De Nederlandse walvisvaart — Ondergang en einde van een tijdperk, 1800–1814
Franse tijd, oorlog en handelsblokkades — de laatste jaren van de oude walvisvaart en de gevolgen voor Zaandam
Voorwoord
Rond 1800 was de Nederlandse walvisvaart nog slechts een schaduw van de bedrijfstak die generaties schepen naar Spitsbergen, Groenland en Straat Davis had gestuurd. De vloot was sterk teruggelopen, buitenlandse concurrenten hadden terrein gewonnen en steeds minder reders waagden hun kapitaal aan de kostbare noordvaart. Voor Zaandam reikten de gevolgen verder dan de walvisvaarders zelf. Werven, houtzagerijen, touwslagerijen, zeilmakerijen, smederijen en kuiperijen hadden jarenlang van de zeevaart geprofiteerd. Toen minder schepen werden gebouwd en uitgerust, verloren ook scheepstimmerlieden, breeuwers, smeden, kuipers, sjouwers en leveranciers werk. Wat vóór 1800 al verzwakt was, zou tussen 1800 en 1814 vrijwel geheel verdwijnen.
De Franse tijd bracht dit proces tot een beslissend keerpunt. Oorlog met Groot-Brittannië, blokkades, handelsbeperkingen en het Continentale Stelsel ontwrichtten de zeehandel, terwijl de inlijving bij het Franse Keizerrijk in 1810 de druk verder verhoogde. Commandeurs en matrozen vonden minder schepen, gezinnen verloren inkomsten en oude maritieme bedrijven moesten zich aanpassen of verdwijnen. Toen in 1813 de Franse macht instortte en in 1814 het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden ontstond, keerde de oude wereld niet terug. De politieke orde werd hersteld, maar de vroegere Nederlandse walvisvaartstructuur was gebroken. 1814 markeert daarom niet alleen het einde van de Franse tijd, maar ook het einde van een Zaans maritiem tijdperk.
Deel 1 — 1800–1802 — Een walvisvaart die haar oude kracht verloren had
Rond 1800 bestond de Nederlandse walvisvaart nog, maar de wereld waarin zij groot was geworden was grotendeels verdwenen. De vloot was sterk geslonken en de bedrijfstak kon al jaren nauwelijks zonder overheidssteun concurreren. Vanaf 1771 bestond een tegemoetkoming van ongeveer dertig gulden per Nederlands bemanningslid; vanaf 1788 kwam daar ondersteuning bij wanneer de opbrengst beneden een vastgesteld minimum bleef. Zulke maatregelen laten zien hoe kwetsbaar de noordvaart inmiddels was. Reders moesten schepen onderhouden, bemanningen betalen en kostbare uitrusting aanschaffen terwijl vangst, oorlog en buitenlandse concurrentie de uiteindelijke opbrengst steeds onzekerder maakten.
Ook Zaandam liet die lange neergang duidelijk zien. In 1731 waren er nog 26 gespecialiseerde scheepswerven in Oost- en Westzaandam samen; omstreeks 1794 resteerden volgens de overgeleverde beschrijvingen slechts twee of drie belangrijke scheepsbouwers. De oude maritieme infrastructuur verdween echter niet ineens. Werven, houtwerven, pakhuizen, molens en werkplaatsen bleven langs de Zaan liggen, terwijl vakkennis van scheepstimmerlieden, breeuwers, smeden en kuipers aanwezig bleef. Rond 1800 was Zaandam daarom geen verlaten industrieplaats, maar een gebied waarin een indrukwekkend zeventiende- en achttiende-eeuws productieapparaat steeds minder werk uit de grote zeevaart ontving.
De veranderingen waren ook binnen Zaanse families zichtbaar. In 1804 trouwde Jacob Willemsz. Middelhoven met Grietje Hendriks Stadlander. Middelhoven stamde uit een oude rederij- en handelsomgeving; Stadlander was verbonden met een belangrijk houtzaagbedrijf dat molens bezat als De Jonge Kat, De Goede Hoop, De Bijl, De Veldvlieger en De Valk. Daarmee wordt een grotere economische verschuiving zichtbaar. Kapitaal en ondernemerschap die vroeger sterk met zeevaart en walvisvaart waren verbonden, konden zich verplaatsen naar houtzagerij en andere Zaanse nijverheid. De ondergang van de oude noordvaart betekende dus niet automatisch het verdwijnen van het opgebouwde handelskapitaal.
Achter die economische beweging stonden honderden arbeiders. Een Groenlandvaarder moest vóór vertrek worden gekalefaterd, getuigd en bevoorraad. Kuipers leverden vaten, touwslagers lijnen en touwwerk, smeden ijzeren onderdelen en leveranciers voedsel en drank. Na terugkeer volgden lossen, verwerking en herstel. Minder uitvaarten betekenden daarom niet alleen minder werk voor commandeurs en matrozen, maar voor een hele keten aan de wal. De seizoensarbeid bood mannen soms gelegenheid tijdelijk ander werk te zoeken in molens, pakhuizen of op werven, al kan voor individuele walvisvaarders niet zonder afzonderlijk bewijs worden aangenomen welk winterberoep zij precies uitoefenden.
Deel 2 — 1803–1805 — Britse kapers, gevangenschap en bijna stilvallende noordvaart
In mei 1803 eindigde de korte vrede tussen Frankrijk en Groot-Brittannië. Nederland raakte als bondgenoot van Frankrijk opnieuw rechtstreeks betrokken bij de strijd. Voor de walvisvaart kwam dit op een bijzonder slecht moment. De Nederlandse noordvaart was al sterk verzwakt en beschikte niet meer over de grote vloot waarmee verliezen gemakkelijk konden worden opgevangen. Toch werden in 1803 nog tien Nederlandse walvisvaarders uitgerust. Dat kleine aantal laat op zichzelf al zien hoeveel de bedrijfstak was gekrompen. De mannen aan boord voeren niet alleen richting walvissen en zee-ijs, maar moesten eerst door een Noordzee waarin Britse oorlogsschepen de overhand kregen.
Van die tien walvisvaarders werden in 1803 vier door de Britten buitgemaakt. Daarmee ging in één seizoen veertig procent van de uitgerede Nederlandse vloot verloren aan oorlogshandelingen. De beschikbare overzichtsbron noemt bij deze vier verliezen helaas niet betrouwbaar alle afzonderlijke scheepsnamen en commandeurs; die moeten daarom niet worden ingevuld zonder aanvullende broncontrole. Voor de bemanningen was het verlies echter zeer concreet. Gevangengenomen zeelieden konden in Britse krijgsgevangenschap terechtkomen. Een commandeur, harpoenier of matroos die niet terugkeerde betekende thuis een huishouden zonder de verwachte inkomsten en zonder zekerheid over de duur van zijn afwezigheid.
Voor reders was zo'n verlies eveneens zwaar. Een walvisvaarder vertegenwoordigde niet alleen een houten romp. Zeilen, touwwerk, sloepen, harpoenen, lansen, proviand en de verdere vleet vormden gezamenlijk een grote investering. Verzekering kon risico spreiden, maar ook verzekeraars moesten rekening houden met oorlog. De Zaanse onderlinge walvisverzekering was na de zware verliezen van 1777 al sterk teruggelopen en na de Vierde Engelse Oorlog niet meer in haar oude omvang hersteld. Nederlandse reders waren daardoor vaker aangewezen op commerciële verzekeraars in Amsterdam of Rotterdam. De oorlog van 1803 trof dus een bedrijfstak waarvan ook het vroegere financiële vangnet grotendeels was verdwenen.
De gevolgen bereikten opnieuw de Zaan. Vier buitgemaakte schepen betekenden vier bemanningen die niet volgens het gewone ritme thuiskwamen, maar ook schepen die niet met hun lading terugkeerden om gelost, gerepareerd en opnieuw uitgerust te worden. Kuipers ontvingen minder opdrachten, scheepstimmerlieden minder herstelwerk en pakhuizen minder goederen. Tijdens de daaropvolgende Franse overheersing kwam de Nederlandse walvisvaart volgens de beschikbare reconstructie vervolgens vrijwel geheel tot stilstand. De crisis van 1803 was daarmee geen afzonderlijk slecht seizoen. Zij werd het begin van een lange onderbreking die pas na de politieke omwenteling van 1813–1814 voorzichtig zou worden doorbroken.
Deel 3 — 1806 — Lodewijk Napoleon en een Zaanstreek die om bescherming vroeg
In 1806 verdween de Bataafse Republiek. Napoleon Bonaparte maakte Nederland tot het Koninkrijk Holland en plaatste zijn broer Lodewijk Napoleon op de troon. Voor Zaandam was dat geen abstracte verandering in staatsvorm. Handel, scheepvaart en nijverheid waren afhankelijk van buitenlandse verbindingen en juist die werden door de oorlog steeds moeilijker. Lodewijk probeerde zich soms meer als Nederlands koning dan als Franse bestuurder op te stellen, maar zijn speelruimte was beperkt. Napoleon wilde de Nederlandse economie inzetten in zijn strijd tegen Groot-Brittannië. Voor een streek die eeuwenlang had geprofiteerd van vrij verkeer van hout, schepen, kapitaal en handelswaren was dat een fundamenteel probleem.
Hoe bezorgd de Zaanstreek was, blijkt uit een concrete gebeurtenis. Op 14 juli 1806 ontving Lodewijk Napoleon een Zaanse deputatie. Daarbij worden onder anderen Simon Simonides Jongewaard, Dirk Volmer, Jan van Vleuten, Hendrik Christiaan Göbel, Johannis Ebmeyer, Marten Nomen Pz. en Albert Booker genoemd. De bestuurders vroegen de nieuwe koning in wezen om bescherming van de economische fundamenten van hun streek: koophandel, zeevaart, fabrieken en trafieken. Hun aanwezigheid laat zien dat Zaanse bestuurders begrepen dat plaatselijk herstel onmogelijk was zolang internationale handel en scheepvaart door oorlog en Franse politiek werden belemmerd.
Ook het landschap zelf liet zien hoeveel er al verloren was gegaan. In Oostzaandam waren rond 1731 ongeveer zes of zeven traankokerijen aanwezig. In 1806 resteerde daarvan nog één. Voor de gehele Zaanstreek waren rond 1731 zestien traankokerijen, vijf prutkokerijen en acht vleethuizen bekend geweest. Zulke bedrijven verwerkten de producten die na de poolreis aan land kwamen. Hun verdwijnen betekende daarom dat niet alleen minder schepen uitvoeren, maar ook de gespecialiseerde verwerkingswereld achter de walvisvaart wegviel. Iedere verdwenen kokerij betekende minder werk voor arbeiders, kuipers, transporteurs, handelaren en leveranciers.
Ook de algemene handel kromp zichtbaar. Oostzaandam telde in 1731 ongeveer 64 pakhuizen; rond 1806 waren er nog ongeveer 36. Tegelijk bleven langs de Zaan honderden molens en bedrijven functioneren. Houtzagerijen, oliemolens, papiermolens en andere nijverheid waren dus niet verdwenen, maar zij werkten in een steeds moeilijker handelsklimaat. Het probleem lag niet alleen bij oude technieken of verouderde bedrijven. Grondstoffen moesten kunnen worden ingevoerd, schepen moesten vrij kunnen varen en producten moesten buitenlandse kopers bereiken. Precies die internationale verbindingen werden door de Europese oorlog steeds verder afgesneden.
