Warmenhuizen — het rijk der duizend eilandjes waar West-Friesland de duinen raakt
Een dorp dat je van onder naar boven moet vertellen
Warmenhuizen moet je niet beginnen bij de huidige Dorpsstraat alleen. Dan wordt het verhaal te smal. Wie Warmenhuizen echt wil begrijpen, moet dieper kijken: onder de huizen, onder de wegen, onder de moderne verkaveling, onder de terp Hartendorp, onder Alingtorp, onder de oude Ursulakerk en zelfs onder de middeleeuwse bewoning zelf. Daar ligt het landschap dat Warmenhuizen heeft gemaakt.
Het was geen vanzelfsprekend droog dorp op vaste grond. Warmenhuizen ontstond op de overgang van veen, klei, water, kweldergrasland en mensenwerk. Juist daardoor is het zo’n sterke plek in het verhaal van Noord-Holland en West-Friesland. Het dorp ligt niet alleen op een kaart; het ligt in een oud landschap waarin water, bewoning, landbouw, sloten, terpen, kerken, heerlijkheidsrechten, koolteelt en verschuivende dorpslinten voortdurend met elkaar verbonden waren.
Vandaag ligt Warmenhuizen in de gemeente Schagen. In het West-Friese dialect spreekt men van Warmehui’ze of Wermehúze, en de regionale bijnaam is Warmetuut. Maar zulke moderne namen en grenzen zijn de bovenste laag. Warmenhuizen was tot 1990 een zelfstandige gemeente. Daarna ging het samen met Sint Maarten op in de gemeente Harenkarspel, en sinds 2013 behoort het tot de gemeente Schagen. In 2023 telde het dorp ongeveer 6.030 inwoners. Toch zegt dat moderne beeld maar weinig over de oorsprong. Onder het huidige dorp ligt een ouder Warmenhuizen: een plaats tussen de duinen van Schoorl en Bergen, de oude Rekere, de Westfriese Omringdijk, de vaarpolders van het Geestmerambacht en de verdwenen wereld van veen, kwelders, kreekruggen en getijdenafzettingen.
De oude gemeente Warmenhuizen lag in de provincie Noord-Holland, in de MIP-regio West-Friesland. Zij grensde ten noorden aan Zijpe, Sint Maarten en Harenkarspel, ten oosten aan Langedijk, ten zuiden aan Sint Pancras en Bergen, en ten westen aan Schoorl. De gemeente had een oppervlakte van 1.345 hectare. Binnen die oude gemeente lagen drie kernen: het dorp Warmenhuizen zelf, en de gehuchten Krabbendam en Schoorldam. Warmenhuizen lag in noord-zuidrichting in het midden van de gemeente, op terpen en wallen. Krabbendam en Schoorldam lagen aan de westzijde, aan de voet van de Westfriesedijk.
Dat is meteen de eerste sleutel. Warmenhuizen lag wel binnen de Westfriese Omringdijk, maar niet diep in het oostelijke West-Friese binnenland. Het lag juist aan de rand, precies waar het West-Friese waterland de duin- en geestwereld van Kennemerland raakt.
Getijden, veen en oude kreekruggen
De oudste onderlaag van Warmenhuizen begint duizenden jaren vóór het dorp zelf. In de ijstijden lag de zeespiegel veel lager dan nu. Het Noordzeebekken lag grotendeels droog. Toen aan het einde van het Pleistoceen, ongeveer tussen 11.000 en 9.000 v.Chr., de ijskappen begonnen te smelten, steeg de zeespiegel snel. In het Nederlandse kustgebied had dat grote gevolgen, omdat de bodem daalde terwijl het water kwam.
Vooral in het Atlanticum, tussen ongeveer 7000 en 3900 v.Chr., werd een dik pakket afzettingen gevormd. Voor de kust van Noord-Holland lag door het relatief hoog gelegen pleistocene zand een duinenboog die bij Bergen begon en doorliep tot en met Vlieland. Daardoor kreeg het gebied rond het latere Warmenhuizen te maken met een lange ontwikkeling van getijdenbekkens, wad- en kweldergronden, geulen, klei, zand en veen.
Het onderzoek aan De Huisweid maakt die oude onderlaag concreet. In juni 2015 voerde Hollandia Archeologen, in opdracht van Swan Art & Build, een archeologisch bureauonderzoek uit voor een perceel aan de Huisweid in Warmenhuizen. De aanleiding was de geplande nieuwbouw van een bedrijventerrein met woon-werkfunctie van ongeveer 13.750 m². Omdat zulke werkzaamheden het bodemarchief konden verstoren, moest eerst worden onderzocht welke archeologische waarden bekend waren en welke nog verwacht konden worden.
Het plangebied lag aan de rand van de bebouwde kom, met de voormalige Brugsloot aan de westzijde. De hoogte varieerde tussen ongeveer 0,5 en 0,75 meter -NAP. Het terrein was in de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw bij de grootschalige ruilverkaveling geëgaliseerd, maar dat betekende niet dat alles in de bodem verdwenen was.
Het plangebied aan de Huisweid ligt in een vlakte van getijdenafzettingen uit ongeveer 3000 tot 1000 v.Chr. In het Laat-Neolithicum en vooral in de Midden-Bronstijd konden mensen zich in zulke landschappen vestigen op de hogere kreekruggen en oeverwallen van getijdegeulen. Die ruggen boden net genoeg droogte en stevigheid om te wonen, vee te houden of landbouw te bedrijven. Niet elk stuk land was geschikt. Hoogte, droogte en bereikbaarheid bepaalden waar mensen konden blijven.
Omdat het plangebied aan de Huisweid relatief laag ligt, gold voor het Laat-Neolithicum een lage archeologische verwachting en voor de Midden-Bronstijd een middelhoge verwachting. Toch is die laag belangrijk, omdat zij laat zien dat Warmenhuizen niet op één vlakke ondergrond ligt, maar op een oud systeem van wadplaten, kreekruggen, geulen en oeverwallen.
Rond 1800 v.Chr. sloot het zeegat van Bergen zich en kreeg de zee tijdelijk minder invloed op het achterliggende gebied. Bewoning werd toen mogelijk op hoger gelegen kreekruggen. In het Geestmerambacht en bij Schagen zijn inmiddels woonplaatsen bekend uit de overgang van de Vroege naar de Late Bronstijd. Rond 1600 v.Chr. volgde echter opnieuw een korte periode van versterkte zee-invloed, waarbij vrijwel het hele westelijke deel van de voormalige lagune werd afgedekt met zavelige klei. Daarna werd bewoning voorlopig moeilijk door vernatting en stijgende grondwaterstanden.
Pas toen zich weer veenkussens ontwikkelden en het water via veenriviertjes kon afstromen, keerde de mens in sommige delen van het gebied terug.
De Rekere als oude levensader
Vanaf ongeveer 350 v.Chr. veranderde het landschap opnieuw. De Rekere/Zijpe werd een belangrijke afwateringsader van het Geestmerambacht. Het gebied bij Warmenhuizen lag op de overgang van een mogelijk bewoonbaar oud kwelderlandschap naar een woest veenmoeras. Dat is voor Warmenhuizen een wezenlijke ligging. Mensen vestigden zich juist waar het veen kon afwateren, waar oude kweldergronden iets hoger lagen en waar waterlopen toegang en afvoer boden.
In de Late IJzertijd en de Romeinse Tijd nam de bewoning in de regio sterk toe. In de tweede en derde eeuw werd op veel plaatsen gewoond en waren er handelscontacten met de Romeinen ten zuiden van de Rijn. De bewoning lag dicht bij waterlopen, omdat daar de afwatering van het veen het beste was. In de omgeving van de Rekere konden mensen zich eeuwenlang handhaven, al nam in de derde eeuw de wateroverlast weer toe en werden laaggelegen woonplaatsen soms overstroomd.
