Wieringen 1600–1650 lag als eiland aan de belangrijke vaarroute tussen Texel, het Marsdiep en Amsterdam. In de eerste helft van de zeventiende eeuw kwamen Wieringers in aanraking met internationale koopvaardij, VOC-verkeer, Oostzeehandel en scheepvaart tijdens oorlogstijd. Rond Wieringen lagen ondiepten, geulen en het Wieringer Vlaak, waardoor kennis van het vaarwater belangrijk was voor loodsen, schippers en andere varenslieden. Wieringers waren niet geïsoleerd van de Nederlandse en internationale handelswereld. Zij voeren tussen Wieringen, Texel en Amsterdam en bereikten ook buitenlandse havens. Jacob Janssen Rotgans wordt in verband gebracht met de vaart op Lübeck. Willem Reijndertsz van Wieringen bereikte als jonge zeeman Stockholm. Aris Pietersz van Wieringen werd in 1642 als varensman poorter van Amsterdam. De geschiedenis van Wieringen tussen 1600 en 1650 bestaat niet alleen uit scheepvaart. Op het eiland leefden boeren, vissers, vrouwen, kinderen, ambachtslieden en kerkelijke gemeenschappen. Boerderijen, vee, visserij en plaatselijke handel bestonden naast de internationale scheepvaart voor de kust. Mensen en goederen moesten per vaartuig van en naar het eiland worden gebracht. Deze pagina beschrijft Wieringen tussen 1600 en 1650 vanuit het dagelijkse leven en de scheepvaart. Centraal staan Wieringen, Hippolytushoef, Oosterland, Westerland, Stroe, Den Oever en De Haukes, evenals de verbindingen met Texel, het Marsdiep en Amsterdam. Het verhaal behandelt schepen, loodsen, handel, VOC-verkeer, oorlog, visserij, landbouw, eilandbewoners, weer, vaarwater en contacten met de buitenwereld.

Hoe werd Wieringen een belangrijk eiland op de vaarroute naar Amsterdam?

Wieringen lag in de zeventiende eeuw op een bijzondere plaats tussen Texel, het Marsdiep en Amsterdam. Zeeschepen die vanuit de Noordzee binnenkwamen, hadden na Texel nog een moeilijke tocht over ondiep water voor de boeg. Rond Wieringen lagen geulen, banken, de Vlieter en het Wieringer Vlaak. Hier waren kennis van diepte, stroming, wind en bodem van groot belang. Wieringer loodsen, schippers, lichterschippers, vissers en bergers leefden daardoor niet aan de rand van de handelswereld. Zij woonden langs een vaarroute waar zeegaande koopvaarders en kleinere binnenvaartuigen elkaar ontmoetten op weg naar Amsterdam.

Waar kwamen de schepen vandaan en waar gingen zij naartoe? Via Texel en het Marsdiep bereikten schepen uit de Noordzee het binnenwater. Koopvaarders kwamen uit onder meer de Oostzee, Frankrijk en andere Europese vaargebieden, terwijl de grote Amsterdamse handelsvaart zich in de zeventiende eeuw steeds verder over de wereld uitstrekte. Vanuit Amsterdam voeren kleinere vrachtschepen en kagen weer richting Texel. Wieringers zelf konden veel verder komen. Jacob Janssen Rotgans was verbonden met de vaart op Lübeck en Willem Reijndertsz van Wieringen had als vijftienjarige al Stockholm bereikt. Het eiland lag dus tussen plaatselijke binnenvaart en internationale zeevaart.

Tijdlijn van Wieringen aan de vaarroute naar Amsterdam

Wieringer loodsman

1608
Hendrick Gerbrantsen van Wieringen verschijnt als loodsman. Zijn beroep draaide om kennis van vaarwater, diepten, banken en veilige routes.

Wieringer varensman in Amsterdam

1642
Aris Pietersz van Wieringen wordt als varensman poorter van Amsterdam. Wieringers vestigden zich dus ook daadwerkelijk in de grote handelsstad.

Van Wieringen naar Stockholm

ca. 1650
Willem Reijndertsz van Wieringen heeft als vijftienjarige al de vaarwereld tot Stockholm leren kennen. Wieringer zeelieden konden ver buiten de Zuiderzee terechtkomen.

Wieringer en Amsterdamse familiebanden

1665
Jacob Hendricxe van Wieringen laat zich in Amsterdam met Elsie Quirijns voor het huwelijk inschrijven. Werk, huwelijk en familie verbonden eiland en stad.

Storm over Wieringen

1674
Een zware storm treft Noord-Holland en beschadigt onder meer het kerkgebouw van Hippolytushoef. Ook op het land bleef het weer dat schippers vreesden voelbaar.

IJsgang bij Wieringen

1689
De Jago, waarvan Domingo Anthonitz van Portugal als eigenaar wordt genoemd, verongelukt omtrent Wieringen door ijsgang. Aan boord bevinden zich onder meer teer, smidskolen, kaas en pijpeduigen.

Drie kaagschippers tussen Texel en Amsterdam

1690
Jan van Wieringen, Jan Schouten en Evert Hendricksz vervoeren goederen tussen Texel en Amsterdam. Zij ontvangen gezamenlijk ƒ140 van Joannes de Wit voor hun werk.

Schipbreuk bij de Vlieter

1693
De kaag van Jan Lammertsz strandt bij de Vlieter tijdens een reis van Amsterdam naar Texel. Jan Lammertsz verdrinkt en wordt op Texel begraven. De lading omvat onder meer laken, lood en andere stukgoederen.

Einde van de Negenjarige Oorlog

1697
De Vrede van Rijswijk beëindigt de oorlog met Frankrijk. Voor de Wieringer scheepvaart verdwijnen daarmee niet de gewone gevaren van storm, mist, ijs en ondiep water.

Hoe kwamen internationale scheepvaart en het dagelijkse leven op Wieringen samen?

Een groot zeeschip voor de Wieringer kust en een boerderij bij Hippolytushoef lijken twee verschillende werelden, maar in de zeventiende eeuw waren zij nauw met elkaar verbonden. Een zwaar geladen koopvaarder kon hulp nodig hebben om zijn goederen verder richting Amsterdam te krijgen. Kleinere kagen en lichters namen vracht over. Loodsen kenden het vaarwater en bergers kwamen in actie wanneer een schip strandde. Wieringer vissers voeren op hetzelfde water. Aan de horizon konden tegelijk koopvaarders, Oostzeevaarders en schepen uit de grote Amsterdamse handelsvaart verschijnen.

De verbinding werkte ook andersom. Een Wieringer huishouden had spullen nodig die niet op het eiland werden gemaakt. Hout, metaal, brandstof, huisraad en andere goederen moesten worden aangevoerd. Wie in Amsterdam ging werken of wonen, moest varen. Wie terugkwam voor familiebezoek eveneens. Een predikant of huwelijkspartner die zich op Wieringen vestigde, kwam met zijn bezittingen over water. Zelfs een verhuizing werd een scheepsreis: kisten met kleding en linnengoed, beddengoed, gereedschap en ander vervoerbaar huisraad moesten eerst aan boord voordat een gezin zijn nieuwe woning kon bereiken.

Zo bracht het water niet alleen handelswaar. Het bracht mensen, geld, brieven, nieuws, beroepen en familiebanden. Op Wieringen kon een vrouw wachten op haar man uit Amsterdam terwijl een paar huizen verder iemand familie uit Texel ontving. Een jongen kon als knecht vertrekken en jaren later terugkomen. Een schipper kon elders sterven en nooit meer op het eiland worden begraven. Het water dat Wieringen tot eiland maakte, was tegelijkertijd de weg waarlangs bijna iedere verbinding met de buitenwereld liep.

Wieringen in de zeventiende eeuw — eiland tussen Amsterdam en de wereldzee

In de zeventiende eeuw lag Wieringen niet buiten de grote Nederlandse handelswereld. Het eiland lag juist aan een van de belangrijke toegangen tot Amsterdam. Wie vanuit de Noordzee door het Marsdiep binnenkwam, moest na Texel nog over ondiep en soms verraderlijk water. Rond Wieringen lagen banken en geulen waar een verkeerde koers, mist, ijs of storm voldoende kon zijn om een reis te laten eindigen. Voor mensen die het water kenden leverde diezelfde moeilijke ligging werk op als loods, schipper, lichterman, visser of berger.

Achter de kust lag ondertussen een heel andere aanblik. Rond Hippolytushoef, Westerland, Stroe, Oosterland, Den Oever en De Haukes stonden huizen en boerderijen. Er liep vee, melk werd verwerkt, vis schoongemaakt en hout gerepareerd. De klokken van de Hippolytuskerk en de Michaëlskerk van Oosterland galmden over het land. Langs de kust hing de zilte lucht van water en wier. Bij warm weer kwam daar de lucht van vis bij; in de winter konden mist, vorst en ijs het eiland dagenlang anders doen aanvoelen.

Vanaf het water zag een schipper die twee werelden tegelijk. Achter de lage kust lagen boerderijen en kerktorens; rondom zijn schip liep de vaarweg tussen Texel en Amsterdam. Een kaag kon vracht vervoeren die eerder in een zeeschip had gelegen. Een Wieringer kon die vracht lossen en later diezelfde week zijn vee verzorgen. Een vrouw kon een emmer dragen terwijl voor de kust een koopvaarder voorbijtrok waarvan de lading honderden of duizenden mijlen had gereisd.

In dit verhaal volgen we Wieringen tussen 1600 en 1700 vanuit beide werelden tegelijk: vanaf het schip én vanaf de wal. We volgen de loodsen en schippers, maar ook boeren, vissers, vrouwen, kinderen, predikanten, knechten en ambachtslieden. We zien wat er in de ruimen zat, waar schepen vandaan kwamen, waar mensen naartoe gingen, hoeveel voor vracht werd betaald en wat er gebeurde wanneer iemand niet terugkwam.

Zo wordt zichtbaar hoe het was om in de zeventiende eeuw op Wieringen te leven: met water aan alle kanten.

Wieringen 1600–1650 — waar een wereld vol verhalen voor anker kwam

Deel 1 — 1600–1625

Land tussen de zeilen

Rond 1600 lag Wieringen met water aan alle kanten. Op het hogere land lagen Hippolytushoef, Westerland, Stroe en Oosterland; langs de randen lagen kleinere buurtschappen als Vatrop, Westerklief en Oosterklief. Tussen de huizen stonden boerderijen en schuren, op de hogere gronden lagen akkers en in het gras liep vee. Verderop begonnen dijk, slik en water. Kleine vissers- en vrachtschuiten bewogen langs de kust; daarachter trokken grotere zeilen door het Marsdiep naar de Zuiderzee. Maurits van Nassau was stadhouder van Holland en kapitein-generaal. De Republiek vocht tegen de Spaanse koning. Op Wieringen werd ondertussen gemolken, gemaaid, gevist, gevaren en naar het weer gekeken.

Vier kerken boven het eiland

Een schipper die Wieringen naderde, kon zich aan het hoge land en de kerken oriënteren. Bij Hippolytushoef stond de oude kerk waarvan de toren deels uit tufsteen was opgetrokken. Bij Oosterland stond op de hoge rug de tufstenen Michaëlskerk met haar toren. Westerland had zijn eigen kerk en bij Stroe stond de oude, aan Willibrord gewijde kerk. Wieringen bezat deze vier kerken al eeuwen. Voor de bewoners waren het plaatsen van doop, huwelijk, prediking en begrafenis; vanaf het water waren vooral de hoge gebouwen herkenningspunten. De Michaëlskerk van Oosterland stond zo hoog dat kerk en toren als baken in het landschap werkten.

De wereld kwam door het Marsdiep

Een jongen die vanaf het hoge land naar het water keek, kon aan een voorbijgaand zeil niet altijd zien welke reis erachter lag. Een koopvaarder kon uit Danzig, Koningsbergen of Riga komen, uit Noorwegen, Engeland of Frankrijk. Vanuit het Oostzeegebied kwamen onder meer rogge en ander graan, hout, pek en teer; uit Frankrijk kwamen onder andere wijn en zout. Schepen die door het Marsdiep binnenliepen waren daarmee nog niet in Amsterdam. Voor hen lag een ondiepe Zuiderzee met platen, geulen en het Wieringer Vlaak. Een volgeladen koopvaarder stak diep. Een roeischuit, vissersschuit of kleine vrachtschuit kon veel dichter onder de Wieringer wal komen. Dat verschil gaf de eilanders werk.

Als de toren verdween

Bij helder weer kon een schipper het hoge Wieringer land blijven volgen. De torens van Oosterland, Hippolytushoef, Westerland en Stroe hielpen hem te zien waar hij zich bevond. Maar wanneer de mist vanaf het water kwam, verdween eerst het land en daarna de toren. Dan bleef alleen grijs water over. Een plaatselijke schipper kende geulen en ondiepten die een vreemde kapitein niet kende. Wind maakte het verschil nog groter. Een harde oosten- of noordoostenwind kon water wegdrukken en een toch al ondiepe passage moeilijker maken. Op het land hoorde men soms nog het geluid van de klok over Wieringen gaan, terwijl een schipper buitengaats de kerk waarvan het kwam niet meer kon zien.

