Aanvulling op Amsterdam vóór 1300
Het verhaal dat na bladzijde 30 nog ontbreekt
De Ronde Venen houden elkaar droog
In de Ronde Venen lagen uitgestrekte ontginningen rond een nat en moeilijk toegankelijk veengebied. Boeren groeven lange sloten vanaf riviertjes als de Kromme Mijdrecht en de Drecht. Daarmee voerden zij water af, maar het drogere veen zakte vervolgens in en kwam steeds lager te liggen. Eén verstopte afvoer of beschadigde kade bedreigde daardoor niet alleen één erf, maar een heel blok landbouwgrond. Buren moesten sloten gezamenlijk schonen en kaden op afgesproken hoogte houden. De bisschop, kerkelijke kapittels en plaatselijke bestuurders verlangden dat iedere grondgebruiker zijn deel verrichtte. Wie nalatig bleef, bracht andermans hooi, vee en woning in gevaar. Waterbeheer werd zo geen persoonlijke keuze, maar een gezamenlijke plicht die door gewoonte en rechtspraak werd afgedwongen.
Ouderkerk bestuurt het oude Amstelland
Waar de Bullewijk en de Amstel samenkwamen, lag Ouderkerk als oudere kern van Amstelland. De plaats werd aanvankelijk met de gebiedsnaam Amestelle verbonden en bestond voordat bij de noordelijke riviermond Amsterdam ontstond. Een plaatselijke bestuurder kon hier toezicht houden op ontginningen, cijnzen innen, mannen oproepen en geschillen laten behandelen. Boeren bereikten de nederzetting per schuit of over smalle kaden. Zij brachten graan, zuivel, vee, vis, turf of andere verschuldigde opbrengsten mee. De hogere en beter bereikbare riviergrond bood ruimte aan erven, opslag en mogelijk een versterkte woonplaats. Vorm en ouderdom van een vroeg bestuursgebouw zijn niet volledig bekend. Wel vormde Ouderkerk het punt vanwaar het bisschoppelijke gezag over de verspreide ontginningen langs Amstel, Waver en Bullewijk plaatselijk werd uitgevoerd.
De Urbanuskerk trekt mensen over water
De kerk van Ouderkerk was gewijd aan de heilige Urbanus. Over de vorm van het oudste kerkgebouw bestaat onzekerheid; een houten voorganger is mogelijk, maar niet volledig archeologisch vastgesteld. De kerk bediende bewoners aan beide zijden van de Amstel en waarschijnlijk ook gezinnen die verder in de ontginningen woonden. Daar werden kinderen gedoopt, huwelijken ingezegend en overledenen op gewijde grond begraven. Kerkepaden liepen langs sloten, over kaden en door weilanden, maar water bood dikwijls de betrouwbaardere route. Een priester stapte in een schuit om een zieke te bezoeken, terwijl families een overledene per boot naar het kerkhof konden brengen. Toen bewoning door bodemdaling en nieuwe ontginningen steeds verder van de rivier verschoof, groeide uiteindelijk de behoefte aan nieuwe kapellen en parochiekerken dichter bij de bewoners.
Wolfger spreekt recht namens Utrecht
In 1105 verschijnt Wolfger, ook Wolfgerus genoemd, als dienaar van de bisschop van Utrecht en als schout van Amstelland. Hij bestuurde het gebied niet als onafhankelijke heer, maar handelde namens zijn bisschoppelijke landsheer. Wolfger riep bewoners voor het gerecht, bewaakte inkomsten en hield toezicht op rechten en verplichtingen. Wanneer buren ruzieden over een grenssloot, een beschadigde kade of een achterstallige betaling, kon de zaak voor zijn gerecht worden gebracht. Zijn macht werd in het landschap zichtbaar wanneer een grens werd bevestigd, een onderhoudsplicht werd opgelegd of een boete werd geïnd. Hij verbond zijn naam met het bestuurde gebied en werd Wolfgerus de Amestelle genoemd. Uit deze bestuurlijke kring groeide later het geslacht Van Amstel, dat zich steeds zelfstandiger tegenover Utrecht ging gedragen.
Egbert zet het plaatselijke bestuur voort
Na Wolfger verschijnt Egbert in de twaalfde-eeuwse geschiedenis van Amstelland. Hij behoorde waarschijnlijk tot dezelfde familie of machtskring, al kan niet iedere verwantschap met zekerheid worden bewezen. Het schoutsambt was aanvankelijk een bisschoppelijke opdracht en nog niet vanzelfsprekend erfelijk. In de praktijk bleven bestuur, inkomsten en plaatselijke kennis echter steeds langer in handen van dezelfde verwanten. Egbert kende de waterlopen, ontginningsgrenzen en verplichtingen van de bewoners. Hij kon mannen laten oproepen, recht laten spreken en toezicht houden op de belangen van Utrecht. De familie verwierf daardoor meer dan een tijdelijk ambt: zij bouwde een netwerk van bezit, volgelingen en plaatselijk gezag op. In de volgende generaties traden de Van Amstels niet langer uitsluitend als dienaren op, maar als ridders en heren met eigen politieke ambities.
Het schoutsambt groeit uit tot heerlijkheid
Gijsbrecht I, Engelbrecht en de latere Gijsbrechten bouwden voort op de positie die Wolfger en Egbert hadden verworven. Niet iedere opvolging is volledig in bewaarde oorkonden te volgen, maar de ontwikkeling is duidelijk: een ambt dat namens de bisschop werd uitgevoerd, kreeg steeds meer trekken van erfelijk familiegezag. De Van Amstels ontvingen inkomsten, bezaten grond en konden gewapende volgelingen inzetten. Zij bleven leenmannen van Utrecht, maar kregen ook belangen binnen de invloedssfeer van de graaf van Holland. Daardoor bewogen zij tussen twee landsheren. Wanneer Utrecht en Holland over grenzen, ontginningen of politieke invloed botsten, konden de Van Amstels tijdelijk voordeel behalen door beide kanten tegen elkaar uit te spelen. Hun groeiende zelfstandigheid maakte hen machtig, maar bracht hen in de dertiende eeuw ook in steeds gevaarlijker conflicten.
Diemen verbindt Amstel, Gooi en IJ
Ten oosten van de Amstelmond lag Diemen, een oudere nederzetting in het ontgonnen veen bij het IJ. Boeren hielden er vee, maaiden hooi en gebruikten sloten als vaarweg. Vissers voeren naar het IJ, terwijl schippers via kleinere waterlopen aansluiting zochten op Amstel, Vecht en Zuiderzee. Over smalle kaden en landwegen bestonden verbindingen naar het Gooi en de Utrechtse gebieden. Diemen lag daardoor niet aan de rand van de Amsterdamse ontwikkeling, maar binnen hetzelfde netwerk van water, landbouw en verkeer. Voedsel, brandstof en bouwmateriaal konden vanuit deze oostelijke omgeving naar de jonge nederzetting bij de Amstelmond worden vervoerd. Omgekeerd bereikten zout, aardewerk, metaalwaren en andere handelsgoederen via de monding het achterland. Amsterdam groeide tussen oudere plaatsen die haar bewoners, markten en vaarwegen verbonden.
Sloten voedt de mondingsnederzetting
Ten westen van de Amstel lag het ontginningsgebied van Sloten. Lange, smalle percelen strekten zich uit tussen sloten die water afvoerden en tegelijk als vaarwegen dienden. Bewoners hielden vooral vee, wonnen hooi en verbouwden waar de bodem het toeliet graan of andere gewassen. Turf, zuivel, vlees en riet konden per schuit naar grotere wateren worden gebracht. Via het Slotermeer, aangrenzende meren en verbindingen naar het IJ bereikte een deel van deze opbrengst de nederzetting aan de Amstel. Landwegen waren bruikbaar voor voetgangers en licht vervoer, maar zware ladingen gingen gemakkelijker over water. Sloten vormde zo een onderdeel van het agrarische achterland waaruit Amsterdam voedsel en brandstof ontving. De groei van de havenplaats was zonder zulke omliggende ontginningen moeilijk denkbaar.
Osdorp groeit tussen sloten en kaden
Ook Osdorp ontstond binnen het westelijke veenlandschap. De latere dorpsnaam en herkenbare nederzettingsvorm hoeven niet even oud te zijn als de eerste ontginning. Voordat een dorp duidelijk zichtbaar werd, lagen verspreide erven langs sloten, kaden en iets hogere bewoningsassen. Gezinnen hielden runderen en schapen, maaiden gras en gebruikten mest om de schrale grond te verbeteren. Hun sloten voerden niet alleen water af, maar droegen kleine schuiten met hooi, turf, melkproducten en bouwmateriaal. Via Slotermeer en andere waterverbindingen kwamen de bewoners in contact met Sloten, Sloterdijk en de Amstelmond. Wanneer de bodem door ontwatering zakte, moesten huizen worden opgehoogd of naar drogere grond verschoven. Osdorp ontwikkelde zich zo binnen hetzelfde bewegende landschap waarin ook Amsterdam haar eerste vaste vorm kreeg.
