Van Zaandam naar een andere wereld

Wie vanuit Zaandam naar de noordelijke walvisgronden vertrok, liet een groen landschap van dijken, sloten, weilanden, molens en houten huizen achter zich. Voorbij het IJ, Texel en het Marsdiep begon een reis die uiteindelijk naar Spitsbergen, Jan Mayen, Groenland, de Davisstraat en Baffinbaai kon voeren. Daar maakten vertrouwde kusten plaats voor kale bergen, diepe fjorden, gletsjers, sneeuwvelden, ijsbergen en bewegend pakijs. In de zomer ging de zon nauwelijks of helemaal niet onder. Mist kon bergen en schepen plotseling aan het zicht onttrekken. Wind verplaatste het zee-ijs en kon open water binnen korte tijd afsluiten. Midden in deze veranderlijke wereld zochten de walvisvaarders hun prooi.

Leven en overleven in het hoge noorden

Die poolwereld was niet levenloos. Langs vogelbergen broedden duizenden zeevogels, op het land leefden rendieren en poolvossen en langs kusten verschenen walrussen, zeehonden en ijsberen. In zee zwommen vissen en walvissen; in de korte zomer kwamen tussen stenen en sneeuw mossen, grassen, bloemen en eetbare planten tevoorschijn. Voor mensen die onverwacht moesten overwinteren konden zulke voedselbronnen van levensbelang worden. Het Behouden Huys op Nova Zembla in 1596–1597 en de overwinteringen op Spitsbergen en Jan Mayen in 1633–1634 tonen wat daarvoor nodig was: kleding, vuur, brandstof, voedsel, onderdak, discipline en samenwerking, terwijl buiten kou, duisternis, storm, honger en ziekte voortdurend aanwezig bleven.

Deel 1 — Van Zaandam naar het hoge noorden

Aan de Zaan begon een reis naar een wereld die nauwelijks verder van het vertrouwde Holland kon liggen. Rond het schip rook het naar teer, pek, nat hout en touwwerk. Vaten met voedsel en drank verdwenen in het ruim; beschuit, gezouten vlees, erwten en andere houdbare voorraden moesten maanden meegaan. Harpoenen, lansen en lange messen behoorden tot het gereedschap waarmee straks tussen het ijs gewerkt zou worden. De vangstsloepen kwamen mee aan boord. Op de oevers stonden houten huizen, werven en molens. Achter de dijken lagen groene weiden en sloten. Alles wat de mannen om zich heen zagen, zouden zij in het hoge noorden missen.

Langs het IJ naar Texel

Via Voorzaan en IJ ging het schip naar de Zuiderzee. Langzaam verdwenen de bekende oevers. Op het water ontmoetten de walvisvaarders vrachtschepen, vissers en andere zeeschepen die eveneens op gunstige wind wachtten. Texel was voor de Nederlandse zeevaart een belangrijk verzamelpunt. Daar konden schepen wachten voordat zij door het Marsdiep de Noordzee bereikten. Zodra de kust achter de horizon verdween, veranderde hun wereld. Er was alleen nog water, lucht en het bewegende dek. De masten kraakten, blokken sloegen tegen het hout en water siste langs de scheepshuid. Wachten op een walvis lag nog weken voor hen; eerst moest de noordelijke zee worden bedwongen.

De Noordzee wordt kouder

Naarmate het schip noordelijker kwam, veranderde de lucht. Regen sloeg over het dek en een natte westenwind drong door wollen kleding heen. Mannen trokken extra lagen aan en probeerden kousen, schoenen en bovenkleding droog te houden. Zout droogde op gezicht en handen. Bij zwaar weer verdwenen horizon en hemel in hetzelfde grijs. De stuurman hield koers met kompas en kaart en gebruikte, wanneer de hemel het toeliet, zon en sterren voor zijn plaatsbepaling. Met het lood kon waterdiepte worden onderzocht. Niemand kon echter voorspellen waar het pakijs dat jaar precies zou liggen. Iedere noordreis bleef daarom gedeeltelijk een reis naar onbekende omstandigheden.

Vogels boven een lege horizon

Lang voordat de eerste berg zichtbaar werd, veranderde het leven rond het schip. Zeevogels verschenen boven het water, soms alleen, soms in groepen. Zij waren voor ervaren zeelieden meer dan gezelschap: vogels konden iets zeggen over nabijgelegen land, open water en voedselrijke zee. De kou werd scherper. In het water konden de eerste losse stukken ijs verschijnen, aanvankelijk klein genoeg om zonder gevaar voorbij te drijven. Mist maakte zelfs die onschuldig ogende schotsen verraderlijk. Een ijsmassa kon pas zichtbaar worden wanneer het schip er bijna bovenop zat. De wacht moest daarom kijken en luisteren, terwijl achter de boeg een wereld naderde waarin water voortdurend van vloeibaar in vast veranderde.

De bergen verschijnen

Toen de mist uiteindelijk openscheurde, kon het lijken alsof het landschap in één ogenblik was ontstaan. Boven de grijze zee stonden donkere bergen, met sneeuw in spleten en witte velden tegen de hellingen. Voor mannen uit Zaandam, waar een molen of kerktoren de lage horizon beheerste, waren zulke hoogten ongewoon. Gletsjers lagen tussen de bergen als brede, bleke rivieren die nauwelijks leken te bewegen. Koude lucht kwam vanaf sneeuw en ijs over het water. Vogels krijsten langs rotswanden. Een stuk drijfijs schuurde langs de scheepshuid en draaide achter het roer weg. De mannen waren aangekomen in de wereld waarvoor hun schip maandenlang was uitgerust.

Een nacht waarin de zon bleef staan

Ook de hemel gedroeg zich anders dan thuis. Naarmate het voorjaar vorderde en het schip verder noordelijk kwam, werden de nachten steeds lichter. Uiteindelijk verdween de zon niet meer achter de horizon. Zij zakte laag, schoof langs de hemel en begon opnieuw te stijgen. Midden in wat volgens de klok nacht was, kon het dek nog in zonlicht liggen. De wachtindeling, maaltijden en klok moesten bepalen wanneer een man werkte of sliep. Een walvis hield zich immers niet aan Nederlandse uren. Wanneer een blaas boven het water werd gezien, konden sloepen ook tijdens de nachtelijke wacht worden gestreken. De poolzomer maakte de jacht bijna onafgebroken mogelijk.

Deel 2 — Spitsbergen, een muur van steen en ijs

Spitsbergen verhief zich rechtstreeks uit zee. Kale bergwanden, scherpe toppen, sneeuwvelden en gletsjers bepaalden het uitzicht. Tussen de bergen drongen lange fjorden het land binnen. Sommige kusten bestonden uit rots, andere uit grind, zand of lage toendra. Bossen waren nergens te zien. Geen eiken, wilgenrijen of houtwallen zoals thuis; slechts lage planten die dicht bij de bodem bleven. Vanaf het dek leek het land aanvankelijk kaal, maar wie aan wal stapte zag tussen stenen mossen, korstmossen, grassen en kleine bloemen. Boven alles stond de enorme schaal van het landschap. Een houten schip dat in Zaandam indrukwekkend groot leek, werd onder de bergen plotseling nietig.

De fjord als haven

Een fjord kon bescherming bieden wanneer buiten de kust de zee onrustig was. De bemanning zocht een plaats waar het schip voldoende water onder de kiel hield en waar wind en golfslag minder vat kregen. Dan ratelde de ankerketting of kabel uit en lag het schip eindelijk rustiger. Vanaf de bergen kwam echter koude lucht naar beneden. Gletsjers en sneeuwvelden hielden zelfs in de zomer de omgeving koel. Zoet water kon uit smeltwater, sneeuw of beekjes worden aangevuld. Dat was kostbaar na weken op zee. Mannen gingen met vaten of ander vaatwerk aan land. Onder hun schoenen lag geen Zaanse klei of veengrond, maar steen, grind en koude, drassige toendra.

Het geluid van een gletsjer

Een gletsjer leek op afstand onbeweeglijk, maar was dat niet. Het ijs schoof langzaam vanuit de bergen naar beneden. Waar het front de zee bereikte, konden stukken afbreken. Eerst klonk soms een doffe knal of een scheurend geluid tussen de bergen. Daarna stortte ijs in het water en rolde een golf door de baai. Kleinere stukken dreven verder als blauw-witte brokken tussen schip en kust. De mannen hoefden de natuurkundige oorzaak niet te kennen om het gevaar te begrijpen. Wind en stroming bepaalden waar het ijs terechtkwam. Een rustige ankerplaats kon veranderen wanneer grote hoeveelheden ijs binnenliepen. Hier stond het landschap nooit werkelijk stil.

Mist

Mist kon de hele wereld uitwissen. Bergen die 's morgens boven het schip hadden uitgetorend, verdwenen achter een grijze wand. De kust werd onzichtbaar en geluid droeg vreemd over het water. Druppels bleven aan touwwerk, baarden en wollen kleding hangen. Voor een sloep die van het schip verwijderd was, werd terugvinden moeilijker. Voor een schip betekende slecht zicht gevaar door rotsen en ijs. De mannen moesten luisteren naar branding, vogels en bewegend ijs en voortdurend opletten op veranderingen in wind en water. Wanneer de mist uiteindelijk openschoof, konden bergwanden plotseling veel dichterbij blijken dan gedacht. Het poollandschap speelde voortdurend met afstand, licht en zicht.

Geen levenloze woestenij

In de zomer barstte Spitsbergen van leven. Tegen rotswanden zaten duizenden zeevogels. Hun geschreeuw kon een fjord vullen. Vogels vlogen af en aan tussen nestplaatsen en zee, terwijl poolvossen onder de kolonies naar voedsel zochten. Rendieren liepen over lage toendra. Op stranden en langs ondiep water verschenen walrussen en zeehonden. Een ijsbeer kon langs de kust zwerven en maakte een wandeling buiten het kamp tot iets waarvoor wapens nodig konden zijn. In zee lag de grootste rijkdom. Daar zochten de Nederlanders de walvis. De kale bergen vormden slechts de achtergrond van een voedselrijke Arctische zee die iedere zomer mensen en dieren aantrok.

De eerste sloep gaat uit

Wanneer vanaf schip of kust een walvis werd gezien, veranderde wachten onmiddellijk in bedrijvigheid. Mannen gingen naar de sloepen. Riemen werden uitgelegd, harpoenen en lijnen gecontroleerd. Vanaf het grote schip leek de zee beheersbaar; vanuit een kleine open boot lag het water plotseling vlak naast de handen. IJs, wind en golfslag werden direct voelbaar. De roeiers moesten de sloep stil genoeg naar het dier brengen om de harpoenier zijn kans te geven. Rond hen stonden bergen en gletsjers, maar alle aandacht ging naar het water. Een donkere rug kon verschijnen en weer verdwijnen. Daarna klonk de ademstoot van het dier. Mens en walvis bevonden zich nu op dezelfde schaal.

Deel 3 — Smeerenburg, rook tussen de bergen

Aan de noordwestzijde van Spitsbergen ontstond op Amsterdamøya een plaats die in Nederland een bijna huiselijke naam kreeg: Smeerenburg. Wie naderde zag echter geen Hollands stadje. Tegen een achtergrond van kale bergen, sneeuw en zee lagen gebouwen en werkplaatsen van de walvisvaart. Sloepen kwamen aan land, vaten lagen gereed en boven de traanovens hing rook. In het vangstseizoen brachten Nederlandse schepen hier mensen, voedsel, brandstof en gereedschappen bijeen. Een stuk Arctische kust werd tijdelijk werkterrein. Hamers, stemmen en het rollen van tonnen mengden zich met vogelgeschreeuw en branding. Zodra de vloot vertrok, zou vrijwel alles weer stil worden.

De walvis aan land

Een gevangen walvis betekende niet dat het werk voorbij was. Nu begon de verwerking. Mannen sneden het spek van het enorme lichaam. Lange messen gingen door huid en vet; stukken spek werden verder verdeeld en naar de plaats gebracht waar zij verwerkt konden worden. Alles werd glad. Vet kleefde aan handen, kleding, hout en gereedschappen. Bloed en resten kwamen tussen stenen en langs het water terecht. Vogels verzamelden zich rond het afval. Wat op afstand een schoon wit poollandschap leek, kreeg rond de werkplaats kleuren en geuren van een slachterij. Voor de mannen was die walvis echter geen landschapsschending, maar kostbare lading: iedere hoeveelheid bruikbaar spek vertegenwoordigde geld.

De traanovens

In grote ketels werd spek verhit zodat de olie eruit kwam. Het vuur moest blijven branden en de mannen werkten tussen hitte, rook en de penetrante geur van walvisvet. Buiten kon een koude wind vanaf zee waaien, terwijl naast de oven het gezicht warm werd van het vuur. De gewonnen traan werd in vaten gedaan voor vervoer naar Nederland. Daar kon zij voor verschillende doeleinden worden gebruikt. Rond de ovens lagen brandstof, gereedschap en resten van verwerking. Het contrast was scherp: achter de werkplaats lagen sneeuwvelden en gletsjers; ervoor brandde een door Nederlanders aangelegde industriële installatie waarin een dier uit de poolzee tot handelsproduct werd verwerkt.

