Nagedacht gedurende 1m 36s
Ja. Ik heb de pagina nogmaals naast de complete chatversie gelegd. In de eindtekst hieronder zijn de ontbrekende gegevens opgenomen én twee punten gecorrigeerd: de latere Haarlemse stichtingsoverlevering noemt 1368, niet 1386, en voor de maaltijd van 27 september 1546 zijn uit de huidige reconstructie minstens tien tonnen bier aantoonbaar, niet twaalf. Ook de ontbrekende ledenreeksen van 1594–1669, de extra financiële gegevens, de rijke maaltijden van 1685–1688 en het bedrag per persoon in 1731 zijn nu ingevoegd.
De Haarlemse Schonenvaarders
Handel in een bewegend Europa — Van de middeleeuwse vaart op Schonen tot een Haarlemse broederschap die haar eigen oorsprong vergat, 1251–1765
Vóór 1251 — Een handelswereld zonder Nederland
De geschiedenis van de Haarlemse Schonenvaarders begint niet in Haarlem. Lang voordat hun rekeningen werden opgeschreven, voeren Friese schippers al tussen Rijnmond, Engeland en Denemarken. In Dorestad kwamen wijn, glas, metaal en textiel samen; in Ribe en later Hedeby lagen noordelijke goederen klaar voor verdere handel. Noordzee en Oostzee vormden zo al vroeg één grote verkeersruimte waarin mensen, goederen, geld en informatie voortdurend van plaats veranderden.
Rond 890 beschreef Wulfstan zijn vaart van Hedeby naar Truso. Aan bakboord passeerde hij Langeland, Lolland, Falster en Schonen en noteerde dat deze landen tot Denemarken behoorden. Schonen lag daarmee eeuwen vóór de Haarlemse handel al binnen een herkenbare Deense politieke wereld. De zeeroute was bovendien bekend bij reizigers die verder de Oostzee invoeren, richting Slavische en Baltische handelsplaatsen en andere noordelijke markten.
Die handelswereld kende nog geen Nederland. Haarlem zou deel worden van Holland, Deventer lag in het Sticht, Zutphen en Harderwijk in Gelre en ’s-Hertogenbosch in Brabant. Toch konden hun kooplieden later op dezelfde Scandinavische markt verschijnen. Hun landsheren, rechtsregels en handelsproducten verschilden, maar rivieren, zeewegen en buitenlandse markten brachten hen telkens opnieuw samen. Politieke versnippering verhinderde dus niet dat een omvangrijke internationale handelsruimte ontstond.
Een moderne kaart kan die middeleeuwse wereld gemakkelijk te vast voorstellen. Grenzen bestonden werkelijk en vorsten verdedigden hun rechten, maar mensen, goederen en familiebanden trokken er voortdurend doorheen. Een koopman dacht niet alleen in territoria. Hij dacht in vaarwegen, tolplaatsen, veilige havens, betrouwbare partners, wisselende prijzen en markten waar zijn lading winst kon opleveren. Zo werden plaatsen die honderden kilometers uiteenlagen praktisch met elkaar verbonden.
ca. 1000–1250 — Engeland, Frankrijk en de Duitse gebieden
De handelswereld liep niet uitsluitend noordwaarts naar Denemarken en Schonen. Aan de overzijde van de Noordzee lagen Engelse havens; via Vlaanderen en de Franse kust bereikten wijn en zout de Nederlanden; oostwaarts lagen het Rijnland, Bremen, Hamburg en Lübeck. Verder daarachter begon de Oostzee. Een koopman kon gedurende zijn leven verschillende richtingen combineren en zijn belangen over meerdere markten en handelsgebieden verspreiden.
Engeland was voor kooplieden uit de Lage Landen zowel markt als leverancier. Wol, huiden en andere goederen staken de Noordzee over, terwijl textiel, levensmiddelen en andere waren in tegenovergestelde richting gingen. Voor Haarlem wordt die verbinding vóór 1300 persoonlijk zichtbaar. De Haarlemse koopman Zibrand werd in Southampton gedood. Zijn familie reisde naar Engeland en het Haarlemse stadsbestuur wendde zich vervolgens tot de Engelse koning om genoegdoening te verkrijgen.
Dat voorval toont meer dan één handelsconflict. Een Haarlemmer kon honderden kilometers van huis in een Engelse haven zaken doen, zijn verwanten konden hem daar volgen en zijn stad kon tegenover een buitenlandse kroon optreden. De Noordzee was daarmee niet de uiterste grens van Haarlems bereik. Zij vormde juist een verbinding waarlangs persoonlijke relaties, commerciële belangen, juridische problemen en stedelijke bescherming buiten het Hollandse rechtsgebied konden worden voortgezet.
Ook producten uit Frankrijk bewogen binnen deze wereld. Wijn en zout uit Franse en Atlantische gebieden bereikten via zee, rivieren en tussenmarkten Vlaanderen en de Nederlanden. Vooral zout zou voor Schonen van groot belang worden, omdat haring kort na de vangst geconserveerd moest worden. Een product uit het zuiden kon daardoor honderden kilometers noordelijk worden gebruikt en daarna samen met Scandinavische vis opnieuw door Europa worden verspreid.
Voor individuele Haarlemse Schonenvaarders die zelf Franse havens bezochten is het bewijs minder sterk dan voor Engeland, Lübeck, Pruisen en Denemarken. Frankrijk hoort daarom vooral bij de bredere goederenstroom. Een Haarlemmer hoefde niet persoonlijk naar Frankrijk te varen om Franse wijn of zout te verhandelen. Goederen veranderden onderweg verschillende keren van eigenaar en konden via Vlaamse, Hollandse of Duitse tussenhandelaren steeds verder reizen.
Wijn laat die beweging goed zien. Franse wijn kwam via zee en tussenmarkten noordwaarts, terwijl Rijnse wijn vanuit het Duitse achterland naar Holland werd gebracht. Haarlem kende wijnhandel en hief er inkomsten op. De stad lag zo tussen goederenstromen uit west, zuid en oost. Vanuit Scandinavië en het Oostzeegebied kwamen daar weer haring, graan, hout, huiden en andere producten tegenover te staan.
De Duitse gebieden vormden ondertussen geen Duitsland in moderne zin. Zij bestonden uit vorstendommen, bisdommen, vrije en andere steden binnen het Heilige Roomse Rijk. Bremen, Hamburg en vooral Lübeck werden belangrijke schakels tussen Noordzee en Oostzee. Voor een koopman betekende politieke versnippering vooral dat hij op iedere plaats opnieuw moest weten welke tol, munt, rechtsregel, privilege en bescherming daar voor hem golden.
Voor Haarlem zijn die verbindingen vroeg zichtbaar. Bremer bier werd in de dertiende eeuw in Haarlem belast en Rijnse wijn bereikte de stad. Later vinden we Haarlemse belangen rechtstreeks terug in Lübeck en Pruisen. Dat waren geen afzonderlijke handelswerelden. Een schip kon een Duitse haven aandoen, verder naar Schonen varen en daarna de Oostzee ingaan wanneer daar een betere vracht, koper of volgende handelsmogelijkheid wachtte.
11e–13e eeuw — Ook de Kerk bewoog door Europa
Ook de Kerk maakte deel uit van deze internationale wereld. Missionarissen, geestelijken, kloosterlingen en pelgrims gebruikten vaak dezelfde wegen en havens als kooplieden. Tegelijk vergrootten kerkelijke vasten- en onthoudingsdagen de vraag naar vis. Gezouten haring kon maanden worden bewaard en ver worden vervoerd. Daardoor verdienden niet alleen vissers, maar ook zoutleveranciers, kuipers, schippers, wagenvoerders, kredietgevers en handelaren aan de Schonense vangst.
Kerken, kloosters en bisschopszetels stonden op vaste plaatsen, maar de organisatie die hen verbond was grensoverschrijdend. Haarlem hoorde kerkelijk bij het bisdom Utrecht, terwijl Utrecht onderdeel was van de grotere Latijns-christelijke wereld. Bisschoppen, geestelijken en pauselijke gezanten reisden met brieven, uitspraken en rechten. Naast het wereldlijke gezag bestond daarmee een tweede structuur die gemeenschappen, steden en vorstenhoven over grote afstanden met elkaar verbond.
Dat raakte de koopman rechtstreeks. Huwelijk, eed, testament, nalatenschap en liefdadigheid hadden kerkelijke betekenis, terwijl heiligendagen en vastenperioden het ritme van het jaar mede bepaalden. De Kerk was dus niet alleen geestelijke achtergrond van de handel. Haar kalender beïnvloedde de vraag naar voedsel en haar instellingen waren plaatsen waar mensen, informatie en bezit samenkwamen. De markt voor geconserveerde vis stond midden in die christelijke wereld.
De koopman die later bij Skanör aan wal stapte, kwam daarom politiek wel in een ander vorstendom terecht, maar religieus niet in een volledig vreemde samenleving. Daar stonden eveneens kerken, daar werden eden afgelegd en daar leefden mensen volgens dezelfde grote christelijke kalender. Het kerkelijke netwerk maakte politieke grenzen niet ongedaan, maar vormde wel een gemeenschappelijke laag waarin reizigers en handelaren zich in grote delen van Europa herkenden.
11e–13e eeuw — Adel verbond de Noordzeekusten
Ook adellijke families verbonden de kusten. Gertrudis van Saksen trouwde eerst met Floris I, graaf in het latere Holland, en daarna met Robrecht de Fries van Vlaanderen. Haar zoon Dirk V werd graaf; haar dochter Adela uit het tweede huwelijk trouwde met Knoet IV van Denemarken. Dirk en Adela waren halfbroer en halfzus. Holland, Vlaanderen en Denemarken raakten zo binnen één familie rechtstreeks met elkaar verbonden.
Voor moderne ogen lijken Holland, Vlaanderen, Engeland, Frankrijk, de Duitse gebieden en Denemarken afzonderlijke politieke werelden. Voor de hoge adel vormden zij tegelijk een grote huwelijksmarkt. Dochters, zonen, neven en nichten werden over honderden kilometers verbonden. Met hen bewogen erfenissen, aanspraken, bondgenootschappen en conflicten. Dezelfde zee waarover kooplieden hun handelswaar vervoerden, verbond de vorstenhuizen die aan verschillende kusten politieke macht bezaten.
Dat vorstelijke en adellijke stelsel vormde daarmee een vroege Europese verbindingslaag zonder dat Europa politiek één geheel was. Macht was juist sterk verdeeld. Familiebanden, leenrelaties, kerkelijke contacten en persoonlijke ontmoetingen overbrugden die verdeeldheid. Een huwelijk tussen twee vorstenhuizen kon tientallen jaren later nog gevolgen hebben voor bondgenootschappen, oorlog en vrede en daarmee voor koopvaarders die dezelfde zeeën bevoeren.
De handel rustte dus al vroeg op veel meer dan schepen. Een koopman had veiligheid nodig, een vorst wilde tol en inkomsten, een kerkelijke instelling bezat land of ontving pachten en een stad probeerde haar burgers buiten de eigen muren te beschermen. Wanneer belangen botsten, volgden brieven, gezanten en soms oorlog. Wanneer vrede terugkeerde, voeren dezelfde schepen opnieuw. Handel, recht, religie, familiepolitiek en geweld waren voortdurend met elkaar verweven.
1245–1256 — Haarlem onder een rondreizende landsheer
Toen Haarlem in 1245 stadsrechten kreeg, bestuurden graven en koningen nog niet vanuit één vaste hoofdstad met een modern regeringsapparaat. Hun hof reisde met hen mee. Raadslieden, schrijvers, geestelijken, dienaren, krijgslieden en boden trokken van verblijfplaats naar verblijfplaats. Wie bescherming, een uitspraak of een privilege verlangde, moest daarom niet alleen weten wie bevoegd was, maar ook waar de landsheer verbleef en wie toegang tot hem had.
Een graaf kon achtereenvolgens in steden, kastelen en abdijen verblijven. Lokale edelen, geestelijken en vertegenwoordigers van steden kwamen daar naar hem toe. Bestuur was daardoor sterk verbonden aan de persoon van de landsheer en zijn gevolg. Een besluit over Holland kon buiten Holland worden voorbereid of vastgelegd zolang de juiste raadslieden, schrijvers en zegels aanwezig waren. Het politieke centrum bewoog in zekere zin met het hof mee.
De Haarlemse landsheer Willem II maakte die internationale wereld bijzonder zichtbaar. Twee jaar nadat hij Haarlem stadsrechten had verleend, werd hij in 1247 rooms-koning. Zijn politieke werkterrein liep daardoor vanuit Holland naar Brabant, het Rijnland en andere delen van het Duitse Rijk. Dezelfde man die in Holland als graaf privileges verleende, trad honderden kilometers verderop op tussen bisschoppen, hertogen, steden en andere Europese machthebbers.
Haarlem stond daarmee via zijn eigen landsheer in verbinding met een veel groter politiek landschap. Dat betekende niet dat iedere Haarlemse koopman automatisch overal grafelijke bescherming genoot. Het laat wel zien hoe weinig afgesloten de bestuurlijke wereld was. Internationale contacten begonnen niet pas bij een koopman die een verre reis maakte. De hoogste politieke laag van Holland zelf bewoog al tussen verschillende gebieden, vorstenhoven en machtscentra.
Onder Floris V werd dat opnieuw zichtbaar. Zijn politieke en dynastieke contacten liepen onder meer naar Engeland, Vlaanderen en Frankrijk. Huwelijken, bondgenootschappen, geld en politieke belangen konden daarbij in elkaar grijpen. De graaf stond niet boven een afgesloten Hollandse wereld, maar binnen een netwerk van andere vorsten en edelen. Wie toegang tot het grafelijke hof had, kwam daarmee indirect in een veel groter internationaal systeem terecht.
Haarlem lag binnen dat systeem niet afgezonderd aan het Spaarne. De graaf verbleef ook in Haarlem en stadsbestuurders, baljuwen, edelen en raadslieden vormden verbindingen tussen stad en hof. Een verzoek hoefde dus niet altijd naar één vast regeringsgebouw. Een bode moest vooral weten waar de landsheer of zijn raad zich bevond en langs welke persoonlijke verbinding een klacht, privilege of handelsprobleem het beste kon worden behandeld.
1251 — De Ommelandvaarders
In 1251 verleende koning Abel van Denemarken privileges aan de zogenoemde Ommelandvaarders, de Umlandsfarae. Zij bezochten de jaarmarkt van Skanör op Schonen en voeren om Jutland naar de Oostzee. De regeling bepaalde onder meer tollen en bescherming bij schipbreuk. Vanuit Schonen mochten zij onder voorwaarden laken, linnen, zout en levensmiddelen naar Noorwegen vervoeren. De handelswereld waarin later Haarlem verschijnt bestond toen dus reeds.
Wie precies tot deze Ommelandvaarders behoorden, weten we niet volledig. Waarschijnlijk kwamen veel kooplieden uit steden rond Zuiderzee en IJssel. Belangrijker is dat handelaren uit het gebied van het huidige Nederland midden dertiende eeuw al naar Skanör, Noorwegen en de Oostzee voeren. Haarlem sloot later aan bij een handelswereld die aanzienlijk ouder was dan het eigen Schonenvaardersgilde.
De Ommelandvaarders voeren niet leeg naar het noorden. Textiel, linnen, zout en levensmiddelen konden reeds op de heenreis winst opleveren. Vooral zout was onmisbaar om de enorme haringvangst te conserveren. Daarna kon de koopman haring of andere noordelijke goederen inkopen en opnieuw een bestemming kiezen. Schonen was daarom niet noodzakelijk het einde van een reis, maar kon ook tussenstation naar Noorwegen, Lübeck of andere Oostzeehavens zijn.
De naam Ommelandvaarder beschreef vooral de route om Jutland; Schonenvaarder legde later meer nadruk op de handelsbestemming. Eén koopman kon beide zijn. Hij kon op Schonen zaken doen, verder naar Lübeck of Danzig varen en daarna pas terugkeren. Dat verschillende steden hun eigen Schonen-gilden vormden maakte hen nog niet tot één Nederlandse organisatie. Hun gemeenschappelijke markt was ouder dan een gezamenlijk politiek bestuur.
ca. 1000–1400 — Van Noordse schepen naar koggen
Ook de schepen veranderden. Rond 1000 voeren in Noord- en Oostzee vaartuigen die sterk voortbouwden op Scandinavische tradities. Zij waren klinkgebouwd, met overlappende huidplanken, meestal één mast en een vierkant zeil. Vrachtschepen waren breder dan de lange oorlogsschepen en konden aanzienlijke hoeveelheden goederen meenemen. Rivier, kustvaart en open zee liepen in het gebruik van zulke schepen nog sterk in elkaar over.
Vanaf ongeveer de twaalfde eeuw verscheen de kogge steeds nadrukkelijker. Dit brede vrachtschip was minder slank dan veel oudere Noordse typen, maar kon veel meer lading vervoeren. Oude en nieuwe bouwtradities bleven nog lang naast elkaar bestaan. Rond 1250 konden in dezelfde Deense wateren dus traditionele Scandinavische vrachtschepen en steeds belangrijker wordende koggen tegelijkertijd worden aangetroffen.
Ook de besturing veranderde. Veel oudere Scandinavische vaartuigen hadden een zijroer aan stuurboord. Geleidelijk werd het stevenroer achter het schip belangrijker, zeker naarmate schepen groter en zwaarder werden. Tegen de veertiende eeuw was de kogge kenmerkend voor Noordzee- en Oostzeehandel. Kleinere schuiten, vissersvaartuigen, hulken en regionale typen bleven daarnaast nodig, omdat binnenwater, kust en open zee verschillende eisen aan een schip stelden.
Voor Haarlem is deze ontwikkeling rechtstreeks relevant. Dertiende-eeuwse Haarlemse bronnen noemen haringschuiten, koopsschuiten en koggen. De graaf liet zelfs bij Pieter Ballinc van Haarlem een kogge bouwen. De latere Schonenvaarders kwamen dus niet uit een stad die rond 1400 plotseling met zeescheepvaart kennismaakte. Achter hun ondernemingen lagen generaties ervaring met scheepsbouw, visserij, vrachtvaart, reparatie en onderhoud van kostbare vaartuigen.
Tegen het begin van de vijftiende eeuw konden de grootste koggen enorme hoeveelheden vracht dragen. Tegelijk verschenen hulken en andere grotere handelsschepen nadrukkelijker. Een Haarlemse Schonenvaarder uit 1416 bewoog daardoor in een andere scheepswereld dan een koopman uit 1100. De routes waren deels dezelfde gebleven, maar de hoeveelheid goederen en kapitaal die één enkele reis kon verplaatsen was sterk gegroeid.
13e–15e eeuw — Schepen worden investeringen
Een grotere kogge betekende niet alleen meer laadruimte, maar ook een veel grotere investering. Voor de bouw waren hout, ijzer, touw, zeildoek en gespecialiseerde arbeid nodig. Daarna kwamen bemanning, onderhoud, proviand, havenkosten en tol. Naarmate schip en lading duurder werden, konden schipbreuk, kaping of een slechte markt de koopman in één keer een groot deel van zijn vermogen kosten.
Daarom hoefde één koopman niet het hele schip te bezitten. Schepen konden gedeeld eigendom zijn en verschillende kooplieden konden afzonderlijke partijen vracht in hetzelfde ruim plaatsen. Daarmee werden kosten én risico verdeeld. Ook de koopwaar moest vooraf worden gekocht of op krediet verkregen. Wie zout, laken, bier, wijn of levensmiddelen naar Scandinavië bracht, had zijn geld al maanden vastgelegd voordat daar iets werd verkocht.
Na verkoop begon vaak meteen de volgende investering. Een koopman wilde zijn schip niet leeg terugsturen. Haring, graan, hout, huiden of andere goederen konden worden ingekocht en vervolgens elders verkocht. Hetzelfde vermogen veranderde voortdurend van vorm: geld werd koopwaar, koopwaar werd opbrengst of schuldvordering en die opbrengst werd opnieuw vracht. Schepen vervoerden daardoor niet alleen producten, maar in zekere zin voortdurend opnieuw geïnvesteerd kapitaal.
Dat vergrootte het belang van krediet en vertrouwen. Een koopman kon niet overal tegelijk zijn. Compagnons, vertegenwoordigers en schippers konden namens hem betalen, goederen ontvangen of verkopen. Schriftelijke afspraken kregen betekenis omdat anderen verwachtten dat zij later werden nagekomen. Grotere schepen, grotere ladingen en grotere risico’s stimuleerden zo gedeeld bezit, krediet, stedelijke rechtspraak en organisaties die conflicten binnen een koopmansgemeenschap konden beheersen.
13e–14e eeuw — Skanör en Falsterbo
Wie tijdens het haringseizoen bij Skanör aankwam, zag geen rustig kustdorp. Schepen lagen voor de kust, kleine vaartuigen brachten mensen en goederen aan land en wagens reden tussen landingsplaatsen, handelsboden en marktterreinen. Vissers losten haring, kuipers sloten tonnen en zout werd massaal aangevoerd. Tussen hen bewogen kooplieden uit Duitse steden, de Lage Landen en Scandinavië op zoek naar kopers, opslag, krediet en nieuwe lading.
Skanör had al vroeg een stedelijke kern tussen de koninklijke burcht en de Sint-Olofkerk. De oudste delen van de kerk dateren uit de eerste helft van de dertiende eeuw. Op de burcht zat een vertegenwoordiger van de Deense koning die onder meer inkomsten van de markt inde. Kerk, koningsmacht, koophandel en scheepvaart lagen hier niet in verschillende werelden, maar letterlijk op korte afstand van elkaar.
Falsterbo groeide later steeds sterker mee. Daar verschenen Falsterbohus en de Sint-Gertrudkerk. Rond beide plaatsen ontstond tijdens het seizoen een uitgestrekt handelslandschap met huizen, wegen, erven, tijdelijke gebouwen, werkplaatsen, opslag en visverwerking. Buiten het seizoen waren Skanör en Falsterbo betrekkelijk klein; tijdens de haringperiode stroomden vissers, kooplieden, knechten en schippers toe en werd de internationale markt ieder jaar opnieuw opgebouwd.
Grote zeeschepen konden door ondiepten niet overal rechtstreeks aanleggen. Zij bleven verder voor de kust, waarna schuiten en pramen mensen en goederen overnamen. Tonnen gingen vervolgens per wagen verder. Een privilege uit 1368 toont hoe nauwkeurig die logistiek kon worden geregeld: kooplieden mochten eigen schuiten, vissers en wagens inzetten en onder voorwaarden goederen rechtstreeks tussen twee schepen overbrengen.
Een enkele handelsreis kon daarom verschillende vaartuigen vereisen. Een kleinere schuit bracht vracht vanuit Haarlem of het Hollandse binnenwater naar een groter zeeschip; een kogge of ander koopvaardijschip maakte de lange overtocht; bij Schonen nam opnieuw een kleiner vaartuig de vracht over. Daarna volgde vervoer over land. De Schonenvaart was geen enkele rechte scheepsreis, maar een keten van binnenvaart, zeevaart, kustvaart en wegtransport.
De vitten — Buitenlandse handelswijken
Buitenlandse handelsgemeenschappen kregen op Schonen afgebakende terreinen, de vitten. Daar stonden handelsboden, verblijven, opslagruimten en werkplaatsen. Sommige steden beschikten over een eigen vitte; andere kooplieden sloten zich aan bij bestaande gemeenschappen. Een vitte bood dus meer dan een staanplaats. Zij gaf herkenning, opslag en organisatie en vaak toegang tot een voogd die geschillen behandelde en de belangen van zijn groep verdedigde.
De vitten laten zien hoe internationale handel kon functioneren zonder moderne staten. Een buitenlandse stad kon haar kooplieden organiseren op Deense bodem, maar werd daardoor niet soeverein. De rechten van de gemeenschap moesten door de Deense koning worden erkend. Steden konden onderhandelen, verzoeken, betalen en eigen vertegenwoordigers sturen, terwijl de landsheer uiteindelijk bepaalde welke rechten binnen zijn gebied rechtskracht hadden.
Kampen beschikte vroeg over sterke rechten. Deventer kon aanvankelijk van Kamper voorzieningen gebruikmaken en kreeg later een zelfstandiger positie. Amsterdam verwierf in de veertiende eeuw eigen rechten. Voor Haarlem is nog geen afzonderlijke middeleeuwse privilegebrief gevonden die een eigen Haarlemse vitte bewijst. De juridische en praktische positie van Haarlemmers kan daardoor anders zijn geweest dan die van kooplieden uit Kampen, Amsterdam of Deventer.
Ook andere steden waren bij de Schonenhandel betrokken. Zutphen, Deventer, Maastricht en Gouda kenden Schonenvaardersgemeenschappen of groepen die daarmee in verband worden gebracht. Amsterdam, Zwolle, Kampen, Zutphen en Deventer hadden verschillende rechten en voorzieningen. Haarlem was dus nooit het enige centrum. De bijzondere betekenis van Haarlem ligt vooral in de uitzonderlijke hoeveelheid bewaarde administratie, waardoor de binnenwereld van zo’n handelsgemeenschap eeuwenlang zichtbaar blijft.