Bij het bureauonderzoek voor Heemtweg 5 komt deze oude tijd opnieuw naar voren. Archeocultura voerde dat onderzoek uit in opdracht van J.R. Volbeda, omdat de eigenaar een groot bedrijfsgebouw en kassen wilde oprichten. Het plangebied lag aan de zuidzijde van de Heemtweg, binnen een zone waarvoor een archeologievergunning nodig was bij bodemverstoringen dieper dan 35 centimeter en over een oppervlakte groter dan 50 m². De bouwplannen zouden die norm ruim overschrijden, en heipalen en sleuven voor infrastructuur zouden ook de diepere ondergrond raken. De gemeente Schagen eiste daarom onderzoek naar de archeologische waarden.
De conclusie was dat er zeer waarschijnlijk archeologisch interessante lagen aanwezig waren, maar dat de diepte en gaafheid daarvan onbekend waren. Daarom werd karterend booronderzoek geadviseerd.
Voor het verhaal van Warmenhuizen is vooral belangrijk dat dit Heemtweg-onderzoek laat zien hoe het dorp op een overgangszone lag. Westelijk van Warmenhuizen lag een zone met nederzettingen uit de Late IJzertijd en de Romeinse Tijd op oude hoge kweldergronden. Verder naar het oosten lag de zone met middeleeuwse nederzettingsterreinen. Op of bij de zuidpunt van het Heemtweg-perceel had Schermer tijdens het graven of verbreden van sloten een vondstconcentratie aangetroffen uit de Romeinse Tijd, de Vroege Middeleeuwen en de Late Middeleeuwen. Het materiaal bestond uit inheems-Romeins aardewerk, Romeinse import, Merovingisch gedraaid aardewerk, Karolingisch gedraaid aardewerk, kogelpot en Andenne-aardewerk.
Dat is een lange tijdsreeks. Warmenhuizen begint dus niet pas met de middeleeuwse Dorpsstraat. Onder en naast het latere dorp liggen oudere sporen van bewoning en gebruik.
Ook de bredere Kennemerland- en Oer-IJ-laag past hierbij. In het onderzoek naar het Oer-IJ en Kennemerland wordt Warmenhuizen genoemd binnen de vroege veenontginningen en de overgang van Kennemerland naar West-Friesland. Warmenhuizen wordt daar geplaatst bij aanwijzingen uit de 8ste/9de eeuw, onder meer via keramiek. Ook de Moorspolder bij Warmenhuizen is belangrijk als moer- of more-toponiem, een naam die wijst op veen, moeras of nat ontginningsland. Daarnaast wordt Warmenhuizen kerkelijk in verband gebracht met het oude kerkencluster van Schoorl. Dat maakt de positie van Warmenhuizen extra interessant. Het dorp lag met één voet in het West-Friese waterland en met de andere in de wereld van Schoorl, Bergen en Kennemerland.
De Rekere was daarbij geen gewone waterloop. Het was een grenskreek, afwateringsader en landschappelijke verbinding.
De eerste pioniers in het veen
De vroegste bewoning van Warmenhuizen als nederzetting gaat terug tot de Vroege Middeleeuwen. In een uitgestrekt en toen nog grotendeels onontgonnen veenlandschap vestigden zich omstreeks de 8ste eeuw de eerste pioniers. Warmenhuizen begon niet als stenen dorp, niet als bestuurlijk centrum en niet als strak gepland lint. Het begon met mensen die het natte land stap voor stap bruikbaar maakten.
De oudste ontginning verliep vooral west-oost, vanaf een noord-zuid lopende basis. Dat patroon is wezenlijk. Het oudste bewoningslint lag niet precies op de plaats van de huidige Dorpsstraat, maar in een lijn ten westen daarvan. Pas later verschoof de bewoning oostwaarts naar de huidige Dorpsstraat.
Aanvankelijk woonde men waarschijnlijk niet in een compacte dorpsvorm. Iedere eigenaar of pachter woonde op of bij het land dat hij bewerkte. De verbindingswegen waren brede sloten tussen de percelen. Zulke percelen konden oorspronkelijk ongeveer 20 hectare groot zijn, de omvang van één hoeve. Percelen die bij de kerk hoorden, waren vermoedelijk groter, omdat een deel van het nieuw ontgonnen land aan de kerk kwam.
Ten noorden van Warmenhuizen zijn op kaarten en luchtfoto’s oorspronkelijke oost-west lopende kavelstructuren nog goed herkenbaar. Ten oosten van het dorp oogt de indeling rommeliger, wat erop wijst dat bestaande landschappelijke factoren de verkaveling sterk beïnvloedden.
Tijdens de ruilverkavelingswerkzaamheden in de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw kwamen rond Warmenhuizen verschillende vroegmiddeleeuwse vindplaatsen aan het licht. Het ging om zones met een lichtrode steengruiskorst, waarin asinsluitingen en schervenmateriaal voorkwamen. Rond deze zones lagen stroken donkere humeuze klei met resten van been en mosselschelpen. Waarschijnlijk gaat het om vroegmiddeleeuwse vlaknederzettingen: woonplaatsen die nog niet als hoge terpen begonnen, maar waar de bewoners de ondergrond versterkten om in een nat landschap te kunnen wonen, lopen en werken.
Dat is een belangrijk inzicht. Warmenhuizen begon niet meteen als terpendorp. Eerst waren er vlakke woonplaatsen in een ontginningslandschap; pas toen de wateroverlast groter werd, werden die plekken opgehoogd.
Van vlaknederzetting naar terpendorp
Vanaf de 10de eeuw werd het moeilijker om in het steeds natter wordende landschap zonder ophoging te blijven wonen. De zee kreeg meer invloed vanuit het noorden en via het zeegat bij Petten, het Zeegat Zijpe, ontstonden erosie en overstromingen vanuit het westen. In de vroege 12de eeuw begonnen overstromingen die in 1248 en 1287 een hoogtepunt bereikten, toen noordelijk van Warmenhuizen bijna al het land onderliep.
In Warmenhuizen reageerde men door bestaande woonplaatsen op te hogen tot terpen en door die terpen later met kaden en wallen te verbinden. Men kon het water met kaden en dijken steeds beter buiten houden, maar actief wegmalen kon men nog niet. Pas kort na 1400, toen Floris van Alkemade in Alkmaar de wind-watermolen demonstreerde, kwam het wegmalen van water binnen bereik.
Daarmee ontstond het oude Warmenhuizen als een ketting van woonplaatsen. De reconstructietekeningen van Oud-Warmenhuizen laten dat prachtig zien. Daarop staan bestaande terpen, verdwenen terpen, bestaande wallen, verdwenen sloten en vroegmiddeleeuwse verblijfplaatsen aangegeven. Namen als Alingtorp, Hartendorp en Kranighorn of Kranichorn tonen dat het dorp niet uit één terp bestond, maar uit een reeks woonhoogten en nederzettingsplekken.
De sloten en waterlopen — Brugsloot, Lijnesloot, Molensloot, Kerkesloot, Jan Arens Sloot of Eikel Sloot, Grietjes Sloot of Ditjes Sloot, Camper Sloot en Kiebos Sloot — laten zien dat wonen, water en verkeer hier vanaf het begin één systeem vormden.
De Alingtorp is een van de belangrijkste sleutelplekken. Het westelijke deel van het plangebied aan De Huisweid lag deels over een voormalig terplichaam. Een schets van Schermer en Westra laat zien dat de terp mogelijk iets zuidelijker lag dan op sommige beleidskaarten werd aangenomen, maar nog steeds deels binnen het plangebied. Het perceel droeg tot in 1823 de naam Alingtorp, en de vermelding van dit stuk land gaat minstens terug tot 1598.
In de jaren vijftig was van de terp nog een flauwe kop van ongeveer 6 centimeter boven het maaiveld zichtbaar. Tijdens de latere ruilverkaveling werd de bovenkant waarschijnlijk grotendeels afgevlakt. Bij die werkzaamheden kwam veel vondstmateriaal naar boven, waaronder vroegmiddeleeuws aardewerk en opvallend veel importaardewerk uit het Rijnland. Dat plaatst de beginfase van de terp ten minste in de 10de eeuw. Vondsten uit de 15de tot en met 17de eeuw wijzen erop dat de Alingtorp ook laat nog bewoond was.