Later in 1806 maakte Napoleon die economische oorlog officieel tot systeem. Met het Continentale Stelsel wilde hij Groot-Brittannië van de Europese markt afsluiten. Voor Nederland betekende dit dat een eeuwenoude handelsstructuur ondergeschikt werd gemaakt aan Franse oorlogspolitiek. Britse goederen werden verboden, controles namen toe en smokkel en omwegen werden aantrekkelijker. Lodewijk Napoleon probeerde de maatregelen niet altijd even streng uit te voeren, juist omdat hij wist hoe afhankelijk Nederland van zeehandel was. Dat bracht hem steeds verder in conflict met zijn broer. Voor Zaandam begon daarmee een nieuwe fase waarin niet alleen de walvisvaart, maar de gehele internationale handelsbasis onder druk kwam te staan.
De toestand van 1806 vormde zo een duidelijke tussenstap naar 1814. De walvisvaart was vrijwel stilgevallen, de laatste traankokerijen verdwenen, pakhuizen namen af en oude maritieme families zochten andere economische mogelijkheden. Toch waren mensen, kennis en infrastructuur niet volledig verdwenen. Dat blijkt juist na de Franse tijd: in 1815 voer het pinkschip Groenland onder commandeur Jacob Claasz. Broertjes opnieuw uit. Hij behoorde tot een wereld waarvan de kennis de crisis had overleefd. Daarom wordt 1814 in dit verhaal geen kunstmatig absoluut einde, maar het politieke breekpunt tussen de oude walvisvaartstructuur en een veel kleinere poging tot herstel daarna.
Deel 4 — 1806–1808 — Blokkade, schaarste en vastlopende handel
Na de invoering van het Continentale Stelsel werd de economische oorlog steeds tastbaarder. Napoleon wilde Groot-Brittannië van de Europese markt afsluiten, terwijl de Britten op hun beurt handel met door Frankrijk beheerste gebieden beperkten. Nederlandse schepen kwamen daardoor tussen twee systemen terecht. Een reis die volgens Franse voorschriften was toegestaan, kon door de Britten worden tegengehouden; handel die voor Groot-Brittannië aanvaardbaar was, kon in Holland verboden zijn. Voor walvisreders, die hun schepen maandenlang naar noordelijke wateren moesten sturen, betekende dit dat een toch al riskante onderneming nauwelijks nog berekenbaar was. De vrijwel stilgevallen noordvaart kreeg nauwelijks gelegenheid zich te herstellen.
In 1807 en 1808 werden de gevolgen ook in Zaandam scherper voelbaar. Hout, hennep, teer en andere grondstoffen waren afhankelijk van buitenlandse aanvoer. Wanneer schepen niet vrij konden varen, stegen transportkosten en ontstond schaarste. Een houtzaagmolen kon technisch volledig bedrijfsklaar zijn, maar zonder voldoende ingevoerd hout weinig produceren. Hetzelfde gold voor scheepswerven zonder nieuwe opdrachten en pakhuizen zonder handel. Juist de Zaanse kracht — een sterk verbonden netwerk van molens, werven, opslagplaatsen en kooplieden — maakte de streek kwetsbaar. Wanneer de internationale verbinding stokte, werkte het probleem onmiddellijk door naar vrijwel iedere schakel van het productieproces.
Koning Lodewijk Napoleon begreep dit probleem beter dan zijn broer. Hij wist dat strikte uitvoering van Napoleons handelsverboden de Nederlandse economie zwaar beschadigde. Daarom werd smokkel en verboden invoer niet altijd even hard bestreden als Parijs verlangde. Voor Zaanse kooplieden betekende iedere opening een mogelijkheid om grondstoffen binnen te krijgen of producten af te zetten. Voor Napoleon Bonaparte was juist deze soepelheid onaanvaardbaar. Nederland moest volgens hem volledig meewerken aan de economische oorlog tegen Groot-Brittannië. Daardoor ontstond een steeds scherper conflict tussen de Franse oorlogspolitiek en een Zaanse handelscultuur die eeuwenlang juist van open verbindingen en tussenhandel had geleefd.
Voor arbeiders was die strijd tussen koningen en keizers vooral zichtbaar in werkdagen en lonen. Wanneer een molen minder draaide, een werf geen schip bouwde of een pakhuis minder goederen ontving, viel onmiddellijk werk weg. Scheepstimmerlieden, kuipers, sjouwers, touwslagers en andere arbeiders beschikten meestal niet over de reserves van grote kooplieden. De gevolgen bereikten daardoor ook armenkassen, diaconieën en andere instellingen die behoeftige gezinnen ondersteunden. Juist wanneer meer mensen hulp nodig hadden, konden de inkomsten van zulke instellingen door de economische crisis dalen. De blokkade trof daarmee niet alleen de internationale koopman, maar liep via bedrijf en loon rechtstreeks door tot het huishouden.
Ook de oude walvisvaartketen werd hierdoor verder ontmanteld. Minder noordvaart betekende minder vraag naar vaten, sloepen, harpoenen, lijnen, proviand en reparaties. De enkele nog aanwezige traankokerijen kregen nauwelijks nieuwe aanvoer. Gereedschappen en bedrijfsruimten konden vervolgens voor andere werkzaamheden worden gebruikt of eenvoudig verdwijnen. Een kuiper kon nog vaten maken voor olie, graan of andere handel, een timmerman kon werk zoeken in binnenvaart of gebouwen en een molenaar kon zich op andere grondstoffen richten. Zo verdwenen de beroepen niet meteen, maar de samenhang die hen eeuwenlang rond de walvisvaart had verbonden viel steeds verder uiteen.
Deel 5 — 1807–1809 — De laatste mensen van een verdwijnende walvisvaart
De walvisvaart verdween niet doordat ineens niemand meer wist hoe een Groenlandvaarder moest worden uitgerust. Juist dat maakt deze jaren belangrijk. Er waren nog mannen die ervaring hadden als commandeur, stuurman, harpoenier of matroos; er bestonden nog scheepswerven, kuiperijen en handelshuizen die de benodigde goederen konden leveren. Wat ontbrak, was een veilige en rendabele mogelijkheid om die kennis te gebruiken. Het voorbeeld van Jacob Claasz. Broertjes, die na de Franse tijd weer als commandeur zou uitvaren, laat zien dat de menselijke kennis de blokkade overleefde. De bedrijfstak zelf was echter vrijwel stilgevallen en bood zulke mannen nauwelijks nog regelmatige vaart.
Voor de gewone bemanning betekende dat een ingrijpende verandering. Veel walvisvaarders kwamen traditioneel niet alleen uit Zaandam, maar ook uit Friesland, Groningen, de Waddeneilanden, Oost-Friesland en andere Noordzeekustgebieden. De Zaanse noordvaart had daardoor een arbeidsmarkt gevormd die veel verder reikte dan de Zaanstreek zelf. Wanneer reders geen schip uitrustten, verdwenen ook deze tijdelijke arbeidsplaatsen. Een matroos kon uitwijken naar koopvaardij, binnenvaart, visserij of werk aan land, maar juist in oorlogstijd stonden ook daar de mogelijkheden onder druk. De neergang van de walvisvaart trof dus een internationaal netwerk van zeelieden en hun gezinnen.
Daarbij verdween een hele wereld van gespecialiseerde voorwerpen uit het dagelijkse gebruik. Een walvisvaarder had harpoenen en lansen nodig, lange lijnen, sloepen, roeiriemen, hakmessen, spekmessen, touwen, takels en grote aantallen houten vaten. Aan boord waren bovendien scheepsgereedschap, kookgerei, kleding, beddengoed en proviand nodig. Zolang tientallen schepen voeren, werden zulke goederen voortdurend vervangen en gerepareerd. Wanneer nog maar weinig of geen schepen vertrokken, droogde ook deze vraag op. Een smid maakte dan geen harpoen meer voor een nieuwe reis; een kuiper leverde zijn tonnen aan andere bedrijfstakken; gespecialiseerde walvisvaartuitrusting werd oud voorraadgoed.
De oude rederswereld veranderde eveneens. Gedurende de achttiende eeuw waren in Zaandam in totaal 156 rederijen betrokken geweest bij ongeveer 2.150 Groenlandreizen, terwijl 53 rederijen samen meer dan 350 reizen naar Straat Davis hadden ondernomen. Zulke aantallen behoorden nu tot een andere tijd. Het kapitaal verdween echter niet noodzakelijk uit Zaandam. Families konden investeren in hout, olie, zaden, molens, pakhuizen of andere handelsactiviteiten. Juist ondernemingen buiten de scheepsbouw konden standhouden of zich verder ontwikkelen. Daardoor moet de neergang van de walvisvaart niet worden verward met een volledig economisch verdwijnen van Zaandam: de oude maritieme kern kromp terwijl andere Zaanse bedrijfstakken verdergingen.
In 1809 kwam oorlog opnieuw dichterbij toen een groot Brits expeditieleger op Walcheren landde. De aanval was gericht tegen de Franse positie rond Antwerpen, maar veroorzaakte ook in Holland nieuwe militaire spanning. Lodewijk Napoleon probeerde vrijwilligers voor de verdediging te krijgen. Ook in de Zaanstreek moesten mannen worden geworven. Zelfs een premie van vijftig gulden boven het gewone landsgeld trok weinig vrijwilligers, waarna wervers manschappen moesten zoeken. Voor een streek die al jarenlang verlies van handel en werk ondervond, betekende nieuwe militaire mobilisatie opnieuw dat arbeidskrachten, geld en zekerheid aan de plaatselijke economie werden onttrokken.
Deel 6 — Zaandam rond 1808–1809 — Werven, molens en pakhuizen zonder oude zeevaart
Wie rond 1808 langs de Zaan voer, zag nog altijd een uitzonderlijk industrieel landschap. Molens draaiden, pakhuizen stonden langs het water en binnenschepen vervoerden goederen tussen bedrijven en Amsterdam. Het beeld was dus niet dat van een verlaten streek. Toch was de oude zeescheepsbouw vrijwel verdwenen. In 1731 waren nog 26 gespecialiseerde scheepswerven geteld; rond 1794 resteerden slechts twee of drie belangrijke werven. Wat daarna aan oorlog, blokkade en handelsbeperking volgde bood nauwelijks gelegenheid tot herstel. Een bedrijfstak die ooit het hart van de Zaanse internationale economie vormde, was teruggebracht tot een fractie van haar vroegere omvang.
Dat verlies werkte veel verder door dan de hellingen zelf. Een grote werf had hout nodig van houtkopers en zaagmolens, ijzerwerk van smeden, masten, blokken, touwwerk, zeilen en honderden kleine benodigdheden. Wanneer er geen nieuwe zeeschepen werden besteld, verloren al deze leveranciers een klant. De Zaandamse economie was juist groot geworden doordat zulke bedrijven onderling verbonden waren. De neergang werkte daarom als een omgekeerde kettingreactie. Een scheepswerf zonder opdracht betekende minder vraag naar gezaagd hout; minder hout betekende minder werk voor molenarbeiders en transporteurs; minder schepen betekenden vervolgens minder tuigage, minder proviand en minder havenarbeid.
