kos verloor de oude marke hierdoor uiteindelijk haar oorspronkelijke bestaansreden, ook al bleef de historische gerechtigdheid nog lange tijd juridisch en maatschappelijk betekenis houden.

De kern van Kos' nieuwe interpretatie

De belangrijkste conclusie van Anton Kos is daarom dat de Gooise marke niet eenvoudig door Floris V is gesticht. De zelfstandige markeorganisatie kreeg waarschijnlijk pas vorm nadat Gooiland onder Hollands gezag was gekomen, maar haar kiem lag in de Eltense periode. Binnen de oudere domeinorganisatie hadden de hoevenaars impliciet exclusieve toegang tot de gemeenschappelijke gronden. Toen het hofstelsel uiteenviel, bleven deze gebruiksrechten bestaan. Wat eerst vanzelfsprekend voortvloeide uit het behoren tot het domein, moest later expliciet worden vastgelegd. Uit die ontwikkeling kwamen de schaarbrieven, de gewaarden, de waarschappen en uiteindelijk de Erfgooiers voort.

Floris V krijgt een andere plaats in het verhaal

Floris V blijft daarmee belangrijk, maar om een andere reden dan de traditionele Gooise overlevering suggereert. Hij was niet noodzakelijk de schenker van de gemeenschappelijke rechten. In 1280 werd hij de nieuwe gezagsdrager over een gebied waarin al oude maatschappelijke en agrarische verhoudingen bestonden. De Gooise boeren werden daardoor geconfronteerd met een landsheer wiens toekomstige bedoelingen zij niet konden kennen. Zij hadden er belang bij hun bestaande toegang tot de gemene gronden tegen aantasting te beschermen. De komst van Holland kan daardoor juist een stimulans zijn geweest om bestaande gebruiken steeds duidelijker als collectieve rechten te organiseren.

Van impliciet gebruik naar expliciet recht

Daarmee wordt de ontwikkeling van de Erfgooiers begrijpelijk als een geleidelijk proces. Eerst bestond een landbouwgemeenschap binnen een koninklijk en later Eltense domein. De hoevenaars gebruikten de omliggende gemeenschappelijke gronden omdat dit onderdeel van het economische systeem was. Vervolgens verzwakte het hofstelsel. De gebruikers bleven, maar de institutionele structuur veranderde. Onder Holland ontstond behoefte de kring van gerechtigden af te bakenen. In 1404 werd het boerenbedrijf bepalend, in 1442 het recht om veldslag te doen en in 1455 werden afstamming en overerving beslissend. Zo werd gewoonte uiteindelijk een steeds nauwkeuriger omschreven groepsrecht.

Van horigen naar Erfgooiers

De lange geschiedenis kan daardoor worden samengevat als een uitzonderlijke sociale transformatie. De vroegste bewoners die we in de Eltense context kunnen herkennen stonden als mancipia, hoevenaars en andere afhankelijke lieden binnen een grondheerlijk domein. Hun nakomelingen ontwikkelden zich door eeuwen van maatschappelijke en juridische verandering tot boeren die tegenover de graaf hun eigen rechten konden verdedigen. Uiteindelijk werden zij aangeduid als de “goede luden van Gooiland” en ontstond een erfelijke gemeenschap van gerechtigden. De term Erfgooier behoort dus bij een laat stadium van een ontwikkeling waarvan de wortels volgens Kos vele eeuwen ouder zijn.

Naerdinclant als oorsprongsgebied

Daarmee krijgt ook de oude naam Naerdinclant een veel grotere betekenis. Het is niet alleen een vroegere geografische benaming voor het Gooi. Onder die naam bestond het gebied achtereenvolgens binnen een koninklijke, grafelijke en Eltense machtsstructuur. De vroonhof, de afhankelijke bevolking, de landbouwgronden en de gemeenschappelijke hulpbronnen vormden samen de omgeving waarin de eerste kiemen van de latere rechten konden ontstaan. Wanneer rond 1300 de naam Gooiland verschijnt, begint dus geen volledig nieuwe geschiedenis. Onder de nieuwe naam bleef een landschap functioneren waarvan de sociale structuren gedeeltelijk teruggingen op het oudere Naerdinclant.

Wichman, Elten en Floris in één ontwikkelingslijn

In plaats van één stichter krijgen we daardoor een opeenvolging van historische lagen. Eerst was er het koningsgoed Naerdinclant. Vervolgens verschijnt Wichman van Hamaland, die zijn rechten in de tiende eeuw aan Hoog-Elten schonk. Onder Elten functioneerde een grondheerlijke wereld van hoven, tijnzen, diensten, afhankelijke lieden en gemeenschappelijke hulpbronnen. In 1129 wordt Naerdinclant nog als vroonhof aangeduid. In 1280 pacht Floris V de meeste gezagsrechten. Daarna organiseerden de Gooise boeren hun positie steeds nadrukkelijker. Geen van deze momenten vormt afzonderlijk het begin; gezamenlijk vormen zij de lange ontstaansgeschiedenis van de Erfgooiers.

De werkelijke betekenis van 1280

Het jaar 1280 blijft daarom een belangrijk breukpunt, maar niet omdat Floris V toen de Gooise boeren hun gemeenschappelijke gronden zou hebben gegeven. Het belang ligt juist in de overgang van gezag. Een verre kerkelijke grondheer en een steeds machtiger Hollandse landsheer kwamen naast elkaar te staan, terwijl de lokale bevolking haar bestaande landbouwpraktijken voortzette. Daardoor ontstond een complexe rechtsverhouding waarin grondheerlijkheid, territoriaal gezag en gewoonterechtelijk gebruik niet samenvielen. Die onduidelijkheid zou eeuwen later nog steeds zichtbaar zijn wanneer advocaten voor het Hof van Holland en de Grote Raad van Mechelen probeerden te bepalen wie welke rechten bezat.

Het landschap als historische bron

Kos' reconstructie laat tevens zien waarom het Gooise landschap zelf als historische bron moet worden gebruikt. De dorpen met hun engen, de omliggende heiden en meenten, de bossen, venen en hooilanden waren onderdelen van één agrarisch systeem. De ligging daarvan helpt verklaren waarom collectieve gebruiksrechten noodzakelijk waren. Het recht ontstond niet los van het landschap. Een boer had akkers nodig, maar eveneens schapen voor mest, heide voor beweiding en plaggen, gras voor vee, hooi voor de winter, bos voor hout en varkens en veen voor turf. De latere Erfgooiersorganisatie was daardoor diep geworteld in de fysieke inrichting van Gooiland.

Een duizendjarige geschiedenis

De geschiedenis van de Erfgooiers moet daarom niet beginnen met één privilege, één graaf of één schaarbrief. Zij is het resultaat van een ontwikkeling die mogelijk ongeveer duizend jaar beslaat. Vanuit het Karolingische Naerdinclant loopt een lijn via het koningsgoed, het domeinstelsel, Wichman van Hamaland, het stift Hoog-Elten, de vroonhof, hoevenaars en gemene gronden naar Floris V, de Hollandse graven, de schaarbrieven van 1404, 1442 en 1455, het Hof van Holland en de Grote Raad van Mechelen. Pas aan het einde van die ontwikkeling verschijnt volledig de gemeenschap die wij als de Erfgooiers herkennen.

De goede luden van Gooiland

Daarin ligt uiteindelijk de betekenis van Kos' titel De goede luden van Gooiland. De Gooise boeren veranderden van mensen die binnen een domein afhankelijk waren van een koning, graaf of kerkelijke grondheer in een gemeenschap die zelf haar rechten formuleerde, bewaakte en tegenover machtige landsheren verdedigde. Hun aanspraken waren niet onbeperkt en hun organisatie veranderde voortdurend, maar de continuïteit van het gebruik van de gemene gronden was uitzonderlijk sterk. Juist daarom konden heide, meent, bos, veen en hooiland het middelpunt worden van een rechtsgeschiedenis die vanuit het vroegmiddeleeuwse Naerdinclant tot diep in de moderne tijd doorliep.

Bronnen en onderzoekers achter deze reconstructie

Kos bouwt zijn betoog niet alleen op latere Erfgooiersliteratuur. Voor de vroegste periode gebruikt hij onder meer het Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, het Oorkondenboek van Holland en Zeeland, onderzoek van G. Rotthoff, F.L. Ganshof, A. Verhulst, C. Dekker en W. Rösener, en vooral het door N.C. Kist in 1854 gepubliceerde necrologium en tijnsboek van het adellijk jufferenstift te Hoog-Elten. Voor de Gooise rechtsontwikkeling gebruikt hij onder andere de door D.Th. Enklaar uitgegeven Middeleeuwse rechtsbronnen van Stad en Lande van Gooiland en het werk van O. Moorman van Kappen.

Kos tegenover Enklaar en De Vrankrijker

Daarmee neemt Kos bewust afstand van een invloedrijke oudere interpretatie. D.Th. Enklaar vond de twaalfde-eeuwse curtis Naerdinclant te ver verwijderd van de laatmiddeleeuwse marke om daarvan de oorsprong te kunnen verklaren en ontkende zelfs het bestaan van gemene gronden tijdens de Eltense periode. A.J.C. de Vrankrijker zag evenmin voldoende grond om de latere gebruiksrechten uit de situatie van 968 af te leiden. Zij plaatsten Floris V veel centraler. Kos stelt daar een model van langdurige institutionele ontwikkeling en continuïteit tegenover. Juist daardoor wordt de Eltense periode opnieuw essentieel voor de geschiedenis van de Erfgooiers.

Geen bewezen rechte lijn, maar een sterke reconstructie

Daarbij moet één historische voorzichtigheid behouden blijven. Kos beschikt niet over een document uit de tiende of elfde eeuw waarin letterlijk staat dat de latere Erfgooiersrechten toen al bestonden. Zijn betoog is een historische reconstructie uit verschillende aanwijzingen: koningsgoed, mancipia, de pertinentieformule, de curtis Naerdinclant van 1129, de aantoonbare beheerspraktijk van Elten elders, het Gooise agrarische landschap en de later aantoonbare gewoonterechtelijke gebruiksrechten. De kracht van zijn interpretatie ligt juist in het combineren van die gegevens. De Eltense oorsprong is daarmee een beargumenteerde verklaring, niet een letterlijk door één middeleeuwse oorkonde bewezen stichting van de Erfgooiers.

De hoofdgedachte

Het uiteindelijke beeld is daardoor veel rijker dan de oude voorstelling waarin Floris V de Gooiers eenvoudig hun rechten schonk. Naerdinclant was eerst koningsgoed; het kwam via Wichman van Hamaland bij Hoog-Elten; binnen die wereld bestonden hoven, afhankelijke boeren en gemeenschappelijk gebruikte gronden; het hofstelsel verzwakte, maar het grondgebruik bleef; Floris V verwierf in 1280 vooral gezagsrechten; de Gooise boeren beschermden hun bestaande gebruik; schaarbrieven maakten steeds preciezer duidelijk wie gerechtigd was; en uiteindelijk werd afkomst bepalend. Uit die eeuwenlange ontwikkeling kwamen de Erfgooiers voort.

Van Naerdinclant naar Stad en Lande

Zo loopt één lange historische lijn van het vroegmiddeleeuwse Naerdinclant naar de twintigste-eeuwse Vereniging van Stad en Lande van Gooiland. De namen van de machthebbers veranderden, de rechtsbegrippen veranderden en uiteindelijk veranderde zelfs het Gooise landschap, maar de centrale kwestie bleef opvallend lang dezelfde: wie mocht de gemeenschappelijke grond gebruiken, op grond waarvan, en wie mocht bepalen wat ermee gebeurde? De antwoorden daarop werden achtereenvolgens gezocht in domeinrecht, grondheerlijkheid, gewoonte, grafelijk gezag, schaarbrieven, wildernisregaal, rechterlijke uitspraken en uiteindelijk nationale wetgeving. In die uitzonderlijke continuïteit ligt de historische betekenis van de Erfgooiers.

Ja. In het vorige complete verhaal ontbreken nog verschillende lagen die het Historisch Café zelf aanwijst. Ik heb de programma-archieven opnieuw doorgelopen. Vooral materiële cultuur, landschap, religie, infrastructuur, vestingbouw, migratie en de manier waarop moderne Bussum ontstond waren nog te dun. Hieronder staat daarom een aanvullend verhaal; het vorige verhaal hoeft hiervoor niet te worden ingekort.

Het Café bestrijkt veel meer dan alleen de Erfgooiers

Het Historisch Café is structureel opgezet rond vijf bijeenkomsten per jaar, georganiseerd door Tussen Vecht en Eem, Vereniging Vestingstad, Comeniusmuseum en het archief, met aan het Gooi gerelateerde onderwerpen als uitgangspunt. Daardoor is inmiddels een omvangrijk onbedoeld onderzoeksregister ontstaan. Het programma loopt dwars door archeologie, kerkgeschiedenis, economie, oorlog, landschap, wonen, migratie en materiële cultuur. Het belang zit bovendien in de sprekers: vaak zijn het juist de mensen die boeken, artikelen, archeologische onderzoeken of archiefstudies over hun onderwerp hebben gemaakt. Iedere lezing kan daardoor worden teruggebracht naar een achterliggende onderzoekspublicatie.

De Gooise geschiedenis ligt ook onder water

De lezing van Sander Koopman van 17 september 2025 blijkt nog belangrijker voor het vroegste Naarden dan alleen de titel De geheimen van Naruthi ontsluierd? doet vermoeden. Het onderzoek Op zoek naar Naruthi liep van 2020 tot 2024 en was een gezamenlijk project van AWN Naerdincklant, de Landelijke Werkgroep Archeologie Onder Water en het Goois Duikgenootschap. Het huidige Naarden bestaat sinds 1351; zijn voorganger werd in 1350 verwoest en het terrein werd vervolgens door de Zuiderzee aangetast. Bovendien bestaan achttiende- en negentiende-eeuwse ooggetuigenberichten over zichtbare resten. Die oude waarnemingen moeten afzonderlijk worden teruggevonden.

De verdwenen stad verandert ook het Erfgooiersverhaal

Dat is relevant voor Stad en Lande omdat de centrale plaats van Nardinclant zelf ruimtelijk verschoof. Het middeleeuwse Naarden waarop vroege documenten betrekking hebben, mag niet zonder meer op de plaats van de huidige vesting worden geprojecteerd. Wegen naar Naarden, verbindingen met de dorpen, kustlijn, landbouwgrond en mogelijk gemeenschappelijk gebruikte terreinen moeten daarom per periode worden gereconstrueerd. De onderwaterarcheologie kan zo rechtstreeks gaan raken aan schriftelijke vermeldingen van Nardinclant. Naruthi → Oud-Naarden → verwoesting 1350 → nieuwe stad 1351 → Stad en Lande moet voortaan één geografische onderzoeksketen worden.

De geologie hoort vóór de geschreven geschiedenis

Een andere nog onvoldoende gebruikte Cafélezing was Hetty Laverman, 14 mei 2018, over het Geopark Gooi en Vecht. Daarmee wordt duidelijk dat ons verhaal eigenlijk vóór Liudger, Wichman en Nardinclant moet beginnen. De hoge Gooise zandgronden, stuwwallen, laagten, water en overgang naar Vechtgebied bepaalden waar mensen konden wonen, akkers konden aanleggen en vee konden laten grazen. De latere engen, heiden, meenten en zandwinningen zijn niet willekeurig over het gebied verdeeld. Het Erfgooierssysteem functioneerde binnen een veel ouder natuurlijk raamwerk. Het landschap is daarmee geen achtergronddecor, maar een historische bron op zichzelf.

Zandwinning was veel ouder dan de grote zanderijen

Daar sluit Koopmans lezing van 20 november 2019 rechtstreeks op aan. Hij vermeldde dat de Gooise zandgronden al eeuwen als delfstof werden benut. In de middeleeuwen lagen grind- en leemkuilen op de heide; later ontstonden de grote afzandingen bij Naarden, Bussum en 's-Graveland en omvangrijke groeves bij Huizen. Koopman had hierover al in 2008 en 2015 onderzoek verricht. Dat zijn dus twee achterliggende bronnen die nog afzonderlijk moeten worden uitgeplozen. Voor de Erfgooiers ontstaat bovendien een concrete juridische vraag: wie mocht uit gemene grond zand, grind en leem halen en wie besliste daarover?

Naarden was ook een middeleeuwse nijverheidsstad

Het Erfgooiersverhaal kan de economie van Naarden niet tot landbouw en grondrechten beperken. De Cafélezingen van Wiard Krook over Naardense textielmerken en van H. Kaptein over de Naardense draperie wijzen naar een stedelijke textielnijverheid. De vondst van Naardense merken buiten de stad maakt bovendien handelsverbindingen zichtbaar. Dit opent een sociale vraag die nog nauwelijks in het Erfgooiersverhaal zit: hoe verhouden stedelijke wevers, vollers, ververs, handelaren en andere ambachtslieden zich tot de agrarische gerechtigden van Stad en Lande? Een Naarder kon immers onderdeel zijn van een stedelijke economie én belangen hebben bij de gemeenschappelijke gronden.

Het Gooisch Vrouwtje uit circa 1515

Een prachtige materiële aanvulling komt uit de Cafélezing van Marlo Reeders van 16 mei 2017. Rond 1515 vervaardigde de Utrechtse beeldsnijder Jan Eerstenszoon van Schayck een houten vrouwenfiguur voor de rijkversierde orgelkast van de Grote Kerk van Naarden. Het beeld bleef daar tot het oude orgel in 1860 werd gesloopt. Het werd gered door het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, belandde uiteindelijk in het Rijksmuseum en keerde later naar Naarden terug. Daarmee krijgen we een tastbaar voorwerp uit precies de periode waarin ook conflicten over de Gooise gemene gronden speelden.

De kerk vertelt hoe Naarders hun wereld zagen

Nog belangrijker zijn de zestiende-eeuwse gewelfschilderingen van de Grote Kerk. Jan van Tuin presenteerde op 19 september 2017 de resultaten van jarenlang onderzoek. De schilderingen bevatten voorstellingen uit Oude en Nieuwe Testament en bleven bestaan toen Naarden protestants werd. Daardoor ontstond een merkwaardige spanning: protestantse kerkgangers bevonden zich onder beeldrijke kunst uit een katholieke wereld waarvan hun eigen kerk zich juist had afgekeerd. De schilderingen moeten worden verbonden met Michielses onderzoek naar katholiek en protestant. In 2025 keerde het onderwerp opnieuw terug in het Café bij de restauratie van het gewelf.

Religieuze verdeeldheid en gemeenschappelijke grond

Dat maakt de Erfgooiers maatschappelijk nog interessanter. Michielse beschreef Naarden als overwegend protestants, terwijl omliggende plaatsen als Bussum, Laren, Blaricum, Ankeveen en delen van Hilversum veel sterker katholiek bleven. Toch moesten mensen uit die verschillende religieuze werelden gezamenlijk afspraken maken over heide, weide en andere gemeenschappelijke belangen. Stad en Lande vormde daarmee mogelijk een praktisch samenwerkingsverband dwars door de confessionele scheidslijnen van de zeventiende en achttiende eeuw heen. Dat moet uiteindelijk daadwerkelijk worden getest door Erfgooierslijsten naast kerkelijke registers te leggen.

Het Rampjaar veranderde ook het landschap

Bas Kreuger plaatste op 21 maart 2017 Naarden binnen de Hollandse Waterlinie. Hij behandelde de ontwikkeling van verdediging met water vanaf het Rampjaar 1672, via 1795 tot de beide wereldoorlogen. Hans Mous behandelde in januari 2018 het Rampjaar zelf en stelde daarbij de opvallende vraag wie van de oorlog profiteerde. Daarmee ontstaat een laag die in het Erfgooiersverhaal nog vrijwel ontbreekt: inundatie, militaire aanwezigheid en vestingverdediging hadden gevolgen voor landgebruik. Grasland, wegen, boerderijen, vee en transport werden onderdeel van een militair landschap.

De vestingarchieven bevatten verborgen kaarten

Een bijzonder concrete bronnenvondst kwam uit de bijeenkomst van 19 september 2018 over het beheer van de vestingwerken. Medewerkers van Stichting Monumenten Bezit behandelden kleuronderzoek, metselwerk en archiefonderzoek. Jeroen van der Werf had daarbij tekeningen in het archief aangetroffen die volgens de aankondiging een heel ander beeld van de vesting lieten zien dan het bekende beeld. Die tekeningen moeten als afzonderlijke bron worden opgespoord. Ze kunnen informatie bevatten over wallen, water, toegangswegen, bebouwing en veranderingen van het terrein rondom Naarden.

De Fransche Kamp was een militair landschap

Ook De Fransche Kamp verdient een grotere plaats. Klaas Oosterom behandelde daar niet één maar twee historische lagen. Er liggen ongeveer zestig groepsschuilplaatsen uit 1918, behorend bij de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Daarnaast zijn in het bos nog plekken herkenbaar van een legerkamp uit 1809 voor ongeveer 4.000 soldaten. De naam De Fransche Kamp bleef daaraan verbonden. Oosterom bouwde voort op een publicatie van archeoloog Jos Bazelmans en de Historische Kring Bussum ontwikkelde er vervolgens een wandeling bij. Dat geeft ons opnieuw de keten landschap → archeologie → publicatie → lokale herinnering.

1814 liet echte oorlogsschade achter

Wilfried Uitterhoeve behandelde op 20 mei 2014 de belegering en bevrijding van Naarden in 1814. Daarbij werd volgens de aankondiging aanzienlijke schade veroorzaakt. Uitterhoeve promoveerde op Cornelis Kraijenhoff, die het bevel voerde bij het beleg en later leiding gaf aan de militaire ingenieurs die de Nieuwe Hollandse Waterlinie ontwierpen. Dat maakt 1814 tot meer dan een politieke machtswisseling. Voor het dagelijks-levenverhaal moeten we nog zoeken naar schadeclaims, beschadigde huizen, voedselvoorziening, vluchtelingen, ingekwartierde militairen en gevolgen voor boeren buiten de vesting.

De spoorlijn veranderde de waarde van Erfgooiersgrond

De lezing Sporen naar het Gooi van Paul Schneiders bevat meer dan alleen de komst van de spoorlijn op 10 juni 1874. Hij behandelde expliciet de moeizame aanleg, onteigeningsprocedures, overwegen, tunnels en later de spoorwegstakingen van 1903 en 1944. Vooral die onteigeningen verdienen onderzoek naast de Erfgooiersarchieven. Een spoorlijn doorsneed een landschap waarin grondbezit en gebruiksrechten historisch ingewikkeld waren. Daarna volgden bevolkingsgroei, villabouw, toerisme en forensisme, waardoor de economische waarde van Gooise grond verder opliep.

Bussum kreeg een nieuwe bevolking

Een grote ontbrekende sociale laag komt uit Gerard Hoogendijks lezing Mokum op het zand van 17 januari 2017. Hij onderzocht de eerste ongeveer tachtig bewoners van het Prins Hendrikpark in Bussum. Vanaf 1903 woonden op ongeveer tien hectare mensen afkomstig uit Nederlands-Indië, Suriname, Zuid-Afrika en Amsterdam: voormalige planters, scheepsbouwers, vrachtvaarders, architecten en industriëlen. Veel van deze succesvolle ondernemers werkten in Amsterdam maar kozen vanwege gezondheid en woonkwaliteit voor Bussum nabij station Naarden-Bussum.

Oude gerechtigden naast nieuwe inwoners

Dat geeft precies de maatschappelijke achtergrond van de Erfgooierscrisis rond 1900. Terwijl boeren discussieerden over scharing, bestuur en hun eeuwenoude rechten, stroomde een nieuwe bevolking het Gooi binnen die niets met het traditionele Erfgooierschap te maken had. Grond werd voor hen geen meent voor koeien maar bouwgrond voor villa's, tuinen en nieuwe woonwijken. De botsing was dus groter dan boer tegenover gemeentebestuur. Het was ook een overgang van een agrarisch collectief landschap naar een moderne woonregio voor forensen, ondernemers en gepensioneerden.

Bensdorp laat de industriële kant van Bussum zien

Hetzelfde Café wijst naar een andere kant van Bussum. Bim Bensdorp en Hans Jonker behandelden op 19 mei 2015 de cacao- en chocoladefabriek Bensdorp, die in 1884 aan de westzijde van de spoorlijn kwam. Dat botste aanvankelijk met plannen voor villawijk Het Spiegel, maar de fabriek bleef meer dan een eeuw een belangrijke werkgever. Daarmee verschijnt naast boer en villabewoner ook de fabrieksarbeider. Jonker en Bensdorp werkten toen aan het boek Bitter en Zoet. Geschiedenis van het cacao- en chocoladeconcern Bensdorp.

Huizen was tegelijk boeren- en vissersdorp

Ook Ruud Hehenkamp corrigeert een te eenvoudig Erfgooiersbeeld. In zijn Cafélezing van 19 november 2013 behandelde hij de negentiende-eeuwse invloed op Huizen via kerken, verdwenen scholen en vooral de visserij, die daar in die eeuw haar hoogtepunt beleefde. Een Huizer Erfgooier hoeft dus niet uitsluitend als veehouder te worden voorgesteld. Binnen één familie konden landbouw, visserij en andere beroepen naast elkaar bestaan. Hehenkamp waarschuwde bovendien tegen het stereotype van Huizen als volledig gesloten gemeenschap.

Wandelingen bewaren een andere historische bron

Het Café van 22 januari 2013 bracht Ronny Boogaart en Eric de Rooij met wandelingen door het Gooi aan de hand van onder anderen Frederik van Eeden en Lodewijk van Deyssel. Dat opent een literaire bronnenlaag. Schrijvers zagen het Gooise landschap anders dan boeren, landmeters en bestuurders. Heide, zandwegen, bossen en dorpen kunnen daardoor ook via romans, brieven, dagboeken en wandelbeschrijvingen worden gereconstrueerd. Het landschap van de Erfgooiers werd in de negentiende en vroege twintigste eeuw tegelijkertijd een landschap dat kunstenaars, schrijvers, toeristen en nieuwe bewoners gingen bewonderen.

Zelfs papier kan een bron worden

Op 19 maart 2013 behandelde Jan Hein Bannier de geschiedenis van papier en de productiewijze vanaf de vroegmoderne periode. Op zichzelf is dit geen Goois Erfgooiersonderwerp. Als bronnenwijzer is het echter interessant omdat onze belangrijkste bewijsstukken — schaarbrieven, kaarten, registers, verzoekschriften, notulen en genealogische lijsten — materiële documenten zijn. Papier, watermerken, handschrift, inkt, zegels en latere kopieën kunnen helpen bepalen of we naar een origineel, afschrift of latere transcriptie kijken. Dat wordt bijvoorbeeld belangrijk bij de transcriptieproblemen rond de schaarbrief van 1404.

Anne Medema opent zelfs de schriftcultuur

Dat spoor werd op 15 mei 2024 voortgezet toen oud-archivaris Anne Medema sprak over het ontstaan en de ontwikkeling van het schrift tot circa 1750. Daarmee krijgt zijn eerdere lezing Naarden in Stukken een extra betekenis. Niet alleen moeten we de juiste archiefstukken vinden; we moeten ook begrijpen hoe ze zijn geschreven, gekopieerd en bewaard. Voor middeleeuwse en vroegmoderne stukken is paleografische controle essentieel wanneer latere auteurs verschillende lezingen geven. Het Café wijst ons dus zelfs naar de methode waarmee de primaire Erfgooiersbronnen moeten worden gecontroleerd.

De twintigste eeuw veranderde ook de bestuurlijke kaart

Anne Medema behandelde op 15 november 2016 bovendien de gemeentelijke herindelingsdiscussies van circa 1917–1955. Naarden verdedigde daarin krachtig zijn zelfstandigheid; wanneer een herindelingsvoorstel strandde, werd dat volgens de aankondiging in de vesting gevierd. Dat is belangrijk naast de Erfgooiersorganisatie, omdat Stad en Lande een historische regionale structuur vormde terwijl moderne gemeenten steeds belangrijker werden. De geschiedenis bevat daardoor twee overlappende kaarten: de oude gemeenschap van gerechtigden en de moderne gemeentelijke territoria.

De Erfgooiers zijn maar één netwerk in hetzelfde landschap

Daarmee wordt het grotere patroon scherper. Hetzelfde stuk Gooiland kon achtereenvolgens of tegelijkertijd behoren tot een parochie, gerecht, gemeente, marke, Stad en Lande, waterschap, militair inundatiegebied, spoorwegzone, natuurreservaat of particulier landgoed. Mensen leefden binnen meerdere van die structuren tegelijk. Een Larense katholiek kon Erfgooier zijn; een Huizer visser eveneens; een Naardense stedeling kon rechten bezitten terwijl hij van ambacht of handel leefde. Het Erfgooierschap moet daarom niet als afzonderlijk instituut boven het landschap worden geplaatst, maar als één van de historische netwerken die het gebruik ervan organiseerden.

Nog een belangrijke ontdekking: Henk Michielse is zelf een bronnenknooppunt

Dat Henk Michielse zo vaak terugkomt, blijkt geen toeval. Stichting Stad en Lande kende hem in 2016 de Emil Ludenpenning toe. Het juryrapport noemt zijn werk voor regionale cultuurhistorie, zijn betrokkenheid bij publicaties en symposia, het Historisch Café en de leergang Gooi-o-logie. Bovendien waren honderd van zijn historische artikelen in 2015 samengebracht in Van Andriessen tot Van Zutphen. Daarmee ontstaat opnieuw een complete bronnenwijzer: Michielse → honderd artikelen → TVE → Gooi-o-logie → Geuzen en Papen → afzonderlijke bronnen van die publicaties.

Ook Gooi-o-logie moet daarom worden uitgeplozen

Dit is een belangrijke uitbreiding van onze onderzoeksopdracht. Als het Historisch Café een bronnenwijzer blijkt, geldt waarschijnlijk hetzelfde voor Gooi-o-logie. Michielse was mede-initiatiefnemer en organisator daarvan. De cursusprogramma's kunnen onderwerpen, deskundigen, literatuur en lokale bronnen bevatten die nooit in het Café zijn behandeld. Hetzelfde geldt voor TVE-symposia, Open Dagen, Emil-Ludenbijeenkomsten en themadagen. Op de TVE-site worden die activiteiten daadwerkelijk als afzonderlijke historische categorieën bewaard.

En er is nog een Huizer bronnenreeks

Bij het verder zoeken kwam bovendien opnieuw Harmen Kos naar voren. Het oude register van De Ratel bevat een vierdelige reeks: ‘De geschiedenis van Naerdincklant, Gooiland en de Erfgooiers van 850 tot 1968’, verschenen in februari, mei, september en december 2010. Datzelfde register bevat oudere bijdragen over het verdwenen Nardinc, waaronder werk van P. Westland, plus een aanvulling van Harmen Kos. Dat is belangrijk omdat we daarmee naast Anton Kos en Henk Michielse nóg een zelfstandige reconstructie van het vroegste Gooiland hebben die tegen de primaire bronnen kan worden gecontroleerd.

Daardoor ontbreekt nog één complete vergelijkingsslag

We hebben nu minstens vier historische reconstructies die niet eenvoudig door elkaar mogen worden geschreven: Harmen Kos, Anton Kos, Piet Leupen en Henk Michielse. Daarnaast staat de algemene markeliteratuur van Slicher van Bath, Van Engelen van der Veen, Demoed, Dirkx, Van Zanden en Wuite. Hun chronologieën en verklaringen moeten naast elkaar worden gezet bij precies dezelfde breekpunten: 700–1000, Nardinclant, Wichman/Elten, 1280, ontstaan van de marke, 1326, schaarbrief 1404 en Stad en Lande. Pas daarna kunnen we bepalen waar werkelijk overeenstemming bestaat en waar een latere Gooise traditie wordt herhaald.

Het verhaal begint daardoor uiteindelijk bij de grond zelf

De grootste aanvulling is dus niet één ontbrekende naam of datum. Het onderzoek verandert van vorm. We beginnen bij geologie en landschap, gaan via archeologie en vroegmiddeleeuwse bewoning naar Nardinclant, domeinen en kerstening; daarna naar stadsvorming, gemene gronden, schaarbrieven en dagelijkse exploitatie; vervolgens naar Reformatie, oorlog, ontginning en zandwinning; daarna naar heideverdeling, spoorwegen, industrie, villabouw en nieuwe inwoners; vervolgens naar de Erfgooierscrisis, natuurbehoud en ontbinding.

Het Historisch Café blijkt daarvoor inderdaad een uitzonderlijk goede bronnenwijzer. En door het opnieuw na te zoeken zijn nu ten minste deze nieuwe onderzoeksvertakkingen toegevoegd: Naruthi en de oude ooggetuigenverslagen; Geopark/geologie; middeleeuwse delfstoffenwinning; Naardense draperie; het Gooisch Vrouwtje; gewelfschilderingen; vestingtekeningen; inundatielandschap; Bazelmans en De Fransche Kamp; Kraijenhoff en 1814; spoorwegonteigeningen; Prins Hendrikpark en migrantenelite; Bensdorp en arbeiders; literaire Gooilandbeschrijvingen; paleografie en documentmateriaal; gemeentelijke herindeling; Gooi-o-logie; Michielses honderd artikelen; en Harmen Kos' vierdelige geschiedenis van Naerdincklant en de Erfgooiers.

Aanvullend verhaal — de ontbrekende lagen van de Erfgooiersgeschiedenis

Nardinclant vóór de erfgooiers

Lang voordat iemand zichzelf erfgooier noemde, bestond het landschap dat later Gooiland zou worden uit nederzettingen, akkers, bossen, heiden, venen en natte laagten. In middeleeuwse stukken verschijnt het gebied als Nardinclant. De schenking van graaf Wichman aan het vrouwenstift Elten in de tiende eeuw bracht rechten over land, inkomsten en mensen binnen een kerkelijk-adellijk stelsel. Dat betekent niet dat Elten ieder stuk grond exploiteerde zoals een moderne landeigenaar. Lokale boeren gebruikten akkers, bossen en woeste gronden volgens bestaande gewoonten. Juist die wereld van lokale gebruiksrechten onder een hogere landsheerlijkheid vormt de voedingsbodem waaruit veel later de gedocumenteerde Gooise gemeenschapsrechten voortkwamen.

De abdis van Elten was ver weg

De afstand tussen Elten en het Gooi was aanzienlijk. Het stift moest zijn rechten daarom via lokale functionarissen, hoven, inkomsten en verplichtingen laten gelden. Voor een boer betekende dit dat verschillende soorten gezag tegelijkertijd konden bestaan. Hij kon een eigen bedrijf gebruiken, verplichtingen tegenover een heer hebben en daarnaast toegang hebben tot grond die met anderen werd benut. Dit helpt verklaren waarom de latere vraag "wie was eigenaar?" zo moeilijk te beantwoorden is. Een middeleeuwer dacht niet noodzakelijk in één absoluut eigendomsrecht. Tienden, rechtspraak, gebruik, beweiding, houtkap en andere aanspraken konden over dezelfde grond verdeeld zijn. Het latere erfgooiersconflict wortelde in deze gestapelde rechtswereld.

Geen rechte lijn van 968 naar 1912

De beroemde ouderdom van de erfgooiers moet daarom zorgvuldig worden uitgelegd. Er bestaat geen document uit 968 waarin een organisatie met de latere naam Stad en Lande wordt opgericht. Evenmin kunnen de bepalingen uit de vijftiende-eeuwse schaarbrieven eenvoudig naar Wichmans tijd worden teruggeschoven. Wat wel zichtbaar is, is een lange continuïteit van gemeenschappelijk gebruik, gevolgd door steeds duidelijker organisatie en schriftelijke regelgeving. Het bijzondere is dus niet dat één vereniging duizend jaar onveranderd bestond. Het bijzondere is dat een landschap van gemeenschappelijke rechten telkens opnieuw werd georganiseerd en verdedigd, totdat daarvan uiteindelijk een wettelijk geregelde vereniging overbleef.

Het bos was even belangrijk als de meent

Het bestaande verhaal legt veel nadruk op heide en weiden, maar voor de middeleeuwse Gooier was ook het bos van levensbelang. Hout betekende brandstof, bouwmateriaal, palen, gereedschapsstelen en herstelmateriaal voor boerderijen en omheiningen. Struikgewas leverde eveneens brandstof. Eiken hadden bovendien een tweede economische functie: hun eikels konden voedsel voor varkens leveren. Daardoor moest ook het bos gemeenschappelijk worden gereguleerd. Wie onbeperkt bomen kapte, beroofde andere gerechtigden van toekomstig hout. De regels rond bosgebruik vormen daarom een tweede pijler naast de schaarregels voor vee. Zonder bosbrieven is de geschiedenis van het Gooise gemeenschapsrecht onvolledig.

1364 — de bosbrief

De bosbrief van 1364 behoort daarom tot de fundamentele documenten van het Gooise gemeenschappelijke landschap. Hij laat zien dat niet alleen beweiding maar ook het bos al vroeg om georganiseerde regelgeving vroeg. Het recht op hout betekende immers niet het recht om willekeurig te kappen. De gemeenschap moest het bos tegen overgebruik beschermen en bepalen wie gerechtigd was. De bosorganisatie en de organisatie van heiden en meenten ontwikkelden zich naast elkaar. Pas wanneer beide worden meegenomen, zien we hoe omvangrijk het gemeenschappelijke economische systeem werkelijk was. Een Gooise boerderij was afhankelijk van grond die vaak kilometers buiten het eigen erf lag.

Varkens onder de eiken

Een bos was bovendien niet alleen een verzameling bomen. In een goed eikeljaar konden varkens er voedsel zoeken. Dit akeren maakte het bos onderdeel van de veehouderij. Daarmee konden belangen opnieuw botsen. Hout dat voor de ene gebruiker waardevol was om te kappen, kon voor een ander juist belangrijk zijn omdat de boom eikels produceerde. Te intensief gebruik schaadde de gezamenlijke voorraad. Net als op de meent moest daarom een evenwicht worden gevonden tussen individueel profijt en collectief behoud. Het erfgooierssysteem was in wezen voortdurend bezig met deze vraag: hoeveel mag één huishouden vandaag nemen zonder dat de andere gerechtigden morgen met lege handen staan?

Plaggen waren geen afval

Ook de heide moeten we anders bekijken dan een moderne wandelaar doet. Een heideplag was een agrarische grondstof. Boeren sneden plaggen en brachten ze naar de stal. Daar werden ze vermengd met uitwerpselen van vee en ander organisch materiaal. De zo ontstane mest werd vervolgens naar de akkers op de engen gebracht. Daarmee bestond een kringloop: heide → plag → stal → mest → eng → graan. Wie een boer het plaggenrecht ontnam, raakte dus indirect zijn graanoogst. Daarom konden erfgooiers zo fel reageren wanneer buitenstaanders "ongebruikte" heide wilden ontginnen. Wat voor een stedelijke investeerder lege grond leek, was voor de boer onderdeel van zijn mestvoorziening.

Schapen verbonden heide en akker

Hetzelfde gold voor de schapen. Zij vonden voedsel op de heide en leverden wol, vlees en vooral mest. 's Nachts konden dieren in of nabij een schaapskooi worden gehouden, waardoor hun mest verzameld kon worden. Die mest hielp de voedselarme zandgronden van de engen productief te houden. Rond plaatsen als Laren en Hilversum was de heide daarom rechtstreeks verbonden met het akkerbedrijf. De strijd tussen schaapherders en veeboeren in de zestiende eeuw was niet eenvoudig een ruzie tussen twee soorten dieren. Het ging om twee verschillende agrarische systemen die aanspraak maakten op delen van hetzelfde gemeenschappelijke landschap.

De meent had een kalender

Het gebruik van gemeenschappelijke weiden kende bovendien een jaarlijks ritme. Koeien konden niet willekeurig het hele jaar op de meent worden gezet. De gemeenschap bepaalde wanneer beweiding mocht beginnen, welk vee gerechtigd was en onder welke voorwaarden dieren werden toegelaten. De meentmeesters en andere functionarissen hielden toezicht. Voor een boerengezin moet de dag waarop het vee weer naar buiten mocht een belangrijk moment zijn geweest. Na maanden stalvoedering kwam gemeenschappelijk gras beschikbaar. In het najaar keerde het vee terug naar de stal. Achter juridische woorden als schaarrecht zat daardoor een heel concrete boerenkalender van grasgroei, hooien, beweiden en overwinteren.

Het meenthek was een controlepunt

Daarom was het meenthek veel meer dan een hek in een landschap. Daar kon worden gecontroleerd of vee rechtmatig werd ingebracht. Was de eigenaar gerechtigd? Was het verschuldigde schaargeld betaald? Hoeveel dieren mocht hij brengen? Waren ze herkenbaar gemerkt? Dezelfde plek waar generaties boeren met hun koeien passeerden, werd in 1903 het toneel van het dodelijke conflict rond Hendrik Smit. Dat was geen toeval. Wie het hek beheerste, beheerste praktisch de toegang tot het gemeenschappelijke gras. Een eeuwenoude juridische strijd kreeg daardoor letterlijk een fysieke plaats: aan de rand van de meent, waar vee wel of niet mocht worden doorgelaten.

Brandmerken als administratie op vier poten

Het brandmerken van vee maakte het recht zichtbaar. Een koe droeg als het ware administratieve informatie op haar lichaam. Meentbeambten konden daarmee onderscheid maken tussen dieren die rechtmatig op de gemeenschappelijke weide liepen en vee dat daar niet hoorde. Dat laat zien hoe ver regelgeving in het dagelijkse boerenleven doordrong. De grote registers in Naarden en de markering op een koe waren twee kanten van hetzelfde systeem. Op papier stond wie gerechtigd was; in het landschap moest vervolgens worden gecontroleerd welk vee bij die gerechtigden hoorde. De geschiedenis van Stad en Lande speelde zich dus niet alleen af tijdens vergaderingen, maar dagelijks tussen boeren, hekken en dieren.

Niet iedere erfgooier was rijk

Een erfgooiersrecht betekende evenmin automatisch welvaart. Binnen de gemeenschap bestonden grote sociale verschillen. Sommige boeren konden veel vee onderhouden, anderen hadden slechts enkele dieren. Er waren schaapherders, kleine boeren, dagloners en later ambachtslieden en arbeiders die wel erfgooier waren maar nauwelijks of geen landbouwbedrijf meer bezaten. Juist daarom was beperking van het aantal dieren zo belangrijk. Zonder maximum kon een vermogende veehouder een onevenredig groot deel van het gemeenschappelijke gras gebruiken. De schaarregels hadden daardoor ook een sociale functie. Ze moesten voorkomen dat economische macht automatisch betekende dat een rijke gerechtigde het collectieve bezit sterker kon exploiteren dan zijn armere meentgenoten.

Een arme erfgooier kon zijn recht hard nodig hebben

Voor een kleine boer kon het verschil tussen gratis of goedkoop gemeenschappelijk gras en particulier gehuurd land beslissend zijn. Een paar koeien konden melk, boter, kalveren en uiteindelijk inkomsten opleveren. Schapen konden wol, lammeren en mest leveren. Het recht op plaggen bespaarde kosten voor meststoffen en brandstof. Gemeenschappelijke hulpbronnen vormden daarmee een soort economische bodem onder het huishouden. Dit verklaart waarom juridische conflicten soms zo gewelddadig werden. Wanneer een rijkere groep een armere groep van de heide verdreef, ging het niet om prestige. Mensen konden daardoor dieren moeten verkopen en een deel van hun bestaanszekerheid verliezen.

Vrouwen hielden bedrijven draaiende

De positie van vrouwen verdient daarom meer aandacht dan de formele mannelijke erfopvolging doet vermoeden. Wanneer een boer stierf, verdwenen koeien, akkers en huishoudelijke verplichtingen niet. Een weduwe kon het bedrijf voortzetten en onder voorwaarden "bij de gunst" scharen. De lijsten van gerechtigden tonen inderdaad weduwen en huishoudens waarin vrouwen een rol speelden. Zij stonden op het snijvlak tussen formeel recht en dagelijkse economie. Hoewel het erfgooierschap uiteindelijk vooral via de mannelijke lijn werd doorgegeven, kon een vrouw in de praktijk verantwoordelijk zijn voor vee, huishouden, landgebruik en het voortzetten van een bedrijf waarop kinderen en personeel afhankelijk waren.

Kinderen erfden meer dan een naam

Voor kinderen uit gerechtigde families betekende afkomst eveneens iets concreets. Een zoon kon uiteindelijk niet alleen een familienaam, boerderij of gereedschap erven, maar ook toegang tot een eeuwenoud collectief recht. Daardoor werd genealogie onderdeel van economie. Wie iemands vader en grootvader waren, kon bepalen of hij later koeien op de meent mocht brengen. Familiekennis was daarmee praktisch rechtsbewijs. Dit verklaart waarom de lijsten van 1708 en latere genealogieën zoveel betekenis kregen. Toen in de twintigste eeuw grond werd verkocht, veranderde hetzelfde afstammingsbewijs opnieuw van functie: een stamboom kon nu bepalen of iemand honderden en uiteindelijk duizenden guldens ontving.

Naarden — stad tussen boeren

Naarden verdient een centrale plaats in het verhaal. De stad vormde het bestuurlijke zwaartepunt van Gooiland en gaf mede haar naam aan Stad en Lande. Maar de belangen van een stad waren niet automatisch dezelfde als die van de omliggende boeren. Een gemeentebestuur kon grond willen gebruiken voor uitbreiding, wegen, bedrijvigheid of inkomsten. Een veehouder keek naar dezelfde grond en zag gras voor zijn koeien. De spanning tussen Naarden en de dorpen was daardoor structureel. Tegelijkertijd hadden de dorpen de stad nodig voor bestuur, administratie en juridische vertegenwoordiging. Stad en land waren gedwongen samen te werken, zelfs wanneer hun economische belangen uiteenliepen.

Laren — heide, schapen en erfgooiersfamilies

In Laren was de relatie met de heide bijzonder zichtbaar. Schapenhouderij, plaggengebruik en akkerbouw op de engen vormden samen een agrarisch systeem. Daardoor waren de Larense boeren sterk betrokken bij conflicten over toegang tot heide en meent. Later werd Laren bovendien een centrum van het erfgooiersverzet. Harmen Vos woonde er, Hendrik Smit kwam er vandaan en verschillende bekende erfgooiersfamilies verschijnen in de plaatselijke bronnen. De Historische Kring Laren heeft juist daardoor veel genealogieën, foto's en herinneringen bewaard. Laren laat zien hoe een middeleeuws gebruiksrecht tot diep in de twintigste eeuw onderdeel kon blijven van lokale identiteit.

Hilversum — van schapen naar stad

Ook Hilversum kende oorspronkelijk een sterke relatie met heide en schapen. Maar juist daar voltrok zich later een enorme verandering. De nederzetting groeide uit tot een stedelijk en industrieel centrum en uiteindelijk tot de bekende mediastad. Daardoor werd grond die ooit vooral agrarische gebruikswaarde had steeds kostbaarder als bouw- en uitbreidingsgrond. De tegenstelling tussen scharende en niet-scharende erfgooiers werd hier bijna symbolisch zichtbaar. Waar een voorouder een schaap over de heide had gestuurd, kon een nakomeling winkelier, arbeider of kantoorbediende zijn en vooral geïnteresseerd raken in de financiële waarde van zijn erfgooiersrecht.

Huizen — vee en meent

Huizen had weer een andere agrarische verhouding tot de gemene gronden. Veehouderij en de beschikbare meenten speelden er een grote rol. Daardoor konden Huizer belangen botsen met die van plaatsen waar schapen en heide belangrijker waren. De conflicten van de zestiende eeuw worden pas begrijpelijk wanneer dit verschil wordt gezien. "De erfgooiers" vormden nooit één economisch blok. Een Huizer veehouder kon een andere voorkeur hebben dan een Larense schaapherder. Toch moesten beiden binnen hetzelfde systeem tot afspraken komen. De schaarbrieven waren daarom ook verdragen tussen verschillende lokale economieën binnen één gemeenschappelijke organisatie.

Blaricum — boerenland en het Meenthek

Blaricum bleef eveneens sterk verbonden met veehouderij en meentgebruik. Daardoor was het niet toevallig dat juist de Blaricumse meent in 1903 het toneel werd van de gewelddadige confrontatie. Hier was het oude recht nog tastbaar als gras onder de hoeven van koeien. De burgemeester zag ordehandhaving en een bestuurlijk conflict; de protesterende erfgooiers zagen toegang tot grond die zij als hun gemeenschappelijk bezit beschouwden. Het landschap zelf bepaalde daardoor waar de politieke strijd zichtbaar werd. De dood van Hendrik Smit kan nauwelijks worden begrepen zonder de Blaricumse meent als werkend agrarisch landschap te zien.

Bussum — weinig gerechtigden, grote verandering

Bussum telde in de lijst van 1708 slechts ongeveer veertig gerechtigden. Later groeide het dorp snel en veranderde het karakter sterk. Juist Bussum laat daardoor zien hoe kwetsbaar het oude agrarische systeem werd in een verstedelijkende regio. Wanneer bevolking en bebouwing sterk toenamen terwijl het aantal traditionele boeren relatief beperkt bleef, kreeg grond steeds meer functies die niets meer met scharen of plaggen te maken hadden. De erfgooiersrechten bleven juridisch bestaan, maar de samenleving eromheen veranderde. Dat verschil tussen een oud recht en een nieuwe stad is een van de belangrijkste verklaringen voor de uiteindelijke crisis van Stad en Lande.

1650–1800 — geen stille eeuwen

De periode tussen de vorming van het eigen resolutieboek in 1650 en de grote negentiende-eeuwse hervormingen mag niet als een lege tussenperiode worden gezien. Juist toen werd het gemeenschappelijke landschap voortdurend bestuurd. Jaar na jaar moesten beslissingen worden genomen over beweiding, plaggen, hout, grenzen, gerechtigden en overtredingen. De bekende zaak van François Hinlopen is slechts één conflict uit een veel grotere bestuurlijke werkelijkheid. De resolutieboeken van Stad en Lande vormen daarom een belangrijke bron voor het dagelijks functioneren van het systeem. Hier kunnen gewone boeren verschijnen die in grote politieke geschiedenissen nooit worden genoemd.

Boetes vertellen hoe mensen werkelijk leefden

Regels worden vaak het duidelijkst zichtbaar wanneer iemand ze overtrad. Een verbod op ongeoorloofd plaggen vertelt ons dat mensen blijkbaar meer plaggen probeerden te halen dan was toegestaan. Een boete voor vee op de verkeerde plaats laat zien hoe toezicht werkte. Geschillen over hout tonen welke materialen schaars waren. Daarom zijn boeteregisters, resoluties en klachten bijzonder waardevol voor de sociale geschiedenis. Ze laten niet zien hoe bestuurders vonden dat het systeem moest functioneren, maar waar de praktijk tegen de regels botste. Juist daar kunnen we de dagelijkse erfgooier ontmoeten: iemand die een koe te veel bracht, hout meenam of een grens anders interpreteerde dan zijn buurman.

Jacht was een voortdurende bron van spanning

Ook de jacht moet als afzonderlijk recht worden gezien. Het feit dat erfgooiers gemeenschappelijke grond gebruikten betekende niet automatisch dat iedere erfgooier daar vrij mocht jagen. Jachtrechten konden afzonderlijk worden verpacht of door hogere overheden worden geclaimd. Daarom was de zaak-Harmen Vos juridisch zo interessant. Zijn redenering — hoe kan ik stropen op onze eigen grond? — was begrijpelijk vanuit gemeenschappelijk eigendom, maar het jachtrecht kon juridisch los daarvan staan. De haas uit 1898 brengt daarmee opnieuw de middeleeuwse gelaagdheid van rechten aan het licht: dezelfde hectare kon tegelijk gemeenschappelijke grond zijn én een afzonderlijk verpacht jachtgebied.

1795 — revolutie, maar de meent blijft

De Bataafse Revolutie van 1795 veranderde het Nederlandse staatsbestel ingrijpend. Oude heerlijke en bestuurlijke verhoudingen kwamen onder druk te staan en ideeën over burgerschap en gelijkheid wonnen terrein. Toch verdwenen de Gooise gemeenschappelijke rechten niet eenvoudig. Dat is historisch opmerkelijk. Een systeem waarvan belangrijke wortels in de Middeleeuwen lagen wist de overgang van Republiek naar Bataafse Republiek te overleven. Het toont dat erfgooiersrechten niet uitsluitend afhankelijk waren van één landsheer of één bestuursvorm. Ze waren zo sterk verbonden geraakt met lokaal gebruik, administratie en gewoonterecht dat politieke revolutie alleen niet voldoende was om ze weg te vagen.

1810–1813 — zelfs Napoleon krijgt de erfgooiers niet weg

Tijdens de Franse inlijving van Nederland veranderde bestuur en recht opnieuw. Gemeenten kregen een sterker gestandaardiseerde bestuursvorm en de staat probeerde oude lokale verschillen binnen één administratief systeem te plaatsen. Toch bleven de Gooise gemeenschappelijke rechten bestaan. Dat is een van de opmerkelijkste kenmerken van de erfgooiersgeschiedenis. Graven, Bourgondische hertogen, Habsburgers, de Republiek, revolutionaire bestuurders en het Franse Keizerrijk kwamen en gingen, terwijl boeren hun aanspraken op dezelfde heiden en meenten bleven verdedigen. De politieke bovenbouw veranderde sneller dan het agrarische landschap en de dagelijkse noodzaak van gemeenschappelijk gras.

1813–1836 — een middeleeuws recht in een modern koninkrijk

Na het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid kwam het systeem terecht in het Koninkrijk der Nederlanden. Daar werd het verschil tussen oud gewoonterecht en modern eigendomsrecht steeds problematischer. De overheid wilde weten wie eigenaar was, waar grenzen lagen en wie bevoegd was grond te verkopen of voor publieke werken beschikbaar te stellen. De erfgooiers konden antwoorden met eeuwenoude gebruiksrechten en collectieve aanspraken. Juist in deze overgangsperiode ontstond de noodzaak voor de regelingen waarbij Albertus Perk later betrokken raakte. De hervormingen van 1836 en 1843 kwamen dus niet uit het niets; zij waren een antwoord op tientallen jaren spanning tussen oud collectief recht en moderne staat.

Een spoorlijn verandert de waarde van heide

De negentiende eeuw bracht bovendien nieuwe infrastructuur en betere verbindingen met Amsterdam en andere steden. Daardoor werd het Gooi aantrekkelijker voor forensen, villabewoners en ondernemers. Grond kreeg een waarde die niet langer rechtstreeks uit landbouwproductie voortkwam. Een hectare heide kon voor een boer vooral plaggen en schapenvoer vertegenwoordigen, maar voor een ontwikkelaar toekomstige woningen. Dit veranderde de machtsverhoudingen fundamenteel. Zolang de belangrijkste waarde van de grond agrarisch was, hadden scharende boeren een vanzelfsprekend belang. Zodra bouwgrond vele malen waardevoller werd, kregen niet-boerende erfgooiers, gemeenten en investeerders heel andere redenen om verkoop te verlangen.

Villabouw als nieuwe bedreiging

Rond Laren, Bussum, Hilversum en andere plaatsen verschenen steeds meer buitenhuizen en villa's. Het Gooi werd aantrekkelijk door precies het landschap dat eeuwen gemeenschappelijk gebruik had behouden: bossen, heiden en open ruimte. Daarmee ontstond een paradox. Het erfgooierssysteem had het landschap mede tegen ontginning beschermd; datzelfde landschap trok nu rijke nieuwkomers aan die de grondprijzen verder opdreven. Voor boeren kon een nieuwe villa betekenen dat opnieuw een stukje agrarisch landschap verdween. Voor gemeenten betekende groei juist belastinginkomsten en modernisering. De oude tegenstelling tussen gebruikswaarde en marktwaarde werd hierdoor steeds scherper.

1898–1903 — de krant ontdekt de erfgooiers

De conflicten rond Harmen Vos, Machiel Majoor, Floris Vos en later Hendrik Smit trokken brede publieke aandacht. De erfgooierskwestie was niet langer alleen een regionaal administratief probleem. Kranten konden berichten over rechtszaken, vergaderingen, protesten en confrontaties. Daardoor ontstond ook een publiek beeld van de erfgooier: koppige Gooise boer, verdediger van oud recht, oproerkraaier of slachtoffer van bestuur — afhankelijk van de politieke blik van de schrijver. Deze krantenlaag is belangrijk omdat zij laat zien hoe tijdgenoten het conflict beleefden. De erfgooiersgeschiedenis werd rond 1900 ook een strijd om publieke opinie.

Hendrik Smit was meer dan een slachtoffer

De dood van Hendrik Smit mag daarom niet alleen als dramatische anekdote worden gebruikt. Hij was een jonge Larense erfgooier van 22 jaar die terechtkwam in een conflict dat generaties ouder was dan hijzelf. Zijn vermeende woorden dat men hem op zijn eigen land niet zou doodschieten laten zien hoe sterk het idee van gemeenschappelijk eigendom leefde. Na het schot werd hij op een kruiwagen weggevoerd en stierf hij enkele uren later. Zijn grafmonument van K.P.C. de Bazel maakte hem tot een blijvend symbool. Achter het monument stond echter ook een familie die een zoon verloor. De politieke geschiedenis had een persoonlijk slachtoffer gekregen.

De militair tegenover de boer

Ook de soldaten bij het Meenthek moeten in het verhaal zichtbaar blijven. Zij stonden daar niet vanwege een buitenlandse vijand, maar om een lokaal conflict over vee en grond te beheersen. Voor de militair was een bevel van de overheid bepalend; voor de erfgooier was het oude recht bepalend. Daardoor stonden twee legitimiteiten tegenover elkaar. Het schot op Hendrik Smit was het uiterste gevolg van een probleem dat eeuwen eerder al herkenbaar was geweest: wie heeft het laatste woord wanneer lokale gewoonte en hogere overheid elkaar tegenspreken? Alleen waren de wapens in 1903 dodelijker dan de knuppels waarmee schaapherders in de zestiende eeuw van de heide waren gejaagd.

1912 — de wet als compromis

De Erfgooierswet probeerde daarom niet alleen grondbezit te regelen. Zij moest vrede brengen in een gemeenschap die bestuurlijk uit elkaar dreigde te vallen. Door de Vereniging Stad en Lande van Gooiland een wettelijke basis te geven, erkende de staat feitelijk dat de eeuwenoude gemeenschap niet simpelweg kon worden behandeld als een gewone particuliere eigenaar of gemeentelijke instelling. Tegelijk werd het bestuur gemoderniseerd en onder toezicht geplaatst. De wet was daarmee zowel overwinning als beperking. De erfgooiers kregen wettelijke erkenning, maar hun gemeenschap werd voortaan onderdeel van een modern juridisch kader waarin de staat uiteindelijk regels stelde.

Emil Luden als nieuwe voorzitter

Met Emil Luden als eerste door de Kroon benoemde voorzitter kreeg de organisatie een nieuw gezicht. De tijd van informele dorpsafspraken was definitief voorbij. Stad en Lande moest nu functioneren als een moderne vereniging met bestuur, administratie en wettelijk vastgelegde bevoegdheden. Toch bleven de oude tegenstellingen bestaan. Een bestuursstructuur kon niet oplossen dat sommige erfgooiers dagelijks koeien naar de meent brachten terwijl andere gerechtigden geen enkel dier bezaten. De wet regelde de organisatie, maar veranderde de samenleving niet. Juist daardoor verschoof het conflict na 1912 geleidelijk van de vraag wie bestuurt? naar de vraag waarom houden we deze grond nog gezamenlijk?

1914–1918 — oorlog naast de meent

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland neutraal, maar voedselschaarste, mobilisatie en economische verstoring maakten landbouwgrond extra belangrijk. Voor het Gooi betekende dit dat de tegenstelling tussen agrarische productie en andere vormen van grondgebruik opnieuw voelbaar kon worden. De gemeenschappelijke weiden en andere landbouwgronden waren geen historische curiositeit; voedselproductie was een nationaal vraagstuk. Tegelijkertijd ontstonden juist in deze periode de eerste serieuze ideeën over bescherming van Gooise natuur. Zo stonden twee moderne ontwikkelingen naast elkaar: grond moest voedsel leveren én sommige heiden en bossen moesten juist tegen economische exploitatie worden beschermd.