Wat Wieringen zelf voortbracht

Op de boerderijen stonden koeien en schapen. Koeien leverden melk; daarvan konden boter en kaas worden gemaakt. Schapen leverden wol, vlees, huiden en mest. Uit het water kwamen vis en schelpdieren. Achter de dijken lagen gronden waar later aantoonbaar eendenkooien werden aangelegd. Een deel bleef op het eiland, een ander deel moest worden verkocht. Dan kwam het water ertussen. Een boer kon een vat boter, kaas, wol of ander goed naar een aanlegplaats brengen, maar daar hield zijn wagen op. Voor de volgende afstand was een schipper nodig. We noemen dat geen handel wanneer we preciezer kunnen zijn: iemand moest een vat, mand, zak of levend dier werkelijk in een vaartuig krijgen.

Melk in de emmer

's Morgens begon het leven niet bij de grote zeilen. Een koe moest eerst worden gemolken. In de emmer zat warme melk. Die ging naar binnen om te drinken of verder te verwerken tot boter en kaas. Bij de stal lagen stro en mest; in huis brandde een vuur waarop gekookt werd. Brood en pap behoorden tot het gewone eten. Vis die voor eigen gebruik was bestemd moest worden schoongemaakt. Wat verkocht werd mocht niet bederven. Bij warm weer ging dat snel. Aan de waterkant lag aangespoeld of verzameld wier met zijn zilte lucht. Wieringen rook niet iedere dag hetzelfde: nat hout na regen, rook bij de huizen, mest rond de boerderij, vis bij de schuit en zout water langs de kust.

Linnen, wol en natte voeten

Ook de mensen zagen er anders uit dan op latere foto's van Wieringer klederdracht. De bekende negentiende-eeuwse dracht mag niet zonder meer naar 1600 worden teruggezet. Kleding bestond in deze tijd vooral uit wol en linnen; vrouwen droegen rokken, lijfjes en hoofdbedekking, mannen onder meer broeken, buizen en kousen. Maar welke muts een bepaalde Wieringer vrouw in 1610 droeg, weten we niet. Dat verzinnen we dus niet. Voor iemand die een roeischuit door het ondiepe water trok was iets anders belangrijker: zijn kleding en schoeisel konden nat worden. In maart was dat koud. Een wollen kledingstuk dat eenmaal doornat was, bleef zwaar tot het bij het vuur weer droogde.

De schuit op de kant

Wieringen had rond 1600 niet de stenen havenhoofden en rijen pakhuizen die men in Amsterdam zag. Kleine vaartuigen konden waar bodem en kust het toelieten dicht onder de wal komen. Een roeischuit kon worden gebruikt om mensen of goederen van en naar een groter schip te brengen. Vissers gebruikten kleine vaartuigen voor hun netten en vangst; vrachtschippers hadden ruimte nodig voor zakken, tonnen en andere goederen. Bij geschikte plaatsen kon zo'n boot verder naar de kant worden gehaald. Touwen kwamen strak te staan, voeten zakten in natte grond. Een zak rogge moest droog blijven. Een mand vis moest snel weg. Een ton die uit de handen schoot kon terug het water in rollen.

Amsterdam trok schepen naar zich toe

In 1602 richtten de Staten-Generaal de Verenigde Oost-Indische Compagnie op. De grootste VOC-kamer kwam in Amsterdam; ook Hoorn en Enkhuizen kregen kamers. Vandaar vertrokken schepen naar Azië. Toch waren voor Wieringen de schepen van de Europese vaart veel alledaagser. Amsterdam had grote hoeveelheden graan nodig voor zijn bevolking, hout voor huizen en schepen, pek en teer voor de vloot en zout voor voedselbereiding en conservering. Koopvaarders kwamen uit de Oostzee, Scandinavië, Frankrijk en andere gebieden. Na de Noordzee volgde het Marsdiep. Daarna kwam het ondiepe water. Een schip kon duizenden mijlen hebben gevaren en op het laatste stuk naar Amsterdam alsnog bij Wieringen blijven steken.

De winter van 1607–1608

Dat overkwam Pieter Corneliszoon, schipper uit Hoorn. Zijn schip had in de winter van 1607–1608 bij Wieringen in het ijs vastgezeten. Toen het ijs smolt, kwam het eenmaal of tweemaal vlot. De reis leek hervat te kunnen worden. Daarna kwam de wind uit het noordoosten. Het schip werd opnieuw naar ondiep water gedreven en raakte vast. Op 24 maart 1608 zat het er nog. Bergers waren bij de zaak betrokken, maar ook zij konden het schip niet los krijgen. Daarvoor was een hoge vloed nodig. De akte noemt het vaartuig eenvoudig een schip en geeft geen betrouwbaar scheepstype. We maken er daarom geen fluit of kaag van.

Hendrick Gerbrantszoon, loodsman van Wieringen

Op 24 maart 1608 legde Hendrick Gerbrantszoon, loodsman van Wieringen, daarover een verklaring af. Hij deed dat op verzoek van Jacque Bernert, koopman in Amsterdam. Hendrick wist wat de noordoostenwind met het water had gedaan en waarom het schip van Pieter Corneliszoon niet loskwam. Zijn kennis zat in jaren kijken, varen en peilen. Hij moest weten wat wind met de waterstand deed en hoeveel vloed nodig was voordat een zware romp weer vrij kwam. Pieter kwam uit Hoorn, Bernert zat in Amsterdam en Hendrick kwam van Wieringen. Het geld kon in de stad zitten; op het ondiepe water was de kennis van een Wieringer loodsman minstens zo belangrijk.

Oorlog buiten de dijk

Hendrick leefde in een Republiek die nog oorlog voerde tegen de Spaanse monarchie. Maurits van Nassau leidde de Staatse legers; in de Zuidelijke Nederlanden regeerden aartshertog Albrecht en Isabella namens de Spaanse kroon. Voor een schipper betekende oorlog niet alleen veldslagen op het land. Schepen konden door vijanden of kapers worden genomen en ladingen konden verloren gaan. In 1609 begon het Twaalfjarig Bestand. De strijd werd tijdelijk onderbroken. Op Wieringen moest de volgende ochtend nog altijd worden gemolken en gevaren. Maar voor kooplieden en schippers kon vrede verschil maken. Tegen storm, mist, ijs en te weinig water hielp geen bestand.

De klok en de menisten

Het geluid van de klokken galmde over het land. Tegelijk leefden op Wieringen mensen die niet tot de gereformeerde kerk behoorden. De doopsgezinden, in de bronnen ook menisten genoemd, waren er al vroeg. Een dooplijst van de doopsgezinde voorganger Leenaert Bouwens uit de zestiende eeuw noemt vijfendertig Wieringers. In het oudste kerkraadsboek van Oosterland staat bovendien dat in 1611 een gemeentelid omgang had met “menisten”. Later kende Wieringen doopsgezinde vergaderplaatsen bij De Gest, Stroe en ten oosten van Hippolytushoef. De kerkklok klonk dus over een eiland waarop niet iedereen op dezelfde wijze geloofde.

Begin 1613 — een schip uit Danzig

Begin 1613 kwam Claes Harmensz van Vlieland met een volgeladen schip uit Danzig bij Wieringen in moeilijkheden. Storm en vorst kregen vat op het vaartuig. Het raakte in de grond en zonk zo laag dat men er met een roeischuit bij kon komen. Claes was volgens de verklaring verslagen van hart. Jacob Thomasz, eveneens schipper, kwam helpen. De bron noemt het schip volgeladen, maar geeft ons niet voldoende zekerheid om het ruim zelf met rogge, hout of een andere typische Danziger vracht te vullen. Dat doen we dus niet. Wat er lag was wel kostbaar genoeg om mannen onder moeilijke omstandigheden naar het wrak te laten varen.

Gerrit Cornelisz en Jan Arentsz

Twee van die mannen waren Gerrit Cornelisz van Wieringen, ongeveer 52 jaar, en Jan Arentsz van Wieringen, ongeveer 44 jaar. Zij voeren met een kleine boot naar het gezonken schip en hielpen goederen eruit halen. Volgens de verklaring gebeurde dat met groot gevaar. Daar lag geen nette kade. De roeischuit bewoog naast een veel grotere romp die door storm en vorst verloren was gegaan. Goederen moesten omhoog, over de zijde en in het kleinere vaartuig. Daarna hielpen de mannen het schip weer recht te krijgen. Het zeeschip was uit Danzig gekomen; juist de kleine Wieringer boot kon nu komen waar het grote schip niet meer varen kon.

Van Danzig via Wieringen naar Middelburg

Na het bergen van de goederen werd het schip weer rechtgebracht en naar Middelburg gevoerd. Op 3 maart 1613 kwam de zaak terecht in een Amsterdamse notariële akte van Palm Mathijsz. Dirck Lourensz, schoenmaker, en Ariaen Ariaensz traden als getuigen op. Eén voorval verbond daarmee Danzig, Vlieland, Wieringen, Middelburg en Amsterdam. De verre reis zat niet alleen in een kaart. Claes Harmensz had haar gevaren. Gerrit Cornelisz en Jan Arentsz hadden de gevolgen van de stranding met hun handen gevoeld. In Amsterdam werd later op papier gezet wat bij Wieringen op koud water was gebeurd.

Twee balen graan en een last rogge

Een andere Wieringer verklaring brengt ons nog dichter bij het ruim. Gerrit Cornelisz vertelde over twee balen graan die uit een verongelukt schip waren gered. Dat schip stond onder een schipper uit Akersloot. Ook de schout van Wieringen was bij de zaak betrokken. De twee balen werden uit het getroffen vaartuig gehaald en in het schip van Pieter Luijtgens gebracht. Daar lag bovendien een last rogge. Pieter moest de vracht naar Amsterdam brengen. Hier hoeven we niet over “graanhandel” te spreken. Twee balen graan, een last rogge, Pieter Luijtgens en Amsterdam vertellen meer. Wat bij Wieringen uit een beschadigd schip kwam, kon verdergaan naar de stad waar duizenden monden gevoed moesten worden.

Graan werd brood en pap

Waar die twee balen uiteindelijk werden gemalen vermeldt de akte niet. We sturen ze dus niet naar een verzonnen Amsterdamse bakker. Maar graan had een duidelijk doel. Rogge en ander koren werden gemalen en kwamen als brood of pap op tafel. Voor het zover was, had juist deze vracht een heel andere weg afgelegd: schipbreuk, berging, toezicht van de schout, overladen en opnieuw varen. Voor een koopman was het bezit. Voor een huishouden was het eten. Voor de mannen die een natte baal uit een beschadigd schip moesten krijgen was het vooral zwaar. Zo krijgt één last rogge meer betekenis dan het algemene woord “handel”.

12 augustus 1616 — Cornelis Buyrman

Op 12 augustus 1616 kreeg Cornelis Allertsz Buyrman van Vardorp, het huidige Vatrop, octrooi voor een eendenkooi bij Oosterland, in de Noortkooch aan de noordzijde onder de Byrdijck. Een eendenkooi bestond uit een kooiplas met vangpijpen waarin wilde eenden werden gelokt en gevangen. De kooi moest rustig liggen; verstoring bedierf de vangst. Waar Buyrman zijn eenden vervolgens verkocht, zegt deze bron niet. Daarom sturen we zijn manden niet zonder bewijs naar Hoorn of Amsterdam. Wel weten we dat eendenkooien een blijvend onderdeel van Wieringen werden. Uit de stukken van de Gravelijkheidsrekenkamer zijn achttien vergunningen voor mogelijke kooiplaatsen op het eiland bekend.

Van kooi naar waterkant

Een gevangen eend moest daarna nog worden geplukt, gegeten of verkocht. Vis moest uit een net worden gehaald. Wol moest van het schaap komen. Boter moest worden gekarnd en kaas gemaakt voordat er iets naar een koper kon. Daarmee kwamen boeren, vissers, kooikers en schippers uiteindelijk bij elkaar. Een man kon 's morgens bij zijn vee staan en later helpen een schuit te laden. Een roeischuit kon de ene dag voor plaatselijk werk worden gebruikt en de volgende dag nodig zijn bij een vreemd schip in nood. Dat maakte het eiland niet rijk zonder inspanning. Bijna alles wat geld kon opleveren moest eerst worden gevangen, gemolken, geschoren, gedragen, geladen of geroeid.

Verschillende stemmen aan de waterkant

Bij een schipbreuk konden mensen samenkomen die thuis ver van elkaar vandaan woonden. Een Wieringer sprak anders dan een Amsterdammer; een Vlielander weer anders. Op schepen uit Danzig en andere Oostzeehavens konden bovendien Duits- of Scandinavischsprekende zeelieden varen. Hoe het gesprek bij het wrak van 1613 precies klonk weten we niet. Er hoefde echter weinig taal te zijn wanneer een tros moest worden vastgezet. Een handgebaar kon genoeg zijn. Voor prijzen, eigendom en bergloon was meer nodig. Dan verschenen later koopman, schout of notaris. De mannen op het water deden eerst het werk; de woorden kwamen vaak pas daarna op papier.