Op Schonen werd bovendien veel meer dan haring verhandeld. Zout, laken, linnen, wijn, bier, boter, spek, huiden en andere waren konden er worden verkocht of doorgeladen. Handelsboden en verblijven hadden echte economische waarde; zulke gebouwen konden worden verpand. Achter een seizoensmarkt van vissers en tonnen haring stond dus kostbare infrastructuur van opslag, rechten, eigendom, krediet en vertegenwoordiging.
1361–1370 — Oorlog om handel
Toen Valdemar IV in 1361 Gotland en Visby veroverde, kwamen grote Oostzeebelangen onder druk. In 1367 verenigden tegenstanders van Denemarken zich in de Keulse Confederatie. Duitse en andere handelssteden wilden hun toegang tot Sont, Schonen en Oostzee beschermen. De strijd ging om politieke macht, maar tegelijk om tol, marktprivileges, veilige scheepvaart en grote investeringen in schepen en koopwaar.
De koning bezat militaire macht en kon tol heffen; handelssteden bezaten geld, schepen en internationale contacten; kooplieden waren afhankelijk van veilige routes. Wanneer onderhandelingen mislukten, konden economische belangen daardoor militaire belangen worden. Oorlog was niet alleen een onderbreking van handel. Zij kon juist ontstaan uit de vraag wie havens, zeestraten en markten beheerste en onder welke voorwaarden buitenlanders daar mochten varen en verkopen.
Ook de krijgsmacht zelf was beweeglijk. Vorsten riepen leenmannen op, maar huurden daarnaast betaalde krijgslieden. Ruiters, boogschutters, kruisboogschutters en andere specialisten konden ver van hun geboortegebied dienen. Zij moesten worden betaald, gevoed en vervoerd. Belastingen, stedelijke bijdragen, leningen en krediet financierden oorlogvoering. De economie die koopvaarders mogelijk maakte, hielp daardoor soms ook de soldaten betalen die om dezelfde handelsruimte vochten.
Schepen konden eveneens tussen handel en oorlog wisselen. Koopvaarders vervoerden manschappen, paarden en voorraden; oorlogsschepen beschermden of blokkeerden handelsroutes. Haarlem kende reeds scheepsbouw en zou later zelf vaartuigen aan militaire ondernemingen leveren. Handelsscheepvaart, stedelijke financiën en landsheerlijke oorlogvoering gebruikten zo vaak dezelfde havens, geldstromen, vaklieden en scheepsruimte.
In 1368 werden in Falsterbo nieuwe privileges vastgelegd. Amsterdam, Enkhuizen en Wieringen kregen rechten in Denemarken en op de Schonenmarkten; Kampen kreeg zijn vitte in Skanör bevestigd en Amsterdam kreeg daar een vitte met vergelijkbare rechten. Ook Brielle, Zierikzee, Harderwijk en Pruisische steden kregen privileges. De markt werd daarmee juridisch verdeeld tussen stedelijke handelsgemeenschappen met verschillende posities.
De Vrede van Stralsund in 1370 bevestigde hoe belangrijk commerciële belangen waren geworden. Internationale handel verdween door oorlog niet; zij werd na afloop opnieuw onder voorwaarden georganiseerd. Steden konden elkaar bestrijden, verdragen sluiten en daarna weer zaken doen. De latere Haarlemse Schonenvaarders kwamen terecht in een wereld van zeer oude routes, maar rechten die voortdurend door vorsten, steden, oorlog en onderhandeling opnieuw moesten worden veiliggesteld.
1378 — Deventer noemt Schonenvaarders
In Deventer wordt volgens de plaatselijke bronnen in 1378 een Schonenvaardersgilde genoemd. De handelaren brachten onder meer laken, wijn en zout naar het noorden en namen haring terug. Daarmee begon de Nederlandse Schonenvaart niet pas in 1378; de vaarpraktijk was ouder. Deventer toont vooral dat afzonderlijke stedelijke groepen zich inmiddels nadrukkelijk als Schonenvaarders organiseerden, nog vóór het eerste bewaarde Haarlemse statuut.
Er moeten daarom verschillende ontwikkelingen uit elkaar worden gehouden. Eerst bestond de oude vaart op Schonen. Daarna kregen afzonderlijke steden privileges en vitten. Vervolgens ontstonden plaatselijke gilden waarin kooplieden en schippers zich organiseerden. Haarlem behoort tot die laatste ontwikkeling. Het bijzondere is dat de Haarlemse papieren vervolgens niet alleen het bestaan van het gilde bewijzen, maar mensen en dagelijkse activiteiten eeuwenlang laten volgen.
1380 — Skanör als echte stad
Een oorkonde uit 1380 maakt Skanör tastbaar als meer dan een tijdelijke markt. Gotskalk Hemmingsson bezat drie aaneengesloten erven aan de westzijde van Travegatan en schonk die ten bate van een vicarie in de domkerk van Lund. Vastgoed in de handelsplaats kon dus inkomsten opleveren voor een kerkelijke instelling elders. Achter de seizoensdrukte lagen straten, eigendom en financiële belangen die het gehele jaar bleven bestaan.
Het voorbeeld brengt Kerk en handel opnieuw samen. Een terrein in een internationale handelsplaats kon inkomsten leveren aan een geestelijke stichting elders. Marktgrond was zelf vermogen: zij kon worden geschonken, verpand en ingezet om inkomstenstromen te financieren. De tijdelijke wereld van vissers en kooplieden rustte daarmee op een blijvend juridisch landschap van erven, gebouwen, rechten en bezit.
Rond 1368–1416 — De Haarlemse oorsprong
Een latere Haarlemse traditie noemt 1368 als stichtingsjaar van het Schonenvaardersgilde. Samuel Ampzing schreef in de zeventiende eeuw over ongeveer zeventig Haarlemmers die zelf naar Schonen zouden hebben gevaren en de vereniging zouden hebben gevormd. Een betrouwbare stichtingsoorkonde die het jaar 1368 bevestigt is echter niet bekend. Daarom blijft het een Haarlemse overlevering, geen bewezen stichtingsdatum.
Zeker is wel dat het statuut van 1416 niet klinkt als de regeling van een pas begonnen vereniging. Er bestaat al een deken, er zijn vinders, boeten, gezamenlijke verplichtingen, een religieuze plaats en regels voor arme en zieke broeders. Dat wijst erop dat de gemeenschap vóór het eerste bewaarde boek al enige tijd functioneerde. Hoe lang precies, blijft voorlopig niet vast te stellen.
1392 — Voogden en vertegenwoordigers
In 1392 kwamen voogden van handelsgemeenschappen in Skanör en Falsterbo bijeen om regels voor de haringhandel vast te stellen. Een koopman viel onder de voogd van de gemeenschap waarbij hij hoorde. Conflicten konden zo eerst op de markt worden behandeld. Bij ernstiger problemen gingen berichten naar de thuisstad en konden stadsbesturen, landsheren of uiteindelijk de Deense koning bij verdere onderhandelingen worden betrokken.
Compagnons konden voor elkaar goederen afleveren, schippers namen brieven mee en stadsboden brachten berichten over land. Voogden traden op namens handelsgemeenschappen en steden stuurden gezanten wanneer dat nodig was. Een koopman kon daardoor zaken laten uitvoeren terwijl hij honderden kilometers verderop verbleef. Zijn vermogen bestond niet alleen uit schepen en koopwaar, maar ook uit krediet, betrouwbare vertegenwoordigers en afspraken die op afstand bleven functioneren.
1400 — Haarlemers in Pruisen
Op 14 juni 1400 schreven vertegenwoordigers van Pruisische steden aan Haarlem over de Danziger burger Henrich Cervaes. Hij had een geschil met Haarlemse burgers en moest veilig naar de stad en weer terug kunnen reizen. De brief dreigde bovendien met verhaal op Haarlemse burgers die zich in Pruisen bevonden. Daarmee zijn Haarlemmers aantoonbaar aan de andere kant van het handelsnetwerk aanwezig.
Niet alleen buitenlandse goederen kwamen dus naar Haarlem; Haarlemse burgers bevonden zich zelf in verre handelsgebieden. Een conflict in Haarlem kon gevolgen krijgen in Pruisen en omgekeerd. De koopman nam zijn stedelijke herkomst als het ware mee op reis. Omdat anderen hem als Haarlemmer herkenden, konden zijn goederen of belangen zelfs worden gebruikt om druk uit te oefenen op zijn stadsbestuur.
18 juli 1400 — Haarlem als vergaderplaats
Op 18 juli 1400 werd Haarlem zelf vergaderplaats voor overleg over buitenlandse handel. Een dagvaart behandelde brieven uit Lübeck en bracht vertegenwoordigers van Hollandse steden samen. Internationale correspondentie lag daarmee niet alleen bij koningen of Duitse stadsraden. Zij kwam Haarlem binnen, werd er gelezen en besproken en kon tot gezamenlijk optreden leiden. De stad functioneerde dus al vóór 1416 als bestuurlijk knooppunt in handelszaken.
Sinds de stadsrechten van 1245 had Haarlem steeds meer bestuurlijke middelen ontwikkeld. De stad kon schrijven, boden uitzenden, vertegenwoordigers ontvangen en met andere steden overleggen. Zij bleef onder de graaf van Holland, maar hoefde niet bij iedere handelskwestie passief te wachten op persoonlijk landsheerlijk optreden. Binnen die ruimte groeide het vermogen om belangen van Haarlemse burgers buiten Holland zelf actief te ondersteunen.
1401 — De Duitse Orde schrijft aan Haarlem
Op 26 januari 1401 schreef grootmeester Konrad von Jungingen van de Duitse Orde rechtstreeks aan Dordrecht, Haarlem en andere Hollandse steden over een ernstig handelsconflict met Hamburg. De Pruisische zijde wilde niet alle handel met Holland afbreken. Hollanders en Zeeuwen mochten in Pruisen blijven kopen en verkopen, terwijl Pruisische onderdanen naar hun gebieden konden blijven varen. De steden werden zelf als partijen in de handelswereld aangesproken.
Bij zulke conflicten verschenen gezanten uit Lübeck, Thorn, Stralsund en andere steden, terwijl vorsten en stadsbesturen per brief onderhandelden. De individuele koopman had zijn persoonlijke contacten, maar achter hem konden stad, andere handelssteden, landsheer of grootmeester optreden. Een schuld, inbeslagname of scheepsconflict kon daardoor beginnen tussen particulieren en uiteindelijk aanleiding geven tot correspondentie op internationaal politiek niveau.
1405 — Buitenlanders in Holland
In 1405 bevonden Hamburgse kooplieden zich aantoonbaar in Holland. Zij klaagden bij hertog Willem en Hollandse steden over aanvallen op hun schepen; één betrokken vaartuig kwam uit Denemarken. De beweging was dus tweezijdig. Haarlemmers zaten in Pruisen, buitenlandse kooplieden bevonden zich in Holland en Deense schepen raakten betrokken bij conflicten die verschillende kusten en steden tegelijk verbonden.
Noord-Duitse goederen bereikten Haarlem bovendien al veel langer. Bremer bier werd in de dertiende eeuw in Haarlem belast. Dat bewijst niet dat iedere Bremer koopman persoonlijk naar Haarlem kwam, maar wel dat de stad onderdeel was van een noordelijke goederenstroom. Vanuit die positie konden Haarlemse ondernemers vervolgens steeds gemakkelijker zelf doordringen tot Duitse, Deense en Oostzeese markten.
ca. 1400 — Haarlem heeft handelswaar
Haarlem had ondertussen zelf steeds meer te bieden. De bierbrouwerij groeide uit tot een belangrijke bedrijfstak en Haarlems laken werd buiten de stad verkocht. Kooplieden handelden daarnaast in graan, wijn, zout, vis en andere waren. Niet ieder vat bier of stuk laken ging naar Schonen, maar een stad met producten, scheepsruimte, geld en ervaren ondernemers kon verre reizen gemakkelijker rendabel organiseren.
Buitenlandse handel werkte tegelijk terug op de Haarlemse economie. Brouwers hadden graan, brandstof en tonnen nodig; de lakennijverheid vroeg wol, verfstoffen en arbeid; scheepsbouw vroeg hout, ijzer, touw en zeildoek. Internationale handel voedde lokale bedrijfstakken en Haarlemse productie leverde weer handelswaar en kapitaal voor nieuwe reizen. Stadseconomie en buitenlandse handel konden elkaar zo voortdurend versterken.
1413 — Haarlemse scheepsbelangen in Lübeck
In 1413 zien we Haarlemse scheepsbelangen rechtstreeks in Lübeck. Wouter Jans en Heyn Potter verkochten een schip dat daar lag. Jan Lutgenszoon en Dirc Beyers maakten daarnaast afspraken over een Schonen-schuit die eveneens in Lübeck was opgelegd. Een schip kon in Lübeck liggen en voor Schonen worden gebruikt zonder voortdurend eerst naar Haarlem terug te keren.
De eigenaren konden Haarlemmers zijn, het schip lag in een Duitse stad, de handelsbestemming kon Schonen zijn en de volgende vracht kon weer ergens anders vandaan komen. Stad, schip en koopman waren dus niet aan dezelfde plaats gebonden. Wat hen bijeenhield waren eigendom, schriftelijke afspraken, krediet en persoonlijke relaties. Ook kapitaal in de vorm van een schip kon langdurig buiten Haarlem blijven werken.
Deel 1 — 1416–1574
Zeevaart, handel, geloof en de breuk van het beleg
1416 — ‘Den gemenen ghilde van Sconen’
Op de zondag na Sint-Agatha kwamen de deken, vinders en gezamenlijke broeders bijeen voor een volledige morgenspraak. Daar werden de eerste bewaarde regels vastgesteld voor wat de bron zelf “den gemenen ghilde van Sconen” noemt. De vereniging verschijnt daarmee niet als losse groep reizigers, maar als een ontwikkelde stedelijke gemeenschap waarin handel, geloof, financiële verplichtingen, sociale controle en wederzijdse hulp met elkaar waren verbonden.
Het statuut bepaalde dat handelsovereenkomsten over haring, schuiten en andere goederen die het gilde aangingen in het boek moesten worden geschreven. Ook gezamenlijke aankopen en andere belangrijke afspraken moesten worden vastgelegd wanneer geen afzonderlijk bestuursbesluit bestond. Schrift werd daarmee een vorm van zekerheid. Mondelinge afspraken konden vervagen; een regel in het gildeboek bleef voor volgende bestuurders en getuigen controleerbaar.
De mannen gebruikten verschillende benamingen voor zichzelf: het gemeenschappelijke gilde van Schonen, de Schonenvaarders, het Schonenvaardersgilde en de gildebroeders van het Schonenvaren. De spelling wisselde, maar Schonen bleef de kern. Niet één beroep, straat of familie verbond de eerste leden. Hun gemeenschappelijke basis lag in verre zeevaart, handel en de risico’s die daarmee samenhingen.
1416 — Dezelfde kaproen
Iedere broeder moest een kaproen van hetzelfde laken dragen. Zes weken nadat de deken en vinders hun nieuwe kaproen hadden gekregen, moesten de andere broeders eveneens zo’n hoofddeksel bezitten. Een man met voldoende middelen die weigerde kon zwaar worden beboet. Een werkelijk arme broeder werd anders behandeld en kon uitstel krijgen of met middelen van het gilde geholpen worden.
De kaproen maakte de broeders zichtbaar. Tijdens openbare bijeenkomsten, begrafenissen of processies kon Haarlem zien wie bij dezelfde gemeenschap hoorde. Dat gaf aanzien, maar ook verantwoordelijkheid. Wie het gezamenlijke kledingstuk weigerde, verwierp niet alleen een modevoorschrift maar tastte de zichtbare eenheid aan waarop reputatie en herkenbaarheid van de groep rustten.
1416 — Het altaar
Boeten kwamen geregeld ten goede aan het gildealtaar. Daardoor weten we dat de Schonenvaarders in 1416 al een religieuze plaats in de Grote of Sint-Bavokerk bezaten. Later werd die ruimte duidelijk met Sint-Olaf verbonden, de Noorse koning die als beschermheilige van zeevaarders werd vereerd. Geld uit overtredingen, handel en bijdragen kon zo in missen, kaarsen, onderhoud en religieuze voorwerpen worden omgezet.
Van die wereld bleven tastbare sporen bestaan. Een zwart beschilderd kapiteel draagt gouden haringen en een sluitsteen toont een hand met een haring. Rood, zwart en goud kwamen in de aankleding terug. De vis waarvan de verre handel mede afhankelijk was, werd daarmee letterlijk in de Haarlemse kerkarchitectuur opgenomen.
Voor zeevarende mannen had religie bovendien een onmiddellijke betekenis. Niemand die vertrok wist zeker of schip en bemanning terugkeerden. Een kaars, mis of beschermheilige voorkwam geen storm of schipbreuk, maar bood houvast in een wereld waarin doodsgevaar voortdurend aanwezig was. Handel en geloof waren daarom niet twee losse terreinen. Dezelfde reis kon winstverwachting, angst en religieuze hoop tegelijk bevatten.
1416 — Samen drinken betekende samen horen
Jaarlijks moest het gilde worden “gedronken” op Sint-Odulfsdag, 12 juni, of op de zondag daarna. Nieuwe leden mochten alleen tijdens een officiële morgenspraak of openbare drinkbijeenkomst worden aangenomen. Samen eten en drinken was daardoor vanaf het begin meer dan vermaak. Rond dezelfde tafel werd bevestigd wie de regels aanvaardde en voortaan aanspraak kon maken op steun, bescherming en sociaal aanzien binnen de groep.
Wie zijn aandeel niet betaalde, werd gemaand. Een gezonde man met voldoende middelen die bleef weigeren kon uit de vereniging worden gezet, terwijl zijn schuld bleef bestaan. Voor ziekte of werkelijke armoede gold een andere beoordeling. Het gilde maakte daarmee al in de vijftiende eeuw onderscheid tussen niet kunnen en niet willen betalen. Die financiële discipline zou nog meer dan drie eeuwen herkenbaar blijven.
1416–1417 — Het zakelijke geheugen
In 1416 sloot Dirc Symonsz een overeenkomst met Harman Jansz waarbij acht gouden Rijnse guldens een rol speelden. Als getuigen verschijnen Florys Maertijnsz, Dirc Jan Baertsz, Symon Symonsz en Heyntgen Backer. Niet iedere oude formulering is volledig helder, maar de aantekening toont dat het boek onmiddellijk werd gebruikt voor particuliere financiële afspraken tussen broeders.
Dirc Symonszoon verkocht bovendien haring aan Harman Janszoon Pol, met levering bij Draker, het huidige Dragør op Amager. Dragør lag op de route door de Deense wateren naar Schonen. De Haarlemse handel beperkte zich daarmee niet tot één marktterrein, maar bewoog door een bredere zone van havens, landingsplaatsen en handelscontacten rond Sont en zuidelijke Oostzee.
In 1417 stond Pieter Meusz zeven guldens schuldig aan Pieter Jan, te betalen rond Kerstmis. Herman Jansz, Pieter Claesz en Ghijsbrecht Jacobsz verschijnen rond dezelfde afspraak. Binnen een wereld zonder centrale kredietregistratie was reputatie uiterst belangrijk. Een schuld bleef bekend in een kleine kring van mannen die elkaar als buren, handelspartners, familieleden en toekomstige kredietgevers telkens opnieuw konden ontmoeten.
1417 — Een schuit met verschillende eigenaren
Floncer Jans en Heyn Potter verkochten een schuit met toebehoren aan Pieter Jan en Aelbrecht Godenaertsz voor acht gouden Engelse nobelen. Pieter kreeg het grootste aandeel en Aelbrecht een derde. Een schip hoefde dus niet één eigenaar te hebben. Door bezit te delen konden verschillende investeerders zowel mogelijke winst als het risico van beschadiging, verlies of een slechte reis over meer personen verdelen.
Nog duidelijker is de Schonense schuit waarmee Jan Lutgensz en Dirc Beyersz hadden gevist. Dirc kocht Jans helft voor meer dan vijf nobelen. Getuigen waren Claes Evertsz, Jan Blijshier, Jan Simonsz, Simon Gheritsz, Gherit Wissenisz, Claes Pietersz en Dirc Jacobsz. Hier staan schip, visserij, kapitaal, aandelen en gildevertrouwen rechtstreeks naast elkaar.
1418–1419 — Naar Schonen zelf
Harman Pol verschijnt opnieuw bij een overeenkomst over een ton zeehondenspek met huid die “tot Sconen opt lant” moest worden geleverd. Hij handelde namens een ander. De opdrachtgever hoefde dus niet iedere stap zelf uit te voeren. Een vertrouwde gildebroeder of compagnon kon op Schonen goederen afleveren, ontvangen of onderhandelen en zo een overeenkomst namens iemand die elders verbleef uitvoeren.
Rond 1419 sloten Claes IJsbrantsz, Willem Craen en Herman Pol een overeenkomst waarbij goederen eveneens “tot Sconen opt lant” moesten worden gebracht. Het product is door het handschrift niet volkomen zeker, maar de bestemming wel. Wat in Haarlem werd afgesproken kreeg honderden kilometers verderop aan de Deense kust zijn praktische uitvoering.
Een koopman kon maanden afwezig zijn. Achterblijvers wisten niet wanneer hij terugkwam of zelfs óf hij terugkwam. Storm, averij, ziekte, kaping en oorlog konden alles veranderen. Daarom waren getuigen en schriftelijke afspraken zo belangrijk. Een internationale onderneming zonder moderne verzekering rustte evenzeer op vertrouwen en reputatie als op schepen, lading en geld.
1421 — Een ruzie wordt gevaarlijk
In 1421 liep een conflict tussen Myens Louwez en Herman Pol zo hoog op dat het gilde ingreep. Wie de opgelegde vrede verbrak riskeerde achttien gouden nobelen boete. Een derde ging naar de heer van Holland, een derde naar Haarlem en een derde naar het gilde. Persoonlijke vijandschap werd daarmee beschouwd als een gevaar voor veel meer dan alleen de twee betrokken mannen.
Aernt Dirc Ballinxz was deken. De vinders waren Lambrecht Symonsz, Wouter Woutsz en Gherit Willemsz. Daarnaast worden Reyner Smyt, Dirc Jacobsz, Jan Blijf Hier en Ghisebrecht Willemsz genoemd. Het gilde functioneerde daardoor eveneens als een kleine rechtsgemeenschap. Interne vrede beschermde krediet, samenwerking, families en gezamenlijke handelsbelangen.
1431–1438 — Altaar, Bourgondië en familiekapitaal
In 1431 werd een ingewikkelde regeling rond het gildealtaar vastgelegd. Gheerit, weduwe van Reyer Smits, een eerdere beschikking van Reyner Varisz en veertig nobelen spelen daarin een rol. De juridische constructie is niet meer volledig te reconstrueren. Wel blijkt dat het altaar eigen financiële rechten en langdurige verplichtingen kon bezitten en daarmee zowel religieus als economisch bezit van betekenis was.
In 1433 kwam Holland definitief binnen het Bourgondische landencomplex van Filips de Goede. De Schonenvaarders bestonden toen al. Zij namen dus hun oudere Hollandse handelsnetwerk een nieuwe politieke wereld binnen. Terwijl dynastieën en gewesten boven hen nauwer werden verbonden, bleven de mannen in Haarlem schulden vastleggen, schepen delen, reizen financieren en hun eigen gildebestuur onderhouden.
In 1438 verklaarde Jan Diricsz dat hij van zijn stiefvader Wouter Jansz honderd Philips-schilden en nog zestien had ontvangen om ermee te handelen en de opbrengst te delen. Jan Jacobsz verschijnt daarnaast met veertien Arnoldusguldens. Familie en handelskapitaal liepen door elkaar. Niet iedere geldschieter voer zelf; een vertrouwde verwant kon het geld gebruiken en later winst of verlies verdelen.
Een oudere afspraak uit 1477 werd later alsnog in het gildeboek opgenomen. De precieze inhoud is moeilijker bewaard. Zulke verschoven notities tonen dat het boek geen moderne chroniek was. Oudere bepalingen konden jaren later worden overgeschreven wanneer zij voor de bestuurders nog van belang waren. Daardoor moet de volgorde van aantekeningen niet altijd als directe chronologische registratie worden gelezen.
1486 — Een nieuwe generatie
In 1486 was Bertolmeeus Ghijsbertz deken. Aerian Doern, Aerian Claesz en Dirc Willemsz waren vinders. Ongeveer zeventig jaar na de eerste bewaarde regels functioneerde dezelfde bestuursvorm nog steeds. De eerste mannen waren verdwenen, maar de organisatie niet. Het gilde was daarmee duurzamer geworden dan één handelsreis, één schip of één generatie Schonenvaarders.
1529–1544 — Huizen, land en rente
Vanaf 1529 worden steeds meer vaste inkomsten zichtbaar. Florijs Henderiksz wordt verbonden met een huis en erf in de Achterstraat bij de Augustijnen, waarop jaarlijks twintig stuivers rustten; de bijbehorende schepenbrief dateerde uit 1518. Ook in Zijlstraat en Grote Houtstraat bezat het gilde rechten. Zelfs twee koperen potten werden verhuurd en leverden geld op.