De pakhuizen vertelden hetzelfde verhaal. Oostzaandam had in de achttiende eeuw tientallen opslagplaatsen voor hout, zaden, olie, handelswaren en producten uit zeevaart en industrie. Rond 1806 werden er nog ongeveer 36 pakhuizen genoemd. Zij bleven belangrijk, maar hun functie veranderde wanneer buitenlandse handel stagneerde. Een pakhuis zonder aanvoer was kapitaal dat nauwelijks rendeerde. Dezelfde spanning gold voor molens: wind was gratis en de techniek was beschikbaar, maar beide hielpen weinig wanneer grondstoffen niet binnenkwamen of afzetmarkten verdwenen. De crisis van de Franse tijd maakte daardoor zichtbaar hoe afhankelijk de Zaanse windindustrie altijd van internationale handel was geweest.
Tegelijk ontstonden andere economische lijnen. De zaadhandel die Jan Dirksz. Hartog in 1760 was begonnen en waarin later Dirk Laan en Adriaan Wessanen actief werden, laat zien dat Zaanse ondernemers zich niet uitsluitend op scheepsbouw richtten. Handel in mosterd-, kanarie- en andere zaden sloot aan bij molens, opslag en bestaande commerciële netwerken. Zulke bedrijven konden veel langer overleven dan de oude walvisvaart. Ook houtzagerij, olieproductie, papiermakerij en pellerij bleven aanwezig. De toekomst van Zaandam lag daardoor steeds minder uitsluitend in grote zeeschepen en steeds meer in een bredere industriële economie die uit het oude molenlandschap voortkwam.
Zelfs communicatie veranderde mee. In 1808 zijn brievenbestellers bekend voor Oost- en Westzaandam, Koog, Krommenie, Wormer, Jisp en ’t Kalf. In 1809 liep een georganiseerde postverbinding vanuit Amsterdam via Haarlem, Leiden, Den Haag, Delft, Rotterdam en Dordrecht naar Breda. Voor Zaanse kooplieden betekende dit dat berichten en orders sneller konden bewegen, juist in een periode waarin goederen zelf door blokkades moeilijker reisden. De oude economie van schip en pakhuis werd daarmee langzaam aangevuld door een steeds strakker georganiseerde infrastructuur van post, bestuur en administratie.
Deel 7 — 1808–1810 — Gezinnen, arbeiders en het verdwijnen van een jaarlijks ritme
De vrijwel stilgevallen walvisvaart veranderde ook het leven binnenshuis. Een reis naar Groenland of Straat Davis had generaties lang een vast ritme gegeven aan het jaar: monsteren, uitrusten, afscheid nemen, maanden wachten en vervolgens uitzien naar de terugkeer van het schip. Het loon en eventuele aandelen in de vangst kwamen daarna in het huishouden terecht. Wanneer geen schip werd uitgerust, verdween niet alleen het gevaar van een lange poolreis, maar ook een belangrijke inkomstenbron. Vrouwen van zeelieden moesten met minder geld rondkomen, terwijl volwassen zoons ander werk zochten bij molens, binnenvaart, visserij, pakhuizen of de overgebleven scheepswerven.
Ook voor scheepsjongens veranderden de mogelijkheden. De noordvaart had jonge mannen een ingang tot het zeevarende bestaan geboden. Aan boord leerden zij wachtlopen, roeien, touwwerk behandelen, zeilen bedienen en het zware werk rond sloepen en vangst. Wie ervaring opdeed kon later matroos, harpoenier, stuurman of uiteindelijk commandeur worden. Met het verdwijnen van de uitvaarten viel een belangrijk deel van deze praktische opleiding weg. De kennis bleef nog aanwezig bij oudere walvisvaarders. Dat Jacob Claasz. Broertjes na de Franse tijd opnieuw als commandeur kon uitvaren, bewijst dat deze menselijke vakkennis de lange stilstand niet onmiddellijk had vernietigd.
Voor kuipers, smeden en timmerlieden lag het anders. Hun vaardigheden bleven bruikbaar buiten de walvisvaart. Een kuiper kon vaten leveren voor olie, zaden, drank of andere goederen; een smid vervaardigde gereedschap voor molens en werkplaatsen; een scheepstimmerman kon aan binnenvaartschepen of gebouwen werken. Toch verdween gespecialiseerde kennis wanneer bepaalde opdrachten jarenlang uitbleven. Walvissloepen, harpoenen, lansen, spekmessen, lijnen en bijzondere takels behoorden tot een technische wereld die alleen bleef bestaan zolang mensen ze vervaardigden, repareerden en gebruikten. Oude voorraden konden worden verkocht, omgesmeed, hergebruikt of achterin een werkplaats blijven liggen.
Herbergen, winkeliers en kleine leveranciers merkten eveneens dat de bemanningen verdwenen. Tijdens de bloeitijd brachten zeelieden geld in omloop wanneer zij vóór vertrek voorschotten ontvingen en na terugkeer hun loon besteedden. Kleding en schoenen moesten worden hersteld of vervangen, tabak en drank werden gekocht en gezinnen konden na een geslaagde reis achterstallige aankopen doen. De walvisvaart bracht daardoor ook geld naar bedrijven die zelf niets met een walvis te maken hadden. Wanneer honderden zeevarende klanten wegvielen, voelde een economische neergang die op de poolzee begon uiteindelijk door tot winkels, herbergen en huishoudens aan de Zaan.
De armste gezinnen waren steeds sterker aangewezen op kerkelijke en burgerlijke ondersteuning. Juist in de Franse jaren nam de behoefte daaraan toe. Handel verminderde, arbeidsplaatsen verdwenen en levensmiddelen konden duur worden, terwijl instellingen voor armenzorg zelf minder middelen ontvingen. Na de annexatie werd de toestand nog moeilijker. Zaanse bronnen beschrijven groeiende armoede, toenemende bedelarij en een steeds zwaardere belasting van de bedeling. De crisis van de walvisvaart stond daarmee niet op zichzelf. Zij werd onderdeel van een veel bredere economische neergang waarin zeevaart, scheepsbouw, internationale handel en werkgelegenheid tegelijkertijd onder druk kwamen te staan.
Deel 8 — 1810–1811 — Franse annexatie en het ontstaan van één Zaandam
In 1810 liep het conflict tussen Lodewijk Napoleon en zijn broer Napoleon Bonaparte ten einde. De koning van Holland had geprobeerd rekening te houden met Nederlandse handelsbelangen en het Continentale Stelsel minder hard toe te passen dan Parijs verlangde. Voor Napoleon was dat onaanvaardbaar. Lodewijk deed op 1 juli 1810 afstand van de troon en verliet Nederland. Op 3 juli trok maarschalk Nicolas Oudinot met Franse troepen Holland binnen; een dag later maakte hij zijn intocht in Amsterdam. Kort daarop werd het Koninkrijk Holland rechtstreeks bij het Franse Keizerrijk ingelijfd. De laatste schijn van Nederlandse zelfstandigheid verdween.
Voor Zaandam werd die machtswisseling al snel zichtbaar op de kaden. Op 9 augustus 1810 arriveerden de eerste Franse douaniers. Zij moesten erop toezien dat de handelsverboden van het Continentale Stelsel werkelijk werden nageleefd. Schepen, goederen, opslagplaatsen en handelsbewegingen konden voortaan veel strenger worden gecontroleerd. Voor een plaats waarvan de economie eeuwenlang afhankelijk was geweest van hout, zaden, olie, scheepvaart en ingevoerde grondstoffen was hun aanwezigheid veelzeggend. De economische oorlog tussen Frankrijk en Groot-Brittannië stond niet langer alleen in regeringsbesluiten; zij kreeg in Zaandam letterlijk een gezicht in de vorm van Franse douanebeambten aan het water.
De Franse staat drong ook verder door in het leven van jonge mannen. Volgens de bewaard gebleven Zaandamse conscriptielijsten werden omstreeks 1810 ongeveer vijftig mannen ingelijfd. In 1811 volgde opnieuw een groep van ongeveer vijftig. De Franse dienstplicht betekende dat gezinnen zonen konden verliezen aan legers die honderden of duizenden kilometers van huis vochten. Jongens die in een eerdere generatie misschien als scheepsjongen naar Groenland waren gegaan, konden nu in uniform naar Frankrijk of Duitsland vertrekken. De zee was niet langer de belangrijkste macht die jonge Zaanse mannen langdurig van huis kon voeren; de Napoleontische staat had die rol gedeeltelijk overgenomen.
De bestuurlijke verandering was even ingrijpend. Op 21 oktober 1811 werden Oostzaandam en Westzaandam bij keizerlijk decreet samengevoegd tot één gemeente: Zaandam. Daarmee eindigde juridisch een bestuurlijke scheiding die eeuwenlang had bestaan. Westzaandam telde toen ongeveer 4.668 inwoners, Oostzaandam ongeveer 4.306. Samen ontstond een stad van ongeveer 8.974 inwoners. De samenvoeging was geen plaatselijke overwinning waarvoor generaties Zaandammers hadden gestreden; zij was een gevolg van de Franse centralisatie. Toch schiep Napoleon hiermee de bestuurlijke eenheid waarin de verdere negentiende-eeuwse geschiedenis van Zaandam zou verlopen.
In hetzelfde Franse systeem werd ook de burgerlijke stand systematisch ingevoerd. Geboorten, huwelijken en overlijdens werden voortaan door de overheid geregistreerd. Familienamen, leeftijden, beroepen en woonplaatsen kwamen nauwkeuriger in administraties terecht. Voor inwoners betekende dit opnieuw dat de overheid verder het persoonlijke leven binnendrong; voor het huidige onderzoek leveren juist deze registers een steeds scherper beeld van bevolking en beroepen. De tellingen laten bovendien zien dat technische kennis niet verdwenen was. In 1811 werden in de Zaanstreek vijftig volwassen metaalbewerkers geregistreerd, van wie 27 in Zaandam. De vakmensen waren er nog, ook al was hun oude maritieme afzetmarkt gekrompen.
Voor de walvisvaart betekende deze nieuwe gemeente weinig herstel. Een noordvaart vereiste vrijheid van scheepvaart, krediet, verzekeringen, bemanning, toegang tot buitenlandse markten en de mogelijkheid een schip veilig terug te brengen. Vrijwel al die voorwaarden waren ernstig aangetast. Werven konden andere opdrachten aannemen, kuipers andere vaten maken en pakhuizen andere goederen bergen. Daardoor verdwenen gebouwen en beroepen niet noodzakelijk, maar veranderde hun functie. Juist zo viel de oude walvisvaartstructuur uiteen: niet in één grote ramp, maar doordat steeds meer mensen, materialen en bedrijfsterreinen buiten de noordvaart een nieuwe bestemming moesten zoeken.
Deel 9 — 1811–1812 — Conscriptie, Rusland en economische verstikking
Onder rechtstreeks Frans bestuur werd het Continentale Stelsel harder toegepast. Napoleon wilde Groot-Brittannië volledig van het Europese vasteland uitsluiten, terwijl de Britse vloot op haar beurt de zeehandel van het Franse rijk onder druk hield. Nederlandse kooplieden zaten daardoor opgesloten tussen twee machten. Voor Zaandam was dat bijzonder zwaar. Hout, hennep, teer, zaden en andere grondstoffen kwamen van buiten de streek en moesten over zee of via grote handelsroutes worden aangevoerd. Een molen kon technisch in uitstekende staat zijn, maar zonder grondstoffen stond hij stil. Een pakhuis zonder aanvoer en een werf zonder opdrachten leverden nauwelijks inkomsten op.
