Van geldschieter tot harpoenier — de mensen achter de Nederlandse walvisvaart, 1612–1814
1612 — de eerste ondernemers en bemanningen
Toen Nederlandse ondernemers in 1612 naar de wateren rond Spitsbergen trokken, bestond nog nauwelijks eigen ervaring met de gespecialiseerde walvisjacht. Voor die eerste expeditie werd zelfs buitenlandse kennis aangetrokken. De onderneming leverde financieel weinig op, maar werd niet opgegeven. In 1613 verschenen al vijf Nederlandse walvisvaarders bij Spitsbergen. Daar botsten zij met Engelse belangen: schepen werden beschoten, verjaagd of opgebracht. Voor Nederlandse reders was dit een belangrijke aanleiding om gezamenlijk op te treden. De walvisvaart begon daarmee onmiddellijk als een combinatie van zeevaart, gespecialiseerde arbeid, internationaal conflict en particulier kapitaal.
1614 — de bewindhebbers van de Noordsche Compagnie
Op 27 januari 1614 kreeg de nieuw gevormde Noordsche Compagnie van de Staten-Generaal een monopolie op de Nederlandse walvisvangst. Daarmee verscheen boven de individuele reder een nieuwe bestuurlijke laag: de bewindhebbers. Zij bestuurden de verschillende ondernemingen en kamers, organiseerden schepen, kapitaal en handel en verdedigden gezamenlijke belangen. De compagnie stuurde gewoonlijk niet veel meer dan ongeveer twintig schepen per jaar uit. Dat was mede economisch beleid: te veel traan kon de marktprijs drukken. De bewindhebbers waren dus niet alleen scheepvaartondernemers. Zij moesten tegelijk investeren, organiseren, onderhandelen en nadenken over productie en verkoop.
De participant — geld achter de expeditie
Onder de bewindhebbers bevonden zich participanten: mensen die financieel deelnamen en daarmee recht hadden op een deel van de onderneming en haar opbrengsten. Dat systeem verdeelde de enorme risico's. Een schip kon verloren gaan, een vangst kon mislukken of oorlog kon de handel verstoren. Een participant hoefde zelf nooit een walvis te zien. Zijn of haar geld betaalde echter mee aan schip, proviand, bemanning, vaten en vangstgereedschap. Dat zulke deelnemers niet machteloos waren blijkt uit een zeventiende-eeuws proces waarin ontevreden participanten rekening en verantwoording van bewindhebbers verlangden. De financiële achterban kon het bestuur dus daadwerkelijk ter verantwoording roepen.
Vrouwen als bewindhebber en investeerder
Bijzonder belangrijk is dat deze financiële wereld niet uitsluitend uit mannen bestond. Een akte van 8 december 1656 noemt Margrita van Outshoorn, weduwe van Jacob Haringcarspel, en Maria Bultel, weduwe van Symon van der Does. Zij waren bewindhebbers van de Oude Noordsche Compagnie én participanten in de Groenlandse pakhuizen. Naast hen worden Gerbrant Dobbesz., Jacob Hinloopen, Jacques Rendorp, Jeronimus Rans en Willem van der Does genoemd. De bron merkt uitdrukkelijk op dat vrouwelijke bewindhebbers geen uniek verschijnsel waren. Daarmee krijgen vrouwen een aantoonbare plaats in de kapitaal- en bestuursgeschiedenis van de walvisvaart.
De Groenlandse pakhuizen — investeren in de wal
Dezelfde bewindhebbers waren tevens participanten in de Groenlandse pakhuizen. Hun investering hield dus niet op bij het schip. Aan wal waren gebouwen nodig voor opslag en behandeling van goederen die met de noordelijke onderneming samenhingen. De bron laat bovendien zien dat aandelen gedurende lange tijd binnen dezelfde kring van families konden blijven. Bijna een halve eeuw bleven verschillende families tot de leiders van deze ondernemingen behoren. Dat wijst op een walvisvaart waarin kapitaal, familie en bestuur sterk met elkaar verweven waren. De poolreis duurde enkele maanden, maar het economische netwerk erachter bestond het hele jaar en kon generaties blijven voortbestaan.
1642 — van monopolie naar vrije ondernemers
Toen het monopolie van de Noordsche Compagnie in 1642 eindigde, veranderde ook de ondernemerswereld. De Nederlandse walvisvaart kon zich veel sterker uitbreiden. Onder de compagnie was de vangst vooral een kustvisserij geweest: walvissen werden bij Spitsbergen en Jan Mayen gevangen, naar de kust gesleept en daar verwerkt. Daarna ontwikkelde zich steeds sterker een zeevarende vangst waarbij afzonderlijke reders en rederijen een grotere plaats kregen. Voor investeerders betekende dit nieuwe mogelijkheden, maar ook concurrentie. De walvisvaart werd een bedrijf waarin verschillende plaatsen, families en ondernemingen rechtstreeks met elkaar om bemanning, commandeurs, schepen en vangstresultaten concurreerden.
De reder — degene die alles bijeenbracht
De reder stond centraal in deze latere ondernemingsvorm. Hij kon zelf eigenaar zijn of voor verschillende participanten optreden. Voor vertrek moesten geld, schip, commandeur, bemanning, sloepen, harpoenen, lijnen, voedsel en vaten beschikbaar zijn. Ook reparaties en verzekerbare risico's moesten worden overwogen. De reder hoefde zelf niet mee te varen. Zijn werk vond voornamelijk plaats tussen kantoor, werf, leveranciers en handelaren. Daardoor kon één walvisreis werk geven aan veel meer mensen dan alleen de opvarenden. In Zaandam en andere Noord-Hollandse plaatsen kon de reder bovendien gebruikmaken van een omgeving waarin scheepsbouw, houtzagerij, handel en zeevaart al sterk ontwikkeld waren.
De reder-boekhouder — Cornelis Dirksz. IJff
Een concreet voorbeeld is Cornelis Dirksz. IJff uit Westzaan. In 1778 wordt hij als reder/boekhouder genoemd bij de walvisvaart van commandeur Klaas Hopman. IJff was inmiddels overleden en de onderneming stond dat jaar op naam van Erve Cornelis IJff. Dat overlijden lijkt mede samen te hangen met het afstoten van de walvisvaarders Michael en Jonge Dirk. Hier zien we hoe belangrijk één persoon achter de schermen kon zijn. Een boekhouder was niet alleen iemand die cijfers opschreef: beheer van participaties, schip, betalingen en rederij kon rond zo'n persoon geconcentreerd zijn.
Johannes Beets — een schip wisselt van rederij
Na de veranderingen rond Cornelis IJff kwam de walvisvaarder Michael in 1779 terecht bij de rederij van Johannes Beets te Krommenie. Daarmee werd een bestaand schip onderdeel van een nieuw zakelijk netwerk. De bemanning en zelfs de commandeurs konden eveneens van onderneming veranderen. Dirk Hopman nam het commando van zijn broer Klaas over en bleef met de Michael varen. Het voorbeeld maakt duidelijk dat schip, commandeur en reder geen onverbrekelijke eenheid vormden. Een schip kon worden verkocht, een commandeur overstappen en een rederij verdwijnen. Achter de jaarlijkse vloot schuilde daardoor een voortdurend veranderende markt van schepen, mensen en kapitaal.
Tewes Cardinaal — een Zaandamse rederij
Ook Tewes Cardinaal verschijnt als Zaanse ondernemer in de achttiende-eeuwse walvisvaart. In het rampjaar 1777 voer de Welmenende voor zijn Zaandamse rederij. Commandeur was Jacob Hendriksz. Broertjes uit Den Helder/Huisduinen. Het schip ging tijdens de catastrofale Groenlandvaart verloren. Daarmee werd het risico van de reder onmiddellijk tastbaar: niet alleen de vangst, maar het complete schip kon verdwijnen. Voor de bemanning was het gevaar uiteraard nog groter. Broertjes keerde met een deel van zijn mensen niet terug. Het voorbeeld verbindt een Zaandamse investeerder rechtstreeks met een Helderse commandeur en de levensgevaarlijke werkelijkheid van de poolzee.
De commandeur — leider in de poolzee
De commandeur was de belangrijkste operationele leider van de walvisvaart. Zijn naam werd daarom veel vaker vastgelegd dan die van gewone matrozen. Hij moest het schip naar de vangstgronden brengen, ijs en weer beoordelen, geschikte jachtgebieden zoeken en de sloepen organiseren. Ervaring was kostbaar. Een commandeur die jarenlang goede resultaten behaalde, was aantrekkelijk voor een rederij. Tegelijk kon één ramp zijn loopbaan beëindigen. Uit de onderzochte bronnen kennen we onder anderen Cornelis Duyn uit De Rijp en Pieter Quak uit Huisduinen als commandeurs. Zulke plaatsvermeldingen tonen hoe internationaal de reis was, maar hoe sterk de bemanningswerving regionaal bleef.
Jan Jansz. Walig — van kantoor naar poolzee en rederij
Een uitzonderlijk mooi voorbeeld van sociale mobiliteit is Jan Jansz. Walig. In 1774 werkte hij als comptoir en negotie dienaar bij koopman Jan Puts in Oost-Zaandam. Vervolgens werd Walig commandeur in de walvisvaart en later zelfs reder ter walvisvaart. Daarmee doorliep één man verschillende lagen van dezelfde economie: eerst kantoor- en handelswerk, vervolgens leiding op zee en uiteindelijk ondernemerschap. Zijn loopbaan maakt duidelijk dat de categorieën reder, koopman en commandeur niet altijd levenslang van elkaar gescheiden waren. Ervaren zeelieden konden kapitaal en contacten opbouwen en zelf aan de ondernemerskant van het bedrijf terechtkomen.