Eten en slapen

Na het werk moesten de mannen ergens heen. Verblijven boden bescherming tegen wind en neerslag, maar luxe was er nauwelijks. Wollen kleding die tijdens het werk nat was geworden moest worden gedroogd. Schoenen en kousen stonden of hingen waar warmte beschikbaar was. In de leefruimte rook het naar mensen, rook, voedsel, vochtige wol en vet. Mannen aten uit voorraden die maanden eerder in Nederland waren ingescheept: onder meer beschuit en andere houdbare levensmiddelen. Vers voedsel uit de omgeving kon een welkome aanvulling zijn. Daarna zochten zij hun slaapplaats terwijl buiten de zon nog boven de horizon stond. De poolzomer maakte van nacht slechts een uur op de klok.

Wat achterbleef in de grond

Eeuwen later bleek dat de bodem een deel van dit bestaan had vastgehouden. Archeologisch onderzoek bij Smeerenburg bracht resten van gebouwen, ovens, gebruiksvoorwerpen en afval aan het licht. Juist dat afval is waardevol. Wat een man verloor, brak of weggooide kon eeuwen later vertellen hoe hij leefde. De vondsten hebben ook geholpen overdreven voorstellingen van Smeerenburg als een grote, permanent bewoonde stad te corrigeren. Het was bovenal een seizoensstation. Tijdens de zomer was het druk; gedurende de winter vrijwel verlaten. Daarmee wordt de plaats interessanter, niet minder: ieder voorjaar moest een menselijke werkwereld opnieuw in een verder vrijwel onbewoonde Arctische omgeving worden opgebouwd.

Wanneer het laatste zeil verdween

Aan het einde van de zomer kwam het moment waarop blijven gevaarlijk werd. De dagen begonnen weer snel korter te worden. Het weer verslechterde en het risico van ijs nam toe. Vaten, materiaal en bemanning gingen aan boord. De ankers kwamen omhoog. Een voor een verdwenen de schepen naar het zuiden. Vanaf het verlaten station werd het laatste zeil kleiner totdat alleen zee en bergen overbleven. Daarna kwam de herfst, gevolgd door een winter waarin de zon wekenlang niet meer boven de horizon zou verschijnen. Gebouwen en ovens bleven achter onder sneeuw en wind. De vraag lag voor de hand: konden mensen hier blijven wanneer de vloot naar Nederland vertrok?

Deel 4 — Jan Mayen, onder een witte vulkaan

Verder in de noordelijke oceaan lag Jan Mayen. Het eiland had een ander gezicht dan Spitsbergen. Boven de kust verhief zich de Beerenberg, een enorme vulkaan met sneeuwvelden en gletsjers op zijn hellingen. Lager lagen donkere vulkanische stenen en zwarte stranden. Bij helder weer moet de berg van grote afstand indrukwekkend zichtbaar zijn geweest; bij mist kon hij volledig verdwijnen. De branding sloeg tegen een kust zonder havenstad of boerenland. Toch trokken Nederlandse walvisvaarders hierheen toen de vangst de reis lonend maakte. Ook hier ontstonden werkplaatsen waar walvissen werden verwerkt. Een afgelegen vulkanisch eiland werd voor enkele zomermaanden onderdeel van de Nederlandse maritieme economie.

Mist, wind en zwarte stenen

Aan land bood Jan Mayen weinig dat een Zaankanter als vertrouwd zou hebben herkend. Geen boom leverde gemakkelijk timmer- of brandhout. Geen boerderij kon melk, brood of vlees verkopen. De wind kwam vrij over zee en kon rook en sneeuw horizontaal langs de gebouwen jagen. Mist maakte het landschap klein; soms bestond de zichtbare wereld slechts uit strand, water en enkele tientallen meters grijze lucht. Wanneer de wolken openbraken stond daar plotseling opnieuw de Beerenberg. Vogels broedden langs de kust en de omringende zee bood voedsel, maar de natuur werkte volgens haar eigen seizoen. Wie hier na het vertrek van de zomervloot achterbleef, kon niets meer uit Nederland laten komen.

Zeven mannen blijven achter

In 1633 werd besloten zeven Nederlandse mannen op Jan Mayen te laten overwinteren. Zij moesten Nederlandse bezittingen en belangen bewaken. Toen het laatste schip vertrok, veranderde hun situatie volledig. Er was geen terugweg meer tot de vloot het volgende seizoen terugkeerde. De mannen beschikten over onderdak, voorraden, kleding en brandstof, maar iedere voorraad was eindig. De dagen werden korter. Kou trok in hout, kleding en beddengoed. Stormen konden dagenlang werkzaamheden buiten bemoeilijken. Het licht verdween steeds verder uit de dag totdat de zon niet meer opkwam. Waar in de zomer voortdurend bedrijvigheid had geheerst, zaten nu zeven mannen alleen op een vulkanisch eiland in de noordelijke oceaan.

De voorraad werd een kalender

Een overwinteraar keek anders naar een vat voedsel dan een zeeman die enkele weken later thuis zou zijn. Iedere hoeveelheid moest nog maanden meegaan. Brandstof betekende warmte voor een toekomstige nacht; opgegeten proviand kon niet worden vervangen. Vers voedsel werd steeds moeilijker bereikbaar naarmate winter en duisternis het landschap beheersten. Het lichaam begon de gevolgen van kou, eenzijdige voeding en afzondering te dragen. Kleine klachten konden groot worden wanneer er geen arts, bevoorradingsschip of veilige haven in de buurt was. De mannen hielden hun ervaringen bij. Hun verslag laat zien hoe een overwintering niet noodzakelijk door één dramatische gebeurtenis mislukte, maar door een opeenstapeling van problemen die steeds moeilijker te herstellen waren.

De poolnacht

Toen de zon niet meer boven de horizon kwam, werd tijd iets wat met menselijke middelen moest worden bewaakt. Een klok, maaltijden, werkzaamheden en slaap verdeelden een etmaal dat buiten nauwelijks nog door dag en nacht werd gemarkeerd. Rond het middaguur kon schemering enige verlichting brengen; maan en sterren konden sneeuw en ijs zichtbaar maken. Bij bewolking en storm werd de wereld opnieuw donker. Buiten kraakte sneeuw onder schoenen en beet wind in gezicht en handen. Binnen moest vuur de leefruimte bruikbaar houden. Iedere keer dat iemand de deur opende, kwam koude lucht naar binnen. Zo verstreken weken waarin Nederland onbereikbaar ver weg lag en geen enkel zeil aan de horizon kon verschijnen.

De terugkeer van 1634

Toen Nederlandse schepen in 1634 terugkeerden, troffen zij geen levende overwinteraars meer aan. Alle zeven mannen waren gestorven. Hun geschiedenis werd een van de harde lessen van de vroege walvisvaart. Een bemanning kon uitstekend zijn voorbereid op een zomer in het hoge noorden en toch onvoldoende bestand blijken tegen een volledige winter. Kou alleen verklaarde niet alles. Voeding, ziekte, brandstof, lichamelijke conditie, onderkomen en omstandigheden werkten samen. Juist dat wordt duidelijk wanneer Jan Mayen wordt vergeleken met Spitsbergen, waar in dezelfde winter eveneens zeven Nederlanders achterbleven en wél overleefden. De poolwereld kende geen eenvoudige grens tussen mogelijk en onmogelijk; soms lag die grens in een reeks kleine verschillen.

Deel 5 — Naar Groenland en de Davisstraat

Met het veranderen van de walvisvangst verplaatste ook de horizon van de Nederlandse walvisvaarder zich. Schepen zochten hun prooi niet uitsluitend meer bij Spitsbergen. Zij voeren verder over de noordelijke Atlantische Oceaan en later steeds vaker naar de wateren bij Groenland en de Davisstraat. De reis bracht hen naar een andere ijswereld. Aan de horizon konden bergkusten verschijnen waar diepe fjorden het land insneden. Daarachter lag een onvoorstelbare hoeveelheid ijs. Gletsjers stroomden vanuit het binnenland naar zee. Wat bij Spitsbergen al indrukwekkend was geweest, kreeg hier een enorme schaal. Groenland was geen enkele witte vlakte, maar een wereld van rots, water, bergen, sneeuw en bewegend ijs.

De eerste ijsberg

Een ijsberg was iets anders dan de lage schotsen die langs een schip dreven. Boven het water kon een witte of blauwachtige massa oprijzen, soms grillig van vorm, met richels, wanden en afgebroken toppen. Wat de mannen zagen was slechts een gedeelte van het ijs; veel bleef onder water verborgen. Rond zo'n berg kon de zee bezaaid zijn met kleinere stukken. Bij helder weer was hij van ver zichtbaar. In mist werd hij een gevaar dat plotseling uit het grijs kon verschijnen. Soms klonk het ijs voordat het goed zichtbaar was: gekraak, brekend ijs of het geluid van stukken die in het water vielen. De wacht moest voortdurend vooruit kijken.

Langs West-Groenland

Aan de westzijde van Groenland liepen fjorden diep het land in. Kale rotsen verhieven zich boven het water en gletsjers voerden ijs vanuit het binnenland naar zee. Hier bevonden Europese walvisvaarders zich niet eenvoudig in een onbewoonde wildernis. Inuitgemeenschappen leefden in Groenland en beschikten over generaties opgebouwde kennis van zee, ijs, dieren en seizoenen. Hun kleding, jachtmiddelen en vaartuigen waren aangepast aan omstandigheden waarin Europeanen volledig afhankelijk bleven van hun houten zeeschip en meegenomen voorraden. Contacten tussen beide werelden konden handel en uitwisseling brengen, maar vonden plaats tussen groepen met zeer verschillende belangen en maatschappelijke achtergronden. Voor Nederlandse zeelieden was het tevens bewijs dat permanente menselijke bewoning in het Arctische gebied mogelijk was.

De Davisstraat

Tussen West-Groenland en Baffineiland ligt de Davisstraat. Nederlandse walvisvaarders bereikten daarmee een vangstwereld ver ten westen van Spitsbergen. Stromingen voerden ijs vanuit het noorden aan. Open water kon naast grote ijsvelden liggen en een vaarweg die bruikbaar leek kon later dichtlopen. De commandeur moest voortdurend beslissen: verder varen, wachten of teruggaan. Daarbij ging het niet alleen om veiligheid. Waar ijs en open water elkaar ontmoetten, konden juist walvissen worden gevonden. De gevaarlijkste grens van het landschap was tegelijkertijd een aantrekkelijke jachtplaats. Sloepen voeren daar waar het grote schip voorzichtig moest blijven. Iedere vangst betekende dat mensen zich bewust dichter naar ijs en dier toe bewogen.

Baffinbaai

Nog verder noordelijk lag Baffinbaai, ingesloten tussen Groenland en de Arctische gebieden van Noord-Amerika. Hier bepaalde het ijs van jaar tot jaar hoeveel ruimte een schip kreeg. Geen kaart kon vooraf exact tonen waar het pakijs in een bepaalde zomer zou liggen. Wind kon ijs samenpersen of juist uit elkaar trekken. Stroming kon doorgangen openen die later verdwenen. Ervaring van eerdere reizen was daarom kostbaar, maar nooit voldoende om alle onzekerheid weg te nemen. De bemanning keek naar water, lucht en ijs alsof het tekens waren. Een verandering van windrichting kon belangrijker worden dan een lijn op de kaart. De noordelijke zee moest voortdurend opnieuw worden gelezen.

Een bewegend landschap

Daarmee bereikten de walvisvaarders een wereld waarin zelfs de ondergrond van hun arbeid bewoog. Bergen en kusten bleven staan, maar het eigenlijke jachtlandschap bestond uit water en ijs. Een brede open zee kon veranderen in een veld van schotsen. Schotsen konden tegen elkaar drukken totdat nauwelijks water zichtbaar bleef. Elders ontstond juist een donkere strook open water. Daartussen zwommen en ademden de dieren waarop de vloot jaagde. Het houten schip kraakte wanneer ijs tegen de huid kwam. Vanuit de mast keek een man naar openingen tussen de witte velden. De volgende koers werd niet alleen door bestemming bepaald, maar door wat het ijs op dat ogenblik toeliet.

Deel 6 — De wereld van het zee-ijs

Voor een walvisvaarder was ijs niet één ding. Er was dun, pas gevormd ijs, er waren losse schotsen en uitgestrekte velden van ouder en dikker ijs. Wind kon schotsen uiteendrijven zodat donkere stroken water verschenen, maar dezelfde wind kon ze later weer opeenpakken. Langs de rand van het pakijs lag een grillige grens van wit en zwart: samengedrukt ijs aan de ene kant, golvend zeewater aan de andere. Daar zochten de mannen naar doorgangen. Vanuit de mast leek een opening misschien breed genoeg. Beneden zag men slechts een witte horizon. Tegen de scheepshuid tikten kleine stukken ijs; verderop kraakten grotere schotsen tegen elkaar.