Daarom ontstond een schemergebied van smokkel, omwegen en verborgen handel. Langs de Nederlandse kust probeerden handelaren verboden goederen toch binnen te brengen. Dat betekende niet dat iedere Zaanse koopman smokkelde, maar vrijwel iedereen kreeg te maken met de gevolgen: hogere prijzen, onregelmatige bevoorrading en onzekerheid over wat morgen nog verkrijgbaar was. Franse douaniers controleerden de handel, terwijl Britse kruisers buitengaats de scheepvaart bedreigden. Het handelsnetwerk waarin Zaandam vanaf de zeventiende eeuw groot was geworden — met Amsterdam als internationale markt en de Zaan als productiegebied — werkte daardoor nu in omgekeerde richting. De zwakte van Amsterdam trok ook de Zaanse economie mee omlaag.
De conscriptie maakte de crisis persoonlijker. Na ongeveer vijftig Zaandamse dienstplichtigen in 1810 en opnieuw ongeveer vijftig in 1811 liep het aantal in 1812 op tot circa 108 mannen. Voor een stad van nog geen negenduizend inwoners was dat een ingrijpende aanslag op een jonge generatie. Het waren potentiële molenknechten, timmerlieden, schippers, ambachtslieden, winkeliers en vaders van gezinnen. Waar de oude walvisvaart mannen vrijwillig of uit economische nood naar het hoge noorden had gevoerd, dwong de Franse staat hen nu tot militaire dienst. Het verschil tussen economische mobiliteit en staatsdwang werd voor Zaanse gezinnen uiterst tastbaar.
In 1812 marcheerde Napoleons Grande Armée Rusland binnen. Ook Nederlandse dienstplichtigen dienden in het Franse militaire apparaat. De veldtocht eindigde in een catastrofe. Honderdduizenden mannen gingen verloren door strijd, ziekte, honger en kou tijdens de terugtocht. Voor de Zaanstreek had Rusland een wrange historische betekenis. Een eeuw eerder waren Zaankanters vrijwillig naar Rusland gegaan om kennis van scheepsbouw en andere technieken te verkopen. Nu bereikten Nederlandse mannen hetzelfde rijk als soldaten van Napoleon. De verbinding tussen Zaandam en Rusland, die in de tijd van Peter de Grote met scheepsbouw en kennisoverdracht was verbonden, kreeg daarmee een totaal ander karakter.
De winterse verschrikkingen van Rusland moeten voor oude walvisvaarders bovendien herkenbare elementen hebben gehad: extreme kou, bevriezing, gebrek aan voedsel en lange afstanden door een vijandig landschap. Maar de vergelijking heeft grenzen. Een walvisvaarder voer met een beroepsbemanning die zich op poolomstandigheden voorbereidde; een dienstplichtige soldaat werd onderdeel van een leger waarvan de bevoorrading instortte. Voor gezinnen thuis maakte dat onderscheid weinig verschil wanneer brieven uitbleven. De onzekerheid die ooit hoorde bij een schip dat maandenlang in Groenlandse wateren verbleef, keerde nu terug rond zoons wier regimenten ergens in Oost-Europa waren verdwenen.
De economische verstikking ging ondertussen door. Traan en balein, ooit vertrouwde producten binnen de Nederlandse handelswereld, kwamen nauwelijks nog via een eigen nationale walvisvaart binnen. De laatste resten van gespecialiseerde uitrusting verloren hun functie. Een harpoen kon worden opgeborgen, ijzer kon worden omgesmeed en een walvissloep kon voor ander vervoer worden gebruikt. De oude jaarlijkse stroom van schepen, mensen, vaten en vangstproducten was verdwenen. Wat overeind bleef waren herinneringen, vakkennis en enkele mannen die nog wisten hoe zo'n reis georganiseerd moest worden — onder hen Jacob Claasz. Broertjes, wiens naam na de Franse tijd opnieuw zou verschijnen.
De Russische ramp verzwakte Napoleons gezag en versterkte in Nederland de haat tegen de conscriptie. Toch eiste het Franse bestuur alweer nieuwe manschappen. In 1813 zouden volgens de Zaandamse lijsten nog ongeveer 106 mannen worden opgeroepen. Op 18 en 19 april verschenen bovendien bevelen voor een buitengewone inschrijving voor de Nationale Garde. Zelfs gehuwde mannen tussen twintig en veertig jaar konden worden aangesproken, terwijl zonen van vermogende families voor een erewacht in aanmerking kwamen. Na jaren van blokkade, armoede, dienstplicht en berichten over Rusland kwam de spanning in Zaandam daarmee dicht bij het breekpunt.
In de nacht van 20 op 21 april 1813 verschenen biljetten waarin mannen werden aangespoord zich niet voor de nieuwe dienst te laten inschrijven. De volgende ochtend kwam commissaris Quack, vergezeld door twee dienaren, naar de Oostzijderkerk om de registratie uit te voeren. Daar verzamelden zich inwoners die niet langer bereid waren zich zonder verzet aan de Franse eisen te onderwerpen. De economische crisis die met blokkade en stilgevallen zeevaart was begonnen, kreeg daarmee een openlijk politieke en sociale uitbarsting.
Deel 10 — 1813 — Opstand, executies en de diepste crisis
De nieuwe Franse oproepen van april 1813 brachten de jarenlang opgebouwde spanning tot ontploffing. Op 18 en 19 april werden bevelschriften aangeplakt voor inschrijving bij de Nationale Garde. Ook gehuwde mannen tussen twintig en veertig jaar konden worden opgeroepen. In de nacht van 20 op 21 april verschenen biljetten die inwoners aanspoorden zich niet te laten registreren. Toen commissaris van politie J. de Quack op 21 april bij de Oostzijderkerk verscheen, bleek het sleutelgat met stopverf dichtgesmeerd. Mensen stroomden toe en de kerkklok werd geluid. Maire Hendrik Christiaan Göbel en Quack verloren de controle over de situatie.
Jacob Rek, werkzaam bij de Rotterdamse veerverbinding, groeide uit tot een van de leiders. De inschrijvingspapieren werden opgeëist en groepen opstandelingen trokken verder naar Koog, Zaandijk en Wormerveer. Ook daar werden lijsten meegenomen. In Zaandijk maakten de opstandelingen zich volgens de Zaanse reconstructie meester van ongeveer honderd geweren. Gendarmen en douaniers werden ontwapend en wachten verschenen op wegen en vaarverbindingen. Zelfs een vaartuig met zes gendarmen werd onderschept. Een Franse kanonneerboot verscheen op de Zaan, maar hield aanvankelijk afstand. Voor enkele uren leek het Franse gezag langs een aanzienlijk deel van de Zaan vrijwel verdwenen.
De beweging was echter niet sterk genoeg om alleen stand te houden. De opstandelingen hoopten dat Amsterdam en andere plaatsen zich zouden aansluiten, maar een algemene opstand bleef uit. Op 22 april kwamen vertegenwoordigers op de Dam bijeen. Toen verzoening mogelijk leek, werden wapens en inschrijvingslijsten gedeeltelijk ingeleverd. De Franse regering beschouwde de gebeurtenissen desondanks als ernstig oproer. Generaal Gabriel Molitor stuurde een grote troepenmacht naar de Zaan. Op 25 april werden volgens de uitvoerige Zaanse reconstructie ongeveer 1.500 Franse militairen in Zaandam ontscheept, een buitengewone machtsconcentratie tegenover een stad van minder dan negenduizend inwoners.
De repressie volgde onmiddellijk. Zeven mannen kwamen voor een militaire commissie: Jacob Rek, Jan Eydenberg, Willem Kruyshaar, Cornelis Wynstra, Barend Segglis, Theodorus de Vries en Barend Jansz. Smit. De verdediging werd gevoerd door mr. Jacob Cornelisz. Honig. Smit werd vrijgesproken. De overige zes kregen op 26 april 1813 de doodstraf en verbeurdverklaring van hun bezittingen opgelegd. Nog diezelfde middag, omstreeks vier uur, werden Rek, Eydenberg, Kruyshaar, Wynstra, Segglis en De Vries bij de Tweede Burcht voor het vuurpeloton gebracht. Tussen vonnis en executie lagen slechts enkele uren.
Voor de gezinnen van de zes betekende de straf niet alleen verlies van echtgenoot, vader of zoon. Door de verbeurdverklaring van goederen kon ook hun materiële bestaan worden geraakt. Na het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid kregen de weduwen een uitkering, maar dat kon de gebeurtenissen van april niet ongedaan maken. De plaats waar eeuwenlang scheepsbouwers, kooplieden, schippers en arbeiders over de Dam en Burcht waren gegaan, was nu het toneel geworden van militaire executies. De crisis van de Franse tijd was daarmee niet langer alleen zichtbaar in lege werven, werkloosheid en stilgevallen handel, maar letterlijk in zes Zaanse doden.
Voor de oude walvisvaartwereld lag hierin een schrijnende tegenstelling. Gedurende twee eeuwen waren Zaanse gezinnen eraan gewend geweest dat mannen vrijwillig of uit economische nood maandenlang naar Groenland en Straat Davis vertrokken. Nu verdwenen jonge mannen door staatsdwang naar Napoleons legers. De walvisvaart had gevaar gebracht door storm, ijs, ziekte en schipbreuk, maar zij bracht bij succesvolle terugkeer ook loon en handelswaar. De conscriptie onttrok mannen aan een economie die al nauwelijks werk kon bieden en bracht vrijwel niets terug. Scheepsbouw, zeehandel en walvisvaart konden zo steeds minder als opvang dienen voor de generatie die in 1813 volwassen werd.
Na de executies keerde de stilte terug, maar niet de oude rust. De Franse bezetting bleef, de oorlog ging door en ook in 1813 werden ongeveer 106 Zaandamse mannen voor militaire verplichtingen geregistreerd. Tegelijk bereikten steeds meer berichten de stad dat Napoleons legers in Duitsland terrein verloren. De nederlaag bij Leipzig in oktober maakte duidelijk dat het keizerrijk militair wankelde. Toch behandelde de Zaandamse gemeenteraad op 21 oktober 1813 nog een officiële dankbetuiging aan keizerin Marie-Louise. Op papier functioneerde het Franse bestuur nog; nauwelijks vier weken later zou vrijwel dezelfde bestuurlijke wereld uiteenvallen.
Deel 11 — November 1813–1814 — Het Franse gezag verdwijnt
Op 15 november 1813 brak in Amsterdam openlijk verzet tegen het Franse bestuur uit. Een dag later verschenen in Zaandam vluchtende Franse douaniers die via de route uit Alkmaar waren gekomen. Dezelfde functionarissen die sinds 1810 schepen, goederen en handel hadden gecontroleerd, moesten nu zelf bescherming zoeken. Rond hun vertrek ontstond onrust en dreigde plundering. Het plaatselijke bestuur probeerde te voorkomen dat politieke omwenteling zou ontaarden in persoonlijke wraak. Op 17 november verschenen Nederlandse vlaggen in Zaandam. Het Franse gezag, dat in april nog vijftienhonderd militairen naar de stad had kunnen sturen, verdampte nu binnen enkele dagen.