Jan Simonsz. Walig — van commandeur tot maire
Ook Jan Simonsz. Walig laat zien dat een commandeur na zijn zeevarende loopbaan een heel andere maatschappelijke positie kon krijgen. Hij maakte zijn laatste reis naar de poolzee in 1797, vestigde zich daarna in Schagen en werd tijdens de Franse tijd maire. Hij overleed op 2 februari 1828. De bron merkt op dat meer voormalige commandeurs later bestuurlijke functies vervulden. Dat is begrijpelijk: een commandeur had jarenlang tientallen mannen geleid, financiële belangen vertegenwoordigd en onder gevaarlijke omstandigheden zelfstandig beslissingen genomen. De vaardigheden die in de poolzee nodig waren, konden na terugkeer dus ook in lokaal bestuur of ondernemerschap waarde krijgen.
De Hopmans — commandeurs als familieberoep
Walvisvaartkennis kon binnen families worden doorgegeven. Klaas en Dirk Hopman voeren in 1777 ieder als commandeur naar Straat Davis, op respectievelijk de Michael en de Jonge Dirk. Beide schepen keerden op 22 augustus veilig door het Texelse zeegat terug, ieder met 150 vaten spek van drie walvissen. Een jaar later voer Klaas opnieuw, nu naar Groenland, en bracht 90 vaten spek van negen en een halve kleine walvis terug. Vervolgens nam Dirk het commando van de Michael over. Commandeursfamilies vormden zo reservoirs van praktische kennis over ijs, routes, bemanningen en jacht.
Jacob Broertjes en Klaas Kastricum — het risico van 1777
Niet iedere commandeur keerde terug. Jacob Hendriksz. Broertjes, commandeur van de Zaandamse Welmenende, en Klaas Jansz. Kastricum, commandeur van de Wisselvalligheid van de Edamse rederij Hottentot en Hooy, verdwenen tijdens het rampjaar 1777. In totaal gingen toen vijftien Nederlandse en Hamburger schepen verloren: veertien Groenlandvaarders en één Straat-Davisvaarder. Het aantal omgekomen schepelingen wordt op ruim 300 geschat. Sommige overlevenden bereikten pas na een verschrikkelijke tocht over Groenland de nederzettingen aan Straat Davis. Achter iedere naam in een commandeurslijst kon dus een complete bemanning staan wier terugkeer allerminst verzekerd was.
Officieren en lagere schepelingen
De bemanning bestond uit meer dan commandeur en harpoenier. Een Helderse bron onderscheidt voor 1770–1803 uitdrukkelijk officieren en lagere schepelingen. Familienamen kwamen soms zowel onder commandeurs als in lagere rangen voor. Genoemd worden onder anderen Bartel de Boer, Frederik Borst, Jan Bras en Lourens Keuken. Een voormalige commandeur kon bovendien later weer in een lagere rang varen wanneer hij zijn bevelhebberspost moest opgeven. Dat vertelt iets belangrijks over arbeid: rang was niet altijd een rechte carrière omhoog. Economische omstandigheden, gezondheid, leeftijd en beschikbare schepen konden bepalen welke plaats iemand tijdens een volgend seizoen kreeg.
De stuurman — navigeren zonder moderne hulpmiddelen
Onder de commandeur stonden ervaren stuurlieden. Zij moesten koers en positie bepalen en tijdens wachten verantwoordelijkheid voor het schip dragen. Bij Spitsbergen, Groenland en Straat Davis kwam daar de voortdurende aanwezigheid van ijs bij. Mist kon land, andere schepen en zelfs nabijgelegen ijsbergen onzichtbaar maken. Navigatie steunde op kompas, hemelwaarnemingen, kaarten, gegist bestek en vooral ervaring. Een stuurman moest daarom niet alleen rekenen, maar ook kijken: naar zee, wolken, stroming en ijs. In een vangstsloep bestond eveneens een stuurmansrol. Daar bestuurde een ervaren man het kleine vaartuig met een grote stuurriem terwijl de harpoenier voorin op zijn kans wachtte.
De uitkijk — ogen van het schip
Walvissen moesten eerst worden gevonden. Bemanningsleden hielden daarom vanaf hoge of geschikte plaatsen uitkijk over het water. Zij zochten naar de ademwolk, rug of beweging van een walvis, maar ook naar gevaarlijk ijs en andere schepen. Uitkijk zijn was niet noodzakelijk overal een afzonderlijke permanente rang; het kon een wachttaak zijn. Toch was de functie cruciaal. Een vroeg ontdekte walvis kon betekenen dat de eigen sloepen als eerste ter plaatse waren. Een te laat waargenomen ijsschots kon juist het schip beschadigen. In de walvisvaart waren goede ogen daardoor zowel een productiemiddel als een veiligheidsvoorziening.
De harpoenier — voorin de sloep
De harpoenier stond voorin wanneer de vangstsloep de walvis naderde. Zijn gereedschap was speciaal voor hem gereedgemaakt: harpoenen, lansen en onder meer het staartmes worden in de onderzochte uitrustingsbeschrijvingen met deze gespecialiseerde arbeid verbonden. De harpoen was via een voorganger met de lange walvislijn verbonden. Zodra het dier dook, kon de lijn razendsnel uitlopen. De harpoenier moest daarom kracht, timing en ervaring combineren. Hij werkte nooit werkelijk alleen. Achter hem zaten mannen die roeiden en stuurden en later hielpen bij het doden en slepen. Zijn beroemde worp was slechts het eerste moment van een langdurige gezamenlijke operatie.
De roeiers — de motor van de jacht
De roeiers brachten de vangstsloep dicht genoeg bij de walvis om de harpoenier zijn werk te laten doen. Zij moesten gezamenlijk versnellen, vertragen en van richting veranderen. Tijdens de aanval waren stilte en beheersing belangrijk. Na de harpoenworp kon alles binnen seconden veranderen. Een duikende walvis trok lijn mee; een draaiend dier kon de sloep bedreigen en andere boten konden rondom dezelfde walvis varen. De roeiers waren dus geen anonieme spierkracht. Zij moesten de bevelen begrijpen en precies samenwerken. Na afloop kon opnieuw zwaar werk volgen wanneer de gedode walvis naar het moederschip moest worden gesleept.
De bootsman — touw, blokken en sloepen
De bootsman hoorde bij de ervaren dekbemanning en hield toezicht op veel werkzaamheden met touw, tuig en dekuitrusting. Voor een walvisvaarder waren de kleine boten bijzonder belangrijk. Sloepstalies, blokken, haken en takels moesten functioneren wanneer verschillende vangstsloepen snel overboord gingen. Tijdens de lange overtocht moesten diezelfde boten juist stevig vastliggen. Touwwerk werd door zout, vocht en gebruik aangetast en moest voortdurend worden gecontroleerd. De bootsman stond daarmee tussen gewone matrozen en de hogere nautische leiding. Een slecht onderhouden takel was geen klein ongemak: een vallende sloep kon kostbaar materiaal vernielen en mannen ernstig verwonden.
De scheepstimmerman — repareren zonder werf
Een scheepstimmerman kon in de poolzee niet even naar een werf lopen. Schade door ijs, storm of een ongeluk moest met het beschikbare hout en gereedschap worden hersteld. Bijlen, dissels, zagen, boren, avegaars, beitels en hamers maakten daarom deel uit van de bredere scheepsuitrusting. Niet alleen het moederschip had onderhoud nodig. Ook een vangstsloep kon een huiddeel, bank, mast of ander onderdeel breken. Reservehout en vakkennis maakten de expeditie zelfstandiger. De timmerman werkte meestal buiten de aandacht van reisverhalen, totdat iets brak. Juist op dat moment kon hij een van de belangrijkste mannen van het hele schip worden.
De kuiper — meester over het vaatwerk
De kuiper was onmisbaar vanwege de grote hoeveelheid houten vaatwerk. Vaten vervoerden aanvankelijk water, drank en voedsel en waren daarnaast nodig voor producten van de vangst. Temperatuur, vocht en voortdurende beweging konden verbindingen laten werken of lekken. Daarom vinden we gespecialiseerd kuipersgereedschap in de uitrusting: onder andere een strijkbank, beitels, sponsboor en kraanboor. De kuiper controleerde en repareerde het vaatwerk. Zijn arbeid was rechtstreeks economisch van betekenis. Wanneer een kostbare vloeibare lading door slecht vaatwerk weglekte, was maanden gevaarlijk werk gedeeltelijk voor niets geweest. Een goed vat was daarmee bijna even belangrijk als een goede harpoen.
De kok — brandstof voor de bemanning
De kok werkte terwijl de rest van het schip voer, jaagde of verwerkte. Voor maandenlange reizen werden houdbare levensmiddelen meegenomen. De inventarissen noemen onder andere vlees-, vis-, gort- en erwtenketels, een koekenpan en ander keukengerei. Tijdens een lange vangstdag konden mannen uren in de open sloep zitten en vervolgens bij de verwerking verder werken. Warm eten en drinken hielpen hen die arbeid vol te houden. Tegelijk moest de kok zorgvuldig met voorraden omgaan. IJs of tegenwind kon een reis verlengen. Wat in Nederland voor een bepaald aantal maanden was ingeslagen, moest ook bij vertraging voldoende blijven.
Banksnijders — een eigen mes en eigen taak
Na het doden begon een tweede arbeidsproces. De banksnijder werkte met het bankmes bij de spekbank. Grote stukken walvisspek moesten verder worden verdeeld voordat zij konden worden opgeborgen of verwerkt. Zorgdragers beschrijving maakt duidelijk dat verschillende arbeiders daadwerkelijk verschillend gereedschap kregen. Daardoor zien we een gespecialiseerde arbeidsverdeling die gemakkelijk verloren gaat wanneer iedereen eenvoudig “matroos” wordt genoemd. De banksnijder moest snel en precies werken op een dek dat door vet en zeewater glad kon worden. Het zware mes was zijn vakgereedschap. De walvisvaarder veranderde tijdens deze werkzaamheden van zeilschip in een drijvende slacht- en verwerkingswerkplaats.