1621 — de oorlog begint opnieuw

In 1621 liep het Twaalfjarig Bestand af en begon de strijd met Spanje opnieuw. In hetzelfde jaar kreeg de West-Indische Compagnie haar octrooi. Voor de Wieringer kust veranderde het water niet, maar voor koopvaarders werd de zee weer gevaarlijker door oorlog en kaapvaart. Op het eiland moest ondertussen een net worden hersteld, een koe worden gemolken en een boot dicht worden gehouden. Dat kleine werk stond niet los van de grotere wereld. Wanneer schepen wegbleven, veranderde ook het vervoer. Wanneer een schip verloren ging, wachtte ergens een koopman op vracht die niet kwam. Oorlog kon de vaart hinderen; een noordwester kon dat in één nacht eveneens doen.

1625 — Frederik Hendrik

In 1625 stierf Maurits van Nassau. Zijn halfbroer Frederik Hendrik volgde hem op als stadhouder van Holland en kapitein-generaal. Op Wieringen bleven de oude kerken boven het land staan. De Michaëlskerk keek uit over het oostelijke water, de kerk van Hippolytushoef stond op haar verhoging en bij Stroe stond de oude Willibrordkerk. Buiten voeren steeds meer schepen. Amsterdam groeide, de VOC voer naar Azië en de Oostzee bleef koren en andere goederen leveren. Voor de Wieringer loodsman of schipper bleef één zaak onveranderd: ieder groot schip dat naar Amsterdam wilde, moest eerst veilig door het ondiepe water zien te komen.

Deel 2 — 1625–1650

Een ondiepe weg naar Amsterdam

Onder Frederik Hendrik ging de oorlog met Spanje verder. Op het land volgden belegeringen en veldtochten; op het Wieringer water bleven schippers kijken naar wind, geul en diepte. Het Wieringer Vlaak lag op de route van zeeschepen die vanuit het Marsdiep verder naar Amsterdam wilden. De Zuiderzee was geen brede, overal diepe vaarweg. Een zwaar geladen koopvaarder kon te diep steken. Dan had hij weinig aan het feit dat hij de Noordzee al veilig was overgestoken. Een paar voet water konden zijn reis stilzetten. Voor Wieringer schippers lag juist daar werk. Hun kleine vaartuigen konden vracht overnemen waar de grote romp niet verder kon.

De Wieringer lichter

Zo ontstond de lichterschipperij. Een lichter was een kleiner vrachtschip waarin een deel van de lading van een diepstekende koopvaarder werd overgeladen. Daardoor kwam het grote schip hoger in het water te liggen. De lichter kon met zijn vracht naar Amsterdam varen; het grote schip kon, wanneer het voldoende gelicht was, de ondiepte passeren. Deze werkzaamheden maakten Wieringen eeuwenlang nauw met Amsterdam verbonden. Volgens de Amsterdamse stadsgeschiedenis verdiende later vrijwel de gehele mannelijke bevolking van Den Oever haar brood met de lichterschipperij. Het water dat voor een vreemde kapitein een hindernis was, was voor een Wieringer schipper werk.

Langszij

Daarvoor moesten twee schepen bij elkaar komen. De lichter ging langszij. Trossen hielden de vaartuigen bij elkaar terwijl het water beide rompen liet bewegen. Daarna ging de vracht uit het ruim. Een zak of baal moest omhoog, over de zijde en veilig in het andere schip. Tonnen en kisten vroegen ander werk. Een zak graan die in het water viel was geen klein verlies. Met iedere last die uit de koopvaarder kwam, kwam de romp iets hoger te liggen. Dat was het hele doel. De kapitein wilde naar Amsterdam. De Wieringer schipper verdiende aan precies dat stukje water dat voor de grote koopvaarder te ondiep was.

Winter 1626–1627 — de VOC ligt stil

In de winter van 1626–1627 gebeurde iets wat vanaf het eiland goed zichtbaar moet zijn geweest: een groep VOC-schepen lag achter Wieringen ingevroren. Het waren jachten, fluiten en spiegelschepen die naar Azië moesten. Onder hen lag de Galiasse, ook geschreven als Galias of Galjas. Zij was in 1627 op een Hoornse werf gebouwd voor de VOC-Kamer Hoorn, was een spiegelretourschip/fluit en had een laadvermogen van 150 last, ongeveer 300 ton. De schepen lagen zo lang vast dat een deel van hun voedsel bedierf voordat de eigenlijke zeereis goed en wel begonnen was.

Een Hoorns schip achter Wieringen

De Galiasse was dus geen naamloos groot zeil aan de horizon. Het was een Hoorns VOC-schip van circa 300 ton. Aan boord waren voedsel, water en andere voorraden nodig voor een reis die maanden zou duren. Maar eerst kwam het schip niet eens voorbij Wieringen. IJs hield de vloot vast. Mannen die naar de tropen moesten, zaten in de winterkou te wachten terwijl hun proviand achteruitging. Vanaf het hoge land kon een Wieringer de masten zien staan waar normaal schepen doorvoeren. Het verschil tussen eiland en wereldreis werd klein: Batavia lag duizenden mijlen verderop, maar de eerste vijand van de reis was eenvoudig Nederlands winterijs.

19 maart 1627 — eindelijk naar Batavia

Op 19 maart 1627 vertrok de Galiasse vanaf Texel naar Batavia. De schipper was Reinier Jansz. Palsrok. Aan boord bevond zich heimelijk Jan Pieterszoon Coen, die opnieuw gouverneur-generaal in Azië moest worden. Op 1 april werd zijn aanwezigheid aan boord bekend. De Galiasse voer via Kaap de Goede Hoop, waar zij op 6 juli aankwam en op 22 juli weer vertrok. Op 27 september 1627 bereikte het schip Batavia. Hetzelfde schip dat maanden eerder achter Wieringen onbeweeglijk in het ijs had gelegen, lag ruim een halfjaar later aan Java.

Bedorven proviand

Het wachten had een prijs. Een deel van het voedsel was al bedorven voordat de vloot goed op weg was. Daarna kwamen slecht weer en zieken. Zo zag een VOC-reis er aan het begin uit: geen kisten specerijen en geen rijke thuiskomst, maar een schip vol mensen, water, voedsel, touwwerk en voorraden die maanden mee moesten. Wat bedierf kon onderweg niet eenvoudig opnieuw in een winkel worden gekocht. Een Wieringer die in de winter naar de vastgevroren masten keek, kon niet weten wie van die mannen Batavia zou halen. Zelfs Jan Pieterszoon Coen, een van de machtigste mannen van de VOC, moest wachten tot het ijs hem liet gaan.

Het jacht Wieringen

In hetzelfde jaar 1627 liet de VOC-Kamer Amsterdam op een Amsterdamse werf een jacht bouwen dat de naam Wieringen kreeg. Het laadvermogen bedroeg ongeveer 120 ton, of 80 last. Een jacht was kleiner en beweeglijker dan de grote retourschepen en kon voor verschillende taken in Aziatische wateren worden gebruikt. Het was geen schip dat op Wieringen was gebouwd en we kennen uit deze gegevens geen Wieringer bemanning. Alleen de naam verbond het met het eiland. Maar die naam zou ver komen. Terwijl op het echte Wieringen koeien werden gemolken en lichters naar koopvaarders voeren, voer het Amsterdamse jacht Wieringen in Aziatische wateren.

Naar het koude noorden

Andere schepen kozen juist de noordelijke route. Sinds 1614 speelde de Noordsche Compagnie een belangrijke rol in de Nederlandse walvisvaart naar Spitsbergen en andere noordelijke vangstgebieden. Zulke reizen vroegen schepen, sloepen, harpoenen, vaten en veel proviand. De bemanning voer naar kou en ijs om walvissen te zoeken. Voor Wieringen houden we hier de teugel strak: niet iedere Groenlandvaarder voeren we zonder bewijs langs het eiland en voor deze eerste decennia hebben we nog geen Wieringer commandeur die stevig genoeg in de bronnen staat. Maar door het Marsdiep voeren inmiddels schepen waarvan de reis zowel naar warme Aziatische zeeën als naar het poolgebied kon leiden.

De meeste schepen gingen minder ver

Tussen die opvallende reizen voeren veel gewonere schepen. Schippers bewogen tussen Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen, Friesland, Texel en andere havens rond Zuiderzee en Wadden. Zij vervoerden voedsel, bouwmaterialen, mensen en kleinere vrachten. Juist van hen kennen we minder namen. Een schipper die veilig vertrok, aankwam, loste en betaald werd, hoefde niet voor een notaris te verschijnen. Een man die strandde wel. Daarom zitten oude archieven vol storm, schuld en schipbreuk. Tussen die stukken lagen honderden reizen waarover niemand een verklaring hoefde af te leggen. Ze waren voor de tijdgenoten te gewoon om uitvoerig op papier te zetten.

De Michaëlskerk bleef staan

Boven dat verkeer bleef de Michaëlskerk van Oosterland staan. De kerk was van tufsteen en lag op een hoge natuurlijke rug. Haar ligging maakte haar tot een herkenbaar punt voor schepen. Verder westelijk stond bij Hippolytushoef de oude kerk waarvan de toren gedeeltelijk uit tufsteen bestond. De kerk die daar rond 1625 stond was nog niet het huidige bakstenen schip: een zware storm zou het gebouw pas in 1674 verwoesten, waarna in 1676 een nieuwe kerk werd gebouwd. Wie dus in onze periode vanaf het water naar Hippolytushoef keek, zag nog de oudere kerk. Dat kleine verschil hoort bij het landschap van dit verhaal.

2 juni 1636 — de andere Wieringen

Ver van die kerk, bij Malakka, kwam het VOC-jacht Wieringen op 2 juni 1636 in gevecht. Vicecommandeur Orlando Thibault was met de jachten Couckercken, Wieringen en Bardes naar het noorden gestuurd. Voor Malakka troffen zij Portugese schepen. Er werden ongeveer zestig schoten gelost. Tijdens het gevecht werd de Wieringen getroffen en ging verloren. Een VOC-bron uit 1636 bevestigt de aanwezigheid van het jacht in deze strijd; latere scheepsgegevens geven 2 juni als datum van de ondergang. Slechts veertien opvarenden zouden zijn gered.

Dezelfde naam, een andere wereld

Op het eiland Wieringen stond die dag de oude Michaëlskerk nog boven Oosterland. Wat het weer er op 2 juni 1636 deed weten we niet, dus laten we de lucht leeg. Bij Malakka klonken kanonnen en brandde een schip dat de naam van het eiland droeg. De mensen thuis hoorden daar niets van. Nieuws uit Azië deed er maanden over. Misschien kende geen enkele Wieringer een man aan boord. Dat weten we niet. Juist daardoor is het beeld sterk genoeg: op een kaart lagen Oosterland en Malakka bijna aan weerszijden van de wereld, maar dezelfde naam stond op beide plaatsen — Wieringen.

1640 — de Oranje Boom

Vier jaar later lag de verre wereld werkelijk voor de Wieringer kust. In 1640 bevond het schip de Oranje Boom, onder schipper Frans Christiaensz, zich bij Wieringen. Goederen moesten uit het schip worden gehaald en gered. Een groep kooplieden gaf Maurits Reijerssoon volmacht om hun bezit aan te nemen en verder te laten vervoeren. Ditmaal weten we precies wat er in het ruim lag. De lijst is lang: peper, kaneel, suiker, oud koper, klokspijs, bladkoper, plaatlood, erwten, boter, tabakspijpen, zaadmeel, nootmuskaat, kamferhout, vet, menie en andere waren.

Vier balen peper

De akte maakt het nog tastbaarder. Er waren vier balen peper, acht tonnen oud koper, stukken klokspijs, dertig bladen bladkoper, twee kinnetjes boter, zes rollen plaatlood en vier balen erwten. Verder kwamen poedersuiker, antimonium, tabakspijpen en andere goederen voor. Elders in dezelfde lijst staan drie balen kaneel, zes kisten suiker, een vat nootmuskaat en een vat kaneel. Een Wieringer hoefde nooit in Azië te zijn geweest om een baal peper of een vat nootmuskaat te zien. Soms kwam zo'n wereld tot vlak onder zijn eigen kust, niet als verhaal maar als een beschadigd schip waarvan de vracht gered moest worden.

270 zakken zaadmeel

Tussen de kostbare waren lag een vracht die vooral zwaar was: twintig lasten zaadmeel, verpakt in 270 zakken. Verder noemt de akte 2.606 pond kapoenenvet, ongeveer 8.000 pond kamferhout, verschillende pakken vet en allerlei kisten, vaten en balen. Een koopman kon in zijn boek twintig lasten schrijven. Aan boord bestonden die lasten uit zakken die stuk voor stuk verplaatst moesten worden. Een man pakte vast, een ander hees of trok, een derde nam de zak aan. Het schip bewoog onder hun voeten. Zo zag het redden van een grote vracht eruit: niet één handeling, maar honderden keren bukken, tillen, hijsen en neerzetten.

