Ja. Ik maak hem opnieuw als grote FASE 02-verhalende basis, tot ca. 1900, niet ingekort, met alle kernpunten erin.
Ik begin zo:
Beverwijk — van hof en kerk tot handelsstad aan het Wijkermeer
Beverwijk begint niet met een straat, niet met een markt en zelfs niet met een stad. Beverwijk begint met grond. Met een oude strandwal, een hogere zandrug langs natte klei, veen, geulen en water. Aan de ene kant lagen de duinen en de droge geestgronden; aan de andere kant lag het lage land, waar het Wijkermeer glansde, aanslibde, overstroomde en tegelijk kansen bood. Wie hier woonde, leefde op een grens. Niet alleen tussen land en water, maar ook tussen boerendorp en handelsplaats, tussen hof en markt, tussen kerkelijke macht en wereldlijke ambitie.
Daar ligt de sleutel van Beverwijk. Het was geen toevallig dorp dat later wat groter werd. Het was een plek waar verschillende werelden tegen elkaar aanschuurden. De oude nederzetting rond de Sint-Agathakerk keek naar binnen: naar akkers, hofland, verplichtingen, horigen, rechtspraak en kerk. De handelswijk aan het water keek naar buiten: naar schepen, markten, overslag, laken, vis, graan, groenten en reizigers. Uit die spanning ontstond de stad.
Vóór Beverwijk Beverwijk werd, lag hier een oudere wereld. Namen als Beverhem, Sint-Aagtenkerke en Wijc herinneren aan lagen die niet netjes achter elkaar verdwijnen, maar over elkaar heen schuiven. Beverhem wijst naar een vroege nederzetting. Sint-Aagtenkerke naar de kerkelijke kern rond de heilige Agatha. Wijc naar de handelsnederzetting aan het water. Later werden die werelden in één bestuursgebied samengebracht. Maar in de bodem, in namen, wegen en vondsten bleef het verschil voelbaar.
De oudste kern lag bij de kerk. Daar stond waarschijnlijk al vroeg een houten kerk of kapel, later vervangen of uitgebreid in tufsteen en baksteen. Rond die kerk lag geen romantisch dorpje van keurige huisjes, maar een machtsplek. Hier hoorde een hof bij, een curtis: een grootgrondbezit met een domeinhof. Dat betekent: akkers, schuren, vee, horigen, verplichtingen, rechtspraak en een heer of meier die namens de machthebber toezicht hield. Het was een economische machine, maar ook een bestuurscentrum. Hier werd niet alleen gewerkt; hier werd bevolen, betaald, geoordeeld en herinnerd wie van wie afhankelijk was.
De curtis Hoflant vormt een van de sterkste verhalen van Beverwijk en Heemskerk samen. Het grote aantal kastelen in deze omgeving is geen toeval. Ze lagen als een gordel aan de rand van oude strandwallen en kleigronden: Banjaert, Adrichem, Ter Wijc of Oosterwijk, Meerestein, Oud-Haerlem, Assumburg en andere versterkte huizen in de naaste omgeving. Zulke kastelen verschijnen niet zomaar in een leeg landschap. Ze wijzen op bezit dat versnipperd raakte. Een oude hofstructuur viel uiteen, en op de stukken grond verrezen huizen van adel en ambachtsheren.
In 1248 verkochten Willem, gekozen Roomskoning, en zijn broer Floris de hof in Heemskerk, Hoflant geheten, aan Simon van Haarlem en Wouter van Egmond. Dat is geen droge akte. Het is een moment waarop de oude wereld van hof en domein zichtbaar openbreekt. Waar eerst één groot bezit lag, ontstaan daarna meerdere machtsplaatsen. Simon van Haarlem bouwde zijn nieuwe machtsbasis bij Oud-Haerlem. Wouter van Egmond en zijn kring raakten verbonden met Ter Wijc, Meerestein en andere bezittingen. De akte van 1248 is daarmee een scharnier: vóór die tijd overheerst het hof; daarna verschijnt de kastelenlijn.
Maar Beverwijk had nog een oudere machtskern. Bij de Sint-Agathakerk wordt het kasteel of versterkte huis Banjaert vermoed. Albert Banjaert, een machtige edelman, duikt op in het verhaal van de Loonse Oorlog. In 1204 werd Sint-Aagtendorp geplunderd en het huis van Banjaert verwoest. Dat is belangrijk, omdat het laat zien dat deze plaats niet aan de rand van de geschiedenis stond. Hier werd gevochten, geplunderd en macht betwist. De kerk, het hof en het versterkte huis vormden samen een kwetsbaar maar belangrijk centrum.