De kappers — werken met het kapmes
De kappers kregen hun eigen kapmessen. Daarmee wordt opnieuw duidelijk dat de verwerking georganiseerd was rond verschillende handelingen. Het enorme karkas moest systematisch worden verdeeld. Grote stukken konden met haken en takels worden bewogen, maar uiteindelijk waren scherpe snijwerktuigen nodig om het materiaal verder te verkleinen. Voor het vangstseizoen werden messen geslepen, gevijld, van passende stelen voorzien en gebruiksklaar gemaakt. De kapper was dus geen toevallige matroos die even een mes pakte. Hij maakte deel uit van een werkverdeling waarin ervaring met een bepaald gereedschap belangrijk was. Een succesvolle vangst betekende onmiddellijk uren zwaar verwerkingswerk.
De strandsnijders — herinnering aan de kustvangst
De strandsnijder gebruikte het gespecialiseerde strandmes, waarvan meerdere exemplaren in walvisvaartinventarissen voorkomen. De benaming sluit aan bij de oudere kustfase van de Nederlandse walvisvaart. Onder de Noordsche Compagnie werden gedode walvissen naar de kust van Spitsbergen of Jan Mayen gesleept en daar verwerkt. Toen de vangst zich later verder van de kust afspeelde en verwerking veranderde, bleven technieken en gereedschapsnamen uit die vroegere praktijk bestaan. Het strandmes kon lang zijn en op een stok worden gebruikt. De functie laat daarmee letterlijk een spoor zien van de ontwikkeling van kustbedrijf naar zeevarende walvisvaart.
De speksnijders — van karkas naar handelsproduct
De speksnijder gebruikte gespecialiseerde spekmessen. In de historische inventarissen worden daarvan meerdere exemplaren meegenomen, wat aangeeft hoeveel werk met spek werd verricht. Grote stukken moesten in kleinere delen worden gesneden en geschikt worden gemaakt voor verdere behandeling en opslag. Dit gebeurde tussen vet, bloed, zeewater, touwen en bewegende lasten. Een scherp mes maakte het werk sneller, maar vergrootte ook het gevaar van ernstige verwondingen. De speksnijder stond precies op het punt waar een gevangen dier veranderde in economische grondstof. Zonder zijn arbeid kon de reder thuis geen traan verkopen, hoeveel walvissen de harpoeniers ook hadden gevangen.
De baardwerker — waardevolle baleinen
Ook de walvisbaarden of baleinen hadden grote handelswaarde. De inventarissen kennen daarvoor gespecialiseerde werktuigen zoals het baardmes en de baardklauw. De precieze beroepsbenaming moet voorzichtig worden gebruikt wanneer een bron alleen het gereedschap noemt, maar de werkzaamheden waren duidelijk afzonderlijk herkenbaar. Baleinen moesten worden losgemaakt, behandeld, opgeslagen en uiteindelijk naar afnemers worden gebracht. Zij waren stevig én buigzaam en konden daarom later voor allerlei producten worden gebruikt. De walvis leverde zo verschillende economische stromen: spek en traan gingen één kant van de markt op, balein een andere.
Werven — de mensen vóór het vertrek
Een walvisreis begon maanden vóór de afvaart op scheepswerven. Werfbazen, meesterknechten en scheepstimmerlieden bouwden of herstelden het moederschip. Ook de kleine vangstsloepen moesten worden gemaakt en onderhouden. In Zaandam was deze verbinding bijzonder sterk doordat een omvangrijke scheepsbouw- en houtindustrie aanwezig was. Een walvisvaarder moest ruimte bieden aan bemanning, proviand, vaten, vangstgereedschap en verschillende boten. De vangstsloep vroeg juist om een lichte maar sterke constructie. Zo stonden achter de tientallen mannen die uiteindelijk uitvoeren veel werfarbeiders die nooit naar Spitsbergen gingen, maar zonder wie geen schip de Zaan of het IJ had kunnen verlaten.
De houtkoper en houtzager
De Zaanse scheepsbouw rustte op een omvangrijke houtketen. Houtkopers brachten materiaal uit verschillende handelsgebieden bijeen en houtzagers verwerkten stammen en balken tot bruikbare maten. Voor een groot zeeschip waren zware constructiedelen nodig; voor sloepen, riemen en reparaties weer andere kwaliteiten. Windzaagmolens maakten de Zaan tot een belangrijk centrum van houtverwerking. Daarmee profiteerde de walvisvaart van een infrastructuur die veel groter was dan de walvisvaart alleen. Iedere vangstsloep vertegenwoordigde arbeid van houthandelaar, vervoerder, molenaar, zager en scheepsbouwer voordat de harpoenier er ooit in stapte.
De smid — harpoenen vóór de jacht
De smid leverde het ijzer waarmee de jacht werd uitgevoerd. Harpoenen, lansen, haken, messen en allerlei scheepsbeslag moesten worden vervaardigd en gerepareerd. De kwaliteit was belangrijk. Een harpoen kreeg een enorme belasting wanneer een walvis dook; een spekhaak moest zware stukken kunnen houden en een mes moest scherp blijven bij intensief gebruik. Vóór vertrek werden gespecialiseerde gereedschappen nagezien, geslepen en gereedgemaakt. Daarmee werkte de smid aan wal rechtstreeks voor de mannen in de vangstsloep. Wanneer zijn harpoen honderden kilometers verderop in een walvis werd geworpen, werd het resultaat van zijn vakmanschap plotseling onderdeel van een levensgevaarlijke jacht.
De touwslager — honderden vademen lijn
Een walvisvaarder had enorme hoeveelheden touwwerk nodig. De touwslager leverde materiaal voor tuigage, ankers en takels, maar voor de walvisjacht waren vooral de lange vangstlijnen bijzonder. Meerdere hoofdlijnen en reservelijnen gingen in iedere sloep mee. Wanneer een geharpoeneerde walvis dook, liep dit touw met grote snelheid uit. Een breuk betekende verlies van het dier; een lus om arm of been kon een man overboord trekken. Daardoor was de kwaliteit van het touw letterlijk een veiligheidskwestie. Achter iedere harpoen stond dus niet alleen een harpoenier, maar ook een ambachtsman aan wal die honderden vademen betrouwbare lijn had vervaardigd.
De kuipers aan wal
Voor één expeditie waren grote hoeveelheden vaatwerk nodig. Kuipers aan wal vervaardigden tonnen voor water, voedsel en drank en vaatwerk dat later bij de verwerking en opslag van vangstproducten kon worden gebruikt. Hun werk begon voordat het schip werd geladen en ging na terugkeer door. Hout moest passend worden gemaakt, duigen gesloten en hoepels aangebracht. Een lek vat was economisch verlies. Daarmee behoorde de kuiper tot een bredere groep ambachtslieden wier producten letterlijk met het schip meegingen. De walvisvaart stimuleerde dus niet alleen scheepsbouw, maar ook gespecialiseerde toelevering van honderden kleinere houten gebruiksvoorwerpen.
De leveranciers — een schip vullen
Bakkers, graanhandelaren, slagers, drankleveranciers en andere proviandleveranciers maakten een maandenlange reis mogelijk. Alles moest grotendeels vóór vertrek worden ingeslagen. Gort, erwten, vlees, brood en drank namen ruimte in die later deels voor vangstproducten nodig kon zijn. Ook kleding, brandstof, gereedschap en talloze kleine benodigdheden moesten worden aangeschaft. Leveranciers konden direct worden betaald of krediet verlenen. Daardoor begon het financiële risico al voordat het schip uitvoer. Wanneer een reis verloren ging, trof dat niet alleen reder en bemanning. Ook schuldeisers en handelaren konden geld verliezen. De hele plaatselijke economie kon zo met één noordelijke onderneming verbonden raken.
De koopman en makelaar — verkopen na thuiskomst
Met veilig binnenlopen was een reis financieel nog niet voltooid. Kooplieden en makelaars moesten kopers vinden voor traan, balein en andere goederen. Prijzen konden veranderen terwijl het schip maanden weg was geweest. Een grote vangst betekende daardoor niet automatisch dezelfde winst in ieder jaar. Ook transport, opslag, schulden en lonen moesten worden betaald. De koopman verbond de poolzee met Nederlandse en buitenlandse markten. Daarmee werd een walvis die bij Groenland was gevangen uiteindelijk onderdeel van een veel grotere handelswereld. Het commerciële resultaat werd niet in de vangstsloep bepaald, maar pas nadat de producten aan wal waren gewaardeerd, verhandeld en afgerekend.
Lossers, sjouwers en schuitenvoerders
Tussen schip en pakhuis stonden lossers, sjouwers en vervoerders. Vaten en baleinen verlieten het ruim niet vanzelf. Takels brachten zware goederen omhoog, arbeiders verplaatsten ze en in het waterrijke Zaanse gebied konden schuiten de verdere distributie verzorgen. Daarna gingen producten naar opslag, verwerking of koper. Deze mensen worden zelden met naam genoemd in reisbeschrijvingen, maar zij vormden een noodzakelijke arbeidslaag. Hetzelfde gold voor pakhuispersoneel. De participanten in de Groenlandse pakhuizen investeerden immers niet zonder reden in opslagruimte. De economische reis van de walvis ging na het afmeren gewoon verder.
De traanwerker — hitte na de poolkou
Spek moest uiteindelijk zijn waarde als traan opleveren. Daarvoor waren mensen nodig die het materiaal behandelden, kookten, opsloegen en gereedmaakten voor verkoop. Het contrast met de vangst kon nauwelijks groter zijn. In de poolzee werkten mannen tussen ijs en vrieskou; bij de verwerking waren hitte, vet, rook en sterke geuren kenmerkend. In de vroege kustwalvisvaart vond een belangrijk deel van die verwerking al bij Spitsbergen en Jan Mayen plaats. Later verschoof de organisatie. De traanwerker maakte duidelijk dat het doden van de walvis slechts het begin van de economische verwerking was.
