Chirurgijns, doctoren en bestuurders van de Enkhuizer gezondheidszorg ca. 1650–1789
De geschiedenis van de Enkhuizer gezondheidszorg werd niet alleen geschreven door universitair opgeleide doctoren. In woonhuizen, werkplaatsen, ziekenzalen en aan boord van schepen werkten chirurgijns die wonden verbonden, botbreuken zetten, zweren openden en slachtoffers van bedrijfsongevallen behandelden. Hun kennis ging vaak van meester op leerling en van vader op zoon over. Dat is goed zichtbaar bij Jan en Maarten Ramas en bij de familie l’Epie. Hun levens raakten elkaar door opleiding, huwelijk, kerkelijke armenzorg en bestuur van stedelijke zorginstellingen.
Jan Ramas
Chirurgijn en grondlegger van een Enkhuizer medische familielijn
Jan Ramas werkte in de tweede helft van de zeventiende eeuw als chirurgijn in Enkhuizen. Over zijn geboorte en opleiding zijn in het geraadpleegde medici- en kerkgravendossier geen precieze gegevens bewaard gebleven. Wel staat vast dat hij op 9 maart 1682 overleed en werd begraven in graf Wn-103. In de begraafgegevens worden bovendien drie kinderen van meester Jan Ramas genoemd die in 1668, 1671 en 1675 overleden. Zijn zoon Maarten zou later eveneens chirurgijn worden. Daarmee staat Jan aan het begin van een medische familielijn die diep verbonden raakte met het chirurgijnsvak, de familie l’Epie, het Leprozenhuis en de diaconale armenzorg.
Een chirurgijn was in het zeventiende-eeuwse Enkhuizen geen universitair geneesheer. Hij werd praktisch opgeleid in de werkplaats van een meester en leerde het vak door kijken, oefenen en jarenlang assisteren. Jan behandelde vooral uitwendige aandoeningen: snij- en steekwonden, kneuzingen, botbreuken, zweren, brandwonden en ontstekingen. Ook tanden trekken, aderlaten en het openen van abcessen konden tot zijn werkzaamheden behoren. In een stad vol schepen, timmerwerven, touwslagerijen, pakhuizen en visserij was er voortdurend behoefte aan zulke praktische heelkundige hulp.
Jan werkte in een tijd waarin een ongeluk snel grote gevolgen kreeg. Een wond die tegenwoordig kon worden gehecht en met antibiotica behandeld, kon toen ontsteken en tot koorts, bloedvergiftiging of de dood leiden. De chirurgijn reinigde de wond met de middelen waarover hij beschikte, verwijderde vuil of splinters, bracht verband aan en hield de ontwikkeling van zwelling, roodheid en koorts in het oog. Hij moest vooral ervaring hebben: weten welke wond kon genezen, welke breuk gespalkt moest worden en wanneer de toestand van een patiënt gevaarlijk werd.
Zijn titel meester, die in de begraafinschrijvingen voorkomt, wijst erop dat Jan niet slechts als leerling of gezel werkte. Hij had kennelijk het recht verworven om zelfstandig als chirurgijn op te treden. Daarvoor moest een vakman doorgaans door het chirurgijnsgilde zijn toegelaten. Het gilde bewaakte de toegang tot het beroep, organiseerde examens en hield toezicht op leerlingen en meesters. De Waag vormde later het bekende centrum van dit gilde, met beneden de goederenhandel en boven de Chirurgijnskamer.
Het huishouden van Jan Ramas werd zwaar getroffen door kindersterfte. De registers noemen een kind dat op 4 juni 1668 overleed, een kind dat op 17 augustus 1671 stierf en opnieuw een kind dat op 1 april 1675 werd begraven. De namen ontbreken in deze korte registraties. Zulke vermeldingen laten zien hoe kinderen in kerkelijke administratie gemakkelijk verdwenen achter de aanduiding “kind van”. Voor Jan en zijn gezin waren het echter persoonlijke verliezen die zich in zeven jaar driemaal herhaalden.
Dat een chirurgijn zijn eigen kinderen niet tegen ziekte en dood kon beschermen, toont de beperkingen van de zeventiende-eeuwse geneeskunde. Jan beschikte over kennis van wonden, breuken en zichtbare lichamelijke aandoeningen, maar tegen veel koortsen, infecties en kinderziekten stond ook hij vrijwel machteloos. Zijn beroep gaf hem praktische vaardigheden, maar geen zekerheid. In zijn eigen huis moet hij dezelfde angst en onzekerheid hebben gekend als de gezinnen die hem bij ziekte om hulp vroegen.
Een zoon overleefde wel en zette het vak voort: Maarten Ramas, waarschijnlijk geboren tussen 1665 en 1670. Maarten groeide dus op in het huishouden van een chirurgijn. Hij zal instrumenten, verbandmiddelen, zalfpotten en patiënten van dichtbij hebben gezien. Toch werd zijn formele opleiding niet uitsluitend door zijn vader verzorgd. Rond 1682–1683 kwam hij in de leer bij de ervaren Enkhuizer chirurgijn Sacharias l’Epie. Daarmee werd de beroepsband tussen de families Ramas en l’Epie gelegd.
Jan maakte het begin van die opleiding vermoedelijk nog mee. Hij overleed op 9 maart 1682, precies rond de periode waarin Maarten als leerling bij Sacharias werd genoemd. Het is mogelijk dat Jans overlijden de plaatsing bij een andere meester noodzakelijk of urgenter maakte, maar daarvoor ontbreekt een rechtstreekse bron. Zeker is alleen dat Maarten kort daarna onder toezicht van Sacharias verder werd gevormd.
De invloed van Jan leefde daardoor verder in een bredere kring dan zijn eigen huishouden. Zijn zoon werd chirurgijn, diaken en voogd van het Leprozenhuis. Via Maartens huwelijk met Lijsbeth l’Epie raakten de twee medische families ook persoonlijk verbonden. Jans klein- en achterkleinkinderen kwamen vervolgens terecht in netwerken van chirurgijns, VOC-schippers, regentessen en stedelijke bestuurders.
Jan Ramas heeft geen uitvoerige biografie nagelaten. We kennen geen medische verhandeling van zijn hand en geen lijst van patiënten. Zijn betekenis ligt juist in de plaats die hij innam binnen de dagelijkse medische praktijk van Enkhuizen. Hij stond als meester-chirurgijn tussen de werkende bevolking van de stad en droeg zijn vakwereld over aan de volgende generatie. Zijn grafnummer, de begrafenissen van zijn kinderen en de loopbaan van zijn zoon vormen samen het spoor van een chirurgijnsgezin waarin beroepskennis, persoonlijk verlies en stedelijke zorg nauw met elkaar verbonden waren.
Maarten Ramas
Chirurgijn, medisch schrijver, diaken en voogd van het Leprozenhuis
Maarten Ramas werd waarschijnlijk tussen 1665 en 1670 in Enkhuizen geboren als zoon van chirurgijn Jan Ramas. Hij groeide op in een gezin waarin heelkunde deel uitmaakte van het dagelijkse leven. Rond 1682–1683 kwam hij als leerling terecht bij chirurgijn Sacharias l’Epie. Daar leerde hij de praktische kant van het vak: het verbinden van wonden, behandelen van zweren, zetten van breuken, aderlaten en werken met de instrumenten van de chirurgijn. Maarten overleed op 19 april 1721 en werd begraven in graf Zz-144.
Zijn opleiding bij Sacharias l’Epie werd ook het begin van een familieverbinding. Maarten trouwde met Lijsbeth l’Epie, geboren op 27 september 1665, een dochter van zijn leermeester Sacharias en Grietje Olferts. Zo werd de leerling schoonzoon van de meester. Lijsbeth overleed in december 1702 en werd eveneens in graf Zz-144 begraven. De families Ramas en l’Epie waren vanaf dat moment niet alleen door het chirurgijnsvak, maar ook door huwelijk, kinderen en gezamenlijke graven met elkaar verbonden.
Maarten woonde aan de Tabakstraat. Vanuit deze straat bevond hij zich in het dagelijkse stedelijke leven, tussen woonhuizen, werkplaatsen, handel en verkeer naar de havens. Een chirurgijn werkte vaak vanuit zijn eigen woning. Daar konden patiënten zich melden en daar lagen zijn instrumenten, verbandmiddelen en zalven. Hij zal daarnaast mensen thuis hebben bezocht of naar een schip, werkplaats of zorginstelling zijn geroepen wanneer iemand niet naar hem toe kon komen.
De praktijk van een chirurgijn was lichamelijk en direct. Maarten behandelde geen abstracte ziektebeelden op afstand. Hij zag open wonden, gebroken ledematen, brandwonden, zweren en ontstekingen. Hij moest bloedingen stoppen, vuile wonden reinigen en beoordelen of beschadigd weefsel nog kon herstellen. Zonder moderne verdoving of kennis van bacteriën was iedere ingreep pijnlijk en riskant. Een goede chirurgijn moest daarom snel, zorgvuldig en standvastig zijn.
Maarten beperkte zich niet tot de gewone praktijk. Hij schreef ook medische teksten en behoort daardoor tot de Enkhuizer chirurgijns van wie meer is overgeleverd dan alleen een naam en grafnummer. Zijn schriftelijke werk laat zien dat het chirurgijnsvak rond 1700 niet uitsluitend berustte op mondelinge overdracht. Praktijkervaring werd steeds vaker verbonden met boeken, recepten en beschrijvingen van behandelingen. Een chirurgijn kon leren uit de werkplaats, maar ook uit de groeiende medische literatuur.
Zijn medische kennis stond niet los van de wereld waarin hij woonde. Enkhuizen was een zee- en havenstad. Chirurgijns behandelden niet alleen burgers, maar ook zeelieden, vissers en werklieden die bij hun beroep gewond raakten. De VOC, Admiraliteit en particuliere scheepvaart vroegen om mannen die tijdens reizen of in havens medische hulp konden bieden. Ook wanneer Maarten zelf niet als scheepschirurgijn uitvoer, werkte hij in een stad waar zeevaartgeneeskunde voortdurend zichtbaar was.
Maarten vervulde daarnaast een belangrijke rol in de gereformeerde armenzorg. Tussen 1695 en 1704 werd hij vijfmaal tot diaken benoemd. Als diaken bezocht hij behoeftige huishoudens, beoordeelde hij wie ondersteuning nodig had en hielp hij bij het uitdelen van geld, brood, brandstof of andere hulp. Voor een chirurgijn vormde dit geen afzonderlijke wereld. Ziekte en armoede lagen dicht bij elkaar. Wie door een verwonding niet meer kon werken, verloor vaak onmiddellijk zijn inkomen.
De diaconie bracht Maarten in huizen waar medische en sociale nood tegelijk aanwezig waren. Hij zag gezinnen waarin een zieke kostwinner, een weduwe of een alleenstaande oudere zonder hulp niet kon rondkomen. Zijn werk als chirurgijn gaf hem inzicht in lichamelijk lijden; zijn taak als diaken confronteerde hem met de economische gevolgen daarvan. Zo bewoog hij zich tussen behandeling en ondersteuning, tussen de wond zelf en het huishouden dat door die wond ontregeld raakte.
Na het overlijden van Lijsbeth trouwde Maarten opnieuw met Aaltjen Willems, weduwe van Jacob Jansz. Statijn Bootemaker. Uit de gegevens blijkt dat dit tweede huwelijk niet standhield: in 1709 gingen Maarten en Aaltjen weer uit elkaar. Het dossier vermeldt daarbij drie kinderen, maar de precieze gezinsverhoudingen zijn in de korte aantekening niet volledig helder. Deze scheiding is een opvallend detail in een tijd waarin een formele beëindiging van een huwelijk ongebruikelijk en bestuurlijk ingewikkeld was.
Uit zijn gezin is onder meer dochter Grietje Maartens Ramas bekend. Zij trouwde in 1716 met VOC-schipper IJpe Engelsman, die meerdere reizen naar Azië maakte. Een andere dochter, Susanna Ramas, trouwde met Dirk Pomp, eveneens verbonden aan de VOC-vaart. Daarmee strekte de familie Ramas zich vanuit de Enkhuizer chirurgijnspraktijk uit naar de wereld van schepen, Batavia en overzeese handel.
In 1718 werd Maarten voogd van het Leprozenhuis. Hij bleef deze functie tot zijn overlijden in 1721 vervullen. Het Leprozenhuis was toen niet meer uitsluitend bestemd voor grote aantallen mensen met actieve lepra. De instelling maakte deel uit van de bredere stedelijke zorg voor zieken, afgezonderden en mensen die niet zonder toezicht konden leven. Als voogd hield Maarten zich bezig met geld, gebouwen, personeel, voorraden en de naleving van regels.
Zijn medische achtergrond gaf hem daarbij een bijzondere positie. Een koopman of regent kon de financiën van een zorginstelling beheren, maar Maarten kende ook de lichamelijke werkelijkheid van ziekte. Hij wist hoe belangrijk schoon linnengoed, voeding, warmte, verzorging en toezicht voor zwakke bewoners waren. Dat betekent niet dat hij persoonlijk iedere bewoner behandelde, maar zijn ervaring als chirurgijn moet zijn bestuurlijke blik hebben beïnvloed.
Het Leprozenhuis werd bestuurd door voogden en vrouwelijke moeders. De dagelijkse zorg lag bij personeel en verzorgers, terwijl de regenten toezagen op het geheel. Maarten kwam dus terecht in een bestuurlijke omgeving waarin medische kennis, huishoudelijke organisatie en stedelijke financiën samenkwamen. Zijn laatste levensjaren stonden daarmee niet alleen in het teken van zijn eigen praktijk, maar ook van verantwoordelijkheid voor een gehele zorginstelling.
Toen Maarten op 19 april 1721 overleed, eindigde zijn periode als voogd. Zijn leven verbond drie belangrijke lagen van de Enkhuizer zorg: de praktische heelkunde, de kerkelijke armenzorg en het bestuur van het Leprozenhuis. Via zijn vader Jan droeg hij een chirurgijnstraditie voort; via Sacharias l’Epie ontving hij een bredere beroepsopleiding; via Lijsbeth werd hij onderdeel van een tweede medische familie.
Maarten Ramas was daarmee meer dan een vakman die wonden behandelde. Hij schreef over geneeskunde, hielp armen als diaken, bestuurde een stedelijke zorginstelling en bracht zijn familie in verbinding met de maritieme wereld van Enkhuizen. Zijn graf in de Zuiderkerk bewaart de herinnering aan een man die tussen werkplaats, woonhuis, kerk en Leprozenhuis een groot deel van het zorglandschap van zijn tijd heeft gekend.
Sacharias l’Epie
Chirurgijn, leermeester en langdurig voogd van het Enkhuizer ziekenhuis
Sacharias l’Epie behoort tot de belangrijkste verbindingsfiguren binnen de medische wereld van het zeventiende-eeuwse Enkhuizen. Hij was chirurgijn, leidde leerlingen op en stond aan het hoofd van een gezin waarin verschillende kinderen een plaats kregen binnen geneeskunde, kerk, zeevaart en stedelijk bestuur. Rond 1682–1683 nam hij Maarten Ramas als leerling aan. Later trouwde Maarten met zijn dochter Lijsbeth. Zo werd Sacharias tegelijk leermeester en schoonvader van de volgende generatie Enkhuizer chirurgijns.
Sacharias was gehuwd met Grietje Olferts. Hun kinderen vormden een brede familielijn. Dochter Geertje werd in 1658 geboren. Zoon Joris l’Epie, geboren op 29 augustus 1659, werd chirurgijn, gildebestuurder en voogd van het ziekenhuis. Zoon Jacob, geboren in 1661, overleed nog in hetzelfde jaar. Een latere Jacob vertrok als boekhouder op het schip De Gouden Buys naar Azië, maar stierf in 1693 bij de ondergang van het schip voor de Kaap. Dochter Lijsbeth, geboren in 1665, trouwde met Maarten Ramas.
