Beverwijk tot en met 1300
Een landschap vóór de stad
Lang voordat Beverwijk een marktstad werd, lag hier een overgangsgebied tussen Noordzee, duinen, strandwallen en het mondingslandschap van het Oer-IJ. Hogere zandgronden boden droge plaatsen voor bewoning en akkers. Oostwaarts lagen klei, veen, broeklanden, geulen en graslanden. Zoet duinwater stroomde naar lagere zones. Deze combinatie van droge en natte gronden bepaalde eeuwenlang waar mensen woonden, landbouw bedreven, vee hielden, voeren en uiteindelijk handel dreven.
Oude veldnamen bewaren iets van die landschappelijke indeling. Op hogere gronden lagen kroften of krochten, geestgronden en akkers; verder weg lagen weren, kampen, maden en natte hooilanden. Het morgenboek van 1539 en een register van Cornelis Groenland rond 1735 laten zien dat kroften vooral als teelland of bouwland werden gebruikt. Deze veel latere bronnen bewaren daardoor kenmerken van een agrarische zonering die al eeuwenlang rond Beverwijk bestond.
Aan het strand van Wijk aan Zee werd in 1999 een bewerkte geweibasis gevonden van ongeveer 11,5 bij 6,6 centimeter, met een boorgat van circa 2,8 centimeter. Het voorwerp wordt als bijl of hakwerktuig geïnterpreteerd en kan uit het Mesolithicum of Neolithicum dateren. Zee en strandwerking hadden het echter uit zijn oorspronkelijke omgeving verplaatst. Daardoor weten we niet waar het precies werd gebruikt of met welke bewoning het oorspronkelijk samenhing.
Broekpolder: duizenden jaren bewoning en landbouw
De Broekpolder bewaart een uitzonderlijk lange landschapsreeks. Uit de Vroege Bronstijd dateren een omgreppeld terrein en ploegsporen van ongeveer 1880 tot 1600 voor Christus. Rond 1000 voor Christus ontwikkelde zich een hogere oeverwal van het Oer-IJ. Daarop werden opnieuw akkers aangelegd. Ploegsporen dateren uit ongeveer 750–550 voor Christus, terwijl kuilen uit circa 450–370 voor Christus laten zien dat mensen dezelfde hogere rug steeds opnieuw gebruikten.
Vanaf de Midden-IJzertijd, ongeveer 550–250 voor Christus, werd de Broekpolder intensiever benut. Na fasen van mariene invloed en tijdelijke verlatenheid volgde in de Late IJzertijd hernieuwde bewoning. Langs een ongeveer 750 meter lange rug, tachtig tot honderdvijftig meter breed, lagen erven die tot in de derde eeuw na Christus gebruikt werden. Noordelijk stonden de huizen dichter bijeen, terwijl de boerderijen in het zuidelijke gedeelte meer verspreid lagen.
Tussen 1998 en 2000 werden tussen de erven drie kuilen en een vertrappingslaag met crematieresten aangetroffen. Eén graf bevatte resten van een volwassene en een ongeboren kind. Houtskool uit een graf van een jongvolwassene werd met koolstofdatering geplaatst tussen 1 en 220 na Christus. De Broekpolder was daardoor niet alleen een plaats om te wonen, akkers te bewerken en vee te houden, maar ook een landschap waarin doden werden begraven.
Prehistorische akkers onder het latere Beverwijk
Ook dichter bij de latere stad zijn oude landbouwsporen gevonden. Aan de Duitslandlaan lag een droge akkerzone, omgeven door veen, die in de Vroege IJzertijd en opnieuw in de Late IJzertijd of vroeg-Romeinse tijd werd gebruikt. Waarnemingen uit 1978 bij Gerrit van Assendelftstraat, Hoogdorperweg en Luxemburglaan brachten oude akkergrond en eergetouwsporen aan het licht. Samen wijzen deze vondsten op een veel groter prehistorisch landbouwlandschap rond Beverwijk.
Aan de Kerkstraat werd diep onder het huidige maaiveld een grijze zandlaag met spit- of ploegsporen gevonden, samen met kleine aardewerkscherven. Op een achtererf kwam geometrisch versierd aardewerk uit de Late IJzertijd tevoorschijn. Bij de Grote Kerk verscheen in 1977, ongeveer drie meter onder het maaiveld, een humeuze oude bodem met materiaal dat mogelijk uit de Late IJzertijd of Romeinse tijd dateert. Een nederzettingskern is daarmee echter niet bewezen.
In de Polder Buitenlanden langs de Sint-Aagtendijk lag een woonlaag met aardewerk uit de Late IJzertijd en Romeinse tijd, paalsporen en hout. Bij een fietstunnel onder de latere Rijksweg 22 kwamen inheems en geïmporteerd Romeins aardewerk tevoorschijn, mogelijk al uit de eerste eeuw. Tussen Alkmaarseweg en Grote Houtweg werd eveneens inheems-Romeins aardewerk gevonden. Ook Peperstraat 11–13 leverde mogelijk Romeins materiaal, al blijft die interpretatie onzeker.
Bij Assumburg en Oud-Haerlem werd bovendien een vrijwel compleet schapenskelet gevonden. Op basis van de diepteligging is geopperd dat het mogelijk uit de IJzertijd stamde, maar de datering is onzeker. De vondst laat zien hoe moeilijk losse resten zonder gesloten archeologische context zijn te plaatsen. Zij vormt daarom geen hard bewijs voor een specifieke nederzetting, maar hoort wel bij het bredere beeld van langdurig agrarisch gebruik van het landschap.
Bij Deutzstraat en J. Poststraat kwamen zowel inheems-Romeinse vondsten als later Pingsdorf-, Paffrath- en kogelpotaardewerk aan het licht. In de Adrichemmerduinen zijn bewoningslagen gevonden uit ongeveer 500 voor Christus, uit de Romeinse tijd, rond 800 en opnieuw tussen 1000 en 1250. Er werden huisplattegronden, waterputten, aardewerk en een versierde kam gevonden. Dit bewijst geen ononderbroken bewoning, maar wel herhaald gebruik van dezelfde gunstige zones.
De overgang naar de vroege middeleeuwen
Ook Beyerlust leverde materiaal uit verschillende perioden. Naast vondsten uit Bronstijd en IJzertijd kwamen er Merovingische en Karolingische resten voor. Het oude strandwallandschap raakte na de Romeinse tijd dus niet eenvoudig leeg. Bewoning kon verdwijnen, zich verplaatsen en later terugkeren. De middeleeuwse kernen ontstonden in een landschap waarin eerdere generaties al akkers, erven, routes, waterbronnen en hogere woonplaatsen hadden gebruikt.
Assum, ook geschreven als Axum, lag op een oude strandwal bij Heemskerk. Archeologisch onderzoek bracht er aardewerk uit de zesde tot negende eeuw aan het licht, waaronder Merovingisch en Karolingisch materiaal en Badorf-aardewerk. Een tienzijdige ivoren dobbelsteen werd vroeger als Romeins beschouwd, maar die datering is later betwijfeld. Bij Assumburg sneed een oude gracht mogelijk door een Karolingische waterput. Ook daarbij blijft de precieze datering onzeker.
Ongeveer een halve kilometer ten noorden van de huidige Grote Kerk, bij Galgenweg en Grote Houtweg, werd in 2008 duidelijke vroegmiddeleeuwse bewoning aangetroffen. Archeologen zochten daar tevens naar resten van de latere stedelijke galg, maar vonden geen overtuigende galgconstructie, galgput of concentratie menselijke botten. De oudere resten bleken veel belangrijker: zij toonden dat hier eeuwen vóór de stedelijke ontwikkeling al mensen woonden.
De proefsleuven brachten paalgaten, greppels en twee waterputten uit de achtste tot het begin van de tiende eeuw aan het licht. Er werden grofgemagerde kogelpot, Mayen-aardewerk, tefriet van een maalsteen, huttenleem, dierlijk bot en hout gevonden. De onderzoekers interpreteerden het terrein als waarschijnlijk een Karolingische nederzetting. De goede conservering maakte de vindplaats bijzonder waardevol voor onze kennis van het dagelijks leven in vroegmiddeleeuws Beverwijk.
Een waterput betekende dagelijks water halen. Tefriet wijst op het malen van graan, huttenleem op houten gebouwen waarvan de wanden grotendeels verdwenen zijn, en dierlijk bot op voedselbereiding en veeteelt. Juist zulke resten geven vorm aan het leven achter de vroegmiddeleeuwse plaatsnamen. Schriftelijke bronnen bewaren vooral bezitters, geestelijken en machthebbers; de archeologie maakt daarnaast de naamloze bewoners zichtbaar die het land daadwerkelijk bewerkten.