Wanneer het ijs begon te drukken

Losse schotsen konden betrekkelijk onschuldig langs het schip drijven. Gevaarlijker werd het wanneer wind en stroming grote ijsmassa's tegen elkaar drukten. Dan verdwenen de zwarte stroken water tussen de witte platen. Hout kreunde wanneer ijs tegen de romp kwam. De bemanning moest onmiddellijk reageren, zeil verminderen, koers veranderen of kleinere stukken met staken proberen af te houden. Een houten walvisvaarder kon zwaar en sterk gebouwd zijn, maar geen scheepswand was opgewassen tegen de gezamenlijke druk van een bewegend ijsveld. Wanneer ontsnappen onmogelijk werd, restte wachten. Alleen verandering van wind, stroming of temperatuur kon het ijs weer openen en het schip zijn bewegingsvrijheid teruggeven.

Een weg die 's morgens niet bestond

Een vaarweg kon ontstaan zonder dat een mens iets deed. Een andere windrichting trok de schotsen uiteen. Eerst verscheen een smalle donkere lijn, later misschien een brede strook open water. Vanuit de mast zocht de uitkijk naar zulke openingen. Ervaren noordvaarders leerden ook naar de hemel kijken. De weerkaatsing boven ijs kon anders zijn dan boven open water; donkere partijen aan de horizon konden een aanwijzing vormen dat verderop een opening lag. Maar iedere doorgang was een gok. Het schip kon erdoor varen en uren later ontdekken dat het ijs achter de achtersteven alweer sloot. Kaarten wezen de richting, maar het ijs bepaalde de werkelijk beschikbare weg.

Stroming onder een schijnbaar stille zee

Niet alleen wind verplaatste het ijs. Onder de schotsen liepen zeestromingen die een ijsveld konden draaien, uitrekken of tegen land drukken. Rond fjorden, kapen en nauwere doorgangen speelden ook getijden mee. Voor een sloep was dat belangrijk. Roeiers die tijdens de jacht ver van het moederschip raakten, moesten niet alleen de walvis volgen, maar ook beseffen dat water hen ongemerkt kon wegzetten. Een schip dat voor anker lag kon ondertussen anders komen te liggen. Water dat aan de oppervlakte rustig leek, was dus voortdurend in beweging. De noordvaarder moest leren kijken naar drijvende stukken ijs, stroomnaden en de beweging van zijn eigen schip om te begrijpen wat onder hem gebeurde.

De sloep tussen de schotsen

Vanuit een vangstsloep kreeg het ijs menselijke afmetingen. Een schots waar het grote schip zonder moeite langs voer, kon voor een open roeiboot een muur worden. De riemen moesten vrij blijven en de boot mocht niet tussen twee bewegende stukken terechtkomen. Tegelijk kon juist daar een walvis verschijnen. Een donkere rug brak door het water, gevolgd door een krachtige ademstoot. De roeiers trokken aan. IJs schuurde langs het boord. Water spatte over handen en kousen. Met iedere slag verwijderden zij zich verder van het grote schip. De walvis bracht hen precies naar de grens waar zijn eigen lichaam volledig thuis was en dat van de mens slechts dankzij boot en kleding kon bestaan.

De walvis vlucht naar het ijs

Een geharpoeneerde Groenlandse walvis kon richting het ijs gaan. De lijn schoot uit de sloep terwijl de mannen moesten zorgen dat zij nergens achter bleef haken. Een lijn om een been of arm kon een man in een ogenblik overboord trekken. Tussen schotsen werd de achtervolging nog gevaarlijker. Het dier kon onder ijs verdwijnen waar de boot niet kon volgen. De harpoenier en stuurman moesten dan beslissen hoeveel risico verantwoord was. De walvis was niet slechts een prooi die in een leeg decor zwom. Hij gebruikte een landschap dat bij zijn lichaam hoorde. De Nederlanders moesten dat landschap leren lezen om hem überhaupt te kunnen benaderen.

Een zee die geluid maakte

Het ijs was zelden volledig stil. Kleine schotsen tikten tegen de romp. Grotere platen schuurden met een lang, laag geluid tegen elkaar. Onder druk kon gekraak over een ijsveld lopen alsof ergens hout of steen brak. Een ijsberg kon plotseling een stuk verliezen; eerst kwam een dreun, daarna een golf. Daartussen klonken meeuwen, zeekoeten en soms de ademstoot van een walvis. Voor de wacht waren geluiden informatie. Mist kon het oog uitschakelen, maar niet het oor. Wie lang genoeg tussen het ijs voer, leerde verschil horen tussen water tegen hout, los drijfijs en zwaardere massa's die tegen elkaar bewogen. De poolzee moest niet alleen worden bekeken, maar ook beluisterd.

Sneeuw over schip en land

Sneeuw veranderde alles opnieuw. Natte sneeuw bleef aan kleding, touw en dek kleven; droge sneeuw kon door harde wind als stof over het ijs jagen. Zij hoopte zich achter gebouwen en andere obstakels op en kon deuren en paden versperren. Aan land verdwenen stenen, kuilen en herkenningspunten onder een gelijkmatige witte laag. Na een sneeuwstorm kon een vertrouwde omgeving er anders uitzien. Voor overwinteraars betekende dat graven, ruimen en voortdurend de toegang tot voorraad en verblijf vrijhouden. Sneeuw was tegelijkertijd last en grondstof. Zij kon rond een gebouw enige beschutting bieden en, wanneer nodig, worden gesmolten om water te verkrijgen. Maar voor iedere emmer water was opnieuw brandstof nodig.

Licht dat pijn deed

Niet alleen duisternis was gevaarlijk. Bij helder weer kon zonlicht op sneeuw en ijs fel terugkaatsen. Urenlang kijken naar een witte omgeving vermoeide de ogen en kon ernstige oogklachten veroorzaken. Een zeventiende-eeuwse Europeaan beschikte niet vanzelfsprekend over de gespecialiseerde sneeuwbrillen die Arctische volken ontwikkelden. Een man kon daarom in een landschap vol licht tijdelijk nauwelijks meer kunnen zien. Op zee was dat extra gevaarlijk: juist de uitkijk moest verschillen tussen ijs, water en lucht herkennen. Het poolgebied kende zo twee tegengestelde bedreigingen voor het oog. In de winter was er te weinig licht; tijdens heldere zomerdagen kon er juist zoveel weerkaatst licht zijn dat kijken zelf pijnlijk werd.

Deel 7 — Zon, mist, sneeuw en poolnacht

Tijdens het belangrijkste walvisseizoen was licht overvloedig. Ver boven de poolcirkel zakte de zomerzon naar de horizon zonder erachter te verdwijnen. Haar lage licht streek langs bergwanden en liet gletsjers soms blauw en wit oplichten. Op rustig water kon een lange baan zonlicht tot aan het schip lopen. Volgens de klok was het nacht, maar op het dek viel nog een schaduw. Het lichaam verlangde naar slaap terwijl buiten alles dag bleef. Daarom waren wachtindeling, maaltijden en scheepsklok onmisbaar. Een walvis hield zich niet aan die indeling. Wanneer de uitkijk tijdens de nachtelijke wacht een blaas zag, kon binnen enkele ogenblikken opnieuw een sloep naast het schip liggen.

Mist maakt de wereld klein

Mist kon binnen korte tijd de bergen wegnemen. Eerst verdwenen de hoogste toppen, daarna de kust en tenslotte soms zelfs het volgende stuk ijs. Druppels verzamelden zich op want, zeilen, baarden en wollen kleding. Het dek werd glad. Een sloep die enkele honderden meters van het schip verwijderd was, kon volledig uit zicht raken. Dan werden roepen, schoten of andere afgesproken signalen belangrijk. Branding kon verraden waar land lag. Vogelgeluid kon eveneens richting geven. Vooral tussen ijsbergen was mist gevreesd. Een witte massa ging bijna op in grijze lucht en kon pas zichtbaar worden wanneer er nauwelijks ruimte overbleef om uit te wijken. De wereld bestond dan uit enkele tientallen meters water.

Regen, hagel en natte sneeuw

Het hoge noorden betekende niet dat iedere dag uit droge vrieskou bestond. Tijdens het zomerseizoen konden regen, natte sneeuw en hagel een bemanning langdurig doorweken. Dat was soms verraderlijker dan heldere kou. Wol kon veel warmte vasthouden, maar zware natte kleding maakte werken onaangenaam en vergrootte warmteverlies. Schoenen en kousen werden doorweekt door dekwater en regen. Handen die voortdurend touw, riemen en nat hout vasthielden kregen gebarsten huid. In de slaapruimte moest kleding worden gedroogd, terwijl andere mannen dezelfde kleine ruimte gebruikten om te koken, eten en rusten. De geur van vochtige wol, rook, menselijk zweet, vet en scheepslucht hoorde daardoor bij het noordelijke bestaan.

Wind door de kleding

Een thermometer vertelt maar een deel van de ervaring van kou. Wind trok warmte van het lichaam en vond iedere opening bij hals, mouw en broek. Op het open dek was nauwelijks beschutting. Handen werden stijf en vingers verloren hun fijne gevoel, juist terwijl knopen, touwen en gereedschap nauwkeurig moesten worden bediend. In een sloep was het erger. Een roeier zat dicht bij ijskoud water en kreeg buiswater over zich heen. Stoppen met roeien betekende bovendien minder eigen warmteproductie. Mannen droegen daarom verschillende lagen kleding en beschermden hoofd, handen en voeten zo goed mogelijk. De strijd tegen kou begon niet pas tijdens een overwintering; zij hoorde al bij iedere gewone werkdag van de walvisvaart.

Dorst in een wereld van water

Rond het schip lag meer water dan een mens kon bevatten, maar zeewater was ondrinkbaar. Daarom bleef zoet water een belangrijke voorraad. Vaten uit Nederland konden onderweg worden aangevuld waar betrouwbaar smeltwater, sneeuw of beekwater beschikbaar was. Aan land droegen mannen water terug naar schip of verblijf. Tijdens de winter kon sneeuw of ijs worden gesmolten. Dat klinkt eenvoudig, maar kostte brandstof, en brandstof was schaars. Bovendien moest water binnen tegen bevriezing worden beschermd. Een overwinteraar kon daardoor tegelijk omringd zijn door sneeuw en toch zorgvuldig met drinkwater omgaan. Warme dranken en warme maaltijden boden naast vocht ook iets anders: enkele ogenblikken waarin handen en lichaam van binnenuit warmte voelden.

De zon verdwijnt

Na de zomer veranderde het licht met grote snelheid. Iedere dag stond de zon korter boven de horizon. Schaduwen werden langer en de nachten keerden terug. Voor de gewone walvisvaarder was dit het sein dat de veilige tijd om naar huis te varen afliep. Overwinteraars bleven achter en zagen de zon uiteindelijk helemaal verdwijnen. Daarna volgden weken waarin zij niet meer boven de horizon kwam. Poolnacht betekende niet voortdurend volledige duisternis. Rond het middaguur kon schemering de sneeuw blauwgrijs maken en maanlicht kon verrassend helder zijn. Maar tijdens bewolking en sneeuwstorm werd de wereld bijna zwart. Dan was een brandende lamp of vuur binnenshuis de kleine menselijke tegenpool van de duisternis buiten.

Sterren, maan en noorderlicht

Bij helder weer veranderde de poolnacht opnieuw. Sterren verschenen boven de sneeuw en de maan wierp schaduwen over ijs en gebouwen. Soms bewoog het noorderlicht langs de hemel. Zeventiende-eeuwse zeelieden bekeken zulke verschijnselen vanuit een wereld waarin natuurwaarneming, geloof, ervaring en oudere verklaringen naast elkaar konden bestaan. Zij hoefden een lichtverschijnsel niet te begrijpen zoals een moderne natuurkundige om het nauwkeurig te kunnen beschrijven. Reisjournalen werden juist belangrijk doordat noordvaarders opschreven wat zij zagen. Hetzelfde gold voor ijs, vreemde dieren en uitzonderlijke kou. Iedere expeditie bracht niet alleen handelswaar terug, maar ook verhalen en waarnemingen waarmee het Nederlandse beeld van het hoge noorden langzaam veranderde.

Het gevaar van verdwalen

Tijdens een winterse tocht hoefde een man niet ver te gaan om in moeilijkheden te komen. Sneeuw kon voetsporen snel vullen. Mist en stuifsneeuw namen gebouwen uit zicht. Een lage heuvel of rots die op de heenweg herkenbaar was, kon op de terugweg vanuit een andere hoek verdwijnen. Zonder bomen, wegen en huizen waren er weinig vertrouwde bakens. Daarom was het gebied rond een winterverblijf tegelijk klein en gevaarlijk groot. Buitenwerk moest worden gepland: water halen, brandstof zoeken, jagen of materiaal controleren. Wie vermoeid en koud terugkeerde, wist hoe belangrijk het eerste zicht op rook of gebouw was. Een paar honderd meter konden onder slechte omstandigheden de afstand tussen warmte en dood worden.