De baleinhandelaar en verwerker
Balein volgde een andere handelsroute dan traan. Na het lossen moest het worden gesorteerd, opgeslagen, verkocht en door gespecialiseerde ambachtslieden verder verwerkt. De eigenschappen van het materiaal — stevig maar buigzaam — maakten het waardevol voor verschillende toepassingen. Daardoor konden mensen aan wal aan dezelfde walvis verdienen zonder ooit met traan te werken. Dit is belangrijk voor het economische verhaal: een walvis was geen enkel product. Verschillende delen van het dier kwamen terecht bij verschillende handelaren en bedrijfstakken. Achter één vangst ontstonden daardoor meerdere geldstromen die uiteindelijk terugliepen naar reder, participanten, leveranciers en arbeiders.
Bemanningswerving — voorzichtig onderscheiden
Ook werving en aanmonstering verdienen een plaats, maar hier moeten we streng met de bronnen omgaan. Voor de Nederlandse zeevaart in bredere zin zijn beroepsrekruteerders, logementhouders en zogenaamde slaapbazen of makelaars ter zeevaart bekend. Rond 1630–1640 werkten naar schatting ongeveer 1.500 mensen in de Nederlandse walvisjacht. De algemene zeevaart kende bemiddelaars die mannen huisvestten, voorschotten gaven en schulden later op hun gage verhaalden. Dat systeem vormt waardevolle context, maar mag zonder afzonderlijk walvisvaartbewijs niet automatisch één-op-één op iedere Groenlandvaarder worden toegepast.
Loon en betaling — arbeid had een prijs
Iedere expeditie moest haar bemanning betalen. Rang, vakkennis en verantwoordelijkheid bepaalden mede de economische positie van een opvarende. Een commandeur vertegenwoordigde andere kennis en verantwoordelijkheid dan een jonge matroos. Daarnaast konden voorschotten, schulden en uitrustingskosten het bedrag beïnvloeden dat een zeeman uiteindelijk werkelijk thuisbracht. Voor de bredere Nederlandse zeevaart is bekend dat een voorschot bij aanmonstering vaak ongeveer één maandloon kon bedragen en dat uitrustingskosten tot schuld konden leiden. Voor het walvisvaartverhaal moeten concrete loonbedragen echter alleen worden gebruikt wanneer een walvisvaartbron ze werkelijk geeft.
Gezinnen — de mensen die niet uitvoeren
Achter commandeurs, harpoeniers, matrozen en jongens bleven vrouwen, kinderen, ouders en andere familieleden achter. Een reis duurde maanden. Tijdens die tijd kon een gezin nauwelijks weten wat er bij Spitsbergen of Groenland gebeurde. Een late terugkeer betekende onzekerheid. Het rampjaar 1777, met ruim driehonderd geschatte doden onder Nederlandse en Hamburger schepelingen, laat zien wat dit voor kustgemeenschappen kon betekenen. Verlies van een man, vader of zoon was tegelijk persoonlijk en economisch. Daarmee strekte het gevaar van de walvisvaart zich uit tot ver buiten de kleine mannenwereld aan boord.
De eindafrekening — iedereen komt weer samen
Na thuiskomst kwamen de verschillende groepen opnieuw bij elkaar. De bemanning verwachtte haar betaling, leveranciers wilden openstaande rekeningen voldaan zien, schuldeisers verlangden hun geld en participanten wilden weten wat hun investering had opgeleverd. Daarvoor moesten vangst en lading eerst worden verkocht. Reparatiekosten, verloren sloepen, gebruikte lijnen, lonen, proviand en andere uitgaven verminderden de bruto-opbrengst. De boekhouder bracht uiteindelijk deze wereld van mensen en goederen terug tot cijfers. Een schip met een fraaie vangst kon financieel toch tegenvallen; een efficiënte onderneming kon juist winstgevend zijn. Zo eindigde iedere reis waar zij maanden eerder begonnen was: bij geld en rekening.
Eén schip — een hele samenleving
Een vertrekkende Groenlandvaarder leek één schip met enkele tientallen mannen. In werkelijkheid stonden er honderden handen achter. Bewindhebbers, vrouwelijke en mannelijke participanten, reders en boekhouders brachten kapitaal bijeen. Scheepsbouwers, houtzagers, smeden, touwslagers en kuipers maakten schip en uitrusting. Commandeur, stuurlieden, harpoeniers, roeiers, matrozen, timmerman en gespecialiseerde snijders deden het werk op zee. Na terugkeer namen lossers, vervoerders, traanwerkers, baleinhandelaren en kooplieden het over. Mensen als Margrita van Outshoorn, Maria Bultel, Cornelis IJff, Tewes Cardinaal, Johannes Beets, Jan Jansz. Walig, Jan Simonsz. Walig, Klaas en Dirk Hopman, Jacob Broertjes en Klaas Kastricum geven die enorme keten een gezicht.
Tussen ijs, mist en walvis — de boten van de Nederlandse walvisvaart, 1612–1814
Tussen 1612 en 1814 voeren Nederlandse walvisvaarders naar Spitsbergen, Groenland en Straat Davis. De grote Groenlandvaarder bracht bemanning, proviand, vaten, gereedschap en meerdere kleine boten naar de noordelijke vangstgronden, maar de eigenlijke jacht speelde zich meestal ver van het veilige dek af. Zodra een walvis werd gezien, gingen chaloupen, vangstsloepen en andere boordboten overboord. Daarin zaten harpoenier, stuurman en roeiers, omringd door harpoenen, lansen en honderden vademen lijn. Deze kleine open boten moesten snel, licht en sterk zijn. Tussen mist, golven, drijfijs en een walvis van tientallen tonnen vormden zij de gevaarlijkste werkplek van de hele onderneming.
Een Groenlandvaarder kon verschillende vaartuigen meenemen, ieder met een eigen taak. De grotere scheepsboot vervoerde mensen en goederen; de lichtere chaloup en vangstsloep gingen achter walvissen aan. Dezelfde sloep kon worden geroeid, gezeild, door ijs worden getrokken, een dode walvis slepen of drenkelingen redden. Sloepstalies en takels brachten haar overboord; riemen, stuurriem, mast, ra, zeil, kompas en misthoorn maakten haar zelfstandig inzetbaar. In nood veranderde een jachtboot in reddingsboot, transportmiddel of laatste verbinding met open water. Wie de walvisvaart wil begrijpen, moet daarom niet alleen naar het moederschip kijken, maar vooral naar de kleine boten waarin mannen tussen ijs en walvis hun leven waagden.
Het verhaal staat nu goed en is veel completer dan de eerdere versie. Vooral sterk vind ik dat moederschip, boot, chaloup en vangstsloep niet meer op één hoop worden gegooid. Ook de delen over hijsen, varen door ijs, meerdere sloepen rond één walvis en het slepen van het karkas geven het verhaal veel meer praktijk en spanning.
Ik mis nog maar een paar dingen: de bouw van de vangstsloep zelf — houtsoorten, lichte maar sterke constructie, gladde buitenzijde en reparaties; de precieze plaats van iedere man in de boot; het leegscheppen van water na overslaande golven; proviand en drinkwater in de sloep bij langere tochten; en een afzonderlijk stukje over hoe een sloep werd herkend of aan een bepaald moederschip gekoppeld. Ook zou een kort deel over verloren of achtergelaten sloepen na schipbreuk goed passen. Verder zou ik niets wezenlijks meer veranderen.
Voorwoord — kleine boten in een enorme zee
Tussen 1612 en 1814 voeren Nederlandse walvisvaarders naar Spitsbergen, Groenland en Straat Davis. De grote Groenlandvaarder bracht bemanning, proviand, vaten, gereedschap en meerdere kleine boten naar de noordelijke vangstgronden, maar de eigenlijke jacht vond meestal ver van het veilige dek plaats. Zodra een walvis werd gezien, gingen chaloupen en vangstsloepen overboord. Daarin zaten harpoenier, stuurman en roeiers, omringd door harpoenen, lansen en honderden vademen lijn. Deze kleine open boten moesten snel, licht en sterk zijn. Tussen mist, golven en drijfijs vormden zij de werkplek waar de walvisvaart op haar gevaarlijkst werd.
Van moederschip tot vangstsloep
De boten van de walvisvaart waren veel meer dan eenvoudige bijboten. Een Groenlandvaarder kon verschillende vaartuigen meenemen, elk met een eigen functie. De grotere scheepsboot vervoerde mensen en goederen, terwijl de lichtere chaloup en vangstsloep voor de achtervolging van walvissen werden gebruikt. Dezelfde sloep kon worden geroeid, gezeild, door ijs worden gesleept, een dode walvis trekken of drenkelingen redden. Takels en sloepstalies brachten haar overboord; riemen, stuurriem, mast, zeil, kompas en misthoorn maakten haar zelfstandig bruikbaar. Wie de walvisvaart wil begrijpen, moet daarom niet alleen naar het grote schip kijken, maar juist naar deze kleine boten.
Gereedschappen en werktuigen van de walvisvaart
Anker
Het anker behoorde tot de gewone scheepsuitrusting van iedere Groenlandvaarder. In de poolzee kreeg het bovendien een bijzondere betekenis. Schepen moesten zich tussen drijfijs, bij kusten en op onbeschutte redeplaatsen kunnen vasthouden. Bij plotseling bewegend ijs moesten de ankers snel worden gelicht. Ankers, kabels en touwen vormden daarom een belangrijk onderdeel van de veiligheidsuitrusting.
Ankerstok
De ankerstok was de dwarsbalk van het traditionele scheepsanker. Hij zorgde ervoor dat het anker op de zeebodem kantelde, zodat één van de armen zich kon ingraven. Een beschadigde ankerstok kon een anker vrijwel waardeloos maken. Reservehout en timmergereedschap waren daarom ook voor het ankergerei belangrijk.
Aschop
De aschop werd gebruikt bij vuurplaatsen en de kombuis. Hout, turf of andere brandstof liet as en sintels achter die regelmatig verwijderd moesten worden. Op een houten Groenlandvaarder was zorgvuldig omgaan met vuur essentieel. Een aschop was daarmee eenvoudig huishoudelijk gereedschap, maar tegelijk onderdeel van de brandveiligheid aan boord.