De omslag werd gevierd met de oude leus “Oranje boven”, maar bestuurders hielden de herbergen scherp in het oog. De mensen die tijdens het Franse bewind als ambtenaar, douanier of bestuurder hadden gewerkt, woonden immers nog tussen dezelfde bevolking. Zaandam had sinds 1795 verschillende politieke omwentelingen meegemaakt en kende het gevaar van afrekeningen. De bevrijding veranderde bovendien niet onmiddellijk de economische werkelijkheid. Een Nederlandse vlag bracht geen verdwenen schepen terug, opende niet automatisch alle handelsroutes en herstelde geen walvisvaartvloot die al vóór Napoleon sterk was gekrompen. De politieke omwenteling ging daarom veel sneller dan het economisch herstel.
Op 30 november 1813 landde Willem Frederik, zoon van de laatste stadhouder Willem V, bij Scheveningen. Kort daarop aanvaardde hij de positie van Soeverein Vorst. Ook Zaandam nam deel aan de nieuwe nationale mobilisatie. Voor bewapening en verdediging werd ƒ15.609-13-6 ingezameld en vertegenwoordigers van de stad gingen de nieuwe vorst begroeten. Daarmee verdwenen militaire verplichtingen niet onmiddellijk. Frankrijk was nog niet definitief verslagen en op 23 december werd opnieuw een volksbewapening georganiseerd. Mannen tussen zeventien en vijftig jaar konden worden opgeroepen, enkele maanden nadat Zaandammers juist tegen Franse militaire opeisingen in opstand waren gekomen.
Het verschil lag voor tijdgenoten in het doel waarvoor zij werden opgeroepen. De Franse conscriptie had mannen nodig gehad voor Napoleons oorlogen van Spanje tot Rusland; de nieuwe bewapening werd voorgesteld als verdediging van het herstelde vaderland. Voor een huishouden bleef de praktische werkelijkheid echter dezelfde: een zoon, echtgenoot of werknemer die vertrok, kon niet tegelijk loon verdienen in een molen, pakhuis, werkplaats of schip. Zaandam kwam daarom uit de Franse tijd met een dubbel probleem. De politieke zelfstandigheid was herwonnen, maar de stad beschikte over minder inwoners, een verzwakte handel en een sterk geslonken maritieme bedrijfstak. De oude walvisvaart kon onder zulke omstandigheden niet eenvoudig opnieuw worden aangezet.
In 1814 kreeg de nieuwe Nederlandse staat onder Willem Frederik een grondwet. Zaandam bleef daarbij bestaan als één gemeente. Oost- en Westzaandam werden na het vertrek van de Fransen niet opnieuw bestuurlijk gescheiden. Een hervorming die Napoleon in 1811 uit centralistische overwegingen had opgelegd, overleefde dus het Franse Keizerrijk. Op 26 augustus 1814 kreeg Zaandam één vertegenwoordiger in de Staten van Holland. Daarbij werd een bevolking van ongeveer 8.376 inwoners vermeld, aanzienlijk minder dan de ongeveer 8.974 die bij de samenvoeging in 1811 waren opgegeven. Oorlog, economische crisis en demografische veranderingen hadden duidelijke sporen achtergelaten.
Ook de gezinnen van Jacob Rek, Jan Eydenberg, Willem Kruyshaar, Cornelis Wynstra, Barend Segglis en Theodorus de Vries leefden in deze nieuwe staat verder. Hun weduwen kregen na het herstel van de onafhankelijkheid financiële ondersteuning. Daarmee erkende het nieuwe bestuur indirect dat de zes mannen slachtoffers waren geworden van het verdwenen Franse regime. Hun geschiedenis verbindt de grote Europese omwenteling met het dagelijks leven in één kleine industriestad. Slechts zeven maanden lagen tussen hun executie en het verdwijnen van het Franse gezag. Voor hun nabestaanden kwam die ommekeer te laat, terwijl andere Zaandammers begonnen uit te zoeken hoe zij hun bedrijf, handel of huishouden na jaren oorlog weer konden opbouwen.
Voor de maritieme bedrijven bestond geen eenvoudige terugweg. De traditionele Zaanse zeescheepsbouw was al vóór de Franse tijd sterk afgenomen: rond 1794 waren nog slechts twee of drie belangrijke scheepsbouwers over. De oorlog had vervolgens krediet, toevoer van grondstoffen en internationale handelsverbindingen verder aangetast. Britse scheepsbouw en handel waren sterker geworden, buitenlandse walvisvaartvloten hadden markten overgenomen en Nederlandse reders beschikten niet meer over de vloot en infrastructuur van de achttiende eeuw. De vrede maakte de zee weer toegankelijk, maar zij maakte Zaandam niet opnieuw tot de scheepsbouw- en walvisvaartplaats van 1700.
Deel 12 — 1814 — Het einde van de oude walvisvaartstructuur
Daarom vormt 1814 een logisch eindpunt voor de oude Zaanse walvisvaart, ook al werd na dat jaar opnieuw geprobeerd Nederlandse schepen naar het hoge noorden te sturen. Wat verdwenen was, was vooral de samenhang van het oude systeem. In de zeventiende en achttiende eeuw hadden reders, scheepsbouwers, commandeurs, kuipers, touwslagers, smeden, zeilmakers, traankokers, pakhuishouders en honderden bemanningsleden gezamenlijk een bedrijfsketen gevormd. Rond 1814 bestonden verschillende van deze beroepen nog, maar nauwelijks meer als onderdelen van één omvangrijke Zaanse walvisvaart. Mensen en bedrijven hadden andere klanten, producten en inkomstenbronnen moeten zoeken.
De cijfers maken die breuk zichtbaar. In 1677 hadden alleen al 24 Zaandamse Groenlandrederijen 38 schepen uitgezonden. Over de achttiende eeuw waren ongeveer 156 Zaandamse rederijen betrokken geweest bij circa 2.150 Groenlandreizen, terwijl 53 rederijen samen meer dan 350 reizen naar Straat Davis organiseerden. Rond 1803 voeren vanuit heel Nederland nog slechts tien walvisvaarders uit, waarvan vier door de Britten werden buitgemaakt. Daarna kwam de Nederlandse noordvaart tijdens de Franse overheersing vrijwel tot stilstand. Tussen deze cijfers ligt de overgang van een massale bedrijfstak naar enkele overlevende mensen met kennis van een verdwijnend beroep.
Ook aan land was de verandering onmiskenbaar. Oostzaandam had in de achttiende eeuw meerdere traankokerijen gehad; in 1806 resteerde er nog één. Scheepswerven waren grotendeels verdwenen en pakhuizen kregen andere functies of andere goederen. Een vat hoefde voortaan geen walvisspek of traan te bevatten, een smid hoefde geen harpoen te smeden en een timmerman hoefde geen versterkte Groenlandvaarder te repareren. De economische onderdelen bleven soms bestaan, maar hun onderlinge verbinding veranderde. Juist daardoor was de neergang minder spectaculair dan een scheepsramp: hetzelfde erf, dezelfde molen en dezelfde werkplaats konden blijven staan terwijl de walvisvaart ertussenuit verdween.
Voor de bemanningen was het verlies minstens zo groot. De Zaanse walvisvaart had eeuwenlang arbeid aangetrokken uit Zaandam zelf, Friesland, Groningen, de Waddeneilanden, Oost-Friesland, Denemarken en andere Noordzeekustgebieden. Een commandeur organiseerde niet alleen een schip; onder hem voer een hele hiërarchie van stuurmannen, harpoeniers, bootsgezellen, roeiers, jongens, timmerlieden en koks. Wanneer de vloot verdween, viel ook deze arbeidsmarkt uiteen. Sommigen konden overstappen naar koopvaardij, visserij of binnenvaart, anderen zochten werk aan land. Daarmee verdween een netwerk van arbeidsmigratie dat de Zaan generaties lang met kustgemeenschappen rond de Noordzee had verbonden.
Toch was niet alle kennis verdwenen. Oudere zeelieden herinnerden zich routes, ijscondities, vangstmethoden en de organisatie van een noordvaart. Ambachtslieden wisten hoe sloepen, vaten, tuigage en ijzerwerk moesten worden gemaakt. Jacob Claasz. Broertjes vormt daarvan het duidelijkste voorbeeld. Toen na de Franse tijd opnieuw ruimte ontstond voor Nederlandse walvisvaart, kon hij als ervaren commandeur worden ingezet. In 1815 zou hij met het pinkschip Groenland opnieuw naar het noorden vertrekken. Zijn reis toont juist waarom 1814 niet als het jaar van de laatste Nederlandse walvis moet worden gelezen: het was het einde van de oude structuur, niet van iedere poging daarna.
Ook de Nederlandse regering zag na 1814 nog economische en nationale waarde in herstel van de walvisvaart. Onder Willem Frederik, de latere koning Willem I, werd geprobeerd scheepvaart en handel opnieuw op te bouwen. Maar nieuw overheidsbeleid begon vanuit een geheel andere uitgangspositie dan de vrije Zaanse expansie van de zeventiende eeuw. De vroegere honderden reizen, vele particuliere rederijen en dicht vertakte plaatselijke industrie waren verdwenen. Een nieuw uitgerust schip kon wel gebruikmaken van overgebleven kennis, maar het voer niet meer vanuit dezelfde economische wereld die ooit tientallen Zaanse ondernemingen tegelijk had gedragen.
Zaandam zelf bleef intussen veranderen. De stad bezat in 1814 nog een uitzonderlijke verzameling molens, houtbedrijven, pakhuizen, ambachtslieden en handelskennis. De maritieme bloeitijd was voorbij, maar de technische en commerciële ervaring die zij had voortgebracht verdween niet. Houtzagerij, olieproductie, zaadhandel, verwerking en andere vormen van nijverheid konden voortbouwen op bestaande infrastructuur en kapitaal. De stad die in 1811 door Napoleon bestuurlijk was samengevoegd bleef na zijn val bestaan. Op 26 augustus 1814 vertegenwoordigde één Zaandam met ongeveer 8.376 inwoners voortaan beide oude dorpshelften in de nieuwe Nederlandse staat.
Zo lag langs de Zaan in 1814 nog overal de materiële erfenis van twee eeuwen noordvaart. Oude werfterreinen lagen aan hetzelfde water waar Groenlandvaarders waren gebouwd; pakhuizen herinnerden aan goederenstromen die niet meer terugkeerden; kuipers, timmerlieden en smeden beoefenden beroepen die ooit rechtstreeks met de walvisvaart verbonden waren geweest. De namen van families als Ouwejan, Rogge, Sluyck, Cardinaal, Breeuwer, Middelhoven en anderen hoorden inmiddels grotendeels bij een vroegere maritieme wereld. De gebouwen, vakkennis en het kapitaal kregen nieuwe bestemmingen, terwijl de grote jaarlijkse beweging van schepen naar Groenland en Straat Davis uit het Zaanse landschap verdween.
Deel 13 — 1798–1803 — De laatste commandeurs, schepen en bemanningen van de oude vloot
1798 — Een bijna volledige walvisvloot wordt buitgemaakt
In 1798 kreeg de Nederlandse walvisvaart een slag waarvan zij nauwelijks meer zou herstellen. De Bataafse Republiek verkeerde in oorlog met Groot-Brittannië en Nederlandse schepen werden doelwit van Britse oorlogsschepen en kapers. Van de 31 uitgerede Nederlandse walvisvaarders vielen er 29 in Britse handen. Alleen al uit Den Helder en Huisduinen waren negentien commandeurs bij deze ongeluksvloot betrokken. Schepen, sloepen, tuigage, vangstgereedschap en verwachte opbrengsten gingen verloren. Voor rederijen die al met dalende vangsten en hoge kosten kampten, betekende dit een kapitaalvernietiging die veel verder ging dan één mislukt seizoen.