Binnen dit gezin waren de stad en de zee voortdurend aanwezig. De ene zoon bleef in Enkhuizen en ging het medische vak in, een andere koos voor de overzeese compagnievaart. Een dochter huwde de leerling van haar vader. De familie l’Epie stond daardoor op het kruispunt van chirurgijnspraktijk, VOC-dienst, kerkelijke netwerken en stedelijke instellingen. Sacharias was het middelpunt van die verbindingen.
Als chirurgijn werkte hij waarschijnlijk op dezelfde praktische manier als andere meesters van zijn tijd. Hij behandelde zichtbare verwondingen, botbreuken, zweren en ontstekingen. Zijn praktijk vereiste vaardigheid met messen, tangen, naalden, verband en spalken. Hij moest ook weten hoe hij leerlingen stap voor stap bij het werk betrok. Een beginnende leerling keek eerst toe, verrichtte eenvoudig werk en leerde instrumenten schoonhouden en materialen voorbereiden. Pas later mocht hij zelfstandig handelingen uitvoeren.
De opleiding van Maarten Ramas maakt Sacharias als persoon bijzonder zichtbaar. Rond 1682–1683 was Maarten nog een jonge man, waarschijnlijk aan het begin van zijn beroepsvorming. Zijn vader Jan Ramas overleed in maart 1682. Kort daarna vinden we Maarten bij Sacharias. Hoewel niet bewezen kan worden dat het overlijden van Jan rechtstreeks tot de plaatsing leidde, kwam Sacharias in ieder geval precies op het moment in beeld waarop Maarten een nieuwe meester en beroepsomgeving nodig had.
Een leermeester droeg meer over dan technieken. Hij leerde zijn leerling omgaan met patiënten, pijn, bloed en onzekerheid. Hij bepaalde hoe een wond werd onderzocht, welke middelen bruikbaar waren en wanneer ingrijpen te gevaarlijk werd. Ook beroepshouding hoorde daarbij: op tijd komen, instrumenten onderhouden, zorgvuldig rekenen en geen behandeling beloven die niet kon worden waargemaakt. Het chirurgijnsgilde zag erop toe dat zo’n opleiding voldoende kwaliteit had.
Sacharias was bovendien verbonden aan de Admiraliteit en het Gasthuis. Daardoor stond zijn werk niet alleen in het teken van particuliere patiënten. De Admiraliteit had behoefte aan chirurgijns die militairen en zeelieden konden behandelen. Het gasthuis bracht hem bij arme zieken, gewonden en mensen die thuis onvoldoende verzorging kregen. Zijn praktijk strekte zich dus uit van scheepswereld tot ziekenzaal.
Voor een chirurgijn betekende werk voor de Admiraliteit dat hij vertrouwd moest zijn met verwondingen uit een maritieme en militaire omgeving. Touwen, takels, kanonnen, messen en zwaar scheepshout veroorzaakten ernstige ongevallen. Aan boord kwamen bovendien scheurbuik, koortsen, infecties en ondervoeding voor. De chirurgijn kon niet alle oorzaken behandelen, maar moest wel eerste hulp verlenen, wonden verzorgen en bepalen wie nog dienst kon doen.
In het gasthuis lag de nadruk anders. Daar verbleven mensen die langer zorg nodig hadden en vaak niet over geld of familie beschikten. Een gasthuischirurgijn behandelde zweren, breuken, wonden en andere uitwendige aandoeningen. Hij werkte naast doctoren, binnenvaders, binnenmoeders en dienstpersoneel. Goede zorg hing niet alleen van zijn handelingen af, maar ook van voeding, warmte, rust, schoon beddengoed en dagelijks toezicht.
Vanaf 1679 was Sacharias langdurig betrokken bij het bestuur van het Enkhuizer ziekenhuis. Hij bleef daar volgens de overgeleverde gegevens tot 1708 als voogd actief. Een ambtsperiode van bijna dertig jaar wijst op groot vertrouwen en veel ervaring. Als voogd hield hij toezicht op inkomsten, uitgaven, gebouwen, personeel en de verzorging van patiënten. Hij kende het ziekenhuis dus zowel vanuit het medische werk als vanuit de bestuurskamer.
Die combinatie was waardevol. Een bestuurder zonder medische ervaring kon rekeningen controleren, maar Sacharias wist ook wat er achter de cijfers schuilging. Hij begreep waarom verbandmiddelen, linnengoed, voeding, brandstof en personeel noodzakelijk waren. Hij kon beoordelen welke medische uitgaven tot de gewone werking van het huis behoorden en waar zuinigheid de verzorging zou aantasten.
Zijn lange bestuursperiode viel samen met de overgang van de grote zeventiende-eeuwse bloei naar een minder zekere tijd. Enkhuizen bleef een belangrijke havenstad, maar de economische verhoudingen begonnen te veranderen. Zorginstellingen moesten blijven functioneren, ook wanneer inkomsten terugliepen of het aantal behoeftige bewoners toenam. Continuïteit hing dan sterk af van ervaren voogden die de gebouwen, bezittingen, pachten en dagelijkse uitgaven goed kenden.
In 1708 eindigde Sacharias’ bestuurlijke periode en nam zijn zoon Joris een belangrijke plaats in het ziekenhuisbestuur over. Daarmee ging niet alleen het chirurgijnsvak, maar ook de verantwoordelijkheid voor een stedelijke zorginstelling binnen de familie verder. Joris zou tot zijn overlijden in 1729 als ziekenhuisvoogd verbonden blijven. De overgang van vader op zoon toont hoe medische en bestuurlijke ervaring zich binnen bepaalde families kon concentreren.
Ook via Maarten Ramas liep Sacharias’ invloed door. Zijn leerling werd chirurgijn, diaken en voogd van het Leprozenhuis. Zijn dochter Lijsbeth vormde de familieband tussen beide mannen. Daarmee stond Sacharias aan het begin van twee bestuurlijke lijnen: Joris in het ziekenhuis en Maarten in het Leprozenhuis.
Sacharias l’Epie is daarom een sleutelpersoon in de Enkhuizer zorggeschiedenis. Hij behandelde patiënten, leidde een jonge chirurgijn op, werkte in de wereld van Admiraliteit en gasthuis en droeg tientallen jaren bestuurlijke verantwoordelijkheid. Zijn betekenis ligt niet in één uitzonderlijke gebeurtenis, maar in de continuïteit die hij bracht. Via zijn leerlingen, kinderen en schoonzoon bleef zijn invloed nog lang na zijn eigen actieve jaren zichtbaar in de medische instellingen van Enkhuizen.
Joris l’Epie
Chirurgijn, heelmeester van de Admiraliteit en voogd van het ziekenhuis
Joris l’Epie werd op 29 augustus 1659 in Enkhuizen geboren als zoon van chirurgijn Sacharias l’Epie en Grietje Olferts. Hij groeide op in een huishouden waarin geneeskunde, scheepvaart en stedelijke zorg voortdurend aanwezig waren. Zijn vader werkte als chirurgijn voor de Admiraliteit en het Gasthuis, leidde leerlingen op en bestuurde jarenlang het Enkhuizer ziekenhuis. Joris koos dezelfde praktische medische richting. Hij werd chirurgijn, trad toe tot het chirurgijnsgilde en ontwikkelde zich binnen dat college tot overman en deken. Daarnaast werkte hij als heelmeester voor de Admiraliteit en was hij van 1708 tot 1729 voogd van het ziekenhuis. Hij overleed op 2 april 1729 en werd begraven in graf Wz-380.
Zijn opleiding moet voor een belangrijk deel binnen de werkwereld van zijn vader hebben plaatsgevonden. Een chirurgijn leerde het vak niet hoofdzakelijk uit academische colleges, maar door jarenlang mee te werken in de praktijk. Joris zal als jongen instrumenten hebben gezien, verbandmateriaal hebben klaargelegd en patiënten hebben horen vertellen waar zij pijn hadden of hoe een verwonding was ontstaan. Later leerde hij wonden reinigen, bloedingen stelpen, zweren openen en gebroken ledematen spalken. Pas wanneer een leerling voldoende vaardigheid had bewezen, kon hij als zelfstandig meester worden toegelaten.
In Enkhuizen lag het werk van een chirurgijn dicht bij de haven. Op de kades, scheepswerven en in de pakhuizen werd gewerkt met messen, bijlen, touwen, blokken, lieren en zware balken. Een vallende last kon een been verbrijzelen, een gespannen touw kon handen openscheuren en een misstap op een nat dek kon tot een ernstige breuk leiden. De chirurgijn werd niet pas geroepen wanneer iemand al rustig in bed lag. Hij kon rechtstreeks naar een schip, werf of werkplaats worden gehaald, waar hij snel moest beoordelen wat nog te redden viel.
Als heelmeester van de Admiraliteit werkte Joris in een georganiseerde maritieme omgeving. De Admiraliteit van West-Friesland en het Noorderkwartier had in Enkhuizen schepen, personeel, magazijnen en bestuurlijke kamers. De mannen die voor deze organisatie voeren of werkten, konden gewond raken tijdens oefeningen, onderhoud of dienst op zee. Joris moest daarom vertrouwd zijn met diepe snijwonden, kneuzingen, breuken, brandwonden en verwondingen veroorzaakt door wapens of scheepsmateriaal.
Zijn medische mogelijkheden bleven beperkt. Zonder kennis van bacteriën kon een ogenschijnlijk goed verbonden wond alsnog ontsteken. Zonder betrouwbare verdoving waren ingrepen pijnlijk en gevaarlijk. Toch kon ervaren wondzorg het verschil maken tussen herstel en blijvende verminking. De heelmeester reinigde, sneed beschadigd weefsel weg, legde verband aan en hield in de dagen daarna koorts, zwelling en verkleuring in de gaten. Daarbij was praktische ervaring vaak belangrijker dan geschreven theorie.
Joris was ook lid van het chirurgijnsgilde. Binnen dat gilde werd hij overman en deken. Daarmee behoorde hij tot de leidende mannen van zijn beroep. Het gilde hield toezicht op leerlingen, examens, toelatingen en beroepsregels. Het beschermde de stad tegen onbevoegde heelmeesters, maar bewaakte ook de positie van de gevestigde chirurgijns. Als overman en deken droeg Joris verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en orde binnen de beroepsgroep.
De functie van deken plaatste hem dicht bij de dagelijkse werking van het gilde. Hij kon betrokken zijn bij het beoordelen van aankomende meesters, het behandelen van klachten en het bespreken van gezamenlijk bezit of instrumenten. Zulke taken vroegen niet alleen medische vaardigheid, maar ook een goede reputatie. Collega’s moesten erop vertrouwen dat hij rechtvaardig oordeelde en de belangen van het beroep niet verwarde met persoonlijke voorkeur.
In 1688 werd Joris benoemd in de Commissie van Kleine Zaken. Deze stedelijke commissie behandelde praktische geschillen en kleinere juridische kwesties. Zijn benoeming laat zien dat hij buiten zijn vak eveneens als betrouwbaar werd beschouwd. Een chirurgijn die dagelijks met patiënten, leerlingen en collega’s werkte, beschikte over ervaring in beoordelen, verklaren en vastleggen. Dat maakte hem geschikt voor een functie waarin gewone stedelijke conflicten moesten worden afgehandeld.
Ook binnen de gereformeerde kerk was Joris actief. Hij was diaken in 1690–1691 en opnieuw in 1705. Later werd hij negenmaal als ouderling genoemd, tussen 1710 en 1724. Als diaken kwam hij rechtstreeks in aanraking met armoede, ziekte en huishoudens waarin het inkomen was weggevallen. Als ouderling hield hij meer toezicht op het kerkelijke leven, de leer en het gedrag binnen de gemeente. Beide functies brachten hem in woonhuizen waar medische, sociale en geestelijke problemen vaak tegelijk aanwezig waren.
De verbinding tussen heelkunde en armenzorg was in Enkhuizen vanzelfsprekend. Een zieke visser of gewonde sjouwer verloor vaak onmiddellijk zijn loon. Zijn gezin kon daardoor binnen enkele dagen afhankelijk worden van hulp. Joris zag als chirurgijn de wond; als diaken zag hij de gevolgen ervan voor vrouw en kinderen. Die combinatie maakte hem tot iemand die het lichamelijke en sociale gewicht van ziekte van dichtbij kende.
In 1708 volgde Joris zijn vader op als voogd van het Enkhuizer ziekenhuis. Sacharias had die functie vanaf 1679 vervuld. De overgang van vader op zoon bracht een lange lijn van ervaring binnen dezelfde familie tot stand. Joris bleef ziekenhuisvoogd tot zijn overlijden in 1729. Meer dan twintig jaar lang hield hij daarmee toezicht op een instelling waarin arme zieken, gewonden en hulpbehoevenden werden opgenomen.
Als voogd was hij niet de binnenvader of dagelijkse verzorger. Hij stond hoger in de organisatie. Samen met andere bestuurders hield hij toezicht op inkomsten, uitgaven, personeel, gebouwen, voorraden en de algemene orde. Hij moest ervoor zorgen dat er voedsel, brandstof, beddengoed en medische benodigdheden beschikbaar waren. Ook de betaling van personeel en medische beroepsbeoefenaars viel binnen de bestuurlijke verantwoordelijkheid.
Zijn achtergrond als chirurgijn gaf hem daarbij een voordeel. Hij kende de ziekenzaal niet alleen van rekeningen en vergaderstukken. Hij wist hoe een wond eruitzag wanneer verband te lang was blijven zitten, wat schone doeken betekenden en waarom een verzwakte patiënt voldoende voeding nodig had. Dat maakte hem tot een bestuurder die de praktische gevolgen van zuinigheid of verwaarlozing kon doorzien.
Joris stond daarmee op dezelfde plaats waar zijn vader tientallen jaren had gewerkt. De familie l’Epie werd zo een van de dragende medische families van Enkhuizen. Sacharias werkte als chirurgijn van Admiraliteit en Gasthuis en leidde Maarten Ramas op. Joris zette het vak en het ziekenhuisbestuur voort. Zijn jongere broer Olfert koos een andere weg en werd doctor. Samen vertegenwoordigden de broers de twee belangrijkste medische beroepsgroepen van hun tijd.
Toen Joris op 2 april 1729 overleed, eindigde een leven dat vrijwel geheel in Enkhuizen was verankerd. Hij was heelmeester, gildedeken, kerkelijk bestuurder, lid van een stedelijke commissie en langdurig voogd van het ziekenhuis. Zijn graf Wz-380 verbond hem opnieuw met zijn vader en de bredere familie l’Epie. De steen en het graf bewaren niet alleen een naam, maar de herinnering aan een man die tussen haven, Waag, kerk en ziekenhuis een groot deel van de stedelijke zorgwereld droeg.
Olfert l’Epie
Medicinae doctor aan de Breedstraat en stedelijk bestuurder
Olfert l’Epie werd op 16 februari 1670 in Enkhuizen geboren. Hij was eveneens een zoon van chirurgijn Sacharias l’Epie en Grietje Olferts, maar koos niet voor hetzelfde vak als zijn vader en oudere broer Joris. Olfert werd doctor en wordt vanaf 1693 in die hoedanigheid genoemd. Daarmee vertegenwoordigde hij binnen dezelfde familie de academische geneeskunde. Hij woonde aan de Breedstraat, vervulde in 1696 een functie in de Commissie van Kleine Zaken en trad daarnaast op als substituut-schout. Hij overleed op 31 augustus 1761 en werd begraven in graf Wn-319.
Een medicinae doctor stond in de vroegmoderne geneeskunde anders in het vak dan een chirurgijn. De chirurgijn werkte vooral met zijn handen en behandelde zichtbare verwondingen. De doctor onderzocht inwendige ziekten, stelde diagnoses en schreef geneesmiddelen en leefregels voor. Hij bestudeerde medische theorie, Latijnse teksten en de ideeën over lichaamsvochten, koorts, voeding en ziekteverloop. Waar Joris een wond opende of een breuk zette, beoordeelde Olfert bijvoorbeeld koorts, benauwdheid, pijn in borst of buik en langdurige zwakte.