De crisisjaren — grond wordt vermogen

Tijdens de jaren twintig en dertig veranderde de financiële betekenis van het bezit verder. De traditionele landbouw verloor relatief terrein, terwijl grond rond groeiende Gooise plaatsen steeds waardevoller werd. Niet-scharende erfgooiers konden daarom steeds sterker vragen waarom zij geen direct financieel voordeel uit hun erfdeel mochten halen. Voor scharende boeren was dat gevaarlijk. Iedere verkochte hectare verkleinde de agrarische basis van de gemeenschap. De discussies rond het Goois Natuurreservaat moeten daarom ook als interne sociale strijd worden gezien. Natuurbehoud, landbouw en individuele uitkering streden om dezelfde grond.

1932–1933 — van koeienweide naar natuurbezit

De verkoop van 1.524 hectare aan het Goois Natuurreservaat was daarom veel meer dan een vastgoedtransactie. Het veranderde de bestemming van een groot deel van het eeuwenoude gemeenschappelijke landschap. De heide hoefde niet meer primair productief te zijn. Zij mocht blijven liggen omdat open heide zelf waardevol werd gevonden. Voor wandelaars en natuurliefhebbers werd toegankelijkheid belangrijk. De erfgooiers ontvingen geld en behielden daarnaast nog aanzienlijke oppervlakten, waaronder meenten. Het landschap werd als het ware opgesplitst in drie werelden: natuurgebied, agrarisch gemeenschappelijk bezit en grond die uiteindelijk voor andere ontwikkelingen beschikbaar kon komen.

1940–1945 — oorlog over het oude landschap

De Tweede Wereldoorlog vormt nog een onderzoekslaag die in het erfgooiersverhaal afzonderlijk aandacht verdient. Het Gooi kreeg te maken met bezetting, voedseltekorten, brandstofschaarste en militaire maatregelen. In zo'n situatie kregen weiland, vee, hout en landbouwgrond opnieuw directe overlevingswaarde. Tegelijkertijd kon de bezetter grond vorderen of het gebruik van gebieden beperken. Voor Stad en Lande betekende de oorlog dat een eeuwenoude organisatie moest functioneren binnen een bezettingsbestuur. Deze periode moet uiteindelijk vanuit de eigen bestuursstukken worden gereconstrueerd, omdat algemene oorlogsgeschiedenis niet automatisch vertelt wat er op de Gooise meenten gebeurde.

Honger maakt grond opnieuw belangrijk

Vooral tegen het einde van de oorlog werd voedsel een levensnoodzaak. Daarmee kreeg landbouwgrond opnieuw een betekenis die stedelingen in vredestijd gemakkelijk konden vergeten. Koeien leverden melk, weiland hield vee in leven en hout kon in tijden van brandstofgebrek zeer aantrekkelijk worden. Het erfgooierslandschap was daardoor nooit alleen een historisch decor. Telkens wanneer economische omstandigheden veranderden, veranderde ook de waarde van dezelfde hectare. In de Middeleeuwen leverde zij plaggen en gras, in de negentiende eeuw bouwmogelijkheden, in de jaren dertig natuurwaarde en tijdens oorlog en schaarste opnieuw voedsel en brandstof.

Na 1945 — de tractor tegenover het oude systeem

Na de oorlog moderniseerde de landbouw snel. Mechanisatie, kunstmest, schaalvergroting en veranderende bedrijfsvoering verminderden de afhankelijkheid van sommige traditionele gemeenschappelijke hulpbronnen. De kringloop van heideplag, potstal en eng was al grotendeels verdwenen. Een modern boerenbedrijf functioneerde anders dan dat van een vijftiende-eeuwse Gooier. Daarmee verdween uiteindelijk de economische bodem onder veel oude regels. Het erfgooiersrecht bleef bestaan, maar de wereld waarvoor het ooit was ontworpen bestond steeds minder. Dat is misschien de diepste verklaring voor de ontbinding: niet een verloren rechtszaak, maar het verdwijnen van het landbouwsysteem dat het gemeenschappelijke recht noodzakelijk had gemaakt.

Het landschap bewaart de geschiedenis

Toch zijn sporen nog zichtbaar. Meenten, engen, heidevelden, oude wegen, grensstenen, koedijken en voormalige meentgrenzen vertellen delen van het verhaal. Een grenssteen laat zien waar bestuurlijke aanspraken elkaar raakten. Een heideveld herinnert aan schapen en plaggen. Een eng vertelt over graanteelt en mest. Het Meenthek roept de gebeurtenissen van 1903 op. Het grafmonument van Hendrik Smit maakt een politiek conflict persoonlijk. Wie deze elementen gezamenlijk leest, ziet het Gooi niet meer alleen als natuur- of woongebied maar als een historisch productielandschap waarin iedere zone ooit een specifieke economische functie had.

Kaarten als tijdmachines

De kaarten van 1709, 1723, 1837, 1843 en latere perioden maken het mogelijk die verdwenen wereld terug te leggen over het moderne Gooi. Wegen, bebouwing en woonwijken kunnen worden vergeleken met voormalige heiden, meenten, venen en engen. Daardoor wordt zichtbaar hoeveel grond veranderde en welke gebieden juist bewaard bleven. De kaart van Maurits Walraven is daarom niet alleen mooi erfgoed. Zij is een sleutel tot het begrijpen van de ruimtelijke organisatie van de erfgooiers. Samen met moderne kaarten kan zij laten zien waar koeien graasden onder huidige woonwijken en waar een middeleeuwse gebruiksstructuur nog altijd als natuurgebied voortbestaat.

De schaarbrief als tastbaar voorwerp

Ook de documenten zelf verdienen aandacht als historische objecten. Een schaarbrief was niet alleen tekst. Het was een fysiek stuk waarop rechten werden vastgelegd en dat vervolgens generaties lang als bewijs kon worden aangehaald. Resolutieboeken, kaarten, gerechtigdenlijsten en registers vormden samen het geheugen van de gemeenschap. Zonder deze administratie was een mondeling beroep op "onze voorouders deden dit altijd" steeds moeilijker geworden tegenover professionele juristen en overheden. De erfgooiers overleefden dus niet alleen dankzij koppigheid en gemeenschapsgevoel, maar ook doordat zij hun rechten steeds beter leerden documenteren.

Van mondeling geheugen naar archief

Daarmee zien we over duizend jaar een tweede ontwikkeling. In de vroegste periode steunden rechten sterk op gewoonte en collectief geheugen. Later kwamen schaar- en bosbrieven. Vervolgens ontstonden resolutieboeken, kaarten, gerechtigdenregisters en genealogieën. In de twintigste eeuw kwamen wettelijke ledenlijsten en bewijzen van deelgerechtigdheid. De vorm van bewijs veranderde voortdurend. Uiteindelijk bepaalde een bevroren ledenlijst wie geld uit de liquidatie kreeg. Een recht dat waarschijnlijk ooit vooral bekend was doordat buren wisten wie tot de gemeenschap behoorde, eindigde als een administratief dossier waarin iedere gerechtigde formeel moest kunnen worden aangewezen.

Van gemeenschappelijk gras naar vijfduizend gulden

Geen ontwikkeling vat de verandering scherper samen dan de laatste uitkering. Ooit betekende gerechtigdheid dat een boer een bepaalde hoeveelheid vee mocht laten grazen, plaggen mocht halen en andere gemeenschappelijke hulpbronnen kon benutten. Bij de ontbinding werd hetzelfde historische recht omgerekend in bewijzen van deelgerechtigdheid en ongeveer vijfduizend gulden per persoon. Het gebruiksrecht werd financieel vermogen. Daarmee verdween uiteindelijk de oorspronkelijke reden om het bezit gezamenlijk te houden. Voor iemand zonder koe of schaap was geld direct bruikbaarder dan een aandeel in een verre meent. De modernisering had het collectieve recht van binnenuit veranderd.

Maar voor de laatste boeren was het anders

Voor de resterende scharende boeren betekende ontbinding iets anders. Zij verloren niet alleen een abstract erfdeel maar een praktische mogelijkheid om gemeenschappelijke grond te gebruiken. Daardoor moeten we voorzichtig zijn met het enorme stemverschil van 1971. De meerderheid wilde ontbinding, maar de kleine minderheid die tegenstemde kon economisch en emotioneel zeer sterke redenen hebben. Voor hen vertegenwoordigde de meent een manier van boeren die nog werkelijk bestond. De stemming was daardoor ook een botsing tussen meerderheid en laatste gebruikers. De erfgooiersgemeenschap eindigde toen de gerechtigden als financiële gemeenschap talrijker en machtiger waren geworden dan de gerechtigden als agrarische gemeenschap.

De laatste koeien vertellen het oudste verhaal

Juist daarom zijn foto's en herinneringen aan de laatste scharende boeren zo belangrijk. Een twintigste-eeuwse erfgooier die met koeien over een weg naar de meent trok, deed in essentie iets wat generaties vóór hem eveneens hadden gedaan. Natuurlijk waren kleding, veerassen, wegen en landbouwmethoden veranderd, maar de kern bleef herkenbaar: individueel vee gebruikte gemeenschappelijke grond krachtens een geërfd recht. In zo'n foto komen Middeleeuwen en moderne tijd bijna samen. De juridische constructie wordt begrijpelijk zodra we niet naar een wetboek kijken, maar naar een boer die zijn koe door een hek naar gezamenlijk gras leidt.

De gewone erfgooier als middelpunt

Daarom moet het complete verhaal uiteindelijk niet eindigen bij bestuurders. Wichman, Floris V, Karel de Stoute, P.C. Hooft, Albertus Perk en Emil Luden zijn belangrijk omdat zij de machtsstructuur zichtbaar maken. Maar de werkelijke continuïteit lag bij duizenden onbekendere mensen. Zij stuurden schapen naar de heide, melkten koeien, sneden plaggen, haalden hout, betaalden of weigerden schaargeld, erfden rechten, procedeerden, trouwden, verhuisden en keerden soms terug. Zonder hen zou er geen erfgooiersgeschiedenis zijn geweest. De organisatie bestond omdat het gemeenschappelijke landschap iedere dag opnieuw werd gebruikt.

Een landschap van regels

Het Gooi was daardoor niet alleen een natuurlijk landschap maar een gereguleerd landschap. Een koe mocht niet overal lopen. Een boom mocht niet door iedereen worden gekapt. Een buitenstaander mocht niet vanzelf plaggen steken. Een erfgooier die verhuisde kon zijn gebruiksrecht zien slapen. Een weduwe kon bij de gunst scharen. Een rijke boer mocht niet onbeperkt dieren brengen. Een Amsterdamse eigenaar van een buitenplaats werd niet automatisch gerechtigd. Achter iedere zandweg, heidevlakte, meent en bosrand lag een web van regels. De erfgooiers maakten van landschap een juridische ruimte.

De langste strijd ging niet om eigendom alleen

Daarom is "van wie was het Gooi?" eigenlijk een te eenvoudige vraag. De betere vraag is: wie mocht er wat doen? De graaf kon gezag claimen terwijl een boer zijn koe mocht laten grazen. De Kroon kon jachtrecht verpachten terwijl erfgooiers zich mede-eigenaar waanden. Een gemeente kon bestuurlijke bevoegdheden hebben terwijl gerechtigden gebruiksrechten behielden. Het conflict ontstond telkens wanneer één partij probeerde zijn eigen recht als het enige relevante recht te behandelen. Juist het naast elkaar bestaan van rechten verklaart waarom de geschiedenis zo lang, ingewikkeld en procesrijk werd.

Het systeem overleefde omdat iedereen elkaar nodig had

Ondanks alle ruzies werkte het systeem eeuwenlang omdat samenwerking noodzakelijk was. Geen individuele boer kon de gehele heide, meent en bossen alleen beheren. Grenzen moesten gezamenlijk worden bewaakt. Overbegrazing moest worden voorkomen. Geschillen moesten worden beslecht. Buitenstaanders konden alleen gezamenlijk effectief worden tegengehouden. Daardoor waren de erfgooiers veroordeeld tot samenwerking, zelfs wanneer zij elkaar op andere momenten letterlijk van de heide sloegen. Dat is misschien de belangrijkste verklaring voor de duurzaamheid van de organisatie. Het collectieve bezit maakte conflict onvermijdelijk, maar maakte organisatie tegelijkertijd noodzakelijk.

Van Nardinclant naar het moderne Gooi

Wanneer alle lagen worden samengevoegd, verschijnt een uitzonderlijk lange ontwikkeling. Het begint met Nardinclant en Elten, loopt via lokale gebruiksrechten naar marken, bos- en schaarbrieven, grafelijke conflicten, Stad en Lande, kaarten en gerechtigdenlijsten. Vervolgens komen Bataafse bestuurders, het Koninkrijk, Albertus Perk, spoorwegen en villabouw. Harmen Vos schiet zijn haas, Hendrik Smit sterft bij het Meenthek en de Erfgooierswet probeert orde te scheppen. Daarna volgen woningbouw, natuurreservaat, oorlog, landbouwmodernisering en uiteindelijk liquidatie. Dezelfde grond krijgt in iedere periode een nieuwe betekenis.

Wat uiteindelijk werkelijk overbleef

De vereniging verdween, maar de historische structuur heeft het moderne Gooi mede gevormd. Sommige open heidevelden bestaan juist omdat generaties erfgooiers ontginning en privatisering tegenhielden. Het Goois Natuurreservaat kon grote oppervlakten verwerven omdat het collectieve bezit nog bestond. Straatnamen en buurten herinneren aan de organisatie. Archieven bewaren duizenden namen. Familienamen verbinden huidige inwoners met vroegere gerechtigden. Grenspalen, kaarten en monumenten maken conflicten tastbaar. Zelfs de ruimtelijke tegenstelling tussen dichtbebouwde plaatsen en grote open natuurgebieden is gedeeltelijk een erfenis van deze uitzonderlijke geschiedenis.

De erfgooiers als geschiedenis van het dagelijkse leven

Uiteindelijk gaat het verhaal daarom niet alleen over recht. Het gaat over een koe die in het voorjaar weer gras krijgt; een weduwe die na de dood van haar man het bedrijf probeert voort te zetten; een schaap dat mest levert voor een akker; een boer die plaggen op een kruiwagen laadt; een meentmeester die een brandmerk controleert; een kind dat later het recht van zijn vader hoopt te erven; een Amsterdammer die niet begrijpt waarom hij zijn eigen koe niet gratis mag laten grazen; een jonge man die denkt dat soldaten hem op zijn eigen land nooit zullen neerschieten.

Het gemeenschappelijke landschap als hoofdpersoon

Daarmee is misschien niet Wichman, Floris V of Harmen Vos de echte hoofdpersoon van de erfgooiersgeschiedenis, maar het landschap zelf. De heide, meenten, bossen, venen en engen dwongen mensen telkens opnieuw tot afspraken. Zolang boeren afhankelijk waren van die gezamenlijke hulpbronnen, bleef de gemeenschap noodzakelijk. Toen landbouw, economie en samenleving veranderden, verloor die noodzaak langzaam haar kracht. Maar doordat de grond eeuwenlang gemeenschappelijk was gebleven, kon een aanzienlijk deel uiteindelijk aan natuurbescherming worden overgedragen. Het landschap overleefde daarmee de organisatie die het zo lang had beheerd.

De cirkel sluit

Omstreeks 968 kwam Nardinclant in een wereld terecht waarin bezit, gezag en gebruik over verschillende partijen verdeeld konden zijn. Ruim duizend jaar later werd Stad en Lande ontbonden omdat de moderne samenleving zulke gestapelde collectieve rechten steeds minder nodig had. Tussen die twee momenten lagen oorlogen, dynastieën, revoluties, economische veranderingen en volledige staatswisselingen. Toch bleven mensen terugkeren naar dezelfde fundamentele kwestie: wie mag deze grond gebruiken en onder welke voorwaarden? Daarom is de geschiedenis van de erfgooiers niet alleen Gooise geschiedenis. Het is een uitzonderlijk lang Nederlands verhaal over gemeenschap, landschap, eigendom, ongelijkheid, recht en dagelijks bestaan.

Klik hier om een tekst te typen.

Ja. Na vergelijking met Perks oorspronkelijke verslag van 1842, het Blaricumse materiaal en vooral de veel uitvoeriger bron over de schaardag in Ankeveen ontbreken nog enkele belangrijke lagen. Vooral het praktische leven op de meent was in het vorige verhaal nog te algemeen. Dit is daarom een aanvullend verhaal; het kan zonder iets uit het bestaande verhaal te verwijderen worden ingevoegd.

Aanvullend verhaal — wat nog ontbrak bij de Erfgooiers

1404 — eerst waren het Landgooiers

De naam Erfgooier is veel jonger dan het recht zelf. Albertus Perk vond in 1404 de benaming Landgoyers. De Schaarbrief van 1442 sprak vervolgens over degenen aan wie de schaar was aangeërfd. In 1521 noemden de bewoners zichzelf opnieuw „gemeene Landgoyers”. Andere stukken spreken over Goyers, Goyers-kinderen, ingeboren Goyers en Goylanders. Zelfs Hugo de Groot behandelde later het erfelijke gebruiksrecht van de Gooiers. Het woord Erfgooier zelf vond Perk pas in een aantekening uit 1688, over „ouwe erfgoyers van Goeylandt”. De gemeenschap bestond dus eeuwen voordat haar bekende naam algemeen werd.

1442 — de schaar kon worden aangeërfd

De Schaarbrief van 1442 is daarom belangrijker dan alleen als opvolger van die van 1404. Perk wees juist op de formulering dat er mensen waren aan wie „de schaar aangeërfd is”. Daar zit een kern van het latere Erfgooierschap: het gebruiksrecht werd verbonden met afstamming. Dat verklaart ook waarom genealogie uiteindelijk zo'n grote betekenis kreeg. Men kon niet eenvoudig naar Gooiland verhuizen en daarmee automatisch dezelfde aanspraken verkrijgen. Er moest worden bepaald wie tot de historische gemeenschap behoorde. De latere lijsten van gerechtigden waren daarmee geen gewone bevolkingsregisters, maar bewijzen van deelname aan een eeuwenoude gemeenschap.

1521 — de dorpen sloten onderling een verbond

Een belangrijke tussenschakel die in het hoofdverhaal nauwelijks zichtbaar was, is de overeenkomst van 1521 tussen de Gooise dorpen. Perk citeerde daaruit dat de „gemeene Landgoyers” elkaar zouden helpen en niet tegen elkaar zouden handelen. Daarmee zien we vóór de latere formele organisatie van Stad en Lande al een collectief optreden van de gerechtigden. De dorpen moesten samenwerken omdat heide, weide en andere gemene gronden niet netjes binnen de belangen van één dorp pasten. De Erfgooiersgeschiedenis is daarom niet alleen een strijd van Gooiers tegen buitenstaanders; minstens zo belangrijk was het voortdurend organiseren van samenwerking tussen de Gooise dorpen zelf.

1548 — vreemdelingen waren een werkelijk probleem

Ook een vonnis uit 1548 verdient een plaats. Daarin werd volgens Perk gesproken over uitheemsen, het binnenbrengen van vreemden en over „de Goyers ende dien van Naarden” en „de Goylanders”. Dat maakt duidelijk waarom afstamming steeds scherper moest worden vastgelegd. Gemeenschappelijke grond kan alleen functioneren wanneer de groep gerechtigden begrensd blijft. Wanneer iedere nieuwe inwoner of buitenstaander vee zou kunnen inscharen, zou de beschikbare weide snel tekortschieten. De juridische strijd om het Erfgooierschap ging daarom uiteindelijk over een zeer tastbaar probleem: hoeveel mensen en hoeveel dieren kon het gemeenschappelijke landschap dragen zonder dat de rechten van de bestaande gemeenschap waardeloos werden?

1632 — de meenten kregen ook een belastingrekening

De Erfgooiersgemeenschap had bovendien een financiële huishouding die veel ouder was dan in het hoofdverhaal zichtbaar werd. Perk vermeldde dat vanaf 1632 uit de kas van de Vergadering de verponding werd betaald die op de gezamenlijke meenten werd geheven onder de naam Gemeente van Gooiland. Gemeenschappelijke grond betekende dus niet alleen rechten en opbrengsten, maar ook gezamenlijke lasten. Er moest geld worden geïnd, belasting worden betaald en administratie worden gevoerd. Daarmee ontstond naast het landschap en het gewoonterecht een permanente financiële organisatie. Dat helpt verklaren waarom Stad en Lande uiteindelijk een eigen secretaris, rekeningen, resoluties en andere bestuurlijke documenten nodig had.

1634 — ook 's-Graveland bleef een compromis

Het conflict rond 's-Graveland eindigde niet met de eerste botsingen over ontginning. Perk verwijst naar een laatste akkoord met de Hoofdingelanden van 's-Graveland uit 1634, waarin de „ingeboorenen van Gooiland” worden genoemd. Dat woord is veelzeggend. De aanspraak werd nog steeds verbonden met geboorte en historische verbondenheid met de streek. Tegelijk toont 's-Graveland hoe ingrijpend ontginning voor het oude systeem was. Waar buitenstaanders mogelijkheden zagen om grond productiever te maken, zagen Gooise gerechtigden gemeenschappelijke heide verdwijnen. Het latere conflict tussen natuur, landbouw, woningbouw en grondverkoop had hier al een vroegmoderne voorloper.

1649 — zelfs Prins Maurits werd als precedent gebruikt

Perk vond in de notulen van Stad en Lande uit 1649 een verwijzing naar een oudere uitspraak van Prins Maurits over het jachtrecht van de ingeboren Gooiers. Daarmee verschijnt opnieuw een recht dat in het hoofdverhaal te weinig aandacht kreeg: de gemeenschappelijke aanspraken gingen niet uitsluitend over het weiden van vee. Ook jacht kon tot de rechtenwereld behoren. Dat maakt het latere conflict rond Harmen Vos en de geschoten haas begrijpelijker. Zijn optreden in 1899 was niet zomaar baldadigheid. Achter die ene haas lag een eeuwenoude discussie over de vraag of een ingeboren Gooier zelf jachtrecht bezat en of Stad en Lande dat recht mocht verpachten.

1688 — de naam Erfgooier verschijnt

Perks oudste gevonden gebruik van het woord Erfgooier dateerde uit 1688. Er werd toen gesproken over het aanmaken van nieuw land door de „ouwe erfgoyers van Goeylandt”. Zelfs daarna was het woord nog niet onmiddellijk algemeen. Gerechtelijke verklaringen uit 1692 en 1706 laten volgens Perk zien dat de terminologie nog in beweging was. Dat is een belangrijke bronkritische correctie op het hele verhaal: we moeten een boer uit 1450 niet laten zeggen dat hij „Erfgooier” was alsof dat toen al de gebruikelijke groepsnaam was. Hij behoorde tot dezelfde historische rechtenwereld, maar kon Landgooier, Gooier, Gooierkind of ingeboren Gooier worden genoemd.

1761 — bestuurders hoefden zelf geen Erfgooier te zijn

Nog een opvallende bestuurlijke bijzonderheid komt uit 1761. Na onderzoek naar de werkzaamheden van de Vergadering verklaarden juristen in Den Haag dat de burgemeesters van Naarden en de buurmeesters van Laren, Hilversum, Huizen en Blaricum gezamenlijk een bestuurslichaam vormden dat over de Gemeente van Gooiland regeerde en haar beheerde. Perk benadrukte daarbij iets merkwaardigs: deze bestuurders hoefden zelf geen Erfgooiers te zijn. Daar zat een structurele zwakte in het systeem. De rechthebbenden en degenen die namens het gebied bestuurden waren niet noodzakelijk dezelfde mensen. In de negentiende eeuw zou precies dat verschil uitgroeien tot een grote politieke crisis.

De Schaarbrieven werden telkens vernieuwd

Ook de continuïteit van de Schaarbrieven verdient meer nadruk. In 1825 beschreef de gouverneur van Noord-Holland dat hun vernieuwing om de 21 jaar plaatsvond. Hij beschouwde zo'n Schaarbrief als een huishoudelijke regeling voor het gebruik van de gemene gronden en voor de onderlinge rechten en plichten. Dat betekent dat de Schaarbrief niet alleen een middeleeuws document was dat men eeuwenlang eerbiedig in een kist bewaarde. Het systeem werd periodiek opnieuw operationeel gemaakt. Iedere generatie moest opnieuw bepalen hoe het gezamenlijke bezit praktisch gebruikt zou worden. Daarmee bleef middeleeuws gewoonterecht tot diep in de moderne bestuurlijke wereld functioneren.

1825 — de moderne staat erkende het oude lichaam

Op 1 september 1825 onderzocht de gouverneur van Noord-Holland opnieuw de positie van Stad en Lande. Zijn conclusie was opmerkelijk positief. De inrichting van het bestuur was volgens hem niet in strijd met de algemene staatsinrichting en kon juist nuttig zijn voor de belangen van de erfelijke bezitters van gemeene gronden in het Gooi. De nieuwe Nederlandse staat schafte de eeuwenoude instelling dus niet eenvoudig af. Zij probeerde haar in te passen in een modern bestuursstelsel. De spanning bleef echter bestaan: oude bijzondere rechten mochten volgens dezelfde overheid niet verhinderen dat landbouw en algemene belangen werden verbeterd.

1826 — de dorpen hadden herkenbare vertegenwoordigers

Bij de bestuurlijke stukken uit 1826 komen bovendien concrete namen naar voren. Voor Hilversum worden onder anderen burgemeester Andriessen, A. Perk, Jacob Gt. de Wit, Lammert de Jong en J. de Wit Tzoon genoemd. Voor Huizen verschijnen burgemeester A. Rooseboom, Hend. Rebel, Gerit Jan Vos en Hendrik Visser; voor Blaricum burgemeester Rut Koppen, Gerrit de Jong en C.S. Puijk; voor Bussum burgemeester H.K. Banis, R. Distelblom en Bart. L. Majoor. Secretaris was J.J. Thierens Jz. Zo krijgt ook het negentiende-eeuwse bestuur gezichten.

Het Erfgooiersstelsel was een landbouwmachine

Wat nog sterker in het hoofdverhaal moet worden gevoeld, is dat het hele systeem feitelijk een enorme landbouwmachine was. De akkers op de hogere zandgronden konden niet los worden gezien van schapen op de heide en runderen op de lage meenten. Mest, plaggen, gras, vee en akkerbouw vormden één kringloop. De gemeenschappelijke grond was daarom geen romantisch natuurgebied naast het dorp. Zij was een essentieel onderdeel van het boerenbedrijf. In Blaricum bleef landbouw eeuwenlang een belangrijke bestaansbron en Stad en Lande oefende daardoor rechtstreeks invloed uit op het agrarische leven van het dorp.

17 maart — Sint-Geertruidendag bepaalde het komende seizoen

De Ankeveense bron levert een prachtige aanvulling op het dagelijkse leven. Al op Sint-Geertruidendag, 17 maart, kwamen in Naarden acht schaarzetters bijeen. Zij bepaalden hoeveel de schaar dat jaar zou bedragen: hoeveel vee iedere gerechtigde op de meent mocht brengen. Dat kon volgens de herinneringen variëren van ongeveer acht tot later twaalf koeien. De hoeveelheid was dus niet voor altijd vastgelegd. Zij werd aangepast aan de omstandigheden. Al weken voordat de koeien naar buiten gingen, werd in Naarden bepaald hoeveel dieren de gemeenschappelijke weide dat seizoen kon dragen.

12 mei — de grote schaardag

De eigenlijke schaardag op de Hilversumse Meent viel op 12 mei. Dan verschenen Gooise boeren met hun vee bij de Loodijk in Ankeveen, bij het oude Polderhuis. Hilversummers en Larense boeren kwamen uit de ene richting; Bussumse boeren brachten hun vee over de Loodijk. De dag was daarmee veel meer dan een administratief moment. Tientallen dieren, boeren, controleurs en omstanders kwamen samen op één plaats. Eeuwenoud recht werd hier letterlijk zichtbaar: pas wanneer de koe gecontroleerd en gemerkt was, kon zij de gemeenschappelijke meent op.

De molenaar spande de touwen

Langs de Loodijk werden 's morgens vroeg touwen gespannen waaraan de koeien werden vastgebonden voordat ze werden gemerkt. Dat werk werd verricht door de molenaar van de Hollandia, geholpen door zijn zoons. Het is precies zo'n detail dat in een puur juridisch Erfgooiersverhaal verloren gaat. De organisatie had documenten, bestuurders en schaarzetters, maar uiteindelijk moest iemand een touw vastmaken, een koe vasthouden en een brandijzer hanteren. Op de achtergrond draaiden de wieken van de Hollandia. De schaardag was daarmee tegelijk een bestuurlijke procedure, boerenwerk en een jaarlijks terugkerend dorpsgebeuren.

Turfvuurtjes en gloeiende brandijzers

Bij het Polderhuis brandden volgens de herinnering turfvuurtjes. Daarin werden de brandijzers verhit waarmee de dieren op hoorn en hoef werden gemerkt. De geur van brandende turf, vee en verschroeide hoorn moet rond de Loodijk hebben gehangen. De merken waren noodzakelijk om de koeien later op de uitgestrekte meent te kunnen herkennen. Het recht van de Erfgooier werd daardoor letterlijk zichtbaar op zijn dier. Een koe zonder juiste registratie en herkenning kon niet eenvoudig tussen het gerechtigde vee worden losgelaten. Het landschap werd dus bewaakt met een combinatie van oude rechten, administratie en uiterst praktische herkenningstekens.

Ankeveen kreeg één dag per jaar een veemarkt

De schaardag trok bovendien handel aan. Ankeveen had geen eigen veemarkt, maar plaatselijke boeren maakten van de jaarlijkse drukte gebruik om hun overscharige vee te koop aan te bieden. Daarmee kreeg een bestuursdag van de Erfgooiers vanzelf een economische nevenfunctie. Waar veel boeren en koeien bijeenkwamen, verschenen kopers en verkopers. De grens tussen officiële scharing en dorpsfeest vervaagde. Een regeling die oorspronkelijk bedoeld was om overbegrazing te voorkomen, bracht één dag per jaar een kleine tijdelijke markt tot stand.

Kooplieden, marskramers en de waard

De schrijver vermoedde dat ook kooplieden en marskramers op de drukte afkwamen. Zij konden koetouwen, halsters, uierzalf, koedekken, kaas en boter verkopen. De waard van het Polderhuis deed die dag goede zaken. Daardoor ontstaat een veel rijker beeld van de Erfgooierscultuur. Rond de formele rechten ontstond een sociale wereld van eten, drinken, handel, ontmoeten en verhalen uitwisselen. De schaardag was voor een boer misschien een verplichting, maar voor Ankeveen tevens een jaarlijks evenement waarop ongewoon veel mensen en vee door het dorp kwamen.

Een verdwenen Goois tafereel

Een ooggetuige, Kees Hagen, bekend als Kees van de molen, herinnerde zich deze wereld later uit zijn jeugd en vertelde er in 1966 over. Zijn herinnering werd gebruikt om het tafereel rond 1900 te reconstrueren: het oude rietgedekte Polderhuis, boeren die met koppels koeien door het dorp trokken, turfvuurtjes, brandijzers, handelaren en in de verte de draaiende Hollandia. Daarmee beschikken we niet alleen over wetten en notulen, maar ook over een echte herinneringsbron. Het Erfgooiersstelsel had geluiden, geuren, dieren, drukte en vaste dagen in de kalender.

1913 — zelfs de meent moest technisch worden verbeterd

De Hilversumse Meent was van nature geen goede weide. De ene kant was te zandig, andere delen waren te moerassig en dieren kwamen in het najaar soms vermagerd terug. Pas in 1913 werd de toestand verbeterd door waterkeringen aan te leggen en ontwateringssloten te graven. Dit is belangrijk omdat het laat zien dat gemeenschappelijk gebruik niet hetzelfde was als passief natuurbeheer. De Erfgooiers en hun bestuur moesten ook investeren in het landschap. Waterstand en bodem bepaalden hoeveel vee er kon grazen en daarmee rechtstreeks hoeveel economische waarde een schaar vertegenwoordigde.

De twintigste eeuw veranderde de meent definitief

Ook het slot van het verhaal kan verder worden aangevuld. In Blaricum werd in een Erfgooierslezing expliciet teruggekeken op de verkoop van meentgronden in 1971 aan Hilversum, Huizen en Blaricum en de daaropvolgende bebouwing. Daarmee zien we concreet wat het einde van het agrarische stelsel betekende: gemeenschappelijke grond werd stedelijke ruimte. Waar generaties koeien en schapen hadden gelopen, verschenen woningen en wegen. De geschiedenis van de Erfgooiers eindigde daardoor niet eenvoudig met een juridische ontbinding; zij werd letterlijk overschreven door de ruimtelijke ontwikkeling van het moderne Gooi.

Het meenthek bleef als klein monument achter

Zelfs een eenvoudig meenthek kan daarom een historische bron zijn. De Historische Kring Blaricum bezit een oud hek dat vermoedelijk bij de Schapendrift of Meentweg heeft gestaan. Nadat een perceel aan de William Singerweg in 2018 was verkocht, kwam het hek via de Stichting Stad en Lande bij de historische kring terecht. Het was sterk vergaan en werd later gerestaureerd; zelfs het driehoekige plaatje met de tekst „hek dicht” moest worden vernieuwd. Zo'n hek vertelt op kleine schaal hetzelfde verhaal als de Schaarbrieven: gemeenschappelijke grond had grenzen, toegangen en regels.

Van Schaarbrief tot meenthek

Daarmee is een belangrijke ontbrekende laag zichtbaar geworden. De Erfgooiers bestonden niet alleen in 968, 1404, 1474, 1708, 1912 en de opheffing. Tussen die grote jaartallen lag het werkelijke leven: schaarzetters die op 17 maart vergaderden, een molenaar die touwen spande, boeren die op 12 mei koeien aanvoerden, turfvuurtjes onder brandijzers, een waard die bier schonk, marskramers langs de Loodijk, meentmeesters die schaargeld inden, ontwateringssloten, hekken die moesten worden gesloten en koeien die na een slechte zomer mager thuiskwamen. Juist deze laag maakt van de Erfgooiers geen instelling maar een levende Gooise samenleving.

Dit zijn echte aanvullingen op het vorige verhaal; ik heb de bestaande onderdelen dus niet vervangen of ingekort. Vooral 1521, 1548, 1632, 1634, 1649, 1688, 1761, de 21-jarige Schaarbriefcyclus, de acht schaarzetters, Sint-Geertruidendag, de volledige schaardag, Hollandia, Polderhuis, brandmerken, tijdelijke veehandel, Kees Hagen, de verbetering van de Meent in 1913 en de verkoop/bebouwing van 1971 waren nog onvoldoende of helemaal niet aanwezig.

 

Aanvullend verhaal — ontbrekende lagen van de Erfgooiers

93. De naam Erfgooier bestond nog niet

Een belangrijke correctie op het hele verhaal is de naam zelf. De middeleeuwse gebruikers van de Gooise gemene gronden noemden zichzelf nog niet aantoonbaar Erfgooiers. In oudere stukken komen omschrijvingen voor als goede luden van Gooiland, gerechtigden en later gemene lantgoyers. Stichting Stad en Lande vermeldt 1702 als eerste schriftelijke voorkomen van het woord Erfgooier. Dat maakt het onjuist om bijvoorbeeld een boer uit 1404 zonder uitleg letterlijk Erfgooier te noemen. Zijn rechten kunnen wel tot dezelfde historische ontwikkeling behoren. De naam kwam dus veel later dan de gemeenschap en werd uiteindelijk zo krachtig dat hij ook op de middeleeuwse voorgeschiedenis werd toegepast.

94. Akeren — varkens onder de eiken

Niet alleen koeien, paarden en schapen waren afhankelijk van de gemene gronden. Ook varkens hoorden bij het oude gebruikslandschap. In het bos konden zij tijdens het akeren eikels en andere boomvruchten zoeken. Dat maakte het bos indirect tot voedselproducent. Een goede mast betekende dat varkens konden worden vetgemest zonder dat de boer daarvoor al het voer op zijn eigen akker hoefde te verbouwen. De strijd om bosgebruik ging daardoor niet uitsluitend over brand- en timmerhout. Een eik leverde hout, schors, schaduw én voedsel voor dieren. Wanneer bos werd gekapt, verdeeld of afgesloten, kon dat dus ook rechtstreeks ingrijpen in de voedselvoorziening van boerenhuishoudens.

95. Waranden, hazen en konijnen

Naast meenten, heiden, venen en bossen komen in de oude juridische omschrijvingen ook waranden en wildernissen voor. Daar leefden onder andere hazen en konijnen. Jacht was daarom veel ouder dan het beroemde schot van Harmen Vos in 1898. Tegelijk betekende aanwezigheid van wild niet dat iedere gerechtigde automatisch vrij mocht jagen. Landsheerlijke jachtrechten, verpachting en plaatselijke gebruiksrechten konden elkaar overlappen. Dat maakt de haas van Vos historisch veel betekenisvoller. Hij schoot niet zomaar een dier uit protest tegen een negentiende-eeuwse regeling; zijn zaak raakte aan een eeuwenoude vraag: welke opbrengsten van het gemeenschappelijke landschap behoorden eigenlijk aan de gebruikers toe?

96. 1417 — elf dieren voor een instelling

In 1417 verschijnt een bijzonder soort schaarrecht. Naarden verleende rechten waarbij kerkelijke of liefdadige instellingen betrokken waren. In de latere overlevering worden voor bepaalde instellingen aantallen van elf dieren genoemd, onder andere in verband met zusters en een gasthuis of leprozenvoorziening. De precieze institutionele identificatie moet bij de oorspronkelijke akte blijven worden gecontroleerd, maar het verschijnsel is belangrijk. Schaarrecht behoorde dus niet uitsluitend aan individuele boerengezinnen. Ook instellingen konden aanspraken verkrijgen. Daarmee ontstaat opnieuw een complexer systeem dan alleen erfelijke afstamming: naast persoonlijke en later hofstedegebonden rechten bestonden verleende rechten die voedselvoorziening of inkomsten van religieuze en charitatieve instellingen konden ondersteunen.

97. Koptienden — betalen met wat het land voortbracht

Naast het gebruik van de meenten bestond een minder bekende financiële wereld van koptienden. Vanaf het begin van de zestiende eeuw duiken regelingen op waarbij landbouwproductie werd gemeten en belast. De inning kon gekoppeld zijn aan concrete hoeveelheden en vaste zitdagen waarop betalingen of afrekeningen plaatsvonden. Nog in 1623 komen dergelijke zittingen voor. Namen als Focker of Fokker verschijnen in deze bronlaag. Het belang ervan ligt vooral in het dagelijkse bedrijf: rechten op heide en meent stonden niet los van de akkers. De boer moest zaaien, oogsten, meten, afdragen en vervolgens opnieuw voldoende mest verzamelen om zijn bouwland vruchtbaar te houden.

98. 1494 — mannen én vrouwen spinnen

Een belastingonderzoek uit 1494 geeft een zeldzaam inkijkje in huishoudelijk werk. In Laren en Blaricum werd geploegd, gemolken en gesponnen. Niet alleen vrouwen, maar ook mannen en vrouwen samen konden met spinwerk bijdragen aan het gezinsinkomen. Hilversum en Bussum laten eveneens een combinatie zien van landbouw, vee en textielarbeid. Veel huishoudens beschikten over weinig eigen weidegrond en waren daardoor extra afhankelijk van de gemeente. Sommige boeren hadden niet eens voldoende paarden. Het Erfgooierslandschap moet daarom niet worden bevolkt met uitsluitend zelfstandige, welvarende boeren. Veel gebruikers combineerden verschillende werkzaamheden om hun huishouden overeind te houden en waren economisch kwetsbaar.

99. Huizer varkens en spek aan de balk

Ook Huizen laat rond het einde van de middeleeuwen een ander dagelijks beeld zien dan uitsluitend koeien op de meent. Varkens speelden er een duidelijke rol. Geslacht vlees kon worden geconserveerd en spek aan de balk worden bewaard. Daarmee liep een keten van gemeenschappelijk landschap naar huishouden: varken, bos- of veldvoer, slacht, zout en voorraad. Voor een gezin betekende zo'n voorraad voedselzekerheid tijdens maanden waarin verse producten schaars waren. Het recht om dieren te houden en gebruik te maken van gemeenschappelijke hulpbronnen was daarom rechtstreeks verbonden met wat er 's winters in huis gegeten kon worden. De juridische geschiedenis van de Erfgooiers was ook een geschiedenis van voedsel.

100. 1667 — Stad en Lande zweert en vergadert

In de zeventiende eeuw werd de bestuurlijke organisatie steeds formeler. Een bron uit 1667 laat zien dat vertegenwoordigers in Naarden bijeenkwamen en dat bestuurlijke handelingen met eden en vaste procedures verbonden konden zijn. Dit helpt het verschil begrijpen tussen de oudere schaarzetting rond Sint-Geertruidendag en latere jaarlijkse bestuursvergaderingen. Het was niet één onveranderlijke middeleeuwse ceremonie die tot 1979 bleef bestaan. Verschillende vergadertradities lagen over elkaar heen. Naarmate Stad en Lande meer geld beheerde, processen voerde en personeel of functionarissen aanstuurde, werd schriftelijke besluitvorming belangrijker. Het oude mondelinge landschap van hoorn, buurspraak en gewoonte veranderde geleidelijk in een archieforganisatie.

101. Weduwen stonden tussen gebruik en afstamming

De positie van vrouwen was ingewikkelder dan een eenvoudig “alleen mannen waren Erfgooier”. Weduwen konden onder voorwaarden tijdelijk gebruik voortzetten. Op 28 maart 1721 kreeg Aaltje Hendriks uit Laren, weduwe van Gijsbert Jacobs, volledige scharing zolang de nalatenschap volgens de toepasselijke regeling onverdeeld bleef. Nadat de boedel werd verdeeld, verdween die grondslag op 9 mei. Het recht zat dus niet simpelweg in haar persoon zoals bij een mannelijke afstammeling, maar kon via huishouden, weduwschap en onverdeelde boedel tijdelijk blijven functioneren. Later bleven weduwen en minderjarige kinderen opnieuw bijzondere categorieën. Het systeem was mannelijk, maar vrouwen waren er bepaald niet afwezig.

102. Een dochter kon haar man niet binnenbrengen

Juist omdat mannelijke afstamming steeds belangrijker werd, ontstond een harde sociale grens. Een vrouw kon zelf uit een oude Gooise familie stammen, maar een echtgenoot van buiten het Gooi werd daardoor niet automatisch gerechtigd. In de stukken rond de zeventiende en achttiende eeuw wordt dit steeds duidelijker. Voor gezinnen kon dat merkwaardige gevolgen hebben: dezelfde boerderij kon door huwelijk worden bewoond door mensen met verschillende juridische posities tegenover de meent. Het verklaart ook waarom genealogie later zo belangrijk werd. Niet alleen wonen in het Gooi, grond bezitten of met een Gooise vrouw trouwen telde. Men wilde weten via welke mannelijke lijn iemand van eerdere gerechtigden afstamde.

103. 1707 — een paard uit het geheugen van getuigen

Op 20 oktober 1707 werden oude inwoners ondervraagd over vroegere handhaving. Lubbert Jacobsz, ongeveer 74 jaar, Marrij Claes Swart, ongeveer 70, en Gerrit Gerritsz Doorn, ongeveer 71, herinnerden zich een zaak van ongeveer zestig jaar eerder. Een paard van Claes Huijgen Swart zou van de gemeente zijn verwijderd omdat daarvoor geen geldig recht bestond. Zulke verklaringen laten zien hoe gewoonterecht werd bewezen. Wanneer schriftelijke administratie ontbrak, werd het geheugen van oude inwoners zelf een archief. Een zeventigjarige kon in 1707 worden gevraagd wat hij als kind rond 1647 had gezien. Persoonlijke herinnering kon zo juridische gevolgen krijgen.

104. Marrij Lamberts en de ene koe te veel

Een andere kleine zaak maakt duidelijk hoe streng de telling kon zijn. Rond 1691 werd een koe van de weduwe Marrij Lamberts verwijderd omdat zij boven haar toegestane aantal dieren uitkwam. Ook een koe die met Witte Willem in verband werd gebracht, verschijnt in deze handhavingslaag. Achter ieder schaarrecht zat dus letterlijk een telling van dieren. Eén extra koe was niet onschuldig. Zij at gras dat volgens het systeem voor dieren van andere gerechtigden nodig kon zijn. De schaarmeesters bewaakten daarom niet alleen vreemdelingen, maar ook hun eigen gemeenschap. Gemeenschappelijk gebruik werkte uitsluitend wanneer ook gerechtigden zichzelf aan beperkingen lieten onderwerpen.

105. 1708 — rechten konden gekocht zijn

De lijst van 1708 is vooral bekend als genealogische basis, maar de oorspronkelijke formulering maakt het verhaal ingewikkelder. Er worden mensen geregistreerd die hun recht als Erfgooier bezaten én mensen bij wie het recht “door koop verkregen” was. Dat is essentieel. De gemeenschap was historisch niet ontstaan uit één zuivere biologische categorie. Naarden had in eerdere eeuwen rechten verkocht of verleend en bijzondere rechten konden aan instellingen of hofsteden verbonden zijn. De latere nadruk op vaderlijke afstamming heeft die oudere juridische diversiteit gedeeltelijk overschaduwd. Wie de lijst uitsluitend als stamboomdocument gebruikt, mist daarom een belangrijk deel van haar betekenis als inventaris van verschillende soorten gerechtigdheid.

106. Pieter Visscher en Jacob Sijbrandtsz

Een concrete illustratie daarvan vinden we bij Pieter Visscher en Jacob Sijbrandtsz uit Huizen. In een dossier wordt aangevoerd dat hun ouders een “recht van veldslag of scharing” van Naarden hadden gekocht. Dat maakt hun aanspraak fundamenteel anders dan die van iemand die uitsluitend een oude mannelijke afstamming kon aantonen. Tegelijk ontstond discussie over de vraag of Naarden zulke rechten eigenlijk wel zelfstandig mocht verkopen of uit gunst verlenen. De Heren van Rekening betwistten dergelijke bevoegdheden. Een schaarrecht kon dus zelf onderwerp van handel en bestuurlijke strijd worden. De vraag “wie is Erfgooier?” had daardoor nooit één eenvoudig antwoord.

107. Uitwonenden konden hun recht laten slapen

Nog een bijzondere categorie waren de uitwonenden of later zogenoemde slapende gerechtigden. Een man kon uit een gerechtigde familie stammen maar buiten het Gooi wonen en daardoor het praktische gebruik niet uitoefenen. Dat betekende niet noodzakelijk dat zijn afstammingsrecht voor altijd verdween. In 1772 werd bijvoorbeeld de positie van Teunis Jansz Schoenmaker, ook verbonden met de naam Van Eijden en Eemnes, onderzocht. Oude getuigen moesten verklaren dat zijn vader en familie uit Hilversum stamden en gerechtigd waren geweest. Een recht kon dus generaties buiten het dagelijkse meentgebruik blijven bestaan en later opnieuw worden geactiveerd wanneer iemand terugkeerde.

108. Eemnes bewaart Gooise familieverbindingen

De families Schoenmaker/Van Eijden en Luijf/Crul laten zien hoe rechten geografisch konden reizen. Een familietak verhuisde naar Eemnes, buiten het eigenlijke Gooise gebruiksgebied, maar de herinnering aan de mannelijke Gooise afkomst bleef bestaan. Bij latere terugkeer of aanvraag werden getuigen, oude lijsten en genealogieën gebruikt om de verbinding te herstellen. In een wereld zonder burgerlijke stand tot 1811 betekende dat zoeken in doopboeken, trouwregisters, begraafgegevens en mondelinge herinnering. Het Erfgooierschap was daardoor niet alleen verbonden met grond, maar ook met mobiliteit. Mensen vertrokken, trouwden elders en kwamen terug, terwijl een oud recht in de familie kon blijven sluimeren.

109. 1775 — de Gooise Zomerkade

Waterbeheer hoorde eveneens bij het gemeenschappelijke landschap. De Gooise Zomerkade verschijnt in achttiende-eeuwse regelingen en wordt later, onder andere in stukken uit 1820, als bestaand referentiepunt genoemd. Zo'n kade beschermde lage weiden tegen water maar bepaalde tegelijk waar vee kon lopen en waar grenzen tussen gebruiksgebieden lagen. De meenten waren dus niet uitsluitend droge grasvelden. Vooral richting Eem en Zuiderzee waren waterstand, overstroming en afwatering voortdurend van belang. Later zouden gemalen en technische drainage deze wereld drastisch veranderen. De overgang naar het stoomgemaal begon feitelijk bij eeuwenoude arbeid aan kaden, sloten, duikers en andere eenvoudige waterwerken die boeren gezamenlijk nodig hadden.

110. 1785 — vee uit het Sticht

Op 12 januari 1785 behandelden Hilversumse buurmeesters en regenten een probleem met vee van inwoners van het Sticht. Opmerkelijk is dat Hilversum op dat moment volgens het betreffende dossier geen eigen schaarmeesters had. Daarmee verschijnt opnieuw hoe poreus de oostelijke grens kon zijn. Voor een boer uit Utrecht lag Gooise heide misschien vlakbij en een administratieve grens was voor een koe of schaap onzichtbaar. Voor de gerechtigden maakte die grens echter het verschil tussen toegestaan en illegaal gebruik. Van de vijftiende-eeuwse uitsluiting van Stichtenaren tot negentiende-eeuwse conflicten over Eemnesser schapen en plaggen keert hetzelfde geografische probleem telkens terug.

111. Plaggen waren geen primitieve gewoonte

Het steken van heideplaggen wordt in negentiende- en twintigste-eeuwse bronnen soms voorgesteld als schadelijke roofbouw. Voor het traditionele landbouwsysteem waren plaggen echter essentieel. Ze gingen naar potstal of schaapskooi, namen urine en mest op en werden daarna over de akkers verspreid. Zo werden voedingsstoffen van een groot heidegebied geconcentreerd op een veel kleiner bouwland. Het systeem kon de heide uitputten wanneer te intensief werd gestoken, maar zonder plaggen kon het oude akkerbedrijf nauwelijks dezelfde productie handhaven. De komst van kunstmest doorbrak deze eeuwenoude kringloop. Daardoor verloor de heide een deel van haar agrarische noodzaak en kon zij later gemakkelijker als natuurgebied worden beschouwd.

112. Eikenhakhout als landbouwproduct

Ook bos werd in de negentiende eeuw steeds nadrukkelijker als landbouwkundige investering behandeld. Eikenhakhout kon cyclisch worden gekapt. Het hout diende als brandstof, palen en afrasteringsmateriaal; de bast had waarde vanwege de tannine voor leerlooierijen. Backers berekeningen uit 1838 tonen hoe aantrekkelijk men omzetting van heide in hakhout vond. Daarmee veranderde het landschap opnieuw. Waar een herder een open graasgebied zag, zag een landbouwkundige een terrein waarop bomen geplant konden worden die na een aantal jaren geld opleverden. De eeuwenoude tegenstelling tussen open heide en bos was daardoor niet alleen ecologisch. Zij ging over concurrerende vormen van grondgebruik en verschillende verwachtingen van toekomstig rendement.

113. 1880–1882 — militairen op de heide

In de late negentiende eeuw kreeg het gemeenschappelijke landschap opnieuw een gebruiker die weinig met landbouw te maken had: het leger. Rond 1880–1882 speelde de aanleg of het gebruik van militaire schietterreinen op Gooise heide. Voor defensie waren de grote open terreinen aantrekkelijk, maar voor boeren betekenden oefeningen beperkingen van toegang en risico's voor vee. Later zouden militaire verboden kringen ook de zandwinning rond Bussum beïnvloeden. Zo stapelden functies zich op: dezelfde heide kon tegelijk gemeenschappelijk graasland, zandvoorraad, militair oefenterrein, toekomstig bouwterrein en natuurgebied zijn. Vrijwel ieder modern gebruik maakte het oude schaarrecht ingewikkelder, omdat steeds meer partijen aanspraak op dezelfde ruimte kregen.

114. 1900 — een koe kost veertig gulden boete

De handhaving rond vee bleef ook in de moderne tijd streng. In 1900 kreeg Jan Hz. Veerman uit Huizen een boete van ƒ40 wegens het ongeoorloofd laten lopen van één koe. In 1901–1903 werd A. Andriessen uit Bussum geconfronteerd met een tarief van ƒ10 per overtollig schaarbeest per dag. En in 1910 kreeg L. de Graaf uit Blaricum een boete van ƒ5 nadat een koe op 2 augustus had gekalfd en daarmee de geldende regels raakte. Zulke bedragen tonen dat het schaarrecht rond 1900 nog altijd zeer concreet werd gecontroleerd. Achter ieder nummer stond een levend dier en een boerenportemonnee.

115. Brandmerken op de schaardag

In mondelinge herinneringen aan de periode rond 1900 verschijnt de schaardag rond 12 mei als een drukke gebeurtenis. Koeien werden verzameld, naar de toegang tot de meent gebracht en gecontroleerd. Brandijzers werden in een turfvuur verhit en dieren kregen herkenbare tekens. Voor de plaatsen zijn onder andere H voor Huizen, B voor Blaricum, L voor Laren en X voor Hilversum overgeleverd, gecombineerd met nummers. Zo kon een opzichter later zien van wie een dier was en onder welke plaatselijke administratie het liep. Het middeleeuwse abstracte schaarrecht werd daarmee letterlijk in huid gebrand. Bestuur, genealogie en vee kwamen op één koe samen.

116. De meentkoe kende ook honger

Oudere bewoners herinnerden zich de typische meentkoe. De verbeterde meenten van de twintigste eeuw konden uiteindelijk veel meer vee dragen, maar vroeger waren de dieren op schrale grond soms zo hongerig dat zij probeerden hooi van passerende wagens te eten. Dat sluit opvallend aan bij Lustighs veel oudere verhaal over koeien waarvoor hooi naar de gemeente werd gebracht. Dezelfde kwetsbaarheid loopt dus door eeuwen heen. Een recht op gemeenschappelijke weide was economisch waardevol, maar de kwaliteit van die weide bepaalde hoeveel het werkelijk opleverde. Pas drainage, bemesting en modern graslandbeheer veranderden de meent van een onzekere voedselbron in een veel productievere zomerweide.

117. 1910–1911 — niet iedereen betaalde hetzelfde

Ook tarieven veroorzaakten onvrede. Tijmen Krijnen protesteerde in 1910–1911 tegen verschillen bij de Hilversumse Bovenmeent. Naarders zouden voor hun eerste vier koeien ƒ15 betalen, terwijl Bussumers onder bepaalde omstandigheden op ƒ10 uitkwamen. Uiteindelijk werd gewerkt met uniformere bedragen van ongeveer ƒ10 per koe en ƒ15 per paard. Zulke conflicten tonen waarom de organisatie voortdurend onder druk stond. De grond was gezamenlijk, maar woonplaats, historische regeling en plaatselijke administratie konden bepalen hoeveel iemand betaalde. Voor boeren die ieder dubbeltje nodig hadden, was een tariefverschil geen bestuurlijk detail. Het bepaalde rechtstreeks de kosten van hun bedrijf en daarmee hun inkomen.

118. 1912 — een weduwe en haar zoons

De Erfgooierswet van 1912 probeerde ook familiale uitzonderingen te formaliseren. Onder voorwaarden konden een weduwe en wettige minderjarige zoons binnen het systeem een bijzondere positie behouden. Daarmee werd een praktijk die eeuwen eerder al rond onverdeelde boedels zichtbaar was, in moderne wetgeving opnieuw geregeld. Toch bleef de fundamentele structuur mannelijk. Dochters droegen het lidmaatschap niet op dezelfde wijze door. Dat verklaart waarom twintigste-eeuwse genealogische onderzoeken soms grote families uitsloten terwijl een nabije mannelijke zijtak wel werd erkend. Voor het dagelijks leven betekende overlijden van een boer dus niet alleen verdriet en een bedrijfsprobleem, maar mogelijk ook onzekerheid over toegang tot de gemeenschappelijke weide.

119. 1917 — natuur verdwijnt onder goed gras

Vanaf 1917 werden delen van de meenten steeds intensiever geëgaliseerd, ontwaterd en bemest. De productie steeg, maar de oude natuurlijke graslanden veranderden sterk. De Vrankrijker wees later op het verdwijnen van planten die bij de vroegere natte en voedselarme omstandigheden hoorden. Dat maakt de geschiedenis dubbelzinnig. Modernisering redde het boerengebruik doordat meer vee kon worden gehouden, maar vernietigde tegelijkertijd een deel van het landschap dat eeuwenlang onder het oude schaarregime was ontstaan. De tegenstelling landbouw versus natuur die in de jaren twintig scherp werd, was dus mede door Stad en Lande zelf gecreëerd: beter boeren betekende een minder natuurlijk meentlandschap.

120. Eieren zoeken op gemeenschappelijke grond

De twintigste-eeuwse administratie van Stad en Lande bevat naast grote categorieën als vee, zandwinning en wegen zelfs een afzonderlijke categorie “eieren zoeken”. Dat is een prachtig spoor van kleinschalig gebruik. De tot nu toe geraadpleegde inventarisbeschrijvingen bewijzen dat hierover dossiers bestonden, maar leveren nog niet voldoende concrete namen en gebeurtenissen om afzonderlijke gevallen betrouwbaar te reconstrueren. Toch hoort het onderwerp in het verhaal, juist omdat het laat zien hoe breed het toezicht was geworden. De organisatie bemoeide zich niet alleen met koeien en grondverkopen, maar ook met mensen die op heide en grasland vogelnesten zochten en eieren verzamelden.

121. 1926 — verkoop én winst voor de leden

In 1926 werd geprobeerd de botsing tussen natuurbescherming, gemeentelijke belangen en financiële wensen van de Erfgooiers te verzachten. Een regeling voorzag volgens de onderzochte stukken in een constructie waarbij de leden konden profiteren van ongeveer 20 procent van bepaalde grondverkoopopbrengsten en 75 procent van de jaarlijkse nettowinst. Daarmee werd het oude collectieve recht steeds duidelijker financieel vertaald. Een niet-scharende Erfgooier hoefde geen koe meer te bezitten om economisch belang bij de organisatie te hebben. Juist dat maakte verkoop aantrekkelijk. Voor de boer betekende grond gras; voor de niet-boer betekende dezelfde hectare steeds vaker kapitaal. Die tegenstelling zou de uiteindelijke ontbinding versnellen.

122. Natuurbehoud was niet alleen idealisme

De oprichting van het Goois Natuurreservaat moet niet uitsluitend als overwinning van vroege natuurbeschermers worden verteld. Ook economische en stedelijke belangen speelden mee. Het Gooi werd in de pers de “Tuin van Amsterdam” genoemd. Een aantrekkelijk groen landschap verhoogde de woonkwaliteit voor forensen en welgestelde nieuwe inwoners. Amsterdam had bovendien belang bij recreatiemogelijkheden voor zijn bevolking. Gemeenten wilden voorkomen dat ongecontroleerde bebouwing het hele gebied opslokte. Natuurbescherming, woningbouw, recreatie en grondwaarde waren daardoor nauw met elkaar verbonden. Het bijzondere is dat juist een eeuwenoud boerenlandschap uiteindelijk werd beschermd als “natuur”, nadat het traditionele landbouwgebruik dat landschap eeuwenlang had gevormd.

123. De laatste Erfgooier was niet noodzakelijk boer

Tegen het einde bestond de organisatie uit duizenden gerechtigden van wie velen nooit meer een koe op de meent hadden gehad. Zij konden winkelier, arbeider, ambtenaar of elders werkzaam zijn en toch via hun mannelijke afstamming op de ledenlijst staan. Daarmee was het woord Erfgooier ver verwijderd geraakt van de middeleeuwse gebruiker die voor zijn dagelijkse bestaan koeien, schapen, hout en plaggen nodig had. Juist die ontwikkeling verklaart de ontbinding. De juridische gemeenschap groeide terwijl de agrarische gebruikersgroep kromp. Uiteindelijk kon een meerderheid financieel belang hebben bij verkoop, terwijl een kleine groep boeren de grond daadwerkelijk nodig had. Het recht had zijn oorspronkelijke economische basis overleefd.

124. Wat werkelijk duizend jaar bleef

Niet één vereniging, één wet of één onveranderd recht bestond duizend jaar. Wat werkelijk langdurig bleef, was de strijd om toegang tot hetzelfde landschap. Eerst ging het om wie hout mocht hakken, varkens mocht akeren, schapen mocht hoeden en koeien mocht scharen. Daarna kwamen turf, plaggen, zand, wegen, buitenplaatsen en ontginningen. Vervolgens volgden spoorwegen, militairen, villabouwers, natuurbeschermers en recreanten. Iedere generatie moest opnieuw bepalen wie iets uit het Gooise landschap mocht halen en wie daarover besliste. Daardoor is de geschiedenis van de Erfgooiers uiteindelijk groter dan een geschiedenis van grondbezit: zij gaat over de voortdurende onderhandeling tussen gemeenschap, individu, overheid, economie en landschap.