Ook aan de kust bij Wijk aan Zee en op de Heemskerkse geest zijn vroegmiddeleeuwse bewoningssporen gevonden. Het gebied rond het latere Beverwijk was dus geen leegte waarin plotseling een stad verscheen. Er lagen afzonderlijke nederzettingen, erven, akkers, kerkelijke plaatsen, waterwegen en routes. De latere stad groeide tussen en over deze oudere landschappen heen en nam delen van hun functies, eigendomsstructuren en verbindingen over.
Beverhem
In de vroege middeleeuwen lag Kennemerland binnen de bredere wereld van Frisia, Frankische heerschappij, kerkelijke instellingen en perioden van Deense macht. Namen als Rorik en later Godfried horen bij die regionale geschiedenis. Niet iedere politieke gebeurtenis kan rechtstreeks aan Beverwijk worden gekoppeld, maar deze machtsverhoudingen vormen wel de achtergrond waartegen de eerste schriftelijke gegevens over Beverhem en de rechten van kerkelijke instellingen moeten worden gelezen.
In een goederenlijst van de Utrechtse Sint-Maartenskerk verschijnt de nederzettingsnaam als Beuerhem of Beuorhem. Jean Roefstra volgt een oudere traditie waarin het betreffende fragment rond of vóór 860 wordt geplaatst. De goederenlijst is echter via latere overlevering bekend en kan oudere gegevens bevatten. Daarom is voorzichtigheid nodig met een exact jaartal. Zeker is vooral dat Beverhem behoort tot de oudste schriftelijk zichtbare nederzettingen in de omgeving van het latere Beverwijk.
Het element -hem duidt op een woonplaats of nederzetting. Beverhem was waarschijnlijk geen dicht aaneengebouwd dorp zoals de latere marktstad. We moeten eerder denken aan verspreide erven, akkers, graslanden, paden en waterlopen op en langs de strandwal. Binnen dat landschap bevond zich echter een kerk die met één concrete bezitster verbonden was. Haar naam was Gutha. Daarmee wordt niet alleen een nederzetting zichtbaar, maar ook een vroeg netwerk van bezit en religieuze macht.
Gutha en haar kerk
Gutha bezat in Beverhem een kerk die nog niet was geconsacreerd. Dat wijst op een eigenkerk: een kerk die behoorde tot het bezit van een persoon of familie. Zij droeg deze kerk over aan de rechtsmacht en het beheer van Sint-Maarten te Utrecht. Na de consecratie moesten tienden worden afgedragen uit Beverhem en uit de genoemde nederzettingen Gisleshem, Hegginghem en Schupildhem, de vroegmiddeleeuwse voorganger van Heemskerk.
Een tiend was geen abstract kerkelijk begrip. Boeren produceerden graan, vee en andere landbouwopbrengsten, waarna een vastgesteld deel aan de kerk toeviel. De kerk van Beverhem was dus verbonden met productie in verschillende nederzettingen. De schenking van Gutha toont dat het landschap al juridisch en economisch georganiseerd was. Grond, kerkrechten, inkomsten en mensen konden onder verschillende bezitters en instellingen vallen en van de ene rechtsmacht naar de andere worden overgedragen.
Over Gutha zelf weten we vrijwel niets. Haar leeftijd, familie en verdere levensloop zijn onbekend. Dat zij over een eigen kerk kon beschikken en deze rechtsgeldig kon overdragen, wijst echter op een aanzienlijke maatschappelijke positie. Een eigenkerk vertegenwoordigde niet alleen geloof, maar ook grond, inkomsten en rechten. De oudste bij naam zichtbare lokale machtsdrager in de geschiedenis van Beverwijk is daarmee opmerkelijk genoeg een vrouw.
Tetta, Abbo, Betto, Frithesuind en Erinburg
De Utrechtse goederenlijst noemt ook afhankelijke mensen die juridisch aan Sint-Maarten bij Velsen toebehoorden. Genoemd worden Tetta, diens zoon Abbo en drie dochters, Betto met zijn zuster, en Frithesuind met diens zuster Erinburg en hun kinderen. Hun persoonlijke levens zijn verder onbekend, maar hun namen zijn uitzonderlijk vroeg overgeleverd. De tekst maakt tegelijk duidelijk dat kerkelijk bezit in de vroege middeleeuwen niet alleen grond en tienden omvatte, maar ook afhankelijke mensen.
Hun vermelding brengt een sociale werkelijkheid naar voren die gemakkelijk achter kerken, graven en kastelen verdwijnt. De landbouw waarop de tienden en domeinen rustten, werd uitgevoerd door gezinnen met verschillende juridische statussen. Sommige mensen waren vrij, andere waren horig of anderszins afhankelijk. Beverhem was daardoor niet alleen een geografische plaats, maar een samenleving waarin grondbezit, arbeid, familieverbanden en kerkelijke rechten nauw met elkaar verbonden waren.
Noordzeecontacten
Op het strand van Heemskerk zijn vroegmiddeleeuwse munten gevonden uit Engeland, Friesland, Denemarken en Noorwegen. Tot de vondsten behoren St.-Eadmund memorial-pennies uit circa 890–910, munten van Edward the Confessor, Sven Estridsen, Wigman III en Bruno III en verschillende penningen van Olaf Kyrre, koning van Noorwegen van 1067 tot 1093. In 1989 werden drie sterk aangetaste zilveren munten gevonden; in 2000 volgde een samengekoekt groepje van drie.
Twee Noorse penningen van Olaf Kyrre waren met hetzelfde stempelpaar geslagen. Dat ondersteunt de mogelijkheid dat zij oorspronkelijk tot één muntgroep behoorden. De vondsten bewijzen echter geen Vikingnederzetting aan de Kennemerlandse kust. Zee, erosie en strandwerking hebben de oorspronkelijke context verstoord. Hun betekenis ligt vooral in het aantonen van verre geld- en contactnetwerken langs de Noordzee, waarvan ook de kust van Midden-Kennemerland deel uitmaakte.
Ontginning in de tiende en elfde eeuw
Bij Beneluxlaan en Rubiconstraat lag een nederzettingszone uit de tiende en elfde eeuw met greppels, paalsporen, kogelpot- en Pingsdorfaardewerk. Uit een sloot kwamen een benen glis, een houten nap of kom en een houten mesheft. Ook werd een hergebruikte scheepsplank van ongeveer honderd bij tweeëntwintig centimeter gevonden, met gaten en houten pennen. De vondsten tonen hoe bewoning en ontginning zich naar lager en natter terrein uitbreidden.
Bij het latere Europaplein zijn sloten gevonden die mogelijk samenhangen met ontginningen uit de tiende en elfde eeuw. Het gebied werd ontwaterd, verdeeld en voor landbouw geschikt gemaakt. Zulke ontginningen hadden echter een keerzijde: ontwaterde veen- en kleigrond klonk langzaam in, waardoor het maaiveld daalde en het land kwetsbaarder werd voor water. De latere aanleg van dijken moet tegen deze eeuwenlange verandering van het landschap worden begrepen.
De oude haven van Sint-Agathenkerk
Bij de oude nederzetting hoorde volgens Roefstra een aanlegplaats of haventje voor schepen. De precieze ouderdom en inrichting zijn niet bekend, maar bij opgravingen in de omgeving is op verschillende plaatsen hergebruikt scheepshout gevonden. Aan Meerstraat 70 rustte een waterput zelfs op hergebruikte scheepsbalken. Dat bewijst nog geen grote handels- of oorlogshaven, maar toont wel dat schepen en scheepshout concreet aanwezig waren in het leven van de nederzetting.
Bij het Europaplein werd bovendien scheepshout gevonden dat mogelijk uit de tiende of elfde eeuw dateert. Samen met de ontginningssloten wijst dit op een landschap waarin landbouw en waterverkeer naast elkaar functioneerden. De bewoners leefden niet alleen op de droge strandwal; zij waren eveneens op de lagere waterwereld georiënteerd. Die combinatie zou eeuwen later een belangrijke voorwaarde worden voor de ontwikkeling van Wijk als overslag- en handelsplaats.
Van Beverhem naar Agathenkiricha
In 1063 verschijnt de kerkelijke kern in een bron als Agathenkiricha, de kerk van Sint-Agatha. Later komen vormen voor als Sint-Agathenkerk, Sint-Aagtenkerke en Sint-Aghetendorp. De oudere naam Beverhem hoeft daardoor niet onmiddellijk te zijn verdwenen, maar Sint-Agatha werd kennelijk zo belangrijk dat kerk en heilige de omgeving konden benoemen. De naam bleef eeuwenlang aanwezig en leeft nog voort in de Sint-Aagtendijk ten oosten van de stad.