De naam Sint-Agatha bleef aan de plaats kleven. Volgens de traditie zou de heilige Agatha hier zijn verschenen aan een maagd uit Velsen, op de vlucht voor Rorik. Of dat historisch letterlijk zo is, doet minder ter zake dan wat het verhaal deed: het gaf de plaats een heilige lading. Sint-Aagtenkerke werd meer dan een nederzetting; het werd een plek van herinnering en mogelijk ook van bedevaart. De latere verwijzingen — Sint-Aagtendijk, Sint-Aagtendorp, de kerk, de heilige als beschermster tegen brandwonden — laten zien hoe sterk die naam bleef werken.
Daartegenover groeide aan het water de handelswijk: Wijc. Het Wijkermeer was daarbij beslissend. Dat meer stond via het IJ in verbinding met de Zuiderzee. Via het water kwamen goederen, mensen, nieuws en gevaar. De haven van Beverwijk lag niet aan een grote zeehaven zoals later Amsterdam, maar aan een binnenwater dat toegang gaf tot een veel groter netwerk. Juist daardoor kon Beverwijk zich ontwikkelen tot overslagplaats tussen landroutes en waterwegen.
In 1276 kreeg Beverwijk marktrecht van graaf Floris V. Dat was geen versiering, maar een erkenning van economische betekenis. Een markt trok boeren, vissers, ambachtslieden, handelaren en reizigers. Hier konden producten uit het achterland worden verkocht en goederen van elders worden verdeeld. De markt maakte van Beverwijk een ontmoetingsplaats. In 1298 volgden stadsrechten. Daarmee werden het oude kerkdorp Sint-Aagtenkerke en de handelsnederzetting Wijc binnen één stedelijk kader gebracht. Dat is misschien wel het mooiste moment in het verhaal: de stad ontstond uit een huwelijk tussen kerkgrond en koopmansgrond.
De Breestraat werd de ruggengraat van die nieuwe stedelijke wereld. Hier lag de handelslijn, hier kwam bebouwing, hier verschenen huizen, werkplaatsen, winkels en opslagplaatsen. Beverwijk bleef klein, maar klein betekent niet onbelangrijk. Het was geen Haarlem, geen Alkmaar en geen Amsterdam. Het was een provinciaals stadje met een eigen functie: markt, overslag, doorvoer, lokale nijverheid en bestuurlijke betekenis voor de omgeving.
Een van de meest tastbare bewijzen van die vroege stedelijke ambitie is de lakenhal. Al in 1304 wordt een lakenhal in Beverwijk vermeld. Dat is uitzonderlijk vroeg. Laken was in de middeleeuwen geen gewoon stukje stof. Het was een product van veel arbeid: wol moest worden gesorteerd, gekamd, gesponnen, geweven, gevold, gedroogd, geraamd, geschoren en gekeurd. Een stad die laken produceerde of verhandelde, had regels nodig, kwaliteitstoezicht en herkenningstekens. De Beverwijkse lakenloodjes uit Enkhuizen zijn daarom zo belangrijk. Ze tonen het stadswapen van Wijc en wijzen op een vroeg stedelijk textielbedrijf.
Die lakenloodjes werden weliswaar gevonden in een latere context in Enkhuizen, waarschijnlijk door opgehoogde of aangevoerde grond, maar hun betekenis blijft groot. Ze maken aannemelijk dat Beverwijk in de vroege veertiende eeuw een eigen draperie kende. De lakenhal bestond vermoedelijk van ca. 1298 tot 1397. Daarna verdween de officiële lakenhal, waarschijnlijk door de opkomst van sterkere textielcentra zoals Haarlem. Maar de nijverheid verdween niet meteen. Een bepaling uit 1405, waarin poorters geen andere lakense kleding mochten dragen, kopen of verkopen dan die binnen Beverwijk was vervaardigd, wijst juist op bescherming van lokale productie.
Later duikt de naam Raemcroft op. Die naam is prachtig, omdat hij bijna letterlijk het werkveld van de lakenbereiding bewaart. Een “croft” of “crocht” is een afgesloten stuk land; “raem” verwijst naar de houten ramen waarop lakens na het vollen werden gespannen. In akten uit 1592/1593, 1598 en 1600 wordt deze Raemcroft genoemd. Op de kaart van Daniel van Breen uit 1648 zijn de ramen zelfs ingetekend tussen Zeestraat, Baanstraat en Kees Delfsweg. Daar konden lakens worden gedroogd en op lengte gebracht.