Ongeveer tweehonderd mannen uit Den Helder en Huisduinen gevangen
Voor Den Helder en Huisduinen was de menselijke schade uitzonderlijk zwaar. Uit onderzoek naar de samenstelling van de bemanningen is geschat dat, commandeurs meegerekend, ongeveer tweehonderd mannelijke inwoners van beide Marsdiepdorpen in Britse gevangenschap raakten. Gemiddeld voeren acht à negen plaatselijke bemanningsleden onder een eigen commandeur en daarnaast mannen bij bevelhebbers van elders. Daardoor trof de buitmaking een groot deel van de gezinnen tegelijk. Kostwinners keerden niet terug met loon en vangstgeld, terwijl vrouwen en kinderen niet wisten wanneer de gevangenen zouden worden vrijgelaten. In veel huishoudens leidde dat tot ernstige armoede.
De commandeurs die in Britse havens belandden
De gebeurtenissen van 1798 zijn door de bewaard gebleven bronnen opvallend concreet te volgen. Cornelis Jansz. Klorn, Pieter Jansz. Klorn en Jan Mol werden onderschept door de Britse oorlogsschepen Circe en Astrea en naar de Orkney-eilanden gebracht. Meyndert Meeuw werd door het fregat Lutine aangehouden en op 15 augustus 1798 in Yarmouth binnengebracht. Later kwamen daar onder anderen Klaas Hendriksz. Broertjes, Jacob Claasz. Broertjes, Cornelis Lourensz. Strop, Jan Hillebrandsz., Pieter Jacobsz. Koning, Cornelis Jacobsz. Ruyg en Jan Cornelisz. Bras bij. Vrijwel een complete generatie ervaren walvisvaarders werd zo tijdelijk uitgeschakeld.
De Lutine vóór haar beroemde ondergang
Bijzonder is de rol van de Britse Lutine. In 1798 bracht dit fregat commandeur Meyndert Meeuw met zijn walvisvaarder naar Yarmouth. Een jaar later zou hetzelfde schip bij Terschelling vergaan met de later beroemd geworden goudlading aan boord. Daarmee raken twee heel verschillende hoofdstukken van de Nederlandse maritieme geschiedenis elkaar. Voor de walvisvaarders uit Den Helder en Huisduinen was de Lutine in 1798 echter geen schip uit een latere schatlegende, maar een vijandelijk oorlogsschip dat een commandeur, zijn bemanning en het bedrijfskapitaal van een reder uit de Nederlandse noordvaart verwijderde.
Krijgsgevangenschap trof hele huishoudens
Buitmaking betekende voor bemanningen niet alleen het verlies van schip en vangst. Mannen konden naar Britse havens worden gebracht en daar als krijgsgevangenen worden vastgehouden. Hoe lang iemand wegbleef verschilde per geval, en van gewone matrozen is het verdere lot lang niet altijd te volgen. Voor gezinnen thuis bleef onzeker of en wanneer echtgenoot, vader of zoon terugkeerde. Het oude gevaar van storm, ijs en walvisjacht werd zo aangevuld met oorlog en gevangenschap. Voor plaatsen die tientallen mannen tegelijk aan de walvisvaart leverden, kon één slecht seizoen daardoor een brede sociale crisis veroorzaken.
Van commandeur naar boer en landeigenaar
Niet iedere commandeur bleef afhankelijk van een volgende walvisreis. Sommige succesvolle bevelhebbers hadden in eerdere jaren voldoende kapitaal opgebouwd om na hun zeeloopbaan land, boerderijen of handelsactiviteiten te verwerven. Cornelis Reyersz. Ruygh ging na zijn commandeurstijd als boer verder. Zulke loopbanen laten zien dat geld uit de walvisvaart naar andere sectoren vloeide. Toen de bedrijfstak kromp, verdwenen haar winsten dus niet altijd uit Noord-Holland. Zij konden worden omgezet in grondbezit, landbouw, handel of andere vormen van vermogen. Daarmee veranderde ook de sociale positie van voormalige commandeurs die niet langer naar Groenland voeren.
Jochem Gerritsz. Blaauboer — een uitzonderlijk vermogen
Jochem Gerritsz. Blaauboer uit St. Maartensbrug laat zien hoe groot het verschil kon zijn tussen gewone bemanningsleden en succesvolle bevelhebbers. Hij combineerde zijn vroegere maritieme ervaring met handel en grondbezit en bouwde een vermogen op van meer dan ƒ394.000. Dat was een uitzonderlijk bedrag in een tijd waarin gewone zeelieden afhankelijk bleven van seizoenloon en nevenarbeid. Een commandeur kon door partgeld, eigen investeringen en handelscontacten een veel hogere sociaal-economische positie bereiken. Toen de walvisvaart terugliep, kon zo iemand zijn vermogen buiten de noordvaart bewaren en verder laten groeien.
Jan Simonsz. Walig — van commandeur naar maire
Ook Jan Simonsz. Walig vertegenwoordigt de overgang naar een andere wereld. Na zijn laatste poolreis in 1797 vestigde hij zich in Schagen. Tijdens de Franse tijd werd hij daar maire. Een man die jarenlang bemanningen in het poolgebied had geleid, trad daarmee toe tot het nieuwe Napoleontische plaatselijke bestuur. Voor ervaren commandeurs waren leidinggeven, boekhouding, contact met kooplieden, het tekenen van contracten en verantwoordelijkheid voor tientallen mannen vertrouwde zaken. Zulke vaardigheden konden ook buiten de zeevaart worden gebruikt. Walig verdween dus niet toen zijn walvisvaartloopbaan eindigde; zijn maatschappelijke functie veranderde.
1801–1802 — De vrede opent de zee opnieuw
Na de ramp van 1798 bleef herstel enkele jaren uit. Rond 1801 groeide echter de hoop op vrede tussen Frankrijk en Groot-Brittannië. De Vrede van Amiens maakte in 1802 tijdelijk een veiligere uitvaart mogelijk. Dat jaar werden opnieuw zestien Nederlandse Groenlandvaarders uitgerust. Negen commandeurs kwamen uit Den Helder en Huisduinen. Zestien schepen waren weinig vergeleken met de grote vloten van de zeventiende en achttiende eeuw, maar zij bewezen dat de technische en menselijke infrastructuur nog niet volledig verdwenen was. Zodra oorlog en kapers tijdelijk minder bedreigend leken, durfden reders opnieuw kapitaal in de noordvaart te steken.
Cornelis Visser te Zaandam en de Alida
Een bijzonder belangrijke Zaanse verbinding was de reder Cornelis Visser te Zaandam. Voor hem voer in 1802 Cornelis Jansz. Klorn met de Alida naar het noorden. De reis leverde ongeveer 250 vaten spek van zestien kleine walvissen op en behoorde daarmee tot de betere Nederlandse resultaten van dat seizoen. Hier zien we nog één keer vrijwel het hele oude systeem bijeen: Zaans kapitaal, een ervaren Noord-Hollandse commandeur, een zeegaand schip, een bemanning en een Arctische vangst. Over de verdere persoonlijke identificatie van Cornelis Visser geven de gecontroleerde bronnen onvoldoende zekerheid; zijn plaats en functie blijven daarom zonder aanvulling.
Cornelis Jansz. Klorn — een verbindingsfiguur
Cornelis Jansz. Klorn verbindt de korte opleving van 1802 rechtstreeks met de laatste vloot van 1803. Hij commandeerde de Alida in beide jaren. Zijn loopbaan toont dat er aan het einde van de oude walvisvaart niet plotseling een gebrek aan bekwame commandeurs bestond. Het probleem lag vooral in oorlog, kapitaal, verzekering en toegang tot zee. Klorn wist hoe een Groenlandreis moest worden georganiseerd en de Zaanse reder Cornelis Visser was bereid die reis te financieren. Menselijke kennis en ondernemerswil waren dus nog aanwezig, maar politieke omstandigheden bepaalden steeds sterker of die kennis werkelijk gebruikt kon worden.
1803 — Nog maar tien Nederlandse walvisvaarders
Voor het seizoen 1803 kwamen nog slechts tien Nederlandse walvisvaarders gereed. Zeven commandeurs kwamen uit Den Helder en Huisduinen, één uit Terschelling, één uit Oudesluis en één van het Noord-Friese eiland Föhr. Het kleine aantal verhult hoe breed het netwerk nog altijd was. Hollandse reders, schepen en havens waren verbonden met zeelieden uit het Marsdiepgebied, de Wadden en Noord-Friesland. Zelfs in haar laatste seizoen vóór de lange onderbreking bleef de Nederlandse walvisvaart een bedrijfstak waarin regionale en internationale arbeidsmigratie vanzelfsprekend was en waarin maritieme ervaring van ver buiten Zaandam nodig bleef.
De commandeurs van de laatste vloot
Onder de commandeurs bevonden zich Meyndert Hendriksz. Meeuw op Cornelis en Jan, Jan Claasz. Castricum op Onderneming, Jacob Jansz. Gauw op Visschershoop en Cornelis Jansz. Klorn op Alida. Verder voeren Pieter Jansz. Klorn met ’s Lands Welvaren en Pieter Cornelisz. Ruyg met Avontuur. Daarnaast waren Dirk Gerritsz. Swart van Terschelling, Cornelis Boektjes van Oudesluis en Hendrik Cornelisz. van Föhr actief. Deze groep vormde de kleine laatste Nederlandse noordvloot voordat oorlog en Franse overheersing de bedrijfstak vrijwel volledig stillegden.
Visschershoop — buitgemaakt bij het ijs
Op 17 juli 1803, rond 76 graden noorderbreedte, werd de Visschershoop van commandeur Jacob Jansz. Gauw bij het ijs genomen door een kaper uit Liverpool. Gauw en zijn zoon Reinier, die als kajuitsjongen bij zijn vader voer, wisten te ontsnappen. Zij bereikten de Cornelis en Jan van dorpsgenoot Meyndert Hendriksz. Meeuw. Het voorval geeft een zeldzaam persoonlijk beeld van een buitmaking in het poolgebied: vader en zoon verloren hun schip, maar niet hun vrijheid. Het toont ook hoe dicht de kleine Nederlandse vloot soms bij elkaar opereerde en hoe commandeurs elkaar konden helpen.
Cornelis en Jan en Onderneming wijken uit naar Bergen
De Cornelis en Jan van Meeuw wist samen met de Onderneming van Jan Claasz. Castricum aan de Britten te ontkomen. Op 7 augustus 1803 liepen beide schepen veilig het Noorse Bergen binnen. Zij hadden hun vangst gedeeltelijk aan boord: ongeveer 75 vaten spek van drie walvissen op het ene schip en ongeveer 100 vaten van zeven walvissen op het andere. Dat de schepen naar Noorwegen uitweken laat zien hoe snel een normale walvisreis in een oorlogsvlucht kon veranderen. De commandeur moest naast ijs, weer en vangst nu ook vijandelijke kapers voortdurend in zijn beslissingen meenemen.