De Spaarndammerdijk sluit het IJ buiten
Vanaf ongeveer 1220 werd langs de zuidzijde van het IJ de Spaarndammerdijk uitgebouwd. De dijk verbond oudere kaden en hogere stukken land tot een langere waterkering. Hij moest het ontgonnen veen beschermen tegen hoog water uit het IJ en tegen de groeiende invloed van de Zuiderzee. Boeren, grondbezitters en bestuurders droegen ieder verantwoordelijkheid voor toegewezen dijkvakken. Zij brachten veenzoden, klei, hout en rijshout aan en herstelden plaatsen waar golven of dieren de dijk hadden beschadigd. De kruin werd tegelijk een verkeersroute. Voetgangers, ruiters en karren konden er veiliger reizen dan door de lage, drassige polders. Bij aansluitingen en doorgangen ontstonden nieuwe bewoningspunten. Zo werd de dijk zowel verdedigingswerk tegen het water als verbinding tussen Amsterdam, Sloterdijk, Spaarndam en Kennemerland.
Sloterdijk groeit aan de waterkering
Waar de westelijke ontginningen de grote IJ-dijk bereikten, ontwikkelde Sloterdijk zich tot een herkenbare plaats. De naam verbond een oudere nederzettingsomgeving met de nieuwe waterkering. Bewoners woonden dicht bij een route waar boeren, dijkwerkers, schippers en reizigers voorbijkwamen. Zij moesten rekening houden met het onderhoud van de dijk, want een doorbraak kon niet alleen hun eigen huizen, maar grote delen van Sloten en Osdorp overstromen. Vanaf de kruin liepen paden naar erven en aanlegplaatsen. Goederen uit het achterland werden hier overgeladen of verder naar Amsterdam en het IJ vervoerd. De dijk maakte verkeer over land betrouwbaarder, maar bleef kwetsbaar bij storm en hoogwater. Sloterdijk groeide daarom niet alleen dankzij de weg, maar ook door de voortdurende gezamenlijke arbeid waarmee die weg boven het water werd gehouden.
Spaarndam laat het binnenwater ontsnappen
Bij Spaarndam moest water uit Rijnland naar het IJ kunnen stromen zonder dat hoog buitenwater vrij het land binnenliep. Een sluis wordt daar in 1253 vermeld. Wanneer het peil buiten laag genoeg stond, konden sluisdeuren worden geopend en stroomde binnenwater weg. Bij hoogwater drukte het IJ de deuren dicht. Deze eenvoudige werking verlangde voortdurend toezicht, onderhoud en herstel. Hout kon rotten, deuren konden lekken en slib kon de doorgang belemmeren. Schippers moesten wachten op een bruikbaar waterpeil of een geopende doorgang. De sluis diende een veel groter gebied dan Spaarndam alleen. Polders, meren en ontginningen stonden via watergangen met haar in verbinding. De aanleg verbond daarom waterbeheer met handel en verkeer en maakte Spaarndam tot een strategisch punt tussen Rijnland, Kennemerland en het IJ.
Kennemerland nadert langs dijk en water
Kennemerland lag ten westen van het Haarlemmermeergebied en bezat oudere nederzettingen op duin- en geestgronden. Via het Spaarne, de meren, het IJ en later de Spaarndammerdijk kwam het gebied steeds nauwer met Amstelland in contact. Graan, vee, hout en andere goederen konden langs deze routes worden vervoerd. Haarlem vormde een belangrijk centrum binnen het grafelijke Holland, terwijl Amsterdam nog in een Utrechtse machtswereld was ontstaan. De routes brachten daardoor niet alleen handel, maar ook politieke invloed dichterbij. In 1204 bereikten Kennemer strijders het Amstelland tijdens een gewelddadige fase in het conflict rond de opvolging in Holland. Dezelfde doorgangen waarlangs boeren en kooplieden reisden, konden door gewapende groepen worden gebruikt. Ligging aan meerdere routes bood Amsterdam kansen, maar maakte de nederzetting ook moeilijk te beschermen.
Kerkepaden zoeken de droge grond
Buiten de belangrijkste dijken bleven landwegen vaak smal, nat en seizoensgebonden. Een pad volgde een kade, een perceelsgrens of een iets hogere rug in het veen. Na langdurige regen veranderde het oppervlak in modder en zakten karren tot hun assen weg. Kerkepaden hadden een bijzondere betekenis omdat zij verspreid wonende gezinnen met de parochiekerk verbonden. Mensen liepen er voor de mis, een doop, huwelijk of begrafenis. Waar een sloot het pad doorsneed, lag een plank, eenvoudige voetbrug of kleine houten overspanning. Een priester kon dezelfde route gebruiken om een zieke te bezoeken, maar koos vaak voor een boot wanneer het land onbegaanbaar werd. Deze paden verbonden de afzonderlijke erven sociaal en kerkelijk, zonder ooit de betrouwbaarheid van de vaarwegen te bereiken.
Veren verbinden de oevers
Over brede rivieren en druk bevaren wateren was een vaste brug niet altijd praktisch. Een brug was kostbaar, moest regelmatig worden hersteld en kon de doorvaart van zeilschepen belemmeren. Veren vormden daarom een eenvoudige verbinding tussen beide oevers. Een veerman zette voetgangers, vee, paarden en kleine vrachten over. Hij kende de stroming, hield rekening met wind en koos een veilige aanlegplaats. Het recht om een veer te exploiteren kon behoren aan een landsheer, plaatselijke heer, kerkelijke instelling of gemeenschap. De gebruiker betaalde mogelijk met geld, een product of een vaste jaarlijkse bijdrage. Langs de Amstel en haar zijwateren hielden veren ontginningen met elkaar verbonden. Waar later een brug verscheen, bleef de herinnering aan een oudere oversteek soms bewaard in plaatsnamen of oude routes.
Bruggen blijven voorlopig eenvoudig
Kleine sloten konden met een plank of eenvoudige houten brug worden overspannen. Voor bredere waterlopen waren palen, liggers en meer timmerwerk nodig. Een brug moest bovendien voldoende hoog zijn of geopend kunnen worden wanneer boten passeerden. Voor een zeer vroege brug tussen de oevers van de Amsterdamse nederzetting zijn verschillende reconstructies voorgesteld. Zo is gedacht aan een verbinding tussen de latere Warmoesstraat en Nieuwendijk. De precieze ligging, vorm en aanlegdatum zijn echter niet overtuigend vastgesteld. Het is daarom veiliger rekening te houden met veren en tijdelijke overgangen dan een grote vaste brug als zekerheid in het oudste Amsterdam op te nemen. Pas wanneer verkeer, bebouwing en bestuur toenamen, werd het aantrekkelijker gezamenlijk te betalen voor een brug die dagelijks onderhoud, bewaking en soms bediening vereiste.
Viswater kent eigenaren en gebruikers
De Amstel, het IJ, meren en ontginningssloten leverden snoek, paling, brasem en andere vis, maar het water stond niet zonder regels voor iedereen open. Visrechten konden bij de bisschop, een kapittel, de heer van Amstel of een plaatselijke gemeenschap berusten. Een visser pachtte een deel van het water, leverde een aandeel van zijn vangst of mocht alleen bepaalde netten en fuiken gebruiken. Ook rietlanden, hooivelden en gemeenschappelijke weiden kenden begrensde gebruiksrechten. Buren bepaalden wanneer vee op gemeenschappelijke grond mocht grazen en wie turf, riet of hout mocht winnen. Zulke afspraken ontstonden uit plaatselijk gebruik en werden dikwijls mondeling doorgegeven. Wie zonder toestemming viste, een fuik beschadigde of meer vee inschaarde dan was toegestaan, kon voor het plaatselijke gerecht worden geroepen.
Gewoonterecht bewaakt iedere sloot
Vóór Amsterdam uitgebreide keurboeken bezat, rustte veel recht op gewoonte. Bewoners wisten welke sloot zij moesten schonen, welk stuk kade bij hun erf hoorde en waar een grenspaal stond. Wanneer onenigheid ontstond, riep de schout betrokkenen en getuigen bijeen. Ervaren buren verklaarden wat vroeger was afgesproken of hoe een recht altijd was gebruikt. Schepenen of andere plaatselijke oordeelaars konden vervolgens beslissen. Een uitspraak hoefde niet uit een geschreven wetboek voort te komen; bestaand gebruik, de eed van getuigen en het gezag van de heer wogen zwaar. Verplaatste grensstenen, dichtgegooide afwateringen en beschadigde dijken waren ernstige zaken omdat zij bezit en veiligheid tegelijk raakten. Zo groeide plaatselijke rechtspraak rechtstreeks uit de dagelijkse noodzaak om grond, water en onderlinge verplichtingen ordelijk te verdelen.
Getuigen dragen het verleden mee
Een koop, ruil of grensafspraak werd in de vroege periode niet altijd op perkament gezet. Betrokkenen verrichtten soms een zichtbare handeling, spraken een eed uit of bevestigden de overeenkomst met een handslag. Getuigen onthielden wie aanwezig was en welke voorwaarden waren afgesproken. Wanneer jaren later een conflict ontstond, konden zij voor het gerecht verklaren. Kerkelijke instellingen lieten rechten vaker opschrijven, omdat tienden, cijnzen en grondbezit over meerdere generaties moesten worden beschermd. Ook machtige heren gebruikten oorkonden om schenkingen, lenen en privileges vast te leggen. Voor gewone bewoners bleef mondeling geheugen echter belangrijk. Daardoor zijn veel dagelijkse afspraken verdwenen zonder schriftelijk spoor. De archeologie bewaart soms de huizen en sloten die uit zulke besluiten voortkwamen, terwijl de namen van de mensen die ze maakten voorgoed onbekend bleven.