De terp Hartendorp is minstens zo belangrijk, misschien nog belangrijker, omdat hier archeologisch en botanisch onderzoek diep in het dagelijks leven van middeleeuws Warmenhuizen laat kijken. Hartendorp lag in het verlengde van de vroegmiddeleeuwse vlakkelandsnederzettingen. De terp hoort dus niet los in het verhaal, maar precies op het kruispunt van oud en nieuw: aan de ene kant het oudere bewoningslint ten westen van de Dorpsstraat, aan de andere kant de latere verschuiving naar opgehoogde bewoning en naar het huidige dorpslint. Hartendorp bewaart die overgang in de bodem.
Hartendorp: de terp die het oude Warmenhuizen laat spreken
Vóór de ruilverkaveling was het oude landschap rond Warmenhuizen nog beter leesbaar. De verkaveling had overwegend een west-oost verlopend patroon. Brede sloten lagen meestal op een afstand van ongeveer 90 tot 120 meter van elkaar. Het bebouwingslint lag daar dwars op. De sloten oostelijk en westelijk van de lintbebouwing lagen vaak in elkaars verlengde.
Bij Hartendorp weken de kavelsloten uiteen. Dat lijkt klein, maar het is betekenisvol. Het wijst erop dat de terp op een bijzonder punt binnen het oude verkavelingspatroon lag. Bij een opgraving in 1977 werd de noordelijke kavelsloot op de terp teruggevonden. Bij de opgraving in 2004 kwam ook de zuidelijke kavelsloot aan het licht.
In het voorjaar van 2004 voerde ADC-ArcheoProjecten archeologisch onderzoek uit op de terp Hartendorp in Warmenhuizen, toen gemeente Harenkarspel. De aanleiding was de geplande aanleg van een grote kelder op de terp. Uit eerder inventariserend onderzoek was al gebleken dat de archeologische waarde hoog was. Hartendorp was in principe behoudenswaardig. De provincie Noord-Holland en de gemeente Harenkarspel wilden de archeologische waarden zoveel mogelijk in situ, dus in de bodem zelf, behouden.
Toch kon behoud hier niet volledig worden gerealiseerd. De nieuwbouw en vooral de kelder zouden te veel schade aanrichten. Daarom werd opgraving noodzakelijk. De centrumcoördinaat van de vindplaats was 111.020 / 526.290.
Het bijzondere van Hartendorp is dat de opgraving niet alleen bewoningssporen opleverde, maar ook een venster op het landschap. Om meer te weten te komen over de omgeving van de terp en over de activiteiten van de vroegere bewoners, werden tien grondmonsters botanisch onderzocht. Dat onderzoek werd uitgewerkt in BIAXiaal 207, met analyses door L. Kubiak van BIAX Consult. De monsters kwamen uit verschillende grondsporen: kleiputten onder de terp, de ringsloot of kavelsloot, een greppel op de terp en een waterput.
Ze werden onderzocht op botanische macroresten: zaden, vruchten en andere relatief grote plantenresten. De monsters werden met water gezeefd over zeven met maaswijdten van 0,25, 0,5, 1,0 en 2,0 millimeter. De fracties van 1,0 en 2,0 millimeter werden volledig onderzocht; van de kleinere fracties werd een representatieve steekproef genomen. De analyse gebeurde met een opvallend-lichtmicroscoop tot 50 maal vergroting.
De monsters dateren vooral uit de 12de eeuw, de overgang van de 12de naar de 13de eeuw, de 13de eeuw en het begin van de 13de eeuw. Daardoor ontstaat een beeld van Warmenhuizen in een periode waarin de terp daadwerkelijk functioneerde. Het gaat om een wereld van kleiputten, sloten, verlandende vullingen, mestlagen, greppels, aslagen en waterputten.
Vondstnummer 01-28-19 kwam uit een 12de-eeuwse kleiput onder de terp en had een veenrijke vulling. 01-28-20 kwam uit de bovenkant van dezelfde kleiput en had een meer kleiige vulling. 02-01-15 kwam eveneens uit een 12de-eeuwse kleiput onder de terp en had een veenrijke vulling. 01-30-21 kwam uit de onderste vulling van de ringsloot of kavelsloot en hoorde bij de actieve fase van die sloot. 01-30-22 kwam uit de middenvulling van dezelfde sloot, uit de verlandingsfase, en bevatte venig materiaal met mest. 01-13-17 kwam uit de bovenste vulling van de zuidelijke ringsloot of kavelsloot en betrof een aslaag. 03-06-76 kwam uit een 13de-eeuwse greppel op de terp met rood verbrande klei. De vondstnummers 01-18-39, 01-18-40 en 01-18-48 kwamen uit de waterput uit het begin van de 13de eeuw, waarbij 01-18-40 onderin de waterput lag en mest bevatte, 01-18-48 een laag tussen 39 en 40 vormde en eveneens mest bevatte, en 01-18-39 uit het midden van de vulling kwam.
Juist door die verspreiding over kleiputten, sloten, greppels en waterputten ontstaat een rijk beeld. De kleiputten vertellen iets over aanleg en gebruik van de terp en de grond eronder. De ringsloot of kavelsloot vertelt over waterbeheer, begrenzing en verlanding. De greppel met rood verbrande klei wijst op activiteiten op de terp zelf. De waterput laat zien wat in een natte, gebruikte nederzetting in het water terechtkwam. Mest in sloot en waterput is daarbij belangrijk, omdat mest plantenresten kan bevatten die via vee, strooisel, hooi, afval of erfgebruik op de nederzetting terechtkwamen.
Brakke graslanden, sloten en waterputten
Uit de plantenresten blijkt dat de bewoners van Hartendorp leefden in een overgangslandschap. Aan de ene kant was er een zoet laagveenmilieu. Aan de andere kant was er duidelijke brakke invloed. Dat blijkt vooral uit de vele kwelderplanten. Warmenhuizen bestond dus niet uit één eenvoudig landschapstype. Het was veen, maar niet alleen veen. Het was boerenland, maar niet volledig droog. Het was kustland, maar niet open zee. Het was precies die mengvorm die het dagelijks leven bepaalde.
De kwelderplanten zijn veelzeggend. In de monsters kwamen onder meer Engels gras, zilte rus, zilte zegge, zulte, zeeweegbree, lamsoor, zeekraal, schijnspurrie, gewoon kweldergras, schorrenkruid, schorrenzoutgras en melkkruid voor. Zulke soorten wijzen op brakke graslanden, vergelijkbaar met hoge kweldergedeelten. Dat zijn delen van het landschap die alleen bij extreem hoog water door de zee worden overspoeld.
Zulke hoge kwelders konden voor boeren aantrekkelijk zijn. Ze boden gras, openheid en ruimte voor vee. Runderen en schapen zullen er hebben gegraasd. Of die graslanden direct naast de terp lagen, is niet helemaal zeker, want plantenresten kunnen ook via hooi of dierlijke mest op de nederzetting terecht zijn gekomen. Maar hoe dan ook stond Hartendorp in verbinding met een brakke, beweide graslandwereld, waarschijnlijk ten westen van de nederzetting.
De water- en oeverplanten vertellen een tweede verhaal. In de ringsloot, de kleiputten en de waterputmonsters werden veel soorten gevonden die horen bij stilstaand of langzaam stromend water, natte oevers en moerassen. Waterdrieblad kwam opvallend veel voor. Deze plant groeit vaak in zwak zuur, matig voedselarm water, vooral in zoete laagveengebieden, maar ook waar verschillende watertypen elkaar raken.
Daarnaast kwamen onder meer grote waterweegbree, kleine watereppe, heen, scherpe of stijve zegge, hoge cyperzegge, oeverzegge, snavelzegge, galigaan, wolfspoot, riet, drijvend fonteinkruid, duizendknoopfonteinkruid, fijne waterranonkel, grote boterbloem, mattenbies, kleine egelskop en grote of blonde egelskop voor. Deze planten horen bij waterkanten, sloten, natte greppels en moerassige zones.
Bijzonder is de vondst van snavelruppia in de waterput. Snavelruppia is een ondergedoken waterplant met draadvormige bladeren, die groeit in ondiep brak tot zilt water en vooral voorkomt in wateren met wisselend zoutgehalte. In het hele soortenspectrum was snavelruppia de enige soort die zout echt nodig had om te overleven. Dat maakt de vondst belangrijk. Brak water was bij Hartendorp niet alleen een algemene landschappelijke mogelijkheid, maar concreet aanwezig in de waterwereld rond de terp.