Buiten Haarlem lagen bezittingen of renten bij Limmen, Akersloot, Nieuwerkerk, Uitgeest en Schoorl. In Limmen worden drie geersen genoemd. Een stuk weiland in Schoorl bracht jaarlijks drie goede Franse kronen op. De vereniging was daardoor niet langer alleen verbonden met schepen en zeehandel, maar ook met boeren, pachters, land en vastgoed in Kennemerland.
In Uitgeest verschijnen Cornelis Jansz en Gerrit Jacobsz te Heemskerk aan Duin. Claes Florijsz en Florijs Florijsz huurden drie geersen voor hun moeder Brecht tegen zes Carolusgulden per jaar zolang zij leefde. Haar overlijden was onderdeel van de voorwaarden. De gildeadministratie kon naast internationale handelsafspraken dus uiterst concrete familie- en pachtverhoudingen vastleggen.
Mei 1544 — Vierhonderd gulden wordt rente
In mei 1544 verkochten deken Dirck Hubertsz en de vinders Cornelis Willemsz, Jacob Joest en Dirck Claesz Joest acht maden land aan Jan Reijersz voor 400 Carolusgulden. Het geld werd ondergebracht bij de Haarlemse Heilige Geestmeesters, die ieder halfjaar tien gulden betaalden. De broederschap verkreeg zo jaarlijks twintig gulden vaste rente.
Hier wordt een fundamentele verandering zichtbaar. Kapitaal dat ooit vooral door risicovolle handel en scheepvaart was opgebouwd kon worden omgezet in een stabiele rente. Een schip kon vergaan, maar een goed vastgelegd rentecontract kon jaren geld blijven opleveren. Die verschuiving hielp verklaren waarom het gilde later zijn oorspronkelijke handelsfunctie kon verliezen en toch financieel blijven voortbestaan.
De jaren 1530–1540 — Bakenesse
Een uitgebreide buurtlijst plaatst de broeders letterlijk in Haarlem. Op Bakenesse staan Bartelmeus Viensz, Gherijt van Adrichom, Florijs Claesz, Joost Janeefsz, Florijs Dirick Joostenz, Staes Garbrantsz, Claes Splinter, Claes Joost Brouwer, Dirick Aelbrechtsz Laps, Ghisbrecht Adriansz, Gherijt Vogel en Frans Adriaensz. Het gilde krijgt zo naast financiële transacties ook een concrete stedelijke geografie.
Verder worden Gerrijt Claesz Ban, Cornelis Aelbrechtsz, Pief Maertsz Spelt, Jan Jacobsz Visser en waarschijnlijk Overt Spijen genoemd. Niet iedere lezing is door het oude handschrift volkomen zeker. Juist daarom moet voorzichtig met de spelling worden omgegaan. Samen vormen de namen een zeldzame sociale kaart waarop woonplek, beroep en gildeverband aan elkaar kunnen worden gekoppeld.
Burgwal en Blinde Jonckerstoren
Op de Burgwal woonden Gherijt Claesz, Frederick Zybrantsz, Willem Cornelisz, Claes Maertsz, Vechter Olijslager, Pieter Claesz Brouwer, Pieter Baerntsz Sapp, Jan Claesz Koernhart en Pieter Aerntsz. Beroepen als olieslager en brouwer tonen hoe breed de ledenkring inmiddels was. De naam Schonenvaarder betekende niet langer uitsluitend zeevarende schipper.
Van de Blinde Jonckerstoren richting Bakenesse verschijnen Frans Garbrantsz, Gherijt Thomasz, Adriaen Jansz Lou, Jacob Joost de Jonge, Dirick Korstensz, Engbrecht Heymicxsz, Gherijt Willemsz den Abt, Sijmon Claesz, Maerten Screvel en Jan Harkricxsz. De lijst wordt bijna een wandeling langs huizen, werkplaatsen, pakruimten en gezinnen in het oostelijke deel van Haarlem.
Damstraat, Schagestraat, Grote Houtstraat
In Damstraat en bij de Beek stonden Engbrecht Florijsz, meester Cornelis de Vries, Claes Aerntsz Leen, Heertgen Diricxsz, Heynrick Willemsz en Claes Harinck. Aan Schagestraat en gracht worden Gherijt van Warmondt, Aernt Heynricxsz, Jan Aerntsz Brouwer, IJsbrant Claesz Olijslager en Ghijsbrecht Slotemaker genoemd. De gemeenschap liep dwars door verschillende Haarlemse buurten en beroepen.
In de Grote Houtstraat bij het Zand woonden Jacob Ballemaker, Jan van Loo, Jacob de Wit, Dirick Pietersz Verwer, Vechter Jelbertsz, Willem Gerritsz van Zuerten, Pieter Buijs van Amsterdam, Lambert Hantschoenmaker, Wouter Kerstensz, Pieter de Bode en Jan Claesz in den Eenhoorn. Bijnamen en beroepen vertellen hier bijna evenveel als familienamen over het economische netwerk.
Zijlstraat en Kruisstraat
Rond Zijlstraat en Kruisstraat verschijnen Frans Scatter, Coemen Luijtgen, Jan van Looijen, Borrijt Pietersz van Akersloot, Coemen Adriaen Kermis, Jan Stevensz, meester Dener Lampador en Heijnderick Gerritsz. Sommige lezingen blijven onzeker. Zeker is dat de Schonenvaarders geen afgesloten kolonie vormden, maar verspreid door de binnenstad woonden en deel uitmaakten van uiteenlopende Haarlemse sociale milieus.
1536 — Brouwers in het bestuur
In 1536 was Willem Ghijsbertsz, brouwer, deken. De vinders waren Cornelis Aelbrechtsz, Aerian Joest, eveneens brouwer, en Gherrijt Willemsz, olijslager. Twee van de vier bestuurders kwamen rechtstreeks uit het brouwersbedrijf. De noordelijke handelsidentiteit bleef bestaan, maar de leiding van het gilde weerspiegelde steeds sterker de stedelijke economie van Haarlem zelf.
Schipper Meus, Pieter Claesz Provenier, Pieter Jacobsz, Gerrit Beurritsz en Jacob Pietersz Platvoet verschijnen rond wijnkoop en gelaggeld. Een koop werd niet alleen schriftelijk en met getuigen vastgelegd, maar ook sociaal bevestigd door gezamenlijk te drinken. Zakendoen en gezelligheid waren geen gescheiden werelden: een commerciële afspraak kon tegelijkertijd een sociaal ritueel zijn.
1541–1543 — Kleine geldstromen
De ontvangsten noemen Pieter Claesz alias Luttick Brouwer, Gerrit Jacobsz van Heemskerk, Claes Florisz van Akersloot, Jan Reijersz en Pieter Jansz Prick. Ook een kaarsenmaker in de Zijlstraat betaalde. De gildekas werd gevuld door tientallen stromen uit pacht, huur, rente, contributies, handel en doodschulden. De financiële basis werd daardoor stabieler dan zij door één enkele handelsreis ooit kon zijn.
In 1542 werden doodschulden genoteerd van meester Reijer Lampedoer, Cornelis Coeser en Dirck Jansz Bontwercker. Later volgen Gijsbert Slotemaker, Jacob Joest en Dirck Pietersz. Een overlijden was niet alleen verlies van een broeder. Het activeerde ook financiële verplichtingen, begrafenisgebruiken en herinnering. De dood had daarmee een vaste plaats in de jaarlijkse administratie.
28 december 1542 — Achtenveertig personen
Een afzonderlijke rekening noemt 29 pond vlees, verkocht aan Jan Schott. Op 28 december 1542 aten ongeveer 48 personen samen en kwam 24 Carolusgulden en 9½ stuiver aan bijdragen binnen. Voor bijna vijftig mensen moesten eten, drank, vuur, licht, vaatwerk en personeel worden georganiseerd. Een gildebijeenkomst was daardoor tijdelijk een groot huishouden waarin veel leveranciers en helpers betrokken waren.
De rekeningen noemen zes mingelen dubbel bier en daarnaast negen tonnen bier. Acht tonnen van Willem Gijsbertsz kostten twaalf Rijnsgulden; alleen de accijns bedroeg 4 Rijnsgulden en 16 stuivers. Verder kwamen boter, kaas, konijnen, vis, haring, vlees, zout, suiker, mosterd en azijn binnen. Turf, hout, linnengoed, een kok, pijpers en een kannengieter stonden eveneens op de rekening.
28 december 1542 — Vijftig tonnen bier
Jan van Berckeroe verkocht Pieter Claesz Provenier vijftig tonnen bier tegen 22 stuivers per ton. Pieter zou de tonnen geleidelijk afnemen en mocht zolang Jan voldoende kon leveren niet bij een andere brouwer kopen. Alleen wanneer Jan geen bier beschikbaar had mocht hij elders inkopen. Vijftig tonnen tegen 22 stuivers vertegenwoordigden samen ongeveer 55 gulden: commerciële bierhandel op aanzienlijke schaal.
Diezelfde dag verkocht Pieter Jacobsz Platvoet een gebruikte of verpande palsrok voor 5 Carolusgulden en 10 stuivers, plus tien stuivers wijnkoop. Jacob Joest verkocht Gerrit Benartsz honderd zogenaamde druemen Haarlems laken. De precieze betekenis van druemen blijft onzeker. Bier en Haarlemse textielhandel stonden in ieder geval letterlijk naast elkaar in hetzelfde zakelijke gildeboek.
29 december 1542 — Betaling na terugkeer
Schipper Meus Jansz sloot met Jacob Pietersz Platvoet een overeenkomst over honderd eenheden van een moeilijk leesbaar product. Betaling hing samen met het moment waarop Meus terugkeerde. Het zeevaartrisico werd daarmee onderdeel van de betalingsvoorwaarde. Een zakelijke overeenkomst thuis werd pas voltooid wanneer schip en schipper daadwerkelijk weer veilig in de Hollandse handelswereld waren verschenen.
Diezelfde dag verkocht Jacob Platvoet aan Meus een boot voor 25 Carolusgulden. Daar kwam twintig stuivers wijnkoop bij en Meus moest zekerheid stellen. Coemen Luijtgen en Harman Cornelisz waren getuigen. Zelfs binnen een vertrouwde broederschap bleven onderpand, getuigen en geschreven voorwaarden noodzakelijk wanneer aanzienlijke bedragen en scheepsbezit op het spel stonden.
Een moeilijker overeenkomst lijkt een kist of kantoor met vijftig gulden en een hogere latere terugbetaling te betreffen. Daarbij werd Jacobs gedrag in Haarlemse herbergen gedurende een bepaalde periode beperkt. De precieze juridische bedoeling is niet betrouwbaar volledig te reconstrueren. Wel blijkt hoe persoonlijk kredietvoorwaarden konden worden en hoe ver de gildeadministratie soms in het dagelijkse gedrag van een schuldenaar reikte.
1543 — Een nieuw gildeboek?
Rond 1543 wordt de administratie veel uitvoeriger. Het statuut van 1416 wordt gevolgd door een sprong, terwijl oudere afspraken uit de vijftiende eeuw later in een andere volgorde werden ingevoegd. Historica Isabel Casteels heeft daarom voorgesteld dat omstreeks 1543 mogelijk een nieuw gildeboek in gebruik werd genomen waarin relevante oudere afspraken opnieuw werden overgeschreven.
Dat betekent niet dat het gilde toen opnieuw werd opgericht. De omstandigheden rond de Sont veranderden en Hollandse handelaren kregen opnieuw meer ruimte, terwijl de Haarlemse administratie systematischer werd. Daardoor is vooral de zestiende-eeuwse binnenwereld van het gilde uitzonderlijk goed zichtbaar: woningen, pacht, handel, kerkelijke uitgaven, maaltijden, schulden en persoonlijke afspraken verschijnen dicht naast elkaar.
1543 — Jeruzalem als risico
Adriaen Pietersz Vlasman maakte in 1543 een opmerkelijke overeenkomst rond een reis naar Jeruzalem. Hij moest de stad werkelijk bereiken en bewijs leveren dat hij het Heilig Graf bezocht had. Vijftig Carolusgulden inzet kon bij succesvolle voltooiing negentig gulden opleveren. Bedevaart, gevaar, vertrouwen en financieel spel liepen daarmee rechtstreeks door elkaar.
Ook Gerrit Claesz Joest maakte vergelijkbare afspraken. Meijnert Gijsbertsz kreeg van Jan van Berckeroede een gouden kroon in verband met reizen van Joest Aelbertsz naar Jeruzalem, Rome en Loreto; ook Maria Magdalena in de Provence verschijnt. De geografische horizon van de Haarlemse broeders reikte daarmee veel verder dan Schonen, Noorwegen en Oostzee.
Jaep Piet kocht van Vlasman waarschijnlijk een bijzondere kap of mantel voor zes Carolusgulden. De precieze oude benaming is onzeker. Zulke verkopen konden een verre bedevaart helpen financieren. Net als zeehandel vergde de reis geld, voorbereiding, getuigen en het besef dat iemand maanden weg kon blijven of zelfs helemaal niet kon terugkeren.
Kerstmis 1543 — Drie missen per week
Vanaf Kerstmis 1543 werd een geestelijke aangesteld die bij het Schonenvaardersaltaar drie missen per week moest verzorgen. Hij kreeg jaarlijks 16 gulden en 10 stuivers. Week na week ging geld uit handel, pacht en bijdragen naar zielenzorg, kaarsen en liturgie. Het altaar was daarmee een permanente religieuze instelling en niet alleen versiering voor enkele feestdagen.
Voor de broeders waren zulke missen verbonden met het zielenheil van levende en overleden leden. Gebeden van de levenden konden volgens het toenmalige geloof betekenis hebben voor de doden. Doodschulden, missen, processies en begrafenissen vormden zo één systeem. Religie was geen toevoeging aan de handelsgemeenschap, maar één van de manieren waarop die gemeenschap zichzelf en haar continuïteit begreep.
1546 — Huizen, sloten en processie
In 1546 kwamen inkomsten uit Uitgeest, Haarlemmerliede en Haarlemse huizen. Moncrinus Messelaer wordt verbonden met een woning in de Grote Houtstraat, Frans Stevensz met een huis in de Zijlstraat. Een huis bij de Augustijnen lag naast meester Pellegrim, barbier. Land in Haarlemmerliede bracht jaarlijks drie Carolusgulden op, verbonden met Willem Dirck Maertsz.
De uitgaven noemen kisten, ijzerwerk, sloten en sleutels. Zelfs een nieuwe sleutel voor het gildeboek werd betaald. Het tabernakel werd gerepareerd en groen geverfd. Priester, knecht, missen op Sint-Clemens en was voor kaarsen waren terugkerende kosten. Het schriftelijke geheugen was kostbaar genoeg om letterlijk achter slot en sleutel te worden bewaard.
Het gilde liep bovendien mee in de Sacramentsprocessie. Namens de Schonenvaarders werd een voorwerp gedragen dat in de bron als een orlement wordt aangeduid. De gezamenlijke kleding en andere herkenbare kenmerken maakten de broederschap zichtbaar tussen de Haarlemse corporaties. Zij manifesteerde zich niet alleen economisch, maar ook in het publieke religieuze leven van de stad.
27 september 1546 — Bij de Witte Heren
Op 27 september 1546 hield het gilde een grote maaltijd in het convent van de Witte Heren. Eerst werden acht tonnen bier tegen dertig stuivers per ton gekocht; vervolgens kwamen er nog twee bij. Uit de huidige reconstructie zijn dus minstens tien tonnen zeker. Accijns en kosten voor het binnenbrengen kwamen daar nog bovenop.
Een zak tarwe werd gekocht en malen, belasting en bakken afzonderlijk betaald. Verder kwamen vlees, vermoedelijk ongeveer 24 vogels, ham, boter, kaas, warmoes, roggebrood, zout, mosterd, peper of andere kruiden en azijn binnen. Kruiken, kannen, kaarsen, turf, hout, servies en personeel waren eveneens nodig. De maaltijdrekening beschrijft bijna stap voor stap de logistiek van een groot zestiende-eeuws feest.
1547–1548 — Heer Sijmon en een nieuwe ledenkaart
In 1547 werd heer Sijmon van der Laen door Jan van Berkenrode voor één jaar aangenomen. Hij zou veertien gulden ontvangen, verdeeld over twee termijnen. Op drie hoogtijdagen kreeg hij telkens vier stuivers extra. Bij de overeenkomst hoorde twintig stuivers gast- of gelaggeld. Getuigen waren meester Gerrit Ramp, Dirck Joest, Engel Pieter en Steffen Dircksz.
Een lijst uit 1548 verdeelt ongeveer 51 personen over Haarlem. Rond Zand, Zijlstraat, Barteljorisstraat, Kruisstraat en Smedestraat staan Jan van Berkerode, Claes van Egmont, Cornelis Riken, Pieter Fredericksz, Gerrit Thomasz, Mathijs Gerritsz, Adam Gerritsz Bol, Haije de Schipper, Cornelis IJsbrantsz en Dirric Maerten Oems.
In en rond Grote Houtstraat en Geerstraat volgen Willem die Baut, Diric Spiker, Frans van Panderen, Dieric Hubertsz, Niclaes Pietersz, Pieter Jansz Backerlin, Jacob Bartolomeusz, Dieric Corstensz, Claes Cuper en Willem Ghijsbertsz. De telling is op een punt niet helemaal consistent, maar komt waarschijnlijk rond 51 personen uit.
Rond Anegang en Schagchelstraat staan Koen Hasselaer, Jan Keiser, Gerrit Boerritsz, Dirric Cornelis Puck, Pieter Koenen, Pieter Claesz Provenier, Dirric Claes Cost, Jacob Witkens en Hendric Embertzn. Aan Damstraat, Spaarne en Achterstraat verschijnen Jan Loon, Fredric Ghisbert, Cornelis Willemsz, Willem Hermansz, Willem Dirric Maertsz, Jacob Piet, Arnt Hendericzn en Pontiaen Jacobsz.
Verder volgen Engel Pietersz, Luttick Brouwer, Harman van der Laen, Steffen Dirriczn en Pieter Doesen. Rond Bagniestraat en Bakenes staan Gerrit Claes Joest, Dulle Mijs, Willem Jansz Roede, Harmen Cornelis, Gerrit Claesz Baen, Claes Volterz van Limmen, Sijmon Anderisz, Jan Jacobsz Visser en Cornelis Claesz Hoessebant. De broederschap liep door een groot deel van de binnenstad.
27 december 1548 — Tien lasten teer
Cornelis IJsbrantsz verkocht Harmen Cornelisz tien lasten teer tegen zestien Carolusgulden per last. Betaling zou na een jaar plaatsvinden en tien stuivers gelaggeld kwamen erbij. Haije de schipper en Jacob Uithien waren getuigen. Teer was essentieel voor houten schepen en verbindt deze transactie rechtstreeks met de maritieme economie van onderhoud, bouw en langeafstandsscheepvaart.
Een andere koop betrof een met zilver uitgevoerd voorwerp, waarschijnlijk een soort knoopmes, waarbij ongeveer veertien lood zilver werd genoemd. Jacob Bartolomeusz verkocht het aan Frans Oem of Van Paenderen voor twintig Carolusgulden en één gulden gelag. De voorwaarden hielden mede verband met Jacob en zijn vrouw; niet ieder juridisch detail is meer zeker te reconstrueren.
1548 — Bergen, Hamburg en Joachimdaalders
Hendrick Haijen, schipper, verkocht Harmen Cornelisz vijftien waardedelen of participaties op Bergen in Noorwegen. De precieze juridische vorm is onzeker, maar de verbinding met Bergen staat vast. Het gilde droeg inmiddels een veel grotere noordelijke handelswereld dan alleen Schonen. Noorwegen, Hamburg en andere bestemmingen waren in de praktijk eveneens onderdeel van het netwerk.
Jan Cornelisz alias Guldemont verkocht Jacob Bartolomeusz een hoeveelheid Hamburgs bier tegen ongeveer vier gulden per ton, plus twintig stuivers gelag. Een andere overeenkomst noemt 24 Joachimdaalders die onder bepaalde voorwaarden tot een betaling van 38 Joachimdaalders konden leiden. De precieze constructie is moeilijk leesbaar, maar de internationale geld- en goederenwereld is duidelijk.
1548 — Katrijn Claesdochter
Jan van Berkerode gaf Koen Hasselaer een gouden kroon onder opvallende voorwaarden. Wanneer Koen een koopmanschap deed waarmee zijn vrouw Katrijn Claesdochter niet instemde, of geld verloor bij tiktak, kaarten of ander spel, kon een veel hogere terugbetaling volgen. Enkele woorden zijn onzeker, maar Katrijns instemming met financieel gedrag is duidelijk genoeg om haar positie zichtbaar te maken.
Vrouwen waren geen gewone gildebroeders, maar stonden bepaald niet buiten de economie. Zij konden financiële beslissingen beïnvloeden, herbergen beheren, goederen leveren, geld innen en als weduwe verplichtingen voortzetten. De formele mannenwereld van het Schonenvaardersgilde rustte voortdurend op een veel bredere huishoudelijke en economische werkelijkheid waarin vrouwen een praktische rol vervulden.
1548 — 1.200 potten naar Noorwegen
Boerrit Jansz verkocht Harmen Cornelisz maar liefst 1.200 potten. Ze moesten dagelijks worden gebakken en klaar zijn voordat Harmen met zijn schip naar Noorwegen vertrok. Harmen moest tijdig waarschuwen wanneer de reis naderde. Eén buitenlandse bestelling kon daardoor wekenlang werk verschaffen aan een pottenbakker en diens werkplaats nog voordat het schip daadwerkelijk vertrok.
Direct daarnaast verkocht Claes Velserman aan Harmen een kleine hoeveelheid haring. Dezelfde handelsreis kon aardewerk, voedsel en andere producten combineren. Een Schonenvaarder was dus niet noodzakelijk iemand die uitsluitend haring vervoerde. De leden pasten hun vracht aan bestemming, vraag, scheepsruimte en beschikbare handelswaar aan, terwijl de oude gildennaam naar de vroegere noordelijke specialisatie bleef verwijzen.
1548 — Kleding en krediet
Frans Hugen verkocht Cornelis Jansz paarse of versierde kousen of beenbekleding. De overeenkomst bevat voorwaarden die mede met zijn vrouw samenhingen, maar is te beschadigd om volledig zeker te interpreteren. Het voorwerp laat zien dat het gildeboek niet alleen schepen of grote handelswaar registreerde. Ook kleding en persoonlijke bezittingen konden onderdeel worden van krediet.
Een andere afspraak tussen Harmen Cornelisz en Pieter Fredericksz ging over vijftig hazelaarstokken. De betaling lijkt samen te hangen met het huwelijk van Jan Willemsz. Ook hier blijft de precieze juridische bedoeling onzeker. Het gildeboek functioneerde kennelijk als betrouwbare plaats voor zeer uiteenlopende afspraken over handel, huwelijk, kleding, krediet, weddenschappen en persoonlijk bezit.
1548–1549 — Frans Oem en Jeruzalem
Rond Frans Oem ontstond opnieuw een reeks verkopen die met een reis naar Jeruzalem samenhing. Een zilveren voorwerp van ongeveer veertien lood ging naar Frederick Gijsbertsz en Claes van Egmont. Jan Keiser kocht een bonnet voor twintig stuivers. Jacob Pietersz kocht een gouden ring voor zes Rijnsgulden. Ook andere kleding en verpande bezittingen werden verkocht.
Er bestond duidelijke overlap met het Haarlemse Jeruzalemvaardersgilde. Mannen konden tegelijk koopman, zeevaarder, bedevaartganger, schutter en lid van verschillende religieuze gemeenschappen zijn. Gastheren bij Jeruzalemvaardersmaaltijden waren soms tevens Schonenvaarder: Jan van Berkerode in 1545, Coen Pauwels in 1546, Harman van der Laen in 1552 en Dirk Joost in 1553.
Dezelfde personen verbonden daardoor organisaties die op papier afzonderlijk bestonden. Het stedelijke leven was geen verzameling gesloten dozen waarin iemand maar één identiteit had. Een Haarlemmer kon tegelijk via familie, beroep, gilde, schutterij, kerk en bedevaartgroep met verschillende kringen verbonden zijn. Juist die overlappende netwerken maakten de stad sociaal sterk en handelsrelaties gemakkelijker uitbreidbaar.
1548–1549 — Een gezongen mis
De kerkelijke rekeningen noemen een meid in de Doelen, een pastoor, een knecht, kaarsen en een gezongen mis met zangers. Kleine wijnkopen hielpen religieuze muziek bekostigen. Geld uit handel en sociaal ritueel kwam zo opnieuw in de kerk terecht. Binnen het gilde waren handel, feest, muziek, arbeid en religie niet afzonderlijke compartimenten maar onderdelen van dezelfde jaarlijkse gemeenschap.
1549–1550 — Sint-Olaf
Op Sint-Olafsdag 1549 werden drie missen betaald; in 1550 waren het er vier. De klokken werden geluid. Er kwam een nieuw kazuifel, Jan Hughenz werkte eraan en knecht Jan kreeg vier gulden. Ook de wijding van het gewaad kostte geld. De Scandinavische patroonheilige bleef daardoor sterk aanwezig toen de feitelijke handel op Schonen al minder centraal begon te worden.