Volgens een latere lokale middeleeuwse overlevering werd de verering van Sint-Agatha verbonden met een maagd uit Velsen die voor Rorik vluchtte en aan wie de heilige zou zijn verschenen. Dit is geen controleerbare negende-eeuwse gebeurtenis en moet daarom als legende worden behandeld. De overlevering laat wel zien hoe sterk Agatha later met de streek werd verbonden en hoe de religieuze betekenis van de kerk in het collectieve geheugen werd verklaard.
De kerk lag ongeveer op de plaats van de huidige Grote Kerk en Wijkertoren. Daarmee ontstond een ruimtelijk anker dat eeuwenlang standhield. Andere functies zouden later verschuiven: handel naar het Wijkermeer, markt naar de Breestraat en adellijke macht naar verschillende kastelen. De kerkelijke locatie bleef echter herkenbaar. Beverwijk ontwikkelde zich daardoor niet vanuit één onveranderlijk centrum, maar vanuit verschillende centra die elkaar opvolgden en gedeeltelijk naast elkaar bleven bestaan.
De oudste kerkgebouwen
Voor de oudste kerk wordt een houten bouwfase waarschijnlijk geacht, zoals in deze streek in de vroege middeleeuwen gebruikelijk was. Wanneer zo'n houten kerk precies door een tufstenen gebouw werd vervangen, is onbekend. Vanaf de elfde eeuw werden in Noord-Nederland veel houten kerken door tufsteen vervangen. Bij beperkte opgravingen rond de Grote Kerk zijn inderdaad tufstenen funderingen aangetroffen, al is niet zeker of zij tot de allereerste stenen kerk behoorden.
Onderzoek bevestigde dat delen van de fundering van het middenschip grotendeels uit tufsteen bestaan. Daarbij zijn blokken gemeten van ongeveer 34 centimeter lang en 8–9 centimeter dik. Later werd tufsteen gecombineerd met middeleeuwse baksteen. Bakstenen van ongeveer 27,5 bij 14,5 bij 7,5 centimeter zijn tussen circa 1255 en 1290 gedateerd. Dat kan betekenen dat een oudere tufstenen kerk in de tweede helft van de dertiende eeuw werd uitgebreid of gedeeltelijk herbouwd.
Hoe groot de vroegmiddeleeuwse en romaanse kerk precies was, weten we niet. Een veelhoekige oude koorsluiting kon bij later onderzoek niet overtuigend worden aangetoond. Juist daardoor moet de kerkgeschiedenis stap voor stap uit funderingen, materiaal en latere kaarten worden gereconstrueerd. Zeker is vooral de continuïteit van de plaats: hout, tufsteen en later baksteen volgden elkaar op terwijl dezelfde kerkelijke kern in gebruik bleef.
Een Karolingische schijffibula
Nabij de kerk werd een bijzondere Karolingische schijffibula gevonden. Publicaties beschrijven het kleine bronzen sieraad enigszins verschillend. Roefstra noemt een zogenaamde heiligenfibel met een voorstelling van Christus of een mythologische figuur; andere beschrijvingen spreken van een schijffibula met kruisvormige versiering en rood email. De precieze interpretatie verschilt dus, maar de vondst zelf vormt een tastbaar vroegmiddeleeuws object uit de directe omgeving van de oude kerkelijke nederzetting.
Op de geest Hoflant werd eveneens Karolingisch aardewerk aangetroffen. Een duidelijke cultuurlaag uit die tijd werd daar niet gevonden. Roefstra hield daarom zelfs rekening met de mogelijkheid dat nog onontdekte vroegmiddeleeuwse bewoning of een grafveld dichter bij of onder de huidige kerk aanwezig kan zijn. Dat blijft een hypothese, maar het illustreert hoeveel van de oudste kern door latere bebouwing, sloop en nieuwbouw moeilijk onderzoekbaar is geworden.
Hoflant
Naast de kerkelijke kern lag Hoflant, een grafelijke curtis of hof. Een curtis was geen gewone boerderij, maar een georganiseerd goederencomplex. Een deel, het vroonland, werd rechtstreeks voor de heer geëxploiteerd; andere gronden waren aan horigen of afhankelijke boeren toegewezen. Vanuit het domeinhof gaf de heer of zijn meier leiding aan landbouw, verplichtingen en mogelijk rechtspraak. Zo vormde Hoflant een economisch, bestuurlijk en sociaal centrum.
De bewoners die aan de hof verbonden waren, konden hand-, span- en wagendiensten verschuldigd zijn. Zij werkten op vroon- of hoflanden, leverden producten en waren mogelijk verplicht hun koren op een banmolen te laten malen. Bij een domeinhof konden een zaal voor de heer of meier, voorraadschuren, stallen en werkplaatsen staan. Niet duidelijk is of zulke hoven in deze vroege periode altijd versterkt waren. Hun macht berustte vooral op grond en mensen.
Het bezit van Hoflant lijkt zich over een aanzienlijk deel van de strandwal tussen Beverwijk en Heemskerk te hebben uitgestrekt. Moderne gemeentegrenzen geven daarvoor een te strak beeld. Op een luchtfoto uit 1939 waren nog lange percelen op de geest Hoflant zichtbaar. Roefstra verbindt die met de domeinakkers van de curtis. De mogelijke ontginningssloten bij het Europaplein passen eveneens bij een vroeg georganiseerd agrarisch landschap.
Villa Adrichem als mogelijke voorganger
Roefstra heeft voorzichtig voorgesteld dat Hoflant mogelijk oudere wortels bezat in de vroegmiddeleeuwse villa Adrichem bij Velsen. Deze villa wordt tussen 719 en 723 in een oorkonde genoemd en was oorspronkelijk koningsgoed. In de tiende en elfde eeuw vielen grote villae elders vaker uiteen door verkoop, erfenis en schenking. Een rechtstreekse continuïteit van de achtste-eeuwse villa Adrichem naar de latere curtis Hoflant is echter niet bewezen.
De gedachte blijft interessant omdat Hoflant niet uit een leeg landschap verscheen. Kerkelijke goederen, koningsgoed, vroege ontginningen en nederzettingen bestonden al. Toch moet een hypothese een hypothese blijven. Zonder aanvullende archeologische of schriftelijke gegevens kunnen we niet zeggen dat het bezit van Hoflant eenvoudig hetzelfde domein was als de vroegmiddeleeuwse villa Adrichem. Wel past het in een langere ontwikkeling van grootgrondbezit in Midden-Kennemerland.
1128 — een eigen schout
In 1128 beschikte Sint-Agathenkerk volgens het door Roefstra gebruikte bronnenmateriaal over een eigen schout. Zijn naam kennen we niet. Een schout vertegenwoordigde gezag bij bestuur, rechtspraak en de handhaving van verplichtingen. Roefstra opperde dat hij mogelijk op het domeinhof gevestigd was, maar daarvoor bestaat geen rechtstreeks bewijs. De vermelding is belangrijk omdat zij laat zien dat Sint-Agathenkerk in de vroege twaalfde eeuw ook bestuurlijk georganiseerd was.
Kerk, domeinhof en schout vormden daarmee verschillende lagen van gezag in dezelfde nederzetting. De kerk vertegenwoordigde religieuze rechten en bezit; het hof organiseerde landbouw en grondmacht; de schout vertegenwoordigde lokaal bestuur en recht. De latere stad Beverwijk bestond nog niet, maar elementen die later in stedelijke instellingen zouden terugkeren — grondbezit, rechtspraak, economische verplichtingen en lokale gezagsdragers — waren in andere vormen al aanwezig.
Dirk VI, Sophia en Gerbernus
Omstreeks 1148 kochten graaf Dirk VI van Holland en zijn vrouw gravin Sophia grond in Sint-Agathenkerk van de vrouw van Gerbernus. Volgens de door Roefstra aangehaalde Latijnse bron had deze grond een jaarlijkse opbrengst van drie pond en vier ons. Daarmee verschijnen naast kerkelijke instellingen ook de Hollandse graaf en particuliere bezitters concreet in de twaalfde-eeuwse geschiedenis van de nederzetting.