Ook planten als mattenbies, watermunt, riet en heen wijzen op watermilieus die zwak brak tot brak konden zijn. Het water veranderde waarschijnlijk door de seizoenen: regenwater kon het in de winter verdunnen, terwijl verdamping in de zomer het zoutgehalte kon verhogen.
Gerst, rogge, vlas, raapzaad en bonen
De gebruiksplanten geven zicht op het boerenbedrijf en de voeding. In de monsters zijn resten gevonden van gerst, rogge, vlas, raapzaad, erwt en duivenboon. In de oudste monsters uit de 12de eeuw werden alleen resten van gerst gevonden. Rogge verschijnt pas in monsters uit de overgang van de 12de naar de 13de eeuw. Van beide granen zijn kafresten gevonden, vooral aarspilfragmenten. Zulke resten worden vaak gezien als dorsafval.
Vooral bij rogge waren zoveel aarspilfragmenten aanwezig dat de onderzoekers aannamen dat het graan lokaal werd verbouwd en gedorst. Dat is opvallend, omdat rogge in de Middeleeuwen vooral met zandgronden wordt verbonden en in kustnederzettingen vaak geïmporteerd lijkt te zijn. Bij Hartendorp wijst het dorsafval juist op lokale teelt, mogelijk op hoge, drogere of zandiger kweldergedeelten. Als rogge daar werd verbouwd, ging het vermoedelijk om zomerrogge, omdat winterrogge te kwetsbaar zou zijn geweest voor winterse overstromingen.
Gerst past goed bij het kustgebied. Gerst werd vroeger veel in kustlandschappen verbouwd en is beter bestand tegen lichte brakke invloeden. Experimenteel onderzoek heeft laten zien dat gerst op hoge delen van kwelders goed kan groeien. De aanwezigheid van gerst bij Hartendorp is daarom begrijpelijk. De bewoners van Warmenhuizen waren niet alleen veehouders in nat grasland, maar ook akkerbouwers in een moeilijk, veranderlijk kustlandschap.
Vlas is eveneens veelzeggend. Van vlas zijn veel zaden en een kapselfragment gevonden. Vlas kon worden gebruikt voor vezels, dus voor linnenproductie, en voor de oliehoudende zaden, lijnzaad en lijnolie. De aanwezigheid van kapselfragmenten wijst op verwerking in de omgeving. Vlas werd zowel in 12de-eeuwse als 13de-eeuwse monsters gevonden en hoorde dus waarschijnlijk echt bij het boerenbedrijf rond Hartendorp.
Raapzaad kwam vooral in de 13de-eeuwse waterputmonsters voor. Olie van raapzaad werd in de Middeleeuwen raeptsmout genoemd en was belangrijk in de keuken, vooral tijdens vastenperioden waarin dierlijke vetten verboden waren. De vondst van raapzaad kan ook wijzen op de verbouw van rapen, waarvan planten in het voorjaar konden doorschieten en zaad leveren.
Van de peulvruchten zijn erwt en duivenboon gevonden. Van erwt kwam een verkoold exemplaar uit een 12de-eeuwse kleiput. Duivenboon, ook wel paardenboon of veldboon genoemd, is de kleinzadige voorloper van de huidige tuinboon en kwam vooral in jongere monsters voor, zowel verkoold als onverkoold. Deze gewassen passen bij een gemengd boerenhuishouden, waarin akker, tuin, erf, vee en keuken nauw verbonden waren.
Rond akkers, tuinen en erven groeiden veel wilde planten. Vogelmuur, zwarte nachtschade, kleine brandnetel en perzikkruid wijzen op voedselrijke of zeer voedselrijke plekken, zoals bemeste moestuinen en akkers met hakvruchten. Voor Hartendorp maakt dit aannemelijk dat er op of bij de terp moestuinen lagen. Schapenzuring en knopherik wijzen op matig voedselrijke akkers en kunnen tussen gerst of rogge hebben gestaan. Ook bolderik, zwaluwtong, akkermelkdistel, dauwnetel of gewone hennepnetel passen bij akker- en ruigtevegetaties. De akkers waren dus geen schone moderne percelen, maar levendige mengsels van gewas, onkruid, erfplanten en randvegetatie.
Tredplanten brengen het erf dichtbij. Gewoon varkensgras kwam in grote aantallen voor. Ook grote weegbree, steenkruidkers en grove varkenskers werden aangetroffen. Dit zijn planten van betreden grond: paden, ingangen van weilanden, wagensporen, kleidijken, natte erfplekken en plaatsen waar mensen en vee vaak liepen. Vooral grove varkenskers is interessant, omdat die in archeologische context niet vaak wordt gevonden. Zij groeit op ammoniakhoudende kleibodems, vaak op plekken die door betreding of grondbewerking kaal zijn geworden, waar ’s winters water blijft staan en die ’s zomers kunnen uitdrogen. Dat is precies het soort plek dat men bij een middeleeuws boerenerf in een nat kustgebied kan verwachten.
Langs de terp lagen waarschijnlijk voedselrijke ruigten. Daar groeiden uitstaande melde of spiesmelde, melganzenvoet, beklierde duizendknoop, gevlekte scheerling en bilzekruid. Uitstaande melde of spiesmelde kwam in grote aantallen voor. In het binnenland groeien zulke planten vaak op mesthopen en andere voedselrijke plekken, maar spiesmelde is ook een echte kustplant van aanspoelsel aan de randen van kwelders. Ook hier lopen erf en kust door elkaar heen. Bilzekruid en gevlekte scheerling vallen op omdat beide giftig zijn, maar ook tot de oude geneeskruiden behoren. Hun aanwezigheid kan voorzichtig wijzen op geneeskundige kennis of gebruik, maar zeker is vooral dat ze thuishoren op verstoorde, voedselrijke erfplekken.
De graslandplanten versterken het beeld van beweiding en nat gebruiksland. Zachte dravik, rood zwenkgras, grasmuur, zandzegge, veldbeemdgras of ruw beemdgras, smalle of voederwikke, scherpe of kruipende boterbloem en echte koekoeksbloem passen bij graslanden en natte randen. Storingsindicatoren zoals zilverschoon, egelboterbloem, behaarde boterbloem, gewone waternavel, vertakte leeuwentand, gewone of slanke waterbies, watermunt of akkermunt en witte klaver wijzen op wisselende waterstanden en regelmatige begrazing. Zulke planten komen vaak voor in graslanden die ’s winters nat zijn of onder water staan en ’s zomers worden beweid en betreden.
Ook de heide- en veenplanten zijn belangrijk. In twee kleiputten zijn resten gevonden van gewone dophei en wilde gagel. Mogelijk groeiden deze planten vóór de aanleg van de terp in de nabije omgeving, of zaten ze al in het veen waar de kuilen doorheen waren gegraven. In beide gevallen herinneren ze aan de veenondergrond van Warmenhuizen. Onder de terp lag niet zomaar klei of zand, maar een ouder veenlandschap dat door ontginning, ophoging en bewoning werd doorsneden.
Opvallend is wat het onderzoek niet opleverde: fruitresten. Er zijn geen resten gevonden van fruitcultuur of van wilde vruchten zoals hazelnoten, bramen, frambozen, vlierbessen of bosbessen. Dat past bij veel kustnederzettingen. Blijkbaar bood de natuurlijke omgeving weinig mogelijkheden voor het verzamelen van zulke vruchten, en van echte fruitteelt was waarschijnlijk geen sprake. Het voedselbeeld van Hartendorp is daardoor sober maar krachtig: gerst, rogge, vlas, raapzaad, erwt, duivenboon, vee, grasland en moestuinachtige erven.
Hartendorp laat daarmee zien hoe Warmenhuizen in de 12de en vroege 13de eeuw functioneerde. Mensen woonden op een verhoogde terp tussen sloten, natte graslanden, kleiputten, kwelderplanten en erfpaden. Vee liep over natte klei. Mensen gebruikten paden en ingangen die telkens opnieuw werden vertrapt. Hooi, mest, afval en plantenresten kwamen op het erf terecht. Kleiputten vulden zich met veenrijke en kleiige lagen. Ringsloten functioneerden eerst als open waterlopen en begonnen later te verlanden. Waterputten raakten gevuld met mest, plantenresten en nederzettingsmateriaal. De bodem bewaart daardoor wat mensen zelf niet opschreven.