Dat Olfert in 1693 als doctor wordt genoemd, betekent dat hij een academische opleiding had voltooid of in ieder geval als universitair geschoold geneesheer werd erkend. De bron vermeldt niet aan welke universiteit hij studeerde. Dat detail moet daarom openblijven. Wel staat vast dat zijn opleiding hem een andere maatschappelijke positie gaf dan de praktische chirurgijns. De titel doctor gaf toegang tot de hogere medische stand en tot functies waarin advies en bestuur belangrijk waren.
Zijn jeugd moet echter diep door het chirurgijnsvak zijn beïnvloed. Hij groeide op in hetzelfde huis als Joris en kende de praktijk van zijn vader. Hij zag hoe verwondingen werden behandeld en hoe leerlingen werden opgeleid. Toen hij later als doctor werkte, kon hij daardoor beter begrijpen wat de chirurgijn in de praktijk uitvoerde. In ernstige gevallen konden doctor en chirurgijn elkaar aanvullen: de doctor beoordeelde de algemene toestand, terwijl de chirurgijn een plaatselijke ingreep verrichtte.
Olfert woonde aan de Breedstraat, de bestuurlijke hoofdstraat van Enkhuizen. Daar stond het stadhuis en woonden veel regenten, kooplieden en aanzienlijke families. Zijn adres plaatste hem dicht bij de stedelijke machtswereld. Een doctor aan de Breedstraat werkte waarschijnlijk voor particuliere patiënten uit verschillende lagen van de bevolking, maar bevond zich vooral in een omgeving waarin medische reputatie, familieverbindingen en bestuurlijke functies nauw met elkaar samenhingen.
Hij trouwde met Marijtje Bolk, geboren op 15 juli 1672. Zij was een dochter van viceadmiraal Willem Volkertsz. Bolk en IJtje Tiddes. Dit huwelijk verbond Olfert met een vooraanstaande maritieme familie. Marijtje overleed in maart 1741 en werd begraven in graf Wn-318. De verbinding met de familie Bolk plaatste de medicinae doctor midden in het netwerk van zeeofficieren, regenten en stedelijke bestuurders.
Het huwelijk bracht verschillende kinderen voort. Zoon Sacharias l’Epie werd doctor in de filosofie, schepen en onderzoeker. Hij hield zich onder meer bezig met de West-Friese dijken en de aantasting van houten paalwerken door paalwormen. Daarmee liep wetenschappelijke belangstelling in de volgende generatie door. Zoon Willem l’Epie, geboren in 1700, vervulde functies als schepen, commissaris van kleine zaken, voogd van het Oude Armenweeshuis en luitenant van de schutterij.
Olferts gezin laat zien hoe medische kennis binnen een regentenfamilie verder kon uitwaaieren naar recht, bestuur, techniek en waterbeheer. De familie l’Epie bleef niet beperkt tot één beroep. De ene zoon koos wetenschap, de andere bestuur. De kinderen en kleinkinderen huwden in andere Enkhuizer families en werden onderdeel van een stedelijk netwerk waarin huizen, ambten, zorginstellingen en kerkelijke functies met elkaar verbonden waren.
Als doctor behandelde Olfert waarschijnlijk patiënten aan huis. Een visite begon met vragen naar pijn, koorts, eetlust, slaap, ontlasting en urine. De pols werd gevoeld, de kleur van huid en ogen bekeken en soms werd urine in een glazen fles beoordeeld. De doctor probeerde uit deze waarnemingen een ziektebeeld af te leiden. Hij schreef vervolgens rust, voeding, drank, aderlating of medicijnen voor, die door een apotheker werden bereid.
De middelen waren volgens moderne maatstaven beperkt. Toch berustte de praktijk niet uitsluitend op willekeur. Er werd nauwkeurig gelet op verandering in symptomen, herstel of verslechtering. Een ervaren doctor kende de gewone loop van koortsen en wist wanneer een patiënt snel achteruitging. Zijn oordeel kon bepalen of een chirurgijn, vroedmeester of apotheker werd ingeschakeld.
In 1696 werd Olfert benoemd in de Commissie van Kleine Zaken. Dat gebeurde slechts drie jaar nadat hij als doctor werd genoemd. Zijn stedelijke loopbaan kwam dus vroeg op gang. De commissie behandelde kleinere geschillen en dagelijkse juridische kwesties. Een medicus die daar zitting had, bracht niet noodzakelijk medische kennis in, maar wel maatschappelijke standing, opleiding en het vermogen om verklaringen te beoordelen.
Daarnaast wordt Olfert aangeduid als substituut-schout. De schout was een belangrijke stedelijke functionaris die betrokken was bij ordehandhaving, onderzoek en vervolging. Een substituut nam taken over of ondersteunde hem. Daarmee kwam Olfert dichter bij de juridische en bestuurlijke praktijk van Enkhuizen. Hij bewoog zich dus niet uitsluitend tussen patiënten en geneesmiddelen, maar ook binnen de wereld van verklaringen, overtredingen en stedelijk gezag.
De combinatie van doctor en substituut-schout lijkt opvallend, maar paste bij een samenleving waarin vooraanstaande burgers meerdere functies konden vervullen. Een academische opleiding gaf niet alleen medische kennis, maar ook toegang tot Latijn, schriftelijke argumentatie en bestuurlijke cultuur. Olfert kon daardoor zowel arts als stedelijk bestuurder zijn.
Zijn broer Joris bleef dichter bij de praktische heelkunde en het ziekenhuis. Olfert werkte meer vanuit diagnose, advies en stedelijk gezag. Juist het verschil tussen beide broers maakt de familie l’Epie bijzonder. Zij groeiden op onder dezelfde vader, maar vertegenwoordigden later twee afzonderlijke medische werelden. De ene werkte met mes, verband en spalk; de andere met observatie, voorschrift en recept.
Olfert bereikte een hoge leeftijd. Hij overleed in 1761, ruim negentig jaar oud. Daardoor maakte hij een groot deel van de overgang van de zeventiende naar de achttiende eeuw mee. Hij zag Enkhuizen veranderen van een nog altijd krachtige havenstad naar een plaats waar economische achteruitgang steeds duidelijker werd. De zorg voor zieken, armen en ouderen bleef echter noodzakelijk, ongeacht de toestand van handel en scheepvaart.
Zijn grafnummer Wn-319 brengt hem terug naar de kerkgravenlaag waaruit zijn levensgegevens zijn opgebouwd. Naast hem staat in de familiegeschiedenis zijn vrouw Marijtje Bolk, terwijl hun kinderen de naam l’Epie verder droegen in wetenschap en bestuur. Olfert was de doctor van de familie, maar zijn leven laat vooral zien hoe medische kennis, militaire zeevaart, recht en regentenbestuur in Enkhuizen in één huishouden konden samenkomen.
Jan Rijxen
Meester-chirurgijn, ziekenhuisvoogd en luitenant van de schutterij
Jan Rijxen behoorde tot de meest langdurig actieve zorgbestuurders van het vroeg-achttiende-eeuwse Enkhuizen. Zijn geboortejaar is niet met zekerheid overgeleverd, maar hij was een zoon van apotheker Fredrik Fredriksz. Rijxen en vermoedelijk Hillegonde van der Sluijs, al noemt het dossier ook Anna de Jong als mogelijke moeder. Jan werd meester-chirurgijn, diaken, ouderling, luitenant van de schutterij en vooral langdurig voogd van het ziekenhuis. Hij overleed op 18 mei 1745 en werd begraven in graf Zn-175.
Zijn familieachtergrond bracht hem dicht bij geneesmiddelen en medische praktijk. Zijn vader Fredrik was apotheker. In een apothekershuishouden waren kruiden, poeders, oliën, siropen, vijzels en gewichten onderdeel van het dagelijkse werk. Jan koos echter niet voor het bereiden van geneesmiddelen, maar voor de heelkunde. Hij werd meester-chirurgijn en hield zich daarmee bezig met wonden, breuken, zweren, kneuzingen, aderlatingen en andere uitwendige behandelingen.
Die keuze laat opnieuw zien hoe beroepen binnen medische families konden verschuiven. De vader leverde middelen; de zoon behandelde patiënten met zijn handen. Apotheker en chirurgijn werkten geregeld samen. Een chirurgijn kon een zalf, olie of geneesmiddel voorschrijven of bestellen, terwijl de apotheker het volgens vaste verhoudingen bereidde. Jan zal de wereld van beide beroepen goed hebben gekend.
Hij trouwde op 1 februari 1688 met Cornelia van Marken. Haar precieze familieverbinding is in het dossier niet volledig zeker. Zij kan een dochter of nauwe verwante zijn geweest van Anthony Simonsz. van Marken en stond in ieder geval binnen een gevestigde Enkhuizer familiekring. Cornelia overleed op 8 augustus 1740 en werd in hetzelfde graf Zn-175 begraven.
Jan en Cornelia kregen kinderen die de familie verder in het stedelijke bestuur brachten. Zoon Fredrik Rijxen, geboren in 1691, werd lid van de Commissie van Kleine Zaken. Zoon Hendrik Rijxen was vaandrig, bezitter van ambachten, voogd van het Nieuwe Armenweeshuis, diaken en zeventienmaal ouderling. Hendriks echtgenote Johanna van den Berg werd zestienmaal moeder van dat weeshuis. Hun dochter Cornelia Hendriks Rijxen werd later dertigmaal moeder van dezelfde instelling.
De zorgfunctie van Jan kreeg dus een vervolg in volgende generaties. De familie bleef verbonden met kerkelijke armenzorg, het weeshuis en stedelijke ambten. Via het huwelijk van kleindochter Cornelia met Maarten Engelsman kwam bovendien een verbinding tot stand met de families Ramas en l’Epie. Maarten Engelsman was een kleinzoon van chirurgijn Maarten Ramas en Lijsbeth l’Epie. Zo raakten meerdere medische en bestuurlijke families opnieuw met elkaar verweven.
Jan werd tussen 1693 en 1708 achtmaal als diaken genoemd. Als diaken hield hij zich bezig met de ondersteuning van armen, zieken, weduwen en huishoudens zonder voldoende inkomen. Hij bezocht mensen thuis, beoordeelde nood en hielp bij het verdelen van geld, brood, brandstof of andere ondersteuning. Net als bij Joris l’Epie liep zijn medische werk daardoor direct over in sociale zorg.
De diaconie liet hem zien dat een lichamelijke aandoening zelden op zichzelf stond. Een gewonde ambachtsman kon niet werken. Een zieke weduwe kon haar huishouden niet onderhouden. Een oud echtpaar zonder kinderen kon afhankelijk raken van kerkelijke steun. Als chirurgijn zag Jan het lichaam; als diaken zag hij het huishouden waarin dat lichaam moest overleven.
Van 1708 tot 1717 was Jan luitenant van schutterij E. De schutterij vormde een burgerlijke organisatie voor orde en verdediging. Als luitenant behoorde hij tot de officieren. Hij was betrokken bij oefeningen, bewaking en het uitvoeren van bevelen. In een stad met vestingwerken, poorten en havens bleef de schutterij een zichtbaar onderdeel van het openbare leven.
Zijn medische kennis moet binnen de schutterij bruikbaar zijn geweest. Oefeningen met wapens, lange pieken of musketten konden tot verwondingen leiden. Bij onrust of brand was snelle hulp nodig. Toch moet zijn rang vooral worden gezien als teken van maatschappelijk aanzien. Niet iedere chirurgijn werd luitenant. Daarvoor moest men als betrouwbaar burger bekendstaan.
In 1711 begon Jan aan zijn langste bestuurlijke taak: hij werd voogd van het Enkhuizer ziekenhuis. Hij bleef dat tot zijn overlijden in 1745, een periode van vierendertig jaar. Daarmee overtrof zijn ambtsduur die van veel andere bestuurders. Hij stond gedurende meer dan drie decennia aan de bestuurlijke zijde van de instelling waar arme zieken en gewonden werden verzorgd.
Als ziekenhuisvoogd werkte hij in dezelfde periode als Joris l’Epie, die van 1708 tot 1729 voogd was. De twee meester-chirurgijns zullen elkaar dus jarenlang binnen het ziekenhuisbestuur hebben getroffen. Beiden brachten praktische medische ervaring mee. Zij wisten wat verzorgers, verbandmiddelen en voedsel in de ziekenzaal betekenden. Zij konden de rekeningen lezen met kennis van wat er achter iedere uitgave schuilging.
Het ziekenhuis moest voortdurend worden onderhouden. Bedden en linnengoed sleten, brandstof moest worden ingekocht en personeel betaald. Zieke bewoners hadden eten, drinken en toezicht nodig. Chirurgijns en doctoren moesten beschikbaar zijn. De voogden moesten inkomsten uit bezit, renten en schenkingen beheren en tegelijk voorkomen dat de dagelijkse zorg vastliep.
Jan combineerde dat bestuur met een langdurige kerkelijke functie. Vanaf 1711 werd hij veertienmaal als ouderling genoemd, tot kort voor zijn overlijden. Als ouderling hield hij toezicht op geloof en levenswandel binnen de gereformeerde gemeente. Hij bezocht zieken en gemeenteleden, woonde kerkenraadsvergaderingen bij en hielp bij kerkelijke beslissingen. Zijn leven bewoog zich daardoor voortdurend tussen lichamelijke zorg, armenzorg en geestelijk toezicht.
In 1714 kocht Jan een huis aan de Westerstraat 60. In 1729 was hij bovendien eigenaar van Westerstraat 42. Deze bezittingen plaatsen hem concreet in het hart van Enkhuizen. De Westerstraat was een belangrijke hoofdstraat met woningen, winkels en werkplaatsen. Jan was dus niet alleen bestuurder van instellingen, maar ook huiseigenaar en bewoner van een centrale stedelijke omgeving.
Een bijzonder detail uit 1689 laat hem zien binnen de wereld van het chirurgijnscollege. Op 20 april schonk meester Jan Rijxen drie doppen van struisvogeleieren aan de kamer. Zulke voorwerpen konden als curiositeit, natuurhistorisch object of decoratief bezit worden bewaard. De gift toont dat de chirurgijnskamer niet alleen een vergaderplaats was, maar ook een ruimte waarin bijzondere natuurlijke voorwerpen werden verzameld en getoond.
De struisvogeleierdoppen lijken op het eerste gezicht ver verwijderd van ziekenzorg. Toch passen zij in een bredere vroegmoderne belangstelling voor anatomie, natuur en exotische voorwerpen. Chirurgijns waren vakmensen die het lichaam bestudeerden, maar leefden tegelijk in een havenstad waar producten en curiositeiten van ver konden aankomen. De kamer van het gilde verbond beroepspraktijk, kennis en stedelijke representatie.
Cornelia van Marken overleed in 1740, vijf jaar vóór haar man. Jan bleef daarna ziekenhuisvoogd en ouderling. Toen hij op 18 mei 1745 stierf, eindigde een uitzonderlijk lange periode van zorgbestuur. Zijn graf Zn-175 werd de plaats waar ook zijn echtgenote rustte. De verwijzing naar een grafsteentekst in het dossier wijst erop dat zijn familie en functies zichtbaar herdacht werden.
Jan Rijxen bracht verschillende werelden bijeen. Hij kwam uit een apothekersgezin, werd meester-chirurgijn, hielp armen als diaken, bewaakte orde als luitenant, bestuurde het ziekenhuis en diende de kerk als ouderling. Zijn huizen stonden aan de Westerstraat, zijn bestuurlijke werk speelde zich af in ziekenhuis en kerkenraad, en zijn beroepskring kwam samen in de chirurgijnskamer.