Juist daarin zit een belangrijke verandering. Naarmate de oorspronkelijke economische specialisatie verzwakte, konden Sint-Olaf, haringen, altaar en rituelen de oude geschiedenis blijven uitdrukken. De vereniging hoefde niet meer uitsluitend uit actieve haringhandelaren te bestaan om zichzelf als Schonenvaardersgemeenschap te herkennen. De naam veranderde langzaam van beroepsaanduiding in historische identiteit.
10 september 1550 — Het scheepje
Op 10 september 1550 kocht het gilde voor 1 gulden en 12 stuivers een nieuw scheepje voor het altaar. Daarna werd betaald voor vernissen en voor de roede waaraan het kon hangen. Waarschijnlijk gaat het om de boeier die nog met de Haarlemse Sint-Bavo wordt verbonden en mogelijk door Pieter Coenen werd gemaakt.
Volgens de scheepshistorische literatuur geldt dit waarschijnlijk als het oudste bekende modelschip in een Nederlandse kerk. Juist wanneer de oorspronkelijke Schonenhandel minder vanzelfsprekend werd, hing het gilde zijn maritieme oorsprong letterlijk als herinneringsvoorwerp in de kerk. De dagelijkse economische werkelijkheid veranderde, terwijl de herinnering aan het zeevarende verleden juist tastbaarder werd gemaakt.
Cornelis Willemsz droeg twaalf stuivers bij. Vrerick Ghijsbertsz, Harman Verlaen, Steffen Dircksz en Adam Bol gaven ieder zes stuivers; Dirck Theus drie. Dirck Wist en Philips Heijndrickzn beloofden ieder tien. De aankleding werd daarmee niet alleen uit gemeenschappelijke middelen betaald, maar ook door persoonlijke bijdragen van broeders.
Allerkinderendag 1550 — Drie dagen Moriaans Hoofd
Op Allerkinderendag 1550 kwamen de broeders bij Jaep Oem in het Moriaans Hoofd bijeen. De bijeenkomst duurde drie dagen. Cornelis Willemsz was deken. Genoemd worden onder anderen Steffen Dircksz, Cornelis IJsbrantsz, Cornelis Rijkersz, Dirck West, Adam Bol, Heijnderick Embertzn, Willem Dircksz, Aerean Wouterz, Haijen Schipper en Jan Jacobsz Visser.
Verder verschijnen Niclaes Pietersz, Mius Jansz Dub, Borrit Jansz, Dirck Theuszn, Gerrit Claes West, Jan Keijser, Dirck Hubertzn, Dirck Sijmonsz schipper, Pieter Koenen, Thijs Gerritsz, Coen Pouwelsz, Cornelis Gerrit Thomasz, Pieter Provenier, Engel Backer, Vreric Ghijsbertsz, Jan Jansz, Dirck Roijer, Ponciaen Jacobsz en Harman Verlaen.
Daarna volgen Gerrit Jansz, Claes van Egmont, Pieter Claesz, Jacob Pellicaen, Aelbert Arentsz, Phillip Heijndrickzn, Louris Claeszn en Dirck Gerritzn Lap. Bij Gerrit Borrit en Cornelis Jansz staat dat hun doodschuld betaald was. Ledenlijst, eetlijst en overlijdensadministratie liepen daarmee in dezelfde bron gemakkelijk door elkaar.
Jaep Oem kreeg 17 gulden en 10 stuivers voor kost, vuur, gebroken kruiken, werkzaamheden en de arbeid van vier jonge vrouwen. Een dienaar kreeg vijf stuivers om de wijn te bewaken en Harman Verlaen leverde een pijp wijn. De vier vrouwen krijgen geen verdere biografie, maar hun betaling maakt de verborgen arbeid achter drie dagen herenfeest zichtbaar.
1551–1555 — Altaar, Lissabon en Amsterdam
In 1551 werd opnieuw veel aan het altaar besteed. Een schilder kreeg eerst negen en later nog elf gulden. Houtwerk en andere werkzaamheden werden betaald en zelfs bier voor de werklieden staat in de rekening. Het altaar was dus geen statisch religieus voorwerp, maar een voortdurend onderhouden ruimte waaraan schilders, timmerlieden, knechten en leveranciers werkten.
Tijdens Kerstmis 1552–1553 verkocht Steffen Jacobsz vier granaatappels aan Pieter Coens, te leveren wanneer hij uit Lissabon terugkwam. Later verkocht hij er zeven aan Jan Bartolomeusz. Een Zuid-Europese vrucht verschijnt zo midden in de Haarlemse administratie. Dezelfde kring die zaken deed met Noorwegen en Hamburg stond eveneens in verbinding met Portugal en de Atlantische wereld.
Sipke, waard in de Blauwe Helm te Amsterdam, kocht materiaal of uitrusting voor een boeier ter waarde van 147 keizersgulden. Jan Cornelisz moest het naar Amsterdam brengen. De exacte benaming van het onderdeel is onzeker. Wel toont de transactie hoe nauw Haarlem en Amsterdam economisch verbonden waren en hoe gemakkelijk scheepsmateriaal, geld en mensen tussen beide steden bewogen.
Een andere overeenkomst draaide om de vraag of Hannech Pietersz koning van de Haarlemse Kloveniers zou worden. Jacob Bartolomeusz, aangeduid als publicaen, sloot daarover een financiële afspraak. Ook hier kruisten gilde en schutterij elkaar. Dezelfde mannen konden in verschillende stedelijke corporaties rollen spelen en daardoor sociale netwerken aan elkaar knopen.
Tijdens Kerstmis 1552 werden eerst tien tonnen bier gekocht voor 26 Rijnsgulden inclusief accijns. Later kwamen nog vier tonnen bij. Een jongen werd betaald om bier te tappen. Gebroken stoelen en tangen moesten eveneens worden vergoed. Een meerdaagse bijeenkomst vergde niet alleen voedsel en drank, maar kon ook letterlijk schade aan het huisraad achterlaten.
In 1554–1555 verschijnt het Moriaans Hoofd opnieuw als ontmoetingsplaats. Iedere broeder betaalde twaalf stuivers eetgeld. In 1555 werden vier tonnen gewoon en drie tonnen Engels bier gekocht. Kaarsen, gebroken kruiken, kost, vuur en verlichting kwamen erbij. De vrouw van Jacob Oom kreeg betaling en de priester zeven gulden.
Rond dezelfde tijd noemde de vereniging zichzelf in een overeenkomst het “Sinte Olaevs ghilt”. Dat is veelzeggend. Terwijl handel op Schonen uit de dagelijkse administratie begon weg te zakken, werd de Scandinavische beschermheilige nadrukkelijker onderdeel van de identiteit. De oorsprong werd steeds sterker bewaard door naam, ritueel en herinnering.
1556 — Een nieuwe Haarlemse kaart
In 1556 was Cornelis Rijckensz deken. Jacob Bartholomeusz, Pellicaen Jacobsz en Hanich Pietersz waren vinders. Op Bakenes worden Beste Swager, Jan Cornelis Naesmaeck, Jacob Albrechtsz Cuyper en Cornelis Olij genoemd. Langs Spaarne en Scheepmakersdijk verschijnen Steffen Soutman, Harman Verlaen, Willem Dircksz Maerts, Cornelis Willemsz, Pontiaen Jacobsz en Frederick Gijsbrechtsz.
In Veerstraat en Damstraat woonden Dirck Matheusz, Jan Keijser, Pieter Coenen, Jan Lou Staetsz en Dirck Joest. Op de Burgwal stonden Cornelis Monck, Engel de Backer en Borrijt Jansz Pottebacker. In de Houtstraat vinden we Jan van Loo, Goesen Claesz en Jan Bartholomeusz. De leden bleven breed over Haarlem verspreid.
In de Bijlstraat woonden Claes van Egmond, Nanning Offelant, schipper Haij en schipper Dirck Simonsz. Ook Barteljorisstraat en Smedestraat leverden leden. Bakkers, pottenbakkers, schippers en andere ambachtslieden stonden naast kooplieden en mannen uit hogere kringen. Het gilde was tegen het midden van de zestiende eeuw sociaal duidelijk gemengd.
1556 — Ram, rundvlees en negen tonnen bier
De maaltijdrekening noemt een ram of weer, rundvlees, warmoes, zes paar konijnen, boter, vis, brood, tarwe, ham en kruiden. Voor negen tonnen bier, accijns en andere kosten werd ongeveer 27 gulden betaald. Turf, hout, kaarsen en verblijf kwamen erbij. De kok en de gildeknecht kregen ieder twee gulden.
Zulke bijeenkomsten verspreidden geld door de stad. Brouwers, slagers, bakkers, visverkopers, turfleveranciers, koks, dienstpersoneel en andere ambachtslieden verdienden eraan. Het gilde was daarom niet alleen een kring van mannen die consumeerden. De jaarlijkse bijeenkomst werd zelf een kleine economische gebeurtenis waarvan een veel grotere groep Haarlemmers profiteerde.
1561 — Vijf dagen bij Bonnefaes
Op 2 januari 1561 werd een bijeenkomst bij Claes Maertsz alias Bonnefaes afgerekend die vijf dagen had geduurd. Voor warmte werden veertig manden turf en hout aangeschaft. Er kwamen vier tonnen Engels bier en daarnaast zes tonnen gewoon bier. Minstens tien tonnen worden daarmee voor deze lange bijeenkomst genoemd.
Het gilde bezat bovendien 22 tinnen drinkkannen. Tussen de feestkosten staat een maritieme post: voor het schip van Harmen Verlaen werd 2 gulden en 10 stuivers aan ijzerwerk betaald. De echte zeevaart was dus nog aanwezig. Een broeder kon tegelijkertijd scheepseigenaar, koopman en deelnemer aan een dagenlange stedelijke maaltijd zijn.
In het huis van Jacob Bartelomeusz kreeg de pastoor zes gulden. Er werd drie pond was gekocht en een klein klokje bij het altaar betaald. Naast het scheepsmodel bezat de broederschap kandelaars, gewaden, textiel, kaarsen en een klokje. De religieuze ruimte was rijker geworden terwijl handel op Schonen minder exclusief het leven van het gilde bepaalde.
1562–1563 — Brederode en Gasconse wijn
In 1562 hield het gilde bij Bonnefaes een vierdaagse bijeenkomst. Onder de namen verschijnt Lantslot van Brederode, vrijwel zeker Lancelot van Brederode. Verder worden Frans Jan Rijck, Evert Willemsz Kort, Adriaen Pietersz Vuijck, Steffen Dirricksz, Thijs Thomasz, Floris Woutersz, Dirrick Jacobsz schipper, Claes Jordensz, Cornelis Rijcken, Pieter Coenen en Pellecaen Jacobsz genoemd.
Ook Anwel Vreerksz, Henrick Suel, Aerian Haes, Cornelis Thijsz, Ewoudt Noudtsz, Pieter Vreeckricksz en Jan Deijman verschijnen. Enkele mannen hadden volgens de rekening niet meegegeten. Dat een Brederode aan dezelfde tafel zat als schippers, kooplieden en ambachtslieden toont hoe breed het sociale bereik van de broederschap inmiddels was.
Vier tonnen Engels bier kostten vijf gulden per ton. Daarnaast kwamen twee tonnen dubbel bier en extra Engels bier van Gerrit Claesz Croel, Jacob Foppen en Benaert in de Twee Witte Leeuwen. De totale kosten voor eten, drinken, vuur en andere benodigdheden bedroegen 93 gulden en 12 stuivers.
In 1563 kwamen de Schonenvaarders bijeen in de Kloveniersdoelen. Een halve aam Gasconse wijn kostte inclusief belastingen 7 gulden en 10 stuivers. Eten, vuur, knecht, pastoor, waskaarsen en smeerkaarsen werden eveneens betaald. De Doelen werd een terugkerende plaats waarin het sociale leven van verschillende Haarlemse corporaties elkaar kon raken.
20 december 1564 — Ervaren reizigers
Op 20 december 1564 bepaalde het bestuur dat een nieuw lid werkelijk een verre zeereis moest hebben gemaakt. De duidelijkste formulering verlangt een tocht oostwaarts door de Sont. Daarnaast bestond een westelijke mogelijkheid waarvan de tekst minder goed leesbaar is. De regel toont dat de maritieme oorsprong van het gilde niet meer vanzelfsprekend was en daarom bewust moest worden beschermd.
Opvallend is dat niet uitsluitend een reis naar Schonen werd verlangd. Ervaring met verre zeevaart was kennelijk belangrijker geworden dan één specifieke bestemming. Investeerders en kooplieden konden steeds meer aan wal blijven terwijl gespecialiseerde schippers voeren. De naam Schonenvaarder werd daardoor geleidelijk een historische identiteit in plaats van een exacte dagelijkse beroepsomschrijving.
Na handelsafspraken uit 1542, 1548 en 1555 verdwijnen dergelijke transacties uiteindelijk uit het boek. Individuele leden bleven vanzelfsprekend handel drijven, maar het gilde zelf lijkt die zaken steeds minder zichtbaar te reguleren. De maritieme toelatingseis van 1564 kon de bredere maatschappelijke ontwikkeling van de vereniging niet terugdraaien.
1564 — Haarlems laken
Simon Jacobsz, schilder, betaalde wijnkoop bij de aankoop van twintig Haarlemse lakens van Cornelis IJsbrantsz Olij. Voor een belangrijk deel werd 29 gulden en 15 stuivers per laken genoemd. Daarnaast kocht hij tien lakens van Adriaen Jansz Cuyper tegen 33 gulden en 17½ stuiver per stuk. De totale waarde liep daarmee in de honderden guldens.
Hendrick Sned betaalde wijnkoop nadat hij het huis van Cornelis Gerritsz Kelou had gekocht. Claes Mathijsz Bonefaes stond nog veertien stuivers schuldig, betaalde niet en werd uiteindelijk uitgestemd. De financiële discipline uit 1416 werkte dus nog. Wie zijn verplichtingen hardnekkig negeerde kon zijn plaats binnen de gemeenschap verliezen.
1564 — Acht tonnen bier en vijf missen
Pieter Jansz Kies leverde acht tonnen bier voor zestien gulden. Daar kwamen vier gulden accijns, zestien stuivers impost en tien stuivers voor het binnenbrengen bij. Zelfs het proeven kostte twaalf stuivers. Op Sint-Olafsdag werden vijf missen gehouden. De Scandinavische patroon bleef daarmee prominent aanwezig terwijl de feitelijke Schonenhandel juist uit de administratie verdween.
Voor ongeveer veertig personen plus pastoor, gezelschap, knecht en twee landlieden werd meer dan 25 gulden maaltijdgeld betaald. Zestig manden turf waren nodig, ieder met twee stukken hout. Borrijt Jansz leverde zeven pannen, waarvan vier onder de tafels stonden, vermoedelijk om de gasten gedurende de wintermaaltijd warm te houden.
Jan Hendricksz kreeg tien stuivers en Marieken eveneens tien. Verder verschijnen Fransien en een jong wijf. Niet ieder werk is exact vast te stellen, maar duidelijk is dat vrouwen en meisjes werden betaald voor praktische arbeid. De formele mannenbroederschap kon niet functioneren zonder mensen die aten bereidden, vuur verzorgden, bedienden en opruimden.
1565–1566 — De Eenhoorn en een schipper als deken
In 1565 kwamen inkomsten uit Uitgeest en Akersloot. Doodschulden van Pieter Fredericksz en Harmen Embertsz werden ontvangen. Bij de verkoop van het huis van meester Mathijs Heertiens kreeg het gilde zes gulden wijnkoop. Vastgoedtransacties konden dus rechtstreeks geld naar de gemeenschappelijke kas brengen.
In De Eenhoorn bij Cornelis van Beetsz werd betaald voor eten, bier en kaarsen. Een jong wijf kreeg eerst acht en later zes stuivers. Adriaen Pietersz Cuyper leverde drie kleine vaatjes wijn en extra stopen. Op de derde dag, toen het huis van meester Mathijs werd verkocht, volgden opnieuw eten en bier.
Pastoor en meester Thomas ontvingen salaris. Gildeknecht Gerrit Arentsz kreeg drie gulden. Op Sint-Olaf werden opnieuw vijf missen gehouden. Waskaarsen, smeerkaarsen, altaardoeken en kandelaars vergden voortdurend onderhoud. Handel, huizenverkoop, personeel en religieuze zorg werden zonder scherpe scheiding in dezelfde jaarlijkse rekening vastgelegd.
In 1566 was Dirck Sijmonsz, schipper, deken. Lancelot van Brederode staat opnieuw tussen de leden. Verder verschijnen een hoefsmid, een meesterlooier en verschillende schippers. De kring liep daarmee van ambacht tot adel. De naam Schonenvaarder was duidelijk geen zuivere beroepsaanduiding meer, maar een sociale en historische identiteit.
Alleen aan wijn ging 22 Carolusgulden naar Adriaen in de Vuijck. Voor verblijf, voedsel, hout en turf werd ongeveer 33 gulden betaald. Pieter Kies leverde twee tonnen bier plus belasting en ook meisjes van het huis kregen geld. Het gemeenschappelijke eten was inmiddels een van de duidelijkste momenten waarop de broederschap zichzelf als gemeenschap ervoer.
1567–1568 — Een kleinere kring en Gerrit Arentsz
Op 28 en 29 december 1567 kwamen onder anderen pastoor meester Thomas, deken Floris Jansz, schipper Haije, Cornelis Olij, Jan Bartelmeesz, Jan Berentsz, Gerrit Arentsz en Dirck Sijmonsz bijeen bij Hubert Dircksz. Er werd betaald voor mondkost, gewoon bier, dubbel bier en vuur. De bijeenkomst was kleiner dan verschillende eerdere meerdaagse feesten.
Er werd een vaatje en daarnaast nog een vaatje van zestien stopen aangeschaft. Een moeilijk leesbaar woord is in een transcriptie als “cognac” weergegeven, maar die moderne lezing is te onzeker om over te nemen. Het veiligste blijft dat naast bier en wijn mogelijk nog een andere drank werd gebruikt.
In 1568 verschijnt gildeknecht Gerrit Arentsz in een menselijke notitie. Hij had tien gulden ontvangen die het gilde toekwamen, maar kon het geld wegens “zijn armoede” niet terugbetalen. De bestuurders lieten het bedrag voorlopig als herinneringspost staan. Een man die jarenlang voor een vermogende broederschap werkte kon zelf dus nauwelijks reserves hebben.
Een latere rekening toont dat Gerrit nog meer verschuldigd was. Een deel werd met verdiend loon verrekend waarna een restant openbleef. Het contrast is scherp: broeders konden tientallen guldens aan wijn en feesten besteden terwijl hun knecht moeite had enkele guldens terug te betalen. De administratie maakt daardoor onbedoeld ook Haarlemse sociale ongelijkheid zichtbaar.
Kerstmis 1568 — Eenendertig personen
Tijdens Kerstmis 1568 aten 31 personen bij Engbert Dircksz Deijman. Onder hen waren Floris Jansz alias Ruijge Floer, Dirck Sijmonsz schipper, Cornelis IJsbrantsz Olij, Jacob Bartelomeusz Pellecaen, Jan Pietersz Deijman en Cornelis Thijsz zeilmaker. Pastoor, knecht en drie landlieden werden eveneens in de rekening meegenomen.
Er kwam een okshoofd met twee halve amen Franse wijn. Claes Claesz, brouwer, leverde twee tonnen bier voor vier gulden. Op Sint-Olaf werden vier missen gehouden en de klokken geluid. Waskaarsen, smeerkaarsen en een dozijn kroezen of glazen werden gekocht. Jonge vrouwen ontvingen eveneens een gift. Religieuze en sociale tradities bleven naast elkaar voortbestaan.
1560–1570 — Een vaste kern
Uit de bewaarde lijsten zijn voor deze periode 73 verschillende leden te volgen. 23 verschijnen slechts eenmaal, 26 bij twee tot vier maaltijden en 24 mannen bij vijf of zes bijeenkomsten. Ongeveer een derde zat dus vrijwel altijd aan tafel. Van bijeenkomst tot bijeenkomst was vaak ongeveer tachtig procent van de aanwezigen al eerder genoemd.
De meerdaagse maaltijden waren daarmee geen willekeurige feesten met telkens andere gasten. Het ging om een vaste kring waarin dezelfde mannen elkaar geregeld ontmoetten. Juist terwijl de gezamenlijke handelsfunctie afnam, werd de sociale deelname sterk. De tafel nam als bindmiddel steeds meer de plaats in die de buitenlandse reis ooit had gehad.
1569–1570 — Rijnse wijn, land en krediet
In 1569 kwamen inkomsten uit Uitgeest, Akersloot en Limmen. Jacob Bartelomeusz Pellecaen leverde een vaatje van zestien stopen Rijnse wijn voor 5 gulden en 10 stuivers, exclusief belasting. Een kleine bestuurskring at twee dagen bij Engbert Deijman. Jonge vrouwen kregen negen stuivers en ook turf en hout werden betaald.
Tot de aanwezigen behoorden pastoor meester Thomas, heer Adriaen van Schoorl, deken Jan Arentsz de Jonge, Arent Hendricksz, Jan Pietersz Deijman en Cornelis IJsbrantsz. Na het eten werd Rijnse wijn gedronken. Zelfs een kleine bestuursbijeenkomst vergde dezelfde praktische infrastructuur als een groot feest: waard, voedsel, drank, warmte en personeel.
Pieter Allertsz uit Akersloot huurde drie geersen land bij Limmen aan de Woesige Sloot, bekend als Robbegens Horn. In Haarlem betaalde Hillegondt Caersemaecker rente op haar huis in de Zijlstraat. Een ander recht rustte op een pand in de Grote Houtstraat, verbonden met Bartelmees Claesz. Stad en platteland vormden samen één financiële kaart.
Gerrit Jansz Pottebacker was jaarlijks vijf Carolusgulden rente verschuldigd op een hoofdsom van ongeveer negentig gulden. Voor de jaren 1566–1570 bleven betalingen pro memoria openstaan. Het gilde functioneerde daarmee ook als kredietverlener aan Haarlemse ambachtslieden. De oude zeehandel had een financieel vermogen voortgebracht dat nu steeds vaker binnen stad en ommeland werd uitgezet.
26 december 1570 — De Rode Leeuw
Op tweede kerstdag 1570 aten de Schonenvaarders bij Engbert Deijman in De Rode Leeuw aan het Kerkhof. De lijst begint met pastoor meester Thomas Claesz en noemt Pieter Cornelisz Ban, heer Adriaen Schout, Evert Willemsz in de Kat, Adriaen Pietersz in de Vuijck, Jan Arentsz de Jonge, Nies Gerritsz, Ewout Arnoutsz en Arent Heijndericksz.
Verder volgen Hendrick Jan Matijsz, Jan Pietersz Deijman, meester Huijch Bol Adamsz, Floris Bol Adamsz, Cornelis Engersz, Crijn Willemsz, Steffen Dirricksz Soutman, Dirrick Steffensz Soutman, Cornelis Rijckensz, Gerrit Pietersz Beechout, Pieter Coemen, Dirrick Cornelisz Boijerman, Cornelis IJsbrantsz Olij, Pieter Jansz den Boer en Heijnderick Engbertsz Slim.
Daarna staan Claes Aelbertsz Voicht, Jan Lou Staetsz, Pieter Adriaensz Vlasman, Dirrick Sijmonsz Lip, Govert Cornelisz, Dirrick Matthijsz, Aelbert Gerritsz Fijnebuijck, Jan Bartelmeesz, Allert Fransz Scatter, Jan Gerritsz Wildeman, Auwel Fredericksz, Claes Dirricksen Sampsen, Frans Willemsz Rijcken en Sijmon Jansz Botsman.
De lijst eindigt met onder anderen Jacob Bartelmeesz Pellecaen, Floris Jansz alias Ruijge Floor, Pieter Jan Baertsz Scheepmaker en Cornelis Gerritsz Kelouw. Bij veel mannen werden later overlijdensjaren toegevoegd. Het jaar 1573 verschijnt opvallend vaak, maar de bron noemt meestal geen doodsoorzaak. Daarom mag niet worden aangenomen dat ieder van hen tijdens het beleg stierf.
1570 — Kelk, vier dagen feest en hoog water
Voor de kast waarin de kelk werd bewaard kwam een nieuw slot met twee sleutels. Eén sleutel moest bij de vinders blijven. Altaarlinnen werd onderhouden en iemand kreeg geld om na het avondlof de kaarsen aan te steken. Kostbare voorwerpen waren daarmee niet alleen religieus bezit, maar werden ook volgens regels van gedeelde verantwoordelijkheid beveiligd.
Op 7 november bespraken deken en vinders een vierdaagse maaltijd. Deelnemers betaalden op dag één vijf stuivers, op dag twee 4½ en op de derde en vierde telkens twee. Uiteindelijk waren er 33 deelnemers op de eerste dag, 31 op de tweede, 37 op de derde en opnieuw 33 op de vierde. Kort voor het beleg was de gemeenschap dus nog omvangrijk.
Vier tonnen bier konden niet in Engbert Deijmans kelder worden gelegd omdat deze door “opwater” vol water stond. De tonnen moesten naar Jan Deijman en later opnieuw worden verplaatst. Water was de levensader van Haarlems handel, maar kon tegelijk kelders en opslagplaatsen onbruikbaar maken. Het dagelijkse waterlandschap dringt hier rechtstreeks het kasboek binnen.