De mannen achter de vracht

Ook de eigenaren komen uit de akte tevoorschijn. Onder de kooplieden waren Jan te Gouche, Pr. Goethals, Jacob van Blocklant, A. Robbers, Caffert de Jonge, Cornelis van Hofflant, Jacob de Boijer en François Visscher. Zij machtigden Maurits Reijerssoon om hun goederen uit de Oranje Boom aan te nemen en verder te laten brengen. In een tweede stuk verleenden Pieter Grethes Jacle en Robbert Cafferte hem eveneens volmacht voor het uitladen en redden van goederen uit het schip van Frans Christiaensz. Tussen koopman en baal peper stonden dus schipper, gemachtigde, bootsvolk en de mannen die het zware werk uitvoerden.

Het ruim

We hoeven niet te verzinnen hoe de Oranje Boom rook. De akte vertelt dat niet. Maar we weten nu wel wat iemand kon vastpakken: een zak zaadmeel, een baal peper, een vat, koper, lood, een kist suiker. Sommige goederen waren met merken aangeduid omdat verschillende kooplieden eigenaar waren. Bij het lossen moest daarom niet alleen sterk maar zorgvuldig worden gewerkt. Een verkeerde kist bij de verkeerde partij kon later ruzie geven. En ergens tussen al die exotische waren lagen twee kinnetjes boter. Dat kleine detail brengt de verre koopwaar ineens dicht bij het gewone eten. Peper en kaneel kwamen van ver; boter kende iedere Wieringer van thuis.

Van boerderij naar vreemd ruim

Diezelfde dag kon aan land een koe worden gemolken. Een visser kon zijn netten nakijken. In een eendenkooi moest stilte heersen. Voor de kust lagen ondertussen goederen die van honderden of duizenden mijlen ver konden komen. Dat contrast hoeft niet mooier gemaakt te worden. De Wieringer die een zak of vat hielp redden werd daardoor geen wereldreiziger. Hij deed zijn werk en ging daarna weer naar huis. De volgende ochtend wachtte misschien een eigen schuit, een stuk land of vee. Juist daarin zat het bijzondere van Wieringen: de grote vaart kwam niet iedere dag aan de deur, maar zij kon ieder ogenblik vlak voor die deur vastlopen.

20 januari 1642 — Aris Pietersz

Sommige Wieringers gingen zelf naar de stad. Op 20 januari 1642 werd Aris Pietersz, afkomstig van Wieringen, in de Amsterdamse poorterboeken ingeschreven. Zijn beroep werd genoteerd als varensman. Daarmee krijgen we eindelijk een Wieringer die niet alleen naast een vreemd schip stond, maar zelf beroepsmatig voer en zich in Amsterdam vestigde. De verbinding tussen eiland en stad bestond dus niet alleen uit goederen. Mensen verhuisden mee. Wieringers werkten in Amsterdam onder meer in beroepen die met varen en vervoer te maken hadden. De stad trok hen aan, maar de route naar huis bleef over hetzelfde water lopen waar hun familie en dorpsgenoten voeren.

De vrouwen bleven niet buiten het werk

In de scheepvaartakten staan vooral mannen: Hendrick Gerbrantszoon, Gerrit Cornelisz, Jan Arentsz, Pieter Luijtgens, Frans Christiaensz. Dat komt door het soort stukken dat bewaard bleef. Op het eiland werd ondertussen ook door vrouwen gewerkt. Melk moest worden verwerkt, voedsel bereid, kleding gewassen en hersteld, kinderen verzorgd en werk rond erf en vee gedaan. Maar hier houden we dezelfde regel: zonder naam maken we geen verzonnen Wieringer boerin van wie we zogenaamd precies weten wat zij op een dinsdag in 1638 deed. Zodra een boedel, testament of verkoopakte een vrouw bij naam noemt en vertelt wat zij bezat of deed, krijgt zij dezelfde plaats als de mannen.

1647 — Frederik Hendrik sterft

In 1647 stierf Frederik Hendrik. Zijn zoon Willem II volgde hem op. Een jaar later kwam met de Vrede van Münster van 1648 een einde aan de Tachtigjarige Oorlog en werd de Republiek door Spanje erkend. Voor de scheepvaart verdween daarmee een oude vijand, maar het Wieringer water bleef hetzelfde. Een vrede tilde geen koopvaarder over het Vlaak. Een verdrag maakte een storm niet minder hard. De lichterschipper moest nog steeds langszij komen wanneer een schip te diep lag. De loodsman bleef naar wind en water kijken. Boven Oosterland bleef de Michaëlskerk staan en over het land bleef het geluid van de klokken gaan.

1650 — vijftig jaar later

In 1650 stierf Willem II, pas vierentwintig jaar oud. Holland kreeg voorlopig geen nieuwe stadhouder. Een halve eeuw was voorbij. In die vijftig jaar had Pieter Corneliszoon uit Hoorn bij Wieringen vastgezeten; Hendrick Gerbrantszoon had als Wieringer loodsman verklaard waarom zijn schip niet loskwam; Gerrit Cornelisz en Jan Arentsz hadden bij een Danziger schip goederen geborgen; Pieter Luijtgens had twee balen graan en een last rogge naar Amsterdam gebracht; Cornelis Allertsz Buyrman had zijn eendenkooi bij Oosterland gekregen. VOC-schepen hadden achter Wieringen in het ijs gelegen en Aris Pietersz was als varensman naar Amsterdam vertrokken.

Met water aan alle kanten

En 's morgens kwam er nog altijd melk in een emmer. Een visser keek naar de lucht voordat hij zijn schuit losmaakte. In Oosterland stond de Michaëlskerk boven het hoge land; in Hippolytushoef de oude kerk met haar tufstenen toren; bij Stroe de aan Willibrord gewijde kerk. Aan de waterkant lag wier met zijn zilte lucht. Buiten voeren mannen uit Hoorn, Amsterdam, Vlieland en soms van veel verder weg. Meestal zag een Wieringer alleen hun zeilen voorbijgaan. Maar wanneer ijs een schip vasthield, een kiel de grond raakte of 270 zakken zaadmeel uit een ruim moesten, kwam die verre wereld naar hem toe. Dan stapten mannen van Wieringen in hun roeischuit en gingen erheen.

Deel 3 — 1650–1675 — Mensen tussen eiland en stad

De wereld kwam langs de kust

Op een heldere dag kon een jongen vanaf de hoge Wieringer grond meer van de wereld zien dan zijn voeten ooit hadden bereisd. Over het water trokken fluiten, kagen, smakken, lichters en vissersschepen. Sommige kwamen uit Amsterdam, Hoorn of Enkhuizen, andere hadden de Oostzee achter zich. In 1650 was Willem Reijndertsz van Wieringen vijftien jaar en werd hij al stuurman genoemd op de Noortkoppen. Hij had Stockholm gezien. Daar waren driehonderd koperen ringen ingenomen die naar Amsterdam gingen. Terwijl op Wieringen koeien werden gemolken en netten gedroogd, voer een Wieringer jongen tussen Zweden en Holland. Het eiland lag met water aan alle kanten, maar dat water liep naar overal.

Amsterdam lag aan het einde van het water

Voor veel Wieringer varenslieden was Amsterdam geen naam uit verhalen. Aris Pietersz van Wieringen werd er op 20 januari 1642 als poorter ingeschreven; achter zijn naam stond varensman. Mannen als hij kwamen tussen honderden schepen, sjouwers, kooplieden en zeelieden terecht. De stad had hout nodig, graan uit de Oostzee, wijn uit Frankrijk en waren uit de verre handelswereld. Voor de kust van Wieringen voeren zulke vrachten voorbij. Een diep geladen koopvaarder kon op het ondiepe water niet altijd verder. Dan kwamen lichters langszij en werd een deel van de lading overgenomen. Zo verdienden Wieringers aan dezelfde goederen die de Amsterdamse pakhuizen vulden.

De Wieringer lichter

Omstreeks 1652–1654 tekende Reinier Nooms, Zeeman een Wieringer lichter. Op zijn prent staat geen trots oorlogsschip, maar een werkvaartuig. Een man peilt met het lood; naast het schip ligt een kleine boot. Dat was het soort werk waarop kennis van geulen, banken en waterdiepte geld waard werd. Een schipper kon met zijn mannen naar een zwaar geladen koopvaarder varen, vastmaken en zakken, vaten of andere vracht overnemen. Daarna lag zijn eigen vaartuig dieper. Touw werd nat, handen werden rauw en een zak die openscheurde betekende verlies. Achter die arbeid zaten Amsterdamse kooplieden die hun vracht zo snel mogelijk in de stad wilden hebben.

Wat zat er in het ruim?

Dat kon van alles zijn. Rogge en ander graan uit het Oostzeegebied, hout uit Scandinavië, wijn uit Frankrijk en kostbare koloniale waren die via Amsterdam werden verhandeld. Niet ieder schip voor Wieringen had dezelfde lading en niet iedere Wieringer lichter voer rechtstreeks voor de VOC. Juist dat onderscheid moet zichtbaar blijven. Een VOC-retourschip kon via Texel en het Marsdiep naar de Zuiderzee komen, maar daarnaast voeren honderden gewone koopvaarders en binnenschepen. De jongen aan de wal zag aan een zeil niet altijd wat diep beneden zijn voeten lag: graan voor brood, hout voor huizen en schepen, wijn in vaten of koopwaar waarvoor in Amsterdam al geld was voorgeschoten.

Het eiland leverde zelf ook wat

De beweging ging niet alleen richting Wieringen. Van het eiland kwamen vee, boter, kaas, wol, vis en eenden uit de kooien. De eendenkooi was geen aardigheid voor een landheer, maar kon geld opleveren. Gevangen eenden werden voor consumptie verkocht en moesten uiteindelijk naar kopers en markten. Vis moest eveneens snel worden afgezet; op warme dagen bleef hij niet wachten. Kaas en boter hielden langer, maar ook die werden gemaakt om gegeten én verkocht te worden. Een mand vis, een partij eenden of Wieringer zuivel kon daarom dezelfde waterweg nemen als een varensman: eerst van het eiland, vervolgens verder naar een markt of handelaar aan de wal.

De geur van wier en vis

Aan de waterkant rook Wieringen niet naar één ding. Bij laag water lag wier bloot en hing een zilte lucht langs de kust. Vis rook scherper wanneer hij uit netten werd gehaald of te lang in de warmte lag. Bij de boerderijen kwamen mest, rook en vee erbij. In de zomer stonden mensen te zweten bij hun werk; in het najaar trok regen door wol en linnen en werd grond tot modder gelopen. Een schipper die na Amsterdam terugkwam hoefde niet naar een bord te kijken om te weten dat hij thuis was. Achter het zilte water kwamen de geuren van land, rook en vee hem tegemoet.

Alles moest onderhouden worden

Een eiland met honderden huizen kon niet bestaan uit boeren en schippers alleen. Een dak verloor riet in een storm. Een deur zakte uit zijn hengsels. Een wagenwiel brak en een roeiboot begon te lekken. Er waren timmerlieden, smeden en mensen die daken en boerderijen konden herstellen, ook wanneer hun namen voor deze jaren nog niet uit de Wieringer bronnen zijn gehaald. De smid had houtskool of brandstof en ijzer nodig; de timmerman hout. Dat kwam niet allemaal van Wieringen zelf. Een ijzeren haak die aan een Wieringer schuur hing kon daardoor een langere reis achter de rug hebben dan de boer die hem dagelijks gebruikte.

Een jongen kon weggaan

Een zoon hoefde niet zijn hele leven naast zijn vader te blijven staan. In de zeventiende-eeuwse Republiek was het gewoon dat een leerling bij een meester een ambacht leerde. In steden konden gilden zelfs voorschrijven hoeveel jaren zo'n leertijd duurde. Voor een Wieringer jongen betekende gespecialiseerd werk daarom soms vertrekken. We hebben nog geen akte waarmee we een met naam bekende jongen uit Hippolytushoef in 1660 naar een bepaalde Zaanse scheepswerf mogen sturen. Maar Zaandam en de Zaanstreek trokken juist in deze eeuw scheepstimmerlieden, molenwerkers en andere knechten. Een Wieringer die daarheen ging, hoefde niet voorgoed van Wieringen verdwenen te zijn.

Werk hield familie niet tegen

Een man kon in Amsterdam varen en zijn moeder, broer of toekomstige vrouw op Wieringen hebben. Dan ging hij terug wanneer werk, wind en geld dat toelieten. Familie kwam ook naar het eiland. Bezoek betekende alleen meer moeite dan een wandeling naar het volgende dorp. Eerst moest iemand een vaartuig vinden en zijn kist, mand of bundel meenemen. Bij tegenwind duurde de tocht langer. In mist werd de wereld klein. Bij zwaar weer kon vertrek worden uitgesteld. Een bezoeker die 's avonds naar huis wilde kon niet eenvoudig de landweg nemen. Wanneer er niet meer werd gevaren, bleef er water tussen hem en zijn eigen bed liggen.