Waterbeheer wordt plaatselijke rechtspraak
Iedere ontginner kon zijn eigen sloot uitdiepen, maar niemand kon alleen een heel veengebied drooghouden. Water stroomde van het ene perceel naar het andere en bereikte uiteindelijk een gezamenlijke wetering, sluis of rivier. Wanneer één bewoner zijn deel liet dichtgroeien, steeg het water ook bij zijn buren. De gemeenschap bepaalde daarom onderhoudsdagen, verdeelde dijkvakken en controleerde het werk. Een nalatige gebruiker kon worden beboet of gedwongen alsnog te graven. Bij acuut gevaar kwamen mannen met spaden, zoden, hout en kruiwagens bijeen om een zwakke kade te versterken. De schout trad namens de heer op, maar was afhankelijk van plaatselijke kennis en gezamenlijke arbeid. In dit dagelijkse waterrecht lagen al de beginselen van het latere georganiseerde polder- en waterschapsbestuur besloten.
Amsterdam vóór 1300
De graaf houdt het stadsbestuur in handen
Vóór 1300 stond het bestuur van Amsterdam nog sterk onder invloed van de graaf van Holland. De nederzetting ontwikkelde zich wel tot een stedelijke gemeenschap, maar de inwoners konden hun belangrijkste bestuurders nog niet zelfstandig aanwijzen. De graaf liet zijn gezag in Amsterdam uitoefenen door een schout. Deze functionaris vertegenwoordigde de landsheer en hield toezicht op het plaatselijke bestuur, de orde en de rechtspraak. Amsterdam maakte daarmee bestuurlijk deel uit van het graafschap Holland. De vroege stad beschikte al over eigen instellingen, maar die functioneerden nog binnen een systeem waarin het grafelijke gezag duidelijk aanwezig bleef.
De schout als vertegenwoordiger van de landsheer
De schout was niet alleen een plaatselijke bestuurder. Hij trad in Amsterdam op namens de graaf van Holland. Daardoor vormde hij de verbinding tussen de stedelijke gemeenschap en de hogere overheid. Hij speelde een rol bij de handhaving van de orde, de uitvoering van besluiten en de rechtspraak. De precieze verdeling van zijn werkzaamheden wordt in deze bron niet verder uitgewerkt, maar duidelijk is dat zijn positie voortkwam uit het gezag van de graaf. De inwoners van Amsterdam kozen hem niet zelf. Zolang de schout door de landsheer werd aangesteld, behield de graaf een rechtstreeks middel om invloed uit te oefenen op het dagelijks bestuur van de stad.
Zeven schepenen spreken recht
Naast de schout stonden zeven schepenen. Zij waren plaatselijke bestuurders die zich vooral met de rechtspraak bezighielden. Zij behandelden geschillen, beoordeelden overtredingen en namen beslissingen in zaken die binnen de gemeenschap speelden. In deze vroege periode waren bestuur en rechtspraak nog niet duidelijk van elkaar gescheiden. Dezelfde mannen die betrokken waren bij het nemen van stedelijke besluiten konden ook optreden als rechters. De schepenen vormden daardoor samen met de schout de bestuurlijke kern van Amsterdam. Hun aanwezigheid laat zien dat de nederzetting al vóór 1300 over een georganiseerde vorm van lokaal bestuur beschikte.
Nog geen burgemeesters
Van een college van vier burgemeesters was vóór 1300 nog geen sprake. Ook de vier raden die later toezicht hielden op stedelijke financiën en publieke werken waren nog niet ontstaan. Die uitbreiding van het bestuur werd pas noodzakelijk toen Amsterdam in de veertiende eeuw sterk groeide. Voor 1300 was de stedelijke organisatie kleiner en eenvoudiger. De belangrijkste functies lagen bij de schout en de zeven schepenen. Zij moesten zowel bestuurlijke als rechterlijke taken uitvoeren, terwijl de graaf via zijn benoemingen invloed hield op de personen die deze werkzaamheden verrichtten.
Een stad met beperkte zelfstandigheid
Amsterdam bezat vóór 1300 dus wel een eigen bestuurlijke organisatie, maar nog geen vergaande autonomie. De stad kon plaatselijke zaken behandelen en rechtspreken, maar de hoogste bestuurlijke invloed lag nog bij de graaf van Holland. De schout vertegenwoordigde zijn gezag en ook de samenstelling van het schepencollege stond niet los van de landsheer. De latere ontwikkeling naar een zelfstandiger stadsbestuur moest nog beginnen. In de veertiende eeuw zouden naast de schout en de zeven schepenen vaste raden verschijnen. In 1400 zou vervolgens het recht op de benoeming van de burgemeesters grotendeels binnen de Amsterdamse bestuurskring terechtkomen. Vóór 1300 lag die ontwikkeling nog in de toekomst.
De Amstel bewaart oudere bezoekers
Onder het huidige Damrak en Rokin lag lang vóór Amsterdam een gebruikte rivierzone. Bij de Noord/Zuidlijn kwamen uit oude beddinglagen stenen werktuigen, bijlen en hamers tevoorschijn. Een granieten maalsteen dateert uit ongeveer 2750–2700 voor Christus; een strijdhamer en een hamer van gewei worden rond 2600 voor Christus geplaatst.
Een hamerbijl, benen priem en scherven van klokbekeraardewerk volgden omstreeks 2200–2000. Uit de bronstijd kwamen een lanspunt en een jongere maalsteen van omstreeks 900. Ook Romeinse en vroegmiddeleeuwse voorwerpen bereikten later de bodem van dezelfde rivier. De Amstel trok dus herhaaldelijk mensen aan, eeuwen voordat huizen haar oevers vastlegden en de rivier een stedelijke naam kreeg.
blz. 1
Losse voorwerpen vormen nog geen dorp
Geen van die oudste vondsten lag in een herkenbare huisvloer of haardplaats. Er verscheen geen vaste paalrij, afvalkuil of nederzettingslaag uit de steentijd. Een bijl kon vanaf een oever vallen, een pot breken tijdens tijdelijk verblijf of met afkalvende grond in het stromende water terechtkomen.
De bedding verzamelde wat mensen verloren, wegwierpen of door overstromingen kwijtraakten. Ook oudere oevers konden geheel verdwijnen, waardoor een verblijfplaats onvindbaar werd. Menselijke aanwezigheid rond de latere binnenstad is daarmee werkelijk archeologisch aangetoond. Een onafgebroken bewoning vanaf de prehistorie blijft echter onbewezen, en juist dat verschil bewaakt de grens tussen vondst en verhaal.
blz. 2
Veen groeit boven de oude riviergrond
Na die bezoeken veranderde het landschap nog duizenden jaren zonder blijvende nederzetting. Afgestorven planten vormden in stilstaand water een veenpakket dat plaatselijk meters dik werd. Ruggen en koepels konden enkele meters boven natte kommen en kreken uitsteken. De Amstel sneed als natuurlijke veenrivier door dit terrein naar IJ en Almere.
Langs de zure, voedselarme bodem groeiden riet, zeggen, ruigte en wilde gagel. Gagel kon insecten verjagen, leer helpen looien, wol geel kleuren en als geneesmiddel dienen. Bladeren en bloemknoppen leverden bovendien bitterstof voor bier voordat hop algemeen werd. Dezelfde struik verried schrale natte grond, waar akkers kwetsbaar bleven maar vis, vee, turf en vaarwater kansen boden.
blz. 3
De westelijke zee was nog veenland
Ten noorden van de latere Amstelmond lag niet altijd een open Zuiderzee. Grote delen van de westelijke Waddenzee hadden een terrestrisch verleden. Veenland, meren, kreken en geulen vormden daar een veranderlijk landschap. Hogere veenruggen lagen tussen natte kommen, ondiepe wateren en afkalvende oevers.
Het artikel van Meindert Schroor beschrijft hoe veel van dat land verdween. Stormvloeden openden en verbreedden geulen, terwijl ontwatering de veenbodem verlaagde. Water kreeg daardoor steeds meer ruimte. Veen brak af, spoelde weg of verdween door langdurige overstroming. De Amstelmond kwam zo geleidelijk dichter bij een wijder noordelijk vaargebied.
blz. 4
Geen storm schiep Amsterdam ineens
De uitbreiding van Almere en Zuiderzee was geen gebeurtenis van één nacht. Stormen, hoge waterstanden en bodemdaling werkten gedurende lange tijd samen. Ook menselijke ontginning speelde een rol, omdat drooggelegd veen kromp en verteerde. Daardoor kwam het maaiveld lager ten opzichte van rivier en buitenwater.
De stormvloed van 1170 vormde een belangrijke episode in dat proces. Zij kan echter niet alleen als schepper van Amsterdam worden beschouwd. Latere stormen vergrootten de schade, terwijl oude waterverbindingen verder openbraken. De riviermond werd beter bereikbaar, maar huizen en erven kwamen tegelijk dichter bij gevaarlijk buitenwater te liggen.
blz. 5
Een kaart toont de latere uitkomst
De kaart van Christiaan Sgrooten uit 1573 toont een landschap dat al eeuwen door water en mensen was veranderd. Zij geeft daarom geen rechtstreeks beeld van Amstelland rond het jaar 1000. De kust, eilanden en vaarwegen waren tegen die tijd gevormd door overstroming, bedijking en inpoldering.
Toch bewaart de kaart oude namen, watermassa’s en regionale verbindingen. Historici vergelijken zulke kaarten met bodemlagen, oorkonden en verkavelingen. Een kaart toont vooral een latere toestand; archeologie bewaart plaatselijke veranderingen. Geschreven stukken noemen vooral bezit, rechten, conflicten en bestuurlijke afspraken, waardoor bronnen elkaar moeten aanvullen.
blz. 6
Water kiest verschillende uitwegen
Het latere Amstelland vormde geen eenvoudig stroomgebied met één vaste hoofdroute. Natuurlijke rivieren, veenstromen en meren voerden water in verschillende richtingen af. Veenruggen en hogere waterscheidingen hielden sommige gebieden van elkaar gescheiden. Water uit een westelijk veenblok kon daardoor naar Gein of Vecht lopen.
