Enkhuizen tot circa 1300

Nieuw deel 2 – Het oorspronkelijke deel 3 en deel 4 volledig samengevoegd

De vorming van Enkusen en de overgang van nederzetting naar een blijvende kustplaats

Aan het einde van de dertiende eeuw veranderde het landschap rond het latere Enkhuizen sneller dan in veel voorafgaande perioden. Het water dat zich vanuit het Almere tot de Zuiderzee ontwikkelde, tastte de oostelijke kust van West-Friesland aan. Kreken werden breder, buitendijkse gronden verdwenen en stormvloeden maakten duidelijk dat oudere woonplaatsen niet langer overal veilig waren. De bewoners reageerden niet door het gebied volledig te verlaten. Zij verplaatsten erven, verhoogden woonplaatsen en bouwden dichter achter de bescherming van de Westfriese Omringdijk. Daarmee ontstond geleidelijk de nederzetting die later Enkhuizen zou worden. Het betrof geen stichting op één vastgestelde dag, maar een langdurige verplaatsing en concentratie van mensen, huizen, werkzaamheden en kerkelijke functies.

De verschuiving naar veiliger terrein betekende niet dat iedere bewoner tegelijk verhuisde. Sommige gezinnen konden hun oude woonplaats waarschijnlijk langer handhaven dan andere. Een boerderij op een relatief hoge plek bleef mogelijk nog jarenlang bruikbaar, terwijl een lager gelegen erf al eerder moest worden opgegeven. Ook de beschikbaarheid van grond, familiebezit en middelen om een nieuw huis te bouwen speelde een rol. Daardoor bestonden oude en nieuwe woonplaatsen vermoedelijk enige tijd naast elkaar. Houten balken, planken, riet en andere bruikbare materialen konden bij een verhuizing worden meegenomen. Een verplaatsing van bewoning betekende dus niet noodzakelijk dat alles opnieuw werd gemaakt. De gemeenschap droeg letterlijk delen van haar oude woonwereld mee naar de nieuwe plaats achter de dijk.

Waar de oudste nederzettingskern precies lag, blijft onzeker. Het beschikbare onderzoek wijst erop dat een deel van de vroegere bewoning door de oprukkende zee verloren is gegaan. Daardoor ontbreken tastbare resten van sommige fasen. Kustafslag, latere dijkversterkingen, stadsuitbreidingen en eeuwenlange grondbewerking hebben het bodemarchief bovendien verstoord. Archeologische sporen tonen wel aan dat het gebied vóór de eigenlijke stadsvorming werd gebruikt. Greppels, aardewerk, gebruiksvoorwerpen, ophogingslagen en resten van erven kunnen wijzen op bewoning die ouder is dan de eerste schriftelijke vermelding. Het ontbreken van een geschreven naam betekent daarom niet dat er nog niemand woonde. Schriftelijke bronnen verschijnen slechts wanneer een plaats toevallig betrokken raakt bij bestuur, rechtspraak, bezit of handel.

De naam van de nederzetting verschijnt aan het einde van de dertiende eeuw in verschillende vormen. Genoemd worden onder andere Enkus, Enkuse, Enkusen en later Enchusen. Een vaste spelling bestond niet. Middeleeuwse schrijvers noteerden een plaatsnaam zoals zij die hoorden of volgens hun eigen schrijfgewoonte. Daardoor kon dezelfde nederzetting in verschillende documenten anders worden aangeduid. De huidige spelling Enkhuizen ontstond pas veel later. Over de eerste betrouwbare datering bestaat bovendien bronmatige onzekerheid. In sommige overzichten wordt 1283 genoemd, terwijl het aangeleverde onderzoek ook 1299 als vroege of eerste vermelding behandelt. De veilige conclusie is dat de naam in de laatste decennia van de dertiende eeuw schriftelijk herkenbaar werd.

De betekenis van de naam is niet met zekerheid vastgesteld. Een bekende verklaring verbindt het eerste deel met het woord enk, dat hoger gelegen of gezamenlijk gebruikt bouwland kan aanduiden. In dat geval zou de naam kunnen verwijzen naar huizen bij een hogere landbouwgrond. Deze verklaring is aantrekkelijk omdat hoger terrein in een nat landschap bijzonder waardevol was. Toch is voorzichtigheid nodig. Het woord enk is vooral bekend uit andere delen van Nederland en is niet zonder problemen op het West-Friese taalgebied toe te passen. Andere verklaringen zijn mogelijk, maar evenmin sluitend bewezen. Daarom moet de naam niet als een eenvoudig opgeloste aanwijzing voor de ligging of oorsprong van de nederzetting worden behandeld.

De bewoners van de nieuwe kustplaats leefden niet van één beroep. De meeste huishoudens combineerden landbouw, veeteelt, visvangst, vervoer en ambachtelijke werkzaamheden. Runderen leverden melk, vlees, huiden, mest en trekkracht. Van melk konden boter en kaas worden gemaakt. Schapen leverden wol en vlees. Op de hogere en beter ontwaterde percelen kon graan worden verbouwd. Naarmate het veen verder daalde, werd akkerbouw moeilijker en nam het belang van grasland en veeteelt toe. Een gezin dat dichtbij het water woonde, kon daarnaast vissen of goederen vervoeren. Deze vermenging van bestaansmiddelen maakte huishoudens minder afhankelijk van één oogst of één seizoen, maar betekende ook dat bijna iedereen gedurende het hele jaar zwaar werk moest verrichten.

De huizen waren hoofdzakelijk van hout gebouwd. De wanden konden bestaan uit houten stijlen met vlechtwerk en leem of uit planken. De daken werden met riet of stro gedekt. Een stenen woonhuis zou rond 1300 uitzonderlijk en kostbaar zijn geweest. Erven werden met klei, plaggen, mest en afval opgehoogd om ze boven het natte maaiveld te houden. Rond het huis lagen greppels die regen- en grondwater naar de sloten afvoerden. Woonruimte, opslag en stal konden in één lang gebouw zijn samengebracht. Mensen en dieren leefden daardoor dicht bij elkaar. Dat leverde in de winter warmte op, maar vergrootte ook de hoeveelheid vocht, rook, afval en ongedierte rond het erf.

Het water was tegelijk bestaansbron en bedreiging. De kust bood vis, vervoer en verbinding met andere plaatsen, maar iedere zware storm kon huizen, kaden en landbouwgrond beschadigen. Wanneer zout of brak water over de dijk stroomde, kon een perceel langere tijd minder bruikbaar worden. Graan mislukte, gras veranderde en drinkwater kon vervuild raken. Sloten konden dichtslibben of juist door stroming uitschuren. De bewoners moesten daarom voortdurend reageren. Zij verhoogden dijkvakken, legden kaden aan, ruimden watergangen en herstelden beschadigde oevers. Deze werkzaamheden waren geen uitzonderlijke noodmaatregelen, maar een vast onderdeel van het bestaan. Zonder voortdurend onderhoud zou de nederzetting niet blijvend bewoonbaar zijn geweest.

Dijkonderhoud was een gezamenlijke verantwoordelijkheid omdat het falen van één dijkvak gevolgen kon hebben voor een groot gebied. Grondgebruikers moesten arbeid, materiaal of geld bijdragen. De precieze dertiende-eeuwse organisatie en de namen van plaatselijke toezichthouders zijn niet volledig overgeleverd. Latere ambtstitels als dijkgraaf en heemraad mogen daarom niet zonder meer in hun latere institutionele vorm op deze vroege periode worden toegepast. Wel moeten er afspraken, controles en sancties zijn geweest. Wie zijn deel van de waterkering verwaarloosde, bracht ook de akkers, huizen en dieren van zijn buren in gevaar. Waterbeheer dwong de bewoners tot samenwerking, zelfs wanneer zij over andere zaken met elkaar in conflict lagen.

De Westfriese Omringdijk bood aan de nieuwe nederzetting meer veiligheid dan de oudere losse kaden en waterkeringen. Toch was deze dijk geen onveranderlijke, volledig voltooide ring. Hij bestond uit oudere dijkgedeelten die geleidelijk werden verbonden, verhoogd en verzwaard. De kruin werd tevens als weg gebruikt. Daardoor vormde de dijk een lijn waarlangs bebouwing, vervoer en toezicht samenkwamen. Wie aan of vlak achter de dijk woonde, bevond zich dicht bij het vaarwater en beschikte tegelijk over een route naar andere nederzettingen. De dijk bepaalde daarmee niet alleen waar het water werd tegengehouden, maar ook waar mensen bouwden en zich verplaatsten. Hij werd een van de ruimtelijke grondslagen van het latere Enkhuizen.

Hoewel Enkhuizen later vooral als haven- en vissersstad bekend werd, bleef de landverbinding onmisbaar. Vanuit Enkusen liep een route westwaarts door Gommerkerspel naar Bovenkarspel, Grootebroek en de overige nederzettingen van De Streek. Deze weg volgde het oude bewoningslint en zou later herkenbaar blijven in de Westerstraat en de doorgaande verbinding over De Streek. Rond 1300 was het geen brede geplaveide straat. Het was een onverharde weg over hoger terrein, dijken en kaden. In regenachtige perioden werd hij modderig. Karren, paarden, voetgangers en vee deelden dezelfde smalle route. Sloten langs de erven maakten eenvoudige bruggen of planken noodzakelijk. Toch vormde deze weg de levenslijn tussen kust en achterland.

Via deze landroute kwamen landbouwproducten naar de kust. Boeren uit Gommerkerspel, Bovenkarspel en Grootebroek konden vee, boter, kaas, wol, huiden, graan, hooi en andere goederen naar Enkusen brengen. In omgekeerde richting gingen vis, zout, aardewerk, hout, ijzeren voorwerpen en goederen die via schepen waren aangevoerd. Ook priesters, boden, bestuurders, soldaten en reizigers gebruikten de verbinding. Enkusen kon alleen uitgroeien tot een belangrijker centrum doordat het niet geïsoleerd aan het water lag. De plaats bezat een achterland dat voedsel en handelswaar leverde. Gommerkerspel en De Streek vormden daarom geen buitengebied dat pas later betekenis kreeg, maar behoorden vanaf het begin tot de economische grondslag van de kustnederzetting.

Vervoer over water was vaak eenvoudiger dan vervoer over de modderige landwegen. Kleine schepen konden via sloten, vaarten en grotere waterlopen dicht bij boerderijen en opslagplaatsen komen. Hooi, hout, klei, turf, vis en andere zware ladingen konden met minder kracht worden vervoerd dan op een kar. Enkusen stond over water in verbinding met Medemblik, Wijdenes, Schellinkhout en andere nederzettingen langs de West-Friese kust. Verder weg lagen Waterland, Friesland, de IJsselmonding en de Hollandse gebieden aan de andere zijde van het Almere en de Zuiderzee. De vaarwegen waren niet nauwkeurig bebakend zoals later. Schippers waren afhankelijk van eigen kennis van geulen, platen, stroming, wind en waterstand.

De vaartuigen rond 1300 waren kleiner en eenvoudiger dan de koopvaarders en haringbuizen van latere eeuwen. Zij moesten geschikt zijn voor ondiep water en konden daardoor dicht bij een natuurlijke oever, dijkvoet of eenvoudige steiger komen. Sommige schepen werden voor visserij gebruikt, andere voor vracht of personenvervoer. Een vaartuig vertegenwoordigde een grote investering. Hout, ijzeren onderdelen, touw en zeilen waren kostbaar. Schepen moesten voortdurend worden onderhouden. Naden werden dichtgemaakt, beschadigde planken vervangen en tuigage hersteld. Niet iedere visser of schipper bezat zelfstandig een boot. Een vaartuig kon door een familie of meerdere deelnemers gezamenlijk worden gebruikt. Die samenwerking verdeelde zowel de opbrengsten als de risico’s.

De visserij kreeg door de ligging aan de kust een steeds grotere betekenis. De bewoners visten in sloten, vaarten, binnenwateren en langs de oever van de Zuiderzee. Zij gebruikten fuiken, netten, lijnen en haken. De samenstelling van de vangst hing samen met het zoutgehalte, de waterdiepte en het seizoen. Het ging nog niet om de grote gespecialiseerde haringvaart waarmee Enkhuizen eeuwen later rijk zou worden. De visserij was vooral gericht op eigen voedselvoorziening en regionale afzet. Overtollige vangst kon worden verkocht, geruild, gedroogd, gerookt of gezouten. Voor conservering was zout nodig, dat gedeeltelijk via handel moest worden verkregen. Daarmee was zelfs de plaatselijke visvangst al verbonden met een ruimer economisch netwerk.

De handel bleef bescheiden, maar was niet onbelangrijk. Goederen werden waarschijnlijk bij de aanlegplaats, langs de weg, op erven of rechtstreeks tussen producent, schipper en afnemer verhandeld. Een georganiseerde stedelijke markt met vastgelegde marktregels bestond nog niet. Toch ontstonden terugkerende contacten. Een schipper die geregeld naar Medemblik of Wijdenes voer, kende daar leveranciers en kopers. Een boer uit De Streek wist waar hij zijn boter, kaas of vee kon afzetten. Zulke persoonlijke relaties vormden de eerste economische verbindingen waarop later een grotere markt kon worden gebouwd. Enkusen werd geen handelscentrum door één privilege of één havenaanleg, maar door herhaald verkeer van mensen en goederen.

Iedere groeiende gemeenschap had vakmensen nodig. Timmerlieden bouwden huizen, schuren, bruggen en vaartuigen. Smeden maakten en herstelden messen, bijlen, spijkers, hoefijzers, haken en landbouwgereedschap. Rietdekkers vernieuwden de brandbare daken. Vlechters vervaardigden manden, fuiken en afscheidingen. Leerbewerkers maakten schoenen, riemen en tuig uit huiden. Spinnen en weven vonden voor een belangrijk deel binnen huishoudens plaats. Deze werkzaamheden vormden nog geen stedelijke gilden met vastgelegde rechten en opleidingen. Een ambachtsman bezat vaak tevens grond of hield enkele dieren. Specialisatie bestond, maar bleef verweven met het agrarische en maritieme bestaan van de gemeenschap.

De nederzetting kreeg naarmate zij groeide ook meer behoefte aan een eigen religieus middelpunt. De bevolking viel kerkelijk onder het bisdom Utrecht. De kerk begeleidde geboorte, huwelijk, ziekte, overlijden en begrafenis. Een priester verzorgde de mis en de sacramenten. Hij kon ook helpen bij het lezen, opstellen of bekendmaken van documenten, omdat geletterdheid beperkt was. Welke gebedsplaats precies als eerste voor Enkusen heeft gefungeerd, blijft onzeker. De latere monumentale Zuiderkerk en Westerkerk mogen niet als dertiende-eeuwse gebouwen worden voorgesteld. Mogelijk stonden er kleinere houten kerken of kapellen, die later werden vervangen. Kerkelijke continuïteit betekende niet noodzakelijk continuïteit van hetzelfde gebouw.

Ten westen van Enkusen lag de oudere kerkelijke gemeenschap Gommerkerspel. De naam kerspel wijst op een parochiaal gebied rond een kerk. Deze gemeenschap werd verbonden met Sint-Gommarus en lag aan het agrarische bewoningslint van De Streek. De kustnederzetting Enkusen ontwikkelde later een eigen kerkelijke traditie rond Sint-Pancratius. Rond 1300 waren de precieze rechten en onderlinge verhoudingen vermoedelijk nog niet volledig uitgekristalliseerd. Een nieuwe kapel kon afhankelijk blijven van een oudere moederkerk. Vragen over doop, begrafenis, tienden en andere inkomsten konden daardoor tot conflicten leiden. Latere uitspraken uit de veertiende eeuw kunnen oudere verhoudingen weerspiegelen, maar mogen niet zonder nadere onderbouwing volledig op het jaar 1300 worden teruggeplaatst.

Een kerk was meer dan een gebouw. Rondom lag gewijde begraafgrond waar generaties bewoners werden begraven. Voor mensen die door de zee gedwongen werden hun woonplaats te verplaatsen, was het verlies van een kerkhof bijzonder ingrijpend. Een houten huis kon worden afgebroken en elders opnieuw opgebouwd. De graven van ouders, kinderen en voorouders bleven in de grond achter. Wanneer een oude woonplaats werd opgegeven, moest de gemeenschap een nieuw kerkelijk en sociaal centrum vormen. De aanwezigheid van een eigen kerk of kapel droeg daarom bij aan de samenhang van Enkusen. Zij maakte van een groep nieuwe erven geleidelijk een herkenbare gemeenschap met gedeelde rituelen, verplichtingen en herinneringen.

Aan het einde van de dertiende eeuw was Enkusen nog geen stad. Er bestonden geen stenen stadsmuren, monumentale pakhuizen, stedelijke poorten of een zelfstandig stadsbestuur. Er waren geen burgemeesters en geen vroedschap in de latere betekenis. Toch waren de belangrijkste voorwaarden voor verdere groei aanwezig. De ligging achter de dijk bood een zekere bescherming. De verbinding met Gommerkerspel en De Streek leverde voedsel en handelswaar. Het water gaf toegang tot visgronden en kustvaart. De bevolking bezat ervaring met scheepsbouw, vervoer, landbouw en waterbeheer. De naam van de nederzetting werd in de geschreven bronnen herkenbaar. Enkusen ontwikkelde zich daardoor van een verspreide woonplaats tot een centrum met een eigen positie.

De politieke omgeving veranderde eveneens. Na de onderwerping van West-Friesland in 1289 oefende de graaf van Holland meer gezag uit. Grafelijke vertegenwoordigers konden belastingen innen, recht spreken en toezicht houden op wegen, dijken en militaire verplichtingen. De plaatselijke bevolking bleef echter noodzakelijk voor het dagelijkse bestuur. Geen graaf kon vanuit Medemblik of Holland bepalen welke sloot onmiddellijk moest worden geruimd of welk dijkvak na een storm het eerst moest worden hersteld. Lokale samenwerking en gewoonterecht bleven daarom bestaan. De nieuwe grafelijke laag verving de plaatselijke organisatie niet volledig, maar kwam erboven te staan. Enkusen groeide voortaan binnen het bestuurlijke verband van het graafschap Holland.

De voortdurende verbetering van de Westfriese Omringdijk gaf bewoners meer zekerheid om in huizen, erven en bedrijfsactiviteiten te investeren. De bescherming bleef onvolmaakt. Iedere storm kon schade aanrichten en ook na 1300 zouden overstromingen een gevaar blijven. Toch maakte een meer samenhangende dijkring blijvende concentratie van bebouwing mogelijk. Huizen konden dichter bij elkaar worden gebouwd. Waterlopen konden beter worden onderhouden. Opslagplaatsen en aanlegvoorzieningen kregen meer betekenis. Een gemeenschap die niet ieder jaar volledig hoefde te vrezen dat haar woonplaats werd weggeslagen, kon verder vooruit plannen. De dijk was daarmee niet alleen een verdedigingswerk, maar een voorwaarde voor economische en sociale verdichting.

Er zijn geen aanwijzingen dat Enkusen rond 1300 al een grote handelsstad was. De regionale handel moet niet worden uitvergroot tot de internationale koopvaart van latere eeuwen. Wel maakte de plaats deel uit van een netwerk waarin landbouwproducten, vis, zout, hout, aardewerk en andere goederen werden vervoerd. Haar ligging maakte het mogelijk producten uit De Streek bij het water bijeen te brengen. Omgekeerd konden aangevoerde goederen over de landroute worden verspreid. Deze overslagfunctie hoefde nog niet plaats te vinden aan een formele haven. Een eenvoudige aanlegplaats, een beschutte oever of een houten steiger kon voorlopig voldoende zijn. De grotere havenwerken ontstonden pas toen bevolking, handel en bestuur verder waren ontwikkeld.

De kust bood voordelen die veel binnendorpen niet hadden. Visgronden lagen dichtbij en vervoer over water was vaak sneller en goedkoper dan over land. Tegelijk beschikte Enkusen over een agrarisch achterland dat andere kustplaatsen mogelijk minder direct bereikten. Juist de combinatie van kust en De Streek maakte de nederzetting bijzonder. Zonder achterland zou zij afhankelijk zijn geweest van ingevoerd voedsel. Zonder vaarwater zou Gommerkerspel slechts één van de vele agrarische linten zijn gebleven. Samen vormden zij een overgangsgebied waar landproducten en watervervoer elkaar ontmoetten. Deze dubbele oriëntatie zou later een bepalend kenmerk van Enkhuizen blijven, zelfs toen de stad veel groter en rijker werd.

De bebouwing begon zich geleidelijk te concentreren. De huizen stonden nog niet in aaneengesloten stenen gevelwanden. Tussen erven lagen sloten, tuinen, weiden en open terreinen. Toch kwamen steeds meer activiteiten op dezelfde plaats bijeen. Bij een kerk of kapel ontmoetten bewoners elkaar. Aan de kust werden schepen aangelegd en goederen overgeslagen. Langs de landroute kwamen boeren, reizigers en handelaren voorbij. Een plaatselijke timmerman, smid of andere vakman kon daardoor meer klanten bereiken dan op een afgelegen boerenerf. De nederzetting kreeg zo stap voor stap een centrumfunctie, ook al waren de juridische kenmerken van een stad nog afwezig.

Archeologisch onderzoek is voor deze periode onmisbaar omdat geschreven bronnen schaars zijn. Aardewerk kan helpen om bewoningslagen te dateren. Paalgaten en funderingssporen tonen waar houten gebouwen stonden. Greppels maken de inrichting van erven en percelen zichtbaar. Botmateriaal geeft inzicht in de gehouden dieren en gegeten vissoorten. Zaden, pollen en plantenresten kunnen iets vertellen over gewassen en natuurlijke vegetatie. Ophogingslagen laten zien hoe bewoners zich tegen vocht en bodemdaling beschermden. Toch blijven ook archeologische gegevens begrensd. Een paalspoor vertelt niet wie het huis bouwde. Een potscherf noemt geen gezin. De levens van de meeste bewoners blijven daarom zonder naam.

Rond het jaar 1300 lag Enkusen op een beslissend punt in zijn ontwikkeling. De eeuwenlange ontginning had een bruikbaar maar laag landschap voortgebracht. Bodemdaling en de oprukkende zee hadden oudere bewoning tot verplaatsing gedwongen. De Omringdijk bood een veiliger vestigingsplaats. Gommerkerspel en De Streek leverden landbouwproducten en landverbindingen. De Zuiderzee bood vis, vervoer en contacten met andere kustplaatsen. De grafelijke onderwerping van West-Friesland had de politieke verhoudingen gewijzigd. Kerkelijke centra hielpen de gemeenschap bijeenhouden. Geen van deze ontwikkelingen afzonderlijk maakte van Enkusen een stad, maar samen schiepen zij de voorwaarden voor de volgende fase.

Aan het begin van de veertiende eeuw bezat Enkusen nog geen stadsrechten. De plaats had geen ommuring, geen monumentaal stadhuis en geen grote koopvaardijvloot. Zij bestond uit houten huizen, agrarische erven, sloten, aanlegplaatsen en kerkelijke grond. Toch ontwikkelde zij zich anders dan een willekeurig dorp. De bevolking groeide en verdichtte zich. De economische betekenis nam toe. De verbindingen over land en water kwamen op één plaats samen. De kustgemeenschap kreeg een eigen naam en herkenbaarheid. Daarmee begon de overgang van een verplaatste en verspreide nederzetting naar een toekomstig stedelijk centrum. Die overgang zou in de veertiende eeuw verder zichtbaar worden in kerkelijke zelfstandigheid, marktfuncties, havens en uiteindelijk stedelijke rechten.

Nagedacht gedurende 2m 56s

 

Deel 2 – Enkhuizen in de dertiende eeuw

 

Een nederzetting krijgt gewicht tussen Drechterland en de Zuiderzee, circa 1200–1300

 

Rond 1200 begon voor Enkhuizen geen volledig nieuwe geschiedenis. De bewoners leefden voort in het landschap dat hun ouders en grootouders tijdens de twaalfde eeuw hadden ontgonnen. Langs de verhoogde bewoningsas stonden houten boerderijen en woonhuizen. Achter de erven lagen lange kavels, sloten, akkers, hooilanden en weiden. Aan de landzijde ontwikkelde Gommerkerspel zich rond een agrarische en kerkelijke kern. Verder naar het oosten lag de groep huizen die steeds duidelijker Enkhuizen zou worden genoemd. Daar kwamen de weg door De Streek en de waterwereld van het Almere en de zich vormende Zuiderzee bij elkaar.

 

De dertiende eeuw bracht geen plotselinge verandering van nederzetting naar stad. Enkhuizen kreeg nog geen stadsrechten, stenen omwalling, monumentale stadspoorten of groot gegraven havenbekken. De eeuw veranderde de plaats wel ingrijpend. De Westfriese Omringdijk kreeg steeds meer samenhang, het buitenwater werd groter en gevaarlijker, de graven van Holland breidden hun macht uit en Enkhuizen verscheen in 1283 voor het eerst met naam in een bewaard gebleven schriftelijke bron. Aan het einde van de eeuw was Enkhuizen nog een dorp, maar niet langer een naamloze randnederzetting.

 

Een jonge nederzetting in een onrustig graafschap

 

Toen de eeuw begon, was Dirk VII graaf van Holland. Zijn positie was niet onbetwist. Hij had in de voorafgaande jaren strijd gevoerd met zijn jongere broer Willem, die steun zocht bij West-Friese gemeenschappen. Volgens een latere regionale geschiedkundige reconstructie wist Dirks vrouw Aleid van Kleef vanuit de abdij van Egmond een deel van de West-Friezen aan hun zijde te krijgen. Bij een beslissend treffen zouden de mannen van Niedorperambacht zich afzijdig hebben gehouden, waardoor andere West-Friese strijders werden verslagen. De precieze gevolgen voor Enkhuizen zijn onbekend, maar de gebeurtenissen laten zien dat West-Friese groepen zelf als politieke en militaire bondgenoten optraden. 

 

Dirk VII stierf in 1203. Zijn enige overlevende wettige erfgename was zijn dochter Ada van Holland. Haar moeder Aleid liet haar vrijwel onmiddellijk trouwen met Lodewijk II, graaf van Loon. Een deel van de Hollandse adel accepteerde deze opvolging niet en koos partij voor Dirks broer Willem. Zo begon de Loonse Successieoorlog. Ada zocht bescherming in de burcht van Leiden, maar werd in december 1203 gevangengenomen en naar Texel gebracht. Daarna werd zij overgeleverd aan de Engelse koning Jan zonder Land. Het conflict had daardoor verbindingen met Engeland, Frankrijk en de strijd om het Duitse koningschap. 

 

Texel lag dicht bij de noordelijke vaarroute langs het Vlie. Dat Ada daar gevangen werd gehouden, toont opnieuw dat de eilanden geen afgelegen uithoeken waren. Zij hadden militaire betekenis en lagen op de verbindingen tussen Holland, Friesland, Engeland en de Noordzee. Voor de bewoners van Enkhuizen en Gommerkerspel bleef de strijd waarschijnlijk vooral een verre twist tussen adellijke partijen. Toch kon een machtsstrijd gevolgen hebben voor veiligheid, scheepvaart, heffingen en de verplichting om mannen of vaartuigen beschikbaar te stellen.

 

Willem kreeg vanaf 1208 feitelijk de overhand in Holland en werd in 1213 officieel met het graafschap beleend. Ada en Lodewijk bleven hun aanspraken behouden, maar keerden niet terug als werkelijke heersers over Holland. Daarmee begon de regering van Willem I. Na hem volgden Floris IV en vervolgens Willem II. De graven regeerden niet vanuit één vaste hoofdstad. Zij bewogen tussen grafelijke hoven, burchten, kloosters en steden. Egmond, Leiden, Haarlem, Vlaardingen, Dordrecht en later Den Haag waren voor hen belangrijker centra dan het nog kleine Enkhuizen.

 

De opeenvolging van graven betekende niet dat iedere West-Friese dorpsgemeenschap onmiddellijk rechtstreeks door grafelijke ambtenaren werd bestuurd. West-Friesland maakte formeel deel uit van een grotere politieke wereld, maar plaatselijke groepen behielden veel zelfstandigheid. Zij regelden het dagelijks gebruik van grond, sloten en dijken binnen bestaande gemeenschappen. De traditionele voorstelling van West-Friesland als een volledig onafhankelijke boerenrepubliek is echter te eenvoudig. Het gebied stond niet buiten het Duitse Rijk of alle grafelijke aanspraken; de vraag was vooral hoeveel werkelijk gezag de Hollandse graaf er kon uitoefenen. 

 

De Streekweg wordt de ruggengraat van het dorp

 

De twaalfde-eeuwse ontginningsas bleef in de dertiende eeuw de belangrijkste landverbinding. De latere Streekweg liep van Zwaag via Hoogkarspel, Lutjebroek, Grootebroek en Bovenkarspel naar het Westeinde en de Westerstraat van Enkhuizen. De benamingen Westeinde en Westerstraat zijn jonger dan de eerste ontginningsfase, maar de lijn zelf ontstond in de twaalfde eeuw. Archeologisch onderzoek toont dat de dorpen langs deze as, waaronder Enkhuizen, in de tweede helft van die eeuw begonnen en in de dertiende eeuw verder werden ingericht. 

 

De weg was meer dan een droog pad. Hij functioneerde als binnendijk, ontginningsbasis en verbindingslijn. Huizen stonden aanvankelijk niet allemaal direct aan de weg. Sommige woonplaatsen lagen tientallen meters binnen de kavels. Aan het Westeinde is een huisterp aangetoond die ongeveer zestig meter van het latere lint lag. Ook aan de Molenweg zijn resten van bewoning uit de twaalfde en dertiende eeuw op een vergelijkbare afstand gevonden. Geleidelijk verplaatste of concentreerde de bewoning zich dichter langs de verhoogde route. 