Over Gerbernus zelf weten we vrijwel niets. Jean Roefstra vroeg voorzichtig of hij een rechtsvoorganger of voorouder van het latere geslacht Banjaert kan zijn geweest. Daarvoor bestaat geen sluitend bewijs. De naam is vooral van belang omdat de transactie laat zien dat niet alle grond rond Sint-Agathenkerk rechtstreeks grafelijk of kerkelijk bezit was. Lokale families konden er eveneens grondrechten en inkomsten bezitten die verhandelbaar waren.
In 1156 blijkt uit een oorkonde dat de graven van Holland aanspraken op de kerk van Sint-Agatha hadden. Volgens Roefstra hadden zij deze feitelijk mogelijk al in de elfde eeuw in bezit genomen. De situatie was daarmee ingewikkelder geworden dan in de tijd van Gutha. Kerkelijke instellingen, grafelijke macht en lokale bezitters konden verschillende rechten rond dezelfde kerk, grond en tienden uitoefenen.
De Sint-Aagtendijk
Aan het einde van de twaalfde eeuw werd volgens Roefstra de Sint-Aagtendijk om de lagere gronden van de curtis aangelegd. Door eeuwenlange ontwatering was de bodem ingeklonken en daardoor kwetsbaarder geworden voor hoogwater vanuit het Wijkermeergebied. De dijk beschermde landbouwgrond en bewoning, maar maakte tegelijk duidelijk hoe sterk menselijk ingrijpen het landschap had veranderd. Ontginning leverde bruikbaar land op en veroorzaakte tegelijk nieuwe waterproblemen.
De Sint-Aagtendijk werd een blijvende landschappelijke grens. Aan de westzijde lagen hogere strandwal- en geestgronden; oostwaarts lagen lagere klei- en veengebieden. Juist op of nabij deze lagere gronden zouden later verschillende kastelen ontstaan. Het water dat voor boeren een bedreiging vormde, kon voor een versterkt huis juist nuttig zijn: grachten waren gemakkelijker te vullen en drassig terrein bemoeilijkte een aanval.
Banjaert en het oudste domeinhof
Volgens Roefstra lag het oudste domeinhof van Hoflant op het begin van de geestgrond, vlak bij de kerk van Sint-Agathenkerk. De beheerder rond 1200 was Albert II Banjaert, een machtige vrije edelman. Zijn voorouders of voorgangers zouden het versterkte huis bij het dorp hebben bezeten. De precieze bouwvorm kennen we niet. Schriftelijke gegevens, latere kaarten en archeologische vondsten wijzen op een machtsplaats, maar leveren geen volledig bewezen plattegrond.
Roefstra heeft geopperd dat Banjaert mogelijk een motteburcht was. Een detail in het latere stratenplan rond de oude kerk zou volgens hem op een wafelvormige voorburcht kunnen wijzen. Hij wees op vergelijkbare combinaties van oude kerk en versterkte woonplaats in onder meer Schagen, Haarlem, Spaarnwoude, Alkmaar, Wassenaar en Leiden. In Noord-Holland was echter geen gelijkwaardige motteburcht archeologisch overtuigend aangetoond. De reconstructie blijft daarom voorzichtig.
Ook een mogelijke ringwalburg rond de oudste Beverwijkse kern is in onderzoek ter sprake gekomen. Een overtuigend bewezen vroegmiddeleeuwse ringwalburg ontbreekt echter. Het gebied kende zeker een oude kerk, grootgrondbezit, een domeinhof en waarschijnlijk een versterkte adellijke woonplaats, maar die elementen mogen niet zonder archeologisch bewijs tot één groot verdedigingswerk worden samengevoegd. Juist bij deze vroege periode is het onderscheid tussen feit, reconstructie en mogelijkheid essentieel.
1203–1206 — de Loonse Oorlog
Tijdens de Loonse Oorlog van 1203–1206 raakte Midden-Kennemerland betrokken bij de Hollandse opvolgingsstrijd. Volgens Roefstra werd het oude domeinhof bij Sint-Agathenkerk in 1204 verwoest. Albert II Banjaert speelde een leidende rol onder de Kennemers. In hetzelfde jaar zouden Kennemers onder zijn leiding per schip vanuit Sint-Agathenkerk zijn vertrokken voor aanvallen elders in Holland. Daarmee verschijnt de oude aanlegplaats plotseling in een militaire context.
De gebeurtenis toont dat Sint-Agathenkerk omstreeks 1200 veel meer was dan een klein kerkdorp zonder regionale betekenis. Er waren een hof, een adellijke machtsdrager, landbouwgronden, een kerk, bewoners en toegang tot het water. De Loonse Oorlog verbond dit plaatselijke landschap rechtstreeks met de machtsstrijd in het graafschap Holland. Tegelijk kan de verwoesting verklaren waarom het centrale hof daarna naar een andere locatie werd verplaatst.
1223 — einde van de Banjaertfase
Albert II Banjaert stierf volgens Roefstra in 1223. Daarna zou de curtis Hoflant weer rechtstreeks in handen van de graven van Holland zijn gekomen. Het oude hof bij de kerk was toen vermoedelijk al verwoest. Een jonger domeinhof lijkt noordelijker te hebben gelegen, nabij het latere station van Heemskerk. Daarmee verschoof mogelijk het bestuurlijke centrum van hogere geestgrond naar lager en beter verdedigbaar terrein.
Voor een versterkt huis kon zo'n lage locatie aantrekkelijk zijn. Grachten konden gemakkelijker met water worden gevuld, sloten stuurden de toegang en drassig land vormde een natuurlijke hindernis. Rond 1200 veranderde dus niet alleen wie macht bezat, maar ook hoe macht zich ruimtelijk uitdrukte. Het agrarische hof op hogere grond maakte plaats voor een sterker op verdediging gerichte ligging tussen klei, sloten en water.
Het mogelijke tweede domeinhof
Op een luchtfoto uit mei 1964 ontdekte Roefstra later een opvallend trapeziumvormig bodemreliëf nabij het station van Heemskerk. De buitenste vorm mat naar schatting ongeveer 87 bij 56 bij 75 meter. Daarbinnen lag een kleinere trapeziumvorm van circa 37 bij 28 bij 25 meter, met in het midden een rechthoekige kern van ongeveer 25 bij 12 meter. Hij interpreteerde deze vormen voorzichtig als mogelijke gracht, omheining en bebouwing.
Tijdens woningbouw tussen 1969 en 1975 waren op en rond dit terrein al Romeinse en middeleeuwse vondsten gedaan. Het middeleeuwse aardewerk bestond uit proto-steengoed, kogelpot, Pingsdorf en Andenne. Volgens Roefstra vormde proto-steengoed ongeveer tachtig procent van het aangetroffen aardewerk. De bewoning lijkt vanaf het einde van de twaalfde tot ongeveer het midden van de dertiende eeuw te hebben geduurd. Later aardewerk ontbreekt vrijwel geheel.
Die datering past opvallend goed bij de gebeurtenissen rond Hoflant. Het oudere hof bij de kerk zou in 1204 zijn verwoest, terwijl de curtis in 1248 werd verkocht. Roefstra zag daarom in het bodemreliëf de mogelijke opvolger van het oudste domeinhof. Volledig archeologisch onderzoek was door latere bebouwing niet meer mogelijk. Het verband tussen bodemvorm, vondsten en Hoflant is daardoor sterk suggestief, maar niet onomstotelijk bewezen.
1248 — verkoop van Hoflant
Op 16 oktober 1248 verkochten Willem II, gekozen Roomskoning en graaf van Holland, en zijn broer Floris de hof Hoflant aan de ridders Simon van Haarlem en Wouter van Egmond. De koopsom bedroeg 760 pond Hollands. In de oorkonde staat dat de hof met alle inkomsten en toebehoren door de beide ridders, hun erfgenamen en opvolgers erfelijk, vrij en ongestoord mocht worden bezeten.
De omvang van het direct bij de curtis behorende grondbezit is op ongeveer veertig hectare geschat. Hoflant kan in ruimere zin echter meer verspreide goederen en rechten hebben omvat. De verkoop betekende daarom niet simpelweg dat één boerderij van eigenaar wisselde. Een oud grafelijk goederencomplex werd verdeeld over adellijke bezitters, terwijl afzonderlijke percelen, lenen en rechten later opnieuw konden worden uitgegeven, verkocht of vererfd.
Vanaf de dertiende eeuw raakte ook het hofstelsel zelf geleidelijk in onbruik. Horigheid verdween niet in één keer, maar verplichtingen konden worden afgekocht en betalingen in natura werden vaker vervangen door geld en pacht. Steden met eigen rechten trokken mensen aan. De uiteenvalling van Hoflant past daardoor in een bredere maatschappelijke verandering waarin grond, arbeid en macht minder via één groot domeinhof werden georganiseerd.