Ja. Er ontbreken nog enkele lagen die in het hoofdverhaal óf te kort zijn gebleven óf helemaal zijn weggevallen. Vooral Naarden en de kerkelijke wereld, de precieze grenzen en banscheidingen, vrouwen en weduwen, de concrete jaarlijkse schaardag, het bestuur op dorpsniveau, de jachtstrijd, de natuurbescherming vóór 1932 en het materiële erfgoed na 1979 verdienen aanvulling. Ook de sociale betekenis van schaarrecht voor mensen die géén grote boeren waren kan sterker. Hieronder staan die aanvullingen chronologisch, zodat ze later zonder inkorting tussen de bestaande 85 delen kunnen worden geplaatst.

Aanvullend verhaal — ontbrekende lagen in de geschiedenis van de Erfgooiers

A1. Omstreeks 900 — Naruthi en de vroege kerk

Bij de Grote Kerk van Naarden wordt een stenen tafelblad bewaard dat tijdens restauratiewerk in de twintigste eeuw werd gevonden. Het wordt verbonden met een kerkelijke voorganger die omstreeks 900 kan hebben bestaan. Dat brengt een belangrijke laag in het verhaal: lang voordat er schaarbrieven waren, werd het landschap ook kerkelijk georganiseerd. De latere Sint-Vitusverering in Gooiland wordt bovendien in verband gebracht met het stift Elten, waar Sint-Vitus eveneens belangrijk was. Dat bewijst niet dat iedere Gooise kerk rechtstreeks vanuit Elten werd gesticht, maar het laat zien dat landbouw, territoriale macht en kerkelijke organisatie in het vroege Nardinclant niet afzonderlijk van elkaar kunnen worden begrepen.

A2. 968–1280 — de koptienden aan Elten

Elten bezat niet alleen een abstracte herinnering aan Nardinclant. In de latere rechtsverhoudingen speelden de zogenaamde koptienden een rol: opbrengsten die samenhingen met landbouw en hooiland. Daarmee komt de economie achter de middeleeuwse rechten beter in beeld. Een boer werkte zijn eigen akker of hooide land, maar een deel van de opbrengst kon binnen een veel groter stelsel van heerlijke en kerkelijke aanspraken vallen. De geschiedenis vóór 1280 moet daarom niet worden voorgesteld alsof vrije Gooise boeren gezamenlijk alle grond bezaten. Verschillende rechten lagen over hetzelfde landschap heen: boeren gebruikten het, Elten bezat aanspraken en later trad de graaf van Holland als belangrijke landsheer op.

A3. 1350 — Oud-Naarden wordt verwoest

Een dramatische gebeurtenis die in het hoofdverhaal nauwelijks ruimte kreeg, is de ondergang van Oud-Naarden. De traditionele datering is 15 mei 1350, tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De precieze chronologie van verwoesting, toestemming tot herbouw en de daadwerkelijke stichting van het nieuwe Naarden vraagt bronkritische voorzichtigheid; ook 1355 speelt daarin een belangrijke rol. Het oude Naarden lag dichter bij de Zuiderzee en verdween uiteindelijk grotendeels uit het landschap. Het nieuwe Naarden werd op een strategischer plaats aangelegd. Dat is voor de Erfgooiers belangrijk: hun bestuurlijke hoofdstad was zelf het product van oorlog, verplaatsing en landsheerlijke planning.

A4. Veertiende eeuw — Naarden wordt de stad van de dorpen

Na de verplaatsing groeide Naarden uit tot de stedelijke toegangspoort van Gooiland. De omliggende plaatsen bleven dorpen, terwijl Naarden stedelijke instellingen, bestuurders en rechtspraak bezat. Daardoor ontstond een merkwaardige verhouding. De stad vertegenwoordigde Gooiland tegenover hogere machten, maar had tegelijkertijd eigen stedelijke belangen. Dat verklaart veel latere ruzies. Wanneer Naarden nieuwe poorters wilde toelaten of meer veeplaatsen wenste, konden Laren, Hilversum, Huizen en Blaricum vrezen dat hun aandeel in de gemeenschappelijke grond kleiner werd. De tegenstelling stad tegenover land zat dus letterlijk in de naam Stad en Lande. Samen hadden zij buitenstaanders nodig om af te weren; onderling streden zij om de verdeling.

A5. Vijftiende eeuw — grenzen bestonden ook uit herkenningspunten

De Gooise grens was niet alleen een lijn op een kaart. Bewoners herkenden hun territorium aan wegen, sloten, heuvels, waterlopen, bomen en andere punten in het landschap. Later verschenen grensstenen en banscheidingen. Zulke grenzen hadden directe economische betekenis. Een koe die enkele honderden meters verkeerd graasde, turf die aan de verkeerde kant van een grens werd gestoken of hout dat buiten het toegestane gebied werd gekapt kon een juridisch conflict veroorzaken. Daardoor moesten boeren het landschap bijna als een levende kaart kennen. De latere Leeuwenpalen en andere grensmarkeringen zijn materiële overblijfselen van een tijd waarin territoriale kennis onderdeel van het dagelijkse boerenbestaan was.

A6. 1469 — een jongen uit Naarden reist naar Rome

Een bijzonder archiefspoor uit 1469 vermeldt een jongen uit Naarden die naar Rome reisde. De precieze naam en aanleiding moeten nog uit het oorspronkelijke archiefstuk worden vastgesteld en mogen daarom niet worden ingevuld. Toch is het spoor belangrijk. Het herinnert eraan dat het vijftiende-eeuwse Gooiland geen afgesloten boerenwereld was. Vanuit Naarden liepen verbindingen naar Utrecht, Amsterdam, Hollandse bestuurscentra en zelfs naar Rome. Dezelfde mensen die koeien op gemeenschappelijke gronden hielden, leefden binnen een internationale katholieke kerk. Pelgrimage, kerkelijke rechtspraak en religieuze netwerken bestonden naast schaarrecht, turfwinning en grensruzies. Die kerkelijke wereld moet naast de agrarische wereld zichtbaar blijven.

A7. 1479 — de Grote Kerk als katholiek middelpunt

De huidige Grote Kerk van Naarden werd in 1479 als katholieke kerk gewijd en was aan Sint-Vitus verbonden. Voor de Reformatie bevatte zij talrijke altaren, beelden en gekleurde beschilderingen. Daardoor was de kerk niet alleen een plaats voor de mis. Hier kwamen stedelingen, boeren, bestuurders, ambachtslieden en mensen uit de omgeving samen. Eeuwen later zouden de Erfgooiers juist deze ruimte gebruiken voor hun grote politieke vergaderingen van 1811, 1900 en uiteindelijk de laatste bijeenkomst. Dat geeft de kerk een uitzonderlijke continuïteit: eerst centrum van katholiek gemeenschapsleven, later protestantse kerk en uiteindelijk een symbolische vergaderplaats waar over het voortbestaan van de gemeenschappelijke Gooise gronden werd beslist.

A8. 1518–1531 — boven de Gooiers ontstaat een beschilderde hemel

In 1518 werd begonnen aan het beroemde beschilderde houten tongewelf van de Grote Kerk. In 1531 kwam daar het koorhek bij. Terwijl buiten Naarden processen over schapen, turf en bos woedden, leefden de bewoners dus tegelijkertijd in een rijke religieuze beeldwereld. Dit voorkomt dat de Erfgooiersgeschiedenis te economisch wordt. Dezelfde Hilversummer of Laarder die op de heide schapen hield kon in Naarden naar een kerk komen waarin Bijbelse voorstellingen boven zijn hoofd waren geschilderd. Gemeenschappelijk grondgebruik, religie, feestdagen en recht waren onderdelen van één samenleving. Zelfs Sint-Gertrudisdag, waarop de scharing werd bepaald, laat zien hoe agrarische kalender en christelijke kalender in elkaar grepen.

A9. 17 maart — Sint-Gertrudisdag als jaarlijks ritme

De jaarlijkse scharing verdient meer aandacht dan één bestuurlijke vermelding. Rond 17 maart, Sint-Gertrudisdag, moesten schaarmeesters bepalen hoeveel vee de gemeenschappelijke gronden konden dragen. Dat betekende dat het voorjaar niet alleen door weer en grasgroei werd bepaald, maar ook door een bestuurlijk ritueel. Boeren moesten weten hoeveel dieren zij mochten brengen. Vee moest worden gecontroleerd en herkenbaar zijn; schaargeld en overtredingen konden tot discussie leiden. Voor een boerengezin kon de beslissing rechtstreeks bepalen hoeveel melkvee het dat seizoen kon houden. De schaardag verbond daarom kalender, bestuur en landbouw. Rond 1900 werd juist dit eeuwenoude ritueel een toneel van politieke confrontatie.

A10. Zeventiende en achttiende eeuw — de meentmeester kende het vee

De controle hield niet op nadat een schaar was vastgesteld. Schaar- en meentmeesters moesten weten welke dieren rechtmatig op de gronden liepen. Merken, lijsten en plaatselijke kennis hielpen daarbij. Een onbekende koe was niet zomaar een koe: zij kon betekenen dat iemand zonder recht gebruikmaakte van gras dat voor gerechtigden was bestemd. Daaruit ontstond een praktische toezichtscultuur. Herders, boeren en opzichters zagen elkaar regelmatig buiten op het land. Een overtreding was daardoor moeilijk volledig anoniem te houden. Eeuwen later zou Wilhelmus de Gooijer, geboren in Naarden in 1886, nog als veehouder, melkventer én meentopzichter optreden. Het oude toezicht bleef tot in de moderne tijd herkenbaar.

A11. Zeventiende eeuw — vrouwen werkten mee maar erfden anders

Het verhaal draait juridisch sterk om mannen omdat het Erfgooierschap uiteindelijk via de mannelijke lijn werd doorgegeven. Dat betekent niet dat vrouwen buiten de agrarische gemeenschap stonden. Boerderijen waren huishoudelijke bedrijven waarin vrouwen melkten, zuivel verwerkten, vee verzorgden, verkochten, huishoudens bestuurden en bij overlijden van een echtgenoot soms het bedrijf voortzetten. Weduwen konden daarom een bijzondere positie krijgen. De latere Erfgooierswet erkende onder voorwaarden zelfs expliciet bepaalde rechten van weduwen. Het verschil is essentieel: vrouwen konden economisch volledig onderdeel van het boerenbedrijf zijn zonder dezelfde erfelijke juridische positie te bezitten. De mannelijke genealogie vertelt dus slechts één gedeelte van de sociale werkelijkheid.

A12. 1708 — de lijst sloot mensen ook uit

De lijst van 1708 wordt vaak gepresenteerd als bewijs van wie Erfgooier was. Maar iedere lijst heeft een keerzijde: mensen die er niet op stonden. Wonen in Gooiland was niet automatisch voldoende. Ook het kopen van een huis of boerderij gaf niet vanzelf recht op de gemeenschappelijke gronden. Dat maakte Erfgooierschap tot een vorm van economische uitsluiting. Een nieuwkomer kon naast een gerechtigde boer wonen, hetzelfde beroep uitoefenen en toch geen gelijke toegang tot de meent hebben. Daardoor had het systeem twee gezichten. Voor insiders beschermde het bestaansmiddelen tegen overbelasting en buitenstaanders. Voor outsiders vormde het juist een gesloten privilege. Die spanning hoort bij een complete beoordeling van de Erfgooiers.

A13. Achttiende eeuw — de jaarlijkse vergadering in Naarden

Een achttiende-eeuwse beschrijving geeft een concreter beeld van het bestuur. Jaarlijks werd in Naarden een vergadering van Stad en Lande gehouden waarbij bestuurders van Naarden en vertegenwoordigers uit de dorpen betrokken waren. Schaarmeesters werden beëdigd en de belangen van de gemeenschappelijke gronden besproken. Daarmee was Stad en Lande veel meer dan een losse traditie. Er bestond een bestuurlijke routine van vergaderen, besluiten, controleren en administreren. Vertegenwoordigers moesten vanuit de dorpen naar Naarden reizen, stukken werden meegenomen en besluiten gingen daarna weer terug naar de lokale praktijk. Zo verbond één instelling verschillende gemeenschappen die onderling geregeld ruzie maakten, maar tegelijkertijd afhankelijk bleven van dezelfde meenten, heiden en oude rechten.

A14. Achttiende eeuw — niet iedere gerechtigde was boer

De verhouding uit 1708 — 464 scharenden tegenover 624 niet-scharenden — moet door het hele verhaal worden meegenomen. Erfgooier worden betekende niet dat iemand automatisch een groot boerenbedrijf bezat. Vissers, ambachtslieden en andere mannen konden eveneens tot een gerechtigde familie behoren. Voor sommigen bleef het recht latent. Dat verklaart waarom genealogische aanspraken later zo belangrijk werden. Een familie kon generaties nauwelijks gebruikmaken van de meent en toch onthouden dat zij uit een gerechtigde lijn stamde. Zodra iemand weer binnen het juiste gebied ging wonen of een landbouwbedrijf begon, kon dat oude recht opnieuw interessant worden. Het Erfgooierschap was daardoor tegelijk economisch gebruiksrecht, familie-erfenis en sociale identiteit.

A15. 1788–1899 — van konijnenschade naar Harmen Vos

De hazenkwestie van Harmen Vos krijgt meer betekenis wanneer zij wordt verbonden met de achttiende-eeuwse jachtstrijd. Boeren hadden al eerder geklaagd dat wild hun gewassen beschadigde terwijl zij zelf beperkt waren in de bestrijding ervan. Het afgewezen verzoek van 11 april 1788 toont dat deze spanning oud was. Na de revolutionaire veranderingen rond 1795 veranderden jachtrechten, maar in de negentiende eeuw bleef de vraag bestaan wie op de gemeenschappelijke gronden mocht jagen. Toen Stad en Lande de jacht uiteindelijk aan het Kroondomein verpachtte en Harmen Vos toch bleef jagen, stond achter zijn haas dus meer dan een persoonlijke provocatie: een eeuwenoud conflict tussen grondgebruik en exclusief jachtrecht.

A16. Negentiende eeuw — de moderne gemeente wordt een concurrent

Na 1836 ontstond nog een nieuwe machtslaag: de moderne gemeente. Gemeentebesturen hadden wegen, woningen, voorzieningen en bouwgrond nodig. Stad en Lande bezat tegelijkertijd terreinen die vanuit gemeentelijk perspectief aantrekkelijk waren voor uitbreiding. Daarmee konden mensen die in hetzelfde dorp woonden twee verschillende belangen vertegenwoordigen. Als gemeenteraadslid kon iemand uitbreiding willen; als Erfgooier kon hij dezelfde grond liever gemeenschappelijk houden of verkopen ten bate van gerechtigden. Rond 1900 werd deze vermenging explosief, omdat sommige lokale bestuurders door de Nieuwe Partij als bondgenoten van het oude Stad-en-Landebestuur werden gezien. Het Erfgooiersconflict was daardoor niet alleen agrarisch, maar steeds meer een botsing tussen oude corporatieve rechten en moderne gemeentelijke democratie.

A17. 1874–1914 — villa's veranderen niet alleen de grondprijs

De spoorweg bracht meer dan stijgende grondprijzen. Nieuwe bewoners kwamen naar Bussum, Hilversum, Laren en andere plaatsen zonder onderdeel te zijn van de oude gerechtigde gemeenschap. Zij kochten villa's, namen deel aan gemeentelijke politiek en keken anders naar het landschap. Heide kon voor hen aantrekkelijk zijn vanwege uitzicht, wandelen en schoonheid. De Erfgooier zag dezelfde grond mogelijk als schapenweide of gemeenschappelijk vermogen. Daardoor kwamen verschillende culturen naast elkaar te wonen. De oude bevolking kon ervaren dat mensen zonder Erfgooiersrecht via gemeenteraad en moderne overheid toch invloed kregen op het land dat eeuwen door gerechtigden was beheerd. Dat voedde het wantrouwen waaruit de Nieuwe Partij rond 1900 kracht putte.

A18. 1900–1912 — twee besturen claimen dezelfde traditie

Na de bijeenkomst van 4 april 1900 ontstond niet eenvoudig een strijd tussen vernieuwers en tegenstanders van traditie. Beide kampen beweerden juist de echte oude rechten te verdedigen. Het bestaande bestuur beriep zich op bestuurlijke continuïteit; Floris Vos en zijn medestanders vonden dat dit bestuur zich van de werkelijke gerechtigden had verwijderd. Daardoor ontstond een bijna constitutionele crisis. Wie mocht schaargeld innen? Wie benoemde meentmeesters? Wie mocht vee verwijderen? Welke vergadering vertegenwoordigde de Erfgooiers? De koeienguerrilla was daarom de zichtbare buitenkant van een diepere vraag. De gemeenschap had eeuwenlang haar identiteit ontleend aan zelfbestuur, maar kon nu niet meer overeenkomen wie bevoegd was dat zelfbestuur uit te oefenen.

A19. 1912 — de wet beperkte óók de vrijheid

De Erfgooierswet wordt terecht als overwinning van de continuïteit gezien, maar zij had een andere kant. De rijksoverheid legde nu nauwkeurig vast wie lid was, hoe het bestuur werd samengesteld en wat met de gronden mocht gebeuren. Besluiten konden afhankelijk worden van goedkeuring door hogere overheden. Daarmee werd een gemeenschap die eeuwenlang grotendeels vanuit gewoonterecht en eigen regelingen had gefunctioneerd onderdeel van het moderne staatsrecht. De wet redde Stad en Lande, maar maakte de vereniging tegelijkertijd minder autonoom. Dat verklaart waarom latere leden niet eenvoudig konden besluiten de grond te verkopen en het geld te verdelen. Wettelijke bescherming betekende ook wettelijke begrenzing van de beschikkingsmacht van de Erfgooiers zelf.

A20. 1914–1930 — natuur wordt een vierde belang

Al vóór de uiteindelijke verkoop aan het Goois Natuurreservaat ontstond bezorgdheid over het verdwijnen van bos en heide. Rond 1914 werd natuurbescherming al besproken. Na de Eerste Wereldoorlog kocht onder meer Hilversum terreinen om wandelbossen te behouden. In de jaren twintig ontstonden commissies die naar landschapsschoon en bebouwingsbeperkingen keken. Daardoor waren er uiteindelijk niet drie maar vier belangen: scharende boeren, niet-scharende gerechtigden, groeiende gemeenten én natuurbeschermers. Dezelfde heide kon voor ieder iets anders betekenen: voergebied, geld, bouwgrond of natuur. De oplossing van 1932 was daarom niet vanzelfsprekend. Zij was het resultaat van jaren onderhandelen over vier concurrerende toekomstbeelden van hetzelfde landschap.

A21. 1930 — eerst werd een andere natuurregeling afgewezen

De verkoop van 1932 kwam niet uit het niets. In 1930 lag al een voorstel op tafel waarbij ongeveer 1.500 hectare gedurende 75 jaar beschermd zou worden tegen een jaarlijkse vergoeding van ongeveer ƒ60.000. Die constructie werd niet definitief aanvaard. Dat detail is belangrijk omdat het laat zien hoe moeilijk het was om natuurwaarde in een financieel en juridisch model te vangen. Moest Stad en Lande eigenaar blijven en jaarlijks worden betaald? Moest de grond definitief worden verkocht? Hoeveel kregen de gerechtigden en hoeveel zeggenschap behielden de boeren? Pas na wijziging van de Erfgooierswet in 1932 werd een structurelere oplossing mogelijk. Natuurbescherming was dus onderhandelde economie, niet alleen idealisme.

A22. Jaren twintig en dertig — Macht door Recht

De organisatie Macht door Recht verdient een duidelijker plaats in het verhaal. Niet-scharende Erfgooiers voelden zich achtergesteld tegenover de relatief kleine groep boeren die daadwerkelijk van de meenten profiteerde. Zij konden tijdens vergaderingen tegen jaarrekeningen stemmen, verlangden presentiegeld en drongen aan op financiële voordelen voor alle leden. Hogere overheden konden besluiten echter alsnog goedkeuren, waardoor dergelijke proteststemmen soms weinig praktisch effect hadden. De naam Macht door Recht vat hun positie goed samen: ook zij beriepen zich op het historische Erfgooierschap. Het conflict was daardoor niet tussen Erfgooiers en buitenstaanders, maar tussen twee verschillende interpretaties van wat een geërfd gemeenschappelijk recht in de moderne tijd behoorde op te leveren.

A23. Jaren dertig — het kampenplan

Voor de boeren werd ondertussen gezocht naar modernisering. Een kampenplan moest het gemeenschappelijke weidesysteem praktischer maken. In plaats van vee van verschillende eigenaren door elkaar op dezelfde meent te laten lopen, zouden boeren meer afzonderlijke weidepercelen kunnen gebruiken. Dat leek op moderne landinrichting en kon ziektebestrijding, bemesting en bedrijfsvoering vereenvoudigen. Het plan werd niet in de gewenste vorm uitgevoerd, maar is historisch belangrijk. Het toont dat scharende Erfgooiers niet uitsluitend oude gewoonten wilden conserveren. Zij konden juist bereid zijn de middeleeuws gegroeide gebruiksvorm ingrijpend te veranderen wanneer hun boerenbedrijf daarvan profiteerde. Traditie en modernisering stonden binnen Stad en Lande dus niet altijd tegenover elkaar.

A24. 1940–1945 — oorlog veranderde ook het boerenbedrijf

De grasdrogerij van 1940 opent een grotere oorlogsgeschiedenis. Tijdens bezetting en schaarste werd voedselproductie belangrijker, terwijl vervoer, brandstof, kunstmest en veevoer problematisch konden worden. Stad en Lande moest binnen die omstandigheden zijn agrarische taak blijven uitvoeren. De merkwaardige combinatie van het telegram van 10 mei 1940 en de feestelijke opening van de grasdrogerij in juli toont hoe snel oorlog en dagelijks bestuur naast elkaar gingen bestaan. Voor een scharende boer verdwenen koeien, gras en wintervoer niet omdat Nederland bezet was. Een complete Erfgooiersgeschiedenis moet daarom ook laten zien hoe een eeuwenoude grondgemeenschap zich tijdens de bezetting als praktische landbouworganisatie probeerde staande te houden.

A25. Na 1945 — het einde kwam ook door verdwijnen van het boerenland

De liquidatie kan niet uitsluitend worden verklaard uit hebzucht naar grondgeld. Het Gooise boerenland zelf veranderde. Engen verdwenen onder bebouwing, dorpen groeiden aan elkaar en nieuwe infrastructuur doorsneed het landschap. Een boer had steeds moeilijker voldoende grond, stallen en bedrijfsruimte binnen een verstedelijkende omgeving. Tegelijkertijd konden kinderen uit Erfgooiersfamilies voor beroepen buiten de landbouw kiezen. Daardoor nam het aantal scharenden vanzelf af. De verhouding van ongeveer 150 scharenden tegenover duizenden niet-scharenden rond 1971 was dus ook het gevolg van een bredere maatschappelijke transformatie. De agrarische samenleving die het Erfgooiersrecht had voortgebracht verdween sneller dan het erfelijke recht zelf.

A26. 1971–1979 — liquidatie betekende jaren afwikkelen

De stemming van 1971 maakte het einde waarschijnlijk, maar Stad en Lande kon niet onmiddellijk worden opgeheven. Gronden, rechten, financiële verplichtingen en belangen van boeren moesten worden afgewikkeld. Daarom liggen 1971, 1977 en 1979 naast elkaar zonder elkaar tegen te spreken. In 1971 koos de meerderheid voor liquidatie. In 1977 vond de laatste vergadering in de Grote Kerk plaats. Op 28 april 1979 werd de liquidatie voltooid. Deze lange afwikkeling past eigenlijk perfect bij de geschiedenis van de Erfgooiers. Een instelling die gedurende eeuwen rechten had opgebouwd kon niet met één stemming verdwijnen. Zelfs haar einde moest via vergaderingen, administratie, juridische handelingen en verdeling van belangen worden georganiseerd.

A27. Na 1979 — het Erfgooierschap werd familiegeschiedenis

Na de liquidatie bestond geen actief Erfgooiersrecht meer zoals daarvoor. Toch verdween de identiteit niet. Families bleven weten dat vader, grootvader of verdere voorouders op de lijsten hadden gestaan. Genealogen konden de mannelijke lijnen terugzoeken naar de lijst van 1708 en oudere Gooise families. Daardoor veranderde het Erfgooierschap opnieuw van betekenis. Eerst was het gebruiksrecht, vervolgens lidmaatschap en vermogensrecht, en na 1979 vooral historische en genealogische identiteit. Mensen hoefden geen koe meer te bezitten om belangstelling voor hun Erfgooiersafkomst te hebben. De oude lijsten, die ooit bedoeld waren om daadwerkelijk gebruik van schaargrond te regelen, werden bronnen waarmee nakomelingen eeuwen later hun familiegeschiedenis reconstrueren.

A28. Na 1979 — de grenzen bleven zichtbaar

Ook zonder Stad en Lande bleven onderdelen van de oude ruimtelijke ordening herkenbaar. Banscheidingen, grensstenen, Leeuwenpalen, oude engen, meenten, leemkuilen, eikenhakhout en heidevelden bewaren verschillende lagen van het gemeenschappelijke gebruik. Sommige grenzen die ooit tot ruzies tussen Holland en Utrecht of tussen Gooise dorpen leidden, zijn nog in het huidige landschap te volgen. Zulke elementen verdienen in het verhaal dezelfde aandacht als officiële documenten. Een schaarbrief vertelt welke regel gold; een oude grenspaal laat zien waar mensen die regel buiten moesten toepassen. De Erfgooiers hebben daarom zowel een papieren archief als een landschappelijk archief achtergelaten.

A29. De schaapskudde is levend erfgoed

Ook de huidige schaapskuddes op de Gooise heide hebben een historische betekenis, al mogen zij niet eenvoudig als ononderbroken middeleeuwse traditie worden voorgesteld. Schapen houden de heide open en herinneren daardoor aan een gebruik dat eeuwenlang vooral voor Laren en Hilversum economisch belangrijk was. Het landschap dat tegenwoordig als natuur wordt gewaardeerd, werd mede gevormd door begrazing, plaggensteken en menselijke ingrepen. Zonder gebruik zou heide op veel plaatsen uiteindelijk verbossen. Daardoor ontstaat een mooie historische omkering: activiteiten die ooit noodzakelijk waren voor het boerenbedrijf worden tegenwoordig deels ingezet voor natuurbeheer. De oude gebruiksfunctie is verdwenen, maar bepaalde technieken helpen nu juist het historische cultuurlandschap bewaren.

A30. De belangrijkste correctie — geen duizendjarige onveranderde vereniging

De grootste aanvulling is uiteindelijk een interpretatieve. We moeten niet schrijven dat één vereniging vanaf 968 tot 1979 onveranderd heeft bestaan. In 968 bestonden Eltense rechten; in de veertiende eeuw zien we collectief optreden van Gooise bewoners; vanaf 1404 schaarbrieven; in de zestiende eeuw Lantgoeyers; in de zeventiende eeuw een herkenbare Vergadering van Stad en Lande; rond 1700 Erfgooiers als benaming; na 1836 een veranderde eigendomsverhouding; vanaf 1912 een wettelijk geregelde vereniging. De uitzonderlijke continuïteit bestaat dus juist uit opeenvolgende institutionele veranderingen rondom een blijvende kern van gemeenschappelijk grondgebruik en erfelijke aanspraken.

A31. Wat nog steeds openstaat

Er blijven enkele punten die ik niet als definitief feit in het hoofdverhaal zou invullen voordat de primaire bron is gevonden: de naam van de in 1903 doodgeschoten Erfgooier, de exacte datum en volledige gang van die Blaricumse schietpartij; de jongen die in 1469 vanuit Naarden naar Rome trok; het oorspronkelijke document waarin Erfgooier in 1702 voor het eerst voorkomt; de exacte procesgang van de zaak die in oudere literatuur aan 1474 wordt gekoppeld; en de precieze datering 1898/1899 van Harmen Vos' hazenkwestie. Deze gaten zijn klein in omvang, maar juist belangrijk omdat ze namen en gebeurtenissen persoonlijker kunnen maken.

A32. De diepste laag van het verhaal

Met deze aanvullingen wordt ook duidelijker waarom de Erfgooiersgeschiedenis zoveel groter is dan een verhaal over grondrecht. Het gaat over een samenleving die eeuwenlang moest bepalen wie erbij hoorde en wie niet. Daarachter lagen koeien, schapen, turf, hout, melk, mest, wintervoer, familieafkomst, armoede, kerk, grenzen, processen, geweld, natuur en uiteindelijk geld. Het systeem beschermde kleine en grote gerechtigden tegen ongecontroleerde uitputting, maar sloot tegelijkertijd niet-gerechtigden uit. Het beschermde landschap, maar het Gooierbos ging toch verloren. Het hield eeuwen stand door voortdurend te veranderen. Uiteindelijk verdween niet eerst het recht, maar de agrarische wereld waarvoor dat recht ooit was gemaakt.

1898 — Harmen Vos en één geschoten haas

Op 18 november 1898 schoot Harmen Vos (1844–1919) uit Laren een haas op Gooise grond waarvan de jacht aan de Kroon was verpacht. Dat lijkt een klein incident, maar het raakte precies de kern van de Erfgooierskwestie. Vos was bovendien onbezoldigd veldwachter. Hij kreeg een proces-verbaal wegens stroperij, terwijl hij zelf volhield dat hij als Erfgooier op gemeenschappelijke Gooise grond jaagde en daar dus geen vergunning voor nodig had. Getuigen P. Kaarsgaren, W. Kaarsgaren en J. Kaarsgaren werden gehoord. Vos kreeg aanvankelijk een boete van 25 gulden, maar weigerde zich bij die beslissing neer te leggen.

Harmen Vos tegenover de rechter

Vos ging in hoger beroep en uiteindelijk in cassatie. Daardoor werd een doodgewone haas onderdeel van een ingewikkeld juridisch probleem: van wie waren de Gooise gronden eigenlijk en wie bezat daarop het jachtrecht? De Hoge Raad liep juist tegen die eigendomsvraag aan. In juni 1900 werd een eerdere beslissing vernietigd en moest de zaak opnieuw worden behandeld. Uiteindelijk werd vastgesteld dat hier een burgerrechtelijk geschil achter de strafzaak school. De strafrechtelijke vervolging werd geschorst. Harmen Vos liet zich niet ontmoedigen: kort daarna ging hij opnieuw jagen, ditmaal op patrijzen op de heide bij Huizen.

Plaggen, leem, grind, bomen en jacht

De zaak-Vos werkte als een katalysator. Ontevreden Erfgooiers beschouwden zichzelf als gerechtigden op gronden waarover bestuurders volgens hen ten onrechte beschikten. Daardoor werden regels bewust overtreden. Erfgooiers staken zonder vergunning plaggen, groeven leem en grind, hakten bomen en gingen jagen op de heide. De politie moest geregeld ingrijpen op bevel van de Gooise burgemeesters. Daarmee wordt zichtbaar hoe tastbaar het conflict was. Het ging niet alleen over ingewikkelde eigendomstheorieën uit boeken van Perk, Backer, Rinkel of Molster. Het ging over een man met een geweer, een boer die plaggen nodig had, leem uit de bodem, hout uit het bos en vee dat naar de meent moest.

Floris Vos wordt leider

Uit de onvrede kwam een nieuwe beweging voort. Een centrale figuur werd Floris Vos (1871–1943). Onder zijn leiding organiseerden tegenstanders van het bestaande bestuur zich. De groeiende Gooise dorpen veranderden ondertussen snel door de komst van nieuwe bewoners en de toenemende vraag naar bouwgrond. Veel traditionele Erfgooiers vonden dat hun eeuwenoude belangen steeds minder zwaar wogen tegenover gemeenten, bestuurders en nieuwkomers. Floris Vos gaf dat verzet een politieke en organisatorische vorm. De tegenstelling liep niet eenvoudig tussen Erfgooiers en niet-Erfgooiers: ook onder de Erfgooiers zelf bestond verdeeldheid over de beste koers en over de vraag of verzet hun economische positie niet juist in gevaar zou brengen.

1903 — twee besturen tegenover elkaar

In het najaar van 1903 benoemden ontevreden Erfgooiers een eigen bestuur: het Hoofdbestuur van de gerechtigden tot de gemeene heiden en weiden van Gooiland. Daarmee bestonden feitelijk rivaliserende machtsaanspraken. Niet iedere Erfgooier koos de zijde van de nieuwe beweging. Veel boeren waren volledig afhankelijk van de meenten omdat zij zelf onvoldoende andere weidegrond bezaten. Openlijk verzet kon daarom hun bestaanszekerheid bedreigen. De nieuwe partij adviseerde zulke mensen zelfs hun vee onder protest door de bestaande organisatie te laten branden. Dat brandmerken was praktisch noodzakelijk: de meentmeesters konden daardoor herkennen welk vee met Erfgooiersrecht op de gemeenschappelijke weiden mocht lopen.

De meentmeester en het brandmerk

Het brandmerk brengt ons opnieuw dicht bij het dagelijkse boerenleven. Een Erfgooier kon op papier oude rechten hebben, maar zijn koe moest daadwerkelijk langs de meentmeester voordat zij op de weide terechtkwam. Het gemerkte dier was zichtbaar bewijs dat het mocht worden ingeschaard. Juist daarom konden bestuurlijke conflicten onmiddellijk een boerenerf bereiken. Wie het bestuur niet erkende maar zijn melkvee wel moest voeden, stond voor een praktisch dilemma: meedoen betekende het gezag van het oude bestuur impliciet erkennen; weigeren kon betekenen dat de dieren niet op de meent kwamen. Het Erfgooiersconflict speelde daardoor niet alleen in rechtszalen en vergaderlokalen, maar letterlijk bij hekken, koeien, brandmerken en weidegrond.

1 mei 1903 — het Meenthek van Blaricum

Het ernstigste incident vond plaats in de nacht van 30 april op 1 mei 1903 bij het Meenthek in Blaricum. Twee militairen kregen opdracht de toegang tot de gemeenschappelijke weide te bewaken en zo nodig mensen tegen te houden die niet aan de gestelde voorwaarden hadden voldaan. Kort na middernacht arriveerde een groep van ongeveer zes Erfgooiers uit Laren. Toen hun toegang werd geweigerd, begonnen zij de versperring af te breken. Eerst werden twee waarschuwingsschoten in de lucht gelost. Daarna volgde een derde schot. Dat trof de 22-jarige Hendrik Smit in de borst.

De dood van Hendrik Smit

Hendrik Smit raakte dodelijk gewond. Omwonenden kwamen te hulp, maar hij overleed volgens het bewaarde relaas omstreeks half vier in de ochtend van 1 mei 1903. Een conflict over gemeenschappelijke weidegrond had daarmee een mensenleven geëist. De Erfgooierskwestie werd landelijk nieuws. Smits dood maakte zichtbaar dat een eeuwenoud stelsel inmiddels in een bestuurlijke crisis was beland waarin burgemeesters, militairen, boeren en rivaliserende besturen tegenover elkaar konden komen te staan. Zijn grafsteen werd ontworpen door K.P.C. de Bazel en bleef bewaard. Veel later werd besloten die steen opnieuw in de omgeving van het voormalige Meenthek te plaatsen.

Niet alle Erfgooiers wilden hetzelfde

De gebeurtenissen mogen niet worden voorgesteld als één eensgezinde Erfgooiersopstand. Binnen de gemeenschap bestonden verschillende belangen. Scharende Erfgooiers hadden vee en waren rechtstreeks afhankelijk van voldoende weidegrond. Niet-scharende Erfgooiers konden een heel ander financieel belang krijgen bij verkoop of verdeling van de gemeenschappelijke bezittingen. Daarnaast waren er Erfgooiers die het bestaande bestuur bestreden en anderen die de nieuwe beweging als gevaarlijke onruststoker beschouwden. Een boer die dagelijks van de meent afhankelijk was, kon zich nauwelijks dezelfde risico's veroorloven als iemand die zijn rechten vooral als aandeel in een gemeenschappelijk vermogen zag. Deze interne tegenstelling zou na 1912 steeds belangrijker worden.

1906 — een wettelijke oplossing wordt voorbereid

Na jaren conflicten kwam de gedachte op dat alleen nationale wetgeving nog een oplossing kon bieden. In 1906 ontstond na onderhandelingen een conceptregeling met conceptstatuten. Een essentieel onderdeel daarvan was dat zowel de zes Gooise gemeenten als de oude Vergadering hun aanspraken op eigendom zouden intrekken. De eigendom zou vervolgens worden ondergebracht bij de Erfgooiers in een juridisch georganiseerde vorm. Het bestuur zou vertegenwoordigers van gemeenten én Erfgooiers bevatten. Hiermee werd iets revolutionairs voorbereid: een rechtsstelsel dat eeuwenlang grotendeels door gewoonte, schaarbrieven, reglementen, uitspraken en historische aanspraken had gefunctioneerd, zou worden omgezet in een constructie die rechtstreeks door de Nederlandse wetgever werd geregeld.

Een partij wilde juist verdelen

Tegelijk verscheen een beweging met een heel ander doel: de Vereeniging van erfgooiers tot verdeeling van de Heide en Weide en verdere eigendommen van Stad en Lande van Gooiland. Deze groep wilde niet uitsluitend het bestaande stelsel juridisch repareren, maar zag juist mogelijkheden in verdeling of opheffing. Daarmee verscheen de tegenstelling die de twintigste eeuw zou beheersen. Voor een actieve veehouder was gemeenschappelijke weide een productiemiddel dat behouden moest worden. Voor een niet-scharende Erfgooier kon hetzelfde stuk heide vooral een vermogensbestanddeel vertegenwoordigen waarvan verkoop geld kon opleveren. Het oude gemeenschappelijke bezit had daardoor twee waarden gekregen: agrarische gebruikswaarde en financiële verkoopwaarde.

1907–1908 — Den Haag grijpt in

In 1907 werd de kwestie bij de Tweede Kamer onder de aandacht gebracht. In 1908 kwam de nationale overheid nadrukkelijker in beweging. De minister van Binnenlandse Zaken stelde in juni een commissie in om een wettelijke oplossing voor te bereiden voor de geschillen over eigendom, beheer en bestuur van de gemeene heiden en weiden van Gooiland. Tweede Kamerlid Heemskerk speelde in deze fase een belangrijke rol. Daarmee was de Erfgooierskwestie definitief een nationaal staatsrechtelijk probleem geworden. De Nederlandse overheid moest bepalen hoe een uit de middeleeuwen gegroeid regionaal gewoonterecht in een moderne rechtsstaat kon blijven functioneren.

1910–1912 — het wetsvoorstel

In 1910 lag het wetsvoorstel gereed. De behandeling duurde vervolgens nog twee jaar. Daarbij werd opnieuw duidelijk dat “de Erfgooiers” geen enkelvoudige belangengroep vormden. Vooral de verhouding tussen scharenden en niet-scharenden werd problematisch. De Tweede Kamer nam de regeling aan op 14 maart 1912; de Eerste Kamer volgde op 24 april 1912. De scharende Erfgooiers probeerden zelfs de aanvaarding tegen te houden omdat zij vreesden dat hun traditionele positie door de nieuwe regeling zou worden aangetast. Voorlopig zou de wet hen juist beschermen, maar hun angst was niet geheel ongegrond: het oude gewoonterecht werd voortaan ondergeschikt aan een wettelijk vastgelegde organisatie.

25 april 1912 — de Erfgooierswet

De Erfgooierswet van 25 april 1912, Staatsblad 149, gaf de nieuwe Vereniging Stad en Lande van Gooiland, gevestigd te Naarden, het eigendom van ongeveer 3.260 hectare gemeenschappelijke heiden en weiden. Het doel was in het bijzonder de welvaart van de Erfgooiers te bevorderen, met nadruk op het landbouwbedrijf. De wet trad op 1 juli 1912 in werking. Daarmee werden eeuwenoude schaar- en bosbrieven en opeenvolgende gebruiksregelingen niet eenvoudig vergeten, maar hun juridische functie werd door een moderne wettelijke regeling overgenomen. Het oude Stad en Lande was niet langer alleen een historisch gegroeide vergadering: er stond nu een wettelijk georganiseerde vereniging.

Wie was volgens de wet Erfgooier?

De wet maakte de eeuwenoude vraag naar gerechtigdheid opvallend concreet. Voor het gewone lidmaatschap gold onder meer dat iemand Erfgooier moest zijn door wettige afstamming in de mannelijke lijn van personen die op eerdere lijsten voorkwamen. Hij moest in een van de Gooise gemeenten wonen, meerderjarig en mannelijk zijn. Daarnaast konden gebruikers van hofsteden waaraan vanouds schaarrecht was verbonden onder bepaalde omstandigheden lid worden zonder zelf Erfgooier van afstamming te zijn. Wat Backer, Perk, Rinkel en andere juristen gedurende de negentiende eeuw historisch hadden bediscussieerd, kreeg zo in 1912 een wettelijke definitie.

Wie mocht daadwerkelijk scharen?

Voor scharend lidmaatschap golden aanvullende voorwaarden. De betrokkene moest het boerenbedrijf als hoofdbedrijf uitoefenen, gehuwd zijn en in het Gooi beschikken over een eigen of gehuurd erf of stalling waarin hij 's winters regelmatig eigen melkvee of paarden hield. Ook weduwen en wettige minderjarige zoons van achttien jaar en ouder konden onder voorwaarden schaarrecht krijgen. Dat onderscheid is belangrijk. Erfgooier zijn en daadwerkelijk koeien op de meent mogen brengen waren ook na 1912 niet precies hetzelfde. De eeuwenoude tegenstelling tussen afstamming en praktisch boerengebruik bleef daarmee in een moderne vorm bestaan.

Vijftien bestuurders

De nieuwe vereniging kreeg een opmerkelijke bestuursconstructie. Het bestuur bestond uit vijftien leden: zes gekozen door de scharende leden, twee door de niet-scharenden, zes vanuit de gemeenten en één vanuit de Kroon. In de algemene vergadering hadden scharenden en niet-scharenden stemrecht, maar doordat de niet-scharenden talrijker waren, konden zij daar een meerderheid vormen. Om te voorkomen dat de agrarische belangen eenvoudig werden weggestemd, kreeg de vergadering beperkte bevoegdheden en bleef veel feitelijke macht bij het bestuur. In de bestuursstructuur werd dus bewust geprobeerd een evenwicht te creëren tussen boeren, overige Erfgooiers, gemeenten en rijksoverheid.

1913 — van gewoonterecht naar vereniging

Hoewel de wet op 1 juli 1912 inging, kon de nieuwe organisatie niet onmiddellijk normaal functioneren. Het oude bestuur moest eerst worden ontbonden. De nieuwe vergadering kwam pas in december 1913 bijeen. Op 14 januari 1913 werd ondertussen bekendgemaakt dat de ledenlijst volgens de nieuwe wet ter inzage lag. Vanaf nu was gerechtigdheid niet alleen iets dat door familieoverlevering, plaatselijke bekendheid of oude lijsten werd bepaald: het bestuur moest jaarlijks officieel vaststellen wie lid was. Een systeem dat eeuwenlang sterk op lokale gemeenschap en gewoonte had gerust, werd daarmee steeds bureaucratischer: namenlijsten, statuten, reglementen, bestuursfuncties, rekeningen en formele vergaderingen bepaalden voortaan mede het Erfgooierschap.

1914 — vergaderen in de Grote Kerk

Op 23 april 1914 werd om tien uur 's morgens in de Grote Kerk van Naarden de eerste gewone jaarlijkse algemene vergadering aangekondigd. Dat beeld is veelzeggend. De afstammelingen van een eeuwenoude Gooise gebruiksgemeenschap kwamen nu onder een nationale wet bijeen om hun gezamenlijke bezit te besturen. Uit dezelfde periode zijn afzonderlijke reglementen bewaard, waaronder een reglement over verlies van lidmaatschap uit 1914 en een reglement betreffende bestuursfuncties uit 1915. Daarmee kreeg de organisatie een steeds uitgebreidere geschreven bestuursstructuur. De middeleeuwse schaarbrief had plaatsgemaakt voor een vereniging met formele leden, bestuurders, reglementen en wettelijk omschreven bevoegdheden.

Emil Luden en de slechte meenten

Een van de centrale figuren in de nieuwe periode was bestuursvoorzitter Emil Luden. Toen de vereniging begon, verkeerden verschillende weidegronden in slechte toestand. Zij leverden onvoldoende voedsel voor het vee en verbetering zou veel geld kosten. Onder Ludens leiding werden plannen gemaakt om de meenten landbouwkundig te verbeteren. Daarbij werd ook de deskundigheid van de Nederlandsche Heidemaatschappij ingeschakeld. De meenten werden niet langer alleen beschermd als overgeërfd recht; zij moesten doelmatig worden beheerd als modern landbouwgebied. Luden publiceerde zelf over Stad en Lande en over het Gooi en de Erfgooiers, waardoor hij zowel bestuurder als belangrijke contemporaine bron voor deze moderniseringsfase werd.

Sloten, wegen, hekken en betere weiden

De modernisering veranderde het landschap. Meenten werden aangepakt en verkaveld, sloten gegraven, wegen aangelegd en hekwerken geplaatst. De waterhuishouding van onder andere de Hilversumse Meent werd verbeterd. Hekwerken konden helpen het vee van verschillende boeren beter bijeen te houden. Daarmee veranderde ook het karakter van de eeuwenoude gemeenschappelijke weide. Waar vee vroeger in een veel opener gemeenschappelijk landschap liep, ontstond een rationeler ingericht agrarisch gebied. De Erfgooiersorganisatie was dus niet uitsluitend een conservatieve instelling die een middeleeuws systeem probeerde te bewaren. Na 1912 investeerde zij juist in landbouwkundige modernisering om het gemeenschappelijke boerenbedrijf levensvatbaar te houden.

1918 — Luden legt het systeem uit

In 1918 verschenen ten minste twee belangrijke teksten van Emil Luden: Stad en Lande van Gooiland, als overdruk uit het Tijdschrift der Nederlandsche Heidemaatschappij, en de rede Het Gooi en de Erfgooiers. Die laatste omvatte ongeveer 32 pagina's en een kaart. Deze werken horen bij de primaire twintigste-eeuwse bronnenlaag. Luden schreef immers niet als buitenstaander lang na de gebeurtenissen, maar als een belangrijke bestuurder van de nieuwe vereniging. Zijn publicaties kunnen daarom worden gebruikt om te onderzoeken hoe het bestuur zelf de geschiedenis, landbouwkundige taak en toekomst van de Erfgooiers presenteerde. Ze moeten tegelijkertijd kritisch worden gelezen, juist omdat Luden partij was in het beheer.

Vanaf 1920 — de niet-scharenden willen meer

Vanaf ongeveer 1920 drongen niet-scharende Erfgooiers onder leiding van Floris Vos opnieuw aan op verandering. Er kwam een voorstel om alle leden het recht te geven vee op de meenten te brengen. Wie zelf geen vee had, zou dat recht vervolgens aan boeren kunnen verhuren of verkopen. Daarmee zou het schaarrecht veranderen van een recht dat sterk verbonden was met daadwerkelijk boeren naar een economisch verhandelbaar recht. De actieve veehouders verzetten zich. Zij vreesden hogere lasten en aantasting van hun positie. Het voorstel werd verworpen. De tegenstelling tussen agrarisch gebruik en financiële waarde bleef daarmee onopgelost.

Geld uit grondverkopen

Er werd wel een andere route gevonden. Wanneer grond voor bijvoorbeeld woningbouw werd verkocht, kon een deel van de opbrengst worden belegd en een deel onder de gerechtigden worden uitgekeerd. Daarmee werd de economische betekenis van het Erfgooierschap steeds minder uitsluitend bepaald door hoeveel gras een koe kon eten. Een Erfgooier zonder vee kon nu financieel belang hebben bij grondverkoop. Juist de snelle groei van Hilversum, Bussum en andere Gooise plaatsen maakte grond steeds waardevoller. Het gemeenschappelijke bezit werd daardoor tegelijkertijd landbouwgrond, bouwgrond, natuurgebied en financieel vermogen. Dat maakte de oude tegenstelling tussen scharenden en niet-scharenden uiteindelijk steeds moeilijker te beheersen.

1927 — de Erfgooierskwestie wordt wetenschap

De juridische en historische discussie bleef ondertussen doorgaan. J.Ph. van Erk promoveerde in Leiden in 1927 op Erfgooierskwestie, een studie van ongeveer 92 pagina's plus uitvoerige bijlagen. Daarmee kwam Van Erk terecht in een lange reeks onderzoekers die zich over dezelfde vraag hadden gebogen: Backer, Perk, Rinkel, Molster en later Enklaar en Sebus. Dat er in 1927 nog steeds een academisch proefschrift nodig was over de “Erfgooierskwestie” toont hoe ingewikkeld het onderwerp bleef, zelfs vijftien jaar nadat de wetgever dacht de situatie te hebben geregeld. Het Erfgooiersrecht was inmiddels tegelijkertijd middeleeuwse geschiedenis, privaatrecht, verenigingsrecht, landbouwpolitiek en grondpolitiek geworden.

1931 — Luden kijkt opnieuw naar het Gooi

In 1931 publiceerde Emil Luden opnieuw, nu Het Gooi en de Erfgooiers, een werk van ongeveer 83 pagina's met illustraties en kaart. Deze publicatie is belangrijk omdat zij verscheen vlak voordat een beslissende verandering in het grondbezit plaatsvond. De heidegebieden hadden voor het traditionele boerenbedrijf steeds minder directe betekenis, terwijl onderhoud en beheer geld kostten. Niet-scharenden bleven aandringen op financiële voordelen of gedeeltelijke opheffing. Tegelijk groeide maatschappelijk de wens het karakteristieke Gooise landschap tegen bebouwing te beschermen. Daardoor ontstond een onverwachte verbinding tussen een eeuwenoude boerenorganisatie en de moderne natuurbescherming.

1932 — de wet wordt gewijzigd

De Erfgooierswet werd op 26 mei 1932 gewijzigd, vastgelegd in Staatsblad 217. Deze wijziging maakte een nieuwe regeling van het gemeenschappelijke bezit mogelijk. De Erfgooiersorganisatie onderzocht hoe de belangen van scharenden, niet-scharenden, gemeenten én het algemene belang van het Gooi met elkaar konden worden verzoend. Dat laatste element was nieuw en belangrijk. De Gooise heide was niet langer alleen een economisch hulpmiddel voor gerechtigden of potentiële bouwgrond voor gemeenten. Zij werd steeds meer beschouwd als landschap dat voor de gehele bevolking behouden moest blijven. Zo kwam natuurbescherming naast landbouw en financieel belang te staan.

Het Goois Natuurreservaat

In 1932 werd de Stichting Goois Natuurreservaat opgericht. Daarmee verscheen een partij die grote oppervlakten heide en bos niet wilde aankopen om ze te bebouwen of landbouwkundig te ontginnen, maar juist om ze als natuur- en recreatielandschap te behouden. Dat veranderde de uitkomst van de Erfgooierskwestie ingrijpend. De heide hoefde niet uitsluitend te kiezen tussen gemeenschappelijk boerengebruik en stedelijke bebouwing. Er ontstond een derde mogelijkheid: verkoop waarbij het open landschap behouden bleef. De Erfgooiers werden daarmee, grotendeels door de omstandigheden, een belangrijke schakel in het ontstaan van de moderne Gooise natuurbescherming.

1933 — 1.524 hectare verandert van eigenaar

In 1933 nam het Goois Natuurreservaat ongeveer 1.524 hectare bos en heide van Stad en Lande over. Een andere contemporaine reconstructie rond dezelfde transactie spreekt afgerond over circa 1.500 hectare. Dat verschil moet als afronding worden behandeld, niet als twee afzonderlijke verkopen. De verkoop betekende dat een enorm gedeelte van het eeuwenoude gemeenschappelijke landschap een nieuwe bestemming kreeg. De Erfgooiers verloren daar hun oude vorm van gemeenschappelijk bezit, maar het terrein verdween niet onder huizen of industrie. Het werd natuurreservaat. Daarmee werd een deel van het landschap dat door eeuwen Erfgooiersgebruik mede was gevormd juist dankzij de beëindiging van dat gebruik beschermd.

ƒ566 per Erfgooier

Volgens de reconstructie van het incident rond Hendrik Smit ontvingen Erfgooiers bij deze grote verkoop ieder ongeveer ƒ566. Dat bedrag maakt de tegenstelling tussen gebruik en vermogen heel concreet. Voor een scharende boer vertegenwoordigde de heide of meent een productiemiddel. Voor een niet-scharende Erfgooier kon een uitkering van honderden guldens tastbaarder zijn dan een theoretisch recht op grond die hij zelf niet agrarisch gebruikte. De verkoop loste de tegenstelling niet definitief op, maar liet zien hoe het gemeenschappelijke vermogen voortaan in geld kon worden omgezet. Het oude recht kreeg letterlijk een prijs.

1932–1933 — een historische paradox

Hier ontstaat een opmerkelijke historische paradox. Eeuwenlang hadden Erfgooiers gestreden om te voorkomen dat anderen over hun heide, bossen en weiden beschikten. In de twintigste eeuw hielp juist verkoop van een groot deel van die gronden voorkomen dat het Gooise landschap volledig werd bebouwd. De open heiden die tegenwoordig als typisch Gooise natuur worden ervaren, zijn bovendien geen volledig “natuurlijke” landschappen. Ze waren mede gevormd door langdurige beweiding, plaggensteken, houtkap en ander agrarisch gebruik. De moderne natuurwaarde kan daarom niet los worden gezien van de eeuwenlange geschiedenis van de Erfgooiers.

1932 — Enklaar opent de middeleeuwse bronnen

In hetzelfde jaar verscheen een voor ons onderzoek uitzonderlijk belangrijk boek: D.Th. Enklaar, Middeleeuwsche rechtsbronnen van Stad en Lande van Gooiland (1932), ongeveer 502 pagina's. Dit werk moet bij het eerdere eindverhaal als een hoofdbron worden toegevoegd. Waar Backer, Perk en Rinkel de oude rechten interpreteerden, verzamelde en ontsloot Enklaar de middeleeuwse rechtsbronnen veel systematischer. Voor de schaarbrieven, bosbrieven, privileges, sententies en andere oude stukken is dit daarom een kernwerk. Het betekent tevens dat onze eerdere bronnenketen van 1280 tot 1568 nog veel verder document voor document kan worden verdiept.

1933 — Sebus onderzoekt het gemeenschappelijk bezit

Een jaar later verscheen J.H. Sebus, De Erfgooiers en hun gemeenschappelijk bezit (tot 1568) (1933), een academisch proefschrift van 239 pagina's. Ook dit boek ontbrak nog in het eerdere verhaal. Sebus concentreerde zich juist op de vroegste periode en het gemeenschappelijke bezit tot 1568. In 1934 besprak D.Th. Enklaar het proefschrift in het Tijdschrift voor Geschiedenis. Daarmee beschikken we voor de middeleeuwse kern niet alleen over negentiende-eeuwse polemisten als Backer en Perk, maar ook over een wetenschappelijke discussie uit de jaren dertig waarin het oorspronkelijke bronnenmateriaal opnieuw werd onderzocht.

1938 — Floris Vos kijkt terug

In 1938 schreef Floris Vos over “De bewoners van het Gooi” in De Nederlandse volkskarakters. Daarmee krijgen we de stem van iemand die zelf leiding had gegeven aan de Erfgooiersstrijd. Vos noemde onder zijn voorgangers en onderzoekers Hortensius, C. Backer, A. Perk, L. Rinkel, F.A. Molster, S. Gratama, J.Ph. van Erk en D.Th. Enklaar. Hij legde grote nadruk op de strijdvaardigheid van de oude Gooier en zag juist daarin een verklaring voor het voortbestaan van de rechten. Als bron is zijn tekst bijzonder waardevol, maar ook duidelijk gekleurd door zijn eigen rol in het conflict.

Oude Gooiers en nieuwe forensen

Vos constateerde tegelijkertijd hoe sterk de bevolking was veranderd. De afstammelingen van de oorspronkelijke Gooise bevolking vormden inmiddels een minderheid tussen grote aantallen nieuwkomers, vooral mensen uit Amsterdam en andere delen van Nederland. Het traditionele Gooise dialect was volgens hem sterk teruggelopen. Alleen in plaatsen als Huizen zag hij nog duidelijker onderscheid. Daarmee was de wereld waarop het Erfgooiersstelsel ooit was gebouwd fundamenteel veranderd. Een betrekkelijk kleine agrarische gemeenschap beheerde rechten in een streek die inmiddels snel verstedelijkte en bevolkt werd door forensen die geen deel uitmaakten van de oude gerechtigdheid.

1940 — het systeem leeft, maar de basis verandert

Rond 1940 bestond de Vereniging Stad en Lande nog steeds. De wet van 1912 had de organisatie gestabiliseerd, de meenten waren verbeterd en een groot deel van de heide was als natuurgebied veiliggesteld. Toch waren de krachten die uiteindelijk tot opheffing zouden leiden al duidelijk aanwezig. Het aantal mensen dat werkelijk van het traditionele boerenbedrijf leefde nam relatief af. Niet-scharende Erfgooiers zagen steeds meer financieel vermogen in de gronden. Gemeenten hadden grond nodig voor woningen en infrastructuur. De moderne samenleving drong steeds verder het oude stelsel binnen. Wat in 1404 nog draaide om de draagkracht van gemeenschappelijke weidegrond, draaide in de twintigste eeuw steeds meer om grondwaarde, woningbouw, natuurbehoud en verdeling van vermogen.

Een tweede bronnenketen

Met deze aanvulling krijgen we naast de middeleeuwse keten nu een tweede zeer sterke bronnenreeks: Harmen Vos 1898 → Hoge Raad 1900 → Hendrik Smit en het Meenthek 1903 → rivaliserend Hoofdbestuur 1903 → conceptregeling 1906 → regeringscommissie 1908 → wetsvoorstel 1910 → Erfgooierswet 1912 → nieuwe vereniging 1913 → Grote Kerk Naarden 1914 → Luden en landbouwverbetering → strijd scharenden/niet-scharenden vanaf 1920 → Van Erk 1927 → Luden 1931 → wetswijziging 1932 → Goois Natuurreservaat 1932 → verkoop 1.524 hectare 1933 → Enklaar 1932 → Sebus 1933 → Floris Vos 1938 → situatie rond 1940.

Wat deze aanvulling aan het eerdere verhaal verandert

Hiermee wordt duidelijk dat het eerdere verhaal zonder de twintigste-eeuwse laag inderdaad nog niet compleet was. De strijd om de Erfgooiersrechten eindigde niet bij Molster en Fabius in 1888. Rond 1900 explodeerde het conflict juist opnieuw. Een geschoten haas bracht Harmen Vos tot aan de Hoge Raad; boeren trotseerden politie en bestuur; bij het Blaricummer Meenthek werd Hendrik Smit doodgeschoten; Floris Vos organiseerde het verzet; Den Haag greep in; de Erfgooierswet maakte gewoonterecht tot verenigingsrecht; Luden moderniseerde de meenten; vervolgens veranderden dezelfde eeuwenoude gronden gedeeltelijk in geld, bouwgrond en uiteindelijk beschermd natuurgebied.

Van de schaarbrief naar het natuurreservaat

Daarmee kunnen we nu een bijna ongelooflijke historische lijn trekken. In 1404 kwamen schaarmeesters bijeen om te bepalen hoeveel vee de gemeenschappelijke grond kon dragen. In 1903 stierf een jonge man bij een hek omdat Erfgooiers hun vee naar die gemeenschappelijke grond wilden brengen. In 1912 greep de Nederlandse wetgever in om de rechten formeel te regelen. In 1933 werd ruim vijftienhonderd hectare van dat eeuwenoude bezit overgedragen aan het Goois Natuurreservaat. De grond bleef, maar haar betekenis veranderde: van bos en wildernis naar meent en heide, van bestaansgrond voor boeren naar betwist gemeenschappelijk vermogen en vervolgens voor een groot deel naar beschermd Goois landschap.