 

Op verschillende plaatsen langs het Westeinde zijn resten uit de dertiende eeuw gevonden. Bij Westeinde 111–113 bestonden de oudste archeologische sporen vooral uit ophogingspakketten, sloten en kleiwinningskuilen. Concrete resten van huizen ontbraken daar, maar het terrein werd aantoonbaar gebruikt en aangepast. Het ontbreken van gebouwsporen betekent in het veenland niet dat er geen mensen in de omgeving woonden. Hout verging, veen oxideerde en huizen konden op ondiepe houten onderlagen hebben gestaan. 

 

In de historische binnenstad kwamen tijdens rioolonderzoek resten van een huis uit de dertiende eeuw tevoorschijn. Deze vondst is belangrijk, omdat zij bewijst dat de bewoning zich in deze eeuw niet uitsluitend langs het verder westelijk gelegen ontginningslint bevond. Ook dichter bij de latere haven- en stadskern stonden toen al huizen. Enkhuizen bestond dus uit meer dan één enkel agrarisch erf. De verschillende woonplaatsen begonnen samen een herkenbaarder nederzetting te vormen. 

 

De Westerstraat geldt archeologisch als de oudste straat van Enkhuizen en maakt deel uit van de middeleeuwse bewoningsas. De huidige straatwanden en stenen huizen ontstonden veel later, maar de route zelf behoorde al tot het landschap waarin de dertiende-eeuwse bewoners zich bewogen. Langs de weg lagen houten huizen, schuren, erven en open percelen. Tussen de huizen konden sloten of paden naar de achterliggende grond lopen. 

 

Gommerkerspel en Enkhuizen blijven twee kernen

 

Tussen Enkhuizen en Bovenkarspel lag Gommerkerspel. Het Westfries Archief beschrijft Enkhuizen en Gommerskarspel als afzonderlijke dorpen die pas in de loop van de veertiende eeuw tot één nederzetting versmolten. In de dertiende eeuw moeten zij daarom nog als twee herkenbare, maar nauw verbonden gemeenschappen worden behandeld. 

 

Gommerkerspel lag sterker in het agrarische lint. De naam verwijst naar het kerspel van Sint-Gommarus: een kerkelijke gemeenschap met een eigen kerk of kapel, kerkhof en parochiaal gebied. De precieze bouwdatum en ligging van de oudste Gommaruskerk zijn niet rechtstreeks vastgesteld. De latere Westerkerk mag niet als dertiende-eeuws gebouw worden voorgesteld. Waarschijnlijk stond er een veel eenvoudiger houten voorganger of bevond zich in de omgeving een vroeg kerkelijk terrein.

 

De kerk gaf samenhang aan de verspreide erven. Daar werden kinderen gedoopt, huwelijken kerkelijk bevestigd en doden begraven. De geestelijke las de mis, hoorde mogelijk biechten en bracht de plaatselijke bevolking in contact met het bisdom Utrecht en de bredere Latijnse kerk. De namen van de dertiende-eeuwse priesters zijn niet overgeleverd. Ook is niet bekend welke kerkelijke instelling het benoemingsrecht bezat of welke hoeveelheid grond en tienden aan de eerste kerk toebehoorde.

 

Enkhuizen lag verder naar het water. De latere kerkelijke traditie verbond deze kern met Sint-Pancratius. Ook hier ontbreekt voor de dertiende eeuw een bewaard gebleven stichtingsakte. De bekende Zuiderkerk is veel jonger. Er kan wel een oudere kapel of kerkelijke plaats hebben bestaan, mogelijk dichter bij een toenmalige kustlijn die later veranderde. Gerard Brandt legde eeuwen later verhalen vast over een oude buitendijkse kerk en verdwenen bewoning. Die overlevering kan een herinnering aan landverlies bewaren, maar de details zijn niet rechtstreeks als dertiende-eeuwse feiten bewezen.

 

De twee kernen waren economisch van elkaar afhankelijk. Gommerkerspel bezat landbouwgrond, vee, hooi, graan en arbeidskracht. Enkhuizen had betere toegang tot visgronden en vaarwater. Een boer kon een schuit gebruiken om hooi of mest te vervoeren. Een visser of schipper kon land bewerken, dieren houden en meehelpen bij de oogst. De bewoners vormden nog geen duidelijk gescheiden beroepsgroepen zoals die later uit stedelijke registers bekend zijn.

 

Huizen, erven en huishoudens

 

De meeste gebouwen waren van hout, riet, vlechtwerk en leem. Baksteen werd in de dertiende eeuw in Holland belangrijker, vooral voor kerken, kastelen en gebouwen van rijke instellingen, maar er is geen reden om het gewone Enkhuizen van deze eeuw al als een stenen nederzetting te tekenen. Het archeologische beeld bestaat vooral uit sloten, ophogingslagen, kuilen, aardewerk en plaatselijk overgebleven huisresten.

 

Een woonhuis kon tegelijk boerderij zijn. Mensen, vee en voorraad bevonden zich onder één dak of in direct aangrenzende ruimten. De vloer werd met klei, plaggen of ander materiaal droog gehouden. Wanneer de bodem zakte, kon een nieuwe laag worden aangebracht. Een erf werd omgeven door sloten die zowel water afvoerden als de grens met het volgende perceel markeerden.

 

Op de akkers werd onder meer rogge verbouwd. Nattere grond was geschikt voor hooiland en beweiding. Runderen leverden melk, boter, kaas, vlees, huiden en mest. Schapen leverden wol en mogelijk melk. Varkens konden keukenafval en andere voedselresten benutten. Niet ieder huishouden bezat dezelfde hoeveelheid grond en dieren. Verschillen in bezit zullen zijn ontstaan, maar de namen en vermogens van dertiende-eeuwse Enkhuizer gezinnen zijn niet bekend.

 

Het meeste werk gebeurde binnen het huishouden. Mannen en vrouwen werkten op land en erf, verzorgden dieren, bereidden voedsel en onderhielden gebouwen. Wol werd gesponnen en geweven. Graan moest worden gedorst, gemalen en gekookt of gebakken. Melk werd verwerkt omdat boter en kaas langer houdbaar waren dan verse melk. Vis kon worden gegeten, gedroogd, gerookt of gezouten, al ontbreken voor deze eeuw Enkhuizer productieregisters waarmee de omvang van de visserij kan worden vastgesteld.

 

Kinderen leerden door mee te werken. Zij hoedden dieren, verzamelden brandstof, droegen water en hielpen bij het schoonmaken van sloten. Ouderen bewaarden kennis over percelen, familieverhoudingen, zwakke dijkvakken en eerdere stormen. In een samenleving waarin weinig plaatselijke documenten werden geschreven, waren mondelinge kennis en getuigenissen van groot belang.

 

Het vuur in huis was noodzakelijk, maar gevaarlijk. Houten wanden, rieten daken, hooi en opgeslagen brandstof konden gemakkelijk ontbranden. Een brand kon een gezin niet alleen zijn woning kosten, maar ook gereedschap, kleding, voedselvoorraad en vee. Voor de dertiende eeuw is geen betrouwbare lijst van Enkhuizer branden bewaard. Het risico volgt wel rechtstreeks uit de gebruikte bouwmaterialen.

 

Aardewerk en verbindingen buiten West-Friesland

 

Het aardewerk dat in en rond Enkhuizen is gevonden, laat zien dat de nederzetting deel uitmaakte van regionale handelsnetwerken. Naast lokaal vervaardigde kogelpotten werden Paffrath- en Pingsdorfwaar, Maaslands wit en andere ingevoerde keramiek gebruikt. Dergelijke producten kwamen uit het Duitse Rijnland en het stroomgebied van de Maas. In West-Friese nederzettingen komen deze aardewerksoorten voor in lagen van de late twaalfde en vroege dertiende eeuw. 

 

Een ingevoerde pot bewijst niet dat een Enkhuizer rechtstreeks naar Keulen, Pingsdorf of het Maasland voer. Goederen konden via verschillende markten en tussenhandelaren worden doorgegeven. De Rijn, Lek, IJssel en Utrechtse Vecht verbonden het Duitse en zuidelijke achterland met Utrecht en het Almere. Medemblik vormde in West-Friesland een veel ouder regionaal knooppunt. Ook plaatsen aan de IJssel en rond het Vlie konden bij de verspreiding betrokken zijn.

 

De bewoners kochten of ruilden waarschijnlijk niet alleen aardewerk. Zout, metaal, maalstenen, hout en mogelijk textiel moesten deels van buiten komen. Niet al deze producten zijn voor het dertiende-eeuwse Enkhuizen afzonderlijk gedocumenteerd. De combinatie van ingevoerde keramiek, vaarverbindingen en de latere vermelding van Engelse kooplieden laat wel zien dat de nederzetting niet uitsluitend voor eigen gebruik produceerde.

 

De Noordzeehandel veranderde in deze eeuw. Engelse wol was belangrijk voor de lakenproductie in Vlaanderen en andere delen van de Lage Landen. Hollandse en Zeeuwse schippers namen in toenemende mate deel aan de handel met Engeland, Schotland en Ierland. De bewaarde bronnen voor deze handel beginnen al in de twaalfde en dertiende eeuw, hoewel Enkhuizen daarin aanvankelijk nauwelijks bij naam verschijnt. 

 

Ook de Oostzeehandel kreeg grotere betekenis. Friese, Groningse en IJsselsteden onderhielden verbindingen met Noord-Duitse en Oostzeese gebieden. In de dertiende eeuw groeiden de handelsnetwerken waaruit later de Hanze voortkwam. Enkhuizen was nog geen belangrijke Oostzeehandelaar, maar lag aan dezelfde binnenzee en vaarroute waarover goederen en schepen tussen het Vlie, de IJssel, Friesland en Holland bewogen. 

 

De Zuiderzee wordt groter

 

Het buitenwater veranderde in de dertiende eeuw sterk. Het vroegere zoetwatergebied van het Almere kreeg door stormen, afslag van veen en ruimere verbindingen met de Noordzee steeds meer het karakter van een binnenzee. De naam Zuiderzee raakte pas later algemeen in schriftelijk gebruik, maar de landschappelijke verandering was in de dertiende eeuw al in volle gang. Grote veengebieden verdwenen en nederzettingen langs de kust moesten zich aanpassen. 

 

Voor Enkhuizen betekende dit dat de afstand tot bruikbaar vaarwater mogelijk kleiner werd, maar ook dat de golfslag en stormdreiging toenamen. De oostelijke kern kreeg een gunstiger positie voor scheepvaart, terwijl buitendijkse grond, aanlegplaatsen en huizen kwetsbaarder werden. Dezelfde ontwikkeling die Enkhuizen economische kansen gaf, bedreigde zijn bestaan.

 

De kustlijn lag niet noodzakelijk waar de latere dijk en havens lagen. De oudste kern van een middeleeuwse dijk is bij archeologisch onderzoek niet onder het midden van de Breedstraat aangetroffen, maar onder de huizenrij aan de westzijde. De dijk werd vanaf de dertiende eeuw niet meer voornamelijk verhoogd, maar vooral verbreed. Dat betekent dat de huidige straat en bebouwing een oudere en ingewikkeld verlegde waterkering verbergen. 

 

Water stroomde niet alleen van buiten naar binnen. Regen, kwel en water uit de dalende veenbodem moesten uit het bedijkte land worden afgevoerd. De bewoners gebruikten sloten, bredere afvoerwateren en eenvoudige duikers of sluizen. Een uitgeholde boomstam kon als vroege afvoerbuis door een dijk worden gelegd. Bij laag buitenwater kon water naar buiten stromen; bij hoogwater moest de doorgang worden gesloten. 

 

Voor Enkhuizen zijn uit deze eeuw nauwelijks namen van afzonderlijke kanalen of sluizen overgeleverd. Het is daarom onjuist om de latere Oude Haven, Westerhaven, Oosterhaven of stadsboezems in de dertiende eeuw terug te plaatsen. De nederzetting bezat een netwerk van kavelsloten, ontginningswateren en natuurlijke of aangepaste geulen, maar hun toenmalige namen zijn verloren gegaan.

 

De Westfriese Omringdijk groeit dicht

 

De Westfriese Omringdijk ontstond door het verbinden, versterken en soms landinwaarts verplaatsen van oudere dijken. Volgens de regionale geschiedschrijving was de ring omstreeks 1250 in grote lijnen gesloten. Dat jaartal moet niet als de voltooiing van een overal even hoge en stevige dijk worden opgevat. De waterkering bleef bestaan uit verschillende plaatselijke vakken die voortdurend moesten worden onderhouden en aangepast. 

 

De omvang van het werk was groot. Grond moest met schoppen worden losgemaakt en met manden, karren of schuiten worden aangevoerd. Veen en klei werden opgestapeld. Kwetsbare delen moesten na stormen opnieuw worden opgebouwd. Wanneer de zee land voor de dijk wegsloeg, verloor de waterkering haar beschermende voorland en kreeg zij de volle kracht van de golven te verwerken.

 

Iedere gemeenschap was verantwoordelijk voor bepaalde dijkvakken. De precieze regels voor het dertiende-eeuwse Enkhuizen zijn niet bewaard. Later waren bannen, koggen en ambachten betrokken bij het dijkonderhoud. De Hollandse graven versterkten na hun verovering de organisatie en legden verplichtingen op. De oorsprong lag echter in oudere plaatselijke samenwerking, omdat het ontgonnen land zonder gezamenlijk dijkwerk niet kon voortbestaan. 

 

Drechterland was de regionale wereld waarin Enkhuizen, Gommerkerspel, Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek, Hoogkarspel, Hem, Wijdenes en Schellinkhout lagen. Het latere ambacht Drechterland kreeg formele taken voor het onderhoud van delen van de Omringdijk. Voor de eerste helft van de dertiende eeuw moeten de latere bestuursvormen echter niet volledig worden teruggeprojecteerd. Dorpsgemeenschappen en kleinere verbanden gingen vooraf aan de uitgewerkte ambtelijke organisatie.

 

Een dijk bracht mensen bijeen, maar veroorzaakte ook conflicten. Wie dicht bij het bedreigde water woonde, kon meer belang hebben bij onmiddellijke versterking dan iemand verder landinwaarts. Een bewoner die zijn werk niet uitvoerde, bracht anderen in gevaar. Ook de plaats van een duiker of uitwatering kon twist veroorzaken, omdat het ene gebied sneller water wilde lozen dan het andere.

 

Willem II en de strijd om West-Friesland

 

In 1247 werd graaf Willem II van Holland gekozen tot Rooms koning, de gekozen vorst van het Rooms-Duitse Rijk. Daarmee kreeg hij een positie die ver boven het gewone Hollandse graafschap uitstak. Juist daarom zal het voor hem moeilijk te accepteren zijn geweest dat zijn gezag in West-Friesland nog steeds werd betwist. 

 

Willem versterkte Alkmaar als grafelijk en militair steunpunt. In 1254 verleende hij Alkmaar stadsrecht. In diezelfde periode liet hij ten oosten van de stad de Torenburg bouwen of versterken. Alkmaar lag aan de toegangsweg vanuit Kennemerland naar West-Friesland en werd een uitgangspunt voor grafelijke veldtochten. 

 

In 1254 en 1255 vonden nieuwe vijandelijkheden plaats. Willem viel West-Friesland binnen, maar het natte landschap maakte grootschalig militair optreden moeilijk. De West-Friezen konden gebruikmaken van sloten, moerassen, meren en smalle wegen die zij beter kenden dan de grafelijke ruiters. Een zwaarbewapend leger was afhankelijk van begaanbare routes en droge plaatsen. 

 

In januari 1256 probeerde Willem opnieuw toe te slaan. Het had gevroren en het ijs leek een gelegenheid te bieden om de natte barrières te passeren. Vanuit Alkmaar trok het leger naar het noorden. Een deel ging via Oterleek; Willem zelf wilde over de bevroren Heerhugowaard en Berkmeer naar Hoogwoud oprukken. Hij reed voor zijn manschappen uit, zakte met paard en harnas door het ijs en werd door West-Friezen gedood. De gebeurtenis wordt op 27 januari 1256 geplaatst. 

 

Volgens de overlevering beseften zijn tegenstanders pas na zijn dood dat zij niet slechts een ridder, maar de Rooms koning hadden gedood. Zijn lichaam werd in Hoogwoud verborgen, volgens de bekende traditie onder de stookplaats van een huis. De precieze details zijn door kronieken en latere verhalen overgeleverd, maar zijn dood bij Hoogwoud zelf is goed verankerd in de historische traditie.

 

Voor de bewoners van Enkhuizen en Gommerkerspel lag Hoogwoud niet direct naast de deur, maar wel binnen hun regionale wereld. Mannen uit verschillende West-Friese gebieden kunnen aan de strijd hebben deelgenomen. Er bestaat geen betrouwbare lijst waarop Enkhuizer deelnemers worden genoemd. Het zou daarom onjuist zijn specifieke inwoners bij Willems dood te verzinnen.

 

De dood van Willem maakte zijn zoontje Floris V tot graaf. Floris was nog geen twee jaar oud. Eerst trad zijn oom Floris de Voogd voor hem op. Na diens dood in 1258 speelde Aleid van Henegouwen, een zuster van Willem II, een belangrijke rol. Ook andere hoge edelen en voogden oefenden invloed uit. Floris werd in 1266 meerderjarig verklaard. 

 

Het dagelijks leven gaat tijdens de oorlog door

 

De conflicten met de graven betekenden niet dat het werk in Enkhuizen stilviel. Akkerbouw, hooien, melken, vissen en dijkonderhoud gingen door. Een veldtocht duurde slechts een deel van het jaar; voedselproductie en zorg voor dieren waren iedere dag nodig.

 

Oorlog kon de gemeenschap wel belasten. Mannen konden worden opgeroepen of vrijwillig meevechten. Boten, paarden, voedsel en wapens konden worden gevorderd of verzameld. Een groep strijders die door een dorp trok, gebruikte voorraden en onderdak. Boerderijen langs een route liepen gevaar geplunderd of verbrand te worden.

 

De West-Friese strijders vormden geen permanent leger. Zij waren grotendeels bewoners die buiten oorlogstijd boer, visser, schipper of ambachtsman waren. Hun kracht lag in plaatselijke kennis, snelle samenkomst en het benutten van het landschap. Zij konden zich terugtrekken achter watergangen en drassige gronden waar zware ruiters moeilijk konden volgen.

 

Wapens konden bestaan uit speren, messen, bijlen, bogen en eenvoudig beschermend materiaal. Rijke of vooraanstaande strijders beschikten mogelijk over een zwaard, helm of maliënkolder. Het is niet bekend welke bewapening in Enkhuizen zelf aanwezig was. Archeologische vondsten en algemene kennis van de periode geven slechts een regionaal beeld.

 

Floris V probeert eerst vanuit Alkmaar door te breken

 

Floris V droeg de herinnering aan de dood van zijn vader met zich mee. Een eerste grote poging om West-Friesland te onderwerpen vond in 1272 plaats. Vanuit Alkmaar trok hij via een nieuwe weg over een dam in de Rekere naar de Vronergeest. De route wordt verbonden met de latere Munnikenweg. De West-Friezen wisten zijn opmars te stoppen. 

 

De mislukking verzwakte Floris’ gezag. In Kennemerland en andere gebieden ontstond onrust tegen grafelijke bestuurders en lasten. Floris moest daarom niet alleen een militaire tegenstander verslaan, maar ook voorkomen dat verschillende groepen zich tegen hem verenigden.

 

Voor Enkhuizen betekende het mislukken van de tocht dat de bestaande West-Friese zelfstandigheid voorlopig bleef voortbestaan. De grafelijke invloed kon merkbaar zijn via aanspraken en contacten, maar er stond nog geen duurzaam grafelijk militair steunpunt in de directe omgeving dat het dorp dagelijks controleerde.

 

In de jaren daarna bereidde Floris een andere aanpak voor. In plaats van opnieuw uitsluitend vanuit Alkmaar over het natte land binnen te trekken, wilde hij de Zuiderzee gebruiken. Dat plan was alleen mogelijk met schepen, bemanning, voedsel, paardenvervoer en kennis van geschikte landingsplaatsen.

 

De inval van 1282

 

In juni 1282 begon Floris zijn beslissende aanval. Kennemer troepen verzamelden zich bij het Wijkermeer bij Beverwijk. Andere Hollandse strijders gingen bij Haarlem aan boord. De vloot voer via Amsterdam over het water naar West-Friesland. Bij Wijdenes werden de manschappen aan land gezet. 

 

Wijdenes lag ten zuidwesten van Enkhuizen aan de West-Friese kust. De landing vond dus plaats binnen het landschap van Drechterland. Floris trok vanaf Wijdenes via de hoge kreekrug van Schellinkhout in de richting van Hoogwoud. Hogere oude geulruggen boden een begaanbaarder route dan de lage, natte gronden ernaast. 

 

De strijd was niet onmiddellijk voorbij. De Hollandse troepen ondervonden tegenstand, maar wisten uiteindelijk door te dringen. Floris bereikte Hoogwoud en liet het graf van zijn vader zoeken. Volgens de overlevering wees een oude man de verborgen begraafplaats aan. Het gebeente van Willem II werd opgegraven en naar de abdij van Middelburg gebracht, waar het opnieuw werd begraven. Floris zou op de vindplaats een kapel hebben laten bouwen. De opgraving en herbegrafenis behoren tot de vaste traditie; sommige verhalende details zijn moeilijk onafhankelijk te controleren. 

 

De overwinning van 1282 betekende niet dat Floris vanaf de volgende dag ieder dorp volledig beheerste. Het kostte jaren om zijn gezag te vestigen. Hij liet burchten bouwen of versterken bij Wijdenes, Medemblik, Eenigenburg en Alkmaar. Deze versterkingen waren militaire steunpunten, opslagplaatsen en zichtbare tekens van grafelijke macht. 

 

Voor Enkhuizen was vooral Medemblik belangrijk. Het was de oudste regionale haven- en bestuursplaats. Een sterke grafelijke burcht daar maakte het mogelijk de noordelijke waterroute en oostelijk West-Friesland beter te controleren. Het latere kasteel Radboud wordt met Floris’ bouwprogramma verbonden en doorgaans rond 1288 gedateerd. 

 

Ook Wijdenes lag dichtbij. De burcht daar is verdwenen en kan door latere kustafslag in of nabij het huidige Markermeer zijn terechtgekomen. De precieze plek is niet vastgesteld. Voor de inwoners van Enkhuizen en Gommerkerspel moet de aanwezigheid van grafelijke troepen in Wijdenes en Medemblik duidelijk hebben gemaakt dat de machtsverhoudingen veranderden.

 

Enkus verschijnt in 1283

 

Op 12 juni 1283 verscheen de naam Enkhuizen voor zover bekend voor het eerst in een bewaard gebleven schriftelijke bron. De plaats werd aangeduid als Enkus. De akte hield verband met de beroving van twee Engelse kooplieden. Het Westfries Archief noemt deze oorkonde als de eerste vermelding van Enkhuizen; het repertorium van Nederlandse stadsrechten geeft 12 juni 1283 als datum van de oudste vermelding. 

 

Dat ene woord is van grote betekenis. Archeologie had al bewezen dat er vóór 1283 werd gewoond. De akte voegt daar een naam aan toe die buiten de plaatselijke mondelinge wereld werd gebruikt. Enkhuizen was kennelijk herkenbaar genoeg om in een juridisch document te worden genoemd.

 

De vermelding bewijst niet dat Enkhuizen in 1283 stadsrechten, een eigen rechtbank of een groot marktcentrum bezat. Het bleef een dorp. Ook kan uit de beknopte samenvatting van de akte niet zonder nadere bestudering worden afgeleid waar de kooplieden precies werden beroofd, wie de daders waren of hoe lang de Engelsen in Enkhuizen verbleven.

 

De aanwezigheid van Engelse kooplieden in de zaak is wel veelzeggend. Zij past bij de groeiende handel tussen Engeland en de Lage Landen. Schepen voeren met wol, textiel, zout, wijn, graan en andere goederen tussen Engelse havens, Vlaanderen, Zeeland en Holland. Enkhuizen lag aan een route waarlangs buitenlandse kooplieden of hun goederen konden passeren.

 

Het document laat ook zien dat geweld en handel naast elkaar bestonden. Een koopman op reis droeg goederen, geld en kredietbrieven en kon daarom een aantrekkelijk doelwit zijn. Op het water dreigden schipbreuk, piraterij en diefstal; aan land konden reizigers worden overvallen. De akte is geen bewijs dat Enkhuizen algemeen als een roversnest bekendstond. Zij toont vooral dat een incident belangrijk genoeg was om juridisch te worden vastgelegd.

 

De spelling Enkus was niet definitief. Middeleeuwse klerken schreven plaatsnamen zoals zij die hoorden of volgens hun eigen schrijfgewoonten. In een grafelijke rekening uit 1311 kwam later de vorm Enchusen voor. De verschillende spellingen verwijzen niet noodzakelijk naar verschillende plaatsen, maar naar een naam die nog niet gestandaardiseerd was. 

 

Wat de eerste vermelding over het dorp zegt

 

De akte van 1283 vormt geen stichtingsbewijs. Enkhuizen bestond al vóórdat een klerk de naam opschreef. De twaalfde-eeuwse huisterpen, dertiende-eeuwse huisresten, sloten en dijken tonen een langere ontwikkeling. De schriftelijke vermelding markeert het moment waarop de plaats zichtbaar wordt binnen een bovenregionaal juridisch netwerk.

 

Een dorp werd meestal alleen in een akte genoemd wanneer dat voor een rechtshandeling nodig was. De meeste dagelijkse gebeurtenissen kwamen nooit op perkament terecht. Geboorten, huwelijken, verkopen van kleine goederen, ruzies tussen buren, het herstel van een huis en het graven van een sloot bleven mondelinge of plaatselijke zaken.

 

De Enkhuizer bewoners zelf konden de naam al generaties gebruiken. Het is zelfs mogelijk dat verschillende delen van de nederzetting eigen buurtnamen hadden. De eerste bewaarde tekst vertelt niet welke naam de mensen aan de oudste watergerichte kern, het Westeinde of afzonderlijke erven gaven.

 

Het achtervoegsel -huizen wijst waarschijnlijk op een groep huizen. Voor het eerste deel van Enkhuizen zijn verschillende verklaringen voorgesteld, zoals een persoonlijke naam, een akker of enk, het einde van de huizenreeks of eenvoudig enkele huizen. Geen van deze verklaringen kan voor de dertiende eeuw met zekerheid worden bewezen.

 

Grafelijke burchten, wegen en dijken

 

Na 1282 gebruikte Floris V niet alleen geweld. Hij probeerde West-Friesland in het grafelijke bestuur op te nemen. De burchten beschermden wegen, controleerden strategische punten en boden onderdak aan grafelijke ambtenaren en soldaten. Ook liet hij dijken en wegen verbeteren. 

 

Voor de bewoners konden zulke werkzaamheden tegelijk nuttig en belastend zijn. Een sterkere dijk beschermde hun land, maar zij moesten arbeid, materiaal of geld leveren. Een betere weg maakte handel gemakkelijker, maar kon ook een grafelijk leger sneller toegang geven. Een burcht bood bescherming tegen plaatselijk geweld, maar vormde eveneens een dwangmiddel.

 

Het grafelijke bestuur werkte met schouten, schepenen, baljuwen, rentmeesters en andere functionarissen. Na de onderwerping bleven oude dorpsgemeenschappen veel dagelijkse zaken regelen, maar de graaf plaatste rechtspraak en belastinginning in een hiërarchischer verband. Oostelijk West-Friesland kwam onder het baljuwschap van Medemblik te vallen. De precieze invoering van iedere functie in Enkhuizen kan niet op een bepaald jaar worden vastgelegd, maar de algemene bestuurlijke verandering volgde op de verovering. 

 

Een schout vertegenwoordigde de landsheer in het dorp en werkte bij rechtspraak met schepenen. Zij behandelden conflicten over bezit, schuld, geweld en andere zaken. Zware misdrijven vielen onder de baljuw. Omdat uit Enkhuizen geen volledige dertiende-eeuwse gerechtsboeken zijn bewaard, blijven de namen van de eerste schouten en schepenen onbekend.

 

Ook belastingen werden belangrijker. Floris verlangde erkenning van zijn gezag en betaling van lasten. Daarnaast konden bewoners verplicht worden mee te werken aan wegen, burchten, dijken en militaire tochten. De precieze bedragen en verdeling over Enkhuizen en Gommerkerspel zijn niet overgeleverd.

 

De stormvloeden van 1287 en 1288

 

De macht van de graaf groeide terwijl het landschap opnieuw door water werd getroffen. Zware overstromingen in 1287 en 1288 brachten grote schade toe aan West-Friesland. De overstroming van december 1287 wordt doorgaans met de Sint-Luciavloed verbonden. De exacte omvang van de schade per dorp is niet overal bekend, maar de rampen verzwakten de West-Friese weerstand en maakten duidelijk dat dijkherstel en gezamenlijke organisatie onmisbaar waren. 

 

Voor Enkhuizen kan geen betrouwbare lijst worden gegeven van verdronken inwoners, ingestorte huizen of weggeslagen dijkroeden. Toch lag de plaats aan een kwetsbare rand. Water kon over of door de dijk stromen, sloten vullen en landbouwgrond verzilten. Huizen op lage erven moesten worden verlaten of opnieuw opgehoogd.