Avegaar
Een avegaar is een grote handboor waarmee scheepstimmerlieden diepe gaten in zwaar hout boorden. Het gereedschap bestond uit een lange ijzeren boor met een dwarshandvat. Aan boord was het bruikbaar voor noodreparaties aan romp, dek, masten en ander houtwerk. Verschillende diameters konden als afzonderlijke avegaars worden meegenomen.
Baardanker
Het baardanker was gespecialiseerd walvisvaartgereedschap voor het behandelen van de baleinen, vroeger meestal de baarden genoemd. De lange baleinplaten zaten in de bovenkaak van de Groenlandse walvis. Bij het uitsnijden en bergen daarvan waren zware haken, lijnen en ankervormige werktuigen nodig om de grote, gladde delen onder controle te houden.
Baardklauw
De baardklauw diende eveneens bij het verwijderen en hanteren van walvisbaarden. De klauw kon zich in of om het materiaal vastgrijpen, waarna mannen met touwen, takels of handkracht de baleinen konden verplaatsen. Walvisbaard was een kostbaar handelsproduct en werd onder andere verwerkt tot verstevigingen, gebruiksvoorwerpen en modeartikelen.
Baardmes
Het baardmes was een gespecialiseerd mes van de speksnijders en andere mannen die de walvis verwerkten. Daarmee werd gewerkt rond de baleinen en de delen van de kop waarin deze vastzaten. Zorgdrager onderscheidt het baardmes van bankmes, kapmes, spekmes, staartmes en strandmes: het waren dus functioneel verschillende werktuigen.
Balie
Een balie was een lage houten kuip of tobbe. Op een Groenlandvaarder kwamen verschillende balies voor, waaronder spekbalies. Ze werden gebruikt voor het verzamelen, vervoeren en tijdelijk bewaren van materiaal. Een balie met pek hoorde bij onderhoudswerk: het pek werd gebruikt bij afdichting en behandeling van touw- en houtwerk.
Ballastschop
Met een ballastschop konden zand, stenen en ander ballastmateriaal worden verplaatst. De belading van een walvisvaarder veranderde tijdens de reis sterk. Naarmate meer walvisproducten werden ingenomen, veranderden gewicht en trim van het schip. Ballast moest daarom kunnen worden aangebracht, verplaatst of verwijderd om het schip voldoende stabiel te houden.
Bankhaakje
Het bankhaakje hoorde bij de werkzaamheden rond de spekbank. Walvisspek was zwaar, glad en met blote handen moeilijk vast te houden. Kleine ijzeren haken gaven de arbeiders grip op de stukken spek, zodat deze konden worden getrokken, gekeerd of op hun plaats gehouden terwijl andere mannen ze verder versneden.
Bankmes
Het bankmes was het gespecialiseerde mes van de banksnijder. Nadat grote stukken spek van het walvislichaam waren verwijderd, werden ze op of bij de spekbank verder verkleind. Zorgdrager noemt banksnijders en bankmessen afzonderlijk. Het was daarmee een eigen stadium tussen het lossnijden van het spek en verdere verwerking of opslag.
Beitel
Beitels behoorden zowel tot het algemene scheepstimmergereedschap als tot het gereedschap van de kuiper. Met verschillende vormen en breedten kon hout worden uitgehakt, bijgewerkt en passend gemaakt. Op een maandenlange reis waren reparaties onvermijdelijk. De kuipers gebruikten beitels bovendien bij het vervaardigen en herstellen van tonnen en andere houten vaten.
Bierkraan
De bierkraan werd in een vat gestoken om bier gecontroleerd af te tappen. Drinkwater bleef tijdens lange zeereizen niet altijd goed, zodat bier een belangrijk onderdeel van de scheepsvoorraad kon zijn. Een eenvoudige kraan voorkwam dat een vat telkens geopend hoefde te worden en beperkte morsen van de meegenomen drank.
Bijl
De bijl was een van de meest algemene werktuigen aan boord. Hij kon worden gebruikt voor houtwerk, reparaties, het verwijderen van beschadigde onderdelen en werkzaamheden rond ijs en walvisverwerking. Naast gewone bijlen komen gespecialiseerde varianten voor, zoals handbijltjes, kervbijlen, ijsbijlen en sloepskapbijltjes. Daardoor moeten deze afzonderlijk worden beschreven.
Blaasbalg
Een blaasbalg voerde extra lucht naar een vuur. Aan boord kon zo een klein vuur krachtiger worden gemaakt wanneer verhitting nodig was. De aanwezigheid ervan tussen de inventarisstukken laat zien hoeveel gewone ambachtelijke werkzaamheden tijdens een reis zelfstandig moesten kunnen worden uitgevoerd. Een Groenlandvaarder was maandenlang grotendeels op zichzelf aangewezen.
Blok
Een blok was een houten huis met daarin één of meer draaiende schijven waarover touw liep. Blokken vormden samen met touwen de takels van het schip. Er waren blokken met één, twee en drie schijven en gespecialiseerde blokken voor bepaalde werkzaamheden. Daarmee konden enkele mannen lasten verplaatsen die met handkracht alleen onhandelbaar waren.
Boomolieflesje
Een boomolieflesje bevatte olie voor onderdelen die soepel moesten blijven bewegen. Met zulke kleine oliereservoirs konden assen, pennen en andere bewegende delen worden gesmeerd. Het is precies zo'n klein inventarisstuk dat gemakkelijk uit een algemene beschrijving van de walvisvaart verdwijnt, maar in gedetailleerde uitrustingsrekeningen wel zichtbaar wordt.
Boorijzer
Boorijzers waren verwisselbare of afzonderlijke ijzeren boren voor het maken van gaten in hout. Scheepstimmerlieden hadden verschillende maten nodig. Samen met avegaars, plugboren, sponsboren en kraanboren laten ze zien dat „een boor” geen enkel gereedschap was: voor verschillende werkzaamheden bestonden afzonderlijke boortypen.
Bootshaak
Een bootshaak was een lange houten stok met een ijzeren haak of punt. Vanuit de sloep kon men ermee afduwen, iets grijpen of een lijn en ander materiaal bereiken. In ijswater was het bijzonder nuttig omdat bemanningsleden zo voorwerpen konden bereiken zonder hun handen of lichaam over de boordrand te brengen.
Bras
Een bras was een touw waarmee de ra's van een zeilschip horizontaal werden gedraaid. Daarmee werd de stand van het zeil ten opzichte van de wind veranderd. Bij beschadigingen konden brassen ook geïmproviseerd worden gebruikt. Op de walvisvaartpagina worden schoten en brassen zelfs genoemd bij pogingen een beschadigd schip bestuurbaar te houden.
Buigtang
De buigtang was een ijzeren handwerktuig waarmee metaal of ander hard materiaal kon worden vastgepakt en gebogen. Op zee moest veel onderhoud met de aanwezige middelen worden uitgevoerd. Naast een gewone tang en nijptang vormde de buigtang daarom onderdeel van een bredere verzameling klein reparatiegereedschap.
Dissel
Een dissel heeft een dwars op de steel geplaatst snijblad. Scheepstimmerlieden gebruikten hem om balken en ander zwaar hout te behakken en glad te maken. Het was een van de karakteristieke gereedschappen van de houten scheepsbouw. Ook tijdens een walvisreis bleef zo'n werktuig noodzakelijk voor noodreparaties aan het schip.
Doofpot
De doofpot was een metalen of aardewerken pot waarin gloeiende kooltjes of ander vuur veilig konden worden gedoofd. Op een volledig houten schip vormde open vuur een permanent gevaar. De aanwezigheid van een doofpot hoort daarom niet alleen bij het kombuisgerei, maar ook bij de maatregelen waarmee brand aan boord werd voorkomen.
Dreg
Een dreg is een klein meertandig anker. Vanuit een sloep kon het worden gebruikt om zich vast te leggen of om iets uit het water te grijpen. Bij de Groenlandvaart komen dreggen en dreggetouwen voor. In een omgeving van ijs, diep water en weinig geschikte aanlegplaatsen was dit bijzonder bruikbaar sloepsgereedschap.
Dreggetouw
Het dreggetouw was de lijn waaraan de dreg was bevestigd. Een dreg zonder voldoende sterk touw was vrijwel nutteloos. Het touw moest bestand zijn tegen trekken, schuren, zeewater en kou. Het behoorde daarom tot de grote hoeveelheid gespecialiseerd touwwerk die een Groenlandvaarder voor schip én vangstsloepen meenam.
Drevel
Een drevel is een metalen penvormig gereedschap waarop met een hamer wordt geslagen. Daarmee kunnen nagels of pennen dieper in het hout worden gedreven zonder het omringende oppervlak zwaar te beschadigen. Voor scheepstimmerlieden was dit nuttig klein gereedschap bij reparaties en het vastzetten van houten scheepsonderdelen.
Driekante vijl
De driekante vijl had een driehoekige doorsnede en was geschikt voor het vijlen van hoeken, inkepingen en scherpe metalen delen. Zorgdragers uitrustingsrekening noemt meerdere exemplaren. Vijlen waren belangrijk omdat harpoenen, lansen, messen, haken en ander ijzerwerk gedurende de reis voortdurend onderhouden en opnieuw bruikbaar gemaakt moesten worden.
Fnits
De fnits was een lange vorm van harpoen en behoort tot de gespecialiseerde walvisvangstwerktuigen. Martens noemt naast gewone harpoenen afzonderlijk meerdere fnitsen. Dat onderscheid moeten we behouden. Het lange wapen kon onder andere worden ingezet waar een andere reikwijdte of wijze van treffen nodig was dan met de gewone handharpoen.
Galg
De galg was geen executiewerktuig, maar een stevige constructie voor het hijsen en behandelen van zware walvisdelen. Samen met blokken, lijnen en jijnen vormde hij onderdeel van het mechanische systeem waarmee spek en andere zware stukken aan boord konden worden gebracht en verplaatst. De walvisverwerking vereiste aanzienlijk hijsvermogen.