De zon keert terug

Eerst kwam er meer schemering. Daarna verscheen uiteindelijk opnieuw een stukje zon boven de horizon. Voor overwinteraars moet dat ogenblik een tastbaar bewijs zijn geweest dat de tijd werkelijk voortging. Iedere volgende dag bracht merkbaar meer licht. Toch bleef de sneeuw liggen en bleef de zee grotendeels door ijs beheerst. De terugkerende zon was nog geen terugkerend schip. Er konden weken of maanden volgen voordat de omstandigheden scheepvaart toelieten. Mannen die verzwakt waren door ziekte en wintervoeding moesten dus blijven volhouden. Pas wanneer open water terugkeerde en uiteindelijk een mast of zeil aan de horizon verscheen, veranderde het licht van een belofte in werkelijke verbinding met de wereld waaruit zij waren vertrokken.

Deel 8 — Een zee vol leven

Onder het koude oppervlak lag de reden waarom Nederlandse schepen zulke grote risico's namen. De Groenlandse walvis behoorde tot de belangrijkste prooien van de noordelijke walvisvaart. Het enorme dier droeg een dikke speklaag en had lange baleinen in de bek. Spek kon tot traan worden verwerkt; balein was een waardevolle grondstof. Wanneer een uitkijk een ademstoot boven het water zag, keek hij daarom niet alleen naar een dier. Hij zag mogelijk de opbrengst van weken varen, arbeid voor tientallen mannen en lading voor het schip. Maar tussen waarneming en opbrengst lagen sloepen, harpoenen, lijnen, lansen en een gevecht waarin één verkeerde beweging een mensenleven kon kosten.

Een rijkdom die onzichtbaar begon

De mannen kenden niet onze moderne beschrijving van het Arctische voedselweb, maar zij konden de gevolgen ervan zien. Het koude water bevatte enorme hoeveelheden klein leven, waaronder plankton en kleine zeedieren. Daarop voedden zich andere organismen; vissen vonden voedsel, vogels doken naar vis en zeezoogdieren verzamelden zich waar de omstandigheden gunstig waren. De Groenlandse walvis filterde grote hoeveelheden kleine prooien uit het water met zijn baleinen. Voor een zeventiende-eeuwse walvisvaarder was die biologische keten geen schema uit een boek. Hij zag haar aan de oppervlakte: donkere plekken vol vogels, zeehonden op het ijs en walvissen die op bepaalde plaatsen steeds opnieuw verschenen.

De ademstoot

Een walvis werd vaak ontdekt door zijn ademhaling. Boven het water verscheen de blaas en onmiddellijk veranderde het ritme aan boord. Mannen gingen naar de sloepen, riemen werden gereedgemaakt en harpoenen gecontroleerd. Daarna moest men het dier terugvinden. Het kwam boven, ademde en verdween opnieuw. De roeiers probeerden te voorspellen waar de volgende donkere rug zou verschijnen. Vanuit de sloep lag hun gezicht nauwelijks boven de golven. Wat vanaf het schip een donkere vlek was geweest, werd dichtbij een enorm lichaam. De ademstoot kon luid en plotseling klinken. Water gleed over de rug. Dan moest de boot dichtbij genoeg komen voor de harpoenier, maar niet zo dichtbij dat dier of staart haar kon verbrijzelen.

Harpoen, lijn en brandende handen

De harpoen doodde de walvis doorgaans niet onmiddellijk. Hij moest houvast geven. Zodra het dier vluchtte, liep de lijn snel uit de sloep. Alles moest vrij liggen. Een lus om een voet of hand kon fataal zijn. De snelheid en wrijving konden bovendien grote hitte veroorzaken. De mannen moesten de lijn beheersen zonder haar onverwacht te blokkeren. Wanneer de walvis vermoeid raakte, probeerden zij dichterbij te komen en hem met lansen verder te verwonden en uiteindelijk te doden. Het was zwaar, langdurig en bloedig werk. De sloep vulde zich met geluid: bevelen, riemen, touw, water en de ademhaling van mannen die tegelijk hun prooi en het bewegende ijs in het oog moesten houden.

Walrus op strand en schots

Walrussen lagen soms in groepen op stranden of ijs. Van dichtbij waren het enorme dieren met dikke lichamen en opvallende slagtanden. Een rustplaats was niet stil. Dieren bewogen tegen elkaar, gromden en brulden; de lucht kon sterk ruiken naar dieren en uitwerpselen. Voor mensen vertegenwoordigden walrussen vlees, vet en andere bruikbare delen, maar jacht was gevaarlijk. In water waren zij krachtig en een verstoorde groep kon onvoorspelbaar reageren. Op land leek hun beweging traag, maar dichtbij bleef een volwassen walrus een indrukwekkend dier. Zo bood de noordelijke natuur voortdurend hetzelfde dubbelbeeld: bijna alles wat nuttig was voor de mens kon hem tegelijkertijd verwonden of doden.

Zeehonden aan de ijsrand

Zeehonden rustten op schotsen en kwamen via open water of gaten in het ijs boven. Voor ijsberen waren zij een belangrijke prooi; voor mensen konden zij vlees en vet leveren. Hun aanwezigheid maakte zichtbaar waarom de ijsrand biologisch zo belangrijk was. Daar ontmoetten water, licht, voedsel en rustplaatsen elkaar. Vogels zochten er voedsel, zeehonden kwamen er boven en walvissen konden langs het open water trekken. De Nederlandse walvisvaarder voer dus niet toevallig naar de gevaarlijke rand van het ijs. Hij volgde dezelfde voedselrijke grens als de dieren. Waar het meeste leven samenkwam, lagen de beste kansen op vangst — en vaak ook het grootste risico voor sloep en schip.

Vis onder de kiel

Kabeljauwachtigen, poolkabeljauw en andere koudwatervissen maakten deel uit van deze noordelijke rijkdom. Een walvisvaarder was geen vissersschip, maar wanneer gelegenheid, materiaal en plaats het toelieten kon vis een welkome aanvulling op de scheepskost zijn. Voor vogels en zeehonden was vis veel fundamenteler. Een rotswand vol broedende vogels betekende dat ergens in de omgeving voldoende voedsel uit zee beschikbaar moest zijn. De bemanning hoefde geen moderne ecologie te kennen om zulke verbanden te herkennen. Ervaring leerde waar dieren zich ophielden. Zo ontstond praktische kennis van een zee die op een kaart leeg leek, maar in werkelijkheid een dicht netwerk van voedsel, seizoenen, stroming, ijs en dierlijk leven bevatte.

Bloed en vet op het water

Wanneer de jacht succesvol was, veranderde de zee rondom mensen en dier. Een gewonde walvis kon bloed verliezen; bij verdere verwerking kwamen spek en andere resten vrij. Vogels reageerden snel op beschikbaar voedsel. De geur van vet en organisch materiaal bleef aan boot, gereedschap en kleding hangen. Handen werden glad. Touw werd vuil. Het romantische beeld van witte bergen en helder blauw ijs stond daardoor voortdurend naast een veel rauwere werkelijkheid. De walvisvaart bracht slachtwerk midden in een vrijwel ongerept landschap. Voor de mannen was die tegenstelling waarschijnlijk minder vreemd dan voor een moderne toeschouwer: zij waren gekomen om dieren te vangen en iedere volle ton traan bracht de thuishaven economisch dichterbij.

Deel 9 — IJsbeer, rendier en poolvos

Geen landdier maakte zoveel indruk als de ijsbeer. Hij bewoog langs kusten en over zee-ijs en kon dicht bij menselijke verblijven verschijnen. De expeditie van Willem Barentsz had tijdens haar reizen naar Nova Zembla al vóór de grote Nederlandse walvisvaart gevaarlijke ontmoetingen met ijsberen beschreven. Latere noordvaarders wisten dus dat het dier niet slechts een wonder uit reisverhalen was. Een volwassen beer was groot, sterk en nieuwsgierig genoeg om menselijke activiteiten te benaderen. Voedselresten en geuren rond een kamp konden dieren aantrekken. Wie buiten werkte of zich van het verblijf verwijderde, kon daarom een vuurwapen meenemen. Het landschap was leeg aan mensen, maar niet zonder roofdieren.

Voetafdrukken voor de deur

Soms kwam het gevaar eerst als spoor. Grote afdrukken in sneeuw of natte bodem lieten zien dat een beer in de buurt was geweest. In de winter kon zo'n spoor dicht langs een gebouw lopen zonder dat iemand het dier had gezien. Mist, duisternis en sneeuw maakten waarnemen moeilijk. Een witte beer verdween bovendien gemakkelijk tegen een besneeuwde achtergrond. Voor mannen die water, brandstof of voedsel moesten halen veranderde een vers spoor de hele tocht. Iedere verhoging en ieder stuk ijs kreeg betekenis. Het verschil tussen een Nederlandse straat en een poolkamp lag hier scherp: buiten de deur bestond geen door mensen beheerste omgeving. Een paar stappen verder begon het leefgebied van andere dieren.

Rendier op de toendra

Rendieren boden een andere mogelijkheid. Op Spitsbergen en in andere noordelijke gebieden konden zij op lage toendra grazen. Een succesvol geschoten rendier leverde een aanzienlijke hoeveelheid vers vlees. Voor een overwinteraar die maanden van beschuit, gezouten vlees en andere bewaarde kost voor zich had, was dat bijzonder waardevol. Maar het dier moest eerst worden gevonden, geschoten, geslacht en naar het verblijf gebracht. Een zwaar karkas over steen, sneeuw of drassige grond vervoeren kostte veel kracht. Toch kon die inspanning lonen. Vers vlees bracht niet alleen afwisseling, maar voedingsstoffen die langdurig opgeslagen scheepsvoedsel minder goed leverde. De jacht werd daarmee onderdeel van de strijd tegen lichamelijke verzwakking.

De poolvos bij de vogelberg

Kleiner en minder dreigend was de poolvos. Hij leefde onder meer van vogels, eieren, aas en wat langs de kust beschikbaar kwam. Rond grote vogelkolonies vond hij tijdens de zomer overvloed. Ook menselijke werkplaatsen boden nieuwe kansen. Waar walvissen werden verwerkt, voedsel werd weggegooid of dierlijke resten achterbleven, verschenen aaseters. Een poolvos aan de rand van Smeerenburg was daardoor geen losstaand natuurbeeld. Hij maakte gebruik van een tijdelijke voedselbron die door Nederlanders was ontstaan. Wanneer de vloot vertrok en sneeuw de werkplaatsen bedekte, verdween die menselijke overvloed weer. Het dier bleef achter in dezelfde omgeving waarin mensen slechts enkele maanden per jaar konden werken zonder volledig van voorraden afhankelijk te worden.

Jacht kostte warmte

Jagen leverde voedsel, maar iedere tocht kostte energie. Een man die uren door sneeuw liep, verbrandde juist de calorieën die hij probeerde aan te vullen. Wind en natte kleding vergrootten dat verlies. Munitie was bovendien eindig en wapens moesten droog en bruikbaar blijven. Een gemist schot betekende niet alleen een ontsnapt dier, maar verspild materiaal. Na een succesvolle jacht begon nog het zwaarste werk: slachten en vervoer. Handen moesten in kou nauwkeurig een mes gebruiken terwijl bloed en vocht aan vingers en kleding kwamen. Overleven in het poolgebied was daarom geen eenvoudig verhaal van 'leven van het land'. De omgeving kon voedsel geven, maar eiste daarvoor arbeid, kennis, materiaal en vaak aanzienlijk lichamelijk risico.

Vlees, vet en huid

Een dier leverde verschillende bruikbare materialen. Vlees kon vers worden gegeten of zo mogelijk worden bewaard. Vet vertegenwoordigde energie en kon afhankelijk van omstandigheden andere toepassingen krijgen. Huiden konden eveneens waarde hebben. Botten en andere delen werden niet noodzakelijk op dezelfde manier gebruikt als door Inuitgemeenschappen, die over generaties gespecialiseerde technieken hadden ontwikkeld om vrijwel ieder bruikbaar onderdeel van Arctische dieren te benutten. Europese noordvaarders kwamen met hun eigen gereedschappen, eetgewoonten en verwachtingen. Zij leerden door ervaring, maar bleven sterk afhankelijk van hun schip en aangevoerde voorraden. Dat verschil wordt later bij Groenland belangrijk: daar ontmoetten tijdelijke Europese bezoekers mensen voor wie de Arctische omgeving geen werkterrein maar thuisland was.