 

De gevolgen duurden langer dan de storm zelf. Zout water beschadigde gras en akkers. Kadavers moesten worden verwijderd. Dijkgaten werden met klei, veen, riet en hout gedicht. Voedselvoorraden konden verloren gaan. Wie weinig vee of land bezat, had minder mogelijkheden om te herstellen.

 

De rampen veranderden tevens de kust. Voorland kon verdwijnen, waardoor de dijk daarna directer aan de golfslag blootstond. De bewoners moesten soms besluiten een dijk landinwaarts te verplaatsen en grond prijs te geven. Voor de directe Enkhuizer kust zijn de exacte dertiende-eeuwse inlagen niet volledig gereconstrueerd, maar het proces van kustafslag is archeologisch en landschappelijk duidelijk.

 

De vrede van 1289

 

In 1289 sloten de West-Friezen uiteindelijk vrede met Floris V. Volgens de regionale overlevering hadden zes jaren van militaire druk en de overstromingen van 1287 en 1288 de weerstand gebroken. Afgevaardigden erkenden Floris als heer, beloofden belastingen te betalen en zouden zijn manschappen niet hinderen bij de aanleg van dijken, wegen en burchten. 

 

De vrede betekende niet dat de West-Friese bevolking haar plaatselijke gebruiken onmiddellijk verloor. Dorpsgemeenschappen bleven bestaan en behielden een belangrijke rol in dagelijks bestuur en waterbeheer. De graaf plaatste daarboven een blijvend landsheerlijk gezag.

 

Floris liet zich vanaf 1291 ook heer van Friesland noemen, hoewel zijn feitelijke macht vooral West-Friesland betrof. Zijn titel drukte een bredere aanspraak uit dan het gebied dat hij werkelijk beheerste. 

 

Voor Enkhuizen betekende de vrede dat de nederzetting binnen een stabieler grafelijk kader kwam te liggen. Handelaren konden zich tot grafelijke ambtenaren wenden, belastingen werden regelmatiger geheven en het dijkonderhoud kreeg een sterkere bestuurlijke organisatie. Tegelijk verdween de mogelijkheid om grafelijke bevelen eenvoudig als aanspraken van een verre tegenstander af te wijzen.

 

Een dorp tussen Medemblik en De Streek

 

Medemblik bleef het belangrijkste grafelijke centrum van oostelijk West-Friesland. Floris verleende de plaats in 1288 verschillende rechten en vrijheden. De burcht, haven en bestuurlijke functie maakten Medemblik tot een plaats waar ambtenaren, soldaten, kooplieden en schippers bijeenkwamen. 

 

Enkhuizen lag ten zuidoosten van Medemblik en aan het oostelijke einde van De Streek. De twee plaatsen waren geen gelijkwaardige stedelijke concurrenten. Medemblik had een veel oudere schriftelijke geschiedenis en een directere grafelijke functie. Enkhuizen groeide als kustdorp dat zijn voordeel ontleende aan de combinatie van achterland en vaarwater.

 

Westwaarts lagen Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek, Hoogkarspel en Zwaag. Deze dorpen leverden landbouwproducten en vormden samen een lang bewoningslint. De Streekweg gaf toegang tot hun erven en kerken. Sloten en vaarten maakten het mogelijk zware goederen per schuit te vervoeren.

 

Zuidwestwaarts lagen Hem, Wijdenes en Schellinkhout. Wijdenes was door Floris’ landing en burcht militair belangrijk geworden. Schellinkhout lag op de hoge kreekrug waarlangs het grafelijke leger in 1282 optrok. Noordwaarts lagen Andijk, Opperdoes en Medemblik. Over water waren Wieringen, Texel, Friesland en de vaarroute door het Vlie bereikbaar.

 

Visserij en kleine scheepvaart

 

De uitbreiding van het open water bood meer ruimte voor visserij. Welke soorten in de directe omgeving werden gevangen, kan voor de dertiende eeuw niet volledig uit Enkhuizer bronnen worden gereconstrueerd. Zoetwater- en brakwatervissen, paling en verschillende kustsoorten kunnen een rol hebben gespeeld. De beroemde Enkhuizer haringvisserij van latere eeuwen mag niet zonder bewijs als een al volledig ontwikkelde dertiende-eeuwse bedrijfstak worden voorgesteld.

 

De schepen waren klein in vergelijking met latere koopvaarders. Voor sloten en binnenwateren gebruikte men platte of ondiep stekende vaartuigen. Voor het grotere water waren sterkere schepen nodig. Niet ieder huishouden bezat een boot; bezit kon binnen familie- of werkverbanden worden gedeeld.

 

Een schip vroeg voortdurend onderhoud. Hout werkte en rotte, naden moesten worden gedicht, touw en zeil gerepareerd. Hout van voldoende lengte en kwaliteit moest vaak van buiten West-Friesland worden aangevoerd, omdat het ontgonnen landschap weinig grote bossen bezat.

 

Aanlegplaatsen zullen eenvoudig zijn geweest. Er is voor de dertiende eeuw geen bewijs voor een groot gegraven havenbekken. Boten konden in een sloot, geul of natuurlijke inham liggen. Een houten oeverversterking of steiger liet na verrotting weinig herkenbare sporen achter.

 

Handel zonder stedelijke markt

 

Enkhuizen bezat nog geen stadsrecht en waarschijnlijk geen grote, door grafelijke privileges beschermde jaarmarkt. Handel vond toch plaats. Boeren ruilden of verkochten boter, kaas, graan, wol, dieren en mogelijk vlas. Vissers brachten vangst aan land. Schippers vervoerden goederen tussen dorpen en regionale markten.

 

Betaling kon in munten plaatsvinden, maar ruil, krediet en uitgestelde betaling waren eveneens belangrijk. Een koop werd vaak mondeling bevestigd voor getuigen. Grote of betwiste transacties konden later door een geestelijke, grafelijke klerk of gerechtelijke functionaris worden vastgelegd.

 

De akte van 1283 over de Engelse kooplieden laat zien dat buitenlandse handelaren of hun goederen deze regionale wereld bereikten. De vermelding maakt Enkhuizen niet meteen tot internationale koopstad, maar zij toont een contact dat verder reikte dan Drechterland.

 

Een reiziger kon via de Streekweg naar het westen gaan, via Medemblik noordwaarts reizen of per schip de Zuiderzee oversteken. Amsterdam groeide in deze eeuw aan de monding van de Amstel. Alkmaar, Haarlem en Dordrecht hadden stadsrechten. Enkhuizen maakte deel uit van hetzelfde graafschap en handelsgebied, maar bevond zich nog in een vroegere ontwikkelingsfase.

 

Geloof en kerkelijke verbondenheid

 

Het kerkelijke leven gaf de bewoners een vaste ordening. De parochies stonden uiteindelijk onder de bisschop van Utrecht, ook al had deze als wereldlijk heer regelmatig conflicten met de graaf van Holland. De plaatselijke priester vertegenwoordigde een kerk die zich tot Rome uitstrekte, maar zijn dagelijks werk speelde zich af tussen boeren, vissers en schippers.

 

De mis werd in het Latijn gevierd. De meeste bewoners spraken een plaatselijke vorm van het Middelnederlands of West-Fries. Zij hoefden de Latijnse woorden niet volledig te begrijpen om de gebaren, kerkelijke feestdagen en belangrijkste rituelen te kennen.

 

Het kerkelijk jaar bepaalde vastenperioden, feestdagen en rustmomenten. Sint-Gommarus en Sint-Pancratius werden later de patroonheiligen van de twee Enkhuizer tradities. Hoe uitgebreid hun feesten in de dertiende eeuw werden gevierd, is niet bekend.

 

De kerk ontving mogelijk tienden van graan, vee of andere opbrengsten. Ook konden bewoners grond of goederen schenken voor hun zielenheil. Zonder dertiende-eeuwse Enkhuizer kerkrekeningen kunnen de inkomsten en bezittingen niet precies worden vastgesteld.

 

Het kerkhof vormde een van de meest blijvende plaatsen van het dorp. Huizen konden worden verplaatst, maar de graven van ouders en grootouders hielden een gemeenschap aan een kerkelijke kern gebonden. Daardoor kregen Gommerkerspel en Enkhuizen elk een eigen herinneringslandschap.

 

De moord op Floris V

 

Op 27 juni 1296 werd Floris V bij Muiderberg gedood. Hij was door edelen onder wie Gijsbrecht van Amstel, Herman van Woerden en Gerard van Velsen gevangengenomen. Toen bewoners uit de omgeving hem wilden bevrijden, doodden zijn ontvoerders de graaf. De precieze gebeurtenissen zijn door de Rijmkroniek van Holland en latere verhalen uitvoerig beschreven. 

 

De moord hing samen met ingewikkelde binnenlandse en internationale verhoudingen. Floris had contacten onderhouden met de Engelse koning Eduard I, maar koos in 1296 de zijde van de Franse koning Filips IV. Daarnaast bestonden conflicten met edelen over macht en bezit. Het is te eenvoudig de moord uitsluitend aan één buitenlands bevel of één persoonlijke wraakactie toe te schrijven.

 

Floris had in West-Friesland vijanden onderworpen, maar ook steun opgebouwd doordat hij vrede, dijken en een zekere bestuurlijke stabiliteit had gebracht. Volgens de overlevering bevonden zich onder de boeren die hem wilden bevrijden ook West-Friezen. 

 

Het nieuws van zijn dood moet via grafelijke ambtenaren, kerken, markten en schippers snel door West-Friesland zijn gegaan. Voor Enkhuizen betekende het overlijden van de man die het gebied had veroverd een plotselinge onzekerheid. Zijn opvolger Jan I verbleef aanvankelijk in Engeland en was nog jong.

 

De West-Friese opstand van 1296–1297

 

Na de dood van Floris kwamen delen van West-Friesland opnieuw in opstand. De burchten van Wijdenes en Eenigenburg werden afgebroken. Het kasteel van Medemblik werd belegerd, maar hield stand. 

 

Voor Enkhuizen lag het geweld dichtbij. Wijdenes lag aan dezelfde kust en Medemblik was het regionale grafelijke centrum. Bewoners konden worden gedwongen partij te kiezen, mannen, voedsel of schepen te leveren of vluchtelingen op te nemen. Er is geen lijst die precies vertelt welke Enkhuizers aan de opstand deelnamen.

 

Een Hollands-Zeeuws leger trok tegen de opstandelingen op. Op 27 maart 1297 vond nabij Alkmaar de Slag bij Vronen plaats. De West-Friezen werden verslagen. Vronen werd later zwaar getroffen en verloor zijn oude positie. Met deze nederlaag werd de grafelijke macht opnieuw bevestigd. 

 

Jan II van Arkel, een vooraanstaande Hollandse edelman, kwam volgens de overlevering bij Vronen om het leven. Ook andere edelen en veel naamloze strijders sneuvelden. De precieze aantallen zijn onzeker. De slag moet niet als een geordend gevecht tussen twee moderne legers worden voorgesteld. Het ging om groepen edelen, ridders, voetknechten en plaatselijke strijders in een moeilijk landschap.

 

De nederlaag betekende dat Enkhuizen en Gommerkerspel niet terugkeerden naar de politieke situatie van vóór 1282. Grafelijke ambtenaren en het kasteel van Medemblik bleven aanwezig. De burchten die waren vernietigd, konden worden herbouwd of door andere machtsmiddelen worden vervangen.

 

Latere verhalen over aanvallen op Enkhuizen

 

Gerard Brandt nam in de zeventiende eeuw verschillende verhalen op over geweld, brandstichting en aanvallen die Enkhuizen rond het einde van de dertiende eeuw zouden hebben getroffen. In zulke overleveringen worden Hollandse en regionale edelen met naam genoemd en worden aantallen verbrande huizen vermeld.

 

Deze verhalen kunnen herinneringen bewaren aan de opstand na de dood van Floris V, militaire tochten over de Zuiderzee en plaatselijke vergeldingsacties. Zij zijn echter eeuwen na de gebeurtenissen opgeschreven. De precieze jaartallen, routes, aantallen huizen en namen van bevelhebbers kunnen niet zonder vergelijking met contemporaine oorkonden en kronieken als vaststaand worden aangenomen.

 

Wat wel zeker is, is dat Enkhuizen in een oorlogsgebied lag. Wijdenes werd als grafelijk steunpunt aangevallen, Medemblik werd belegerd en de opstand eindigde in 1297 met een grote slag. Een klein houten dorp aan de kust was in zulke omstandigheden kwetsbaar voor brand, plundering en inkwartiering.

 

Daarom moet de mogelijkheid van plaatselijk geweld serieus worden genomen, zonder iedere latere bijzonderheid als rechtstreeks bewezen gebeurtenis te vertellen.

 

Jan I en het einde van het Hollandse Huis

 

Jan I was de enige overlevende wettige zoon van Floris V. Hij was nog jong en had een groot deel van zijn jeugd aan het Engelse hof doorgebracht. Na de moord op zijn vader keerde hij terug naar Holland, waar verschillende edelen en buitenlandse partijen invloed op hem probeerden uit te oefenen.

 

Jan stierf in 1299, ongeveer vijftien jaar oud en zonder kinderen. Daarmee eindigde het Hollandse Huis in de mannelijke lijn. Het graafschap ging over op Jan II van Avesnes, graaf van Henegouwen, die via zijn moeder Aleid van Holland aan de oude grafelijke familie verwant was. De overgang naar het Henegouwse Huis vond aan het einde van 1299 plaats. 

 

Voor de bewoners van Enkhuizen veranderde het dagelijkse werk niet onmiddellijk doordat een andere dynastie de grafelijke titel kreeg. De dijk moest nog steeds worden onderhouden en het vee verzorgd. Toch betekende de opvolging dat nieuwe ambtenaren, belangen en politieke verbindingen zich konden aandienen.

 

De graaf was voortaan niet alleen landsheer van Holland en Zeeland, maar ook verbonden met Henegouwen. Het bestuur van West-Friesland werd onderdeel van een groter territoriaal geheel. De grafelijke administratie werd in de volgende eeuw uitvoeriger, waardoor ook Enkhuizen vaker in rekeningen en oorkonden zichtbaar zou worden.

 

Enkhuizen rond 1300

 

Aan het einde van de dertiende eeuw was Enkhuizen nog geen stad. Er waren geen stadsrechten, geen stadsmuur en geen eigen stedelijke rechtbank. Gommerkerspel bleef een afzonderlijke gemeenschap tussen Enkhuizen en Bovenkarspel. 

 

Toch verschilde de plaats sterk van het kleine ontginningsgebied van honderd jaar eerder. Langs de Westerstraat en het Westeinde lagen meer erven. In de latere binnenstad stond ten minste één archeologisch aangetoond dertiende-eeuws huis. De dijk aan de waterzijde was verbreed en werd steeds belangrijker. De Streekweg verbond Enkhuizen met het agrarische achterland. 

 

De bewoners leefden van landbouw, veeteelt, visserij, vervoer en kleinschalige handel. Ingevoerd aardewerk bereikte hun erven. Engelse kooplieden verschenen in een akte waarin de naam Enkus werd vastgelegd. Daarmee werd de nederzetting voor het eerst zichtbaar in de schriftelijke wereld van graven, klerken en internationale handel.

 

De waterwereld was groter en gevaarlijker geworden. De Omringdijk omsloot het gebied in grote lijnen, maar bleef kwetsbaar. De overstromingen van 1287 en 1288 hadden getoond dat geen dijk vanzelf veiligheid bood. Iedere generatie moest opnieuw grond, klei, hout en arbeid leveren.

 

Ook de politieke wereld was veranderd. Aan het begin van de eeuw konden West-Friese groepen nog een beslissende rol spelen in de Hollandse opvolgingsstrijd. Willem II was in 1256 tijdens een poging tot verovering gedood. Floris V had in 1282 met een vloot de doorbraak bereikt. De vrede van 1289 had de West-Friezen aan grafelijk gezag gebonden. De opstand na Floris’ dood was in 1297 bij Vronen verslagen.

 

Enkhuizen stond rond 1300 daardoor tussen verschillende werelden. Achter de huizen lagen de kavels van Gommerkerspel, Bovenkarspel, Grootebroek en het verdere Drechterland. Voor de dijk lag de Zuiderzee, met routes naar Medemblik, Wieringen, Texel, Friesland, Amsterdam, de IJssel en de Noordzee.

 

De plaats was nog klein genoeg om uit houten huizen, erven, sloten en eenvoudige aanlegplaatsen te bestaan. Zij was tegelijk belangrijk genoeg om een eigen naam te dragen, buitenlandse reizigers te ontvangen en onderdeel te worden van grafelijk bestuur.

 

De dertiende eeuw eindigde daarom niet met de voltooiing van Enkhuizen, maar met de overgang van een jonge ontginningsnederzetting naar een herkenbaar kustdorp. De twee kernen Enkhuizen en Gommerkerspel waren nog niet samengesmolten, maar hun wegen, land, kerken, dijken en bestaansmiddelen raakten steeds nauwer met elkaar verweven.

 

Daarmee lag de grondslag gereed voor de volgende ontwikkeling: een veertiende eeuw waarin Enkhuizen en Gommerkerspel verder naar elkaar toe zouden groeien, de nederzetting bestuurlijk zichtbaarder werd en de overgang van dorp naar stad begon.

Enkhuizen tot circa 1300

Nieuw deel 1 – Het oorspronkelijke deel 1 en deel 2 volledig samengevoegd

Het land vóór de stad en West-Friesland vóór de vaste nederzetting

Wie naar Enkhuizen vóór het jaar 1300 zoekt, moet niet beginnen bij stadspoorten, havens, stenen huizen of een stadsbestuur. Die waren er nog niet. Zelfs de kustlijn lag niet vast. Het gebied waar later Enkhuizen zou groeien, maakte deel uit van een voortdurend veranderend landschap van getijdengeulen, kreken, kwelders, veen, moerassen en hogere ruggen van zand en klei. Water bepaalde waar mensen konden wonen, waar zij dieren konden laten grazen, waar akkers konden worden aangelegd en waar wegen of vaarroutes mogelijk waren. De geschiedenis van Enkhuizen begon daardoor niet met één stichting of één nauwkeurig aanwijsbaar jaar, maar met het ontstaan, verplaatsen en verdwijnen van woonplaatsen in een kwetsbaar kustlandschap.

De huidige ligging aan het IJsselmeer mag niet zonder meer op de vroege middeleeuwen worden teruggeprojecteerd. Het IJsselmeer bestond nog niet en ook de latere Zuiderzee had nog niet haar grootste omvang bereikt. Ten oosten van het huidige West-Friesland lagen veengebieden, ondiepe wateren, meren, geulen en stukken land die later gedeeltelijk of geheel door het water verdwenen. De grens tussen land en zee verschoof generatie na generatie. Een plaats die in de ene eeuw nog bruikbaar was voor bewoning of landbouw, kon later door overstroming, verzilting of kustafslag onbewoonbaar worden. Wie de voorgeschiedenis van Enkhuizen beschrijft, moet daarom rekening houden met een veel grotere en beweeglijkere landmassa dan op moderne kaarten zichtbaar is.

Duizenden jaren vóór de middeleeuwen maakte West-Friesland deel uit van een kustgebied waarin zeewater via geulen ver het land binnendrong. Bij vloed stroomde water over lage delen, terwijl bij eb slikken en platen droogvielen. Zand en klei werden langs geulen en kreken afgezet. Toen sommige waterlopen later dichtslibden, bleven relatief hoge ruggen in het landschap achter. Deze kreekruggen boden steviger en droger terrein dan de lage komgronden eromheen. Zij werden daarom aantrekkelijk voor bewoning. Mensen konden er boerderijen bouwen, akkers aanleggen en zich verplaatsen zonder voortdurend door moerasachtig gebied te hoeven trekken. De vorm van deze oude waterlopen bleef daardoor lang van betekenis, ook nadat het water zelf verdwenen was.

Archeologisch onderzoek in West-Friesland heeft aangetoond dat zulke hogere zones al in de prehistorie werden benut. De bewoningsgeschiedenis van de streek gaat daarmee veel verder terug dan de naam Enkhuizen. De vondst van een skelet uit de Klokbekercultuur bij Oostwoud vormt een voorbeeld van de zeer oude aanwezigheid van mensen in West-Friesland. Archeologische vondsten tonen dat bewoners hun doden begroeven, voedsel produceerden, dieren hielden en een samenleving vormden lang voordat geschreven bronnen over de streek bestonden. Dat betekent niet dat op de plaats van het latere Enkhuizen onafgebroken bewoning heeft bestaan. Nederzettingen konden worden verlaten wanneer waterlopen veranderden, landbouwgrond te nat werd of nieuwe veenontwikkeling het gebied ongeschikt maakte.

In de bronstijd, grofweg tussen 2000 en 800 vóór Christus, behoorde West-Friesland tot de intensief bewoonde delen van het huidige Nederland. De bewoners vestigden zich op hogere kreekruggen. Zij bouwden langhuizen van hout, leem en riet. In één gebouw konden mensen, dieren en voorraden een plaats krijgen. Rond de boerderijen lagen akkers waarop graan werd verbouwd. Runderen, schapen, geiten en varkens leverden vlees, melk, wol, huiden en trekkracht. Watergangen vormden niet alleen hindernissen, maar ook verbindingen. Met kleine vaartuigen konden mensen, dieren en goederen door het landschap worden vervoerd. Deze combinatie van landbouw, veeteelt en vervoer over water bleef ook veel later kenmerkend voor het gebied.

De bewoning uit deze periode liet sporen achter in de vorm van paalgaten, sloten, waterputten, aardewerk, werktuigen, botmateriaal en verkleurde bodemlagen. Het oorspronkelijke landschap is later sterk veranderd door overstromingen, veenvorming, landbouw, dijkbouw, stedelijke ontwikkeling en ruilverkaveling. Toch bleven onder de huidige bodem resten van oudere bewoningsfasen aanwezig. De archeologie maakt daardoor zichtbaar dat het gebied lang vóór Enkhuizen al intensief werd gebruikt. Zij vertelt echter niet automatisch waar een ononderbroken lijn naar de latere stad kan worden getrokken. Bewoning verschoof, verdween en keerde op andere plaatsen terug. Het verhaal van de stad moet daarom worden opgebouwd uit verschillende landschappelijke en menselijke fasen, niet uit één onafgebroken nederzetting.

Na de bronstijd veranderden de omstandigheden. De afwatering verslechterde en grote delen van West-Friesland werden natter. In lage gebieden ontwikkelde zich veen. De vroegere akkers en boerderijplaatsen raakten verlaten of verdwenen onder nieuwe bodemlagen. Veen ontstaat waar plantenresten in een natte, zuurstofarme omgeving slechts gedeeltelijk vergaan. Eeuw na eeuw kon zo een dik pakket organisch materiaal ontstaan. Op sommige plaatsen groeide het veen boven het omringende waterniveau uit. Er ontstonden uitgestrekte veenkoepels, begroeid met riet, zegge, struiken en op drogere delen bomen. Dit veenlandschap was niet leeg, maar het was moeilijker permanent te bewonen dan de oudere kreekruggen.

Beweging door dit veenland vond vooral plaats langs natuurlijke waterlopen. De latere hoofdstructuur van sloten, vaarten en wegen bestond nog niet. Ook was er nog geen doorlopende zeedijk rond West-Friesland. De plek waar Enkhuizen later zou ontstaan, lag in deze periode aan de rand van een uitgestrekt en kwetsbaar landschap. De zee was nabij, maar de precieze oever lag niet op dezelfde plaats als tegenwoordig. Grond die later verdwenen is, kan toen nog deel hebben uitgemaakt van het bewoonbare of bruikbare gebied. Omgekeerd lagen sommige huidige gronden toen mogelijk onder water of moeras. De oudste landschapsontwikkeling kan daarom alleen in grote lijnen worden gereconstrueerd.

In de vroege middeleeuwen leefden mensen verspreid over hoger gelegen gronden, oude kreekruggen en natuurlijke oeverwallen. De nederzettingen waren klein en bestonden waarschijnlijk uit enkele boerderijen of groepen erven. Van een stad was geen sprake. Het dagelijks leven draaide om veeteelt, landbouw, visvangst, jacht en het verzamelen van natuurlijke producten. Boerderijen werden hoofdzakelijk van hout gebouwd. Daken waren gedekt met riet of ander plantaardig materiaal. IJzeren werktuigen waren kostbaar en werden zo lang mogelijk gebruikt, hersteld en opnieuw gesmeed. Bewoners moesten voortdurend rekening houden met nat terrein, wisselende waterstanden en het beperkte aantal droge routes door het landschap.

Waterlopen waren vaak betere verkeerswegen dan onverharde landpaden. Kleine schepen en uitgeholde boomstamkano’s konden worden gebruikt om personen, hooi, vee, vis en andere goederen te vervoeren. Van individuele bewoners uit het gebied van het latere Enkhuizen zijn uit deze vroege tijd geen namen overgeleverd. Dat is een belangrijk verschil met latere eeuwen. Archeologie kan aantonen waar werd gewoond, welke dieren werden gehouden en welke voorwerpen werden gebruikt, maar geeft zelden de namen van de mensen die er leefden. Het grootste deel van de vroegste bevolking blijft daardoor naamloos, hoewel juist hun arbeid het landschap veranderde en de grondslag legde voor latere dorpen en steden.

Tussen ongeveer de achtste en twaalfde eeuw werden grote delen van West-Friesland systematischer ontgonnen. De ontginners groeven sloten om het natte veen te ontwateren. Vanuit een rivier, veenstroom of bestaande waterloop werden lange, smalle percelen uitgezet. Langs de ontginningsbasis ontstond een rij boerderijen. Door de sloten zakte het waterpeil in de bovenlaag van het veen. Daardoor kon het land aanvankelijk worden gebruikt voor akkerbouw. Vooral in de eerste fase na een ontginning kon het relatief vruchtbaar zijn. Graanbouw was mogelijk zolang de bodem niet te ver was gedaald. De ontginning maakte bewoning en voedselproductie op grotere schaal mogelijk.

Die ontwatering had echter een onbedoeld gevolg. Zodra veen aan lucht werd blootgesteld, begon het te oxideren en in te klinken. De bodem zakte langzaam. Land dat eerst voldoende hoog lag, kwam steeds lager ten opzichte van rivieren, meren en zee te liggen. Nieuwe sloten en betere afwatering hielpen tijdelijk, maar versterkten uiteindelijk het probleem. De middeleeuwse ontginning maakte bewoning en landbouw mogelijk, maar schiep tegelijk het lage landschap dat later voortdurend door dijken en waterwerken beschermd moest worden. De bewoners werden daardoor afhankelijk van een steeds ingewikkelder systeem van sloten, kaden, dijken en gemeenschappelijk onderhoud. Het waterbeheer werd een blijvende voorwaarde voor het bestaan in West-Friesland.

De grote ontginning had ook invloed op het nederzettingspatroon. Boerderijen stonden aanvankelijk langs de ontginningsbasis. Wanneer de bodem daar te nat werd, kon een heel bewoningslint worden verplaatst. De oude erven werden verlaten en verderop ontstond een nieuwe rij boerderijen. Zo konden dorpen in de loop van enkele eeuwen opschuiven. Hun ligging was geen toevallig resultaat, maar het gevolg van waterstand, bodemgesteldheid, ontginning en bereikbaarheid. Ook in het gebied rond het latere Enkhuizen moeten verschillende bewoningsfasen hebben bestaan. Een deel van de oudste bewoning lag mogelijk oostelijker dan de latere stad, op grond die daarna door de oprukkende zee werd aangetast of geheel verloren ging.

Het is waarschijnlijker dat de vroegste gemeenschap uit verschillende kleine woonkernen bestond dan uit één dichtbebouwde nederzetting. Boerderijen, erven, akkers, weiden en kerkelijke plaatsen konden over een groter gebied verspreid liggen. Wanneer een kuststrook onveilig werd, verschoof de bewoning naar binnen. De latere stad groeide daardoor niet uitsluitend door uitbreiding, maar ook door samenvoeging en verplaatsing. Sommige bewoners kwamen uit oudere buitendijkse of kustnabije plaatsen en zochten bescherming binnen de dijk. Anderen woonden al in het agrarische achterland. Deze verschillende achtergronden bleven later herkenbaar in de verhouding tussen de kustgerichte nederzetting Enkusen en het westelijker gelegen Gommerkerspel.

De vroegste ontginners probeerden graan te verbouwen, maar naarmate het maaiveld daalde, werd akkerbouw moeilijker. Veel grond werd daarna vooral als grasland gebruikt. Runderen en schapen konden op natte weiden beter worden gehouden dan graan op drassige akkers kon groeien. Op hoger gelegen stukken bleven kleine akkers mogelijk. Dergelijke gronden konden bijzonder waardevol zijn. Hoger bouwland, erven en woonplaatsen vormden droge eilanden in een omgeving van sloten, poelen en natte weiden. De betekenis van zulke verhoogde landbouwgrond speelt ook een rol in theorieën over de naam Enkhuizen, maar de naamverklaring blijft onzeker en mag niet als vaststaand feit worden gepresenteerd.

De vroegste bekende naamvormen worden pas aan het einde van de dertiende eeuw zichtbaar. Vormen als Enkus, Enkuse, Enkusen of Enchusen werden in oudere documenten niet volgens een vaste spelling geschreven. De gedachte dat de naam zou samenhangen met het woord enk, in de betekenis van hoger bouwland, is voorgesteld, maar wordt niet zonder meer door het West-Friese taalgebruik bevestigd. Daarom kan niet met zekerheid worden gesteld dat de naam “huizen bij de enk” betekent. De naam kan verwijzen naar hogere grond, een oudere plaatsnaam of een andere lokale aanduiding waarvan de oorspronkelijke betekenis verloren is gegaan. De onzekerheid zelf moet onderdeel van het verhaal blijven.