Lijsbet Jansdochter leverde vier tonnen bier, Jan Aelbrechtsz nog één. Toen dat onvoldoende bleek kwam bij Frans Jansz in De Spiegel een extra ton vandaan. Minstens zes tonnen moesten dus worden gebruikt of verplaatst. Voor de vier feestdagen werden veertig vuren gestookt en stonden vier vuurtesten onder de tafels. Jonge vrouwen kregen zeven stuivers.
1571–1572 — Alles lijkt nog gewoon
In 1571 werd rekening gedaan in de Gulden Wagen. Jan Arentsz de Jonge was deken; Arent Hendricksz, Hendrick Jan Matijsz en Jan Pietersz Deijman waren vinders. Inkomsten kwamen uit Robbegens Horn, Uitgeest, huizen en renten. De administratie functioneerde alsof de enorme politieke en militaire crisis van het volgende jaar nog nergens zichtbaar was.
Bij Lijsbet Jansdochter werd anderhalve ton bier gekocht tegen drie gulden per ton. Het bestuur at drie dagen. De rekening noemt salade en een product dat als “bocken” is getranscribeerd maar onzeker blijft. Op de derde dag kwam extra bier. De jonge vrouwen kregen veertien stuivers en er werden vijf vuren gestookt.
Landlieden uit Uitgeest die hun pacht kwamen brengen kregen een ontbijt wanneer de vinders niet gezamenlijk aanwezig waren. Dat kleine detail toont hoe pachters persoonlijk vanuit het ommeland naar Haarlem kwamen. De financiële verhouding tussen stad en platteland was tevens een sociale ontmoeting waarin gastvrijheid en geldbetaling samenhoorden.
Begin 1572 werd Arent Hendricksz deken. Steffen Dircksz en Quirijn Willemsz behoorden tot de vinders. Pachten en bestuurszaken liepen door zoals zij dat al generaties deden. Geen gewone kaspost kondigt aan hoe radicaal alles enkele maanden later zou veranderen. In december begon het Beleg van Haarlem.
1572–1573 — Oorlog in het kasboek
Het bijzondere van het gildeboek is niet dat het een militaire kroniek biedt. Juist gewone administratie laat de oorlog zien. Pachten vallen uit, mensen verdwijnen, huizen leveren geen normale inkomsten en het altaar wordt beschadigd. De grote geschiedenis dringt binnen via kleine posten. Oorlog verschijnt niet alleen in kanonnen, uitvallen en soldaten, maar in onbetaalde huur en lege plaatsen aan tafel.
De meest directe notitie betreft Gerrit Arentsz. Hij had gilde-inkomsten ontvangen, maar was “naet beleg wechghetrocken sonder rekening te doen”. Na het beleg was hij dus vertrokken zonder zijn rekening af te leggen. Waarom en waarheen weten we niet. De man die enkele jaren eerder wegens armoede zijn schuld niet kon betalen, verdwijnt nu eenvoudig uit de plaatselijke administratie.
Voor de vereniging bleef een openstaande rekening achter. Achter die paar woorden kan echter een geheel ontwricht mensenleven hebben gelegen. Oorlog maakte mensen niet altijd tot held of slachtoffer met een beschreven verhaal. Soms maakte zij iemand eenvoudig afwezig uit het netwerk van buren, werk, schulden en sociale relaties waarin hij jarenlang had geleefd.
1573 — Een generatie valt weg
Cornelis IJsbrantsz Olij, Pieter Coenen, Jacob Bartelomeusz Pellecaen en Arent Hendricksz behoren tot de mannen die rond 1573 een overlijdensnotitie kregen. Ook andere namen uit de lijst van 1570 eindigen rond dezelfde periode. De bron noemt meestal geen oorzaak. Beleg, honger, ziekte en geweld mogen daarom niet automatisch aan ieder afzonderlijk overlijden worden gekoppeld.
Wel is duidelijk dat in korte tijd grote gaten in een generatie ontstonden. Mannen die jarenlang samen aten, investeerden, bestuurden en baden verdwenen. Het gilde verloor daardoor niet alleen leden, maar ook ervaring, kredietrelaties, familieverbindingen en onderlinge herinneringen. De sociale schade was minstens zo ingrijpend als de financiële.
Zomer–oktober 1573 — Het altaar verdwijnt en keert terug
In de zomer van 1573 werd het Schonenvaardersaltaar afgebroken. Daarna werd de muur hersteld. Kalk, metselwerk en het wegdragen van puin kostten ongeveer drie gulden. De rekening vertelt niet waarom het altaar precies werd verwijderd. Die reden moet daarom open blijven. Alleen de materiële breuk en de reparatie zijn zeker.
Voor de broeders was het meer dan kerkmeubilair. Hier waren jarenlang missen opgedragen, kaarsen ontstoken en overleden leden herdacht; er hingen doeken en het scheepsmodel. De afbraak betekende daardoor tevens het verdwijnen van een tastbare plaats waarin handel, groepsgeschiedenis en geloof samenkwamen.
Al in oktober werd het altaar met toestemming van de bisschop opnieuw ingericht in wat de bron de Romeinse kapel noemt. Ornamenten werden teruggehaald, de pastoor betaald en er kwamen twee nieuwe doeken voor de voet van het altaar. Nauwelijks was de grootste crisis voorbij of de broeders begonnen hun religieuze ruimte opnieuw op te bouwen.
Een gilde dat alleen voor praktische handel naar Schonen had bestaan had in 1573 gemakkelijk kunnen verdwijnen. Dat gebeurde niet. De vereniging was inmiddels ook religieuze en sociale gemeenschap, bezat eigendom en had een eigen geschiedenis. Juist daardoor kon zij een vernietigende klap overleven terwijl de oorspronkelijke economische functie reeds aan betekenis had verloren.
1573–1574 — Langzaam herstel
Voor het altaar werd ongeveer 10½ el laken aangeschaft. Vier kandelaars werden geschuurd of schoongemaakt. Oude panelen en lijsten kregen opnieuw een functie. In de sacristie kwam een kastje met slot en hengsels. Herstel bestond uit tientallen kleine werkzaamheden: stof, hout, metaal en gebruiksvoorwerpen werden stap voor stap teruggebracht.
Frans Franssen, koster, werkte aan een kazuifel en ander textiel. Er kwam een corporalezak. Oude ornamenten werden hersteld. Op 4 maart 1574 kwam een missaal binnen. Er werd een kistje voor misgewaden geplaatst en een ijzeren roede voor een gordijn aangebracht. Zo werd de religieuze omgeving langzaam opnieuw bruikbaar.
De mannen van 1416 waren herkenbaar door schuiten, haring en goederen voor Schonen. Hun opvolgers van 1574 bezaten land, huizen, renten, kerkelijke voorwerpen en een stevige sociale traditie. De oorspronkelijke handelsvaart was minder centraal geworden, maar de broederschap had zich voldoende verbreed om zelfs het Beleg van Haarlem te overleven.
Deel 2 — 1574–1690
Van wederopbouw naar Haarlemse herenvereniging
28 november 1574 — Wie nog in Haarlem is
Op 28 november 1574 kwamen de broeders bijeen in de Gulden Boom, in het huis van waard Cornelis Lourisz. De formulering maakt duidelijk dat het ging om de broeders die zich op dat moment nog in Haarlem bevonden. Dirck Simonsz werd deken; Quirijn Willemsz, Pieter Cornelisz Ban en Dirck Steffensz Soutman werden vinders.
Het kleine zinnetje zegt veel. Voor het beleg kon het gilde tientallen mannen rond één tafel brengen; nu waren leden gestorven, vertrokken of elders terechtgekomen. Toch werden onmiddellijk dezelfde functies ingevuld. Deken, vinders, rekening en maaltijd vormden het raamwerk waarmee de overlevenden orde probeerden terug te brengen en voorkwamen dat de broederschap eenvoudig in de chaos verdween.
1573–1578 — De oorlog blijft geld kosten
Jan de Witte betaalde nog enkele halve rentetermijnen tussen Jacobi 1573 en Lichtmis 1575. Daarna werden termijnen kwijtgescholden omdat het onderpand niet bruikbaar was. Ook de huurder van Robbetgens Horn kreeg vanwege oorlogsschade 1 gulden en 12½ stuiver vermindering. Uitgeester pachters hoefden over de zes slechte jaren 1572–1577 uiteindelijk slechts twee jaren volledig te betalen.
Voor verschillende Haarlemse huizen werden inkomsten uit 1573–1578 alleen nog pro memoria genoteerd. Juridisch bestond het recht op huur, maar in de praktijk leverden beschadigde of verlaten woningen niets op. Het militaire beleg eindigde in juli 1573; economisch was het nog jarenlang aanwezig in lege kasposten, achterstallige pacht en kwijtschelding.
1576–1581 — De gewone tafel keert terug
Op 26 december 1576 kwamen onder anderen Dirck Simonsz, Quirijn Willemsz, Pieter Cornelisz Ban, Arent Heyndericksz, Jan Lou Staelsz, Jan Berkelmansz, Frans van Rijcken, Niek Gerritsz, Jan Pietersz Deijman, Claes Aelbertsz Voicht, Jan Gerritsz Wildeman en Claes Dircksz bijeen. Een andere kaspost noemt slechts dertien betalende broeders. De actieve kring was dus nog klein.
In 1578 werd een ton Engels bier gekocht voor 6 gulden en 6 stuivers, waarna accijns, vracht en binnenbrengen volgden. Turf, boter, kaas en brood kwamen binnen. Een gebroken kruik kostte twaalf stuivers en toen de drank onvoldoende bleek werd nog voor 1 gulden en 15 stuivers bier gehaald. Zelfs de terugkeer van zulke gewone problemen toont dat het sociale leven zich herstelde.
Op 1 januari 1578 aten ongeveer tien leden bij Pieter Ban in de Doelen. Een ton bier kostte inclusief belasting meer dan zeven gulden. De bijeenkomst was klein, maar de gewoonte van gezamenlijk eten bleef. Juist terwijl andere onderdelen van de oude orde verdwenen bleek de tafel een uitzonderlijk duurzame vorm van gemeenschappelijkheid.
Op 17 maart 1579 kwamen de broeders in de Kloveniersdoelen bijeen. Er werd nog betaald rond altaar en kandelaars. Rond 1578–1581 verdwenen echter de oude katholieke liturgische praktijken onder het nieuwe protestantse stadsbestuur. Handel was al op de achtergrond geraakt; nu verloor het gilde ook zijn oorspronkelijke kerkelijke functie zonder zelf te verdwijnen.
Waarschijnlijk werd rond 1580 nog een tweede scheepsmodel vervaardigd, de driemaster D’Beschermer, tegenwoordig in het Frans Hals Museum. Datering en oorspronkelijke toestand zijn niet geheel zeker omdat het model later sterk werd gerestaureerd. Toch bleef de zeevaart ook na de religieuze omwenteling als materiële herinnering in Haarlem aanwezig.
Januari 1581 — De Waag
Op 25, 26 en 27 januari 1581 aten zeventien personen in De Waag. Onder hen waren heer Adriaen Schorel, Cornelis Rijcken, Jan Deijman, Dirck Sijmonsz, Dirck Steffensz Soutman, Jan Lou Staets, Aelbert Gerritsz, Claes Dircksz Sampsen, Jan Gerritsz Wildeman, Jan Bartelmeusz, meester Huijg Bol, Adriaen Gael en Pieter Oom.
Twee tonnen bier kostten tien gulden en de accijns anderhalve gulden. Drie maaltijden kostten ruim dertien gulden. Vuur en verlichting werden afzonderlijk betaald. Een jonge vrouw kreeg negen stuivers en een knecht vijftien. Ook Engels bier en een vaatje van zestien stopen verschijnen. Het herstel bracht niet alleen basisvoedsel terug, maar ook kostbaardere buitenlandse drank.
1583–1587 — Nieuwe namen en oud oorlogsverlies
Op 27 december 1583 zaten in de Doelen onder anderen kapitein Jacob Anthonisz, Jacob Florisz, Jan Gerritsz Olij, Floris Thonisz, Adriaen Cornelisz Blauw, Willem Arentsz Bol, Pieter Jansz Droogvoet, Borrit Jelisz, Wouter Auwelsz Steltman en Claes Steffensz Soutman. Een nieuwe generatie nam de plaatsen in van mannen die rond het beleg waren verdwenen.
Er kwamen drie tonnen bier voor vijftien gulden plus belasting. Rundvlees, ham, schapenvlees, schapenpoten en -koppen, konijnen en vis volgden. Tien jaar na het beleg was de kleine tafel van 1578 alweer een forse wintermaaltijd geworden. Herstel werd letterlijk zichtbaar in tonnen bier, vlees en brandstof.
Op het huis in de Grote Houtstraat bleek de laatste huur vóór de crisis in 1572 door Gerrit Arentsz te zijn ontvangen. Later heet hij “fugitijff”. Uiteindelijk stonden ongeveer veertien jaren achterstand open. In de Zijlstraat hing aan een ander huis inmiddels “die Drooghscheerders Schaer” uit. Gerrit Dircksz Crael wordt daarbij genoemd.
Vierentwintig broeders betaalden ieder vijftien stuivers huis- of eetgeld, samen achttien gulden. Wijnkoop en een doodschuld van Jan Bartelmeusz brachten meer geld binnen. Bovendien kreeg Adriaen Schoorel de eerder toegezegde vergoeding over twee jaren en ontving gildeknecht Gherrit Heijndericksz loon over twee jaren. De obligatie van Borrit Jansz pottenbakker werd gekopieerd.
Die laatste post is betekenisvol. De gildekist bevatte steeds minder papieren die rechtstreeks met een reis naar Schonen te maken hadden en steeds meer schuldbekentenissen, renten en eigendomsrechten. Het zorgvuldig bewaren en overschrijven van documenten werd essentieel voor de financiële toekomst. Schriftelijk kapitaal werd een belangrijke opvolger van het oude handelskapitaal.
5–8 januari 1586 — Vier winterdagen
Van 5 tot en met 8 januari 1586 hielden de Schonenvaarders vier dagen maaltijd in de Kloveniersdoelen. Claes Aelbertsz Voicht leverde vier tonnen bier. Accijns, impost en zelfs het dragen van de tonnen werden afzonderlijk betaald. Nog voordat iemand dronk, hadden brouwer, belastinginners en dragers al aan de bijeenkomst verdiend.
Er kwamen 44 pond rundvlees, twee hammen van samen 22 pond, een schapenschouder en bout van samen 22 pond, veertig schapenpoten, zeven paar konijnen en 24 pond boter. Kaas, brood, kaarsen, azijn en mosterd werden afgerekend en kabeljauw en andere vis verschenen tijdens de vier dagen op tafel.
Voor verwarming werden 32 manden turf aangevoerd, daarna tweehonderd stukken hout en vervolgens nog honderd. Pieter Ban kreeg drie gulden voor de Doelen. Een jong meisje en een jongen ontvingen samen achttien stuivers. De ene groep kon honderden guldens beleggen; de andere droeg voor enkele stuivers voedsel, turf en vaatwerk. Beide werelden hoorden bij hetzelfde feest.
31 januari 1586 — Ook de dood heeft regels
Kapitein Jacob Anthonisz beloofde na zijn overlijden twaalf Carolusgulden aan het gilde. Adriaen Jansz Gael zes gulden plus twintig stuivers voor de armen en Dirck Sijmonsz alias Lip drie gulden. Na overlijden moest het geld volgens oude gewoonte door de broeders worden verteerd. Dood en lidmaatschap bleven daardoor financieel met elkaar verbonden.
Alle broeders moesten de begrafenis bijwonen en bij de gezamenlijke vertering blijven. Wie zonder geldige reden voortijdig vertrok betaalde drie stuivers boete. De twintig stuivers van Gael voor de armen tonen dat niet alles aan eten opging. Begrafenis, armenzorg en gezamenlijke maaltijd vormden een sociale voortzetting van veel oudere ideeën over broederschap.
1586–1588 — Oude schulden, nieuw kapitaal
Borrit Jansz pottenbakker verschijnt opnieuw. Hij was jaarlijks vijf gulden rente verschuldigd op een oude hoofdsom die tot 1565 terugging. Het was dezelfde Borrit die eerder 1.200 potten voor Noorwegen leverde. Eén levensloop verbindt daarmee internationale handel, plaatselijk ambacht en een langdurige kredietrelatie met het gilde.
Een hypotheek of lening had een hoofdsom van 400 gulden. Nadat een deel van het verbonden land was verkocht ontving het gilde in april 1588 200 gulden aflossing plus rente. IJsbrant Borritsz trof een regeling voor de schuld van zijn vader en betaalde eerst 35 gulden. Jan Pietersz Deijman legde vijftien gulden bij zodat de “boom van het gilde” niet zou verminderen.
Twintig broeders betaalden ieder 42 stuivers eedgeld, samen 42 gulden. Geld kwam eveneens binnen van vertrekkende leden en uit renten. Het kapitaal werd niet beschouwd als een voorraad die men kon opeten. De hoofdsom moest blijven bestaan en rente voortbrengen, zodat toekomstige broeders eveneens van de “vruchten” konden leven.
10–14 januari 1588 — Vijf dagen eten
Van 10 tot en met 14 januari aten de Schonenvaarders vijf dagen in de Kloveniersdoelen. Voor bier ging ongeveer 27 gulden uit, bij zes gulden per ton ongeveer 4½ ton, exclusief belastingen en vervoer. Pieter Sweer leverde drie grote stukken rundvlees; een afzonderlijk braadstuk woog 20½ pond.
Er kwamen twee hammen, vijftig paar schapenpoten, schapenschouders en twee bouten die samen 38½ pond wogen. Pos, braadspiering en kabeljauw wisselden per dag. Ook olijven, kaas, brood en zout verschijnen. Voor warmte werden opnieuw 32 manden turf en 150 stukken hout aangevoerd.
Kort daarna ging het geld weer aan het werk. Op 18 februari leende het gilde vijftig gulden aan Pieter Mouweringsz, metselaar. Op 27 april volgde 200 Carolusgulden aan Jelis van Huessen Jacobsz. De feestkas en kredietkas waren uiteindelijk dezelfde kas: rente betaalde de tafel en overschotten werden opnieuw uitgeleend.
1589–1591 — Vierenveertig broeders
In 1589–1591 zijn betalingen van ongeveer 44 broeders te volgen. In de Kloveniersdoelen kwamen vier tonnen bier, konijnen, roggebrood, witbrood, boter, kaas, kaarsen, zout en mosterd op tafel. Er waren drie brasems en twaalf baarzen. Voor verwarming waren 34 manden turf nodig. De kring had numeriek bijna weer de omvang van vóór het beleg bereikt.
De waardin kreeg vier gulden en een jong meisje vijftien stuivers. Buiten Haarlem moest het gilde bijdragen aan nieuwe watermolens in Akersloot, Limmen en Laeckom omdat het daar landbelangen bezat. Het voormalige zeevaardersgilde was zo rechtstreeks bij de regionale waterhuishouding betrokken. Water dat ooit handelsweg was, moest nu worden weggepompt om het eigen land bruikbaar te houden.
1594–1624 — Het register vult een ontbrekende generatie
Het latere register noteert vanaf 1594 opnieuw leden. Onder dat jaar staan Dirck Steffens Soutman, lakeman; Pieter Jacobsz, schipper; IJsbrant Cornelisz Geltsack; Cornelis Leendertsz; Balten Joffse en nog een Pieter Jacobsz, smid. Het register werd later aangevuld met overlijdens- en vertreknotities en groeide daardoor uit tot sociaal geheugen van opeenvolgende generaties.
Voor 1599 verschijnen Floris Philipse, Hendrick Cornelisz Backer en Christiaen Franse Bosman. In 1601 worden Pieter Jacobsz Schout, burgemeester, Cornelis Claesz Peetoom, Cors Dirckse, Jan Pietersz Stoel, Dirck Hendrikse en Teunis Arentsz genoemd. Bij Peetoom werd later genoteerd dat hij op 26 augustus 1623 overleed.
In 1609 verschijnt Jan Cornelisz Smit. Voor 1611 volgen Jacob Arentsz Plantius, Cornelis Dirckse, Philip Arentsz en Claes Adriaensz; in 1613 Pieter Leendertsz. Voor 1614 worden Cornelis Claesz Roobol, Cornelis Krijnse, Willem Arentsz en Cornelis Egbertsz genoemd. De vereniging bleef voortdurend nieuwe mannen opnemen en was geen verstarde herinneringsclub.
In 1616 verschijnt Dirck Dircksz Brouwer, burgemeester, die in 1619 overleed. Claes Jansz volgde in 1617; Jan Auwelse en Jop Baltense in 1619. Onder 1620 staan Laurens Dircksz Kool en Pieter Cornelisz Leijenaer, onder 1621 Jacob Jacobsz Stuurman en rond 1623 opnieuw Laurens Dircksz Kool. In 1624 volgt Dirck Cornelisz.
Schippers en ambachtslieden bleven aanwezig, maar burgemeesters en andere aanzienlijke stedelingen kwamen steeds vanzelfsprekender in de broederschap terecht. Het lidmaatschap ontwikkelde zich daarmee tot een teken van Haarlemse verbondenheid en status. Dat iemand Schonenvaarder heette bewees tegen deze tijd steeds minder dat hij persoonlijk ooit in Skanör of Falsterbo handel had gedreven.
8 januari 1628 — Twee burgemeesters aan tafel
Op 8 januari 1628 waren ongeveer 28 personen bijeen. Burgemeester Pieter Jacobsz Schout en burgemeester Pieter Adriaensz Verbeeck stonden bovenaan. Phulps Arentsz de Bruijn was deken; Pieter Cornelisz Leijenaer oud-vinder; Huijbert Thuenisz en Jacob Cornelisz waren vinders. Twee burgemeesters aan dezelfde gildetafel tonen onmiddellijk hoeveel sociaal aanzien de vereniging had gekregen.
Verder worden Jacob Adriaensz Calantius de Oude, Pieter Willemsz, Cornelis Claesz van Wieringen, Pieter Leenaertsz, Claes Adriaensz Schipper, Henderick Gerretsz Backer, Jop Baetensz Houtcooper, Jacob Adriaensz Calantius de Jonge, Claes Jansz van Graft, Jan Gerretsz Luijtten, Dirck Cornelisz Koeckebacker en Hans Mathijsz Pandtgaerder genoemd.
Nieuwe broeders waren onder meer Dirck Steffensz Laeckeman, Cornelis Adriaensz Backer, Andries Dominusz Houtcoper, Jacob Arentsz Houtcoper en Willem Pietersz Catoers, kuiper. Verder vinden we Dirck Willemsz Abars, Tom Florisz Butterman en Louwerens Dircksz Coes, kaaskoper. Voedselhandel, hout, textiel, scheepvaart en bestuur zaten zonder moeite in één gemeenschap.
De opvallendste nieuwe leden waren Frans Pietersz de Grebber en Pieter Claesz Soutman, beiden schilder. Haarlemse kunstenaars werden daarmee broeder in een corporatie die ooit vooral uit mannen van noordelijke zeevaart was ontstaan. De naam Schonenvaarder kreeg steeds sterker het karakter van een historische eretitel.
1629 — De beroepen achter de namen
Op 13 januari 1629 werd opnieuw een uitgebreide lijst gemaakt. Phulps Arentsz de Bruijn was schipper; Huijbert Theunisz en Pieter Lenaertsz koopman; Willem Pietersz Catoers kuiper. Pieter Jacobsz Schout was oud-burgemeester en Pieter Adriaensz Verbeeck regerend burgemeester. Zeevaart, handel en stadsbestuur zaten nog steeds naast elkaar.
Pieter Willemsz was voormalig brouwer, Cornelis Claesz van Wieringen scheepsschilder, Claes Adriaensz schipper, Henderick Gerretsz Claver bakker en Louwerens Dircksz Cool kaaskoper. Jop Baltensz was houtkoper, Jan Gerritsz Luijtten olieslager, Dirck Willemsz Abas moutmaker en Hans Mathijsz factor in granen. Vrijwel de hele stedelijke economie wordt in één ledenlijst zichtbaar.
Verder worden Cornelis Adriaensz Backer, koopman; Andries Dammesz van der Horn, houtkoper; Frans Pietersz de Grebber en Pieter Claesz Soutman, schilders; Dirck Steffensz Lackerman en Jacob Arentsz Visscher, houtkoper genoemd. Bij Claes Jansz van Gracht blijft het beroep moeilijk leesbaar. De oude maritieme specialisatie was inmiddels volledig opengebroken.
1632–1638 — Overlijden en uitsluiting
Jacob Adriaensz Calantius overleed op 15 augustus 1632; daarbij staat zes gulden. Cornelis Claesz van Wieringen, scheepsschilder, stierf op 5 december 1632. Pieter Willemsz, voormalig brouwer, overleed op 29 december 1633 en bij hem werd vijftien gulden genoteerd. Ook in deze generatie had overlijden directe financiële gevolgen voor de broederschap.