Met Joris l’Epie en Jan Rijxen wordt zichtbaar hoe sterk de Enkhuizer gezondheidszorg afhankelijk was van langdurige continuïteit. Zij waren niet slechts tijdelijke functionarissen. Joris bestuurde het ziekenhuis ruim twintig jaar; Jan meer dan dertig jaar. Olfert l’Epie vormde daarnaast de academische medische stem binnen dezelfde stedelijke wereld. Samen tonen zij hoe chirurgijns, doctoren, kerkelijke regenten en stadsbestuurders rond 1700 voortdurend in elkaars nabijheid werkten.
Gijsbert Hoogland
Chirurgijn, gasthuischirurgijn en overman van het Enkhuizer chirurgijnsgilde
Gijsbert Hoogland behoorde in de tweede helft van de achttiende eeuw tot de ervaren chirurgijns van Enkhuizen. Zijn geboortejaar en gezin zijn in het geraadpleegde medici- en kerkgravendossier niet vermeld, maar zijn functies plaatsen hem duidelijk binnen de georganiseerde gezondheidszorg van de stad. Hij werkte als chirurgijn, was verbonden aan het Gasthuis en werd in 1775 overman van het chirurgijnsgilde. Van 1779 tot 1784 wordt hij bovendien uitdrukkelijk als gasthuischirurgijn genoemd. Hoogland overleed op 21 september 1787 en werd begraven in graf Wm-216.
Zijn naam is nog altijd verbonden met de Chirurgijnskamer op de verdieping van de Enkhuizer Waag. Op de houten schouwlijst uit 1775 staan de namen Jacob Schild, Jacob Baljuw, Eysbert Hoogland en Jan Glandorp, praeses. In het medici-dossier wordt hij Gijsbert Hoogland genoemd; de schouwlijst gebruikt de vorm Eysbert. Het gaat om dezelfde kring van gildebestuurders die in 1775 verantwoordelijkheid droeg voor de kamer en het chirurgijnscollege.
De Waag was voor Hoogland meer dan een opvallend stedelijk gebouw. Beneden werden boter, kaas, zaden, koloniale waren en andere goederen gewogen. Boven vergaderden de chirurgijns, werden leerlingen beoordeeld en stonden anatomische en medische voorwerpen opgesteld. De kamer bevatte een katheder, demonstratiebord, beschilderde kasten en gebrandschilderde ramen met namen van vroegere overmannen. Op een wandkastje waren Hippocrates, Galenus en een geraamte afgebeeld. Handel en geneeskunde lagen zo letterlijk boven elkaar.
Als overman behoorde Hoogland tot de leiding van het gilde. Hij hield niet alleen toezicht op de eigen beroepspositie, maar ook op de opleiding van aankomende chirurgijns. Een leerling moest jarenlang bij een meester werken voordat hij zijn bekwaamheid kon bewijzen. Hij leerde instrumenten onderhouden, verbandmateriaal gereedmaken, patiënten vasthouden bij pijnlijke ingrepen en eenvoudige behandelingen uitvoeren. Daarna volgden moeilijkere handelingen, zoals het openen van abcessen, het zetten van breuken en het verzorgen van diepe wonden.
Het gilde moest beoordelen of een leerling voldoende kennis en handvaardigheid bezat om zelfstandig patiënten te behandelen. Daarbij ging het niet alleen om het herkennen van instrumenten of het opzeggen van regels. Een kandidaat moest laten zien dat hij een wond kon onderzoeken, een verband behoorlijk kon aanleggen en gevaarlijke complicaties kon herkennen. Overmannen als Hoogland waren daarom medeverantwoordelijk voor de kwaliteit van de praktische medische zorg in Enkhuizen.
Zijn dagelijks werk als chirurgijn speelde zich buiten de vergaderkamer af. Enkhuizen bleef in de achttiende eeuw een stad van havens, schepen, werkplaatsen, pakhuizen en ambachten. Weliswaar was de grootste zeventiende-eeuwse bloei voorbij, maar vissers, schippers, timmerlieden, sjouwers, touwslagers en andere arbeiders bleven lichamelijk zwaar werk verrichten. Messen, bijlen, haken, touwen, lieren en vallende lasten veroorzaakten snijwonden, kneuzingen, breuken en verbrijzelde vingers.
Hoogland behandelde vooral zulke zichtbare en tastbare aandoeningen. Hij kon bloedingen stelpen, wonden reinigen, splinters verwijderen, ledematen spalken en etterende zweren openen. Ook aderlaten, tanden trekken en het behandelen van huid- en oogproblemen konden tot zijn werk behoren. Zijn instrumenten waren eenvoudiger dan die van een moderne arts, maar vereisten vaste handen en ervaring. Iedere behandeling werd verricht zonder betrouwbare verdoving en zonder kennis van bacteriën.
Juist daardoor was wondverzorging riskant. Een patiënt kon de eerste ingreep overleven en dagen later alsnog sterven aan een infectie. Chirurgijns herkenden wel dat vuile, stinkende of sterk gezwollen wonden gevaarlijk waren, maar zij kenden de werkelijke oorzaak niet. Zij gebruikten water, wijn, brandewijn, oliën, zalven, poeders en verbanden volgens de kennis van hun tijd. Het succes hing af van de aard van de verwonding, de toestand van de patiënt en de ervaring van de behandelaar.
Hooglands werk kreeg een andere betekenis toen hij als gasthuischirurgijn optrad. Het Gasthuis bood opvang aan mensen die ziek of gewond waren en thuis niet voldoende konden worden verzorgd. Daar kwamen armen, alleenstaanden, reizigers, oude mensen en patiënten zonder sterk familienetwerk terecht. Een particuliere patiënt kon de chirurgijn in zijn woning bezoeken of hem thuis laten komen; een gasthuispatiënt was afhankelijk van de stedelijke instelling en haar personeel.
In het Gasthuis werkte Hoogland naast binnenvaders, binnenmoeders, dienstboden en andere verzorgers. Zij zorgden voor voedsel, warmte, bedden, schoon linnengoed en toezicht. De chirurgijn verrichtte de medische handelingen, maar herstel hing ook van deze dagelijkse verzorging af. Een wond moest opnieuw worden verbonden, een patiënt moest eten en drinken, en koorts of verslechtering moest tijdig worden opgemerkt. De ziekenzaal was daarom een gezamenlijke zorgomgeving.
Bij ernstige inwendige ziekten kon een medicinae doctor worden geraadpleegd. De doctor onderzocht koorts, pijn in borst of buik, ademhalingsproblemen en langdurige zwakte. Hij schreef leefregels of geneesmiddelen voor. Hoogland hield zich vooral bezig met de uitwendige heelkunde. Toch liepen de grenzen in de praktijk soms door elkaar. Een geïnfecteerde wond veroorzaakte koorts; een gebroken been kon de algemene toestand van een patiënt ernstig aantasten. De chirurgijn moest daarom verder kijken dan alleen de zichtbare beschadiging.
De jaren 1779–1784, waarin Hoogland als gasthuischirurgijn wordt genoemd, vielen in een moeilijke periode voor Enkhuizen. De stad was kleiner en minder welvarend dan in haar grootste bloeitijd. Veel inwoners waren afhankelijk van bescheiden handel, ambacht, visserij of ondersteuning door kerkelijke en stedelijke instellingen. Juist in zo’n omgeving was de gasthuischirurgijn belangrijk. Hij behandelde mensen die zelf weinig middelen hadden en droeg bij aan een zorgvoorziening die ook bij economische achteruitgang moest blijven functioneren.
De schouwlijst uit 1775 verbindt Hoogland met drie collega’s. Jacob Schild combineerde het chirurgijnsvak met verloskundige hulp. Jacob Baljuw was chirurgijn en rector van de Latijnse School. Jan Glandorp trad als praeses op. Samen vormden zij geen toevallige verzameling namen. Zij stonden voor het bestuur van een beroepsgroep die examens, opleiding, collegiale orde en medische reputatie bewaakte.
De Latijnse spreuk op de schouwlijst luidt in de bron: OMNIBUS HIC MUTAE PRAECELLUNT ARTIBUS ARTES. De precieze lezing en vertaling vragen voorzichtigheid, maar de plaatsing tussen de namen van de bestuurders maakte duidelijk dat de kamer het vak als een eerbiedwaardige kunst presenteerde. De chirurgijn wilde niet meer uitsluitend als barbier of handwerker worden gezien. In de achttiende eeuw groeide het streven naar meer onderwijs, anatomische kennis en beroepsmatige erkenning.
Hoogland stond midden in die ontwikkeling. Hij was nog steeds een praktisch heelmeester, maar werkte binnen een georganiseerd college met een eigen kamer, historisch geheugen en zichtbare symbolen. De ramen met namen van oudere overmannen, de katheder en de afbeeldingen van Hippocrates en Galenus plaatsten zijn dagelijkse werk in een langere medische traditie. Tegelijk bleef zijn betekenis vooral concreet: patiënten verbinden, leerlingen beoordelen en het Gasthuis voorzien van heelkundige hulp.
Over zijn woning, huwelijk en kinderen geven de geraadpleegde gegevens geen zekerheid. Daardoor blijft een deel van zijn persoonlijke leven buiten beeld. Dat maakt hem echter niet minder belangrijk voor deze reeks. Zijn bekende functies verbinden drie centrale plaatsen van de Enkhuizer zorg: de werkruimte van de chirurgijn, de ziekenzaal van het Gasthuis en de bestuurskamer in de Waag.
Toen Gijsbert Hoogland op 21 september 1787 overleed, verdween een van de mannen die de Enkhuizer heelkunde jarenlang had gedragen. Zijn graf in de Westerkerk bewaart de kerkelijke herinnering; zijn naam op de schoorsteenmantel bewaart zijn plaats binnen het gilde. Zo bleef hij zowel onder de kerkvloer als boven in de Waag verbonden met de stad waarin hij patiënten behandelde en collega’s bestuurde.
Jacob Schild
Chirurgijn, vroedmeester, scheepschirurgijn en overman van het gilde
Jacob Schild behoorde tot dezelfde gildegeneratie als Gijsbert Hoogland en Jacob Baljuw, maar zijn loopbaan voegde twee bijzondere elementen aan het Enkhuizer medische landschap toe. Hij werkte niet alleen als chirurgijn, maar ook als vroedmeester. Daarnaast had hij ervaring op zee. Op 30 april 1759 vertrok hij als derde chirurgijn op het schip Immagonda naar Batavia. Op 18 augustus 1760 keerde hij met hetzelfde schip terug. Later werd hij overman van het chirurgijnsgilde en kreeg zijn naam een plaats op de schouwlijst van 1775.
Jacob was een zoon van Pieter Schild en Aefje Wijbrands Vis. Zijn moeder overleed op 2 december 1737 in het kraambed. In datzelfde jaar werd ook dochter Niesje geboren, die slechts tien dagen leefde en bij haar moeder in graf Wn-447 werd begraven. Jacob zelf werd later eveneens in dat graf bijgezet. De familiegeschiedenis begon daardoor met een verlies dat rechtstreeks verband hield met zwangerschap en geboorte.
Dat detail geeft zijn latere werk als vroedmeester extra betekenis, al kunnen we niet bewijzen dat het overlijden van zijn moeder zijn beroepskeuze bepaalde. Wel groeide hij op in een tijd waarin bevallingen gevaarlijk bleven. Stadsvroedvrouwen begeleidden gewone geboorten, maar riepen bij langdurige, afwijkende of levensbedreigende bevallingen een vroedmeester of doctor. Een vroedmeester was meestal een chirurgijn die aanvullende ervaring had met moeilijke verlossingen en instrumentele ingrepen.
Voordat Jacob die plaats in Enkhuizen innam, maakte hij een reis naar Azië. Als derde chirurgijn op de Immagonda stond hij lager in rang dan de eerste en tweede chirurgijn. De medische hiërarchie aan boord bood jonge heelmeesters de mogelijkheid ervaring op te doen. Zij behandelden wonden, zweren, huidproblemen, koortsen en aandoeningen die ontstonden door slechte voeding, vocht, vuil en langdurig verblijf in een overvol schip.
De heenreis naar Batavia duurde maanden. Aan boord leefden honderden mannen dicht op elkaar. Schoon water en vers voedsel waren beperkt, slaapplaatsen benauwd en ventilatie gebrekkig. Scheurbuik, buikloop, koortsen, infecties en ongelukken konden grote aantallen slachtoffers maken. Een scheepschirurgijn hield ziekenlijsten bij, verdeelde medicijnen, verzorgde wonden en assisteerde bij ernstige ingrepen. Hij werkte met een scheepskist vol instrumenten, verbandmiddelen, zalven, poeders en gedroogde kruiden.
Als derde chirurgijn verrichtte Jacob waarschijnlijk veel dagelijks werk in de ziekenboeg. Hij maakte verbanden gereed, onderzocht gewone klachten en hielp de hogere chirurgijns bij zware gevallen. Op zee leerde hij snel beslissen met weinig middelen. Er was geen mogelijkheid een patiënt naar een beter uitgeruste instelling te sturen. De chirurgijn moest werken met wat in de kist aanwezig was en met de hulp van bemanningsleden die als ziekenoppasser optraden.
De reis naar Batavia en terug gaf Jacob ervaring die een uitsluitend aan wal werkende chirurgijn niet bezat. Hij zag hoe ziekte zich onder grote groepen mannen verspreidde en hoe voeding, water en hygiëne de gezondheid beïnvloedden, ook al begreep men besmetting nog niet volgens moderne inzichten. Hij leerde omgaan met ernstige verzwakking, tropische koortsen en verwondingen die op een bewegend schip moesten worden behandeld.
Na zijn terugkeer op 18 augustus 1760 bouwde hij zijn leven verder in Enkhuizen op. Op 5 november 1762 trouwde hij met Agnietje Jagtenberg. Zij overleed al op 21 november 1763 en werd begraven in graf Wn-325. Op 19 juli 1765 hertrouwde Jacob met Pietertje Veen, die hem tot 1808 zou overleven.
Zijn persoonlijke leven kende dus vroeg verlies. Zijn moeder stierf in het kraambed, zijn zusje overleed kort na de geboorte en zijn eerste echtgenote stierf ruim een jaar na hun huwelijk. De bronnen geven niet aan waaraan Agnietje overleed. Het is daarom niet verantwoord dat aan zwangerschap of bevalling te koppelen. Wel maakte Jacob in zijn familie herhaaldelijk mee hoe plotseling ziekte en dood konden toeslaan.
Als vroedmeester werd hij opgeroepen bij geboorten die niet normaal verliepen. De stadsvroedvrouw bleef bij de barende vrouw en begeleidde de gewone bevalling. Wanneer het kind verkeerd lag, de arbeid te lang duurde, de moeder uitgeput raakte of het leven van moeder en kind in gevaar kwam, kon Jacob worden gehaald. Hij moest dan onderzoeken of een handgreep, een instrument of een andere ingreep noodzakelijk was.
Het werk was zwaar en riskant. De verlostang kon worden gebruikt om een kind naar buiten te helpen wanneer het hoofd bereikbaar was. In uitzichtloze situaties beschikte de vroedmeester ook over instrumenten die vooral bedoeld waren om het leven van de moeder te redden wanneer het kind niet levend geboren kon worden. Zulke beslissingen werden genomen in kleine, warme of juist slecht verwarmde kamers, vaak bij kaarslicht en onder grote spanning van familie en omstanders.
De bron noemt Jacob als vroedmeester onder andere in 1780. Dat betekent dat hij niet alleen incidenteel bij een bevalling aanwezig was, maar als gespecialiseerde beroepsbeoefenaar werd herkend. Zijn opleiding als chirurgijn gaf hem kennis van anatomie, instrumentgebruik en bloedingen. Zijn ervaring op zee had hem bovendien geleerd onder moeilijke omstandigheden te handelen.
Jacob bleef daarnaast gewoon chirurgijn. Hij behandelde wonden, breuken, zweren en andere uitwendige aandoeningen. In 1775 werd hij overman van het chirurgijnsgilde. Zijn naam staat op de schouwlijst in de Waag naast Jacob Baljuw en Eysbert Hoogland, onder het voorzitterschap van Jan Glandorp.