Visserij was waarschijnlijk vanaf de oudste bewoning van belang. De bewoners beschikten over zoet en brak water, sloten, veenstromen, meren en kustwater. Zij konden vissen met netten, fuiken, haken en mogelijk eenvoudige visweren. De visvangst vóór 1300 moet niet worden verward met de latere grootschalige Enkhuizer haringvisserij. Er bestond nog geen vloot van grote haringbuizen en geen internationale vismarkt zoals die zich pas eeuwen later ontwikkelde. Het ging vermoedelijk vooral om voedselvoorziening, lokale verkoop en regionale ruil. Toch vormde de vertrouwdheid met water een belangrijke basis voor latere ontwikkelingen. Bewoners leerden varen, stromingen herkennen, vaartuigen bouwen en netten onderhouden.

Dezelfde omgeving die hun woonplaatsen bedreigde, leverde dus voedsel en verbindingen. Landwegen waren smal, onverhard en in natte perioden moeilijk begaanbaar. Veel routes volgden dijken, kaden of hoger gelegen ruggen. Een dijk was daardoor meer dan een waterkering. Hij kon ook als weg, grens en bewoningsas dienen. Over water waren grotere lasten vaak gemakkelijker te vervoeren. Turf, hout, hooi, graan, vis en vee konden met schuiten worden verplaatst. Dorpen waren via sloten en vaarten verbonden met grotere waterlopen en uiteindelijk met andere plaatsen rond het Almere en de latere Zuiderzee. Deze dubbele oriëntatie op land en water zou kenmerkend blijven voor Enkhuizen.

Bij de ontwikkeling van vaste nederzettingen hoorde ook de komst van christelijke gebedsplaatsen. In de vroege fase waren kerken meestal klein en van hout. Zij stonden bij een nederzetting of op een kunstmatig verhoogd terrein. Een kerk vormde meer dan een plaats voor de eredienst. Rond de kerk werden doden begraven. De kerkelijke indeling bepaalde waar mensen werden gedoopt, trouwden, de mis bijwoonden en hun overledenen lieten begraven. Een kerk met kerkhof gaf een nederzetting een blijvend middelpunt. Voor het gebied van het latere Enkhuizen zijn uit de vroegste eeuwen geen namen van priesters of bouwers bekend. De aanwezigheid van een religieuze organisatie is aannemelijk, maar veel details blijven onbekend.

De latere kerkelijke geschiedenis mag niet zonder bewijs tot diep in de vroege middeleeuwen worden teruggevoerd. De monumentale Westerkerk en Zuiderkerk bestonden toen nog niet in hun bekende vorm. Wel kan worden aangenomen dat de groei van de bewoning uiteindelijk leidde tot een parochiale organisatie. Namen als Gommerkerspel wijzen op een oudere kerkelijke gemeenschap. Het element kerspel duidt op een parochiaal gebied rond een kerk. De plaatselijke kerkelijke structuur ontwikkelde zich waarschijnlijk tegelijk met de ontginning en verplaatsing van bewoning. Wanneer woonplaatsen opschoven, moesten ook kerkpaden, begraafplaatsen en parochiale verhoudingen zich aanpassen. Dat proces kon eeuwen duren.

Tot ver in de twaalfde eeuw was het landschap zelf de grootste kracht in de ontwikkeling van het latere Enkhuizen. Er was nog geen graaf die de plaats als stad bestuurde, geen stadsrecht, geen stenen stadhuis en geen stedelijke raad. De belangrijkste veranderingen kwamen voort uit ontginning, bodemdaling, wateroverlast, kustafslag en het zoeken naar droge woonplaatsen. De bewoners leefden niet passief onder deze omstandigheden. Zij groeven sloten, bouwden kaden, verhoogden erven, onderhielden watergangen en verplaatsten boerderijen. Iedere ingreep bood bescherming, maar veranderde ook het watersysteem. Aan het einde van deze lange ontwikkeling lag in oostelijk West-Friesland een netwerk van nederzettingen, ontginningslinten, sloten en dijken waaruit Enkhuizen zou voortkomen.

De geschiedenis van Enkhuizen vóór 1300 kan niet los worden gezien van West-Friesland. De bewoners van het gebied maakten deel uit van een streek met een sterke eigen identiteit en een relatief zelfstandige politieke traditie. West-Friesland was geen centraal bestuurde staat in moderne zin. Het gebied bestond uit dorpen, buurtschappen en lokale gemeenschappen. Besluiten over waterbeheer, rechtspraak, verdediging en gemeenschappelijke belangen werden op verschillende niveaus genomen. De plaatselijke bevolking leefde grotendeels van landbouw, veeteelt en visserij. Sociale verschillen bestonden, maar een uitgebreide feodale adel met grote kastelen en uitgestrekte heerlijkheden was minder dominant dan in veel andere delen van West-Europa.

De West-Friezen hechtten sterk aan hun zelfstandigheid. Dat bracht hen geregeld in conflict met de graven van Holland, die hun gezag naar het noorden wilden uitbreiden. Dit conflict draaide niet alleen om trots of identiteit. Grafelijk gezag betekende belastingen, militaire verplichtingen, rechtspraak en controle over land, wegen en waterwerken. Voor lokale gemeenschappen die gewend waren veel zelf te regelen, vormde dat een ingrijpende verandering. De graven van Holland wilden West-Friesland beheersen omdat het gebied strategisch lag en economische betekenis had. Bovendien kon een onafhankelijke bevolking aan de noordgrens een voortdurend militair risico vormen. De strijd was daardoor langdurig en keerde in verschillende generaties terug.

De ontginning van het veen had de dorpen ondertussen onderling afhankelijk gemaakt. Water dat in het ene gebied werd afgevoerd, kwam elders terecht. Een slecht onderhouden dijkvak kon niet alleen één boerderij, maar een heel gebied in gevaar brengen. Daarom ontstonden steeds meer gezamenlijke afspraken over dijken, sluizen, sloten en waterlopen. Bewoners moesten arbeid leveren, materiaal aanvoeren of bijdragen betalen. De precieze organisatie verschilde per plaats en ontwikkelde zich geleidelijk. Een dijk was nooit werkelijk het werk van één generatie. Hij moest telkens worden verhoogd, verbreed en hersteld. Stormen sloegen gaten in de waterkering, golven tastten de buitenzijde aan en het dalende land maakte verdere versterking noodzakelijk.

De later aaneengesloten Westfriese Omringdijk ontstond uit oudere afzonderlijke dijken en kaden. Pas door het verbinden en versterken van deze waterkeringen ontstond de grote gesloten ring rond West-Friesland. De dijk beschermde een ontgonnen landschap dat zonder die bescherming niet duurzaam bewoonbaar kon blijven. Hij werd tegelijk waterkering, verkeersroute en bestuurlijke grens. Over de kruin konden mensen, vee en karren zich verplaatsen. Langs de dijk ontstond bewoning. Dijkonderhoud werd een gemeenschappelijke plicht. Het bestaan van Enkhuizen achter deze bescherming was daarom geen toevalligheid. Zonder de ontwikkeling van de Omringdijk zou een blijvende kustnederzetting nauwelijks mogelijk zijn geweest.

Vanaf de twaalfde eeuw veranderde de verhouding tussen land en water ingrijpend. Stormvloeden en kustafslag vergrootten de wateroppervlakten ten oosten van West-Friesland. Bestaande meren en geulen raakten met elkaar verbonden. Het water dat later de Zuiderzee zou vormen, kreeg een steeds opener verbinding met de Noordzee. Voor oostelijk West-Friesland waren de gevolgen groot. Gronden verdwenen, oude woonplaatsen kwamen buitendijks te liggen en bewoners moesten zich terugtrekken. Niet iedere overstroming betekende dat een heel gebied onmiddellijk verdween. Vaak ging het om een langdurig proces van schade, herstel, nieuwe overstroming en uiteindelijk opgave. Dat proces bepaalde de verplaatsing van nederzettingen.

Een storm kon een dijk beschadigen. Zout of brak water maakte akkers tijdelijk onbruikbaar. Een volgende storm vergrootte de schade. Uiteindelijk werd herstel te kostbaar of onmogelijk en werd een nieuwe dijk verder landinwaarts aangelegd. Zo ontstonden verlaten stukken voorland tussen oude en nieuwe dijken. Op sommige plaatsen bleven resten van erven, akkers, graven of wegen onder klei en water bewaard. Voor Enkhuizen is dit belangrijk omdat een deel van de oudere bewoning waarschijnlijk buiten de latere stad lag. Namen als Oidsdorp of Oidsorp worden in verband gebracht met zo’n oudere, mogelijk gedeeltelijk verdwenen woonplaats, al blijft de precieze ligging onzeker.

De stormvloed van 1170 wordt vaak genoemd als een belangrijke gebeurtenis in de ontwikkeling van het Almere naar de Zuiderzee. Het is echter te eenvoudig om te stellen dat de Zuiderzee in één nacht ontstond. Het ging om een reeks veranderingen en overstromingen over een lange periode. Voor West-Friesland betekende de late twaalfde eeuw vooral dat de dreiging vanuit het oosten groter werd. De bescherming van nederzettingen en ontgonnen land vereiste steeds zwaardere dijken. De kustlijn werd beweeglijker en buitendijkse bewoning kwetsbaarder. De bewoners van het gebied van het latere Enkhuizen stonden daardoor voor een fundamentele keuze: oude woonplaatsen blijven verdedigen of zich terugtrekken naar een veiliger plaats.

Tegen het einde van de twaalfde eeuw was het grootste deel van West-Friesland ontgonnen. Het landschap bestond uit lange percelen, sloten, dorpslinten, weiden en verspreide akkers. Dorpen waren vaak langgerekt omdat boerderijen langs één dijk of weg stonden. De gemeenschappen waren klein, maar niet geïsoleerd. Via water en land bestonden contacten met Medemblik, het Friese kustgebied, Waterland, Kennemerland en gebieden aan de overzijde van het Almere en de latere Zuiderzee. Handel bleef vermoedelijk grotendeels regionaal. Boeren ruilden of verkochten vee, zuivel, graan, wol, huiden en mogelijk turf. Vissers leverden vis. Ambachtslieden maakten en repareerden werktuigen, boten, netten en huishoudelijke voorwerpen.

Er bestonden nog geen Enkhuizer jaarmarkten of stedelijke gilden. Toch ontstond al een economische structuur waaruit later een markt- en havenplaats kon groeien. De ligging van de kustnederzetting was daarbij gunstig. Vanuit het westen liep een route door Gommerkerspel naar Bovenkarspel, Grootebroek en verder over De Streek. Vanuit het oosten bood het water toegang tot visgronden en kustvaart. De dijk verbond beide werelden. De latere stad zou precies op dat knooppunt groeien. Rond 1200 was die ontwikkeling nog niet voltooid, maar de belangrijkste ruimtelijke voorwaarden waren al aanwezig. De kustplaats kon landbouwproducten ontvangen en goederen over water verder vervoeren.

De kerstening van West-Friesland was een langdurig proces. Tegen de hoge middeleeuwen maakte het gebied deel uit van de kerkelijke organisatie van het bisdom Utrecht. Dorpen kregen eigen kerken of vielen onder een moederkerk in een oudere nederzetting. Een parochie omvatte vaak meer dan één buurtschap. De inwoners betaalden kerkelijke bijdragen, bezochten de mis en begroeven hun doden op het kerkhof. Kerkelijke feestdagen bepaalden mede het ritme van het jaar. De stichting van een kerk betekende dat een nederzetting een blijvende religieuze en sociale kern kreeg. Rond een kerk konden woningen, ambachtsplaatsen en wegen samenkomen. Tegelijk konden parochiale rechten aanleiding geven tot conflicten wanneer bewoning zich verplaatste.

Over de precieze kerkelijke situatie van Enkhuizen vóór 1300 bestaat onzekerheid. Latere tradities maken soms een scherpe scheiding tussen oude nederzettingsdelen, maar het beschikbare bewijs laat niet altijd toe om voor iedere fase exact vast te stellen waar de eerste kerk stond en welke buurtschappen eronder vielen. Gommerkerspel vertegenwoordigde een oudere kerkelijke gemeenschap, terwijl de kustnederzetting Enkusen zich verder ontwikkelde. Mogelijk bestonden eerst eenvoudige houten kerken of kapellen. De grote stenen kerken die later het stadsbeeld bepaalden, mogen niet naar de dertiende eeuw worden teruggeplaatst. Hun namen en patroonheiligen kunnen oudere tradities bewaren, maar hun monumentale bouwvormen behoren tot een latere tijd.

De West-Friezen beschouwden zichzelf niet eenvoudig als onderdanen van de graaf van Holland. Zij hadden hun eigen rechtsgewoonten en lokale bestuurstradities. Het gezag van de Hollandse graaf werd herhaaldelijk betwist. Deze weerstand werd later wel aangeduid als de West-Friese vrijheid. Die vrijheid betekende niet dat iedereen politiek gelijk was. Aanzienlijke grondbezitters en invloedrijke families hadden meer macht dan arme bewoners of mensen zonder eigen grond. De kern was dat de gemeenschappen veel plaatselijke zaken zelf regelden en niet zonder verzet belastingheffing, militaire verplichtingen en grafelijke rechtspraak accepteerden. Daardoor ontstond een langdurige machtsstrijd tussen West-Friesland en het graafschap Holland.

Een van de belangrijkste gebeurtenissen in die strijd was de dood van graaf Willem II. Willem was graaf van Holland en werd in 1247 tot Rooms-koning gekozen. Hij voerde oorlog tegen de West-Friezen om zijn gezag in het gebied te vestigen. In januari 1256 trok Willem tijdens een winterse veldtocht West-Friesland binnen. Bij Hoogwoud zakte zijn paard door het ijs. De graaf raakte geïsoleerd en werd door West-Friezen gedood. Zijn lichaam werd verborgen. De precieze uitwerking van het verhaal is door latere kroniekschrijvers overgeleverd, maar de kern staat vast: Willem II sneuvelde tijdens een militaire onderneming tegen de West-Friezen.

De dood van Willem II kreeg later grote betekenis. Zijn zoon Floris V was toen nog een kind. De dood van zijn vader werd een persoonlijk en politiek motief voor latere veldtochten tegen West-Friesland. Voor de inwoners van oostelijk West-Friesland betekende de strijd dat oorlog geen verre aangelegenheid was. Legers konden boerderijen plunderen, vee meenemen, voorraden vernietigen en bewoners dwingen mee te werken aan verdediging. Dijken en smalle landwegen kregen militaire betekenis. Een nederzetting aan de kust kon dienen als landingsplaats, bevoorradingspunt of route voor troepen. De plaatselijke bevolking betaalde daardoor vaak de prijs van de strijd tussen graaf en West-Friese gemeenschappen.

Floris V werd in juli 1254 in Leiden geboren. Na de dood van Willem II in 1256 erfde hij het graafschap Holland. Omdat Floris nog minderjarig was, werd het bestuur aanvankelijk door voogden uitgeoefend. Later nam hij zelf de macht over. Zijn eerste grote poging om West-Friesland te onderwerpen vond plaats in 1272. Die veldtocht mislukte. De West-Friezen wisten hun zelfstandigheid voorlopig te behouden. Het natte landschap werkte in hun voordeel. Zware ruiters, bevoorradingswagens en grotere troepen konden niet gemakkelijk door veen, sloten en smalle dijkroutes trekken. De bewoners kenden hun terrein beter en konden doorgangen verdedigen of water als verdedigingsmiddel gebruiken.

In het late voorjaar van 1282 begon Floris V een nieuwe aanval. Hij benaderde West-Friesland via de Zuiderzee en landde bij Wijdenes. Vandaar trok zijn leger over de hogere kreekrug van Schellinkhout in de richting van Hoogwoud. De keuze voor Wijdenes en Schellinkhout laat zien hoe sterk militaire bewegingen door het landschap werden bepaald. Zware ruiters en bevoorradingswagens konden niet zomaar door nat veenland trekken. Hogere ruggen en dijken vormden de bruikbare routes. De veldtocht was beter voorbereid dan de eerdere poging van 1272. Floris wilde niet alleen een tijdelijke overwinning behalen, maar het gebied blijvend onder zijn gezag brengen.

Tijdens de veldtocht van 1282 bereikte Floris V Hoogwoud. Volgens de overlevering wees een oude man de plaats aan waar het lichaam van Willem II was verborgen. De resten werden opgegraven en naar Middelburg overgebracht, waar Willem in de abdijkerk werd herbegraven. De gebeurtenis was voor Floris meer dan een familiekwestie. Het terugvinden van zijn vader versterkte zijn aanspraak op wraak en gezag. Vanaf dat moment kon hij zijn campagne presenteren als herstel van recht en orde. De bronnen over de precieze omstandigheden zijn deels later opgetekend. Details zoals de rol van de oude man en de exacte plaats van het graf moeten daarom voorzichtig worden behandeld.

Na zijn overwinningen liet Floris V burchten bouwen om West-Friesland onder controle te houden. Genoemd worden versterkingen bij Wijdenes, Medemblik, Eenigenburg en Alkmaar. In iedere burcht kon een grafelijk garnizoen worden gelegerd. De burchten waren niet alleen militaire verdedigingswerken. Zij waren machtscentra van waaruit wegen, dijken, belastingen en rechtspraak konden worden gecontroleerd. Voor de nederzettingen in de omgeving van Enkhuizen betekende dit dat de politieke wereld veranderde. Lokale vrijheid maakte plaats voor een sterkere grafelijke aanwezigheid. De bevolking kreeg te maken met soldaten, ambtenaren, heffingen en vaste verplichtingen die vanuit deze steunpunten konden worden afgedwongen.

Floris liet bovendien dijken versterken en wegen verbeteren. Dat diende zowel het bestuur als de bevolking. Goede wegen maakten militaire verplaatsingen mogelijk, maar verbeterden ook handel en bereikbaarheid. Sterkere dijken beschermden het land, maar vergrootten tegelijk de invloed van het grafelijk bestuur op de waterstaat. Een graaf die dijkwerken ondersteunde of voorschreef, kon zich presenteren als beschermer van het land. Tegelijk kreeg hij meer greep op de gemeenschappen die van die bescherming afhankelijk waren. De relatie tussen waterbeheer en macht was daardoor nauw. De bevolking had grafelijke steun soms nodig, maar wilde haar eigen zeggenschap over dijkplicht en plaatselijke organisatie niet zonder meer verliezen.

De strijd om West-Friesland werd mede beslist door natuurrampen. In 1287 en 1288 werd het gebied zwaar getroffen door overstromingen. Land en nederzettingen liepen onder water, vee verdronk en voorraden gingen verloren. De West-Friese gemeenschappen waren daardoor verzwakt. Dijkherstel vergde samenwerking, materiaal en arbeidskracht. Voortzetting van de oorlog tegen Floris V werd moeilijker. De bevolking kon haar middelen niet tegelijk inzetten voor militaire weerstand en herstel van de waterkeringen. De overstromingen maakten duidelijk dat politieke zelfstandigheid weinig betekende wanneer de dijken niet werden hersteld. De dreiging van het water dwong de gemeenschappen tot keuzes die ook de verhouding tot de graaf veranderden.

In 1289 waren vertegenwoordigers van West-Friesland bereid vrede te sluiten. Zij erkenden het gezag van de graaf, beloofden belastingen te betalen en zouden grafelijke werkzaamheden aan dijken, wegen en burchten niet hinderen. De vredesvoorwaarden waren betrekkelijk gematigd, omdat Floris belang had bij een werkbaar bestuur en een bevolking die het land bleef onderhouden. Daarmee eindigde een belangrijke fase van de West-Friese politieke zelfstandigheid. De plaatselijke gewoonten verdwenen echter niet onmiddellijk. Dorpen en buurtschappen bleven nodig voor het dagelijkse waterbeheer, de verdeling van arbeid en de oplossing van lokale conflicten. De grafelijke macht kwam boven op bestaande vormen van organisatie te staan.

Juist in deze roerige periode verschijnt de naam van Enkhuizen in de geschreven bronnen. Over het precieze jaar bestaan in de overgeleverde samenvattingen verschillen. In sommige beschrijvingen wordt een vermelding uit 1283 genoemd, mogelijk in verband met een zaak rond Engelse kooplieden. In het aangeleverde PDF wordt ook 1299 als vroege of eerste vermelding van Enkusen genoemd. Deze verschillen mogen niet stilzwijgend worden gladgestreken. De veilige conclusie is dat de naam aan het einde van de dertiende eeuw schriftelijk zichtbaar wordt. De nederzetting zelf moet toen al hebben bestaan, want een plaatsnaam kon alleen worden gebruikt wanneer de omgeving en betrokkenen wisten welke gemeenschap ermee werd bedoeld.

Een eerste schriftelijke vermelding is niet hetzelfde als een stichting. Een nederzetting kan tientallen jaren of langer bestaan voordat zij toevallig in een bewaard document voorkomt. Het document vertelt daarom vooral dat Enkusen aan het einde van de dertiende eeuw herkenbaar genoeg was om als plaats te worden genoemd. Het bewijst niet dat de nederzetting toen pas ontstond. Evenmin bewijst een zaak rond kooplieden dat Enkusen al een grote internationale haven was. De plaats kon onderdeel zijn van een kustroute of betrokken raken bij een incident zonder een volledig ontwikkelde handelsstad te zijn. Bronkritiek is hier noodzakelijk om latere stedelijke betekenis niet te vroeg terug te projecteren.

Rond deze tijd bestond Enkusen vermoedelijk uit verspreide of in lintvorm gelegen bewoning. Houten boerderijen en huizen stonden op hoger terrein of langs een dijk. Er waren sloten, erven, weiden en mogelijk een aanlegplaats voor kleine schepen. De oprukkende Zuiderzee maakte oudere kustplaatsen steeds kwetsbaarder. Bewoners moesten woonplaatsen verleggen naar veiliger terrein binnen de Westfriese Omringdijk. Dit proces zal niet op één dag hebben plaatsgevonden. Sommige gezinnen verhuisden eerder dan andere. Oude huizen werden afgebroken of verlaten. Bouwmateriaal kon worden hergebruikt. Grond die eerst binnendijks lag, werd voorland of verdween uiteindelijk in het water.

Daarom is het waarschijnlijker om rond 1300 te spreken van een nederzetting die zich verplaatste en verdichtte dan van een voltooide stad. Aan de westzijde lag Gommerkerspel, een oudere agrarische en kerkelijke gemeenschap. Aan de kust ontwikkelde zich Enkusen, sterker gericht op visserij, scheepvaart en verbindingen over water. De twee gebieden stonden niet los van elkaar. De landweg door Gommerkerspel voerde producten uit De Streek naar de kust. Schippers brachten goederen van buiten naar het achterland. De latere stad zou juist ontstaan uit het naar elkaar toegroeien van deze verschillende nederzettingsdelen. De tweedeling bleef nog lang herkenbaar in straten, kerken en economische functies.

De moord op Floris V op 27 juni 1296 veroorzaakte opnieuw onrust. Floris werd door edelen gevangengenomen en bij een poging tot bevrijding gedood. Onder de samenzweerders bevonden zich edelen die zich tegen zijn beleid hadden gekeerd, waaronder Gijsbrecht van Amstel. Zijn dood leidde ook in West-Friesland tot reacties. Burchten bij Wijdenes en Eenigenburg werden afgebroken of aangevallen. Het kasteel van Medemblik bleef behouden. De gebeurtenissen tonen dat de onderwerping van 1289 de oude weerstand niet volledig had weggenomen. Tegelijk bleek dat de grafelijke macht sterk genoeg was om na de dood van Floris niet geheel uit de streek te verdwijnen.

Floris V werd opgevolgd door zijn zoon Jan I. Jan was jong en zijn regering duurde slechts kort. Hij overleed in 1299. Met zijn dood stierf het oorspronkelijke Hollandse gravenhuis in mannelijke lijn uit. Het graafschap ging over naar Jan II van Avesnes, graaf van Henegouwen, die via zijn moeder aanspraken op Holland had. Deze dynastieke overgang veranderde het dagelijks leven in Enkusen niet onmiddellijk. De dijken moesten blijven worden onderhouden, vee moest worden verzorgd en schepen moesten uitvaren. Toch bepaalde de nieuwe landsheer op langere termijn wie ambtenaren benoemde, welke rechten werden verleend en welke belastingen werden geheven. Enkusen kwam daardoor onder een nieuw grafelijk huis te staan.

Tegen het einde van de dertiende eeuw kwamen verschillende ontwikkelingen samen. Het veenland was ontgonnen en daardoor gedaald. De zee was dichterbij gekomen. Dijken waren verbonden tot een steeds samenhangender beschermingssysteem. Oude buitendijkse woonplaatsen gingen verloren of werden bedreigd. Bewoners trokken naar veiliger terrein. De graaf van Holland had zijn gezag in West-Friesland gevestigd. Wegen, dijken en militaire steunpunten werden sterker georganiseerd. De naam Enkusen was in geschreven bronnen zichtbaar geworden. Toch was Enkhuizen rond 1300 nog geen stad in de latere betekenis. Het bezat geen stadsrechten, geen stenen omwalling en geen grote handelsvloot.

Het was een groeiende nederzetting aan de binnenzijde van de dijk, gevormd door mensen die leefden van land en water. De plaats droeg echter al de belangrijkste elementen van haar latere ontwikkeling in zich: een ligging aan doorgaand vaarwater, nabijheid van visgronden, een gemeenschap die gewend was aan scheepvaart, toegang tot het West-Friese achterland en een dijk die tegelijk bescherming, weg en vestigingsas vormde. Vanaf circa 1300 zou die nederzetting zich verder verdichten. Kerken, markten, havens en bestuurlijke instellingen zouden een steeds duidelijker centrum vormen. Daarmee begon de overgang van een verplaatste kustnederzetting naar het middeleeuwse Enkhuizen.

Nagedacht gedurende 2m 44s

 

Voorgeschiedenis van Enkhuizen

 

Landschap, bewoning, machtsvorming en nederzettingsgroei tot circa 1200

 

Wie de voorgeschiedenis van Enkhuizen wil begrijpen, moet beginnen in een tijd waarin de stad, de Zuiderzee en zelfs het herkenbare landschap van West-Friesland nog niet bestonden. Enkhuizen werd niet op één aanwijsbare dag gesticht door een graaf, bisschop, klooster of groep kolonisten. De plaats ontstond uit een langdurige wisselwerking tussen bodem, water, bewoning, handel, geloof en politiek gezag. IJs, zand, zeeklei, veen, natuurlijke waterlopen en menselijke arbeid bepaalden waar uiteindelijk huizen, akkers, sloten, dijken, wegen en kerkelijke gemeenschappen konden ontstaan. Lang voordat iemand de naam Enkhuizen gebruikte, werd het landschap gevormd waarop de latere nederzetting kon groeien.

 

Ongeveer 11.700 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd, het Weichselien. Het landijs bereikte het huidige Noord-Holland in deze ijstijd niet, maar het koude klimaat had grote gevolgen. De bodem was gedurende lange perioden kaal, droog en plaatselijk bevroren. Wind verplaatste zand en smeltwater stroomde door laagten. Toen het klimaat warmer werd, verschenen eerst struiken en berken, daarna dennen, eiken en andere bomen. Het gebied veranderde geleidelijk van een open koud landschap in een wereld van bossen, moerassen, meren en rivieren.

 

Ook mensen trokken door dit veranderende land. De vroegste bewoners waren jagers en verzamelaars die zich met de seizoenen verplaatsten. Zij waren afhankelijk van wild, vis, eetbare planten, vuursteen en droge plaatsen waar tijdelijk een kamp kon worden ingericht. Voor de directe omgeving van het latere Enkhuizen zijn weinig duidelijke resten van deze vroegste aanwezigheid bekend. Dat betekent niet dat mensen het gebied nooit bezochten. Tijdelijke kampen laten veel minder sporen na dan boerderijen, terwijl oude vindplaatsen later onder veen en klei terechtkwamen of door erosie en ontginning verdwenen.

 

Na de ijstijd steeg de zeespiegel doordat grote hoeveelheden landijs smolten. De kustlijn verschoof gedurende duizenden jaren landinwaarts. Het huidige Noord-Holland zag er totaal anders uit. Waar later het IJsselmeer zou liggen, bevonden zich aanvankelijk rivieren, ondiepe meren, moerassen en uitgestrekte natte laagten. Langs de westelijke kust ontstonden strandwallen en duinen. Achter deze natuurlijke barrières bleef water staan, waardoor plantenresten zich konden ophopen zonder volledig te verteren.

 

Uit die plantenresten ontstond veen. Eerst vormde zich laagveen in voedselrijk water. Later konden hoogveenkussens ontstaan die boven hun omgeving uitgroeiden. Grote delen van het latere West-Friesland veranderden in een uitgestrekt veenlandschap. Dat landschap was niet overal gelijk. Er lagen veenstromen, rietvelden, moerasbossen, natte kommen, zandige ruggen en oudere kleiige kreekafzettingen. Plaatsnamen als Hensbroek, Lutjebroek en Grootebroek bewaren de herinnering aan moerassen en broekbossen; namen met -woud en -hout verwijzen naar begroeiing die in het huidige open grasland nauwelijks meer zichtbaar is. 