Op 31 december 1633 werd Hans Mathijsz, factor in granen, met algemene stemmen uit het gilde gezet “om redenen”. Welke redenen dat waren wordt niet verteld. De stilte is veelzeggend: de broeders kenden hun normen kennelijk voldoende en achtten het niet nodig die voor latere lezers uit te leggen. Ook een aanzienlijk man kon zijn plaats verliezen.
In 1635 werden Gerret Claesz Peetoom, voormalig luitenant, en Pieter Cornelisz, warmoezenier, als broeders opgenomen. Jacob Cornelisz Rodt overleed op 8 december 1638, Willem Pietersz Catoers op 27 september en Jacob Arentsz Visscher op 3 december. Toetreding en overlijden hielden de kring voorlopig in voortdurende beweging.
14 januari 1639 — De Haarlemse bovenlaag
Op 14 januari 1639 verschijnt burgemeester Pieter Jacobsz Schout bovenaan de lijst. Daarna volgen Cornelis Claesz Peetoom, Jacob Adriaensz Clantsius, Frans Pietersz de Grebber, Pieter Lenertsz, Huijbert Thonisz, burgemeester Backer, Philips Adriaensz Bruijn, Claes Gerritsz Pinck, Pieter Cornelisz Leijenaer en Louis Dircksz Kool.
Verder staan Philips Gerritsz van Leijden, schepen Andries Dammisz van der Horn, Pieter Claesz Soutman, Dirck Willemsz Abas, Jan Hendrick Braber, Thonis Gijsbertsz, Jan Claesz Sanger, Jop Bastensz, Polt Puijsen, Egbert Warmont, Sijvert Warmont, Cornelis Cornelisz, Pieter Cornelisz en Hendrick Kaminck in de kring.
Wie deze mannen naast de eerste vijftiende-eeuwse Schonenvaarders legt ziet de ontwikkeling scherp. De oudste leden waren vooral mannen van schuiten, visserij, handel en krediet. In 1639 zitten burgemeesters, schepenen, schilders, ondernemers en voormalige militairen rond dezelfde tafel. De naam bleef maritiem; de maatschappelijke inhoud was inmiddels die van een brede herenbroederschap.
1640–1659 — Nieuwe generaties
Onder 1640 verschijnen Dieloff Jansz, Gerrit Jansz en Pieter Schatter, landdrost. In 1642 staat Jan Florisz van Schooten genoteerd en ook Jan Pietersz Barbier en Willem Jansz komen voor. Voor 1645 volgen Arent Sijmensz van Deurs en Adriaen Muijltiens. In 1646 verschijnen Jacob van de Water en Willem Corstaensz.
In 1647 volgen Abraham van Mekeren en Matheuwis Hoflant. Onder 1650 staan Hendrick Viss en Gillis ver Meulen, die in december 1669 overleed. In 1653 verschijnen Gerbrant Schatter, kapitein, Aram van Hasevelt en Coenraet Huijskens. Dirck Damius wordt in 1655 genoemd en zou later deken worden.
In 1656 volgen IJsbrant Schatter, schepen en later burgemeester, Gillis de Waele, Pieter van der Hoog, Cornelis van der Mersch en Pieter de Vos. Onder 1657 staan kapitein Adriaen van den Boss, Johannis de Jong, eerst luitenant en later kapitein, en Govert Luijcas Hamberg. Militaire en bestuurlijke titels werden steeds gewoner.
Voor 1659 verschijnt Jacob van Wassenaer, heer van Obdam, als luitenant-admiraal-generaal, naast Adriaen Trip, die later vertrok. Het Haarlemse gilde kon daarmee mannen aantrekken die behoorden tot de militaire en bestuurlijke top van de Republiek. De reputatie van een oude zeevaardersbroederschap bleef maatschappelijk aantrekkelijk lang nadat de oorspronkelijke Schonenhandel was verdwenen.
1649 — Het oudste boek eindigt met wijnkoop
Hoewel het oudste gildeboek volgens de archiefomschrijving tot 1646 loopt, bevat het aantekeningen uit januari 1649. Op 5 januari verschijnen Cornelis Cornelisz en Pieter Schatter, landdrost, in een moeilijk leesbare zakelijke notitie. Op Driekoningen, 6 januari, werd voor 7 gulden en 3 stuivers wijnkoop afgerekend. Daarna eindigt deze boekreeks.
Dat vormt bijna vanzelf een contrast met 1416. Het boek begon met kaproenen, boeten, schuiten en goederen die werkelijk naar Schonen moesten. Meer dan twee eeuwen later eindigt het met wijnkoop tussen aanzienlijke stedelingen. De handelsroute was weggezakt, maar de gewoonte om zakelijke en sociale relaties binnen dezelfde broederschap te bevestigen was blijven bestaan.
1660 — De Ruyter en Cortenaer
In 1660 verschijnen Michiel Adriaensz de Ruyter en Egbert Meeuwesz Cortenaer, beiden admiraal. Ook Dammis van der Horn en Andries de Vos worden genoemd. Daaruit mag niet worden afgeleid dat De Ruyter ooit volgens het oude patroon op Schonen voer. Daarvoor bestaat geen bewijs.
Zijn lidmaatschap zegt vooral iets over de status die het gilde had gekregen. De maritieme reputatie van de oude broederschap maakte lidmaatschap aantrekkelijk als eer en sociale verbinding. Een beroemde admiraal hoefde geen Haarlemse lading naar Scandinavië te vervoeren om toch in een vereniging te passen die haar prestige mede aan eeuwen zeevaart ontleende.
1661–1669 — Officieren, kooplieden en Indië
Voor 1661 noemt het register Pieter de Clerck, Johan BosseBaert en Anthonij Verbrugge. In 1665 volgen Eduwart van Crale, Pieter Buttinga en Sijbrant Cameij. Onder 1666 staan burgemeester Cornelis Duijvese, Joost Weijns, Francoijs Snellings, Noach Smaltius, Pieter Nolte en Joost Hooftman.
Bij Joost Weijns staat de opvallende notitie “Naer Indien”. Een latere toevoeging verbindt hem in 1674 nog met Indië, hoewel de precieze formulering onzeker is. De geografische horizon was daarmee groter geworden dan ooit. De middeleeuwse leden voeren naar Scandinavië; hun opvolgers leefden in een maritieme wereld die tot Azië reikte.
In 1667 verschijnt Boudewijn Faber. Voor 1668 staan Abraham Chiarles, die later aftrad, en Engel de Ruijter, kapitein. In 1669 volgen Johannis Marcelis, Willem Akersloot, Gilles van de Camp en Dirck Doeble. De vereniging bleef nieuwe officieren, kooplieden en aanzienlijke mannen aantrekken en was nog bepaald geen uitstervende herinneringsclub.
1669 — Een financieel gezonde vereniging
Dirck Damius was deken. Johan van Schooten wordt als oud-vinder genoemd; Cornelis van der Mersch en Govert Luijcas Hambeg waren vinders. Uit de vorige rekening stond 166 gulden, 2 stuivers en 8 penningen in kas. Daar kwamen rente, intreegelden, overlijdensgelden en nagelag bovenop. Financieel beschikte het gilde over een stevige basis.
Onder de betalende leden stonden burgemeester Van der Horn, Hendrick Coning, Nicolaes van Lijnhove, Jan Florisz van Schooten, Arent Sijmensz van Deurs, Dirck Damius, schepen IJsbrant Schatter, Cornelis van der Mersch, Pieter de Vos, Anthonij Verbrugge en Govert Luijcas Hambeg. Michiel de Ruyter betaalde zelf 3 gulden en 3 stuivers nagelag.
Verder betaalden Andries de Vos, burgemeester Cornelis Duijvese, Eduwert van Crale, Sijbrant Cameij, Pieter Buttinga, Noach Smaltius, Joost Weijns, Pieter Nolte, Francoijs Snellings, Joost Hooftman, Boudewijn Faber, Pieter Wiebouts en Abraham Charles. Beroemde of aanzienlijke leden waren dus niet slechts namen op papier, maar droegen financieel aan de bijeenkomsten bij.
1669 — Een andere tafel
De maaltijd van 1669 bevatte citroenen en kaviaar, riviervis, zeevis en zalm, bokking en haring, boter, sla, peterselie en specerijen. Cornelia Evers Dijck leverde specerijen en kaarsen. Claes Buijs verhuurde messen en Hendrick Stevens zorgde voor brood. De organisatie achter de tafel werd steeds gespecialiseerder.
Dirck Damius leverde bier en tabak. Er kwam Westfaalse ham, kastanjes en kaas. Een slager leverde tongen en benodigdheden voor olipodrigo. Een andere rekening noemt maar liefst zeventig stopen wijn. Bier verdween niet, maar wijn en tabak werden steeds duidelijker kenmerken van de nieuwe herenwereld.
De Doelmeester kreeg ruim vijftig gulden voor twee dagen en voorschotten. Frans Olivers, hoofdmeester, werd betaald, evenals Belten, de gildeknecht, en diens zoon. Gebroken glazen kwamen eveneens in de rekening. Hoe rijker het feest werd, hoe groter de kring van koks, dragers, knechten, leveranciers en schoonmakers die er financieel omheen stond.
1669–1670 — Begrafenissen blijven verplicht
Na het overlijden van Pieter Wiebout ontving het gilde 63 gulden. Daarnaast werden vijf boeten betaald door broeders die zijn begrafenis hadden gemist. Na het overlijden van Nicolaes van Lijnhove kwam 31 gulden en 10 stuivers binnen. Onder afwezige broeders bij begrafenissen worden IJsbrant Schatter, Pieter de Vos en Joost Weijns genoemd.
Bijna een eeuw na de begrafenisregels van 1586 kon iemand dus nog worden beboet wanneer hij een overleden medebroeder niet begeleidde. Religieuze omstandigheden, leden en consumptie waren geheel veranderd, maar de gedachte dat de broeders elkaar ook bij de dood moesten bijstaan bleef opmerkelijk sterk.
Oude huizen en reizen naar De Ruyter
In de Zijlstraat rustte een oud recht op De Houten Gevel. Sinds 1651 was dit niet meer betaald; juffrouw Wijnants wordt als laatste betaler genoemd. Een ander oud recht lag op De Beurs van Amsterdam in de Grote Houtstraat. Ook daar waren betalingen langdurig achterstallig. Toch bleven beide aanspraken in de boeken staan.
Rond 1670 werd 4 gulden en 2 stuivers betaald voor een reis naar Amsterdam om De Ruyter samen met Pieter de Vos te nodigen. Daarnaast verschijnen tabak, een visdraagster en loon voor knecht Balten. Alleen al een maaltijd in de Basterpijp kostte honderd gulden. De Ruyter was daarmee werkelijk onderdeel van het sociale netwerk, niet slechts een beroemde naam in een register.
1672 — Rampjaar
Tijdens het Rampjaar kwamen de Schonenvaarders bijeen in onder meer ’t Vlieg en de Basterpijp. De Republiek vocht tegelijk tegen Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen, maar de sociale rituelen van deze welgestelde Haarlemse kring gingen door. Daaruit volgt niet dat de crisis hun onverschillig liet; de bron registreert eenvoudig de maaltijd en niet hun politieke gedachten.
Op tafel kwamen twee hammen en tong, veertien hoenders, vlees, brood, citroenen, appels en haring. Foelie, selderij en spinazie werden gekocht. Bier en tabak ontbraken niet. Tarbot, kabeljauw, zalm, ansjovis en kappertjes tonen dat internationale goederenstromen zelfs in een uitzonderlijk oorlogsjaar niet volledig tot stilstand kwamen.
1674–1678 — Kapiteins en De Ruyter
In 1674 verschijnen Jacobus Bronsveldt en Wouter de Graaf. Voor 1677 staan Frans Marcelis, heer van Callenburgh, Jan Craemer, commandeur, en Jan Baltose Barnhoeck. Eind 1677 was burgemeester Cornelis Duivese deken; kapitein Johan de Jongh en Pieter de Vos waren vinders en Anthonij van Brugge oud-vinder. Nieuwe broeders waren Carolus Dixer, Jacobus Vroom en Andries van Dalen.
De bijeenkomsten bleven meerdere dagen duren. Knechten en meisjes in ’t Vlies kregen geld en een dienaar reisde voor de vereniging naar Amsterdam. Uitnodigingen, geld, boodschappen en wijn bewogen voortdurend tussen Haarlem en Amsterdam. De twee steden waren via waterwegen, wegen, families en handelscontacten nauw met elkaar verbonden.
Op 4 januari 1678 ontving het gilde wegens het overlijden van Michiel Adriaensz de Ruyter 110 gulden en 5 stuivers. Schuitvracht en andere kosten rond zijn begrafenis bedroegen 12 gulden, 13 stuivers en 8 penningen. Een latere vertering in De Zwaan te Amsterdam hield eveneens verband met zijn afscheid.
De oude begrafenisplicht kreeg daarmee een uitzonderlijk decor. In 1586 moesten Haarlemse broeders bij een plaatselijke uitvaart blijven totdat de vertering voorbij was. Bijna een eeuw later voeren leden per schuit naar Amsterdam voor de begrafenis van een admiraal die in heel Europa bekend was. De schaal veranderde, het principe van broederschap niet.
1678–1684 — Nieuwe heren en Engel de Ruyter
Voor 1680 verschijnen Govert van Leent, Arent van Deurs, een moeilijk leesbare kapiteinsnaam, Elias Marehant en Balthasar Groen. In 1682 worden Joan Vermeulen, Adriaen du Quenoij, Theodorus Eeckhout, Gerard Kloppenburgh, Martinus van Vaeken, kapitein ter zee, Pieter van Gendt, Pieter Roijens en Jaques de Vos genoteerd.
In 1683 volgen onder anderen Christoffel Backer, eveneens kapitein ter zee, en Nicolaas Kops. Veel broeders betaalden voor de laatste bijeenkomsten ongeveer vijf gulden nagelag: Jan Florisz van Schooten, Boudewijn de Jongh, Pieter de Vos, Cornelis van Callenburgh, Abraham Charles, Johan van der Sprangh, Johan Baillij, Jacobus Bronsvelt, Wouter van der Graaf, Jacobus Vroom, Arent van Deurs en Elias Marehant.
In 1684 bracht het overlijden van Engel de Ruyter vijftig gulden in de kas. Ook een oude schuld van gildeknecht Gerrit Basuijck werd afgewikkeld door een restant tegen verdiend loon weg te strepen. Zelfs bij personeel werden schuld en salaris zorgvuldig tegen elkaar gerekend. De financiële discipline gold niet alleen voor de heren.
Wouter van der Graef betaalde in hetzelfde jaar onder meer 156 gulden en 6 stuivers aan Andries de Bock voor een bijeenkomst. Vis, inclusief schoonmaken en thuisbrengen, kostte ruim tien gulden. Extra bediening en Jacobus Kapoen werden eveneens betaald. Eén maaltijd kon zo een bedrag opslokken waar gewone gezinnen lange tijd van moesten leven.
1685 — Muziek in ’t Vlies
In 1685 kreeg Jacobus Kapoen in ’t Vlies 180 gulden voor de vertering. Maarten Vermeulen leverde voor ruim 83 gulden wijn; een ander anker wijn met proeverij kostte 14 gulden en 10 stuivers, exclusief belasting en binnenbrengen. Teunis Pietersen leverde tabak. De jaarlijkse bijeenkomst was een financiële onderneming geworden.
Meester Paulus en Van Son, speellieden, kregen twaalf gulden. In de zestiende eeuw waren pijpers betaald; nu traden muzikanten op tijdens een deftige herenbijeenkomst. Nieuwe leden Jacob Bosschaert en Mattheus Stilte betaalden ieder 18 gulden en 18 stuivers. Johan van Schooten, Joost Hoofman, Jacobus Bronsvelt, Jacobus Vroom, Jan Vermeulen, Christoffel Backer, Nicolaas Kops, Wouter van der Graef en Balthasar Groen betaalden eveneens nagelag.
De knechten waren voortdurend onderweg. Er werd betaald voor een reis naar Amsterdam om broeders te nodigen, nog twee reizen in verband met het sterfhuis van De Ruyter en een reis naar Noordwijk naar een heer Dirickx. Personeel was daarmee niet alleen bediening, maar tevens boodschapper en vertegenwoordiger binnen een regionaal sociaal netwerk.
Juli 1686 — Speenvarkens, amandelen en citrus
Een rekening uit juli 1686 noemt twee kleine speenvarkens, citroenen of limoenen en sinaasappelen. Verder kwamen vier pond kraakamandelen en een moeilijk leesbaar rood fruitproduct binnen. Daarna werden vier kalkoenen, zes hoenders, zes konijnen en twaalf duiven gekocht. Tabak, vlees, kersen, aalbessen, vis en pasteiwerk volgden.
Voor de wijn werden 64 stopen belast. Assuerus Beuns leverde een groot deel. Willem Soeterlant, kastelein, kreeg ruim 76 gulden. Samuel, de gildeknecht, en Hendrick van der Gou ontvingen samen achttien gulden en de meisjes van de kastelein 2 gulden en 10 stuivers. Achter de maaltijd stond inmiddels een compleet personeels- en leveranciersapparaat.
De verandering sinds 1416 is bijna tastbaar. Toen maakten een gezamenlijke kaproen, zeevaart en gildedrinken de broeders herkenbaar. Nu lagen citrusvruchten, amandelen, kalkoenen en verschillende wijnen op tafel. Internationale handel veranderde niet alleen Haarlems vermogen, maar ook de smaak en consumptie van de elite.
1686–1688 — Het geld blijft werken
Ondanks de grote feestkosten bleef het gilde investeren. Joost Hoofman kreeg 250 gulden op interest. Daarnaast werd een rentebrief van 300 gulden gekocht, gevestigd op een huis in de Lakenstraat dat met Salomon du Bois verbonden was. Belastingen en secretariekosten werden apart bijgehouden. Luxe en vermogensbeheer gingen dus tegelijkertijd door.
Dat is essentieel voor het latere voortbestaan. De broeders aten hun vermogen niet simpelweg op. Rente, nagelag, intreegeld en doodschulden vulden de kas voortdurend opnieuw. Het belegde vermogen maakte kostbare maaltijden mogelijk; de maaltijden hielden het sociale netwerk aantrekkelijk. Kapitaal en gezelligheid versterkten elkaar.
1687 — Watersnippen en Franse wijn
De rekening noemt ribstuk, achterboutje en kalfsvlees, plus één pond tabak. Vervolgens kwamen vier kalkoenen, twee hazen, 24 watersnippen en 36 limoenen binnen voor 18 gulden en 7 stuivers. Vis werd apart geleverd en schoongemaakt. Alleen een halve aam Franse wijn kostte 46 gulden en 12 stuivers.
Assuerus Beuns leverde nog meer wijn. Willem Soeterlant in de Oude Doelen ontving 86 gulden en 4 stuivers. Samuel en Hendrick van der Gou kregen achttien gulden; de meisjes van de kastelein 2 gulden en 14 stuivers. De vereniging had vrijwel alle kenmerken van een deftige stedelijke sociëteit gekregen.
1690 — Een vermogende herenbroederschap
In 1690 werd betaald voor reparatie van een gildebezit waarvan de precieze oude benaming beschadigd is. Samuel Pietersz en Hendrick van der Gon kregen 6 gulden en 10 stuivers voor diensten uit het voorafgaande jaar. Het gilde bezat nog personeel, voorwerpen, oude rechten en een groeiend financieel vermogen.
Daarbij horen uiteindelijk de obligatie van 400 gulden, de rentebrief van 600 gulden en het kapitaal van 300 gulden op het huis in de Lakenstraat. Het verschil met 1574 kon nauwelijks groter zijn. Toen stonden pachten stil en waren leden verdwenen; nu konden honderden guldens aan wijn, vlees, vis, tabak, muziek, personeel en reizen worden besteed.
Deel 3 — 1691–1765
Van rijke herenvereniging tot één laatste volwassen broeder
1691 — Joost Hoofman
In 1691 was Joost Hoofman deken en wordt kapitein Johan de Jongh als oud-deken genoemd. Jacobus Bronsveldt speelde een rol in het geldbeheer. Inkomsten kwamen binnen na het overlijden van Balthasar Groen, Johan van Schooten, Pieter de Vos en Gerard Cloppenburgh. Het gilde leefde inmiddels vooral van rente, nagelag, toetredingsgeld en doodschulden.
Mattheus Steijn betaalde bij toetreding twintig gulden. Barent van der Honden, Jacob Maseijk en Jacob van Rixtel betaalden ieder 12 gulden en 12 stuivers. Nieuwe broeders kwamen dus niet kosteloos aan tafel. Zij droegen direct bij aan een gemeenschappelijk vermogen waarvan toekomstige maaltijden, personeel en verplichtingen werden betaald.
1691 — Kalkoenen en wijn
Voor één pond tabak werd 5 gulden en 10 stuivers betaald. Op tafel kwamen twee kalkoenen, twee hazen, limoenen, stokvis, spiering, botervis, twee hammen, een gans, vlees en acht hoenders. De tafel had weinig meer gemeen met de oorspronkelijke wereld van haring, schepen en eenvoudige gildebijeenkomsten.
Marten Vermeulen leverde 51 stopen Rijnse en zestien stopen Franse wijn. De wijn kostte meer dan honderd gulden; belastingen voegden bijna 35 gulden toe. Willem Soeterlant ontving ongeveer 92 gulden voor de Oude Doelen. Alleen drank en locatie maakten één bijeenkomst al tot een aanzienlijke economische gebeurtenis.
De meisjes van de kastelein kregen geld. Samuel Pietersz en Hendrick van der Gon ontvingen samen achttien gulden. Koks, knechten, dienstmeisjes, waardinnen en leveranciers maakten het herenleven praktisch mogelijk. De bedragen van personeel waren klein tegenover de wijnrekening, maar zonder hun arbeid kon geen enkele deftige bijeenkomst plaatsvinden.
1691–1693 — Begrafenisboetes
Abraham van den Broeck en Carolus Diricq betaalden ieder 1 gulden en 5 stuivers wegens een tekortkoming rond een begrafenis. In 1693 werden na het overlijden van Jacob Maseijck opnieuw boetes genoemd voor Mattheus Stilte, Pieter van Gent en Abraham van den Broeck. Ook rond de begrafenis van Johannes Baillij werd een boete genoteerd.
De katholieke missen waren verdwenen, maar de sociale plicht tegenover de dode broeder bleef afdwingbaar. Een lid hoorde niet alleen bij de tafel wanneer er gegeten werd. Hij moest ook aanwezig zijn wanneer een ander stierf. Sommige gebruiken bleken daarmee veel duurzamer dan de religieuze wereld waarin zij oorspronkelijk waren ontstaan.
1692 — Wandtapijten
In 1692 kostte de vis ruim twintig gulden. De Oude Doelen ontving ongeveer 94 gulden. Franse wijn werd gekocht en een halve aam wijn uit Amsterdam gehaald. Gans, vlees en hoenders stonden op tafel. Voor drie gulden werden zelfs wandtapijten gehuurd. Niet alleen het menu, maar de hele omgeving moest bij de sociale positie van de deelnemers passen.
De kaproen van 1416 was ooit het zichtbare teken van groepsidentiteit. Tegen het einde van de zeventiende eeuw werd status eerder zichtbaar in zaal, wandbekleding, voedsel, tabak en wijn. De sociale functie was vergelijkbaar gebleven, maar de uiterlijke vorm was volledig veranderd.
In april 1692 kwamen bestuurders in De Oijevaar bijeen omdat verschillende broeders hun afgesproken aandeel niet wilden betalen. Zelfs juridische stappen werden besproken. Bijna drie eeuwen na 1416 bestond nog precies hetzelfde praktische probleem: gezamenlijk consumeren werkte alleen wanneer ieder zijn deel van de kosten betaalde.
1695–1697 — Wijn, zilver en vermogen
In 1695 kostte wijn meer dan 112 gulden en de belastingen daarop ruim dertig. De weduwe Gerrit Kooij leverde voor ongeveer 24 gulden vis en Annetje Quispel stokvis. Een pond tabak kwam erbij. Alleen de Oude Doelen ontving ongeveer 136 gulden. De jaarlijkse bijeenkomst was een grote stedelijke onderneming geworden.
Een dienstmeid kreeg 2 gulden en 10 stuivers. Hendrick van der Gon en Samuel Samuels ontvingen samen achttien gulden. Het verschil tussen luxe en arbeid is zichtbaar: voor wijn werd in enkele dagen meer betaald dan personeel in lange tijd verdiende. Tegelijk was het herenfeest zonder dat personeel onmogelijk.
In dezelfde periode verschijnen zilveren bekers of vergelijkbaar zilveren drinkgerei, geschonken door oude vinders. De precieze oude benaming is niet overal zeker. Het gilde bezat daarmee naast boeken, kist en effecten ook representatieve objecten die rechtstreeks bij de tafel hoorden. De materiële cultuur verschoof van altaar en scheepsmodel naar kostbaar drinkgerei.
Hendrick van der Gon werd tweemaal naar Amsterdam gestuurd om in totaal dertig gulden te innen. Reis- en bijkomende kosten werden vergoed. De gildeknecht was niet alleen bediende, maar ook boodschapper en geldinner. De heren zaten in Haarlem, maar een deel van de praktische werking van hun netwerk rustte op mensen die voortdurend onderweg waren.