M.W. Baayen reconstrueert een ouder systeem waarin Winkel en Gein belangrijk waren. Volgens hem waren Amstel en Holendrecht niet overal vanaf het begin hoofdafvoer. Zijn reconstructie steunt op slootpatronen, hoogteverschillen, grenzen en waternamen. Geen middeleeuwse bron beschrijft dit volledige stelsel in één samenhangend verslag. Daarom blijft het een beredeneerde reconstructie.
blz. 7
De Winkel voert naar het Gein
De Winkel liep volgens Baayen vanuit het westelijke veen naar het Gein. Van daaruit bestond verbinding met Angstel, Vecht en Utrecht. Tegenover de monding van de Winkel lag later de versterkte plaats Abcoude. Bij Nellestein bevond zich hoger hofland langs oude bewoonbare riviergronden.
Hofland bood ruimte voor een woonplaats, opslag, bestuur en landbouw. De rivier bracht goederen en mensen, maar vormde ook een bestuurlijke grens. Schuiten konden langs deze route turf, hout, voedsel en vee vervoeren. Dezelfde waterweg verbond ontginningen met de oudere Utrechtse verkeerswereld, lang voordat Amsterdam de monding beheerste.
blz. 8
De Oude Amstel kan een herinnering bewaren
Baayen vermoedt dat water ten zuiden van Ouderkerk aanvankelijk anders stroomde. Een hoofdroute zou via de Oude Amstel, Bullewijk, Winkel en Gein hebben gelopen. De naam Oude Amstel kan volgens hem een herinnering aan die vroegere loop bewaren. Dat is aannemelijk binnen zijn reconstructie, maar niet rechtstreeks door een akte bevestigd.
Ook de naam Duivendrecht kan een oude waternaam en oversteek bewaren. Het tweede deel, drecht, wordt vaak met een oversteek verbonden. De precieze herkomst van het eerste deel blijft echter onderwerp van discussie. Plaatsnamen leveren aanwijzingen over het landschap, maar mogen zonder aanvullende bronnen niet als sluitend bewijs worden gebruikt.
blz. 9
Veenruggen worden doorgraven
Waar natuurlijke afwatering onvoldoende werkte, groeven bewoners verbindingen door het veen. Een wetering kon twee waterlopen koppelen die eerder van elkaar waren gescheiden. De uitgegraven grond kwam op de kanten en vormde een lage kade. Dammen hielden ongewenst buitenwater tegen, terwijl sluizen afvoer mogelijk maakten.
Elke ingreep veranderde de waterverdeling. Een bovenloop kon benedenloop worden, een oude hoofdarm langzaam dichtgroeien. Sommige waternamen bleven bestaan nadat de stroomrichting was veranderd. Andere namen verhuisden met een nieuwe verbinding. Het landschap ontstond daardoor niet uit één groot waterbouwkundig plan, maar uit herhaalde plaatselijke aanpassingen.
blz. 10
De noordelijke Amstel lijkt gegraven
Baayen vermoedde tussen de Omval en de latere Amsterdamse binnenstad een gegraven waterverbinding. De betrekkelijk rechte loop en een zichtbare knik in de rivier leken op menselijk graafwerk te wijzen. Zo’n verbinding kon zuidelijk water rechtstreeks naar IJ en Amstelmond voeren.
De Bont dateerde mogelijke werkzaamheden ruimer tussen ongeveer 1200 en 1250. Baayen bracht de ingreep specifieker in verband met de jaren rond 1202. Hij wees daarbij op geschillen en afspraken over Utrechtse weteringen. De hypothese maakte van de noordelijke Amstel een kunstmatige verbinding tussen twee oudere natuurlijke stroomstelsels.
blz. 11
De Oude Kerk wordt een mogelijk richtpunt
In Baayens uitleg lijkt de waterloop zich op de Oude Kerk te richten. Bij die plek zijn sporen gevonden uit de late twaalfde of vroege dertiende eeuw. Wanneer het water werkelijk doelgericht werd gegraven, moest daar volgens deze gedachte al een kerk of nederzettingskern liggen.
Hij plaatste de mogelijke doorgraving daarom tussen ongeveer 1175 en 1204. Arbeiders zouden vanuit bestaande waterlopen een verbinding door het veen hebben gemaakt. Uitgegraven grond kwam langs de kanten, terwijl water de sleuf vulde. Een nieuwe vaarweg kon dan het achterland rechtstreeks verbinden met de monding aan het IJ.
blz. 12
De bodem wijst op een echte rivier
Later archeologisch en bodemkundig onderzoek leverde echter een ander beeld op. Tussen Omval, Martin Luther Kingpark en de binnenstad werd een diepe bedding herkend. De rivier had zich plaatselijk tot ongeveer tien meter onder NAP ingesneden. De bedding vertoonde vormen die bij een natuurlijke rivier passen.
Langs het vermeend gegraven traject werd bovendien bosveen gevonden. Dat ontstond in een voedselrijker milieu langs een natuurlijke waterloop. Ook meanders en oeverafzettingen sluiten beter bij een veenrivier aan. Daarom geldt een volledig gegraven Amstel tegenwoordig niet als de waarschijnlijkste verklaring, al blijven menselijke ingrepen goed mogelijk.
blz. 13
Mensen veranderen een natuurlijke stroom
De Amstel kan van nature hebben bestaan en toch ingrijpend zijn veranderd. Bewoners konden dichtgegroeide delen uitruimen, smalle passages verdiepen en verbreden. Zij konden bochten afsnijden, zijstromen met weteringen verbinden en oevers met kaden versterken. Dammen stuurden vervolgens de afvoer.
De tegenstelling tussen natuurlijke rivier en gegraven kanaal hoeft daarom niet ieder menselijk werk uit te sluiten. De bedding zelf was waarschijnlijk natuurlijk. Haar werking werd steeds sterker door bewoners en ontginners bepaald. Lang vóór Amsterdam een stad was, werd de rivier onderhouden en aangepast met spaden, hout, aarde en vlechtwerk.
blz. 14
Niftarlake omvat de Amstelstreek
Aan het einde van het eerste millennium werd Amstelland gerekend tot Niftarlake. Dit vroegmiddeleeuwse gebied omvatte vermoedelijk Amstelland en delen van het Gooi. De precieze grenzen zijn onzeker, omdat slechts weinig bronnen bewaard bleven. Onderzoekers reconstrueren het gebied uit namen, bezit en bestuurlijke rechten.
Niftarlake lag tussen oudere machtswerelden. Friese en Frankische invloed hadden in eerdere eeuwen om voorrang gestreden. Rond het jaar 1000 behoorde Amstelland tot het wereldlijke domein van Utrecht. De bisschop was daar geestelijk leider en tegelijk wereldlijk landsheer, met gezag over grond en rechtspraak.
blz. 15
De bisschop geeft veenland uit
De bisschop beschikte over het recht ongebruikte wildernis uit te geven. Dit wildernisregaal maakte het mogelijk veenland voor ontginning te verdelen. Ambtsdragers wezen stroken grond toe, bepaalden grenzen en verlangden cijnzen. Wanneer de grond opbrengst leverde, volgden tienden en onderhoudsplichten.
De bisschop zelf groef geen sloten. Boerengezinnen, knechten en arbeiders trokken met spaden het natte land in. Zij maakten afwatering, bouwden erven en hielden kaden en sloten open. Bestuurlijk recht uit Utrecht werd zo zichtbaar in het landschap, waar lange kavels ontstonden tussen even lange ontginningssloten.
blz. 16
Ontginners volgen water en reliëf
Vanaf de tiende en vooral elfde eeuw trokken mensen het veengebied stelselmatig open. Vanuit Amstel, kreken en bestaande waterlopen groeven zij lange sloten het achterland in. De natuurlijke hoogten stuurden hun richting, waardoor percelen knikten of taps toeliepen. Historici reconstrueren soms kavels van dertig roeden, maar de precieze maat blijft omstreden.
Chris de Bont zocht de ontginningsbasis meer landinwaarts achter de latere Nieuwendijk. Claudine Verkerk plaatste haar dichter bij het water van het latere Damrak. Geschreven uitgifteakten ontbreken, zodat beide reconstructies op landschap, verkaveling en archeologie steunen. Boeren groeven intussen zonder die latere kaarten, volgden het aflopende veen en hielden hun nieuwe sloten met de schop open.
blz. 17
Kolonisten komen niet uit één plaats
De ontginners kunnen middeleeuwse kolonisten van het veengebied worden genoemd. Zij vormden echter geen bewezen groep die gezamenlijk uit Utrecht-stad kwam. Sommigen kwamen mogelijk uit nederzettingen langs Vecht, Rijn of Kennemerland. Anderen trokken vanuit nabijgelegen erven steeds verder het veen in.
Hun persoonlijke namen en herkomst bleven meestal buiten de geschreven bronnen. Zij kregen lange stroken land, groeven sloten en bouwden houten huizen. Een bewoner kon tegelijk boer, visser, schipper en dijkwerker zijn. Zijn afwatering raakte die van de buren, waardoor individuele erven vanaf het begin onderling van elkaar afhankelijk waren.
blz. 18
Oude ontginningen volgen natuurlijke stromen
Baayen onderscheidt verschillende ontginningsfasen. De oudste blokken begonnen volgens hem aan natuurlijke rivieren en veenstromen. Daarna volgden kavels langs waterlopen die eerst moesten worden gegraven. Ingesloten restveen en blokland kwamen pas later voor verdeling wanneer oudere grenzen al vastlagen.