 

Het waterlandschap bleef voortdurend veranderen. Wanneer de zee meer invloed kreeg, drong zout of brak water via geulen en kreken binnen en werd klei afgezet. In rustigere tijden kon het veen verder groeien. Daardoor ontstond in de bodem een afwisseling van klei- en veenlagen. Deze lagen maken zichtbaar dat West-Friesland niet uit één onveranderlijke bodem bestond, maar uit een landschap dat herhaaldelijk tussen zee, kwelder, moeras en bewoonbare grond wisselde.

 

De klei die door vroegere getijden was afgezet, zou duizenden jaren later opnieuw belangrijk worden. Middeleeuwse ontginners groeven door het veen om de kalkrijke klei uit de ondergrond te bereiken. Zij verspreidden die over de zure veengrond om akkers bruikbaarder te maken. De natuurlijke geschiedenis en de menselijke geschiedenis van het gebied kwamen daardoor letterlijk boven op elkaar te liggen.

 

In de Bronstijd, ongeveer tussen 2000 en 800 voor Christus, was West-Friesland dicht genoeg bewoond om een uitgebreid archeologisch landschap achter te laten. Bij Bovenkarspel, Hoogkarspel, Andijk en ten noorden van Enkhuizen zijn boerderijen, greppels, waterputten, akkerlagen, kringgreppels, gebruiksvoorwerpen en vuurstenen sikkels gevonden. Archeologie West-Friesland heeft het gebied daarom wel aangeduid als de “Randstad van de Bronstijd”. In de huidige wijk Kadijken ten noorden van Enkhuizen kwamen resten van boerderijen, sloten en waterputten tevoorschijn van een boerengemeenschap die ongeveer 3.500 jaar geleden leefde. 

 

Aan Rode Paard 1–3 in Enkhuizen werden ruim vierhonderd archeologische sporen geregistreerd. Daaronder bevond zich een driebeukige boerderij van minimaal vijftien meter lang. Rond het gebouw lagen een erf, greppels, kuilenkransen, akkerlagen met eergetouwkrassen en een waterput. Deze vondsten tonen rechtstreeks dat binnen het huidige grondgebied van Enkhuizen in de Bronstijd mensen woonden, gewassen verbouwden en vee hielden. Zij bewijzen echter niet dat er een ononderbroken lijn bestaat tussen deze boerengemeenschap en het middeleeuwse Enkhuizen. 

 

Op het latere Schootsveld werden eerder drie vuurstenen sikkels uit de Bronstijd gevonden. Bij de opgraving van 2014 kwamen daarnaast eergetouwkrassen, hoefindrukken, meerfasige greppelsystemen en een kringgreppel tevoorschijn. In een grote kuil lag een ongeveer 130 centimeter lange en 20 centimeter brede, aangepunte en gekliefde berkenstam met een rechthoekig gat. Op het hout waren sporen zichtbaar van een houten wig, een stenen dissel en mogelijk een bronzen hielbijl. De precieze functie van het voorwerp is onzeker, maar de bewerkingssporen tonen de technische kennis van de bewoners. 

 

Bij Andijk, aan Cornelis Kuinweg 17, werden perceel- of akkergreppels, kringgreppels en ondiepe kuilen uit ongeveer 1500–1100 voor Christus gevonden. Het aardewerk behoort tot de zogenoemde Hoogkarspel-oudcultuur. De afwezigheid van een complete huisplaats doet vermoeden dat het onderzochte terrein aan de rand van een nederzetting lag. De kringgreppels komen op veel West-Friese vindplaatsen voor, maar hun functie is nog niet definitief verklaard. Een veelgenoemde mogelijkheid is dat binnen zulke cirkels gewassen of voorraden werden opgeslagen en dat de greppel voor afwatering en bescherming tegen ongedierte diende. 

 

Aan de Hoofdstraat in Bovenkarspel werd een groot boerenerf uit de Midden-Bronstijd opgegraven. Bij Hoogkarspel kwamen veldsystemen, greppels en veegangen met hoefindrukken tevoorschijn. Deze vondsten maken duidelijk dat het prehistorische landschap niet alleen op de hoogste ruggen werd gebruikt. Ook lagere kwelderdelen konden onder gunstige omstandigheden geschikt zijn voor beweiding, akkerbouw en bewoning. 

 

De prehistorische bewoners legden akkers aan, ploegden met een eergetouw, hielden runderen en bouwden houten boerderijen. Zij beschikten over vuurstenen sikkels en later over bronzen werktuigen. Waterputten en greppels maakten deel uit van hun woonomgeving. Toch veranderde het landschap na de Bronstijd ingrijpend. Vernatting en veengroei maakten delen van West-Friesland opnieuw moeilijk bewoonbaar. Oude woonplaatsen werden verlaten, overgroeid of onder jongere bodemlagen bedekt.

 

In de IJzertijd en Romeinse tijd waren delen van Noord-Holland bewoond, maar het beeld verschilde sterk per gebied. Sommige hogere gronden en veenranden bleven bruikbaar, terwijl andere delen vernatten. West-Friesland lag buiten de rechtstreeks door Romeinse legers bestuurde gebieden. Romeinse munten, aardewerk en gebruiksvoorwerpen die in Noord-Holland zijn gevonden, wijzen op contacten en handel, maar niet op een Romeinse stad of legerplaats bij Enkhuizen.

 

Na het verdwijnen van het Romeinse gezag in de vijfde eeuw veranderden de politieke en economische verhoudingen. Oude handelsnetwerken verdwenen niet volledig, maar kregen andere vormen. Het kustgebied van de Lage Landen werd bewoond door groepen die in geschreven bronnen doorgaans als Friezen werden aangeduid. Hun woongebied strekte zich langs de kust uit van de mondingen van Schelde en Rijn tot ver in het noorden. Het latere West-Friesland maakte deel uit van die brede Friese wereld, al betekent dat niet dat alle kustbewoners één centraal bestuurde staat vormden.

 

In de zesde en zevende eeuw streden Frankische en Friese machthebbers om controle over de grote rivieren, handelsplaatsen en oude Romeinse knooppunten. Utrecht lag aan de grens tussen beide machtsgebieden. De Frankische koning Dagobert liet daar rond 630 de Maartenskerk herstellen en droeg haar over aan bisschop Kunibert van Keulen, die van daaruit missionering onder de Friezen moest bevorderen. Ongeveer twintig jaar later kwam Utrecht opnieuw in Friese handen en werd de kerk verwoest. Deze strijd speelde zich niet in Enkhuizen af, maar bepaalde wel de politieke en kerkelijke wereld waarin Noord-Holland lag. 

 

De bekendste Friese machthebber uit deze tijd was Radbod, ook Redbad genoemd. Hofmeier Pippijn II van Herstal trok rond 690 tegen hem op. In 695 werd Radbod in de omgeving van het voormalige Romeinse castellum bij Wijk bij Duurstede verslagen. Zijn macht was daarmee nog niet gebroken. Na de dood van Pippijn herwon Radbod tijdelijk terrein en voerde hij opnieuw oorlog tegen de Franken. Pas na Radbods dood in 719 kon Karel Martel, de zoon en opvolger van Pippijn, het Frankische gezag in Utrecht en het centrale riviergebied duurzaam herstellen. 

 

Radbod is geen rechtstreeks aantoonbare heerser over een nederzetting Enkhuizen, want die nederzetting bestond nog niet als herkenbare plaats. Zijn naam hoort toch in de voorgeschiedenis, omdat zijn strijd tegen Pippijn en Karel Martel deel uitmaakte van de overgang van Friese naar Frankische machtsvorming. De inwoners van het kustgebied kwamen steeds sterker onder een politiek bestel te staan waarin Frankische vorsten en christelijke bisschoppen samenwerkten.

 

De Angelsaksische missionaris Willibrord kwam in 690 vanuit Northumbrië naar het gebied van de Friezen. Op aandringen van de Frankische machthebbers werd hij in Rome tot aartsbisschop van de Friezen gewijd. In 696 vestigde hij zich in Utrecht, herbouwde daar een kerk en stichtte een nieuwe kerk en een klooster. Vanuit Utrecht trokken Willibrord en andere geestelijken langs rivieren en kustgebieden om mensen te bekeren. Missionering en Frankische machtsuitbreiding waren nauw met elkaar verbonden, waardoor sommige Friezen de missionarissen als vertegenwoordigers van hun politieke tegenstanders beschouwden. 

 

Bonifatius werkte in zijn jonge jaren samen met Willibrord en ondernam later missiereizen in Friese en Duitse gebieden. In 754 werd hij bij Dokkum gedood. Ook deze gebeurtenis vond ver van het latere Enkhuizen plaats, maar zij toont hoeveel weerstand de invoering van het christendom kon oproepen. Kerstening was geen plotselinge gebeurtenis waarbij alle oude gebruiken in één generatie verdwenen. Christelijke rituelen, kerkelijke organisatie en oudere plaatselijke gebruiken bestonden waarschijnlijk lange tijd naast elkaar.

 

Liudger, geboren omstreeks 742 in de omgeving van Utrecht, was zelf van Friese afkomst. Hij volgde een opleiding in Utrecht en York en werkte na zijn priesterwijding in 777 onder Friezen en Saksen. In 805 werd hij de eerste bisschop van Münster. Liudger laat zien dat gekerstende Friese families in de achtste eeuw zelf een rol gingen spelen in de verspreiding van het geloof. Er is geen bewijs dat Willibrord, Bonifatius of Liudger persoonlijk in Enkhuizen predikten. Hun werkzaamheden vormden wel de kerkelijke achtergrond waaruit eeuwen later de parochies van West-Friesland konden ontstaan. 

 

Onder Karel de Grote werd het Frankische rijk verder uitgebreid. Hij werd in 771 koning en onderwierp na langdurige oorlogen de Saksische gebieden. De kerstening werd daarbij onderdeel van bestuur en machtsuitoefening. Bisschoppen en kloosters kregen land, rechten en bestuurlijke taken. Na Karels dood in 814 viel zijn rijk geleidelijk uiteen in afzonderlijke machtsgebieden, maar de kerkelijke indeling en veel Frankische bestuursvormen bleven bestaan.

 

De rivieren waren de belangrijkste verbindingswegen van deze wereld. De Rijn, Lek, IJssel en Utrechtse Vecht verbonden het binnenland met Utrecht, Dorestad en het Almere. Vanuit het Almere kon via het Vlie de Noordzee worden bereikt. Deze routes vormden samen een netwerk waarover mensen, goederen, munten, geloofsopvattingen en politieke macht zich verplaatsten.

 

Dorestad, gelegen bij het huidige Wijk bij Duurstede aan de Rijn en Lek, was in de achtste en negende eeuw een van de grootste handelsplaatsen van Noordwest-Europa. De nederzetting bestond voor een belangrijk deel uit havenzones. Handelaren uit het Frankische rijk, Engeland, Scandinavië en andere gebieden brachten er wijn, glas, wapens, huiden, textiel, sieraden en andere goederen samen. Dorestad lag niet aan de directe route naar Enkhuizen, maar via Rijn, IJssel, Utrechtse Vecht, Almere en Vlie maakten zijn handelsnetwerken deel uit van dezelfde grote waterwereld. 

 

Vanaf de negende eeuw verschenen Vikingvloten langs de Nederlandse kust en in de grote rivieren. Dorestad werd herhaaldelijk aangevallen. De invallen waren niet de enige mogelijke oorzaak van het verval van de plaats; veranderingen in rivierlopen, handel en politieke centra speelden waarschijnlijk eveneens een rol. Archeologen hebben bovendien niet voor iedere in geschreven bronnen genoemde aanval duidelijke brand- of verwoestingslagen gevonden. Dat onderstreept opnieuw dat geschreven overlevering en archeologie elkaar moeten aanvullen en controleren. 

 

De Deense Vikinghoofdman Rorik kreeg in de negende eeuw macht over delen van het kust- en riviergebied. Volgens de traditionele reconstructie heerste hij tussen ongeveer 850 en 880 over gebieden in het huidige Holland, Utrecht en Friesland. Wieringen was door zijn ligging bij het Vlie en het Almere strategisch belangrijk. Van daaruit konden schepen naar de Noordzee, het Almere, Utrecht en Dorestad varen. 

 

In 1996, 1999 en 2001 werden bij Westerklief op Wieringen drie Vikingzilvervondsten gedaan. In aardewerken potten lagen munten, zilverstaven en sieraden, waaronder stukken waarin Arabisch zilver was verwerkt. Deze vondsten tonen dat mensen uit de Vikingwereld niet alleen plunderend langs de kust voeren, maar waarschijnlijk langere tijd op of bij Wieringen verbleven. De schatten zijn geen bewijs voor Vikingen in Enkhuizen, maar zij plaatsen het toekomstige Enkhuizer kustgebied in een druk bevaren en soms gewelddadige noordelijke waterwereld. 

 

Ook Texel lag aan deze routes. Bij Den Burg ontstond in de vroege middeleeuwen een ringwalburg, al is nog niet zeker of de eerste aanleg door Friezen, Franken of onder dreiging van Vikingaanvallen plaatsvond. Texel en Wieringen vormden geen afgelegen uiteinden van Nederland, maar strategische punten bij zeegaten en vaarverbindingen.

 

Terwijl Dorestad terugliep, ontwikkelde Medemblik zich als vroeg regionaal centrum van West-Friesland. De oudste historische vermelding, Medemolaca, staat in een goederenlijst van het bisdom Utrecht uit de tweede helft van de negende eeuw. Daarmee is Medemblik de oudste schriftelijk genoemde plaats in het werkgebied van het Westfries Archief. Enkhuizen verschijnt pas veel later in bewaard schrift. 

 

Nieuw archeologisch onderzoek langs de Oude Haven van Medemblik heeft oeverversterkingen, aangeplempte grond en opeenvolgende houten huizen blootgelegd. De vroegste onderzochte oeverlagen langs de oude loop van de veenrivier Middenleek bevatten materiaal van kort na 800. De Middenleek geldt als voorloper van de huidige Oude Haven. De oudste bewoning lag vermoedelijk iets zuidelijker, bij de Nieuwstraat. De precieze begindatering blijft onderwerp van onderzoek, maar Medemblik was in de negende eeuw duidelijk een plaats waar water, bewoning en uitwisseling samenkwamen. 

 

In de oeverlagen van Medemblik werd onder meer een vroegmiddeleeuwse schijffibula gevonden, voorlopig in de negende eeuw gedateerd. Een scherf van een reliëfbandamfoor uit het Rijnland toont hoe aardewerk via de Rijn, de IJssel en de Utrechtse Vecht naar Noord-Holland werd gebracht. De route liep vervolgens via het Almere en regionale waterwegen verder. De latere bewoners van Enkhuizen kwamen dus niet in een wereld zonder handelscontacten terecht; vóór hun nederzetting ontstond, functioneerde Medemblik al als een knooppunt. 

 

De namen Middenleek en Medemolaca moeten zorgvuldig worden gebruikt. Medemolaca is de vroegmiddeleeuwse plaatsnaam van Medemblik en hangt samen met een waternaam. Middenleek is de naam die in de moderne archeologische reconstructie voor de oude veenrivier langs de huidige Oude Haven wordt gebruikt. Zij tonen hoe belangrijk natuurlijke waterlopen voor vroegmiddeleeuwse nederzettingen waren.

 

Het oudste bekende gegraven water van Medemblik is de Zandwegsloot, al is niet zeker hoe ver haar aanleg in de middeleeuwen teruggaat. Voor Enkhuizen zijn vóór 1200 geen vergelijkbare, betrouwbaar benoemde kanalen overgeleverd. Namen van latere stadsgrachten, havens en vaarten mogen niet zonder bewijs naar de twaalfde eeuw worden verplaatst. Voor de vroege Enkhuizer geschiedenis moet daarom vooral worden gesproken over natuurlijke veenstromen, gegraven ontginningssloten, bredere wijzenden en plaatselijke afwateringswateren.

 

In de negende eeuw begon naast Frankische en kerkelijke macht een nieuwe adellijke machtsvorming die uiteindelijk tot het graafschap Holland zou leiden. De van oorsprong Friese graaf Gerulf ontving in 889 bezittingen van de Oost-Frankische koning. Zijn zoon Dirk I wordt verbonden met de stichting en ontwikkeling van de abdij van Egmond, die omstreeks het midden van de tiende eeuw een belangrijk religieus en grafelijk centrum werd. 

 

De abdij van Egmond lag niet bij Enkhuizen, maar was voor Noord-Holland van grote betekenis. Zij werd een religieus centrum, bezat land en bewaarde herinneringen aan de Hollandse graven. De verbinding tussen grafelijke macht en kerkelijke instellingen werd hierdoor sterker. Heiloo, Egmond en Utrecht vormden belangrijke kerkelijke knooppunten van waaruit nieuwe kerken en parochies konden worden beïnvloed.

 

Na Dirk I volgden Dirk II, Arnulf en Dirk III. Dirk II wordt in bronnen nog graaf in Friesland genoemd. In 985 verkreeg hij van koning Otto III goederen tussen Maas en Vlie die hij voordien in leen hield. Dit toont dat het gebied dat later Holland werd, nog binnen een bredere Friese en keizerlijke politieke ruimte werd beschreven. 

 

Graaf Arnulf sneuvelde in 993 in een conflict met de West-Friezen. De precieze plaats en omstandigheden van zijn dood zijn niet volledig zeker, maar het conflict maakt duidelijk dat de graven aan de westzijde van het latere Holland hun gezag niet vanzelfsprekend over West-Friesland konden uitbreiden. West-Friese gemeenschappen behielden hun eigen machtsstructuren en waren in staat militaire tegenstand te bieden.

 

Dirk III versterkte de grafelijke positie langs de rivieren. Op 29 juli 1018 versloeg hij bij Vlaardingen een keizerlijk leger dat onder gezag van keizer Hendrik II en met steun van de bisschop van Utrecht was uitgezonden. Aanleiding waren onder meer Dirks inbezitneming van kerkelijke grond en zijn tolheffing op de vaarroute. Het keizerlijke leger voer vanaf Tiel via Waal en Merwede naar Vlaardingen, maar raakte op de drassige oevers in verwarring en werd verslagen. 

 

De Slag bij Vlaardingen vond ver van Enkhuizen plaats. Toch was zij van belang voor de politieke omgeving van West-Friesland. Dirk III bewees dat de grafelijke dynastie niet eenvoudig door de keizer of bisschop kon worden teruggedrongen. De Hollandse graven kregen daardoor meer ruimte om hun macht uit te breiden. Die uitbreiding richtte zich later onder meer tegen de bisschop van Utrecht, de graaf van Vlaanderen en de zelfstandige West-Friese gemeenschappen. 

 

Na Dirk III volgden Dirk IV, Floris I, Dirk V, Floris II, Dirk VI, Floris III en Dirk VII. Niet iedere graaf trad rechtstreeks in West-Friesland op en geen van hen kan vóór 1200 als bewezen heer van Enkhuizen worden voorgesteld. Hun opeenvolging is niettemin van belang omdat onder deze dynastie het grafelijke gebied zich ontwikkelde van verspreide lenen en hoven tot een steeds samenhangender macht. In een oorkonde uit 1101 wordt Floris II aangeduid als Florentius comes de Hollant, graaf van Holland. 

 

De graven verbleven niet in één vaste hoofdstad. Zij reisden tussen hoven, burchten en kloosters. Egmond, Rijnsburg, Vlaardingen en andere plaatsen speelden een rol. De gravinnen waren eveneens belangrijk. Petronilla, weduwe van Floris II en moeder van Dirk VI, stichtte in 1133 de vrouwenabdij van Rijnsburg. Zulke stichtingen versterkten de banden tussen de grafelijke familie, kerkelijke instellingen en grondbezit. 

 

In West-Friesland bleef de grafelijke invloed beperkt en omstreden. De bewoners vormden geen moderne provincie met één centraal bestuur. Plaatselijke gemeenschappen, verwantschapsgroepen en regionale verbanden bepaalden veel van het dagelijks bestuur. Zij regelden grondgebruik, verdediging en later ook delen van het waterbeheer. De graven konden aanspraken maken op gezag en inkomsten, maar moesten die aanspraken telkens opnieuw afdwingen.

 

Terwijl graven, bisschoppen en kloosters om macht en rechten streden, bleef het oostelijke deel van West-Friesland voor een groot deel een veenlandschap. Medemblik vormde een vroege uitzondering. Wognum is eveneens belangrijk. De naam Wokgunge komt voor in een kerkenlijst die tussen 993 en 1049 wordt gedateerd. Archeologisch zijn bij de Kerkstraat resten vanaf ongeveer 1100 gevonden. De eerste bewoners vestigden zich daar op de natuurlijke klei van een oude kreekrug. 

 

Wognum laat zien dat schriftelijke en archeologische dateringen niet altijd samenvallen. Een kerk of plaatsnaam kan ouder zijn dan de oudste opgegraven woonlagen op een specifiek perceel. Een vroege kerkelijke gemeenschap kan zich bovendien hebben verplaatst. Bij latere opgravingen tegenover de kerk van Wognum werden een twaalfde-eeuws terpje, een houten huis en plaggenputten gevonden. In de kerk zelf zijn aanwijzingen voor een grote tufstenen voorganger uit de twaalfde eeuw aangetroffen. 

 

Ook Ursem, Hem, Etersheim en andere plaatsen aan de randen van het veen zijn belangrijk voor het regionale beeld. Sommige namen wijzen op oude bewoning of kerkelijke organisatie, maar niet iedere oude naam kan zonder aanvullend bewijs aan een exacte nederzettingslocatie worden gekoppeld. Hetzelfde geldt voor Heiloo, dat een vroeg kerkelijk centrum in Kennemerland was, en voor Egmond, waar de grafelijke abdij lag.

 

Rond 1000 was oostelijk West-Friesland nog niet volledig door dorpen bedekt. Tussen Medemblik, Wognum en andere oudere bewoningsplaatsen lagen uitgestrekte veengebieden. De latere lintdorpen Zwaag, Hoogkarspel, Lutjebroek, Grootebroek, Bovenkarspel, Gommerkerspel en Enkhuizen moesten nog ontstaan of bevonden zich hoogstens in een zeer vroege gebruiksfase.

 

De eerste ontginners begonnen niet willekeurig midden in het hoogveen. Zij volgden natuurlijke waterlopen, hogere randen en reeds gebruikte gronden. Een veenstroom kon worden uitgediept. Vanaf zo’n waterloop of ontginningsbasis groef men evenwijdige sloten het veen in. Zo ontstonden langgerekte kavels. Het water stroomde via de sloten weg, waardoor de bovenste veenlaag droger en tijdelijk geschikt voor landbouw werd.

 

Wie de ontginners waren, is niet met zekerheid bekend. Mogelijk kwamen zij uit Medemblik, Kennemerland, Texel, Wieringen, westelijk West-Friesland of uit oudere nederzettingen als Wognum en Ursem. Waarschijnlijk ging het niet om één volksverhuizing onder leiding van één bekende heer. Verschillende groepen kunnen vanuit verschillende richtingen het veen zijn ingetrokken.

 

De ontginning werd ook niet noodzakelijk van begin tot einde door de graaf georganiseerd. Graven, bisschoppen, kloosters en plaatselijke grondbezitters konden rechten en belangen hebben, maar veel praktisch werk werd door de kolonisten zelf uitgevoerd. Zij bepaalden waar sloten kwamen, waar een erf kon worden aangelegd en hoe water uit het ontginningsblok werd afgevoerd.

 

Aan de achterzijde van een ontginningsblok kon een bredere watergang worden gegraven. In West-Friese bronnen wordt voor zulke water- en scheidingslopen de naam wijzend gebruikt. Een kade of dwarskering kon het water uit hoger, nog onontgonnen veen tegenhouden. Plaatselijk werd voor zo’n kering de term keern gebruikt. Niet iedere twaalfde-eeuwse waterloop is bij naam overgeleverd, maar het stelsel van kavelsloten, bredere afvoerwateren en kaden is archeologisch en landschappelijk herkenbaar.

 

Ontwatering maakte bewoning mogelijk, maar veroorzaakte tegelijk bodemdaling. Zodra het veen droogviel, begon het door contact met zuurstof af te breken. Het klonk bovendien in onder het gewicht van gebouwen, mensen en vee. Het maaiveld zakte. De sloten moesten worden verdiept en erven moesten worden opgehoogd. Land dat aanvankelijk als akker geschikt was, kon na enkele generaties te nat worden en in weide of hooiland veranderen.

 

De eerste ontginners konden graan verbouwen. Onder een oud dijkprofiel bij Enkhuizen is een restant van het middeleeuwse veendek onderzocht waarop aanwijzingen voor roggebouw werden gevonden. Daarmee is rechtstreeks aangetoond dat het ontgonnen veen plaatselijk voor akkerbouw werd gebruikt.

 

Rogge verdroeg relatief arme en zure bodems, maar ook rogge groeide niet zonder grondverbetering. Daarom groeven de bewoners diepe kuilen door het veen om kalkrijke zeeklei uit de ondergrond te bereiken. Zulke kuilen worden daliegaten of daliekuilen genoemd. De klei werd over het veen verspreid. Daarna werden de kuilen vaak met veen, afval of ander materiaal gevuld.

 

Bij Hoogkarspel, tussen Streekweg 100 en 106, werden dergelijke kuilen gevonden. Zij bevatten enkele scherven kogelpot en hangen samen met de eerste middeleeuwse ingebruikname van het gebied. Duidelijke huizen ontbraken op dat perceel. Het terrein lijkt landbouwgrond te zijn geweest die vanuit een nabijgelegen woonplaats werd bewerkt. 

 

Ook in Ursem zijn veel daliekuilen onderzocht. Daar tonen de vondsten hoe boeren kalkrijke klei wonnen en hoe bewoning zich later door bodemdaling en wateroverlast kon verplaatsen. Het model van verschuivende bewoningslinten is voor heel West-Friesland van belang: huizen stonden niet altijd vanaf het begin langs de weg die later het vaste dorpslint werd. 

 

In oostelijk West-Friesland ontstond in de twaalfde eeuw een lange dijk- en bewoningsas. De huidige Streekweg, met haar verlengingen door Zwaag, Hoogkarspel, Lutjebroek, Grootebroek, Bovenkarspel, het Westeinde en de Westerstraat van Enkhuizen, is uit die ontwikkeling voortgekomen. De ontginners wierpen een lange binnendijk op en bouwden in de loop van de tijd huizen en kerken langs of nabij deze verhoogde lijn. Archeologie West-Friesland plaatst het ontstaan van de lintdorpen, waaronder Enkhuizen, Bovenkarspel, Lutjebroek, Hoogkarspel en Zwaag, vooral in de tweede helft van de twaalfde eeuw. 

 

De Streekweg was niet vanaf het begin een brede, verharde dorpsstraat. Zij bestond uit plaatselijke dijk- en wegvakken van veen, klei en ander opgebracht materiaal. De route was tegelijk ontginningsbasis, waterkering en verkeersverbinding. Vanaf de dijk liepen paden en kavelsloten het land in. De naam Streekweg is jonger; het is niet bekend welke benaming twaalfde-eeuwse bewoners voor de hele lijn gebruikten.

 

De route verbond Zwaag met Hoogkarspel, Lutjebroek, Grootebroek, Bovenkarspel en het latere Enkhuizen. Andere plaatsen, zoals Schellinkhout, Hem en Wijdenes, lagen in ontginningsgebieden met eigen routes en waterverbindingen. De kolonisatie verliep waarschijnlijk niet uitsluitend in één rechte beweging van west naar oost. Ontginningen konden vanuit verschillende richtingen naar elkaar toe groeien.

 

In droge perioden kon men over de verhoogde weg lopen en vee drijven. Eenvoudige wagens of karren konden er gebruik van maken, maar in natte perioden bleef het vervoer moeilijk. Sloten en vaarten waren daarom minstens zo belangrijk. Een platte schuit kon mest, klei, turf, riet, hooi, hout en graan vervoeren. Land- en waterverkeer vormden één systeem.

 

De eerste huizen lagen niet noodzakelijk direct aan het huidige lint. Aan Westeinde 107 in Enkhuizen werd een huisterp gevonden waarvan de noordelijke grens ongeveer zestig meter van het huidige Westeinde lag. Het woonplateau werd in de tweede helft van de twaalfde eeuw in meerdere fasen aangelegd en vanuit het oosten naar het westen uitgebreid. Het huis zelf lag vermoedelijk verder naar het oosten en werd tijdens het onderzoek niet volledig teruggevonden. 

 

Onder de huisterp lagen rechthoekige daliegaten. Eerst was de grond dus landbouwkundig gebruikt en verbeterd; pas daarna werd er een woonplaats aangelegd. Uit de kuilen kwam geen materiaal waarmee hun exacte ouderdom kon worden vastgesteld. Omdat zij onder de twaalfde-eeuwse huisterp lagen, moeten zij ouder zijn dan de bewoningsophogingen.

 

De meerfasige opbouw van de terp toont dat bewoners niet slechts tijdelijk op het erf verbleven. Zij bleven er lang genoeg om het woonplateau te moeten verhogen en vergroten. Wanneer de bodem zakte of het erf te nat werd, brachten zij nieuwe lagen veen, klei, mest, afval en uitgebaggerd slootmateriaal aan.

 

Aan de westzijde van het erf lag een sloot. Daaruit kwamen grote delen van kogelpotten en ingevoerd aardewerk uit het Maasland. Kogelpotten waren bolle kookpotten die bij het vuur konden worden geplaatst. De ingevoerde stukken bewijzen dat bewoners van het jonge Enkhuizer ontginningsgebied toegang hadden tot handelsnetwerken die tot het Maasgebied reikten.