Als overman was hij betrokken bij de toelating en beoordeling van collega’s en leerlingen. Zijn eigen loopbaan maakte hem bijzonder geschikt om verschillende vormen van medische praktijk te overzien. Hij kende de ziekenboeg van een Oost-Indiëvaarder, de werkruimte van de stedelijke chirurgijn en de kraamkamer waar een bevalling vastliep. Daarmee vertegenwoordigde hij binnen het gilde een brede praktische ervaring.
Jacob bekleedde ook een stedelijke functie. In 1779 en opnieuw in 1787 wordt hij genoemd in de Commissie van Kleine Zaken. Deze commissie behandelde kleinere geschillen en praktische juridische kwesties. Zijn deelname laat zien dat hij buiten de medische beroepsgroep als betrouwbaar en bekwaam burger gold.
De combinatie van chirurgijn, vroedmeester, voormalig scheepschirurgijn, gildebestuurder en commissielid geeft zijn verhaal een grote breedte. Hij werkte op zee en in woonhuizen, bij gewonde mannen en barende vrouwen, in de Waag en binnen het stedelijke bestuur. Toch waren al deze rollen verbonden door dezelfde kern: praktische verantwoordelijkheid in situaties waarin snel en zorgvuldig handelen nodig was.
Jacob Schild overleed op 4 december 1787 en werd begraven in graf Wn-447. Dat was hetzelfde jaar waarin hij opnieuw in de Commissie van Kleine Zaken werd genoemd. Enkele maanden eerder, op 21 september, was ook Gijsbert Hoogland overleden. De gildegeneratie die in 1775 op de schouwlijst was vastgelegd, verdween daarmee in korte tijd uit de actieve Enkhuizer gezondheidszorg.
Zijn naam bleef echter zichtbaar boven in de Waag. Daar staat hij als eerste op de schouwlijst: Jacob Schild. Achter die naam schuilt een chirurgijn die de medische wereld van Enkhuizen van meerdere kanten kende. Hij had de oceaan overgestoken, zieken aan boord behandeld, moeilijke bevallingen begeleid en leidinggegeven aan zijn gilde. Zijn graf en de schouwlijst bewaren samen de herinnering aan een veelzijdige achttiende-eeuwse heelmeester.
Jacob Baljuw
Chirurgijn, rector van de Latijnse School en overman van het chirurgijnsgilde
Jacob Baljuw bracht twee werelden bijeen die in het achttiende-eeuwse Enkhuizen op het eerste gezicht ver uit elkaar lagen. Hij was chirurgijn en lid van het chirurgijnsgilde, maar daarnaast rector van de Latijnse School. In 1775 trad hij op als overman van het gilde en werd zijn naam samen met Jacob Schild, Eysbert Hoogland en Jan Glandorp op de schouwlijst in de Waag aangebracht. Hij woonde aanvankelijk aan de Oude Rietdijk en later aan de Breedstraat. Jacob overleed op 18 maart 1781 en werd begraven in graf Wn-289.
Hij was een zoon van Stoffel Fransz. Bailjuw. De spelling van de familienaam wisselt in de bronnen tussen Baljuw en Bailjuw. Dat is niet ongebruikelijk in vroegmoderne registers, waarin namen door verschillende schrijvers fonetisch of volgens eigen gewoonte werden vastgelegd. De Jacob Baljuw uit Enkhuizen moet bovendien niet zonder bewijs worden vereenzelvigd met de gelijknamige VOC-hooploper uit Amsterdam die in 1724 met de Berkenrode uitvoer.
Over Jacobs geboorte en opleiding geeft het medici-dossier geen volledige gegevens. Wel blijkt uit zijn functies dat hij meer scholing moet hebben gehad dan een doorsnee praktisch chirurgijn. Een rector van een Latijnse School moest Latijn beheersen, vertrouwd zijn met klassieke teksten en leiding kunnen geven aan het onderwijs. Dat hij deze functie combineerde met de heelkunde maakt hem uitzonderlijk binnen de Enkhuizer medische reeks.
De Latijnse School bereidde jongens uit de midden- en bovenlaag voor op een studie, een kerkelijk ambt of een bestuurlijke loopbaan. Latijn was de taal van universiteiten, theologie, recht en een groot deel van de geneeskundige literatuur. Als rector gaf Jacob leiding aan het onderwijs, hield hij toezicht op leerlingen en ondermeesters en bewaakte hij discipline en studievoortgang. Hij stond daarmee midden in de vorming van een nieuwe generatie geschoolde Enkhuizers.
Zijn medische vak sloot daar beter op aan dan op het eerste gezicht lijkt. Ook chirurgijns kregen in de achttiende eeuw steeds meer te maken met boeken, anatomische termen en geschreven examens. De Waag bezat een demonstratiebord, medische voorstellingen en herinneringen aan anatomisch onderwijs. Een chirurgijn die Latijn kende, kon gemakkelijker gebruikmaken van medische werken die niet in het Nederlands beschikbaar waren.
Toch bleef Jacob in de eerste plaats een praktisch heelmeester. Hij behandelde wonden, breuken, zweren en andere uitwendige aandoeningen. Hij zette ledematen, verrichtte aderlatingen, trok tanden en kon kleine operaties uitvoeren. In Enkhuizen kwam hij in aanraking met dezelfde risico’s als zijn collega’s: ongelukken op schepen en werven, verwondingen bij ambachtswerk en infecties die uit kleine wonden ontstonden.
De combinatie met het rectoraat betekende dat zijn werkdagen zich over verschillende plaatsen verdeelden. In of rond de school hield hij toezicht op lessen, examens en orde. In zijn medische praktijk onderzocht en behandelde hij patiënten. In de Waag vergaderde hij met collega-chirurgijns. Zijn loopbaan toont hoe een vroegmoderne stedelijke functionaris meerdere beroepen en verantwoordelijkheden kon combineren.
Op 8 augustus 1751 trouwde Jacob met Elisabeth Cornelis Blaeuwevlag, geboren op 12 november 1719. Zij was een dochter van Cornelis Willemsz. Blaeuwevlag en Grietje Reijnders en woonde aan de Wierdijk. Het huwelijk duurde zeer kort. Elisabeth overleed op 31 januari 1752, minder dan zes maanden na de trouwdag, en werd begraven in graf Wm-74.
Op 21 augustus 1757 hertrouwde Jacob in Zwolle met Johanna Lucretia Winkler. Zij kwam uit Zwolle en overleed op 17 juli 1783 in Enkhuizen. Uit dit huwelijk werden twee zonen genoemd: Hendrik en Anthony. De familiegegevens zijn beperkt, maar tonen dat Jacobs persoonlijke netwerk zich niet uitsluitend tot Enkhuizen beperkte.
Zijn verhuizing van de Oude Rietdijk naar de Breedstraat bracht hem dichter bij het bestuurlijke centrum van de stad. Aan de Breedstraat stonden het stadhuis, voorname woonhuizen en verschillende belangrijke stedelijke gebouwen. Voor een rector en gildebestuurder was dat een passende omgeving. Het adres onderstreept zijn plaats binnen de geschoolde en gerespecteerde burgerij van Enkhuizen.
In 1775 werd hij overman van het chirurgijnsgilde. De schouwlijst uit dat jaar vormt het duidelijkste materiële spoor van zijn medische functie. Zijn naam staat er tussen die van Jacob Schild en Eysbert Hoogland, met Jan Glandorp als praeses. De lijst werd aangebracht in een kamer die door eeuwen van gildegebruik, anatomische belangstelling en stedelijke representatie was gevormd.
Als overman hield Jacob toezicht op leerlingen, examens en beroepsdiscipline. Zijn werk als rector zal daarbij van nut zijn geweest. Hij was gewend kennis te beoordelen, leerlingen te corrigeren en regels te handhaven. In de Latijnse School ging het om grammatica, klassieke schrijvers en voorbereiding op universitaire studie; in de Chirurgijnskamer om anatomie, instrumentgebruik en praktische bekwaamheid. In beide omgevingen stond opleiding centraal.
De aanwezigheid van een schoolrector binnen de leiding van het chirurgijnsgilde laat bovendien zien dat de grenzen tussen geleerdheid en handwerk minder scherp konden zijn dan vaak wordt gedacht. De universitair opgeleide doctor gold als geleerde medicus, terwijl de chirurgijn uit de ambachtelijke traditie kwam. Jacob Baljuw bewoog zich tussen beide werelden. Hij behandelde patiënten met zijn handen, maar leidde ook een school die toegang gaf tot academische kennis.
De Chirurgijnskamer zelf weerspiegelde die combinatie. De katheder en het demonstratiebord deden denken aan onderwijs. De afbeeldingen van Hippocrates en Galenus verwezen naar klassieke medische autoriteit. Het geraamte stond voor anatomische kennis. De kamer was dus tegelijk gildezaal, lesruimte en plaats van beroepsmatige herinnering. Jacob paste daar als chirurgijn én rector bijzonder goed in.
Zijn leven speelde zich af in een periode waarin Enkhuizen economisch verder terugliep. De grote compagnieën en zeevaart bleven deel van het stadsbeeld, maar boden minder werk en welvaart dan voorheen. Ook de Latijnse School en het chirurgijnsgilde functioneerden in een kleinere stad. Juist daardoor werden personen met meerdere vaardigheden belangrijk. Jacob kon onderwijs geven, bestuur voeren en medische zorg verlenen.
Over zijn eigen medische patiënten zijn geen namen of ziektegevallen bewaard gebleven. Ook zijn werkzaamheden als rector zijn in het geraadpleegde dossier niet per schooljaar uitgewerkt. We moeten daarom voorkomen dat we hem specifieke behandelingen, lessen of besluiten toeschrijven waarvoor geen bron bestaat. Zijn bekende functies vertellen echter al veel: hij stond zowel aan het hoofd van een onderwijsinstelling als in de leiding van de medische beroepsgroep.
Jacob Baljuw overleed op 18 maart 1781. Zijn tweede echtgenote Johanna Lucretia Winkler leefde nog ruim twee jaar na hem. Met zijn overlijden verloor Enkhuizen een man die de vorming van jonge leerlingen en de praktische gezondheidszorg in één loopbaan had verbonden.
Zijn grafnummer Wn-289 brengt hem terug naar de kerkgravenlaag waaruit zijn levensverhaal is opgebouwd. In de Waag bleef zijn naam boven de schouw staan. De twee plaatsen vullen elkaar aan. Onder de kerkvloer lag de rector-chirurgijn begraven; in de Chirurgijnskamer bleef hij zichtbaar als overman. Daarmee behoort Jacob Baljuw tot de meest bijzondere personen uit de achttiende-eeuwse Enkhuizer zorgwereld.
Apothekers en medische families van Enkhuizen
Deel 1 — Claes Cornelisz. Apotheker, Aef Claes Apotheker en Judith Thijsdr.
Na de chirurgijns en doctoren volgt de wereld van de Enkhuizer apothekers. Zij verrichtten geen grote heelkundige ingrepen, maar stonden wel midden in de dagelijkse gezondheidszorg. In hun winkels werden kruiden gewogen, wortels gesneden, zaden fijngestampt en oliën, zalven, poeders en siropen samengesteld. De apotheker leverde geneesmiddelen aan doctoren, chirurgijns en particuliere klanten, maar gaf waarschijnlijk ook zelf praktische aanwijzingen bij eenvoudige klachten. Het beroep speelde zich af tussen winkel, werkplaats en woonhuis. Vrouwen en familieleden werkten daarbij vaak mee, ook wanneer hun aandeel maar beperkt in de officiële administratie terechtkwam.
Claes Cornelisz. Apotheker, ook genoemd Makelaer
Chirurgijn, apotheker in De Hondt en bestuurder aan de Hoge Noorderhavendijk
Claes Cornelisz. Apotheker, die in de bronnen ook Claes Cornelisz. Makelaer wordt genoemd, behoort tot de vroegst duidelijk herkenbare apothekers van Enkhuizen. Zijn geboortejaar is niet bekend. In 1576 wordt hij als chirurgijn genoemd. Later dreef hij een apotheek met de naam De Hondt, die vervolgens als De Bonte Hondt bekendstond. Hij combineerde daarmee twee beroepen die in de zestiende eeuw nog niet scherp van elkaar waren gescheiden: het praktisch behandelen van wonden en het bereiden of verkopen van geneesmiddelen. Claes overleed in 1612 en werd vermoedelijk begraven in graf Zz-226.
De toevoeging Apotheker lijkt bij Claes bijna een familienaam te zijn geworden. Toch verwees zij in de eerste plaats naar zijn beroep. De aanduiding Makelaer kan een bijnaam, een andere familienaam of een verwijzing naar een handelsfunctie zijn geweest. De bronnen gebruiken beide namen naast elkaar. Daardoor verschijnt hij soms als Claes Cornelisz. Apotheker en soms als Claes Cornelisz. Makelaer, terwijl de functies en familiegegevens duidelijk op dezelfde man betrekking hebben.
Zijn apotheek droeg een huisnaam, zoals gebruikelijk was voordat vaste huisnummers algemeen werden. De Hondt, later De Bonte Hondt, was niet alleen een woonhuis, maar ook een herkenbare winkel. Een uithangteken of gevelsteen maakte duidelijk waar klanten geneesmiddelen konden verkrijgen. Binnen stonden potten, flessen, dozen, vijzels en weegschalen. Gedroogde planten, wortels, harsen, mineralen en dierlijke bestanddelen werden er bewaard en in kleine hoeveelheden verwerkt.
Claes werkte in een periode waarin geneesmiddelen niet kant-en-klaar werden aangevoerd. De apotheker moest zelf meten, wegen, malen, koken, zeven en mengen. Een poeder moest fijn genoeg worden gestampt om te kunnen worden ingenomen. Een zalf moest de juiste dikte krijgen en mocht niet bederven. Een siroop moest lang genoeg worden gekookt om houdbaar te blijven, maar mocht niet aanbranden. De kwaliteit van een geneesmiddel hing daarom sterk af van de vakkennis en nauwkeurigheid van degene die het bereidde.
Als chirurgijn zal Claes wonden hebben gereinigd, zweren geopend, bloedingen gestelpt en botbreuken behandeld. Zijn apotheek maakte het mogelijk direct verbandmiddelen, oliën of zalven te gebruiken. De combinatie van beide beroepen was praktisch. Een patiënt die met een wond kwam, kon op dezelfde plaats worden behandeld en vervolgens een middel meekrijgen. De latere beroepsgrenzen tussen chirurgijn, apotheker en medicinae doctor waren in Claes’ tijd nog in ontwikkeling.
Enkhuizen groeide in deze jaren snel. De stad trok kooplieden, schippers, ambachtslieden en vluchtelingen aan. Scheepvaart, visserij, handel en scheepsbouw brachten verwondingen en ziekten met zich mee. Tegelijk kwamen via handelsroutes kruiden, specerijen en andere grondstoffen de stad binnen. Niet ieder exotisch product was direct een geneesmiddel, maar de handel vergrootte wel het assortiment waaruit apothekers konden putten.
Claes woonde met zijn vrouw Guertjen Harperts aan de Hoge Noorderhavendijk. Zij waren op 1 september 1585 als lidmaten geregistreerd. In 1593 wordt hun woonplaats aan de havendijk genoemd. De ligging was passend voor een apothekers- en chirurgijnshuishouden: dicht bij schepen, werkplaatsen, handel en de mensen die medische hulp nodig hadden.
Guertjen was een dochter van een verder niet volledig geïdentificeerde Harper en van Albertje van Egmond. Zij overleed op 26 augustus 1641 en werd begraven in graf Zz-226. Haar naam staat niet als apothekeresse vermeld, maar zij leefde tientallen jaren in een apothekershuishouden. In zo’n familiebedrijf waren winkel, opslag, werkruimte en woonhuis nauw met elkaar verbonden. Het is aannemelijk dat een echtgenote werkzaamheden in huishouden en winkel ondersteunde, maar zonder directe bron mag haar geen formele beroepsfunctie worden toegeschreven.