Gegate lepel
Een gegate lepel was een grote lepel met openingen, vergelijkbaar met een schuimspaan. Vloeistof kon door de gaten weglopen terwijl vaste delen werden opgeschept. Hij behoorde tot de kleine kombuis- en verwerkingsinventaris die in gedetailleerde uitrustingslijsten zichtbaar wordt en laat zien hoe volledig een schip voor maanden verblijf werd ingericht.
Grondtouw
Grondtouw was zwaar touwwerk dat voor stevige verbindingen en werkzaamheden dicht bij water of onder zware belasting werd gebruikt. De precieze toepassing kon verschillen. Het moet worden onderscheiden van walvislijnen, voorgangers, dreggetouwen, sleeptouwen en andere gespecialiseerde lijnen: een walvisvaarder voerde tientallen soorten en maten touwwerk.
Hamer
De gewone hamer was basaal reparatiegereedschap. Daarmee werden spijkers en andere bevestigingsmiddelen ingeslagen en kon klein timmer- en onderhoudswerk worden verricht. Daarnaast waren gespecialiseerde hamers aanwezig, zoals de kalfaatshamer en mokers. De verschillende typen tonen opnieuw dat de gereedschapsvoorraad veel omvangrijker was dan alleen de vangstwapens.
Handbijltje
Het handbijltje was kleiner en gemakkelijker hanteerbaar dan de zware bijl. Het kon worden gebruikt voor klein timmerwerk, het afkappen van materiaal en allerlei reparaties. Door zijn formaat kon het ook worden meegenomen naar plaatsen waar een grote bijl onpraktisch was. Scheepsinventarissen noemen handbijltjes afzonderlijk.
Handblaker
Een handblaker was een draagbare kaarsenhouder met een brede voet of opvangschaaltje. Daarmee kon een bemanningslid licht meenemen naar een donkere ruimte. Dat was praktisch in ruim, kajuit en andere afgesloten delen van het schip. Open kaarslicht vereiste vanzelfsprekend grote voorzichtigheid vanwege het brandgevaar.
Handhaakje
Een handhaakje was een klein ijzeren haakwerktuig dat in de hand werd gehouden. Bij het verwerken van walvisspek gaf het grip op het zware, vette en gladde materiaal. Martens noemt hand- of spekhaakjes in aanzienlijke aantallen. Het eenvoudige werktuig was daarmee een standaardhulpmiddel van de verwerkingsploegen.
Harpoen
De harpoen was het centrale vangstwapen van de traditionele walvisvaart. De harpoenier stond voorin de sloep en wierp hem met de hand in de walvis. Aan het ijzer zat via de voorganger de lange walvislijn. Het eerste doel was niet onmiddellijk doden, maar een betrouwbare verbinding tussen walvis en sloep tot stand brengen.
Martens' inventaris noemt 65 harpoenen. Dat enorme aantal was noodzakelijk omdat ijzers verloren konden gaan, beschadigd raakten of in walvissen achterbleven. De harpoen moest vlijmscherp en goed onderhouden zijn. Na de eerste worp volgde de gevaarlijke fase waarin de walvis dook en honderden vadem lijn uit de sloep kon trekken.
Harpoenkist
De harpoenkist was de speciale bergplaats voor de vangstharpoenen. Scherpe ijzeren wapens konden niet willekeurig op het dek of in een sloep worden gelegd. De kist hield de voorraad bijeen en beschermde zowel de gereedschappen als de bemanning. Zorgdrager noemt de harpoenkist afzonderlijk naast de lanskist.
Harpoenstok
De harpoenstok was de houten schacht waaraan het harpoenijzer werd bevestigd. Martens noemt 36 harpoenstokken naast de grote voorraad losse harpoenen. Een beschadigde stok kon dus worden vervangen zonder het kostbare ijzer af te schrijven. Vorm, lengte en sterkte moesten geschikt zijn voor krachtig werpen vanuit een bewegende sloep.
IJsbijl
De ijsbijl was speciaal bedoeld voor werkzaamheden in het poolijs. Daarmee kon ijs worden afgehakt, een doorgang worden vrijgemaakt of rond schip en sloep worden gewerkt. Samen met ijszaag, ijsboom, ijssporen en haken vormde hij een eigen pooluitrusting. Dat gereedschap kon bij ijsdruk letterlijk van levensbelang zijn.
IJsboom
De ijsboom was een lange zware stok of boom waarmee bemanningsleden ijsschotsen konden afduwen en ruimte rond schip of sloep konden maken. Er konden speciale ijzeren onderdelen aan worden bevestigd, waaronder een haak en een prook. De ijsboom veranderde de scheepsbemanning tijdelijk in een ploeg die fysiek tegen het drijfijs werkte.
IJssporen
IJssporen werden aan de voeten gedragen om grip op glad ijs te krijgen. Voor bemanningsleden die vanuit een sloep op een ijsschots moesten stappen of rond een vastgeraakt schip werkten, kon uitglijden fataal zijn. De sporen behoren daardoor tot de persoonlijke veiligheids- én werkgereedschappen van de poolvaart.
IJszaag
De ijszaag was een grote zaag waarmee ijs kon worden doorgesneden. Wanneer een schip of sloep door ijs werd ingesloten, kon men daarmee proberen een opening of geul te maken. Het is een van de duidelijkste voorbeelden van gereedschap dat specifiek voortkwam uit de omstandigheden van de Groenlandvaart.
IJzeren wig
Een ijzeren wig werd met een hamer of moker in hout of ander materiaal geslagen om het te splijten, los te drukken of ruimte te maken. Op een houten schip had zo'n eenvoudig werktuig talloze toepassingen. In combinatie met mokers, koevoeten, bijlen en dissels vormde het zwaar reparatiegereedschap.
Kalfaatshamer
De kalfaatshamer behoorde tot het gereedschap waarmee naden tussen scheepsplanken waterdicht werden gehouden. Breeuwmateriaal werd in de naden gewerkt en vervolgens behandeld. Een lekkage in de Noordelijke IJszee kon ernstige gevolgen hebben; daarom moest een bemanning onderweg zelf noodzakelijk kalfaat- en herstelwerk aan de houten romp kunnen uitvoeren.
Kapmes
Het kapmes komt in twee belangrijke werelden voor. In de sloep kon een scherp kapmes noodzakelijk zijn om een gevaarlijke lijn onmiddellijk door te snijden wanneer een duikende walvis de boot of een bemanningslid meesleurde. Bij de walvisverwerking gebruikten kappers eveneens gespecialiseerde kapmessen. Zorgdrager behandelt het kapmes als een eigen gereedschapstype.
Kervbijl
De kervbijl was een gespecialiseerd timmermanswerktuig voor het inkerven en behakken van hout. Bij reparaties aan balken, planken en andere zware scheepsdelen moest nieuw hout passend worden gemaakt. Samen met dissel, zaag, beitel, boor en hamer vertegenwoordigt hij de complete kleine scheepswerf die een Groenlandvaarder feitelijk meenam.
Klauw
Een klauw was een grijpend ijzeren werktuig voor het vastpakken en behandelen van zwaar materiaal. Bij de walvisverwerking konden klauwen worden gebruikt waar handen op het glibberige spek of andere delen onvoldoende grip boden. Varianten zoals de baardklauw kregen een gespecialiseerde taak bij specifieke delen van de walvis.
Klopper
De klopper werd gebruikt bij de verwerking van spek. Zorgdrager noemt kloppers samen met ander gespecialiseerd gereedschap van de walvisvaarders. Door te kloppen kon materiaal worden losgemaakt, behandeld of verder verwerkt. Het is een van die werktuigen waarvan de betekenis pas duidelijk wordt wanneer de hele arbeidsketen na de vangst wordt bekeken.
Kloofzaag
Een kloofzaag was bedoeld om hout in de lengterichting te zagen. Aan boord maakte hij deel uit van het timmermansgereedschap voor reparaties. Een schip dat maanden van een werf verwijderd was, moest beschadigde houten onderdelen zo veel mogelijk zelf kunnen vervangen. Daarom gingen verschillende zaagtypen mee in plaats van één algemene zaag.
Koevoet
De koevoet was een zware ijzeren hefboom. Daarmee konden zware voorwerpen worden opgelicht, vastzittende delen worden losgewrikt en hout of ijs worden verplaatst. Zorgdragers inventaris noemt er een expliciet. Juist door zijn eenvoud was de koevoet bruikbaar bij zeer uiteenlopende nood-, reparatie- en ijswerkzaamheden.
Kompas
Een kompas was niet alleen aan boord van het moederschip noodzakelijk. Ook vangstsloepen konden een eigen kompas meekrijgen. Dat was belangrijk wanneer zij tijdens de jacht ver van het schip raakten of door mist en veranderend weer het moederschip niet meer konden zien. Navigatie kon dan een kwestie van overleven worden.
Kraanboor
De kraanboor was gespecialiseerd kuipersgereedschap. Daarmee werd in een houten vat het gat gemaakt waarin een kraan kon worden geplaatst. Zorgdrager noemt hem binnen de afzonderlijke rubriek kuipersgereedschap. De honderden vaten aan boord maakten de kuiper tot een onmisbare ambachtsman van de walvisvaart.
Lans
De lans was naast de harpoen het belangrijkste wapen van de walvisjager. Waar de harpoen vooral de verbinding met de walvis tot stand bracht, werd de lange lans gebruikt om het dier uiteindelijk te doden. Vanuit de kleine sloep moest de lansier dicht genoeg bij de walvis komen om herhaaldelijk diep te kunnen steken.
Martens noemt 65 lansen en 50 lansstokken. Dat toont hoeveel reservegereedschap nodig was. Daarnaast bestonden bijzondere varianten, waaronder walruslansen en schietlansen. De lans moet daarom niet als synoniem van de harpoen worden behandeld: beide wapens hadden verschillende functies tijdens dezelfde vangst.