 

Deze potten hoeven niet door Enkhuizer schippers rechtstreeks in het Maasland te zijn gekocht. Zij kunnen via tussenmarkten, rivieren en havens zijn verspreid. De Rijn, Lek, IJssel en Utrechtse Vecht vormden belangrijke handelsroutes. Medemblik was een voor de hand liggend regionaal verdeelpunt. Het aardewerk toont verbinding, maar nog geen zelfstandige internationale Enkhuizer handel.

 

Op het Schootsveld, ten westen van de latere stadsgrachten, werden langs het Westeinde meerdere daliegaten gevonden. Daarnaast kwamen kogelpot-, Paffrath- en Pingsdorfaardewerk en dierlijk botmateriaal tevoorschijn. Paffrath- en Pingsdorfwaar werd in het Duitse Rijnland vervaardigd. Op grond van het aardewerk en vergelijking met andere West-Friese vindplaatsen worden de vermoedelijke bewoningsconcentraties in de tweede helft van de twaalfde eeuw geplaatst. 

 

Een deel van de vondsten lag in nazakkingen van reeds gedempte daliegaten. Andere scherven en botten lagen in ondiepe greppels of boven op een dun restant van het veen. Daardoor kon geen complete huisplattegrond worden gereconstrueerd. Mogelijk zijn huizen en vloeren samen met het veen verdwenen. Het is ook mogelijk dat de woningen verder van de weg stonden en dat alleen de rand van de erven werd onderzocht.

 

De afwezigheid van paalkuilen is in een veengebied geen bewijs dat er geen huizen stonden. Houten staanders konden op brede planken of zogenoemde sloffen rusten. Wanneer het hout verging, bleven nauwelijks sporen achter. Huizen van hout, vlechtwerk, leem en riet konden vrijwel volledig verdwijnen, terwijl sloten, aardewerk en ophogingslagen bewaard bleven.

 

De eerste boerderijen waren waarschijnlijk woonstalhuizen. Mensen, dieren en voorraden bevonden zich onder één dak of in direct verbonden gedeelten. Runderen leverden melk, vlees, mest, huiden en mogelijk trekkracht. Schapen leverden wol, melk en vlees. Varkens konden huishoudelijk afval en andere voedselbronnen benutten. Paarden waren kostbaar, maar konden voor vervoer en werk worden gebruikt.

 

Dierlijk botmateriaal uit het Schootsveld bevestigt het gebruik van dieren, maar de beschikbare publieksbeschrijvingen geven geen volledige soortverdeling. Daarom kunnen voor dit vroege Enkhuizen geen betrouwbare aantallen runderen, schapen of varkens worden genoemd. Vergelijkbare vindplaatsen in West-Friesland bevatten bot van rund, schaap of geit, varken, paard, hond, kat en soms wilde vogels.

 

Het erf was tegelijk huis, boerderij en werkplaats. Graan werd gemalen en gekookt. Melk werd verwerkt tot boter en kaas. Wol en mogelijk vlas werden gesponnen en geweven. Netten, touwen en houten werktuigen werden gerepareerd. Rieten daken en houten wanden vroegen voortdurend onderhoud.

 

Vrouwen droegen een groot deel van de voedselverwerking, textielproductie, verzorging van kinderen en dieren en het werk rond erf en akker. Kinderen hielpen met vee, water, brandstof en eenvoudige werkzaamheden. Oudere bewoners bewaarden kennis over grondgrenzen, sloten, zwakke dijkvakken, overstromingen en familieverhoudingen.

 

Sloten hadden meerdere functies. Zij voerden water af, markeerden eigendom en gebruik en konden als vaarroute dienen. Zij werden tevens gebruikt voor het wegwerpen van gebroken aardewerk, bot en organisch afval. Wanneer een sloot dichtslibde, moest zij worden uitgegraven. Het vrijgekomen slib kon weer over akkers of woonerven worden verspreid.

 

Een huishouden kon een eigen erf en kavelsloot onderhouden, maar grotere watergangen en dijken vergden samenwerking. Wanneer één bewoner zijn sloot liet dichtgroeien, kon het water op het land van buren blijven staan. Wanneer een dijkvak verzwakte, werd een hele groep erven bedreigd.

 

Er zijn geen volledige Enkhuizer dijkkeuren uit de twaalfde eeuw bewaard. We weten daarom niet precies wie hoeveel arbeid, klei, hout of veenzoden moest leveren. De regelmatige verkaveling en het bestaan van langere dijken bewijzen wel dat afspraken noodzakelijk waren. Waarschijnlijk werden verplichtingen aan grondgebruik gekoppeld, maar de precieze plaatselijke regeling blijft onzeker.

 

De oudste waterkeringen bestonden uit veenzoden en klei. Een opgegraven dijkprofiel bij Enkhuizen toonde verschillende fasen: oude veendijkjes, een kleidijk en veel jongere versterkingen met wier, hout en steen. De grote zeedijk ontstond dus niet in één keer. Kleine kaden en plaatselijke dijkvakken werden verhoogd, verbreed en met elkaar verbonden.

 

Veenzoden waren gemakkelijk beschikbaar, maar konden inklinken en wegspoelen. Klei was steviger, maar zwaarder en arbeidsintensiever. Een vroege dijk kon een veenkern hebben die later met klei werd bekleed of opgehoogd. Iedere storm, verzakking of verandering van de waterstand kon nieuw werk noodzakelijk maken.

 

De Westfriese Omringdijk bestond vóór 1200 nog niet als de volledig gesloten en bestuurlijk georganiseerde waterkering die uit latere eeuwen bekend is. Vanaf het einde van de twaalfde en in de dertiende eeuw groeiden oudere dijken en kaden steeds meer tot één stelsel. Onderzoek bij Schagen laat zien dat afzonderlijke zeedijken en terpen na een reeks stormrampen vanaf 1170 noodzakelijk werden, terwijl de Omringdijk als geheel nog niet bestond. 

 

De groeiende dreiging hing samen met de verandering van het Flevomeer en het Almere. In de Romeinse tijd werd het grote binnenwater met de naam Flevo verbonden. In de vroege middeleeuwen werd de naam Almere gebruikt. Rivierwater van onder meer IJssel en Vecht stroomde naar het gebied, terwijl het water via het Vlie naar de Noordzee werd afgevoerd. De doorgang bij het Vlie werd door zeespiegelstijging, stormen en afslag steeds ruimer. 

 

De termen Flevomeer, Almere en Zuiderzee mogen niet alsof het drie volledig afzonderlijke wateren waren op een kaart worden geplaatst. Zij horen bij opeenvolgende fasen en benamingen van een veranderend watergebied. Het Flevomeer en Almere waren aanvankelijk grotendeels zoet. Door de ruimere verbinding met de Noordzee nam de invloed van zout en getij toe.

 

De storm van 1170 geldt traditioneel als een beslissend moment. Door deze storm werd de verbinding tussen het Almere en de Noordzee sterk vergroot en sloeg zeewater grote stukken veen weg. Bisschop Godfried van Rhenen, die zich in Vollenhove bevond, zou het water tot aan de poort van het Oldehuis hebben zien komen. Het watergebied werd niet onmiddellijk in één dag de volledige latere Zuiderzee, maar de storm versnelde een ontwikkeling die al eerder was begonnen. 

 

Voor Enkhuizen betekende deze verandering meer waterdreiging, maar ook betere verbindingen. De oostelijke rand van West-Friesland kwam steeds directer aan een binnenzee te liggen die via Vlie en Noordzee met Friesland, Wieringen, Texel, Engeland en andere kustgebieden verbonden was.

 

De invloed van zout water maakte de drinkwatervoorziening moeilijker. Oppervlaktewater kon brak worden. Mensen en dieren hadden zoet water nodig. Regenwater kon worden opgevangen, maar bood geen constante zekerheid. In oostelijk West-Friesland werden daarom diepe putten en welkokers gebruikt om zoeter grondwater te bereiken.

 

Een welkoker bestond vaak uit hout en verstevigde de putwand. Het graven vergde kennis en samenwerking, want de natte bodem kon instorten. Niet op ieder twaalfde-eeuws Enkhuizer erf is een dergelijke put opgegraven. Uit het regionale beeld kan wel worden afgeleid dat zoet water een bepalende factor was bij de keuze en inrichting van woonplaatsen.

 

Stormen konden dijken beschadigen, akkers verzilten en huizen bedreigen. Voor afzonderlijke Enkhuizer overstromingen vóór 1200 bestaan nauwelijks plaatselijke schriftelijke berichten. Dat gebrek aan teksten betekent niet dat er geen overstromingen waren. Dijkprofielen, ophogingslagen en het ontstaan van terpen tonen dat de bewoners zich tegen water moesten beschermen.

 

De storm van 1170 viel bovendien in een periode van politieke spanningen. Graaf Floris III, die in 1157 zijn vader Dirk VI opvolgde, probeerde zijn macht in het noorden uit te breiden. De precieze chronologie van zijn oorlogen met West-Friese gemeenschappen is in latere kronieken niet altijd eenduidig. Een regionale geschiedkundige reconstructie vermeldt een strafexpeditie in 1180 waarbij twee dorpen werden verbrand, en een vlootonderneming in 1184 waarbij Texel en Wieringen werden onderworpen en een schatting moesten betalen. 

 

Deze expedities mogen niet als rechtstreeks bewezen aanvallen op Enkhuizen worden beschreven. De naam Enkhuizen verschijnt in de bewaarde bronnen nog niet en de nederzetting was vermoedelijk klein. De conflicten tonen wel dat de jonge dorpen van oostelijk West-Friesland ontstonden in een gebied waar de Hollandse graaf zijn gezag probeerde uit te breiden en waar de bewoners dat gezag niet zonder meer aanvaardden.

 

Floris III nam later deel aan de Derde Kruistocht en overleed in 1190 in Antiochië. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Dirk VII. Tegen het einde van de twaalfde eeuw bleef de verhouding tussen de grafelijke familie en de West-Friezen gespannen. Dirk VII zou later eveneens met West-Friese tegenstand te maken krijgen. Rond 1200 was het grafelijke gezag over de jonge nederzettingen bij Enkhuizen nog geen volledig en onbetwist plaatselijk bestuur.

 

De algemene politieke geschiedenis mag het plaatselijke verhaal niet verdringen. Er bestaat geen bewijs dat Gerulf, Dirk I, Dirk III, Floris III of Dirk VII zelf in het twaalfde-eeuwse Enkhuizen verbleef. Hun namen horen in het verhaal omdat hun dynastie de grotere machtsstructuur vormde waarbinnen West-Friesland kwam te liggen. De concrete ontginning, bouw en waterbeheersing werden echter door plaatselijke bewoners uitgevoerd.

 

In dezelfde twaalfde eeuw kreeg de lange bewoningsas door De Streek steeds meer vorm. Zwaag, Hoogkarspel, Lutjebroek, Grootebroek en Bovenkarspel waren geen willekeurig verspreide dorpen. Zij lagen als onderdelen van één ontginningslandschap langs een verhoogde route. Aan het oostelijke uiteinde ontstonden Gommerkerspel en de watergerichte kern van Enkhuizen.

 

Gommerkerspel, in latere bronnen ook Gommerkarspel, Gommerskarspel of Gommerskerspel genoemd, was een ontginningsdorp aan de Streekweg. De kern wordt doorgaans in de omgeving van de latere Gommarus- of Westerkerk gezocht. De precieze ligging en bouwdatum van de eerste kerk zijn niet rechtstreeks vastgesteld. 

 

Het woord kerspel wijst op een kerkelijke gemeenschap en haar gebied. De naam Gommerkerspel werd verbonden met Sint-Gommarus of Sint-Gummarus. Deze heilige leefde volgens de kerkelijke traditie in de Frankische wereld en werd vooral in de Zuidelijke Nederlanden vereerd. Hoe zijn verering precies in West-Friesland terechtkwam, is onbekend. Een priester, kerkelijke instelling, grondheer of groep kolonisten kan de naam hebben meegebracht.

 

De naam bewijst niet dat er al in de tiende of elfde eeuw een volledige parochie bestond. Waarschijnlijker is dat een kerkelijke gemeenschap tijdens of na de twaalfde-eeuwse ontginning vorm kreeg. Een eerste kerk kan van hout zijn geweest. Houten kerken laten weinig sporen na, vooral wanneer latere kerken en graven dezelfde plaats verstoorden.

 

Een kerk was meer dan een gebouw. Rond haar lag een kerkhof. Paden verbonden de verspreide erven met de gewijde plaats. Daar werden kinderen gedoopt, huwelijken bevestigd, missen gelezen en doden begraven. De kerk maakte van een groep afzonderlijke ontginningsbedrijven een herkenbare gemeenschap.

 

De geestelijke of priester behoorde waarschijnlijk tot de weinige mensen die konden lezen en schrijven. Hij vertegenwoordigde de bredere kerkelijke organisatie van het bisdom Utrecht. Toch zijn de namen van de eerste geestelijken van Gommerkerspel niet bewaard. Het zou onjuist zijn hen te verzinnen of hun komst aan Willibrord, Bonifatius of Liudger persoonlijk toe te schrijven.

 

Meer naar het oosten ontstond een tweede kern. Archeologische en latere historische beschrijvingen noemen deze kern Enghusen of Enkhuizen. Een oudere opvatting stelt dat Enghusen de opvolger was van een verder oostelijk gelegen en door de zee verdwenen Oostdorp. De kern van Enghusen wordt dan in de omgeving van de huidige Breedstraat gezocht. Deze reconstructie is een combinatie van latere overlevering, topografische interpretatie en archeologische verwachtingen; zij is niet als volledig twaalfde-eeuws feitencomplex bewezen. 

 

Gerard Brandt nam in zijn zeventiende-eeuwse stadsgeschiedenis verhalen op over oud land, een kerk en bewoning buiten of dichter bij een vroegere kustlijn. Zijn werk is belangrijk omdat hij plaatselijke tradities en oudere gegevens vastlegde. Hij schreef echter eeuwen na de ontstaansperiode. Zijn aanwijzingen kunnen een herinnering aan kustafslag bewaren, maar een precieze verdwenen nederzetting of kerk kan niet uitsluitend op zijn tekst worden gebaseerd.

 

Dat land aan de Zuiderzeezijde kon verdwijnen, staat landschappelijk buiten twijfel. Veenoevers waren kwetsbaar en de dijk kon worden teruggelegd. In verschillende delen van West-Friesland verdwenen later dorpen en kerkelijke plaatsen. Dat algemene patroon maakt een verdwenen Enkhuizer voorganger mogelijk, maar bewijst niet automatisch de naam, omvang of exacte ligging van Oostdorp.

 

Voor de watergerichte kern is de latere verering van Sint-Pancratius belangrijk. Enkhuizen kende uiteindelijk twee oude parochiale tradities: Sint-Gommarus aan de landzijde en Sint-Pancratius aan de waterzijde. De precieze ouderdom van de eerste Pancratiuskerk is echter niet bekend. Voor circa 1200 kan hoogstens voorzichtig worden aangenomen dat de watergerichte gemeenschap een kapel of kerkelijke ontmoetingsplaats ontwikkelde.

 

De bewoners van Enkhuizen en Gommerkerspel leefden niet als twee afgesloten bevolkingen. Een huishouden aan de landzijde kon een boot gebruiken. Een bewoner van de waterzijde kon akkers en dieren bezitten. Familiebanden, arbeid, kerkbezoek, handel en dijkonderhoud liepen door elkaar.

 

Gommerkerspel kreeg door zijn ligging langs de kavels en de Streekweg een duidelijk agrarisch karakter. De latere Boerenhoek bewaarde die herinnering, al is deze naam jonger. De watergerichte kern profiteerde van de overgang tussen de landroute en het open water. Daar konden kleine boten aanleggen, vis worden verwerkt en goederen worden overgeladen.

 

Voor 1200 bestond nog geen grote Enkhuizer haven. Er waren geen stenen kaden, pakhuizen of gegraven havenbekkens zoals in de latere stad. Waarschijnlijk gebruikten bewoners natuurlijke inhammen, kreekmondingen, sloten en eenvoudige houten aanlegplaatsen. Boten konden aan palen worden vastgemaakt of op een flauwe oever worden getrokken.

 

Het ontbreken van een benoemd kanaal is belangrijk. De latere Oude Haven, Oosterhaven, Westerhaven, Zuiderhavendijk en stadsgrachten horen niet thuis in een twaalfde-eeuwse reconstructie. De toenmalige waterwereld bestond uit het Almere en de zich vormende Zuiderzee, natuurlijke kreken en veenstromen, kavelsloten, wijzenden en mogelijk eenvoudige doorgangen door dijken.

 

De ingevoerde Paffrath-, Pingsdorf- en Maaslandse potten tonen dat goederen de nederzetting bereikten. Zij kunnen via Medemblik of andere regionale punten zijn verspreid. Ook zout, hout, maalstenen, metaal en textiel kunnen over grotere afstand zijn aangevoerd, al is niet ieder product rechtstreeks in de vroege Enkhuizer vondsten aangetoond.

 

De landroute door De Streek maakte de waterkern aantrekkelijk. Graan, kaas, wol, vee en andere producten uit Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek en Hoogkarspel konden oostwaarts worden gebracht. In omgekeerde richting konden ingevoerde goederen het binnenland ingaan. Deze functie was rond 1200 nog kleinschalig, maar vormde de geografische basis voor de latere groei.

 

Het dagelijks leven bleef zwaar. In het voorjaar werden sloten schoongemaakt, akkers bewerkt en dijken gecontroleerd. In de zomer werden gewassen verzorgd, hooi binnengehaald en dieren geweid. In de herfst volgden oogst, slacht en het aanleggen van voorraden. In de winter verbleven mensen en dieren dichter bij elkaar en werden netten, kleding, gereedschap en huizen hersteld.

 

De kerkelijke kalender gaf het jaar een tweede ritme. Zondagen en heiligendagen brachten bewoners bijeen. De feestdagen van Gommarus of Pancratius kunnen later een bijzondere plaats hebben gekregen, maar voor de twaalfde eeuw ontbreken plaatselijke kalenders of rekeningen waarmee de viering exact kan worden beschreven.

 

Brand was naast water een groot gevaar. Huizen bestonden uit hout, riet en leem. Open vuur was nodig om te koken, te verwarmen en licht te maken. Een vonk kon een rieten dak ontsteken. Bij harde wind kon een vuur zich snel verspreiden. Er is geen concrete twaalfde-eeuwse grote brand van Enkhuizen gedocumenteerd, maar het risico volgt rechtstreeks uit de gebruikte materialen.

 

Ziekte en verwondingen konden eveneens ernstige gevolgen hebben. Medische zorg was beperkt. Mensen waren afhankelijk van verzorging binnen huishouden en buurt, plaatselijke plantenkennis en religieuze rituelen. Een misoogst, storm of veepest kon een arm huishouden in grote problemen brengen.

 

Niet alle bewoners waren even rijk. Een familie met meer land, vee, volwassen arbeidskracht of een boot kon grotere reserves opbouwen. Een kleiner huishouden was afhankelijker van buren en verwanten. De vroege archeologische vondsten zijn onvoldoende om afzonderlijke Enkhuizer families met naam en bezit te onderscheiden.

 

De eerste bewoners zijn vrijwel naamloos gebleven. Er zijn geen twaalfde-eeuwse bewonerslijsten, belastingregisters of gerechtelijke rekeningen van Enkhuizen. De oudste bewaarde schriftelijke vermelding van de plaats dateert pas uit 1283, wanneer Enkus wordt genoemd in een akte over de beroving van twee Engelse kooplieden. Die vermelding ligt buiten de hier behandelde periode, maar zij maakt duidelijk waarom de eerste ontginners, boeren, vissers, priesters en dijkwerkers niet bij naam bekend zijn. 

 

Het ontbreken van schriftelijke namen mag niet worden opgevuld met verzonnen Enkhuizers. Wel kunnen de werkelijk bekende machthebbers en geestelijken uit de grotere wereld worden genoemd: Radbod, Pippijn II, Karel Martel, Willibrord, Bonifatius, Liudger, Karel de Grote, Rorik, Gerulf, Dirk I, Dirk II, Arnulf, Dirk III, Dirk IV, Floris I, Dirk V, Floris II, Dirk VI, Floris III en Dirk VII. Zij vormden de politieke en kerkelijke achtergrond, maar waren niet allemaal plaatselijk aanwezig.

 

Ook de plaatsen rond Enkhuizen moeten zichtbaar blijven. Medemblik was het vroegste regionale handels- en machtscentrum. Wieringen en Texel beheersten routes bij het Vlie. Utrecht was het kerkelijke centrum. Dorestad was het grote vroegmiddeleeuwse handelscentrum aan Rijn en Lek. Egmond was het klooster en grafelijke centrum. Heiloo, Wognum en Ursem vertegenwoordigen oudere kerkelijke en bewoningslagen. Zwaag, Hoogkarspel, Lutjebroek, Grootebroek en Bovenkarspel vormden samen met Gommerkerspel en Enkhuizen de ontginningsas van De Streek.

 

Schellinkhout, Hem en Wijdenes lagen aan andere delen van de zuidelijke en oostelijke West-Friese kust. Opperdoes en het gebied rond Medemblik behoorden tot de noordelijke verbindingen. Andijk is als moderne plaatsnaam jonger, maar in de bodem rond het huidige Andijk liggen belangrijke bronstijdvindplaatsen. De namen van moderne onderzoeksplaatsen mogen dus niet altijd worden verward met de namen die bewoners in de Bronstijd of vroege middeleeuwen gebruikten.

 

Rond 1180–1200 was de bewoning aan het Westeinde blijvend geworden. De huisterp aan Westeinde 107 werd herhaaldelijk verhoogd. Op het Schootsveld lagen bewoningssporen en vondsten uit dezelfde periode. De lange Streekweg verbond de nederzetting met Bovenkarspel en verder westwaarts. De dijken en sloten maakten landbouw en verkeer mogelijk.

 

Gommerkerspel vormde een herkenbare agrarische en kerkelijke gemeenschap. De watergerichte kern van Enkhuizen begon door haar ligging aan het uiteinde van de landroute een eigen functie te krijgen. De ene kern keek vooral naar de kavels van Drechterland en De Streek; de andere naar het Almere en de zich vormende Zuiderzee.

 

Drechterland moet voor deze periode niet worden voorgesteld als een volledig uitgewerkt laatmiddeleeuws bestuursambacht met alle later bekende instellingen. Het is vooral de landschappelijke en regionale aanduiding voor het oostelijke deel van West-Friesland waarin deze dorpen lagen. Later zou Enkhuizen voor dijkonderhoud onder het ambacht Drechterland en voor afwatering onder Het Grootslag vallen. Die latere indeling groeide uit de oudere noodzaak tot gezamenlijke organisatie, maar mag niet volledig naar 1150 worden teruggeplaatst. 

 

De bewoners beschikten rond 1200 nog niet over een stadsbestuur. Er waren geen burgemeesters, schepenen of stedelijke privileges. Geschillen over land, dieren, water en schulden werden binnen plaatselijke en regionale rechtsgebruiken behandeld. Vooraanstaande grondgebruikers, ouderen en geestelijken zullen invloed hebben gehad, maar hun titels en bevoegdheden zijn voor deze periode niet overgeleverd.

 

Ook bestond er nog geen scherpe grens tussen dorp en buitengebied. Achter de huizen begonnen direct akkers, weiden en sloten. Tussen Enkhuizen en Gommerkerspel lagen geen muren. Een grens kon worden gevormd door een sloot, perceel, pad of kerkelijk gebruiksgebied. De bewoners kenden zulke grenzen uit dagelijks gebruik, ook wanneer zij niet schriftelijk waren vastgelegd.

 

De twee kernen waren van elkaar afhankelijk. De waterzijde had landbouwproducten, hout, riet, vee en arbeidskracht uit het achterland nodig. De landzijde had belang bij vis, vervoer en toegang tot grotere handelsroutes. Een boer kon varen en een schipper kon land gebruiken. De tegenstelling tussen boeren en vissers was nog niet zo scherp als in latere stedelijke herinneringen.

 

De nederzettingen waren bovendien afhankelijk van oudere regionale centra. Voor bijzondere religieuze, bestuurlijke of handelszaken konden bewoners zich richting Medemblik, Egmond of Utrecht oriënteren. Zij stonden niet rechtstreeks dagelijks onder het oog van een bisschop of graaf, maar maakten wel deel uit van een wereld waarin kerkelijke tienden, grafelijke aanspraken en regionale handel steeds belangrijker werden.

 

Aan het einde van de twaalfde eeuw was West-Friesland geen afgelegen en tijdloos boerenland. De regio lag tussen de Noordzee, het Vlie, het Almere, de rivierverbindingen naar Utrecht en Dorestad en de opkomende macht van de Hollandse graven. Vikingaanwezigheid op Wieringen behoorde inmiddels tot het verleden, maar de noordelijke vaarroute bleef belangrijk. Medemblik bezat al eeuwen een haven- en nederzettingsfunctie. De graaf van Holland probeerde zijn gezag naar het noorden uit te breiden.

 

Tegelijk lag alle grote geschiedenis uiteindelijk op de schouders van naamloze huishoudens. Zij groeven de sloten, haalden klei uit daliegaten, bouwden houten huizen, onderhielden dijken en brachten hun kinderen en doden naar kerkelijke plaatsen. Zonder hun arbeid zouden de besluiten van graven en bisschoppen in het veen weinig betekenis hebben gehad.

 

Wat rechtstreeks is vastgesteld, moet duidelijk worden onderscheiden van reconstructie. Rechtstreeks aangetoond zijn de bronstijdbewoning ten noorden van en binnen het huidige Enkhuizen, de boerderijen, greppels, akkers, waterputten en sikkels uit die periode; de twaalfde-eeuwse ontginning langs de Streekweg; de daliegaten; het roggebouw op het veen; de huisterp aan Westeinde 107; het kogelpot-, Paffrath-, Pingsdorf- en Maaslandse aardewerk; het botmateriaal en de vroege dijkfasen.

 

Rechtstreeks uit schriftelijke bronnen bekend zijn onder meer Medemolaca in de negende eeuw, de strijd tussen Frankische en Friese machthebbers, de werkzaamheden van Willibrord, Bonifatius en Liudger, de aanwezigheid van Gerulf en de Hollandse grafelijke dynastie en de Slag bij Vlaardingen van 1018. Deze gebeurtenissen en personen zijn werkelijk gedocumenteerd, maar niet rechtstreeks als gebeurtenissen in Enkhuizen.

 

Aannemelijk is dat de vroege Enkhuizer bewoners houten woonstalboerderijen gebruikten, landbouw, veeteelt, visserij en vervoer combineerden, eenvoudige aanlegplaatsen hadden en binnen plaatselijke gemeenschappen afspraken maakten over waterbeheer. Aannemelijk is eveneens dat tijdens de twaalfde eeuw kerkelijke kernen ontstonden waaruit Gommerkerspel en het watergerichte Enkhuizen hun identiteit kregen.

 

Onzeker blijven de precieze ligging van de eerste huizen aan de waterzijde, de exacte kustlijn, het bestaan en de plaats van een verdwenen Oostdorp, de ouderdom van de eerste Gommarus- en Pancratiuskerken, het moment waarop de namen Gommerkerspel en Enkhuizen mondeling werden gebruikt en het aantal inwoners rond 1200.

 

Ook de precieze rol van grafelijke, bisschoppelijke of kloosterlijke opdrachtgevers bij de Enkhuizer ontginning blijft onzeker. De grotere machthebbers zijn bekend, maar er bestaat geen bewaard document waarin een graaf of bisschop een met name genoemde groep kolonisten opdracht geeft Enkhuizen te stichten.

 

Wie omstreeks 1200 vanuit Hoogkarspel via Lutjebroek, Grootebroek en Bovenkarspel naar het oosten reisde, volgde een jonge maar steeds duidelijker herkenbare bewoningsas. Langs de dijk stonden houten huizen en boerderijen. Sommige lagen direct bij de route, andere tientallen meters verder het land in. Sloten voerden water af en droegen kleine schuiten.

 

Achter de erven lagen lange kavels. Op de drogere grond groeide rogge. Nattere delen werden gebruikt als weide en hooiland. In daliegaten was klei gewonnen. Waterputten verschaften zoet water. De bewoners leefden met de wetenschap dat hun land alleen bruikbaar bleef zolang sloten open en dijken heel bleven.

 

Aan de landzijde lag Gommerkerspel rond zijn agrarische erven en kerkelijke kern. Verder oostwaarts naderde de route het water. Daar ontstond Enkhuizen als groep huizen op het punt waar het land van De Streek overging in de vaarwereld van Almere en Zuiderzee.

 

Er waren nog geen stadsmuren, poorten, monumentale kerken, grote havens of koopmanshuizen. De nederzettingen waren klein, open en kwetsbaar. Brand kon een huis vernietigen, een storm kon akkers verzilten en bodemdaling kon een woonerf onbruikbaar maken.

 

Toch was de beslissende overgang voltooid. Het gebied was niet langer uitsluitend natuur of tijdelijk gebruikt veenland. De bewoners waren meerdere generaties aan hun erven, sloten, dijken, kerken en graven verbonden. Zij hadden een eigen plaatselijke gemeenschap en een eigen verleden gevormd.

 

De voorgeschiedenis eindigt daarom rond 1200 niet met de stichting van een stad, maar met het ontstaan van twee blijvende kernen. Gommerkerspel keek naar het agrarische Drechterland en de lange route door De Streek. Enkhuizen keek naar het water, zonder het land achter zich te kunnen missen.