In 1696 kostte een pond tabak vijf gulden en een mandje pijpen 2 gulden en 2 stuivers. Stokvis, vlees en andere vis kwamen op tafel. De kastelein kreeg ongeveer 139 gulden. Roken was zo gewoon geworden dat niet alleen tabak, maar zelfs het gezamenlijke rookgerei uit de gildekas werd betaald.
1697 — Zes nieuwe broeders
In 1697 traden Cornelis de Wit, commandeur; Jacobus Hooft uit Westzaan; Jacob Killiaen; Willem van Hoijningh; Jan de Givrij en Pieter Killiaen toe. Ieder betaalde twaalf gulden. Het gilde trok dus nog steeds nieuwe mannen aan, ook van buiten Haarlem. Van een naderend einde was toen nog weinig te merken.
De financiële bezittingen omvatten een obligatie van 400 gulden, een rentebrief van 600 gulden en het kapitaal van 300 gulden op het huis in de Lakenstraat. Samen vertegenwoordigden deze posten 1.300 gulden. Het gilde hoefde geen winst meer uit zeevaart te maken. Het door generaties opgebouwde vermogen bracht zelf inkomsten voort.
1698–1702 — Gulden Vlies en kasoverschot
In 1698–1699 ging ongeveer 138 gulden naar wijn en belasting. In het Gulden Vlies kwamen tabak, spiering, brasem, baars, stokvis en haring op tafel. Het schoonmaken en thuisbrengen van vis werd afzonderlijk betaald. De rekening volgt daardoor zelfs de kleine arbeid tussen markt, keuken en tafel.
Pieter van Dijck leverde voor bijna honderd gulden wijn en Willem Sonderlandt kreeg ruim 142 gulden als kastelein. Personeel ontving fooien. De maaltijd was één van de grootste jaarlijkse uitgaven en vrijwel het hart van een vereniging geworden die haar bestaan nu vooral door gezamenlijke consumptie zichtbaar maakte.
In 1701–1702 kwamen opnieuw renten binnen. De weduwe van Salomon du Bois betaalde achterstallige rente. Na ontvangsten en uitgaven bleef meer dan 134 gulden in kas. Grote bijeenkomsten konden worden betaald zonder dat de hoofdsom van het vermogen wezenlijk hoefde te verminderen.
Op 17 en 18 januari 1702 werd twee dagen in het Vergulde Vlies gegeten. De rekening bedroeg ongeveer 262 gulden. Dienstboden kregen 2 gulden en 10 stuivers; Pieter van Dijck leverde een halve aam wijn voor ruim 49 gulden. De meeste broeders betaalden tien gulden nagelag, zieken of afwezigen zoals Johan de Jongh en Wouter van der Graaf vijf.
1704–1706 — Nieuwe leden en trompetters
In 1704 werd twee dagen in de Gouden Leeuw gegeten. De rekening bedroeg ongeveer 141 gulden. Pieter van Dijck leverde voor meer dan 87 gulden wijn; verder kwamen 26 pond vis, stokvis, haring, kastanjes en spiering. Zelfs het schoonmaken van de vis werd apart betaald.
Nieuwe broeders waren Cranendonck, Abraham Casteleijn, Johan Hugaard, Johan Frans de Rouzier en Hendrick Noppe. Zij betaalden ieder vijftien gulden. Vijf nieuwe leden in één jaar tonen dat de vereniging rond 1704 nog voldoende sociale aantrekkingskracht bezat om mannen een aanzienlijk bedrag voor toetreding te laten betalen.
In 1705 ontving Anthonij Coese 276 gulden en 5 stuivers voor de verzorging van een bijeenkomst. Veel broeders betaalden ongeveer acht gulden nagelag. Rente, intreegeld en doodschulden werden zo gedeeltelijk omgezet in wijn, eten, zaalhuur en bediening.
In 1706 kostte de vis ongeveer 36 gulden. Samuel Jollij kreeg loon en vergoeding voor werkzaamheden en een reis naar Amsterdam. Trompetters ontvingen tien gulden. In de zestiende eeuw hadden pijpers gespeeld; nu moest een herenfeest eveneens klinken en zich onderscheiden van een gewone maaltijd.
1707–1710 — Comparities, Amsterdam en Abigail Brouwers
In 1707–1708 hielden bestuurders kleinere comparities waarbij onder andere tabak werd betaald. Op 7 en 8 februari 1708 kostte het tweedaagse feest in het Vergulde Vlies ongeveer 144 gulden en 16 stuivers. De erven van weduwe Kooij leverden voor ruim 22 gulden vis. Samuel Jollij bleef een belangrijke praktische kracht.
Hij maakte drie reizen naar Amsterdam. Een kleine rekening vermeldt daarnaast dat een voorwerp werd beschilderd of verguld, maar welk object bedoeld is valt niet betrouwbaar te bepalen. Joost Hooftman betaalde in 1708 nog zestig gulden in verband met vertrek, boeten of andere verplichtingen. De precieze aanleiding is onzeker.
In 1709 bedroeg de rekening van de Gouden Leeuw ongeveer 165 gulden en 10 stuivers. Pieter van Dijck leverde 77 gulden wijn. Dienstboden, Jacob de Vlamingh en Samuel Jollij kregen geld. Veel broeders betaalden negen gulden nagelag. Nieuwe leden Anthonij Willingh en Willem van Vredenburgh betaalden ieder vijftien gulden.
In 1710 verzorgde Abigail Brouwers een bijeenkomst in het Vergulde Vlies en ontving ruim 152 gulden. Pieter van Dijck leverde voor 73 gulden en 10 stuivers wijn. Dienstboden en Samuel Jollij werden eveneens betaald. Een volledig mannelijke broederschap kon dus grote zakelijke rekeningen afhandelen met vrouwen die als waardin of leverancier zelfstandig in de stedelijke economie optraden.
1712–1714 — Wijn, nieuwe broeders en keteltrom
In 1712 ging 91 gulden en 8 stuivers alleen naar wijn. De verdere kosten van de tweedaagse bijeenkomst bedroegen ongeveer 133 gulden. In de zestiende eeuw werd vooral in tonnen bier gerekend; nu bepaalde wijn in veel sterkere mate de uitstraling van de tafel.
In 1713 traden Jan van Woensel, Gerard Tetroode, Jacobus van Sweesings en Hendrick van Tetroode toe. Geld kwam binnen na het overlijden van Jacob Bosschaert en kapitein Deijman en de effecten brachten rente. Toetreding en overlijden waren beide momenten waarop de gemeenschappelijke kas werd versterkt.
Anthonij Coese kreeg meer dan 315 gulden voor twee dagen feest en daar kwam ongeveer vijftig gulden wijn bovenop. Samuel Jollij maakte twee reizen naar Amsterdam. Een jaarlijkse bijeenkomst kon dus gemakkelijk enkele honderden guldens kosten zonder dat het gildevermogen wezenlijk werd aangetast.
In 1714 kregen twee trompetters twaalf gulden. Samuel Jollij kreeg bovendien zes gulden voor het spelen op de keteltrom. Er werd voor ruim 102 gulden wijn, 5 gulden en 5 stuivers tabak en ruim 21 gulden vis gekocht. De ruimte is bijna voorstelbaar: gesprekken, tabaksrook, wijn, trompetgeschal en het ritme van een keteltrom.
1716–1717 — Negentien personen en Haarlemse leveranciers
Op 31 juli 1716 aten negentien personen twee dagen in de Oude Doelen. De verzorging kostte ongeveer 129 gulden. Johanna Beuns leverde voor ruim 85 gulden wijn. Gewone en zeevis, anderhalf pond tabak en reizen van Samuel Jollij naar Amsterdam kwamen erbij. Jan Pietersz kreeg vijf gulden voor twee dagen dienst en ander werk.
Voor het schoonmaken van vis werd acht stuivers betaald. Nieuwe broeders waren Martinus Dubbelde Muts, Adriaen Merkman van Sittart en Zacharias Stromberg. Het gilde kende nog altijd een normaal verloop van toetreding, vertrek en overlijden.
De rekening van 1717 noemt Frans Surlande, vleeshouwer; Gerrit Brussel, banketbakker; Gerrit Wagevelt, brader; Willem de Vos, leverancier van gevogelte; en Adriaen Hoefnagel, kruidenier. Vis en tabak kwamen van andere leveranciers. Eén kleine groep heren bracht daarmee een groot aantal Haarlemse ambachten rond de tafel samen.
Johanna Beuns leverde voor ruim 112 gulden wijn. De Oude Doelen kostte meer dan 99 gulden en Samuel Jollij ontving ruim veertig gulden aan loon en verschotten. Het gilde verteerde geld, maar dat geld verspreidde zich daarna door Haarlem onder wijnhandelaren, slagers, poeliers, visverkopers, kasteleins en personeel.
1717–1721 — Een generatie verdwijnt
Tussen 1717 en 1721 overleden Jacob van Rixtel, Pierre le Moine, Abraham Casteleijn, Jan Vermeulen, Jan van Rixtel en Hendrick Noppe. Willem Kuijts, Isaac van Hoven en Willem van Heijninge verlieten het gilde. De kring verloor veel mannen, maar dergelijke verliezen werden voorlopig nog door nieuwe toetredingen gecompenseerd.
1721 — Zeven nieuwe broeders en tweehonderd oesters
In 1721 traden zeven mannen toe: Constantijn Le Leu de Willem, Jan Sligger, Pieter Clant, Gerard Otelaer, Cornelis Crul, Cornelis Pleijendael en Adriaen van Eten. Zij betaalden ieder ongeveer twaalf gulden. Achteraf weten we dat het gilde later snel zou krimpen, maar in 1721 zag die neergang er bepaald niet onafwendbaar uit.
Het gilde bezat twee obligaties van samen 700 gulden en daarnaast een rentebrief. Nieuwe leden brachten geld binnen en de effecten rente. De hoofdsom hoefde dus niet te worden aangesproken om de jaarlijkse feesten te betalen.
Tijdens een bijeenkomst werden tweehonderd oesters gekocht voor 3 gulden en 12 stuivers. Verder kwamen wijn, tabak, vlees en verschillende soorten water- en zeevis op tafel. Cornelis Crul leverde ongeveer 48 gulden wijn en Adriaen van Eten ongeveer 52. De Oude Doelen kostte meer dan 131 gulden.
1724 — Vijfhonderd oesters
In 1724 bestonden de belangrijkste bezittingen uit twee obligaties van samen 700 gulden en een losrentebrief van 600 gulden. Over twee jaren kwamen ongeveer 35 en 30 gulden rente binnen. Reijer Reijersz trad voor 12 gulden en 12 stuivers toe. Financieel stond de vereniging nog stevig.
Nagelag werd betaald door Adriaan Backer, Jean François de Rouzier, Isaac Snep, Adriaan Koussenbandt, Pieter Holthoven, Jan van Woensel, Hendrik Tetroode, Martinus Dubbelde Muts, Pieter Rutgers, Jan Sligher, Pieter Clant, Gerard van Otelaar, Cornelis Krul, Cornelis Pijlendaal en Adriaan van Eeten. Sommige bijdragen liepen tot ongeveer zeventien gulden.
Adriaan van Eeten leverde voor ongeveer 90 gulden wijn en Cornelis Krul voor 72. De kastelein kreeg ongeveer 122 gulden. Een brader, leverancier van gevogelte, tabaksleverancier en vleesleverancier werden betaald. David Stavenes bracht het opvallendste onderdeel: vijfhonderd oesters, voor 8 gulden en 5 stuivers.
Voor muzikanten ging ongeveer 75 gulden uit. De transcriptie leest één groep mogelijk als “pookers”, maar dat woord blijft onzeker; trompetters zijn duidelijk. Pieter Willemsz, gildeknecht, kreeg loon. Het feest had bijna het karakter van een voorstelling met honderden oesters, grote hoeveelheden wijn, personeel en muziek.
Bij een volgende bijeenkomst leverde Cornelis Krul voor ongeveer 103 gulden wijn. De kastelein ontving ruim 95 gulden. Twee trompetters kregen twaalf gulden en een helper werd eveneens betaald. Jean François Rouzier leverde vlees. De weduwe Van Es kreeg geld voor het stoven van carbonade. Ook vrouwelijke keukenarbeid bleef zichtbaar.
1725–1727 — De drie effecten
In 1725 traden Jan Crommeling van Wicquevoor, Mattheus Laars en Assuerus Beuns toe, ieder voor 12 gulden en 12 stuivers. Tegelijk verlieten anderen het gezelschap. Het ledenverloop functioneerde nog, maar vertrek begon geleidelijk zwaarder te wegen.
In 1726 worden de drie belangrijkste effecten duidelijk: een losrentebrief van 600 gulden, een obligatie van 400 en een van 300. Op rente werd onder meer de honderdste penning als belasting ingehouden. Samen vertegenwoordigden de stukken 1.300 gulden en zij zouden uiteindelijk tot de opheffing blijven bestaan.
Pieter Holthoven leverde voor bijna 22 gulden rivier- en zeevis. Adriaan van Eten bracht voor meer dan 121 gulden wijn. De Oude Doelen kostte ruim 98 gulden en Jacob van Rees leverde tabak. Hendrik van Tettrode verschijnt later bij de vis en Cornelis Krul opnieuw met meer dan honderd gulden wijn.
De weduwe Van Es bleef als braadster werken. Jan van den Broek, kastelein van de Oude Doelen, kreeg zijn rekening en een verse ham werd apart gekocht. De organisatie van de maaltijd was volledig gespecialiseerd geraakt: afzonderlijke leveranciers voor vlees, wijn, vis, tabak, keuken en zaal.
In 1727 kocht Isaac Snep in Amsterdam een anker wijn. Jan van Woensel leverde verse zalm. Paling, bot, pos, zeetong, snoek en 22 pond meerbaars werden gekocht. Het schoonmaken en bezorgen van vis werd betaald en rond de levering verschijnt zelfs een kleine post voor een brandewijntje.
Cornelis Krul leverde wijn; Hendrik Westerhuijsen twee pond tabak. De weduwe Van Es verzorgde braadwerk. Twee trompetters speelden twee dagen en een bediende kreeg loon voor dezelfde periode. De maaltijd was inmiddels een complete onderneming van gespecialiseerde leveringen en diensten.
1728 — De gildekist
In 1728 werd de oude gildekist hersteld. Een smid, timmerman en schilder werkten eraan. De kist kreeg een nieuwe bodem, nieuwe sleutels en nieuwe verf. Terwijl de vereniging zelf ouder werd, werd het voorwerp waarin papieren, geld en andere bezittingen konden worden bewaard zorgvuldig vernieuwd.
De kist was bijna het tastbare geheugen van de broederschap. Generaties dekens en vinders hadden stukken laten bewaren. Niemand die in 1728 de bodem vernieuwde kon voorzien dat juist die papieren uiteindelijk veel duurzamer zouden blijken dan de vereniging zelf. De gildeboeken zouden alle bestuurders, effecten en maaltijden overleven.
1728 — Carbonade en olipodrigo
De weduwe Van Es leverde carbonade en olipodrigo. Er werd anderhalf pond tabak gekocht. Adriaan van Eten leverde 52 stopen wijn. De Oude Doelen kostte ongeveer honderd gulden voor twee dagen en een ham werd afzonderlijk betaald.
Jacobus de tamboer speelde twee dagen en twee trompetters kregen loon. Het gildedrinken uit 1416 was in drie eeuwen veranderd in wijn, tabak, rijk stoofgerecht, trompetgeschal en trommelmuziek. De vorm was totaal anders, maar de sociale functie bleef herkenbaar: gezamenlijk consumeren bevestigde nog steeds wie bij de gemeenschap hoorde.
1728–1730 — De lege stoelen
Onder de betalende broeders staan Adriaan Backer, Isaac Snep, Adriaan François Cousebant, Pieter Holthoven, Jan van Woensel, Hendrik van Tettrode, Cornelis Krul, Cornelis Pijlendaal, Willem Meijerus, Mattheus Laars, Assuerus Beuns, Pieter van Woensel, Justus Clant Schatter en Christoffel van Beek.
Tegelijk verlieten Adriaan van Eeten, Rouland Blaaukamer, Jean François Roussier en Hendrik Westerhuijsen de vereniging. Ieder vertrek werd financieel afgehandeld. Het kapitaal bleef rente produceren, maar steeds moeilijker vervangbaar bleken de mensen die bereid waren deken, vinder en tafelgenoot te worden. Een vereniging kon rijk zijn en toch langzaam uitsterven.
In 1729 waren nog veertien personen aanwezig. Bot, garnalen, paling, bakvis, baars en snoek kwamen op tafel en een grote pot olipodrigo werd bereid. Cornelis Krul leverde voor ongeveer 68 gulden wijn. De tafel bleef royaal terwijl het aantal mannen eromheen daalde.
Daarnaast werden thee, suiker en brandewijn gekocht. Er kwamen drie pakken of spellen speelkaarten, tabak, trompetters en Jacobus de tamboer. De bijeenkomst lijkt nu volledig op een herensociëteit: eten, drinken, roken, kaarten en muziek. Van gezamenlijk georganiseerde zeehandel was vrijwel niets meer over.
In 1730 waren nog dertien personen aanwezig. Er kwamen twintig stopen wijn, daarna twaalf en bovendien acht uit Amsterdam. Twee schotels olipodrigo werden opgediend naast tien pond watervis, bot, garnalen en zeevis. Ook drie pond tabak werd gekocht. De Oude Doelen rekende ongeveer vier gulden per persoon en opnieuw werden speelkaarten aangeschaft.
1731 — Tien personen
In 1731 waren er nog precies tien personen. Voor hun maaltijd werd ongeveer vijf gulden per persoon gerekend. Bestuursvergaderingen kostten gezamenlijk ongeveer dertig gulden. Baars, snoek, bot, brasem en garnalen kwamen op tafel. De keuken bleef rijk, maar het aantal mannen dat kosten en bestuursfuncties moest dragen was sterk gedaald.
De drank bestond uit 24 stopen wijn, tien flessen Franse wijn, drie flessen rode wijn en een halve anker Rijnse wijn. Daarnaast verschijnen nadrukkelijk koffie en thee. De knecht kreeg salaris en geld voor tabak. In drie eeuwen was de consumptiecultuur veranderd van bier en haring naar wijn, tabak, kaarten, koffie en thee.
De eerste Schonenvaarders bewogen door Noordzee en Oostzee. Hun achttiende-eeuwse opvolgers consumeerden goederen uit handelsnetwerken die inmiddels de hele wereld omspanden. Koffie, thee en tabak brachten producten aan tafel uit gebieden waar de eerste broeders nauwelijks weet van hadden. De naam bleef hetzelfde terwijl de commerciële wereld erachter onherkenbaar groot was geworden.
1733 — “Het schip”
In 1733 ontving IJsbrand Woldijk 33 gulden voor een vertering in zijn huis. Daarnaast werd 13 gulden en 16 stuivers betaald voor reparatie aan “het schip”. Welk schip wordt bedoeld staat niet vast. Het kan een symbolisch voorwerp zijn geweest, maar de bron biedt onvoldoende zekerheid om het oude altaarscheepje of een werkelijk vaartuig aan te wijzen.
Juist deze onzekerheid moet behouden blijven. Een aantrekkelijk verhaal mag de bron niet overschrijven. De historisch sterkste formulering is daarom eenvoudig dat het gilde geld besteedde aan reparatie van “het schip”. Niet ieder oud voorwerp laat zich eeuwen later nog zonder twijfel identificeren.
1734–1737 — Geld genoeg
Het vermogen bleef bestaan uit de obligaties van 400 en 300 gulden en de losrentebrief van 600 gulden. Over verschillende jaren kwamen ongeveer 30 gulden, 22½ gulden en 45 gulden rente binnen. Financieel was niets fundamenteel mis. De neergang die nu zichtbaar werd was geen faillissement.
Cornelis Krul, Isaac Snep en Mattheus Laars verlieten de vereniging. Waar enkele decennia eerder groepen nieuwe broeders tegelijk waren toegelaten, bleef vervanging nu uit. Iedere naam die verdween maakte de kring kleiner. De financiële boom droeg nog vruchten, maar steeds minder mensen kwamen eronder bijeen.
8 januari 1737 — Boudewijn van Rees
Op 8 januari 1737 trad Boudewijn van Rees toe voor 12 gulden en 12 stuivers. Achteraf bleek hij de laatste nieuwe volwassen broeder te zijn. Wat waarschijnlijk als een gewone toetreding werd ervaren, werd daardoor het laatste moment waarop de vereniging werkelijk door een nieuwe volwassen deelnemer werd aangevuld.
Tot de resterende kring behoorden Adriaan Backer, Joan van Woensel, Hendrik van Tettrode, Assuerus Beuns, Justus Clant Schatter, Christoffel van Beek en Jan van Grieken. Een maaltijd bij IJsbrand Woldijk kostte 125 gulden en 17 stuivers. Er werd tabak gekocht en Jacobus de tamboer kreeg 5 gulden en 5 stuivers.
1737–1763 — De administratie wordt stil
Na 1737 kwamen volgens de latere verklaring geen nieuwe volwaardige broeders meer bij. Bestaande leden overleden of vertrokken. Er was geen plotseling verbod, faillissement of ramp. De rekeningen werden eenvoudig stiller. Namen verdwenen zonder te worden vervangen.
Dat verschilt fundamenteel van 1573. Na het beleg was de gemeenschap bijna vernietigd, maar nieuwe mannen bouwden haar opnieuw op. Nu bleef Haarlem functioneren en bleef het geld rente opleveren. Wat ontbrak was de bereidheid van een nieuwe generatie om nog tot deze oude broederschap toe te treden. Geld kon eeuwen voortbestaan; tradities moesten door iedere generatie opnieuw worden gekozen.
De naam wordt vergeten
Boudewijn van Rees sprak later over het “Schoone Vadersgilde”. De verbastering is veelzeggend. Het woord Schonenvaarder was zo ver uit het dagelijkse geheugen verdwenen dat de naam opnieuw werd geïnterpreteerd. De mannen die werkelijk naar Schonen voeren waren eeuwen dood. Hun woorden stonden nog in de boeken, maar hun wereld leefde nauwelijks meer in het geheugen van de laatste broeder.
Boudewijn dacht bovendien dat de oude boeken misschien van vóór 1400 dateerden. Dat was zijn eigen inschatting en geen bewezen datering. Voor zover hij begreep, was de vereniging voornamelijk bedoeld geweest voor vriendelijke bijeenkomsten en gezamenlijke maaltijden. De oorspronkelijke internationale handelsfunctie was bijna volledig vergeten.
Dat is opmerkelijk. In dezelfde boeken stonden Schonense schuiten, leveringen “tot Sconen opt lant”, Bergen in Noorwegen, Hamburgs bier, teer, 1.200 potten voor Noorwegen en scheepscontracten. De laatste beheerder zag vooral een oud gezelligheidsgezelschap. Drie eeuwen verandering hadden de oorsprong vrijwel volledig afgedekt.
22 april 1763 — Eén vader en drie zonen
In 1763 was Boudewijn van Rees vrijwel de enige volwassen gildebroeder die nog over was. Een gilde hoorde echter een deken en meerdere vinders te hebben. Om de oude bestuursvorm formeel in stand te houden werden zijn drie minderjarige zonen bij het bestuur betrokken. Op 22 april werd Boudewijn als deken genoteerd.
Cornelis van Rees, Jacob van Rees en Willem van Rees werden de drie vinders. Een vereniging die ooit tientallen schippers, kooplieden, brouwers, burgemeesters, kunstenaars, kapiteins en admiraals had omvat, bestond bestuurlijk nu vrijwel uit één gezin. De oude ambtstitels waren er nog, maar achter die titels zat nauwelijks nog een gemeenschap.
De bestuursvorm uit 1416 werd daarmee nog één keer nagebootst: een deken en drie vinders. Alleen werden de functies nu niet gedragen door vier ervaren volwassen broeders maar door een vader en zijn kinderen. De vorm had de inhoud overleefd. Juridisch bestond het gilde; sociaal was het vrijwel verdwenen.
1763 — Nog altijd 1.300 gulden
Het gilde was niet arm. Het bezat een losrentebrief van 600 gulden uit 1636, een obligatie van 400 gulden uit 1641 en een obligatie van 300 gulden uit 1711. Samen waren die effecten nominaal 1.300 gulden waard. Sommige financiële stukken hadden meer dan een eeuw ledenwisselingen, feesten en bestuursperioden overleefd.
Volgens Boudewijn was het vermogen door boeten, bijdragen en gelden voor gezamenlijke maaltijden opgebouwd, waarna overschotten rentegevend waren belegd. Dat past bij de oudere rekeningen. Geld werd nooit allemaal opgegeten of opgedronken. Een deel werd telkens opnieuw kapitaal en bleef daardoor toekomstige generaties inkomsten verschaffen.
Daarmee ontstond de laatste paradox. De mensen verdwenen eerder dan het geld. De handel was vergeten, de tafel vrijwel leeg en zelfs de naam werd niet meer begrepen. Toch bleven financiële stukken van meer dan een eeuw oud rente opleveren. Het vermogen bleek duurzamer dan de herinnering aan de reden waarom het ooit was opgebouwd.