Lanskist
De lanskist was de speciale kist waarin lansen en onderdelen daarvan veilig werden opgeborgen. De lange, scherpe ijzers moesten tijdens de overtocht beschermd blijven tegen beschadiging en mochten niet los over het schip liggen. Voor het begin van de vangst werden de wapens gecontroleerd, geslepen en voor gebruik gereedgemaakt.
Lansstok
De lansstok vormde de lange houten schacht van de walvislans. Omdat stokken konden breken of beschadigd raken, ging een aanzienlijke reserve mee. Martens vermeldt vijftig exemplaren. De combinatie van losse ijzers en vervangbare houten stokken maakte het mogelijk de vangstwapens tijdens een lange campagne steeds opnieuw gebruiksklaar te maken.
Marlpriem
De marlpriem was klein maar belangrijk zeemansgereedschap. Met de puntige priem werden strengen van touw geopend om lijnen te splitsen, te marlen en te repareren. Zorgdrager noemt zelfs een sloepsmarlpriem. In een vangstsloep vol zwaar belast touwwerk was zelfstandig kunnen herstellen van lijnen essentieel.
Mes
Het gewone mes was waarschijnlijk het meest veelzijdige persoonlijke handgereedschap aan boord. Het kon dienen voor touw, voedsel en talloze kleine werkzaamheden. Daarnaast kende de walvisvaart een hele familie gespecialiseerde messen: baardmes, bankmes, kapmes, spekmes, staartmes en strandmes.
Een persoonlijk mes kon bovendien levensreddend zijn. Op de Historisch-Nederland-pagina wordt het ongeluk van Jacob Dieukes beschreven, die door een walvislijn werd meegesleurd en zijn eigen mes niet kon bereiken. Het woord zakmes hoeven we daarom niet te verzinnen; het concreet gedocumenteerde persoonlijke mes is historisch sterker.
Misthoorn
De misthoorn was een eenvoudig akoestisch seininstrument. Mist kon in de noordelijke wateren plotseling het zicht tussen schip en sloepen wegnemen. Met de hoorn konden bemanningen signalen geven en proberen contact te houden. Iedere kleine vangstboot die zelfstandig van het moederschip opereerde, had daarom baat bij een eigen seinmiddel.
Moker
Een moker is een zware hamer voor werk waarbij veel slagkracht nodig is. IJzeren wiggen konden ermee worden ingedreven en vastzittende onderdelen losgeslagen. Daarnaast noemt de sloepsinventaris kleinere mokertjes. Dat verschil is relevant: de zware scheepsmoker en het kleine, draagbare sloepsgereedschap vervulden niet noodzakelijk dezelfde taak.
Neushaak
De neushaak was een zware haak die bij het behandelen en vastleggen van een gedode walvis werd gebruikt. Martens onderscheidt grote en kleine neushaken. Aan de haak konden lijn en hijsgerei worden verbonden. Een dier van vele tonnen kon alleen met een combinatie van haken, lijnen, blokken, spillen en mankracht worden gemanoeuvreerd.
Nijptang
Een nijptang was bedoeld om iets stevig vast te pakken, uit te trekken of door te knippen. Spijkers en andere bevestigingsmiddelen konden ermee worden verwijderd. Voor reparaties aan een houten schip was dat nuttig klein gereedschap. De nijptang moet worden onderscheiden van de gewone tang en de gespecialiseerde buigtang.
Pikhaakje
Een pikhaakje bestond uit een ijzeren punt of haak, soms op een houten stok. Daarmee konden spek en andere zware, gladde walvisdelen worden vastgepakt en verplaatst. Martens vermeldt meerdere pikhaakjes. Zorgdrager noemt vergelijkbare werktuigen tijdens de feitelijke verwerking, zodat hun praktische gebruik goed wordt bevestigd.
Platte vijl
De platte vijl werd gebruikt voor het slijpen en bijwerken van vlakke metalen oppervlakken en snijkanten. Zorgdrager noemt drie platte vijlen naast vier driekante vijlen. Dat lijkt weinig naast tientallen harpoenen en lansen, maar vijlen konden telkens opnieuw worden gebruikt om de grote voorraad ijzeren vangstgereedschap scherp en bruikbaar te houden.
Plugboor
De plugboor maakte gaten waarin houten pluggen konden worden aangebracht. Zulke verbindingen waren belangrijk bij houten constructies en reparaties. Op zee kon beschadigd hout niet eenvoudig naar een werf worden gebracht. Timmerlieden moesten met boren, beitels, zagen, bijlen en passend hout zelf een noodreparatie kunnen uitvoeren.
Pomp
Pompen waren essentieel om water uit het schip te verwijderen. Daarnaast kende de walvisvaart gespecialiseerde pompen voor vloeibare producten, waaronder de traanpomp. De gewone scheepspomp hoorde tot de veiligheidsuitrusting: lekkage door slecht weer, ijsdruk of beschadiging moest voortdurend onder controle gehouden kunnen worden.
Roeidol
De roeidol was het steunpunt waarin een roeiriem tijdens het roeien rustte of draaide. Bij een vangstsloep waren de dollen zwaar belast: de bemanning moest snel en langdurig kunnen roeien tijdens de achtervolging van een walvis. Zorgdrager onderscheidt gewone roeidollen en een stuurdersdol voor de stuurriem.
Roeiriem
De roeiriem was een werkelijk vangstwerktuig. De sloep moest zo snel en stil mogelijk naar een walvis worden geroeid en vervolgens tijdens de gevaarlijke jacht bestuurbaar blijven. Martens vermeldt vijftig riemen in de scheepsvoorraad. Dat grote aantal omvatte gebruiks- en reserve-exemplaren voor de verschillende vangstsloepen.
Schietlans
De schietlans vertegenwoordigt een ontwikkeling waarbij een projectiel niet uitsluitend met de arm werd gestoken of geworpen. Het gereedschap moet afzonderlijk van de gewone lans worden gehouden omdat de wijze van inzetten verschilde. Het toont bovendien dat de walvisvaarttechniek niet eeuwenlang onveranderd bleef, maar voortdurend werd aangepast.
Schop
Schoppen waren algemeen werkmateriaal. Aan boord en tijdens werkzaamheden in ijs konden materiaal, sneeuw, vuil en ballast worden verplaatst. Daarnaast komt de gespecialiseerde ballastschop voor. De eenvoudige schop verdient daarom een eigen plaats in de inventaris, zonder iedere schop automatisch dezelfde functie toe te kennen.
Schraper
Schrapers werden bij onderhoud en verwerking gebruikt om oppervlakken schoon te maken of materiaal af te schrapen. Martens noemt meerdere exemplaren; Zorgdrager noemt er vier in zijn rekening. Bij een bedrijf waarin hout, vet, pek en ijzer voortdurend moesten worden onderhouden was een eenvoudig schraapijzer een veelgebruikt hulpmiddel.
Slijpsteen
De slijpsteen, soms op een eigen bank opgesteld, was essentieel voor het onderhoud van de grote hoeveelheid snijdend gereedschap. Harpoenen, lansen en vooral de verschillende walvismessen moesten scherp blijven. Bij dagenlang flensen en versnijden werden snijkanten snel bot. De slijpplaats was daardoor een klein maar essentieel werkstation aan boord.
Sloepskapbijltje
Het sloepskapbijltje was een kleine bijl die speciaal in de vangstboot beschikbaar bleef. In nood kon ermee worden gekapt wanneer lijnen of houtwerk gevaar opleverden. Het moest klein genoeg zijn voor de beperkte ruimte van een sloep, maar zwaar genoeg om onmiddellijk effectief te zijn.
Sloepsmarlpriem
De sloepsmarlpriem was het kleine touwwerkersgereedschap van de vangstboot. Daarmee konden beschadigde lijnen worden bewerkt en gesplitst. Het bestaan van een specifiek exemplaar voor de sloep toont hoe zelfstandig zo'n boot was uitgerust: zelfs tijdens de vangst moest de bemanning kleine reparaties zonder terugkeer naar het moederschip kunnen uitvoeren.
Sloepstalie
De sloepstalie of sloepstalij behoorde tot het takelgerei waarmee een vangstsloep werd gehesen en behandeld. Een zware houten boot met inventaris kon niet eenvoudig door enkele mannen over de scheepszijde worden getild. Blokken, lijnen en stalies verdeelden de belasting en maakten gecontroleerd uitzetten en binnenhalen mogelijk.
Snuiter
De snuiter was een klein schaartje of tangachtig werktuig waarmee het verkoolde uiteinde van een kaarslont werd afgeknipt. Een goed onderhouden lont brandde rustiger en gaf beter licht. Het is een prachtig voorbeeld van de kleinste inventarisstukken die naast enorme harpoenen, walvislijnen en takels op dezelfde Groenlandvaarder meegingen.
Spekbank
De spekbank was een centrale werkplek voor de verwerking van walvisspek. Grote stukken die van het karkas waren verwijderd, werden daar verder behandeld en verkleind. Banksnijders werkten met hun bankmessen en haken aan het glibberige materiaal. De bank maakte deel uit van een georganiseerde productielijn aan boord.
Spekgoot
Via de spekgoot konden stukken spek of verder verwerkt materiaal gecontroleerd van de ene werkplek naar de andere worden geleid. Zo hoefden zware, vettige stukken niet telkens met de hand te worden gedragen. De spekgoot hoorde daarom bij de inrichting waarmee het dek tijdelijk in een walvisverwerkingsbedrijf veranderde.
Spekhaak
De spekhaak gaf arbeiders grip op walvisspek. Het dikke vet was zwaar en buitengewoon glad. Een ijzeren haak kon erin worden gezet, waarna een stuk werd getrokken, gekeerd of vastgehouden. Kleine uitvoeringen worden ook als handhaakjes of spekhaakjes aangeduid. Martens noemt daarvan achttien exemplaren.
Spekkarnaat
De spekkarnaat was een belangrijk onderdeel van de mechanische verwerking van de walvis. Het vormde een constructie waarmee spek werd behandeld en verder door het werkproces kon worden gevoerd. Rond de karnaat werkten verschillende gespecialiseerde mannen. Dit verdient in het uiteindelijke Zaandam-verhaal meer ruimte dan een gewone gereedschapsbeschrijving.