Ontginningen aan natuurlijke wateren plaatst hij in de late tiende en vooral de elfde eeuw. Blokken langs gegraven ontginningsbases zouden uit de late elfde of vroege twaalfde eeuw stammen. Later ingesloten land volgde in de twaalfde of vroege dertiende eeuw. Deze datering blijft indirect gereconstrueerd.
blz. 19
Kavels verraden hun onderlinge ouderdom
Een jongere ontginning hield vaak rekening met de grens van een ouder blok. Kavels liepen dan tegen bestaande sloten, kaden of achtergrenzen dood. Elders werd een kleine veenstroom genegeerd, wat op een grootschalige eerdere uitzetting wees. Zo kon uit de vorm een relatieve volgorde worden afgeleid.
Geen bewaarde oorkonde vermeldt voor iedere sloot de eerste spadesteek. Onderzoekers combineren daarom perceelsrichting, kaveldiepte, waterafvoer en latere plaatsnamen. Ook archeologisch aardewerk kan aantonen dat bewoning vóór een bepaalde eeuw al diep in het ontgonnen land lag. De exacte aanlegjaren blijven echter voor veel gebieden onbekend.
blz. 20
Amstelveen was groter dan het dorp
Het middeleeuwse Amstelveen was niet gelijk aan de huidige plaats Amstelveen. De naam kon een veel groter veen- en ontginningsgebied aanduiden. Dat gebied strekte zich mogelijk uit langs verschillende bovenlopen van de Amstel, van noordelijke kavels tot gronden bij Uithoorn en Kudelstaart.
Latere uitvening, droogmaking en inpoldering verdeelden dit oude landschap. Nieuwe poldernamen verdrongen oudere gebiedsnamen. Baayen zoekt het oorspronkelijke Amstelveen vooral bij Thamen en Legmeer. Daar lagen grote ontginningsblokken die later door water en vervening grotendeels uit het zicht verdwenen, terwijl de naam noordelijker bleef voortleven.
blz. 21
Thamen en Legmeer vormen één groot blok
Ten noorden van het latere Zijdelmeer lag een uitgestrekt ontginningsgebied. Kleine veenstromen werden bij de verkaveling niet als belangrijkste grens gebruikt. Lange kavels liepen vanaf de Amstel tot dicht bij Aalsmeer. Plaatselijk bereikten zij ongeveer twaalf voorling, een opvallend diepe verdeling.
Thamen en Legmeer vormden waarschijnlijk delen van hetzelfde oude complex. De latere ontginning Steenwijk hield rekening met de bestaande grens. Thamen-Legmeer moet daarom ouder zijn geweest. Baayen plaatst het begin mogelijk al vroeg in de elfde eeuw. Een exact jaar of uitgegeven ontginningsakte is daarvoor niet bewaard.
blz. 22
Kudelstaart sluit tegen oudere grond
Kudelstaart lag aan de zuidwestelijke rand van het oude Amstellandse ontginningsgebied. Het hoorde bij een landschap van Drecht, meren en veenstromen. Het kapittel van Sint-Jan in Utrecht bezat daar grond en rechten. Ontginningen sloten aan op oudere grenzen van Thamen, Legmeer en Aalsmeer.
De naam Kudelstaart werd later verbonden met afzonderlijke ambachten en bestuurlijke rechten. In de vroege ontginningsfase waren waterafvoer, grondbezit en bereikbaarheid belangrijker dan de latere dorpsgrenzen. Boeren gebruikten sloten als vaarweg, terwijl kaden tegelijk grens en bescherming tegen buitenwater vormden. Zo bleef Kudelstaart met Amstelland verbonden.
blz. 23
Nieuwer-Amstel ligt aan de westelijke oever
Langs de westelijke oever van de Amstel lagen de ontginningen van Nieuwer-Amstel. Sloten liepen vanaf de rivier westwaarts diep het veen in. Kleine natuurlijke waterlopen onderbraken de regelmatige kavels. Kaden scheidden oudere ontginningsdelen van later verdeelde grond.
Latere bronnen noemen binnen dit gebied Smedeman, Middeldorp en Roemersdorp. Deze namen zijn jonger dan de eerste verkaveling. Bij de latere kerk werd aardewerk uit de dertiende eeuw gevonden. Bewoning lag toen al ver van de oorspronkelijke rivieroever, diep binnen het ontgonnen veen.
blz. 24
Bewoners schuiven van de rivier weg
De eerste erven lagen waarschijnlijk dicht bij rivier en ontginningsbasis. Door bodemdaling werd de voorste grond geleidelijk natter en moeilijker bruikbaar. Bewoners verplaatsten huizen en stallen daarom soms verder landinwaarts. Oude erven werden verlaten, opgehoogd of als landbouwgrond gebruikt.
Nieuwe bewoningsassen ontstonden langs kaden, wegen en achtergrenzen van kavels. Een nederzetting kon zo door haar eigen ontginning heen schuiven. De kerk bleef aanvankelijk vaak op een oudere centrale plaats staan. De afstand tot die kerk groeide, tot een eigen kapel of parochiekerk noodzakelijk werd.
blz. 25
Duivendrecht ligt aan de oostzijde
Aan de oostzijde van de Amstel lag de ontginning van Duivendrecht. De kavels liepen vanaf het water oostwaarts diep het veen in. Dertiende-eeuws aardewerk werd ver achter de latere bewoningsas gevonden. Daaruit volgt dat bewoners toen al ver landinwaarts woonden.
De ontginning zelf moet ouder zijn. Baayen plaatst haar in de elfde eeuw en mogelijk al na het midden van de tiende eeuw. Die vroege datering blijft een reconstructie. De ligging naast Ouderkerk en de diepe bewoningsverschuiving ondersteunen wel een langdurige ontwikkeling vóór het dertiende-eeuwse aardewerk werd achtergelaten.
blz. 26
De bisschop verdeelt rechten en lasten
De ontginning bracht niet alleen drogere grond, maar ook grenzen, betalingen en verplichtingen. De bisschop van Utrecht gold aanvankelijk als wereldlijk landsheer van het Amstelland. Hij verlangde cijnzen, tienden en diensten, liet recht spreken en grenzen bewaken. Het kapittel van Sint-Jan bezat vooral belangen in Mijdrecht en de Ronde Venen.
Sint-Marie bezat rechten langs Amstel en Vecht, zonder dat zulke kapittels kloosters waren. Plaatselijke heren bestuurden dichter bij het land. Wolfger of Wolfgerus verschijnt rond 1105, daarna volgden Egbert en opeenvolgende Gijsbrechten. Zij ontvingen inkomsten, riepen mannen op en waakten over viswater en waterwerken. Boeren droegen ondertussen zoden en klei; gezag stond op perkament, het landschap in handen.
blz. 27
Sint-Jan bezit grond en inkomsten
Het kapittel van Sint-Jan in Utrecht bezat rechten in het zuidelijke veengebied. Daartoe behoorden belangen in Mijdrecht, Kudelstaart en omliggende ontginningen. Een kapittel bestond uit kanunniken, niet uit afgesloten kloosterlingen. Zij beheerden gezamenlijk grond en inkomsten voor hun kerk en levensonderhoud.
Plaatselijke vertegenwoordigers inden cijnzen, tienden en andere verschuldigde opbrengsten. Boeren konden grond gebruiken onder wereldlijk gezag van de bisschop, terwijl een deel van de opbrengst aan het kapittel toeviel. Kerkelijk bezit lag daardoor niet buiten de samenleving, maar midden in dagelijks grondgebruik.
blz. 28
Sint-Marie bezit rechten langs het water
Ook het kapittel van Sint-Marie bezat goederen en rechten in Amstelland. Zijn belangen lagen onder meer langs Waver, Amstel en Vecht. Grondbezit, tienden en patronaatsrechten konden over verschillende plaatsen verspreid liggen. Een enkele nederzetting viel daardoor niet onder één eenvoudige eigenaar.
De bisschop kon landsheer zijn, een kapittel bezitter van tienden, een plaatselijke heer houder van rechtspraak en een boer gebruiker van de grond. Daarnaast konden visrechten, vaarrechten en onderhoudsplichten afzonderlijk zijn verdeeld. Zo ontstond een landschap van overlappende rechten.
blz. 29
Mijdrecht ligt in hetzelfde rechtenlandschap
Mijdrecht hoorde bij het zuidelijke deel van deze Utrechtse veenwereld. De ontginningen lagen bij de Kromme Mijdrecht, Drecht en aangrenzende waterlopen. Sint-Jan bezat er belangrijke rechten. Boeren groeven kavels vanuit het water en hielden sloten, kaden en gemeenschappelijke afvoer open.