1763–1765 — Een juridisch probleem
Boudewijn wilde de vereniging laten afwikkelen. De effecten waren echter geen persoonlijk bezit. Zij stonden op naam van het gilde. Eén laatste volwassen broeder kon zulke oude bezittingen niet zomaar als particulier verkopen. De stedelijke overheid moest daarom bepalen hoe een corporatie die vrijwel geen leden meer had rechtsgeldig kon worden ontbonden.
Een vereniging die eeuwenlang zelf bestuurders koos, geld uitleende, leden aannam en begrafenissen regelde, kwam voor haar einde onder rechtstreeks toezicht van het Haarlemse stadsbestuur. De laatste fase was daardoor geen verhaal van zeevaart, geloof of maaltijd, maar een juridische vraag: wie mocht beschikken over het bezit van een bijna lege corporatie?
24 december 1765 — Het formele einde
Op 24 december 1765 besloten de burgemeesters en regeerders van Haarlem het Schonenvaardersgilde formeel te dissolveren. Het jaar 1763 was dus niet het officiële einde, maar het moment waarop Boudewijn en zijn drie zonen het merkwaardige laatste bestuur vormden. De juridische opheffing volgde twee jaar later.
De drie effecten met een gezamenlijke nominale waarde van 1.300 gulden gingen naar de stadsrekenkamer. Boudewijn van Rees ontving daartegenover 1.000 gulden. Het vermogen werd dus niet eenvoudig persoonlijk bezit van de laatste broeder. De stad zorgde voor een formele afwikkeling van bezittingen die eeuwenlang aan de corporatie zelf hadden toebehoord.
Ook de gildeboeken en papieren moesten worden overgedragen. Dat besluit bleek voor de geschiedenis uiteindelijk belangrijker dan de financiële afwikkeling. Effecten konden later verdwijnen in andere transacties; de boeken bleven onder stedelijke bewaring. Daardoor overleefden ledenlijsten, rekeningen, handelsovereenkomsten en dagelijkse details de vereniging waarvan zij ooit slechts de administratie waren.
Haarlem in een bewegend Europa
De Schonenvaart was geen uitsluitend Haarlems verschijnsel. Ommelandvaarders voeren al in 1251 naar Skanör; andere steden hadden vitten, privileges en eigen Schonenvaardersgroepen. Haarlem is niet de plaats waar de Noord-Europese handel begon. Haarlem is de plaats waar uitzonderlijk veel van de binnenkant van zo’n handelsgemeenschap bewaard bleef.
Daardoor weten we dat Jan Lutgensz en Dirc Beyersz een Schonense schuit deelden, dat goederen “tot Sconen opt lant” moesten worden geleverd, dat een ruzie in 1421 met achttien nobelen boete werd beteugeld en dat familiekapitaal in 1438 voor handel werd ingezet. De internationale economie krijgt daardoor namen en individuele afspraken.
We kennen huizen in Achterstraat, Zijlstraat en Grote Houtstraat en land bij Limmen, Akersloot, Uitgeest en Schoorl. We kunnen volgen hoe risicovol scheeps- en handelskapitaal veranderde in weiland, huizen, leningen en rente. Een vereniging die ooit afhankelijk was van veilige terugkeer van een schip kon uiteindelijk financieel voortbestaan dankzij stenen huizen en geschreven schuldpapieren.
We kennen vijftig tonnen bier uit 1542, Haarlems laken, Hamburgs bier, tien lasten teer, participaties op Bergen, 1.200 potten voor Noorwegen en granaatappels uit Lissabon. De naam Schonenvaarders blijkt daardoor veel smaller dan de feitelijke handelswereld waarin de leden zich bewogen.
We zien mannen financiële afspraken maken over reizen naar Jeruzalem, Rome, Loreto en de Provence. Dezelfde Haarlemmer kon Schonenvaarder, Jeruzalemvaarder en schutter zijn. Mensen leefden niet in één netwerk tegelijk. Zij bewogen door buurten, families, gilden, kerkelijke verbanden, handelsrelaties en stedelijke bestuurskringen die voortdurend in elkaar grepen.
We weten waar veel leden woonden: Bakenesse, Burgwal, Spaarne, Damstraat, Grote Houtstraat, Zijlstraat, Kruisstraat, Anegang, Achterstraat en rond het Zand. Daarmee wordt het gilde bijna een kaart van Haarlem. Haven- en ambachtsbuurten werden verbonden met rijkere gebieden rond markt en kerk.
We weten ook wie de tafels mogelijk maakten. Vier jonge vrouwen werken in 1550; Marieken en Fransien verschijnen later. Weduwen, dienstmeisjes, braadsters, wijnhandelaren, visverkopers, slagers, bakkers, knechten, trompetters en tamboers kregen betaling. Zij waren geen gewone broeders, maar zonder hun arbeid had de officiële mannenwereld niet kunnen functioneren.
We weten hoeveel warmte nodig was: veertig en zestig manden turf, honderden stukken hout en vuurtesten onder de tafels. We weten dat in 1570 een bierkelder door hoog water onbruikbaar werd en zware tonnen door Haarlem moesten worden verplaatst. Een kasboek bewaart zo omstandigheden die een politieke kroniek vrijwel nooit noteert.
We zien het Beleg van Haarlem niet alleen door soldatenogen. Pachten vallen uit, Gerrit Arentsz verdwijnt zonder rekening, mannen krijgen overlijdensnotities en het altaar wordt afgebroken. Daarna volgt wederopbouw in 10½ el laken, schoongemaakte kandelaars, een missaal, een kastje, sloten en een ijzeren gordijnroede.
We kunnen vervolgens volgen hoe een handelsgilde langzaam een herenvereniging wordt. Burgemeesters en schilders als Frans de Grebber en Pieter Soutman komen aan tafel. Daarna volgen kapiteins, Jacob van Wassenaer van Obdam, Michiel de Ruyter en Egbert Cortenaer. De naam Schonenvaarder heeft dan nauwelijks nog een letterlijke beroepsbetekenis.
De tafel verandert eveneens. Bier, haring, rundvlees en kaas maken plaats voor Franse en Rijnse wijn, tabak, kaviaar, zalm, kalkoenen, watersnippen, citrusvruchten, amandelen, olipodrigo, tweehonderd en later vijfhonderd oesters, speelkaarten, koffie en thee. Zonder dat iemand het bedoelde werden de rekeningen een geschiedenis van veranderende Haarlemse smaak en internationale consumptie.
Achter het gehele verhaal lag een veel grotere bewegende wereld. De graaf van Holland reisde met zijn hof, hoge adel trouwde over grote afstanden, geestelijken verbonden Haarlem met een internationale Kerk, betaalde krijgslieden volgden hun werkgevers en kooplieden combineerden markten. Schepen, brieven, geld, krediet, goederen en nieuws bewogen voortdurend langs verschillende routes.
In die beperkte betekenis was de middeleeuwse wereld al Europees. Niet omdat er één Europese staat, munt of wet bestond, maar omdat vorstenhuizen, adel, Kerk en handel gebieden verbonden die politiek afzonderlijk bleven. Een Haarlemmer leefde onder de graaf van Holland terwijl zijn belangen tegelijk konden afhangen van een Engelse koning, Deense vorst, Pruisische grootmeester, Lübeckse stadsraad of buitenlandse handelsgemeenschap.
De rondreizende vorst vormde één laag van dat netwerk. Zijn hof was geen ministerie in één hoofdstad maar een bewegende omgeving van familieleden, edelen, schrijvers, geestelijken en raadslieden. Politiek werkte sterk via persoonlijke toegang. Dezelfde logica zien we in de handel, waar compagnons, voogden, schippers en correspondenten de koopman op afstand vertegenwoordigden.
De adel vormde een tweede laag. Een Hollandse graaf kon familie zijn van buitenlandse vorsten en een huwelijk kon aan de overzijde van de Noordzee politieke gevolgen hebben. Oorlog, vrede, tol en bescherming werden mede door zulke dynastieke relaties beïnvloed. Daarmee bepaalden zij indirect of kooplieden hun schepen veilig konden uitsturen en financiers hun geld durfden te riskeren.
De Kerk vormde een derde laag. Een Haarlemse parochie was lokaal, Utrecht regionaal en de Latijnse Kerk internationaal. Een koopman die op Schonen aan wal ging stond onder een andere landsheer, maar kwam niet in een geheel vreemde religieuze wereld terecht. Kerkgebouwen, geestelijken, feestdagen en eden maakten aan beide kanten van de zee deel uit van een herkenbare christelijke samenleving.
De handel vormde een vierde laag. Engelse wol, Franse wijn en zout, Rijnse wijn, Duits bier, Haarlemse producten, Scandinavische haring en Oostzeese goederen hoefden niet van oorsprong tot bestemming door één koopman te worden vervoerd. Iedere partij kon onderweg opnieuw worden verkocht. Een koopman hoefde slechts enkele schakels van de keten te beheersen om deel te nemen aan handel over enorme afstanden.
Zelfs de krijgsmacht hoorde erbij. Vorsten huurden soldaten, steden leverden geld of schepen en oorlogsvloten beschermden of blokkeerden handelsroutes. Het geld waarmee een koopman lading kocht en waarmee een vorst soldaten betaalde kwam uit dezelfde economie. Handel en oorlog waren geen absolute tegenpolen: ze konden elkaar financieren, beschermen, beschadigen en na vrede opnieuw mogelijk maken.
Schonen — Waar de werelden elkaar ontmoetten
Schonen was één van de plaatsen waar al deze verbindingen tijdens het haringseizoen samenkwamen. De Deense koning bezat het hoogste gezag, buitenlandse steden uiteenlopende privileges, voogden bestuurden handelsgemeenschappen, vissers brachten haring aan wal, kooplieden voerden zout en laken aan en schippers wachtten op nieuwe vracht. Kerk, burcht, vitte, markt, landingsplaats en ankergebied lagen dicht bij elkaar.
Daar stond de Haarlemse koopman niet alleen. Achter hem konden familieleden, compagnons, mede-gildebroeders, kredietgevers en het stadsbestuur staan; daarachter lag weer de landsheer van Holland. Tegenover hem stonden Deense ambtenaren, voogden en andere buitenlandse handelsgemeenschappen. Zelfs een eenvoudige verkoop van haring vond plaats binnen meerdere lagen van persoonlijk, stedelijk, juridisch en vorstelijk gezag.
Het gildeboek van 1416 is daarom geen werkelijk beginpunt van Haarlemse buitenlandse handel. Het is het moment waarop een oudere commerciële werkelijkheid uitzonderlijk scherp zichtbaar wordt. Vanaf dat ogenblik kennen we namen, regels, scheepsaandelen, schulden en leveringsplaatsen. Achter “den gemenen ghilde van Sconen” stonden mannen die buitenlandse markten kenden, anderen namens zich lieten handelen en voortdurend nieuwe kopers en ladingen zochten.
De Schonenvaart ontstond niet omdat Haarlem plotseling een verre markt ontdekte. Zij groeide uit een wereld waarin vorsten en hoven reisden, adel door huwelijken gebieden verbond, geestelijken tussen kerkelijke centra trokken, krijgslieden werkgevers volgden en kooplieden markten combineerden. Een schip vervoerde daardoor nooit alleen handelswaar. Het droeg ook kapitaal, brieven, nieuws, rechten, krediet en kennis over prijzen en kansen.
Haarlem — De Schonenvaart begon vóór het schip vertrok
Daarom begon de Haarlemse Schonenvaart niet pas wanneer een schip het Spaarne afvoer. Zij begon in het pakhuis waar goederen werden verzameld, bij de brouwer en lakenkoopman die handelswaar leverden, bij de geldschieter die kapitaal beschikbaar stelde, bij de scheepmaker die een kogge bouwde, bij de schrijver die afspraken vastlegde en bij de stadsbode die brieven meenam.
Zij begon eveneens bij mensen die niet meevoeren. Een investeerder kon geld in een schip steken, een ambachtsman vaten of touw leveren en een familielid een nalatenschap afwikkelen wanneer een koopman niet terugkwam. De Schonenvaart was daarom veel groter dan de groep mannen die op het dek stond. Een groot deel van haar economische en bestuurlijke infrastructuur bleef gewoon in Haarlem achter.
En zij eindigde niet op het strand van Skanör. Van daaruit liepen verbindingen naar Dragør, Lübeck, Pruisen en andere Oostzeehavens en terug naar Holland, Engeland, Vlaanderen en het Rijnland. Franse wijn en zout konden via tussenhandelaren dezelfde handelswereld binnenkomen. Eén koopman kon verschillende goederen, schepen en bestemmingen combineren.
Daarmee wordt de naam Schonenvaarder begrijpelijker. Zij zegt iets wezenlijks, maar niet alles. Een Schonenvaarder kon scheepseigenaar, investeerder, bier- of lakenhandelaar, haringkoper, vertegenwoordiger en zakenpartner van iemand in Lübeck of Pruisen tegelijk zijn. Zijn economische identiteit bestond niet uit één rechte lijn Haarlem–Schonen, maar uit een netwerk van mensen, markten, schepen en verplichtingen.
Een organisatie kon vervolgens haar oorspronkelijke functie eeuwen overleven doordat iedere generatie er iets anders in vond: handel, geloof, onderlinge hulp, status, vriendschap, maaltijd of eenvoudig traditie. De oude naam bleef als draad door de tijd lopen, zelfs toen vrijwel niemand nog wist wat die naam oorspronkelijk betekende.
Het laatste beeld is daarom niet het schip op de Sont en ook niet de 1.300 gulden die in 1765 resteerden. Het is de tafel. In 1724 konden daar vijfhonderd oesters worden aangevoerd, enorme hoeveelheden wijn worden geschonken en muzikanten worden betaald. In 1763 waren voor de oude bestuursfuncties alleen Boudewijn van Rees en zijn drie minderjarige zonen over.
De rijkdom was er nog. De naam bestond nog. De boeken lagen er nog.
Maar bijna niemand wist meer waarom men ooit Schonenvaarders was gaan heten.
Op 24 december 1765 werd de vereniging opgeheven. Het geld werd afgewikkeld, de bijeenkomsten stopten en de papieren gingen naar de stad.
De tafel werd leeg, maar het verhaal bleef liggen.
Aanvulling — Wat de primaire bron nog toevoegt
ca. 1250–1400 — De reis werd door het seizoen bepaald
De Schonenvaart volgde geen willekeurig ritme. De grote haringmarkt aan de Deense kust was een seizoensmarkt, grofweg van eind juli tot begin oktober en in sommige jaren langer. Een koopman moest zijn vertrek uit Holland daarop afstemmen. Scheepsruimte, lading, krediet en bemanning moesten dus al weken of maanden eerder geregeld zijn. De reis naar Schonen begon praktisch lang voordat de eerste haring aan de kust werd aangevoerd.
In de veertiende eeuw lag het belangrijkste handelscentrum vooral bij Skanör. In de vijftiende eeuw verschoof een steeds groter deel van de bedrijvigheid naar Falsterbo. Voor Haarlemse kooplieden betekende Schonen daardoor niet één onveranderlijke haven of markt. Zelfs binnen hetzelfde handelsgebied konden aanlegplaatsen, vitten, opslag, verkoop en contacten zich in de loop van generaties verplaatsen.
Dat seizoenskarakter verklaart ook waarom zoveel verschillende beroepen tijdelijk aan dezelfde kust samenkwamen. Vissers brachten de vangst binnen, kuipers zorgden voor tonnen, handelaren voerden zout aan, schippers wachtten op vracht en wagenvoerders verzorgden het vervoer over land. De enorme markt bestond ieder jaar maar gedurende een beperkte periode en moest in korte tijd duizenden economische handelingen verwerken.
13e–15e eeuw — Ook vrouwen werkten aan de Schonense haring
De economische wereld rond de haring bestond bovendien niet alleen uit de mannelijke kooplieden die in privileges en gildeboeken het duidelijkst zichtbaar zijn. Op de vitten moest de aangevoerde vis snel worden verwerkt. Haring werd gesorteerd, gezouten en in tonnen verpakt. Bij dit werk waren ook vrouwen betrokken, evenals bij andere werkzaamheden rond voedsel, verblijf en tijdelijke handelsgemeenschappen.
Dat vormt een belangrijke aanvulling op het Haarlemse beeld. In de latere Haarlemse rekeningen zien we vrouwen als waardinnen, weduwen, leveranciers, dienstmeisjes en keukenhulpen. Aan de andere kant van de reis vinden we eveneens vrouwen rond de praktische economie van de markt. De officiële handelswereld werd dus voor een groot deel door mannen bestuurd, maar kon zonder vrouwelijke arbeid zowel in Haarlem als op Schonen nauwelijks functioneren.
De Schonenvaart was daarmee nog groter dan de groep mannen die op een schip stond. Achter iedere ton haring lagen vissers, zoutleveranciers, kuipers, dragers, wagenvoerders, verwerkers en handelaars. Wie alleen de namen van de gildebroeders volgt, ziet vooral de formele bovenlaag. De dagelijkse handelsmachine bestond uit veel meer mensen dan degenen die uiteindelijk in het Haarlemse gildeboek terechtkwamen.
1416 — Het gildeboek was zelf een kostbaar voorwerp
Het gildeboek waarin de Haarlemse Schonenvaarders hun regels en afspraken vastlegden was niet alleen een verzameling geschreven bladen. Ook als voorwerp maakte het duidelijk dat de inhoud belangrijk was. Het boek had een houten band, was beschilderd en werd beschermd met ijzerwerk. Schriftelijke afspraken over handel, schulden, bestuur en bezit werden daardoor letterlijk in een stevig en zorgvuldig bewaard object opgeborgen.
Dat past bij wat later in de rekeningen opnieuw zichtbaar wordt. Er wordt betaald voor sleutels, sloten, kisten en uiteindelijk zelfs voor herstel van de gildekist. De broederschap wist dat haar bezit niet alleen uit huizen, land, schepen en geld bestond. Ook documenten hadden waarde. Wie kon bewijzen wat ooit was afgesproken, bezat een juridisch middel om geld, eigendom en rechten over generaties heen te beschermen.
Het boek werd zo een vorm van institutioneel geheugen. Een koopman kon overlijden, een bestuurder kon worden vervangen en een schuldenaar kon Haarlem verlaten, maar een geschreven afspraak bleef bestaan. Juist daardoor kon een vereniging verschillende generaties overbruggen. De mannen veranderden voortdurend; het boek kon blijven vertellen welke verplichtingen hun voorgangers waren aangegaan.
1416–16e eeuw — Van Sint-Odulfsdag naar winterse gildetafel
In het statuut van 1416 lag het jaarlijkse gemeenschappelijke drinken rond Sint-Odulfsdag, 12 juni. Dat past bij een middeleeuwse broederschap waarin kalender, heiligendag en groepsritueel nauw met elkaar verbonden waren. Toetreding vond eveneens plaats tijdens officiële bijeenkomsten. Samen drinken bevestigde dus niet alleen vriendschap, maar ook lidmaatschap en gehoorzaamheid aan de gezamenlijke regels.
In de zestiende-eeuwse rekeningen verandert dat ritme. Grote maaltijden verschijnen steeds vaker rond Kerstmis, Nieuwjaar en de eerste dagen van januari. Bovendien duurden zij niet langer noodzakelijk één dag. In 1550 kon de bijeenkomst drie dagen duren; rond 1560 zelfs vijf dagen. De jaarlijkse gildedronk groeide uit tot een tijdelijk gezamenlijk huishouden met ontbijt, maaltijden, bier, wijn, vuur, personeel en muziek.
Daarmee veranderde geleidelijk ook de sociale betekenis van de bijeenkomst. In 1416 hoorde de maaltijd nog duidelijk bij een maritiem-religieuze gildewereld. Tegen de zestiende eeuw werd juist het langdurige samenzijn steeds belangrijker als bindmiddel. Toen georganiseerde handel op Schonen uit het boek begon te verdwijnen, bleef de tafel bestaan en werd zij uiteindelijk het sterkste ritueel van de vereniging.
Dat verklaart mede waarom het gilde eeuwen later als herenvereniging kon voortbestaan. Een specifieke handelsroute kon verdwijnen, een katholiek altaar kon zijn functie verliezen en de oorspronkelijke toelatingseisen konden vervagen. Maar mensen konden nog altijd samenkomen, eten, drinken, een nieuwe broeder opnemen en een overleden lid herdenken. Het oudste sociale ritueel bleek uiteindelijk duurzamer dan de handel waaraan het ooit was verbonden.
Rond 1543 — De Schonenvaarders ordenen hun geheugen
Rond 1543 verandert niet alleen de hoeveelheid informatie in het gildeboek. De administratie lijkt ook bewuster te worden georganiseerd. Voorin werd aangegeven waar verschillende soorten informatie konden worden teruggevonden: schulden en afspraken, wijnkopen, deelnemende gildebroeders en gegevens over landbezit kregen herkenbare plaatsen binnen het boek.
Dat is een klein detail met grote betekenis. De vereniging bezat inmiddels zoveel verschillende belangen dat eenvoudig achter elkaar noteren niet meer voldoende was. Handel, krediet, vastgoed, maaltijden en ledenadministratie moesten teruggevonden kunnen worden. Het gilde ontwikkelde daarmee een vorm van eigen informatiebeheer die veel verder ging dan de eenvoudige regels waarmee het boek in 1416 was begonnen.
De ontwikkeling weerspiegelt de verandering van de vereniging zelf. De oudste broeders gebruikten het boek vooral om afspraken rond haring, schuiten en andere goederen betrouwbaar vast te leggen. Een eeuw later moest dezelfde administratie ook huizen, land, renten, doodschulden, maaltijden, religieuze uitgaven en persoonlijke transacties bevatten. Het economische leven van het gilde was ingewikkelder geworden en het schrift groeide mee.
Juist daarom is de mogelijke ingebruikname van een nieuw of opnieuw geordend boek rond deze tijd zo interessant. Het betekende niet dat de Schonenvaarders opnieuw begonnen. Integendeel: het kan juist betekenen dat hun verleden, bezit en verplichtingen inmiddels omvangrijk genoeg waren geworden om opnieuw geordend te moeten worden.
1546 — De tafel als maat voor welvaart
De grote maaltijd van 1546 krijgt tegen deze achtergrond extra betekenis. De reconstructie van Isabel Casteels komt uit op twaalf tonnen bier, inclusief de bijbehorende accijnzen, en totale kosten van 38 gulden en 18 stuivers. Daarmee was het geen gewone maaltijd, maar een aanzienlijke collectieve uitgave.
Wanneer dat bedrag voorzichtig wordt afgezet tegen een dagloon van ongeveer drie stuivers, wordt de schaal zichtbaar. De kosten naderden wat een gewone arbeider in zeer lange tijd kon verdienen. De broeders besteedden dus op enkele dagen een bedrag dat voor veel Haarlemmers een enorm vermogen vertegenwoordigde.
Maar de rekening toont méér dan luxe. Het geld verdween niet eenvoudig. Brouwers, bakkers, slagers, visverkopers, turfleveranciers, koks, dragers en andere helpers ontvingen allemaal een deel. De gildetafel was daardoor ook een kleine stedelijke economie. Welvaart werd tijdens het feest zichtbaar gemaakt én tegelijkertijd door Haarlem verspreid.
1543–1580 — Een gemeenschap wordt hechter terwijl haar functie verandert
Juist de combinatie van deze gegevens maakt de zestiende eeuw zo interessant. De oorspronkelijke Schonenhandel verloor geleidelijk haar centrale positie. Tegelijk werd de administratie uitgebreider, werden de bijeenkomsten langer, groeide de religieuze aankleding en werd de sociale kring steeds beter zichtbaar. De vereniging werd dus niet zwakker doordat haar oorspronkelijke handelsfunctie veranderde. Op sommige punten werd zij juist hechter.
Dat blijkt ook uit de grote hoeveelheid namen. Tussen 1536 en 1572 zijn in de onderzochte lijsten in totaal 195 verschillende personen aangetroffen. Daarbinnen bestond een veel kleinere kern van mannen die steeds opnieuw bij maaltijden en bestuur terugkeerden. Het gilde combineerde dus een brede kring met een vaste binnenste groep.
De leden woonden verspreid door Haarlem, van Bakenesse en Burgwal tot Grote Houtstraat, Zijlstraat, Spaarne, Damstraat, Anegang en het Zand. Zij waren schipper, brouwer, ambachtsman, koopman, schutterskapitein of edelman. Het gilde was daarmee geen afzonderlijke kolonie van zeevaarders meer. Het werd een verbinding tussen verschillende delen van de Haarlemse samenleving.
Ook religie versterkte die gemeenschap. Het Sint-Olafsaltaar stond tussen tientallen andere altaren in de Sint-Bavo. De Schonenvaarders betaalden voor missen, kaarsen, klokgelui, gewaden, zangers, onderhoud en hun scheepsmodel. Daarmee maakten zij tussen alle andere Haarlemse gilden zichtbaar wie zij waren en waar hun gemeenschap historisch vandaan kwam.
En juist toen de daadwerkelijke vaart op Schonen steeds verder uit beeld raakte, werden zulke vormen van herinnering belangrijker. Het boek bewaarde de afspraken, het altaar de symbolen, het scheepsmodel de zeevaart en de maaltijd de gemeenschap.
De Schonenvaart werd langzaam verleden, maar de Schonenvaarders werden daardoor nog niet verleden tijd.