Een landschap vol nieuwe machtsplaatsen
Na de verkoop van Hoflant ontstonden of ontwikkelden zich in Beverwijk en Heemskerk verschillende versterkte huizen en kastelen. Roefstra noemt onder meer Banjaert, Adrichem, Ter Wijc, Meerestein, Haarlem of Oud-Haerlem, Assumburg, Rietwijk, Poelenburg, het Hoge Werfje, het Huis te Heemskerk en De Vlotter. Niet al deze kastelen zijn dertiende-eeuws. De reeks laat vooral zien hoe het oude domeinlandschap later in afzonderlijke adellijke machtsplaatsen uiteenviel.
Roefstra's reconstructiekaart van de omgeving omstreeks 1250 brengt de ruimtelijke samenhang sterk in beeld. Hij tekent Sint-Agathakerk en haar dorp, de geest Hoflant, Sint-Aagtendijk, Broeksloot, Oude Dijk en de aanlegplaats. Daarnaast staan Banjaert, Adrichem, Ter Wijc, Oud-Haerlem, de voorganger van Assumburg, Meerestein en het Huis te Heemskerk. Het is een historische reconstructie, geen kaart die werkelijk in 1250 werd vervaardigd.
Op diezelfde reconstructie staan ook de Veersloot en het veer van Assum, het Oude Hof bij Heemskerk en de Scepelenberg of het Huldstoneel, dat Roefstra als een mogelijke oude plaats van rechtspraak aanduidt. Zulke elementen maken duidelijk dat het middeleeuwse landschap niet alleen uit woningen en akkers bestond. Wegen, veren, grenzen, hoven, kerken, juridische plaatsen en waterverbindingen vormden samen een netwerk waarin macht en dagelijks verkeer waren georganiseerd.
Simon van Haarlem en Oud-Haerlem
Simon van Haarlem verliet in 1249 zijn huis in de stad Haarlem en bestemde dit voor de karmelieten. Roefstra verbindt zijn vertrek met de stadsrechten die Haarlem in 1245 had ontvangen en waardoor de oude heren verschillende rechten verloren. Simon vestigde zijn geslacht vervolgens op zijn nieuwe bezit bij Heemskerk. Daar verrees het huis Haarlem, later Oud-Haerlem genoemd, niet ver van het voormalige domeinhof.
Archeologisch onderzoek door Renaud in 1960 wees erop dat Oud-Haerlem omstreeks 1250 werd gebouwd. Modern onderzoek laat een aanzienlijk complex zien met hoofdburcht, voorburcht en voorhof. De hoofdburcht mat ongeveer 45 bij 45 meter. Grachten, toegangen en vermoedelijke brugverbindingen maakten het complex tot een opvallende nieuwe machtsplaats in het landschap dat enkele jaren eerder nog tot de grafelijke curtis Hoflant had behoord.
Het water rond Oud-Haerlem lijkt zorgvuldig te zijn georganiseerd. Waarschijnlijk stroomde water vanuit de duinen aan de noordwestzijde naar de grachten en verliet het terrein aan de zuidoostzijde. Onderzoekers hebben zelfs rekening gehouden met een mogelijke watermolen, hoewel die niet bewezen is. Het kasteel was daarmee geen los stenen gebouw, maar onderdeel van een ingericht landschap waarin water tegelijk voor verdediging, afvoer en mogelijk economische activiteiten werd gebruikt.
Wouter van Egmond en Ter Wijc
Ook Wouter van Egmond liet kort na 1248 een eigen versterkt huis bouwen: Ter Wijc, later Oosterwijk en Foreest genoemd. De oudste fase bestond waarschijnlijk uit een omgrachte woontoren met voorburcht. Archeologisch en historisch onderzoek plaatst de bouw kort na de opheffing van Hoflant. Daarmee vormen Oud-Haerlem en Ter Wijc twee opvallende voorbeelden van nieuwe adellijke woonplaatsen die vrijwel direct na de verkoop van de curtis verschenen.
Op de voorburcht van Ter Wijc werd een dertiende-eeuwse bakstenen waterput gevonden, waarschijnlijk behorend tot de eerste bewoningsfase. De put wordt rond 1248 geplaatst en raakte vermoedelijk omstreeks 1270 buiten gebruik. Uit de vulling kwamen kannen van proto-steengoed, waaronder exemplaren van ongeveer een halve en één liter, en rijk versierd rood aardewerk. Een pot droeg een druiventrosachtig motief van vanuit de binnenzijde gevormde bobbels.
Bij Ter Wijc zijn tevens grote middeleeuwse bakstenen en sterk verhitte, samengesinterde brokken aangetroffen. Daardoor is gedacht aan mogelijke baksteenproductie in de directe omgeving, wellicht voor de bouw van het kasteel. Een steenoven is echter niet overtuigend aangetoond. De vondsten maken wel duidelijk hoeveel grondstoffen en arbeid de nieuwe stenen machtsplaatsen vergden en hoe sterk kasteelbouw het omliggende landschap kon veranderen.
Meerestein
Op 10 maart 1250 beleende Simon van Haarlem zijn zwager Wouter van Egmond met verschillende goederen onder Heemskerk. Een andere belangrijke akte dateert uit 1251, toen Simon grond waarop later Meerestein zou ontstaan aan Wouter in leen gaf. Daarmee kwam het latere Meresteinse bezit midden in de dertiende eeuw in de invloedssfeer van de familie Van Egmond.
Dat betekent niet dat het bekende stenen kasteel Meerestein in 1251 al bestond. Archeologische waarnemingen leverden vooral kleinere bakstenen uit ongeveer 1350 op. De overdracht van de grond in 1251 vormt dus in de eerste plaats de juridische basis voor een later kasteel. Een oudere voorganger kan niet volledig worden uitgesloten, maar daarvoor ontbreekt voldoende archeologisch bewijs. Grondgeschiedenis en bouwgeschiedenis moeten hier van elkaar worden onderscheiden.
Adrichem
Ten zuiden van Beverwijk lag Adrichem. De eerste zekere schriftelijke vermelding van het kasteel dateert uit 1365, maar bij beperkte opgravingen in 1967 werden twee oude fundamenten gevonden. Roefstra interpreteerde deze als aanwijzing dat het kasteel, net als Ter Wijc en Oud-Haerlem, mogelijk kort na 1248 was ontstaan. Andere losse vondsten, waaronder dertiende-eeuws aardewerk en vroeg baksteenmateriaal, ondersteunen een vroege gebruiksfase, maar niet iedere bouwfase kan exact worden gedateerd.
Adrichem lag nabij de Sint-Aagtendijk, dus op de overgang van hogere gronden naar het lage, waterrijke land van de voormalige curtis. Juist die ligging past bij de ontwikkeling die rond 1200 zichtbaar wordt: versterkte woonplaatsen verschoven naar terreinen waar grachten en natte bodem defensieve voordelen boden. Adrichem hoort daarom niet alleen bij de kastelengeschiedenis, maar ook bij de veranderende manier waarop adellijke macht het landschap gebruikte.
Assumburg en andere versterkte plaatsen
Ten noordoosten van het latere kasteel Assumburg zijn sporen gevonden van een mogelijke voorganger. Die aanwijzingen worden in het midden van de dertiende eeuw geplaatst. Een bron uit 1322 noemt later een omgrachte woning met een Hoge Werf en een laan. Geofysisch onderzoek wees bovendien op een klein omgracht eiland waarop mogelijk een ronde bakstenen woontoren heeft gestaan. Grote dertiende-eeuwse bakstenen ondersteunen een vroege fase, maar de reconstructie blijft onzeker.
Bij het Hoge Werfje nabij de oudste kerk van Heemskerk werd op een hoogte een fundering van middeleeuwse baksteen gevonden, samen met dakleien en veel twaalfde- en dertiende-eeuwse scherven. Roefstra vroeg zich af of hier ooit een versterkt huis op een kunstmatige heuvel stond. De plaats is later sterk door nieuwbouw en afvlakking veranderd, waardoor de mogelijkheid niet meer gemakkelijk archeologisch kan worden getoetst.
De Vlotter, een veel latere naam voor een huis in Noorddorp aan de duinrand, leverde bij veldkartering enkele kogelpotscherven en een middeleeuwse baksteen uit ongeveer het midden van de dertiende eeuw op. Dat is te weinig om een kasteel uit die periode te reconstrueren. Intensieve bollenteelt heeft het terrein bovendien diep omgeploegd. De vondsten worden daarom wel genoemd, maar zonder verdergaande conclusie.