De Dorpsstraat als oude rug
De middeleeuwse dorpskern groeide ondertussen verder naar de huidige as. In het dorp Warmenhuizen werden losse terpen met elkaar verbonden door lagere wallen, waardoor een uitgestrekte woonterp of wal ontstond. De huidige Dorpsstraat volgt nog altijd het beloop van die rug. Ter hoogte van de Stationsstraat lag de meest uitgestrekte terp van het dorp.
De Oostwal, de Fuik of Noordwal en de Oudewal tonen hetzelfde principe. Warmenhuizen kreeg kenmerken van een wegdorp, maar dan een wegdorp op een verhoogde rug, met bebouwing langs een verhoogde weg en een sloot evenwijdig daaraan. Tot ver in de 19de eeuw werd vooral aan de wegzijde van zo’n dijk of wal gebouwd. Pas later werden ook percelen aan de overzijde van de sloot bouwrijp gemaakt, waardoor tweezijdige lintbebouwing ontstond.
De luchtfoto’s van vóór de ruilverkaveling laten dit oude landschap goed zien. Warmenhuizen ligt daarop als een langgerekte noord-zuid lopende lijn in het land. Daaromheen liggen smalle stroken, blokvormige kavels, sloten, vaarten en donkere waterlijnen. Het is geen modern rechthoekig landbouwland, maar een oud vaarpolderlandschap. Het land lijkt in stukken uit elkaar te liggen, als eilandjes tussen water. Dat is precies waarom Warmenhuizen het “rijk der duizend eilandjes” werd genoemd.
De oude Ursula en de aflaat van 1508
De oude Ursulakerk werd het geestelijke middelpunt van die groeiende dorpskern. Volgens het Westfries Genootschap staat de middeleeuwse Ursulakerk in het centrum van Warmenhuizen, op een hoogte die bij nadere beschouwing geen gewone terp is, maar een restant van het dikke veenkussen dat ooit dit land bedekte. Daarmee staat de kerk letterlijk op de herinnering aan het verdwenen veen.
Warmenhuizen moet al vroeg welvaart hebben gekend, want al in de 12de eeuw werd een tufstenen kruiskerkje gebouwd. Tufsteen is nog herkenbaar in de onderbouw van de toren en in de westgevel van de huidige kerk. Rond 1500 kwam daar een gotisch koor achter. Kort daarna werd het gedeelte tussen de inmiddels verhoogde toren en het koor in dezelfde stijl omgebouwd tot een ruim middenschip, twee zijbeuken en een transept.
De oude Ursula bewaart verschillende tijden in één gebouw. Er is een middeleeuws zandstenen doopvont, een bijzonder eikenhouten koorhek uit het begin van de 16de eeuw, een zware luidklok uit 1595, een barokke preekstoel uit 1724 en een orgel van orgelbouwer Knipscheer uit 1864. De ruimtewerking bleef opvallend, zelfs nadat in de 19de eeuw de zuiderzijbeuk met dwarsbeuk werd gesloopt. Bij de restauratie van 1960 werd een groot houten tussenschot verwijderd dat kerk en koor scheidde, waardoor de ruimtewerking weer sterker zichtbaar werd.
Rond 1508 komt Warmenhuizen duidelijk naar voren als kerkelijke plaats van betekenis. Op 15 augustus 1508 gaf hulpbisschop Jacobus Ridder, afkomstig uit Kalkar, een aflaat uit voor een bezoek aan het St. Anna-altaar in de Ursulakerk. Jacobus Ridder was wijbisschop voor het bisdom Utrecht en droeg de eretitel bisschop van Hebron. Hij kwam naar Warmenhuizen om de pas verbouwde Ursulakerk te wijden. Waarschijnlijk stond er al meer dan twee eeuwen een kerk, maar die was te klein geworden en na de verbouwing moest zij opnieuw worden gewijd.
Gelovigen die het St. Anna-altaar bezochten en daar godvruchtige werken verrichtten, kregen volgens de aflaat 40 dagen vermindering van hun boetetijd in het vagevuur. De aflaat werd in het Latijn op perkament geschreven; het zegel van de bisschop ontbreekt, maar het sneetje waar het zegel aan bevestigd was, is nog zichtbaar. Onderweg naar Warmenhuizen had Jacobus Ridder op 12 augustus 1508 ook de Clarissenkerk van het Alkmaarse Clarissenklooster gewijd. De aflaat laat zien dat Warmenhuizen rond 1500 niet zomaar een lokaal kerkdorp was, maar een plaats die in een bredere kerkelijke route en devotionele wereld stond.
De pronkstukken van de oude Ursula zijn de 16de-eeuwse gewelfschilderingen op houten panelen. Het Westfries Genootschap schrijft ze vrijwel zeker toe aan Jacob Cornelisz van Oostsanen, rond 1520. Oudere archiefbeschrijvingen verbinden ze ook met Jan van Scorel en het jaar 1525. Dat moet zorgvuldig worden verteld: de schilderingen worden tegenwoordig vooral met Jacob Cornelisz van Oostsanen verbonden, terwijl oudere beschrijvingen ze met Jan van Scorel in verband brachten.
Dat de schilderingen de Beeldenstorm van 1566 overleefden, is bijzonder. Ze zaten zo hoog in de kerk dat de beeldenstormers er waarschijnlijk niet bij konden. In de 19de eeuw werden de panelen uit de gewelven gehaald en naar het Rijksmuseum in Amsterdam gebracht, zogenaamd om ze beter te conserveren. Daar werden ze door de beroemde neogotische architect Pierre Cuypers op maat gezaagd om ze te kunnen plaatsen. In 1964 kwamen de kostbare stukken terug naar Warmenhuizen, waarna ze werden gerestaureerd.
Heerlijkheid, Egmond en rechten op water
Naast kerk en bodem hoort macht bij Warmenhuizen. De geschiedenis van de Heerlijkheid Warmenhuizen laat zien dat het dorp niet alleen een agrarische nederzetting was, maar ook een bestuurlijk en juridisch bezit. In de archiefinleiding wordt Warmenhuizen beschreven als een landelijke gemeente, ongeveer 2,15 uur ten noorden van Alkmaar, omringd door Eenigenburg, Harenkarspel, Oudkarspel en Schoorl, met Krabbendam en deels Schoorldam eronder. Op 31 december 1901 telde de bevolking 1.573 zielen.
Volgens de archiefinleiding kwam Warmenhuizen in 1200 aan Egmond. Vóór 1607 zijn alle beleningen moeilijk precies te reconstrueren, omdat Warmenhuizen vaak samen met de heerlijkheid of het graafschap Egmond in leen werd uitgegeven.
Op Pinksteravond 1290 bevestigde graaf Floris van Holland de ruil waarbij zijn oom Floris met Willem, heer van Egmond, de dorpen Oudkarspel, Oudorp, Wadway, Spanbroek en Oterleek ruilde tegen het ambacht Warmenhuizen. Daarbij hoorden tienden, visserijen, sluizen, wateringen, vogelrijen en rechten in hoge en lage zaken. Dat betekent dat Warmenhuizen niet alleen als grondbezit telde, maar als een complex van opbrengsten, waterrechten, rechtspraak en bestuur.
In 1316 bevestigde graaf Willem de lijftucht van Beatrix van den Doertoghe, de vrouw van Wouter van Egmond, uit de tienden van Warmenhuizen en Harenkarspel en uit de visserij van Warmenhuizen. In 1355 werd opnieuw visserij binnen het ambacht van Warmenhuizen en Harenkarspel genoemd, bij een regeling voor Ghiote van IJsselstein, echtgenote van Jan van Egmond.
