Zaandam tussen oorlog en groei, 1573–1640

Voorgeschiedenis — Zaandam vóór 1573

Zaandam begon niet in 1573. Lang vóór de Opstand woonden mensen langs de hogere dijken en oevers van de Zaan. De Hogendijk, Zuiddijk, Westzijde en Oostzijde vormden belangrijke bewoningsassen. Achter de huizen lagen sloten, graslanden en erven; aan de waterkant lagen schuiten en kleine werkplaatsen. De Dam in de Zaan maakte de plaats tot een natuurlijk knooppunt. Daar ontmoetten verkeer over water en over land elkaar. Vervoer, overslag, visserij, veeteelt, ambacht en kleine handel bestonden hier al voordat de beroemde houtzaagmolens verschenen.

Het huishouden was tegelijk woonplaats en productie-eenheid. Een gezin kon een koe houden, een schuit bezitten, vracht vervoeren en daarnaast ambachtelijk werk verrichten. Vrouwen verzorgden niet alleen kinderen en huishouden, maar hielpen bij voedselproductie, voorraadbeheer, verkoop en familiebedrijf. Kinderen groeiden op tussen erf, sloot, vee en werkplaats. Zij leerden varen, dieren verzorgen, goederen dragen en eenvoudige werkzaamheden uitvoeren. Deze combinatie van gezinsarbeid, watervervoer en ambacht vormde een belangrijke basis van de latere Zaanse economie. De industriële ontwikkeling van na 1593 kwam dus niet uit het niets.

Via de Zaan lag de streek open naar het noorden; via Voorzaan en IJ lag Amsterdam dichtbij. Hout, turf, graan, vis, zout en andere goederen konden daardoor relatief gemakkelijk worden vervoerd. Tegelijk maakte deze ligging Zaandam kwetsbaar. Wie het IJ, de dijken of de monding van de Zaan beheerste, kon verkeer en handel beïnvloeden. De waterwegen die in vredestijd economische kansen boden, konden in oorlogstijd militaire routes worden. Dat gebeurde vanaf 1572, toen de Nederlandse Opstand ook in Holland een nieuwe en veel gewelddadiger fase inging.

In 1566 had de Beeldenstorm de religieuze en politieke spanningen in de Nederlanden zichtbaar gemaakt. Daarna verscherpte het conflict tussen het bestuur van Filips II en de oppositie. Op 1 april 1572 namen de Watergeuzen Den Briel in. Kort daarna kozen verschillende Hollandse steden de zijde van Willem van Oranje. Amsterdam bleef echter trouw aan de koning. Daardoor kwam Zaandam vanaf 1572 in een gevaarlijke positie te liggen: tussen het opstandige Noorderkwartier en een koningsgezinde grote stad aan het IJ.

Vanaf 1572 veranderden vertrouwde vaarwegen in strategische routes. Dijken werden bewaakt, schansen aangelegd en vaartuigen voor militaire doeleinden gebruikt. Diederik Sonoy, namens Willem van Oranje actief in het Noorderkwartier, probeerde de verbindingen van Amsterdam met het omliggende gebied zoveel mogelijk te beperken. Voor bewoners van Zaandam betekende dat direct gevaar. Een schuit kon worden gevorderd, een vaarweg afgesloten en een dijk in een verdedigingslinie veranderen. De strijd tussen Oranje en Filips II kwam daarmee letterlijk tot aan de huizen en erven langs de Zaan.

Op 11 december 1572 begon het koninklijke leger het beleg van Haarlem. Daarmee kwam de oorlog nog dichterbij. Haarlem lag tussen het opstandige noorden en Amsterdam en was daarom strategisch van groot belang. Zolang Haarlem standhield, bleef de verbinding tussen verschillende opstandige gebieden mogelijk. Het beleg duurde maanden. Soldaten, voorraden, schepen en berichten bewogen door heel het gebied. Voor bewoners van Zaandam betekende het beleg dat gevaar, voedseltekorten en militaire vorderingen niet langer incidenteel waren. De winter van 1572–1573 werd de vooravond van een nog zwaarder jaar.

1. 1573–1578 — Oorlog, verwoesting en overleven

13 juli 1573 — Haarlem valt

Op 13 juli 1573 capituleerde Haarlem na een beleg van ongeveer zeven maanden. Voor het Noorderkwartier was dat een zware slag. De koninklijke troepen konden hun aandacht nu sterker richten op het gebied ten noorden van het IJ. Voor Zaandam betekende dit dat de militaire druk toenam. De nederzetting lag dicht bij Amsterdam en aan belangrijke routes tussen IJ, Zaan en Waterland. De dijken en vaarwegen waarover normaal turf, graan, vis en hout werden vervoerd, werden strategische verbindingen. Na de val van Haarlem werd steeds duidelijker dat Zaandam zelf niet buiten de oorlog zou blijven.

Zomer 1573 — Zaandam wordt getroffen

In 1573 werd Zaandam zwaar getroffen door geweld en brandstichting. In latere geschiedschrijving wordt gesproken over ongeveer 130 verbrande woningen. Dat aantal moet voorzichtig worden behandeld, maar het geeft wel de omvang van de ramp aan. Voor een zestiende-eeuwse gemeenschap was dit een enorme verwoesting. Een woning was bovendien meer dan een plaats om te slapen. In huis en op het erf lagen kleding, beddengoed, gereedschap, voedselvoorraden, hout, handelswaar en soms delen van een familiebedrijf. Wanneer huis, schuur en voorraad verloren gingen, raakte een gezin tegelijk zijn woonruimte, bezit én bestaansmiddelen kwijt.

De houten bebouwing langs Hogendijk, Zuiddijk en Zaan was bijzonder kwetsbaar. Woningen, schuren, hekken, werkplaatsen en brandstof lagen vaak dicht bij elkaar. Wanneer soldaten een huis in brand staken, kon het vuur gemakkelijk overslaan. Blussen gebeurde met emmers, kuipen en water uit Zaan en sloten. Tegen doelbewuste brandstichting was weinig te beginnen. Op sommige plaatsen zullen na de aanvallen alleen verkoolde balken, ingestorte wanden en verspreide resten van huisraad zijn overgebleven. De oorlog veranderde het vertrouwde woonlandschap van Zaandam letterlijk in een landschap van rook, puin en verlaten erven.

25 augustus 1573 — strijd om Waterland en de dijken

Op 25 augustus 1573 rukten koninklijke troepen onder leiding van Maximilien de Hénin-Liétard, graaf van Bossu, verder op in Waterland. Bossu was stadhouder van Holland namens Filips II. Aan de andere zijde stond de opstandige oorlogvoering onder Diederik Sonoy. Het conflict draaide om schansen, dijken, waterwegen en verbindingen met Amsterdam. Voor de bevolking waren dat geen abstracte militaire doelen. Dezelfde dijk die op maandag nog werd gebruikt om goederen te vervoeren, kon op dinsdag door soldaten worden bewaakt. De strijd tussen Bossu en Sonoy bepaalde rechtstreeks waar bewoners nog konden reizen en waar schippers konden varen.

21 augustus–8 oktober 1573 — het beleg van Alkmaar

Vrijwel tegelijk begon op 21 augustus 1573 het beleg van Alkmaar. Voor het Noorderkwartier werd dit een beslissend moment. Op 8 oktober 1573 brak het koninklijke leger het beleg af. Het ontzet van Alkmaar werd een belangrijk keerpunt in de strijd in Noord-Holland. Voor Zaandam betekende het echter geen onmiddellijke vrede. Amsterdam bleef koningsgezind, op het water werd nog gevochten en militaire groepen bleven zich door de streek bewegen. Bewoners konden na oktober 1573 daarom niet eenvoudig terugkeren naar het bestaan van vóór de oorlog. Herstel en gevaar zouden nog jaren naast elkaar bestaan.

Geuzen en koninklijke troepen

De oorlog was voor gewone Zaandammers geen eenvoudige tegenstelling tussen goede en slechte soldaten. Ook troepen die aan de zijde van Willem van Oranje vochten moesten worden gevoed, betaald en gehuisvest. Wanneer soldij of bevoorrading tekortschoten, werd druk op de plaatselijke bevolking uitgeoefend. Soldaten konden brood, graan, bier, vlees, turf of onderdak eisen. Paarden en vee waren eveneens aantrekkelijk. Het maakte voor een getroffen gezin soms weinig verschil of de mannen die de wintervoorraad meenamen zich Geus of koninklijke soldaat noemden. De belangrijkste vraag was of er na hun vertrek nog voldoende voedsel en brandstof overbleef.

Vee, voedsel en overleven

Voor een Zaandams huishouden was een koe kostbaar bezit. Zij leverde melk, boter en kaas en vertegenwoordigde tegelijk kapitaal. Schapen, varkens en pluimvee waren eveneens belangrijk. Wie door soldaten vee verloor, raakte daarom niet alleen voedsel voor die dag kwijt, maar ook toekomstige productie. Hetzelfde gold voor graan, meel, gedroogde vis, boter, kaas, turf en hout. De oorlog kon de voedselvoorziening maandenlang ontregelen. Vooral in de winter van 1573–1574 moet herstel moeilijk zijn geweest. Gezinnen die hun huis en voorraad hadden verloren, moesten tegelijk opnieuw onderdak vinden en proberen voldoende voedsel bijeen te brengen.

Vluchten over het water

Wie in 1573 voor soldaten of brand vluchtte, moest snel kiezen wat mee kon. De waterrijke omgeving bood daarbij een voordeel: gezinnen konden een kleine schuit gebruiken. Kinderen, kleding, beddengoed, voedsel en enkele kostbaarheden konden worden meegenomen. Grote meubels, werktuigen en vee waren veel moeilijker te redden. Sommige gezinnen zullen tijdelijk bij familie of kennissen elders in de Zaanstreek of Waterland zijn ondergebracht. De bronnen vertellen hierover minder dan over militaire gebeurtenissen, maar achter ieder afgebrand huis stond een huishouden. De oorlog bestond daarom ook uit tijdelijke vlucht, gescheiden gezinnen, verloren bezittingen en onzekerheid over terugkeer.

31 mei 1574 — Govert ’t Hoen sneuvelt

Op 31 mei 1574 sneuvelde Govert ’t Hoen, bijgenaamd Het Oude Hoen, bij Ilpendam. Hij was een Waterlandse boer die als aanvoerder van vrijbuiters tegen de koninklijke troepen vocht. Zijn optreden laat zien hoe sterk de oorlog verbonden was met plaatselijke kennis. Boeren, vissers en schippers kenden sloten, dijken, meren en ondiepten beter dan veel beroepssoldaten. Die kennis kon nu militair worden ingezet. Ook zijn zoon Albert ’t Hoen, Het Jonge Hoen, trad als kapitein op. Govert en Albert waren geen Zaandammers, maar hoorden wel bij de regionale oorlogswereld waarvan Zaandam deel uitmaakte.

Andere namen verschijnen eveneens in deze omgeving: Joachim Kleinsorg, Engel Lastpenning van Krommenie, Pieter Klaasz. Yperen van Oostzaan, Jan Walichsz., Jan Cornelis Gerritsz., Cornelis Goesinnen en Jan Dieuwis. Zij mogen niet zonder bewijs als bewoners van Zaandam worden voorgesteld. Hun aanwezigheid is juist belangrijk omdat zij laten zien hoe breed de oorlogswereld rond Zaan en Waterland was. Mannen uit verschillende dorpen trokken samen op, vochten op dijken en voeren over dezelfde waterwegen die in vredestijd voor visserij en handel werden gebruikt.

1574 — wederopbouw begint

Ondanks de oorlog begon in 1574 de wederopbouw. Wie een woning had verloren, had hout, riet, spijkers, gereedschap en arbeidskracht nodig. Eerst moest een gezin opnieuw droog en beschut kunnen slapen. Daarna konden schuur, erf en werkruimte worden hersteld. Dat betekende extra werk voor timmerlieden, smeden, schippers en leveranciers van bouwmaterialen. Herbouw was daarom niet alleen een kwestie van wonen. Het hielp ook plaatselijke economische activiteit weer op gang. Iedere gerepareerde schuit, herbouwde woning of nieuwe schuur bracht een stukje van het dagelijkse leven terug.

1575–1576 — sauvegardes

Dat de situatie in 1575 en 1576 nog onzeker bleef, blijkt uit het gebruik van sauvegardes. Zulke beschermingsbrieven of vrijgeleiden moesten personen, goederen of plaatsen beschermen tegen plundering, inkwartiering of andere militaire lasten. Dat zulke documenten nodig waren, zegt veel over de omstandigheden. Gewapende groepen konden onverwacht verschijnen en bewoners probeerden zich daartegen niet alleen met fysieke middelen, maar ook met geschreven bescherming te verdedigen. Een sauvegarde bood geen absolute zekerheid, maar kon wel gewicht hebben bij onderhandelingen met militairen. Herstel vond dus plaats in een omgeving waarin oorlog nog voortdurend voelbaar bleef.