Huis te Heemskerk en het Oude Hof
Het Huis te Heemskerk, later Marquette, behoorde tot de oudere kastelen in de regio. Grote bakstenen van ongeveer 30 bij 15 bij 8 centimeter zijn omstreeks 1230–1240 gedateerd. Latere afbeeldingen tonen een ronde burcht, een kasteeltype dat tussen ongeveer 1150 en 1350 voorkomt. Zware funderingen kunnen tot die vroege fase hebben behoord, maar de oudste burcht is archeologisch nog onvoldoende onderzocht.
In 1300 wordt het Huis te Heemskerk voor het eerst onder die naam vermeld. Gerard van Heemskerk droeg het huis op aan de graaf van Holland en ontving het vervolgens als leen terug. Tot dat moment zou zijn geslacht de burcht als eigen bezit hebben gehouden. Hiermee veranderde een zelfstandig adellijk bezit in een leenverhouding met de graaf, opnieuw een voorbeeld van de ingewikkelde lagen van bezit en gezag in Midden-Kennemerland.
Nabij het Huis te Heemskerk lag het zogenaamde Oude Hof, mogelijk een voorganger van de burcht. Archeologisch onderzoek bracht een mogelijke gracht met dertiende-eeuwse vondsten aan het licht. Direct naast het terrein werd bovendien een vroegmiddeleeuwse nederzetting ontdekt. Het ontstaan van het hof is nog vrijwel onbekend, maar de combinatie van oude nederzetting, hof en later kasteel vertoont interessante parallellen met de ontwikkeling rond Hoflant en Sint-Agathenkerk.
Het stenen huis aan de Hoflaan
Aan de Hoflaan stond in de dertiende eeuw een klein stenen huis van ongeveer 5,85 bij 5,20 meter, gebouwd met kloostermoppen. Het gebouw werd in de veertiende, vijftiende en vroege zestiende eeuw verbouwd en verschijnt veel later nog in morgenboeken van 1539, 1632 en 1730. Waarschijnlijk verdween het kort na 1730. Zonder aanvullend bewijs mag het niet met één bepaald kasteel worden gelijkgesteld, maar het toont vroege duurzame steenbouw binnen Hoflant.
Grondstoffen voor de kasteelbouw
Bij De Vlinder zijn grote middeleeuwse ontgravingskuilen gevonden, vaak ongeveer drie bij zeven meter groot, waar klei en zand waren gewonnen. In de vullingen lagen kogelpot-, Paffrath-, Pingsdorf- en Andenneaardewerk en bakstenen van circa 30,5–31 bij 14,5–15 bij 7–8 centimeter. Het materiaal past vooral in de dertiende en veertiende eeuw. De winning kan hebben samengehangen met bouwactiviteiten in de omgeving, waaronder mogelijk de nieuwe kastelen.
Een steenoven werd op De Vlinder niet aangetoond. Ook bij de Adigestraat, vlak bij Oosterwijk, kwamen echter grote bakstenen en sterk verhitte brokken voor. Samen laten dergelijke vondsten zien dat de bouw van stenen torens, muren, waterputten en funderingen grote hoeveelheden klei, zand, brandstof en arbeid vergde. De kastelen veranderden daardoor niet alleen de politieke kaart, maar ook de economie en het grondgebruik van hun directe omgeving.
1259 — Johannis de Dunis en het Scuurviertel
In 1259 beleende abt Lubbert van Egmond Johannis de Dunis, zijn vrouw Aleidis en hun kinderen met verschillende abdijgronden. Johannis wordt als lid van het geslacht Egmond beschouwd. Tot de goederen behoorden een halve mansus of halve hoeve in het zogenaamde negenviertel, het Scuurviertel en een aangrenzend halfviertel. Het Scuurviertel kan zijn naam hebben ontleend aan een landbouwschuur, maar ook dat blijft een interpretatie.
Voor het Scuurviertel moest jaarlijks zes maten haver als erfpacht worden betaald, aangeduid als achtendeel van het soort dat in het Diets baerdike werd genoemd. Daarnaast kreeg Johannis het land waarop hij woonde, met een oppervlakte van negen viertel, in huerwaer of erfhuur. De akte geeft daarmee een zeldzaam concreet beeld van grondgebruik, bewoning en betalingsverplichtingen in de parochie van Sint-Agatha.
Johannis, zijn vrouw Aleidis of een van hun nog levende kinderen moest jaarlijks op het feest van Remigius en Bavo tien stuivers in Hollandse tienlingen betalen. De oorkonde werd in 1259 op het feest van Sint-Lambertus uitgevaardigd in de parochie van de heilige Agatha, maagd. De oude curtis was toen al verkocht, maar de abdij van Egmond bezat nog steeds verspreide goederen en inkomsten in hetzelfde landschap.
Rond 1250 — de Dije en het Wijkermeer
Rond het midden van de dertiende eeuw veranderde ook het waterlandschap. De Dije werd afgedamd, waardoor een oudere vaarverbinding tussen het IJgebied en noordelijk Kennemerland moeilijker werd. Het precieze verband met het ontstaan van Beverwijk blijft deels een reconstructie, maar economisch is het mechanisme aannemelijk: waar schepen niet langer konden doorvaren, moesten goederen worden gelost, overgeslagen en via een andere route verder worden vervoerd.
Juist zo'n onderbreking kon een overslagplaats aantrekkelijk maken. De vroegste economische kern van het latere Beverwijk lag waarschijnlijk dichter bij De Meer en het latere Slangenwegje dan bij de Breestraat. Daar kan een korte oevernederzetting hebben gelegen waar goederen werden gelost en opgeslagen. De abdij van Egmond wordt in reconstructies met een overslagfunctie verbonden, maar die specifieke rol is nog niet voldoende bewezen om als zekerheid te presenteren.
Wijk
Aan het Wijkermeer ontwikkelde zich een nederzetting die in bronnen Wijk werd genoemd. Het woord wijk wordt wel met handelsnederzettingen verbonden, maar ook daarbij is voorzichtigheid nodig. Zekerder is de ligging. Land- en waterverkeer ontmoetten elkaar hier. Goederen konden van een schip naar een wagen, lastdier of ander vaartuig worden overgebracht. Daarmee kreeg Wijk een andere functie dan het oudere kerkelijke centrum rond Sint-Agathenkerk.
De ontwikkeling betekende niet dat Sint-Agathenkerk verdween. Kerk, hoflandschap en nieuwe handelsplaats bestonden een tijd naast elkaar. Juist dit is kenmerkend voor de geschiedenis van Beverwijk: het zwaartepunt verschoof telkens zonder dat alle oudere structuren onmiddellijk verdwenen. De religieuze kern bleef bij de kerk, adellijke macht verspreidde zich over kastelen en de nieuwe economische dynamiek kwam steeds sterker bij het Wijkermeer en later de Breestraat te liggen.
1267 — Albertus, priester in Wijk
In 1267 gaf Nicolaus, abt van Egmond, grond in eeuwigdurende pacht aan Albertus, priester in Wijk. Daarmee verschijnt Wijk negen jaar vóór het marktrecht al als een herkenbare parochiale en economische plaats. De abdij bezat er grond en er was een priester. Het privilege van 1276 schiep dus geen nederzetting uit het niets, maar gaf een bestaande ontwikkeling een officiële grafelijke vorm.
De oorkonde vertelt bovendien waar de grond lag. Aan de ene zijde grensde zij aan land van de zonen van Jakob van Hilsebroec en aan de andere zijde aan het land van Willem, die de Korte werd genoemd. Albertus moest jaarlijks zeventien stuivers betalen binnen het octaaf van Remigius en Bavo. Daardoor krijgen naast de priester ook enkele gewone lokale grondbezitters uit het dertiende-eeuwse Wijk een naam.
De pacht kende duidelijke voorwaarden. Als Albertus of een opvolger niet op tijd betaalde, kon het land aan de abdij terugvallen terwijl de achterstallige pacht verschuldigd bleef. Het perceel mocht bovendien niet zonder toestemming aan een andere kloosterkerk worden overgedragen. Roefstra opperde dat Albertus mogelijk tot Banjaert of Van Velsen behoorde, maar benadrukte dat zijn familie niet bekend is. Zijn identiteit blijft dus open.