In 1421 beleende hertog Jan van Beieren Jan, heer van Egmond en IJsselstein, in hoge en lage zaken met de heerlijkheden Warmenhuizen, Harenkarspel en het Noord-Ambacht van Petten. Later bleef Warmenhuizen verbonden aan het huis Egmond. In 1530 werd Charles, graaf van Egmond, via Françoise van Luxemburg, gravin-douairière van Egmond, beleend met het huis en slot Egmond en de bijbehorende plaatsen, waaronder Purmerend, Purmerland, Neck, Ilpendam, Bakkum, Warmenhuizen, Harenkarspel, Oudkarspel, Petten en Huisduinen.
In 1542 werd Lamoraal, graaf van Egmond, beleend. Zijn onthoofding in 1568 bracht Warmenhuizen indirect in de grote politieke breuk van de Tachtigjarige Oorlog. Zijn weduwe Sabina van Beieren kreeg het gebied in 1576 in bezit. Haar zoon Filips van Egmond, prins van Gaveren, erfde het, maar doordat hij de zijde van de Spanjaarden koos, verloor hij zijn goederen. In 1595 verklaarden de Staten van Holland en West-Friesland dat het graafschap Egmond met toebehoren en andere heerlijkheden aan Holland was vervallen.
De grote omslag kwam in oktober 1607. Toen werden de goederen van Lamoraal, graaf van Egmond, op verzoek van zijn schuldeisers verkocht. De heerlijkheid Warmenhuizen werd verkocht met het baljuwschap, het schoutambt, het secretarisambt, het bodeambt, de bieraccijns, de turfmaat te Schoorldam, de visserij van de Noorderbrugge en Santsloot, de zwanendrift en andere rechten. De kopers waren Gonselo Gijbels en Frederik van der Elburch, voor 10.050 Carolus gulden. Volgens een kanttekening werd deze koop overgezet aan jonkheer Willem Bardesius.
Daarna ging de heerlijkheid door nieuwe handen: Joachim van Mierop in 1609, Willem Bardesius in 1620, Arent van Bardens in 1631, Constantijn Sohier in 1643, Nicolaas Sohier in 1671, Antonia Constantia Sohier de Vermandois in 1691, Antonia Susanna de la Porte in 1736, Christiaan Constantijn Rumpf en Anna Catharina de la Porte in 1747, Anna Catharina Rumpf, echtgenote van Jacob Adriaen du Tour, in 1761, en Hans Willem van Aylva in 1797.
Zo werd Warmenhuizen een verhandelbare heerlijkheid: hetzelfde dorp, dezelfde dijken en sloten, maar telkens andere heren en vrouwen die rechten bezaten op bestuur, water, visserij, accijnzen en rechtspraak.
Reformatie, katholieke volharding en een nieuwe Ursula
De Reformatie veranderde de kerkelijke wereld. In 1573 viel de Warmenhuizer kerk in handen van de protestantse Geuzen, net als veel katholieke gebouwen in de regio. De kerk werd voortaan gereformeerd. Maar de katholieke bevolking verdween niet. In de 17de eeuw werd herhaaldelijk geklaagd over “Paepsche stoutelijckheden” in het dorp. In 1667 had Warmenhuizen weer een eigen pastoor, al zonder officiële kerk, want katholieken werden gedoogd maar moesten zich gedeisd houden.
Pas in 1872 kreeg de katholieke gemeenschap een nieuwe kerk, opnieuw gewijd aan Sinte Ursula. Daardoor werd de oude Ursula vooral de kerk van de kleinere hervormde gemeente. De zorg voor dat monument bleef zwaar. Door schade van boktorren en bonte knaagkevers aan de houten kapconstructie moest eind 2009 een grote restauratie beginnen, met rijkssubsidie en andere bijdragen. De kerk werd daarvoor een half jaar gesloten en de kerkgangers weken uit naar Dirkshorn.
Het rijk der duizend eilandjes
Ondertussen bleef Warmenhuizen vooral een dorp van water, land en landbouw. Het gemeentegebied was van oudsher een vaarpolder, vooral aan de oostzijde van het dorp. Vele waterlopen en meren drongen het gebied binnen. Op oude kaarten staan namen als Groote Sloot, Lange Sloot, Kleine Sloot, Wijde Sloot, Dergmeer, Diepsmeer, Jaartingermeer, Nieuwe Greb en Oude Greb.
De meren werden vooral in de 16de en het begin van de 17de eeuw drooggelegd. In de periode 1850-1940 herinnerden vooral poldernamen nog aan deze verdwenen meren. De waterlopen bleven wel bestaan. Daardoor bleef Warmenhuizen een gebied van landerijen die ruimschoots door water waren omgeven. Niet voor niets werd de gemeente door haar waterrijke grondgebied het “rijk der duizend eilandjes” genoemd.
De afwatering ging in de periode 1850-1940 op natuurlijke wijze via de vele wateren die de gemeente doorkruisten. Het hoger op terpen gelegen dorp Warmenhuizen lag ongeveer tussen 0,0 meter +NAP en 1,0 meter +NAP, terwijl de omliggende polders tegenwoordig tussen ongeveer 0,7 meter -NAP en 1,9 meter -NAP liggen. In het buitengebied lagen in de periode 1850-1940 nog enkele verspreide woonterpen met bebouwing. Ook lagen er vóór de ruilverkaveling enkele meerwallen, hoger gelegen delen die waren ontstaan door opwaaiing en golfslag langs vroegere meren.
De westgrens van de gemeente werd vroeger gevormd door de Rekere, de grenskreek tussen Kennemerland en West-Friesland. Die Rekere werd al vroeg afgedamd, eerst bij Schoorldam, later ook noordelijker bij Rekerdam/Krabbendam. Later werd de Rekere vergraven tot vaart en begin 19de eeuw verbreed en rechtgetrokken tot het Noordhollands Kanaal.
Daarmee krijgen Krabbendam en Schoorldam hun juiste betekenis. Krabbendam was een lintvormige kern tegen de binnenzijde van de Westfriese Omringdijk, van oorsprong een vissersdorp, nabij de dam die de Rekere afsloot. In de periode 1850-1940 was het vooral agrarisch, met nog enkele visserijactiviteiten, een school en een kerk.
Schoorldam lag aan weerszijden van het Noordhollands Kanaal; de westzijde hoorde bij Schoorl, de oostzijde bij Warmenhuizen. Het Warmenhuizense deel lag tegen de Westfriese Omringdijk en had een lintvorm met een kleine kom rond de Sluisweg. In de periode 1850-1940 lag er nog een vlotbrug over het kanaal, rond 1960 vervangen door een ophaalbrug. In het begin van de 20ste eeuw stond er een steenfabriek, die in de jaren zestig verdween. Rond 1850 had Schoorldam nog een school.
Van veeteelt naar koolland
Rond 1850 waren landbouw en vooral veeteelt de belangrijkste vormen van agrarisch grondgebruik in Warmenhuizen. De landbouwtelling van 1852 laat een gevarieerd beeld zien. Er was grond in gebruik voor tarwe, rogge, gerst, haver, erwten, bonen, aardappelen, mosterd, koolzaad, vlas, kanariezaad, kool, koriander, wortelgewassen, klaverzaad en karwij. De grootste oppervlakten lagen toen bij haver, tarwe, bonen, rogge, aardappelen en kanariezaad, terwijl kool nog bescheidener voorkwam.
Dat veranderde aan het einde van de 19de eeuw. De tuinbouw nam een grote vlucht, ten koste van de veeteelt. De oorzaken lagen in de landbouwcrisis van 1880-1890, toenemende verstedelijking, bevolkingsgroei en de toepassing van kunstmest. Kool en aardappelen werden de belangrijkste tuinbouwproducten, met daarnaast uien en wortelen. Vooral door de kool werd Warmenhuizen bekend.
De crisis van 1929 trof het dorp hard. Onder invloed van de beurskrach zakte de veilingomzet tot een dieptepunt. Een luizenplaag onder de gewassen maakte het nog zwaarder, waardoor tuinders nauwelijks het hoofd boven water konden houden. Na 1935 ging het langzaam beter, maar problemen bleven. Er was draaihartigheid in de kool, waarbij producten doordraaiden als de veilingprijs te laag was. Nieuwe, intensievere producten konden moeilijk worden geteeld, omdat de tuinders te ver van hun land woonden. Al in die periode werd het idee van ruilverkaveling geopperd.