Wanneer voedsel zelf gevaarlijk werd

Niet ieder deel van een noordelijk dier was veilig om te eten. Het bekendste voorbeeld is de lever van de ijsbeer, die zeer grote hoeveelheden vitamine A bevat en ernstige vergiftiging kan veroorzaken. Noordvaarders uit de zestiende en zeventiende eeuw kenden vitamine A niet. Zij beoordeelden ziekte vanuit de medische kennis van hun tijd en uit praktische ervaring. Juist daarom zijn hun waarnemingen interessant. Een man hoefde de chemische oorzaak van ziekte niet te kennen om te onthouden dat bepaald voedsel na consumptie problemen gaf. Zo groeide noordelijke kennis: door proberen, observeren, verhalen van eerdere reizen lezen en ervaringen doorgeven. De poolwereld werd reis na reis iets minder onbekend, maar nooit volledig voorspelbaar.

Deel 10 — Wanneer de vogelbergen ontwaakten

Na de winter veranderde het land bijna met de dag. De zon bleef steeds langer boven de horizon, sneeuw trok zich terug van donkere rotsen en open water verscheen langs de kust. Daarna kwamen de vogels. Rotswanden die tijdens de winter vrijwel stil waren geweest vulden zich met duizenden stemmen. Zeekoeten zaten dicht opeen op richels. Kleine alken, meeuwen en andere zeevogels vlogen tussen land en water. De lucht boven een kolonie was voortdurend in beweging. Voor een naderende sloep kon het geschreeuw al hoorbaar zijn voordat de afzonderlijke vogels zichtbaar werden. Na maanden van wind en krakend ijs bracht de Arctische zomer een overweldigende hoeveelheid geluid terug.

Zeekoeten, alken en meeuwen

Verschillende vogelsoorten gebruikten verschillende delen van het landschap. Zeekoeten broedden op smalle rotsrichels. Kleine alken konden in enorme aantallen in stenige gebieden voorkomen. Drieteenmeeuwen en andere meeuwen zochten eveneens geschikte broedplaatsen langs de kust. Verder kwamen onder meer eidereenden, ganzen en andere watervogels in de noordelijke zomer voor. Voor zeelieden waren zulke vogels niet alleen iets om te bekijken. Hun aanwezigheid kon land en voedselrijk water verraden. Bovendien vormden vogels zelf een voedselbron. Een bemanning die langere tijd in het gebied verbleef kon vogels schieten of op andere manieren proberen te bemachtigen. Daarmee kwam letterlijk vers vlees uit de lucht.

Eieren tussen de rotsen

Tijdens het broedseizoen lagen op toegankelijke plaatsen eieren. Voor mannen die lange tijd op geconserveerd voedsel leefden, waren verse eieren aantrekkelijk. Het verzamelen kon echter gevaarlijk zijn. Kolonies lagen vaak op steile rotsen, richels of moeilijk bereikbare hellingen. Losse stenen, natte rots en vogeluitwerpselen maakten klimmen riskant. Boven het hoofd krijsten volwassen vogels en rond de voeten lagen nesten of eieren. Wat voor een moderne bezoeker een beschermd natuurgebied is, was voor een zeventiende-eeuwse zeeman ook een voorraadkast. Iedere mand met eieren betekende vers voedsel zonder dat daarvoor een groot dier hoefde te worden geschoten. In het korte zomerseizoen kon die overvloed echter snel weer verdwijnen.

De geur van een vogelberg

Een grote vogelkolonie was niet alleen hoorbaar. Zij was ook te ruiken. Duizenden vogels produceerden uitwerpselen, veren, kapotte eieren en resten van voedsel. Op warme of windstille zomerdagen kon de geur zwaar boven een rotswand hangen. Onder de kolonie zochten poolvossen en andere aaseters naar wat naar beneden viel. In zee verzamelden vogels zich waar vis en andere prooien beschikbaar waren. Voor walvisvaarders vormden zulke plaatsen daardoor een compleet levend landschap. Geluid, geur en beweging kwamen samen. De ogenschijnlijk lege noordelijke rots werd gedurende enkele maanden een van de drukste plekken die een zeeman tijdens zijn reis kon tegenkomen. Daarna vertrokken de vogels weer en keerde de winterse stilte terug.

Groen tussen sneeuw en steen

Ook de plantenwereld ontwaakte snel. Spitsbergen en Nova Zembla hadden geen bossen zoals Nederland. Vegetatie bleef laag bij de grond, beschermd tegen wind en kou. Zodra sneeuw op beschutte plekken smolt, verschenen mossen, korstmossen, grassen, zeggen en kleine bloeiende planten. Steenbreeksoorten konden tussen rotsen groeien; sommige droegen opvallende paarse bloemen. Ook andere Arctische kruiden maakten gebruik van de korte zomer. Voor een man die wekenlang alleen grijs water, wit ijs en zwarte rots had gezien, moet een groen of bloeiend stukje grond opvallend zijn geweest. De poolzomer was kort, maar planten benutten bijna iedere lichte uur waarin temperatuur en bodem groei toelieten.

Lepelblad

Voor noordvaarders was lepelblad, Cochlearia, bijzonder interessant. De plant groeide in noordelijke kustgebieden en werd in de vroegmoderne zeevaart verbonden met de bestrijding van scheurbuikachtige klachten. Tegenwoordig weten we dat vers lepelblad vitamine C bevat. De mannen zelf kenden vitamines niet en moeten daarom niet met moderne medische kennis worden beschreven. Zij konden wel uit ervaring leren dat bepaalde verse planten of ander vers voedsel gunstig waren voor zieken. Wanneer na een winter of lange reis opnieuw groen beschikbaar kwam, was dat dus meer dan een teken van voorjaar. Een handvol verse planten kon iets bieden wat maandenoude beschuit, gezouten vlees en gedroogde voorraad niet meer bevatten.

Mossen en korstmossen

Niet alles wat groen of grijs op de grond groeide was voedsel voor mensen. Mossen en korstmossen bedekten stenen en vochtige bodem en vormden een belangrijk onderdeel van het Arctische landschap. Rendieren konden bepaalde korstmossen en andere planten benutten waar een mens weinig aan had. Voor zeelieden was het onderscheid tussen eetbaar, nutteloos en mogelijk schadelijk daarom belangrijk. Zij beschikten niet vanzelf over dezelfde plantenkennis als mensen die permanent in het hoge noorden leefden. Sommige kennis kwam uit reisbeschrijvingen of van eerdere noordvaarders; andere werd ter plaatse opgedaan. De natuur bood mogelijkheden, maar alleen wie wist wat hij kon gebruiken had er werkelijk voordeel van. Onbekend groen was nog geen veilige maaltijd.

Kleine dieren van de zomer

Zelfs insecten keerden met de warmte terug. Op beschutte, vochtige plaatsen konden muggen en andere kleine insecten in de korte zomer hinderlijk worden. Dat past nauwelijks bij het moderne beeld van een permanent bevroren poolwereld, maar juist de zomer bracht plaatselijk voldoende warmte en smeltwater voor een korte uitbarsting van klein leven. Voor vogels waren insecten een voedselbron; voor mensen konden ze vooral irritatie betekenen. Zo veranderde het landschap in enkele maanden volledig. Dezelfde plek die in de winter door sneeuwstorm en duisternis werd beheerst, kon in de zomer water, bloemen, vogels en insecten bevatten terwijl de zon vierentwintig uur per etmaal bleef schijnen. De poolwereld leefde in uitersten.

Een natuurlijke voorraadkast met grenzen

Vogels, eieren, vis, rendieren en planten konden het meegenomen voedsel aanvullen, maar de omgeving was geen betrouwbare voorraadschuur. Alles hing van seizoen, plaats, weer en vaardigheid af. Een vogelkolonie kon kilometers verder liggen dan het winterverblijf. Rendieren konden onvindbaar zijn. Zee-ijs kon vissen of varen onmogelijk maken. Planten verdwenen onder sneeuw. Bovendien kostte verzamelen energie en soms munitie of brandstof. Juist daarom bleven scheepsvoorraden de basis van overleving. Het voedsel uit de omgeving was aanvulling, soms een uiterst belangrijke. Wanneer vers voedsel beschikbaar kwam, kon het lichaam daarvan profiteren. Wanneer winter en ziekte toesloegen voordat die bronnen terugkeerden, werd iedere resterende ton en ieder vat opnieuw van levensbelang.

Mensen die deze wereld al kenden

Bij Groenland zagen Europese walvisvaarders bovendien dat hun moeizame aanpassing aan het poolgebied niet de enige mogelijke levenswijze was. Inuitgemeenschappen beschikten over gespecialiseerde kennis van ijs, sneeuw, dieren, kleding, jacht en voedsel. Kajaks en andere vaartuigen, kleding van dierlijke materialen en technieken voor jacht op zeezoogdieren waren ontwikkeld binnen een samenleving die permanent in het Arctische gebied leefde. Voor een Nederlander die met tonnen proviand, wollen kleding en een groot houten schip kwam, moet dat een fundamenteel verschil zijn geweest. Dezelfde zee die voor hem een gevaarlijk seizoensgebonden werkterrein was, vormde voor anderen het landschap waarin wonen, reizen, jagen en gezinnen onderhouden al generaties mogelijk waren.

Van overvloed terug naar winter

Aan het einde van de zomer begon de levende drukte weer uiteen te vallen. Vogels verlieten broedplaatsen, bloemen verdwenen, water bevroor opnieuw en sneeuw bedekte de lage vegetatie. Het voedsel dat in juli bijna overal leek te bewegen, werd in de winter moeilijk bereikbaar. Voor walvisvaarders was dat het moment om zuidwaarts te gaan. Voor overwinteraars begon juist de moeilijkste periode. Zij moesten nu leven van wat was opgeslagen, gevangen, gedroogd of anderszins bewaard. Daarmee verschoof de strijd van jacht en vangst naar een veel eenvoudigere vraag: hoeveel voedsel, warmte en gezondheid waren nog over? In de volgende delen komt daarom de mens zelf centraal te staan — eten, kleding, vuur, onderdak, ziekte en uiteindelijk de lange winter.

Deel 11 — Eten aan de rand van de bewoonbare wereld

Een walvisvaarder kon niet vertrekken in de verwachting dat het hoge noorden hem wel zou voeden. De basis van zijn eten moest uit Nederland meekomen. In het ruim lagen vaten, zakken en kisten met levensmiddelen die maanden houdbaar moesten blijven. Scheepsbeschuit was hard en droog en kon lang worden bewaard. Gezouten en gedroogde producten, erwten, granen, kaas, boter en drank behoorden, afhankelijk van schip en uitrusting, tot de voorraadwereld van vroegmoderne zeelieden. Het menu was eentonig, maar voorspelbaar. Iedere ton vertegenwoordigde een aantal toekomstige maaltijden. Zolang het schip terug kon keren, was dat voldoende. Bij een onverwachte overwintering veranderde dezelfde voorraad in een levensverzekering.

Beschuit dat maanden oud was

Beschuit was gemaakt om niet snel te bederven, niet om lekker te zijn. Na weken of maanden op zee kon het keihard zijn. Vocht was de vijand van iedere droge voorraad. Een lekkend vat, nat ruim of slecht afgesloten opslagplaats kon voedsel aantasten. Ook ongedierte vormde op schepen een bekend probleem. De kok moest werken met wat nog bruikbaar was. Water, erwten, graanproducten en gezouten vlees konden samen warme kost opleveren. De geur van een dampende ketel moet na een koude wacht aantrekkelijk zijn geweest. Toch veranderde de basis nauwelijks. Dag na dag kwamen dezelfde geconserveerde producten terug. Juist daarom kreeg ieder vers ei, iedere vis of ieder stuk vers vlees in het noorden zoveel betekenis.

Gezouten vlees en dorst

Zout maakte vlees langer houdbaar, maar een zwaar gezouten maaltijd vergrootte de behoefte aan drinken. Dat maakte de voorraad zoet water nog belangrijker. Aan boord werd drinkwater in vaten bewaard en kon de kwaliteit tijdens een lange reis achteruitgaan. Waar schoon smelt- of beekwater beschikbaar was, kon men opnieuw innemen. Tijdens een overwintering kon sneeuw worden gesmolten, maar daarvoor was vuur nodig. Zo raakten voedsel, water en brandstof met elkaar verbonden. Wie wilde drinken gebruikte mogelijk hout of steenkool die later voor verwarming nodig was. Iedere dagelijkse handeling putte dezelfde beperkte voorraad uit. In Nederland kon een tekort worden aangevuld; in de poolwinter betekende tekort wachten tot het voorjaar.

Een vogel in de kookpot

Vers voedsel uit de omgeving doorbrak die afhankelijkheid. Een geschoten zeevogel kon dezelfde dag in de pot terechtkomen. Eieren konden worden gekookt of op andere wijze bereid. Een gevangen vis bracht een smaak die na weken geconserveerd voedsel bijna vergeten kon zijn. Rendier, zeehond of ander wild leverde veel meer vlees, maar vereiste jacht, slacht en verwerking. Niet ieder dier smaakte zoals vertrouwd rund- of varkensvlees. Honger en behoefte aan verse kost maakten mensen echter minder kieskeurig. Rond de ketel mengden geuren van rook en vlees zich met natte wol en het verblijf. Een maaltijd was voeding, maar in een kleine geïsoleerde groep ook een vast punt waarop iedereen bijeenkwam.