Een schuit bracht meer dan mensen

Wie van Hoorn, Enkhuizen, Medemblik of Amsterdam terugkwam, kon spullen meenemen. Geen verzonnen boodschappenlijst, maar dingen die een eiland niet allemaal zelf voortbracht: hout, ijzerwerk, aardewerk, textiel en ander vervaardigd goed. Een vrouw kon iemand geld meegeven voor iets dat thuis nodig was. Een timmerman wachtte op materiaal. Een smid had ijzer nodig. Een gebroken pot moest worden vervangen. Het goed kwam in een schuit of ander vaartuig, werd bij Wieringen uitgeladen en verder naar huis gedragen. Een eenvoudige pot op tafel verbond een Wieringer keuken zo met pottenbakker, handelaar, schipper en markt aan de overkant.

Ook geld voer heen en weer

Voor geldzaken hoefde op Wieringen geen bankgebouw te staan. Mensen leenden geld, verkochten op krediet, stelden schuldbekentenissen op en konden bezit als zekerheid gebruiken. In Amsterdam bestond sinds 1609 de Wisselbank; vanaf 1643 moesten daar bepaalde van buiten de stad getrokken wissels van ƒ300 of meer worden verrekend. Dat was vooral de wereld van grotere kooplieden, niet van iedere Wieringer boer. Maar wanneer een Amsterdamse koopman een lading financierde die vervolgens voor Wieringen moest worden gelicht of daar verging, stonden Wieringer handen ineens aan het uiteinde van een keten van krediet, vrachtgeld, verzekering en handel.

Wanneer het misging

Op het water hoefde maar weinig verkeerd te gaan. Een blok schoot los, een haak gleed weg of een man kreeg hout tegen zijn been. Een diepe snee werd vuil van touw, vis, hout en water. Voor iedere wond kon men onmogelijk eerst naar Amsterdam varen. Chirurgijns behandelden in deze tijd wonden, breuken en andere kwalen; voor Wieringen moeten we hun zeventiende-eeuwse namen nog vinden. Bij bevallingen waren vroedvrouwen belangrijk. In Noord-Holland konden zij beëdigd zijn, een beroepsopleiding hebben gevolgd en voor hun werk worden betaald. Veel van hen konden zelfs schrijven. Zulke mensen hoorden bij dezelfde werkende wereld als schipper, smid en timmerman.

De kerk bleef hoorbaar

Boven dat dagelijkse rumoer klonken de klokken van de dorpskerken. In Hippolytushoef stond de Hippolytuskerk, in Oosterland de Michaëlskerk. Hun torens waren niet alleen kerkelijk herkenningspunt; vanaf het water hielpen kerken en hoge punten schippers zich te oriënteren. Op zondag kwamen mensen binnen die de rest van de week heel verschillend hadden gewerkt: boer, varensman, visser, vrouw, knecht of bestuurder. Een man kon kort daarvoor nog in Amsterdam hebben gezeten. Een ander had weken op zee doorgebracht. Buiten bleef het water bewegen. Dezelfde kerktoren die iemand tijdens de dienst boven zich wist, kon hem dagen later vanaf een schip vertellen waar Wieringen lag.

1665 — trouwen tussen Wieringen en Amsterdam

In 1665 wilde de Wieringer schipper Jacob Hendricxe in Amsterdam trouwen met Elsie Quirijns. Op 6 juni werd hun voorgenomen huwelijk daar ingeschreven. Jacobs oude woonplaats bleef meetellen: ook op Wieringen moest zijn huwelijk worden afgekondigd. Dat ene huwelijk laat zien hoe mensen tussen eiland en stad leefden. Jacob vond zijn vrouw in Amsterdam, maar kon zijn Wieringer verleden niet eenvoudig achter zich laten. Familie, kennissen en kerkelijke regels liepen over hetzelfde water als zijn werk. Liefde kon in Amsterdam beginnen en toch nog een boodschap naar Wieringen nodig hebben voordat er getrouwd mocht worden.

Een bruiloft bracht leven

Een bruiloft betekende mensen bij elkaar, eten, drinken, praten en familie zien. Wanneer verwanten van buiten kwamen, moesten ook zij overvaren. Nette kleding ging mee in een kist of bundel. Iemand bracht misschien een geschenk. Er werd nieuws uitgewisseld en jongelui ontmoetten mensen die zij niet iedere dag zagen. Hoe een bepaalde Wieringer bruiloft uit 1665 precies verliep weten we niet, dus daar zetten we geen verzonnen muzikant in de kamer. Maar er werd niet alleen gewerkt en gebeden. Mensen dronken, maakten plezier, kregen ruzie, werden verliefd en zochten elkaars gezelschap. De volgende ochtend moesten koeien desondanks weer worden gemolken.

De oorlog kwam voorbij

Intussen was de Republiek voortdurend in oorlog. Tijdens de Eerste Engelse Oorlog, 1652–1654, en opnieuw tijdens de Tweede Engelse Oorlog, 1665–1667, werd de Noordzee gevaarlijker. Koopvaarders konden worden genomen en konvooien werden belangrijker. Wieringen lag achter het Marsdiep aan de route naar Amsterdam en kreeg de gevolgen daardoor niet alleen uit verhalen mee. Een varensman kon werk verliezen, later thuiskomen of op een gewapend schip terechtkomen. Vrouwen wachtten op mannen van wie wekenlang geen bericht kwam. Een kind dat vanaf Wieringen zeilen aan de horizon zag, keek in oorlogstijd naar hetzelfde water, maar niet naar dezelfde wereld.


Deel 4 — 1675–1700 — Het eiland en de grote wereld

De schepen bleven komen

Na 1675 werd het voor de kust niet rustiger. Amsterdam was een van de grootste handelssteden van Europa. Schepen kwamen uit de Oostzee, Frankrijk, Spanje, de Middellandse Zee en verder weg; VOC-schepen keerden uit Azië terug en walvisvaarders voeren naar het hoge noorden. Niet al die schepen passeerden vlak onder dezelfde Wieringer kust en niet allemaal hadden Wieringer bemanningen. Maar de vaarweg via Texel en het Marsdiep naar de Zuiderzee bracht de internationale scheepvaart in de nabijheid van het eiland. Daarnaast voeren kagen, smakken, vissersvaartuigen en lichters hun veel gewonere werk. De grote wereld kwam niet eenmaal per jaar voorbij. Zij voer tussen het dagelijkse verkeer door.

Een schip uit Indië

Een terugkerend VOC-schip was een ander gezicht dan een Wieringer lichter. Hoog boven het water stonden de boorden en masten. In het ruim konden peper, specerijen, textiel en andere Aziatische goederen liggen die voor de Amsterdamse markt bestemd waren. De bemanning had maanden op zee doorgebracht. Ziekte en sterfte hoorden bij zulke reizen. Wanneer zo'n zwaar schip eenmaal door het Marsdiep binnen was, was Amsterdam nog niet bereikt. De ondiepe Zuiderzee bleef een probleem. Dat maakte de wereld van de grote compagnie afhankelijk van veel kleinere vaartuigen en van schippers die deze binnenwateren beter kenden dan een kapitein die uit Azië terugkeerde.

Walvisvaarders de andere kant op

In het voorjaar konden ook schepen noordwaarts trekken voor de walvisvaart. Amsterdam en Noord-Holland waren nauw bij die bedrijfstak betrokken. Ze gingen niet naar Batavia maar richting Spitsbergen en de noordelijke vangstgebieden. Aan boord zaten commandeurs, stuurlieden, harpoeniers en gewone zeelieden. Hun werk eindigde met spek en balein die in Holland geld waard waren. Voor een Wieringer jongen aan de waterkant was het verschil niet alleen de bestemming. De één voer maanden naar Azië, de ander naar ijs en walvissen, een derde bleef met zijn lichter tussen Wieringen en Amsterdam. Alle drie konden op hetzelfde water zichtbaar worden.

De binnenschipper bleef onmisbaar

Tussen die grote reizen door voer de binnenschipper. Zijn schip was minder indrukwekkend, maar zijn werk kwam dichter bij het Wieringer huishouden. Hij bracht goederen tussen plaatsen rond de Zuiderzee, nam mensen mee en zorgde dat kleine partijen hun bestemming bereikten. Hoorn, Enkhuizen, Medemblik en Amsterdam vormden met kleinere plaatsen een netwerk waarin water vaak gemakkelijker was dan een slechte landweg. Wieringen hoorde daarbij. Een mand, kist, zak of passagier hoefde geen eigen schip te hebben. Er was altijd iemand die voer, mits weer en water het toelieten en er iets aan de vracht te verdienen viel.

Mensen kwamen eveneens naar Wieringen

Niet iedere vreemde mast verdween voorbij de horizon. Mensen kwamen naar het eiland om er te werken, familie te bezoeken of een ambt te vervullen. In 1681 werd Nanning Berckhout predikant van Hippolytushoef en Westerland. Hij bleef tot 1705. Voordat hij er kon preken moest hij eerst Wieringen bereiken. Zijn boeken en persoonlijke bezittingen kwamen eveneens over water. Daarna stond een man die van buiten kwam voor Wieringer gezinnen bij doop, huwelijk en begrafenis. Ook doopsgezinde leraren kwamen van elders. Het geloof zelf reisde dus mee met mensen die afhankelijk waren van een schipper om hun gemeente te bereiken.

De vreemde stem in het dorp

Zo moet op Wieringen regelmatig andere spraak te horen zijn geweest. Een Amsterdammer klonk anders dan een Wieringer; iemand uit Friesland of een zeeman uit een vreemd land weer anders. Op passerende schepen konden Nederlands, Fries, Duits, Scandinavische talen en andere zeemanstalen klinken. Niet iedere vreemdeling liep het eiland op, maar sommigen deden dat wel. In een herberg, bij het water of tijdens zaken kon een Wieringer iemand horen die zijn woorden anders uitsprak. Het eigen dialect maakte het eiland herkenbaar, maar het was geen muur. Een Wieringer varensman die jarenlang tussen andere zeelieden voer, bracht zelf woorden en uitdrukkingen mee terug.

Een man kwam thuis uit Amsterdam

Zijn boot liep naar de wal. Eerst ging een touw naar iemand op het land. Daarna moesten de spullen eruit. De man die uitstapte rook naar schip, rook en dagenlang gedragen kleding. Misschien had hij weken in Amsterdam gewerkt. In zijn kist zat zijn eigen goed en mogelijk iets dat thuis nodig was. Een kind kende hem onmiddellijk; een kleiner kind misschien niet. Zijn vrouw wilde weten wie hij had gezien en wanneer hij weer weg moest. Hij vertelde dat een schip was binnengekomen, dat iemand werk had gevonden of dat een bekende ziek was. Amsterdam kwam zo 's avonds aan tafel zonder dat iemand in dat huis de stad had gezien.

Niet iedereen werkte thuis

Een Wieringer kon varen, tijdelijk in Amsterdam werken of elders een ambacht leren. Een jongen kon knecht worden en bij een meester wonen. Een ervaren zeeman ging waar een schip bemanning zocht. Dat betekende dat sommige huishoudens delen van het jaar mannen misten. Vrouwen hielden ondertussen huis en bedrijf gaande, verzorgden kinderen, verwerkten melk, herstelden kleding en deden ander werk dat niet kon wachten. Een terugkerende man bracht loon mee, maar ook een extra mond. Daarna kon hij opnieuw vertrekken. Voor sommige gezinnen was afscheid geen uitzonderlijke gebeurtenis maar een terugkerend onderdeel van het jaar.

De boerderij vanaf het schip

Wie dicht genoeg langs Wieringen voer, keek niet alleen naar kerktorens. Achter de kust lagen boerderijen en land waarop mensen werkten. Er liepen koeien en schapen. Gras werd gemaaid en hooi binnengehaald. Vrouwen en mannen bewogen tussen huis, erf en land. Op warme dagen hing stof en de zware lucht van vee rond het erf; na regen werd de grond nat en kleverig. Een Amsterdamse schipper zag dat maar even voordat Wieringen achter hem verdween. Voor de mensen op het land was het andersom. Zij keken op van hun werk en zagen een schip dat misschien uit een haven kwam waar zij nooit geweest waren.

Eenden gingen naar de markt

In de eendenkooien werd wild gevogelte gevangen. Dat leverde vlees voor verkoop op. Een kooiker werkte stil: te veel lawaai joeg zijn vangst weg. Daarna begon juist beweging. Eenden die voor de handel bestemd waren moesten naar een koper. Net als vis, boter, kaas en ander overschot van het eiland vonden zij hun weg naar de wal. Daarmee stond zelfs een stille Wieringer kooi in verbinding met markten buiten het eiland. Een stadsmens die een eend kocht hoefde nooit te weten waar het dier gevangen was; op Wieringen wist de kooiker precies hoeveel arbeid eraan vooraf was gegaan.