De Erfgooiers — van Nardinclant tot het einde van Stad en Lande

1. Vóór de Erfgooiers — een landschap waarvan mensen leefden

Lang voordat iemand Erfgooier werd genoemd, bepaalde het landschap het leven in het Gooi. Hoge zandgronden werden afgewisseld door bossen, heide, venen, moerassen en lage graslanden. Archeologische vondsten bij Hilversum, Crailo, het Bluk en andere plaatsen tonen bewoning vanaf de prehistorie. Grafheuvels, klokbekers en ander aardewerk behoren niet tot de geschiedenis van de Erfgooiers zelf, maar tonen wel de langdurige menselijke benutting van hetzelfde landschap. De latere Gooise boer verbouwde graan op de eng, hield vee op lagere gronden, gebruikte heide voor schapen en plaggen en haalde brandstof en bouwmateriaal uit veen en bos.

2. De gemeenschappelijke grond wordt onmisbaar

Voor een boer op de Gooise zandgrond vormde zijn eigen akker maar een gedeelte van zijn bedrijf. Koeien en paarden hadden gras nodig, schapen liepen op de heide en hun mest hielp de bouwlanden vruchtbaar te houden. Heideplaggen werden gebruikt in het boerenbedrijf, turf verwarmde woningen en hout diende als brandstof, gereedschap en bouwmateriaal. De lagere gronden leverden gras en hooi. Gemeenschappelijke grond was daarom geen ongebruikt niemandsland. Zij vormde een economische aanvulling op het particuliere boerenbezit. Uit het gezamenlijk benutten en beschermen van deze gronden zouden uiteindelijk de rechten ontstaan die eeuwen later als Erfgooiersrechten bekendstonden.

3. Nardinclant in de vroege middeleeuwen

Het middeleeuwse Gooi verschijnt aanvankelijk als Nardinclant, het land rond Naarden. Naarden ontwikkelde zich tot het bestuurlijke centrum van een gebied waarin ook Laren, Huizen, Blaricum, Hilversum en Bussum zouden groeien. Oudere historici probeerden de middeleeuwse bevolking rechtstreeks met prehistorische of Germaanse bewoners te verbinden. Daarvoor ontbreekt voldoende bewijs. Belangrijker is de continuïteit van het grondgebruik. Boeren woonden op de hogere delen en waren voor hun bestaan aangewezen op akkers, graslanden, bos, heide en veen. De latere Erfgooiersgemeenschap ontstond daarom niet uit één stam of volk, maar uit een geleidelijk gevormde gemeenschap van gebruikers van hetzelfde landschap.

4. 968 — Wichman, Elten en Nardinclant

Een belangrijk vroeg ankerpunt is 968. Graaf Wichman II van Hamaland, stichter van het vrouwenstift Elten, had goederen en rechten in deze omgeving aan Elten verbonden. Een keizerlijke bevestiging van 29 juni 968 speelt daarom een grote rol in de latere geschiedschrijving van Gooiland. Het is echter onjuist om 968 eenvoudig het geboortejaar van de Erfgooiers te noemen. De latere gebruiksgemeenschap bestond toen nog niet in haar bekende vorm. Wel ontstond een rechtsverhouding waarbij Elten aanspraken bezat terwijl plaatselijke bewoners het landschap gebruikten. Dat verschil tussen grondheerlijke rechten en plaatselijke gebruiksrechten zou eeuwenlang een kernprobleem van de Gooise geschiedenis blijven.

5. Naarden, Laren en de andere nederzettingen

Vanuit oudere nederzettingen ontwikkelde zich geleidelijk het netwerk van Gooise dorpen. De Huizer geschiedschrijver Lambert Rijcks Lustigh (1656–1727) verzamelde daarover eeuwen later oude overleveringen. Hij beschreef onder meer relaties tussen Naarden en Huizen en tussen Laren, Bussum en Hilversum. Bewoners zouden nieuwe akkers hebben aangelegd, sloten hebben gegraven en graslanden in gebruik hebben genomen. Lustigh kan niet zonder controle als ooggetuige van de middeleeuwen worden gebruikt, maar zijn werk laat goed zien hoe Gooiers later hun eigen verleden voorstelden. De geschiedenis draaide daarin om boerderijen, engen, vee, water, maatlanden, bossen en gemeenschappelijke gronden: precies de elementen waaruit het Erfgooiersstelsel groeide.

6. 1280 — Floris V krijgt rechten in Nardinclant

In 1280 veranderde de politieke verhouding ingrijpend. Rechten van het stift Elten in Nardinclant kwamen bij Floris V, graaf van Holland, terecht. Holland nam daarmee een centrale positie in het bestuur van het gebied in, terwijl bepaalde Eltense rechten bleven voortbestaan. De graaf kreeg echter geen leeg landschap. Hij kreeg te maken met bewoners die al gewend waren bossen, venen, heiden en graslanden te benutten. Vanaf de late dertiende en vroege veertiende eeuw raakte bovendien de benaming Gooiland in gebruik. Hier ontstond de langdurige spanning tussen landsheer en bevolking: wie bezat de grond, wie mocht haar gebruiken en wie bepaalde de voorwaarden waaronder dat gebeurde?

7. Eigendom en gebruik waren twee verschillende zaken

Deze scheiding is noodzakelijk om de Erfgooiers te begrijpen. De Gooise bewoners waren niet eenvoudig gezamenlijk eigenaar van alle woeste gronden. Een landsheer kon juridische aanspraken op de bodem hebben, terwijl bewoners op grond van gewoonte gebruiksrechten bezaten. Die rechten konden economisch buitengewoon waardevol zijn. Een boer hoefde immers geen heideveld te bezitten wanneer hij er volgens erkend gebruik zijn schapen mocht laten lopen. Hetzelfde gold voor graslanden, turf en hout. De latere strijd van de Erfgooiers ging daarom vaak niet over eigendom in moderne zin, maar over het verdedigen van oude gebruiksrechten tegen landsheren, buitenstaanders, overheden en uiteindelijk zelfs andere gerechtigden.

8. 1326 — de Gooiers blazen op de hoorn

Op 30 december 1326 verbood graaf Willem III de inwoners van Gooiland zonder toestemming eigen bijeenkomsten te houden. Bijzonder is de vermelding dat zij geen hoorn mochten blazen om zo'n samenkomst bijeen te roepen zonder betrokkenheid van baljuw of schout. Het detail brengt het middeleeuwse gemeenschapsleven dichtbij. Wanneer iets belangrijks speelde, konden bewoners kennelijk door een hoorbaar signaal worden opgeroepen. Later zouden kerkklokken een dergelijke functie vervullen. We hoeven hierin nog geen volledig georganiseerde Erfgooiersvereniging te zien. Het document toont wel dat de Gooise bevolking al vroeg in staat was gezamenlijk bijeen te komen en collectief op te treden.

9. Geen vereniging met één geboortedatum

De Erfgooiersorganisatie is niet op één bepaalde dag gesticht. Moderne studie, vooral het onderzoek van Anton Kos, maakt duidelijk dat zij geleidelijk ontstond uit gewoonterecht, dorpsgemeenschappen, landsheerlijke voorschriften en telkens nieuwe conflicten. De veertiende-eeuwse Gooier gebruikte bovendien niet het latere woord Erfgooier. In de bronnen komen andere aanduidingen voor, waaronder gemene buren en later Lantgoeyers. Pas veel later werd Erfgooier de gebruikelijke naam. De rechten zijn dus aanzienlijk ouder dan de naam. Ook veranderde de inhoud ervan. Het middeleeuwse gebruiksrecht, het achttiende-eeuwse gerechtigd zijn en het wettelijke lidmaatschap na 1912 waren opeenvolgende ontwikkelingsfasen, geen duizend jaar onveranderde instelling.

10. 1404 — de eerste schaarbrief

Op 25 januari 1404 werd de eerste bekende schaarbrief opgesteld. Daarmee werd het gebruik van de gemeenschappelijke weiden schriftelijk geregeld. Acht schaarzetters of schaarmeesters speelden daarin een belangrijke rol: vertegenwoordigers van Naarden en van de Gooise dorpen moesten bepalen hoeveel vee de gemeenschappelijke gronden konden dragen. Het uitgangspunt was eenvoudig maar noodzakelijk. Wanneer iedere boer onbeperkt koeien en paarden op dezelfde weide bracht, bleef uiteindelijk voor niemand voldoende gras over. De schaarbrief maakte van een gemeenschappelijk gebruik daarom een gereguleerd gebruik. Niet individuele vrijheid, maar onderlinge begrenzing moest ervoor zorgen dat de meenten voor de gemeenschap bruikbaar bleven.

11. De schaar en de schaarmeesters

Een schaar had betrekking op de hoeveelheid vee die volgens de geldende regeling op de gemeenschappelijke weide mocht worden gebracht. Schaarmeesters hielden toezicht en bepaalden mede wat de draagkracht van het land toeliet. Rond Sint-Gertrudisdag, 17 maart, werd de scharing een jaarlijks terugkerend bestuurlijk en agrarisch moment. Achter die administratie stonden levende dieren en boerengezinnen. Een koe leverde melk, boter, mest en verkoopwaarde; een paard betekende trekkracht en vervoer. Het verschil tussen zes en acht toegestane dieren kon voor een huishouden aanzienlijk zijn. Daarom werden discussies over de schaar soms zo fel dat ze uiteindelijk voor hoge gerechtshoven werden uitgevochten.

12. Gemeenschappelijke grond mocht niet zomaar privé worden

Een fundamenteel beginsel was dat gemeenschappelijke grond niet willekeurig door individuele gebruikers mocht worden toegeëigend of verdeeld. Iedere hectare die iemand omheinde en bij zijn eigen akker trok, verdween immers uit het areaal waarop andere gerechtigden hun vee konden laten grazen. Daarmee ontstond een spanning die de hele Erfgooiersgeschiedenis zou blijven bepalen. Voor een afzonderlijke boer kon ontginning aantrekkelijk zijn; voor de gemeenschap betekende dezelfde ontginning verlies van gezamenlijke gebruiksruimte. De schaarbrieven en latere afspraken probeerden daarom niet alleen overbegrazing te voorkomen, maar ook het gemeenschappelijke karakter van het landschap te beschermen tegen individuele toe-eigening en ongecontroleerde ontginning.

13. 1418 — de kring was nog niet volledig gesloten

In 1418 verleende Naarden aan de zusters van het Sint-Mariaconvent aan de Bussummerstraat zowel poorterschap als schaarrecht. Dat is belangrijk omdat het waarschuwt tegen het terugprojecteren van het latere erfelijke systeem naar de vroege vijftiende eeuw. Het recht was toen nog niet volledig beperkt tot de nauwkeurig genealogisch bepaalde mannelijke afstamming die we uit latere eeuwen kennen. Nieuwe rechten konden onder bepaalde omstandigheden worden toegekend. Juist dergelijke toelatingen zouden vervolgens spanningen veroorzaken. Hoe meer mensen gebruik mochten maken van een eindige hoeveelheid gras, hout en turf, des te belangrijker werd de vraag wie werkelijk tot de oude gemeenschap behoorde. Langzaam begon die kring zich te sluiten.

14. 1419 — optreden tegen turfgravers

In 1419 kregen Naarden en de Gooise gemeenschap bevoegdheden om buitenstaanders aan te pakken die bossen en venen beschadigden. Ook turfgravers en Loosdrechters die binnen Gooiland grond gebruikten konden worden aangehouden en naar het Muiderslot worden gebracht. Turf was geen onbelangrijk bijproduct. Het was een belangrijke brandstof en daardoor handelswaar. Wie grote hoeveelheden uit het gemeenschappelijke veen verwijderde, kon persoonlijk verdienen aan een hulpbron waarvan anderen eveneens afhankelijk waren. Vanaf deze periode wordt een terugkerend patroon zichtbaar: eigen gebruik werd aanvaard of gereguleerd, maar grootschalige onttrekking en uitvoer werden bestreden. De bescherming van de commons betekende daardoor ook bescherming tegen commerciële uitputting.

15. 1437–1439 — strijd aan de Utrechtse grens

De ligging tussen Holland en het Sticht Utrecht veroorzaakte voortdurend problemen. In 1437 moest worden opgetreden tegen bewoners van Baarn en andere Stichtenaren die turf zouden steken op Hollands gebied. Overtreders konden naar het Muiderslot worden gebracht. In 1439 volgden opnieuw klachten over mensen uit het Sticht die Gooise of Hollandse grond gebruikten. Een grens die op perkament duidelijk leek, was buiten veel moeilijker te herkennen. Heide, bos en veen kenden geen stenen muren. Daardoor moesten bewoners, schouten, baljuws en gerechtsdienaren telkens opnieuw bepalen waar het ene gebruiksgebied eindigde en het andere begon. De Erfgooiersgeschiedenis was vanaf het begin tevens een grensgeschiedenis.

16. 1442 — de tweede schaarbrief

Op 3 mei 1442 volgde de tweede schaarbrief. De regeling werd uitgebreider en moest gedurende lange tijd richting geven aan het gemeenschappelijke gebruik. Achter de nieuwe bepalingen zat ook sociale spanning. Latere processtukken vertellen dat vermogende gebruikers grote aantallen paarden, koeien en schapen op de gemeenschappelijke gronden probeerden te brengen. Kleinere boeren konden daardoor worden verdrongen. De regels beschermden dus niet alleen gras en heide tegen uitputting; ze moesten eveneens voorkomen dat rijke gebruikers de gemeenschappelijke hulpbron feitelijk monopoliseerden. Het Erfgooiersstelsel was daarmee vanaf vroeg stadium ook een poging om individuele economische macht te begrenzen ten gunste van een grotere groep gebruikers.

17. 1449 — angst om doodgeslagen te worden

Een bijzonder conflict speelde in 1449. Een Hollandse deurwaarder moest in Westbroek, Tienhoven, Maarsseveen en Breukelen bekendmaken dat men geen turf mocht steken in het omstreden veengebied Wildvang. De schout van Loosdrecht weigerde mee te gaan omdat hij vreesde dat zij zouden worden doodgeslagen. Hij stelde slechts een dienaar en een paard beschikbaar. Ook de pastoor van Maarsseveen wilde de Hollandse stukken niet aannemen: hij erkende alleen zijn Utrechtse heer. De deurwaarder stond daarmee midden in een grensgemeenschap waar gezag werd betwist. Een juridisch bevel uit Den Haag betekende daar nog niet dat iemand het gehoorzaamde.

18. 1449 — de brieven worden op kerkdeuren gespijkerd

Toen plaatselijke autoriteiten de Hollandse brieven niet wilden aannemen en ook kerkelijke instanties weigerden mee te werken, koos de deurwaarder een praktische oplossing. Hij spijkerde afschriften op de kerkdeuren, zodat de bevolking zelf kon lezen wat Holland eiste. Dit kleine voorval laat zien hoe rechten werkelijk werden afgedwongen. De strijd om turf speelde niet uitsluitend in grafelijke kanselarijen en rechtbanken. Hij speelde op wegen, bij dorpskerken en tussen gerechtsdienaren die soms letterlijk bang waren voor geweld. De latere Erfgooiers zouden steeds opnieuw hetzelfde probleem ondervinden: een oud recht bestond pas werkelijk wanneer iemand bereid en in staat was het buiten op het land te verdedigen.

19. 1455 — de gemeenschap wordt sterker afgesloten

De derde schaarbrief van 1455 verscherpte de afbakening van de groep gebruikers. Vooral instroom vanuit het Sticht speelde daarbij een rol. Niet iedere nieuwkomer moest automatisch dezelfde rechten krijgen als families die al langer tot de Gooise gemeenschap behoorden. Hier ligt een belangrijke wortel van het latere erfelijke karakter. Wonen alleen was uiteindelijk niet voldoende; afkomst ging steeds zwaarder wegen. Toch moeten we ook hier niet de negentiende- of twintigste-eeuwse definitie van Erfgooier rechtstreeks op 1455 leggen. De juridische ontwikkeling verliep geleidelijk. Het centrale probleem was praktisch: hoe houd je een eindige hoeveelheid gemeenschappelijke grond beschikbaar wanneer de bevolking en het aantal potentiële gebruikers toenemen?

20. 1474 — oud gebruik tegenover grondheer

Oudere Gooise geschiedschrijving verbindt 1474 met een belangrijk proces over de rechten op de gemeenschappelijke gronden. De Gooiers zouden zich daarbij hebben beroepen op gebruik dat zo oud was dat niemand zich het tegendeel kon herinneren. Genoemd werden beemden, weiden, venen, moerassen, bossen, heiden, waranden en wildernissen. De precieze identificatie en datering van deze procedure verdient bronkritische controle, maar het argument zelf is kenmerkend voor de latere Gooise rechtstraditie. De bewoners hoefden niet te beweren dat hun voorouders ooit de bodem hadden gekocht. Hun sterkste argument was onheuglijk gebruik: onze voorgangers gebruikten dit land altijd al en daarom hebben wij recht dat te blijven doen.

21. 1493 — Eemnessers steken Gooise turf

In 1493 moest de Raad van Holland optreden tegen kanunniken van Sint-Jan en inwoners van Eemnes die binnen Gooiland turf zouden hebben gestoken. Het laat zien dat de strijd om het veen generaties doorging. De grens tussen Holland en Utrecht was politiek belangrijk, maar voor een boer of turfgraver aan weerszijden daarvan kon een bruikbaar veen aantrekkelijker zijn dan een abstract territoriaal recht. Gooise vertegenwoordigers traden daarom gezamenlijk op. Naarden en de dorpen hadden onderling vaak ruzie, maar tegenover buitenstaanders konden zij hetzelfde belang verdedigen. Dit dubbele patroon — eenheid naar buiten, verdeeldheid van binnen — zou een van de meest hardnekkige kenmerken van de Erfgooiersgeschiedenis worden.

22. 1504–1505 — de ontvoering van Josina van Nijenrode

De geschiedenis van het Gooierbos raakte verbonden met een opmerkelijk familiedrama. De jonge Josina van Nijenrode erfde rechten die haar familie rond het bos en de Eltense verhouding bezat. In 1504 werd zij samen met haar zuster door Willem Turck gewelddadig ontvoerd. In 1505 dwong Turck Josina met hem te trouwen. Hij ging zich vervolgens Willem Turck van Nijenrode noemen en verkreeg daarmee toegang tot de rechten en positie van haar familie. Een persoonlijk huwelijk had zo directe gevolgen voor bosbeheer en bestuurlijke verhoudingen in Gooiland. Het laat zien hoe feodale rechten, familiebezit, geweld en het dagelijkse gebruik door dorpsbewoners door elkaar konden lopen.

23. 1514 — turf wordt handelswaar

In 1514 moest opnieuw tegen turfuitvoer worden opgetreden. Het probleem was inmiddels geraffineerd. Gooiers konden de turf zelf steken, terwijl buitenstaanders vervolgens hielpen hem buiten Gooiland te brengen. Met wagens, schouwen en schepen konden aanzienlijke hoeveelheden verdwijnen. De overheid waarschuwde dat bij voortzetting binnen enkele jaren nauwelijks bruikbaar veen zou overblijven. Hier zien we een klassiek probleem van gemeenschappelijke hulpbronnen. Turf voor de eigen haard was onderdeel van bestaanszekerheid; tientallen vrachten voor de markt maakten dezelfde grond tot particuliere winstbron. De regelgeving moest daarom steeds worden aangepast aan mensen die mazen in eerdere verboden ontdekten en commercieel probeerden te benutten.

24. 1514 — Willem Turck en de bosbrief

In hetzelfde jaar 1514 vaardigde Willem Turck van Nijenrode een nieuwe bosbrief uit. Ook het bos kende dus regels voor gemeenschappelijk gebruik. Hout kon niet onbeperkt worden gekapt. Een georganiseerde houw moest worden aangekondigd en verdeeld. De verhouding tussen Nijenrode, Naarden en de dorpen maakte het systeem echter kwetsbaar. Bovendien ontstond onenigheid over dood hout en omgewaaide bomen. Dorpen meenden daarop eigen rechten te kunnen uitoefenen; Turck verdedigde zijn aanspraken. Wat aanvankelijk een gereguleerd systeem van bosgebruik was, veranderde langzaam in een strijd over bevoegdheid. Daarmee begon een proces dat uiteindelijk tot de vrijwel volledige ondergang van het oude Gooierbos zou leiden.

25. 1516 — schapen tegenover koeien

Een ander conflict verdeelde de Gooise dorpen economisch. Laren en Hilversum waren sterk afhankelijk van heide en schapenhouderij. Naarden, Huizen en Blaricum hadden relatief meer belang bij runderen, paarden en graslanden. In 1516 werd geprobeerd de positie van de schapenhouders te beperken. Voor een bestuurder kon dat een discussie over rechten lijken, maar voor kleine herders betekende het verlies van broodwinning. Processtukken vermelden dat arme herders hun schapen verkochten toen hun gebruik van de heide werd bedreigd. Daarmee wordt duidelijk waarom de ruzie zo hevig werd. Wie de toegang tot de heide verloor, kon in korte tijd zijn volledige economische bestaan zien verdwijnen.

26. 1517–1520 — naar de Grote Raad van Mechelen

Hilversum en Laren gingen tegen de beperkingen in beroep. Tegenover hen stonden Naarden, Huizen, Blaricum en andere belanghebbenden. Het Hof van Holland koos uiteindelijk de zijde van de schapenhouders. Naarden bracht de zaak vervolgens voor de Grote Raad van Mechelen. In 1520 werd het beroep verworpen en bleven de rechten van Hilversum en Laren overeind. De procedure toont hoe ver een geschil over schapenweide kon reiken. Een Gooise herder op de heide stond via processen uiteindelijk in verbinding met een van de hoogste rechtbanken van de Nederlanden. Tegelijkertijd bevestigde iedere procedure de bijzondere Gooise regels steeds sterker als juridisch herkenbaar en afdwingbaar recht.

27. 1521 — de Lantgoeyers sluiten een verbond

In 1521 maakten de Gooise dorpen een belangrijke afspraak. Gronden die in de voorafgaande dertig jaar uit de gemeenschappelijke ruimte waren genomen, moesten zoveel mogelijk worden teruggebracht. In het stuk noemden de betrokkenen zichzelf Lantgoeyers. Zij beloofden elkaar te helpen wanneer iemand hun gemeenschappelijke rechten aantastte en wilden de grond „ongescheyden ende ongedeylt” bewaren. Het woord Erfgooier bestond in deze betekenis nog niet, maar hier zien we duidelijk een collectieve identiteit rond het landschap. Het gemeenschappelijke land was niet alleen economisch bezit of gebruiksruimte. Het werd iets dat men gezamenlijk aan volgende generaties wilde doorgeven en tegenover zowel binnen- als buitenstaanders verdedigde.

28. 1525–1534 — het bosbeheer valt uiteen

Bij het Gooierbos ging het ondertussen steeds slechter. Dorpen, Nijenrode en de landsheer betwistten elkaars bevoegdheden. Oorlog en illegale kap verergerden de situatie. Een rapport stelde dat in ongeveer zeven of acht jaar meer schade was aangericht dan tijdens twee normale georganiseerde houwen. Getuigenverklaringen uit 1531 en 1534 beschrijven nog hoe het officiële systeem hoorde te werken. Een houtkap werd aangekondigd en bomen werden volgens vaste regels gemerkt. Juist omdat zulke getuigen moesten uitleggen hoe het vroeger ging, wordt duidelijk dat het gezag daarover inmiddels afbrokkelde. Het probleem was niet het ontbreken van regels, maar het ontbreken van algemeen erkende handhaving.

29. Drie merkijzers in het Gooierbos

Bij een gereguleerde houtkap werden volgens de getuigen drie verschillende merkijzers gebruikt. Eén vertegenwoordigde de rechten van Nijenrode, één Naarden en één de Gooise dorpen. De bomen droegen daarmee letterlijk de afdruk van verschillende gezagslagen. Getuigen herinnerden zich bovendien hoe voor de oude, blinde Jan van Nijenrode bekendmakingen over de houtkap waren gedaan. Zulke details brengen het bosbeheer dichtbij. Mensen liepen tussen de bomen, wezen hout aan, sloegen merken in stammen en controleerden wie welk deel kreeg. Het bos was geen vrij toegankelijk reservoir. Het functioneerde alleen zolang alle betrokken partijen dezelfde procedures erkenden. Toen die overeenstemming verdween, werd gereguleerde houtkap steeds moeilijker.

30. 1545 — paard en wagen konden worden afgepakt

In 1545 maakten Hilversum, Naarden en andere Gooise partijen opnieuw afspraken over veen en gemeenschappelijke hulpbronnen. Uitvoer van turf en hout werd streng bestraft. Een overtreder riskeerde een boete van vijftig Carolusgulden en kon zijn paard en wagen kwijtraken. Dat waren voor een boer geen bijkomstigheden. Een paard en wagen vormden productiemiddelen waarmee mest, turf, hooi, graan en andere goederen werden vervoerd. De zware straf laat zien hoe ernstig de gemeenschap ongeoorloofde onttrekking beschouwde. Wie gemeenschappelijk materiaal buiten Gooiland verkocht, benadeelde niet alleen een abstracte instelling maar alle andere gebruikers die van dezelfde eindige voorraad afhankelijk waren.

31. 1545 — een jaar leven op water en brood

Voor een arme overtreder was de straf nog dreigender. Wie de geldboete niet kon betalen, kon volgens de regeling een jaar gevangen worden gezet op water en brood. Daarna kon hij bovendien zijn gebruiksrecht op de gemeenschappelijke grond voor de rest van zijn leven verliezen. Dat laatste kon economisch nog zwaarder wegen dan de gevangenisstraf. Zonder meent, heide, turf of hout werd een klein boerenbedrijf nauwelijks levensvatbaar. De regel laat daarom ook de sociale ongelijkheid zien. Een vermogende overtreder kon een hoge boete misschien betalen; iemand zonder geld betaalde met vrijheid en uiteindelijk zijn toegang tot de bestaansmiddelen van de gemeenschap.

32. 1546–1548 — acht dieren of zes?

Een volgende grote ruzie draaide om de vraag hoeveel vee iedere gerechtigde mocht scharen. Naarden wilde het maximum van acht naar zes dieren terugbrengen. De dorpen verzetten zich. Zij beschuldigden Naarden er bovendien van schaarruimte van arme mensen op te kopen of rechten aan rijkere en nieuwe gebruikers te verhuren. Het conflict kwam opnieuw bij het Hof van Holland en vervolgens de Grote Raad terecht. In 1548 bleef de verlaging naar zes dieren overeind. Achter de cijfers lag een sociaal conflict. Een beperking kon overbegrazing tegengaan, maar de verdeling van de beschikbare ruimte bepaalde tegelijkertijd welke boeren konden groeien en welke gezinnen economisch kwetsbaar bleven.

33. 1547 — Hilversum beschermt zijn gemeenschappelijke grond

Hilversum stelde in 1547 eigen regels op tegen verdere aantasting van de gemeenschappelijke ruimte. De eng mocht niet onbeperkt worden uitgebreid ten koste van de meent. Ook verkoop van bepaalde grond aan mensen uit het Sticht werd beperkt. Overtredingen konden leiden tot oplopende boetes en uiteindelijk zelfs confiscatie van paard en ploeg. Het laat zien dat de gemeenschap niet alleen buitenstaanders vreesde. Ook een Gooise boer kon door ontginning, omheining of verkoop het gezamenlijke belang beschadigen. Gemeenschappelijk beheer betekende daarom voortdurend individuele verlangens begrenzen. De Erfgooiersgeschiedenis is juist daardoor geen eenvoudig verhaal van Gooiers tegenover vreemdelingen, maar ook van Gooiers die elkaar controleerden en bestraften.

34. 1552 — inspectie van een verwoest bos

Na de dood van Willem Turck probeerde Josina van Nijenrode opnieuw tot afspraken over het bos te komen. In 1552 nodigde zij Naarden en de dorpen uit voor overleg. Niet iedereen werkte mee. Tijdens de daaropvolgende conflicten werd het bos geïnspecteerd. Het beeld was somber: overal stonden stronken, grote bomen waren verdwenen en zelfs strooisel werd verwijderd. Het oude eikenbos veranderde in struikgewas. Een definitieve rechterlijke oplossing bleef uit en de ongecontroleerde kap ging verder. Tegen het einde van de zestiende eeuw was het oorspronkelijke bos vrijwel verdwenen. De Erfgooiers hadden hun graslanden beter weten te beschermen dan hun houtvoorraad.

35. 1568 — de vierde schaarbrief

De vierde schaarbrief van 1568 bracht opnieuw ordening in de beweiding. De schaar werd op zes dieren gesteld en de bijzondere positie van de schapenhouderij van Laren en Hilversum werd bevestigd. De regeling gold voor een bepaalde termijn en was opnieuw het resultaat van eerdere conflicten. Vier schaarbrieven in ruim anderhalve eeuw tonen dat de gemeenschap niet met één onveranderlijk reglement werkte. Regels werden herzien wanneer bevolkingsdruk, economie of onderlinge machtsverhoudingen veranderden. Dat vermogen tot aanpassen was waarschijnlijk een van de redenen dat de Gooise commons bleven bestaan. Conflict leidde telkens opnieuw tot regulering, in plaats van automatisch tot verdeling van de grond.

36. Eind zestiende eeuw — het Gooierbos is vrijwel verdwenen

Tegen het einde van de zestiende eeuw was de schade aan het oude Gooierbos vrijwel onherstelbaar. Dit vormt een belangrijke uitzondering op het succes van de Gooise gemeenschappelijke regelgeving. Anton Kos benadrukt dat we daaruit niet moeten concluderen dat gemeenschappelijke grond vanzelf wordt uitgeput. De meenten, heiden en venen bleven juist langdurig gereguleerd. Het bos ging vooral ten onder doordat verschillende gezagsdragers elkaar tegenwerkten en effectieve controle verdween. Daarmee levert Gooiland een historische les: regels kunnen een gemeenschappelijke hulpbron eeuwenlang beschermen, maar alleen zolang voldoende gebruikers het gezag achter die regels erkennen. Het bos verdween toen instituties en handhaving eerder instortten dan de gebruiksbehoefte.

37. 1590–1650 — Stad en Lande krijgt vorm

Vanaf het einde van de zestiende en vooral de zeventiende eeuw wordt de organisatie herkenbaarder als Stad en Lande van Gooiland. Een resolutie uit 1590 behoort tot de vroege stukken waarin deze bestuurlijke samenwerking zichtbaar wordt. Vanaf 1632 bestond een eigen financiële administratie en vanaf ongeveer 1650 hield de Vergadering van Stad en Lande een eigen resolutieboek bij. Naarden bleef een belangrijke bestuurlijke plaats, terwijl de dorpen vertegenwoordigers leverden. De oude gemeenschap van gebruikers werd daarmee steeds institutioneler. Besluiten over vee, grond, geld en processen konden nu systematisch worden vastgelegd. Wat in 1326 nog met een hoorn bijeenkwam, ontwikkelde zich tot een organisatie met vergaderingen, rekeningen en archieven.

38. De stukken lagen letterlijk in een kist

De oude documenten werden aanvankelijk „in de kist” bewaard, onder meer bij de besturen van Naarden en Laren. Dat detail is belangrijker dan het lijkt. Een schaarbrief of oud privilege kon eeuwen later opnieuw worden gebruikt wanneer iemand het recht van de Gooiers betwistte. De archiefkist was daarmee feitelijk een schatkist van collectief geheugen. Wie kon aantonen dat voorouders een bepaald gebruik hadden uitgeoefend, stond juridisch sterker. Deze betekenis van oude papieren zien we ook bij andere Nederlandse gemeenschappen met gemene gronden. Wanneer eigendom of gebruik ter discussie stond, werden oude reglementen, kaarten, rekeningen en getuigenissen opgezocht. Archief en grondrecht raakten daardoor nauw met elkaar verbonden.

39. 1625 — Amsterdamse ondernemers kijken naar 's-Graveland

In 1625 ontstond een nieuwe bedreiging vanuit het westen. Vermogende Amsterdammers wilden ongeveer 500 hectare grond rond het latere 's-Graveland ontginnen. De Staten van Holland waren bereid daarvoor ruimte te geven, maar de Gooise gebruikers verloren daarmee gebied waarop zij oude rechten claimden. Er moest compensatie komen. Een bedrag van ongeveer ƒ650 werd door de Gooiers als onvoldoende beschouwd. Het conflict laat zien hoe sterk de economische wereld veranderde. Waar de Erfgooier heide, veen en gras zag als onderdeel van zijn boerenbedrijf, zagen Amsterdamse investeerders grond die kon worden ontgonnen en veranderd in buitenplaatsen en landbouwgrond. Twee verschillende waarderingen van hetzelfde landschap botsten frontaal.

40. 1625–1633 — rieken, vernielingen en soldaten

De Gooiers legden zich niet eenvoudig bij de ontginning van 's-Graveland neer. Volgens de latere overlevering verschenen zij met rieken en oude vuurwapens, werden werkzaamheden verstoord en arbeiders verdreven. Niet ieder kleurrijk detail is al rechtstreeks uit een primaire bron bevestigd, maar actief verzet tegen de werkzaamheden staat vast. De spanning hield jarenlang aan. Pas in 1633, na militair ingrijpen, kwam er een werkbare regeling. Daarbij werd onder meer vastgelegd dat inwoners van 's-Graveland niet automatisch schaarrechten in Gooiland zouden krijgen. De grens van de gerechtigde gemeenschap bleef dus overeind. Het conflict maakte de riek later tot een krachtig symbool van Erfgooiersverzet tegen aantasting van hun grondrechten.

41. Zeventiende eeuw — scharen wordt jaarlijks bestuur

De dagelijkse praktijk van Stad en Lande draaide ondertussen verder. Schaarmeesters controleerden hoeveel dieren de gemeenschappelijke gronden konden dragen. Schaargeld werd geïnd en overtredingen werden bestraft. Meenten konden eigen financiële administraties hebben. Uitgaven betroffen beheer, toezicht en processen; inkomsten kwamen onder andere uit gebruiksrechten. De organisatie was daardoor tegelijk een landbouwbestuur, rechtsgemeenschap en financiële instelling. Het bestuur moest bovendien rekening houden met grote verschillen tussen de dorpen. Een Hilversumse schapenhouder had andere belangen dan een Huizer veehouder. Stad en Lande was daarom geen romantische boerenrepubliek waarin iedereen hetzelfde wilde. De organisatie functioneerde juist doordat tegenstrijdige belangen telkens opnieuw moesten worden onderhandeld en gereguleerd.

42. 1702 — voor het eerst het woord Erfgooier

Pas in het begin van de achttiende eeuw verschijnt de benaming Erfgooier in de schriftelijke bronnen. Binnen ons huidige bronnenonderzoek wijst het sterkste spoor naar 1702. Oudere publicaties noemen soms 1706, maar twee afzonderlijke onderzoeksbronnen ondersteunen inmiddels 1702. Het oorspronkelijke stuk waarin het woord voorkomt moet nog als primaire tekst worden gecontroleerd. De naam zelf is veel jonger dan het recht. Dat is belangrijk voor het verhaal. Een bewoner die in 1442 zijn schaarrecht verdedigde was in historische zin een voorganger van de Erfgooiers, maar werd toen niet noodzakelijk zo genoemd. Rond 1700 was het erfelijke karakter inmiddels zo belangrijk geworden dat de nieuwe benaming logisch werd.

43. 1706–1708 — Oud-Bussum veroorzaakt een crisis

Een conflict rond Oud-Bussum bracht de vraag naar de gerechtigden opnieuw op scherp. Een invloedrijke eigenaar liet vee gebruiken zonder zich zonder meer aan de gebruikelijke voorwaarden van Stad en Lande te onderwerpen. De Staten van Holland grepen in. Zij wilden eindelijk duidelijkheid: wie waren de gerechtigden, welke gronden waren gemeenschappelijk en waar lagen hun grenzen? Daarmee begon een inventarisatie die voor de verdere Erfgooiersgeschiedenis beslissend werd. Mondeling familiegeheugen en oude dorpskennis werden voortaan aangevuld door een officiële namenlijst. Een geschil over vee leidde zo tot een administratief document dat meer dan tweeënhalve eeuw later nog bepalend zou zijn voor genealogische aanspraken op het Erfgooierschap.

44. 1708 — 1.088 gerechtigde mannen

De beroemde lijst van 1708 bevatte 1.088 gerechtigden. Daarvan waren 464 scharend en 624 niet-scharend. Dit is een cruciaal gegeven. Een meerderheid bezat dus wel een recht, maar gebruikte op dat moment niet zelf de gemeenschappelijke weide met vee. Het onderscheid tussen recht en daadwerkelijk boerengebruik bestond daarmee al vroeg. De lijst werd later een genealogisch ankerpunt. Wie eeuwen later wilde aantonen dat hij Erfgooier was, kon proberen zijn mannelijke afstamming naar een gerechtigde op deze lijst terug te voeren. Een administratieve momentopname uit 1708 veranderde zo uiteindelijk in een soort genealogische grondwet van de Erfgooiersgemeenschap.

45. 1708–1709 — het gemeenschappelijke land wordt opgemeten

Naast de namen moest ook het land zelf worden vastgelegd. Een kaart werd in 1709 voltooid. De gezamenlijke gronden werden berekend op ongeveer 6.732 Rijnlandse morgen, ruwweg 5.700 hectare. Daarmee werd zichtbaar hoeveel van Gooiland nog door gemeenschappelijk gebruik werd bepaald. Het ging om heiden, graslanden, bossen, venen en andere terreinen. Een nieuwe kaart volgde in 1719, mede in verband met grenskwesties met Utrecht. De ontwikkeling is veelzeggend. Waar grenzen vroeger door herinnering, herkenningspunten en lokale kennis werden bewaakt, kwamen nu landmeters, kaarten en geschreven oppervlaktematen. Het Erfgooiersrecht werd steeds meer administratief, cartografisch en juridisch vastgelegd.

46. De familie Kos — vissers, boeren en Erfgooiers

De lijst krijgt betekenis wanneer we individuele families bekijken. Harmen Lambertz Kos, geboren in Huizen in 1660, was visser en stond in 1708 als gerechtigde geregistreerd. Ook zijn broer Huijbert Lambertz Kos komt voor. Harmens schoonvader Jacob Elbertz Vos was landbouwer, schout en Erfgooier. Zijn zoon Jacob Harmenz Kos werd eveneens visser en gerechtigde. Zo zien we dat Erfgooierschap niet uitsluitend bij grote boeren hoorde. In een dorp als Huizen konden visserij, landbouw, lokaal bestuur en gemeenschappelijke rechten binnen dezelfde familie samenkomen. De lijst bestond dus niet uit abstracte namen maar uit huishoudens die hun bestaan uit land én water haalden.

47. 1730–1760 — schaarmeesters tussen de boeren

Dorpsresoluties uit Laren laten zien hoe gewoon de gemeenschappelijke regels in het dagelijkse leven waren. Herders werden aangesteld, schapen mochten niet overal op het groeiende koren komen en schaarmeesters traden op tegen overtredingen. Ook bomen, sloten en wegen konden onderwerp van plaatselijke besluiten zijn. Dezelfde boeken bevatten maatregelen tegen brand, armoede en bedelarij. Daardoor wordt duidelijk dat Erfgooiersrecht niet losstond van het overige dorpsleven. De man die over een koe op de meent ruziede, moest ook belasting betalen, zijn kinderen naar school sturen en bij brand helpen. Gemeenschappelijk grondgebruik was ingebed in een complete dorpssamenleving, niet in een afzonderlijke juridische wereld.

48. 1768 — Frans Makker zoekt zijn voorouders

In 1768 probeerde Frans Makker uit Eemnes zijn Gooise afkomst te bewijzen. Zijn familie woonde inmiddels buiten Gooiland, waardoor het oude recht problematisch was geworden. Getuigen werden gehoord, onder wie Jan Harmensz de Graaf, Jan Flipse van de Bergh, Rijk Harmense de Graaf en de ongeveer tachtigjarige Henderikje Willem Dirk Heijnen. Zij moesten zich herinneren wie de ouders en grootouders van Frans waren en waar zij vandaan kwamen. Op 26 maart werd in Hilversum een verklaring opgesteld; enkele dagen later erkende Stad en Lande hem onder voorwaarden als gerechtigde. Een eeuwenoud grondrecht werd hier letterlijk afhankelijk van het geheugen van oude dorpsbewoners.

49. 1772 — ook Van Eijden zoekt erkenning

In 1772 volgde een vergelijkbare zaak rond Teunis Rijkse van Eijden, verbonden met de familienaam Schoenmaker. Opnieuw traden oudere mannen als getuigen op. Zij moesten verklaren hoe de familielijn naar vroegere Gooise gerechtigden liep. Zulke procedures tonen hoe erfelijkheid in de praktijk werkte. Er bestond nog geen moderne burgerlijke stand waarmee iedere afstamming eenvoudig kon worden gecontroleerd. Kerkboeken, oude lijsten en mondelinge verklaringen moesten samen het bewijs leveren. Een fout in herinnering of naamgeving kon gevolgen hebben voor een recht dat economische waarde vertegenwoordigde. Het Erfgooierschap werd daardoor niet alleen op de meent maar ook aan de tafel van notarissen, bestuurders en getuigen gereconstrueerd.

50. De familie Luijf — anderhalve eeuw familiegeheugen

De familie Luijf vormt een nog sterker voorbeeld. Een tak verhuisde naar Eemnes en bleef daar generaties wonen. Toch bleef kennelijk de herinnering bestaan dat men uit een gerechtigde Gooise mannelijke lijn stamde. Geurt Gerritse Luijf, geboren in Eemnes in 1844, verhuisde rond 1870 naar Hilversum en verscheen vervolgens op een Erfgooierslijst. Daarmee kon een recht na een zeer lange periode buiten Gooiland opnieuw betekenis krijgen wanneer de woonplaats en afstamming aan de voorwaarden voldeden. Het laat zien hoe sterk familiegeheugen kon zijn. Grootvaders vertelden kennelijk niet alleen waar de familie vandaan kwam, maar ook dat die afkomst ooit toegang tot de Gooise gemeenschappelijke rechten kon geven.

51. 1788 — boeren willen zelf op schadelijk wild jagen

De gemeenschappelijke belangen gingen verder dan vee en turf. Boeren ondervonden schade van konijnen en ander wild, terwijl de jacht aan bijzondere rechten en verpachtingen was gebonden. Stad en Lande probeerde daarom ruimere mogelijkheden te verkrijgen. Een verzoek werd op 11 april 1788 afgewezen. Dit lijkt aanvankelijk een zijpad, maar het wordt later belangrijk. De vraag wie op de Gooise gronden mocht jagen zou aan het einde van de negentiende eeuw opnieuw ontploffen. De boer zag een haas of konijn niet noodzakelijk als aantrekkelijk jachtwild; het dier kon zijn gewassen opeten. Daarmee botsten opnieuw verschillende waarderingen van hetzelfde landschap: landbouwbelang, jachtrecht en bestuurlijke inkomsten.

52. 1809 — gemeenschappelijke grond wordt „woeste grond”

In de Napoleontische tijd veranderde de bestuurlijke blik op gemeenschappelijke gronden. Een wet van 16 april 1809 stimuleerde verdeling en ontginning. Voor hervormers waren heide en andere niet-intensief bebouwde terreinen vaak „woeste gronden” die productiever konden worden gemaakt. Voor Gooise boeren was dat een misleidende voorstelling. Heide leverde schapenvoer en plaggen; meenten waren essentieel voor runderen en paarden. Wat de moderne overheid als onbenutte ruimte zag, was binnen het traditionele landbouwsysteem juist productief. De Erfgooiers kwamen daarmee tegenover een nieuwe tegenstander te staan: niet een naburige turfgraver, maar een economische ideologie die gemeenschappelijk gebruik zelf als achterhaald begon te beschouwen.

53. 23 januari 1811 — vergadering in de Grote Kerk

Op 23 januari 1811 kwamen de gerechtigden bijeen in de Grote Kerk van Naarden om over verdeling van de gemeenschappelijke gronden te spreken. Zij wezen die af. Vooral het behoud van de bestaande agrarische gebruiksmogelijkheden woog zwaar. De plaats van de bijeenkomst is symbolisch. Naarden was al eeuwen het bestuurlijke middelpunt van de Gooise gemeenschap. Waar in 1326 nog een hoorn had geklonken om mensen bijeen te roepen, vulden gerechtigden nu een monumentale kerk om over hun gezamenlijke land te beslissen. De stemming toonde dat de oude gebruikseconomie ondanks bestuurlijke hervormingen nog levend was: de meeste betrokkenen wilden geen geld of kavels, maar hun gemeenschappelijke grond behouden.

54. 1836 — Albertus Perk en de grote overeenkomst

In de negentiende eeuw werd een definitieve herziening onvermijdelijk. Albertus Perk, Hilversums notaris, secretaris en kenner van Gooiland, speelde een belangrijke rol bij de regeling van 1836 tussen de staat en de Gooise gerechtigden. De oude verhouding waarbij landsheerlijke eigendomsaanspraken en plaatselijke gebruiksrechten naast elkaar bestonden werd ingrijpend veranderd. Stad en Lande kreeg een sterkere eigendomspositie over een deel van de gronden, terwijl andere terreinen aan de staat kwamen. In 1843 volgde verdere afwikkeling. De gemeenschap had daarmee iets gewonnen waar zij eeuwenlang niet volledig over beschikte: grond die niet alleen gebruikt, maar in veel sterkere zin als gezamenlijk eigendom behandeld kon worden.

55. Na 1836 — het recht verandert langzaam in vermogen

De nieuwe eigendomspositie had een onbedoeld gevolg. Zolang een Erfgooiersrecht hoofdzakelijk betekende dat een boer koeien of paarden mocht laten grazen, was het vooral voor veehouders waardevol. Zodra Stad en Lande grond kon verkopen, kreeg ook een niet-boerende gerechtigde een rechtstreeks financieel belang. Hij kon zich afvragen waarom kostbare heide behouden moest blijven voor een kleine groep boeren wanneer verkoop geld voor alle gerechtigden kon opleveren. Daarmee ontstond een tegenstelling die uiteindelijk de organisatie zou breken. De scharende Erfgooier zag gras en bedrijfsruimte; de niet-scharende Erfgooier zag steeds vaker een aandeel in gezamenlijk vermogen. Beide konden zich daarbij op hetzelfde oude recht beroepen.

56. 1874 — de spoorlijn verandert de waarde van het Gooi

De spoorlijn Amsterdam–Amersfoort, geopend in 1874, veranderde Gooiland ingrijpend. Bussum en Hilversum kregen goede verbindingen met Amsterdam. Welgestelde stedelingen ontdekten het Gooi als woongebied en er verschenen villa's, nieuwe wegen en woonwijken. Daardoor steeg de grondwaarde. Een hectare heide die voor een Erfgooier vooral schapenweide of plaggenland betekende, kon voor een projectontwikkelaar of nieuwe bewoner bouwgrond worden. Gemeenten kregen eveneens belang bij uitbreiding. De eeuwenoude vraag „wie mag deze grond gebruiken?” veranderde daardoor langzaam in „wie mag deze grond verkopen en wie krijgt het geld?” De moderne grondmarkt werd uiteindelijk gevaarlijker voor het oude stelsel dan middeleeuwse turfgravers ooit waren geweest.

57. 1898–1899 — Harmen Vos en de beroemde haas

Aan het einde van de negentiende eeuw werd Harmen Vos een symbool van verzet. Stad en Lande had de jacht op de gemeenschappelijke gronden verpacht aan het Kroondomein. Vos vond dat zijn oude rechten daarmee werden aangetast en bleef zelf jagen. Hij kreeg processen-verbaal maar liet zich niet gemakkelijk stoppen. De bronnen verschillen nog over 1898 of 1899 als precies beginpunt van de beroemde hazenkwestie; die onzekerheid moet blijven staan totdat het oorspronkelijke processtuk is gecontroleerd. Belangrijker is het gevolg. Een conflict over een haas groeide uit tot een veel bredere vraag: vertegenwoordigde het bestaande bestuur werkelijk nog de gerechtigde Erfgooiers?

58. 4 april 1900 — tweehonderd mannen in de Grote Kerk

Op 4 april 1900 kwamen ongeveer tweehonderd ontevreden Erfgooiers bijeen in de Grote Kerk van Naarden. De bijeenkomst was geïnitieerd door Machiel Janszoon Majoor uit Laren. Verzoeken aan het bestaande bestuur hadden volgens hen onvoldoende opgeleverd. Daarom zegden zij het gezag van de oude Vergadering van Stad en Lande op en vormden een eigen organisatie. Floris Vos ontwikkelde zich vervolgens tot de belangrijkste leider van de Nieuwe Partij. Daarmee ontstond een uitzonderlijke situatie: twee groepen beweerden tegelijkertijd namens de echte gerechtigden te spreken. Een conflict over gemeenschappelijke grond was veranderd in een conflict over legitimiteit, vertegenwoordiging en de vraag wie eigenlijk Stad en Lande was.

59. 1900–1903 — de koeienguerrilla

De strijd bleef niet beperkt tot papier. Leden van de Nieuwe Partij wilden hun vee op de meenten brengen zonder schaargeld aan het oude bestuur te betalen. Hekken werden geopend of verwijderd, dieren werden binnengebracht en door tegenstanders weer weggehaald. Bij een actie werden ongeveer zestig koeien op de Naardermeent gedreven. Het oude recht werd zo letterlijk met vee uitgeprobeerd. Wie de koeien toeliet, erkende feitelijk het nieuwe bestuur; wie ze liet verwijderen, erkende het oude. De schaardag werd daardoor een politieke demonstratie. Een gebruik dat sinds de middeleeuwen bedoeld was om de hoeveelheid vee ordelijk te regelen, veranderde rond 1900 in een strijdmiddel tegen het eigen Erfgooiersbestuur.

60. 1903 — bloed op de Blaricumse meent

In 1903 escaleerde de strijd in Blaricum. Een Erfgooier wilde vee op de meent brengen zonder aan de meentmeesters van het oude bestuur schaargeld te betalen. De burgemeester liet militairen optreden. Tijdens de confrontatie werd geschoten en een Erfgooier kwam om het leven. De precieze naam, datum en volledige reconstructie van de schietpartij blijven afzonderlijke onderzoeksdoelen, maar het politieke gevolg staat vast. De gebeurtenis kreeg landelijke aandacht. Theo Heemskerk stelde de kwestie in de Tweede Kamer aan de orde en de minister van Binnenlandse Zaken verlangde neutraliteit van het lokale gezag. Middeleeuwse gebruiksrechten hadden daarmee geleid tot een dodelijk conflict in het moderne Nederland.

61. 1903–1911 — Floris Vos organiseert de tegenmacht

Onder Floris Vos ontwikkelde de oppositie zich tot een serieuze bestuurlijke tegenmacht. Het Hoofdbestuur van de gerechtigden organiseerde bijeenkomsten, verkiezingen en juridische acties. De kwestie kon niet langer worden opgelost door een paar koeien in beslag te nemen. Er moest worden vastgesteld wie gerechtigd was, welke positie de gemeenten hadden, wie de gemeenschappelijke grond beheerde en hoe scharende en niet-scharende leden vertegenwoordigd moesten worden. De rijksoverheid raakte steeds intensiever betrokken. Daarmee herhaalde zich een oud Goois patroon. Conflicten uit 1517 en 1546 waren eveneens naar hogere gerechtshoven gebracht. Rond 1900 leidde interne ruzie opnieuw tot formalisering van rechten door een hogere overheid.

62. 1912 — Nederland krijgt een Erfgooierswet

De oplossing kwam met de Erfgooierswet van 1912. Minister Theo Heemskerk en jurist S. Gratama speelden bij de totstandkoming een belangrijke rol. De wet erkende de Vereniging Stad en Lande van Gooiland en regelde haar bezit, bestuur en leden. Daarmee gebeurde iets uitzonderlijks. Een gemeenschap waarvan de wortels in middeleeuws gewoonterecht lagen, kreeg in de twintigste eeuw een eigen wettelijke regeling van de Nederlandse staat. Veel andere Nederlandse marken en meenten waren in de negentiende eeuw verdeeld of verdwenen. De Gooise gemeenschap overleefde juist en werd opnieuw juridisch opgebouwd. Dat is een van de belangrijkste redenen waarom de Erfgooiers werkelijk uitzonderlijk zijn.

63. 1912 — wie mocht zich Erfgooier noemen?

De wet formaliseerde ook het lidmaatschap. Mannelijke afstamming uit gerechtigde families en verblijf binnen de daarvoor geldende Gooise gemeenten bleven belangrijk. Jaarlijks werden ledenlijsten bijgehouden. Daarnaast bestonden bijzondere bepalingen voor onder meer weduwen en zoons die onder voorwaarden schaarrecht konden uitoefenen. Het oude onderscheid tussen Erfgooier en scharende Erfgooier bleef essentieel. Een man kon lid zijn zonder zelf een boerenbedrijf te bezitten. Scharen vereiste aanvullende agrarische voorwaarden, zoals het daadwerkelijk houden van vee. Daarmee bevatte de wet dezelfde spanning die al in 1708 zichtbaar was: duizenden mensen konden rechten hebben terwijl slechts een relatief kleine groep de meenten dagelijks als landbouwgrond gebruikte.

64. 1913 — het nieuwe Stad en Lande begint

Hoewel de Erfgooierswet in 1912 tot stand kwam, duurde de overgang naar het nieuwe bestuur nog enige tijd. Pas na de ontbinding van de oude bestuursstructuur kon de wettelijk geregelde vereniging volledig functioneren. Onder voorzitter Luden begon Stad en Lande de meenten doelgerichter te verbeteren. Het oude landschap werd daarmee niet alleen verdedigd maar ook gemoderniseerd. Betere agrarische bedrijfsvoering moest de scharende boeren helpen. Tegelijkertijd bleven de niet-scharende leden numeriek in de meerderheid. De wettelijke oplossing had dus de organisatie gered, maar niet haar fundamentele belangenconflict opgelost. De vraag bleef bestaan of de gemeenschappelijke bezittingen vooral landbouwgrond voor boeren of vermogen van alle gerechtigden waren.

65. 1921 — niet-scharenden willen geld zien

In 1921 kwam het conflict scherp naar voren. Niet-scharende leden wilden meer financieel voordeel uit de gemeenschappelijke bezittingen halen en probeerden uitkeringen mogelijk te maken. Gedeputeerde Staten grepen in omdat zulke besluiten niet zonder meer pasten bij het wettelijke doel van de vereniging. De spanning liep verder op. Niet-scharenden organiseerden zich onder andere in Macht door Recht, eisten invloed en konden tijdens vergaderingen tegen jaarrekeningen stemmen. De boeren vonden juist dat de gronden voor landbouw en veehouderij behouden moesten blijven. Het oude verschil tussen een koe op de meent en een naam op de ledenlijst werd daardoor een politiek conflict: wie had het meeste recht op de economische opbrengst van eeuwen gemeenschappelijk bezit?

66. 1926 — zoeken naar een bevrediging

Een Bevredigingscommissie probeerde in 1926 de strijd tussen verschillende belangen te verzachten. De gedachte was dat natuurkundig waardevolle terreinen beschermd konden worden, terwijl Stad en Lande op andere gronden meer vrijheid zou krijgen. Ook werd gedacht aan gedeeltelijke uitkering van verkoopopbrengsten en winsten aan de gerechtigden. Tegelijkertijd ontstond een bredere beweging om het karakteristieke Gooise landschap te behouden. De heide die voor een middeleeuwse boer vooral schapenland was geweest, kreeg nu een nieuwe maatschappelijke waarde: natuur, landschap en recreatie. Daardoor verscheen naast de scharende boer en de geld verlangende niet-scharende Erfgooier een derde partij: de natuurbeschermer.

67. 1932 — het Goois Natuurreservaat

Na jaren onderhandelen werd in 1932 het Goois Natuurreservaat opgericht. De Gooise gemeenten, de provincie Noord-Holland en Amsterdam werkten samen om grote delen bos en heide veilig te stellen. Een wetswijziging maakte verkoop door Stad en Lande mogelijk. Uiteindelijk werd ongeveer 1.524 hectare voor circa twee miljoen gulden overgedragen. Het was een beslissend moment. Grond die eeuwenlang als gemeenschappelijke economische hulpbron was verdedigd, werd nu gekocht om haar juist als landschap en natuur te bewaren. Daardoor is een deel van het huidige open Gooi indirect een monument van de Erfgooiersgeschiedenis. Zonder hun eeuwenlange weerstand tegen verdeling en bebouwing had het landschap er waarschijnlijk heel anders uitgezien.

68. 1933 — ƒ566,04 voor 2.973 Erfgooiers

Na de grote verkoop moesten alle gerechtigden worden opgespoord. Daarbij verschenen ook zogenaamde slapende Erfgooiers: mannen die genealogisch nog gerechtigd waren maar nauwelijks meer betrokken waren bij Stad en Lande. Uiteindelijk ontvingen in 1933 ongeveer 2.973 leden ieder ƒ566,04. Het bedrag laat de fundamentele verandering van het recht zien. Eeuwen eerder betekende gerechtigd zijn vooral toegang tot gras, turf, hout en heide. Nu kon hetzelfde historische recht rechtstreeks in geld worden omgezet. Voor een niet-boerende Erfgooier was dat tastbaarder dan het recht om koeien te scharen. De transactie versterkte daardoor precies de ontwikkeling die uiteindelijk tot liquidatie zou leiden: gemeenschapsrecht werd steeds meer vermogensrecht.

69. Jaren dertig — de boeren blijven scharen

De verkoop betekende niet dat de agrarische functie onmiddellijk verdween. Stad en Lande behield grote oppervlakten meent en grasland. Enkele honderden scharende boeren bleven daarvan gebruikmaken. De organisatie probeerde de landbouw te moderniseren en onderzocht plannen om de versnipperde weiden praktischer te gebruiken. Een zogenoemd kampenplan moest boeren mogelijk afzonderlijke weidepercelen geven in plaats van voortdurend gemeenschappelijk gebruik. Ook werd later gedacht aan landbouwgrond in nieuwe polders. Zulke plannen tonen dat Stad en Lande zichzelf nog altijd als levende landbouworganisatie beschouwde. De buitenwereld zag de Erfgooiers misschien als historisch verschijnsel; voor de boer bleef de vraag praktisch: waar moet morgen mijn vee grazen?

70. 10 mei 1940 — een telegram tijdens de Duitse inval

Een opmerkelijk archiefdetail brengt dat dagelijkse bedrijf midden in de wereldgeschiedenis. Stad en Lande werkte aan een grasdrogerij, waarmee gras tot beter houdbaar veevoer kon worden verwerkt. Op 10 mei 1940, precies de dag waarop Duitsland Nederland binnenviel, verstuurde de organisatie nog een telegram over een partij bouwmateriaal die niet was aangekomen. Terwijl Duitse vliegtuigen en troepen de Nederlandse oorlog begonnen, hield het Erfgooiersbestuur zich dus ook bezig met een ontbrekende bouwlevering. In juli 1940 werd de grasdrogerij feestelijk geopend. Het detail laat zien hoe historische instituties werkelijk functioneren: zelfs tijdens een invasie moesten koeien gevoerd en landbouwbedrijven draaiende gehouden worden.

71. Na 1945 — de dorpen worden woonplaatsen

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het Gooi sneller dan ooit. Hilversum, Bussum, Huizen, Laren en Blaricum groeiden. Nieuwe woningen, wegen en voorzieningen vroegen ruimte. Veel inwoners hadden niets meer met landbouw te maken. Tegelijkertijd daalde het aantal scharende Erfgooiers. De economische verhouding werd daardoor steeds moeilijker te verdedigen. Een kleine groep boeren gebruikte zeer waardevolle gemeenschappelijke graslanden, terwijl duizenden niet-scharende gerechtigden slechts indirect profiteerden. Wat in 1442 nog een regeling tussen boeren was geweest, functioneerde nu midden in een sterk verstedelijkte regio. De vraag werd onvermijdelijk: had een middeleeuws gegroeide agrarische gebruiksgemeenschap nog een functie in een moderne woon- en diensteneconomie?

72. Jaren vijftig en zestig — steeds minder scharenden

Het aantal werkelijke landbouwers bleef dalen. Regionale plannen legden steeds meer nadruk op woningbouw en ruimtelijke ontwikkeling. Tegelijkertijd waren de gemeenschappelijke gronden door hun ligging enorm in waarde gestegen. Daardoor groeide de tegenstelling tussen gebruik en vermogen nog verder. Voor de overgebleven boer betekende een hectare meent gras en bedrijfscontinuïteit. Voor een niet-scharende gerechtigde kon dezelfde hectare een potentiële verkoopopbrengst vertegenwoordigen. De verhouding uit 1708 — toen 624 van de 1.088 gerechtigden al niet scharend waren — was nu extreem geworden. De gemeenschap had haar eigen succes overleefd: het erfelijke recht bleef bestaan terwijl de economische activiteit waarvoor het ooit noodzakelijk was grotendeels verdween.