Bewaren wat in de zomer overvloedig was

Een succesvolle jacht leverde soms meer vlees dan onmiddellijk kon worden gegeten. Dan ontstond het probleem van bewaren. De lage temperaturen konden helpen, maar het weer was niet voortdurend hetzelfde en voedsel moest tegen dieren en bederf worden beschermd. Zouten, drogen of gebruikmaken van natuurlijke kou konden afhankelijk van omstandigheden mogelijkheden bieden. Voor overwinteraars was vooruitdenken essentieel. Een rendier dat in gunstige omstandigheden werd geschoten, was niet alleen de maaltijd van die avond maar kon voorraad voor later betekenen. Hetzelfde gold voor vogels en ander voedsel dat in de korte zomer beschikbaar was. Zodra de broedkolonies leegliepen en sneeuw het land bedekte, werd iedere eerder bewaarde hoeveelheid waardevoller.

Wanneer het lichaam begon te veranderen

Een man kon voldoende calorieën krijgen en toch ziek worden. Scheurbuik was een van de grote gevaren van langdurige zeereizen en overwinteringen. De eerste verschijnselen konden gemakkelijk worden aangezien voor gewone vermoeidheid. Daarna kwamen toenemende zwakte, pijn, bloedend of gezwollen tandvlees en andere bloedingen. Oude wonden konden problemen geven en uiteindelijk kon een zieke nauwelijks nog werken. Tegenwoordig kennen we het verband met een langdurig tekort aan vitamine C. De noordvaarders zelf beschikten niet over die verklaring. Zij zagen wel dat bepaalde voedingsmiddelen en omstandigheden verschil konden maken. Praktische ervaring liep hier eeuwen voor op het biochemische begrip van wat er in het lichaam gebeurde.

Lepelblad en ander vers groen

Daarom was het verschijnen van verse planten in het voorjaar meer dan een landschappelijke verandering. Lepelblad, Cochlearia, kreeg in de vroegmoderne noordvaart een reputatie als middel tegen scheurbuikachtige klachten. De frisse, scherpe plant bevat vitamine C, al kende niemand die stof bij naam. Ook ander vers voedsel kon bijdragen aan herstel of voorkoming van tekorten. Een verzwakte man die maanden op bewaarde kost had geleefd, kreeg daarmee iets wat geen extra stuk beschuit kon leveren. We moeten daarbij voorzichtig blijven: niet iedere overwinteraar beschikte op het juiste moment over voldoende vers groen en niet iedere behandeling werkte. Maar ervaring leerde zeelieden dat voedsel niet alleen de maag moest vullen. Sommige verse voedingsmiddelen konden ziekte daadwerkelijk beïnvloeden.

Honger veranderde de regels

Wanneer voorraden slonken, veranderde de betekenis van voedsel. Een stuk vlees dat eerder werd afgekeurd kon alsnog aantrekkelijk worden. Porties konden kleiner worden en voedselverdeling werd een kwestie van discipline. Wie vandaag te veel at, nam letterlijk van de voorraad van zijn toekomstige zelf en zijn kameraden. In een kleine overwinteringsgroep kon dat spanningen veroorzaken. Tegelijk konden zieken juist extra voeding nodig hebben terwijl zij niet meer konden bijdragen aan jacht of werkzaamheden. De leiding moest voortdurend kiezen tussen onmiddellijke behoefte en de maanden die nog kwamen. Honger was daardoor niet alleen een lichamelijk probleem. Hij raakte gezag, samenwerking en vertrouwen. De voorraadkast was tegelijk kalender, boekhouding en maatstaf voor hoop.

Deel 12 — Warmte, kleding en vuur

De strijd tegen kou begon bij het lichaam. Een noordvaarder droeg kleding die in lagen warmte moest vasthouden. Wol was daarbij belangrijk. Hemd, broek, kousen, jakken en bovenkleding konden over elkaar worden gedragen, aangevuld met hoofd- en handbescherming en stevig schoeisel. Historische zeemansbronnen laten zien hoe belangrijk meerdere kledingstukken tegen de noordelijke kou waren. Toch bestond er geen kleding waarmee iemand onbeperkt buiten kon blijven. Wind drong door openingen, water liep langs mouwen en schoenen en vingers werden stijf. Kleding was geen perfecte bescherming, maar een tijdelijke barrière tussen een warm mensenlichaam en lucht of water waarin dat lichaam zonder bescherming snel warmte verloor.

De vijand was vocht

Natte kleding kon gevaarlijker worden dan een lage temperatuur alleen. Regen, buiswater, sneeuw en zweet maakten wol en andere stoffen zwaar. Een roeier die hard werkte kon onder zijn kleding zweten en daarna snel afkoelen wanneer de sloep stil kwam te liggen. Kousen en schoenen waren bijzonder kwetsbaar. Natte voeten bleven urenlang in koud schoeisel opgesloten. In het verblijf werd daarom geprobeerd kleding te drogen. Rond vuur of warmtebron hingen natte kledingstukken en stonden schoenen. Daardoor steeg vocht op en vulde de ruimte zich met de geur van wol, leer, rook en mensen. Alles wat buiten bescherming bood moest binnen voortdurend worden onderhouden om de volgende wacht opnieuw bruikbaar te zijn.

Handen waarmee gewerkt moest worden

Koude handen waren niet alleen pijnlijk. Zij maakten werken moeilijk. Een zeeman moest knopen losmaken, touw vasthouden, een mes gebruiken, een vuurwapen bedienen of een riem grijpen. Verdoofde vingers konden daarbij gevaarlijk zijn. In de sloep moesten handen soms uren achtereen aan natte riemen blijven. Bij de walvisverwerking kwamen daar vet, bloed en water bij. Bescherming van handen moest dus worden afgewogen tegen de noodzaak gereedschap goed te voelen. Ook het gezicht bleef grotendeels blootgesteld. Wind kon huid uitdrogen en laten barsten. Kleine verwondingen herstelden bij slechte voeding minder goed. Zo werd de kou zichtbaar op het lichaam: rode handen, gebarsten huid, stijve bewegingen en mannen die steeds dichter bij iedere beschikbare warmtebron gingen staan.

Het vuur in het winterhuis

Tijdens een overwintering werd vuur het middelpunt van de leefruimte. Het gaf warmte, licht en de mogelijkheid voedsel te koken, water te verwarmen en kleding te drogen. Maar ieder vuur at brandstof. In een boomloos poollandschap kon men niet eenvoudig naar buiten lopen om een bos om te hakken. Meegebracht hout, scheepsmateriaal dat gemist kon worden, aangespoeld drijfhout en andere beschikbare brandstoffen kregen daarom grote waarde. Bij Het Behouden Huys op Nova Zembla gebruikten de mannen ook steenkool uit hun voorraden. Een voorraad brandstof moest maanden worden verdeeld. Te royaal stoken in het begin van de winter kon later betekenen dat er nauwelijks iets overbleef wanneer de kou het strengst was.

Drijfhout als geschenk van de zee

Een aangespoelde boomstam was in het hoge noorden iets heel anders dan aan de Zaan. Thuis lag hout in enorme hoeveelheden op houtwerven en bij zaagmolens. Op een boomloze Arctische kust kon ieder bruikbaar stuk drijfhout brandstof of bouwmateriaal betekenen. Zeestromingen brachten hout van verre kusten naar noordelijke stranden. Mannen konden het verzamelen wanneer weer en terrein dat toelieten. Het moest vervolgens naar het verblijf worden gedragen en zo nodig worden gedroogd. Een eenvoudige plank kon worden afgewogen tegen twee behoeften: repareren of verbranden. Dat maakt de afstand tussen Zaandam en het poolgebied bijna tastbaar. Thuis was hout industrie; hier kon hetzelfde materiaal betekenen dat het vuur nog een nacht bleef branden.

Warmte vasthouden

Een vuur verwarmt alleen zolang zijn warmte niet onmiddellijk verdwijnt. Daarom moesten winterverblijven tegen tocht worden beschermd. Kieren werden zo goed mogelijk afgesloten en deuren moesten niet langer openblijven dan nodig. Sneeuw die zich rond een gebouw ophoopte kon enige isolerende werking hebben, al bracht zij ook praktische problemen. Binnen leefden meerdere mannen in een kleine ruimte. Hun lichamen produceerden zelf warmte. Bedden, dekens en kleding hielden daarvan tijdens de slaap zoveel mogelijk vast. Comfortabel werd het niet. Verder van het vuur konden wanden en voorwerpen ijskoud blijven. Water kon bevriezen. 's Morgens betekende opstaan opnieuw de overgang van een warme slaapplaats naar kleding en schoeisel die mogelijk nog klam waren.

De onzichtbare vijand van het vuur

Meer stoken betekende niet automatisch meer veiligheid. Een vuur in een kleine afgesloten ruimte had lucht nodig en produceerde rook en verbrandingsgassen. De mannen van Het Behouden Huys ondervonden hoe gevaarlijk slechte ventilatie kon zijn toen zij steenkool gebruikten en ernstig onwel werden. Wij herkennen daarin het gevaar van koolmonoxide en andere verbrandingsproducten; zij kenden die moderne chemische verklaring niet. Het dilemma was verschrikkelijk eenvoudig. Een kier of opening voor ventilatie liet koude lucht binnen, maar alles volledig afsluiten kon het vuur zelf dodelijk maken. Warmte en frisse lucht moesten dus tegen elkaar worden afgewogen. Het winterhuis was geen veilige tegenwereld: ook binnen kon het gevaar ontstaan.

Buiten kon één fout genoeg zijn

Een man die voor brandstof, water of jacht naar buiten ging, nam zijn warmtevoorraad letterlijk met zich mee. Zolang hij liep of werkte produceerde zijn lichaam warmte. Bij uitputting, verwonding of verdwalen veranderde dat snel. Natte kleding, harde wind en dalende temperatuur konden een situatie binnen korte tijd gevaarlijk maken. Handen en voeten liepen risico op bevriezing; algemene onderkoeling maakte denken en bewegen moeilijker. Daarom was terugkeren vóór volledige uitputting essentieel. Een winterverblijf hoefde niet ver weg te zijn om onbereikbaar te worden wanneer mist of sneeuwstorm het zicht wegnam. De rook van het vuur, een herkenbare rots of een aangebrachte route kon dan belangrijker zijn dan welke kaart ook.

Deel 13 — Het Behouden Huys, 1596–1597

Lang vóór de bloei van de Nederlandse walvisvaart had een groep Nederlandse noordvaarders ervaren wat een poolwinter betekende. In 1596 raakte het schip van Willem Barentsz en Jacob van Heemskerck bij Nova Zembla vast in het ijs. De expeditie had gezocht naar een noordoostelijke route naar Azië. Nu werd duidelijk dat het schip niet meer vóór de winter naar Nederland kon terugkeren. Zeventien mannen stonden voor een probleem waarvoor geen gewone scheepsroutine bestond. Buiten werd het kouder, het ijs hield het schip gevangen en de zon zou verdwijnen. Zij moesten aan land een verblijf bouwen waarin zij maanden konden leven. Dat huis kreeg een naam die later beroemd werd: Het Behouden Huys.

Een huis bouwen vóór de winter

Er was geen dorp, herberg of bestaand winterstation. De mannen moesten zelf bouwen met materiaal dat beschikbaar was. Hout uit de omgeving, waaronder drijfhout, en bruikbaar materiaal uit hun eigen uitrusting en schip speelden daarbij een rol. Iedere balk moest worden gedragen en passend gemaakt terwijl het seizoen verderging. Het resultaat was geen comfortabele woning, maar een houten verdedigingswerk tegen wind, sneeuw en kou. Binnen kwamen slaapplaatsen, voorraden en een plaats voor vuur en koken bijeen. Zeventien mannen moesten dezelfde beperkte ruimte delen. De muren hielden de ergste wind buiten, maar niet alle kou. Vanaf dat ogenblik werd hun leven bepaald door twee werelden: het donkere poolland buiten en de kleine houten ruimte binnen.

Gerrit de Veer keek en schreef

Dat we zoveel over deze winter weten, danken we vooral aan Gerrit de Veer, een deelnemer die de gebeurtenissen beschreef. Zijn verslag maakt de overwintering uitzonderlijk waardevol. We krijgen geen moderne reconstructie achteraf, maar waarnemingen van iemand die de kou, ijsberen, ziekte en duisternis zelf meemaakte. Hij noteerde gebeurtenissen en natuurverschijnselen en beschreef hoe de groep probeerde het dagelijkse leven voort te zetten. Zijn tekst laat tevens zien hoe zestiende-eeuwse mensen naar de poolwereld keken. Zij konden nauwkeurig observeren zonder onze meteorologische of medische begrippen te bezitten. Het onbekende werd begrijpelijk gemaakt met ervaring, geloof, bestaande kennis en vergelijking met wat zij van eerdere reizen kenden.