Vis wachtte niet

Met vis was haast geboden. Op een koude dag hield de vangst zich beter; in zomerse hitte begon hij snel te ruiken. Vis moest worden gesorteerd, verwerkt, gegeten of verkocht. Handen werden glibberig, kleding kreeg de lucht mee. Meeuwen kwamen op afval af. Een mand die voor verkoop bestemd was moest zo snel mogelijk verder. Windstilte was dan geen romantisch weer. Zonder goede voortgang verloor de vangst waarde. Zo bepaalde het weer niet alleen of iemand nat werd. Wind, temperatuur, stroming en ijs konden rechtstreeks bepalen hoeveel geld een dag werken uiteindelijk opleverde.

Winter

In de winter veranderde dezelfde kust. Water sloeg koud tegen de boot, touw werd stijf en natte handen verloren hun gevoel. Mist kon Wieringen en de overkant uitwissen. Erger was ijs. In 1689 verongelukte de Jago bij Wieringen tijdens ijsgang. Grote schepen liepen gevaar, maar voor een klein vaartuig betekende ijs eveneens ellende. Een predikant van buiten, een familielid dat naar huis wilde of iemand die goederen verwachtte kon worden opgehouden. Dan voelde men het eiland sterker. Niet omdat de buitenwereld verdwenen was, maar omdat zij plotseling moeilijker bereikbaar werd.

In de zomer brandde de zon

Een paar maanden later kon het dek heet zijn. Teer werd zacht, water in een ton lauw en een man die zwaar werk deed trok zijn bovenkleding uit als hij kon. Op het land moest hooi binnen voordat het weer omsloeg. Vrouwen werkten met melk die in warmte sneller bedierf. Vis vroeg haast. Kinderen liepen buiten en zagen zeilen op het water. De seizoenen veranderden daarom ook het verkeer. Zomer bracht andere arbeid en andere geuren dan winter. Het eiland bleef liggen waar het lag, maar de wereld eromheen kreeg iedere paar maanden een ander gezicht.

De smid kreeg een zeeman binnen

Een schipper kwam met een kromgeslagen stuk ijzer. De smid legde het in het vuur en wachtte tot het heet genoeg was. Dan klonk de hamer. Misschien vertelde de zeeman ondertussen waar hij vandaan kwam. Geen groot verhaal over de Republiek, maar dat er in Amsterdam weinig werk was, dat een schip te laat binnenkwam of dat iemand uit het dorp daar nog gezond was gezien. Zo liepen beroep en nieuws door elkaar. Bij timmerman, herbergier en aan de waterkant gebeurde hetzelfde. Wie veel mensen zag, hoorde veel. Een eiland zonder krant op iedere tafel kon toch uitstekend weten wat er buiten gebeurde.

Naar de wal voor zaken

Soms moest iemand zelf gaan. Een schuld moest worden geregeld, een koop gesloten, een partij goederen betaald of een familiekwestie afgehandeld. Daarvoor bestonden notarissen en plaatselijke gerechten; grotere handelszaken konden iemand naar Amsterdam, Hoorn of Enkhuizen voeren. De zeventiende-eeuwse economie draaide voor een belangrijk deel op persoonlijk vertrouwen en papier: schuldbekentenissen, leningen, borgstellingen en afspraken. Een man kon 's morgens nog tussen zijn eigen vee staan en enige tijd later tegenover een notaris of koopman zitten. Daarna ging het papier in zijn kleding of kist en begon de reis naar Wieringen opnieuw.

De herberg hoorde erbij

Na zaken of een reis werd er gegeten en gedronken. De herberg was geen keurige wachtkamer. Schippers, reizigers en plaatselijke mannen konden er zitten, praten, drinken en ruziemaken. Bier en brandewijn maakten een vermoeide dag soms langer dan verstandig was. Daar kon een vreemdeling blijven slapen wanneer hij niet meer wegkwam. Jongens hoorden verhalen die thuis niet werden verteld. We moeten de zeventiende-eeuwse Wieringer herbergiers nog bij naam vinden en zetten daarom geen verzonnen waard achter de tap. Maar in een wereld van reizigers en varenslieden hoorde onderdak, drank en eten bij het verkeer.

Bruiloft en vrijerij

Er waren ook avonden waarop niemand over vracht praatte. Een huwelijk bracht families bijeen. Er werd gegeten, gedronken en gelachen; jonge mannen en vrouwen kregen gelegenheid elkaar te zien. Uit later Wieringen kennen we uitgebreidere gebruiken rond samenzijn en vrijerij, maar die schuiven we niet zonder bewijs terug naar 1680. De mensen zelf hoeven we echter niet weg te poetsen. Een jongen vond een meisje mooi, iemand dronk te veel en een moeder hield in de gaten met wie haar dochter sprak. Wanneer een gast van de wal kwam, kon hij niet na afloop zomaar naar huis lopen. Buiten lag donker water.

Familiebezoek eindigde bij de boot

De volgende dag ging zo'n bezoeker terug. Een kist of bundel werd naar het water gedragen. Familie liep misschien een eind mee. Daar werd afscheid genomen. Zodra de boot los was, kon niemand er nog achteraan. Het zeil werd kleiner en verdween tenslotte tegen lucht en water. Misschien kwam dezelfde persoon over enkele weken terug, misschien pas na maanden. Voor een eilandbewoner had afscheid daardoor iets lichamelijks. Je zag iemand werkelijk van het land verdwijnen. Daarna liep je terug naar huis en begon het gewone werk weer.

Oorlog bleef dicht bij huis

Ook deze laatste kwart eeuw was onrustig. De Hollandse Oorlog liep van 1672 tot 1678; Frankrijk was de grote tegenstander, terwijl de Republiek ook met Engeland in conflict was geweest. Vanaf 1688 raakte de Republiek opnieuw in een grote Europese oorlog tegen Frankrijk. Voor Wieringer zeelieden betekende oorlog gevaar voor koopvaart en werk. Schepen konden in konvooi varen, worden aangevallen of opgehouden. De prijs van goederen kon veranderen. Een vrouw op Wieringen hoefde geen kaart van Europa te bezitten om oorlog te merken. Het kon genoeg zijn dat een schip waarop haar man voer niet op de verwachte dag terugkwam.

En toch voer men

Daar zit misschien het rauwste aan deze eeuw. Storm, oorlog, ziekte, ijs en schipbreuk maakten varen gevaarlijk, maar thuisblijven leverde geen vrachtgeld op. Een jongen als Willem Reijndertsz was al op zijn vijftiende onderweg. Aris Pietersz zocht zijn bestaan in Amsterdam. Jacob Hendricxe vond daar in 1665 zelfs zijn vrouw. Nanning Berckhout kwam in 1681 juist de andere kant op om op Wieringen predikant te worden. De beweging had geen enkele richting. Mensen vertrokken, keerden terug, trouwden elders, kwamen op bezoek, zochten werk of brachten goederen.

Met water aan alle kanten

Tegen de avond verdwenen de laatste zeilen langzaam uit het zicht. Achter de kust stonden de boerderijen. Er werd nog gemolken, een emmer werd naar binnen gedragen, ergens sloeg een hond aan. Uit een schoorsteen trok rook. Over het land galmde het geluid van een kerkklok. Aan de waterkant lag wier waar de zilte lucht vanaf kwam. Verderop klotste een boot tegen de wal.

Morgen konden daar weer mensen instappen.Een knecht op weg naar werk. Een schipper naar Amsterdam. Een vrouw op familiebezoek. Een jongen die bij een meester ging leren. Of iemand die alleen een paar spullen van de wal moest halen.En achter hen bleven de kerktorens van Wieringen nog lang boven het water zichtbaar.

Deel 5 — 1685–1695 — Tussen Wieringen, Texel en Amsterdam

De overkant had namen

Wie in deze jaren van Wieringen vertrok, verdween niet eenvoudig „naar de wal”. Noordelijk lag Texel, met daarachter het Marsdiep en de Noordzee. Langs de Zuiderzee lagen Medemblik, Enkhuizen en Hoorn; verder trok vooral Amsterdam Wieringer schippers en varenslieden. Aan de Noord-Hollandse kust lagen Huisduinen en Den Helder. De verbindingen verschilden: de ene man voer beroepsmatig tussen Texel en Amsterdam, een ander bezocht familie of ging voor zaken van het eiland. Voor iedere reis kwam hetzelfde ogenblik. De reiziger stond met zijn spullen bij het water, stapte in en zag de Wieringer wal achter zich wegzakken.

Wieringers in Amsterdam

De sterkste aantoonbare lijn liep naar Amsterdam. Daar waren Wieringers al eerder als schippers en varenslieden terechtgekomen. In de stad vestigden mensen van Wieringen zich onder meer rond de Haarlemmerstraat en Haarlemmerdijk; ook de namen Binnen Wieringerstraat en Buiten Wieringerstraat herinnerden aan hun aanwezigheid. Een man kon op Wieringen geboren zijn en jarenlang tussen Amsterdamse schippers, sjouwers en kooplieden leven, terwijl ouders, broers of zusters op het eiland achterbleven. Wanneer hij terugvoer, was dat niet noodzakelijk voor vracht. Een bruiloft, begrafenis of familiebezoek kon voldoende reden zijn om opnieuw de waterweg naar Wieringen te nemen.

Een Wieringer in twee werelden

Aris Pietersz van Wieringen was al in 1642 als varensman poorter van Amsterdam geworden. Jacob Hendricxe van Wieringen liet zich daar in 1665 met Elsie Quirijns voor het huwelijk inschrijven. Zulke levens verbonden eiland en stad binnen één familie. Tegen het einde van de eeuw werkten Wieringers in Amsterdam als schippers, schuitenvaarders en knechten. Aan de Haarlemmerdijk kon iemand Wieringer spraak horen die enkele maanden eerder nog in Hippolytushoef had geklonken. Eenmaal thuis bracht dezelfde man Amsterdamse woorden en verhalen mee. Dialect veranderde niet bij het passeren van de kust. Mensen namen taal mee zoals zij hun kleding, geld en gereedschap meenamen.

1690 — drie kaagschippers

Op 23 mei 1690 verschenen in Amsterdam Jan van Wieringen, Jan Schouten en Evert Hendricksz. Zij waren kaagschippers en hadden goederen vervoerd tussen Texel en Amsterdam. De vracht kwam uit de Hollandia van schipper Agge Soutnieter. Voor hun werk ontvingen zij gezamenlijk ƒ140 van Joannes de Wit. Ook de kooplieden Adriaen Duquesmoiy, Arent Bosch en Daniel Hensch komen in de zaak voor. De namen leggen een hele keten bloot: een zeeschip bij Texel, drie schippers op kleinere vaartuigen, kooplieden in Amsterdam en goederen die verder moesten. Tussen de grote zeereis en het Amsterdamse pakhuis lagen nog tientallen mijlen ondiep binnenwater.

De kaag deed het zware kleine werk

Een kaag was geen Oost-Indiëvaarder. Het was een ondiepgaand zeilend vrachtvaartuig waarmee juist op de binnenwateren goed gewerkt kon worden. De mannen van 1690 namen vracht bij Texel over en brachten die richting Amsterdam. Er moest worden vastgemaakt, geladen, gestuwd en opnieuw gelost. Zak, vat, kist of baal moest zonder schade aankomen. Regen maakte touw nat en zwaar; tegenwind verlengde de reis en kou trok door natte kleding. De ƒ140 die uiteindelijk op papier verscheen rook niet meer naar water. De mannen die het verdienden hadden ervoor gevaren, gesjouwd, gewacht en verantwoordelijkheid gedragen voor goederen die hun eigendom niet waren.

Texel was meer dan een buur

Voor Wieringen was Texel meer dan het volgende eiland. Daarachter lag de Noordzee. Bij Texel verzamelden zeeschepen zich voor vertrek en kwamen schepen uit verre streken weer binnen. Een Wieringer die tussen Texel en Amsterdam voer kon terechtkomen naast vaartuigen uit de Oostzee, Frankrijk, Spanje of nog verder weg. Hij hoefde zelf nooit naar Batavia om aan die verre handel te verdienen. Wanneer een zwaar zeeschip lading moest afgeven om gemakkelijker over het ondiepe water naar Amsterdam te komen, ontstond werk voor kleinere vaartuigen. Een reis van duizenden mijlen kon daardoor eindigen met een kaagschipper die de laatste vracht naar de stad bracht.

Amsterdam begon al op het water

Voor Jan van Wieringen, Jan Schouten en Evert Hendricksz begon Amsterdam niet pas wanneer de stad in zicht kwam. De koopman die betaalde zat daar, de vracht was voor de Amsterdamse handelswereld bestemd en het schip waarvan zij goederen overnamen lag bij Texel. Achter hun kaag lagen Noordzee en zeeschepen; vóór hen lagen het IJ, de pakhuizen en de kooplieden. Een Wieringer die thuis vertelde dat hij „naar Texel” was geweest, kon dus gewerkt hebben met goederen die veel verder hadden gereisd. Voor zijn vrouw betekende dat uiteindelijk iets eenvoudigers: hoeveel geld bracht hij thuis, wat moest daarvan worden betaald en wanneer vertrok hij opnieuw?