De berekende capaciteit van dat raamveld is opmerkelijk. De ramen zouden samen ongeveer 24 lakens tegelijk kunnen dragen. Bij continu gebruik zou dat theoretisch ruim tweeduizend lakens per jaar kunnen betekenen. Dat maakt Beverwijk geen Ieper en geen Haarlem, maar wel een plaats waar textielarbeid nog zichtbaar aanwezig was. In de zeventiende eeuw worden droogscheerders, lakenkopers en mogelijk wevers genoemd. Toch lijkt de bedrijfstak toen al klein en afhankelijk van regionale of uitbestede deelbewerkingen. Rond het midden van de zeventiende eeuw verdwijnt de lakennering uit beeld. Maar de namen, loodjes en ramen bewijzen dat Beverwijk een textielverleden had dat veel sterker is dan men op het eerste gezicht zou denken.
Naast de lakenhal lag een andere vondst die de stad letterlijk tastbaar maakt: de woontoren aan de Breestraat, opgegraven bij het huidige C&A-terrein. In 1986 werden daar fundamenten gevonden van een middeleeuwse woontoren. In het achterhuis lag een inpandige beerput. Zo’n beerput is voor archeologen goud waard. Niet omdat hij mooi is, maar omdat hij eerlijk is. Mensen gooiden erin wat stuk, versleten of overbodig was. Daardoor vertelt een beerput niet wat mensen wilden tonen, maar wat ze werkelijk gebruikten.
De beerput van de Beverwijkse woontoren leverde minstens 45 voorwerpen op. Het materiaal valt uiteen in twee gebruiksperioden: ca. 1375–1425 en ca. 1475–1525. Uit de eerste periode komen onder meer roodbakkende kookpotten, kommen, een bakpan, een steelkom, een schenkkan en vier slanke steengoed drinkkannen uit Siegburg, de zogenoemde jacobakannen. Zulke kannen worden vaak bij kastelen gevonden en kunnen wijzen op een hogere status of op feestelijk gebruik. Uit de tweede periode komen drinkbekers, een drinkkan, een mosterdpot, drinkglazen, fragmenten van een pijpaarden heiligenbeeldje en kacheltegels.
Juist die kacheltegels en glazen zijn belangrijk. Een kacheloven was duur en hoort bij beter gesitueerde huizen, kastelen, abdijen of stedelijke elitewoningen. Glas was in de late middeleeuwen nog geen alledaags bezit. Het wijst niet automatisch op adel, maar wel op welstand. De bewoners van de woontoren waren waarschijnlijk rijke burgers, kooplieden of mensen in de hogere stedelijke laag. De beerput laat een wereld zien waarin keuken, tafel, devotie, status en handel samenkomen. Kookpotten tonen dagelijkse maaltijden. Siegburgs steengoed wijst op handelscontacten met het Rijnland. Het pijpaarden heiligenbeeldje laat persoonlijke vroomheid zien. De volksreligieuze slibboogjes op kom en kan verwijzen naar vruchtbaarheid en bescherming.
Beverwijk was dus niet alleen bestuur, kerk en markt. Het was ook geur, afval, koken, drinken, bidden, verwarmen en wonen. Daar zit de kracht van de archeologie: een stad wordt niet alleen zichtbaar in oorkonden, maar ook in scherven.
De stad lag ondertussen tussen kastelen. Ten noorden en oosten van Beverwijk lagen Ter Wijc/Oosterwijk, Meerestein, Oud-Haerlem, Assumburg en andere huizen in de naaste omgeving. Kasteel Ter Wijc ontstond waarschijnlijk kort na 1248 en begon als woontoren met gracht. Later werd het uitgebreid. Het eerste kasteel werd in 1351 verwoest tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten en daarna herbouwd. De voorburcht leverde onder meer een dertiende-eeuwse waterput op. Meerestein lag nabij het latere Europaplein. Helaas is veel verdwenen door twintigste-eeuwse bebouwing, maar waarnemingen van fundamenten en baksteen wijzen op middeleeuwse resten. Adrichem, nabij de Sint-Aagtendijk, wordt in 1365 vermeld en leverde bij beperkte opgraving fundamenten op. Oud-Haerlem werd rond 1250 gebouwd en in 1351 verwoest. Het bleef als ruïne en reliëf in het landschap aanwezig.