73. 1968 — duizend jaar wordt herdacht

In 1968 werd uitvoerig stilgestaan bij de traditionele duizendjarige geschiedenis die vanaf de oorkonde van 968 werd gerekend. Die herdenking heeft later voor verwarring gezorgd. Sommige secundaire bronnen noemen 1968 zelfs ten onrechte als het jaar waarin Stad en Lande werd ontbonden. Dat gebeurde niet. De vereniging bestond daarna nog. De herdenking is wel historisch interessant omdat zij toont hoe sterk de Erfgooiers inmiddels als erfgoed en identiteit werden beschouwd. De organisatie die ooit praktisch bepaalde hoeveel koeien op de meent mochten lopen, keek nu zelf terug op een vermeende duizendjarige geschiedenis. Tegelijkertijd naderde juist op dat moment haar werkelijke institutionele einde.

74. 1971 — ongeveer 150 boeren tegenover duizenden leden

Rond 1971 waren volgens Anton Kos nog ongeveer 150 scharende Erfgooiers tegenover bijna 5.000 niet-scharenden. Daarmee was het oorspronkelijke evenwicht volledig verschoven. De meerderheid had geen praktisch landbouwbelang meer bij het behouden van de oude gemeenschappelijke organisatie. Voor hen was liquidatie financieel en bestuurlijk aantrekkelijker. De boeren zagen dat anders: voor hen waren de meenten nog werkelijk productiemiddel. Het oude conflict tussen rijk en arm, schaap en koe, Naarden en dorpen had plaatsgemaakt voor de laatste tegenstelling: gebruiker tegenover aandeelhouder. Een systeem dat eeuwenlang was gebouwd rond daadwerkelijke benutting van het landschap kon uiteindelijk niet overeind blijven toen bijna alle gerechtigden dat landschap niet meer gebruikten.

75. 1971 — 3.012 stemmen voor liquidatie

In 1971 werd over de toekomst gestemd. De uitslag was overweldigend: 3.012 gerechtigden stemden voor liquidatie en 164 tegen. Daarmee was het lot van de organisatie feitelijk beslist. Het bijzondere is dat Stad en Lande niet uiteindelijk door een graaf, koning, minister of gemeente werd vernietigd. De meerderheid van de gerechtigden koos zelf voor beëindiging. Dezelfde erfelijkheid die de gemeenschap eeuwenlang had beschermd, had duizenden leden voortgebracht die geen boer meer waren en daardoor andere belangen hadden gekregen. Het systeem werd uiteindelijk dus niet van buitenaf verslagen. Het veranderde van binnenuit totdat de meerderheid van de Erfgooiers zelf geen reden meer zag om de oude organisatie te behouden.

76. 1977 — opnieuw de Grote Kerk van Naarden

De liquidatie vergde jaren. In 1977 vond de laatste vergadering plaats in de Grote Kerk van Naarden. Daarmee keerde de geschiedenis opvallend naar dezelfde plaats terug. Hier hadden gerechtigden in 1811 tegen verdeling van hun gemeenschappelijke gronden gestemd. Hier hadden ongeveer tweehonderd rebellerende Erfgooiers in 1900 het gezag van het oude bestuur verworpen. Nu kwamen de laatste leden bijeen terwijl Stad en Lande juist werd afgewikkeld. Naarden was sinds de middeleeuwen bestuurlijk middelpunt van de Gooise gemeenschap geweest. De laatste vergadering in de kerk vormde daarom geen willekeurige locatie, maar een bijna symbolisch afscheid van eeuwen gezamenlijk vergaderen over hetzelfde land.

77. 28 april 1979 — Stad en Lande eindigt

Op 28 april 1979 werd de liquidatie voltooid. Daarmee eindigde de institutionele geschiedenis van Stad en Lande. Het is belangrijk de chronologie scherp te houden: 1968 was een herdenkingsjaar, 1971 bracht de beslissende stemming, 1977 de laatste vergadering en 1979 de uiteindelijke liquidatie. De gemeenschap was niet werkelijk duizend jaar onveranderd blijven bestaan. Haar middeleeuwse gebruiksrechten, vroegmoderne schaarregelingen, negentiende-eeuwse eigendomspositie en twintigste-eeuwse wettelijke vereniging verschilden sterk van elkaar. Toch liep er een herkenbare lijn doorheen: bewoners van Gooiland bleven generaties lang gezamenlijk beslissen over gronden die geen afzonderlijke gebruiker alleen toebehoorden of alleen kon benutten.

78. De riek werd een symbool

In de herinneringscultuur van de Erfgooiers kreeg de riek of mestvork een bijzondere plaats. Het was allereerst gewoon boerenwerktuig, maar werd later symbool van de eigenzinnige Gooier die zijn land verdedigde. Vooral de strijd rond 's-Graveland droeg aan dat beeld bij. Rond 1900 kregen koeien, hekken en schaargeld ongeveer dezelfde symbolische lading. De Erfgooier verdedigde zijn recht namelijk niet uitsluitend met oude oorkonden of advocaten. Hij bracht vee naar de meent, opende een hek of weigerde te betalen aan een bestuur dat hij niet erkende. Daardoor bleef het grondrecht steeds verbonden met lichamelijk werk en daadwerkelijk gebruik van het landschap, zelfs wanneer juristen er ingewikkelde procedures over voerden.

79. Hille en Hilvert — hoe de Gooiers zichzelf verhalen gaven

Rond de Erfgooiers ontstonden ook legenden. Een verhaal vertelt over Harmen, een rijke boer uit Laren, die door gokken zijn dochter Hille zou hebben verloren. Zij vluchtte tijdens een storm en vond bescherming bij boer Hilvert. Hille en Hilvert trouwden en hun nakomelingen zouden de voorouders van de Erfgooiers zijn geworden; zelfs de naam Hilversum werd ermee verbonden. Historisch bewijs bestaat daarvoor niet. Juist daarom is het verhaal cultuurhistorisch interessant. Een gemeenschap met ingewikkelde schaarbrieven, rechtszaken en genealogieën gaf zichzelf daarnaast een eenvoudige oorsprongsmythe over boeren, liefde en land. De legende vertelt niet waar de Erfgooiers werkelijk vandaan kwamen, maar hoe men hun ouderdom wilde verbeelden.

80. Herders, armen en kleine boeren

De geschiedenis mag niet eindigen bij bestuurders en rechtszaken. In de dorpen leefden ook kleine boeren, herders, vissers, wevers, timmerlieden, arbeiders, weduwen en armen. In Blaricum konden eenvoudige woningen worden gebouwd van oud hout, heideplaggen en leem. In Laren verschijnen herders en behoeftige inwoners in de dorpsresoluties. De gemeenschappelijke grond kon voor zulke huishoudens relatief belangrijker zijn dan voor rijke boeren met veel eigen land. Een beetje weide, turf, hout of plaggen kon het verschil maken tussen zelfstandigheid en volledige afhankelijkheid van loon of armenzorg. Daarom moet Erfgooiersrecht ook worden gelezen als geschiedenis van bestaanszekerheid, sociale verschillen en toegang tot natuurlijke hulpbronnen.

81. De vergelijking met de Orthense Schaar

De vergelijking met Orthen bij 's-Hertogenbosch maakt duidelijk dat scharen en schaarmeesters niet uniek Goois waren. Ook daar bestond een gemeenschappelijke gement, werden koeien en paarden geschaard, kozen inwoners schaarmeesters en werden inkomsten en lasten gezamenlijk beheerd. Er bestond zelfs een eigen archiefkist. Toen de gemeente 's-Hertogenbosch in de negentiende eeuw meer macht over de gronden opeiste, ontstonden langdurige processen. In 1865 legden alle 85 leden ieder tien gulden in om hun rechten te verdedigen. Uiteindelijk verdween de Corporatie Orthen in 1871. De vergelijking laat daardoor juist scherper zien wat aan de Erfgooiers werkelijk uitzonderlijk was.

82. Niet het scharen was uniek, maar het overleven

Nederland kende meer marken, meenten, gemeynten en andere vormen van collectief grondgebruik. Ook schaarmeesters en gereguleerde beweiding kwamen elders voor. Het bijzondere van Gooiland was daarom niet dat boeren ooit gemeenschappelijke gronden gebruikten. Het uitzonderlijke was dat hun rechtsgemeenschap de grote golf van verdeling en ontmanteling in de achttiende en negentiende eeuw overleefde. De Gooiers procedeerden, maakten nieuwe afspraken, pasten hun organisatie aan en wisten in 1912 zelfs een eigen nationale wet te verkrijgen. Waar de Orthense gemeenschap in 1871 verdween, bleef Stad en Lande nog meer dan een eeuw bestaan. Continuïteit door voortdurende verandering is daarom een betere typering dan duizend jaar onveranderde traditie.

83. Het landschap is het grootste overgebleven document

Na 1979 verdween de organisatie, maar het landschap bleef gedeeltelijk bestaan. Heidevelden, oude meenten, engen, banscheidingen, grensstenen en natuurgebieden bewaren sporen van de vroegere gebruikswereld. De overdracht van grote terreinen aan het Goois Natuurreservaat hielp voorkomen dat alles werd bebouwd. Wie tegenwoordig over de Gooise heide loopt, ziet daarom niet uitsluitend natuur. De openheid is mede gevormd door eeuwen begrazing, plaggensteken, schapenhouderij, regelgeving en strijd tegen privatisering. Een grenspaal, oude leemkuil of voormalige meent kan evenveel over de Erfgooiers vertellen als een schaarbrief. Het landschap zelf is uiteindelijk het grootste archief dat Stad en Lande heeft achtergelaten.

84. Van de hoorn naar de laatste vergadering

De lange geschiedenis kan uiteindelijk worden verbonden door enkele momenten. In 1326 klonk de hoorn waarmee Gooiers bijeenkwamen. In 1404 werd de eerste schaarbrief opgesteld. In 1449 spijkerde een deurwaarder zijn brieven aan kerkdeuren. In 1516 verkochten arme herders hun schapen. In 1545 riskeerde een turfhandelaar paard, wagen en water-en-broodstraf. In 1708 werden 1.088 gerechtigden geregistreerd. In 1811 verwierpen zij verdeling. In 1903 viel een dode. In 1912 kwam de Erfgooierswet. In 1933 kregen duizenden leden ƒ566,04. In 1971 kozen zij voor liquidatie. In 1979 eindigde Stad en Lande.

85. Wat de Erfgooiers werkelijk bijeenhield

De Erfgooiers bleven dus niet bijna duizend jaar hetzelfde. Hun organisatie veranderde voortdurend. Eerst draaide het om gewoonte en daadwerkelijk gebruik; daarna kwamen schaarbrieven, processen, kaarten, namenlijsten, eigendom, een wettelijke vereniging en uiteindelijk financiële uitkeringen. Toch bleef steeds dezelfde fundamentele vraag terugkomen: wie mag het Gooise land gebruiken, hoeveel mag hij ervan gebruiken en wie beslist daarover? In de middeleeuwen ging het om gras, hout, turf en schapen. In de twintigste eeuw om natuur, bouwgrond en miljoenen guldens. De ontwikkeling kan bijna in één beeld worden samengevat: het begon met een boer die zijn koe naar de meent bracht en eindigde toen die koe uiteindelijk een aandeel in grondvermogen was geworden.

De Erfgooiers — van Naerdinclant tot het einde van Stad en Lande

1. Naerdinclant vóór de Erfgooiers

Lang voordat iemand zich Erfgooier noemde, bestond het gebied als Naerdinclant. De latere gemeenschappelijke rechten moeten daarom niet worden voorgesteld alsof in de tiende eeuw al een volledig georganiseerde Erfgooiersgemeenschap bestond. Het landschap maakte deel uit van een oudere domeinwereld, waarin grond, boerenbedrijven en gezagsrechten met elkaar verbonden waren. Boeren gebruikten akkers, weiden, bossen, heiden en andere ongecultiveerde gronden. Juist die combinatie was noodzakelijk: de akker alleen kon een huishouden niet onderhouden. Het latere schaarrecht groeide uit deze veel oudere praktijk van gezamenlijk gebruik. De geschiedenis begint daarom met landschap en landbouw, niet met een vereniging die ineens werd opgericht.

2. Van domein naar gemeenschappelijk gebruik

Binnen het oude domeinstelsel lagen vroonland en boerenhoeven naast elkaar. Mensen konden verplicht zijn te ploegen, maaien, vervoeren, wegen te onderhouden en andere diensten voor de heer te verrichten. Daarnaast waren er knechten en onvrije bewoners. Toen dit hofstelsel geleidelijk verzwakte, werden de boerenbedrijven zelfstandiger. Tegelijk bleven gronden bestaan die niet eenvoudig bij één hoeve hoorden. Heide, bos, weide, venen en moerassige terreinen werden gezamenlijk benut. Daaruit ontstond geen moderne gemeenschappelijke eigendom, maar een bundel gebruiksrechten. Die ontwikkeling is essentieel: de latere Erfgooiers kwamen niet voort uit een plotseling privilege, maar uit een langdurige verandering van domeingebruik naar een georganiseerde gebruikersgemeenschap.

3. Een landschap waarvan alles werd gebruikt

De zogenaamde woeste gronden waren voor boeren helemaal niet waardeloos. Op de meenten graasden koeien en paarden; de heide voedde schapen en leverde plaggen. Bossen leverden brand- en gebruikshout, terwijl varkens er tijdens het akeren eikels zochten. Uit venen kwam turf. Biezen, mos, strooisel en ander plantaardig materiaal konden in het boerenbedrijf worden gebruikt. Hooiland leverde wintervoer. Daardoor ontstond een kringloop waarin het gemeenschappelijke landschap rechtstreeks met de akkers was verbonden. Heideplaggen en strooisel kwamen in de stal, vermengden zich met mest en gingen daarna naar de engen. Zonder deze gronden kon een Gooise boerderij nauwelijks functioneren.

4. Elten en het oude Naerdinclant

Een belangrijke vroege machtslaag wordt gevormd door de abdij van Elten. De geschiedenis daarvan is verbonden met Wichman en zijn dochter Liutgard. Oorkonden uit de tiende eeuw plaatsen Naerdinclant binnen deze wereld van koninklijk en kerkelijk bezit. Dat betekent echter niet dat de latere Erfgooiersrechten toen al in hun bekende vorm bestonden. De documenten bewijzen vooral dat er een oudere grondheerlijke structuur bestond waarbinnen plaatselijke bewoners hun bedrijven en omliggende gronden gebruikten. Juist daarom moeten de traditionele verhalen over “duizend jaar Erfgooiers sinds 968” voorzichtig worden behandeld: 968 is belangrijk voor de voorgeschiedenis van het gebied, maar geen betrouwbare oprichtingsdatum van de Erfgooiersorganisatie.

5. 1129 — de vroonhof Naerdinclant

Een bevestiging uit 1129, verbonden met keizer Lotharius III, noemt het bezit volgens de onderzochte bronnen als de vroonhof die Naerdinclant wordt genoemd. Dat woord is belangrijk. Het wijst terug naar een georganiseerd domein waarvan afhankelijke hoeven en gebruiksgronden deel uitmaakten. De gemeenschappelijke rechten van later kunnen daarom gedeeltelijk zijn voortgekomen uit gebruik dat oorspronkelijk binnen zo’n grondheerlijk domein plaatsvond. Naarmate de directe macht van de grondheer afnam, konden oude gebruiksgewoonten steviger rechten worden. Het latere verhaal van de Erfgooiers is daardoor tegelijk een verhaal van institutionele slijtage: verplichtingen verdwenen, terwijl bepaalde aanspraken van de gebruikers juist bleven bestaan en sterker werden.

6. 1280 — Floris V koopt niet eenvoudig Gooiland

Op 13 mei 1280 bereikten graaf Floris V en abdis Godelinde van Elten op kasteel Vreeland een overeenkomst. De populaire voorstelling dat Floris toen eenvoudig Gooiland en de rechten van de Erfgooiers kocht, is te grof. Het ging om een ingewikkelder overdracht of verpachting van gezagsrechten. Floris betaalde een bedrag ineens en jaarlijks 25 Utrechtse ponden. Elten behield rechten; bij het niet nakomen van verplichtingen kon het verpachte terugvallen. De overeenkomst paste bovendien in de machtsstrijd rond het gebied. De Van Amstels, Utrecht, Elten en de graaf van Holland hadden ieder belangen. De Gooise boeren leefden midden in die concurrerende rechtswerelden.

7. 1296 — Floris V en de Gooise herinnering

Toen Floris V in 1296 gevangen werd genomen, vermeldt Melis Stoke dat Gooilanders probeerden hem te bevrijden. Zij kwamen te laat en troffen de graaf dood aan. Dat is een historisch gegeven, maar de latere verklaring dat zij hem wilden redden omdat hij hun de gemene gronden had geschonken, kan niet zonder meer uit de middeleeuwse bronnen worden afgeleid. Het verhaal laat vooral zien hoe Floris later onderdeel werd van de collectieve Gooise herinnering. Eeuwenlang kon een werkelijk gebeurde reddingspoging worden verbonden met een veel moeilijker bewijsbare oorsprongsmythe over landrechten. Voor het Erfgooiersverhaal moeten historische gebeurtenis en latere verklaring daarom afzonderlijk zichtbaar blijven.

8. 1326 — vergaderen na het blazen van de hoorn

De gebruikers van het Gooise land organiseerden zich al voordat de eerste bekende Schaarbrief verscheen. In 1326 greep graaf Willem III in omdat Gooilanders zelfstandig bijeenkwamen. Een vertegenwoordiger van de graaf moest voortaan betrokken worden bij het bijeenroepen van zo’n vergadering, waarbij sprake is van “het blasen van den horne”. Dat kleine detail maakt de bestuurlijke wereld tastbaar. Een hoorn kon mensen uit verschillende nederzettingen bijeenroepen om over gemeenschappelijke belangen te spreken. Tegelijk toont het ingrijpen van de graaf dat zulke bijeenkomsten politieke betekenis hadden. De gebruikersgemeenschap was nog geen latere vereniging, maar zij was kennelijk georganiseerd genoeg om door de landsheer gecontroleerd te worden.

9. Eemnessers en de strijd om ontginning

Ook in de veertiende eeuw botsten Gooise gebruikers met mensen uit het Sticht. Willem IV gaf Eemnessers ruimte om gemeenschappelijke Gooise grond te ontginnen. Dat leidde niet alleen tot juridische protesten, maar volgens de gereconstrueerde geschiedenis zelfs tot vechtpartijen. Uiteindelijk konden ontginningen slechts plaatsvinden met instemming van de “goede luden van Gooiland”. Daarmee verschijnt een patroon dat eeuwenlang terugkeert: de Gooise gemeenschap verzette zich vooral wanneer buitenstaanders grond gingen gebruiken alsof deze onbeheerd of vrij beschikbaar was. De latere conflicten met Stichtenaren, Loosdrechters, Amsterdamse ondernemers en projectontwikkelaars hebben dus een veel oudere voorgeschiedenis van grensbewaking en verdediging van collectief gebruik.

10. 1396 — Naarden breidt zijn macht uit

In 1396 werd het rechtsgebied van Naarden aanzienlijk uitgebreid. De grens reikte tot de Loodijk en omvatte daardoor terreinen die voor omliggende dorpen, waaronder Hilversum, economisch belangrijk waren. Daarmee ontstond een structureel probleem. Naarden bezat stedelijke en bestuurlijke macht, terwijl boeren uit andere Gooise plaatsen afhankelijk bleven van gemeenschappelijke gronden binnen dat ruimere gebied. Dat helpt verklaren waarom afspraken over scharing noodzakelijk werden. Het conflict ging niet alleen over koeien en schapen, maar ook over de verhouding tussen stad en platteland. Naarden kon zijn juridische positie gebruiken, terwijl de dorpen hun oude gebruik verdedigden. Uit die spanning groeide de behoefte aan schriftelijke regels.

De schaarbrieven en het gereguleerde landschap

11. 1404 — de eerste Schaarbrief

Op 25 januari 1404 werd de eerste bekende Schaarbrief opgesteld. Hij was geen geboorteakte van de Erfgooiers, maar legde bestaande en betwiste gebruikspraktijken schriftelijk vast. Centraal stond de scharing: hoeveel vee konden de gemeenschappelijke gronden dragen en wie mocht daarvan profiteren? De grond moest volgens de tekst “ongedeylt” blijven, in beginsel zelfs “ten eeuwigen dage”, tenzij gezamenlijk anders werd besloten. Dat ideaal van onverdeeldheid zou opmerkelijk lang standhouden. Pas vele eeuwen later werden grote delen werkelijk verdeeld of verkocht. In 1404 probeerde men juist te voorkomen dat individuele gebruikers zoveel namen dat anderen hun bedrijf niet meer konden uitoefenen.

12. Acht mannen bepaalden de scharing

Volgens de regeling koos Naarden jaarlijks vier mannen. Daarnaast werden vier vertegenwoordigers uit het gebied van Laren en Huizen gekozen. Deze acht kwamen rond Sint-Geertruidendag, 17 maart, bijeen om de scharing te bepalen. Zij moesten beoordelen hoeveel dieren de gemeenschappelijke grond dat jaar kon dragen. Het aantal was dus geen onveranderlijk natuurrecht. Grasgroei, beschikbare ruimte en omstandigheden konden een aanpassing noodzakelijk maken. Ook huishoudens telden mee. Wanneer in één huis twee paren volk woonden, kon dat huishouden meer schaarbeesten krijgen dan een huis met één paar. Het gemeenschappelijke recht werd zo gekoppeld aan praktische draagkracht, huishoudens en jaarlijkse besluitvorming.

13. Een gemeenschap zonder eigen zegel

De Schaarbrief van 1404 laat ook zien dat de Gooise gebruikersgemeenschap nog niet beschikte over alle kenmerken van een zelfstandige bestuurlijke instelling. Zij bezat kennelijk geen geschikt gemeenschappelijk landszegel. Daarom werden Gerbrand van der Constor, proost van Bergen in Henegouwen en thesaurier van Holland, en ridder Gysjen van Diepenburgh gevraagd de overeenkomst te bezegelen. Dat is institutioneel veelzeggend. De gebruikers konden gezamenlijk onderhandelen, vertegenwoordigers aanwijzen en bindende regels maken, maar hadden voor de formele bevestiging nog externe gezagsdragers nodig. De latere organisatie Stad en Lande ontstond dus stap voor stap uit oudere vormen van overleg, gewoonterecht, vertegenwoordiging en schriftelijke bevestiging.

14. 1437 — het Gooier Bosch krijgt eigen regels

Op 24 mei 1437 werd het gebruik van het Gooier Bosch uitvoerig geregeld. Daarbij trad Johan van Nyenrode op, naast Naarden en de gemeenschappelijke gerechtigden van Gooiland. De bosregeling toont dat bosgebruik niet simpelweg hetzelfde was als scharing op de meent. Hout was een waardevolle grondstof die beschermd, verdeeld en gecontroleerd moest worden. Zonder toestemming hakken kon een boete van negen Philips-schilden opleveren. Wie helemaal geen gerechtigde was en toch hout meenam, kon zelfs als dief worden behandeld. Gemeenschappelijk bezit betekende dus nadrukkelijk niet dat iedereen vrij mocht pakken wat hij wilde. Het bos kende een eigen bestuurlijke wereld.

15. Schapen moesten uit het bos blijven

De regeling van 1437 ging tot opvallend praktische details. Schapen moesten twee roeden van het bos blijven en onder toezicht van een herder staan. Eén herder mocht slechts kudden van een beperkt aantal gerechtigden begeleiden. Voor een bewuste overtreding gold een aanzienlijke boete. Voor een dier dat kennelijk per ongeluk het bos in was gelopen, was de sanctie veel geringer: slechts enkele oude botjes. De regeling maakte dus verschil tussen doelbewust misbruik en een verdwaald dier. Achter de juridische tekst verschijnt het dagelijkse landschap: herders langs de bosrand, schapen die afdwalen, toezichthouders die overtredingen constateren en boeren die hun dieren terughalen.

16. Heide maaien en stenen graven

Ook andere werkzaamheden werden rondom het Gooier Bosch beperkt. Heide maaien mocht niet te dicht bij de bomen gebeuren. Wie stenen groef, moest eveneens afstand tot het bos bewaren. Daarmee zien we al in 1437 dat niet alleen levende begroeiing maar ook de bodem zelf economisch werd gebruikt. Het latere Gooise verhaal over zand, grind, leem, plaggen en afzanding heeft dus een middeleeuwse voorgeschiedenis. Het landschap leverde bouw- en brandstoffen, veevoer, strooisel en bodemmateriaal. Tegelijk probeerde de gemeenschap te voorkomen dat één gebruiksvorm een andere vernietigde. Bescherming van het bos was daarom geen moderne natuurbescherming, maar beheer van een kostbare, langzaam hernieuwbare economische hulpbron.

17. Hout moest in Gooiland blijven

Hout uit het Gooier Bosch mocht niet onbeperkt buiten Gooiland worden verkocht of vervoerd. Ook daarop stonden sancties. Het gemeenschappelijke bos functioneerde daarmee in de eerste plaats als voorraad voor de eigen gebruikersgemeenschap. De bomen waren nodig voor brandhout, gereedschap, afrasteringen, bouw en andere huishoudelijke toepassingen. Wie hout naar een externe markt bracht, onttrok een schaars goed aan de eigen gerechtigden. Dat principe keert later terug bij andere Gooise grondstoffen. Telkens moest worden bepaald of zand, plaggen, turf, hout of andere opbrengsten uitsluitend voor eigen gebruik waren bestemd of ook commercieel mochten worden verkocht. Gemeenschappelijk gebruik betekende voortdurend grenzen trekken tussen behoefte en winst.

18. Vaders, kinderen en illegaal hout

Een merkwaardige bepaling uit 1437 brengt het bosrecht tot binnen het gezin. Wanneer kinderen zonder toestemming hout hakten, speelde de houding van hun vader een rol. Beschermde of “verborg” hij hen, dan werd hun overtreding mede binnen zijn rechtspositie beoordeeld; deed hij dat niet, dan konden zij als niet-gerechtigden worden behandeld. De precieze juridische betekenis vraagt vergelijking met de oorspronkelijke tekst, maar sociaal is het detail waardevol. Een overtreding was niet alleen een zaak tussen boswachter en houthakker. Familie, huishouden en gerechtigdheid konden in elkaar grijpen. Het laat zien hoe sterk gemeenschappelijke rechten verweven waren met afkomst en de positie van het gezin.

19. Een zesjarige houtcyclus

De bosregeling bepaalde dat in 1438 een volgende houtkap zou plaatsvinden en vervolgens volgens een cyclus van ongeveer zes jaar. Dat wijst op georganiseerd hakhoutbeheer. Men wachtte tot het hout voldoende was hersteld, waarna een nieuwe verdeling kon plaatsvinden. Later kennen we ook andere kapcycli; die moeten niet zonder bewijs met deze zesjarige regeling worden vereenzelvigd. Voor de kap moest Johan van Nyenrode of een vertegenwoordiger worden gewaarschuwd. Men kwam naar Hilversum en houtvesters trokken het bos in om delen te merken en de houw te organiseren. Het middeleeuwse bos was daarmee geen chaotische wildernis, maar een gepland productielandschap.

20. Houtvesters, boschhouders en boeten

Niet iedere gerechtigde kon zomaar houtvester worden. Voor zulke functies golden voorwaarden die verband hielden met de omvang van iemands gerechtigdheid of tienden. Ook boschhouders werden gekozen, onder andere rond Sint-Geertruidendag. De opbrengst van boeten werd verdeeld: bij bepaalde overtredingen ging een deel naar de baljuw, een deel naar stad en land en een deel naar degene die de overtreding had aangebracht. Daardoor bestond een financiële prikkel om toezicht te houden. Boeten moesten bovendien binnen een bepaalde termijn worden voldaan. Het bos kende dus al een systeem van bestuur, opsporing, sanctionering en financiële afwikkeling dat veel verder ging dan informeel dorpsgebruik.

21. De mannen achter de bosregeling

De tekst bewaart ook namen. Naast Johan van Nyenrode verschijnen zijn broer Splinter van Nyenrode en Johans zonen Gysbert en Johan. Aan Gooise zijde worden onder anderen Jan Wredensen, buurmeester van Laren, Lambert Seynssen, buurmeester van Huizen, en Willem Jacobsen Haarmans, buurmeester van Hilversum, genoemd. Ook Pieter Gerbrantsz en schout Gysbert Gerritsen komen voor bij het bezegelen. Niet iedere plaatselijke bestuurder bezat kennelijk een eigen zegel; soms moest een ander voor hem zegelen. Daardoor krijgen we achter de institutionele geschiedenis echte middeleeuwse bestuurders die fysiek bijeenkwamen om het gebruik van hun bos te regelen.

22. 1442 — rijk vee tegenover arme gebruikers

De tweede Schaarbrief van 3 mei 1442 verscherpte de regels. Een belangrijk probleem was dat welgestelde gebruikers grote aantallen dieren konden laten grazen, waardoor armere boeren en herders werden verdrongen. De regeling beperkte daarom niet alleen het aantal runderen en paarden, maar besteedde ook aandacht aan schapen, plaggen, riet, biezen en heide. Het gemeenschappelijke landschap moest meerdere huishoudens tegelijk onderhouden. Dat maakte quotering noodzakelijk. De Schaarbrief was daarmee niet uitsluitend een document over bezit of afkomst. Hij was ook een sociale regeling tegen overgebruik. Wie veel vee bezat, mocht zijn economische macht niet onbeperkt omzetten in een groter aandeel van de gemeenschappelijke voedselvoorraad.

23. Veltslach en waarschap

Een belangrijk middeleeuws begrip is veltslach. Het moet niet worden vertaald alsof iemand daarmee een afzonderlijk stuk grond bezat. Het verwees naar deelname aan de collectieve gebruiksgemeenschap, verwant aan een waarschap: een aandeel in de gezamenlijke rechten. Dat onderscheid voorkomt dat moderne eigendomsbegrippen op de middeleeuwen worden geprojecteerd. Een boer kon recht hebben koeien, paarden of schapen te laten grazen, plaggen te steken of andere producten te verzamelen zonder eigenaar te zijn van een individueel perceel meent of heide. Juist dit gedeelde karakter veroorzaakte voortdurend conflicten: niemand bezat zijn eigen stuk, maar iedereen moest voorkomen dat anderen te veel namen.

24. Schapen langs oude Gooise wegen

De regeling van 1442 beschrijft zelfs waar schapen mochten lopen. In de overgeleverde tekst verschijnen oude namen als Wouter Moeys, Krayloy, de Lo, Koekenberch en Aertgynsberch. Zulke bepalingen maken het mogelijk de middeleeuwse kudde bijna door het landschap te volgen. Schapen mochten niet willekeurig over akkers en weiden zwerven. Driften en wegen verbonden dorpen, heide en graasgebieden. Voor Laren en Hilversum golden bovendien aantallen die samenhingen met huishoudens: in bepaalde omstandigheden worden 33 of 45 schapen genoemd. De schaarbrieven waren daardoor tegelijkertijd juridische documenten en gebruikskaarten van een agrarisch landschap dat dagelijks door herders en kudden werd doorkruist.

25. 1455 — buitenstaanders uit het Sticht

In 1455 werden de regels opnieuw aangescherpt. De gemeenschap wilde vooral voorkomen dat mensen uit het Sticht Utrecht eenvoudig toegang kregen tot Gooise rechten. Een ordonnantie verbood een man “uytten Gestichte” Goois poorter of buurman te worden, met een zware boete van 200 rijders. De uitsluiting kon dus indirect werken: wie geen erkende plaats binnen de lokale gemeenschap kreeg, kon moeilijker aanspraak maken op de gemeenschappelijke gronden. Tegelijk werden afkomst en geërfd boerenbedrijf steeds belangrijker. Daarmee ontstond geleidelijk het systeem waarin de rechten later sterk met mannelijke afstamming zouden worden verbonden. Die ontwikkeling vond echter stapsgewijs plaats en was niet vanaf het begin onveranderlijk.

Eigendom, gebruik en geweld

26. 1470 — Karel de Stoute opent de aanval

Vanaf 1470 werd de juridische positie van de Gooise gebruikers fundamenteel aangevallen. De landsheerlijke partij onder Karel de Stoute stelde dat de graaf eigenaar was van de woeste gronden. Daarbij werd een enorm landschap opgeëist: bossen, venen, wateren, moerassen, weiden, heiden, waranden en wildernissen. De Gooilanders gedroegen zich volgens de aanklacht alsof dit hun eigen erfgoed was. Zij lieten er paarden, koeien, zwijnen en schapen lopen, hakten hout, staken plaggen en groeven turf. Juist de beschuldiging geeft ons daardoor een onverwacht nauwkeurig overzicht van wat mensen dagelijks op de gemeenschappelijke gronden deden.

27. Eerst leden de Gooilanders verlies

De procedure verliep niet onmiddellijk in het voordeel van de gebruikers. Een eerste oordeel van het Hof van Holland beperkte hun positie aanzienlijk. Het gebruik van meenten en heiden bleef beter beschermd, maar op andere categorieën grond dreigden zij rechten kwijt te raken. Beide partijen gingen verder procederen. Daardoor moeten we het bekende vonnis niet presenteren alsof in één rechtszaak onmiddellijk duidelijk werd dat de graaf eigenaar en de Gooilanders gebruikers waren. Er ging een juridische strijd aan vooraf waarin de gemeenschap daadwerkelijk veel kon verliezen. Oude gewoonte moest tegenover een steeds sterker juridisch eigendomsbegrip worden verdedigd. Schriftelijke stukken en bewijs van langdurig gebruik werden daardoor steeds belangrijker.

28. 1474 — de Grote Raad van Mechelen

Op 19 november 1474 kwam een beslissende uitspraak van de Grote Raad van Mechelen. De landsheer behield een vorm van eigendom of grondheerlijke aanspraak, maar de Gooilanders konden hun gemeenschappelijke gebruik voortzetten. Zij beriepen zich op oud en vreedzaam gebruik, terwijl de grafelijke partij naar landsheerlijke rechten en de vroegere positie van Elten verwees. De strijd draaide dus niet om de eenvoudige vraag “van wie is de grond?” Modern eigendom en middeleeuws gebruiksrecht vielen niet samen. De uitspraak werd eeuwen later nog gekopieerd en gebruikt. Backers inhoudsopgave noemt abusievelijk 1774; de afgedrukte akte zelf bevestigt duidelijk 1474.

29. De oude stukken werden telkens opnieuw wapens

De documenten verdwenen na de middeleeuwen niet in een archief om vergeten te worden. Toen nieuwe conflicten ontstonden, werden oude privileges weer tevoorschijn gehaald. De tekst van 1404 werd bijvoorbeeld op 23 november 1705 te Naarden opnieuw met het privilegeboek vergeleken en door notaris C. Brouwer gecollationeerd. Ook de uitspraak van 1474 werd in 1705 en 1706 opnieuw gecontroleerd. Dat gebeurde precies in een periode van hevige conflicten over wie werkelijk mocht scharen. Een perkament uit de middeleeuwen kon drie eeuwen later dus opnieuw praktisch juridisch gewicht krijgen. Het Erfgooiersrecht leefde mede doordat iedere generatie oude bewijsstukken opnieuw gebruikte.

30. 1516 — schapen van de heide verdreven

In 1516 barstte een bijzonder scherp conflict los. Naarden en bondgenoten wilden de schapenhouderij van Hilversum en Laren beperken. De strijd bleef niet bij papier. In de gereconstrueerde bronnen worden schapenhouders daadwerkelijk van de heide verdreven. Vooral armere mensen werden geraakt en sommigen moesten dieren verkopen. Het economische verschil tussen de Gooise plaatsen speelde mee. Rond Naarden, Huizen en Blaricum waren rundvee en paarden relatief belangrijk; Hilversum en Laren waren sterker afhankelijk van de uitgestrekte heide en hun schapen. Daardoor werd een discussie over schaarregels een strijd tussen verschillende agrarische bedrijfsmodellen. Wie de heide verloor, kon zijn bestaanswijze verliezen.

31. 1520 — niet gebruiken betekende niet verliezen

Het conflict bereikte de Grote Raad van Mechelen. Op 11 juli 1520 werd het beroep van Naarden afgewezen. De partijen stonden volgens de uitspraak gelijkwaardig in de schaarzetting. Van groot belang was dat Hilversum en Laren hun collectieve positie niet eenvoudig verloren doordat zij tijdelijk minder of geen schapen zouden laten lopen. Niet-gebruik vernietigde het achterliggende recht dus niet automatisch. Dat beginsel is van grote betekenis voor de latere geschiedenis. Eeuwen later zouden niet-scharende of “slapende” Erfgooiers opnieuw een cruciale groep vormen. Het verschil tussen het bezitten van een recht en het daadwerkelijk gebruiken daarvan was al vroeg onderdeel van de Gooise rechtspraktijk.

32. 1521 — ontginningen moesten worden teruggedraaid

Na de interne strijd volgde een opmerkelijke gezamenlijke reactie. Volgens de onderzochte reconstructie besloten de Gooise plaatsen in 1521 dat grond die gedurende ongeveer de voorafgaande dertig jaar uit de gemeenschappelijke gronden was gehaald, weer aan het collectief moest worden toegevoegd. Dat was meer dan een verbod op nieuwe aantasting: men wilde eerdere privatisering daadwerkelijk terugdraaien. Een belangrijke achtergrond vormde de druk vanuit Loosdrecht, waar ontginners percelen uitbreidden en de Gooise grens naderden of overschreden. Dezelfde dorpen die kort daarvoor onderling over schapen hadden gevochten, konden zich dus verenigen zodra buitenstaanders gemeenschappelijk land begonnen in te nemen.

33. 1568 — de vierde Schaarbrief

De vierde Schaarbrief van 1568 beperkte het aantal schaarbeesten verder. In de latere overlevering verschijnt een maximum van zes grote dieren, bijvoorbeeld drie paarden en drie koeien. Maar de strijd ging ook over geografie. Hilversum en Laren klaagden dat noordelijk gelegen meenten voor hen moeilijk bereikbaar waren, terwijl gebruikers uit noordelijke plaatsen wel schapen naar de heiden rond Laren en Hilversum stuurden. Gelijke rechten leverden dus niet automatisch gelijk praktisch voordeel op. Afstand, soort landschap en bedrijfstype bepaalden hoeveel iemand werkelijk aan de gemeenschap had. Het schaarrecht was daardoor voortdurend een poging om juridische gelijkheid te verzoenen met een ongelijk landschap.

34. Oud-Bussum krijgt dubbele scharing

Een uitzonderingspositie ontstond rond het pachthuis Groot- of Oud-Bussum. Pauwels van Loo, kastelein van Muiden en baljuw van Gooiland, kreeg wegens bewezen diensten een bijzondere regeling. De pachter of bewoner van zijn pachthuis mocht dubbel scharen, zelfs wanneer die bewoner persoonlijk geen gewoon schaarrecht bezat. Ook Van Loo's vrouw Anna van Rosseau, hun kinderen en latere rechthebbenden komen in de akte voor. Het recht was daarmee niet uitsluitend aan individuele afstamming verbonden, maar in deze uitzonderlijke casus aan een hofstede. Dat zou later enorme juridische problemen veroorzaken wanneer nieuwe eigenaren van Oud-Bussum aanspraken op de gemeenschappelijke grond gingen maken.

Amsterdam, buitenplaatsen en verzet

35. 1619 — een Portugese prins op de Gooise heide

In oktober 1619 bekeek prins Emanuel van Portugal, schoonzoon van Willem van Oranje, terreinen ten westen en zuidwesten van Hilversum. Hij zag mogelijkheden voor buitenplaatsen en wilde grond verwerven. Baljuw P.C. Hooft wees hem op de rechten van de Gooise gebruikers en adviseerde feitelijk elders te zoeken. De episode toont hoe aantrekkelijk het Gooi inmiddels voor rijke buitenstaanders werd. Voor een prins of Amsterdamse investeerder leek onontgonnen heide misschien beschikbare grond. Voor de plaatselijke boeren was hetzelfde terrein onderdeel van hun landbouwsysteem. De botsing tussen buitenplaats en boerengebruik zou in de zeventiende eeuw steeds belangrijker worden.

36. Hooft verandert van positie

Enkele jaren later werd de situatie ingewikkelder. Rond 1624–1625 raakten Amsterdamse ondernemers geïnteresseerd in ontginning van dezelfde streek. Nu werkte P.C. Hooft mee aan plannen die veel dichter kwamen bij wat hij eerder tegenover Emanuel van Portugal had afgeremd. Daardoor stond de baljuw in een dubbelzinnige positie: vertegenwoordiger van het gezag én betrokken bij een project dat bestaande gebruiksrechten bedreigde. Voor de Erfgooiers was dat geen abstract bestuurlijk probleem. Ontginning betekende dat grond waarop dieren graasden, plaggen werden gestoken of strooisel werd verzameld, fysiek aan hun bedrijf kon worden onttrokken. Zo groeide het conflict dat uiteindelijk met 's-Graveland verbonden raakte.

37. Waardeloze wildernis of kostbaar boerenland

De Amsterdamse ondernemers beschreven delen van het terrein als nat, slecht toegankelijk en nauwelijks productief. Er groeiden mos, biezen en ander schraal gewas. Voor hen was ontginning een verbetering. De Gooise boeren zagen precies hetzelfde landschap anders. Biezen, mos en strooisel konden worden verzameld; dieren vonden er in slechte perioden nog voedsel en materiaal uit de heide kwam via de stal als mest op de akkers terecht. De strijd om 's-Graveland was daarom ook een botsing tussen twee waardebegrippen. De investeerder zag grond die pas na ontginning waarde kreeg. De boer zag een bestaand productielandschap waarvan de waarde verspreid zat over tientallen kleine gebruiksvormen.

38. De werken werden omvergegooid

Toen de ontginning daadwerkelijk begon, reageerden Gooilanders niet uitsluitend met verzoekschriften en processen. Zij gingen naar het terrein en begonnen aangelegde werken te “renverseren ende ommesmijten”: omverhalen en vernielen. Het conflict kreeg daardoor een bijna opstandige vorm. Voor de ondernemers was dit beschadiging van een rechtmatig project; voor de gebruikers was het verdediging van grond waarop zij oude aanspraken meenden te bezitten. De Staten van Holland grepen op 13 maart 1626 in en verlangden dat het hinderen van de ontginning ophield. De geschiedenis van de Erfgooiers kende daarmee al drie eeuwen vóór Harmen Vos rechtstreeks verzet tegen overheid en kapitaalkrachtige buitenstaanders.

39. 1634 — vrede na jaren strijd

Pas in 1634 kwam via een buurspraak een werkbaar compromis tot stand. 's-Graveland kon zich ontwikkelen, maar de Gooise gemeenschap kreeg meer zekerheid dat haar resterende grond niet zonder overleg voor andere doeleinden zou worden weggegeven. De regeling keek zelfs naar toekomstige generaties. Bewoners van 's-Graveland en hun nakomelingen konden niet eenvoudig rechten op de Gooise gemeente verwerven. Ook een Erfgooier die naar 's-Graveland verhuisde kon zijn afkomst behouden terwijl zijn praktische gebruiksrecht daar niet actief werd uitgeoefend. Dat vormt een vroege voorgeschiedenis van het latere onderscheid tussen scharende, niet-scharende en slapende gerechtigden: afkomst en feitelijk gebruik konden uit elkaar groeien.

Van oude rechten naar Stad en Lande

40. De organisatie wordt steeds zichtbaarder

In de zestiende en zeventiende eeuw ontwikkelde de gezamenlijke vertegenwoordiging zich verder. In 1590 verschijnt een resolutie in naam van Stad en Lande; in 1632 is een eigen financiële huishouding beter zichtbaar en vanaf ongeveer 1650 ontstaat een meer continue reeks resoluties. Dat betekent niet dat Stad en Lande in één jaar werd opgericht. De organisatie groeide uit oudere buurvergaderingen, schaarzettingen, bosbeheer en gezamenlijke processen. Naarden bleef belangrijk als vergaderplaats. Later werden acht schaarmeesters bekend, terwijl ook plaatselijke functionarissen en buurmeesters een rol behielden. De middeleeuwse gebruikersgemeenschap veranderde langzaam in een bestuurlijke instelling met eigen administratie, kas, functionarissen en collectieve juridische belangen.

41. 1705 — François Hinlopen weigert te betalen

De eigenaar van Oud-Bussum, François Hinlopen, betaalde aanvankelijk voor het laten grazen van zijn dieren. Rond 1705 veranderde dat. In september liepen volgens de gereconstrueerde gegevens twee paarden en vier koeien van hem op de gemeente. Toen betaling of erkenning van de scharing werd verlangd, weigerde hij. Wie meende recht te hebben zijn dieren weg te halen, moest dat maar doen. De dieren werden daarop in beslag genomen en publiek verkocht, volgens een latere beschrijving voor “een appel en een ei”. Een ruzie over enkele dieren groeide uit tot een kostbare juridische strijd die tot ongeveer 1713 bleef doorwerken.

42. Oude charters komen opnieuw op tafel

Hinlopen beriep zich onder andere op de bijzondere rechten van Oud-Bussum. Daardoor moesten de bestuurders bewijzen wat de gewone Gooise rechten waren, wie ze bezat en waarop de gemeenschap haar aanspraken baseerde. Oude documenten uit 1404, 1442, 1455, 1474 en 1568 werden opnieuw onderzocht, afgeschreven en gecollationeerd. De middeleeuwse teksten kregen ineens actuele economische betekenis. Een formulering die drie eeuwen eerder over koeien, schapen of onverdeelde grond was geschreven, kon bepalen of een rijke buitenplaatsbezitter in 1705 zijn dieren gratis mocht laten grazen. Het conflict met Hinlopen stimuleerde daardoor zowel juridisch historisch onderzoek als een veel nauwkeuriger administratie van personen en gronden.

43. 1706 — vreemdelingen worden op naam gezet

In 1706 werd in Huizen uitvoerig onderzocht welke mannen of families niet volgens de geldende afstammingsregels tot de gerechtigden behoorden. In de stukken verschijnen ambachtslieden en gewone inwoners: onder anderen Andries Andries Mackinge, stoelenmatter; Lucas Claesz Swart, barbier; Jacob Lucassen Berestraat, wolwever; Cornelis Pietersz Krieck, visser; Cornelis Jan Dominickz, varkensslachter; en verschillende smeden en wevers. Zij konden volledig in de plaatselijke samenleving geïntegreerd zijn zonder recht op de meent te hebben. Een huwelijk met een Erfgooiersdochter maakte een vreemde man evenmin automatisch gerechtigd. Sociale gemeenschap en juridische gebruikersgemeenschap waren dus niet hetzelfde.

44. 1708 — de gemeenschap wordt een namenlijst

Op 31 augustus 1708 werd de beroemde lijst van gerechtigden vastgelegd. Daarop stonden mensen uit Naarden, Bussum, Hilversum, Huizen, Laren, Blaricum en daarbuiten. De lijst telde volgens de sterkste reconstructie 1.088 gerechtigden, waarvan ongeveer 464 scharend en 624 niet-scharend waren. Opmerkelijk is dat de registratie niet uitsluitend mensen met één soort oorsprong omvatte: stukken spreken ook over rechten die “door koop verkregen” waren. Weduwen, kinderen en uitwonenden verschijnen eveneens in de administratieve wereld rondom de lijst. Daarmee werd een eeuwenoude gemeenschap van gewoonte, mondeling geheugen en lokale kennis voor het eerst op grote schaal tot een controleerbaar namenbestand gemaakt.

45. Kaarten maken rechten zichtbaar

Hetzelfde conflict maakte ook kaarten noodzakelijk. Rond 1709 werd een kaart vervaardigd waarop de gemeenschappelijke gronden nauwkeuriger zichtbaar werden. Daarbij worden Justus van Broeckhuysen en Freye Klaasz Boelhouwer genoemd. Later volgden andere kaarten, waaronder die van 1723 en 1741. De kaart veranderde het gemeenschappelijke landschap. Een grens die een herder kende doordat hij een weg, heuvel, bosrand of sloot volgde, werd nu als lijn op papier vastgelegd. Dat hielp bij processen, verkopen en afzandingen, maar maakte grond uiteindelijk ook gemakkelijker meetbaar en verdeelbaar. De cartografie beschermde het collectieve bezit en hielp tegelijk de latere ontmanteling ervan mogelijk maken.

46. 1718 — rundersterfte verandert de regels

In 1718 werd Gooiland getroffen door zware rundveesterfte. Vooral Hilversum had problemen. Het bestuur stond daarom onder voorwaarden toe gestorven dieren te vervangen. Tegelijk werden bepaalde gronden, waaronder delen van de Oosterse gemeente, tijdelijk ontzien en werd plaggensteken in het Molenveen beperkt. Zo werd een dierziekte onmiddellijk een bestuurskwestie. Een koe was voor een boerengezin kapitaal, melkbron, mestproducent en onderdeel van het schaarrecht. Wanneer veel dieren stierven, veranderde niet alleen het huishouden maar ook de draagkracht en verdeling van de meent. De regels moesten dus reageren op epidemieën net zoals zij reageerden op droogte, overbegrazing of aantasting van grond.

47. Lambert Rijckxz Lustigh ziet de veepest

De Huizer boer en bestuurder Lambert Rijckxz Lustigh (1656–1727) liet een uitzonderlijke kroniek na. Tijdens de veepest beschreef hij hoe ziekte zich van dier tot dier verspreidde. In november 1713 werd een vaars ziek en stierf enkele dagen later; vervolgens kwamen berichten uit Muiderberg en andere plaatsen. Begin december waren tientallen dieren dood. Lustigh noteerde niet alleen aantallen maar ook mest, herstel en de toestand van afzonderlijke koeien. Daardoor zien we de epidemie vanuit de stal in plaats van uitsluitend vanuit bestuurlijke stukken. Voor een gemeenschap waarin schaarrecht in koeien en paarden werd uitgedrukt, was veepest een sociale en economische ramp.

48. Hongerige koeien en een zak hooi

Lustigh bewaarde ook oudere verhalen. In 1646 zouden Peter Keesen en Jaapje Cornelis met een melkemmer en een zak hooi naar hun dieren zijn gegaan omdat koeien op de gemeente dagelijks honger leden. Bij de Rijsebergen, nabij de Kalis Kamp, moesten zij het hooi zelfs tegen andere dieren beschermen. Het verhaal eindigt tragisch met een overlijden en de vondst van een steen en lege emmer. Los van details die bronkritisch moeten worden gelezen, toont de geschiedenis hoe schraal de meent kon zijn. Gemeenschappelijk recht garandeerde toegang tot gras, maar niet dat er altijd voldoende voedsel voor ieder dier aanwezig was.

49. 1721 — veldwormen eten de weide kaal

In 1721 beschreef Lustigh “veltwormen” die de wortels van het gras op de gemeenschappelijke weiden aantastten, vooral op de Blaricummer weide. Ook maatlanden leden schade. Daarmee verschijnt opnieuw een kwetsbaarheid van het gemeenschappelijke landbouwsysteem. Niet alleen mensen konden te veel nemen; insecten, ziekte en weersomstandigheden konden de draagkracht van de grond plotseling verminderen. Schaarmeesters moesten aantallen dieren bepalen in een landschap waarvan de opbrengst nooit volledig voorspelbaar was. De regels over koeien, paarden en schapen waren daarom ook een vorm van risicobeheer. Een slecht grasjaar kon onmiddellijk doorwerken in melkproductie, wintervoorraad, mest en de mogelijkheid een gezin te onderhouden.

Schapen, zand en achttiende-eeuwse conflicten

50. 1732 — Blaricum tegenover Laren

Een bijzonder dossier uit 1732 gaat over schapen op de Blaricummer Eng. Blaricum liet getuigen verklaren over winterbegrazing tussen ongeveer 10 november en 27 maart. De vragen gingen onder andere over eerdere inbeslagnames, schade door winterweiden en het recht om de begrazing jaarlijks aan een herder te verhuren. De aanleiding was concreet: Larense schaarmeesters hadden op bevel van het Larense bestuur schapen van een pachter van de Blaricummer Eng weggehaald en verbeurd verklaard. Blaricum overwoog daarop tegen Laren te procederen. Zelfs tussen naburige Gooise dorpen konden herders en schapen dus een grensconflict veroorzaken dat getuigenverhoren en rechtszaken dreigde op te leveren.

51. Zand wordt een nieuwe rijkdom

In de achttiende eeuw kreeg de Gooise bodem steeds meer commerciële waarde. Zand was nodig voor stadsuitbreiding, wegen en andere werken. In 1724 werd bepaald dat zandtransport onder voorwaarden via Naarden moest verlopen. In de jaren daarna ontstonden conflicten over afzanding, onder andere rond Hilversum. Een verzoek uit 1737 van Naarden, Laren, Huizen en Blaricum vroeg om een aangewezen plaats voor “scherp zand”. Daarmee veranderde de betekenis van de heide. Een terrein kon tegelijk graasgrond, plaggenbron en zandvoorraad zijn. Afgraven leverde geld op maar vernietigde tijdelijk of blijvend ander gebruik. De strijd verschoof daardoor van dieren naar kubieke meters grond.

52. 1744 — Abraham Scheerenberg en zijn schapen

In 1744 ontstond rond Abraham Scheerenberg, Amsterdamse koopman en eigenaar van Oud-Bussum, opnieuw een groot geschil. Hij wilde schapen op de Gooise heide laten grazen. In Huizen verklaarden Jan Hendrikz Wortel, 67 jaar, en Jacob Vlaanderen, 42 jaar, over wat als illegale begrazing van Scheerenbergs kudde werd beschouwd. De kwestie lijkt opnieuw verbonden met de uitzonderlijke rechten van Oud-Bussum. Net als bij Hinlopen botste een rijke buitenplaatsbezitter met een gemeenschap die haar oude gebruik zorgvuldig bewaakte. Maar deze keer ging het niet alleen om koeien en paarden. Een complete schaapskudde maakte duidelijk hoeveel economische waarde in toegang tot de heide verborgen zat.

53. Oude mensen herinneren zich een schaapskooi

Op 28 september 1745 werden opnieuw getuigen gehoord. Jan Lambertsz Prins, ouder dan 78, en Marritje Gerrits, ongeveer 69 jaar, herinnerden zich uit hun jeugd een oude schaapschot achter de Sijtjesberg, ten zuidwesten van Huizen, bij het einde van de Neng of het bouwland en aan de rand van de Gooise heide. Het gebouw had volgens hun herinnering een stenen voet. Daarbij werden vroegere eigenaren Gerrit Pietersz Slocker en Jan Pietersz Slocker, later Boor genoemd, in verband gebracht met de plek. Een rechtszaak over schapen veranderde zo in mondeling landschapsonderzoek naar herinneringen van zeventig jaar eerder.

54. 1759 — Oud-Bussum krijgt geen vrije heide

De strijd rond Scheerenberg sleepte jaren voort. In 1759 kwam volgens de overgeleverde reconstructie een uitspraak van het Hof van Holland: Scheerenberg mocht zijn schapen niet onbeperkt over alle Gooise gemene gronden laten lopen. Zijn aanspraak bleef beperkt tot de gronden die daadwerkelijk bij Oud-Bussum hoorden. Daarmee werd opnieuw bevestigd dat een bijzonder hofstedelijk recht niet automatisch gelijkstond aan algemeen Erfgooiersrecht. De casus verbindt twee eeuwen geschiedenis: de dubbele scharing uit de zestiende eeuw, Hinlopens conflict rond 1705 en Scheerenbergs schapen vanaf 1744. Een uitzonderingsrecht dat ooit als gunst was verleend, bleef generaties lang juridische problemen veroorzaken.

55. 1762 — een brede nieuwe regeling

Een achttiende-eeuwse beschrijving vermeldt dat in 1762 een uitgebreide Willekeur of Schaarbrief werd vastgesteld voor de meenten en schapenweiden. Daarbij werden grenzen met grote precisie beschreven aan de hand van wegen, heuvels, engen, bossen en particuliere bezittingen. Rond Blaricum verschijnen onder andere het Tafelbergje, Leeuwberg, Kruisberg, Craailoo en Zuider Botweg. Rond Huizen worden het Gravenveld, de Huizer Neng en verschillende plantages genoemd. Rond Naarden en Bussum verschijnen de Langehul, Oetgenslaan, Naarderveld, Hilversumsche weide en Luijegat. Het schaarrecht was daarmee letterlijk in het landschap geschreven.

56. 1762 — “valse scharing” van koeien

Op 30 juni 1762 verschenen Meeuwis Krijnen en Lambert Gijsberts Vos uit Blaricum voor Naardense schepenen Hendrik Schorel en Anthonij van Westerheem. Secretaris Hendrik Thierens legde verklaringen vast die verband hielden met “valse scharing van koeien”. Ook Tijs Huijberts en Hendrik Goossen worden in het dossier genoemd. De term is belangrijk: kennelijk konden dieren zo op de meent worden gebracht dat het leek alsof daarvoor een geldig schaarrecht bestond terwijl het bestuur dat betwistte. Achter de grote juridische theorie stonden dus zeer praktische controles: van wie is deze koe, onder wiens recht loopt zij en telt zij terecht mee?

57. Jaarvergaderingen en de Gooise kalender

Het gebruik van de gemeenschappelijke gronden kende verschillende vaste momenten die niet met elkaar verward moeten worden. Sint-Geertruidendag, 17 maart, was traditioneel belangrijk voor het vaststellen van scharing en de keuze van bepaalde functionarissen. Een achttiende-eeuwse beschrijving noemt daarnaast 27 maart als jaarlijkse bijeenkomst van Stad en Lande te Naarden, waarbij vertegenwoordigers uit de Gooise plaatsen aanwezig waren. In veel later mondeling overgeleverd boerengebruik verschijnt 12 mei als praktische schaardag waarop runderen de meent opgingen en werden gebrandmerkt. De Gooise kalender bestond dus uit verschillende bestuurlijke en agrarische momenten: rechten bepalen, vergaderen en uiteindelijk de dieren daadwerkelijk naar buiten brengen.

De negentiende eeuw — modernisering tegenover gemeenschappelijk land

58. 1809–1811 — de staat wil verdelen

Aan het begin van de negentiende eeuw werd gemeenschappelijk land door hervormers steeds vaker als inefficiënt beschouwd. Wetgeving vanaf 1809 stimuleerde verdeling en ontginning. De gedachte was dat individueel bezit productievere landbouw zou opleveren en ongebruikte grond economisch actief zou maken. De Erfgooiers zagen hun heiden en meenten echter niet als nutteloos. Op 23 januari 1811 kwamen zij in de Grote Kerk van Naarden bijeen en wezen verdeling af. Terwijl Nederland inmiddels deel van het Franse keizerrijk was, hield een oude Gooise gebruikersgemeenschap vast aan haar collectieve systeem. Het conflict was voortaan niet alleen lokaal, maar ook een botsing met modern economisch denken.

59. Albertus Perk tussen twee werelden

Albertus Perk (1795–1880) werd een sleutelfiguur. Hij was secretaris van Stad en Lande, maar ook notaris, agent van Domeinen en vanaf 1837 betrokken bij de Maatschappij ter bevordering van de cultuur in Gooyland. Daardoor stond hij tegelijk dicht bij de Erfgooiers en bij de overheid die ontginning en duidelijk eigendom nastreefde. Perk zocht een oplossing voor de eeuwenoude tegenstelling tussen landsheerlijke of staatsaanspraken en Goois gebruik. Volgens de latere reconstructie kwam hij op het idee de strijd niet opnieuw juridisch uit te vechten, maar de grond daadwerkelijk tussen Domeinen en de Gooise gemeenschap te verdelen. Dat zou het landschap blijvend veranderen.

60. 1836 — winst door verlies

Op 12 juni 1836 kwam een overeenkomst tot stand. De Erfgooiers deden afstand van gebruiksrechten op een deel van de heide. Daartegenover kregen zij sterkere eigendomsrechten op andere heidegronden en de gemeenschappelijke weiden. Het compromis betekende dus tegelijk verlies en juridische winst. De oude situatie waarin de staat een eigendomsclaim had terwijl de Gooilanders gebruiksrechten bezaten, werd voor een groot gebied beëindigd. Vervolgens konden delen van de voormalige gemeenschappelijke wereld gemakkelijker worden verkocht. In november 1837 werd ongeveer 900 bunder heide verkocht. Rond 3.500 bunder bleef volgens Backer nog domeingrond waarop Gooise gebruiksrechten rustten.