De ijsbeer kwam dichtbij

IJsberen waren geen zeldzame versiering van het landschap. De mannen kregen daadwerkelijk met de dieren te maken. Een beer kon het verblijf of de omgeving benaderen en moest soms worden verjaagd of gedood. Buiten werken betekende daardoor meer dan bescherming tegen kou. Een man moest ook opletten wat zich over sneeuw en ijs bewoog. De Nederlanders gebruikten vuurwapens en andere middelen om zich te verdedigen. Een gedood dier kon bovendien voedsel of materiaal opleveren, hoewel niet ieder deel veilig of aantrekkelijk was om te eten. Het contrast was scherp: binnen probeerden mensen met vuur een stukje Nederlandse leefbaarheid te maken; buiten liep een roofdier dat volledig zonder huis, wol of brandstof aan dezelfde winter was aangepast.

De schoorsteen en de kolen

Een van de gevaarlijkste momenten ontstond juist door de poging het warmer te krijgen. De mannen gebruikten steenkool om het verblijf te verwarmen en probeerden de warmte zoveel mogelijk binnen te houden. Daarbij werden zij door de dampen ernstig onwel. Vanuit moderne kennis herkennen we het risico van onvoldoende ventilatie en koolmonoxide. Voor de overwinteraars was het een bijna onzichtbare bedreiging. Het vuur dat hen tegen bevriezing moest beschermen kon hen in de afgesloten ruimte verstikken. Zij moesten opnieuw lucht toelaten, ondanks de kou buiten. Het voorval laat zien hoe primitief het evenwicht was waarop hun overleving rustte. Te weinig vuur bracht kou; te veel afgesloten warmte kon eveneens dodelijk worden.

De klok bleef lopen

Om niet volledig door de poolnacht te worden opgeslokt hield de groep een dagelijks ritme in stand. Werk, maaltijden, rust en religieuze momenten gaven structuur. Tijd moest kunstmatig worden bewaakt omdat de zon niet langer iedere ochtend verscheen. In een kleine gemeenschap was orde bovendien noodzakelijk. Voorraad moest worden verdeeld, zieken verzorgd, vuur onderhouden en werkzaamheden buiten uitgevoerd. Een man die zijn taak niet meer kon doen, legde extra werk bij de anderen. De leiding van Van Heemskerck en de samenwerking binnen de groep waren daarom praktische overlevingsmiddelen. Het winterhuis was tegelijk woning, ziekenkamer, keuken, opslagplaats en bestuurde gemeenschap. Buiten kon de natuur chaotisch lijken; binnen moest menselijke orde blijven bestaan.

Kerstmis in het Behouden Huys

Zelfs in de poolnacht bleven de mannen Nederlanders van hun eigen tijd. Feestdagen, geloof en gezamenlijke gebruiken verdwenen niet doordat zij duizenden kilometers van huis waren. De beroemde viering rond Driekoningen in januari 1597 laat zien hoe belangrijk zulke momenten konden zijn. Met wat beschikbaar was probeerden de mannen een feestelijke onderbreking van de winter te maken. Voor even ging het niet alleen over brandstof, ziekte en voorraad. Zulke gebeurtenissen waren psychologisch van grote betekenis. Zij herinnerden de groep eraan dat buiten hun houten huis een kalender, een samenleving en een thuisland bleven bestaan. Een feestmaal of ceremonie kon de winter niet verkorten, maar maakte een eindeloze reeks donkere dagen opnieuw tot herkenbare menselijke tijd.

Ziekte in een kleine ruimte

Naarmate de winter voortduurde werden mannen ziek en zwak. In een ruimte waar iedereen dicht bij elkaar leefde kon ziekte nauwelijks privé blijven. Wie niet opstond, lag zichtbaar tussen zijn kameraden. Een zieke moest eten, drinken en warmte krijgen en kon tegelijkertijd minder bijdragen aan dagelijkse werkzaamheden. De lichamelijke achteruitgang van één man veranderde daardoor het werk van de hele groep. Er was geen ziekenhuis en geen mogelijkheid een ernstig zieke naar huis te sturen. Geneesmiddelen en medische kennis waren beperkt tot wat de expeditie had meegenomen en wat men volgens de geneeskunde van die tijd verstandig achtte. Overleven hing uiteindelijk evenzeer van voeding en lichamelijke weerstand af als van muren en vuur.

Barentsz ziet Nederland niet terug

Toen het voorjaar voldoende gevorderd was, bleek het schip nog steeds verloren voor de terugreis. De mannen moesten Nova Zembla in open boten verlaten. Dat betekende opnieuw blootstelling aan kou, zee en ijs, nu terwijl een deel van de groep door de winter was verzwakt. Willem Barentsz stierf in juni 1597 tijdens de terugtocht. De overlevenden bereikten uiteindelijk bewoonde gebieden en konden naar Nederland terugkeren. Hun verhaal werd gedrukt en verspreid. Daardoor werd Het Behouden Huys onderdeel van het Nederlandse geheugen van de noordvaart. Latere walvisvaarders voeren naar andere doelen, maar deden dat in een maritieme cultuur waarin Barentsz' winter al had laten zien wat het hoge noorden met mensen kon doen.

Een huis dat eeuwen bleef liggen

Het verhaal kreeg eeuwen later een onverwacht vervolg. In 1871 vond de Noorse zeehondenjager Elling Carlsen de resten van Het Behouden Huys terug. De plaats had voorwerpen en constructieresten uit 1596–1597 bewaard. Latere bezoeken en archeologisch onderzoek brachten meer materiaal aan het licht. Gereedschappen, huishoudelijke voorwerpen, kleding- en schoenresten en andere objecten geven de geschreven geschiedenis een tastbare laag. Wat De Veer beschreef kan daardoor naast materiële resten worden gelegd. Een pot, schoen of stuk gereedschap is klein vergeleken met de beroemde expeditie, maar juist zulke dingen tonen hoe zeventien mensen werkelijk moesten leven. Het Behouden Huys werd daarmee een uitzonderlijke archeologische tijdcapsule van een zestiende-eeuwse poolwinter.

Smeerenburg, 1633–1634

Bijna vier decennia later werd overwintering onderdeel van de walvisvaart zelf. In 1633 bleven zeven Nederlanders op Spitsbergen achter. Anders dan Barentsz' mannen deden zij dat niet doordat hun schip onverwacht verloren was gegaan; het verblijf hield verband met het bewaken van Nederlandse belangen. Zij beschikten daardoor over andere voorbereiding en bestaande voorzieningen. De winter bleef echter dezelfde vijandige natuur brengen: poolnacht, kou, sneeuw, ziektegevaar en maanden zonder bevoorrading. Deze zeven mannen overleefden. Hun succes bewees dat een Europese groep onder bepaalde omstandigheden een volledige winter op Spitsbergen kon doorstaan. Het betekende niet dat overwinteren veilig was. De gelijktijdige poging op Jan Mayen liet precies het tegenovergestelde zien.

Jan Mayen, dezelfde winter

Op Jan Mayen bleven eveneens zeven Nederlanders achter. Toen schepen in 1634 terugkeerden, waren alle mannen gestorven. Het verschil tussen beide groepen is historisch belangrijk omdat het eenvoudige verklaringen onmogelijk maakt. 'De kou' alleen kan niet voldoende zijn: beide groepen leefden in een zeer koud Arctisch klimaat. Voeding, gezondheid, plaatselijke mogelijkheden, brandstof, onderkomen, jacht en toevallige tegenslag konden samen bepalen wie het voorjaar haalde. De twee overwinteringen laten bovendien zien hoe weinig marge er was. Een groep hoefde niet door één grote ramp te worden getroffen. Langdurige lichamelijke verzwakking kon voldoende zijn. Het poolgebied strafte een opeenstapeling van kleine tekorten uiteindelijk even hard als één plotseling ongeluk.

Deel 14 — Leven met dezelfde mannen

Een schip was al een kleine wereld; een winterhuis was nog kleiner. Maandenlang zagen de mannen vrijwel uitsluitend elkaar. Zij aten samen, werkten samen en sliepen binnen dezelfde beperkte ruimte. Privacy zoals een moderne bewoner die kent bestond nauwelijks. Een ruzie kon niet worden opgelost door naar een andere straat of herberg te gaan. Buiten lag sneeuw, duisternis en soms gevaar. Binnen moest men elkaar blijven verdragen. Verschillen in rang verdwenen niet. Commandeur, officieren of andere gezagsdragers bleven verantwoordelijk voor orde en verdeling van werk. Juist in afzondering was discipline noodzakelijk. Een conflict over voedsel, vuur of taken kon de veiligheid van iedereen raken. Samenleven was daardoor letterlijk onderdeel van overleven.

Slapen in een vochtige wereld

Na een lange wacht of jachttocht verlangde het lichaam naar slaap, maar ook slapen vergde bescherming. Kleding en beddengoed konden vochtig worden door condens, natte kleding en de adem van meerdere mannen in een kleine ruimte. Buiten vroor het; binnen zorgden vuur en lichamen voor warmte en vocht. Slaapplaatsen lagen dicht bij elkaar en persoonlijke ruimte was gering. Geluiden hielden nooit volledig op: hoesten, snurken, bewegen, het vuur, wind tegen het gebouw en soms krakend ijs of storm buiten. Op een schip kwamen daar pompen, touw, masten en water tegen de romp bij. Uitgerust wakker worden was niet vanzelfsprekend. Toch moest de volgende wacht of werkdag opnieuw beginnen, ongeacht hoeveel iemand werkelijk had geslapen.

Wassen zonder badkamer

Persoonlijke hygiëne was beperkt door omstandigheden en door vroegmoderne gewoonten. Er bestond geen moderne badkamer en warm water kostte brandstof. Handen en gezicht konden worden gereinigd, kleding kon worden onderhouden en waar mogelijk gewassen, maar een volledige lichaamswas was geen dagelijkse vanzelfsprekendheid. Tijdens zwaar werk kwamen zweet, walvisvet, bloed, rook en vuil op huid en kleding terecht. In een kleine leefruimte mengden de geuren van mensen, natte wol, leer, voedsel, tabaksrook waar gerookt werd, vuur en dierlijk vet zich met elkaar. Voor de mannen zelf hoorde een sterkere lichaamsgeur veel meer bij het gewone bestaan dan voor moderne mensen. In het poolgebied werd die bestaande werkelijkheid eenvoudig nog intenser.

Het toilet

Ook ontlasting moest ergens heen. Aan boord bestonden eenvoudige voorzieningen en gewoonten voor menselijke behoeften; aan land moest een praktische plaats worden gevonden. Tijdens een winterstorm was zelfs een korte gang naar buiten onaangenaam of gevaarlijk. Een pot of ander vaatwerk kon daarom binnen worden gebruikt en later worden geleegd. Afval, urine en menselijke uitwerpselen moesten zo worden behandeld dat de leefruimte bruikbaar bleef. Bij langdurige bewoning kon vuil zich rond een verblijf ophopen. Dat trok mogelijk dieren aan en verhoogde de algemene vervuiling. Archeologie van vroegmoderne verblijfplaatsen kan juist uit afval veel leren. Wat voor de bewoners het minst waardevolle materiaal was, vormt eeuwen later soms het beste bewijs van wat zij aten en gebruikten.

Ziek worden zonder dokter dichtbij

Een zieke zeeman kon nergens heen. Sommige schepen hadden mensen met medische kennis en er bestonden medicijnkisten, maar de geneeskunde van de zeventiende en achttiende eeuw verschilde fundamenteel van de onze. Infecties, verwondingen, tandproblemen, bevriezing en scheurbuik konden moeilijk effectief worden behandeld. Een kleine snee aan een hand was ernstig wanneer die hand dagelijks met vuil touw, messen of walvisresten moest werken. Gebroken botten of zware verwondingen tijdens de jacht waren nog problematischer. Tijdens een overwintering bestond geen mogelijkheid snel medische hulp te halen. Kameraden werden verpleegkundigen uit noodzaak. Warmte, rust, eten en drinken waren vaak de belangrijkste middelen die werkelijk beschikbaar bleven.

Geloof in de poolnacht

Geloof was verweven met het dagelijks leven van vroegmoderne Nederlanders en verdween niet aan de poolcirkel. Gebed, Bijbellezing waar boeken beschikbaar waren en het markeren van christelijke feestdagen konden structuur en betekenis geven. Een storm, ziekte of onverwachte redding werd niet noodzakelijk uitsluitend als natuurkundig toeval ervaren. Voor mannen die maanden van huis waren, kon geloof bovendien een verbinding vormen met gezinnen en gemeenschappen in Nederland die dezelfde kalender volgden. Kerstmis of Driekoningen vielen ook op Nova Zembla op herkenbare momenten. Daarmee werd een winterhuis tijdelijk onderdeel van dezelfde christelijke tijd als Amsterdam of Zaandam, ook al stond buiten geen kerk en kwam de zon niet boven de horizon.