 

Beide waren voortgekomen uit hetzelfde veenlandschap. Beide waren gevormd door dezelfde ontginning, dezelfde bodemdaling en dezelfde noodzaak tot gezamenlijk dijkwerk. Hun verschillende ligging gaf hun een eigen karakter, maar mensen, producten en familiebanden verbonden hen voortdurend.

 

Daarmee waren rond 1200 de grondslagen aanwezig waarop het latere Enkhuizen kon voortbouwen: de Streekweg, de kavels, het slotenstelsel, de dijken, de kerkelijke gemeenschappen, de verbinding met Medemblik en de regionale handelsroutes, de toegang tot het Almere en de Zuiderzee en een bevolking die had geleerd tussen land en water te leven.

Deel 0 – Enkhuizen vóór en tijdens de dertiende eeuw

Van bronstijdlandschap naar een nederzetting aan het water, circa 2000 v.Chr.–1300 n.Chr.

Het landschap vóór de stad

Vóór Enkhuizen een stad werd, was er eerst het landschap. Wie naar de vroegste geschiedenis van Enkhuizen kijkt, moet daarom niet beginnen bij havens, stadsrechten, haringvloten, de VOC, de Drommedaris of de vestingwallen. Die behoren allemaal tot veel latere eeuwen. Vóór 1200 bestond hier nog geen stad in de betekenis die Enkhuizen later zou krijgen. Er lag een laag, nat en voortdurend veranderend West-Fries landschap waarin water, veen, klei, kreken, kleine woonplaatsen en vroege ontginningen de voorwaarden schiepen voor alles wat daarna zou ontstaan.

Lang voordat de naam Enkhuizen in een geschreven bron verscheen, woonden mensen in het landschap waarop de latere stad en haar omgeving zouden groeien. Zij kenden geen Enkhuizen, geen Zuiderzee, geen Westerstraat en geen Breedstraat. Het land zag er volledig anders uit. Kreken, geulen, kleiruggen, natte laagten en later uitgestrekte veengebieden bepaalden waar mensen konden wonen, hun vee konden houden en hun akkers konden aanleggen. Zee, binnenwateren, veengroei, bodemdaling en menselijke ingrepen vormden samen de ondergrond waarop eeuwen later Enkus zou ontstaan.

De vroegste geschiedenis van Enkhuizen is daarom geen verhaal van monumenten of bekende bestuurders. Zij gaat over de voorwaarden waaronder bewoning mogelijk werd. Mensen moesten leren leven met water dat tegelijk vervoersweg, voedselbron en bedreiging was. Zij groeven sloten, legden erven aan, verhoogden woonplaatsen en gebruikten hogere delen van het landschap. Uit zulke ingrepen ontstond langzaam een patroon van wegen, watergangen, dijken, percelen en bewoningslinten. Pas veel later zouden deze landschappelijke lijnen worden opgenomen in een herkenbare stad.

Er bestaat geen ononderbroken bewoningslijn van de prehistorie naar het middeleeuwse Enkhuizen. Soms was het gebied aantrekkelijk voor landbouw en veeteelt. In andere perioden werd het te nat voor langdurige bewoning. Mensen trokken weg, zochten hogere gronden op of gebruikten het landschap slechts tijdelijk. De stad ontstond daarom niet uit één nederzetting die duizenden jaren onveranderd bleef bestaan. Zij groeide op een ondergrond die herhaaldelijk was bewoond, verlaten, overgroeid, ontwaterd en opnieuw ingericht.

Boerderijen in het bronstijdlandschap

Ongeveer 3.500 jaar geleden woonden al veel mensen in het gebied ten noorden van het huidige Enkhuizen. Archeologisch onderzoek in Kadijken en bij het Rode Paard bracht resten aan het licht van boerderijen, akkers, greppels, waterputten en erven. Bij het Rode Paard werd een uitzonderlijk goed bewaarde nederzetting uit de Midden-Bronstijd gevonden. De bewoning wordt ongeveer tussen 1600 en 1100 voor Christus gedateerd.

Een van de opgegraven boerderijen was minstens vijftien meter lang en bestond uit drie beuken. Een houten draagconstructie ondersteunde het dak en verdeelde het gebouw in een brede middenruimte met smallere zijgedeelten. Rond de boerderij lagen greppels waarmee het erf werd begrensd en overtollig water werd afgevoerd. In de bodem bleven bovendien krassen van een eergetouw zichtbaar, een eenvoudige ploeg waarmee de bewoners hun akkers bewerkten.

De vondsten tonen dat het terrein niet slechts korte tijd werd gebruikt. Er lagen verschillende bewonings- en gebruiksfasen over elkaar. De akkers werden bewerkt en bemest. Waterputten voorzagen de bewoners en hun dieren van water. De mensen hielden runderen, schapen, geiten en varkens. Zij gebruikten vuursteen, hout, aardewerk en dierlijk bot om gereedschappen, gebruiksvoorwerpen en bouwmaterialen te vervaardigen.

Huis, erf, akker en veestapel vormden één samenhangend bedrijf. Mensen en dieren verbleven waarschijnlijk gedeeltelijk onder hetzelfde lange dak, zoals dat in bronstijdboerderijen vaker voorkwam. Runderen leverden vlees, melk, mest en mogelijk trekkracht. Schapen en geiten gaven wol, huiden, melk en vlees. Varkens konden worden gevoed met huishoudelijk afval en wat de omgeving opleverde.

Dit was nog geen vroege vorm van Enkhuizen. De bewoners kenden die naam niet en er is geen rechtstreeks verband aangetoond tussen hun gemeenschap en de middeleeuwse bevolking. Hun sporen laten wel zien dat het landschap rond het huidige Enkhuizen al duizenden jaren vóór de stad aantrekkelijk kon zijn voor landbouwende gemeenschappen. Onder latere straten, dijken en woonwijken lag een veel oudere menselijke wereld verborgen.

Het land wordt natter

Na de Bronstijd veranderde de omgeving ingrijpend. De natuurlijke afvoer van water naar zee werd moeilijker en in grote delen van West-Friesland ontstonden meren, moerassen en veengebieden. Rond 900 voor Christus was het bewoonbare oppervlak sterk afgenomen. Alleen de hoger gelegen delen bleven geschikt voor langdurige bewoning.

Veen ontstond op plaatsen waar afgestorven planten in een natte en zuurstofarme omgeving niet volledig verteerden. Jaar na jaar hoopten plantenresten zich op. Zo groeide een dik pakket veen over het oudere kleilandschap heen. Op sommige plaatsen bedekte het veen de akkers, greppels en huisplaatsen uit de Bronstijd. Daardoor bleven oudere sporen onder de latere middeleeuwse en moderne bewoning bewaard.

Het veenlandschap bestond uit moerassen, rietlanden, natte grasachtige begroeiing, veenriviertjes, plassen en hoger gelegen veenkoepels. Bomen kwamen plaatselijk voor, maar grote gebieden waren te nat en te voedselarm voor intensieve bewoning. Natuurlijke waterlopen voerden regenwater langzaam af. Langs zulke wateren konden mensen varen, vissen, riet snijden of tijdelijk vee laten grazen, maar een dicht netwerk van vaste boerderijen bestond nog niet.

Het landschap werd stiller en leger dan het in de Bronstijd was geweest. Dat betekent niet dat gedurende vele eeuwen niemand meer door het gebied trok. Jagers, vissers, reizigers, herders en verzamelaars kunnen van het natte land gebruik hebben gemaakt. Voor vaste landbouwgemeenschappen was het veen echter veel minder geschikt.

Onder de huidige Enkhuizer straten en huizen liggen daardoor verschillende landschappen boven elkaar. Onderaan bevinden zich plaatselijk sporen uit de Bronstijd. Daarboven ligt veen dat in een veel nattere periode groeide. Weer daarboven liggen ophogingen, sloten, vloeren, erven en dijken van middeleeuwse en latere bewoners. De bodem van Enkhuizen is daarmee als een opeenstapeling van verdwenen werelden.

De Friese kustwereld

In de vroege middeleeuwen maakte het gebied deel uit van de brede Friese kustwereld. Deze strekte zich uit langs de Noordzeekust en kende geen grenzen die overeenkwamen met de latere provincies Noord-Holland en Friesland. Bewoners leefden in kleine gemeenschappen op hoger gelegen gronden, langs waterlopen en op natuurlijke of kunstmatig verhoogde woonplaatsen.

Water vormde geen absolute grens. Boten verbonden nederzettingen met elkaar. Vis, vee, huiden, zout, aardewerk, hout en andere goederen konden via kreken, meren en kustwateren worden vervoerd. Wegen over land waren vaak modderig, smal of moeilijk begaanbaar. Een schuit kon daarom praktischer zijn dan een wagen. De bewoners waren niet volledig geïsoleerd, ook al zijn uit het gebied van het latere Enkhuizen nauwelijks schriftelijke berichten uit deze tijd overgeleverd.

Vanaf de zevende en achtste eeuw verspreidde het christendom zich geleidelijk door de Friese kustgebieden. Missionarissen als Willibrord en later Bonifatius werkten in verschillende delen van het Friese gebied. Willibrord werd in 695 tot aartsbisschop gewijd en zette zijn bekeringswerk voort. Na de dood van de Friese koning Radboud in 719 ontstond voor Frankische en kerkelijke machthebbers meer ruimte om hun invloed uit te breiden.

Voor Enkhuizen zelf is uit deze vroege tijd geen kerk of christelijke gemeenschap met zekerheid aan te wijzen. De bekering was bovendien geen gebeurtenis die op één dag plaatsvond. Oude gebruiken, familiebanden, rituelen en plaatselijke tradities verdwenen niet onmiddellijk. Het christendom verspreidde zich langzaam via machthebbers, geestelijken, kerkstichtingen en begraafplaatsen.

Pas veel later werden parochies en kerspelen vaste kerkelijke eenheden waarin bewoners hun kinderen lieten dopen, hun huwelijken kerkelijk bevestigden en hun doden begroeven. De kerk zou bij de vorming van de latere dorpen een belangrijk middelpunt worden. Vóór die tijd bestonden vooral losse gemeenschappen die door familie, grondgebruik, waterwegen en gezamenlijke arbeid met elkaar waren verbonden.

Nieuwe bewoners trekken het veen in

Na ongeveer 800 vestigden mensen zich opnieuw blijvend in steeds meer delen van West-Friesland. Zij zochten hoger gelegen kreekruggen, randen van natuurlijke waterlopen en plaatsen waar kunstmatig verhoogde woonheuvels konden worden aangelegd. Van daaruit begonnen zij het moerassige veenland op grotere schaal te ontginnen.

Het veen lag toen aanzienlijk hoger dan tegenwoordig. De bodem was nat, maar kon na ontwatering tijdelijk geschikt worden gemaakt voor akkerbouw en bewoning. Ontginners groeven lange sloten en greppels die het water uit het veen naar natuurlijke stromen, meren en grotere watergangen afvoerden. Tussen deze sloten ontstonden lange, smalle percelen.

Deze strokenverkaveling bepaalde eeuwenlang de vorm van het West-Friese landschap. Veel moderne sloten, wegen en perceelgrenzen volgen nog lijnen die tijdens de middeleeuwse ontginningen werden uitgezet. Ook de ligging van verschillende dorpen hangt rechtstreeks met zulke ontginningsassen samen.

De ontginning gebeurde niet volgens één centraal plan dat in korte tijd werd uitgevoerd. Talrijke huishoudens en plaatselijke gemeenschappen trokken het veen in. Zij groeven vanuit bestaande waterlopen of nieuwe ontginningsassen parallelle sloten. Iedere boer of groep bewoners kreeg waarschijnlijk een smalle strook land met toegang tot een weg of watergang. Vanaf de voorzijde liep het perceel ver het achterland in.

Op de drogere voorkant stond de boerderij. Daarachter lagen akkers, grasland, hooiland, ruigte en nog nauwelijks bruikbare natte gedeelten. De eerste ontginners leefden niet in steden of dichtbebouwde dorpscentra. Hun boerderijen stonden verspreid of in losse rijen langs een waterloop, weg of dijk.

De Enkhuizer Vaart als ontginningswater

Ten noorden van de latere Streekweg liep de Enkhuizer Vaart. Deze watergang speelde waarschijnlijk al tijdens de ontginningen van de elfde en twaalfde eeuw een belangrijke rol. Een gedeelte ervan bleef binnen de later gegroeide stad bewaard als de Noorder Boerenvaart.

De vaart hielp overtollig regenwater uit het veen af te voeren en kon tegelijk als vaarroute worden gebruikt. Vanuit de hoofdwatergang werden kleinere sloten gegraven. Zij verdeelden het land in langgerekte stroken en verbonden boerderijen en erven met de bredere waterwereld.

De sloten waren meer dan perceelsgrenzen. Zij moesten voortdurend water afvoeren. Wanneer een sloot dichtgroeide of verstopt raakte met veen, modder en plantenresten, werd het land opnieuw nat. Bewoners moesten de watergangen daarom regelmatig uitdiepen en schoonmaken.

De ene boer kon zijn erf niet droog houden wanneer zijn buren de gezamenlijke afvoer verwaarloosden. Lang voordat er een Enkhuizer stadsbestuur, een waterschap of een geschreven dijkreglement bestond, dwong het landschap mensen al tot samenwerking. Water hield zich niet aan de grenzen van één erf.

De vaart bood ook mogelijkheden voor vervoer. Hout, hooi, mest, voedsel, riet, klei en bouwmateriaal konden per schuit gemakkelijker worden verplaatst dan over een zachte veenweg. Boerderijen die op het eerste gezicht afgelegen lagen, konden via sloten en vaarten toch met andere woonplaatsen verbonden zijn.

Ontwatering brengt nieuwe problemen

Door sloten te graven werd het veen droger, maar daarmee begon ook een proces dat later grote problemen zou veroorzaken. Zodra het veen met lucht in aanraking kwam, oxideerde het. De plantenresten krompen, klonken in en verteerden gedeeltelijk. Het maaiveld kwam daardoor steeds lager te liggen.

Het land dat aanvankelijk hoog genoeg lag voor akkerbouw, werd na verloop van tijd natter. Een sloot die eerst voldoende diep was, kwam door de bodemdaling relatief hoger te liggen. Boeren moesten bestaande watergangen verdiepen, nieuwe sloten graven of een andere afvoer zoeken. Iedere verbetering van de ontwatering versnelde echter opnieuw de afbraak van het veen.

De ontginning hielp de bewoners dus op korte termijn, maar maakte het landschap op langere termijn kwetsbaarder. Hoe meer water werd afgevoerd, hoe verder het land daalde. Meren, veenstromen en later de open zee kwamen steeds hoger te liggen ten opzichte van de bewoning.

De bodemdaling veranderde ook het gebruik van de grond. Akkerbouw werd op veel plaatsen moeilijker. Natte weiden waren beter geschikt voor gras, hooi en vee. De overgang naar een landschap waarin rundveehouderij en zuivel een belangrijke rol speelden, begon daardoor al tijdens en kort na de ontginning.

De bewoners werden afhankelijk van waterwerken die zij zelf hadden aangelegd. Zonder sloten werd het land te nat, maar door de sloten zakte het land verder. Deze tegenstelling zou de geschiedenis van Enkhuizen, De Streek en Het Grootslag eeuwenlang bepalen.

Klei uit de ondergrond

De ontginners ontdekten dat veengrond niet overal vruchtbaar genoeg was. In oostelijk West-Friesland groeven boeren daarom kuilen door het veen heen tot in de kalkrijke klei eronder. De uitgegraven klei werd over de akker verspreid om de zure en voedselarme veengrond te verbeteren.

Zulke kleiwinningskuilen worden daliegaten genoemd. Regionale opgravingen tonen dat deze praktijk in de late twaalfde en dertiende eeuw voorkwam. Nadat de bruikbare klei was gewonnen, werd de kuil vaak gevuld met het eerder verwijderde veen. Daardoor bleef in de bodem een diepe verstoring achter.

Het werk was zwaar. Veen en klei moesten met schoppen, manden en mogelijk draagbaren uit de diepte worden gehaald. Daarna werd de klei over het perceel verdeeld. Het doel was praktisch: de akker moest voldoende voedingsstoffen bevatten om gewassen te dragen.

Niet iedere boer beschikte over even gunstige grond. De ene strook lag hoger of dichter bij een goede afvoer dan de andere. Sommige huishoudens konden grotere akkers gebruiken of meer vee houden. Andere gezinnen hadden weinig land en waren afhankelijk van gemeenschappelijk hooiland, visvangst, seizoenarbeid, ruil of hulp van familieleden.

Samenwerken om te kunnen blijven

Een afzonderlijk huishouden kon een sloot graven, een erf ophogen of een kleine kade herstellen. Een langere dijk of gemeenschappelijke watergang vroeg echter samenwerking. Buren moesten afspraken maken over de plaats van sloten, het onderhoud van afvoerwateren en het herstel van beschadigde waterkeringen.

Wanneer één bewoner zijn gedeelte verwaarloosde, konden ook de landerijen van anderen onderlopen. Waterbeheer werd daardoor een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Lang voordat uitgebreide waterschapsbesturen en geschreven dijkreglementen bestonden, moesten bewoners werkzaamheden en lasten onder elkaar verdelen.

De eerste dijkjes waren niet altijd rechtstreeks tegen de zee gericht. Sommige kaden moesten voorkomen dat water uit hoger en nog niet ontgonnen veen naar de lager geworden akkers stroomde. Andere beschermden afzonderlijke erven, percelen of nederzettingen tegen meren en veenstromen. Pas toen de invloed van de grotere binnenwateren en de zee toenam, werden sterkere waterkeringen noodzakelijk.

De noodzaak tot samenwerking hielp dorpsgemeenschappen vormen. Mensen deelden niet alleen een weg, kerkplaats of familieband, maar ook een watersysteem. Zij waren afhankelijk van dezelfde dijk, dezelfde afvoerroute en dezelfde bescherming tegen storm en overstroming.

In deze wereld ontstonden de praktische structuren waaruit later Drechterland, Het Grootslag en andere waterstaatkundige eenheden zouden voortkomen. De namen en officiële instellingen kwamen pas later duidelijk in geschreven bronnen naar voren, maar de noodzaak van gemeenschappelijk beheer was veel ouder.

De lange lijn van de Streekweg

In de tweede helft van de twaalfde eeuw kreeg het oostelijke deel van West-Friesland een herkenbare bewoningsas. Ontginners legden een lange, verhoogde dijk- en wegstructuur aan die later bekendstond als de Streekweg. Deze lijn liep van het gebied bij Zwaag via Hoogkarspel, Lutjebroek en Bovenkarspel naar het latere Enkhuizen.

Langs en rond deze ontginningsas ontwikkelden zich in de tweede helft van de twaalfde eeuw de nederzettingsstructuren waaruit later plaatsen als Zwaag, Hoogkarspel, Lutjebroek, Bovenkarspel en Enkhuizen herkenbaar naar voren kwamen. De nederzettingen hadden nog geen scherpe grenzen en bestonden niet uit dicht opeengebouwde centra. Er lagen verspreide erven, boerderijen, kerkplaatsen, sloten, hooiland en open ruimten langs de verhoogde lijn.

De Streekweg was meer dan een verkeersroute. Het verhoogde tracé hielp het ontgonnen land te beschermen en bood een relatief droge plaats voor bewoning. Achter de huizen lagen lange kavels die diep het land in liepen. De bewoners waren via deze weg met elkaar verbonden, maar veel vervoer bleef over water plaatsvinden.

De huidige Westerstraat en het Westeinde vormen het oostelijke vervolg van deze middeleeuwse as. De latere hoofdstraat van Enkhuizen begon dus niet als een stedelijke winkelstraat. Zij was eerst een ontginningsweg en verhoogde bewoningslijn die boerderijen, kerkplaatsen en landerijen met elkaar verbond.

Hier lagen de landwaarts gerichte wortels van Enkhuizen. De bewoners keken niet alleen naar de kust. Zij waren ook verbonden met Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek, Hoogkarspel, Zwaag en het verdere achterland van Drechterland en De Streek.

Het begin van Gommerkerspel

Aan het oostelijke uiteinde van de Streekweg ontwikkelde zich de gemeenschap die later Gommerkerspel, Gommerskarspel of Gommerkarspel werd genoemd. De naam wijst op een kerspel, een kerkelijke gemeenschap, die met Sint-Gommarus was verbonden. Het latere centrum wordt gezocht in de omgeving van de huidige Westerkerk.

De precieze ouderdom van de eerste kerk of kapel is onzeker. Voor de twaalfde eeuw bestaat geen bewaarde akte waarin Gommerkerspel of zijn kerk met zekerheid wordt genoemd. Het is mogelijk dat tegen het einde van de eeuw al een eenvoudige houten kapel of gebedsplaats aanwezig was, zoals ook elders langs nieuwe ontginningslinten gebeurde.

Een duidelijke schriftelijke aanwijzing voor een eigen Gummaruskapel en pastoor ligt pas rond het begin van de dertiende eeuw. Die kerkelijke organisatie moet echter zijn voortgekomen uit een gemeenschap die zich in de voorafgaande ontginningsperiode had gevormd.

De eerste bewoners van het westelijke deel leefden hoofdzakelijk van het land. Zij hielden runderen, schapen, geiten en varkens en verbouwden gewassen op het ontwaterde veen. Hun nederzetting was geen gesloten dorp rond een marktplein, maar een langgerekt lint van verspreide erven. Tussen de boerderijen lagen sloten, grasland, hooiland en nog niet volledig ontgonnen grond.

Het latere onderscheid tussen het agrarisch georiënteerde Gommerkerspel en het watergerichte Enchusen had hier zijn oorsprong. Gommerkerspel keek langs de Streekweg naar het westen. De oostelijke bewoning keek naar dijk en water. In de twaalfde eeuw waren dit nog geen twee nauwkeurig beschreven dorpen, maar de verschillende landschappelijke richtingen waren al aanwezig.

Een woonheuvel aan het Westeinde

Aan het huidige Westeinde 88–92 is een huisterp opgegraven waarvan de aanleg mogelijk al tussen ongeveer 1150 en 1175 begon. De bewoners legden eerst een baan van rechthoekige kleizoden neer. Aan weerszijden werden brokken veen en klei gestort. Zo ontstond een verhoogde en stevigere woonplaats.

In de ophoging werden scherven gevonden van zowel plaatselijk vervaardigd als ingevoerd aardewerk. Dit toont dat de bewoners gebruiksvoorwerpen bezaten die niet allemaal op hun eigen erf waren gemaakt. Zelfs een kleine nederzetting stond via vervoer en ruil in verbinding met een bredere omgeving.

De terp werd in volgende eeuwen steeds verder opgehoogd. Op nieuwe ophogingslagen werden vloeren van lichtgrijze klei aangebracht. Uiteindelijk lag de woonplaats minstens een meter hoger dan het oorspronkelijke maaiveld. Van het houten huis zelf bleven geen duidelijke balken of palen bewaard.

De ophogingen laten zien hoe bewoners op bodemdaling en wateroverlast reageerden. Zij verlieten hun erf niet onmiddellijk wanneer de grond natter werd. Zij brachten nieuwe klei, veen, mest en ander materiaal aan, verhoogden hun vloer en bouwden opnieuw. Een huisplaats was daardoor geen onveranderlijk punt, maar een bouwwerk waaraan verschillende generaties bleven werken.

Archeologisch onderzoek aan het Westeinde bevestigt dat deze zone tot de middeleeuwse ontginningsas behoorde. De oudste duidelijk aangetroffen resten bestaan uit ophogingen, sloten en kleiwinningskuilen. Ook wanneer geen volledig twaalfde-eeuws huis kon worden opgegraven, betekent dit niet dat er geen bewoning was. Vroege erven kunnen zijn verplaatst, verdwenen of onder jongere bebouwing liggen.

Het leven op het erf

Het houten huis op de huisterp is verdwenen, maar op basis van regionale vondsten kan voorzichtig een beeld van het dagelijks leven worden gevormd. Het gebouw zal grotendeels uit hout, vlechtwerk, leem, plaggen en riet hebben bestaan. Binnen bevond zich een haard waar voedsel werd gekookt en warmte werd verkregen.

De vloer kon bestaan uit aangestampte klei, mest, plantenmateriaal of een combinatie daarvan. Wanneer de vloer versleten of te laag geworden was, werd een nieuwe laag aangebracht. Achter en naast het huis lagen sloten, kuilen, opslagplaatsen, een waterput, mesthopen en werkplekken.

Mensen en dieren leefden dicht bij elkaar. In een langgerekte boerderij konden woon- en stalgedeelten onder één dak zijn samengebracht. Het erf was tegelijkertijd woning, werkplaats, opslagplaats en veehouderij. Het huishouden moest vrijwel alles zelf organiseren: voedsel, kleding, brandstof, gereedschap, onderhoud van het huis en verzorging van het vee.

De bewoners verdeelden hun bestaan waarschijnlijk over akkerbouw, veeteelt, zuivelbereiding, plaatselijke visvangst, rietsnijden en vervoer. Dit is een reconstructie op basis van archeologie en vergelijkbare nederzettingen. Er bestaan geen geschreven beroepslijsten van deze vroegste bewoners.

De seizoenen bepaalden het werk. In voorjaar en zomer moesten sloten, erven en land worden onderhouden. Hooi werd gemaaid en gedroogd. In de herfst werden voorraden aangelegd. Tijdens natte en stormachtige winters waren huis, dijk en vee bijzonder kwetsbaar.

Mannen, vrouwen en kinderen

Het ontginningsbedrijf kon alleen functioneren wanneer alle leden van het huishouden meewerkten. Mannen groeven sloten, herstelden kaden en dijken, maaiden hooi, bouwden huizen en verrichtten zwaar vervoer. Vrouwen verwerkten melk, bereidden voedsel, maakten en herstelden kleding en zorgden voor kinderen, zieken en kleinvee.

Deze taakverdeling was niet absoluut. Tijdens een overstroming, oogst, ziekte of dijkdoorbraak deed iedereen wat noodzakelijk was. Vrouwen werkten op het land, molken dieren en droegen bij aan opslag en verwerking. Kinderen verzamelden brandstof, pasten op vee, droegen water en hielpen bij eenvoudige werkzaamheden.

Melk moest snel worden verwerkt, omdat zij zonder koeling gemakkelijk bedierf. Boter en eenvoudige kaasachtige producten waren langer houdbaar. Zij konden worden opgeslagen, geruild of vervoerd. De latere betekenis van West-Friesland als veeteelt- en zuivelgebied bouwde voort op zulke huishoudelijke technieken.

Wol van schapen werd gewassen, gekamd, gesponnen en tot textiel verwerkt. Leer, bot, hout, riet en plantenvezels leverden materialen voor kleding, gereedschap, manden, touw en eenvoudige gebruiksvoorwerpen. Het huishouden maakte veel zelf, maar stond ook in verbinding met regionale ruilnetwerken.

Voedsel uit land en water

Het dagelijkse voedsel bestond waarschijnlijk uit graanpap, broodachtige producten, melk, boter, kaas, peulvruchten, groenten, vis en soms vlees. Runderen waren kostbaar en werden niet uitsluitend voor vlees gehouden. Zij leverden melk, mest en mogelijk trekkracht. Schapen gaven wol, melk en vlees. Varkens konden met huishoudelijk afval en voedsel uit de omgeving worden gevoed.

Vis uit sloten, meren, veenrivieren en kustwater vormde een belangrijke aanvulling. Paling kon met fuiken worden gevangen. Andere vis werd met netten, haken of eenvoudige vallen bemachtigd. Vogels en eieren uit moeras- en rietgebieden konden eveneens worden gebruikt.

Graanproductie bleef kwetsbaar. Te veel regen, een hoge waterstand of een stormvloed kon een oogst vernietigen. Bewoners waren daarom gebaat bij een gemengde bestaanswijze. Wie uitsluitend van akkerbouw afhankelijk was, liep in het natte landschap grote risico’s.

Voedselvoorraden moesten tegen vocht, muizen en bederf worden beschermd. Graan werd in zakken, kisten of verhoogde opslagplaatsen bewaard. Vis en vlees konden worden gedroogd, gerookt of gezouten. Zout was belangrijk, maar moest voor een deel van elders worden aangevoerd.

Turf, hout en riet

Hout was in het veenlandschap niet overal ruim beschikbaar. Bewoners gebruikten daarom ook gedroogd veen als brandstof. Uitgegraven veen kon worden gedroogd en als turf in de haard worden verbrand.

Het gebruik van turf stond in de twaalfde eeuw nog niet op de schaal van de latere commerciële vervening. Voor huishoudens was het echter een waardevolle plaatselijke brandstof. Turf leverde warmte voor koken, verwarming en verschillende ambachtelijke werkzaamheden.

Riet en hout bleven nodig voor huizen, daken, hekken, gereedschap en boten. Goed bouwhout moest mogelijk via water worden aangevoerd uit gebieden waar meer bomen groeiden. Daardoor ontstonden kleine uitwisselingsnetwerken tussen nederzettingen.

Een beschadigde boot, een gebroken ploegonderdeel of een ingestorte dakconstructie kon niet wachten op een verre markt. Bewoners moesten zelf veel repareren. Binnen iedere gemeenschap waren mensen met bijzondere ervaring in houtbewerking, vlechten, smeden of botenbouw, ook al bestonden nog geen stedelijke gilden.