61. Backer kijkt in 1838 naar het boerenbedrijf

J.M.C. Backer schreef in 1838 op Larenberg over het Gooi. Hij was jurist en lid van de Noord-Hollandse landbouwcommissie en keek daarom met de ogen van een negentiende-eeuwse hervormer. Toch geeft hij waardevolle details over het dagelijkse boerenbedrijf. De belangrijkste gewassen waren rogge, boekweit en aardappelen. Aardappelen lagen vooral bij de dorpen. Verder werden erwten, haver en zomerzaad geteeld. Na rogge konden lange witte rapen in de stoppels worden verbouwd. Die rapen waren niet alleen veevoer maar werden ook naar Amsterdam uitgevoerd. Het Gooise landbouwbedrijf was dus verbonden met een stedelijke markt.

62. Arme boeren haalden veel uit schrale grond

Backer verbaasde zich erover hoeveel de meeste Gooise boeren met geringe financiële middelen uit hun grond wisten te halen. Blaricum vormde volgens hem enigszins een uitzondering: sommige welgestelde boeren bewerkten hun grond zo intensief dat hun landbouw bijna op tuinbouw leek. De verschillen tussen de dorpen waren dus groot. Het Gooi bestond niet uit één uniform type boer. Er waren arme zandboeren, schapenhouders, rundveehouders en relatief kapitaalkrachtige bedrijven. Naast landbouw noemt Backer bovendien visserij, vishandel en enig fabriekswezen. Slechte waterverbindingen en het ontbreken van een goede haven of rede maakten vervoer kostbaar. De agrarische gemeenschap leefde dus niet geïsoleerd van handel en nijverheid.

63. Schapen waren vooral mestmachines

Backers beschrijving van de schapenhouderij is bijzonder. Een schaap leverde volgens hem relatief weinig wol; de belangrijkste economische waarde zat in de mest. Overdag liepen de dieren op heide, braakliggende akkers en seizoensgebonden andere gronden. 's Nachts kwamen ze in het schapenhok, waar hooi, afval en soms lijnkoek werd bijgevoerd. Plaggen en strooisel vermengden zich daar met de mest. Daarna ging dit materiaal naar de engen. Zo vormde het schaap een schakel tussen heide en akker. Backer schatte circa 2.000 schapen in Hilversum, 500 in Laren, 250 rond Bussum en ongeveer 300 in Huizen en Blaricum samen.

64. De heide wordt in geld uitgerekend

Backer probeerde zelfs te berekenen of traditionele heidebenutting economisch opwoog tegen ontginning. Hij rekende met ongeveer 3.500 schapen, 3.500 bunder heide en jaarlijks ongeveer 7.000 voeders plaggen. Voor een schaap stelde hij een nettowinst van ongeveer ƒ3 voor; voor een voeder plaggen twintig cent. Daartegenover plaatste hij ontginning tot eikenhakhout, met honderden guldens arbeidskosten per bunder maar op langere termijn een hogere opbrengst. Zijn cijfers zijn niet neutraal: Backer wilde aantonen dat ontginning aantrekkelijk kon zijn. Toch laten ze prachtig zien hoe negentiende-eeuwse bestuurders probeerden een eeuwenoud gebruikslandschap om te rekenen in rendement, arbeid en geld.

Van gebruiksrecht naar sociale strijd

65. 1875–1897 — de meent blijft boerenland

Ondanks ontginningen bleef de meent dagelijks boerenland. In 1862 vroegen Hilversumse gebruikers verlaging van het schaargeld na overstromingen. Later kwamen verzoeken over tarieven, kalveren en toegang tot de weiden. Tegelijk werd geld besteed aan verbetering. Op de Ondersloot werden mest en werkzaamheden betaald; in 1886 besteedden meentmeesters J.H. Maas, A. Kuijer, G. de Beer en H.L. de Jong ƒ1.033,08 aan verbetering. De gemeenschappelijke grond werd dus actief onderhouden. Bemesting, sloten, waterbeheer en toezicht kostten geld. Het schaarrecht was geen gratis overblijfsel uit de middeleeuwen, maar onderdeel van een steeds professioneler beheerd landbouwbedrijf.

66. 1885 — een kuil met kadavers

Op 3 februari 1885 waarschuwde rijksveearts B.M. Busing de gemeente Naarden voor gezondheidsrisico's rond een kadaverkuil op de Naarder Meent. Grazend vee kon in de buurt van begraven dode dieren gevaar lopen. Dit kleine dossier laat een wereld zien die in grote eigendomsprocessen gemakkelijk verdwijnt. Op dezelfde meent waar eeuwenlang over schaarrechten was gevochten, moesten bestuurders nu nadenken over diergezondheid, besmetting en veilige afvalverwerking. Later werden meenten met mest en afval verbeterd en werden klei, zoden en ander materiaal naar dijken gebracht. De gemeenschappelijke grond was daarmee ook een terrein van negentiende-eeuwse veterinaire zorg en praktische infrastructuur.

67. 1890 — werken voor arme Erfgooiers

In 1890 kreeg de sociale functie van Stad en Lande een opvallende vorm. J.J. Munnikhuizen, burgemeester van Huizen, was betrokken bij een regeling waarbij ƒ3.000 beschikbaar werd gesteld om minvermogende Erfgooiers werk te geven. Zij werkten op de Huizer meent en veranderden ongeveer zes hectare onproductieve grond in goede weide. Werkverschaffing en landschapsverbetering vielen hier samen. De gemeenschap ondersteunde arme gerechtigden niet uitsluitend met geld, maar door hen te laten werken aan het bezit waarvan zij zelf deelgerechtigden waren. De meent werd daardoor tegelijk sociale voorziening, werkplaats en landbouwproject. Het is een vroege voorloper van latere georganiseerde werkverschaffing.

68. Een Huizer visser wil verdeling

Ook in 1890–1892 kwam een opvallende tegenstem uit de gemeenschap zelf. Lambert Corneliszoon Baas, visser uit Huizen, vroeg om vrijwillige verdeling van de gemeenschappelijke heiden en weiden. Daarmee blijkt dat de wens tot opheffing of verdeling niet pas met Harmen Vos of twintigste-eeuwse niet-scharenden begon. Een gewone Huizer visser kon tot de conclusie komen dat een individueel aandeel aantrekkelijker was dan een collectief recht. Tegelijk liepen vanaf 1875 herhaaldelijk petities waarin gerechtigden meer invloed op het bestuur verlangden. De latere Erfgooierscrisis kwam dus niet plotseling. Decennia vóór 1900 bestond onvrede over macht, geld, vertegenwoordiging en verdeling.

69. 1893 — een afgegraven landschap wordt teruggevuld

De commerciële winning van Goois zand liet diepe sporen achter. Op 17 oktober 1893 sloot aannemer J. van den Berg uit Amersfoort een contract om eerder afgegraven terrein in de Bussumse zanderij weer op te hogen. Het ging om ongeveer acht à negen hectare, die met zand en zwarte grond moest worden hersteld, tegen ƒ800 per hectare. Daarmee zien we een volledige landschappelijke cyclus: gemeenschappelijke grond werd afgegraven omdat het zand geld waard was, waarna het ontstane terrein opnieuw bruikbaar moest worden gemaakt. Een jaar later speelde zelfs het Ministerie van Oorlog een rol bij vergunningen voor zandwinning binnen militaire verboden kringen rond Bussum.

70. 1898 — Harmen Vos schiet een haas

Op 18 november 1898 schoot de Blaricummer Erfgooier Harmen Vos een haas op Gooise grond waarvan het jachtrecht was verpacht. Dat deed hij bewust. Vos was nota bene zelf onbezoldigd veldwachter. Hij wilde laten toetsen of het bestuur wel het recht had de jacht zonder instemming van de gerechtigden weg te geven. Getuige P. Kaarsgaren zag hem in het eikenhakhout bij S. Willard in jachthouding staan. W. Kaarsgaren hoorde het schot, zag rook uit het hout komen en zag Vos daarna de haas opnemen. Een eeuwenoud rechtenconflict werd zichtbaar in één schot en één dode haas.

71. Harmen Vos wordt de stem van verzet

Vos' actie groeide uit tot een bredere beweging tegen het bestuur van Stad en Lande. De machtsverhouding was volgens tegenstanders scheef: burgemeesters en bestuurders hadden veel invloed, terwijl gewone gerechtigden te weinig zeggenschap ervoeren. Harmen Vos kon nauwelijks als geleerde jurist worden omschreven, maar tijdgenoten herinnerden hem als een krachtige redenaar. Floris Vos schreef later dat hij vriendelijk en hoffelijk kon zijn, maar bij verontwaardiging kon “uitbrullen als een leeuw”. Rond hem ontstond een beweging die oude rechten niet wilde laten verdwijnen achter moderne administratie. De strijd ging inmiddels niet meer alleen om vee, maar om democratische zeggenschap over gemeenschappelijk bezit.

72. 1900 — honderden in de Grote Kerk

Rond 2–4 april 1900 vond een grote bijeenkomst in de Grote Kerk van Naarden plaats, verbonden met Machiel Janszoon Majoor en de oppositie onder de Erfgooiers. De precieze datum verschilt in de overlevering en moet bronkritisch zichtbaar blijven. De kerk, eeuwenlang vergaderplaats van Stad en Lande, werd nu het toneel van verzet tegen het eigen bestuur. In de daaropvolgende jaren verhardde de strijd. Juristen werden ingeschakeld, alternatieve bestuursvormen ontstonden en conflicten over bomen, jacht, vee en schaargeld werden symbolen van een veel groter probleem: wie vertegenwoordigde eigenlijk de duizenden mannen die zich op hun Gooise afstamming beriepen?

73. 1903 — Hendrik Smit wordt doodgeschoten

In de nacht van 30 april op 1 mei 1903 kwam het conflict tot een dramatisch hoogtepunt. Bij een toegang tot de meent stonden militairen. Een groep van ongeveer zes Larense Erfgooiers kwam in confrontatie met hen. Na twee waarschuwingsschoten trof een derde kogel de 22-jarige Hendrik Smit in de borst. Hij overleed rond half vier. Latere herinneringen vertellen dat de groep bij een opening in een ongeveer meterhoge koedijk van gestapelde plaggen werkte en dat Smit zou hebben gezegd dat men hen op hun eigen land niet zou durven neerschieten. Die latere herinnering moet van het contemporaine krantenverslag worden onderscheiden.

74. Een kruiwagen naar de pastoor

Volgens de latere overlevering werd de gewonde Hendrik Smit op een kruiwagen naar de pastoor van Blaricum gebracht, waar hij stierf. Zijn graf kreeg later een monument naar ontwerp van K.P.C. de Bazel. De dood van één jonge Erfgooier maakte de bestuurlijke strijd landelijk zichtbaar. De Tweede Kamer stelde vragen over de bevoegdheden van Stad en Lande en het optreden van politie en militairen. Wat eeuwenlang via schaarmeesters, boeten en lokale processen was geregeld, was nu een probleem van moderne staatsmacht geworden. Een conflict over toegang tot de meent had geleid tot gewapende bewaking en uiteindelijk een dodelijk schot.

75. 1904–1906 — koeien, hekken en marechaussee

De onrust bleef bestaan. In 1904 ontstonden conflicten over het brandmerken van runderen, schaargeld en de vraag wie dieren op de meent mocht brengen. Floris Vos werd aangehouden in verband met de acties maar dezelfde dag weer vrijgelaten. Juristen als Kuhn, Van Lennep, Van Hartzfeld en anderen zochten naar een regeling. In 1906 waren rond Blaricum ongeveer veertig burgerlijke hekwachten en gedetacheerde veldwachters betrokken bij de bewaking; Hotel Verver leverde consumpties en goederen. Een eeuwenoud boerenrecht had daarmee een bijna gemilitariseerde infrastructuur gekregen: hekken, bewakers, politie, advocaten, vergaderingen en declaraties bepaalden wie zijn koeien mocht laten grazen.

76. De “misdeelden” van 1906

In februari 1906 dienden minvermogende Erfgooiers een verzoek in waarin zij zichzelf “misdeelden” noemden. Zij vonden dat zij al lange tijd onvoldoende profiteerden van bezit dat mede het hunne was. Zij wilden delen in opbrengsten of een daadwerkelijk gedeelte van het gemeenschappelijke eigendom ontvangen. Het dossier bevatte zelfs een lijst van Erfgooiers. De sociale breuk was nu scherp zichtbaar. Voor een boer met koeien had de meent directe economische waarde; voor een arme of niet-scharende Erfgooier kon hetzelfde recht nauwelijks iets opleveren. Waarom zou hij dan niet liever geld of grond ontvangen? Uit deze tegenstelling groeide uiteindelijk de twintigste-eeuwse strijd tussen scharenden en niet-scharenden.

De wet, modern landbouwbeheer en natuur

77. 1912 — het gewoonterecht wordt wet

Na jaren conflicten kwam de Erfgooierswet van 25 april 1912, die op 1 juli in werking trad. De oude gemeenschap kreeg daarmee een formele wettelijke structuur. Lidmaatschap bleef sterk verbonden met mannelijke afstamming en Gooise woonplaats. Voor daadwerkelijk scharen golden aanvullende landbouwvoorwaarden: het boerenbedrijf moest serieus worden uitgeoefend en er moest vee en stallingsruimte zijn. Het bestuur telde vertegenwoordigers van scharende en niet-scharende Erfgooiers, gemeenten en de Kroon. De lijst omvatte ongeveer 1.469 leden: 381 scharenden en 1.088 niet-scharenden. Zelfs veel scharenden verzetten zich tegen de wet omdat zij het oude systeem liever behielden.

78. De meent wordt een modern landbouwbedrijf

Na 1912 veranderde het beheer ingrijpend. De Hilversumse en andere meenten werden ontwaterd, geëgaliseerd, bemest en beter bereikbaar gemaakt. Vanaf ongeveer 1915–1917 speelde de Nederlandse Heidemaatschappij een rol. Oude natte graslanden veranderden in productievere weiden. Sommige boeren wantrouwden kunstmest en vreesden dat hun vee er ziek van zou worden. Toch steeg de draagkracht sterk. Waar vroeger schraal gras, overstromingen en natuurlijke vegetatie het landschap bepaalden, kwamen sloten, pompen, machines en verbeterde grasmatten. De winst voor de landbouw was groot, maar oude natuurwaarden verdwenen. Het gemeenschappelijke landschap werd niet opgeheven; het werd technisch opnieuw ontworpen.

79. Machinisten, opzichters en paardenknechten

De moderne meent bracht nieuwe beroepen voort. W.H. Krijnen werd machinist van het stoomgemaal van de Hilversumse Meent. Zijn personeelsdossier bevat sollicitatie, verlof, loonsverhoging, gratificaties en zelfs een arbeidsongeval. Ook paardenknechten, stokers en andere arbeiders verschijnen in de administratie. Hoofdopzichters als E. Vogelenzang, H. de Gooijer en W.J. Bakker kregen salarissen en voorzieningen. Later kwamen fiets en telefoon bij het werk. Daarmee veranderde het oude schaarlandschap fundamenteel. Waar ooit schaarmeesters te paard of te voet controleerden, stonden nu een stoompomp, machinist, loonadministratie en telefoonverbinding. Stad en Lande was behalve rechtenorganisatie inmiddels ook werkgever en technisch landbouwbedrijf.

80. 1924 — plaggen tegenover natuurschoon

In 1924 schreef mevrouw Snethlage vanuit de omgeving van de Blaricummerheide bij het Landgat dat voortdurend plaggensteken de heide in een kale zandvlakte veranderde. Zij vroeg boeren elders te plaggen zodat ten minste een klein stuk natuurlijke schoonheid behouden bleef. Stad en Lande verdedigde aanvankelijk het oude recht van de Erfgooiers om plaggen te steken. Enkele jaren later stond de gemeente Blaricum meer open voor bescherming. Daarmee botsten twee totaal verschillende waarderingen van hetzelfde gebruik. Voor boeren waren plaggen onderdeel van een eeuwenoude mestkringloop. Voor nieuwe bewoners en natuurbeschermers was de heide inmiddels een landschap dat juist ongeschonden moest blijven.

81. Macht door Recht en de niet-scharenden

In de jaren twintig organiseerden niet-scharende Erfgooiers zich onder meer in Macht door Recht. Zij hadden wel genealogische rechten maar geen boerenbedrijf dat rechtstreeks van de meent profiteerde. Daarom wilden velen grond verkopen, de organisatie ontbinden en de opbrengst onder de gerechtigden verdelen. Zij eisten meer invloed en presentiegeld voor vergaderingen en stemden geregeld tegen jaarrekeningen. Sommige niet-scharenden steunden zelfs plannen voor een nieuwe Gooistad, omdat bouwgrond veel meer kon opleveren dan heide. De oude tegenstelling tussen koeien en schapen was veranderd in een nieuwe: landbouwers die grond wilden behouden tegenover duizenden gerechtigden die hun aandeel liever in geld zagen.

82. 1930 — wie redt de heide?

De mogelijke verkoop van grote heidegebieden veroorzaakte steeds meer verzet van natuurbeschermers. Het Amsterdamse plan rond wethouder Monne de Miranda voorzag in een grootschalige ontwikkeling waarbij een deel van het Gooi voor een nieuwe stad kon worden gebruikt. Op 11 februari 1930 riep commissaris van de Koningin A. Röell Gooise burgemeesters bijeen om over behoud van het natuurschoon te spreken. Ook Natuurmonumenten, pers en andere organisaties mengden zich in het debat. Het oude boerenland had inmiddels een derde betekenis gekregen. Eerst was het gemeenschappelijke gebruiksgrond, daarna potentiële bouw- en verkoopgrond, en nu werd het ook beschouwd als onvervangbare natuur en recreatieruimte.

83. 1932–1933 — het Goois Natuurreservaat

Op 11 november 1932 werd volgens de sterkste onderzochte bron het Goois Natuurreservaat opgericht. Op 31 januari 1933 volgde de overdracht van een groot deel van de Erfgooiersgronden. Ongeveer 1.526 hectare heide en jong bos kwam voor circa ƒ3 miljoen in het reservaat terecht. De precieze oppervlakte wordt in bronnen soms als 1.524 hectare weergegeven. Amsterdam, de Gooise gemeenten en Noord-Holland droegen financieel bij; ongeveer ƒ60.000 per jaar wordt in de regeling genoemd. De gronden mochten niet eenvoudig als bouwterrein worden uitgegeven. Het oude collectieve boerenland kreeg zo opnieuw een collectieve bestemming, maar nu als natuur voor een veel breder publiek.

84. Genealogische koorts om ƒ566,04

De verkoop veroorzaakte een onverwacht effect. Ineens kon bewezen Erfgooiersafkomst geld opleveren. Het aantal erkende gerechtigden steeg van ongeveer 2.122 in 1930 tot 3.562 in 1934. Een genealogisch bureau onderzocht gedurende ongeveer drie jaar honderden aanspraken. Aanvankelijk probeerde men kandidaten tot de lijst van 1708 terug te voeren; later konden ook erkende tussenlijsten voldoende bewijs bieden. Uiteindelijk wordt een uitkering van ƒ566,04 per persoon genoemd. Dat bedrag maal 3.562 is ongeveer ƒ2,016 miljoen en dus niet de volledige verkoopprijs van ƒ3 miljoen. Kosten, reserves en andere bestemmingen moeten daarom afzonderlijk worden onderscheiden. Afstamming was ineens letterlijk geld waard.

Het einde van een eeuwenoude gemeenschap

85. Van koe naar presentiegeld

Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal mensen dat daadwerkelijk boerde verder af, terwijl de groep gerechtigden bleef groeien. Het verschil tussen scharend en niet-scharend werd daardoor steeds moeilijker vol te houden. Voor veel leden bestond het Erfgooierschap niet meer uit dagelijks koeien melken of plaggen steken, maar uit vergaderingen, uitkeringen en een mogelijke aanspraak op vermogen. Toch bleven de oude termen en genealogische identiteit bestaan. Dat is misschien de grootste verandering in het hele verhaal: een recht dat ooit rechtstreeks toegang gaf tot gras, hout, turf en heide veranderde uiteindelijk in een administratief en financieel aandeel in een organisatie met grond, gebouwen, machines en personeel.

86. 1971 — de Expohal loopt vol

Begin juli 1971 kwamen meer dan drieduizend van de 5.041 leden bijeen in de Expohal in Hilversum. Volgens de overlevering was het er snikheet. Normaal kon een aanwezige ongeveer ƒ7,50 presentiegeld ontvangen, maar bij deze enorme bijeenkomst werd dat niet uitgekeerd. De inzet was veel groter: moest Stad en Lande worden ontbonden? De uitslag was overtuigend. 3.012 leden stemden vóór en 164 tegen. Sommigen wilden uit nostalgie doorgaan, maar de meerderheid koos voor beëindiging en verdeling. Een gemeenschap die eeuwenlang had geprobeerd haar grond onverdeeld te houden, besloot uiteindelijk zelf dat de gezamenlijke organisatie moest verdwijnen.

87. 1973 — de lijst wordt voorgoed gesloten

Een Koninklijk Besluit van 11 maart 1973 bevestigde de ontbinding. De ledenlijst werd gekoppeld aan de stand van maart 1972 en daarmee feitelijk bevroren. Eeuwenlang konden nieuwe generaties via afkomst in de gemeenschap terechtkomen; nu werd dat proces administratief afgesloten. Vervolgens moest het vermogen worden verdeeld. De Gooise gemeenten namen ongeveer 528 hectare niet-agrarische grond over voor circa ƒ15 miljoen. Bijna 500 hectare weidegrond ging voor ruim ƒ9 miljoen naar scharende boeren. Andere boeren kregen regelingen wanneer zij elders, onder andere in Friesland, een bedrijf wilden voortzetten. Ontbinding betekende dus ook een omvangrijke herverdeling van land en geld.

88. Tien papieren in plaats van een schaarrecht

Ook de gewone leden kregen hun aandeel niet in één keer. Zij ontvingen tien bewijzen van deelgerechtigheid, waarop gefaseerd bedragen werden uitgekeerd. Een eerste betaling van ongeveer ƒ1.000 vond op 10 december 1973 via Gooise Rabobanken plaats. Uiteindelijk ging het om ongeveer ƒ5.000 per gerechtigde. Het contrast met de middeleeuwen kon nauwelijks groter zijn. In 1404 werd een aandeel zichtbaar in het aantal dieren dat iemand op gemeenschappelijke grond mocht brengen. Bij het einde werd dezelfde eeuwenoude gemeenschapslijn vertegenwoordigd door papieren waardebewijzen en bankbetalingen. Het schaarbeest was vervangen door het financiële aandeel, de meent door een liquidatiebalans.

89. Machines, woningen en personeel verdwijnen

De liquidatie duurde jaren. Niet alleen grond moest worden verdeeld of verkocht. Stad en Lande bezat inmiddels dienstwoningen, bedrijfsgebouwen, machines en landbouwwerktuigen en had personeel in dienst. Ook die wereld moest worden afgewikkeld. Machinisten, opzichters en andere werknemers verdwenen uit een organisatie die ooit zonder stoomgemaal, telefoon of loonadministratie was begonnen. Daarmee eindigde een ontwikkeling die eeuwen eerder met buurmeesters, schaarzetters en boschhouders was gestart. De geschiedenis van de Erfgooiers was uiteindelijk niet alleen die van een recht. Zij had een compleet bedrijf voortgebracht dat wegen, water, vee, personeel, gebouwen en duizenden hectaren grond beheerde.

90. 28 april 1979 — de laatste vergadering

Op 28 april 1979 vond in de Grote Kerk van Naarden de laatste algemene vergadering plaats. Dezelfde plaats waar generaties Gooilanders over scharing, conflicten, verdeling en bestuur hadden gesproken, werd nu het toneel van de afsluiting. Een krant omschreef de bijeenkomst als een soort uitvaartdienst voor de Erfgooiers. De administratieve en financiële afwikkeling liep nog verder door, ongeveer tot 1981, waardoor andere bronnen soms andere eindjaren noemen. Die data spreken elkaar niet noodzakelijk tegen: 1971 was het ontbindingsbesluit, 1973 de formele bevestiging, 1979 de laatste algemene vergadering en daarna volgde nog liquidatie. Het einde duurde, net als het ontstaan, meerdere jaren.

91. “De Erfgooiers zijn dood”

Na de laatste hamerslag klonk volgens de overlevering uit de zaal: “De erfgooiers zijn dood, leve de erfgooiers!” De organisatie verdween, maar veel van haar landschap bleef bestaan. Heide die ooit door schapen werd begraasd werd natuurreservaat. Oude meenten bleven herkenbaar in weilanden, wegen, sloten en veldnamen. Archieven bewaren schaarbrieven, namenlijsten, processen, kaarten en loonadministraties. In families bleef Erfgooiersafkomst een identiteit. Daarmee eindigt het verhaal niet werkelijk bij een vergadering. De organisatie kon worden geliquideerd, maar de sporen van eeuwen gezamenlijk gebruik bleven in het landschap, in familienamen en in de manier waarop het Gooi zich ontwikkelde.

92. Van hoorn tot stoomgemaal

Over bijna zeven eeuwen verandert hetzelfde landschap voortdurend van betekenis. In 1326 riep een hoorn mensen bijeen. In 1404 telden schaarzetters koeien en paarden. In 1437 bewaakten boschhouders hout, herders en stenenzoekers. In 1516 vochten mensen om schapen; in 1626 om ontginningen; in 1705 om Hinlopens koeien; in de achttiende eeuw om zand en plaggen. In de negentiende eeuw rekenden juristen de heide in guldens uit. Rond 1900 stonden politie en militairen bij de meent. Daarna kwamen stoompompen, machinisten en telefoons. Uiteindelijk werden hectares verkocht, natuur beschermd en gerechtigden via banken uitbetaald. Het landschap bleef; het gebruik veranderde telkens.

De Erfgooiers — bijna duizend jaar gemeenschappelijk land, strijd en Gooise identiteit

Het landschap vóór de Erfgooiers

De geschiedenis van de Erfgooiers begon lang voordat iemand zichzelf erfgooier noemde. Het Gooi werd gevormd door stuwwallen, zandgronden, heiden, bossen en lager gelegen natte gebieden. Vanaf de bronstijd werd het gebied bewoond; grafheuvels op de Gooise heide herinneren daar nog aan. Na een periode van geringere bewoning volgde vanaf het einde van de achtste eeuw opnieuw kolonisatie. Op de arme zandgrond kon een boerenbedrijf alleen functioneren wanneer akkers, heide, bos en gemeenschappelijke weiden samen werden gebruikt. Heide leverde plaggen en weidegrond, bossen leverden hout, terwijl de lagere meenten onmisbaar waren voor het vee.

968 — Nardinclant en graaf Wichman II

Een traditioneel beginpunt van de Erfgooiersgeschiedenis is 968. Het gebied werd toen aangeduid als Nardinclant, het land rond Naarden. Graaf Wichman II van Hamaland schonk het graafschap volgens de overgeleverde geschiedenis aan de door hem gestichte Sint-Vitusabdij van Elten. De latere Erfgooiers zagen 968 uiteindelijk als het begin van hun bijna duizendjarige geschiedenis. Dat betekent niet dat in 968 al een Erfgooiersvereniging bestond. De rechten en organisatie die later kenmerkend werden voor de Erfgooiers ontwikkelden zich geleidelijk. Juist het onderscheid tussen grondbezit en oude gebruiksrechten zou eeuwenlang conflicten veroorzaken.

Gemeenschappelijk gebruik werd levensnoodzaak

Het bijzondere Gooise landbouwsysteem ontstond uit het landschap. Rond de dorpen lagen akkers, maar grote delen van het gebied konden niet als gewone landbouwgrond worden gebruikt. Heide, bos en laaggelegen graslanden werden daarom gezamenlijk benut. Koeien en paarden gingen naar de gemeenschappelijke weiden, schapen naar de heide. Bewoners haalden hout uit de bossen en staken plaggen voor hun landbouwbedrijven. Zulke gronden werden niet eenvoudig als individuele boerenpercelen beschouwd. Het recht om ze te gebruiken hoorde bij de plaatselijke gemeenschap. Daardoor ontstond een systeem waarin individuele huishoudens afhankelijk waren van grond die gezamenlijk werd beheerd. Dat werd de economische basis van het latere Erfgooierschap.

1280 — de graaf van Holland

Een grote verandering volgde in 1280, toen Nardinclant in handen van de graaf van Holland kwam. Daarmee ontstond precies de verhouding die de geschiedenis van Gooiland eeuwenlang zou beheersen. De landsheer kon zich als eigenaar van de grond beschouwen, terwijl de bewoners zich beriepen op hun oude rechten om diezelfde grond te gebruiken. Volgens het monumentenoverzicht ontwikkelde zich rond 1307 een markeachtige organisatie voor het beheer van gemene gronden en meenten. De graven van Holland lieten de bewoners daarvan gebruikmaken. Eigendom en gebruik waren daardoor twee verschillende zaken, een onderscheid dat later van doorslaggevend belang werd.

Meenten, heiden, bossen, venen en waranden

De gemeenschappelijke rechten betroffen veel meer dan alleen gras voor koeien. In de historische stukken komen beemden, weiden, venen, moerassen, bossen, heiden en waranden naar voren. Het was daarmee feitelijk een gemeenschappelijk grondstoffenstelsel. Een boer had gras nodig voor zijn koeien, heide voor zijn schapen, plaggen voor zijn bedrijf en hout voor huis, erf en vuur. Turf en andere natuurlijke hulpbronnen hadden eveneens economische waarde. Daardoor kon vrijwel iedere verandering in het landschap gevolgen hebben voor bestaande rechten. Ontginning, vervening, houtkap of verkoop betekende dat een bepaalde groep grond verloor die zij misschien al generaties gebruikte.

Regels waren noodzakelijk

Gemeenschappelijk bezit of gemeenschappelijk gebruik betekende niet dat iedereen onbeperkt zijn gang kon gaan. Wanneer één boer te veel dieren liet grazen, bleef er minder over voor zijn buren. Overmatige houtkap beschadigde het bos en te intensief plaggensteken kon de heide aantasten. Daarom moesten voortdurend grenzen worden gesteld aan wie gerechtigd was en hoeveel iemand mocht gebruiken. Daaruit groeide een uitgebreid stelsel van plaatselijke regels, toezicht en sancties. Overtredingen konden leiden tot boetes en soms tot het verlies van vee. De Erfgooiers waren dus niet alleen verdedigers van oude vrijheden; hun gemeenschap moest juist beperkingen opleggen om die vrijheden voor alle gerechtigden te behouden.

1404 — de eerste Schaarbrief

Een fundamenteel moment kwam in 1404. De gezamenlijke beweiding, de scharing, werd schriftelijk geregeld. Naarden, Laren en Huizen stelden schaarmeesters aan. In de latere overlevering geldt deze regeling als de eerste Schaarbrief. Een schaar had betrekking op de hoeveelheid gemeenschappelijke weide die nodig was voor het houden van vee. Daarmee werd een eeuwenoud praktisch probleem bestuurlijk vastgelegd: niet alleen moest duidelijk zijn wie gerechtigd was, maar ook hoeveel dieren een gerechtigde mocht laten grazen. De schaarmeesters werden daardoor belangrijke functionarissen tussen boer, dorp en gemeenschappelijke grond.

Wie mocht eigenlijk meedoen?

Juist de vraag wie recht had op de gemene gronden werd steeds belangrijker. Naarmate bevolking, economische belangen en druk op het landschap toenamen, kon een systeem waarin iedere nieuwe inwoner dezelfde rechten kreeg nauwelijks blijven bestaan. De gemeenschap ging daarom scherper onderscheiden tussen de oude Gooise bevolking en buitenstaanders. Een monumentenoverzicht dateert een belangrijke beperking van de gebruiksrechten tot de oorspronkelijke Gooise bevolking en haar mannelijke afstammelingen in 1442 en verbindt daarmee het ontstaan van de aanduiding Erfgooiers. De precieze juridische ontwikkeling was ingewikkelder, maar erfelijkheid werd uiteindelijk het bepalende beginsel.

Erfgooier was geen gewone inwoner

Daarmee ontstond iets merkwaardigs. Iemand kon in Gooiland wonen zonder Erfgooier te zijn, terwijl een gerechtigde zijn positie aan afstamming ontleende. Het Erfgooierschap werd in de praktijk gekoppeld aan de oude gemeenschap en de mannelijke afstammingslijn. Het ging dus niet om modern gemeentelijk burgerschap. De rechten vormden een afzonderlijke historische laag binnen de bevolking. Dat verklaart waarom ledenlijsten later zo belangrijk werden. Wie op een erkende lijst stond, kon aantonen dat hij tot de gerechtigde gemeenschap behoorde. Familiegeschiedenis, grondgebruik en bestuur raakten daardoor rechtstreeks met elkaar verweven.

Conflicten met mensen van buiten

De Gooise rechten eindigden niet vanzelfsprekend bij een duidelijk zichtbare grens. Vooral langs de randen van het gebied ontstonden conflicten met bewoners van aangrenzende streken. Loosdrechters en andere Stichtenaren gebruikten grond waarop de Gooiers of de Hollandse landsheer aanspraak maakten. Turf was daarbij een kostbare grondstof. In 1437 liet Filips de Goede optreden tegen Stichtenaren die op Hollands gebied turf staken. Overtreders konden naar het Muiderslot worden gebracht. Zulke incidenten laten zien dat de geschiedenis van de Erfgooiers tegelijk een geschiedenis van landschap, territorium en grensbewaking was.

1474 — het grote juridische onderscheid

Op 19 november 1474 kwam een uitspraak van de Grote Raad van Mechelen die voor het verdere verhaal cruciaal was. De Gooiers kregen niet eenvoudig de eigendom van Gooiland toegewezen. De eigendom werd bij de landsheer gelegd, terwijl de oude gebruiksrechten van de bewoners werden erkend. Daardoor ontstond een constructie die nog eeuwen problemen zou opleveren. Een overheid kon zeggen: de grond is van ons. De Gooiers konden antwoorden: maar wij hebben het recht hem te gebruiken. Beide beweringen konden tegelijkertijd betekenis hebben. Veel latere processen, verkopen en politieke conflicten zijn zonder dit onderscheid nauwelijks te begrijpen.

Een gemeenschap die haar grond niet wilde verdelen

Een ander beginsel was dat de gemene gronden niet eenvoudig onder afzonderlijke gezinnen moesten worden verdeeld. De kracht van het systeem lag juist in gezamenlijk gebruik. Een eenmalige verdeling zou misschien individuele boeren bevoordelen, maar zou de gemeenschappelijke economische basis vernietigen. Daardoor ontstond voortdurend spanning tussen collectiviteit en particulier belang. Grond kon door ontginning veel waardevoller worden. Bossen konden worden gekapt, heide kon bouwgrond worden en venen konden worden uitgegraven. Iedere verandering riep daarom dezelfde vragen op: van wie is de grond, wie bezit het gebruiksrecht en mag een generatie iets verkopen waarop volgende generaties eveneens aanspraak kunnen maken?

1555 — De Vuursche

Ook de grens met De Vuursche bleef problemen geven. In 1555 kwam een akkoord tot stand met Johan van Culemborg, heer van De Vuursche, over de afscheiding van gronden. Het was opnieuw een voorbeeld van de noodzaak om rechten letterlijk in het landschap vast te leggen. Grenzen die voor plaatselijke bewoners misschien vanzelfsprekend leken, moesten tegenover andere heren, gebieden en gebruikers juridisch worden bewezen. Tegelijk waren de Gooiers onderling verdeeld. Zij maakten ruzie over het aantal dieren dat mocht worden geweid en over de vraag wie schaarrecht bezat. Externe verdediging en interne regulering liepen voortdurend door elkaar.

1568 — de vierde Schaarbrief

Juist door die meningsverschillen duurde het tot 1568 voordat een vierde Schaarbrief tot stand kwam. De problemen betroffen het aantal stuks vee dat op de gemene weiden mocht grazen en het aantal Gooiers dat schaarrecht zou krijgen. De Schaarbrief laat daardoor zien hoe concreet het systeem was. Achter juridische termen stonden koeien, paarden en schapen die daadwerkelijk voedsel nodig hadden. Een extra dier betekende extra druk op dezelfde hoeveelheid gras. De regels beschermden dus niet een abstract middeleeuws privilege, maar de bestaansbasis van boerenhuishoudens.

Erfgooiers in het dagelijkse boerenbedrijf

Een Gooise boer gebruikte verschillende delen van het landschap gedurende het jaar. Zijn eigen akkers vormden maar één onderdeel. Het vee moest naar de meent, schapen konden op de heide worden gehouden, uit gemeenschappelijke gebieden kwamen plaggen en hout. Daardoor bepaalde het Erfgooiersstelsel mede het ritme van het boerenjaar. Wanneer het vee mocht worden ingeschaard, hoeveel dieren werden toegelaten en hoeveel schaargeld betaald moest worden, waren geen kleine administratieve kwesties. Een gezin kon daarvan economisch afhankelijk zijn. Het landschap was daarom tegelijk productieruimte, gemeenschappelijk bezit, bron van ruzie en een plaats waar eeuwenoude rechten dagelijks zichtbaar werden.

1625 — de strijd om 's-Graveland

In de zeventiende eeuw nam de druk op Gooise grond opnieuw toe. In 1625 ontstond een groot conflict over heidegrond ter plaatse van het latere 's-Graveland. De grondeigenaar, de Staten van Holland, wilde grond beschikbaar stellen, terwijl de Erfgooiers zich op hun gebruiksrechten beriepen. Hier botsten twee werelden frontaal: voor bestuurders en kapitaalkrachtige belanghebbenden kon woeste grond worden ontgonnen en economisch ontwikkeld; voor de Gooise gemeenschap was dezelfde heide onderdeel van een bestaand landbouwsysteem. Wat van buitenaf als ongebruikte grond kon lijken, was voor de Erfgooiers helemaal niet ongebruikt.

Omstreeks 1650 — Stad en Lande van Gooiland

Omstreeks 1650 verschijnt de vergadering van Erfgooiers nadrukkelijk onder de naam Stad en Lande van Gooiland. De naam verwees naar de stad Naarden en de Gooise dorpen Blaricum, Bussum, Hilversum, Huizen en Laren. De organisatie kreeg een eigen secretaris en vanaf deze periode zijn resolutieboeken met besluiten bekend. Daarmee werd een oud stelsel van gebruiksrechten steeds duidelijker een bestuurlijke instelling. Het was geen gewone gemeente en evenmin simpelweg een particuliere vereniging. Stad en Lande vertegenwoordigde een historische gemeenschap van gerechtigden met collectieve belangen in grond die tegelijkertijd binnen verschillende plaatselijke besturen lag.

Besturen betekende voortdurend onderhandelen

Stad en Lande moest tegelijkertijd verschillende belangen bewaken. Naarden had als oude hoofdstad een bijzondere positie. De dorpen hadden hun eigen boeren en plaatselijke belangen. Schaarmeesters en later meentmeesters moesten praktisch toezicht houden. De gerechtigden wilden hun rechten behouden, maar konden onderling sterk verschillen in rijkdom en daadwerkelijk grondgebruik. Een boer met veel vee keek anders naar de meent dan een gerechtigde zonder koeien. Bovendien stond tegenover de gemeenschap telkens een overheid die zich als grondeigenaar kon presenteren. Daardoor bleef de bestuurlijke structuur kwetsbaar. Vrijwel iedere verkoop, ontginning, grenscorrectie of nieuwe gebruiksregel kon een oude discussie opnieuw openen.

1708 — de rechten opnieuw vastgelegd

Na nieuwe conflicten en regelingen kwam op 31 augustus 1708 een bijzonder belangrijk Plakkaat van de Staten van Holland en West-Friesland tot stand. Daarin werden de rechten van de Erfgooiers opnieuw vastgelegd. Bij het plakkaat hoorde een lijst van gerechtigden uit Naarden, Blaricum, Hilversum, Huizen en Laren. Zulke lijsten zijn historisch van uitzonderlijk belang omdat het Erfgooierschap hierdoor letterlijk aan personen kan worden gekoppeld. De gemeenschap bestaat daardoor niet alleen uit instellingen en juridische begrippen: we kunnen individuele vissers, boeren en bestuurders terugvinden die daadwerkelijk als erfgooier werden erkend.

Harmen Lambertz Kos — een Erfgooier krijgt een gezicht

Een concreet voorbeeld is Harmen Lambertz Kos, geboren in Huizen op 13 oktober 1660 en overleden op 1 november 1717. Hij was visser en staat op de Erfgooierslijst van 31 augustus 1708. Ook zijn broer Huijbert Lambertz Kos wordt daarop genoemd. Harmen trouwde in 1687 met Lijsbeth Jacobsdr Vos. Haar vader Jacob Elbertz Vos was landbouwer, schout én erfgooier. Hun zoon Jacob Harmenz Kos, geboren in 1693 en overleden in 1733, was eveneens visser en erfgooier. Hier worden erfelijkheid, beroep, familie en plaatselijke samenleving tastbaar.

Vissers konden dus eveneens Erfgooier zijn

De familie Kos maakt meteen duidelijk dat we de Erfgooiers niet uitsluitend als boeren mogen voorstellen. Harmen en Jacob Kos waren vissers. Erfgooier was een juridische en erfelijke positie, geen beroep. Een man kon visser, landbouwer, bestuurder of iets anders zijn en tegelijkertijd tot de gerechtigde gemeenschap behoren. Niet iedere Erfgooier gebruikte zijn rechten bovendien op dezelfde manier. Wie vee bezat, had direct belang bij de meent. Een ander kon vooral waarde hechten aan rechten op jacht, plaggen of hout. Die verschillen zouden in de negentiende eeuw uitgroeien tot de formele tegenstelling tussen scharenden en niet-scharenden.

1719 — de grens wordt in steen gezet

Op 14 juli 1719 sloten de Staten van Holland en de Staten van Utrecht een akkoord over de grens. Die werd gemarkeerd met stenen grenspalen waarop de provinciale wapens stonden. In de bossen tussen Hilversum en Lage Vuursche herinneren de zogenaamde Leeuwenpalen nog aan deze grensregeling. Volgens de overlevering staan de natuurstenen palen in een lijn die vanuit de omgeving van Blaricum op de Dom van Utrecht is gericht. De Erfgooiersgeschiedenis werd daarmee letterlijk zichtbaar in het landschap: juridische afspraken werden stenen palen, sloten, wallen en grenzen die mensen tijdens hun dagelijkse werkzaamheden tegenkwamen.

De Gooiergracht

Ook de Gooiergracht behoort tot dat tastbare grenslandschap. Volgens het onderzochte materiaal groeven de Gooiers deze grensmarkering vanaf het gebied van het huidige Eemmeer langs Blaricum en Laren richting Hilversum, in de omgeving van Anna's Hoeve. Een grens was daarmee niet slechts een lijn op een kaart. Zij kon bestaan uit een gegraven watergang, palen en herkenbare landschapselementen. Wie vee liet lopen, plaggen stak of hout haalde, moest weten aan welke kant hij zich bevond. Het Erfgooiersrecht werd daardoor van generatie op generatie niet alleen uit documenten geleerd, maar ook door het landschap zelf.

Meentmeesters en schaargeld

Het dagelijkse beheer kwam voor een belangrijk deel bij de meentmeesters terecht. Zij inden schaargelden en betaalden daarmee de gewone kosten van de meenten. De meentmeesters werden al eeuwen door de gemeentebesturen benoemd. Tot 1811 werden gelden per gemeente geïnd, waarna in de vergadering rekening en verantwoording plaatsvond en kosten over stad en dorpen werden omgeslagen. De oudste bewaarde rekening die in het onderzochte werk wordt genoemd loopt over 1722–1725. Vanaf 1811 ontstonden afzonderlijke meentkassen; alleen Naarden bleef de inkomsten en uitgaven nog op de stadsrekening boeken.

Naarden bleef een bijzondere plaats innemen

Naarden behield door zijn oude positie een grote bestuurlijke betekenis. Daar lag traditioneel het centrum van Stad en Lande; de secretaris schreef er stukken en notulen en de stad had lange tijd financiële taken. Juist die bijzondere positie zou later juridische problemen veroorzaken. Waren de gemeenschappelijke gronden van de Erfgooiers, van de gemeenten, van Stad en Lande of van de staat? En vertegenwoordigde Stad en Lande de Erfgooiers of tegelijk de stad Naarden? Zulke formuleringen lijken op papier klein, maar konden bij grondverdeling en verkoop enorme financiële gevolgen krijgen.

Schaarden betekende werkelijk vee naar buiten brengen

Het woord scharen moet letterlijk worden gezien. Op vastgestelde momenten werd het vee naar de gemeenschappelijke weiden gebracht. De dieren moesten worden geregistreerd en later ook gebrand door de verantwoordelijke meentmeesters. Voor het gebruik werd schaargeld betaald. De gemeenschappelijke grond was daardoor geen open veld waarop iedere boer naar believen koeien kon loslaten. Er bestond toezicht, administratie en een maximum aan gebruik. De regels waren juist noodzakelijk omdat alle gerechtigden van dezelfde grond afhankelijk waren. Een boer die zich aan de voorschriften onttrok, gebruikte feitelijk gras waarop andere gerechtigden eveneens aanspraak hadden.

De schaardag

De jaarlijkse schaardag groeide daardoor uit tot een zichtbaar moment in de Gooise samenleving. Uit beschrijvingen van de Hilversumse Meent kennen we boeren uit onder andere Hilversum, Bussum en Huizen die hun koeien richting de gemeenschappelijke weide dreven. De term schaar werd daarbij verbonden met de hoeveelheid weide die nodig was om een volwassen koe te onderhouden. Zo'n dag moet levendig zijn geweest: boeren, vee, meentmeesters, controle en betaling kwamen samen. Eeuwen later kon juist een conflict op zo'n schaardag zelfs uitlopen op geweld.

De Hilversumse Meent was geen paradijs

De gemeenschappelijke weiden moeten evenmin als uitzonderlijk rijke graslanden worden voorgesteld. Beschrijvingen van de Hilversumse Meent bij Ankeveen vertellen dat sommige stukken te zandig waren en andere juist te moerassig. Koeien konden na een seizoen op de meent mager terugkomen. Het gemeenschappelijke recht was dus kostbaar omdat grond schaars en noodzakelijk was, niet omdat iedere hectare uitstekende landbouwgrond vormde. Dit verklaart tevens waarom conflicten over aantallen vee zo hardnekkig konden worden. Wanneer het beschikbare gras beperkt was, betekende één boer met te veel dieren letterlijk minder voedsel voor het vee van een ander.

Schapen, heide en plaggen

Naast koeien speelden schapen een grote rol. De Gooise heide was onderdeel van het landbouwsysteem. Schapen konden er grazen en plaggen konden worden gebruikt in het boerenbedrijf. Het recht om plaggen te steken bleef zelfs belangrijk voor Erfgooiers die geen vee op de meent schaarden. Ook houtkap en jacht behoorden tot de rechten die in de negentiende-eeuwse discussies terugkomen. Hierdoor bestond geen eenvoudige tegenstelling tussen iemand die zijn Erfgooiersrecht gebruikte en iemand die het niet gebruikte. Een man zonder koeien kon nog altijd belang hebben bij heide, bos of jacht.

1836 — opnieuw dreigde verdeling

In de negentiende eeuw werd de oude verhouding tussen staat en Erfgooiers opnieuw opengebroken. In 1836 kwam een verdeling van gronden tot stand. De Staat kreeg een gedeelte dat kon worden verkocht, terwijl de rechten van de Erfgooiers op andere delen opnieuw moesten worden geregeld. Een monumentenbeschrijving vat de regeling samen als een verdeling waarbij de Staat uiteindelijk een derde deel ter verkoop kreeg en de resterende gronden in volle beschikking van Stad en Lande kwamen. Het oude onderscheid tussen eigendom en gebruik veranderde daardoor fundamenteel.

Backer wilde de heide ontginnen

Jhr. Backer, bewoner van Larenberg, zag mogelijkheden om de Gooise landbouw te moderniseren. Hij wilde woeste grond ontginnen en probeerde boeren onder andere nieuwe landbouwmethoden te laten toepassen. Daarbij stuitte hij op plaatselijke weerstand. Backer publiceerde Iets over Gooiland en stelde dat Domeinen de Gooise gebruiksrechten moest dulden zolang de heide heide bleef, maar dat ontginning en cultuurgrond een andere situatie konden scheppen. Samen met Albertus Perk richtte hij in 1837 een maatschappij voor grondontginning op. Het huis De Maatschappij in Laren herinnerde daar later nog aan. Na ongeveer tien jaar moest worden vastgesteld dat nauwelijks resultaat was bereikt.

1842 — Albertus Perk onderzoekt de oorsprong

Albertus Perk, notaris, secretaris van Stad en Lande en tevens verbonden met Domeinen, werd een van de belangrijkste negentiende-eeuwse onderzoekers van het Erfgooiersrecht. Op verzoek van de Vergadering publiceerde hij in 1842 zijn Verslag omtrent den oorsprong der gebruiksrechten op de heiden en weiden in Gooiland. Hij probeerde daarin de historische ontwikkeling van de Gooise gemeenschap nauwkeurig te reconstrueren. Zijn werk werd geen laatste woord. Integendeel: het werd het begin van een langdurige historische en juridische discussie over de vraag wat Stad en Lande nu eigenlijk was en waarop de rechten van de Erfgooiers juridisch berustten.

1843 — het laatste onverdeelde gedeelte

In 1836 was nog een klein gedeelte van de gronden onverdeeld gebleven. Bij Koninklijk Besluit van 2 augustus 1843 werd ook dit laatste deel geregeld en kregen de Erfgooiers volgens de geraadpleegde historische beschrijving het volle bezit en genot van de hun toegewezen gronden. Daarmee veranderde de oude verhouding opnieuw. Een gemeenschap die eeuwenlang vooral gebruiksrechten tegenover een grondheer had verdedigd, kwam steeds dichter bij volledige beschikking over een omvangrijk gezamenlijk vermogen. Juist daardoor werd de vraag wie de gemeenschap bestuurde later nog belangrijker. Gemeenschappelijke heide die ooit vooral gras, plaggen en schapen betekende, kon in een verstedelijkend Gooi miljoenenwaarde krijgen.

Een historische pennestrijd

Perks interpretatie werd bestreden door Backer, wiens juridische betoog volgens een latere historische beoordeling sterker maar historisch minder juist was. In 1884 verscheen vervolgens Rinkels Bijdrage tot den rechtstoestand der Erfgooiers. Rinkel verwerkte nieuwere ideeën over markegenootschappen. Andere auteurs zagen vervolgens weer een vrije mark, een grondheerlijke mark of meenden dat het Gooise stelsel helemaal niet goed binnen het begrip mark paste. Daarmee werd het Erfgooiersvraagstuk een academisch strijdtoneel. Historici en juristen konden dezelfde oude documenten lezen en toch tot verschillende conclusies komen.

Scharenden en niet-scharenden

Tegen het einde van de negentiende eeuw werd een onderscheid steeds belangrijker. Scharenden waren Erfgooiers die vee bezaten en daadwerkelijk dieren op de meent brachten. Daarnaast bestonden gerechtigden zonder vee, vroeger onder andere niet-gebruikenden genoemd en later niet-scharenden. Zij konden hun andere rechten op bijvoorbeeld jacht, plaggensteken en houtkap behouden. Beide groepen waren Erfgooiers en hadden traditioneel een plaats in het bestuur. De tegenstelling zou echter gevaarlijk worden toen de waarde van grond sterk steeg. Voor een scharende boer was een hectare in de eerste plaats gras; voor anderen kon verkoop financieel aantrekkelijker zijn.

De steden rukten het Gooi binnen

In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderde het Gooi snel. Steeds meer mensen van buiten vestigden zich in de streek. Daardoor kwamen ook niet-Erfgooiers in de gemeenteraden. Dat werd bestuurlijk explosief, omdat juist de gemeenten vertegenwoordigers naar Stad en Lande stuurden. Een eeuwenoude gemeenschap van erfelijk gerechtigden dreigde daardoor bestuurd te worden door gemeentelijke vertegenwoordigers die zelf helemaal geen Erfgooier waren. Het conflict ging dus niet alleen over koeien of heide. De kernvraag werd: wie heeft het recht namens de gerechtigden over hun gemeenschappelijke bezit te beslissen?

1890 — de Erfgooiers verliezen invloed

In 1890 werd een nieuw reglement van orde aangenomen. Volgens de historische beschrijving kregen alleen de burgemeesters van de zes Gooise gemeenten stemrecht. Van hen was nog maar één Erfgooier. De gerechtigden raakten daardoor vrijwel uitgesloten van het directe beheer. Zelfs rekening en verantwoording kregen zij niet meer vanzelfsprekend te zien. De burgemeesters zagen zichzelf bovendien begrijpelijkerwijs als vertegenwoordigers van hun gemeenten. Daarmee konden gemeentelijke belangen en Erfgooiersbelangen uit elkaar groeien. Uitbreidende dorpen hadden bouwgrond nodig; de gemeenschappelijke heide bood die ruimte.

Heide werd bouwgrond

Grondverkopen namen vervolgens toe. Volgens de historische bron werden grote stukken heide voor betrekkelijk lage prijzen aan groeiende dorpen verkocht. Aanvankelijk veroorzaakte dat bij scharende boeren minder weerstand omdat vooral heide en niet de belangrijke weilanden verdwenen. Tegelijk liep de schapenteelt terug, waardoor minder heide nodig leek. Veel gerechtigden zagen daardoor nog niet onmiddellijk welk enorm vermogen in hun gemeenschappelijke grond besloten lag. Maar naarmate het Gooi verder verstedelijkte, werd steeds duidelijker dat oude heidegrond niet alleen agrarische gebruikswaarde maar ook grote commerciële waarde vertegenwoordigde.

1899 — Harmen Vos schiet een haas

In 1899 barstte het conflict werkelijk los door een ogenschijnlijk klein voorval. Harmen Vos schoot een haas, terwijl de jacht door Stad en Lande was verpacht. Vos beriep zich op zijn oude rechten als Erfgooier. Stad en Lande liet proces-verbaal opmaken en probeerde strafrechtelijke vervolging te laten instellen. Maar achter de geschoten haas zat een civielrechtelijke vraag: mocht Stad en Lande een jachtrecht verpachten dat een Erfgooier als eigen historisch gebruiksrecht beschouwde? De organisatie zette de civiele procedure niet door. Harmen Vos bleef vervolgens jagen en trok zich van processen-verbaal weinig aan.

4 april 1900 — tweehonderd Erfgooiers in de Grote Kerk

De onvrede was inmiddels zo groot dat op 4 april 1900 ongeveer tweehonderd Erfgooiers bijeenkwamen in de Grote Kerk van Naarden. De vergadering was bijeengeroepen door Machiel Janszoon Majoor uit Laren. Eerdere verzoekschriften hadden volgens de ontevredenen niets opgeleverd. Daarom zegden zij het bestuur van Stad en Lande over de gemeenschappelijke gronden op en besloten zij zelf een nieuw bestuur te vormen. Wat eeuwenlang één gemeenschap had moeten zijn, dreigde daarmee in twee concurrerende bestuursorganisaties uiteen te vallen.

Floris Vos wordt leider van de nieuwe partij

Kort daarna kwam Floris Vos aan het hoofd van de zogenaamde nieuwe partij. In de verschillende gemeenten werden verkiezingen gehouden en de afgescheiden Erfgooiers lieten zich door bekwame juristen ondersteunen. Tegenover hen stond de oude Vergadering van Stad en Lande. Beide partijen beweerden uiteindelijk dat juist zij bevoegd waren de gemeenschappelijke gronden te beheren. Het conflict werd daardoor niet langer een ruzie binnen één vergadering, maar een strijd tussen twee concurrerende machtscentra. Ook het gemeentebestuur van Laren, waarin Erfgooiers een meerderheid vormden, koos positie.

Schaardagen worden strijdtoneel

De eeuwenoude schaardag kreeg nu een totaal andere betekenis. Voordat vee op de meent mocht, moest het door meentmeesters worden gebrand en moest schaargeld worden betaald. Maar aan welke meentmeesters? Wie de oude Vergadering niet erkende, kon weigeren aan haar functionarissen te betalen. Daarmee werd een koe die naar de weide werd gebracht plotseling onderdeel van een constitutioneel conflict. Achter het brandmerk op het dier lag de vraag welk bestuur legitiem was. Juist daarom vonden de felste botsingen plaats op de dagen waarop boeren hun vee daadwerkelijk naar de meent brachten.

1903 — bloed op de Blaricumse meent

In 1903 liep het conflict dramatisch uit de hand. Op een schaardag probeerde een Erfgooier in Blaricum zijn vee op de meent te brengen zonder het door de oude Vergadering verlangde schaargeld aan haar meentmeesters te betalen. De burgemeester van Blaricum, behorend tot de oude partij, liet militairen optreden. Tijdens de confrontatie werd een Erfgooier doodgeschoten. Een conflict dat eeuwenlang vooral met oorkonden, processen, vergaderingen en vee was uitgevochten, kostte nu een mensenleven.

De Erfgooierskwestie bereikt de Tweede Kamer

Het dodelijke incident bleef niet binnen Gooiland. Mr. Heemskerk interpelleerde erover in de Tweede Kamer. De minister van Binnenlandse Zaken droeg de Gooise burgemeester vervolgens op zich neutraal te houden. Voor de opstandige Erfgooiers bevestigde het geweld dat de bestaande situatie onhoudbaar was. De nieuwe organisatie nam onder leiding van Floris Vos de naam Hoofdbestuur van de Berechtigden tot de gemeene heiden en weiden van Gooiland aan. Vanaf dat moment stonden feitelijk twee lichamen tegenover elkaar die allebei beweerden bevoegd te zijn en die elkaars gezag niet erkenden.

Een speciale wet werd onvermijdelijk

De Erfgooierskwestie kon nauwelijks nog met plaatselijke afspraken worden opgelost. Eeuwenoude gebruiksrechten, eigendom, gemeentelijk bestuur, erfelijkheid en modern verenigingsrecht waren door elkaar gaan lopen. Daarbij kwam dat grond inmiddels een totaal andere economische betekenis had dan in de middeleeuwen. Waar ooit de vraag centraal stond hoeveel koeien een meent kon voeden, ging het nu ook over woningbouw, gemeentelijke uitbreiding en enorme grondwaarden. Juristen en historici konden blijven discussiëren over marken en oude rechten, maar voor het praktische bestuur was een moderne wettelijke regeling noodzakelijk geworden.

1912 — de Erfgooierswet

De uitkomst was de Erfgooierswet van 1912, vastgesteld onder koningin Wilhelmina. Daarmee kreeg de bijzondere Gooise gemeenschap eindelijk een wettelijke regeling die aansloot bij de moderne staat. De wet kwam niet uit het niets: er waren jaren van heftige vergaderingen, processen, partijvorming en zelfs dodelijk geweld aan voorafgegaan. De historische organisatie kon daarna nog tientallen jaren voortbestaan. De paradox was groot. Een gemeenschap waarvan de wortels in middeleeuwse landbouwrechten lagen, werd juist door een twintigste-eeuwse nationale wet beschermd.

Het boerenbedrijf verdwijnt langzaam

Maar wetgeving kon de samenleving niet stilzetten. In de twintigste eeuw nam het aantal boeren af, terwijl Hilversum, Bussum, Laren, Blaricum en Huizen verder groeiden. Gemeenschappelijke grond die eeuwenlang noodzakelijk was geweest voor koeien, schapen, plaggen en hout kreeg steeds meer betekenis voor woningbouw, natuur, recreatie en infrastructuur. Daarmee verdween langzaam de economische omgeving waarin het Erfgooiersstelsel was ontstaan. De rechten bleven bestaan, maar voor steeds meer gerechtigden waren zij geen noodzakelijk onderdeel meer van het dagelijkse boerenbedrijf.