Verveling

Niet ieder gevaar kwam met storm of ijsbeer. Lange perioden konden juist uit wachten bestaan. Wanneer slecht weer buitenwerk onmogelijk maakte, zaten mannen dicht bij elkaar. Gereedschap kon worden hersteld, kleding gerepareerd, voorraad gecontroleerd en het verblijf onderhouden. Wie kon lezen had mogelijk toegang tot meegenomen boeken; journalen konden worden bijgehouden. Spel, verhalen en gesprekken konden tijd vullen. Maar maandenlang dezelfde stemmen en dezelfde muren bleven een psychische belasting. Niemand kon weten of het schip dat volgend voorjaar moest komen werkelijk zou verschijnen. Verveling en onzekerheid bestonden naast elkaar. Een onverwacht geluid buiten kon dan plotseling iedereen in beweging brengen, al bleek het uiteindelijk slechts wind, ijs of een dier.

Angst zonder ontsnappingsweg

Angst hoefde niet voortdurend zichtbaar te zijn om aanwezig te blijven. Een storm kon het gebouw beschadigen. Een voedselvoorraad kon bederven. Een kameraad kon steeds zieker worden. Een ijsbeer kon in de omgeving lopen. En boven alles bestond de wetenschap dat hulp maanden verwijderd was. Op een gewone Nederlandse reis kon men hopen een haven te bereiken. Tijdens de poolwinter was er eenvoudig geen haven. Angst moest daarom worden beheerst door routine. Vuur verzorgen, eten koken, gereedschap repareren en de volgende dag voorbereiden gaven problemen een menselijke maat. Zolang er taken waren, kon er worden gehandeld. Het gevaarlijkste ogenblik kwam misschien wanneer mannen alleen nog konden wachten en niets meer konden doen om hun situatie te verbeteren.

Nabijheid, privacy en intimiteit

Maandenlange afzondering betekende ook lichamelijke en emotionele nabijheid tussen mannen. Slaapplaatsen lagen dicht bij elkaar, omkleden gebeurde in gedeelde ruimtes en afzondering was nauwelijks mogelijk. Over persoonlijke gevoelens en seksualiteit vertellen de gewone walvisvaartbronnen veel minder dan over vangsten, schepen en handel. Daarom moeten we hier onderscheid maken tussen wat aannemelijk is uit de leefomstandigheden en wat werkelijk is gedocumenteerd. Europese maritieme bronnen uit de vroegmoderne en latere zeiltijd laten zien dat seksuele contacten tussen mannen voorkwamen, evenals dwang, machtsverschillen en vervolging daarvan. Dat mag niet zonder bewijs aan een specifieke Zaanse bemanning worden toegeschreven, maar volledige stilte zou de menselijke werkelijkheid eveneens te eenvoudig maken.

Wanneer iemand stierf

Dood aan boord of tijdens een overwintering stelde de groep voor praktische en emotionele vragen. Op zee kon een gestorven zeeman een zeemansgraf krijgen. Aan land kon begraven mogelijk zijn wanneer bodem en omstandigheden dat toelieten, maar bevroren grond maakte graven moeilijk. Een dode kameraad verdween bovendien niet uit het geheugen van de kleine groep. Zijn slaapplaats bleef leeg, zijn werkzaamheden moesten worden verdeeld en zijn persoonlijke bezittingen bleven achter. Voor de mannen op Jan Mayen kwam uiteindelijk niemand meer over om de laatste doden te verzorgen. De terugkerende vloot trof de afloop aan. Zo kon een winterverblijf, bedoeld om Nederlandse aanwezigheid vast te houden, veranderen in een plaats waar alleen gebouwen, voorwerpen en lichamen nog van die aanwezigheid getuigden.

De menselijke maat van het hoge noorden

Uiteindelijk werd overleven niet bepaald door één heldhaftige daad. Het zat in honderden kleine handelingen: droge kousen aantrekken, het vuur niet laten uitgaan, een vat sluiten, een zieke drinken geven, sneeuw voor de deur wegscheppen, een mes slijpen, een spoor van een ijsbeer herkennen en op tijd terugkeren voordat mist inviel. Juist daarin ligt de menselijke geschiedenis van de poolvaart. De grote kaarten tonen Spitsbergen, Nova Zembla en Groenland; de reisjournalen en archeologische vondsten tonen handen, schoenen, potten, gereedschap en voedsel. Tussen die twee schalen leefde de walvisvaarder: een klein mens in een enorm landschap, afhankelijk van zijn kameraden en van alles wat maanden eerder in Nederland was voorbereid.

Deel 15 — De terugreis naar Zaandam

Wanneer het vangstseizoen eindigde, draaide de hele onderneming om. Het schip dat maanden noordwaarts had gezocht naar walvissen moest nu vóór het gevaarlijkste winterijs naar huis. Vaten met traan en andere opbrengsten lagen in het ruim; materiaal werd vastgezet en sloepen kwamen aan boord. Achter de achtersteven verdwenen gletsjers en zwarte bergwanden. De middernachtzon was voorbij en iedere dag bracht meer duisternis. De bemanning was vermoeid. Kleding en uitrusting droegen de sporen van maanden zout, vet, rook en arbeid. Toch lag het grootste gevaar niet noodzakelijk achter hen. De Noord-Atlantische Oceaan en Noordzee konden in het najaar zwaar weer brengen voordat Texel eindelijk opnieuw bereikt werd.

De bergen verdwijnen

Er kwam een dag waarop de laatste Arctische berg onder de horizon zakte. Daarna was er opnieuw alleen zee. Voor mannen die maanden tussen rotswanden, ijsbergen en gletsjers hadden gevaren, werd de open oceaan opnieuw het landschap. Zeevogels veranderden naarmate het schip zuidelijker kwam. De temperatuur steeg langzaam. De nachten werden weer werkelijk donker en de zon ging iedere avond onder zoals thuis. Het lichaam keerde daarmee terug naar een vertrouwd ritme, al bleef de wachtindeling het leven bepalen. In het ruim bewoog de lading bij iedere golf. Alles waarvoor de mannen risico hadden genomen — traan, balein en andere opbrengsten — moest nog veilig door storm en branding naar de Nederlandse markt worden gebracht.

Storm op weg naar huis

Een schip kon de walvissen, ijsvelden en mist van het noorden hebben overleefd en toch tijdens de thuisreis verloren gaan. Najaarstormen op Noordzee en Atlantische Oceaan brachten hoge golven en harde wind. Zeilen moesten worden verminderd en alles aan dek stevig vastliggen. Water kon over de verschansing slaan en mannen moesten opnieuw uren in natte kleding werken. De lading maakte het schip waardevol, maar ook zwaar. Schade aan mast, roer of tuigage ver van een veilige haven kon ernstig zijn. Daarom werd de thuiskomst pas werkelijk gevierd wanneer de Nederlandse kust was bereikt. Zolang rondom het schip alleen water lag, was de reis nog niet afgelopen.

De geur van land

Land kon zich aankondigen voordat een zeeman duidelijk huizen zag. Vogels veranderden, scheepvaart werd drukker en ondieper water kon met het lood worden herkend. Uiteindelijk verscheen de lage Nederlandse kust. Na maanden bergen was het bijna een omkering van de eerste noordelijke ervaring: nu werd juist vlak land het teken dat men thuis was. Texel en het Marsdiep brachten de vloot terug naar bekende vaarwegen. Andere schepen verschenen, vissers voeren voorbij en aan de horizon kwamen duinen, torens en masten. De mannen roken opnieuw rook van bewoning en andere geuren van land. Achter hen lag een wereld zonder akkers en bomen; voor hen begon opnieuw het drukke Nederlandse waterland.

Terug tussen dijken en molens

Voor een Zaankanter werd het contrast nog groter wanneer het schip uiteindelijk het Zaanse gebied naderde. De horizon vulde zich opnieuw met dijken, huizen, houtwerven en molens. Waar op Spitsbergen een gletsjer tussen bergen naar zee liep, lagen hier sloten tussen groene weiden. Waar een ijsbeer langs het winterhuis kon lopen, stonden koeien achter een dijk. De vertrouwde wereld leek misschien kleiner dan vóór vertrek. De man die hier terugkwam droeg niet alleen verdiend loon of herinneringen mee. Hij kende nu een landschap waarvan thuisblijvers slechts prenten, reisverhalen en sterke verhalen zagen: een zomer zonder nacht, bergen uit zee, walvissen naast een sloep en ijs dat een schip kon breken.

De lading wordt weer handel

Zodra de vangst veilig was aangekomen, veranderde zij opnieuw van betekenis. Wat in het noorden bloed, spek, zware vaten en gevaarlijk werk was geweest, werd in Nederland handelswaar. Traan ging naar afnemers en balein vond zijn weg naar ambachtslieden en handelaren. Reders rekenden opbrengsten en kosten uit. Lonen en aandelen in de vangst moesten worden afgerekend volgens de geldende afspraken. Scheepsbouwers, kuipers, touwslagers, zeilmakers, leveranciers en andere beroepen hadden al vóór vertrek aan de onderneming verdiend; nu werkte de teruggekeerde vangst verder door in de economie. De poolzee en Zaandam lagen duizenden kilometers uit elkaar, maar werden door schip, arbeid en handel ieder seizoen opnieuw met elkaar verbonden.

De verhalen kwamen mee naar huis

Niet alles zat in een vat. De bemanning bracht waarnemingen en verhalen mee. Mannen vertelden over ijsbergen, walvissen, beren, vogelbergen, mist en gevaarlijke jachten. Een bijzondere vangst of ongeluk kon jaren worden herinnerd. Commandeurs en stuurlieden namen praktische kennis mee over stromingen, ijsgrenzen, ankerplaatsen en routes. Die kennis kon tijdens volgende reizen opnieuw worden gebruikt. Gedrukte reisverhalen brachten sommige noordelijke ervaringen bij een veel groter publiek. Zo ontstond in Nederland geleidelijk een beeld van de Arctische wereld dat uit kaarten, verhalen, prenten, handelskennis en persoonlijke herinneringen bestond. De poolzee werd nooit gewoon, maar zij was na generaties walvisvaart ook niet langer volledig onbekend.

Een lichaam dat weer thuis moest raken

Ook het lichaam kwam terug uit het noorden. Sommige mannen waren vermagerd of verzwakt, anderen droegen littekens of blijvende gevolgen van verwondingen. Maandenlang hadden zij in kleine ruimtes geslapen, zwaar werk verricht en een eentonig dieet gegeten. Thuis waren vers brood, groenten, bier, warme kamers en een eigen bed opnieuw bereikbaar. Kleding kon eindelijk grondig worden gereinigd of vervangen. De voortdurende beweging van een schip verdween onder de voeten. Voor iemand die lang op zee was geweest kon zelfs stilte vreemd aanvoelen. Tegelijk moesten verdiende inkomsten misschien een gezin maanden onderhouden. De walvisvaart was daarmee geen afzonderlijk avontuur, maar een terugkerend onderdeel van huishoudens en bestaanszekerheid.

Van poolzee naar herberg en huis

Terugkeer bracht ook ontspanning. Zeelieden konden hun verdiende geld uitgeven aan drank, eten en vermaak. Het zeemanslied “Van de Walvis-vangst” uit Den Italiaenschen Quacksalver geeft juist dat rauwe beeld: na kou, sloepen, harpoenen, spekmessen en een met walvisproducten gevuld schip volgde de thuiskomst en kon verdiend geld weer worden verteerd. Niet iedere man deed hetzelfde en een lied is geen loonboek, maar als cultuurhistorische bron toont het hoe tijdgenoten de kringloop voorstelden. De walvisvaart eindigde niet bij de kade. Zij liep door in herberg, huishouden, winkel, schulden, consumptie en de verhalen waarmee een bemanningslid zijn noordelijke maanden aan anderen doorgaf.

En opnieuw werd een schip uitgerust

Na de winter in Nederland begon het werk opnieuw. Een schip moest worden nagezien, hout gerepareerd, naden gekalfaterd en tuigage gecontroleerd. Voor een nieuwe reis kwamen vaten, voedsel, water, touwwerk, harpoenen, lansen en sloepen weer bijeen. Bemanningsleden werden gezocht en een commandeur bereidde zich voor op dezelfde route die nooit precies dezelfde zou zijn. Het ijs zou anders liggen, het weer anders vallen en walvissen konden elders worden gevonden. Aan de Zaan draaiden de molens en lagen de werven opnieuw vol hout. Dan kwam het voorjaar. Een schip maakte los, voer langs dijken en huizen naar het IJ en liet het groene land achter zich. Voor de boeg lag opnieuw de poolzee.