Deze kastelen vertellen samen een verhaal van versnipperde macht. Ze waren niet allemaal grote sprookjeskastelen. Vaak ging het om woontorens, versterkte huizen, hofsteden met grachten en voorburchten. Hun ligging aan de rand van hogere gronden en lagere klei laat zien dat macht zich vestigde op de overgang van landschapstypen. Hoog genoeg om droog te wonen, laag genoeg om grond, water en routes te beheersen.
Het Wijkermeer bleef intussen de grote open ruimte aan de oostzijde van Beverwijk. Het meer bracht handel, maar ook aanslibbing en overstromingsgevaar. Rond het meer lagen lage dijken. De Sint-Aagtendijk beschermde de lagere gronden van de Broekpolder. De dijk is meer dan een waterkering; hij is een monument van middeleeuwse landschapsorganisatie. Zonder zulke dijken was bewoning en landbouw in het lage gebied veel riskanter geweest. Later kwamen inlaagdijken en nieuwe dijklichamen bij doorbraken en bedreigingen. Het water was nooit volledig getemd.
In de zestiende eeuw werd een kanaal naar het haventje aan het Meerplein aangelegd: De Pijp. De naam is eenvoudig, maar de betekenis groot. De Pijp verbond de stad met het Wijkermeer en bleef later het havenkanaal van Beverwijk. Toen het oude meer verder aanslibde, werd zo’n verbinding steeds belangrijker. De haven verschoof mee met het landschap. Beverwijk was geen stad die stil aan het water lag; het moest telkens opnieuw zijn toegang tot het water organiseren.
De zestiende eeuw bracht ook geweld en breuk. In de tijd van de Opstand lagen Beverwijk en omgeving in een militair kwetsbaar gebied. Wijk aan Zee en Beverwijk leden schade door Spaanse troepen. Kloosters zoals Sion en Nazareth verdwenen of werden verwoest. Geestelijke goederen kwamen in strijd en herverdeling terecht. De Reformatie veranderde niet alleen geloof en kerkbestuur, maar ook bezit, gebouwen en stedelijke ruimte.
Uit de puinhopen van kloosters ontstonden later buitenplaatsen en hofsteden. Dat is een belangrijk patroon in Beverwijk. Wat eerst religieuze grond was, kon na de zestiende eeuw in handen komen van stedelijke elites, kooplieden en bestuurders. De oude religieuze kaart werd een buitenplaatsenkaart.
In de zeventiende eeuw rook Beverwijk letterlijk en figuurlijk aan Amsterdamse rijkdom. Amsterdamse kooplieden en regenten zochten buitenverblijven in Kennemerland. De duinen, de droge gronden, de nabijheid van water en stad maakten Beverwijk aantrekkelijk. Buitenplaatsen als Westerhout, Akerendam, Scheybeeck, De Schans/Oud Meresteyn, Duinwijk, Lommerlust en andere huizen horen bij die wereld.
Westerhout begon als hoeve De Voorsaet. In 1627 kocht Balthasar Coymans de boerderij en liet hij een groot herenhuis bouwen, mogelijk naar ontwerp van Jacob van Campen. Het terrein werd uitgebreid met duingronden en aangrenzende percelen. Later kwam Westerhout in handen van families als Bernard, Hasselaar en Boreel. Het huis werd in de negentiende eeuw vernieuwd en later opnieuw vervangen. Maar de lijn blijft: agrarisch bezit werd elitebezit, en buitenplaatscultuur maakte van het landschap een decor van status.
De Schans, later Oud Meresteyn genoemd, ontstond uit de resten van het verwoeste klooster Sion. Nicolaes Seys, een Amsterdamse koopman uit Gentse kring, verwierf hier eind zestiende eeuw een hofstede met boomgaarden, lanen en gebouwen. Later kwam het bezit bij Adriaan Pauw, Alijdt Trip, Adriaan Trip en de familie Van Harencarspel. De buitenplaats lag aan een wereld waarin klooster, schans, kasteelnaam en koopmanskapitaal door elkaar liepen.
Beverwijk werd zo in de zeventiende eeuw een plaats met twee gezichten. Aan de ene kant bleef het een kleine marktstad met warmoezerijen, handel, ambachten en haven. Aan de andere kant kreeg het een rand van buitenplaatsen, waar Amsterdamse families hun zomerse rijkdom etaleerden. Dat maakt Beverwijk bijzonder: het was geen grote stad, maar het lag in een landschap dat grootstedelijk geld aantrok.