8 november 1576 — Pacificatie van Gent

Op 8 november 1576 werd de Pacificatie van Gent gesloten. Daarmee probeerden de Nederlandse gewesten gezamenlijk een einde te maken aan het geweld van de buitenlandse troepen en de politieke verdeeldheid te verkleinen. Voor bewoners van Zaandam moet het vooruitzicht op rust belangrijk zijn geweest. Toch veranderde de situatie niet onmiddellijk. Amsterdam bleef trouw aan de koning en daarmee bleef een belangrijke politieke en economische grens vlak ten zuiden van de Zaan bestaan. Schippers konden niet zomaar doen alsof de oorlog voorbij was. De verbinding met het IJ en Amsterdam bleef afhankelijk van veranderende militaire en politieke omstandigheden.

1577 — herstel zonder zekerheid

In 1577 was Zaandam waarschijnlijk duidelijk verder hersteld dan vier jaar eerder, maar de herinnering aan de verwoesting bleef dichtbij. Woningen waren herbouwd, erven opnieuw ingericht en vaarverbindingen functioneerden beter. Toch leefde een generatie die had meegemaakt hoe snel bezit kon verdwijnen. Een schuit was niet alleen meer een middel om vracht te vervoeren, maar kon ook een vluchtmiddel zijn. Een dijk beschermde niet alleen tegen water, maar kon door soldaten worden bezet. Die ervaring met oorlog, risico en improvisatie zou deel blijven uitmaken van het collectieve geheugen van de bewoners.

26 mei 1578 — de Alteratie van Amsterdam

Op 26 mei 1578 vond in Amsterdam de Alteratie plaats. Het katholieke stadsbestuur werd zonder groot bloedvergieten afgezet en Amsterdam koos voortaan de zijde van de Opstand. Voor Zaandam was dit een fundamentele omslag. De grote stad aan het IJ was niet langer een politieke tegenstander. Handel en scheepvaart tussen Zaan en Amsterdam konden zich nu in een veel gunstiger omgeving ontwikkelen. De betekenis daarvan zou in de volgende decennia enorm worden. Amsterdam groeide snel en had steeds meer hout, schepen, voedsel, turf, arbeid en vervoerscapaciteit nodig. Zaandam beschikte over precies die kwaliteiten.

2. 1578–1593 — Herstel aan Zaan en dijk

1578–1580 — terug naar het dagelijkse bestaan

Na 1578 begon een nieuwe fase. Zaandam was nog geen industriegebied met honderden molens, maar de bevolking kreeg meer ruimte om opnieuw te bouwen, varen, vissen en handelen. De oudere bestaansvormen bleven centraal: veeteelt, zuivel, visserij, binnenvaart, scheepsreparatie, timmerwerk, metaalbewerking en kleine handel. Een huishouden kon verschillende activiteiten combineren. Een man kon schipper en veehouder tegelijk zijn; zijn vrouw kon boter of kaas produceren en goederen verkopen. Juist deze gemengde economie maakte Zaandam veerkrachtig. De latere industrie groeide uit deze oudere structuur, niet in plaats daarvan.

Rond 1580 — wonen langs dijk en Zaan

Rond 1580 concentreerde de bewoning zich vooral langs Hogendijk, Zuiddijk, Westzijde en Oostzijde. Achter de huizen lagen lange, smalle kavels en sloten. Het water kwam daardoor vaak dichtbij het erf. Kleine schuiten konden turf, hooi, mest, hout en andere zware goederen aanvoeren. Aan de voorkant lag dijk of pad; achter het huis begon het slotenlandschap. Het huis was meestal niet uitsluitend woonruimte. Op hetzelfde erf konden gereedschappen, voorraad, dieren en handelswaar aanwezig zijn. De ruimtelijke structuur van het latere industriële Zaandam was daarmee al grotendeels aanwezig voordat de grote molenbouw begon.

De Hogendijk na 1578

Langs de Hogendijk lagen huizen en erven dicht bij Voorzaan en IJ. Bewoners leefden met waterstand, wind, scheepvaart en werkzaamheden aan vaartuigen. Hier konden wonen, ambacht en handel dicht bij elkaar bestaan. Een timmerman kon aan huis gereedschap bewaren en kleinere onderdelen maken. Een schipper kon zijn vaartuig in de nabijheid afmeren. Hout of andere goederen konden op het erf worden opgeslagen. De Hogendijk werd daarmee een van de plekken waar de oudere maritieme economie en de latere scheepsbouw steeds sterker in elkaar begonnen over te lopen.

De Zuiddijk en de verbinding met het IJ

Ook de Zuiddijk profiteerde na 1578 van het intensievere verkeer met het IJ. Schuiten vervoerden vis, graan, turf, zout, hout en andere producten. Rond dat vervoer ontstond werk voor dragers, herbergiers, timmerlieden en handelaars. Schippers waren daarbij niet altijd eenvoudige loonarbeiders. Sommigen bezaten geheel of gedeeltelijk hun eigen vaartuig en konden voor eigen rekening vracht aannemen. Daardoor ontstond een ondernemende cultuur waarin arbeid en bezit dicht bij elkaar lagen. Die combinatie zou in de zeventiende eeuw kenmerkend worden voor veel Zaanse ondernemers.

De Dam bleef een economisch knooppunt

De Dam in de Zaan was tegelijk hindernis en ontmoetingsplaats. Niet ieder schip kon zonder problemen van Binnenzaan naar Voorzaan. Goederen moesten soms worden overgeladen. Schippers moesten wachten en vracht werd verplaatst. Daardoor ontstond economische activiteit. Herbergen boden eten, drinken en onderdak; ambachtslieden konden reparaties verrichten; handelaren ontmoetten elkaar. De Dam was dus meer dan een waterstaatkundig bouwwerk. Juist doordat het verkeer hier werd vertraagd, kwamen mensen en goederen samen. Dat maakte de omgeving tot een van de belangrijke economische centra van het vroege Zaandam.

1580–1590 — landbouw bleef zichtbaar

Tussen 1580 en 1590 bleef landbouw een herkenbaar onderdeel van het bestaan. Achter de lintbebouwing lagen graslanden waar koeien werden gehouden. Melk werd verwerkt tot boter en kaas, producten die beter houdbaar en gemakkelijker verhandelbaar waren. Hooi moest in de zomer worden gewonnen voor de winter. Mest werd gebruikt op het land. Een schippers- of ambachtsgezin kon daarom tegelijk agrarische activiteiten hebben. Het beroemde industriële Zaandam ontstond niet in een landschap waar landbouw plotseling verdween. De nieuwe nijverheid werd toegevoegd aan een samenleving waarin vee, hooi, sloten en graslanden nog overal zichtbaar waren.

Visserij en waterschepen

Visserij bleef eveneens belangrijk. De Zaan, het IJ en de verbinding met de Zuiderzee boden toegang tot verschillende visgronden en markten. Vis kon voor het eigen huishouden worden gebruikt, worden verkocht of verder worden vervoerd. In de bredere Hollandse visserijwereld werden ook waterschepen gebruikt, vaartuigen met een bun waarin vis levend kon worden vervoerd. Niet ieder waterschip uit deze periode was Zaandams, maar zulke schepen horen wel bij de maritieme wereld waarin Zaandamse schippers functioneerden. Visserij, transport en handel liepen daardoor gemakkelijk in elkaar over.

Vanaf circa 1590 — steeds meer Zaanse schippers

Vanaf ongeveer 1590 wordt de groei van de Zaanse scheepvaart duidelijker zichtbaar. Voor de bredere periode 1590–1620 worden in onderzoek ongeveer 159 Zaanse schippers genoemd. Dat cijfer hoort dus niet uitsluitend bij de jaren vóór 1593, maar het maakt duidelijk welke ontwikkeling toen op gang kwam. Schippers verbonden de Zaan met Amsterdam, Waterland, West-Friesland en verder gelegen gebieden. Sommigen voeren naar de Noord- en Oostzee. Een schip vertegenwoordigde kapitaal en kon in parten worden bezeten. Daarmee ontwikkelde zich een economie waarin schippers steeds vaker ook ondernemer, mede-eigenaar of investeerder konden zijn.

Namen moeten aan plaats en bron worden gekoppeld

Juist vanaf de jaren 1580 en 1590 moeten in het verhaal steeds meer concrete bewoners verschijnen. Maar alleen wanneer de bron dat toelaat. Een naam hoort pas als Zaandammer te worden opgevoerd wanneer een aantoonbare relatie bestaat met huis, erf, straat, schip, werf, beroep of boedel. Dat onderscheid is belangrijk. Een bekende Zaanse ondernemer uit 1620 mag niet zonder bewijs in 1590 worden geplaatst. Waar namen ontbreken, blijft daarom de anonieme schipper, timmerman of weduwe zichtbaar. Waar een akte of register wel een naam noemt, moeten ook beroep, gezin, locatie en jaartal zoveel mogelijk worden toegevoegd.

Rond 1590 — de Hoge Horn

Rond 1590 ontwikkelde de Hoge Horn zich tot een belangrijk vroeg scheepsbouwgebied. Voor deze fase worden negen scheepswerven genoemd. Dat is veelzeggend, want de mechanische houtzagerij stond nog aan het begin. De scheepsbouw was dus al vóór de grote houtzaagmolenexpansie sterk genoeg om een concentratie van werven te dragen. Op een werf moesten scheepstimmerlieden, knechten en leveranciers samenwerken. Er was ruimte nodig voor hout, hellingen en opslag. Smeden leverden ijzerwerk, terwijl touw, zeilen, pek en teer noodzakelijk waren om een schip uiteindelijk bruikbaar te maken.

Hout vóór de zaagmolen

Tot in de jaren 1580 en vroege jaren 1590 werd veel hout nog met de hand gezaagd. Grote balken werden door menselijke spierkracht tot planken verwerkt. Dat was zwaar en tijdrovend werk. De groei van woningbouw, scheepsbouw en handel vergrootte de vraag naar gezaagd hout. Het hout zelf kwam uit verschillende gebieden. Een deel bereikte Holland via Rijn en Dordrecht; ander hout kwam via Noord- en Oost-Europese handelsroutes. Amsterdam was een belangrijke overslagplaats, maar Zaanse schippers en kooplieden maakten eveneens deel uit van die handelswereld. Hout werd steeds meer de grondstof waarop andere Zaanse activiteiten rustten.

Pek, teer en ijzer

Scheepsbouw betekende meer dan hout alleen. Smeden maakten bijlen, zagen, nagels, bouten en beslag. Touwmakers leverden touwwerk en breeuwers dichtten naden. Teer, pek en harpuis werden gebruikt om hout en touwwerk te beschermen en schepen waterdicht te houden. Deze materialen waren vaak afkomstig uit internationale handelsketens. Daarmee werd een Zaans schip al vroeg een samengesteld product waarin plaatselijke arbeid en buitenlandse grondstoffen samenkwamen. De groei van de scheepsbouw trok dus niet slechts timmerlieden aan. Zij stimuleerde een hele kring van gespecialiseerde ambachten en leveranciers.

Vrouwen in de herstelperiode

Tussen 1578 en 1593 rustte veel economische continuïteit op vrouwen. Wanneer een schipper onderweg was, bleef thuis iemand achter die kinderen, voedsel, vee, geld en soms zakelijke contacten beheerde. Vrouwen verwerkten melk, maakten en herstelden kleding, verzorgden voorraden en konden goederen verkopen. Wanneer een echtgenoot stierf, konden zij tijdelijk of langdurig verantwoordelijk worden voor bezit en schulden. In officiële stukken zijn mannen vaak zichtbaarder, maar het dagelijks functioneren van een schippers- of ambachtsgezin was zonder vrouwenarbeid onmogelijk. Het herstel van Zaandam was daarom ook herstel van duizenden kleine huishoudelijke handelingen.

Kinderen van de jaren 1580

Een kind dat rond 1580 langs de Zaan opgroeide, leefde midden tussen werk en water. Het hoorde hamers en zagen, zag schuiten laden en lossen en hielp mogelijk met het verzorgen van dieren. Jongens konden later in de leer gaan bij een timmerman, smid of schipper. Meisjes leerden werkzaamheden die nodig waren om huishouden en familiebedrijf draaiende te houden. Dat betekende niet dat ieders levensloop vastlag, maar arbeid begon vroeg. Kennis werd niet alleen in formele leercontracten overgedragen. Kinderen leerden door dagelijks te kijken, helpen en meewerken.