De Ronde Venen vormden geen afgelegen rand zonder verband met Amstelland. Water, bezit en kerkelijke belangen verbonden beide gebieden met Utrecht. Via rivieren en weteringen konden goederen naar Vecht en Rijn gaan. Dezelfde bestuurlijke wereld waarin Mijdrecht werd ontgonnen, reikte noordwaarts tot Ouderkerk en Amsterdam.
blz. 30
DE OPKOMST VAN DE AMSTERDAMSE HAVEN
Amsterdam vóór 1300
Een oorsprong die niet met zekerheid is vast te leggen
Over de eerste vestiging en de oudste ontwikkeling van Amsterdam is volgens W.H.M. de Fremery weinig met zekerheid bekend. Hetzelfde geldt voor de vroegste inrichting van de haven. Er bestaat geen volledig en betrouwbaar beeld van het moment waarop bij de monding van de Amstel een blijvende nederzetting ontstond, hoe groot die aanvankelijk was en op welke wijze de eerste bewoners hun schepen aanlegden. De geschiedenis van de Amsterdamse haven begint daarom niet met een precies jaartal of een duidelijk ontworpen haven, maar met een natuurlijk waterlandschap waarvan de mogelijkheden geleidelijk werden benut.
De brede monding van de Amstel en de rede op het IJ moeten al in de tijd van de eerste bewoning als ligplaats voor schepen hebben gediend. Schepen konden vanaf het IJ de Amstelmonding binnenvaren of op de rede voor de nederzetting voor anker gaan. Van aangelegde kaden, vaste havenhoofden of andere grote havenwerken is voor deze vroege periode niets met zekerheid bekend. De natuurlijke vorm van het water en de beschutting van het IJ vormden vermoedelijk de eerste havenvoorziening.
De zeedijk en de oudste mogelijke havenaanleg
Een belangrijke, maar door De Fremery onopgeloste vraag betreft het verloop van de oude zeedijk langs de zuidelijke oever van het IJ. Mogelijk boog deze dijk bij de Amstelmonding landinwaarts. In dat geval zou hij langs beide zijden van de Amstel hebben gelopen en ter hoogte van de Middeldam met twee sluizen zijn voortgezet.
Een andere mogelijkheid is dat de zeedijk aanvankelijk ongeveer in de richting van de latere Nieuwe Brug liep en de Amstelmonding met één sluis afsloot. Wanneer deze tweede veronderstelling juist is, zou die sluis later een belangrijk eind stroomopwaarts zijn verplaatst. Die verplaatsing zou gepaard zijn gegaan met nieuwe dijkaanleg.
Door de sluis verder naar het zuiden te leggen, kon tussen de nieuwe dam en het IJ een ruimer wateroppervlak ontstaan. Dit gebied zou als veilige ligplaats voor schepen hebben kunnen dienen. De Fremery beschouwt deze mogelijke ingreep als een vermoedelijke oudste vorm van havenaanleg. Zeker is dit echter niet. Hij laat de vraag uitdrukkelijk open, omdat de beschikbare gegevens geen definitief antwoord toelaten.
De Middeldam, die later de Dam werd, wordt vermoedelijk omstreeks 1265 geplaatst. De Fremery noemt dit jaartal elders in zijn beschrijving van de haven. De dam sloot de Amstel af en bevatte waarschijnlijk twee sluizen. Het water ten noorden van deze dam, het latere Damrak, kon daardoor uitgroeien tot een beschutte binnenhaven. Voor de periode vóór 1300 is echter niet precies vast te stellen hoe snel deze ontwikkeling plaatsvond of welke voorzieningen toen al aanwezig waren.
Een natuurlijke inham aan de oostzijde
Ook de sterke inbuiging van de zeedijk ten oosten van de Amstelmonding roept vragen op. Daar bleef een aanzienlijk gedeelte van het oeverland buitendijks liggen. De bocht omsloot een ruime inham of waal.
De Fremery noemt twee mogelijke verklaringen voor het ontstaan van deze vorm. De inham kan het gevolg zijn geweest van een vroegere dijkdoorbraak. Een doorgebroken dijk kon een diepe kolk of waal achterlaten, die vervolgens als waterbekken bleef bestaan. Het is echter ook mogelijk dat de bocht uitsluitend voortkwam uit de natuurlijke bodemgesteldheid en de oorspronkelijke vorm van de IJ-oever.
Ook deze kwestie blijft onopgelost. Wel werd deze oostelijke inham later bekend als de Oude Zijdswaal en kreeg zij grote betekenis als ligplaats, winterhaven en plaats voor het herstellen en uitrusten van zeeschepen. Hoeveel daarvan al vóór 1300 werd benut, kan uit de bron niet worden vastgesteld.
De ligging aan Amstel en IJ
Hoewel over de exacte inrichting weinig zekerheid bestaat, staat voor De Fremery vast dat de opkomst van Amsterdam nauw samenhing met scheepvaart en handel. De nederzetting lag aan de monding van de Amstel in het IJ, vlak bij de Zuiderzee. Daarmee bevond zij zich op het kruispunt van verschillende waterwegen.
Via de Zuiderzee konden schepen naar het noorden en oosten varen, waaronder naar de Oostzee. Via het binnenwater bestonden verbindingen met andere delen van Holland en met het gebied verder naar het zuiden. De Amstel vormde tegelijk een veilige ligplaats voor kleinere vaartuigen.
De rede op het IJ was breed en relatief goed beschut. De zuidelijke IJ-oever, de tegenoverliggende Waterlandse kust en de landtong van de Volewijk droegen later aantoonbaar aan die beschutting bij. De Fremery beschrijft deze geografische voordelen vooral voor de latere haven, maar zij waren als natuurlijke omstandigheden ook al vóór 1300 aanwezig.
De Amstellandse kogge van 1247
Het vroegste concrete bewijs voor de omvang van de Amsterdamse scheepvaart is volgens De Fremery de beslaglegging op een Amstellandse kogge in 1247. Het schip werd door inwoners van Lübeck of door Lübeckse autoriteiten in beslag genomen.
Een kogge behoorde in die tijd tot de grootste en belangrijkste zeegaande handelsschepen van Noordwest-Europa. Het was een breed en stevig vrachtschip dat grote hoeveelheden goederen kon vervoeren. Dat een Amstellandse kogge in 1247 in verbinding met Lübeck voorkomt, wijst erop dat vanuit het gebied rond Amsterdam al in het midden van de dertiende eeuw zeereizen naar de Oostzee werden ondernomen.
De Fremery beschouwt deze gebeurtenis als een krachtig bewijs dat de grootste bekende zeeschepen vanuit Amsterdam of Amstelland de Oostzee bevoeren. De nederzetting was dus vóór 1250 niet uitsluitend afhankelijk van plaatselijke visserij of kleinschalige binnenvaart. Zij maakte al deel uit van een groter handels- en scheepvaartgebied.
De bron noemt niet welke goederen zich aan boord van de kogge bevonden, wie de eigenaar was of wat de precieze aanleiding voor de beslaglegging vormde. Die details blijven onbekend. De betekenis van het voorval ligt vooral in het bestaan van een Amstellands zeeschip op een verre handelsroute.
Amsterdam en de Oostzeehandel
De vaart naar de Oostzee was een belangrijke pijler onder de latere Amsterdamse handel. De vermelding uit 1247 toont dat deze verbinding al vroeg bestond. Amsterdamse of Amstellandse schippers konden via het IJ en de Zuiderzee de zeegaten bereiken en vandaar langs de Noordzeekust en door de Deense wateren naar de Oostzee varen.
In de Oostzeelanden waren onder meer graan, hout, vlas, hennep, pek, teer en bier verkrijgbaar. De Fremery noemt deze producten in zijn beschrijving van de latere Oosterse handel. Voor de dertiende eeuw specificeert hij niet welke goederen daadwerkelijk door Amsterdamse schepen werden vervoerd. Het is daarom niet verantwoord alle latere handelsstromen zonder meer naar deze vroege periode terug te projecteren.
Wel blijkt dat de vaart op de Oostzee voor Amsterdam vóór 1300 al voldoende betekenis had om kooplieden uit de nederzetting privileges te laten verwerven in een verafgelegen handelsgebied.
Het privilege van Riga uit 1277
In 1277 bezaten Amsterdamse kooplieden een privilege dat was verleend door de aartsbisschop van Riga. Het gaf hun tolvrijdom en bescherming in Lijfland.
Lijfland omvatte delen van het huidige Letland en Estland en was een belangrijk handelsgebied aan de oostelijke Oostzee. Riga ontwikkelde zich daar tot een belangrijk centrum voor de handel tussen West-Europa, Scandinavië en de gebieden verder naar het oosten.
Dat Amsterdamse kooplieden in 1277 een afzonderlijk privilege bezaten, betekent dat hun aanwezigheid in dit gebied niet incidenteel kan zijn geweest. De vaart op Lijfland moet voor hen van voldoende belang zijn geweest om bescherming en vrijstelling van tol te verkrijgen.
De tolvrijdom verminderde de kosten van de handel. De bescherming bood de kooplieden en mogelijk ook hun schepen en goederen een zekere juridische zekerheid. Het privilege toont daarmee dat Amsterdamse handelaren vóór 1300 niet alleen over schepen beschikten, maar ook optraden binnen internationale handelsnetwerken waarin schriftelijke rechten en bescherming van groot belang waren.
Tolvrijheid in het land van Vollenhove
Amsterdam bezat volgens De Fremery bovendien al vanaf het midden van de dertiende eeuw tolvrijheid in het land van Vollenhove. Het bestaan en de ouderdom van dit recht blijken uit een briefwisseling die in 1475 over deze kwestie werd gevoerd.
Hoewel de bewaard gebleven correspondentie dus uit de vijftiende eeuw dateert, werd daarin teruggegrepen op een privilege dat volgens de betrokkenen al uit het midden van de dertiende eeuw stamde. Daardoor behoort dit recht tot de vroege aanwijzingen voor Amsterdamse scheepvaart en handel vóór 1300.