Geld kon naar Amsterdam teruggaan

Niet al het verdiende geld bleef als munt in een Wieringer kist liggen. Sommige Wieringers die geld overhielden belegden in de zeventiende en achttiende eeuw in obligaties op Amsterdamse panden. Een schipper of andere eilandbewoner kon daardoor op Wieringen wonen terwijl een deel van zijn vermogen verbonden was met een huis in Amsterdam. Daarvoor waren afspraken, papier en mensen nodig die zulke zaken konden regelen. Geld volgde dus dezelfde richting als de schippers. Het ging naar de stad, kon daar rente opleveren en kwam later weer terug. Achter een eenvoudige Wieringer woning kon zo een financiële betrekking met Amsterdam schuilgaan die vanaf de buitenkant nergens zichtbaar was.

Voor zaken moest iemand zelf varen

Een ingewikkelde schuld, erfenis, scheepszaak of overeenkomst kon iemand bij een notaris, koopman of gerecht brengen. Amsterdam bood daarvoor mogelijkheden die Wieringen niet in dezelfde omvang bezat. De reis begon desondanks bij de waterkant. Papieren gingen mee en moesten droog blijven. Een man die kort tevoren nog tussen de boerderijen van Hippolytushoef liep, kon later tussen de pakhuizen en grachten van Amsterdam staan. Daar hoorde hij karren, sjouwers, schippers en vreemde talen door elkaar. Na afloop ging de akte in zijn kleding of kist. Vervolgens wachtte opnieuw een schip, want een ondertekend stuk papier bracht zichzelf niet naar Wieringen terug.

Verhuizen naar Amsterdam

Wie zich werkelijk in Amsterdam vestigde, had meer mee te nemen dan een reiziger. Kleding en linnengoed konden in kisten en bundels, beddengoed werd samengepakt en gereedschap ging mee wanneer het nodig was voor het nieuwe bestaan. Wat een afzonderlijk Wieringer gezin precies bezat, vullen we zonder boedelinventaris niet in. Wel was één zaak onvermijdelijk: tussen het oude en nieuwe huis lag water. Eerst werd de woning leger. Daarna droegen mensen het bezit naar een vaartuig en werd alles zo neergezet dat het tijdens de overtocht niet ging schuiven. Pas daarna stapte het gezin zelf aan boord en werd het touw van Wieringen losgemaakt.

Een kind tussen het huisraad

Voor een kind zag zo'n verhuizing er anders uit. De kist die altijd tegen een wand had gestaan, stond ineens in een boot. Beddengoed lag opgerold en een mand met breekbaar goed werd voorzichtig neergezet. Volwassenen liepen heen en weer en riepen dat iets niet nat mocht worden. Daarna kwam het kind zelf aan boord. Werd Amsterdam de bestemming, dan wachtte daar een stad met pakhuizen, werven, markten en meer mensen dan het ooit bijeen had gezien. Achter het vaartuig verdwenen eerst de huizen van het dorp. De kerktoren bleef langer zichtbaar. Uiteindelijk stond ook die laag boven het water en was Wieringen alleen nog achter hen.

Van Amsterdam naar Wieringen

De beweging ging ook naar het eiland toe. Een huwelijkspartner, predikant, knecht of ambachtsman kon zich op Wieringen vestigen. Nanning Berckhout, sinds 1681 predikant van Hippolytushoef en Westerland, had zelf die overtocht gemaakt. Zijn precieze verhuisboedel kennen we niet, maar zijn persoonlijke bezittingen moesten evenals hij het water over. Een nieuwkomer hoorde Wieringer spraak, leerde de families kennen en ontdekte welke boerderij bij wie hoorde. Na jaren werd zijn gezicht gewoon. Hij kon trouwen, kinderen krijgen en uiteindelijk tussen de mensen worden begraven bij wie hij ooit als vreemdeling uit een boot was gestapt. Ook zo veranderde het eiland voortdurend.

Jongens vertrokken zonder huisraad

Een leerling, knecht of jonge zeeman had geen volledig huishouden mee te nemen. Kleding en enkele persoonlijke bezittingen konden voldoende zijn. Voor 1685–1695 hebben we nog geen bron waarmee we een bepaalde Wieringer jongen bij een bepaalde meester in Hoorn, Enkhuizen of Zaandam mogen plaatsen. Dat doen we dus niet. Wel waren Wieringer mannen aantoonbaar mobiel en trokken Hollandse leerlingen en knechten voor werk naar werkgevers en meesters. Voor een jongen van het eiland begon dat met een afscheid aan het water. Misschien keerde hij na jaren terug met gereedschap en geld. Misschien vond hij in Amsterdam een vrouw en werd het bezoek aan Wieringen voortaan familiebezoek.

1689 — ijs rond de Jago

In 1689 liet het water zien dat de weg ook kon sluiten. De Jago, waarvan Domingo Anthonitz van Portugal als eigenaar wordt genoemd, verongelukte omtrent Wieringen door ijsgang. De lading omvatte onder meer teer, smidskolen, kaas en pijpeduigen, naast andere koopmanschappen. Die goederen hadden ieder een bestemming, maar het ijs maakte daar voorlopig een einde aan. Schotsen konden tegen een romp drukken en een schip zijn bewegingsruimte ontnemen. Voor de bewoners van Wieringen betekende dezelfde kou dat reizen moeilijker werd. Een verwachte bezoeker, een partij materiaal of een brief uit Amsterdam kon eenvoudig aan de andere kant van het ijs blijven.

De smid had de wal nodig

De smidskolen uit de Jago laten zien hoe afhankelijk een plaatselijk ambacht van aanvoer kon zijn. Op Wieringen moest ijzerwerk aan ploeg, wagen, deur en vaartuig worden gerepareerd. Een smid kon het vuur opstoken en ijzer onder zijn hamer vormen, maar de benodigde grondstoffen kwamen niet vanzelf uit Wieringer bodem. Een boer verscheen met gebroken gereedschap, een schipper met beschadigd beslag. Binnen was het heet; buiten kon de winterwind om het huis slaan. Voor deze jaren moeten de namen van de Wieringer smeden nog uit de plaatselijke bronnen komen. Hun werk zelf was onmisbaar in een gemeenschap van honderden huizen, boerderijen en vaartuigen.

De timmerman wachtte op hout

Ook de timmerman was afhankelijk van materiaal dat gedeeltelijk van buiten kwam. Deuren, gebinten, schuren, wagens en kleine vaartuigen bleven niet vanzelf heel. Hout werd nat, droogde, spleet of rotte. Na storm kon een dak beschadigd zijn en riet moest worden hersteld. Een lekkende boot vroeg sneller om aandacht; wie met zo'n vaartuig zijn brood verdiende kon niet weken wachten. Voor gespecialiseerd werk konden vaklieden van buiten komen of Wieringers elders ervaring hebben opgedaan. Waar hun namen ontbreken, blijven zij naamloos. Hun arbeid was er wel: zagen, hakken, passen, breeuwen en opnieuw beginnen wanneer een plank niet wilde zitten zoals de timmerman had gedacht.

De chirurgijn hoorde bij dezelfde wereld

Werk met messen, bijlen, haken, touw, vee en zwaar hout leverde verwondingen op. Chirurgijns behandelden in Noord-Holland wonden, breuken en andere lichamelijke kwalen. Bij moeilijke bevallingen konden zij naast vroedvrouwen worden geroepen. Voor Wieringen moeten de namen uit deze jaren nog worden gevonden; een fictieve chirurgijn krijgt daarom geen plaats achter een Wieringer deur. Maar ook medische vakken waren mobiel. Een beroepsman kon elders ervaring hebben opgedaan voordat hij zich in een kleinere gemeenschap vestigde. Een diepe wond wachtte ondertussen niet op mooi weer. Wanneer een hand openscheurde aan een haak of hout, moest iemand in de omgeving weten wat ermee gedaan kon worden.

1693 — van Amsterdam naar Texel

Eind november 1693 vertrok Jan Lammertsz met zijn kaag uit Amsterdam naar Texel. Bij de Vlieter, in het vaarwater bij Wieringen, liep het mis. Het schip strandde en Jan Lammertsz verdronk. Hij werd vervolgens op Texel begraven. In enkele dagen liep zijn reis van Amsterdam, langs Wieringen, naar een graf op het eiland dat zijn bestemming was geweest. Een kaagschipper hoefde daarvoor geen oceaan over. De binnenwateren konden voldoende zijn. Thuis wachtte iemand op een man die niet meer binnen zou lopen. Het bericht van zijn dood moest dezelfde waterwegen afleggen waarover hij zelf zo vaak vracht had vervoerd.

Laken en lood bleven achter

De kaag van Jan Lammertsz vervoerde laken, lood en andere stukgoederen. Bij de afwikkeling verschijnen Daniel Heusch, Jacob Balde, Simon Rodrigues de Sousa en Louis Rodrigues de Sousa. Twee pakken laken, gemerkt 541:2, werden na de berging niet teruggevonden. Ook Jacob van Wieringen, aangeduid als binnenschipper, trad als getuige op. Na het zwoegen in koud water begon daarom een tweede strijd: wat was geborgen, wat ontbrak en wie had welke goederen gezien? De koopman dacht aan zijn laken en lood, de berger aan zijn loon. Ondertussen lag de schipper die de vracht uit Amsterdam had meegenomen al begraven op Texel.

Wie terugkwam rook nog naar het schip

Gelukkiger was het huis waar een man wél terugkwam. Na weken of maanden varen stapte hij met zijn kist of bundel weer op Wieringen aan. Zijn kleding kon naar schip, rook en lang gebruik ruiken. Misschien had hij loon bij zich, een gekocht voorwerp of alleen nieuws uit Amsterdam of Texel. Thuis waren kinderen gegroeid, een dier verkocht of iemand ziek geworden. Zijn vrouw wist wat er tijdens zijn afwezigheid was gebeurd; hij vertelde wie hij onderweg had ontmoet en welk schip niet was aangekomen. Daarna werd gegeten en geslapen. Niemand wist vanzelf hoe lang hij thuis zou blijven voordat het water hem opnieuw riep.

Jan Lammertsz kwam niet terug

Bij andere gezinnen eindigde het wachten anders. Voor de kooplieden betekenden de verdwenen pakken laken uit de kaag van Jan Lammertsz een verlies dat in verklaringen kon worden vastgelegd. Voor zijn naasten was de schipper zelf verdwenen. Zijn begrafenis op Texel laat zien wat die mobiele wereld ook kostte. Een man kon op Wieringen geboren zijn, in Amsterdam werken en uiteindelijk elders begraven worden. Wie op zee stierf kreeg soms helemaal geen graf op land. Wanneer een schip te laat kwam, wist thuis niemand onmiddellijk of tegenwind, schade, ziekte of dood de oorzaak was. Wachten hoorde bij de zeevaart even werkelijk als touw, zeil en vrachtgeld.

Deel 6 — 1695–1700 — Mensen tussen eiland en wereld

Honderden huizen met water eromheen

In 1709, kort na onze periode, werden op Wieringen 326 huizen genoemd. Dat cijfer is belangrijker dan een onzekere berekening van het inwonertal. Het betekent dat er omstreeks deze tijd ruim duizend mensen op en rond de Wieringer dorpen moeten hebben geleefd, al kennen we voor 1700 geen exacte telling. Achter de deuren woonden gezinnen, knechten, kinderen, weduwen en ouderen. Zij moesten eten, kleding dragen, huizen onderhouden, vee verzorgen, kinderen krijgen en zieken helpen. Wieringen was geen verzameling van enkele vissershutten. Het was een kleine samenleving van boeren, vissers, schippers, kooikers en ambachtslieden, omringd door water dat iedere verbinding met buiten bepaalde.

Hippolytushoef had zijn eigen geluid

In Hippolytushoef stond de oude Hippolytuskerk tussen huizen en erven. De middeleeuwse toren had de zware storm van 1674 doorstaan; het beschadigde kerkgebouw was daarna hersteld. Het geluid van de klok galmde over het land terwijl het gewone werk doorging. Er liep vee, een kar ratelde, hout werd bewerkt en iemand droeg melk naar binnen. Een schipper die thuis was hoorde dezelfde klok als zijn vrouw en kinderen. Enkele dagen later kon hij de toren vanaf het water zien. De kerk hoorde daardoor zowel bij het dorp als bij de vaarwereld eromheen: herkenningspunt voor wie naderde en het laatste vertrouwde bouwwerk voor wie vertrok.

De Michaëlskerk boven Oosterland

Aan de oostzijde stond de oude Michaëlskerk van Oosterland hoog in het landschap. Voor schippers hadden zulke torens een praktisch nut. Vanaf het water waren vaste hoge punten herkenbaar wanneer lage kust, mist en water in elkaar begonnen over te lopen. Stroe, Westerland, Den Oever en De Haukes lagen ieder in hun eigen deel van het eilandlandschap. Tussen die plaatsen gingen mensen te voet, met wagen of boot, afhankelijk van bestemming en omstandigheden. Zodra iemand het eiland werkelijk verliet, veranderde alles. De volgende vaste grond kon Texel of de Noord-Hollandse kust zijn; daarna lagen de havens en steden die Wieringers uit werk, handel en familie kenden.