Religieuze verandering na 1578

Na de politieke veranderingen van 1578 veranderde ook het religieuze landschap. De gereformeerde kerk kreeg een steeds sterkere openbare positie. Katholieken moesten zich aanpassen aan nieuwe verhoudingen. Tegelijk zouden in de Zaanstreek doopsgezinde gemeenschappen steeds belangrijker worden. In de periode tot 1593 stond hun latere economische invloed nog maar aan het begin, maar religieuze netwerken speelden al een rol bij huwelijk, zorg, vertrouwen en onderlinge steun. In een samenleving zonder moderne sociale zekerheid waren familie, kerk en buren cruciaal wanneer iemand ziek werd, overleed of zijn inkomen verloor.

Armoede bleef dichtbij

De groei na 1578 betekende niet dat iedereen welvarender werd. Eén ziekte, een verloren schip, een slechte vangst of het overlijden van een kostwinner kon een gezin in problemen brengen. Vooral weduwen met jonge kinderen en ouderen zonder bezit waren kwetsbaar. Armenzorg kwam van familie, kerkelijke instellingen en lokale gemeenschappen. De herinnering aan de verwoesting van 1573 was bovendien nog vers. Sommige gezinnen konden bezit en handel snel herstellen, andere hadden daar jaren voor nodig. Het Zaandam van de jaren 1580 was daarom tegelijk een plaats van herstel, nieuwe kansen én blijvende onzekerheid.

1585–1590 — Amsterdam groeit snel

Na 1585, toen Antwerpen in Spaanse handen viel, nam de betekenis van Amsterdam in de Noord-Nederlandse handel verder toe. Kooplieden, kapitaal, kennis en handelsnetwerken verplaatsten zich in toenemende mate naar het noorden. Voor Zaandam was dat belangrijk. De nabijgelegen stad had meer schepen, hout, brandstof, voedsel en vervoersdiensten nodig. Zaandam beschikte over ruimte langs het water, vakmensen en een bevolking die gewend was te varen. Daarmee werd de economische relatie tussen Amsterdam en de Zaan steeds intensiever. Die nabijheid bood enorme kansen, maar zou later ook spanningen veroorzaken wanneer Amsterdam de Zaanse concurrentie probeerde te beperken.

Rond 1590 — een ander Zaandam dan in 1573

Rond 1590 was Zaandam duidelijk veranderd. De verwoestingen van 1573 bepaalden niet langer het straatbeeld zoals onmiddellijk na de oorlog. Woningen waren herbouwd, scheepvaart was hersteld en langs de Hoge Horn lagen meerdere werven. Hout werd in toenemende hoeveelheden aangevoerd en verwerkt. Schippers verbonden de Zaan met verder gelegen markten. Toch was de productie nog sterk afhankelijk van menselijke spierkracht. Vooral het zagen van grote hoeveelheden hout vormde een knelpunt. Juist daar zou binnen enkele jaren een technische vernieuwing verandering in brengen.

1593 — Cornelis Corneliszoon van Uitgeest

Rond 1593 ontwikkelde Cornelis Corneliszoon van Uitgeest een toepassing waarbij een krukas de draaiende beweging van een windmolen kon omzetten in de op-en-neergaande beweging van een zaagraam. Hij was geen Zaandammer en moet niet als zodanig worden voorgesteld. Zijn betekenis voor Zaandam ligt in de technische mogelijkheid die zijn uitvinding bood. Waar voorheen veel menselijke arbeid nodig was om balken tot planken te zagen, kon windkracht voortaan steeds meer werk overnemen. Dat was precies wat een streek met groeiende scheepsbouw en grote houtbehoefte nodig had.

1593 — geen begin, maar versnelling

Het jaar 1593 was daarom geen absoluut beginpunt van de Zaanse economische ontwikkeling. Alles wat de nieuwe techniek nodig had, bestond al: schippers, scheepsbouwers, houtaanvoer, smeden, touwmakers, waterwegen, werven en een grote markt vlakbij. De uitvinding van Cornelis Corneliszoon maakte het mogelijk die bestaande economie sterk te versnellen. De Zaandammers hoefden niet te leren leven van water, hout en scheepvaart. Dat deden zij al generaties. Wat vanaf 1593 veranderde, was vooral de schaal waarop hout kon worden verwerkt en daarmee uiteindelijk ook de schaal waarop werven en andere bedrijven konden groeien.

Van 1573 naar 1593

Tussen 1573 en 1593 liggen slechts twintig jaar, maar voor Zaandam betekenden zij een enorme overgang. In 1573 brandden tientallen woningen en lag de nederzetting midden in een oorlogsgebied. Op 13 juli 1573 viel Haarlem, op 8 oktober 1573 werd Alkmaar ontzet, op 31 mei 1574 sneuvelde Govert ’t Hoen en op 8 november 1576 bood de Pacificatie van Gent voorzichtig uitzicht op rust. Op 26 mei 1578 veranderde de Alteratie van Amsterdam vervolgens de politieke omgeving van Zaandam fundamenteel.

Na 1578 volgden herstel en groei. Rond 1590 lagen aan de Hoge Horn al meerdere scheepswerven en nam de betekenis van Zaanse schippers toe. Amsterdam groeide en vroeg steeds meer hout, schepen, voedsel en vervoer. De bevolking aan de Zaan combineerde landbouw, visserij, scheepvaart, ambacht en handel. Toen rond 1593 de krukastoepassing van Cornelis Corneliszoon van Uitgeest het mechanisch zagen van hout mogelijk maakte, kwam die techniek terecht in een gemeenschap die er economisch vrijwel op voorbereid was. Daarmee begon het volgende hoofdstuk: 1593–1609 — de eerste industriële doorbraak.

3. 1593–1609 — De eerste industriële doorbraak

15 december 1593 — de krukas krijgt octrooi

Op 15 december 1593 kreeg Cornelis Corneliszoon van Uitgeest octrooi op zijn vinding om met behulp van een krukas de draaiende beweging van een windmolen om te zetten in een heen-en-weergaande beweging. Daardoor kon een zaagraam mechanisch worden aangedreven. Cornelis werkte zijn idee onder meer uit met zijn zwager Dirck Pietersz. Voor Zaandam was deze technische verandering van enorme betekenis. Hout werd er al gebruikt voor woningen, schuiten en schepen, maar het zagen van balken tot planken kostte met handzagen veel arbeid. Windkracht kon dat productieproces ingrijpend versnellen.

1593–1596 — van uitvinding naar bedrijf

Een octrooi betekende nog niet dat langs de Zaan onmiddellijk tientallen zaagmolens verschenen. Eerst moest blijken dat de constructie werkelijk bruikbaar en winstgevend was. Cornelis Corneliszoon probeerde zijn vinding aan de man te brengen. Amsterdam toonde aanvankelijk weinig belangstelling; daar vormden de belangen van de traditionele houtzagers een belemmering voor mechanisering. Voor de Zaanstreek lagen de omstandigheden anders. Er was wind, water, ruimte, houtaanvoer en een reeds groeiende scheepsbouw. Daardoor ontstond juist hier een omgeving waarin een houtzaagmolen veel gemakkelijker onderdeel kon worden van een bestaande bedrijfsketen.

Voorjaar 1596 — Dirck Sijbrandsz. verschijnt

In het voorjaar van 1596 kwam de Zaandammer Dirck Sijbrandsz. in beeld. Hij kocht de vroege houtzaagmolen die bekend zou worden als Het Juffertje en liet hem naar Zaandam brengen. De bronnen over de precieze fasering verschillen enigszins; daarom moeten 1596, de daaropvolgende verbetering en het eveneens genoemde 1599 niet zonder toelichting als één gebeurtenis worden behandeld. Zeker is dat Dirck Sijbrandsz. een sleutelpersoon werd in de overdracht van Cornelis Corneliszoons techniek naar de Zaan. Daarmee krijgt de eerste industriële doorbraak ook een echte Zaandamse ondernemer als gezicht.

1596–1599 — Het Juffertje wordt verbeterd

Dirck Sijbrandsz. nam de vinding niet eenvoudig over. Hij verbeterde en vergrootte Het Juffertje en maakte de constructie geschikt voor zwaardere en productievere houtzagerij. Volgens de overlevering en latere reconstructies werd het aantal zaagramen sterk uitgebreid. Rond 1599 was duidelijk geworden dat mechanisch zagen niet slechts een technisch experiment was. Het kon onderdeel worden van een werkelijk bedrijf. Handzagers verdwenen daarmee niet onmiddellijk. Jarenlang zouden handzagen en windzagen naast elkaar bestaan. Maar de productiviteit van de windmolen wees de richting waarin de Zaanse houtverwerking zich verder zou ontwikkelen.

Rond 1600 — hout uit een veel grotere wereld

Rond 1600 nam de vraag naar timmerhout verder toe. Amsterdam groeide en had hout nodig voor huizen, pakhuizen, kaden en schepen. De Zaanse werven vroegen eveneens steeds grotere hoeveelheden balken en planken. Hout bereikte Holland via verschillende routes. Rijnhout kon via Dordrecht worden aangevoerd; uit Noord- en Oost-Europa kwamen andere houtsoorten via de zeehandel. Havens als Gdańsk, Königsberg en Riga maakten deel uit van die grotere handelswereld. Zo werd een boom die honderden kilometers van Zaandam was gekapt uiteindelijk door Zaanse handen verwerkt tot plank, huisonderdeel of scheepshout.

De schipper achter iedere molen

Zonder schippers kon geen houtzaagmolen draaien. Balken moesten worden aangevoerd en gezaagd hout weer naar werven, bouwplaatsen en klanten worden vervoerd. Voor de bredere periode 1590–1620 zijn ongeveer 159 Zaanse schippers teruggevonden. Niet al deze mannen woonden in Zaandam en niet ieder schip voer op dezelfde route, maar het aantal toont de omvang van de maritieme wereld waarin de nieuwe houtzagerij ontstond. Een schipper kon bovendien zelf investeren in zijn schip of handelswaar. De scheepsvaart vormde daardoor niet alleen transport, maar ook een belangrijke bron van ondernemerschap en kapitaal.

Hoge Horn — werven vóór de molenexplosie

De Hoge Horn was al rond 1590 een belangrijk scheepsbouwgebied geworden. Voor die vroege fase worden negen werven genoemd. Dat betekent dat Dirck Sijbrandsz. zijn nieuwe zaagtechniek niet naar een plaats zonder afnemers bracht. Er stonden al scheepstimmerlieden klaar die grote hoeveelheden planken konden gebruiken. Op de werven werkten meesters en knechten met bijlen, dissels, boren en zagen. Smeden leverden ijzerwerk; breeuwers maakten rompen waterdicht. De houtzaagmolen versnelde daarmee precies die productieschakel die in een bestaande Zaanse scheepsbouwwereld steeds meer arbeid begon te vragen.

Een schip bleef mensenwerk

Mechanisering betekende niet dat de scheepstimmerman overbodig werd. De molen zaagde hout, maar een scheepsromp moest nog altijd met grote vakkennis worden opgebouwd. De timmerman selecteerde hout op lengte, kromming en sterkte. Kiel, spanten, huidgangen en dekbalken moesten nauwkeurig bij elkaar passen. Een slecht gekozen stuk hout kon later zwakte veroorzaken. Rond hem werkten knechten, smeden, breeuwers, touwmakers en leveranciers. De eerste Zaanse industrialisering was daarom geen vervanging van vakmanschap door machines. Zij maakte het mogelijk dat meer vakmensen met veel grotere hoeveelheden materiaal konden werken.

Pek, teer en harpuis

Met de groei van de scheepsbouw nam ook de behoefte aan teer, pek en harpuis toe. Deze materialen beschermden hout en touwwerk en waren noodzakelijk bij het breeuwen en afwerken van schepen. Veel houtteer kwam uit Noord- en Oost-Europese gebieden met grote dennenbossen. In tonnen werd het via havens en zeewegen naar Holland gebracht. Op de Zaanse werf moest teer worden opgeslagen en soms verwarmd. Daardoor hoorde bij de groeiende scheepsbouw ook een nieuwe wereld van brandgevaar, vuurplaatsen en gespecialiseerde werkruimten. Een Zaans schip bestond daarmee al vroeg uit plaatselijk vakmanschap én internationaal aangevoerde materialen.

1600–1607 — de molen trekt het veld in

De houtzaagmolen had veel wind nodig. Daardoor waren open gebieden aantrekkelijker dan dichtbebouwde dijken. Molens verschenen langs de Zaan en steeds meer aan sloten in het achterland. Daar kon hout per schuit worden aangevoerd. De oude veensloten kregen zo naast hun functie voor afwatering en landbouw een industriële betekenis. Balken lagen in het water, schuiten voeren tussen molen en werf en hout werd langs oevers opgeslagen. Rond 1600–1607 begon daarom niet alleen de productietechniek te veranderen. Ook het landschap veranderde: grasland, sloten, huizen, houtopslag en molens gingen steeds nadrukkelijker één economisch systeem vormen.