De veilingcijfers tonen hoe belangrijk de tuinbouw werd. In 1918 ging het bij de veiling van Warmenhuizen onder meer om 6.495 ton rode kool, 13.935 ton witte kool, 2.233 ton gele kool, 1.800 ton uien, 406 ton wortelen, 173 ton selderij en 3.370 ton aardappelen. In 1951 waren er onder meer 201 ton andijvie, 7.549 ton rode kool, 8.142 ton witte kool, 1.891 ton gele kool, 195 ton stamslabonen, 484 ton uien en 4.000 ton aardappelen. Die cijfers zijn geen droge economie. Ze laten zien hoe het oude waterland veranderde in een productiegebied van kool, aardappelen en groenten.
De bevolking groeide mee met die ontwikkeling. De oude gemeente telde rond het midden van de 19de eeuw nog ruim duizend inwoners. In 1890 lag het totaal rond 1.350, in 1900 rond 1.534, in 1910 rond 1.752, in 1920 op 2.064, in 1925 op 2.183, in 1930 op 2.279 en in 1940 op 2.330. Warmenhuizen bleef een agrarische gemeente, maar werd wel voller, bedrijviger en economisch sterker.
Veiling, zuurkoolfabriek, kaasfabriek en tram
De economische groei kreeg gebouwen. In 1913 werd de Centrale Veilingvereniging Warmenhuizen en omstreken opgericht en kwam er een groenteveiling naast het station aan de Stationsstraat. Vanaf 1915 vond ook de visafslag in het veilinggebouw plaats. In 1928 werd het oorspronkelijk houten veilinggebouw vervangen door een stenen gebouw. Tot 1968 functioneerde de Warmenhuizer veiling, waarna zij fuseerde met de Langedijker veiling. Kort daarna werden de veilinggebouwen afgebroken.
In 1914 werd een fabriek van gezouten groenten gesticht, de latere zuurkoolfabriek. Deze fabriek staat, met uitbreidingen, nog steeds in Warmenhuizen. In 1912 kwam er een nieuwe kaasfabriek en rond 1915 een gasfabriek. Die twee fabrieken zijn verdwenen; van de gasfabriek resteert volgens de MIP-tekst nog de directeurswoning. In 1921 werd Warmenhuizen aangesloten op het provinciale waterleidingnet.
De infrastructuur bleef lang door water bepaald. In de periode 1850-1940 had Warmenhuizen door zijn waterrijke omgeving maar weinig wegen. De belangrijkste lagen op de Westfriese Omringdijk, in en rond het dorp, en in de toen nog tot Schoorl behorende Hempolder. De wegen rond het dorp waren de van noord naar zuid over terpen en wallen lopende Dorpsstraat, met uitlopers als Oostwal, Fuik/Noordwal en Oudewal. De weg over de Omringdijk was rond 1850 al verhard; andere wegen werden pas later verhard. De waterwegen waren ontelbaar. Slootjes en grotere vaarsloten hadden een verkeersfunctie, afwateringsfunctie en visserijfunctie.
De Krabbendammervaart liep van Krabbendam naar het Noordhollands Kanaal en vormde oorspronkelijk de grens tussen Warmenhuizen en Schoorl. Zij werd bij de herverkavelingen na de Tweede Wereldoorlog gedempt. Na de demping rond 1960 werd de erachter gelegen Hempolder onder Schoorl bij Warmenhuizen gevoegd.
In 1913 kwam daar de tramlijn Alkmaar-Schagen bij. Die werd aangelegd door de Noorder-Stoomtramweg Maatschappij en geëxploiteerd door de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. In 1933 werd het baanvak Warmenhuizen-Schagen opgeheven en werd Warmenhuizen het eindstation van het traject Alkmaar-Warmenhuizen. Tot 1947 reden er passagierstrams; tot 1968 bleef het baanvak nog in gebruik voor goederenvervoer.
Het tracé is op sommige plekken nog herkenbaar, onder meer bij het Spoorlijntje, een smalle weg ten zuiden van de Oudewal-Oost. Ook de Trambaan ten westen van de Veilingweg houdt de naam vast. Het station Warmenhuizen aan de Stationsstraat bij de Veilingweg bleef bestaan en werd later een woonhuis.
Stolpen, vaarstolpen en de familie Frans
Het bebouwingsbeeld weerspiegelt de ontwikkeling van agrarisch waterdorp naar tuinbouwdorp. Rond 1850 bestond de bebouwing vooral uit kleine landarbeiderswoningen, stolpboerderijen en een kerk. Boerderijen en bedrijfsgebouwen waren georiënteerd op de omringende landerijen, die uitsluitend via water bereikbaar waren. De voorgevel lag aan de hoger gelegen weg, maar achter- en zijgevels waren op het water gericht, soms met extra darsdeuren, omdat vervoer naar het land met boten plaatsvond.
Vanaf 1870 nam de bouwactiviteit toe door de groeiende welvaart uit de tuinbouw. Naast verdichting van de lintbebouwing kwam monumentale bebouwing, zoals Dorpsstraat 106 en Dorpsstraat 108, respectievelijk gemeentehuis en dokterswoning. Tussen ongeveer 1910 en 1930 kwamen langs Dorpsstraat, Oostwal en Oudewal losstaande woonhuizen met mansardekap, erker, kleurig metselwerk en soms portiek, en smalle woningen onder steil pannen puntdak met metselwerkaccenten. De scholen aan Dorpsstraat 32-34 en Dorpsstraat 171-175 bleven bewaard, net als de St. Ursulakerk uit 1872 aan Dorpsstraat 177.
De boerderijen van de familie Frans geven de 19de-eeuwse bloei een gezicht. Aan Dorpsstraat 207 staat het rijksmonument, nummer 38279, gebouwd in 1871 door Cornelis Janszoon Frans. Hij leefde van 1843 tot 1904 en was getrouwd met Maartje Abrahamsdochter Borst, die leefde van 1846 tot 1926. Het is een stolphoeve met het jaartal 1871 in de ronde, in siermetselwerk opgetrokken schoorsteen. De voorgevel heeft geblokte lisenen, een kroonlijst, een gesneden voordeur en bovenlicht. Volgens M.J. Sjerps in Langs oude dijken en terpen uit 1979 is de boerderij bekend door de levensboom boven de deur.
Fr. Beemsterboer vermeldt in Warmenhuizen toen en nu dat Cornelis Janszoon Frans toestemming kreeg om de vaart voor het huis op eigen kosten te dempen. Die vaart liep langs een groot deel van het dorp en heette eerst de gemeene vaart, later de Heerenvaart. De Dorpsstraat kreeg in de 19de eeuw de naam Heerenstraat. De boerderij bleef tot 1967 in bezit van de familie Frans en werd daarna verkocht aan de familie Beemsterboer.
Aan Oudewal 31 liet Pieter Pieterszoon Frans, geboren in 1844 en overleden in 1900, getrouwd met Maartje Jansdochter Blom, in 1871 een boerderij bouwen. De eerste steen werd op 16 maart 1871 gelegd door hun bijna tweejarige dochter Klaasje Pietersdochter Frans, geboren in 1869 en overleden in 1933. Deze boerderij is een provinciaal monument, kenmerk NH/WN 430, van het afgeleide Noord-Hollandse type. De Oudewal behoort tot de vanouds bewoonde plaatsen in Warmenhuizen en mogelijk stond hier eerder al een boerderij. Later stond zij bekend als de stolp van Paarlberg; in 1956 woonde de familie Blom erin.
Aan Dorpsstraat 137-139 liet dezelfde Pieter Pieterszoon Frans in 1893 een nieuwe boerderij bouwen. Hij had in 1873 op een veiling in De Moriaan een oudere huismanswoning gekocht uit de boedel van landman Arie Swan en zijn vrouw Antje Bregman, beiden geboren in 1793; Arie overleed in 1865 en Antje in 1873. Die oudere boerderij lag met de achterzijde tegen de Heerenvaart, die diende voor aan- en afvoer van vee en landbouwproducten. De huidige boerderij is een provinciaal monument, kenmerk NH/WN 432, en wordt omschreven als een rijk uitgevoerde vaarstolpboerderij van het langhuistype, met een uitgebouwd voorhuis in de lengteas. Voor de demping van de vaarsloot was de boerderij voor vervoer aangewezen op de voormalige gemeene vaart. Tot 1922 bleef zij in bezit van de familie Frans. Daarna verkocht Pieter Pieterszoon Frans, geboren in 1873 en overleden in 1934, zoon van de bouwer, haar aan Willem Dekker, die haar de naam Alida gaf, naar de voornaam van zijn grootmoeder van vaderszijde.