Van gebruiksrecht naar vermogen

Dat veranderde ook de betekenis van Erfgooier zijn. Voor een middeleeuwse of vroegmoderne boer kon het recht op gemeenschappelijke grond rechtstreeks bepalen of hij voldoende vee kon houden. Voor een twintigste-eeuwse nakomeling kon hetzelfde historische recht uiteindelijk vooral een aandeel in een gezamenlijk grondvermogen vertegenwoordigen. De stijgende waarde van Gooise grond maakte ontbinding daardoor financieel steeds belangrijker. Een systeem dat bedoeld was geweest om grond onverdeeld voor opeenvolgende generaties te bewaren, kwam uiteindelijk voor de vraag te staan hoe dat gemeenschappelijke vermogen juist onder de laatste gerechtigden moest worden verdeeld.

1968, 1971 en 1979 — bronnen gebruiken verschillende eindpunten

Over het precieze einde moeten de bronnen zorgvuldig uit elkaar worden gehouden. Een genealogische geschiedenis noemt 1968 als het moment waarop het instituut Stad en Lande bij Koninklijk Besluit werd ontbonden en de levende mannelijke gerechtigden hun erfdeel in termijnen kregen uitbetaald. Een monumentenoverzicht vermeldt dat de vereniging tot 1971 bestond. Anton Kos behandelt in zijn populaire geschiedenis de periode 968–1979 en noemt 1979 het jaar waarin de Erfgooiersvereniging werd opgeheven. Deze data hoeven niet noodzakelijk hetzelfde juridische moment aan te duiden; zonder nadere broncontrole mogen we ze daarom niet tot één datum reduceren.

De laatste uitbetalingen

Volgens de genealogische bron kregen de nog levende mannelijke Erfgooiers na de ontbinding hun erfdeel in termijnen uitgekeerd. Van de laatste betaling werd geld ingehouden voor het opzetten van een Erfgooiersarchief. Daarmee eindigde de geschiedenis op een bijna symbolische manier. Grond die eeuwenlang niet individueel mocht worden verdeeld, werd uiteindelijk in geld onder individuele gerechtigden verdeeld, terwijl een gedeelte van dat geld werd gebruikt om juist de documenten te bewaren waarin de gezamenlijke geschiedenis was vastgelegd: oorkonden, Schaarbrieven, verslagen en ledenlijsten.

Het landschap bleef achter

De organisatie verdween, maar haar landschap niet. Rond Bussum ligt nog de Hilversumse Meent. Bij Naarden herinnert de Naardermeent aan het gemeenschappelijke gebruik. Bij Blaricum en Huizen liggen de Blaricummer- en Huizermaten, in de bron aangeduid als het Vierde Kwadrant. Tussen Hilversum en Lage Vuursche staan de Leeuwenpalen. De Gooiergracht loopt vanuit het gebied van het huidige Eemmeer langs Blaricum en Laren richting Hilversum. Wie deze plaatsen naast elkaar legt, ziet nog altijd de contouren van een landschap dat eeuwenlang door gemeenschappelijke rechten werd georganiseerd.

De geschiedenis leeft zelfs in straatnamen voort

Ook plaatsnamen en straatnamen bewaren het verleden. In Hilversum, Bussum, Laren, Blaricum en Huizen komen namen voor die herinneren aan het Erfgooiersverleden en de oudere geschiedenis van Nardinclant: Erfgooiersstraat, Gemeenlandslaan, Graaf Wichman, Keizer Ottostraat, Hertog Albrechtstraat, Luitgarde, Godelinde, Thierensweg, Harmen Vosweg, Floris Vos en E. Ludenstraat. Daarmee werd een geschiedenis die ooit in schaarbrieven en grensconflicten zat uiteindelijk onderdeel van het moderne stratenplan.

Het Erfgooiersgevoel

Met de juridische opheffing verdween bovendien niet onmiddellijk het Erfgooiersgevoel. Een latere reactie van een in 1958 geboren zoon van een Erfgooier is veelzeggend: hij had het Erfgooiersbestel zelf nauwelijks meer meegemaakt, maar voelde zich wel verbonden met de geschiedenis, beleving en anekdotes. De huidige Stichting Stad en Lande van Gooiland probeert die herinnering levend te houden en organiseert onder meer activiteiten rond Erfgooiersdagen. Historische verenigingen in de streek verzamelen niet alleen juridische feiten maar ook verhalen, bijnamen, familietradities en herinneringen.

Van Wichman tot Floris Vos

Daarmee is de geschiedenis van de Erfgooiers veel groter dan het verhaal van een boerenvereniging. Zij verbindt Wichman II, Elten, Nardinclant, de graven van Holland, de Grote Raad van Mechelen, schaarmeesters, Johan van Culemborg, de Staten van Holland, Huizer vissers als Harmen Lambertz Kos, meentmeesters, Albertus Perk, Backer, Rinkel, Harmen Vos, Machiel Janszoon Majoor en Floris Vos. Door al die eeuwen heen bleef dezelfde kernvraag terugkomen: wie mag beschikken over een landschap dat door de ene partij als eigendom en door de andere als erfelijk gemeenschappelijk recht werd beschouwd?

Een geschiedenis die je tussen de koeien moet zoeken

Wie de Erfgooiers alleen via wetten bestudeert, mist uiteindelijk de helft van hun geschiedenis. Het systeem leefde wanneer een Huizer visser op een gerechtigdenlijst werd geschreven; wanneer een boer zijn koe naar de meent dreef; wanneer een meentmeester schaargeld inde; wanneer schapen over de heide trokken; wanneer iemand plaggen stak, hout kapte of een haas schoot; wanneer Loosdrechters turf kwamen steken; wanneer een grenspaal werd geplaatst of een Gooiergracht werd gegraven. Juist daar, in het dagelijkse gebruik van grond en landschap, bestond het Erfgooierschap werkelijk.

Bijna duizend jaar continuïteit én verandering

Van 968 tot diep in de twintigste eeuw liep een opmerkelijke historische lijn. De institutionele vorm veranderde voortdurend en het is bronkritisch onjuist om de organisatie van 1912 rechtstreeks in 968 te projecteren. Maar het centrale probleem bleef herkenbaar: een plaatselijke gemeenschap verdedigde collectieve rechten op grond waarvan haar bestaan afhankelijk was. Eerst draaide dat om weide, heide, hout, plaggen en turf; later om bestuur, verkoop en grondwaarde. Uiteindelijk verdween het boerenstelsel dat die rechten noodzakelijk had gemaakt. De gemeenschap werd opgeheven, maar haar archief, families, plaatsnamen en landschap bleven bestaan.

De erfenis van de Erfgooiers

De Erfgooiers hebben daardoor een uitzonderlijk diepe laag in de geschiedenis van Naarden, Hilversum, Bussum, Laren, Blaricum en Huizen achtergelaten. Hun verhaal gaat over gemeenschapsgrond tegenover privébezit, gewoonterecht tegenover geschreven recht, boeren tegenover bestuurders, oude inwoners tegenover nieuwkomers en behoud tegenover economische ontwikkeling. Maar het gaat evenzeer over gewone mensen en hun dieren. Een koe op de meent, een schaap op de heide, een plag uit de grond en een boom uit het bos konden onderdeel zijn van een recht dat generaties ouder was dan degene die het gebruikte. Dat is uiteindelijk wat de Erfgooiers zo bijzonder maakt: een landschap werd bijna duizend jaar lang tevens een erfelijke gemeenschap.

De Erfgooiers en het Historisch Café — een bronnenwijzer naar het complete verhaal van Gooiland

Het Historisch Café als ingang tot het verleden

Het Historisch Café Naarden blijkt veel meer te zijn dan een reeks lezingen voor historisch geïnteresseerden. Wie de programma's vanaf het ontstaan systematisch naast elkaar legt, krijgt een gids door vrijwel de gehele geschiedenis van Gooiland. Het initiatief ontstond vanuit het Stadsarchief Naarden, het Nederlands Vestingmuseum en het Comeniusmuseum, met medewerking van Stichting Tussen Vecht en Eem. De oorspronkelijke aankondigingen omschreven het terrein nadrukkelijk als de geschiedenis van Stad en Lande van Gooiland. Daardoor vormen de lezingen gezamenlijk een bronnenwijzer naar onderzoekers, boeken, artikelen, archieven, archeologische vondsten en nog oudere bronnen. Het Café moet daarom niet als eindbron, maar als toegangspoort worden gelezen.

Een geschiedenis die vóór de Erfgooiers begint

Een van de belangrijkste ontdekkingen is dat het Café de geschiedenis niet in 968 laat beginnen. Henk Michielse sprak op 17 mei 2011 over Liudger (742–809) en de vroegste geschiedenis van Naarden en omgeving. Daarmee komen we terecht in de periode waarin Friezen en Franken om invloed in het kust- en rivierengebied streden en het christendom zich verder verbreidde. Voor het Erfgooiersonderzoek is dat essentieel. De latere gemeenschappelijke rechten kunnen niet goed worden begrepen wanneer het verhaal onmiddellijk begint bij graaf Wichman, Elten en het jaar 968. Eerst moeten landschap, bewoning, vroegmiddeleeuwse machtsverhoudingen, kerkelijke organisatie en agrarisch grondgebruik worden onderzocht.

De Franken komen, 700–1000

Michielse werkte die vroegste geschiedenis veel uitgebreider uit in zijn Historisch-Cafélezing van 18 november 2014, De Franken komen. De vroege geschiedenis van het Gooi 700–1000. Daarin kwamen Friezen en Franken, de oudste schriftelijke bronnen, bewoningsgeschiedenis, Nardinklandt, het domeinstelsel, sociale verhoudingen, agrarische productie, heren en horigen, kerstening én de Erfgooiers aan bod. Dat is precies de probleemzone waarin de oorsprong van het latere Gooise gemeenschappelijke grondgebruik moet worden gezocht. De grote vraag wordt daardoor niet simpelweg: wanneer ontstonden de Erfgooiers? We moeten onderzoeken welke rechten boeren binnen vroegmiddeleeuwse domeinen hadden en of daar aantoonbare institutionele continuïteit bestaat naar de veel later gedocumenteerde Gooise marke.

Nardinclant, Wichman en Elten

De traditionele Erfgooiersgeschiedenis begint dikwijls bij Nardinclant/Nardincklant, graaf Wichman en de abdij van Elten. Wichman schonk in de tiende eeuw bezittingen aan het door hem gestichte vrouwenstift Elten. Latere verhalen hebben daar soms een vrijwel rechte lijn van gemaakt naar de Erfgooiers. Juist hier is bronkritiek noodzakelijk. Dat er in de tiende eeuw grond, boerenbedrijven en gebruiksverhoudingen bestonden, bewijst nog niet dat toen reeds een markegenootschap bestond dat institutioneel identiek was aan Stad en Lande. Daarom zijn de onderzoeken van Piet Leupen en Anton Kos zo belangrijk: zij onderzoeken juist de juridische positie van de bewoners en de vraag of de Gooise marke werkelijk als opvolger van de vroegmiddeleeuwse curtis Nerdinklant kan worden beschouwd.

Wuite geeft een belangrijke waarschuwing

De masterscriptie van Luuk Wuite uit 2019 over de landschapsontwikkeling bij Radewijk biedt hiervoor belangrijk vergelijkingsmateriaal. Zijn studie gaat niet over Gooiland en mag dus niet als rechtstreeks bewijs voor de Erfgooiers worden gebruikt. Maar Wuite laat op basis van de markeliteratuur zien dat een formeel georganiseerd markestelsel niet zonder bewijs diep de vroege middeleeuwen in mag worden teruggeprojecteerd. In de door hem besproken onderzoekstraditie wordt de ontwikkeling van marken juist verbonden met bevolkingsgroei, voortgaande ontginningen en toenemende druk op de resterende gemeenschappelijke woeste gronden, vooral vanaf de hoge middeleeuwen.

Oude rechten en een latere organisatie

Daarmee ontstaat een veel subtieler mogelijke ontwikkeling. Boeren kunnen al eeuwenlang gebruik hebben gemaakt van bos, heide, veen en weide zonder dat er reeds een formele marke bestond. Wanneer de beschikbare grond schaarser werd, ontstond behoefte aan grenzen, regels, toegangsrechten, boetes en bestuur. Wuite beschrijft voor zijn Overijsselse vergelijking waardelen, aantallen vee, plaggenwinning, houtgebruik, vergaderingen van rechthebbenden en markerichters. De Gooise ontwikkeling moet daartegen worden afgezet. De mogelijkheid bestaat dus dat oude gebruiksrechten veel ouder zijn dan de institutionele organisatie die wij later als Gooise marke en uiteindelijk Stad en Lande herkennen. Dat onderscheid moet in het definitieve verhaal voortdurend worden bewaakt.

Floris V en 1280

Een tweede hardnekkige traditie betreft Floris V. In populaire Erfgooiersgeschiedenissen wordt soms verteld dat hij de Gooiers hun rechten schonk. Anton Kos waarschuwt voor die eenvoudige voorstelling. Op 6 mei 1280 droeg Elten zijn Gooise rechten tegen een jaarlijkse vergoeding aan Floris V over; op 13 mei volgde een nadere overeenkomst in Vreeland. Daarmee veranderde de landsheerlijke positie, maar daaruit volgt niet vanzelf dat Floris de bevolking toen haar gemeenschappelijke gebruiksrechten gaf. Die kunnen ouder zijn geweest. De werkelijke vraag is daarom welke rechten in de dertiende-eeuwse stukken worden genoemd en wanneer de gebruikers daarvan voor het eerst aantoonbaar als een georganiseerd collectief optreden.

Naarden wordt het bestuurlijke middelpunt

Het Historisch Café levert juist voor die overgang een belangrijke onderzoekslijn. Piet Leupen sprak op 19 januari 2009 over Gerrit Alewijnsz., een grafelijke ambtenaar die betrokken was bij Naarden en Weesp als vestingsteden. Daarnaast behandelde Michielse op 15 maart 2016 expliciet hoe Naarden stad werd en hoe tussen ongeveer 1200 en 1500 de verhouding tussen Naarden en de Gooise dorpen functioneerde. Daarmee komt het element Stad in Stad en Lande scherper in beeld. Naarden was niet zomaar één van de nederzettingen, maar ontwikkelde zich tot centrale bestuurlijke en economische plaats binnen het gebied.

De stad en de Gooise dorpen

Daartegenover stonden de dorpen Hilversum, Huizen, Laren, Blaricum en later Bussum. De geschiedenis van de Erfgooiers is daarom tegelijk een geschiedenis van samenwerking en spanning tussen stad en platteland. De gemeenschappelijke gronden lagen verspreid over een groot gebied en werden gebruikt door mensen uit verschillende nederzettingen. Besluiten over toegang tot die gronden konden daardoor nooit uitsluitend lokaal blijven. Wie vee mocht inscharen, waar schapen mochten lopen, hoeveel plaggen iemand mocht steken en wie tegen overtreders mocht optreden, waren economische én bestuurlijke vragen. Juist de verhouding tussen Naarden en de dorpen werd daardoor een van de structurerende elementen van de latere organisatie.

De schaarbrief van 1404

De eerste bekende Gooise schaarbrief dateert van 25 januari 1404. Daarna volgen schaarbrieven uit 1442, 1455 en 1568. Zulke stukken zijn veel belangrijker dan alleen juridische curiositeiten. Ze laten zien dat gemeenschappelijk bezit regels vereiste. Het vee van de ene gebruiker beïnvloedde immers de hoeveelheid gras die voor anderen overbleef. Hetzelfde gold voor schapen op de heide, houtkap, plaggen en andere vormen van gebruik. Historische Kring Huizen heeft erop gewezen dat van de eerste schaarbrief nog het oorspronkelijke stuk bestaat en dat Harmen Kos het in het Erfgooiersarchief fotografeerde. Hij waarschuwde bovendien voor transcriptiefouten in de uitgave van J.H. Sebus uit 1933.

Van rechten naar dagelijks leven

De studie van H.A. Kos, ‘Van der Scharinge. De Middeleeuwse schaarbrieven van de Gooise marke’, gepubliceerd in TVE in 1997, maakt duidelijk waarom die stukken voor ons dagelijks-levenverhaal zo belangrijk zijn. Het Erfgooierschap draaide niet uitsluitend om rijke boeren die grote kudden op de meent brachten. Ook mensen met andere bestaansmiddelen konden tot de gerechtigden behoren. Een visser kon bijvoorbeeld behoefte hebben aan turf als brandstof, terwijl ambachtslieden rechten konden bezitten zonder zelf een grote veestapel te houden. De marke was daardoor niet slechts een landbouworganisatie, maar zat verweven in het huishouden, brandstofgebruik, voedselvoorziening, ambachten en plaatselijke sociale verhoudingen.

Schapen, runderen, plaggen en hout

Wuite helpt opnieuw om te begrijpen waarom zulke rechten economisch zo belangrijk waren. In traditionele landbouwsystemen vormden akker, heide en veestapel één geheel. Schapen graasden op gemeenschappelijke heide; plaggen kwamen samen met mest in de potstal terecht; het mengsel werd vervolgens op akkers gebracht. Hout leverde brand- en bouwmateriaal. Veen leverde turf. Bijenteelt profiteerde van bloeiende heide. In Wuites Radewijkse studiegebied werden in 1820 bijvoorbeeld 641 schapen geteld. Hij beschrijft zelfs terreinen die door langdurige ophoping van plaggen en uitwerpselen van samengedreven schapen zichtbaar hoger werden. Dat is vergelijkingsmateriaal, geen Goois bewijs, maar maakt tastbaar wat “gebruik van de heide” praktisch kon betekenen.

Het conflict met Karel de Stoute

Tussen 1470 en 1474 ontstond een belangrijk conflict met Karel de Stoute. In de door Anton Kos onderzochte stukken verdedigden de Gooiers hun gebruik van de gemeenschappelijke gronden met een beroep op oud gebruik. Zij benutten het gebied voor onder andere paarden, runderen, varkens en schapen, maar ook voor plaggen, turf en bosproducten. Dat is belangrijk omdat hier niet achteraf over “eeuwenoude rechten” wordt gefantaseerd: in een concreet laatmiddeleeuws conflict beroepen gebruikers zich zelf op langdurig bestaand gebruik. De precieze juridische betekenis daarvan moet wel worden onderscheiden van de latere voorstelling dat één onveranderde Erfgooiersorganisatie sinds 968 zou hebben bestaan.

1516–1520: ruzie tussen gebruikers zelf

De conflicten kwamen niet alleen van buiten. Anton Kos vond voor 1516–1520 spanningen tussen veehouders en schaapherders over het gebruik van de gemeenschappelijke heide. Dat is voor het verhaal wezenlijk. “De Erfgooiers” waren geen homogene groep die altijd gezamenlijk tegenover buitenstaanders stond. Verschillende vormen van veehouderij konden elkaar juist beconcurreren. Te veel schapen konden andere gebruikers benadelen; beperkingen die voor de ene groep bescherming betekenden, waren voor een andere groep hinderlijk. De geschiedenis van de gemene gronden is daarom ook een geschiedenis van onderhandelen over schaarste.

Loosdrecht en de grens rond 1530

Rond 1530 ontstonden problemen aan de kant van Loosdrecht, waar ontginningen de gemeenschappelijke gronden raakten. Hilversumse Erfgooiers bemerkten dat terrein waarop zij traditioneel onder meer plaggen staken en hout verzamelden onder druk kwam te staan. Hier wordt zichtbaar dat een grens niet alleen een lijn op een kaart was. Voor boeren en dorpsbewoners bepaalde zij waar dieren mochten lopen, waar brandstof vandaan kwam en waar grond kon worden ontgonnen. Iedere nieuwe ontginning kon daardoor botsen met bestaand gemeenschappelijk gebruik. De geschiedenis van de Erfgooiers is tegelijkertijd de geschiedenis van het steeds nauwkeuriger vastleggen van het Gooise landschap.

De Reformatie verdeelde het Gooi anders

Het Historisch Café opent daarnaast een religieuze laag. Michielse behandelde op 15 september 2015 in Tussen Grote Kerk en Schuilkerk de religieuze verhoudingen in de streek. Naarden werd sterk protestants, terwijl onder meer Bussum, Laren, Blaricum, Ankeveen en delen van Hilversum veel sterker katholiek bleven. Dat betekent dat dezelfde mensen die gezamenlijk rechten in heide en meent deelden, religieus tot verschillende gemeenschappen konden behoren. Het Erfgooierschap kon dus een regionale verbinding vormen die dwars door confessionele verschillen liep. Dat verdient uiteindelijk vergelijking met schaarlijsten, kerkregisters en dorpsbevolking.

1619: een prins wil Gooise grond

In 1619 wilde prins Emanuel van Portugal grond bij Hilversum verwerven, waaronder het Eerste en Tweede Blok, voor de aanleg van landgoederen. Baljuw P.C. Hooft kreeg daardoor te maken met de gebruiksrechten van de Gooiers. Ook later probeerden Amsterdamse belanghebbenden delen van de Gooise woeste gronden voor ontginning te verkrijgen. Daartegenover stonden Erfgooiers die de gronden niet als lege ruimte zagen. Wat voor een investeerder onontgonnen terrein was, kon voor een Gooise gebruiker waarde hebben vanwege weide, plaggen, sprokkelhout, paddenstoelen en andere opbrengsten.

Zand, grind en leem

Het Historisch Café leverde nog een vergeten economische laag op. Sander Koopman sprak op 20 november 2019 over de Gooise zandafgravingen. Hij wees erop dat reeds in de middeleeuwen grind en leem op de heide werden gewonnen. Later werden bij Naarden, Bussum en 's-Graveland enorme hoeveelheden zand afgegraven; ook Huizen kreeg omvangrijke groeves. Daarmee ontstaat een nieuwe onderzoeksvraag voor de Erfgooiers: wie mocht dergelijke grondstoffen uit gemeenschappelijke grond winnen, onder welke voorwaarden en wie ontving eventuele opbrengsten? Koopmans eerdere onderzoeken uit 2008 en 2015 worden daardoor zelfstandige bronnen die nog tegen de archiefstukken van Stad en Lande moeten worden gelegd.

1705: François Hinlopen en Oud-Bussem

Een andere aanval op het collectieve grondgebruik ontstond vanaf 1705 rond François Hinlopen en Oud-Bussem. De zaak behoort tot een bredere reeks conflicten waarin particuliere eigenaren, buitenplaatsbezitters en ontginners tegenover de aanspraken van Stad en Lande en de gerechtigden kwamen te staan. Zulke conflicten laten zien waarom kaarten steeds belangrijker werden. Zodra grond geld waard werd voor ontginning, buitenplaatsen of andere particuliere doeleinden, moest duidelijk zijn waar gemeenschappelijke rechten begonnen en eindigden. De cartografische geschiedenis van Gooiland is daarom nauw verbonden met de geschiedenis van de Erfgooiers.

De lijst van 1708

In 1708 werd een bijzonder belangrijke lijst van gerechtigde Erfgooiers opgesteld. De bronnen van Stad en Lande noemen 1.088 gerechtigden. De lijst bleef later belangrijk bij de vaststelling wie rechten kon claimen. Juist daarom moeten de namen uiteindelijk genealogisch worden onderzocht. In secundaire Huizer publicaties is bovendien een probleem zichtbaar: voor een bepaalde onderverdeling komen zowel 624 als 684 niet-scharende Erfgooiers voor. Dat verschil mag niet worden weggepoetst. De oorspronkelijke lijst of een betrouwbare kritische uitgave moet uitsluitsel geven. Het voorbeeld toont hoe gemakkelijk één verkeerd overgeschreven getal een eigen leven kan gaan leiden.

Kaarten van 1709–1723

Na de conflicten en de lijst volgde een cartografische fase. Tussen 1709 en 1723 werden de gemene gronden steeds nauwkeuriger in kaart gebracht. Daarmee werd een landschap dat generaties lang vooral door gebruik, mondelinge kennis, wegen, grenspalen, vennen en herkenningspunten was bepaald steeds sterker administratief vastgelegd. Die kaarten zijn niet slechts illustraties. Ze vertellen waar de gemeenschappelijke heide lag, waar ontginningen oprukten en welke gebieden later zouden worden verdeeld. Ook het latere werk van Albertus Perk moet tegen deze oudere kaarten worden gelegd.

30 september 1718: een herdersruzie op de heide

Een prachtig belevingsverhaal komt uit 30 september 1718. Vier dienaren van de Naardense schout troffen ten oosten van Hilversum twee herders uit het Sticht met een kudde op de Gooise heide. Volgens de latere beschrijving was de betreffende heide bestemd voor ongeveer tweeduizend schapen van Erfgooiers. Toen de dienaren optraden, floot een herder zijn hond. De hond dreef de kudde weg. Een gerechtsdienaar schoot de hond neer. Daarop dreigde de herder met zijn staf en wist hij zijn dieren over de Utrechtse grens te krijgen, waar de Naardense dienaren hun gezag verloren.

Smokkel over dezelfde grens

De grens werkte overigens beide kanten op. Gooiers zelf trokken eveneens het Sticht in om bijvoorbeeld turf te steken of goederen en vee buiten de officiële regels om te vervoeren. Het verhaal van 1718 moet daarom niet worden verteld als brave Erfgooiers tegenover indringers. Grensbewoners kenden het terrein en maakten gebruik van verschillen in rechtsmacht. In 1719 werd de grens opnieuw opgenomen door landmeters Justus van Broeckhuysen en Maurits Walraven. De latere Hollandse Rading en de grenspalen zijn tastbare resten van een landschap waarin een paar meter verschil kon bepalen wie mocht optreden.

1762: Laren weigert

Op 18 februari 1762 ontstond een nieuw probleem rond een schaarbrief. Laren weigerde te tekenen. Achter het formele geschil over de vraag of binnen Stad en Lande een meerderheid mocht beslissen of unanimiteit noodzakelijk was, zat een praktisch conflict over schapenweide op het Molenveen. De Larense gebruikers lieten vervolgens toch een herder met zijn kudde het betwiste gebied binnengaan. Hier zien we de instelling in werking: een besluit op papier betekende nog niet dat een dorp zich eraan hield. Gemeenschappelijke grond vereiste voortdurend overleg, toezicht en soms openlijke ongehoorzaamheid.

Harmen Vos: meer dan een stroper

In de negentiende eeuw wordt het verhaal persoonlijker door Harmen Vos (1844–1919). Hij was een Erfgooier uit Blaricum, onbezoldigd veldwachter of koddebeier, kon schrijven en hielp anderen met brieven. Familieherinneringen vertellen dat thuis drie jachtgeweren aanwezig waren. Vos was actief in de drankbestrijding, behoorde tot de Derde Orde van Sint Franciscus en droeg het baldakijn tijdens de Sint-Jansprocessie. Daarmee verschijnt achter het juridische begrip “Erfgooier” een herkenbare dorpsbewoner met geloof, maatschappelijke functies, familie en reputatie.

1898: de haas van Harmen Vos

Op 18 november 1898 kwam Vos in conflict met het jachtregime doordat hij op de Gooise heide een haas schoot. Het jachtrecht was afzonderlijk verpacht, terwijl Vos als Erfgooier meende rechten op de grond te bezitten. De zaak werd daardoor symbolisch: hoe kon iemand mede gerechtigd zijn tot de gemeenschappelijke grond en toch worden verboden daar te jagen? Het conflict raakt aan een essentieel onderscheid tussen eigendom, gebruiksrecht en afzonderlijk verpachte rechten. De jacht was bovendien verbonden met koningin-moeder Emma, waardoor een plaatselijk geschil ook een sociale tegenstelling tussen Gooise boeren en hogere kringen kon oproepen.

De bestuurlijke onvrede begon vóór 1900

Krantenonderzoek brengt de oppositie nog verder terug. In april 1890 meldden kranten dat Erfgooiers een verzoekschrift bij Stad en Lande hadden ingediend. Zij verlangden een duidelijker regeling van beheer en bestuur én vertegenwoordiging van de Erfgooiers in het bestuur. De crisis die rond 1900 explodeerde kwam dus niet uit het niets. De fundamentele vraag was wie eigenlijk namens de gerechtigden mocht beslissen over hun bezit. Terwijl grond steeds waardevoller werd door stedelijke groei, spoorwegen, villabouw en recreatie, werd vertegenwoordiging economisch steeds belangrijker.

1874 en het nieuwe Gooi

Paul Schneiders behandelde in het Historisch Café op 18 maart 2014 de komst van spoor en tram. Vanaf 10 juni 1874 verbond de spoorlijn Amsterdam en Hilversum veel intensiever. Daarna volgden trams, forensen, villabouw en dagtoerisme. Voor de Erfgooiers was dit geen los moderniseringsverhaal. Grond die eeuwenlang vooral agrarische gebruikswaarde had gehad, kreeg ineens grote bouw- en verkeerswaarde. Spoorlijnen, wegen en nieuwe woonwijken vereisten grond en soms onteigening. De tegenstelling tussen gemeenschappelijk agrarisch gebruik en de snel groeiende Gooise woonregio werd daardoor steeds scherper.

4 april 1900: de Grote Kerk van Naarden

Op 4 april 1900 kwamen ontevreden Erfgooiers bijeen in de Grote Kerk van Naarden. Namen die in de bronnen rond deze oppositie verschijnen zijn onder anderen Machiel Janszoon Majoor uit Laren en Floris Vos uit Huizen. De strijd draaide niet alleen om abstract recht, maar om zeggenschap: wie vertegenwoordigde de gerechtigden en wie mocht over gemeenschappelijke eigendommen beslissen? Uit de oppositie ontstond uiteindelijk een tegenorganisatie, het Hoofdbestuur van de gerechtigden tot de gemeene heiden en weiden van Gooiland.

1902: Crailoo

Ook grondtransacties konden tot openlijke conflicten leiden. Rond 1902 speelde bijvoorbeeld de kwestie van Crailoo, waarbij de juridische positie van de organisatie die namens Stad en Lande optrad ter discussie werd gesteld. Zulke zaken moeten uiteindelijk perceel voor perceel worden gereconstrueerd, omdat de groei van Bussum en Hilversum voortdurend druk zette op voormalige of nog gemeenschappelijke terreinen. De Erfgooierskwestie was rond 1900 daardoor tegelijk een constitutioneel conflict, een landbouwconflict en een grondwaardevraagstuk.

1903: geweld op de schaardag

In 1903 liep de spanning uit op geweld. Tijdens een schaardag kwam het tot een confrontatie waarbij Hendrik Smit om het leven kwam. De precieze naamvorm en omstandigheden moeten steeds uit de primaire berichtgeving worden gecontroleerd, omdat latere bronnen varianten gebruiken. Het geweld maakte landelijk zichtbaar dat de Erfgooierskwestie niet langer kon worden afgedaan als een ouderwetse dorpsruzie. Achter de botsing lagen bestuur, eigendom, boerenbelangen, gemeentelijke expansie en de vraag welke oude rechten in een moderne rechtsstaat nog afdwingbaar waren.

Van Lennep en de juridische kwestie

In hetzelfde jaar 1903 verscheen F.K. van Lenneps Bijdrage tot de kennis van den rechtstoestand der Erfgooiers. Dat werk behoort tot de belangrijkste contemporaine juridische bronnen. Daarna volgden stukken rond de constitutie en schaarbrief van 1904 en publicaties over de conflicten van 1905–1906. De boekenverzameling van Stichting Stad en Lande bevat verschillende van deze titels. Ze moeten niet alleen gelezen worden om de juridische argumenten, maar ook als strijdschriften: wie schreef, namens welke partij, tegen wie en met welk doel?

Emil Luden

Uit deze crisis komt Emil Luden (1863–1942) naar voren. Onder de latere wettelijke organisatie werd hij de eerste onafhankelijke voorzitter. Zijn naam leeft voort in de Emil Ludenpenning en Emil Ludenprijs. Hij hield zich bezig met de positie van de scharende Erfgooiers, de mensen die daadwerkelijk vee op de gemeenschappelijke weiden brachten, en speelde later een rol rond grondoverdracht aan het Goois Natuurreservaat. Zijn eigen boek Het Gooi en de Erfgooiers uit 1931, met kaarten en foto's van bezittingen en leden, is daarom veel meer dan een latere geschiedenis: het is ook een bron vanuit de bestuurlijke binnenwereld.

De Erfgooierswet van 1912

Op 14 maart 1912 behandelde en aanvaardde de Tweede Kamer de wettelijke regeling; op 24 april kwam de zaak in de Eerste Kamer. De uiteindelijke Erfgooierswet gaf een wettelijke structuur aan een organisatie die voordien sterk op gewoonte, historische rechten en plaatselijke regelingen had gerust. Het onderscheid tussen scharenden en niet-scharenden bleef belangrijk. De eerste groep gebruikte de weiden daadwerkelijk voor vee; de tweede bezat Erfgooiersrechten zonder datzelfde agrarische gebruik. Dat verschil zou later steeds belangrijker worden toen de waarde van de grond de agrarische opbrengst begon te overvleugelen.

De meentmeesters en het gebrande vee

Het dagelijks functioneren bleef ondertussen verrassend tastbaar. Vee dat krachtens Erfgooiersrechten op de meent werd toegelaten, werd door meentmeesters gebrandmerkt. Daarmee kon worden gecontroleerd welke dieren rechtmatig liepen te grazen. Een oud collectief recht werd dus letterlijk zichtbaar op het lichaam van een koe of ander dier. Scharing was geen theoretische juridische categorie: boeren moesten dieren aanmelden, regels naleven en toezicht dulden. Achter de vergaderstukken van Stad en Lande stonden iedere ochtend mensen die vee naar de meent brachten.

De Erfgooiers moesten bewijzen wie zij waren

Toen grondverkopen steeds grotere bedragen opleverden, werd het financieel aantrekkelijk om als Erfgooier erkend te worden. Honderden mannen beriepen zich op afstamming in de mannelijke lijn. Een genealogisch bureau onderzocht jarenlang de claims. In 1930 waren 2.122 Erfgooiers erkend; in 1934 3.562. Daarmee veranderde genealogie van familieherinnering in een financieel en juridisch instrument. Anton Kos noemt in deze context een uitkering van ƒ566,04 per Erfgooier, waarvan de precieze transactiecontext bij de uiteindelijke verwerking nog rechtstreeks moet worden gecontroleerd.

Anna's Hoeve: hoe een meent verdween

De geschiedenis van Anna's Hoeve maakt zichtbaar wat grondverdeling werkelijk met het landschap deed. Het gebied behoorde in de middeleeuwen tot de gemene heide van Gooiland. Erfgooiers lieten er schapen grazen en staken er plaggen. Op achttiende-eeuwse kaarten liggen er heide, stuifzanden en vennen als Laarder Wasmeer, Langewater en Monnikenwater. De oude Liebergerweg liep vanuit Hilversum het gebied in. Het was dus geen “lege natuur”, maar een door generaties gebruikt cultuurlandschap.

Gerardus Vrolik en de verdeling

Gerardus Vrolik pachtte in 1830 ongeveer 2,25 hectare bij het Laarder Wasmeer. Bij de tweede heideverdeling van 1843 kreeg hij nog circa 32,02 hectare ten zuiden daarvan in pacht. In 1844 liet hij er het huis Anna's Hoeve bouwen, genoemd naar zijn vrouw Anna Vrolik-van Swinden. Daarna volgde Jan van Dijk, die meer bos liet aanplanten; rond 1873 was een groot deel bebost. Vervolgens kwamen de families Van den Wall-Bake en vanaf 1910 jhr. J.A. van Kretschmar van Veen.

Van heide naar recreatiegebied

In 1930 kwam Anna's Hoeve bij de gemeente Hilversum. In 1933 werden in het kader van de werkverschaffing de berg en vijvers aangelegd naar een ontwerp van W.M. Dudok. In 1939 kwam er een rioolwaterzuivering met vloeivelden en een bergingsvijver. Een gebied dat ooit als gemene heide door Erfgooiers was gebruikt, veranderde zo achtereenvolgens in particulier bezit, aangeplant bos, gemeentelijk terrein en recreatielandschap. Interviews met moderne bezoekers laten opnieuw een betekenisverandering zien: mensen ervaren hetzelfde gebied nu als natuur, hondenuitlaatgebied, sportterrein of plaats voor rust en meditatie.

Joop Reinbout en de mondelinge geschiedenis

Het Anna's-Hoeveonderzoek bevat bovendien een klein maar waardevol mondeling spoor. Kees van Aggelen gebruikte een verklaring van Joop Reinbout. Daarmee verschijnt naast kaarten, eigendomsakten en bestuurlijke stukken een herinneringsbron. Van Aggelen schreef in Anna's Hoeve. Klein gebied, groot verhaal uit 2004 uitvoeriger over de historische ontwikkeling. Dat boek telt ongeveer 144 pagina's. De combinatie Van Aggelen → Reinbout → Albertus Perk/Eigen Perk → kaarten → eigendomsstukken moet als zelfstandige bronnenketen behouden blijven.

Heidepark: hetzelfde proces elders

Ook Heidepark/Hoeve ter Heide laat zien hoe de heideverdelingen het Gooi veranderden. Bij de verdelingen van 1836 en 1843 kwamen delen van de voormalige gemeenschappelijke heide beschikbaar voor particulier bezit. Op 28 december 1843 werden Domeinkavels geveild onder leiding van notaris Albertus Perk. De kavels 43 en 44 kwamen bij Ernest van de Velde, die er bebouwing liet neerzetten. In 1848 kocht Herman Adriaan Bake, later Van den Wall Bake, het bezit en zette de bebossing voort richting Monnikenberg en Cronebos.

De kaart als getuige van een revolutie

De heideverdelingen van 1836–1843 behoren daarom tot de grote keerpunten. Een TVE-studie uit 1983 noemt een verdeling waarbij uiteindelijk ongeveer 3.678 hectare aan de Erfgooiers en 1.735 hectare aan de Staat kwam; deze cijfers moeten tegen Kos' latere onderzoek worden gecontroleerd. De Staat verkocht vervolgens grond aan particulieren. Waar eens open heide lag, verschenen bossen, buitenplaatsen, wegen en later woonwijken. De kaarten van Albertus Perk maken deze overgang zichtbaar. De geschiedenis van de Erfgooiers staat letterlijk in de verkaveling van het moderne Gooi geschreven.

Wuite laat zien dat dit een Nederlands proces was

De vergelijking met Wuite is hier bijzonder nuttig. In zijn onderzoeksgebied werd de marke in 1862 verdeeld. Er ontstonden grote aantallen particuliere kavels en vanaf 1866 werden nieuwe wegen en waterleidingen aangelegd. De verdeling veranderde daardoor niet alleen het eigendom, maar bepaalde de latere ruimtelijke structuur. Gooiland moet binnen die bredere Nederlandse ontwikkeling worden geplaatst. Het bijzondere is juist dat Stad en Lande en de Erfgooiers ondanks verdelingen en grondverkopen als collectief uitzonderlijk lang bleven voortbestaan.

Het Gooi wordt natuurgebied

In de twintigste eeuw kreeg nog een ander idee steeds meer gewicht: behoud van het Gooise landschap. Heide en bos waren niet langer alleen productielandschap, maar werden gewaardeerd als natuur en recreatieruimte. Daaruit groeide het Goois Natuurreservaat. Voor Erfgooiers kon natuurbehoud echter opnieuw betekenen dat grond die eeuwenlang voor agrarisch gebruik had gediend een andere bestemming kreeg. Emil Luden was betrokken bij deze overgang. Hier ontmoeten drie waardesystemen elkaar: de boer die weide nodig had, de gemeente die bouwgrond zocht en de natuurbeschermer die open heide wilde bewaren.

Blaricum en de uiteindelijke afrekening

De Historische Kring Blaricum bewaart een belangrijke herinneringslaag over de afwikkeling. Frans Ruijter behandelde daar de financiële gevolgen en de bebouwing van gronden die door Hilversum, Huizen en Blaricum werden gekocht. Daarmee wordt de opheffing concreet. Het ging niet alleen om het beëindigen van een eeuwenoude organisatie. Grond ging daadwerkelijk naar gemeenten, landbouwers moesten hun positie bepalen, voormalige gemeenschappelijke terreinen kregen nieuwe bestemmingen en de opbrengsten moesten onder verschillende groepen gerechtigden worden verdeeld.

1972–1973: de laatste lijst

Bij de ontbinding werd de ledenlijst uiteindelijk bevroren op basis van de situatie in maart 1972. Een Koninklijk Besluit van 11 maart 1973 maakte verdere stappen mogelijk. De Gooise gemeenten kochten ongeveer 528 hectare voor ƒ15 miljoen. Bijna 500 hectare weiland ging voor meer dan ƒ9 miljoen naar scharende Erfgooiers. Vertrekkende boeren ontvingen gezamenlijk meer dan ƒ11 miljoen. Voor individuele Erfgooiers resteerde uiteindelijk ongeveer ƒ5.000. Op 10 december 1973 werd een eerste bedrag van ƒ1.000 uitgekeerd.

28 april 1979: de laatste vergadering

Op 28 april 1979 vond in de Grote Kerk van Naarden de laatste vergadering plaats. Dat was een opmerkelijke plaats voor het einde: Naarden had eeuwenlang centraal gestaan in Stad en Lande en werd nu ook het toneel van de formele afsluiting. De administratieve afwikkeling liep nog tot ongeveer 1981 door. Daarmee verdween de organisatie, maar niet het landschap dat zij had gevormd en evenmin de herinnering. Voormalige Erfgooiers en hun nakomelingen bleven zich met de geschiedenis verbonden voelen.

De Erfgooier bleef bestaan in de herinnering

Die herinneringsgemeenschap bestaat nog steeds. De Week van de Erfgooier brengt archiefstukken, kunst, wandelingen en familiegeschiedenissen opnieuw onder de aandacht. In Huizen zijn bijvoorbeeld de 22 Erfgooierspanelen van Eppo Doeve te zien. Wandelroutes voeren over voormalige gemeenschappelijke gronden en langs de Groeve Oostermeent. Daardoor kan iemand tegenwoordig door een landschap wandelen waarvan de eigendomsstructuur verdwenen is, terwijl wegen, heidevelden, groeves, bossen en gemeentegrenzen nog steeds sporen van die geschiedenis dragen.

Het Historisch Café opent ondertussen nóg meer Gooiland

De waarde van het Historisch Café houdt niet bij de Erfgooiers op. Op 15 januari 2007 sprak Oscar Hefting over Naarden en Nederlandse forten in Brazilië. In hetzelfde vroege programma kwamen spoorwegontsluiting, Jodenvervolging en Comenius voor. Op 21 mei 2007 behandelde Paul Schneiders hoe het Gooi door waterwegen, spoorwegen en nieuwe communicatiemiddelen uit zijn relatieve isolement raakte. Hierdoor ontstaat een bredere regionale geschiedenis waarin de oude agrarische samenleving uiteindelijk wordt verbonden met Amsterdam, internationale handel, infrastructuur, toerisme en forensisme.

Nicolaas Witsen en Naarden

Op 19 mei 2008 sprak Bruno Naarden over Nicolaas Witsen, de Amsterdamse burgemeester die eveneens betrokken was bij de vestingbouw van Naarden. Daarmee opent het Café een verbinding tussen Amsterdamse bestuurlijke elites en Gooiland. Dat is relevant voor de Erfgooiers omdat Amsterdamse regenten en investeerders eveneens belangstelling hadden voor Gooise grond, ontginningen en buitenplaatsen. De regionale geschiedenis kan dus niet worden geschreven alsof Gooiland een afgesloten boerenwereld was.

Naardense textielmerken

Op 15 september 2008 behandelde Wiard Krook Naardense textielmerken vanaf de veertiende eeuw en vondsten daarvan in Amsterdam. Op 17 november 2009 volgde H. Kaptein met een lezing over de Naardense draperie. Daarmee ontstaat een compleet nieuwe economische onderzoekslijn. Naast landbouw, veeteelt en gemeenschappelijke grond bezat Naarden een textieleconomie waarvan materiële sporen zelfs buiten het Gooi teruggevonden worden. Krook en Kaptein moeten daarom samen worden onderzocht: textielmerken → archeologische vondsten → productie → ambachtslieden → handel met Amsterdam.

Joods Naarden en Bussum

In 2009 behandelde Hendrik Henrichs de Naardense synagoge en het ontstaan van de Joodse gemeente in Bussum. Dit is opnieuw een waarschuwing om de regionale geschiedenis niet tot boeren en Erfgooiers te reduceren. Gooiland kende religieuze minderheden, migratie, stedelijke ambachtslieden en handelscontacten. Hun positie moet naast die van de oude gerechtigden worden gelegd. Vooral in de negentiende eeuw, toen Bussum snel groeide, kwamen oude en nieuwe inwoners in hetzelfde landschap terecht terwijl slechts een deel van de bevolking Erfgooiersrechten bezat.

1672: oorlog in het landschap

Luc Panhuysen sprak op 20 oktober 2009 over het Rampjaar 1672. Hans Mous keerde op 17 januari 2018 terug naar het Rampjaar in de regio en stelde daarbij ook de vraag wie van de Franse bezetting en oorlog kon profiteren. Dat is een belangrijke sociale benadering. Oorlog betekent niet alleen legers, belegeringen en slachtoffers; er waren leveranciers, vervoerders, herbergiers en anderen die aan de aanwezigheid van militairen konden verdienen. De invloed op vee, hooi, wegen, heide en gemeenschappelijke gronden moet eveneens worden onderzocht.

Anne Medema wijst rechtstreeks naar de archieven

Op 18 mei 2010 hield stadsarchivaris Anne Medema de lezing Naarden in Stukken – archiefvorming & belangrijke archivaliën. Voor ons is dit een van de belangrijkste Cafévondsten. Hier gaat de bronnenwijzer rechtstreeks over in primaire bronnen. Het huidige Archief Gooi en Vechtstreek beheert ook het Erfgooiersarchief. De volgende onderzoekslaag moet daarom bestaan uit vergaderstukken, schaar- en meentmeesters, erfgooierslijsten, individuele verzoeken, schaarrechten, schaargeld, heidegebruik, plaggenslag, houtkap, jacht, schaapsdrift, klachten en rechtszaken.

Ruud Hehenkamp en Huizen

Op 19 november 2013 sprak Ruud Hehenkamp over de lange negentiende eeuw in Huizen. Kerken, verdwenen scholen en vooral de visserij kwamen daarbij aan bod. Hehenkamp probeerde bovendien het beeld van Huizen als volledig gesloten gemeenschap te nuanceren. Dat is voor het Erfgooiersverhaal belangrijk. Huizen leverde veel Erfgooiers, maar dezelfde inwoners konden vissers, boeren, ambachtslieden of arbeiders zijn. Erfgooier was een rechtspositie binnen een veel rijker sociaal bestaan.

De Fransche Kamp

Op 22 november 2017 sprak Klaas Oosterom over de geheimen van De Fransche Kamp. Het terrein bevat onder meer resten van een militair kamp uit 1809, bedoeld voor ongeveer 4.000 soldaten, en tientallen groepsschuilplaatsen uit 1918. Oosterom verwees daarbij naar onderzoek van archeoloog Jos Bazelmans. Daarmee ontstaat opnieuw een bronnenketen: Oosterom → Bazelmans → archeologie → militair landschap → voormalig Goois grondgebruik. Dezelfde ruimte kon achtereenvolgens gemeenschappelijke heide, militair terrein, bos en recreatiegebied zijn.

Lambertus Hortensius

Op 16 januari 2019 behandelde Michielse Lambertus Hortensius (1500–1574). Zijn werk werd eeuwenlang ook buiten Nederland gelezen. Hortensius opent de intellectuele geschiedenis van Naarden: onderwijs, humanisme, geschiedschrijving en de gewelddadige zestiende eeuw. Ook dat hoort uiteindelijk naast de geschiedenis van boeren, schaarbrieven en meenten te staan. Gooiland bestond nooit uit één sociale wereld.

Sint-Vitus verbindt de dorpen

Op 15 mei 2019 sprak Pieter Hoogenraad over Sint Vitus als schutspatroon van het Gooi. De verbreiding van Vituskerken over de Gooise plaatsen vormt een spoor naar de middeleeuwse kerkelijke organisatie en mogelijk naar oudere machtsstructuren. Dit moet naast Elten, Nardinclant en de vroege kerstening worden onderzocht. Dezelfde regio die later door Stad en Lande bestuurlijk werd verbonden, kende dus ook een religieus netwerk.

Naruthi en het verdronken Naarden

De meest recente grote archeologische ingang is de lezing van Sander Koopman op 17 september 2025, De geheimen van Naruthi ontsluierd? Tussen 2020 en 2024 onderzochten AWN Naerdincklant, de Landelijke Werkgroep Archeologie Onder Water en het Goois Duikgenootschap mogelijke resten van het verdwenen oude Naarden in het Gooimeer. Het huidige Naarden ontstond na de verwoesting van zijn voorganger rond 1350–1351. Bovendien bestaan achttiende- en negentiende-eeuwse berichten van mensen die meenden resten in of bij het water te hebben waargenomen. Dat opent opnieuw een bronnenketen: lezing → archeologisch rapport → oude waarnemingen → kaarten → geschreven bronnen.

Waarom het Café een bronnenwijzer is

Het Historisch Café heeft daarmee een methode voor ons onderzoek blootgelegd. Anton Kos leidt naar Erfgooiers, schaarbrieven en gemene gronden. Piet Leupen leidt naar middeleeuws bestuur en de oorsprongsvraag. Henk Michielse leidt van Liudger via Nardinclant en het domeinstelsel naar Naarden en de Gooise dorpen. Sander Koopman leidt naar geologie, heide, zandwinning, landschap en archeologie. Anne Medema leidt naar de oorspronkelijke archieven. Klaas Oosterom en Jos Bazelmans leiden naar het militaire en archeologische landschap. Krook en Kaptein leiden naar de Naardense textielnijverheid.

En achter iedere bron zit weer een bron

Daarom mag geen van deze lezingen als eindpunt worden beschouwd. Bij iedere ontdekking geldt voortaan dezelfde teruglus:

Historisch Café → spreker → lezing → artikel/boek → voetnoten → oudere literatuur → archiefstuk → personen en plaatsen in dat archiefstuk → opnieuw zoeken.

Hetzelfde geldt voor Wuite. Zijn scriptie wijst verder naar B.H. Slicher van Bath, G.A.J. van Engelen van der Veen, H.B. Demoed, G.H.P. Dirkx en Jan Luiten van Zanden. Vooral hun onderzoek naar het ontstaan van marken, waardelen, begrazing en negentiende-eeuwse markeverdelingen moet worden vergeleken met Leupen en Kos.

Een tweede verborgen bronnenwijzer: de Historische Bibliografie

Daar komt nog een belangrijke vondst bij. TVE meldde dat al in 1998 samen met de archivarissen van Naarden en Hilversum een historische bibliografie voor het gebied tussen Vecht en Eem was samengesteld. Rond 2006 werd die database technisch vernieuwd en online beschikbaar gemaakt. Ook die bibliografie moet als onderzoeksinstrument worden behandeld. Het Café wijst naar onderzoekers; de bibliografie kan vervolgens hun publicaties en oudere voorgangers ontsluiten.

Wat het complete onderzoek nu laat zien

De Erfgooiersgeschiedenis blijkt uiteindelijk geen afzonderlijk verhaal over een merkwaardig middeleeuws recht. Het is een geschiedenis van landschap en mensen. Achter de juridische termen staan schapen die over de heide lopen, koeien die door meentmeesters worden gebrandmerkt, plaggen die in potstallen verdwijnen, turf voor het vuur, hout en paddenstoelen uit gemeenschappelijke grond, herders die over een grens vluchten, boeren die een schaarbrief weigeren, jagers die een haas schieten, gemeenten die bouwgrond willen, spoorwegen die het land doorsnijden en families die eeuwen later hun afstamming moeten bewijzen.

De grote lijn is daardoor niet eenvoudig 968–1979. We moeten beginnen vóór 968, bij landschap, bewoning, domeinen en vroegmiddeleeuwse machtsverhoudingen; vervolgens onderzoeken wanneer oude gebruiksrechten veranderden in gereguleerd gemeenschappelijk beheer; daarna de schaarbrieven, conflicten en dagelijkse exploitatie volgen; vervolgens de negentiende-eeuwse verdelingen en landschapsomvorming; daarna de bestuurlijke crisis, het geweld van 1903 en de Erfgooierswet; en ten slotte natuurbeheer, grondverkoop, ontbinding en herinnering.

De Erfgooiers — meer dan duizend jaar gemeenschappelijke grond in het Gooi

Het landschap waarvan niemand alleen eigenaar was

Wie de erfgooiers wil begrijpen, moet eerst het oude Gooise landschap voor zich zien. Rond de dorpen lagen akkers en boerderijen, maar daarbuiten strekten heiden, bossen, venen, hooilanden, weiden, moerassige vlakten en jachtvelden zich uit. Voor boeren waren dit geen waardeloze woeste gronden. Schapen graasden op de heide en leverden wol en mest. Heideplaggen werden met mest vermengd om de akkers vruchtbaar te houden. Koeien en paarden gingen naar de meenten, varkens aten eikels in de bossen, turf kwam uit het veen en hout uit bos en struikgewas. Mensen verzamelden er biezen, paddenstoelen en sprokkelhout en jaagden op konijnen en hazen.

De gemene grond als onderdeel van de boerderij

Het boerenbedrijf kon zonder de gemeenschappelijke gronden nauwelijks functioneren. Een boerderij bestond economisch niet alleen uit huis, stal en eigen akker. Daarachter lag een veel groter gemeenschappelijk landschap waarvan gras, meststoffen, brandstof en andere grondstoffen kwamen. De engen leverden graan, maar de vruchtbaarheid daarvan hing mede af van mest uit de schaapskooien. De schapen konden weer bestaan dankzij de heide. Koeien vonden zomers gras op de meenten. Varkens konden in geschikte perioden in de bossen voedsel zoeken. Daardoor vormden boerderij, eng, heide, bos en meent één agrarisch systeem. Wie een gemeenschappelijk gebruiksrecht verloor, kon daarmee uiteindelijk ook zijn particuliere boerenbedrijf in moeilijkheden zien komen.

968 — Wichman en het verre Elten

De geschiedenis wordt traditioneel verbonden met graaf Wichman van Hamaland. Omstreeks 968 schonk hij bezittingen in Nardinclant, het latere Gooiland, aan het door hem gestichte vrouwenstift op de Eltenberg. Daarmee kwam een gebied dat later beroemd zou worden om zijn uitzonderlijke gemeenschappelijke grondrechten onder de invloed van het verre Elten. Anton Kos wijst daarbij op het Eltense hofstelsel. Landbouwgronden en boerenbedrijven functioneerden binnen een wereld waarin rechten niet hetzelfde betekenden als modern particulier eigendom. Gebruiksrechten, gezagsrechten en rechten op grond konden naast en over elkaar bestaan. Juist daarin liggen waarschijnlijk de verre wortels van de latere erfgooiersgemeenschap.

Nog geen erfgooiersvereniging in 968

Daarbij is bronkritische voorzichtigheid noodzakelijk. Een volledig georganiseerde vereniging van erfgooiers bestond in 968 niet. We kunnen evenmin zonder meer iedere latere bepaling uit een schaarbrief terugprojecteren naar Wichmans tijd. De latere organisatie ontwikkelde zich geleidelijk uit oudere vormen van gemeenschappelijk grondgebruik. Dat onderscheid is belangrijk. De historische continuïteit zit niet in één vereniging die duizend jaar onveranderd bleef bestaan, maar in het telkens opnieuw verdedigen, regelen en aanpassen van rechten op een gemeenschappelijk landschap. De Eltense periode vormt daardoor eerder de diepe voorgeschiedenis dan het formele geboortejaar van Stad en Lande.

Van boerderijrecht naar erfgooier

Aanvankelijk was het gebruik van gemeenschappelijke grond vooral verbonden met het boerenbedrijf. Wie een gerechtigde hoeve bezat, kon bepaalde gronden gebruiken. Het waren dus oorspronkelijk eerder zakelijke dan persoonlijke rechten. Geleidelijk veranderde dat. De rechten raakten verbonden met afstamming en overerving. Uiteindelijk ontstond de bijzondere figuur van de erfgooier. In zijn ontwikkelde vorm was dat een meerderjarige man die in Gooiland woonde en in de mannelijke lijn van een gerechtigde familie afstamde. Het woord vertelt eigenlijk het hele verhaal: een Gooier met een geërfd recht. Maar zelfs dan moeten erfgooier, schaarrecht en daadwerkelijk gebruik van de meent zorgvuldig van elkaar worden onderscheiden.

Wat was een schaar?

Een schaar was niet alleen een abstract recht. Het woord kon ook betrekking hebben op de hoeveelheid weide die nodig was om één volwassen koe te voeden. Vanuit dat praktische boerengebruik ontwikkelde zich het begrip schaarrecht: het aandeel dat iemand in het gemeenschappelijke weiderecht mocht benutten. Scharen betekende dus daadwerkelijk vee op de gemeenschappelijke gronden laten grazen. Een scharende erfgooier gebruikte zijn recht voor vee; een gerechtigde zonder vee kon erfgooier zijn zonder op dat moment werkelijk te scharen. Eeuwen later zou juist dit onderscheid tussen scharenden en niet-scharenden een van de grootste interne problemen van de organisatie worden.

Erfgooier en schaarrecht waren niet hetzelfde

De bronnen maken het systeem nog ingewikkelder. Tussen ongeveer 1417 en 1680 konden de burgemeesters van Naarden ook schaarrechten verlenen aan mensen die huis en land in Gooiland bezaten en tienden betaalden. Een schaarrecht kon dus worden gegund of verkocht zonder dat de ontvanger daardoor automatisch erfgooier door afstamming werd. Voor het hele verhaal moeten daarom drie categorieën uit elkaar worden gehouden: erfgooier door afstamming, bezitter van een schaar- of gebruiksrecht en daadwerkelijk scharende veehouder. Soms vielen die samen, soms niet. Juist uit die verschillende vormen van gerechtigdheid ontstonden later veel geschillen.

1280 — Floris V komt naar het Gooi

Op 6 mei 1280 veranderden de machtsverhoudingen. Abdis Godelinde van Elten droeg Nardinclant in pacht over aan graaf Floris V van Holland. Daarachter zat machtspolitiek. De Van Amstels hadden grote invloed in het gebied gekregen en Floris wilde die terugdringen. De overeenkomst omvatte zeer veel: gezagsrechten, akkerlanden, gecultiveerde en ongecultiveerde gronden, bossen, venen, weiden, graslanden, wateren en waterlopen. Maar Floris kreeg daarmee geen leeg landschap. Er woonden boeren die zich op oudere rechten en gebruiken beriepen. De komst van de Hollandse graaf betekende daarom niet het ontstaan van hun rechten. Volgens Anton Kos stimuleerde juist de nieuwe machtsverhouding de Gooiers hun belangen steviger te organiseren.

Twee rechtswerelden boven hetzelfde landschap

Daarmee ontstond een situatie die eeuwenlang problemen zou veroorzaken. Een landsheer kon menen dat hij rechten bezat over bossen, venen, heiden en wildernissen, terwijl boeren tegelijkertijd konden volhouden dat zij dezelfde grond sinds onheuglijke tijden gebruikten. Dat was niet noodzakelijk een eenvoudige tegenstelling tussen een echte eigenaar en mensen die illegaal grond gebruikten. Middeleeuwse rechten konden als verschillende lagen boven dezelfde grond liggen. Gezag, eigendom, tienden, jacht, beweiding, houtgebruik en andere gebruiksrechten hoefden niet bij dezelfde persoon of instelling te berusten. De latere erfgooiersgeschiedenis is voor een belangrijk deel de geschiedenis van de botsing tussen die oude gestapelde rechten en steeds modernere opvattingen over exclusief eigendom.

De Gooise marken

De boeren organiseerden het gebruik van hun gemeenschappelijke bezit in marken. Er bestond een organisatie voor de agrarische gemene gronden en daarnaast een organisatie rond het bos. Naarden en de dorpen Blaricum, Bussum, Hilversum, Huizen en Laren speelden daarin een rol. Vertegenwoordigers vergaderden over de vraag wie vee mocht laten grazen, hoeveel dieren iemand mocht brengen, wie hout of plaggen mocht halen en hoe de gemeenschappelijke hulpbronnen beschermd moesten worden. Dat was noodzakelijk. Gemeenschappelijk bezit betekende niet dat iedereen onbeperkt zijn gang mocht gaan. Zonder regels zou een rijke boer met een grote veestapel de gemeenschappelijke weide kunnen uitputten voordat een kleine boer zijn paar dieren had gebracht.