1607 — vijf vroege windbrieven

In 1607 werden vijf vroege windbrieven voor zaagmolens in Zaandam, Koog en Zaandijk afgegeven. Die vondst is belangrijk, omdat daarmee vaststaat dat de houtzaagmolen zich al vroeg sneller verspreidde dan lange tijd werd aangenomen. Een windbrief was meer dan een bouwvergunning. Voor het gebruik van de wind moest een ondernemer toestemming verkrijgen en windrecht betalen. Een molen vertegenwoordigde dus techniek, grond, kapitaal én een juridisch recht. De bekende windbrieven laten zien dat rond 1607 verschillende ondernemers bereid waren geld in mechanische houtverwerking te steken.

1607–1608 — Zaandam wordt hoorbaar anders

Tegen 1607–1608 moet de verandering steeds beter zichtbaar en hoorbaar zijn geworden. Zaagmolens draaiden wanneer de wind gunstig was. Zaagramen bewogen op en neer, tandwielen kraakten en schuiten brachten hout aan. Op werven werd gehamerd, geboord en gebreeuwd. Tegelijk stonden er nog boerderijen en woonhuizen en liepen achter de bebouwing koeien in de weilanden. De industrie verving het oudere Zaandam niet ineens. Zij werd ertussen gebouwd. Juist dat mengsel van wonen, landbouw, scheepvaart en mechanische productie werd kenmerkend voor de volgende fase van de Zaanse geschiedenis.

1608 — de Dam wordt een probleem

Het succes van de scheepsbouw maakte een oud obstakel steeds hinderlijker: de Dam in de Zaan. Een groot schip dat op de Binnenzaan werd gebouwd, paste niet door de bestaande sluis. Voor goederen kon overslag een oplossing zijn, maar een complete scheepsromp kon niet worden overgeladen. Naarmate de werven grotere vaartuigen bouwden, werd dit probleem dringender. De technische vooruitgang in houtzagerij en scheepsbouw dreigde daardoor juist op een waterstaatkundige barrière vast te lopen. Eind 1608 besloten Zaandammers daarom tot een oplossing die minstens zo kenmerkend voor hun ondernemersgeest was als de houtzaagmolen zelf.

14 december 1608 — Zaandammers vragen om de overtoom

Op 14 december 1608 richtten inwoners van Zaandam die binnen de Dam woonden zich tot dijkgraaf en heemraden. Zij vroegen toestemming om aan het westelijke einde van de Dam een overtoom aan te leggen. Daarover moesten schepen kunnen worden getrokken die aan de Binnenzaan waren gebouwd maar niet door de sluis pasten. Belangrijk is dat het verzoek niet alleen hun eigen schepen betrof. Ook schepen uit de achterliggende dorpen moesten gebruik kunnen maken van de voorziening. De overtoom was dus vanaf het begin bedoeld als regionale infrastructuur voor de groeiende scheepsbouw.

17 december 1608 — het contract ligt er

Slechts drie dagen later, op 17 december 1608, werd het contract voor de overtoom opgesteld. Daarin werd geregeld hoe de installatie mocht worden gebouwd en welke spillen of kaapstanders konden worden gebruikt om zware scheepsrompen over de Dam te trekken. De snelheid tussen verzoek en contract laat zien hoe urgent het probleem was geworden. De Zaanse scheepsbouw had inmiddels een schaal bereikt waarbij een ontoereikende doorgang naar het IJ de verdere groei werkelijk kon afremmen. Waterstaat, techniek en economische ontwikkeling kwamen op deze paar decemberdagen rechtstreeks bij elkaar.

4. 1609–1621 — Overtoom, scheepvaart en groei

1609 — de grote overtoom komt in gebruik

In 1609 werd de Zaandamse overtoom aangelegd en in gebruik genomen. Een complete scheepsromp kon nu uit de Binnenzaan worden getrokken, over de Dam worden gewonden en aan de kant van de Voorzaan opnieuw te water worden gelaten. Sterke touwen, spillen, houten banen en veel mankracht waren daarvoor nodig. Vervolgens kon het schip richting IJ worden gebracht en verder worden afgebouwd of uitgerust. Dankzij deze voorziening konden langs de Binnenzaan werven ontstaan waar grotere zeewaardige vaartuigen werden gebouwd. De Dam bleef bestaan, maar Zaandam had zijn economische betekenis volledig veranderd.

1609–1613 — grotere schepen, grotere belangen

Na 1609 konden de scheepsbouwers boven de Dam een veel ruimere markt bedienen. Het bouwen van grotere schepen vroeg meer hout, meer arbeidskracht en meer toeleveranciers. Een romp die over de overtoom ging vertegenwoordigde een aanzienlijke investering. Hout, lonen en materiaal waren al betaald voordat het schip uiteindelijk op het IJ terechtkwam. Daardoor werden betrouwbaarheid, krediet en samenwerking steeds belangrijker. Zaandam groeide van een plaats waar veel schuiten en kleinere vaartuigen werden gemaakt naar een productiegebied waar ook zeegaande schepen konden worden gebouwd. Rond 1610 wordt die ontwikkeling duidelijk zichtbaar.

1613 — beide zijden moeten samenwerken

Vanaf 1613 bestond gedurende een periode een gezamenlijk Zaandams bestuur. Oost- en Westzaandam bleven juridisch verbonden aan verschillende bannen, maar het dagelijks functioneren van de nederzetting vroeg steeds meer gezamenlijke oplossingen. De Dam, overtoom, sluizen, handel en scheepvaart verbonden beide zijden voortdurend. Een schip dat aan de ene zijde was gebouwd kon afhankelijk zijn van arbeiders, leveranciers of kapitaal van de andere zijde. De economische eenheid liep dus steeds sterker vooruit op de bestuurlijke werkelijkheid. Dat zou later belangrijk worden toen Oost- en Westzaandam uiteindelijk ieder een eigen bestuur kregen.

26 juni 1614 — Dirck Sijbrandsz. opnieuw vooraan

Op 26 juni 1614 kreeg Dirck Sijbrandsz. een windbrief voor De Grauwe Beer. Daarmee verschijnt dezelfde Zaandammer die bij Het Juffertje betrokken was opnieuw op een cruciaal moment. De Grauwe Beer was een zware bovenkruier en geldt als een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling van de mechanische houtzagerij. Voor het windrecht moest Dirck Sijbrandsz. jaarlijks een hoger bedrag betalen dan voor veel kleinere zaagmolens. Dat wijst erop dat hier een aanzienlijk bedrijf stond. De pionier van 1596 was in 1614 dus nog altijd actief bezig de zaagtechniek te verbeteren en op te schalen.

Dirck Sijbrandsz. als ondernemer

Dirck Sijbrandsz. is daardoor meer dan een naam bij één beroemde molen. Zijn loopbaan laat zien hoe de eerste generatie Zaanse ondernemers experimenteerde, verbeterde en opnieuw investeerde. Hij nam de vinding van Cornelis Corneliszoon over, werkte Het Juffertje verder uit en liet vervolgens De Grauwe Beer bouwen. In 1621 blijkt hij bovendien windgeld voor een periode van zeven jaar te hebben betaald. Achter de technische vooruitgang zat dus een ondernemer die jarenlang geld, tijd en ervaring in houtzagerij stopte. Juist zulke personen maken zichtbaar hoe de industriële groei werkelijk tot stand kwam.

1614–1618 — meer hout door de Zaan

Met molens als De Grauwe Beer nam de behoefte aan hout verder toe. Balken moesten worden gekocht, aangevoerd, opgeslagen en gesorteerd. Houtkopers, schippers en molenbezitters werden daardoor steeds nauwer van elkaar afhankelijk. Een molen zonder voldoende grondstof leverde niets op; een scheepswerf zonder planken kwam stil te liggen. De Zaan en de achterliggende sloten werden de transportbanden van deze economie. Grote balken konden in het water worden opgeslagen en kleinere schuiten brachten hout naar molens en werven. Het bestaande waterlandschap werd zo steeds intensiever ingericht voor productie.

Geld achter schip en molen

Een houtzaagmolen of zeeschip was voor één gemiddeld huishouden een grote investering. Daardoor werd samenwerking belangrijk. Schepen konden in parten worden bezeten. Verschillende personen deelden dan kapitaal, risico en mogelijke winst. Ook binnen families konden bezittingen en krediet worden gecombineerd. Een schipper kon mede-eigenaar zijn van het schip waarop hij voer, maar dat was niet noodzakelijk. Reder, schipper en investeerder konden verschillende personen zijn. Zo ontstond achter de zichtbare wereld van molenwieken en scheepsrompen een minder zichtbare wereld van rekeningen, schulden, familievermogen, vertrouwen en krediet.

1 juni 1619 — Maerten Cornelisz. krijgt een windbrief

Op 1 juni 1619 kreeg de in Zaandam wonende Maerten Cornelisz. een windbrief voor een zaagmolen in de Banne Westzaan. De precieze standplaats wordt in de registratie niet genoemd, maar omdat Maerten in Zaandam woonde, ligt een Zaandamse locatie voor de hand. Zijn naam is belangrijk omdat hij laat zien dat Dirck Sijbrandsz. inmiddels allang niet meer de enige ondernemer in deze bedrijfstak was. De houtzaagmolen verspreidde zich over steeds meer eigenaren. Voor Maertens molen moest jaarlijks windpacht worden betaald. Zo werd zelfs de wind onderdeel van de bedrijfsrekening.

1619 — ook Jochem Pietersz. investeert

Ongeveer drie maanden na Maerten Cornelisz. kreeg ook zijn Zaandamse dorpsgenoot Jochem Pietersz. een windbrief voor een zaagmolen in dezelfde bredere bestuurlijke omgeving. Ook bij hem is de exacte plek door de globale omschrijving in de bron niet volledig vast te stellen. De namen van Maerten en Jochem zijn juist daarom waardevol. Zij vertegenwoordigen die vroege groep Zaanse molenondernemers waarvan de bedrijven later vaak uit beeld zijn verdwenen. Hun molens kregen mogelijk nooit een bewaard gebleven eigennaam, maar zij droegen wel bij aan de snelle uitbreiding van de houtzagerij rond 1620.

1619–1620 — vier zaagmolens zijn slechts het zichtbare deel

Onderzoek naar Westzaandam heeft vóór 1620 slechts een beperkt aantal zaagmolens met zekerheid kunnen lokaliseren, maar windbrieven en andere registraties wijzen erop dat de werkelijke ontwikkeling groter was. Molennamen waren nog niet altijd gebruikelijk en standplaatsen werden soms slechts als “Banne Westzaan” omschreven. Daardoor verdwijnen ondernemers en bedrijven gemakkelijk uit het latere beeld. De namen van Dirck Sijbrandsz., Maerten Cornelisz. en Jochem Pietersz. laten zien dat achter het woord “molenbouw” een groeiende groep individuele investeerders zat.

1620 — ook een vrouw verschijnt als moleneigenaar

In 1620 verschijnt bij een vroege Zaanse zaagmolen de naam Marij Pieters als eigenaresse. De precieze geschiedenis en naamgeving van die molen zijn niet op alle punten zeker, maar haar vermelding is belangrijk. Zij laat zien dat molenbezit niet uitsluitend door mannen werd gedragen. Vrouwen konden via huwelijk, erfenis of eigen bezit deel uitmaken van de ondernemerswereld. Daarmee wordt de economische geschiedenis van Zaandam concreter. Achter de groei stonden niet uitsluitend de mannen die als schipper, timmerman of molenbouwer in de bronnen verschijnen; ook vrouwen konden kapitaal en bedrijfsbezit beheren.

Arbeid trekt nieuwe mensen aan

Tegen 1620 hadden molens, werven en transportbedrijven steeds meer arbeidskrachten nodig. Scheepstimmerlieden, molenknechten, zagers, smeden, breeuwers, touwmakers en losse arbeiders konden uit omliggende dorpen naar Zaandam komen. Daarmee veranderde ook de bevolking. De economische groei betekende meer woningen, dichter bebouwde dijken en nieuwe verbindingen tussen families. Een knecht kon na jaren ervaring zelf ondernemer worden; een schipper kon investeren in een schip; een timmerman kon via familie en krediet een eigen werf beginnen. Arbeidsmigratie en sociale stijging werden zo onderdeel van hetzelfde proces als molenbouw en scheepvaart.

Water wordt steeds kostbaarder

Door al die activiteit kreeg water steeds meer economische waarde. Een geschikte sloot gaf toegang tot een molen. Een erf aan de Zaan was interessant voor opslag, overslag of scheepsbouw. Balkenhavens namen ruimte in en schepen moesten kunnen manoeuvreren. Tegelijk moesten dijken en sluizen de streek veilig houden. Ondernemers wilden gemakkelijk varen; waterstaatsbestuurders moesten zorgen dat economische ingrepen de afwatering niet beschadigden. De overtoom van 1609 had al laten zien dat industrie en waterstaat niet los van elkaar konden bestaan. Naarmate Zaandam groeide, werd die relatie alleen maar ingewikkelder.