De warmoezerijen verdienen een eigen plaats. Rond Beverwijk, Wijk aan Duin en Heemskerk ontwikkelde zich tuinbouw op vruchtbare gronden. Later werd de Beverwijkse aardbei beroemd. Maar de basis ligt eerder: in de combinatie van zand, klei, mest, nabijheid van markten en vervoer over water. Tuinbouw is vaak minder spectaculair dan kastelen of kloosters, maar zij droeg de stad door eeuwen heen. Waar de grote lakenambitie verdween, bleven groenten, fruit, markt en vervoer.
Ook de kermis hoort bij die marktwereld. De Beverwijkse kermis kwam voort uit middeleeuwse jaarmarkttradities. Het woord kermis komt van kerkmis: het feest rond de inwijding van een kerk. In Beverwijk werd de jaarmarkt later steeds meer volksvermaak. Kooplieden verkochten koek, appels, peren en waren. Er kwamen attracties, drank, vechtpartijen, koekhakken en kramen. In 1671 stelde de vroedschap regels op om orde te houden. Dat zegt veel. Een markt is vrijheid, maar ook chaos. Een stad moest handel toelaten en tegelijk beheersen.
In de achttiende eeuw veranderde Beverwijk langzaam. De grote Amsterdamse bloei verflauwde. Buitenplaatsen bleven, maar sommige raakten later in verval of wisselden van eigenaar. Het Wijkermeer slibde verder aan. De stad bleef bestaan als markt- en tuinbouwplaats, maar verloor gewicht tegenover grotere steden. Toch was dit geen lege tijd. Juist in zulke eeuwen worden lokale gewoonten sterk: kermis, markten, warmoezerijen, buitenplaatsleven, kerk, bestuur en kleine nijverheid.
Rond 1800 kwam Beverwijk opnieuw in een militair landschap te liggen. Na de Slag bij Castricum in 1799 werd de Linie van Beverwijk aangelegd. Lunetten en verdedigingswerken moesten onderdeel worden van een groter verdedigingssysteem. Ook dit past bij Beverwijk als overgangsgebied. Wie Noord-Holland wilde controleren, keek naar wegen, dijken, duinen en doorgangen. Beverwijk lag strategisch op de route tussen kust, binnenland en Amsterdam.
De negentiende eeuw veranderde alles. Eerst langzaam, daarna ingrijpend. Buitenplaatsen werden verkocht of afgebroken. De economie van eliteverblijven werd minder vanzelfsprekend. Tegelijk kwam een nieuwe infrastructuur op: spoorlijn, kanaal, inpoldering en moderne wegen. De aanleg van het Noordzeekanaal en de drooglegging van het Wijkermeer veranderden het oude waterlandschap definitief. Wat eeuwenlang open water, aanslibbing, havenruimte en overstromingsgevaar was geweest, werd polderland.
De Wijkermeerpolder werd vanaf 1856 voorbereid en in 1877 konden boeren het land bewerken. Daarmee verloor Beverwijk zijn oude meer, maar kreeg het nieuw land. De oude verhouding tussen stad en water werd verbroken en opnieuw gemaakt. De haven aan het Meerplein werd door veranderingen in waterstand, spoor en infrastructuur minder geschikt. De Pijp bleef als havenkanaal belangrijk, maar de moderne wereld stelde nieuwe eisen. Spoorbruggen beperkten doorvaart. Later zou de havenfunctie verplaatsen en veranderen, maar tot 1900 is vooral zichtbaar hoe Beverwijk afscheid neemt van het oude Wijkermeer.
De spoorlijn Haarlem–Uitgeest, aangelegd in de jaren 1867–1870, sneed door het landschap en door oude waterstaatkundige structuren. Bij de Sint-Aagtendijk was men bang voor de gevolgen, omdat de spoorlijn van het hoge land naar het lage land ging en de dijk moest doorsnijden. De angst was begrijpelijk. Dijken waren geen decor, maar levensverzekering. Het idee van een “gat in de dijk” raakte aan eeuwen ervaring met overstroming.