1326 — de graaf wil meepraten

De zelfstandigheid van de Gooiers botste al vroeg met de grafelijke macht. In 1326 maakte graaf Willem III duidelijk dat zij niet zonder zijn toestemming vergaderingen moesten organiseren. Onder Willem IV ontstond opnieuw spanning toen Eemnessers toestemming kregen Gooise gronden te ontginnen. Hier verschijnt een patroon dat eeuwenlang terugkomt. De overheid zag grond, gezag en economische mogelijkheden. De Gooiers zagen grond waarop hun voorouders vee hadden geweid, turf hadden gestoken, hout hadden verzameld en waarvan hun boerenbedrijf afhankelijk was. Beide partijen konden daardoor oprecht menen dat zij rechten bezaten. Het conflict ging dus niet uitsluitend om bezit, maar ook om de vraag welke rechtsbron het zwaarst woog: landsheerlijk gezag of oud gebruik.

1396 — Naarden wordt gevaarlijk voor de dorpen

In 1396 werd het rechtsgebied van Naarden sterk uitgebreid. Daarbinnen kwam onder andere de Hilversumse meent te liggen. Dat veroorzaakte een nieuw probleem. Naarden was wel onderdeel van de Gooise gemeenschap, maar een stad keek anders naar grond dan een boerendorp. Waar een Hilversumse veehouder een weide zag, konden stedelingen mogelijkheden zien voor ontginning, bebouwing, een blekerij of leerlooierij. Het gevaar kwam dus niet alleen van buiten. Vanaf dit moment wordt een blijvend kenmerk van de erfgooiersgeschiedenis zichtbaar: tegenover buitenstaanders konden de Gooiers opmerkelijk eensgezind optreden, terwijl zij onderling voortdurend ruzie maakten over de verdeling van de opbrengsten en lasten.

1404 — de eerste schaarbrief

Daarom werden gebruiken steeds vaker schriftelijk vastgelegd. De schaarbrieven bepaalden wie gerechtigd was en hoe de gemeenschappelijke gronden gebruikt mochten worden. Een belangrijke schaarbrief dateert uit 1404. Daarna volgden nieuwe regelingen in 1442 en 1455. Iedere nieuwe regeling zegt iets over veranderende omstandigheden. Naarmate grond schaarser werd en belangen groter werden, moest nauwkeuriger worden bepaald wie werkelijk gerechtigd was. De schaarbrief schiep de eeuwenoude gebruiken dus niet uit het niets. Hij zette bestaande rechten en regels op papier, beperkte misbruik en maakte het systeem beter verdedigbaar tegenover zowel medegebruikers als overheid.

1442 — rijk tegen arm

De tweede schaarbrief van 1442 laat zien dat de strijd niet simpelweg "erfgooiers tegen buitenstaanders" was. Rijke gerechtigden konden zoveel koeien, paarden en schapen naar de gemeenschappelijke gronden brengen dat armere boeren dreigden te worden verdrongen. Er ontstonden zelfs gewelddadige confrontaties. Daarom moest worden vastgelegd hoeveel vee iemand mocht laten grazen. De voorwaarden voor gerechtigdheid werden eveneens aangescherpt. Men moest vanouds gerechtigd zijn en aan eisen rond boerenbedrijf, volwassenheid en grondbezit voldoen. Een meent werkte alleen wanneer individuele vrijheid werd begrensd. De rijkste boer mocht het collectieve bezit niet leeg gebruiken. De regels beschermden daarmee zowel de grond als de zwakkere leden van de gemeenschap.

1455 — recht wordt steeds sterker erfelijk

De volgende schaarbrief van 1455 bracht een verdere vernauwing. In de ontwikkeling die Anton Kos reconstrueert, werd steeds duidelijker dat het recht niet onbeperkt aan iedere bewoner van Gooiland toekwam. Afstamming en overerving werden doorslaggevender. Daarmee schoof het systeem van een recht dat sterk aan boerderij en grond verbonden was naar een persoonlijk erfelijk recht binnen bepaalde Gooise families. Het zou uiteindelijk vooral via de mannelijke lijn worden doorgegeven. Dat maakte de gemeenschap exclusiever, maar bood ook bescherming tegen een voortdurende toevloed van nieuwe gerechtigden. Hoe meer mensen immers rechten kregen, hoe minder gras, hout, plaggen en andere hulpbronnen per gerechtigde beschikbaar bleven.

Karel de Stoute en de grote botsing

In de vijftiende eeuw kwam daar een fundamenteel juridisch probleem bij. Hertog Karel de Stoute redeneerde sterker vanuit vorstelijke macht en Romeinsrechtelijke ideeën over eigendom. Zijn vertegenwoordigers wezen op de overeenkomst van 1280 en stelden dat de graaf rechten had op moerassen, weiden, venen, bossen, heiden, wateren, waranden en wildernissen. De Gooiers antwoordden met een totaal andere rechtsopvatting. Zij hadden die gronden zolang iemand zich kon herinneren rustig gebruikt. Hun paarden, koeien, zwijnen en schapen liepen er; zij staken plaggen, haalden turf en gebruikten de bossen. Voor hen was eeuwenlang gebruik zelf bewijs van recht.

1474 — gewoonterecht houdt stand

De conflicten bereikten in de jaren 1470 een juridisch hoogtepunt. De Gooiers verwezen onder andere naar hun schaarbrieven en naar erkenning van oud gewoonterecht. Daarmee ontstond een compromis dat voor de verdere geschiedenis beslissend was. De vorstelijke overheid kon aanspraken op eigendom en gezag laten gelden, maar de Gooiers behielden exclusieve gebruiksrechten. Het verschil tussen eigendom en gebruiksrecht zou vervolgens nog eeuwenlang processen veroorzaken. Van wie was de grond werkelijk? Wie mocht haar verkopen? Wie mocht jachtrechten verpachten? En kon een overheid eeuwenoud gebruik eenvoudig terzijde schuiven? Dezelfde vragen zouden in 1898 bij de haas van Harmen Vos nog steeds herkenbaar zijn.

1504–1740 — de boeren komen bij naam tevoorschijn

Dankzij de bewaard gebleven koptiendenregisters kunnen we de bevolking achter deze juridische geschiedenis beter volgen. Genealogisch onderzoek heeft gegevens ontsloten uit onder meer 1504, 1537, 1566, 1593, 1622, 1651, 1680, 1708 en 1740. Voor Hilversum bestaan aanvullingen uit 1772 en 1805. Daardoor wordt het mogelijk om families uit de bekende erfgooierslijsten achterwaarts te volgen. De erfgooiersgeschiedenis hoeft daarmee niet alleen een geschiedenis van graven, schaarbrieven en rechtszaken te blijven. Achter de organisatie verschijnen generaties concrete Gooise boerengezinnen die grond bewerkten, vee hielden, trouwden, erfden en hun rechten aan volgende generaties probeerden door te geven.

1516 — boeren slaan elkaar van de heide

Rond 1516 barstte een buitengewoon concreet intern conflict los. Naarden, Huizen en Bussum stonden tegenover Hilversum en Laren. Het landschap verklaart een deel van de tegenstelling. Rond Naarden, Huizen en Blaricum lagen relatief veel weiden en waren veel boeren op rundvee gericht. Rond Hilversum en Laren lag veel heide en speelde schapenhouderij een grotere rol. De veeboeren probeerden de schaapherders terug te dringen. Volgens de processtukken werden mensen zelfs letterlijk van de heide geknuppeld. Voor arme herders was dit rampzalig. Sommigen verkochten hun schapen omdat hun bestaansbasis verdween. Het conflict belandde uiteindelijk bij het Hof van Holland en daarna de Grote Raad van Mechelen.

1520 — ook de arme herder heeft recht

In 1520 werd het beroep van de tegenpartij als ongegrond afgedaan. Hilversum en Laren behielden hun rechten. De uitspraak bevatte een belangrijk beginsel: ook wanneer een groep tijdelijk weinig gebruik van een gemeenschappelijk terrein maakte, verloor zij daardoor haar recht niet. Een jaar later, in 1521, sloten de Gooise dorpen opnieuw de gelederen. Grond die gedurende de voorafgaande dertig jaar aan de gemeenschap was onttrokken, moest weer tot het collectief worden gerekend. Dat was dringend nodig, want terwijl de Gooiers elkaar bevochten, kwamen aan de westzijde andere mensen dichterbij. Interne verdeeldheid kon dus onmiddellijk leiden tot verlies tegenover buitenstaanders.

Omstreeks 1530 — de Loosdrechters komen

Loosdrechters waren bezig hun landbouwgebied uit te breiden en overschreden daarbij de grens met Gooiland. Aanvankelijk merkten de Gooiers dat nauwelijks. Het ging om zogenaamd "woest" terrein waar niemand dagelijks kwam. Maar woest betekende niet nutteloos. Juist daar haalden mensen sprokkelhout, paddenstoelen en plaggen. Het was onderdeel van het economische systeem van het boerenbedrijf. Toen de ontginning zichtbaar werd, ontstond opnieuw strijd over grenzen en rechten. Zo werd het landschap zelf een historisch archief: een greppel, grenspaal, houtwal of stuk heide kon het verschil betekenen tussen Goois gemeenschappelijk recht en grond waarop een buurman aanspraak maakte.

1534 — Stad en Lande verschijnt

De benaming Stad en Lande is al in 1534 aantoonbaar. De naam weerspiegelde de bijzondere samenwerking tussen de stad Naarden en de Gooise dorpen. Het was nog niet dezelfde moderne vereniging die in 1912 wettelijk zou worden ingericht, maar de institutionele ontwikkeling werd steeds herkenbaarder. De gemeenschappelijke belangen vroegen om vergaderingen, vertegenwoordigers, administratie en besluiten. De organisatie moest zowel buitenstaanders weren als conflicten tussen de eigen gerechtigden oplossen. Daardoor groeide langzaam een bestuurlijke structuur die uiteindelijk eeuwen zou overleven. De geschiedenis van Stad en Lande kent dus verschillende institutionele fasen; één stichting op één datum doet geen recht aan die geleidelijke ontwikkeling.

1568 — opnieuw een schaarbrief

De vierde schaarbrief van 1568 laat zien hoe hardnekkig de interne verschillen bleven. Laren en Hilversum vonden dat zij weinig profijt hadden van noordelijk gelegen meenten, terwijl boeren uit andere plaatsen wel hun schapen naar de heiden rond Laren en Hilversum brachten. Daarom moesten oude afspraken opnieuw worden bevestigd en aangepast. De schaarbrieven waren geen stoffige juridische documenten. Achter iedere bepaling stonden koeien, schapen, varkens, mest, wintervoer, arme en rijke boeren en dorpen die vonden dat andere dorpen meer profiteerden. Dat verklaart waarom er zo fel om werd gevochten. Een regel over een schaar kon rechtstreeks bepalen hoeveel dieren een huishouden kon onderhouden.

1619 — een Portugese prins in Hilversum

In oktober 1619 liep prins Emanuel van Portugal, schoonzoon van Willem van Oranje, door het Eerste en Tweede Blok bij Hilversum. Hij zag mogelijkheden voor fraaie buitenplaatsen en vroeg de Gooise baljuw P.C. Hooft toestemming om grond te kopen. Hooft wees hem aanvankelijk af: op de grond rustten rechten van de Gooiers. Maar enkele jaren later werkte diezelfde Hooft met Amsterdamse ondernemers mee aan plannen om het gebied te ontginnen. Voor stedelijke investeerders leek het een vrijwel ongebruikt landschap van mos, biezen en struikgewas. Voor de boeren waren juist mos, biezen, plaggen, strooisel en weidegrond waardevolle onderdelen van hun economie.

De strijd om 's-Graveland

Daaruit ontstond een van de felste conflicten uit de erfgooiersgeschiedenis. Amsterdamse initiatiefnemers wilden het gebied ontginnen en er buitenplaatsen aanleggen. Gooiers trokken naar de werken en maakten aangelegde ontginningen weer kapot; in de bronnen wordt gesproken over vernietigen en omvergooien. De overheid greep in. Op 13 maart 1626 werd bevolen dat het hinderen van de ontginning van het inmiddels genoemde 's-Graveland moest stoppen. Pas in 1634 kwam een compromis. 's-Gravelanders kregen geen rechten op de overige Gooise gemeenschappelijke gronden. Zij mochten daar geen vee weiden of plaggen steken. De grens tussen nieuwe buitenplaats en oud boerenland werd daarmee ook een juridische grens.

Het slapende recht

Zelfs een erfgooier die naar 's-Graveland verhuisde, kon zijn Gooise gebruiksrecht daar niet gewoon blijven uitoefenen. Zijn recht bleef in zekere zin bestaan, maar de uitoefening ervan werd opgeschort zolang hij buiten het gerechtigde gebied woonde. Later werd hiervoor de treffende uitdrukking slapende erfgooier gebruikt. Keerde iemand onder de juiste voorwaarden terug, dan kon het recht weer actief worden. Dit toont opnieuw hoe bijzonder het systeem was. Afstamming alleen was niet altijd voldoende voor daadwerkelijk gebruik. Woonplaats, leeftijd, boerenbedrijf, vee en historische regelgeving konden allemaal een rol spelen. Dezelfde complexiteit zou bij de uiteindelijke ontbinding opnieuw van groot financieel belang worden.

1650 — een eigen resolutieboek

In 1650 begon de Vergadering van Stad en Lande een eigen resolutieboek. Daarmee wordt de organisatie ook archiefmatig veel duidelijker zichtbaar. Het huidige Archief Gooi en Vechtstreek bewaart een omvangrijk complex van stukken van de Vergadering van Stad en Lande, met materiaal waarvan sommige onderdelen tot de vijftiende eeuw terugreiken. Hierin bevinden zich besluiten, geschillen, lijsten van gerechtigden en stukken over het beheer van de gemene gronden. Het conflict rond 's-Graveland had duidelijk gemaakt hoe noodzakelijk een steviger organisatie was. Wie gemeenschappelijke rechten wilde verdedigen, moest niet alleen met hooivork of protest optreden, maar ook registers, kaarten, resoluties en juridische bewijsstukken kunnen produceren.

1702–1708 — François Hinlopen daagt het systeem uit

Begin achttiende eeuw kwam de rijke Amsterdammer François Hinlopen, eigenaar van Oud-Bussem, in conflict met de erfgooiers. Hij moest betalen wanneer hij koeien en paarden op de meent wilde laten grazen. Hinlopen betwistte de rechtsgeldigheid van de rechten en stapte naar de rechter. Hij verloor. Zijn proces had voor de erfgooiers een onverwacht gunstig gevolg: hun eigen gemeenschap moest veel nauwkeuriger worden beschreven. Wie was werkelijk gerechtigd? Waar lagen de gemeenschappelijke gronden? Welke rechten konden worden bewezen? Zo droeg een tegenstander van het systeem eraan bij dat juist enkele van de belangrijkste bronnen over dat systeem ontstonden.

1708 — 1.088 gerechtigden

De lijst van 1708 bevatte 1.088 gerechtigden. Daarvan waren 464 scharend en 624 niet-scharend. Het onderscheid dat eeuwen later de organisatie uit elkaar zou trekken, bestond dus al veel eerder. Bussum telde in deze telling slechts ongeveer veertig namen. In Laren treffen we familienamen aan als Schaapherder, Huisman, Bus, Mol en Roelen. De administratie noemt daarnaast bijvoorbeeld kinderen van een overleden gerechtigde en weduwen. Daardoor krijgen we een veel concreter beeld van de gemeenschap. Achter de algemene term "erfgooiers" stonden huishoudens, families en erfopvolgingen die per dorp nauwkeurig moesten worden bijgehouden.

Vrouwen en "scharen bij de gunst"

Vrouwen namen binnen het systeem een bijzondere positie in. Het erfgooierschap ontwikkelde zich als een recht dat in beginsel langs de mannelijke lijn werd doorgegeven, maar daarmee verdwenen vrouwen niet uit het dagelijkse gebruik. Een weduwe kon na het overlijden van haar echtgenoot onder voorwaarden diens gebruik voortzetten. Dit werd "scharen bij de gunst" genoemd. Zij kon in de administratie als gerechtigde of gebruikster zichtbaar worden zonder dat zij daarmee hetzelfde erfelijke overdrachtsrecht bezat als een mannelijke erfgooier. De lijsten van 1708 maken deze vrouwen zichtbaar. Voor het complete verhaal moeten daarom niet alleen de mannelijke stambomen worden gevolgd, maar ook weduwen en huishoudens waarin een vrouw tijdelijk het boerenbedrijf voortzette.

1709 — het Gooi wordt opgemeten

Na de juridische strijd werd het gemeenschappelijke landschap nauwkeurig in kaart gebracht. In 1709 werkten de landmeters Justus van Broeckhuysen en Freye Klaasz. Boelhouwer aan de registratie. Volgens de overgeleverde opgaven omvatten de gemeenschappelijke gronden ongeveer 6.732 Rijnlandse morgen, omgerekend ruwweg 5.700 hectare. Dat was een enorm deel van Gooiland. De opgave noemt onder meer duizenden morgens heide, daarnaast grasland, bossen en venen. Van het grasland was slechts een deel werkelijk bruikbaar als weiland. De kaarten tonen daardoor niet alleen bezit, maar de economische anatomie van het Gooi: heide voor schapen, meenten voor rundvee, bos, veen en de akkers rond de dorpen.

1719–1723 — grenspalen en Maurits Walraven

Op 14 juli 1719 kwam een overeenkomst tot stand over de grens tussen Holland en Utrecht. Langs de grens verschenen hardstenen palen met provinciale wapens. Zulke palen waren geen decoratie. In een landschap waarin boeren, schaapherders, ontginners en overheden voortdurend aanspraken konden maken, maakte iedere meter verschil. Vervolgens vervaardigde Maurits Walraven in 1723 zijn bekende kaart van Gooiland. Meenten, venen, bossen, engen en andere gronden werden daarin zichtbaar. Kaarten werden daarmee juridische wapens. Waar middeleeuwse boeren zich op herinnering en gewoonte hadden beroepen, kon de achttiende-eeuwse gemeenschap grenzen, oppervlakten en namen steeds nauwkeuriger op papier aantonen.

De archieven groeien mee

De erfgooiersgemeenschap werd daardoor steeds bureaucratischer. Naast schaarbrieven kwamen resolutieboeken, kaarten, registers en lijsten. Het latere archief bevat gerechtigdenlijsten uit onder meer 1708, 1805–1806, 1836, 1876, 1886, 1889 en 1895. Er bestaat zelfs een afzonderlijke lijst van Bussumse erfgooiers die op 15 januari 1889 vee hielden. Voor Naarden en Muiderberg zijn eveneens negentiende-eeuwse lijsten bewaard. Daarmee kunnen families en daadwerkelijk gebruik over lange perioden worden gevolgd. Het archief maakt zichtbaar dat erfgooierschap niet alleen een identiteit was. Het moest voortdurend administratief worden bewezen, gecontroleerd en gekoppeld aan concreet gebruik van vee en grond.

1804 — bestuur en gerechtigden groeien uit elkaar

Vanaf 1804 veranderde de bestuurlijke verhouding. Burgemeesters van de Gooise gemeenten en vertegenwoordigers uit de gemeenteraden kregen een steeds belangrijker positie binnen Stad en Lande. Dat leek bestuurlijk logisch, maar bevatte een gevaar. Gemeenten hadden andere belangen dan boeren. Zij wilden wegen, woningbouw, industrie, uitbreiding en inkomsten. Naarmate bestuurders bovendien niet noodzakelijk zelf erfgooier waren, kon het gevoel ontstaan dat mensen zonder oud gebruiksrecht over de gemeenschappelijke bezittingen beslisten. In de negentiende eeuw groeide daardoor een tegenstelling die uiteindelijk tot openlijk verzet zou leiden. De vraag was niet langer alleen wie de grond mocht gebruiken, maar ook wie namens de gerechtigden mocht beslissen.

1836–1843 — Albertus Perk probeert de knoop door te hakken

Notaris Albertus Perk (1795–1888) speelde een hoofdrol in de negentiende-eeuwse hervormingen. De moderne overheid had grond nodig voor wegen en ontwikkeling, terwijl de erfgooiers hun oude rechten verdedigden. De regelingen van 1836 en 1843 verdeelden de aanspraken duidelijker. De erfgooiers kregen juridische eigendom over een gedeelte van de gemeenschappelijke gronden; andere delen kwamen aan de overheid of gemeenten. Daarmee werd een wereld van gestapelde middeleeuwse rechten steeds meer vertaald naar het moderne begrip eigendom. Nieuwe kaarten uit 1843–1845 en veilingkaarten uit 1837 en 1843 legden die veranderde werkelijkheid vast. Maar de fundamentele ruzie verdween daarmee niet.

Albertus Perk en een veranderend Gooi

Perk stond op het snijvlak tussen twee werelden. Aan de ene kant kende hij de historische rechten en de bijzondere Gooise gemeenschap; aan de andere kant zag hij een negentiende-eeuwse samenleving ontstaan waarin grond steeds sterker als afzonderlijk, verhandelbaar eigendom werd behandeld. De spoorwegen, groeiende steden en aantrekkingskracht van het Gooi op welgestelde buitenstaanders zouden die druk alleen vergroten. Heide die voor een schaapherder productielandschap was, kon voor een projectontwikkelaar bouwgrond zijn en voor een stedeling een aantrekkelijk landschap. Daardoor werd de economische waarde van het gemeenschappelijke bezit steeds minder bepaald door hoeveel koeien of schapen erop konden grazen.

1876–1895 — steeds opnieuw namen tellen

De lijsten uit 1876, 1886, 1889 en 1895 laten zien hoe belangrijk registratie werd. Men moest weten wie gerechtigd was, waar hij woonde en in sommige gevallen of hij werkelijk vee hield. Dat laatste is essentieel. Naarmate het Gooi verstedelijkte, groeide de groep erfgooiers die wel een historisch recht bezat maar niet langer boerde. Daardoor ontstond geleidelijk een belangenverschil tussen mensen voor wie de meent dagelijkse bedrijfsgrond was en mensen voor wie het recht steeds meer een vermogensrecht vertegenwoordigde. Deze ontwikkeling begon dus lang vóór de grote twintigste-eeuwse grondverkopen. Het zaad voor de uiteindelijke ontbinding zat al in de sociale verandering van de negentiende eeuw.

1890 — nog maar nauwelijks erfgooiers aan het roer

Rond 1890 bereikte de bestuurlijke vervreemding een kritiek punt. Alleen de burgemeesters kregen volgens de toenmalige regeling doorslaggevend stemrecht en volgens een latere reconstructie zat uiteindelijk nog maar één erfgooier in het bestuur. Veel boeren zagen hoe gemeenten belang kregen bij verkoop en ontwikkeling van grond die zij als voorouderlijk gemeenschappelijk bezit beschouwden. Villabouw en gemeentelijke expansie versterkten het wantrouwen. Daardoor moet de latere zaak-Harmen Vos niet als een geïsoleerd jachtincident worden gezien. De haas van 1898 viel in een gemeenschap waarin al jaren werd gediscussieerd over vertegenwoordiging, grond, geld en de vraag of Stad en Lande nog werkelijk van de gerechtigden was.

18 november 1898 — de beroemdste haas van het Gooi

Toen kwam Harmen Vos. Hij was geboren op 21 februari 1844 in Blaricum, woonde later in Laren en was onbezoldigd veldwachter, jachtopziener en erfgooier. Op 18 november 1898 schoot hij een haas. Normaal nauwelijks wereldgeschiedenis. Maar deze haas liep op grond waarvan het jachtrecht aan de Kroon was verpacht. Vos kreeg een proces-verbaal wegens stroperij. Hij weigerde de redenering te accepteren. Hoe kon hij stropen op grond die volgens hem mede van de erfgooiers zelf was? Daarmee maakte één geschoten haas opnieuw de eeuwenoude vraag actueel: van wie was de Gooise grond?

Harmen Vos thuis

Dankzij de Historische Kring Laren kennen we Harmen niet alleen als juridisch symbool. Na zijn huwelijk met Jannetje Verver in 1882 woonde het gezin in Laren. In zijn eenvoudige huisje aan de Tweede Ruiterweg hingen drie jachtgeweren aan de muur en Harmen droeg een patronenriem. Na Jannetjes dood in 1902 moest hij zijn drie jongens alleen opvoeden. Het werd een mannenhuishouden. Harmen roerde volgens de familieoverlevering met een kachelhoutje in de kookpan. Hij at graag aardappels met jus, waarna 's avonds nog een bord boekweitpap volgde. De grote juridische strijd speelde zich dus af tegen een achtergrond van een eenvoudig dorpshuishouden.

Een koddebeier met aanzien

Vos was actief in de drankbestrijding, kon lezen en schrijven en hielp anderen door brieven voor hen op te stellen. Hij was lid van de Derde Orde van Sint Franciscus en droeg bij de Sint-Jansprocessie het baldakijn. Zijn kleinzoon Nic Vos bewaarde familieverhalen. Daardoor kennen we zelfs Harmens herinnering aan de ijskoude maart van 1886, toen zijn tweeling werd geboren en volgens Harmen de stuifsneeuw dagenlang over Laren joeg en de mussen dood onder de heg lagen. Harmen werd later bestuurslid van Stad en Lande en meentbeambte. Een erfgooier was daarmee geen abstract juridisch begrip, maar vader, dorpsbewoner, jager, arbeider en deelnemer aan het lokale gemeenschapsleven.

Harmen kon brullen én overtuigen

Ook tijdgenoten herinnerden zich zijn persoonlijkheid. Floris Vos beschreef hem later als een taaie, verweerde erfgooier die weinig formele opleiding had genoten maar buitengewoon goed kon spreken. Harmen kon vriendelijk en hoffelijk argumenteren, maar bij verontwaardiging bijna brullen. Dat helpt verklaren waarom hij kon uitgroeien tot een herkenbare figuur in het verzet. Hij vertegenwoordigde precies het soort erfgooier dat vond dat geleerd recht en bestuurlijke formaliteiten niet mochten uitwissen wat generaties boeren als vanzelfsprekend hadden beschouwd. Zijn kracht lag niet alleen in het geweer waarmee hij de haas schoot, maar in zijn vermogen de achterliggende kwestie begrijpelijk te maken voor andere gerechtigden.

De Hoge Raad en de haas

De zaak van Harmen Vos liep jarenlang door. Getuigen verklaarden hoe zij hem bij een eikenhakhout hadden gezien en na een schot een haas hadden zien opnemen. Uiteindelijk stuitten ook juristen op het oude probleem. De eigendom van de bejaagde grond en het recht om daarop te jagen waren verweven met de regelingen van 1836 en 1843 en met de bijzondere positie van de gerechtigden. De vervolging liep uiteindelijk vast. De zaak maakte duidelijk dat de erfgooiers een gemeenschap vormden waarin individuele leden aanspraken op het gemeenschappelijke geheel bezaten. Harmen had met één haas een probleem blootgelegd dat wortelde in eeuwen van gewoonterecht.

4 april 1900 — de opstand wordt georganiseerd

Op 4 april 1900 riep Machiel Janszoon Majoor een grote bijeenkomst bijeen in de Grote Kerk van Naarden. De ontevreden erfgooiers wilden het bestaande bestuur het recht ontzeggen om zonder hun instemming over de gemeenschappelijke gronden te beschikken. In Naarden en de Gooise dorpen werden alternatieve vertegenwoordigers gekozen. Er ontstond een georganiseerde tegenpartij van ongeveer tweehonderd erfgooiers, met onder anderen Floris Vos als belangrijke voorman. Juridische bijstand werd gezocht en het conflict veranderde van verspreide onvrede in een politieke beweging. De oude boerenrechten werden nu verdedigd met vergaderingen, advocaten, pamfletten en georganiseerde oppositie.

Oude partij tegen nieuwe partij

De gemeenschap raakte verdeeld in kampen. Aan de ene kant stonden degenen die met het bestaande bestuur wilden doorgaan; aan de andere kant erfgooiers die vonden dat het beheer opnieuw rechtstreeks onder de gerechtigden moest komen. Namen als Machiel Majoor, Floris Vos en Harmen Vos raakten met het verzet verbonden. De strijd ging ondertussen gewoon door op het land. Wie bepaalde wanneer vee naar de meent mocht? Wie inde schaargeld? Aan welk bestuur moest een boer gehoorzamen wanneer twee groepen beweerden rechtmatig namens de gerechtigden op te treden? Juridische onenigheid kon daardoor binnen enkele uren veranderen in een conflict bij een hek waar koeien stonden te wachten.

Het vee kreeg een brandmerk

Voordat vee op de meent werd toegelaten, kon het worden gebrandmerkt. Meentmeesters konden daardoor herkennen welk dier rechtmatig met erfgooiersrecht graasde. Zo werd een eeuwenoud juridisch systeem letterlijk zichtbaar op de huid van koeien. Er moest worden gecontroleerd wie recht had, hoeveel dieren mochten worden ingebracht en of verschuldigde bedragen waren betaald. Voor boeren was dit geen administratieve bijzaak. Zonder gemeenschappelijk gras konden zij hun veestapel moeilijk onderhouden. Toen ontevreden erfgooiers betaling en gezag van het bestaande bestuur gingen betwisten, werd de toegang tot de meent daarom een explosief punt. Een koe aan een hek kon het middelpunt worden van een constitutionele strijd.

1903 — een eigen tegenbestuur

In 1903 richtten ontevreden erfgooiers een eigen organisatie op, het Hoofdbestuur van de gerechtigden tot de gemeene heiden en weiden van Gooiland. Daarmee bestonden feitelijk concurrerende aanspraken op het bestuur van dezelfde gemeenschap. Veel boeren konden echter niet eenvoudig afwachten welke partij uiteindelijk juridisch zou winnen. Hun vee moest eten. Zij waren praktisch afhankelijk van toegang tot de meent. Dat verklaart waarom het conflict zo snel escaleerde. De middeleeuwse rechten waren rond 1900 nog altijd dagelijkse economische rechten. Voor een buitenstaander kon een ruzie over enkele guldens schaargeld klein lijken; voor een boer kon het gaan om de mogelijkheid zijn bedrijf voort te zetten.

Nacht van 30 april op 1 mei 1903

Bij de Blaricumse meent kwam het uiteindelijk tot een confrontatie. Burgemeester A.A.H. Hosang had militaire ondersteuning gevraagd. Vanuit het garnizoen van Naarden waren volgens een reconstructie 57 militairen beschikbaar. In de nacht van 30 april op 1 mei 1903 bewaakten militairen het Meenthek. Erfgooiers die het gezag van het bestaande bestuur en de betaling van schaargeld betwistten, wilden hun vee toch naar de meent brengen. Een groep begon een opening te maken in de ongeveer één meter hoge koedijk, opgebouwd uit graszoden. De eeuwenoude strijd om gebruiksrecht stond nu tegenover gewapende staatsmacht.

1 mei 1903 — Hendrik Smit wordt doodgeschoten

Na waarschuwingen en twee waarschuwingsschoten werd gericht gevuurd. De 22-jarige Larense erfgooier Hendrik Smit werd geraakt. Volgens een overgeleverde herinnering had hij kort daarvoor gezegd: "Ze zullen je op je eigen land niet doodschieten." Juist die woorden vatten het drama samen. Smit zag zichzelf niet als indringer maar als gerechtigde op gemeenschappelijke grond. Hij werd na het schot op een kruiwagen weggevoerd en naar de pastoor gebracht. Enkele uren later stierf hij. Een conflict dat eeuwenlang met schaarbrieven, processen en dorpsruzies was uitgevochten, had nu een jonge man het leven gekost. De datum is 1 mei 1903, niet 9 mei.

Het graf van Hendrik Smit

De dood van Smit maakte diepe indruk in het Gooi. Zijn grafmonument werd ontworpen door de bekende architect K.P.C. de Bazel. Daarmee kreeg de gebeurtenis een tastbare plaats in het landschap en het collectieve geheugen. De confrontatie maakte bovendien duidelijk dat de bestaande bestuurlijke situatie onhoudbaar was. Een gemeenschap waarvan de oorsprong in middeleeuwse gebruiksrechten lag, kon in de twintigste eeuw niet blijven functioneren wanneer de gerechtigden en het bestuur elkaar niet als legitiem erkenden. Het probleem moest uiteindelijk door de landelijke politiek worden opgelost. De dood bij het Meenthek werd zo een belangrijk keerpunt op weg naar wettelijke regeling.

Zeisen en hooivorken

Tijdens de jaren van onrust trokken erfgooiers ook in protestoptochten rond. In reconstructies verschijnen boeren met zeisen en hooivorken. Dat beeld moet niet alleen als folkloristisch boerenprotest worden gezien. De werktuigen symboliseren hoe dicht landbouw en politiek bij elkaar lagen. De mensen die protesteerden waren afhankelijk van grond, gras en vee. Dezelfde hooivork waarmee hooi werd verwerkt kon tijdens een demonstratie worden meegedragen. Het conflict was daarmee tegelijk juridisch, sociaal, economisch en cultureel. Het ging over de vraag of een eeuwenoude boerengemeenschap zichzelf nog mocht besturen in een Gooi dat razendsnel veranderde door verstedelijking en nieuwe grondwaarden.

1908–1912 — Den Haag moet ingrijpen

Na jaren van processen, demonstraties en conflicten greep de landelijke overheid in. In 1908 stelde de minister van Binnenlandse Zaken een commissie in. In 1910 lag een wetsvoorstel klaar. Op 14 maart 1912 nam de Tweede Kamer de regeling aan; op 24 april volgde behandeling in de Eerste Kamer. De Erfgooierswet maakte van de eeuwenoude gewoonterechtelijke gemeenschap een wettelijk geregelde organisatie: de Vereniging Stad en Lande van Gooiland. Daarmee werd geprobeerd een systeem dat door eeuwen van gewoonte, schaarbrieven, rechterlijke uitspraken en plaatselijke afspraken was gevormd in één moderne juridische constructie onder te brengen.

1912 — Stad en Lande krijgt wettelijke vorm

De gemeenschappelijke gronden, ongeveer 3.260 hectare, werden aan de wettelijk geregelde organisatie toegewezen. Het bestuur bestond uit vijftien leden en kreeg een door de Kroon benoemde voorzitter. De eerste voorzitter werd Emil Luden. Daarmee veranderde de positie van de erfgooiers fundamenteel. Hun gemeenschap hoefde niet meer uitsluitend te bewijzen dat haar rechten uit oud gewoonterecht voortkwamen; zij had nu een wettelijke basis. Toch loste de wet het fundamentele probleem niet op. De economische wereld van de erfgooiers veranderde sneller dan de wetgever kon vastleggen. Steeds meer gerechtigden waren geen boeren meer en gebruikten de gemeenschappelijke gronden niet daadwerkelijk.

Scharenden en niet-scharenden

Er bestonden scharende erfgooiers, die werkelijk vee hielden en de meenten gebruikten, en niet-scharende erfgooiers, die wel gerechtigd waren maar geen vee meer lieten grazen. Hun belangen liepen steeds verder uiteen. Voor een veeboer was de meent bedrijfsgrond die niet verkocht mocht worden. Voor een timmerman, winkelier of arbeider die erfgooier was maar geen koe bezat, vertegenwoordigde hetzelfde recht vooral financiële waarde. Wanneer grond werd verkocht, kon hij hopen op een uitkering. De tegenstelling was niet geheel nieuw — in 1708 waren niet-scharenden al talrijk — maar door de stijgende grondprijzen werd het verschil nu explosief.

1917 — Erfgooiers gaan woningen bouwen

Het woord erfgooiers kreeg ondertussen een nieuwe sociale betekenis. Op 18 september 1917 werd in Laren de Woningbouwvereniging van Erfgooiers opgericht. Initiatiefnemer was Goossen de Wit, met steun vanuit een gelijknamige woningbouwvereniging in Hilversum. Tot het eerste bestuur behoorden verder J. Smit, B.G. van den Brink, O. Dekker en C. Zwanikken. De vereniging richtte zich op de slechte huisvesting van onder andere wevers en arme loonarbeiders. Daarmee werd een naam die eeuwenlang met gemeenschappelijke heiden en meenten verbonden was onderdeel van de moderne sociale volkshuisvesting. De erfgooiersgeschiedenis liep voortaan ook door straten, huurwoningen en arbeidersgezinnen.

1921 — 42 woningen en enorme moestuinen

Na jaren onderhandelen met gemeente en Stad en Lande konden de eerste woningen worden gebouwd. Op 30 mei 1921 werden 42 woningen in de Klooster- en Erfgooiersbuurt opgeleverd. Ze waren bewust klein en hadden een boerderijachtige vorm. Opvallend waren de grote tuinen. Bewoners moesten daar groenten kunnen verbouwen en kleinvee houden. Varkens waren niet toegestaan. De woningen vormden daardoor een overgang tussen het oude agrarische Laren en moderne sociale woningbouw. Gezinnen woonden niet meer op een traditionele boerderij, maar zelfvoorziening en dieren bleven onderdeel van het dagelijks bestaan. De erfgooiersnaam verhuisde letterlijk van de meent naar de woonwijk.

1923 — huizen met een stal

In 1923 volgden twaalf woningen aan onder andere de Smeekweg, Elleboogweg en Ericaweg, ontworpen door A.P. van den Brink. Sommige kregen een inpandige stal. Ook dat laat zien hoe geleidelijk de overgang van boerenmaatschappij naar forensen- en woonplaats verliep. Een arbeiderswoning kon nog steeds ruimte nodig hebben voor dieren. In de jaren dertig moesten enkele van de eerste woningen worden vergroot omdat gezinnen omvangrijk waren geworden. De woningbouwgeschiedenis levert daardoor een onverwachte sociale laag bij het erfgooiersverhaal: gezinnen, kinderen, moestuinen, kleinvee, huur en de dagelijkse strijd om voldoende woonruimte.

De administrateur met zijn kroontjespen

De Woningbouwvereniging kende een bijna tastbare administratie. De administrateur ging wekelijks langs de deuren om de huur op te halen. De betaling werd met een kroontjespen in het kasboek geschreven. Dat kleine detail brengt de sociale geschiedenis dichtbij. Waar de oude Stad en Lande resolutieboeken, schaarbrieven en gerechtigdenregisters bijhield, kreeg de moderne Erfgooiersvereniging huurboeken. Het collectieve principe bleef herkenbaar maar kreeg een andere vorm. Niet langer alleen gezamenlijk gras voor koeien, maar ook gezamenlijk georganiseerde betaalbare woningen. Rond de huizen ontstond vervolgens een eigen buurtcultuur.

1926 — een erfgooiersbuurt wordt gemeenschap

Bewoners richtten op 26 augustus 1926 buurtvereniging 't Klooster op, later bekend als Ons Genoegen. Daarmee kreeg de nieuwgebouwde buurt een eigen sociaal leven. De lijn van de erfgooiers loopt hier opvallend door: van gemeenschappelijk middeleeuws landschap naar een vereniging voor grondbeheer, vervolgens naar sociale woningbouw en uiteindelijk naar buurtverenigingen. Het begrip erfgooier was daardoor niet alleen juridisch en genealogisch. Het kon ook onderdeel worden van lokale identiteit. Mensen die tussen de nieuwe woningen opgroeiden, leefden in een omgeving waarin de herinnering aan boeren, meenten en oude families nog overal aanwezig was, terwijl Laren ondertussen steeds verder moderniseerde.

1914–1925 — een nieuw idee: natuur

Tegelijkertijd veranderde de waardering van de heide. In 1914 werd al gesproken over bescherming van Gooise natuur. Na de Eerste Wereldoorlog kocht Hilversum landgoederen om bossen als wandelgebied te behouden. In 1925 adviseerde de Schoonheidscommissie om vrijwel alle Gooise bos- en heidegebieden te beschermen. Dat was een revolutionaire omslag. Eeuwenlang was heide economisch gewaardeerd omdat schapen erop graasden en boeren er plaggen haalden. Nu werd hetzelfde landschap waardevol omdat het niet werd ontgonnen of bebouwd. De erfgooiers hadden het landschap uit eigen economisch belang beschermd tegen buitenstaanders; natuurbeschermers wilden het voortaan om geheel andere redenen behouden.

1930 — ƒ60.000 per jaar voor rust op de heide

In 1930 lag een bijzonder voorstel op tafel. Stad en Lande zou ongeveer 1.500 hectare gedurende 75 jaar ongemoeid laten in ruil voor een jaarlijkse vergoeding van ƒ60.000. Het voorstel werd verworpen. Het laat echter zien hoeveel de betekenis van de grond was veranderd. Voor een middeleeuwse erfgooier was heide een productiemiddel. Voor twintigste-eeuwse natuurbeschermers werd juist het afzien van economisch gebruik iets waarvoor betaald kon worden. Tegelijkertijd bleven gemeenten en bouwers belangstelling houden voor dezelfde grond. Heide kon dus tegelijkertijd boerenland, natuurgebied, recreatieruimte, bouwgrond en financieel vermogen zijn. Die concurrerende waarden bepaalden de laatste halve eeuw van Stad en Lande.

1932 — het Goois Natuurreservaat

In 1932 werd de Stichting Goois Natuurreservaat opgericht. Haar doel was het Gooise natuurschoon duurzaam te bewaren en voor het publiek toegankelijk te houden. Een wijziging van de Erfgooierswet maakte verkoop van grote oppervlakten mogelijk. Uiteindelijk ging 1.524 hectare erfgooiersgrond voor twee miljoen gulden over. Daarmee voltrok zich een historische paradox. Het landschap dat generaties boeren tegen ontginning hadden verdedigd omdat zij er schapen lieten lopen en plaggen staken, werd nu beschermd omdat de moderne samenleving juist de heide, bossen en open ruimte wilde bewaren. Het oude boerenbelang had onbedoeld de basis gelegd voor modern natuurbehoud.

1933–1934 — genealogie wordt geld

Bij de grondverkopen werd opnieuw cruciaal wie werkelijk erfgooier was. In 1933 werden 2.973 gerechtigden geteld. De genealogische controle ging verder en in 1934 lag het aantal erkende gerechtigden nog hoger. Oude lijsten, familierelaties en mannelijke afstamming kregen daardoor rechtstreeks financiële betekenis. Genealogie was niet langer alleen belangstelling voor familiegeschiedenis: zij bepaalde of iemand geld ontving. Voor de verkoop van de natuurgronden werd per gerechtigde ƒ566,04 uitgekeerd. Een naam in een eeuwenoud register kon dus honderden guldens waard blijken. De gemeenschap die vroeger nieuwe gerechtigden wilde weren om gras te sparen, kreeg nu mensen die juist wilden aantonen dat zij erbij hoorden.

Arme erfgooiers en de uitkering

Een uitkering betekende bovendien niet voor iedereen hetzelfde. Voor welgestelde gerechtigden was het geld een opbrengst uit familiebezit. Voor armere erfgooiers kon het bedrag een aanzienlijk verschil maken. Tegelijkertijd kon een financiële uitkering gevolgen hebben voor gemeentelijke ondersteuning. Daarmee zien we opnieuw dat "de erfgooiers" sociaal geen homogene groep vormden. Er waren boeren met vee, arbeiders, winkeliers, ambachtslieden en mensen die ondersteuning nodig hadden. Ze deelden een historisch recht maar niet noodzakelijk dezelfde economische positie. Juist daarom werd iedere verkoop zo gevoelig. Een hectare heide vertegenwoordigde voor de ene erfgooier bedrijfszekerheid en voor de andere een kans op contant geld.

Erfgooiersfamilies worden onderzocht

De genealogische belangstelling bleef groeien. Historische verenigingen begonnen afzonderlijke erfgooiersfamilies systematisch te onderzoeken. Stambomen werden niet alleen als kale reeksen namen gepubliceerd, maar aangevuld met foto's en familieverhalen. Daardoor kunnen we de institutionele geschiedenis verbinden met individuele levens. Namen als Vos, Majoor, Smit, Calis en vele andere Gooise families verschijnen niet alleen in registers, maar ook op boerderijen, markten, in woningen en tijdens dorpsfeesten. Een foto van Krijn, ook Kees, Calis, die met zijn koeien klaarstaat om naar de markt in Hilversum te gaan, laat precies zien wat achter het begrip scharende erfgooier schuilging: een man, zijn dieren en zijn dagelijks werk.

De erfgooiers op de markt

De markt verbond de gemeenschappelijke grond met de regionale economie. Een koe die op de meent had gegraasd, kon later naar de markt in Hilversum worden gebracht. Daarmee liep een economische keten van gemeenschappelijk gras naar particulier inkomen. De meent was dus geen geïsoleerd overblijfsel uit de Middeleeuwen. Zij maakte deel uit van de voedselproductie en handel van het moderne Gooi. Foto's van erfgooiers met vee, verhalen over meentmeesters en lijsten van boeren die werkelijk schaarden, zijn daarom minstens zo belangrijk als bestuursstukken. Zij tonen waarom mensen bereid waren generaties lang te procederen en uiteindelijk zelfs tegenover soldaten te gaan staan om hun recht op dat landschap te verdedigen.

Na 1945 — de agrarische wereld verdwijnt

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het Gooi nog sneller. Hilversum, Bussum, Huizen, Laren en Blaricum groeiden. Woningbouw, verkeer en bedrijvigheid namen toe. Landbouw moderniseerde en steeds minder erfgooiers hielden daadwerkelijk vee op de gemeenschappelijke gronden. Daardoor ontstond een merkwaardige situatie: duizenden mensen konden erfgooier zijn terwijl slechts een relatief kleine groep werkelijk schaarde. De oude balans tussen recht en gebruik verdween. Wat ooit een praktische boerenorganisatie was geweest, werd steeds meer een organisatie die kostbare grond beheerde. Voor de scharenden bleef verkoop bedreigend; voor veel niet-scharenden werd ontbinding juist financieel aantrekkelijk.

De Woningbouwvereniging leeft verder

De Woningbouwvereniging van Erfgooiers bleef ondertussen bestaan en bouwde na de oorlog verder. In 1948 kwamen 55 woningen gereed, daarna volgden nieuwe bouwprojecten, waaronder tientallen woningen in de jaren vijftig en later opnieuw uitbreidingen. In 1984 kwamen er nog eens 65 woningen. De organisatie overleefde daarmee de oude Vereniging Stad en Lande zelf ruimschoots en fuseerde uiteindelijk pas in 2018 met Gooi en Omstreken. Dat is een opmerkelijke nalatenschap. Terwijl het oorspronkelijke collectieve grondbezit verdween, bleef een twintigste-eeuwse organisatie die de erfgooiersnaam droeg nog decennia sociale huisvesting verzorgen.

Naar de opheffing

Naarmate steeds minder gerechtigden werkelijk boerden, werd de vraag steeds dringender waarom duizenden erfgooiers gezamenlijk enorme oppervlakten en financiële waarden moesten blijven beheren. Niet-scharenden konden redeneren dat hun erfdeel opgesloten zat in grond waarvan zij zelf geen gebruik maakten. Scharenden antwoordden dat verkoop het einde betekende van precies het recht waarvoor hun voorouders eeuwenlang hadden gevochten. Daarmee draaide de oude tegenstelling zich bijna om. In de Middeleeuwen moest de gemeenschap grond beschermen tegen buitenstaanders. In de twintigste eeuw kwam de sterkste druk tot verkoop steeds meer van binnenuit, van gerechtigden die hun aandeel in geld wilden ontvangen.

Genealogie wordt opnieuw beslissend

Bij de naderende ontbinding werd afstamming opnieuw financieel belangrijk. Er waren tientallen traditionele erfgooiersachternamen en mensen lieten stambomen uitzoeken om hun recht te bewijzen. De daarvoor samengestelde genealogieën kwamen in het archief van Stad en Lande terecht. Er zijn zelfs verhalen over mensen die werkelijk of administratief opnieuw aan de woonplaatsvoorwaarden probeerden te voldoen om voor een uitkering in aanmerking te komen. De "slapende erfgooier" kreeg daarmee een nieuwe betekenis. Een recht dat eeuwenlang nauwelijks was gebruikt, kon plotseling wakker worden omdat grondprijzen en uitkeringen het financieel aantrekkelijk maakten om een oude familielijn nauwkeurig te reconstrueren.

Juli 1971 — een snikhete Expohal

In juli 1971 kwam het tot de beslissende vergadering in de Expohal in Hilversum. Stad en Lande telde toen 5.041 leden. Meer dan drieduizend kwamen naar de vergadering. Het was heet in de hal en de belangstelling was uitzonderlijk groot. Normaal ontvingen aanwezige erfgooiers presentiegeld — ƒ7,50 — maar voor deze vergadering werd dat niet betaald. Het ging om veel meer dan enkele guldens. De gerechtigden moesten beslissen of een gemeenschap met wortels in het middeleeuwse Gooiland moest blijven bestaan of definitief moest worden ontbonden. Zelden was de tegenstelling tussen historische identiteit en moderne economische werkelijkheid zo tastbaar geweest.

3.012 tegen 164

De stemming liet nauwelijks ruimte voor twijfel. 3.012 aanwezigen stemden vóór ontbinding en 164 tegen. Daarmee kozen de erfgooiers zelf massaal voor beëindiging van hun organisatie. Dat is een essentieel punt. Stad en Lande werd niet eenvoudig door een vijandige overheid afgeschaft. Na eeuwen strijd tegen graven, steden, ontginners, Amsterdamse investeerders en gemeentebesturen besloot uiteindelijk een overweldigende meerderheid van de gerechtigden dat voortbestaan niet langer wenselijk was. De agrarische basis was grotendeels verdwenen en de financiële waarde van de bezittingen was enorm geworden. De gemeenschap die was ontstaan om grond gezamenlijk te houden, besloot uiteindelijk die gemeenschap zelf te ontbinden.

1972–1973 — de lijst wordt bevroren

De ledenlijst van maart 1972 werd vervolgens bevroren. Vanaf dat moment kon niemand meer door geboorte of andere veranderingen nieuw in de afwikkeling komen en verdwenen bestaande gerechtigden niet eenvoudig uit het financiële systeem. Het Koninklijk Besluit van 11 maart 1973 bevestigde de ontbinding. Daarmee werd duidelijk wie bij de laatste verdeling meetelde. Eeuwenlang hadden geboorten, sterfgevallen, verhuizingen, huwelijken en afstamming de gemeenschap voortdurend veranderd. Nu werd voor de laatste keer een grens getrokken: deze mensen waren de gerechtigden met wie de geschiedenis financieel zou worden afgesloten.

Tien bewijzen van deelgerechtigdheid

Iedere gerechtigde ontving tien bewijzen van deelgerechtigdheid. De afwikkeling vond vervolgens in fasen plaats. Op 10 december 1973 werd via Rabobanken in de Gooise gemeenten een eerste bedrag van ƒ1.000 uitgekeerd. Later volgden verdere betalingen. Uiteindelijk kwam de totale uitkering per gerechtigde op ongeveer ƒ5.000. Daarmee veranderde een recht dat ooit betekende hoeveel koeien iemand naar de meent mocht brengen letterlijk in papieren bewijzen en geld. Het contrast kan nauwelijks groter zijn: van schapen op de heide en plaggen in de kruiwagen naar bankloketten, deelbewijzen en financiële liquidatie.

Ook gebouwen en machines moesten weg

De ontbinding betekende veel meer dan geld onder erfgooiers verdelen. Stad en Lande was een werkende organisatie met personeel, gebouwen, dienstwoningen, landbouwmachines en werktuigen. Personeel moest afvloeien, onroerend goed moest worden verkocht en machines en gereedschappen afgestoten. Daarmee verdween ook de materiële infrastructuur achter het beheer. Eeuwenlang hadden schaarmeesters, meentmeesters, bestuurders, landmeters en later professionele werknemers toezicht gehouden op het gemeenschappelijke bezit. Nu werd niet alleen het juridische lichaam opgeheven, maar ook het dagelijkse bedrijf erachter. De administratieve afwikkeling zou nog jaren duren en liep uiteindelijk tot 1981 door.

28 april 1979 — de laatste vergadering

Op zaterdag 28 april 1979 vond in de Grote Kerk van Naarden de laatste ceremoniële vergadering plaats. De Gooi- en Eemlander karakteriseerde de bijeenkomst als een soort "uitvaartdienst voor de erfgooiers". De locatie was symbolisch. Naarden had eeuwenlang een centrale positie binnen Stad en Lande gehad en nu werd daar de laatste vergadering gehouden. Na de laatste hamerslag klonk de uitroep: "De erfgooiers zijn dood, leve de erfgooiers!" Daarmee eindigde de organisatie, maar niet de herinnering. De juridische gemeenschap kon worden ontbonden; de familienaam, regionale identiteit, archieven, verhalen en het landschap bleven bestaan.

1979 was nog niet helemaal het einde

Zelfs na die laatste vergadering was de geschiedenis administratief niet onmiddellijk afgelopen. De vereffening duurde tot 1981. Daarom moeten verschillende einddata naast elkaar worden gehouden: 1971 voor het beslissende besluit tot ontbinding, 1973 voor de formele bevestiging en financiële afwikkeling, 1979 voor de laatste vergadering en 1981 voor de voltooiing van de liquidatie. Net zoals de erfgooiersgemeenschap niet op één dag in 968 ontstond, verdween zij ook niet op één dag in de twintigste eeuw. Zowel ontstaan als einde waren processen.

Wat van de erfgooiers overbleef

Het merkwaardigste is misschien dat hun landschap gedeeltelijk juist dankzij hun koppigheid overleefde. Generaties boeren hadden voorkomen dat buitenstaanders onbeperkt heide, bos en meent konden ontginnen. Ze deden dat niet omdat ze moderne natuurbeschermers waren. Ze hadden gras nodig voor koeien, heide voor schapen, plaggen voor mest, turf voor brandstof, hout voor huis en haard en biezen en strooisel voor het boerenbedrijf. Maar het resultaat was dat grote open gebieden niet volledig werden verkaveld en bebouwd. Wie tegenwoordig over de Gooise heide loopt, beweegt daardoor gedeeltelijk door het oude economische landschap van de erfgooiers.

Van gebruiksland naar natuurgebied

De overdracht aan het Goois Natuurreservaat gaf dat landschap een geheel nieuwe betekenis. Waar vroeger schaarmeesters moesten voorkomen dat te veel vee de heide en meenten gebruikten, werd natuurbeheer het uitgangspunt. Recreanten, wandelaars en natuurliefhebbers kregen toegang tot gebieden die eeuwenlang vooral productielandschap waren geweest. Het woord "ten eeuwigen dage", dat in de geschiedenis van de erfgooiers zo passend klinkt, kreeg daarmee bijna een nieuwe inhoud. Niet het exclusieve gebruik door erfgooiers werd eeuwig, maar de bescherming van een deel van hun voormalige landschap. Het oude collectief liet zo onbedoeld een ecologische erfenis achter.

De bronnen bewaren de mensen

Ook de mensen zijn niet volledig verdwenen. De enorme archieven van Stad en Lande bevatten resoluties, gerechtigdenlijsten, kaarten, processen en correspondentie. Historische verenigingen in Laren, Huizen, Bussum en elders hebben foto's, familiegeschiedenissen en herinneringen verzameld. Tussen Vecht en Eem wijdde kort na de laatste vergadering een speciaal Erfgooiersnummer aan het onderwerp. Genealogische verenigingen ontsloten oude registers. Daardoor kunnen we naast Wichman, Floris V en Karel de Stoute ook Harmen Vos met zijn boekweitpap, Hendrik Smit bij het Meenthek en Krijn Calis met zijn koeien blijven zien.

Eppo Doeve schildert de geschiedenis

De herinnering kreeg ook een beeldende vorm. Kunstenaar Eppo Doeve maakte een reeks van 22 panelen over de geschiedenis van de erfgooiers. Daarmee werd een geschiedenis die zich over meer dan duizend jaar uitstrekte omgezet in beelden. Het past bij de manier waarop de erfgooiers na hun opheffing onderdeel werden van het regionale geheugen. Hun geschiedenis leeft niet alleen in wetenschappelijke boeken en archiefstukken, maar ook in schilderingen, monumenten, straatnamen, woningen, foto's, familietradities en natuurgebieden. De gemeenschap verdween als rechtspersoon, maar werd tegelijkertijd steeds zichtbaarder als historisch erfgoed.

Van Wichman tot Harmen Vos

De geschiedenis van de erfgooiers is daarom veel meer dan een verhaal over grondbezit. Het is het verhaal van Wichman en Elten, Floris V, Willem III, Willem IV, Karel de Stoute, de Grote Raad van Mechelen, de schaarbrieven van 1404, 1442, 1455 en 1568, Loosdrechtse ontginners, P.C. Hooft, prins Emanuel van Portugal, 's-Graveland, François Hinlopen, Justus van Broeckhuysen, Freye Boelhouwer, Maurits Walraven, Albertus Perk, Harmen Vos, Machiel Majoor, Floris Vos, Hendrik Smit, Emil Luden en Goossen de Wit. Maar onder hen liggen duizenden minder bekende levens.

De naamloze erfgooiers

Daaronder stonden schaapherders, veeboeren, dagloners, weduwen, kinderen, meentmeesters, schaarmeesters, landmeters, kleine boeren, wevers, arbeiders en later winkeliers en ambachtslieden. Hun dagelijkse behoefte aan gras, hout, turf, mest en wintervoer hield een oud systeem eeuwenlang in leven. Sommige families verschijnen in registers uit meerdere eeuwen. Sommige vrouwen konden na het overlijden van hun echtgenoot bij de gunst blijven scharen. Sommige mannen bezaten een erfgooiersrecht maar geen koe. Andere boeren stonden daadwerkelijk iedere lente met hun dieren voor het meenthek. Juist deze verscheidenheid maakt duidelijk waarom er nooit één eenvoudig erfgooiersbelang heeft bestaan.

Het gemene land

Daarmee komen we bij de kern. De erfgooiers waren niet bijzonder omdat iedere gerechtigde een afgebakend stuk heide bezat. Hun wereld was bijzonder omdat individueel belang en collectief recht voortdurend met elkaar moesten worden verzoend. Een rijke boer mocht niet alles gebruiken. Een arme herder mocht niet zomaar worden verdreven. Een Amsterdammer kon niet eenvoudig een stuk "lege" heide kopen. Een graaf kon eeuwenoud gebruik niet zonder weerstand uitwissen. Een burgemeester kon niet onbeperkt beslissen zonder de gerechtigden tegen zich te krijgen. En zelfs een erfgooier kon zijn individuele recht alleen uitoefenen binnen de regels van de gemeenschap.

Duizend jaar aanpassen

Daarom waren er schaarbrieven, bosbrieven, vergaderingen, rechtszaken, vechtpartijen, grensconflicten, landmeters, kaarten, gerechtigdenlijsten, brandmerken, meentmeesters, tegenbesturen, soldaten en uiteindelijk een nationale wet. Het systeem overleefde niet doordat het duizend jaar hetzelfde bleef, maar doordat het voortdurend veranderde. Hofstelsel werd marke, gewoonterecht werd schaarbrief, gebruiksrecht werd geregistreerd erfgooierschap, Stad en Lande werd een wettelijke vereniging en gemeenschappelijke grond werd uiteindelijk natuurgebied, bouwgrond en geld. Juist dat vermogen tot aanpassing verklaart waarom de geschiedenis zo uitzonderlijk lang duurde.

De haas als samenvatting van het hele verhaal

Daarom blijft het verhaal van Harmen Vos zo sterk. In 1898 keek een Larense erfgooier naar een geschoten haas en stelde in wezen dezelfde vraag die sinds Floris V, Karel de Stoute, de Loosdrechters, 's-Graveland en François Hinlopen telkens was teruggekeerd: wie heeft hier werkelijk het recht? De overheid kon wijzen op wetten, jachtrecht en bestuur. Harmen kon wijzen op generaties gebruik en het gemeenschappelijke bezit van de erfgooiers. Vijf jaar later stierf Hendrik Smit met dezelfde overtuiging bij de meent: dit was hun eigen land. In 1971 besloten hun nakomelingen uiteindelijk zelf dat het gezamenlijke bezit moest eindigen.

De erfgooiers zijn dood, leve de erfgooiers

De laatste woorden in Naarden in 1979 waren daarom opmerkelijk passend: "De erfgooiers zijn dood, leve de erfgooiers!" De organisatie kon verdwijnen, maar haar gevolgen lagen overal in het Gooi. In de heidevelden die niet werden volgebouwd, in oude meenten, grensstenen en kaarten, in het Goois Natuurreservaat, in de Erfgooiersbuurt, in familiearchieven en stambomen, in het monument voor Hendrik Smit en in de duizenden namen van mensen die ooit gerechtigd waren. Wat begon als een praktische strijd om gras, hout, plaggen en vee groeide uit tot een van de langst levende vormen van gemeenschappelijk grondgebruik in Nederland.