21 juli 1803 — De St. Joseph bereikt 78 graden noord
Vier dagen na de buitmaking van de Visschershoop drong de Liverpoolse kaper St. Joseph door tot ongeveer 78 graden noorderbreedte. Op 21 juli 1803 onderschepte zij ten oosten van Groenland opnieuw Nederlandse walvisvaarders. De Britten opereerden daarmee diep in het eigenlijke vangstgebied. Europese oorlogvoering hield niet op bij de Noordzee of de Noorse kust, maar volgde de walvisvaarders tot tussen het poolijs. Een Nederlandse reder kon dus een schip zorgvuldig uitrusten, een ervaren commandeur inhuren en een goede bemanning samenstellen, maar verloor toch de hele onderneming wanneer een vijandelijke kaper eerder dan de walvissen werd ontmoet.
Avontuur en Hoop op de Walvischvangst verloren
Tot de door de St. Joseph genomen schepen behoorden de Avontuur van Pieter Cornelisz. Ruyg en de Hoop op de Walvischvangst van Hendrik Cornelisz. Beide vaartuigen werden naar Liverpool gebracht. Hun verlies betekende niet alleen het verdwijnen van twee schepen, maar ook het verlies van sloepen, tuigage, vangstgereedschap, proviand en eventuele vangst. Voor reders waren dergelijke verliezen moeilijk op te vangen, zeker nu de hele bedrijfstak nog maar uit een handvol ondernemingen bestond. Wat in de zeventiende eeuw door schaal kon worden opgevangen, kon in 1803 het voortbestaan van een afzonderlijke rederij bedreigen.
Hollandia wordt naar Shields gebracht
Ook de Hollandia van Dirk Gerritsz. Swart uit Terschelling werd door een Britse kaper genomen en vervolgens naar Shields gebracht. Daarmee staat de groep verloren walvisvaarders vast: Visschershoop — Jacob Jansz. Gauw; Avontuur — Pieter Cornelisz. Ruyg; Hoop op de Walvischvangst — Hendrik Cornelisz.; Hollandia — Dirk Gerritsz. Swart. Van slechts tien Nederlandse walvisvaarders gingen er vier verloren. Veertig procent van de kleine vloot werd daarmee in één seizoen uitgeschakeld. Voor een bedrijfstak die nog maar nauwelijks voldoende schepen had om als nationale vloot te worden gezien, was dat een bijzonder zware slag.
De Alida en ’s Lands Welvaren bereiken Drontheim
Niet alle schepen gingen verloren. Op 6 september 1803 waren ’s Lands Welvaren van Pieter Jansz. Klorn en de Alida van zijn broer Cornelis Jansz. Klorn veilig in het Noorse Drontheim aangekomen. Dit is voor Zaandam bijzonder belangrijk, omdat de Alida rechtstreeks met de Zaanse reder Cornelis Visser verbonden was. Waar andere walvisvaarders naar Liverpool of Shields werden afgevoerd, bereikte Klorn een neutrale Noorse haven. De reis maakt zichtbaar hoe commandeurs in dat laatste seizoen voortdurend moesten improviseren tussen vangstgebied, Britse kapers, veilige havens en de noodzaak hun schip en bemanning intact terug te brengen.
Rangverlies in een krimpende bedrijfstak
De neergang was ook in persoonlijke loopbanen zichtbaar. Cornelis Kamp, die tussen 1794 en 1798 als commandeur had gevaren, verscheen in 1802 opnieuw als harpoenier. Ook Lourens Claasz. Keuken kwam na een commandeursloopbaan weer in een lagere scheepsrang terecht. Dat betekende niet dat hun kennis verdwenen was. Het aantal beschikbare commando’s kromp eenvoudig sneller dan het aantal ervaren mannen. Wie afhankelijk bleef van de zeevaart kon daarom een lagere functie aanvaarden in plaats van helemaal niet uit te varen. De economische neergang drukte ervaren walvisvaarders zo letterlijk lager in de hiërarchie aan boord.
Geerlof Plas naar de koopvaardij
Andere mannen verlieten de poolvaart zonder de zee vaarwel te zeggen. Geerlof Plas uit Huisduinen verscheen later als bootsman op de Noord-Holland tijdens een reis naar Curaçao. Vaardigheden uit de walvisvaart waren goed bruikbaar in de koopvaardij: navigeren, wachtlopen, tuigage onderhouden, sloepen behandelen, leidinggeven en onder gevaarlijke omstandigheden werken. Het verdwijnen van walvisreizen betekende daarom niet dat alle betrokken zeelieden werkloos aan wal bleven. Een deel van hun kennis stroomde naar andere maritieme sectoren. De walvisvaart kromp, maar de Nederlandse zeescheepvaart kon nog steeds gebruikmaken van mannen die in het poolgebied waren gevormd.
Jan Jansz. Walig en Oost-Zaandam
Ook Jan Jansz. Walig laat zien hoe walvisvaart, handel en kantoorwerk in elkaar konden overlopen. Hij had in Oost-Zaandam gewerkt bij koopman Jan Puts en bewoog tussen kantoor, handel, zeevaart en rederij. Zijn loopbaan past bij een breder patroon waarin ervaren zeevarenden niet aan één beroep gebonden hoefden te blijven. Kennis van vracht, prijzen, boekhouding, verzekeringen, bemanningen en schepen was zowel aan boord als op een handels- of rederijkantoor bruikbaar. Zulke mannen vormen een belangrijke verbinding tussen de geschiedenis van de walvisvaart en de bredere Zaanse handelswereld waarin scheepvaart, nijverheid en kantoorwerk nauw verweven waren.
Na 1803 — De oude vloot valt stil
Na 1803 werd geen vergelijkbare Nederlandse walvisvloot meer uitgerust. De hernieuwde oorlog, de Britse beheersing van de zee en vervolgens de steeds sterkere Franse greep op handel en scheepvaart maakten nieuwe expedities vrijwel onmogelijk. Voor Den Helder, Huisduinen en andere plaatsen die generaties lang bemanningen hadden geleverd, brak een lange onderbreking aan. Voor Zaandam betekende dit het verdwijnen van een van de laatste directe verbindingen tussen reders, scheepsleveranciers en Arctische vangst. Pas in 1815 zou opnieuw één Nederlands schip naar het noorden vertrekken, onder een commandeur die nog uit deze oude wereld afkomstig was.
Deel 14 — 1814–1815 — De oude structuur verdwijnt, de kennis blijft bestaan
1814 — Politieke vrijheid herstelt sneller dan de economie
Toen het Franse gezag in 1813 verdween en Nederland in 1814 opnieuw zelfstandig werd, was daarmee niet automatisch de oude walvisvaart hersteld. Veel schepen waren verloren, ondernemingen hadden hun investeringen verlegd en vaklieden hadden andere klanten gevonden. Commandeurs waren ouder geworden, gestorven of naar koopvaardij, bestuur, handel en landbouw overgestapt. Internationale concurrenten hadden tijdens de Nederlandse stilstand hun positie versterkt. De politieke voorwaarden veranderden dus sneller dan de economische werkelijkheid. Daarom vormt 1814 vooral een breukjaar voor het oude systeem: de blokkade eindigde, maar het netwerk van tientallen reders, honderden reizen en gespecialiseerde bedrijven kwam niet terug.
De Haring — gereedschap zonder oude vloot
Een sterk Zaans beeld van die overgang is de oude scheepswerf De Haring. In 1811 bevonden zich daar nog scheepsbouwgereedschappen. Dat betekende dat het materiële vermogen om een schip te bouwen of te repareren niet eenvoudig verdween toen de grote zeescheepsbouw terugliep. Op het erf konden nog zagen, bijlen, boren, breeuwgereedschap en ander materiaal aanwezig zijn terwijl nauwelijks nieuwe grote zeeschepen van stapel liepen. De Haring maakt daardoor zichtbaar wat ook voor de walvisvaart gold: kennis, gebouwen, werktuigen en vakmanschap konden blijven bestaan nadat de economische functie die hen ooit voortdurend nodig had grotendeels was verdwenen.
Groenland bleef in boeken en herinnering bestaan
Het hoge noorden verdween evenmin uit het Nederlandse bewustzijn. In 1814 verschenen nog beschrijvingen van Groenland, ijs, Deense vestigingen en walvisvangst. Oudere reisverhalen en walvisvaartboeken bleven circuleren. Voor Nederlandse lezers bestonden Spitsbergen, Straat Davis en Groenland dus nog steeds als herkenbare maritieme gebieden, ook al voeren vrijwel geen Nederlandse walvisvaarders meer uit. De tegenstelling is belangrijk: een bedrijfstak kan uit het dagelijkse economische leven verdwijnen voordat zij uit kennis, taal en herinnering verdwijnt. Juist deze geschreven kennis hield de oude poolwereld zichtbaar in een periode waarin de praktische noordvaart bijna geheel was weggevallen.
Willem Frederik wil handel en zeevaart herstellen
De nieuwe vorst Willem Frederik, vanaf 1815 koning Willem I, wilde handel, scheepvaart en nijverheid stimuleren. Ook de walvisvaart kreeg aandacht. Op 19 maart 1815 verscheen een koninklijk besluit dat onderdeel werd van het nieuwe stimuleringsbeleid voor de noordvaart. De overheid zag een hernieuwde walvisvaart niet alleen als particuliere onderneming, maar als sector waarvoor actieve ondersteuning gerechtvaardigd was. Dat verschil met de zeventiende eeuw is fundamenteel. De eerste grote expansie was vooral door particuliere reders gedragen; nu moest de staat ondernemers over hoge kosten, buitenlandse concurrentie en onzekere opbrengsten heen helpen voordat opnieuw een Nederlands schip naar Groenland kon vertrekken.
Premies voor een bedrijfstak die zichzelf niet meer droeg
De nieuwe ondersteuning sloot aan op eerdere subsidies uit de late achttiende eeuw, toen de walvisvaart al moeite had om zonder hulp rendabel te blijven. In de regeling die vervolgens werd uitgewerkt kon een uitrustingspremie van ƒ4.000 per schip beschikbaar komen, naast andere vormen van steun. Het premiebeleid is veelzeggend. De staat probeerde het verschil tussen hoge uitrustingskosten en onzekere vangstopbrengsten te verkleinen. Een bedrijfstak die in de zeventiende eeuw grote particuliere winsten had opgeleverd, werd in de vroege negentiende eeuw steeds meer behandeld als een sector die zonder overheidssteun nauwelijks voldoende investeerders kon aantrekken.
Barend van Spreekens organiseert de nieuwe onderneming
Een van de eersten die op de nieuwe mogelijkheden reageerden was de Amsterdamse koopman Barend van Spreekens. Hij organiseerde de onderneming en zocht een geschikt schip om de Nederlandse noordvaart opnieuw te beginnen. Zijn rol was dus meer dan die van een passieve financier. Van Spreekens stond aan de zakelijke kant van de herstart: hij moest kapitaal bijeenbrengen, een schip verwerven, bemanning en uitrusting laten regelen en de reis economisch mogelijk maken. Aan de andere kant stond de ervaren commandeur die de technische en maritieme leiding op zee op zich nam. Voor een herstart waren beide werelden opnieuw nodig.