Vollenhove lag aan de oostelijke zijde van de Zuiderzee en vormde een belangrijke doorgang voor verkeer tussen Holland, Overijssel en de gebieden verder naar het oosten. Tolvrijheid betekende dat Amsterdamse schippers of kooplieden daar zonder de gebruikelijke heffing konden passeren of handel drijven.
De Fremery verstrekt in dit gedeelte geen volledige tekst van het privilege en noemt geen precies jaar van verlening. Hij beperkt zich tot de vaststelling dat het recht uit het midden van de dertiende eeuw dateerde.
Het tolprivilege van Floris V in 1275
Een beslissend moment in de vroege geschiedenis van Amsterdam was het privilege dat graaf Floris V van Holland in 1275 verleende. Amsterdam kreeg daarmee het recht om tolvrij door het graafschap Holland te varen.
Het privilege werd verleend als schadeloosstelling voor geleden onrecht. De Fremery gaat in dit havenonderzoek niet uitvoerig in op de aard van dat onrecht, maar benadrukt vooral het economische belang van de toegekende tolvrijheid.
Tolheffingen konden de handel aanzienlijk duurder maken. Op rivieren, bij sluizen en op andere doorgangsplaatsen moesten schippers doorgaans voor hun schip, lading of beide betalen. Door Amsterdamse schippers hiervan vrij te stellen, kregen zij binnen Holland een gunstiger positie dan handelaren die wel tol verschuldigd waren.
Volgens De Fremery zou deze regeling de groei van de jonge handelsplaats sterk bevorderen. Amsterdam wordt in dit verband al voorgesteld als een jonge koopstad waarvan de handel door het privilege verder kon opbloeien.
Het document van 1275 is daarnaast een van de bekendste vroege schriftelijke vermeldingen van Amsterdam. Voor de havenontwikkeling is vooral van belang dat het privilege direct betrekking had op varen, handel en het gebruik van Hollandse waterwegen.
Een handelsplaats vóór de stadsrechten
Amsterdam had vóór 1300 nog niet de stadsrechten die in de bron voor 1342 worden genoemd. Toch tonen de kogge van 1247, de tolvrijheid in Vollenhove, het privilege van Floris V uit 1275 en het privilege van Riga uit 1277 dat de plaats al in de dertiende eeuw een handels- en scheepvaartfunctie vervulde.
De ontwikkeling van Amsterdam begon dus niet pas met de formele verheffing tot stad. Al vóór die tijd waren er kooplieden, zeegaande schepen, buitenlandse handelscontacten en rechten die het vervoer van goederen over water vergemakkelijkten.
De haven was in deze periode waarschijnlijk nog geen scherp afgebakend geheel van kaden, palenrijen, havenhoofden en gereglementeerde ligplaatsen. De brede Amstelmonding, de beschutte rede van het IJ, mogelijke inhammen langs de oever en het water ten noorden van de Middeldam vormden samen de natuurlijke basis.
De vermoedelijke Middeldam en de binnenhaven
Wanneer de Middeldam inderdaad omstreeks 1265 werd aangelegd, veranderde het waterlandschap ingrijpend. De dam scheidde het binnenwater van de Amstel van het open IJ. Sluizen maakten waterafvoer en scheepvaart mogelijk.
Ten noorden van de dam ontstond een langgerekt waterbekken dat later het Damrak werd genoemd. Dit water kon als haven worden benut doordat het aan de zuidzijde was afgesloten en aan de noordzijde toegang tot het IJ behield.
Kleinere vaartuigen konden mogelijk via de sluizen naar het binnenwater varen. Grotere schepen zullen eerder aan de noordzijde van de dam of op het IJ hebben gelegen. De Fremery geeft voor de periode vóór 1300 echter geen exacte regeling van ligplaatsen en vermeldt geen vaste laad- of losplaatsen.
Ook is niet duidelijk wanneer de oevers langs dit water voor het eerst systematisch werden gebruikt voor opslag, overslag of scheepsreparatie. De latere ontwikkeling van het Damrak tot eigenlijke haven mag daarom niet volledig als bestaande situatie voor de dertiende eeuw worden voorgesteld.
De eerste scheepsligplaatsen
De brede Amstelmonding en het IJ vormden vermoedelijk de voornaamste ligplaatsen. Schepen konden op de rede ankeren en kleinere vaartuigen konden beschutting zoeken in de Amstel.
Mogelijk werden ook de natuurlijke inhammen aan beide zijden van de nederzetting gebruikt. Aan de oostzijde lag de inham die later als Oude Zijdswaal bekendstond. Aan de westzijde bevond zich eveneens een bocht in de oever, later de Nieuwe Zijdswaal genoemd. De Fremery behandelt deze walen vooral in verband met latere eeuwen en geeft geen rechtstreeks bewijs dat zij vóór 1300 al georganiseerd als haven werden gebruikt.
Toch is het aannemelijk dat beschutte inhammen aantrekkelijk waren als tijdelijke ligplaats. Daar konden schepen veiliger liggen dan op open water, vooral bij harde wind, ijsgang of storm. Dit blijft voor deze vroege periode echter een beredeneerde mogelijkheid en geen vaststaand gegeven uit de bron.
Scheepvaart als grondslag van de nederzetting
De Fremery formuleert als vaststaande kern dat de opkomst van Amsterdam nauw verbonden was met de ontwikkeling van de scheepvaart. De ligging aan het water was geen bijkomstigheid, maar de belangrijkste voorwaarde voor de groei van de plaats.
De nederzetting kon zich ontwikkelen doordat goederen, mensen en schepen via de Amstel, het IJ en de Zuiderzee samenkwamen. De vroege koopvaardij bracht Amsterdam in contact met Hollandse, Overijsselse, Duitse en Baltische gebieden.
Het bestaan van een grote kogge in 1247 laat zien dat hiervoor kapitaal, vakkennis, bemanning en handelsorganisatie beschikbaar moeten zijn geweest. Het privilege van 1277 laat daarnaast zien dat Amsterdamse kooplieden gezamenlijk of herkenbaar als groep optraden in een internationaal handelsgebied.
Wat de bron niet kan vaststellen
Voor Amsterdam vóór 1300 blijven veel vragen onbeantwoord. Niet bekend is wanneer precies de eerste permanente havenvoorzieningen werden aangelegd. Evenmin is zeker hoe de oudste zeedijk liep, waar de oorspronkelijke sluis lag en of de latere verplaatsing van die sluis inderdaad de eerste ruime havenkom vormde.
Ook de oorsprong van de oostelijke inham blijft onzeker. Zij kan door een dijkdoorbraak zijn ontstaan, maar kan ook het gevolg zijn van de natuurlijke bodem- en oevervorm.
De bron noemt geen aantallen inwoners, schepen of kooplieden voor de dertiende eeuw. Ook bevat zij voor deze periode geen overzicht van scheepswerven, lijnbanen, pakhuizen of vaste markten. De uitgebreide havenorganisatie die in de veertiende en vijftiende eeuw zichtbaar wordt, kan daarom niet zonder bewijs naar de periode vóór 1300 worden verplaatst.
Amsterdam aan het einde van de dertiende eeuw
Tegen het einde van de dertiende eeuw was Amsterdam nog een jonge plaats, maar wel een nederzetting met aantoonbare handelscontacten over grote afstand. Vanuit Amstelland voeren koggen naar de Oostzee. Amsterdamse kooplieden bezaten bescherming en tolvrijdom in Lijfland. Binnen Holland en in het gebied van Vollenhove genoten zij eveneens belangrijke tolrechten.
De Middeldam en de sluizen boden vermoedelijk een nieuwe structuur aan het water bij de nederzetting. De Amstelmonding en het IJ bleven de kern van de vroege haven. De natuurlijke rede verschafte ruimte om te ankeren, terwijl de Amstel en mogelijk de inhammen aan de oevers beschutting boden.
Daarmee waren vóór 1300 de belangrijkste voorwaarden voor de latere havenstad al aanwezig: een gunstige ligging, toegang tot zee en binnenwater, grote schepen, ervaren schippers en kooplieden, internationale handelsverbindingen en privileges die de vrije vaart ondersteunden. De latere groei van Amsterdam kwam niet uit het niets voort. Zij bouwde voort op een maritieme ontwikkeling die uiterlijk in het midden van de dertiende eeuw al duidelijk zichtbaar was.
Amsterdam tussen Utrecht en Holland – hoe bisschop Gwijde de rechten van de stad bevestigde
Wie de geschiedenis van Amsterdam vertelt, begint vaak bij het beroemde Tolprivilege van 27 oktober 1275. Dat kleine stuk perkament, nauwelijks 9,7 bij 20 centimeter groot, wordt jaarlijks in het Stadsarchief getoond als de oudste bewaard gebleven oorkonde waarin de naam Amestelledamme voorkomt. Graaf Floris V verleende de inwoners van de nederzetting vrijstelling van tol op de waterwegen van het graafschap Holland. Daardoor konden Amsterdamse schippers goedkoper handelen en groeide de plaats economisch sneller.
Toch was dit niet het moment waarop Amsterdam stadsrechten kreeg. De ontwikkeling van de stad verliep geleidelijk. De beslissende stap lag in een reeks oudere rechten die uiteindelijk werden bevestigd door Gwijde (Guy) van Henegouwen, de latere bisschop van Utrecht. Zijn rol laat zien dat Amsterdam oorspronkelijk geen Hollandse, maar een Utrechtse stad was.