De buitenwereld had bekende namen

Texel, Huisduinen, Medemblik, Enkhuizen, Hoorn en Amsterdam waren voor varende Wieringers geen namen uit een aardrijkskundeboek. Verder weg lagen Harlingen en de havens van de Oostzee. Eerder in de eeuw had Willem Reijndertsz van Wieringen als vijftienjarige Stockholm bereikt; Jacob Janssen Rotgans was verbonden met de vaart op Lübeck. Tegen 1700 konden zulke namen al tientallen jaren in Wieringer gezinnen worden uitgesproken. Een kind hoefde Stockholm nooit gezien te hebben om te weten dat iemand van het eiland daar was geweest. Verre plaatsen kwamen thuis in verhalen van mannen die aan dezelfde tafel aten en daarna opnieuw hun zeekleding aantrokken.

Amsterdam trok hele levens naar zich toe

Vooral Amsterdam trok Wieringers aan. Zij kwamen er als schipper, varensman, schuitenvaarder en knecht en sommigen bleven er wonen. Rond Haarlemmerstraat en Haarlemmerdijk bestond een herkenbare Wieringer aanwezigheid. Daardoor ontstonden families met verwanten aan beide kanten van het water. Een moeder op Wieringen kon een zoon in Amsterdam hebben; een kind in de stad kon grootouders op het eiland bezoeken. Een huwelijk kon iemand definitief naar Amsterdam brengen. Geboorte, ziekte, overlijden of bruiloft bracht familie opnieuw in beweging. Wie elkaar wilde zien, moest alleen eerst weten wanneer een schip vertrok en of wind en water die reis toelieten.

Familiebezoek was een reis

Een bezoek aan familie in Amsterdam begon niet wanneer men voor de deur stond, maar bij het vertrek op Wieringen. Kleding en wat nodig was voor onderweg gingen mee. Met kinderen werd de tocht omslachtiger. In Amsterdam kon men bij familie slapen; een reiziger zonder familie zocht ander onderdak. De terugreis liet zich evenmin altijd op het gewenste uur afdwingen. Tegenwind, mist of winterkou konden plannen veranderen. Een bezoek van enkele dagen kon daardoor langer duren dan bedoeld. Omgekeerd kon een Amsterdamse verwant op Wieringen vastzitten. De afstand was niet enorm, maar het water bepaalde hoeveel tijd nodig was om die afstand werkelijk te overbruggen.

Een bruiloft bracht families over water

Bij een huwelijk kwam die beweging nog sterker naar voren. Familie van bruid en bruidegom ontmoette elkaar en wanneer één kant buiten Wieringen woonde, moesten mensen overvaren. Jacob Hendricxe van Wieringen en Elsie Quirijns hadden in 1665 al laten zien hoe huwelijk en Amsterdamse verbinding door elkaar liepen. Een huwelijk kon bovendien verhuizing betekenen. Kleding, linnengoed en persoonlijke bezittingen van bruid of bruidegom gingen naar het nieuwe huis. Er werd gegeten, gedronken en gepraat; jongeren ontmoetten mensen die zij anders nauwelijks zagen. Na het feest bleef voor een deel van de gasten dezelfde praktische vraag over: vaart er nog iemand, of slapen we vannacht op Wieringen?

Niet iedere avond was stil

Na een week van varen, boerenwerk, vissen of sjouwen wilden mensen ook bij elkaar zitten. Herbergen boden reizigers en schippers eten, drank en onderdak. De namen van Wieringer herbergiers rond 1700 moeten nog scherper uit de bronnen worden gehaald; daarom staat er geen verzonnen waard achter de tap. Evenmin schuiven we later beschreven Wieringer feestgebruiken zonder bewijs terug naar deze eeuw. Maar mensen dronken bier en brandewijn, maakten grappen, kregen woorden en zochten elkaar op. Een zeeman die maanden weg was geweest had verhalen genoeg. De volgende ochtend kon zijn hoofd zwaar zijn, maar koe, schip of net wachtte niet tot hij zich beter voelde.

Een vreemdeling kon niet altijd vertrekken

Voor iemand uit Texel, Medemblik of Amsterdam had slecht weer een eenvoudige consequentie: hij bleef op Wieringen wanneer varen onverstandig werd. Mist kon de kust wegtrekken tot alleen grijs water overbleef. Storm joeg golven tegen de wal; vorst kon ijs brengen. Een bezoeker bleef dan bij familie of zocht onderdak. Omgekeerd kon een Wieringer aan de overkant vastzitten terwijl thuis op hem werd gerekend. Daardoor voelde het eiland niet iedere dag hetzelfde. Bij rustig weer lag de buitenwereld open. Wanneer het weer omsloeg, werd dezelfde paar mijl water een grens die niemand met haast of geld uit de weg kon krijgen.

Vrouwen kenden die overkant eveneens

Vrouwen leefden niet buiten deze beweging. Een vrouw kon door huwelijk op Wieringen komen of het eiland verlaten, familie aan de wal bezoeken en bij afwezigheid van haar man het huishouden en delen van het bedrijf gaande houden. Als weduwe kon zij zelf met bezit, schuld en verkoop te maken krijgen. Kleding moest worden hersteld, melk verwerkt, voorraad bijgehouden en geld uitgegeven. Wat niet op Wieringen gemaakt werd, moest worden aangevoerd. Een vrouw kon daarom een schipper geld of een bestelling meegeven voor de stad. Haar naam kwam minder gemakkelijk in een scheepsverklaring terecht, maar Amsterdam kon even goed in haar keuken en geldbuidel aanwezig zijn.

Een terugkerende man vond thuis verandering

Wanneer haar man na maanden varen terugkwam, begon niet eenvoudig het oude leven weer. Kinderen waren gegroeid. Een jong kind kon eerst aarzelen bij een vader die lang weg was geweest. Een buurman kon gestorven zijn, een koe verkocht, een dak gerepareerd. De zeeman zelf bracht eveneens verandering mee: loon, nieuws, misschien een gekocht voorwerp en woorden die hij tussen andere schippers had opgepikt. Zijn kleding werd gelucht of gewassen; zijn kist ging weer naar binnen. 's Avonds vertelde hij over Texel, Amsterdam, een storm of een schip dat niet was aangekomen. En thuis wist men dat dezelfde kist over enkele weken opnieuw naar de boot kon gaan.

Bij een geboorte wachtte niemand op het tij

In de honderden Wieringer huishoudens werden kinderen geboren. Vroedvrouwen waren in Noord-Holland erkende beroepsvrouwen en konden beëdigd en betaald worden. Wanneer een bevalling ernstig misliep, kon een chirurgijn worden ingeschakeld. De concrete Wieringer namen rond 1700 moeten nog uit plaatselijke stukken komen, maar het werk zelf was noodzakelijk. Een vrouw met weeën kon niet wachten tot er gunstige wind naar Amsterdam stond. In een warme kamer werkten vrouwen terwijl buiten het gewone eilandleven doorging. Een vuur brandde, water werd gehaald en iemand liep heen en weer. Buiten kon de kerkklok klinken of een schip voorbijgaan zonder dat iemand binnen er aandacht voor had.

Een ongeluk wachtte evenmin

Een vismes gleed uit, een bijl kwam verkeerd neer, een paard trapte of een stuk hout viel. Een wond kon vuil worden van werk, grond en water. Een chirurgijn behandelde wonden en breuken; daarnaast bestond veel huiselijke kennis over verzorging. Voor ingewikkelder hulp kon iemand van buiten nodig zijn, maar niet ieder ongeluk liet een reis naar Amsterdam toe. Wieringen moest voldoende eigen kennis bezitten om dagelijks te functioneren. Tegelijk konden beroepsmensen van buiten komen en zich op het eiland vestigen. Dezelfde boot die 's morgens een koopman of familielid bracht, kon op een andere dag iemand aan land zetten wiens vak op Wieringen nodig was.

Ook een schoolmeester kon een nieuwkomer zijn

Een schoolmeester leerde kinderen lezen, schrijven en rekenen voor zover het plaatselijke onderwijs dat bood. In de Republiek kon zo'n man tegelijk koster en voorzanger zijn en daarnaast soms ander werk verrichten. Waar de Wieringer schoolmeesters rond 1695–1700 bij naam nog ontbreken, zetten we geen fictieve meester voor de klas. Zijn werk had wel praktisch nut. Schippers kregen met vrachtgeld te maken, bestuurders met stukken en kooplieden met schriftelijke afspraken. Een jongen die later naar Amsterdam voer had iets aan rekenen en lezen. Niet ieder kind werd geleerde; eenvoudige kennis van cijfers en schrift kon al het verschil maken wanneer geld of een overeenkomst op tafel kwam.

Verschillende stemmen aan de waterkant

Aan de Wieringer wal klonk het eigen dialect naast de spraak van mensen van buiten. Een Amsterdammer sprak anders en een Fries was opnieuw herkenbaar. Op internationale schepen konden bovendien Duits, Scandinavische talen en andere zeemanstalen worden gehoord. Een Wieringer hoefde ze niet vloeiend te spreken om woorden op te pikken. Mannen die jarenlang voeren brachten uitdrukkingen en klanken mee terug. Ook kleding kon verraden dat iemand niet van het eiland kwam. Een nieuwkomer viel misschien onmiddellijk op. Na twintig jaar huwelijk en wonen was dat anders. Zijn kinderen spraken met de kinderen van hun buren en hadden Wieringen nooit als vreemde plaats gekend.

Een schip bracht berichten mee

Brieven en nieuws moesten net als mensen reizen. Een schipper uit Amsterdam kon vertellen welk schip was binnengekomen, wie werk had gevonden, wie ziek was en welke bekende was gestorven. Een brief van een zoon kwam niet zelfstandig naar Hippolytushoef. Iemand moest hem meenemen. Bij slecht weer bleef nieuws daardoor aan de andere kant liggen. Een binnenlopende boot kon dus aandacht trekken zonder kostbare vracht te dragen. Misschien zat er een familielid in. Misschien bracht de schipper een boodschap mee. Soms kwam iemand lachend naar huis; soms moest een man eerst naar een woning lopen om daar te vertellen dat degene op wie men wachtte niet meer zou terugkomen.

Oorlog zat opnieuw op zee

Vanaf 1688 vocht de Republiek in de Negenjarige Oorlog tegen Frankrijk. De oorlog duurde tot 1697. Voor Wieringers hoefden de grote slagvelden niet dichtbij te liggen om gevolgen te hebben. Koopvaarders liepen op zee extra risico, bescherming en konvooien werden belangrijk en reizen konden worden vertraagd. Een zeeman kreeg met een gevaarlijker handelswereld te maken; thuis betekende dat langer wachten zonder zekerheid over de oorzaak. Een vrouw op Wieringen hoefde de Europese politiek niet te kennen om oorlog te merken. Het was voldoende wanneer het schip waarop haar man voer niet op de verwachte dag bij Texel verscheen en niemand wist waar het gebleven was.

1697 — vrede veranderde de zee niet

Met de Vrede van Rijswijk in 1697 eindigde de oorlog, maar het gewone gevaar bleef. De Vlieter werd niet dieper omdat vorsten vrede sloten. Mist bleef het zicht wegnemen, storm bleef schepen op lagerwal drukken en ijs kon de vaarweg sluiten. Lichterschippers, binnenschippers, loodsen en vissers keken daarom nog altijd naar wind, water en lucht voordat zij vertrokken. Een schip kon in vredestijd even goed stranden als tijdens oorlog. Voor een Wieringer schipper bestond de wereld uit beide werkelijkheden tegelijk: oorlogen waarover machthebbers besloten en het water onder zijn eigen schip, waar een verkeerde koers of plotselinge wind veel sneller over zijn leven besliste.

Een boot kwam weer naar Wieringen

Tegen het einde van de eeuw kwam opnieuw een klein vaartuig onder de Wieringer wal. Tussen de mensen stonden een kist en enkele bundels. Iemand op het land ving het touw en trok de boot dichterbij. Eerst werden de spullen aangegeven; daarna stapten de reizigers uit. Misschien kwam een knecht terug uit Amsterdam, misschien familie van Texel, misschien iemand die voortaan op Wieringen zou wonen. Achter hen ging een kaag verder over het water. Hoger aan de horizon stonden de masten van een groter schip. Op het land werd gemolken, hout bewerkt en vis schoongemaakt. Het leven wachtte niet tot alle reizigers thuis waren.

De jongen bleef nog even kijken

Een jongen aan de waterkant zag de boot leeg raken. De kist verdween richting een huis, de reizigers liepen achter hun spullen aan en het vaartuig werd alweer klaargemaakt voor een volgende tocht. Verderop hing de zilte lucht van wier en water langs de kust. Achter hem galmde het geluid van de kerkklok over het land. Hij kende Amsterdam misschien alleen uit verhalen en Stockholm slechts als een naam die een oude zeeman gebruikte. Toch zag hij dagelijks hoe mensen uit die buitenwereld kwamen en hoe Wieringers erheen vertrokken. Over een paar jaar kon zijn eigen kist in zo'n boot staan. Voorlopig bleef hij zitten en keek naar de zeilen.