Spekmes
Het spekmes was het gespecialiseerde snijwerktuig voor walvisspek. Het was niet simpelweg een groot keukenmes. Speksnijders kregen hun eigen messen en moesten grote hoeveelheden taai, vettig materiaal snel en nauwkeurig kunnen versnijden. Martens vermeldt twaalf spekmessen; Zorgdrager onderscheidt ze duidelijk van andere walvismessen.
Spekstrop
Een spekstrop was een lus of strop van touw waarmee grote stukken spek voor hijsen of verplaatsen konden worden vastgezet. De strop werkte samen met haken, blokken en takels. Zonder dergelijke hulpmiddelen waren de zware en gladde stukken vrijwel niet veilig van het karkas naar de werkplaats aan boord te brengen.
Spektakel
Het spektakel was takelgerei dat speciaal bij het hijsen en behandelen van spek werd gebruikt. Door blokken en touwen kon de kracht van de bemanning worden vergroot. De naam laat zien hoe gespecialiseerd de uitrusting was: algemeen scheepstakelwerk en het gereedschap voor walvisverwerking werden in inventarissen afzonderlijk onderscheiden.
Spekvork
Een spekvork was een vorkvormig werktuig voor het hanteren van spek. In de uitrustingsrekening worden meerdere exemplaren genoemd. Waar haken vooral konden trekken, bood een vork een andere manier om stukken vast te houden, op te tillen of te verplaatsen. Ook klein verwerkingsgereedschap was dus in meerdere vormen aanwezig.
Sponsboor
De sponsboor was kuipersgereedschap. Met deze boor werd het spon- of spongat in een houten vat gemaakt of bijgewerkt. De walvisvaart gebruikte enorme aantallen vaten voor proviand, drank en vooral producten van de vangst. Een kapot vat betekende verlies; daarom moest de kuiper onderweg vaten kunnen herstellen.
Staartmes
Het staartmes was een gespecialiseerd walvismes dat volgens Zorgdrager aan de harpoeniers werd verstrekt. Daarmee onderscheidt het zich duidelijk van de messen van kappers, banksnijders en speksnijders. De naam wijst op werkzaamheden rond de staart en het aansnijden van het karkas tijdens de eerste behandeling.
Strandmes
Het strandmes was een groot gespecialiseerd snijwerktuig, soms met een stok, dat door de strandsnijders werd gebruikt. Martens vermeldt vijf strandmessen. Het hoorde bij het in lange banen of grote stukken versnijden van walvisspek voordat andere arbeiders het materiaal verder verkleinden.
Strijkbank
De strijkbank was kuipersgereedschap. De kuiper gebruikte de bank bij het bewerken en gladmaken van duigen en ander hout voor tonnen. Zorgdrager zet hem expliciet onder Kuipers Gereedschap. Daarmee krijgen we naast vangst en scheepsreparatie ook zicht op het gespecialiseerde ambacht dat de opslagvaten bruikbaar hield.
Stuurriem
Een vangstsloep werd vaak met een grote stuurriem bestuurd in plaats van uitsluitend met een vast roer. Daarmee kon de stuurman snel reageren op de bewegingen van walvis, golven en ijs. De stuurriem had een eigen steun, de stuurdersdol. Bij de gevaarlijke laatste nadering was nauwkeurig manoeuvreren essentieel.
Takelhaak
Takelhaken vormden de verbinding tussen takel en te hijsen last. Zorgdrager noemt vier takelhaken voor de sloepen. Daarmee konden de vangstboten worden aangehaakt en gehesen. Hetzelfde mechanische principe werd elders gebruikt voor zware walvisdelen, vaten en scheepsmateriaal.
Tang
De gewone tang was universeel klein reparatiegereedschap voor het grijpen en vasthouden van materiaal. Naast deze tang kende de inventaris nijptangen en buigtangen. Het onderscheid is belangrijk omdat de scheepsinventaris daarmee niet één toevallige tang bevatte, maar een kleine gereedschapsset voor verschillende metaal- en reparatiewerkzaamheden.
Traankit
Een traankit was een kleiner vat of draagbare bak voor traan, de olie die uit walvisspek werd verkregen. Kits maakten het mogelijk vloeistof tussen werkplekken te verplaatsen zonder telkens grote vaten te hanteren. Ze horen daarom bij de praktische verwerkingsuitrusting en niet slechts bij het gewone vaatwerk.
Traanpomp
De traanpomp diende om walvistraan van de ene plaats of het ene vat naar het andere over te brengen. Pompen was sneller, schoner en veiliger dan voortdurend scheppen met open bakken. De aanwezigheid van een gespecialiseerde pomp toont opnieuw hoe sterk een Groenlandvaarder tijdens de vangst in een drijvende fabriek veranderde.
Traantrechter
Met de traantrechter kon vloeibare walvistraan in vaten en kleinere openingen worden gegoten zonder grote hoeveelheden te verspillen. Traan was het handelsproduct waarvoor de hele onderneming uiteindelijk werd georganiseerd. Zelfs een eenvoudig voorwerp als een trechter had daardoor direct economische betekenis: gemorste olie betekende letterlijk verloren opbrengst.
Trekzaag
De trekzaag behoorde tot het timmermansgereedschap en werd gebruikt waar hout moest worden doorgezaagd. Samen met kloofzaag en kraanzaag laat hij zien dat meerdere zagen voor verschillende werkzaamheden werden meegenomen. Tijdens een reis konden rondhouten, planken, sloepen en delen van het schip beschadigd raken en ter plaatse herstel vereisen.
Walruslans
De walruslans was speciaal voor de jacht op walrussen bestemd. Martens noemt 24 exemplaren, afzonderlijk van de gewone walvislansen. Walrussen konden naast walvissen worden bejaagd en leverden onder meer spek en waardevolle slagtanden. Hun gedrag en lichaamsbouw vereisten een aangepast wapen.
Walvisharpoen
Martens onderscheidt walvisharpoenen van de grotere algemene voorraad harpoenen en vermeldt veertien exemplaren. Dat historische onderscheid moet in onze masterlijst behouden blijven, ook wanneer de precieze technische verschillen niet altijd uit een korte inventarisregel blijken. We moeten verschillende brontermen niet achteraf tot één modern woord reduceren.
Walvislijn
De walvislijn was misschien wel het gevaarlijkste gereedschap in de sloep. Na het treffen van de walvis liep de lijn razendsnel uit terwijl het dier dook. De lijn moest zorgvuldig in bakken of vakken liggen zodat zij zonder knopen kon uitlopen. Een voet, arm of kledingstuk dat erin verstrikt raakte kon een man overboord trekken.
Er gingen enorme hoeveelheden mee. Martens vermeldt vijftig walvislijnen. Verschillende lijnen konden aan elkaar worden verbonden, zodat een diep duikende walvis honderden vadem lijn kreeg. De harpoenier en lijnwerkers moesten de spanning beheersen en soms onmiddellijk het kapmes gebruiken wanneer de sloep in gevaar kwam.
Waterslang
De waterslang maakte het mogelijk water gericht te verplaatsen zonder met emmers te hoeven werken. Afhankelijk van de aansluiting kon hij bij pompen, schoonmaak of andere werkzaamheden worden gebruikt. Op een schip waar pek, vuil, zout water en walvisvet overal terechtkwamen, was het kunnen spoelen en verplaatsen van water praktisch noodzakelijk.
Wetsteen
Een wetsteen diende voor het fijn nascherpen van messen en andere snijwerktuigen. Hij vulde de grotere slijpsteen aan. Martens noemt zes wetstenen. Tijdens het langdurig snijden van taai walvisspek werden messen voortdurend bot; een scherp mes werkte sneller en verkleinde bovendien de kans dat een arbeider door uitschieten gewond raakte.
Wig
Een wig kon van hout of ijzer zijn en werd gebruikt om delen uiteen te drukken, vast te zetten of hout te splijten. IJzeren wiggen worden afzonderlijk in de walvisvaartinventaris genoemd. Samen met moker en koevoet vormden zij eenvoudig maar krachtig zwaar handgereedschap voor reparaties en noodwerk.
Windboom
Een windboom was een stevige hefboom waarmee een spil, windas of andere constructie met mankracht werd rondgedraaid. Door meerdere mannen aan de bomen te laten werken kon grote trekkracht worden opgewekt. Bij het hijsen en verplaatsen van zware lasten was zo'n mechanisch voordeel onmisbaar.
Wijnkraan
De wijnkraan werd in een vat aangebracht om wijn zonder openen van het hele vat af te tappen. Net als de bierkraan is het een klein inventarisstuk dat in algemene zeegeschiedenissen zelden aandacht krijgt. Gedetailleerde scheepsrekeningen laten juist zien hoeveel specifieke hulpmiddelen voor dagelijks leven aan boord nodig waren.
Wijntrechter
De wijntrechter maakte het vullen en overgieten van wijnvaten mogelijk zonder veel te morsen. Naast de gespecialiseerde traantrechter toont hij dat trechters verschillende functies hadden. Niet ieder gelijkvormig voorwerp moet daarom als hetzelfde gereedschap worden beschouwd; bestemming en plaats in het arbeidsproces konden verschillen.
Zaag
De algemene categorie zaag valt in de inventarissen uiteen in gespecialiseerde uitvoeringen, waaronder ijszaag, trekzaag, kraanzaag en kloofzaag. Voor de uiteindelijke masterlijst houd ik die afzonderlijke typen aan. Een algemene „zaag” hoeft daarom niet nogmaals als vijfde identiek gereedschap te worden geteld.
Zoutvaatje
Het zoutvaatje was klein kombuis- en tafelgerei voor het droog bewaren en doseren van zout. Op een vochtige zeereis was dat niet vanzelfsprekend. Hoewel het geen vangstgereedschap was, hoort het wel bij de complete materiële inventaris die we nu reconstrueren: van harpoen en ijszaag tot de kleinste gebruiksvoorwerpen aan boord.