1621 — het succes veroorzaakt weerstand

In 1621 was de Zaanse groei zo zichtbaar geworden dat Amsterdam steeds nadrukkelijker naar de concurrentie aan de overzijde van het IJ keek. De relatie bleef dubbel. Amsterdam leverde kapitaal, klanten en internationale verbindingen waarvan Zaandam sterk profiteerde, maar Zaanse ondernemers konden hout en schepen buiten de Amsterdamse gilden en stedelijke beperkingen produceren. Precies daarin lag een spanningsveld. Een ontwikkeling die na 1593 als technische vernieuwing was begonnen, was rond 1621 uitgegroeid tot een economische factor waarmee de grootste handelsstad van Holland rekening moest houden.

Van 15 december 1593 tot 1621

De veranderingen zijn aan personen en data te volgen. Op 15 december 1593 kreeg Cornelis Corneliszoon van Uitgeest zijn octrooi. In het voorjaar van 1596 bracht Dirck Sijbrandsz. Het Juffertje naar de Zaanse wereld en verbeterde de techniek. Op 14 december 1608 vroegen Zaandammers om een overtoom; op 17 december lag het contract er en in 1609 werd de voorziening gebruikt. Op 26 juni 1614 kreeg Dirck Sijbrandsz. de windbrief voor De Grauwe Beer.

Daarna werd de groep ondernemers breder. Op 1 juni 1619 kreeg Maerten Cornelisz. een windbrief voor een zaagmolen en enkele maanden later volgde Jochem Pietersz. In 1620 verschijnt Marij Pieters als vrouwelijke moleneigenaar. Zo wordt duidelijk wat tussen 1593 en 1621 werkelijk gebeurde: niet één uitvinder of één beroemde molen maakte Zaandam industrieel. Een groeiende groep uitvinders, molenbouwers, eigenaren, schippers, timmerlieden, vrouwen, investeerders en arbeiders maakte van een technische mogelijkheid een compleet productiesysteem.

In 1621 begon daarom een nieuwe fase. De Zaanse houtzagerij en scheepsbouw waren inmiddels zo belangrijk dat Amsterdam maatregelen ging nemen om de groei te beperken. Daar verschijnen vervolgens weer nieuwe concrete namen, onder wie Cornelis Pietersz., Jan IJsbrantsz. en Pieter Ghijsen. Zij horen echter in het volgende tijdvak en worden niet kunstmatig naar de jaren vóór 1621 teruggetrokken.

5. 1621–1630 — Amsterdam tegenover de Zaanse groei

1621 — Zaandam wordt Amsterdam te succesvol

In 1621 was de Zaanse scheepsbouw groot genoeg geworden om in Amsterdam als serieuze concurrent te worden gevoeld. Het Amsterdamse stadsbestuur verbood zijn ingezetenen dat jaar schepen buiten de stad te laten repareren. Vooral de Zaanse werven lagen daarbij voor de hand als concurrent. De maatregel laat zien hoe sterk de verhoudingen sinds 1590 waren veranderd. Zaandam was niet langer alleen leverancier van schippers, hout en kleine vaartuigen. Werven langs Binnenzaan, Hogendijk en Voorzaan konden inmiddels werk aantrekken dat Amsterdam liever binnen zijn eigen economie hield. Groei en tegenwerking gingen vanaf dit moment steeds duidelijker samen.

1621 — de Binnenzaan raakt te vol

In hetzelfde 1621 ontstond een ander probleem dat juist uit het Zaanse succes voortkwam. Werven en andere bedrijven bouwden steeds verder naar het water uit, waardoor de Binnenzaan vernauwde. Er werd daarom bij de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Friesland om de aanstelling van rooimeesters gevraagd. Zij moesten toezicht houden op de rooilijnen en voorkomen dat individuele ondernemers zoveel Zaanwater in beslag namen dat de vaarweg werd belemmerd. De industrie moest dus letterlijk worden begrensd. Dat is een belangrijk omslagpunt: ruimte aan het water was inmiddels zo kostbaar geworden dat particuliere bedrijfsbelangen en het gemeenschappelijke belang van de scheepvaart met elkaar botsten.

Na 1621 — de Zaan als fabrieksterrein

De rooimeesters konden niet verhinderen dat de oevers steeds intensiever werden gebruikt. Een erf aan de Zaan bood enorme voordelen. Hout kon rechtstreeks uit het water worden gehaald, schepen konden vanaf een helling te water lopen en zware goederen hoefden nauwelijks over land te worden vervoerd. Ondernemers vergrootten daarom hun erven en maakten gebruik van buitendijkse grond. Achter de dijken liepen sloten het veen in, waarlangs molens bereikbaar waren. Zo ontstond geen netjes afgebakend industriegebied, maar een uitgestrekt productielandschap waarin woning, erf, sloot, molen, houtopslag, werkplaats en scheepswerf voortdurend in elkaar overgingen.

1621–1627 — Amsterdam én Zaandam hebben elkaar nodig

De Amsterdamse beperkingen betekenden niet dat beide plaatsen economisch van elkaar werden afgesneden. Integendeel. Amsterdamse houtkopers hadden behoefte aan snel en goedkoop gezaagd hout. Amsterdamse reders hadden schepen, reparaties en materialen nodig. Zaandam kon juist groeien doordat de enorme Amsterdamse markt vlakbij lag. De tegenstelling liep daarom dwars door Amsterdam zelf. Ambachtsgilden wilden hun arbeid beschermen, terwijl kooplieden en ondernemers voordeel hadden bij goedkopere Zaanse productie. Amsterdam was tegelijkertijd markt, financier, opdrachtgever én concurrent van Zaandam. Dat spanningsveld zou in 1627 opnieuw zichtbaar worden.

1627 — opnieuw beperkingen op Zaanse scheepsreparatie

In 1627 herhaalde Amsterdam het verbod aan zijn ingezetenen om scheepsreparaties buiten de stad te laten verrichten. Dat zo'n bepaling na 1621 opnieuw nodig werd gevonden, zegt veel. Kennelijk bleef het aantrekkelijk om werk aan Zaanse werven uit te besteden. De Zaanse scheepsbouwers konden goedkoper produceren, beschikten over ruimte en profiteerden van machinaal gezaagd hout. Tegelijkertijd waren er in de Zaanstreek geen stedelijke gilden die de mechanisering op dezelfde manier konden tegenhouden als in Amsterdam. Juist het plattelandskarakter dat Zaandam bestuurlijk beperkte, bood economisch een onverwacht voordeel.

1627 — het Amsterdamse handzagersgilde verdwijnt

Ook in 1627 gebeurde iets dat de verhoudingen opnieuw veranderde: het Amsterdamse handzagersgilde werd opgeheven. Jarenlang hadden de handzagers de invoering van windhoutzaagmolens in Amsterdam afgeremd. Ondertussen hadden Zaandam en de rest van de Zaanstreek een aanzienlijke voorsprong opgebouwd. Amsterdam kon niet eindeloos blijven vasthouden aan handmatig zagen terwijl de vraag naar bouw- en scheepshout bleef stijgen. De opheffing van het gilde was daarom indirect een erkenning van het succes van de techniek die aan de Zaan al tientallen jaren werd toegepast.

9 augustus 1627 — Cornelis Pietersz.

Op 9 augustus 1627 kreeg Cornelis Pietersz. uit Westzaandam een windbrief voor een nieuwe houtzaagmolen. Hij bouwde die op zijn eigen erf. Aan de oostzijde grensde zijn bezit aan dat van Claes Pietersz. Ghijsen en aan de noordzijde aan dat van Jacob Claesz. Noomen. Daarmee krijgen we uitzonderlijk concreet zicht op een klein stukje van de vroege Molenbuurt: niet alleen een molen, maar drie bij naam bekende grondbezitters naast elkaar. Cornelis moest jaarlijks drie gulden windrecht betalen.

9 augustus 1627 — Jan IJsbrantsz.

Diezelfde dag, 9 augustus 1627, kreeg ook Jan IJsbrantsz. uit Westzaandam een windbrief voor een houtzaagmolen. Zijn erf grensde in het noorden aan dat van Guerte Claesdochter en in het westen aan Jan Cornelisz. Slom. Jan Cornelisz. was samen met zijn broer Jacob Cornelisz. Slom en de Zaanse houthandelaar Pieter Ghijsen betrokken bij de papiermolen De Kauwer of Grauwe Papierbaal. Hier zien we hoe dicht verschillende ondernemingen bij elkaar kwamen te liggen: houtzagerij, papierfabricage, grondbezit en handel raakten ruimtelijk én financieel met elkaar verweven.

20 april 1628 — windrecht wordt schuld en onderpand

Op 20 april 1628 werd voor de molen van Cornelis Pietersz. een verbandakte opgemaakt waarin zijn jaarlijkse windrecht werd vastgelegd. Ook voor Jan IJsbrantsz. werd het windrecht formeel geregeld. Zo'n akte maakt duidelijk dat een molen niet alleen een houten machine met wieken was. Hij maakte deel uit van een juridische en financiële wereld. Een ondernemer kreeg het recht de wind te benutten, maar moest daarvoor betalen en verplichtingen aanvaarden. De officiële registratie van Cornelis Pietersz. is ook bewaard gebleven in de archieven van de Hollandse Rekenkamer.

14 maart 1629 — Garrebrant Jansz.

Aan de oostelijke zijde van Zaandam verschijnt kort daarna opnieuw een concrete ondernemer. Op 14 maart 1629 werd een verbandakte geregistreerd voor Garrebrant Jansz. uit Zaandam, betreffende een windmolen in Zaandam binnen het ambacht Oostzaan. Zijn naam is belangrijk omdat de vroege molengroei niet uitsluitend een Westzaandams verschijnsel was. Aan beide zijden van de Zaan ontstonden bedrijven. Oost- en Westzaandam behoorden juridisch weliswaar tot verschillende bannen, maar economisch maakten hun ondernemers gebruik van hetzelfde water, dezelfde afzetmarkten en dezelfde aanvoerketens.

1629 — Pieter Ghijsen bouwt zijn bedrijf uit

In 1629 stond tegenover het latere Blauwe Arendspad een houtzaagmolen van Pieter Ghijsen, ook geschreven Gijsen. Hij was veel meer dan alleen moleneigenaar. Pieter ontwikkelde zich tot houtkoper, reder en scheepsbouwer en zou een van de belangrijkste Zaandamse ondernemers van de eerste helft van de zeventiende eeuw worden. Zijn zaagmolen stond ten noorden van de Mientensluis. Dat Pieter tegelijk toegang had tot hout, een molen én scheepswerven laat zien waarom Zaanse ondernemers zo concurrerend konden zijn: verschillende stappen van de productieketen konden in één onderneming of familienetwerk worden samengebracht.

Niet De Dikkert

Bij Pieter Ghijsen is een bronkritische correctie noodzakelijk. Zijn houtzaagmolen uit 1629 is in oudere literatuur vereenzelvigd met De Dikkert. Dat kan niet kloppen. Het windrecht van De Dikkert werd pas op 22 oktober 1664 aan Jan Dircksz. Dicker verstrekt en die molen stond bovendien in Koog. Pieter Ghijsens molen van 1629 was dus een andere, waarvan de oorspronkelijke naam niet bekend is. Dit soort correcties is belangrijk: een bekende molennaam mag niet achteraf aan een vroegere onderneming worden vastgemaakt alleen omdat latere leden van dezelfde ondernemersfamilie ermee verbonden waren.

1629 — een kaart laat de oevers zien

Een kaart uit 1629 biedt een momentopname van de ontwikkeling langs de Zaan. Er stonden molens, erven, werven en bedrijfsplaatsen waar enkele tientallen jaren eerder veel minder bebouwing was geweest. Namen van eigenaren maken zichtbaar dat de industriële ontwikkeling niet anoniem verliep. Mensen als Pieter Ghijsen, Jacob Claesz. Noomen, Cornelis Pietersz. en Jan IJsbrantsz. bezaten ieder een stukje van dat veranderende landschap. Achter iedere naam lagen een huishouden, investeringen, familieverbindingen en economische risico's. De Molenbuurt begon daardoor letterlijk een buurt van ondernemers en bedrijven te worden.

1629–1630 — van grondstof tot schip

Rond 1630 begon de kracht van het Zaanse systeem steeds duidelijker te worden. Hout kon internationaal worden ingekocht, per schip naar de streek komen, in balkenhavens worden opgeslagen, in een windmolen worden gezaagd en vervolgens op een nabijgelegen werf worden verwerkt. Smeden leverden ijzer, breeuwers gebruikten teer en pek, touwmakers vervaardigden touwwerk en schippers verzorgden aan- en afvoer. Ondernemers als Pieter Ghijsen konden meerdere schakels combineren. Daardoor was Zaandam niet alleen een verzameling losse molens en werven. Het werd een samenhangend maritiem productiesysteem.