24 april 1815 — ƒ16.700 voor een oud schip
Op 24 april 1815 kocht Van Spreekens op een veiling in Dordrecht voor ƒ16.700 een schip van ongeveer 200 lasten, ruwweg vierhonderd ton. Onderzoek verbindt dit vaartuig waarschijnlijk met de voormalige Groenlandia van de Dordtse firma Frank van den Schoor & Zonen. Die identificatie is niet absoluut bewezen en moet daarom voorzichtig worden weergegeven. Voor de nieuwe onderneming voer het schip als Groenland. De herstart begon dus niet met een speciaal nieuw gebouwde walvisvaarder, maar met een bestaand schip dat opnieuw werd ingezet voor de noordvaart.
Een schip met een lange voorgeschiedenis
Als de identificatie met de Groenlandia juist is, was het schip in 1815 al minstens ongeveer vijftig jaar oud. Het vaartuig was in 1764 grondig vernieuwd en kreeg in 1788 opnieuw een zware onderhouds- of vernieuwingsbeurt. Bij houten schepen betekende zo'n lange levensduur niet dat de oorspronkelijke romp volledig intact bleef. Huidplanken, spanten, dekdelen en andere constructieonderdelen konden tijdens grote reparaties worden vervangen. De herstart van de Nederlandse walvisvaart gebruikte daardoor letterlijk materiaal uit de achttiende-eeuwse scheepvaartwereld, maar in een schip dat door opeenvolgende vernieuwingen technisch voortdurend was aangepast.
De naam Groenland
Voor de nieuwe onderneming kreeg het schip de toepasselijke naam Groenland. Daarmee werd de bestemming direct in de naam vastgelegd. Voor tijdgenoten riep die naam bovendien herinneringen op aan twee eeuwen Nederlandse noordvaart. Toch was de schaal totaal veranderd. In 1815 vertrok slechts één Nederlands walvisvaartuig. Waar in eerdere eeuwen tientallen schepen tegelijk via Texel en het Marsdiep richting Noordzee voeren, moest het herstel nu met één enkele onderneming beginnen. De naam verwees naar een grote traditie, terwijl het aantal schepen juist liet zien hoe klein de nieuwe Nederlandse positie in de walvisvaart was geworden.
Jacob Claasz. Broertjes krijgt het commando
Als commandeur werd Jacob Claasz. Broertjes aangesteld. Hij behoorde tot de Noord-Hollandse wereld van walvisvaarders rond Den Helder en Huisduinen en bezat ervaring uit de periode vóór de lange onderbreking. Broertjes vormde daarmee een levende verbinding tussen de laatste jaren van de oude walvisvaart en de nieuwe onderneming van 1815. De staat kon steun geven en Van Spreekens kon een schip aankopen, maar voor de daadwerkelijke reis was iemand nodig die navigatie, ijs, bemanningsleiding en vangstpraktijk uit ervaring kende. Zonder zulke overgeleverde vakkennis zou een financiële herstart nog geen werkende walvisexpeditie hebben opgeleverd.
De bemanningslijst van 5 april 1815
Van de onderneming is een belangrijk praktisch detail bewaard gebleven: op 5 april 1815 werd een bemanningslijst opgesteld. De Groenland voer met ongeveer 43 mannen. Dat aantal geeft een concreet beeld van de schaal van één walvisreis. Achter één schip stonden tientallen zeevarenden, nog afgezien van de mensen aan wal die betrokken waren bij reparaties, proviand, vaten, tuigage, administratie en levering van uitrustingsstukken. De bemanningslijst bewijst bovendien dat niet alleen de kennis van één commandeur beschikbaar was. Er kon opnieuw een volledige scheepsorganisatie worden samengesteld met voldoende mannen voor navigatie, dekwerk en vangst.
Zeven sloepen voor de jacht
De Groenland nam zeven sloepen mee. Dat getal maakt de eigenlijke vangstorganisatie zichtbaar. Walvissen werden niet vanaf het grote schip geharpoeneerd. Zodra een dier was waargenomen, gingen kleinere vangstsloepen te water met stuurlieden, harpoeniers en roeiers. Zeven sloepen betekenden daarom niet alleen extra boten, maar ook tientallen mannen die in vaste teams moesten kunnen functioneren. Harpoenen, lansen, lijnen, riemen, roeidollen, blokken en andere onderdelen moesten opnieuw beschikbaar zijn. Eén walvisvaarder droeg daardoor een kleine vloot vangstboten met zich mee, elk met een eigen taak tijdens de jacht.
Vakmanschap beneden de rang van commandeur
Voor iedere sloep waren mannen nodig die konden roeien, sturen en met lijnen en wapens omgaan. Aan boord van het moederschip waren daarnaast navigatie, tuigage, wachtlopen, koken, reparatie en verwerking van de vangst nodig. De reis van 1815 is daarom sterker bewijs voor continuïteit dan alleen de naam Broertjes. Minstens een deel van het oudere kennisbestand was nog aanwezig of kon aan nieuwere bemanningsleden worden doorgegeven. Commandeurs zijn in de bronnen beter zichtbaar dan gewone matrozen, maar zonder ervaren stuurmannen, harpoeniers, roeiers en dekbemanning had geen enkele premie de reis werkelijk mogelijk gemaakt.
Via Texel opnieuw naar het noorden
De Groenland vertrok via het Texelse zeegat naar het noorden. Daarmee werd dezelfde geografische route gebruikt die generaties Noord-Hollandse walvisvaarders eerder hadden gevolgd: Marsdiep, Noordzee en vervolgens de noordelijke vangstgebieden. De route was oud, maar de politieke wereld was nieuw. Voorheen konden tientallen schepen bij Texel liggen en gezamenlijk op gunstige wind wachten. In 1815 ging het om één Nederlandse walvisvaarder. Het landschap van water, zandbanken en zeegaten was niet veranderd, maar de economische betekenis ervan wel. De toegang tot Groenland bestond nog; de vloot die er gebruik van maakte was vrijwel verdwenen.
De Zaanse ambachten waren nog beschikbaar
In Zaandam waren ondertussen veel van de benodigde ambachten blijven bestaan. Een kuiper die tijdens de Franse jaren vaten voor olie, zaden of andere handelswaren had gemaakt, bezat nog steeds de techniek om stevige scheepsvaten te vervaardigen. Een smid die geen harpoenen meer smeedde kon ijzerwerk voor molens of andere bedrijven leveren. Timmerlieden, touwslagers en zeilmakers hadden hun vaardigheden evenmin verloren. Wat verdwenen was, was de voortdurende gespecialiseerde vraag vanuit tientallen walvisvaarders. Eén nieuwe onderneming kon opdrachten opleveren, maar geen volledig netwerk van werven, pakhuizen, kuipers en leveranciers weer tot oude omvang terugbrengen.
Zaandam was ondertussen economisch veranderd
De Zaanstreek bezat nog houtzaagmolens, oliebedrijven, pakhuizen, kuiperijen, smederijen en handelskantoren, maar die bedrijven bedienden steeds meer andere markten. Een kuiper hoefde niet langer te wachten op een Groenlandvaarder om vaten te verkopen. Een smid kon molenonderdelen maken in plaats van vangstgereedschap. Timmerlieden konden binnenvaartschepen, woningen en bedrijfsgebouwen onderhouden. Het succes van de Zaanstreek lag voortaan minder in één maritieme keten en steeds meer in een breed netwerk van verwerkende nijverheid. De oude walvisvaartonderdelen waren niet verdwenen, maar opgenomen in andere economische verbanden.
Middelhoven en Stadlander — kapitaal zoekt hout
Die verschuiving wordt zichtbaar in het huwelijk van Jacob Willemsz. Middelhoven met Grietje Hendriks Stadlander in 1804. Middelhoven kwam uit een milieu van rederij en handel, terwijl Stadlander verbonden was met een grote houtzagerijwereld rond de molens De Jonge Kat, De Goede Hoop, De Bijl, De Veldvlieger en De Valk. Zulke verbindingen laten zien dat oud maritiem kapitaal niet eenvoudig uit de streek verdween. Vermogen kon binnen families worden gekoppeld aan hout, molens en andere industriële activiteiten. De economie veranderde van samenstelling zonder dat alle oude handels- en ondernemersfamilies uit het economische leven verdwenen.
Eén schip bouwt geen oude vloot opnieuw op
De onderneming van Van Spreekens was belangrijk, maar zij moet niet worden verward met herstel van de oude bedrijfstak. In 1815 voer slechts één Nederlands walvisvaartuig uit. Waar een eeuw eerder tientallen schepen tegelijk naar Groenland en Straat Davis gingen, vertegenwoordigde de Groenland nu vrijwel alleen de Nederlandse terugkeer naar de noordvaart. Het verschil zat niet alleen in scheepsaantallen. Er waren ook veel minder gespecialiseerde rederijen, minder verwerkingsbedrijven en een kleinere arbeidsmarkt rondom de onderneming. Eén schip kon aantonen dat de kennis nog bestond, maar kon het verdwenen economische landschap van de achttiende eeuw niet reconstrueren.
Buitenlandse concurrenten waren doorgegaan
Tijdens de Nederlandse oorlogsjaren hadden buitenlandse walvisvaarders hun eigen positie behouden of versterkt. Britse, Duitse en andere ondernemingen waren niet elf jaar lang stil blijven liggen. Toen Nederlandse ondernemers in 1815 opnieuw begonnen, kwamen zij in een internationale markt terecht waarin de verhoudingen veranderd waren. De oude Nederlandse reputatie bood geen garantie op winst. Rederijen moesten opnieuw bemanning, afzet, krediet en schepen organiseren, terwijl buitenlandse concurrenten bestaande verbindingen met vangstgebieden en markten hadden behouden. Juist daarom werd staatssteun belangrijker: de nieuwe Nederlandse walvisvaart begon niet vanuit een leidende positie, maar moest opnieuw een plaats zien te veroveren.
Walvisvaart wordt ook materiële herinnering
Ook materieel veranderde de walvisvaart van dagelijks bedrijf naar herinnering. Harpoenen, lansen, messen, blokken en scheepsgereedschap konden in werkplaatsen blijven liggen nadat zij niet langer ieder voorjaar nodig waren. Walvisbotten en kaken werden soms als bouw- of erfmateriaal hergebruikt. Schilderijen, prenten, scheepsnamen en familieverhalen bleven een poolwereld oproepen die voor steeds minder Zaandammers uit eigen ervaring bekend was. De groep mensen die werkelijk tussen ijs en walvissen had gewerkt werd kleiner. Voorwerpen die ooit puur werktuig waren geweest, konden daardoor tegelijk familiebezit, herinneringsstuk en tastbaar overblijfsel van een verdwenen bedrijfstak worden.
1815 — De oude route leeft nog één keer op
Jacob Claasz. Broertjes voer met de Groenland door het Texelse zeegat naar het noorden. Achter hem stonden 43 mannen, zeven sloepen, een oud maar vernieuwd schip, de Amsterdamse koopman Barend van Spreekens en een regering die de onderneming met nieuw beleid wilde stimuleren. De route naar Groenland was dezelfde gebleven, maar de economische omgeving was fundamenteel veranderd. De reis van 1815 liet zien dat commandeurskennis, vangsttechniek en maritieme vaardigheden de Franse jaren hadden overleefd. Zij vond echter plaats op een schaal die nauwelijks nog te vergelijken was met de honderden Zaanse en Nederlandse reizen uit de voorafgaande eeuwen.