In het huishouden werkte ook een dienstmaagd, Susanna Hendriks, die op 26 december 1590 als lidmaat werd ingeschreven. Haar vermelding laat zien dat het huis meer omvatte dan het kerngezin. Dienstpersoneel kon helpen bij schoonmaak, vuur, water, koken, winkelwerk en andere dagelijkse taken. In een apotheek moesten potten en werkoppervlakken worden onderhouden, grondstoffen opgeborgen en klanten ontvangen.
Claes bleef niet alleen beroepsmatig actief. Hij werd in 1596 en 1599 als diaken genoemd. Van 1603 tot 1609 was hij viermaal ouderling. Die kerkelijke functies brachten hem dicht bij armen, zieken en huishoudens die ondersteuning nodig hadden. Als diaken hielp hij bij het verdelen van hulp. Als ouderling hield hij toezicht op het kerkelijke leven. Zijn apotheek, medische praktijk en kerkelijke taak raakten elkaar daardoor geregeld.
Vanaf 1607 maakte Claes deel uit van de Enkhuizer raad. In 1608 en 1610 was hij schepen. In 1611–1612 werkte hij in de Commissie van Echtelijke Zaken. Zijn loopbaan laat zien dat een apotheker en chirurgijn kon doorgroeien tot stedelijk bestuurder. Vakbekwaamheid, bezit, kerkelijke betrokkenheid en familieverbindingen vormden samen de basis voor maatschappelijk vertrouwen.
Als schepen hield Claes zich niet met geneesmiddelen bezig, maar met rechtspraak en stedelijke besluiten. In de Commissie van Echtelijke Zaken kwamen conflicten rond huwelijk, samenleven en gezinsverantwoordelijkheid aan de orde. Zijn functies brachten hem dus vanuit de winkel en werkplaats naar het bestuurlijke centrum van Enkhuizen. De stad vertrouwde hem niet alleen het lichaam van patiënten toe, maar ook het beoordelen van maatschappelijke en juridische kwesties.
De familiegegevens zijn niet volledig zeker. Aef Claes Apotheker wordt mogelijk als zijn dochter genoemd. Daarnaast vermeldt het patriciërsdossier Albertjen Claesdr., Evert Claesz. en mogelijk Cornelis Claesz. en Thijs Claasz. van Bassen binnen dezelfde familiegroep. De vraagtekens in het dossier moeten blijven staan: niet iedere afstammingslijn is bewezen.
Claes overleed in 1612, aan het einde van zijn periode in de raad en de Commissie van Echtelijke Zaken. Zijn vrouw bleef nog bijna dertig jaar leven. De apotheeknaam De Bonte Hondt en de familienaam Apotheker hielden de herinnering aan zijn beroep vast. Zijn levensloop toont een tijd waarin gezondheidszorg, handel, kerk en stadsbestuur nog dicht naast elkaar lagen.
Hij begon als chirurgijn, werd apotheker, diende de kerk en trad toe tot het bestuur van Enkhuizen. Achter de potten, kruiden en instrumenten van De Bonte Hondt stond daarom geen eenvoudige winkelier, maar een man die zich vanuit zijn medische ambacht tot een vooraanstaande burger ontwikkelde. Claes Cornelisz. Apotheker vormt daarmee een sterke opening van de Enkhuizer apothekersreeks.
Aef Claes Apotheker
Apothekeresse aan de Jan Jobssteiger
Aef Claes Apotheker behoort tot de vroegste vrouwen die in het Enkhuizer medicidossier uitdrukkelijk als apothekeresse worden aangeduid. Haar geboorte- en overlijdensgegevens zijn niet bekend. De bron noemt haar als mogelijke dochter van Claes Cornelisz. Apotheker en Guertjen Harperts, maar plaatst bij die familieverbinding een vraagteken. Zij woonde aan de Jan Jobssteiger, aan de noordzijde van de Karmersluis, en werd in 1593 als lidmaat geregistreerd.
Die korte registratie is belangrijk. Vrouwen die in een apotheek werkten, verdwenen vaak achter de naam van hun vader of echtgenoot. Zij konden jarenlang kruiden schoonmaken, geneesmiddelen koken, klanten helpen en de winkel voortzetten zonder zelfstandig met een beroep te worden vermeld. Bij Aef staat echter niet alleen haar naam, maar ook het woord apothekeresse. Dat geeft haar een zelfstandige plaats binnen de Enkhuizer medische beroepswereld.
Het is niet zeker of Aef een eigen apotheek bezat, een familiewinkel voortzette of binnen een apothekershuishouden werkte. De bron noemt geen winkelnaam en geen echtgenoot. Daarom moet haar positie zorgvuldig worden beschreven. Zij wordt als apothekeresse erkend, maar de precieze juridische en economische vorm van haar werk blijft onbekend.
Haar mogelijke vader Claes werkte in De Hondt, later De Bonte Hondt. Wanneer de familieverbinding juist is, groeide Aef op tussen flessen, potten, kruiden, vijzels en weegschalen. Zij kon daar kennis hebben opgedaan door dagelijks mee te werken. In apothekersfamilies werd het vak niet uitsluitend in formele leertijd overgedragen. Kinderen leerden ook door aanwezigheid in de winkel en door steeds complexere taken uit te voeren.
Een apothekeresse moest grondstoffen kunnen herkennen en weten hoe zij werden bewaard. Gedroogde kruiden mochten niet vochtig worden. Oliën en siropen konden bederven. Mineralen moesten fijn worden gemalen en nauwkeurig worden afgewogen. Sommige middelen waren kostbaar; andere konden bij verkeerd gebruik gevaarlijk zijn. Nauwkeurigheid was dus niet alleen een economische deugd, maar ook noodzakelijk voor de veiligheid van patiënten.
Aef werkte in de laatste decennia van de zestiende eeuw, toen de medische beroepsgroepen in Enkhuizen nog niet volledig van elkaar waren gescheiden. Apothekers leverden middelen aan chirurgijns en doctoren, maar burgers konden zich waarschijnlijk ook rechtstreeks tot de winkel wenden. Een klant kon vragen om iets tegen pijn, hoest, verstopping, huidklachten of een slecht genezende wond. De apothekeresse moest dan begrijpen welk middel gewoonlijk werd gebruikt en hoe het moest worden toegediend.
De winkel was ook een plaats van geur en materiaal. Gedroogde planten, specerijen, harsen, azijn, wijn, olie en dierlijke stoffen lagen naast elkaar opgeslagen. In een vijzel werden bestanddelen fijngestampt. Op een balans werden kleine hoeveelheden afgewogen. Op het vuur stonden potten waarin aftreksels en siropen werden bereid. Dit werk vereiste kracht, geduld en aandacht, vooral omdat moderne thermometers en gestandaardiseerde verpakkingen ontbraken.
Dat Aef aan de Jan Jobssteiger woonde, brengt haar dicht bij water, scheepvaart en stedelijk verkeer. De steigers en sluizen vormden drukke plekken waar goederen en mensen langskwamen. Een apothekeresse in zo’n omgeving stond niet geïsoleerd van de stad. Zij werkte tussen huishoudens, schippers, werklieden, kooplieden en reizigers die met uiteenlopende klachten of recepten aan haar deur konden verschijnen.
Haar lidmaatschap in 1593 plaatst haar ook binnen de gereformeerde gemeenschap. De lidmatenregistratie was meer dan een losse naam in een kerkboek. Zij liet zien wie tot de openbare gemeente behoorde en deelnam aan het kerkelijke leven. Voor een vrouw met een beroep kon een goede kerkelijke reputatie belangrijk zijn. Vertrouwen was essentieel wanneer mensen middelen kochten die zij moesten innemen of op wonden aanbrachten.
Aefs verhaal laat tevens zien hoe een beroepsnaam tot familienaam kon worden. Claes Apotheker, Aef Claes Apotheker en later andere personen met de toevoeging Apotheker verschijnen in de registers. Niet bij iedereen is duidelijk of het woord nog uitsluitend het beroep aanduidde of inmiddels ook als vaste naam functioneerde. Bij Aef wordt de beroepsaanduiding echter afzonderlijk bevestigd door het woord apothekeresse.
Er is geen grafnummer bekend waarmee haar leven aan een kerkelijke rustplaats kan worden gekoppeld. Evenmin zijn er gegevens over kinderen, huwelijk of bestuurlijke functies. Dat maakt haar verhaal minder uitvoerig dan dat van Claes Cornelisz., maar niet minder betekenisvol. Juist de enkele beroepsvermelding is uitzonderlijk: een vrouw wordt zichtbaar binnen een wereld die in veel officiële bronnen als mannelijk verschijnt.
Aef hoeft niet groter te worden gemaakt dan de bron toestaat. We kunnen niet bewijzen dat zij eigenaar van een winkel was, examens afnam of personeel opleidde. Wel kunnen we vaststellen dat zij in Enkhuizen als apothekeresse bekendstond en dat zij waarschijnlijk zelf kennis en ervaring in de bereiding of verstrekking van geneesmiddelen bezat.
Haar naam vormt daardoor een belangrijke vrouwenlaag in dit apothekersblok. Claes Cornelisz. toont de apotheker die vanuit het beroep het stadsbestuur binnenging. Aef laat zien dat ook vrouwen een herkenbare vakmatige plaats in de geneesmiddelenzorg konden innemen. Haar korte registratie opent een deur naar een dagelijkse praktijk die anders grotendeels onzichtbaar zou zijn gebleven.
Judith Thijsdr.
Apothekeresse aan de Havendijk en echtgenote van Pieter ten Broek
Judith Thijsdr. wordt in het Enkhuizer medicidossier uitdrukkelijk aangeduid als apothekeresse. Zij was gehuwd met Pieter ten Broek, die vanaf 1591 als apotheker in De Drie Ankers werkte en later de apotheek De Granaetappel dreef op de hoek van de Oude Gracht en de Westerstraat. Het echtpaar woonde aan de Havendijk. Pieter werd op 2 april 1589 als lidmaat ingeschreven en overleed op 17 oktober 1639.
Over Judiths geboorte, overlijden en ouders zijn in de geraadpleegde fragmenten geen zekere gegevens opgenomen. Haar naam verschijnt vooral naast die van haar man en als doopgetuige binnen de familiekring. Toch mag zij niet alleen als “de vrouw van Pieter” worden voorgesteld. De beroepsaanduiding apothekeresse geeft aan dat zij binnen het apothekersbedrijf en de geneesmiddelenzorg een erkende rol vervulde.
De apotheek De Drie Ankers moet in de jaren rond 1591 een herkenbaar adres in Enkhuizen zijn geweest. Later verhuisde of veranderde de onderneming naar De Granaetappel, op de hoek van de Oude Gracht en de Westerstraat. Het bovenlicht van de winkeltoegang, waarin een granaatappel zichtbaar was, hield de huisnaam nog lang herkenbaar. De granaatappel was een passend teken voor een apotheek: een opvallende vrucht die in medische en symbolische tradities een plaats had.
Judith leefde en werkte dus niet in een naamloze achterkamer. Zij maakte deel uit van een huishouden met een duidelijke winkelidentiteit. Klanten herkenden de ankers of de granaatappel en wisten waar geneesmiddelen werden bereid en verkocht. In zo’n zaak lagen werk en privéleven door elkaar. Dezelfde deur kon toegang geven tot winkel, woonvertrek, opslag en bereidingsruimte.
Als apothekeresse kon Judith betrokken zijn bij het wegen en mengen van middelen, het koken van siropen, het vullen van potten en het helpen van klanten. Zij kon toezicht houden wanneer Pieter afwezig was voor kerkelijke of bestuurlijke taken. De bron vermeldt niet welke werkzaamheden zij precies uitvoerde. Toch is het onwaarschijnlijk dat haar beroepstitel zonder enige praktische kennis of langdurige betrokkenheid werd gebruikt.
Pieter was niet uitsluitend apotheker. Hij werd vijfmaal diaken tussen 1596 en 1604, was ouderling in 1617–1618, bezat in 1611 en 1612 een ambacht en werd vanaf 1614 voogd van het Leprozenhuis. Hij bleef dat tot zijn overlijden in 1639. Zijn vele functies moeten tijd hebben gevraagd. Juist daardoor was de aanwezigheid van een ervaren vrouw in het apothekershuishouden praktisch van groot belang.
Wanneer Pieter vergaderde met voogden, kerkelijke bestuurders of andere stedelijke functionarissen, moest de winkel doorgaan. Recepten konden niet wachten totdat hij thuiskwam. Klanten moesten worden geholpen en voorraden bewaakt. Judiths rol als apothekeresse maakte het mogelijk dat het bedrijf niet volledig van één persoon afhankelijk was.
De apotheek werkte waarschijnlijk voor particuliere klanten, maar stond ook in verbinding met chirurgijns, doctoren en zorginstellingen. Een doctor kon een recept voorschrijven dat door Pieter en Judith werd samengesteld. Een chirurgijn kon olie, zalf of poeder nodig hebben voor een wondbehandeling. Het Leprozenhuis had eveneens middelen, verbandstoffen en huishoudelijke benodigdheden nodig. De precieze leveringen zijn niet in de geraadpleegde gegevens vastgelegd, maar de beroepswerelden lagen dicht bij elkaar.
Judith stond daardoor op het kruispunt van twee onderdelen van de Enkhuizer zorggeschiedenis. Als apothekeresse hoorde zij bij de bereiding van geneesmiddelen. Als echtgenote van de voogd van het Leprozenhuis leefde zij in een huishouden dat ook bestuurlijk met langdurige zorg en afzondering verbonden was. Zij was echter zelf niet als moeder of regentes van het Leprozenhuis geregistreerd. Die functie mag haar dus niet worden gegeven.
Binnen de familiekring komt Judith meerdere malen als doopgetuige voor. Bij kinderen van Femme ten Broek en David Bollaert wordt Judith Thijsdr. of Judith ten Broeck genoemd. Dat wijst op een actieve plaats binnen het netwerk van verwanten. Doopgetuigen waren geen toevallige aanwezigen; zij vertegenwoordigden familieband, vertrouwen en religieuze betrokkenheid.
De apotheek aan de Havendijk en later op de hoek van Oude Gracht en Westerstraat stond in een stad die in deze jaren snel groeide. Enkhuizen werd een centrum van scheepvaart, handel en compagnievaart. Met schepen kwamen nieuwe waren en grondstoffen binnen. De apothekers konden beschikken over inlandse kruiden en producten uit bredere handelsnetwerken. Tegelijk nam de vraag toe door de groeiende bevolking en het grote aantal zeelieden en arbeiders.
Het assortiment van een vroeg-zeventiende-eeuwse apotheek was breed. Er waren kruidenmiddelen, oliën, zalven, wateren, poeders, siropen en samengestelde recepten. Sommige ingrediënten kwamen uit de directe omgeving; andere via kooplieden uit verre gebieden. Niet ieder middel werkte werkelijk, en sommige behandelingen konden schadelijk zijn. Toch vormde de apotheek een van de weinige plaatsen waar kennis over bereiding, dosering en bewaring systematisch werd toegepast.
Judith werkte in een medische wereld die sterk door de humorenleer werd beïnvloed. Ziekte werd vaak verklaard als een verstoring van de lichaamsvochten. Geneesmiddelen moesten verwarmen, verkoelen, drogen, bevochtigen, zuiveren of afvoeren. Laxeermiddelen, braakmiddelen, versterkende siropen en zalven werden op basis van zulke ideeën bereid. De apothekeresse volgde niet alleen losse recepten, maar werkte binnen een samenhangend medisch denksysteem van haar tijd.
Haar vak vroeg ook om huishoudelijke en commerciële vaardigheden. Grondstoffen moesten worden ingekocht en betaald. Kostbare ingrediënten mochten niet worden verspild. Potten moesten van opschriften worden voorzien en recepten correct worden uitgevoerd. Klanten konden direct betalen of schulden laten opschrijven. Een apotheek was tegelijk zorgplaats, ambacht en onderneming.