6. 1630–1636 — Van dorp naar industriegebied

1630 — een uitzonderlijke concentratie

Omstreeks 1630 telde Zaandam volgens de beschikbare reconstructies ongeveer 21 scheepswerven. De geschatte gezamenlijke productiecapaciteit bedroeg circa zestig schepen per jaar. Zulke cijfers moeten niet worden gelezen als een exact jaarlijks productiecijfer, maar ze tonen wel de schaal die inmiddels mogelijk was. Rond 1600 was grotere scheepsbouw nog beperkt geweest; dertig jaar later had zich een opvallende concentratie van grootscheepmakerij ontwikkeld. De Zaanse werven bouwden niet alleen voor plaatselijke schippers. De markt reikte inmiddels naar Amsterdam, andere Hollandse steden en steeds verder daarbuiten.

1630 — Amsterdam neemt de Zaanse techniek over

Het succes aan de Zaan had nog een gevolg. In 1630 verenigden 21 Amsterdamse houthandelaren zich in een compagnie om nu ook bij Amsterdam windhoutzaagmolens te laten bouwen. Zij sloten een contract met de molenbouwers Claes Dirksz. Meulen en Frans Dirksz. Meulen, die de molens zouden bouwen en onderhouden. Wat rond 1593 buiten Amsterdam was ontwikkeld en aan de Zaan tot bloei was gekomen, werd nu door Amsterdam zelf omarmd. De Zaanse voorsprong was daarmee zo groot geworden dat de concurrent uiteindelijk dezelfde productiemethode moest overnemen.

1630 — ongeveer 53 houtzaagmolens in de Zaanstreek

Voor de bredere Zaanstreek wordt rond 1630 een aantal van ongeveer 53 zaagmolens genoemd. Dat getal betreft dus nadrukkelijk niet uitsluitend Zaandam. Toch zegt het veel over de omgeving waarin Oost- en Westzaandam functioneerden. Langs Zaan en sloten stond inmiddels een netwerk van houtmolens dat een hoeveelheid gezaagd hout kon leveren die met handarbeid nauwelijks denkbaar was. Zaandamse werven konden daarvan profiteren. De geografische nabijheid van Koog, Zaandijk, Westzaan, Wormerveer en andere Zaanse productieplaatsen maakte het hele gebied economisch sterker dan één dorp afzonderlijk.

1630–1631 — Amsterdam beschermt nu zijn eigen molens

Toen Amsterdam eenmaal zelf houtzaagmolens liet bouwen, veranderde het beleid opnieuw. In 1631 en 1632 kwamen bepalingen tegen het buiten Amsterdam laten zagen van hout en tegen de invoer van reeds gezaagd hout. De stad die de mechanische houtzagerij tientallen jaren had afgeremd, probeerde nu haar eigen nieuwe molenindustrie te beschermen. Voor Zaandam betekende dit dat concurrentie harder werd. Maar de Zaankanters beschikten inmiddels over ervaring, gespecialiseerde arbeidskrachten, werven en waterinfrastructuur die niet eenvoudig konden worden gekopieerd. De voorsprong zat allang niet meer alleen in de zaagmolen.

21 maart 1631 — een eigen weeshuis

De groei had ook sociale gevolgen. Op 21 maart 1631 verleenden de Staten van Holland, na een verzoek van burgemeesters, schepenen en vroedschappen, toestemming voor de oprichting van een weeshuis voor Zaandam. Het octrooi gold voor Oost- én Westzaandam. Dat is belangrijk: terwijl de economie snel industrialiseerde, moesten ook de gevolgen van ziekte, sterfte en ouderloosheid worden opgevangen. Een groeiend productiecentrum had niet alleen werven, molens en ondernemers nodig, maar ook instellingen voor mensen die buiten het economische succes vielen. Het weeshuis werd bovendien nog gezamenlijk door beide delen van Zaandam gedragen.

20 januari 1632 — Oostzaan en Oostzaandam over bestuur

Op 20 januari 1632 richtten de vroedschappen en regenten van Oostzaan en Oostzaandam zich gezamenlijk tot de Staten. Zij klaagden dat de bestuurlijke organisatie steeds moeilijker functioneerde. Volgens de stukken waren er op dat moment 31 vroedschappen, zeven schepenen en vier schotvangers betrokken bij bestuur en rechtspraak. Achter de snelle economische groei zat dus een bestuursstructuur die nog sterk uit oudere dorps- en bansverhoudingen stamde. Het nieuwe industriële Zaandam begon steeds minder goed te passen in de bestuurlijke vormen waarin het eeuwenlang had gefunctioneerd.

1632–1633 — het veld wordt bedrijfsterrein

De industrialisering schoof ondertussen verder van de Zaanoever het veen in. Langgerekte percelen en sloten maakten het mogelijk molens achter de dijk te bouwen. Hout kon per schuit worden aangevoerd en planken konden langs dezelfde route terug naar de werf. Vooral het Westzijderveld werd steeds belangrijker. De oude landbouwkundige verkaveling werd niet vernietigd maar hergebruikt. Een sloot die ooit vooral water uit een veenperceel had afgevoerd, kon nu een transportweg naar een zaagmolen worden. Daardoor groeide Zaandam zonder een vooraf ontworpen industrieplan. Het bestaande landschap werd stap voor stap tot productielandschap omgevormd.

1633 — conflict wordt openlijk

In 1633 liepen bestuurlijke spanningen in Westzaandam zo hoog op dat een drost uit Haarlem met zijn dienaren werd opgeroepen. Er ontstond oproer en ook de baljuw werd bedreigd. In november 1633 werden nog eens tachtig man gestuurd. Deze gebeurtenissen laten zien dat de bestuurlijke veranderingen niet rustig aan een vergadertafel verliepen. Westzaandam was economisch sterk gegroeid maar bleef binnen de Banne Westzaan in een ondergeschikte positie. De tegenstelling tussen economische macht en bestuurlijke zeggenschap begon daardoor steeds scherper te worden.

25 oktober 1633 — nog één gemeenschap

Ondanks zulke conflicten waren Oost- en Westzaandam sociaal nog sterk verweven. Op 25 oktober 1633 verklaarden inwoners van Westzaandam dat beide dorpen gezamenlijk beschikten over een kapel, school, weeshuis en vroemoershuijs, een voorziening rond de vroedvrouw. Oostzaandam betaalde volgens deze verklaring twee derde van de gezamenlijke kosten en Westzaandam één derde. Dat gegeven is belangrijk voor het dagelijkse leven. Terwijl bestuurders ruzieden over bevoegdheden, werden onderwijs, geboortezorg en wezenzorg nog gezamenlijk georganiseerd. Economisch én sociaal vormden beide oevers in veel opzichten nog één leefwereld.

29 november 1633 — ook de kerkelijke scheiding komt dichterbij

Op 29 november 1633 verklaarden gereformeerden in Westzaandam dat zij een eigen kerk wensten. De groei van Westzaandam had dus niet alleen economische en bestuurlijke gevolgen. Ook de kerkelijke infrastructuur begon zich aan te passen aan een grotere bevolking en een sterkere lokale identiteit. De oude gezamenlijke voorzieningen voldeden steeds minder aan alle wensen. Kerk, school, armenzorg en bestuur raakten daardoor met elkaar verweven in het conflict over zelfstandigheid. De scheiding van 1635–1636 kwam niet uit het niets; zij was het resultaat van jaren waarin beide delen van Zaandam economisch groeiden en bestuurlijk uit elkaar begonnen te bewegen.

16 januari 1634 — de armen nog gezamenlijk onderhouden

Een verklaring van 16 januari 1634 vermeldt dat Oost- en Westzaandam hun armen nog gezamenlijk onderhielden. Dat is een klein maar veelzeggend detail. Achter de spectaculaire groei van molens en scheepswerven leefden ook gezinnen die het zonder ondersteuning niet redden. Ziekte, overlijden van een kostwinner, werkloosheid, ouderdom of een mislukte onderneming konden een huishouden snel in moeilijkheden brengen. Armenzorg vormde daarom een noodzakelijk onderdeel van dezelfde samenleving waarin Pieter Ghijsen zijn ondernemingen uitbreidde en houtzagers nieuwe molens bouwden. Groei betekende niet dat armoede verdween.

4 juni 1634 — Maerten Cornelisz. opnieuw in de bronnen

Op 4 juni 1634 treffen we Maerten Cornelisz. uit Zaandam opnieuw aan in de officiële windrechtadministratie, nu met een verbandakte voor een houtzaagmolen te Zaandam. Hij was al in 1619 als vroege molenondernemer naar voren gekomen. Vijftien jaar later stond zijn onderneming dus nog steeds in de administratieve bronnen. Zulke terugkerende namen zijn waardevol omdat zij continuïteit laten zien. De Zaanse industriële ontwikkeling bestond niet uitsluitend uit telkens nieuwe pioniers. Sommige ondernemers bleven tientallen jaren actief, investeerden opnieuw en droegen hun kennis en bezit mogelijk binnen familie- en zakelijke netwerken verder.

7 oktober 1634 — Westzaandam schrijft zelf besluiten op

Op 7 oktober 1634 begonnen de regeerders van Westzaandam op eigen gezag een eigen resolutieboek bij te houden. Dat lijkt administratief, maar het is een duidelijk teken van groeiend zelfbewustzijn. Westzaandam wilde steeds meer eigen zaken regelen. Een gemeenschap met honderden bedrijven, druk scheepvaartverkeer en een groeiende bevolking had dagelijks beslissingen nodig over openbare orde, armenzorg, wegen, water en andere plaatselijke belangen. De economische ontwikkeling trok daardoor bestuurlijke verandering mee. De molenvelden en scheepswerven schiepen uiteindelijk ook een behoefte aan bestuur dat dichter bij die nieuwe economische werkelijkheid stond.

1635 — Pieter Ghijsen nog steeds aan de Zaan

Het Caartboek van 1635 bevestigt dat Pieter Ghijsen nog steeds eigenaar was van zijn houtzaagmolen aan de Westzaandamse Zaanoever. Zijn bedrijf was dus geen kortstondige onderneming uit 1629. Ghijsen ontwikkelde zich verder als houtkoper, reder en een van Zaandams grootste scheepsbouwers. Later werden drie Westzaandamse werven met hem verbonden. Zijn loopbaan laat zien hoe verticale samenhang kon ontstaan: hout kopen, hout zagen, schepen bouwen en deelnemen aan rederij lagen bij één ondernemer dicht bij elkaar. Daardoor konden grote Zaanse ondernemers steeds meer onderdelen van hun eigen productieketen beheersen.

1635 — Jan Jansz. Backer en Dirck Taemisz. Verdoes meten de erven

In 1635 maakten de landmeters Jan Jansz. Backer en Dirck Taemisz. Verdoes het belangrijke Caertboek van de Lengte en Breete der erven, werven en landen, liggende aan de westzijde van de Zaen. Zij werkten op last van hoge bestuurlijke en waterstaatkundige autoriteiten. Op 62 terreinkaarten werden erven, werven, molens en namen van eigenaren vastgelegd. Het kaartboek ontstond mede doordat voortdurend discussie bestond over vergroting van erven ten koste van het Zaanwater. Daardoor kunnen we het industriële landschap van 1635 niet alleen beschrijven, maar op sommige plaatsen bijna perceel voor perceel volgen.

25 juni 1635 — het Hof van Holland beslist

Op 25 juni 1635 kwam een beslissend vonnis van het Hof van Holland. Het Hof beval een volledige scheiding van de huishoudelijke samenwerking tussen Oost- en Westzaandam. Daarmee werd een proces bezegeld dat in de voorafgaande jaren steeds conflictueuzer was geworden. De twee delen hadden lang gezamenlijk kapel, school, weeshuis, vroedvrouwvoorziening en armenzorg gedragen, hoewel zij juridisch al tot verschillende bannen behoorden. Nu werd ook die gezamenlijke huishouding opgebroken. De economische werkelijkheid bleef echter veel minder gemakkelijk te scheiden dan een bestuurlijk besluit suggereerde.

1635–1636 — Westzaandam krijgt een eigen bestuursarchief

Vanaf 1635 begint het afzonderlijke archief van het gemeentebestuur van Westzaandam; voor Oostzaandam begint dat in 1636. Dat betekent niet dat beide plaatsen opeens volledig zelfstandige steden werden. Westzaandam bleef onderdeel van de Banne Westzaan en Oostzaandam van de Banne Oostzaan. Wel gingen steeds meer huishoudelijke en plaatselijke bestuurstaken afzonderlijk functioneren. De bestuurlijke tweedeling die nu zichtbaar werd, zou tot 1811 blijven bestaan, terwijl buitenstaanders beide plaatsen vaak eenvoudig als Saardam of Zaandam bleven aanduiden.