De term vaarstolpboerderij vat Warmenhuizen bijna in één woord samen: stolp, vaart, landbouw, vervoer en welvaart.
De Moriaan: paarden, kermis en dorpsleven
Naast kerk, boerderij, veiling en tram hoort ook het dorpsleven in het verhaal. Daarvoor is Café De Moriaan onmisbaar. De oude herberg staat in de bocht van de Dorpsstraat, tussen de Oude en de Nieuwe Ursulakerk. De oudste vermeldingen dateren uit het einde van de 16de eeuw. In 1624 wordt gesproken van het huis waar het Moeriaenshoofd uithing. Dat uithangteken vertelde in een tijd waarin niet iedereen kon lezen wat voor soort plek het was.
De Moriaan was eeuwenlang meer dan horeca. Reizigers konden er hun paarden drenken, voeren of verversen als zij onderweg waren naar Schagen of Alkmaar. Later werd het een plek van borrels, biljart, bruiloften, partijen en kermis. Men ging naar café Slikker of naar Jan Harberts, genoemd naar de uitbater.
De kermis maakte De Moriaan tot een jaarlijks middelpunt. De kermis komt oorspronkelijk van kerkmis, een feest ter gelegenheid van de sterfdag van de plaatselijke kerkheilige. In de kerk was er hoogmis, gebed en zang; buiten waren er zang, dans, eten, drank, kunstenmakers, kwakzalvers en tenten met zeldzame mensen. In de 19de eeuw waarschuwden dominees tegen uitspattingen en werden keuren en ordonnanties opgesteld. Maar de kermis bleef in West-Friese dorpen springlevend.
In Warmenhuizen werd het interieur van cafés voor de kermis zo goed als leeggehaald. Alles wat niet nagelvast zat, werd verwijderd, zodat de feestgangers ruimte hadden. Drie dagen lang ging het door, van de eerste deun in de vroege ochtend tot het afkratten diep in de nacht. De verhalen over bitterballen frituren op straat om zes uur ’s ochtends met een pas gewonnen frituurpan, over afgetapte stroom van de draaimolen, over de pastoor die om zeven uur zijn hond uitliet en over de gewoonte om de eerste twee biertjes op de vloer te gieten omdat ze “toch niet smaken”, geven het dorp een menselijke laag die geen archeologisch rapport alleen kan geven.
De grote breuk: ruilverkaveling
Na de Tweede Wereldoorlog kwam de grootste landschappelijke breuk. Tussen 1954 en 1979 vonden in het Geestmerambacht grootscheepse herverkavelingen plaats. De oude vaarpolder werd omgezet in een rijpolder. Wateren werden gedempt, het maaiveld werd geëffend, verspreid liggende huisterpen verdwenen en ook de oude meerwallen gingen verloren. De oude gemengde verkaveling van lange smalle kavels en blokvormige kavels maakte plaats voor grote rechthoekige blokkavels. Het buitengebied ging van ongeveer 16.000 naar 5.000 kadastrale nummers.
Daarmee verdween veel van het oude rijk der duizend eilandjes. Waar vroeger sloten, vaarten, eilandjes, meerwallen, terpen en kaden het beeld bepaalden, kwamen wegen, grotere kavels en geëgaliseerde polders.
Ook de dorpskern veranderde. Na 1940, vooral rond 1960, breidde Warmenhuizen zich sterk uit in westelijke en oostelijke richting. Nieuwe woonwijken namen een deel van het zicht op de oude lintbebouwing weg. Het doorzichtige karakter van het open lint werd minder. Bomenrijen die de lineaire structuur benadrukten, werden gekapt. De demping van de wegsloot in 1960 maakte straatverbreding mogelijk, maar veranderde ook de schaal en verhouding van het oude wegdorp. Na 1970 kwamen veel forensen in het van oorsprong agrarische dorp wonen.
Wat vandaag nog zichtbaar is
Toch is het oude Warmenhuizen niet verdwenen. Het zit nog in de Dorpsstraat, die de oude rug van terpen en wallen volgt. Het zit in de namen Alingtorp, Hartendorp, Kranighorn, Brugsloot, Heerenvaart, Oudewal, Oostwal, Fuik, Trambaan en Spoorlijntje. Het zit in de oude Ursula en haar schilderingen, in de nieuwe katholieke Ursulakerk van 1872, in De Moriaan, in de stolpen en vaarstolpen, in de zuurkoolfabriek, in het voormalige station, in de verdwenen veiling en in de archeologische lagen onder het maaiveld.
Zelfs de gefantaseerde oorsprongsverhalen zeggen iets over de ouderdomsbeleving van het dorp. Volgens 16de-eeuwse fantasiekronieken zou Warmenhuizen in 745 zijn gesticht door de fictieve koning Radboud II, die de eerste terpen zou hebben aangelegd. Dat is geen historisch feit en moet niet als waarheid worden verteld. Maar als mythe is het veelzeggend. Blijkbaar voelde men al vroeg dat Warmenhuizen een oud dorp was, een plek van verhogingen in een nat landschap. De mythe is niet waar als gebeurtenis, maar zij past bij het gevoel dat Warmenhuizen ouder was dan gewone dorpsgeschiedenis.
Slot: Warmenhuizen als sleutelplaats
Warmenhuizen is een plaats die je van onder naar boven moet vertellen. Eerst zijn er de getijdenafzettingen van 3000 tot 1000 v.Chr. Dan de kreekruggen, oeverwallen en het natte kustlandschap. Dan de mogelijke bewoning in de Bronstijd op hogere plekken. Dan de drukker bewoonde zone van Late IJzertijd en Romeinse Tijd langs waterlopen en veenriviertjes. Dan de terugkeer van mensen in de Vroege Middeleeuwen, met pioniers rond de 8ste eeuw. Dan de west-oost gerichte ontginning vanaf een noord-zuid basis. Dan het oude bewoningslint ten westen van de huidige Dorpsstraat. Dan de vlaknederzettingen met steengruiskorsten, as, scherven, been en mosselschelpen. Dan de ophoging tot terpen zoals Alingtorp, Hartendorp en Kranighorn. Dan de wallen en kaden die deze woonplaatsen verbonden. Dan de Ursulakerk, de aflaat van 1508, de heerlijkheid van Egmond, de Reformatie, de katholieke schuilwereld, de vaarpolder, de landbouw, de kool, de veiling, de tram, de stolpen, De Moriaan en de ruilverkaveling.
Hartendorp blijft daarin de sleutel. Daar komt het vroege Warmenhuizen samen: de oudere bewoningslijn, de verschuiving naar het latere dorpslint, de kavelsloten, de terpophoging, het boerenbedrijf, de plantenwereld, het brakke water, de akkers, het vee, de moestuinen, de mest, de waterput en de ringsloot. Hartendorp bewijst dat Warmenhuizen niet alleen een naam op een kaart is, maar een gelaagd landschap in de bodem. En Alingtorp bewijst dat dit geen enkele plek was, maar een systeem van terpen en woonplaatsen. De oude Ursula bewijst dat het dorp rond 1500 kerkelijke en kunsthistorische betekenis had. De heerlijkheid bewijst dat water, visserij, sluizen, ambten en rechtspraak hier bezit en macht waren. De Moriaan bewijst dat de Dorpsstraat ook een sociale as was. De kool, veiling en tram bewijzen hoe het oude waterland modern werd.
Warmenhuizen is het dorp waar de duinen ophouden en het West-Friese waterland begint; een dorp dat uit veen, kwelder, sloten, terpen en wallen is opgebouwd, eeuwenlang leefde van water, visserij, kerk, recht, vee, kool en vaarten, en waarvan de Dorpsstraat nog altijd de oude rug vormt van een verdwenen rijk der duizend eilandjes.