Wijk als verkeersknooppunt
De ligging aan het Wijkermeer maakte verdere groei logisch. Via het meer en het IJ bestonden verbindingen met andere wateren en steden. Westwaarts liepen routes over de strandwal en door het duingebied naar Wijk aan Zee. Noord- en zuidwaarts waren Heemskerk, Alkmaar, Haarlem en Velsen bereikbaar. Wijk lag daardoor op een plaats waar goederen van vervoerssysteem konden wisselen. Overslag werd naast landbouw, visserij en ambacht een economische functie op zichzelf.
Deze ligging verklaart beter dan alleen het latere stadsrecht waarom Beverwijk kon groeien. De stad ontstond niet omdat een graaf plotseling besloot ergens een stad te stichten. Eerst waren er landschap, waterwegen, ontginningen, kerk, hof, haven en verkeer. Daarna ontstond een handelsplaats op een gunstig knooppunt. Pas toen die economie voldoende betekenis had gekregen, volgden marktprivileges en uiteindelijk het stedelijke juridische kader.
1276 — Floris V en de weekmarkt
In 1276 verleende graaf Floris V aan de inwoners van Wijk het recht om wekelijks markt te houden. Gerard van Velsen was in deze periode ambachtsheer. Het marktprivilege is een belangrijk moment, maar geen geboorteakte van Beverwijk. Een markt kon alleen functioneren wanneer er al bewoners, producenten, verkeersverbindingen, kopers en verkopers waren. Floris V gaf een bestaande economische ontwikkeling regelmaat en grafelijke bescherming.
Het privilege is ook belangrijk voor de plaatsnaam. In deze dertiende-eeuwse context verschijnt de vorm Beuerwijc of Beverwijk. De oudere namen Beverhem en Sint-Agathenkerk hadden eeuwenlang andere aspecten van dezelfde omgeving benadrukt. Nu werd de handelsnederzetting Wijk steeds bepalender voor de identiteit van de plaats. Naam en economische functie begonnen samen te vallen, terwijl de oude kerkelijke kern onderdeel van dezelfde gemeenschap bleef.
De markt als motor
Voor boeren uit de omgeving bood een vaste marktdag zekerheid. Graan, zuivel, vee en andere producten konden op een bekend tijdstip worden aangeboden. Vis kwam uit het kustgebied en via waterverbindingen konden goederen verder worden vervoerd. Ambachtslieden bereikten meer klanten en kooplieden konden partijen verzamelen voor doorvoer. Regelmatige handel maakte investeringen in huizen, opslag, werkplaatsen, karren en scheepsruimte aantrekkelijker.
Markt betekende ook controle. Er moesten afspraken zijn over plaats, maten, betalingen, geschillen en orde. De markt bracht inwoners van verschillende dorpen en bezittingen samen en maakte Wijk tot een regionaal ontmoetingspunt. De economische betekenis zat dus niet alleen in wat er verkocht werd, maar ook in de concentratie van mensen, informatie en geld. Dat vormde een belangrijke stap van nederzetting naar stedelijke gemeenschap.
De Breestraat
Na 1276 verschoof het economische zwaartepunt steeds sterker van de korte oeverzone naar de Breestraat. Deze ruim vierhonderd meter lange straat bood veel meer ruimte voor karren, vee, koopwaar, huizen en instellingen. Haar langgerekte vorm past bij een doelbewust ontwikkelde marktstraat. De handel werd daarmee niet rond een klein kerkplein geconcentreerd, maar langs een brede stedelijke as op de hogere, drogere strandwal.
Water bleef daarbij essentieel. De Breestraat lag niet los van de oude oever en het Wijkermeer, maar functioneerde juist omdat goederen vanuit het water relatief gemakkelijk naar de markt konden worden gebracht. Beverwijk combineerde zo twee landschappen: een droge marktstraat voor handel en verblijf, en een natte transportwereld voor aanvoer en afvoer. Die combinatie bleef eeuwenlang kenmerkend voor de stad.
Langs de Breestraat lagen lange erven die zich richting het Wijkermeer uitstrekten. Reconstructies noemen oorspronkelijke perceelbreedtes van ongeveer vijftien tot dertig meter. In latere eeuwen werden veel percelen opgesplitst en konden straatfronten veel smaller worden. Aan de Breestraat werd gewoond en verkocht; achter de huizen lagen erven, opslagplaatsen, werkruimten en tuinen. De verkaveling verbond daardoor publieke marktruimte rechtstreeks met particuliere economie.
Hogewerfje, Bachstraat en Zamenhof
Het terrein rond Hogewerfje, Bachstraat en Zamenhof leverde aardewerk op vanaf de twaalfde eeuw en zware funderingen uit het laatste kwart van de dertiende eeuw. Daarmee is zichtbaar dat deze zone al vóór en tijdens de groei van de marktstad werd gebruikt. De funderingen wijzen op duurzame steenbouw in een tijd waarin Beverwijk steeds stedelijker werd. Hun precieze functie is niet in alle gevallen bekend en moet voorzichtig worden geïnterpreteerd.
De archeologie laat hier vooral zien dat de veranderingen van 1276 en 1298 ook fysiek zichtbaar werden. Een marktprivilege of stadskeur is een geschreven document, maar achter zulke privileges ontstonden huizen, funderingen, erven, werkplaatsen en instellingen. Het stedelijke Beverwijk werd dus niet alleen juridisch op papier gevormd; het werd tegelijkertijd in grond, hout, baksteen en verkaveling gebouwd.
1296 — Gerard van Velsen en de dood van Floris V
In 1296 raakte Beverwijk rechtstreeks verbonden met een van de bekendste politieke crises uit de Hollandse middeleeuwen. Gerard van Velsen, die eerder als ambachtsheer met Wijk verbonden was, behoorde tot de edelen die graaf Floris V gevangennamen. Floris stierf tijdens de gebeurtenissen die daarop volgden. De val van Gerard veranderde daarmee niet alleen de landelijke politiek, maar ook de lokale machtsverhoudingen rond Beverwijk.
Na de dood van Floris V kreeg Wolfert van Borselen grote invloed op diens jonge opvolger Jan I. Wolfert werd vervolgens ambachtsheer van Beverwijk. Daarmee kreeg een nieuwe machtige edelman een centrale positie juist op het moment dat de handelsnederzetting de stap naar volledige stedelijke rechten maakte. De stadswording van Beverwijk was daardoor nauw verweven met de politieke machtsverschuivingen in het graafschap.
1 oktober 1298 — tolvrijheid
Op 1 oktober 1298 kreeg Beverwijk vrijstelling van bepaalde grafelijke tollen binnen Holland. Voor een handelsplaats was dat een direct economisch voordeel. Iedere tol verhoogde vervoerskosten en verkleinde de marge van een handelaar. Wie goederen goedkoper over grafelijke routes kon vervoeren, kreeg een betere positie tegenover concurrerende plaatsen. Tolvrijheid sloot daarom rechtstreeks aan bij het marktrecht en de groeiende regionale handelsfunctie van Beverwijk.
De timing is opvallend. De tolvrijheid werd slechts enkele weken vóór de stadskeur verleend. Economische begunstiging en stedelijke rechtsvorming volgden dus vrijwel gelijktijdig. De markt van 1276 had Beverwijk al een vaste handelsfunctie gegeven; de privileges van 1298 versterkten die functie met financiële voordelen en een eigen juridisch kader. De jonge stad werd daarmee nadrukkelijker in het grafelijke netwerk van Holland opgenomen.
11 november 1298 — stadsrecht
Op 11 november 1298 verleende graaf Jan I van Holland en Zeeland Beverwijk stadsrecht, op verzoek van Wolfert van Borselen. De stadskeur telde 71 artikelen. Zij regelde onder andere bestuur, rechtspraak, openbare orde, erfrecht, overeenkomsten, economische zaken en verplichtingen van burgers. Tegelijk kreeg Beverwijk twee vrije jaarmarkten, waardoor naast de wekelijkse markt grotere handelsmomenten ontstonden die ook kooplieden van verder weg konden aantrekken.
De stadskeur was niet volledig speciaal voor Beverwijk ontworpen. De artikelen sloten volgens juridisch onderzoek nauw aan bij het stadsrecht van Medemblik. Dat was in middeleeuws Holland niet ongebruikelijk: bestaande stedelijke rechtsmodellen konden voor andere plaatsen worden overgenomen en aangepast. Beverwijk werd zo onderdeel van een bredere juridische traditie van Hollandse steden, terwijl de lokale verhouding met de ambachtsheer een eigen karakter behield.