4 april 1636 — de Hoge Raad bevestigt de scheiding

Op 4 april 1636 bevestigde de Hoge Raad het vonnis van het Hof van Holland. Daarmee werd de scheiding definitief. Oost- en Westzaandam moesten vervolgens afspraken maken over voorzieningen, financiën en andere zaken die zij tot dan toe gezamenlijk hadden beheerd. Dit is daarom een veel scherper historisch breekpunt dan alleen “rond 1636”. 25 juni 1635 was de uitspraak van het Hof; 4 april 1636 de bevestiging door de Hoge Raad. Vanaf dat moment begon bestuurlijk een tijdperk van twee Zaandammen, hoewel economisch de scheiding veel minder duidelijk was.

1636 — het Kattegat opent nieuwe ruimte

Juist rond 1636, het jaar van de bestuurlijke scheiding, werd aan de Voorzaan nieuwe ruimte voor bedrijvigheid gewonnen. Moerassige rietlanden bij de Zuiddijk werden geschikt gemaakt voor houtopslag, scheepswerven en andere bedrijven. Het gebied bij het latere Kattegat, aanvankelijk verbonden met de Ooster Hem, bood ruimte die langs oudere dijken steeds moeilijker te vinden was. De expansie van de scheepsbouw verplaatste zich daarmee verder naar de Voorzaan. Dezelfde ontwikkeling zou in 1647 met het Nieuwe Werk en verdere ontginning opnieuw een grote sprong maken, maar dat ligt buiten dit deel.

Hogendijk, Molenbuurt en Kattegat — verschillende productiewerelden

Rond 1636 waren binnen Zaandam verschillende economische zones herkenbaar. Aan Hogendijk en Hoge Horn lag de oude scheepsbouwwereld met werven en toeleveranciers. In en achter de Molenbuurt stonden steeds meer molens en opslagplaatsen. In het Westzijderveld breidde de productie zich via sloten uit. Aan de Zuiddijk en het Kattegat ontstond nieuwe ruimte voor grootschaliger scheepsbouw. Die gebieden stonden niet los van elkaar. Schuiten vervoerden hout van molen naar werf; smeden en andere ambachtslieden leverden onderdelen; schippers brachten materiaal en namen producten weer mee. Zaandam functioneerde steeds meer als één groot productiegebied.

De Krimp en de wereld achter de Hogendijk

Ook achter de Hogendijk veranderde de ruimte. De dijksloot werd plaatselijk verlegd, waardoor de Krimp ontstond en achter de toeleveringsbedrijven grotere erven beschikbaar kwamen. In deze werfwereld werkten onder anderen smeden, blokmakers, mastenmakers, houtsnijders en zeilmakers. Via de Krimpersloot bleven de erven met het water verbonden. Daarmee zien we opnieuw hetzelfde patroon: de groei werd mogelijk doordat Zaandammers het bestaande waterlandschap telkens aanpasten. Een sloot, dijk of buitendijks stuk land was geen statisch gegeven; het kon worden verlegd, opgehoogd of ingericht om nieuwe economische functies mogelijk te maken.

Arbeiders achter de namen van de ondernemers

Naast Pieter Ghijsen, Cornelis Pietersz., Jan IJsbrantsz., Garrebrant Jansz. en Maerten Cornelisz. stonden honderden minder zichtbare arbeiders. Scheepstimmerlieden bepaalden de vorm van het schip, maar knechten sleepten balken en richtten spanten op. Molenknechten hielden machines draaiende. Breeuwers werkten met vezels, pek en teer. Smeden maakten nagels, bouten, ankers en gereedschap. Schippers brachten grondstoffen. Vrouwen hielden huishoudens draaiende, dreven handel, beheerden bezit en konden door huwelijk of erfenis bij bedrijven betrokken raken. Zonder deze minder vaak genoemde mensen hadden de bekende ondernemers hun productie nooit kunnen bereiken.

Van ambachtsman naar meester-grootscheepmaker

De veranderingen zijn ook zichtbaar in de benamingen van het vak. Rond 1600 werden scheepsbouwers nog geregeld als hellinglieden of meester-timmerlieden aangeduid. In de eerste helft van de zeventiende eeuw verschijnt steeds sterker de meester-grootscheepmaker: een ondernemer die grote zeegaande schepen kon laten bouwen en daarvoor een complete organisatie van vaklieden en leveranciers nodig had. Een werf werd daarmee meer dan een plaats waar een timmerman met enkele knechten werkte. Zij werd een bedrijf waarin grondstoffen, kapitaal, gespecialiseerde arbeid en internationale opdrachten samenkwamen.

1636 — twee Zaandammen maar één arbeidsmarkt

Toen de Hoge Raad op 4 april 1636 de bestuurlijke scheiding bevestigde, liep er geen economische grens door het midden van de Zaan. Een Westzaandamse ondernemer kon hout kopen van iemand aan de oostzijde. Een Oostzaandamse schipper kon lading vervoeren voor een Westzaandamse werf. Familieleden konden aan weerszijden wonen en kapitaal of bezit delen. Arbeiders voeren eenvoudig de rivier over. Dezelfde Amsterdamse, Oostzee- en Noordzeemarkten bepaalden de vraag voor beide delen. Bestuurlijk ontstonden twee Zaandammen; economisch bleef er één steeds dichter verweven productielandschap bestaan.

Van 1621 naar 1636

De vijftien jaren tussen 1621 en 1636 laten zich opvallend nauwkeurig volgen. In 1621 probeerde Amsterdam Zaanse scheepsreparatie af te remmen en vroegen Zaandammers vanwege de dichtgroeiende Binnenzaan om rooimeesters. In 1627 volgde opnieuw een Amsterdams reparatieverbod en verdween tegelijkertijd het Amsterdamse handzagersgilde. Op 9 augustus 1627 kregen Cornelis Pietersz. en Jan IJsbrantsz. hun windbrieven. Op 20 april 1628 werden de financiële verplichtingen rond de molens vastgelegd en op 14 maart 1629 vinden we Garrebrant Jansz. aan de Oostzaandamse kant.

In 1629 bezat Pieter Ghijsen zijn houtzaagmolen aan de Zaan. Rond 1630 waren er ongeveer 21 Zaandamse scheepswerven. Op 21 maart 1631 kregen Oost- en Westzaandam toestemming voor een gezamenlijk weeshuis. Daarna liepen bestuurlijke spanningen snel op: 25 oktober 1633 werd nog verklaard dat kapel, school, weeshuis en vroedvrouwvoorziening gezamenlijk waren; 16 januari 1634 gold dat eveneens voor de armenzorg. Op 7 oktober 1634 begon Westzaandam een eigen resolutieboek.

In 1635 legden Jan Jansz. Backer en Dirck Taemisz. Verdoes de westelijke Zaanerven, werven en molens nauwkeurig op kaart vast. Op 25 juni 1635 beval het Hof van Holland de huishoudelijke scheiding. De Hoge Raad bevestigde dat op 4 april 1636. Tegelijk werden bij de Zuiddijk nieuwe terreinen voor werven en houtbedrijven bruikbaar gemaakt. Daarmee eindigt dit deel op een betekenisvol moment: Zaandam was bestuurlijk in tweeën gedeeld, maar was economisch inmiddels veel sterker met zichzelf én met de internationale handelswereld verbonden dan ooit tevoren.

Aanvullingen waarmee 1573–1640 compleet wordt

1580–1585 — geloofsvluchtelingen komen naar de Zaan

Het herstel na 1578 kreeg ook een migratielaag. Nadat George van Lalaing, graaf van Rennenberg, in maart 1580 naar de Spaanse zijde overging, werd de positie van doopsgezinden in delen van Friesland opnieuw onzeker. Friese doopsgezinden weken onder andere naar Noord-Holland en de Zaanstreek uit. Na de val van Antwerpen op 17 augustus 1585 kwamen daarnaast migranten uit de Zuidelijke Nederlanden naar het noorden. Onder hen bevonden zich Vlaamse doopsgezinden. Zo groeide in de Zaanstreek een bevolking waarin oude Waterlandse, Friese en Vlaamse geloofsnetwerken naast elkaar kwamen te bestaan.

Rond 1600 — een Waterlands predikhuis aan de Oostzijde

Rond 1600 beschikten de Waterlandse doopsgezinden in Oostzaandam over een predikhuis aan het Grote Glop, ongeveer bij de huidige Prins Bernhardbrug. Zij vormden dus al vóór de grote industriële bloei een herkenbare geloofsgemeenschap in Zaandam. Later bestonden er daarnaast Friese en Vlaamse doopsgezinde gemeenten. Dit is economisch relevant: doopsgezinden vormden in de zeventiende eeuw belangrijke familie- en vertrouwensnetwerken binnen handel, scheepsbouw en industrie. Maar voor de vroegste periode moeten geloof en ondernemerschap alleen aan individuele personen worden gekoppeld wanneer de bron dat werkelijk toelaat.

1613–1628 — de Friese doopsgezinden verplaatsen zich

Ook de Friese doopsgezinden werden zichtbaarder in het Zaandamse landschap. In 1613 verlieten zij een eerdere vergaderplaats aan de Zuiddijk en gingen naar de Westzijde. In 1628 verhuisden zij opnieuw, nu naar een gebouw aan de andere zijde van de Westzijde dat bekend werd als Het Oude Huys. Zulke verhuizingen tonen dat religieuze gemeenschappen met de bevolking meegroeiden. De vermaning was niet alleen een plaats van geloof, maar ook een plek waar gezinnen elkaar ontmoetten en onderlinge relaties werden onderhouden. In een economie die sterk op vertrouwen en persoonlijk krediet rustte, waren zulke sociale verbanden belangrijk.

1616 — Pieter Ghijsen en zijn zoon Jan

De ondernemerswereld rond Pieter Ghijsen, oorspronkelijk Pieter Ghijsbrechtsz., kan al vóór 1620 concreter worden gemaakt. In 1616 trad zijn zoon Jan Pietersz. Gijsen als gemachtigde van zijn vader op bij een beslissing rond de vroege papiermolen De Grauwe Papierbaal. Vader en zoon laten zien hoe bedrijf en familie in elkaar grepen. Pieter ontwikkelde activiteiten in houthandel, houtzagerij, scheepsbouw, rederij en andere ondernemingen; Jan kon namens zijn vader zakelijke handelingen verrichten. Het familiebedrijf was daarmee geen abstract begrip: bevoegdheden, bezit en contacten konden daadwerkelijk tussen generaties worden gedeeld.

1612–1614 — Pieter Ghijsen kijkt al naar het hoge noorden

Pieter Ghijsen behoorde bovendien tot de vroege Zaanse ondernemers die verder keken dan gewone vrachtvaart en houtaanvoer. In 1612 en 1613 rustten Zaanse reders, onder wie Ghijsen, kleine schepen uit voor de walrus- of vroege walvisvaart naar het hoge noorden. Toen in 1614 de Noordse Compagnie haar monopolie kreeg, hadden de Zaankanters nog onvoldoende kapitaal en politieke macht om daarin een zelfstandige grote positie te verkrijgen. De episode laat echter zien dat de internationale ondernemingsdrang die later zo kenmerkend werd al vóór 1620 aanwezig was.

18 mei 1622 — Pieter Ghijsen als reder van De Fortuijn

Een Amsterdams notarieel document maakt Pieter Ghijsen op 18 mei 1622 nog concreter. Hij trad toen op voor zichzelf en zijn medereders van het schip De Fortuijn, een vaartuig van ongeveer tachtig last waarop de inmiddels overleden Reijer Dircksz. Cleijn uit Purmerend schipper was geweest. Daarmee hebben we niet alleen een algemene mededeling dat Ghijsen reder was, maar een daadwerkelijk schip, een mederedersverband, een schipper en een exacte datum. Partenrederij en scheepvaart worden zo zichtbaar als concrete zakelijke praktijk.

1622 — vader, zoon, molen en krediet

In 1622 trad Jan Pietersz. Gijsen opnieuw namens zijn vader Pieter Ghijsen op. Een halve houtzaagmolen met erf op de Zaandijk, ten noorden begrensd door Jonge Jan Berchouwer en ten zuiden door de overtoom, werd aan Dirck Sybrantsz. verkocht voor 800 gulden. Het bedrag hoefde niet onmiddellijk volledig te worden betaald: termijnen liepen door tot 1626. Hier zien we in één transactie vrijwel de hele nieuwe economie samenkomen — familievertegenwoordiging, molenbezit, grond, een concrete ligging, koopprijs én meerjarig krediet.