In de dertiende eeuw had de bisschop van Utrecht een bijzondere positie. Hij was niet alleen kerkelijk leider van een groot deel van noordelijk en westelijk Nederland, maar ook een wereldlijk vorst. Als leenman van de Duitse keizer bestuurde hij het Sticht en het Oversticht. Hij was verantwoordelijk voor rechtspraak, bestuur, belastingheffing, waterbeheer en militaire verdediging. De bisschop droeg dus letterlijk twee rollen: die van geestelijk leider met mijter en kromstaf én die van landsheer met helm en zwaard.
Vanaf de elfde eeuw begonnen de Utrechtse bisschoppen grote ontginningen in het uitgestrekte veengebied ten westen van de Vecht. Dankzij het zogenaamde wildernisregaal mochten zij woeste gronden laten ontginnen en aan hun domein toevoegen. Nieuwe landbouwgronden ontstonden door lange sloten te graven, water af te voeren en kolonisten aan te trekken.
Het bestuurscentrum van deze ontginningen lag in Amestelle, het huidige Ouderkerk aan de Amstel. Daar stelde de bisschop in 1105 Wolfger aan als serviens episcopi (dienaar van de bisschop) en scultetus, schout van Amstelland. Wolfger verbond de naam van zijn bestuursgebied aan zijn eigen naam en werd bekend als Wolfgerus de Amestelle. Daarmee werd hij de stamvader van het geslacht Van Amstel.
Aanvankelijk waren de Van Amstels eenvoudige dienstmannen van de bisschop. Geleidelijk groeide hun macht. Het schoutsambt werd erfelijk en hun nakomelingen noemden zich niet langer alleen dienaar, maar ook ridder (miles) en zelfs heer (dominus). Zij werden de feitelijke machthebbers van Amstelland.
Ondertussen schoven de ontginningen steeds verder op naar het westen en noorden. Ook het natte gebied rond de monding van de Amstel werd in gebruik genomen. Daar ontstond in de loop van de twaalfde eeuw een nieuwe nederzetting bij een dam in de rivier: Amestelledamme.
Juist in deze periode botsten de belangen van Utrecht en Holland. Vanuit het westen liet ook de graaf van Holland grote veengebieden ontginnen in Waterland, Kennemerland en Rijnland. Beide machtsgebieden groeiden naar elkaar toe, waardoor spanningen ontstonden over grenzen, bezit en invloed.
De heren van Amstel bevonden zich daardoor letterlijk tussen twee machtsblokken. Zij waren leenmannen van de bisschop van Utrecht, maar ontvingen ook goederen van de graaf van Holland. Door beide heren tegen elkaar uit te spelen versterkten zij hun eigen positie en invloed.
Deze machtsopbouw eindigde abrupt in 1280. Gijsbrecht IV van Amstel werd beschuldigd van ontrouw aan zijn leenheer en verbannen. Zijn bezittingen, waaronder Amsterdam, vervielen aan graaf Floris V van Holland. Later mocht Gijsbrecht terugkeren en kreeg hij zijn bezittingen terug, maar de verhouding bleef gespannen.
In 1296 volgde een dramatisch keerpunt. Tijdens een jachtpartij werd graaf Floris V vermoord. Gijsbrecht van Amstel behoorde tot de edelen die bij deze moord betrokken waren. De politieke situatie in Holland raakte daardoor volledig ontwricht.
Nog geen drie jaar later stierf Floris' zoon Jan I kinderloos. Zijn neef Jan II van Avesnes, graaf van Henegouwen, maakte vervolgens aanspraak op het graafschap Holland. Tegelijk liep nog steeds het conflict over de voormalige bezittingen van de Van Amstels.
Jan II koos voor een slimme oplossing. Hij zorgde ervoor dat zijn broer Gwijde van Henegouwen in 1301 tot bisschop van Utrecht werd gekozen. Nog vóór die verkiezing gaf hij hem in 1300 Amstelland en Amsterdam in leen. Gwijde werd in Amsterdam als nieuwe heer ingehuldigd.
Kort daarna gaf Gwijde een belangrijke oorkonde uit waarin hij de 'coere ende rechten' van de inwoners van Amsterdam bevestigde.
Van deze oorspronkelijke oorkonde is het origineel verloren gegaan. Alleen latere afschriften zijn bewaard gebleven. Toch zijn zij van groot belang, omdat zij laten zien dat Amsterdam toen nog onder het gezag van de bisschop van Utrecht stond.
De woorden 'coere ende recht' betekenen dat er al eerder geschreven rechtsregels voor Amsterdam bestonden. Vermoedelijk waren deze keuren opgesteld onder Gijsbrecht van Amstel tussen 1275 en 1280 en na zijn terugkeer tussen 1292 en 1296 verder uitgebreid.
Opvallend is dat Amsterdam daarin niet langer eenvoudig onderdeel van Amstelland wordt genoemd. De inwoners vormden inmiddels een eigen vrijheid, een gemeenschap met een zekere mate van zelfstandigheid.
Historici spreken daarom liever over stedelijke rechten dan over volledige stadsrechten. Volgens archivaris Harmen Snel bevatten de bepalingen vooral uitzonderingen op het gewone recht en bevestigen zij dat Amsterdam een eigen bestuur en eigen rechtspositie had, maar nog geen volledig zelfstandig stadsrecht zoals latere steden dat kregen.
De oorkonde laat zien dat de stad al een eigen bestuur bezat. Zo bepaalde artikel 12 dat schout en schepenen zelf regels mochten vaststellen over openbare orde, handel, economie en verdediging van de stad. De schout bleef daarbij wel de vertegenwoordiger van de bisschop van Utrecht.
Ook de juridische afhankelijkheid van Utrecht bleef duidelijk zichtbaar. Artikel 11 bepaalde namelijk dat de Amsterdamse schepenen zich bij twijfel over de uitleg van het recht moesten wenden tot Utrecht of een andere plaats binnen het Sticht waar men beter op de hoogte was van het geldende recht. Amsterdam bleef daarmee juridisch een dochterstad van het Sticht.
Toen Jan II zijn broer Gwijde met Amstelland beleende, was afgesproken dat het gebied na diens overlijden weer aan de graven van Holland zou terugvallen.
Dat gebeurde in 1317. Gwijde overleed na een kort ziekbed, dat in de bronnen wordt omschreven als een 'haestliker zuucte'. Zijn bezittingen gingen vervolgens over op zijn neef graaf Willem III van Holland, die Amsterdam en Amstelland definitief bij Holland voegde.
Daarmee eindigde ruim twee eeuwen Utrechtse invloed als landsheer over Amsterdam.
Gwijde werd begraven in de Domkerk van Utrecht. Zijn indrukwekkende hardstenen graftombe toont hem levensgroot in bisschoppelijk gewaad. Oorspronkelijk waren de uitsparingen in zijn mijter en handschoenen gevuld met gekleurde stenen. Tijdens de Beeldenstorm van 1580 verdwenen deze versieringen.
Bij een restauratie in 1921 bleek dat Gwijde niet alleen een verguld zilveren miskelk met pateen had meegekregen, maar ook een zijden bisschopsschoen. Zijn graf behoort nog altijd tot de opvallendste middeleeuwse bisschopsgraven van Nederland.
Hoewel Amsterdam vanaf 1317 definitief Hollands werd, bleef de verhouding met Utrecht nog lange tijd gespannen.
Een tastbare herinnering daaraan is de gevelsteen Swych Utrecht, tegenwoordig zichtbaar aan het Doelenhotel aan de Kloveniersburgwal. De oorspronkelijke steen uit de zestiende eeuw bevindt zich tegenwoordig in het Amsterdam Museum; de huidige versie werd in 1883 vervaardigd door Henri Teixeira de Mattos.
De naam verwijst naar de Slag bij Westbroek van 26 december 1481 tijdens de Stichtse Oorlogen. Hollandse troepen onder leiding van stadhouder Joost van Lalaing trokken op Sint-Stevensdag naar Utrecht. Volgens de Utrechts-Hollandse Kroniek werd Westbroek vrijwel volledig in brand gestoken, waarbij alleen de huizen van kraamvrouwen en stervenden werden gespaard.
Toen Utrechtse strijders te hulp kwamen, werden zij door de Hollanders achtervolgd. De kroniek spreekt van ongeveer 1500 doden. Velen waren zo zwaar verminkt dat zij niet meer konden worden herkend. De geïdentificeerde slachtoffers werden naar Utrecht gebracht en op de Neude neergelegd, "als visschen op een banck".
Ruim honderd krijgsgevangenen werden als overwinningstrofee naar Amsterdam gevoerd. Hun banier en schutterswimpel kregen een plaats in de Oude Kerk. De torennaam Swych Utrecht herinnerde nog generaties lang aan deze overwinning en vormde een symbolische waarschuwing aan de oude rivaal.
In de middeleeuwen was Utrecht lange tijd de grootste stad van de Noordelijke Nederlanden. Rond 1550 telde de stad ongeveer 26.000 inwoners. Daarna namen de Hollandse steden, met Amsterdam voorop, de economische en politieke leiding over.
Zo ontwikkelde Amsterdam zich van een Utrechtse nederzetting aan de monding van de Amstel tot de belangrijkste stad van Holland. De bevestiging van de 'coere ende rechten' door bisschop Gwijde van Henegouwen vormt daarin een onmisbare schakel: niet omdat hij Amsterdam ineens stadsrechten gaf, maar omdat hij de bestaande stedelijke ontwikkeling officieel erkende en vastlegde. Daardoor vormt zijn oorkonde een van de belangrijkste documenten in de vroege geschiedenis van Amsterdam.