In de tweede helft van de negentiende eeuw werd Beverwijk ook stedelijker. De Breestraat bleef belangrijk. Er kwam een nieuw raadhuis aan de Breestraat in 1869. Rond 1880 begon stedelijke ontwikkeling met onder meer de Wilhelminastraat en Sionstraat. De stad groeide nog niet uit tot de twintigste-eeuwse IJmondstad, maar de richting was gezet. Oude hofstad, marktstad en buitenplaatsengemeente kwamen terecht in een wereld van spoor, kanaal, industrie in de regio, polder en modern bestuur.
De kermis bleef ondertussen een venster op het sociale leven. Aan het einde van de negentiende eeuw was de Beverwijkse kermis beroemd en berucht. De Breestraat stond vol kramen, de Meer vormde het drukke middelpunt. Er waren oliebollen, wafels, draaiorgels, stoomcarrousels, Kop van Jut, variété, worstelaars, wonderlijke shows en veel drank. Beverwijkers, Rijpelingen en Schagenaren hadden zelfs een reputatie als lastpakken. Dat klinkt komisch, maar het laat zien hoe belangrijk volksvermaak was in een tijd zonder radio, televisie of moderne vrijetijdscultuur. De kermis was ontsnapping, handel, theater, ruzie en gemeenschap tegelijk.
Tot ca. 1900 staat Beverwijk dus op een drempel. Achter de stad ligt een lange geschiedenis van hofland, kerk, kastelen, marktrecht, laken, beerputten, Wijkermeer, dijken, buitenplaatsen en kermis. Voor de stad ligt de twintigste eeuw, maar die hoort hier nog niet bij. Tot 1900 is Beverwijk vooral de stad die telkens van centrum verandert. Eerst kerk en curtis. Dan handelswijk en markt. Dan kastelen en stedelijke elite. Dan lakenhal en woontoren. Dan haven en Wijkermeer. Dan buitenplaatsen en warmoezerijen. Dan spoor, polder en moderne stadsuitbreiding.
De kern is niet dat Beverwijk steeds groter werd. De kern is dat Beverwijk steeds opnieuw zijn plek moest uitvinden tussen land en water, adel en burgerij, markt en macht, landbouw en handel. Dat maakt de geschiedenis van Beverwijk sterk. Niet één monument vertelt alles. Juist de verschuivingen vertellen het verhaal.
Kernzin:
Beverwijk groeide vóór 1900 uit een oude hof- en kerkkern bij Sint-Agatha tot een kleine maar taaie handelsstad aan het Wijkermeer, gevormd door kastelen, markten, laken, haven, dijken, buitenplaatsen, tuinbouw en de voortdurende strijd om haar plaats tussen land en water.
Ja — basis intact laten. Alleen nog apart toevoegen:
Opgravingen en vondsten — harde bodem onder het verhaal
Hier hoort nog een apart blok bij met:
-
Curtis Hoflant / domeinhof
- luchtfoto 1964 met trapeziumvormig bodemreliëf
- greppels/grachten
- Pingsdorf, Andenne, kogelpot, proto-steengoed
- datering eind 12e–midden 13e eeuw
-
Sint-Agathakerk / oudste kern
- tufstenen fundering
- baksteen 27,5 × 14,5 × 7,5 cm
- Karolingische schijffibula
- vroeg- en laatmiddeleeuws aardewerk
- mogelijk vroeg grafveld
-
Woontoren Breestraat
- fundamenten 1986
- inpandige beerput
- 45 voorwerpen
- kookpotten, jacobakannen, glas, kacheltegels, heiligenbeeldje
- gebruiksfasen 1375–1425 en 1475–1525
-
Lakenhal / lakennering
- lakenloodjes met stadswapen
- Raemcroft
- raamvelden op kaart Van Breen 1648
-
Kastelen
- Oud-Haerlem: onderzoek Renaud 1960, bouw ca. 1250
- Ter Wijc/Oosterwijk: woontoren, gracht, waterput, proto-steengoed
- Adrichem: fundamenten 1967
- Meerestein: fundamenten/waarnemingen, grotendeels verloren
- Assumburg oude voorganger: sporen bij archeologisch onderzoek
- Heemskerk/Marquette als vergelijkingsmateriaal
-
Wijkermeer / Gooiland / De Pijp
- lage verwachting in voormalige meerbodem
- erosie door Duinkerke IIIb
- kans op watergerelateerde resten/scheepswrakken klein maar niet nul
- ophogingen met zeezand 0,6–1,1 m
Dat blok kan er gewoon achteraan of vóór de kernzin, zonder het verhaal om te gooien.