Judiths persoonlijke levensloop blijft gedeeltelijk verborgen. We weten niet wanneer zij stierf en waar zij werd begraven. Haar echtgenoot rustte in graf Wn-187. Zonder nadere bron mag niet worden aangenomen dat Judith in hetzelfde graf lag. Deze onzekerheid onderstreept hoe verschillend mannen en vrouwen in de administratie zichtbaar werden. Pieter liet functies, winkelgegevens en een grafnummer na; Judith vooral haar naam, huwelijk en beroepstitel.
Juist daarom is haar vermelding als apothekeresse zo waardevol. Zij bevestigt dat vrouwen niet alleen als klanten, zieken of echtgenotes deel uitmaakten van de medische wereld. Zij konden zelf vakkennis bezitten en verantwoordelijkheid dragen in een apotheek. Judith stond naast Pieter in een onderneming die jarenlang geneesmiddelen aan Enkhuizen leverde.
Haar verhaal vormt bovendien de overgang naar het latere blok over het Leprozenhuis. Daar blijft Pieter ten Broek de hoofdpersoon als voogd, naast de moeders Aef Pieters, Trijn Jacobs en Claeske Koster. In dit apothekersblok staat Judith echter zelf centraal: niet als regentes, maar als apothekeresse in een bekend Enkhuizer winkelhuis.
Apothekers en medische families van Enkhuizen
Deel 2 — De apothekersfamilie Van Schagen
De familie Van Schagen laat zien hoe het apothekersvak in het zeventiende-eeuwse Enkhuizen over meerdere generaties binnen één familie kon worden voortgezet. Hendrik Willemsz. Schagen werkte als apotheker in de Westerstraat en bracht het gezin tegelijk binnen kerkelijk en stedelijk bestuur. Zijn zoon Ellert Hendriksz. Schagen nam in 1653 de apothekerspraktijk over. Daarna trad Hendrik Ellertsz. Schagen als volgende apotheker naar voren. Tegelijk zette Hendriks jongere zoon Willem Hendriksz. Schagen het vak voort en verbond hij de apotheek met het ziekenhuisbestuur, de vroedschap, de schepenbank, de schutterij en de zorgwereld van zijn echtgenote Sibregje van Loosen.
Hendrik Willemsz. Schagen
Apotheker in de Westerstraat, schepen en kerkelijk bestuurder
Hendrik Willemsz. Schagen behoort tot de duidelijk herkenbare apothekers van het zeventiende-eeuwse Enkhuizen. Zijn geboortejaar is niet overgeleverd, maar hij wordt genoemd als zoon van Willem Schagen. Hendrik werkte als apotheker in de Westerstraat en overleed op 13 oktober 1653. Het kerkgraven- en patriciërsdossier verbindt hem met graf Wm-112 en vermeldt daarnaast dat hem graf Wz-114 toekwam. De twee grafverwijzingen moeten naast elkaar blijven staan zolang de precieze verhouding tussen bezit, gebruik en begraafplaats niet uit de oorspronkelijke grafboeken is opgehelderd.
Op 25 januari 1631 trouwde Hendrik met Lijsbet Ellerts, geboren op 3 april 1612. Zij was een dochter van Ellert Cornelisz. en Meijnu Pieters. Lijsbet overleed op 7 oktober 1652, een jaar vóór haar man, en werd begraven in graf Wz-114. Het huwelijk bracht een omvangrijk gezin voort, maar de begraafgegevens laten tevens zien hoe zwaar kindersterfte het huishouden trof.
Tussen 1635 en 1645 werden minstens zes kinderen van Hendrik Willemsz. zonder voornaam in de grafregistratie opgenomen. Zij overleden op 7 mei 1635, 18 juli 1639, 24 september 1640, 2 juni 1642, 26 oktober 1643 en 27 maart 1645. De korte aanduiding “kind van Hendrik Willemsz.” maakt hen administratief bijna onzichtbaar, maar binnen het apothekershuis moet ieder overlijden een afzonderlijke geboorte, ziekteperiode en begrafenis hebben betekend.
Hendrik werkte dus als apotheker terwijl hij thuis herhaaldelijk werd geconfronteerd met de grenzen van zijn eigen vak. Hij kon kruiden, oliën, poeders, siropen en samengestelde middelen bereiden, maar veel kinderziekten, koortsen en infecties bleven onbehandelbaar. De apotheker beschikte over geneesmiddelen volgens de kennis van zijn tijd, maar geen middel bood zekerheid. Het verschil tussen beroepskennis en daadwerkelijke geneeskracht werd in zijn eigen gezin pijnlijk zichtbaar.
De Westerstraat vormde een geschikte plaats voor zijn apotheek. Deze lange hoofdstraat liep door het hart van Enkhuizen en verbond woonhuizen, winkels, werkplaatsen, kerken en markten. Een apotheek aan deze straat was bereikbaar voor burgers uit verschillende delen van de stad. Klanten konden er een recept van een doctor laten bereiden, maar vermoedelijk ook rechtstreeks om een eenvoudig middel, zalf, olie of kruidendrank vragen.
Binnen de winkel stonden voorraadpotten, flessen, dozen en vijzels. Gedroogde planten en wortels moesten tegen vocht worden beschermd. Oliën en siropen konden bederven. Mineralen en andere harde stoffen moesten lang worden fijngestampt voordat zij in een poeder of zalf konden worden verwerkt. Een kleine balans was onmisbaar, want een verschil in gewicht kon de werking en veiligheid van een geneesmiddel beïnvloeden.
De apotheker werkte in nauwe samenhang met doctoren en chirurgijns. Een medicinae doctor onderzocht inwendige ziekten en schreef recepten uit. Een chirurgijn behandelde wonden, breuken en zweren en had daarvoor verbandmiddelen, oliën en zalven nodig. Hendrik vormde de schakel tussen voorschrift en daadwerkelijk geneesmiddel. Hij moest een vaak in Latijn of in verkorte vorm geschreven recept kunnen begrijpen en vervolgens zorgvuldig uitvoeren.
Zijn maatschappelijke positie reikte veel verder dan de winkel. In 1640 werd Hendrik als diaken genoemd. Tussen 1644 en 1653 was hij zesmaal ouderling. In 1649 trad hij op als kerkmeester. Deze functies brachten hem midden in de gereformeerde gemeente en de stedelijke armenzorg. Ziekte, armoede en kerkelijke ondersteuning lagen dicht bij zijn dagelijkse beroep.
Als diaken bezocht hij huishoudens die brood, geld, brandstof of andere hulp nodig hadden. Als ouderling hield hij toezicht op kerkelijke leer, levenswandel en gemeenteleden. Als kerkmeester droeg hij verantwoordelijkheid voor praktische en financiële aangelegenheden van het kerkgebouw. Het waren geen medische functies, maar zij vergrootten zijn kennis van gezinnen waarin ziekte en gebrek samenkwamen.
Ook het stadsbestuur deed een beroep op hem. Hendrik was schepen in 1646 en 1650. Een schepen sprak recht en nam deel aan bestuurlijke beslissingen. Daarmee verschoof zijn werk van het nauwkeurig wegen van geneesmiddelen naar het wegen van verklaringen, belangen en bewijs. Zijn benoeming toont dat een gevestigde apotheker tot de bestuurlijke bovenlaag van Enkhuizen kon doordringen.
De combinatie van apotheker, diaken, ouderling, kerkmeester en schepen maakte Hendrik tot een herkenbare stadsburger. Hij stond niet uitsluitend achter een toonbank. Hij kwam in huizen van armen, in kerkelijke vergaderingen en in de schepenbank. De reputatie die hij in zijn beroepspraktijk had opgebouwd, droeg vermoedelijk bij aan het vertrouwen dat hem bij deze functies werd gegeven.
De familie zette het vak voort. Zoon Ellert Hendriksz. Schagen volgde hem in 1653 als apotheker op. Zoon Willem Hendriksz. Schagen, geboren in 1645, werd eveneens apotheker en groeide later uit tot een van de belangrijkste zorg- en stadsbestuurders van de familie. Daardoor werd Hendriks apotheek niet alleen een plaats waar geneesmiddelen werden bereid, maar ook het beginpunt van een familie die gedurende tientallen jaren met gezondheidszorg en bestuur verbonden bleef.
Lijsbet overleed in oktober 1652. Hendrik volgde haar op 13 oktober 1653. In datzelfde jaar nam Ellert volgens het dossier de apothekersfunctie “in plaats van vader” over. De overdracht lijkt daardoor rechtstreeks samen te hangen met Hendriks overlijden. De apotheek en de opgebouwde beroepskennis konden binnen het gezin blijven bestaan.
Hendrik Willemsz. Schagen vormt zo het fundament van deze familielijn. Zijn verhaal verbindt de Westerstraat, het apothekersvak, de dood van meerdere jonge kinderen, de gereformeerde gemeente en de schepenbank. Hij leverde geneesmiddelen aan de stad, maar droeg tegelijk verantwoordelijkheid voor kerk en bestuur. In zijn zonen bleef die combinatie van beroep, zorg en openbaar gezag voortleven.
Ellert Hendriksz. Schagen
Apotheker die in 1653 de praktijk van zijn vader voortzette
Ellert Hendriksz. Schagen was een zoon van apotheker Hendrik Willemsz. Schagen en Lijsbet Ellerts. Zijn geboortejaar is niet bekend. Het patriciërsdossier noemt hem als apotheker vanaf 1653, in plaats van zijn vader. Hij overleed op 4 oktober 1666 en werd verbonden met graf Wm-112. In 1658 werd hij als diaken genoemd. Zijn echtgenote is in het dossier niet bij naam bekend.
Het jaar 1653 was een breukpunt in de familie. Hendriks vrouw Lijsbet was in oktober 1652 gestorven en Hendrik zelf overleed in oktober 1653. Ellert trad daarop als apotheker naar voren. De formulering “in plaats van vader” wijst op een directe beroepsopvolging. De winkel, voorraad, klantenkring en kennis van recepten hoefden daardoor niet buiten de familie terecht te komen.
Een dergelijke opvolging begon niet pas bij het overlijden van de vader. Ellert moet al veel eerder in het apothekershuishouden hebben meegewerkt. Als zoon van een apotheker groeide hij op tussen de geuren van kruiden, harsen, specerijen, olie en gedroogde wortels. Hij zag hoe grondstoffen werden gekocht, gecontroleerd, gemalen en gemengd. Waarschijnlijk leerde hij eerst eenvoudige taken en kreeg hij pas later verantwoordelijkheid voor kostbare of krachtige ingrediënten.
De overdracht van een apotheek vergde meer dan het erven van een gebouw. Ellert moest weten waar de grondstoffen vandaan kwamen, welke leveranciers betrouwbaar waren en welke middelen snel bedierven. Hij moest de klanten en plaatselijke doctoren kennen en begrijpen hoe rekeningen werden bijgehouden. In een tijd zonder vaste fabrieksmiddelen hing de continuïteit van een apotheek vooral af van de vakkennis van de persoon die de recepten uitvoerde.
De apotheker werkte nauwkeurig met kleine gewichten. Sommige middelen werden per ons, drachme of grein afgewogen. De namen en maten konden per traditie verschillen, waardoor ervaring nodig was om fouten te voorkomen. Een onjuiste hoeveelheid laxerend, verdovend of braakopwekkend middel kon een verzwakte patiënt verder schaden. Ellerts werk vereiste daarom vertrouwen, aandacht en een vaste hand.
Tegelijk bleef de apotheek een winkel en familiebedrijf. Klanten konden geneesmiddelen op rekening kopen. Kostbare specerijen en exotische bestanddelen vertegenwoordigden aanzienlijke waarde. Ellert moest dus niet alleen middelen bereiden, maar ook voorraad en schulden beheren. Het bedrijf stond midden in de stedelijke economie, net als een kruidenierswinkel, boekhandel of goudsmidswerkplaats, maar met een veel directere verantwoordelijkheid voor gezondheid.
Zijn gezinsleven werd eveneens door kindersterfte getekend. De registers noemen kinderen van Ellert of Ellert Schagen die overleden op 19 oktober 1654, 2 november 1654, 24 maart 1659 en 1 november 1666. Twee kinderen stierven dus binnen enkele weken in het najaar van 1654. Een ander kind stierf kort vóór of kort na Ellerts eigen overlijden in oktober 1666.
Deze gegevens maken duidelijk dat de familielijn niet eenvoudig als een ononderbroken succesverhaal kan worden verteld. De apotheek ging van vader op zoon over, maar binnen hetzelfde huis werden jonge kinderen begraven. Ellert kende de bereiding van geneesmiddelen, maar ook hij kon de ziekten die zijn gezin troffen niet beheersen. Zijn beroepswereld en persoonlijke leven lagen in dezelfde woning naast elkaar.
In 1658 diende Ellert als diaken. Daarmee zette hij de kerkelijke betrokkenheid van zijn vader voort. Als diaken bezocht hij arme en zieke inwoners en hielp hij bij het uitdelen van ondersteuning. De apotheker zag daardoor niet alleen klanten die middelen konden betalen, maar ook huishoudens die voor voedsel, warmte en medische hulp afhankelijk waren van liefdadigheid.
Het is mogelijk dat de diaconie bij ziekte geneesmiddelen betaalde of dat apothekers middelen aan armen leverden, maar voor specifieke leveringen door Ellert ontbreekt in de geraadpleegde gegevens bewijs. Wel is duidelijk dat zijn twee rollen elkaar inhoudelijk raakten. Dezelfde ziekte die iemand naar de apotheek bracht, kon een huishouden ook bij de diaconie doen aankloppen.
Ellert had onder meer een zoon Hendrik Ellertsz. Schagen, die later eveneens apotheker werd. Daarnaast noemt het dossier mogelijk een zoon Cornelis Schagen. Bij die tweede familierelatie staan vraagtekens en zij moet daarom onzeker blijven. Via Hendrik ging het apothekersvak in ieder geval door naar een derde generatie.
Ellert overleed op 4 oktober 1666. Zijn loopbaan als zelfstandig apotheker had ongeveer dertien jaar geduurd. Dat is korter dan de lange bestuurlijke loopbanen van zijn vader en oom Willem, maar zijn betekenis ligt in de continuïteit. Zonder zijn overname in 1653 had de apothekerslijn na het overlijden van Hendrik Willemsz. kunnen breken.
Zijn leven stond tussen twee generaties in. Achter hem stond zijn vader Hendrik, die het vak met kerk- en stadsbestuur had verbonden. Voor hem stond zijn zoon Hendrik Ellertsz., die de apothekersnaam aan het einde van de zeventiende eeuw voortzette. Ellert hield de praktijk in de tussenliggende jaren draaiende en gaf de familietraditie door, ondanks herhaald verlies binnen zijn eigen huishouden.
Hendrik Ellertsz. Schagen
Derde generatie apotheker in de familie Van Schagen
Hendrik Ellertsz. Schagen was een zoon van Ellert Hendriksz. Schagen en kleinzoon van Hendrik Willemsz. Schagen. Het medici- en patriciërsdossier noemt hem als apotheker in 1679. Hij overleed op 6 november 1690 en werd begraven in graf Wn-27. Verdere gegevens over een huwelijk, woonhuis of openbare functies zijn in de geraadpleegde stukken niet met zekerheid overgeleverd.
Hoewel zijn persoonlijke levensverhaal minder uitgebreid gedocumenteerd is, vertegenwoordigt Hendrik een belangrijk punt in de familielijn. Met hem bereikte het apothekersvak de derde opeenvolgende generatie: grootvader Hendrik Willemsz., vader Ellert Hendriksz. en vervolgens Hendrik Ellertsz. Het vak bleef daardoor gedurende een groot deel van de zeventiende eeuw binnen dezelfde familie aanwezig.