Dirck Sybrantsz. — meer dan de man van Het Juffertje

Ook Dirck Sybrantsz. verdient daardoor een bredere plaats in het verhaal. In 1615 kocht hij een stuk Zaandijk. In 1617 verwierf hij voor 1.400 gulden een hooihuis en erf in de Nieuwe Molenbuurt, waarvoor in termijnen tot 1620 werd betaald. In 1618 verbond hij zijn huis en erf in de Molenbuurt als onderpand voor een jaarlijkse rente waarvan het kapitaal 350 gulden bedroeg. In 1620 verkocht hij aan zijn zoon Heyndrick Dircksz. een vierde deel van een houtzaagmolen en erf voor 625 gulden. De pionier blijkt daarmee tevens grondbezitter, schuldenaar, verkoper en vader binnen een familiebedrijf.

1626–1627 — een bedrijf gaat naar de volgende generatie

De familie van Dirck Sybrantsz. laat goed zien hoe snel industrieel bezit over generaties werd verdeeld. In 1626 verkocht hij aan zijn zoon Arent Dircksz. een oliemolen met huisje en erf in de Nieuwe Molenbuurt voor 1.250 gulden. Zijn zoon Sybrant Dircksz. handelde datzelfde jaar namens hem bij een verkoop van een halve houtzaagmolen. Heyndrick Dircksz., eveneens zijn zoon, verschijnt opnieuw als koper. De nieuwe Zaanse industrie was dus al vóór 1630 meer dan een verzameling individuele pioniers: zij begon familievermogen te worden.

1630 — twintig houtzaagmolens alleen al in Westzaandam

De cijfers rond 1630 moeten nauwkeurig worden onderscheiden. Voor de gehele Zaanstreek worden ongeveer 53 houtzaagmolens genoemd, maar daarvan stonden er twintig in Westzaandam en zestien in Westzaan. Dat maakt Westzaandam op zichzelf al tot een opmerkelijke concentratie. Belangrijker nog is de ontwikkeling die erop volgde: tussen 1630 en 1650 zou het aantal Westzaandamse houtzaagmolens stijgen van ongeveer twintig naar circa tachtig. Het jaar 1630 was dus geen eindpunt van de doorbraak, maar het begin van een veel sterkere versnelling.

Rond 1630 — Jan Jansz. Rogh komt naar Zaandam

Omstreeks 1630 vestigde Jan Jansz. Rogh de Oude (1602–1676) zich in Zaandam. Hij was getrouwd met Mary Jans en werkte als meester-scheepmaker. Het echtpaar kreeg onder anderen zoons Jan, geboren omstreeks 1636/1637, en Tewis, geboren 1638. Beide jongens zouden later het scheepsbouwvak voortzetten. Hier krijgen we precies het soort gezin dat de ontwikkeling begrijpelijk maakt: een vakman trekt in de jaren van sterke expansie naar Zaandam, vestigt er een huishouden en zijn kinderen groeien letterlijk op tussen de scheepswerven.

Jan Rogh — migratie wordt vakkennis

De komst van Jan Jansz. Rogh illustreert hoe arbeidsmigratie de Zaanse groei versterkte. Hij kwam niet naar een stilstaand dorp, maar naar een omgeving waarin rond 1630 tientallen werven en houtmolens werk boden. Zijn zoons leerden later hetzelfde vak. Daarmee werd geïmporteerde vakkennis in één generatie Zaandams familiebezit. De latere faam van het geslacht Rogge mag niet naar 1630 worden teruggeprojecteerd, maar de oorsprong ervan hoort wel in deze periode: een meester-scheepmaker, zijn vrouw Mary Jans en kinderen die in de opkomende werfwereld werden geboren.

Pieter Ghijsen — hout bepaalde de prijs van het schip

Bij Pieter Ghijsen wordt tevens duidelijk waarom houtkoperij en scheepsbouw zo vaak samengingen. Onderzoek naar de Zaanse scheepsbouw stelt dat hout ongeveer 60 procent van de prijs van een schip kon bepalen. Een scheepsbouwer die zelf hout importeerde of liet zagen, had daarom een enorm voordeel. Ghijsen combineerde houthandel, houtzagerij, rederij en scheepsbouw. Latere bronnen schrijven hem drie Westzaandamse werven toe en een productie van ongeveer tien tot twaalf schepen per jaar. Zulke aantallen moeten als historische reconstructies worden behandeld, maar de bedrijfslogica erachter is duidelijk.

Drie werven en twintig scheepsrompen

Een oude mededeling van Claes Arisz. Caescoper beschrijft Pieter Ghijsen als een machtig reder en scheepstimmerman die op drie werven tegelijkertijd ongeveer twintig scheepsrompen had staan. Zijn werven lagen aan de westkant van de Zaan, ruwweg tussen de latere Papenpadsluis en de omgeving van de huidige Bernhardbrug. Ook hierbij geldt dat historische aantallen kritisch moeten worden gelezen. Maar gecombineerd met de andere bronnen maakt het duidelijk dat Ghijsen rond deze tijd niet meer als gewone ambachtsman kan worden gezien. Hij organiseerde productie op een schaal waarvoor grote hoeveelheden kapitaal, hout en arbeidskracht nodig waren.

1633 — naast bijl en dissel verschijnt steeds meer papier

Vanaf de jaren 1630 worden notariële bronnen rijker. Dat is zelf een belangrijke verandering. Schepen, molens en erven kregen een steeds omvangrijkere papieren wereld naast zich. Schuldbekentenissen legden vast wie geld verschuldigd was; koopakten bepaalden wie een erf of molenaandeel bezat; borgstellingen verdeelden risico; volmachten maakten het mogelijk dat een zoon namens zijn vader handelde; scheepsparten bepaalden wie welk deel van winst en verlies droeg. De grote Zaanse industrie werd daardoor niet alleen met hout, wind en handen gebouwd. Zij draaide eveneens op papier, vertrouwen en krediet.

1635 — het kaartboek legt individuele buren vast

Het Caertboek van 1635 van Jan Jansz. Backer en Dirck Taemisz. Verdoes krijgt tegen deze achtergrond nog meer betekenis. Het registreerde niet eenvoudig “industrie”, maar afzonderlijke erven, werven en terreinen langs de Westzaandamse Zaan. Daardoor kunnen ondernemers als Cornelis Pietersz., Jan IJsbrantsz., Jacob Claesz. Noomen en Pieter Ghijsen in een ruimtelijke omgeving worden geplaatst. De kaart maakt zichtbaar dat industrialisering perceel voor perceel plaatsvond. Iedere grens vertegenwoordigde bezit; iedere sloot kon toegang geven; iedere uitbreiding in het Zaanwater kon botsen met de belangen van schippers en buren.

1635–1636 — de ruimtelijke lijn is nu zichtbaar

Aan het einde van deze periode kan de groei bijna geografisch worden gevolgd. Hogendijk en Hoge Horn vormden de vroege kern van de scheepsbouw. Daarna werd de Molenbuurt belangrijk voor nieuwe molenbedrijven. Via de sloten breidde de bedrijvigheid zich uit naar het Westzijderveld. Toen de oudere oevers voller raakten, werd vanaf 1636 ook bij Zuiddijk en Voorzaan nieuwe industriële ruimte gevormd. Het toekomstige Kattegat en Nieuwe Werk zetten die beweging voort. Zaandam groeide dus niet vanuit één industrieel centrum: de economische zwaartepunten verschoven en breidden zich langs het water uit.

1636 — Jan Rogh en Mary Jans midden in die verandering

Wanneer Jan Jansz. Rogh en Mary Jans rond deze tijd hun jonge gezin in Zaandam hadden, leefden zij precies tijdens de overgang naar twee afzonderlijke besturen. Hun zoon Jan werd rond 1636/1637 geboren en Tewis in 1638. Terwijl deze kinderen hun eerste levensjaren doormaakten, werd aan de Zuiddijk nieuw bedrijfsterrein ontwikkeld, ontstond een eigen Westzaandams kerkelijk leven en bleven de werven groeien. Zo kunnen bestuurlijke jaartallen met gezinsgeschiedenis worden verbonden zonder te suggereren dat het gezin zelf bij al die besluiten betrokken was.

Geloof en ondernemen liepen door elkaar

De familie Ghijsen toont eveneens waarom geloof niet uitsluitend in het hoofdstuk over kerkgeschiedenis thuishoort. Pieter Ghijsen was doopsgezind. Zijn zoon Jan Pietersz. Gijsen was dat eveneens en werd later actief als bestuurder en beschermer van Lutherse vaklieden. De sterkste concrete bewijzen voor Jans steun aan de Lutheranen dateren van 1645, dus net buiten deze periode en mogen niet naar 1630 worden teruggeschoven. Maar dat de familie vóór 1640 al in een doopsgezinde ondernemingswereld functioneerde is wel relevant. Religieuze identiteit, familierelaties en zakelijke vertrouwensnetwerken konden elkaar versterken.

Niet iedere Zaandammer profiteerde

Tegenover dergelijke grote ondernemers stonden loonarbeiders en kleine bezitters voor wie ziekte of verlies veel directer voelbaar was. Een meester-scheepmaker kon een werf organiseren, maar tientallen timmerlieden en knechten moesten het schip daadwerkelijk bouwen. Bij molens werkten knechten tussen zware balken, draaiende assen en bewegende zaagramen. Breeuwers kwamen voortdurend met vezels, pek en teer in aanraking. Schippers liepen risico op storm en schipbreuk. Het ontbreken van een bekende persoonsnaam bij de meeste ongevallen betekent niet dat het risico klein was; alleen dat de gewone arbeider veel minder vaak individueel in de bewaarde administratie verschijnt.

Vrouwen als bezitters en verbindingspersonen

De eerder genoemde Marij Pieters laat zien dat een vrouw als eigenares bij een molen kon verschijnen. Ook namen als Guerte Claesdochter, die in 1627 als belendende grondeigenares bij het erf van Jan IJsbrantsz. wordt genoemd, maken vrouwen zichtbaar in het industriële landschap. Zulke vermeldingen moeten niet automatisch betekenen dat zij zelf de dagelijkse bedrijfsleiding voerden. Ze tonen wél dat grond en bedrijfsbezit door vrouwen konden worden gehouden en dat vrouwen via bezit, huwelijk en erfenis deel uitmaakten van de economische structuur.

Een gezin was eveneens een financieel netwerk

Daarmee krijgt ook het huwelijk een concretere betekenis. Bezittingen gingen niet alleen via verkoop van ondernemer naar ondernemer. Zij konden via huwelijk en erfenis binnen en tussen families bewegen. Een weduwe kon boedelhoudster worden; minderjarige kinderen konden belangen erven waarvoor voogden moesten optreden. Een zoon kon als gemachtigde van zijn vader handelen, zoals Jan Pietersz. Gijsen in 1616 en 1622 deed. Kinderen van Dirck Sybrantsz. ontvingen of kochten delen van molens. Familie was daarmee een van de belangrijkste juridische en financiële structuren achter de Zaanse industrialisering.

1573–1640 — de complete verandering

Met deze personen erbij wordt de ontwikkeling tussen 1573 en 1640 scherper. De eerste generatie kende oorlog, verbrande huizen en herstel. Daarna kwam Cornelis Corneliszoon met de mechanische zaagtechniek en bracht Dirck Sybrantsz. die techniek in een Zaandamse ondernemingswereld. Vervolgens zien we Dirck niet alleen als molenpionier, maar met huizen, erven, schulden en zonen. Pieter Ghijsen en Jan Pietersz. Gijsen laten zien hoe houthandel, rederij, molenbezit en familievertegenwoordiging samengingen. Jan Jansz. Rogh en Mary Jans geven de groeiende scheepsbouw een huishouden en een volgende generatie.

Niet alleen molens, maar een samenleving

Het resultaat in 1640 was daarom veel groter dan een spectaculaire verzameling molens. Zaandam beschikte over scheepswerven, houtmolens, gespecialiseerde arbeidskrachten, schippers, internationale grondstoffenverbindingen, kredietnetwerken en steeds sterker ontwikkelde instellingen. Waterlandse, Friese en Vlaamse doopsgezinden leefden naast gereformeerden en katholieken. Gezinnen waren tegelijk huishoudens, arbeidsorganisaties en financiële eenheden. Vrouwen konden bezit beheren; kinderen groeiden het vak in; migranten brachten kennis mee. Armen, zieken, wezen en weduwen maakten evenzeer deel uit van dezelfde gemeenschap.

1640 — klaar voor de volgende grote fase

Toen op 25 september 1640 de Westzijderkerk in gebruik werd genomen, was de overgang die in 1573 met verwoesting was begonnen vrijwel volledig omgeslagen in expansie. Oost- en Westzaandam hadden eigen bestuurlijke en steeds sterker eigen kerkelijke structuren gekregen, maar hun economie bleef één netwerk. Rond hen draaiden houtmolens, lagen werven en voeren schepen. Familie Ghijsen had laten zien hoeveel functies één ondernemersnetwerk kon combineren; familie Rogh stond aan het begin van een nieuwe generatie scheepsbouwers. En al in 1641 zou met de verdere ontwikkeling van de Zaanse walvisvaart een volgend hoofdstuk beginnen.