Wolfert van Borselen bleef namelijk aanzienlijke invloed houden. In verschillende bepalingen behield de ambachtsheer bevoegdheden die elders sterker bij de graaf of de stedelijke gemeenschap konden liggen. Beverwijk werd in 1298 dus niet plotseling een volledig autonome burgerrepubliek. Stadsrecht, grafelijk gezag en heerlijkheid bestonden naast elkaar. De nieuwe stad bouwde voort op oudere machtsverhoudingen in plaats van die in één keer af te schaffen.
Een stad zonder zware muren
Beverwijk werd juridisch een stad, maar kreeg geen zware stenen ommuring zoals Haarlem. Ook monumentale stadspoorten lijken te hebben ontbroken. Wegen liepen betrekkelijk vrij de bebouwing in en uit. Achter de huizen lagen erven, tuinen en landbouwgrond. Daardoor vloeiden stad en platteland letterlijk in elkaar over. Die open structuur paste bij een kleine marktstad waarin handel, landbouw, opslag en regionaal verkeer nauw met elkaar verbonden bleven.
De afwezigheid van grote muren betekende niet dat Beverwijk geen stedelijke identiteit had. Stedelijkheid werd hier vooral bepaald door rechten, markt, instellingen, bebouwing en economische functies. De Breestraat, jaarmarkten, tolprivileges en groeiende gespecialiseerde handel waren belangrijker voor de dagelijkse ervaring van de stad dan een stenen verdedigingsgordel. Juist daardoor behield Beverwijk lange tijd een zichtbaar agrarische rand rond zijn stedelijke kern.
Sint-Agathenkerk gaat op in Beverwijk
Roefstra concludeerde dat het oude agrarische dorp Sint-Agathenkerk omstreeks 1298 opging in de nieuwe handelsnederzetting Wijk of Beverwijk. Dat betekent niet dat de oude kerk, bewoners en erven verdwenen. De verandering was vooral functioneel en juridisch. De marktstad werd voortaan het dominante kader waarbinnen de oudere kerkelijke nederzetting lag. De naam Beverwijk ging daardoor een groter geheel aanduiden dan de oorspronkelijke handelszone alleen.
Hiermee waren verschillende eeuwen geschiedenis in één plaats samengekomen. Beverhem had een vroegmiddeleeuwse kerk en landbouwgemeenschap gevormd. Sint-Agathenkerk werd een religieuze, bestuurlijke en agrarische kern met Hoflant. Vanaf de dertiende eeuw verspreidde adellijke macht zich over kastelen, terwijl Wijk bij het Wijkermeer een handelsfunctie ontwikkelde. In 1298 werden deze verschillende landschappelijke en maatschappelijke lagen onderdeel van één stad.
Het Huis te Heemskerk in 1300
Rond 1300 veranderde ook de positie van het nabijgelegen Huis te Heemskerk. Gerard van Heemskerk droeg de burcht aan de graaf van Holland op en ontving haar als leen terug. Tot dat moment had zijn geslacht het huis volgens de bronnen als eigen bezit gehouden. Daarmee werd ook deze regionale machtsplaats nauwer in het grafelijke leenstelsel opgenomen, juist in dezelfde periode waarin Beverwijk zijn stedelijke positie formeel verstevigde.
De gebeurtenis hoort bij Beverwijk omdat zij laat zien hoe sterk de jonge stad binnen een landschap van adellijke hoven en kastelen lag. Rond 1300 bestond Midden-Kennemerland niet uit een stad met daaromheen machteloos platteland. Grafelijke rechten, adellijke huizen, kerkelijk bezit, abdijgronden en stedelijke privileges overlapten elkaar. Beverwijk ontwikkelde zich midden in dat ingewikkelde netwerk en moest zijn plaats daarin voortdurend bepalen.
1302 als terugblik op de situatie rond 1300
Een oorkonde uit 1302 valt net buiten de gekozen periode, maar is belangrijk omdat zij zichtbaar maakt wat rond 1300 al aan de Breestraat was ontstaan. De bron noemt zeven hofsteden of grote erven aan de nieuwe stedelijke as. Op of rond deze erven bevonden zich een wanthuis of lakenhal, een gasthuis en een stenen woontoren. De ontwikkeling na 1276 was dus veel verder gegaan dan tijdelijke marktstallen aan het water.
De zeven hofsteden tonen dat de Breestraat planmatig en institutioneel was ontwikkeld. Er waren grote percelen, stenen bebouwing en functies die bij een stedelijke gemeenschap pasten. Een gasthuis bood zorg en onderdak; een woontoren wees op aanzienlijke bewoners of machtsdragers; de lakenhal regelde een gespecialiseerde economische activiteit. De nieuwe marktstraat was daarmee rond 1300 tegelijk woongebied, handelsruimte en plaats van stedelijke instellingen.
De lakenhandel
Het wanthuis of de lakenhal, in 1302 genoemd, behoort tot de vroegst bekende lakenhallen van Holland. Daar konden wollen stoffen worden gekeurd voordat zij werden verkocht. Lakenproductie omvatte vele stappen: wol voorbereiden, spinnen, weven, vollen, verven en scheren. Daarna volgde kwaliteitscontrole. Een lakenhal was daardoor niet alleen een gebouw, maar een instelling die productie, handel, belasting en vertrouwen in het stedelijke product met elkaar verbond.
De aanwezigheid van een lakenhal wijst erop dat Beverwijk rond 1300 economisch meer was dan een plaats waar boeren eens per week hun producten verkochten. Er bestond gespecialiseerde nijverheid en controle op handelswaar. De markt trok daardoor niet alleen landbouwproducten, maar ook bewerkte goederen aan. Die diversificatie maakte de stad minder afhankelijk van één economische sector en gaf de Breestraat een blijvende rol als regionaal handelscentrum.
Het vroege Beverwijkse lakenlood
Een klein loden zegel maakt deze textielwereld tastbaar. Een lakenlood werd aan gekeurde stof bevestigd als bewijs dat het product gecontroleerd was. Op een Beverwijks exemplaar staan drie Franse lelies boven een blok. Michel Tuin heeft voorzichtig een datering tussen 1298 en 1308 voorgesteld. Als die vroege datering juist is, kan het lood een oudere vorm van de stedelijke symboliek tonen dan het bekende stadszegel uit 1347.
Het beschikbare vergelijkingsmateriaal is echter beperkt. De precieze datering van het lood moet daarom voorlopig blijven. Juist dat soort onzekerheid is belangrijk in het verhaal: archeologische voorwerpen kunnen veel vertellen, maar alleen wanneer hun context en dateringsmarges serieus worden genomen. Het lood past uitstekend bij de lakenhal en de stadswording rond 1300, maar mag niet als volledig sluitend bewijs voor een exact jaartal of stadswapen worden gebruikt.
Beverwijk rond 1300
Rond 1300 lagen in Beverwijk vele eeuwen geschiedenis naast elkaar. Onder de stad lagen prehistorische akkers en Romeinse bewoningssporen. Beverhem herinnerde aan een vroegmiddeleeuwse nederzetting met Gutha's kerk. Sint-Agathenkerk bracht kerk, hof, schout en adellijke macht samen. Hoflant vormde een groot agrarisch domein en viel in de dertiende eeuw uiteen in afzonderlijke bezittingen en kastelen.
Aan het Wijkermeer was ondertussen een nieuwe economische wereld ontstaan. De oude aanlegplaats, waterwegen en overslag vormden de achtergrond voor Wijk. Na het marktrecht van 1276 verschoof de handel naar de ruim vierhonderd meter lange Breestraat. Daar verschenen grote erven, stenen gebouwen, een gasthuis en een lakenhal. Watertransport, landroutes en markt kwamen zo samen in een stedelijke ruimte die bewust voor handel was ingericht.
Met de tolvrijheid van 1 oktober 1298 en de stadskeur van 11 november kreeg deze ontwikkeling een juridisch fundament. Beverwijk ontstond dus niet op één dag en evenmin uitsluitend door het besluit van een graaf. De stad was het resultaat van een lange opeenvolging van landschappelijke, economische, kerkelijke en politieke veranderingen. Telkens verschoof het zwaartepunt, terwijl oudere structuren in nieuwe vormen bleven voortbestaan.
Dat is uiteindelijk de belangrijkste lijn in de vroege geschiedenis van Beverwijk: van oud landschap naar akker en erf, van Beverhem naar Sint-Agathenkerk, van kerk en Hoflant naar kastelen, van haven en Wijkermeer naar overslag, van Wijk naar Breestraat, en van markt naar stad. Rond 1300 waren al deze lagen tegelijkertijd aanwezig. De latere geschiedenis van Beverwijk zou telkens opnieuw voortbouwen op precies deze combinatie van land, water, handel en verschuivende centra.