Hendriks vader overleed in 1666. Hendrik was toen vermoedelijk nog jong. De bron noemt hem pas in 1679 als apotheker. De tussenliggende jaren kunnen een periode van opleiding en voorbereiding zijn geweest, maar daarover ontbreekt concrete informatie. Het is mogelijk dat hij bij een verwant of een andere meester verder werd gevormd. Zonder leerdocument of gilde-inschrijving moet die route echter openblijven.
Een apotheker die in 1679 zelfstandig werkte, trad een professioneler geworden medische wereld binnen dan zijn grootvader rond 1630 had gekend. Doctoren, chirurgijns en apothekers werden duidelijker als afzonderlijke beroepsgroepen herkenbaar. De doctor schreef voor, de apotheker bereidde, en de chirurgijn behandelde vooral uitwendige aandoeningen. In de dagelijkse praktijk bleven er overlappingen, maar de onderlinge taakverdeling werd steviger.
Hendrik moest recepten kunnen lezen en grondstoffen op kwaliteit beoordelen. Een gedroogd blad, zaad of wortel kon zijn kracht verliezen wanneer het verkeerd was bewaard. Poeders konden vocht aantrekken en klonteren. Oliën konden ranzig worden. De apotheker moest daarom niet alleen weten wat een middel volgens de medische leer deed, maar ook of een voorraad nog bruikbaar was.
Enkhuizen bezat door zijn handelsverbindingen toegang tot een breed scala aan producten. Lokale kruiden en planten stonden naast kaneel, kruidnagel, nootmuskaat, peper, harsen en andere ingevoerde stoffen. Niet alle handelswaren belandden in geneesmiddelen, maar de maritieme stad bood een groter assortiment dan een geïsoleerd dorp. Hendrik werkte daarmee in een apotheek die deel uitmaakte van zowel de lokale zorg als internationale handelsstromen.
De humorenleer bleef in zijn tijd richtinggevend. Ziekte werd vaak verklaard als een onbalans tussen bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. Een middel kon verkoelend, verwarmend, drogend of bevochtigend worden genoemd. Laxeermiddelen en braakmiddelen moesten schadelijke stoffen afvoeren. Versterkende siropen en aromatische wateren moesten een verzwakt lichaam ondersteunen.
De apotheker voerde die theorie uit in tastbare vorm. Waar de doctor woorden en recepten leverde, maakte Hendrik er poeder, drank, pil, zalf of pleister van. Hij moest rekening houden met de leeftijd en kracht van de patiënt en met aanwijzingen over dosering. Het was ambachtelijk precisiewerk binnen een medisch systeem dat tegenwoordig grotendeels achterhaald is, maar destijds als geleerd en samenhangend gold.
Zijn graf Wn-27 komt later ook voor bij personen die mogelijk tot de bredere familie Schagen behoorden, waaronder de goud- en zilversmid Eldert Schagen en diens vrouw Catharina Hoveling. De precieze familierelaties staan in het dossier deels met vraagtekens aangegeven. Het graf vormt dus een tastbaar familiepunt, maar mag niet zonder bewijs worden gebruikt om alle daarin genoemde personen rechtstreeks van Hendrik af te laten stammen.
De schaarste aan gegevens betekent dat Hendrik niet kunstmatig van stedelijke ambten of gezinsrelaties mag worden voorzien. Zijn betekenis is juist helder in wat wél vaststaat: hij was apotheker, stond in een derde generatie en bleef tot zijn overlijden in 1690 onderdeel van de Enkhuizer geneesmiddelenzorg.
Terwijl Hendrik Ellertsz. deze tak voortzette, was zijn oom Willem Hendriksz. Schagen eveneens als apotheker actief. Bij Willem groeide het beroep uit tot een veel breder openbaar leven. Hij werd ziekenhuisvoogd, schepen, raad, ouderling en luitenant van de schutterij. De familie kende daardoor rond 1679 mogelijk meerdere mannen met apothekerskennis, al is niet zeker of zij in één gezamenlijke winkel of afzonderlijke zaken werkten.
Hendrik Ellertsz. overleed op 6 november 1690. Met zijn dood eindigde de duidelijk gedocumenteerde apothekerslijn via Ellert Hendriksz. De bredere familie bleef echter sterk aanwezig in Enkhuizen. Via Willem Hendriksz. kwamen apotheek, ziekenhuis en stadsbestuur samen, terwijl andere verwanten later functies in het Provenhuis, Weeshuis en stadsbestuur vervulden.
Hendriks korte dossierregel vertegenwoordigt daarom meer dan één losse naam. Hij was de erfgenaam van een familieambacht dat al minstens sinds de eerste helft van de zeventiende eeuw in de Westerstraat werd uitgeoefend. Zijn werk hield de dagelijkse geneesmiddelenbereiding in stand en vormde de stille derde schakel tussen grootvader, vader en de latere bestuurlijke bloei van de familie.
Willem Hendriksz. Schagen
Apotheker aan de Oude Westerstraat en vierentwintigmaal voogd van het ziekenhuis
Willem Hendriksz. Schagen werd op 10 december 1645 in Enkhuizen geboren als zoon van apotheker Hendrik Willemsz. Schagen en Lijsbet Ellerts. Hij groeide op in het apothekershuis aan de Westerstraat en werd zelf apotheker. Zijn leven kreeg echter een veel bredere reikwijdte. Willem was lid van de Commissie van Kleine Zaken, schepen, raad, luitenant van de schutterij, ouderling en jarenlang voogd van het ziekenhuis. Hij overleed op 8 december 1711, twee dagen vóór zijn zesenzestigste verjaardag, en werd begraven in graf Wm-112.
Willems jeugd werd overschaduwd door sterfgevallen in het gezin. Verschillende oudere kinderen van Hendrik en Lijsbet waren vóór zijn geboorte overleden. Willem werd geboren in december 1645, nadat in maart van datzelfde jaar opnieuw een kind was begraven. Zijn moeder overleed in 1652 en zijn vader in 1653. Willem was toen nog maar zeven jaar oud. De apothekerspraktijk werd daarna door zijn oudere broer Ellert voortgezet.
Hoe Willem vervolgens werd opgeleid, staat niet beschreven. Het ligt voor de hand dat hij binnen de familie kennis van het vak opdeed, mogelijk onder leiding van Ellert, maar daarvoor is geen rechtstreekse bron. Zeker is wel dat hij later als apotheker aan de Oude Westerstraat woonde. Daarmee keerde hij terug naar dezelfde stedelijke omgeving waarin zijn vader had gewerkt.
Op 28 oktober 1668 trouwde Willem met Sibregje Jans van Loosen, geboren op 6 oktober 1648. Zij was een dochter van Jan Jansz. van Loosen de Jonge en IJtje Pietersdr. Haar vader was onder meer ziekenhuisvoogd, bewindhebber van de WIC en kapitein van de schutterij geweest. Het huwelijk verbond de apothekersfamilie Schagen met een invloedrijke Enkhuizer bestuurdersfamilie.
Sibregje kreeg later een eigen, uitzonderlijk lange zorgfunctie. Van 1694 tot 1721 werd zij achtentwintigmaal moeder van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis, ook wel het Provenhuis genoemd. Willem en Sibregje vormden daardoor een echtpaar waarvan beide partners tientallen jaren verantwoordelijkheid droegen voor stedelijke zorginstellingen: Willem voor het ziekenhuis en Sibregje voor het Oude Mannen- en Vrouwenhuis.
Hun woongegevens plaatsen Willem aan de Oude Westerstraat en Sibregje ook aan de Paktuinstraten. Het is mogelijk dat deze adressen uit verschillende levensfasen of afzonderlijke eigendommen stammen. De bron maakt niet volledig duidelijk wanneer het echtpaar waar woonde. Daarom moeten beide vermeldingen blijven staan zonder ze kunstmatig tot één vast woonadres te versmelten.
Willem en Sibregje kregen verschillende kinderen. Zoon Hendrik Willemsz. Schagen, geboren in 1669, bleef ongehuwd en overleed in 1733. Dochter Elisabeth Willems Schagen, geboren in 1671, bleef eveneens ongehuwd. Zoon Jan Willemsz. Schagen, geboren in 1673, werd stadssecretaris en ziekenhuisvoogd. Zoon Pieter Willemsz. Schagen, geboren in 1675, werd raad, schepen, burgemeester en voogd van verschillende zorginstellingen. Zoon Cornelis Willemsz. Schagen, geboren in 1678, kwam in de Commissie van Kleine Zaken.
Het gezin zette het apothekersvak niet rechtstreeks via deze kinderen voort, maar bracht de familie wel diep in het Enkhuizer bestuur. Jan volgde zijn vader als ziekenhuisvoogd en diende van 1714 tot 1738. Pieter bestuurde onder meer het Provenhuis en het Oude Armenweeshuis en werd in 1726 burgemeester. Zo verschoof de familielijn van apotheek naar secretarie, vroedschap en zorgbestuur.
Willem begon zijn eigen openbare loopbaan in 1679, toen hij voogd van het ziekenhuis werd. Het dossier noemt hem vierentwintigmaal in deze functie gedurende de periode 1679–1711. Dat betekent waarschijnlijk jaarlijkse of periodieke herbenoemingen, al hoeft hij niet ieder kalenderjaar zonder onderbreking actief te zijn geweest. De telling toont in ieder geval een uitzonderlijk lange betrokkenheid.
Het ziekenhuis bood opvang aan zieke, gewonde en verzwakte inwoners die thuis onvoldoende verzorgd konden worden. Als voogd hield Willem toezicht op geld, gebouwen, personeel, voeding, bedden, linnengoed en medische hulp. Hij was geen binnenvader die iedere dag op de ziekenzaal werkte, maar een bestuurder die ervoor moest zorgen dat de instelling als geheel kon functioneren.
Zijn achtergrond als apotheker maakte hem bijzonder geschikt voor deze taak. Hij wist wat geneesmiddelen kostten, hoe zij werden bewaard en welke grondstoffen moeilijk verkrijgbaar waren. Hij kon rekeningen van apothekers en medische leveranciers beter beoordelen dan een bestuurder zonder vakkennis. Ook begreep hij dat slechte bewaring een voorraad waardeloos kon maken en dat nauwkeurig samengestelde middelen niet zomaar door goedkopere vervangers konden worden vervangen.
In het ziekenhuis kwamen verschillende beroepsgroepen samen. Doctoren onderzochten inwendige ziekten, chirurgijns behandelden wonden en breuken, apothekers leverden geneesmiddelen, en binnenvaders, binnenmoeders en dienstpersoneel verzorgden de patiënten. Willem stond als voogd boven deze dagelijkse taakverdeling, maar kende vanuit zijn eigen beroep één cruciale schakel van binnenuit.
In 1680 werd hij lid van de Commissie van Kleine Zaken. Tussen 1681 en 1690 was hij viermaal schepen. Van 1686 tot zijn overlijden in 1711 zat hij in de raad. Zijn ziekenhuisbestuur liep daarmee parallel aan zijn groeiende rol in de stadsregering. Hij ging van vakman en zorgvoogd naar een langdurige plaats binnen het politieke hart van Enkhuizen.
Als schepen nam hij deel aan rechtspraak en bestuur. Als raadslid hielp hij stedelijke besluiten voorbereiden en nemen. De apotheker stond daardoor niet meer alleen tussen potten en vijzels, maar ook tussen resoluties, verzoekschriften en financiële vraagstukken. Zijn langdurige lidmaatschap toont dat hij tot de vaste regentenkring van de stad ging behoren.
Van 1681 tot 1686 was Willem bovendien luitenant van schutterijvendel H. De schutterij hield toezicht op orde en verdediging. Als luitenant behoorde hij tot de officieren en droeg hij verantwoordelijkheid voor oefeningen en discipline. Zijn militaire burgerfunctie liep samen met zijn eerste jaren als schepen en ziekenhuisvoogd.
Tussen 1694 en 1710 werd Willem negenmaal ouderling. Zijn echtgenote begon in 1694 eveneens haar lange reeks benoemingen als moeder van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis. Vanaf dat moment waren beiden tegelijk actief in kerkelijke en stedelijke zorg. Hun huishouden aan de Westerstraat of Paktuinen was daarmee nauw verbonden met apotheek, ziekenhuis, Provenhuis, kerk en stadsbestuur.
Willems openbare functies maakten waarschijnlijk dat de apotheek niet uitsluitend door hem persoonlijk kon worden gedragen. Personeel, gezinsleden of gezellen kunnen een deel van het dagelijkse winkelwerk hebben verricht, maar de bronnen noemen hen niet. Het is evenmin zeker hoe lang Willem zelf als praktiserend apotheker actief bleef naast zijn vele ambten. Zijn beroepsaanduiding bleef echter aan hem verbonden.
De apotheekpraktijk in zijn tijd was omvangrijk. Geneesmiddelen konden bestaan uit eenvoudige kruidenmiddelen, maar ook uit samengestelde bereidingen met vele ingrediënten. Een apotheker moest siropen koken, pillenmassa kneden, zalven mengen en destillaten bewaren. Hij werkte met recepten uit een medische traditie waarin humorenleer, plantengeneeskunde en nieuwe chemische inzichten naast elkaar bestonden.
Via handelsroutes kwamen kaneel, kruidnagel, nootmuskaat, peper, aloë, harsen en andere producten naar de Republiek. Zulke stoffen waren kostbaar en konden zowel culinair als medicinaal worden gebruikt. De apotheker moest echte waar van vervalsing onderscheiden. In een havenstad als Enkhuizen waren exotische producten zichtbaar, maar hun aanwezigheid betekende niet dat iedere apotheek voortdurend over iedere zeldzame stof beschikte.
Willem kende ook de harde werkelijkheid achter de geneesmiddelen. Als ziekenhuisvoogd zag hij patiënten voor wie geen recept voldoende was. Armen kwamen verzwakt binnen, wonden konden ontsteken en koortsen konden ondanks behandeling dodelijk verlopen. Zijn lange bestuursperiode gaf hem een veel breder zicht op gezondheidszorg dan de winkel alleen.
De grafsteen van Willem en Sibregje is eveneens bijzonder. De bron vermeldt dat grafstenen Wm-112 en Wz-126 samen een dubbele steen vormden op de deellijn tussen de midden- en zuidkap. De fysieke ligging verenigde zo twee grafplaatsen en twee levens die ieder aan een afzonderlijke zorginstelling verbonden waren.
Willem overleed op 8 december 1711. Zijn plaats in de raad en zijn lange periode als ziekenhuisvoogd eindigden daarmee. Zijn zoon Jan werd in datzelfde jaar stadssecretaris en nam in 1714 een plaats in het ziekenhuisbestuur in. De publieke verantwoordelijkheid ging dus vrijwel onmiddellijk over naar de volgende generatie.
Sibregje bleef tot 1721 moeder van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis en overleed op 14 april 1722. Haar eigen lange zorgloopbaan mag niet verdwijnen achter die van haar echtgenoot. Willem was de apotheker en ziekenhuisvoogd; Sibregje bestuurde de dagelijkse zorgwereld van het Provenhuis. Samen maakten zij het huis Schagen–Van Loosen tot een centraal knooppunt in de Enkhuizer zorg.
Met Willem bereikte de apothekersfamilie Van Schagen haar grootste bestuurlijke breedte. Zijn vader Hendrik had apotheek, kerk en schepenbank verbonden. Ellert hield de praktijk na 1653 in stand. Hendrik Ellertsz. vertegenwoordigde de derde apothekersgeneratie. Willem bracht het vak vervolgens rechtstreeks in het ziekenhuisbestuur en de vroedschap.
De familiegeschiedenis laat zo een duidelijke ontwikkeling zien. Wat begon als een apotheek aan de Westerstraat groeide uit tot een netwerk van zorgvoogden, secretarissen, schepenen en burgemeesters. De geneesmiddelenbereiding bleef de oorsprong, maar de verantwoordelijkheid breidde zich uit naar de organisatie van ziekte, ouderdom, armenzorg en stadsbestuur. Willem Hendriksz. Schagen werd daarvan de meest volledige vertegenwoordiger.