De waterwereld aan de oostzijde

Aan de oostkant van het ontginningsgebied lag het grote binnenwater dat later de Zuiderzee zou worden genoemd. Aan het begin van de twaalfde eeuw was deze waterwereld nog niet volledig dezelfde open, zoute zee die op latere kaarten verschijnt.

Het Almere en omliggende meren stonden via waterlopen en zeegaten in verbinding met andere gebieden. Uitgestrekte veenlanden en kustzones boden echter nog bescherming tegen de directe invloed van de Noordzee. De grens tussen land en water was beweeglijk en week sterk af van de latere kustlijn.

Voor de bewoners vormde het water een bron van voedsel en vervoer. In meren, sloten en veenrivieren konden paling, snoek, baars en andere vissoorten worden gevangen. Kleine houten boten maakten het mogelijk tussen nederzettingen te varen, veevoer te vervoeren en verder gelegen visgronden te bereiken.

Er is geen bewijs voor een grote twaalfde-eeuwse Enkhuizer vissersvloot. De beroemde haringvaart behoort tot een veel latere tijd. De bewoners aan de oostzijde zullen wel gebruik hebben gemaakt van binnenwateren en beschutte kustwateren. Visvangst, vogelvangst, rietsnijden en vervoer per boot vormden logische aanvullingen op landbouw en veehouderij.

De ligging bood kansen, maar ook gevaar. Water kon bij storm worden opgestuwd en via natuurlijke waterlopen diep het veen binnendringen. Naarmate het land lager werd en de verbinding met de Noordzee sterker, nam het risico toe.

De kustdijk onder de Breedstraat

Naast het landwaartse lint ontstond aan de kust een tweede belangrijke lijn. Onder de huidige Breedstraat ligt een zeer oud gedeelte van de dijk. Archeologisch onderzoek plaatst de aanleg ervan in de tweede helft van de twaalfde eeuw.

De oudste kern ligt niet precies onder het midden van de moderne straat, maar onder de huizenrij aan de westzijde. De dijk werd later verhoogd en in oostelijke richting verbreed. In de dertiende eeuw stonden huizen op of direct langs de kruin, maar de aanleg van de eerste waterkering behoort al tot de periode vóór 1200.

De dijk was aanvankelijk waarschijnlijk veel smaller en lager dan de latere Breedstraat. Hij bestond uit plaatselijk beschikbare materialen, zoals veen, klei, plaggen en mogelijk riet. Bewoners brachten laag na laag aan en verstevigden zwakke gedeelten.

De waterkering moest gewone hoge waterstanden kunnen weerstaan, maar zware stormen konden eroverheen slaan of gaten veroorzaken. Een twaalfde-eeuwse dijk was geen definitieve oplossing. Hij moest voortdurend worden hersteld, verhoogd en verbreed.

De dijk vormde tegelijk bescherming, weg, werkzone en woonplaats. Aan de landzijde lag het ontgonnen veen. Aan de andere kant lagen kustwateren die vis, vervoer en uitwisseling mogelijk maakten. Een woning op of tegen de dijk lag hoger en droger dan een huis verder in het veen, terwijl boten vlakbij konden aanleggen.

Hier ontstond de naar het water gekeerde zijde van het latere Enkhuizen. De Streekweg en het Westeinde verbonden de bewoners met het agrarische achterland. De kustdijk bracht hen dichter bij visserij, vervoer en de open waterwereld.

Een mogelijk ouder kustdorp

Een oudere reconstructie gaat ervan uit dat omstreeks 1100 een vissers- of kustnederzetting verder naar het oosten kan hebben gelegen dan de latere stad. Door bodemdaling, kustafslag en stormvloeden zou een deel van deze bewoning in de daaropvolgende eeuwen verloren zijn gegaan.

Dit beeld moet voorzichtig worden gebruikt. Het gaat om een historische reconstructie en niet om een volledig opgegraven dorp waarvan alle huizen, paden en erven bekend zijn. De precieze ligging, ouderdom en omvang van de oudste kustbewoning blijven onzeker.

Toch past het idee van oostelijker gelegen bewoning bij de veranderlijke kust. De huidige grens tussen land en water is niet dezelfde als die van de twaalfde en dertiende eeuw. Grond die toen droog en bewoonbaar was, kan later door de Zuiderzee zijn afgeslagen.

In oudere geschiedkundige reconstructies wordt soms een verdwenen nederzetting Oostdorp genoemd, waarvan Enchusen de opvolger zou zijn geweest. Het archeologische bewijs daarvoor is niet sluitend. Bij onderzoek aan de Vissersdijk werd deze mogelijkheid genoemd als een traditionele of waarschijnlijke reconstructie en niet als bewezen feit.

Het is daarom veiliger te spreken van bewoning die langs of nabij de nieuwe kustdijk tot ontwikkeling kwam. Misschien trokken bewoners van kwetsbare buitendijkse erven naar de hogere dijk. Mogelijk kwamen ook mensen uit het achterland hier wonen om van visserij, vervoer en ruil te profiteren.

De ontwikkeling van Enkhuizen bestond waarschijnlijk uit twee bewegingen. Aan de westzijde groeide het agrarische lint van Gommerkerspel langs de Streekweg, het Westeinde en de Westerstraat. Aan de oostzijde leefden mensen dichter bij de kustdijk en het water. In latere eeuwen zouden deze landwaartse en maritieme werelden steeds dichter naar elkaar toe groeien.

De stormvloed van 1170

In de nacht van 1 op 2 november 1170 vond een zware stormvloed plaats. De Noordzee drong via het noordelijke kustgebied verder het binnenland binnen. Deze storm vormde een belangrijke fase in het proces waarbij het Almere en de omliggende wateren steeds sterker het karakter van een open zeegebied kregen.

Er bestaat geen plaatselijk verslag waarin wordt beschreven wat er in 1170 precies bij het latere Enkhuizen gebeurde. Het zou daarom onjuist zijn om zonder bewijs aantallen slachtoffers, verdwenen huizen of een specifieke Enkhuizer dijkdoorbraak te noemen.

De regionale gevolgen waren echter ernstig. Zeewater drong het veenland binnen, vee verdronk en bewoners moesten op hogere plaatsen veiligheid zoeken. Veenranden konden afslaan, sloten met brak water vollopen en laaggelegen akkers onbruikbaar worden.

De bewoners van de jonge nederzettingen langs de Streekweg en de kustdijk moeten de verandering hebben gevoeld. Het water werd niet alleen hoger, maar ook zouter en onvoorspelbaarder. Beschermend voorland kon verdwijnen, waardoor golven en stormvloeden dichter bij de bewoning kwamen.

Botanisch en archeologisch onderzoek in West-Friesland heeft aanwijzingen opgeleverd voor zoutminnende planten in middeleeuwse lagen. Dit bevestigt dat brak of zout water over ontgonnen grond kon worden gevoerd. Bewoners reageerden door huisplaatsen te verhogen en dijken te bouwen of te versterken.

De stormvloed van 1196

In 1196 volgde opnieuw een grote stormvloed. Deze gebeurtenis behoort tot het langdurige proces waarin veengebieden werden weggeslagen en de binnenwateren een opener verbinding met de Noordzee kregen. De latere Zuiderzee ontstond niet tijdens één enkele stormnacht, maar door een opeenvolging van stormvloeden, erosie, bodemdaling en landverlies.

Voor de nederzettingen bij Enkhuizen betekende deze ontwikkeling dat de oostelijke waterkant steeds belangrijker én gevaarlijker werd. Een bredere waterverbinding maakte varen en visvangst mogelijk, maar vergrootte tegelijk golfslag en stormvloedrisico.

De dijk langs de latere Breedstraat moet daarom worden gezien als een reactie op een landschap dat snel veranderde. Bewoners wachtten niet tot een volledige regionale ringdijk was aangelegd. Zij beschermden eerst afzonderlijke ontginningen, woonplaatsen en kwetsbare oevers met lokale kaden en dijken.

Iedere storm liet zien waar de zwakke plekken lagen. Dijken moesten worden hersteld, verhoogd en verbreed. De ervaring die bewoners hiermee opdeden, vormde een voorbereiding op de latere ontwikkeling van de Westfriese Omringdijk.

De stormen maakten duidelijk dat ontginning nooit werkelijk voltooid was. Het land moest voortdurend opnieuw worden verdedigd. Wat door sloten, kaden en ophogingen was gewonnen, kon door water ook weer verloren gaan.

Wonen op hogere plaatsen

Voordat dijken overal voldoende bescherming boden, verhoogden bewoners hun eigen huisplaatsen. Zij brachten mest, klei, veenplaggen, riet, plantenmateriaal en afval op het erf aan. Zo ontstonden kleine woonheuvels of verhoogde podia waarop huizen minder snel onder water liepen.

Een opgehoogd erf bood slechts plaatselijke veiligheid. De akkers, weiden, sloten en toegangswegen konden nog steeds overstromen. Wanneer het vee niet tijdig naar een hogere plaats werd gebracht, kon een gezin zijn belangrijkste bezit verliezen.

De mest die voor ophoging werd gebruikt, kwam van runderen, schapen en ander vee. Afval en plantenmateriaal werden eveneens verwerkt. De woonheuvel groeide langzaam door dagelijks gebruik, herstel en opeenvolgende bouwfasen.

De latere archeologische bodem bestaat op veel plaatsen uit vloeren, mestlagen, ophogingen en puin. Iedere laag vertegenwoordigt een poging van bewoners om boven vocht, modder en ouder afval uit te komen.

Dijkonderhoud als gezamenlijke verplichting

Een dijk kon niet door één huishouden worden onderhouden. Wanneer één gedeelte brak, liep het water ook achter goed onderhouden stukken. Bewoners moesten daarom afspraken maken over werk en verantwoordelijkheid.

Waarschijnlijk werd de dijk in gedeelten verdeeld. Gezinnen of groepen bewoners onderhielden een eigen stuk, terwijl bij acuut gevaar iedereen werd opgeroepen. Exacte twaalfde-eeuwse regels voor Enkhuizen zijn niet bewaard gebleven. Latere dijkorganisaties bouwden echter voort op deze oudere noodzaak van gezamenlijk werk.

Dijkarbeid vond plaats naast het gewone boerenbedrijf. Grond moest worden uitgegraven en met manden, draagbaren en later wellicht karren worden verplaatst. Plaggen werden gestapeld en riet werd gebruikt om zachte gedeelten te verstevigen.

Het werk was zwaar en keerde telkens terug. Regen, droogte, dieren, golfslag en storm tastten de waterkering aan. Een dijk was nooit definitief gereed. De latere stad Enkhuizen zou haar bestaan blijven danken aan mensen die buiten het zicht van kronieken aarde, klei, plaggen en riet bleven aanbrengen.

Kerken langs het nieuwe lint

Naarmate de bewoning langs de Streekweg blijvender werd, ontstonden ook kerkplaatsen en parochiale gemeenschappen. Een kerk maakte een losse groep erven tot een herkenbare geloofsgemeenschap. Daar werden kinderen gedoopt, huwelijken gezegend en doden begraven. De kerkelijke gemeenschap vormde later het kerspel.

Van de precieze eerste kerkgebouwen bij Enkhuizen is vóór 1200 weinig met zekerheid bekend. Zij kunnen eenvoudig zijn geweest en grotendeels uit hout hebben bestaan. Zulke gebouwen laten veel minder duidelijke sporen achter dan de grote stenen kerken uit latere eeuwen.

Voor Gommerkerspel wijst de latere naam op een kerk die aan Sint-Gommarus was gewijd. Een concrete twaalfde-eeuwse datering is echter niet bewezen. De mogelijkheid dat de eerste kerkelijke organisatie tegen het einde van de eeuw ontstond, past bij de algemene ontwikkeling van de Streekwegdorpen, maar blijft een reconstructie.

Voor de watergerichte nederzetting is een twaalfde-eeuwse kerk evenmin zeker aangetoond. De later genoemde buitendijkse kerk en de verering van Sint-Pancratius behoren beter gedocumenteerd tot latere perioden. De bewoners kunnen aanvankelijk een kerk in een naburige gemeenschap hebben bezocht.

Een kerk werd niet gebouwd voor mensen die slechts tijdelijk in het veen verbleven. Zij hoorde bij een gemeenschap die haar land, woonplaatsen en begraafplaats aan volgende generaties wilde doorgeven. De kerk bracht bewoners bovendien onder een groter gezag van priesters, bisschoppen en andere kerkelijke machthebbers.

De eerste verbinding tussen beide bewoningslijnen

De Streekweg liep vanuit het westen naar het gebied van de latere Westerstraat. De kustdijk volgde aan de oostzijde het tracé van de latere Breedstraat. Tussen beide lijnen lag een zone van sloten, paden, erven en natte grond.

In de twaalfde eeuw was deze tussenruimte waarschijnlijk nog niet dicht bebouwd. De twee bewoningsrichtingen hadden ieder hun eigen karakter. Aan de westzijde lagen boerderijen, kerkplaatsen en lange kavels. Aan de oostzijde woonden mensen dichter bij dijk en water.

Toch waren beide gemeenschappen van elkaar afhankelijk. De bewoners bij het water hadden voedsel, vee, hooi en landbouwproducten uit het achterland nodig. De boeren hadden belang bij vis, vervoer, hout, zout en toegang tot andere nederzettingen over water.

Langs paden, wegen en sloten werden goederen uitgewisseld. Een boer kon zuivel of graan naar de kustzijde brengen. Een visser of schipper bracht vis, zout, hout of aardewerk terug. Zo begon een verbinding te ontstaan die later zou uitgroeien tot één stedelijke economie.

Het achterland was daarom vanaf het begin onmisbaar. Zonder Drechterland, De Streek en de omliggende ontginningen had de latere stad geen agrarische basis gehad. Vóór 1200 was de verhouding nog niet die van stad en platteland. Het ging om één groter landschap van nederzettingen, landgebruik en waterbeheer.

Geen havenstad en geen haringvloot

Het is belangrijk de latere bloei van Enkhuizen niet terug te projecteren op de twaalfde eeuw. Er bestond nog geen grote haven en er is geen bewijs voor deelname aan de internationale haringvisserij.

De kustbewoners beschikten waarschijnlijk over kleine vaartuigen die geschikt waren voor sloten, meren en relatief beschutte wateren. Daarmee konden zij vissen, personen vervoeren en regionale goederen uitwisselen.

Van grote kaden, pakhuizen, vismarkten of gespecialiseerde scheepswerven is voor deze periode niets aangetoond. Een boot kon aan een eenvoudige houten steiger, een verstevigde oever of rechtstreeks aan de dijk worden getrokken.

De betekenis van de twaalfde eeuw ligt daarom niet in een vroege handelsvloot. Zij ligt in het ontstaan van een watergerichte nederzetting op een plaats waar later een havenstad kon groeien.

West-Friezen zonder stadsbestuur

De bewoners waren West-Friezen. Zij leefden in gemeenschappen die nog niet door een stedelijk bestuur van burgemeesters en schepenen werden geleid. Er bestond geen Enkhuizer stadhuis, stadsrecht of stedelijke rechtbank.

Plaatselijke zaken werden geregeld binnen buurtschappen, families, kerkelijke gemeenschappen en bredere West-Friese verbanden. Gewoonterecht, mondelinge afspraken en de invloed van aanzienlijke grondbezitters en geestelijken speelden daarbij een rol.

De graven van Holland probeerden in deze eeuwen hun gezag over West-Friesland uit te breiden. Het gebied behield echter lange tijd een sterke eigen positie. De strijd tussen Holland en West-Friesland zou in de dertiende eeuw op grotere schaal zichtbaar worden.

Voor de bewoners bij het latere Enkhuizen waren dagelijkse problemen waarschijnlijk belangrijker dan de aanspraken van een verre graaf. Zij moesten sloten openhouden, dijken herstellen, vee verzorgen en voldoende voedsel voor de winter bewaren.

Enkhuizen rond 1200

Rond 1200 bestond Enkhuizen nog niet als stad. Er waren geen stadsrechten, stenen poorten, officiële havens of zelfstandige stedelijke rechtbank. Ook de naam Enkus was nog niet in een bewaard gebleven geschreven bron verschenen.

Toch waren de belangrijkste grondlagen van de latere plaats aanwezig. In het westen lag de Streekweg met erven, woonplaatsen en beginnende kerkelijke gemeenschappen. Aan het Westeinde lag bewoning op kunstmatig opgehoogde huisplaatsen. Aan de kust lag de dijk die later onder de Breedstraat zou verdwijnen. Verder naar het oosten kan oudere kustbewoning hebben gelegen.

De bewoners leefden van landbouw, vee, zuivel, plaatselijke visvangst, riet, turf en kleinschalig vervoer. Hun huizen waren van hout, riet en leem. Hun land was door eigen arbeid uit het veen gewonnen.

De stormvloeden van 1170 en 1196 maakten duidelijk dat het water niet beheerst was. Dijken, verhoogde erven en gezamenlijke arbeid waren noodzakelijk. De waterwereld ten oosten van de nederzetting kreeg steeds sterker het karakter van de latere Zuiderzee.

Er zijn uit deze eeuw geen namen van plaatselijke boeren, vissers, vrouwen, kinderen, dijkwerkers of geestelijken overgeleverd. Toch waren juist zij de grondleggers van het latere Enkhuizen. Zij bouwden nog geen stad, maar groeven sloten, ontwaterden veen, wierpen dijken op, verhoogden huizen en hielden twee verschillende bewoningslijnen bewoonbaar.

De overgang naar de dertiende eeuw

De overgang naar de dertiende eeuw was een overgang van landschap naar herkenbare nederzetting. De basis was gelegd in de eeuwen daarvoor. Eerst kwam het land, daarna de bewoning, vervolgens de verbinding met het water en pas later de stad.

De dertiende eeuw bouwde voort op de twaalfde-eeuwse grondslag. De nederzettingen groeiden, de kerkelijke organisatie werd duidelijker en de dijken kregen steeds grotere betekenis. De agrarische wereld van Gommerkerspel en de watergerichte bewoning van Enchusen kwamen dichter bij elkaar te liggen.

Tegelijk bleef het landschap veranderen. Door ontwatering daalde de bodem. Stormvloeden en kustafslag bedreigden de oostelijke bewoning. De toenemende openheid van de Zuiderzee bood kansen voor visserij en vervoer, maar maakte de kust ook kwetsbaarder.

De dertiende eeuw zou uiteindelijk de eerste geschreven vermeldingen opleveren. Pas toen trad de nederzetting uit de archeologische en landschappelijke reconstructie naar voren in documenten.

Enkhuizen in de dertiende eeuw

Een nederzetting die vóór haar eerste vermelding al bestond

De eerste bekende schriftelijke vermelding van Enkhuizen dateert uit 1283. In een document over de beroving van Engelse kooplieden werd de nederzetting aangeduid als Enkus of Enkuse. Dit is het eerste vaste punt in de geschreven geschiedenis van de plaats, maar niet het moment waarop de nederzetting ontstond.

De bewoning langs de ontginningsas en de kustdijk was toen vermoedelijk al geruime tijd aanwezig. De eerste huizen, erven, dijken en kerkelijke structuren moeten ouder zijn geweest dan het document waarin de naam voor het eerst bewaard bleef.

Over de periode vóór 1283 zijn geen plaatselijke geschreven bronnen bekend waarin Enkhuizen met zekerheid wordt genoemd. Hoeveel huizen er stonden, hoeveel mensen er woonden en wanneer ieder erf werd aangelegd, kan daarom niet precies worden vastgesteld.

Archeologisch en landschappelijk onderzoek maakt echter aannemelijk dat de oorsprong van de nederzetting minstens tot de twaalfde eeuw teruggaat. De eerste vermelding van de naam markeert dus niet de stichting, maar het moment waarop een reeds bestaande plaats in de bewaard gebleven administratie zichtbaar wordt.

Enkus, Enchusen en Enchuysen

De naam van de nederzetting werd in de loop van de tijd op verschillende manieren geschreven. In oudere bronnen komen vormen voor als Enkus, Enkuse, Enghusen, Enchusen en Enchuysen.

Middeleeuwse schrijfwijzen waren niet gestandaardiseerd. Een schrijver noteerde een naam zoals hij die hoorde of gewend was te schrijven. Verschillende vormen kunnen daarom naar dezelfde nederzetting verwijzen zonder dat daaruit afzonderlijke plaatsen hoeven te worden afgeleid.

De precieze oorsprong en betekenis van de naam zijn niet volledig zeker. De naam moet daarom niet zonder voorbehoud worden verklaard vanuit één modern woord of één enkele theorie.

Wat wel duidelijk is, is dat de naam aan het einde van de dertiende eeuw voldoende ingeburgerd was om in officiële stukken te verschijnen. De nederzetting had toen een herkenbare identiteit voor bewoners, reizigers en bestuurders.

Gommerkerspel en Enchusen

In de dertiende eeuw bestonden binnen het latere stadsgebied waarschijnlijk nog twee onderscheiden bewoningsrichtingen. Aan de westzijde lag Gommerkerspel langs het oostelijke uiteinde van de Streekweg. Aan de oostzijde lag Enchusen bij de kustdijk en het water.

Gommerkerspel bleef sterk verbonden met het agrarische achterland. De bewoners leefden van vee, hooi, akkerbouw en plaatselijke ambachten. Hun erven sloten aan op de lange kavels van De Streek.

Enchusen ontwikkelde zich dichter bij de kust. Daar boden de dijk en het water mogelijkheden voor visvangst, vervoer en uitwisseling. De nederzetting was nog geen grote havenplaats, maar haar ligging gaf haar een andere gerichtheid dan het landwaartse Gommerkerspel.

Tussen beide lagen paden, sloten en erven. Naarmate de bewoning groeide, werd de ruimte tussen de twee kernen meer gebruikt. Handel, kerkelijke contacten, familiebanden en gezamenlijk waterbeheer brachten de bewoners dichter bij elkaar.

De latere stad ontstond niet doordat één kern de andere plotseling verving. Zij groeide door het geleidelijk naar elkaar toegroeien en uiteindelijk verbinden van deze twee werelden.

Kerkelijke ontwikkeling

De kerkelijke organisatie werd in de dertiende eeuw duidelijker. Voor Gommerkerspel wordt rond het begin van deze eeuw een Gummaruskapel met een eigen pastoor genoemd. Daarmee verschijnt een geloofsgemeenschap die waarschijnlijk op oudere bewoning langs de Streekweg voortbouwde.

Een kerk was niet alleen een gebouw voor erediensten. Zij vormde het middelpunt van doop, huwelijk, begrafenis en kerkelijke feestdagen. Rond de kerk lag een begraafplaats. De parochie of het kerspel hielp bewoners zich als één gemeenschap te organiseren.

De kerk had ook economische en bestuurlijke betekenis. Tienden, grondbezit en kerkelijke rechten verbonden plaatselijke boeren en vissers met priesters, bisschoppen en andere machthebbers.

Voor de watergerichte nederzetting is de ontwikkeling minder eenvoudig te reconstrueren. Latere overleveringen spreken over een kerk en kerkhof in een gebied dat door de zee zou zijn verzwolgen. Het is echter onzeker wanneer die kerk werd gebouwd en welke plaats zij precies in de vroege nederzetting innam.

De dijk wordt bewoningslijn

De dijk onder de Breedstraat werd in de dertiende eeuw verder verhoogd en verbreed. Op of direct langs de kruin stonden huizen. Daarmee werd de waterkering steeds meer een permanente bewonings- en verkeerslijn.

De bewoners profiteerden van de relatief hoge ligging. Zij waren beschermd tegen gewone waterstanden en bevonden zich dicht bij het water. Boten konden aan de buitenzijde aanleggen of op de oever worden getrokken.

De dijk bleef kwetsbaar. Stormen, golfslag, regen en bodemdaling dwongen de bewoners tot voortdurende reparaties. Een huis op de dijk was veiliger dan een woning in het lage veen, maar niet zonder risico.

De Breedstraat ontstond dus niet als brede stedelijke straat. Zij groeide uit een waterkering waarop en waarlangs steeds meer werd gewoond en gewerkt. De latere stedelijke betekenis van deze straat rustte op een veel oudere landschappelijke functie.

Water, kustafslag en landverlies

In de dertiende eeuw nam de invloed van de open waterwereld verder toe. De Zuiderzee kreeg een sterker maritiem karakter en de kust van oostelijk West-Friesland stond bloot aan afslag en stormvloeden.

De bewoners zullen zich aanvankelijk hebben gevestigd op grond die voldoende hoog of beschermd leek. Mogelijk lag voor de nederzetting een strook land die de directe kracht van het water brak. Deze situatie bleef echter niet bestaan.

Door bodemdaling, stormen en kustafslag konden oevers terugwijken. Land dat vroeger binnendijks of beschut lag, kon buitendijks raken. Niet alleen huizen, maar ook akkers, erven, wegen en gemeenschappelijke gronden konden verloren gaan.

Wanneer werkelijk een kerk en kerkhof in het later verdwenen gebied lagen, betekende de afslag ook het verlies van het godsdienstige en sociale middelpunt van een gemeenschap. Bewoners moesten zich aanpassen, woningen verplaatsen en sterkere waterkeringen zoeken.

Een mogelijk Oostdorp

In latere overleveringen en historische reconstructies werd een verdwenen oostelijk gedeelte van de nederzetting Oostdorp genoemd. Dit Oostdorp zou verder naar het water hebben gelegen dan de later gegroeide stad.

Het is mogelijk dat Oostdorp een oudere kustbewoning vormde die door afslag steeds kwetsbaarder werd. Het kan ook een afzonderlijk oostelijk deel van een langer bewoningslint zijn geweest. De beschikbare gegevens bewijzen niet dat Oostdorp de enige of oorspronkelijke kern van heel Enkhuizen was.

De naam wijst op een ligging ten oosten van een andere nederzettingszone. Uit de naam alleen kan echter niet worden afgeleid waar de huizen, kerk en begraafplaats precies hebben gelegen.

De juiste ligging van Oostdorp is tot op heden onzeker. Sommige reconstructies zoeken het verdwenen dorp ten oosten van de huidige Breedstraat. Andere overleveringen wijzen meer naar het zuidoosten, buiten de latere havenhoofden.

Het begrip Oostdorp moet daarom als een historische aanwijzing worden gebruikt, niet als een volledig bewezen en nauwkeurig gelokaliseerd dorp.

Enkhuizen tussen achterland en water

Tegen het einde van de dertiende eeuw werd de bijzondere ligging van Enkhuizen steeds duidelijker. De nederzetting lag op het ontmoetingspunt van het agrarische achterland en de waterwereld van de Zuiderzee.

Uit De Streek kwamen vee, hooi, graan, zuivel, hout, arbeid en andere producten. Over het water konden vis, zout, aardewerk en goederen uit verder gelegen gebieden worden aangevoerd.

De bewoners van Enchusen waren waarschijnlijk nog geen gespecialiseerde internationale kooplieden. Toch ontstonden de voorwaarden voor een economie waarin landbouwproducten, visserij en vervoer elkaar versterkten.

De verbinding met het achterland was net zo belangrijk als de toegang tot het water. Enkhuizen werd niet groot doordat het alleen naar zee keek. De plaats kon zich ontwikkelen doordat zij tegelijk verbonden bleef met Gommerkerspel, Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek, Hoogkarspel en het verdere Drechterland.

De eerste bekende rechten van 1299

Een tweede belangrijk jaartal is 1299. In dat jaar ontving Enkhuizen rechten van graaf Jan I. Dit handvest laat zien dat de nederzetting tegen het einde van de dertiende eeuw een herkenbare en voldoende georganiseerde gemeenschap was geworden om afzonderlijke rechten te verkrijgen.

Het jaar 1299 markeert daarom niet de stichting van Enkhuizen. De plaats bestond toen al en was in 1283 reeds bij naam genoemd. Het handvest vormde een bestuurlijke stap in de ontwikkeling van een oudere nederzetting.

De rechten laten zien dat Enkhuizen voor het grafelijke bestuur betekenis had gekregen. Er woonden voldoende mensen, er vond economische activiteit plaats en er bestond een gemeenschap die bestuurlijk kon worden aangesproken.

Het document vertelt echter niet hoeveel huizen er stonden, hoeveel inwoners de nederzetting telde of hoe lang de oostelijke bewoning al door het water werd bedreigd. De geschreven bron geeft een belangrijk vast punt, maar onthult slechts een klein deel van het dagelijks leven.

Geen plotselinge stichting

Middeleeuwse rechten kunnen gemakkelijk worden aangezien voor een stichtingsdatum. In werkelijkheid betekende de verlening van rechten meestal dat een reeds bestaande nederzetting een nieuwe juridische positie kreeg.

Enkhuizen was in 1299 niet plotseling uit het niets ontstaan. Achter het handvest lagen eeuwen van landschappelijke verandering, ontginning, bewoning, dijkbouw en kerkelijke organisatie.

De boeren van Gommerkerspel, de bewoners langs de kustdijk, plaatselijke vissers, schippers, ambachtslieden en dijkwerkers hadden al een gemeenschap gevormd voordat de graaf haar rechten verleende.

De rechten van 1299 vormden daarom een overgang. Enkhuizen bleef in veel opzichten een dorpse en agrarische nederzetting, maar kreeg een bestuurlijke basis waarop latere stedelijke ontwikkeling kon voortbouwen.

Gerard Brandt en de herinnering aan het verdronken dorp

Eeuwen nadat de eerste nederzetting langs de Enkhuizer kust was ontstaan, leefde in de stad nog het verhaal voort dat een deel van het oudste woongebied door de Zuiderzee was verzwolgen.

Gerard Brandt legde deze overlevering in 1666 vast in zijn Historie der vermaerde zee- en koopstadt Enkhuisen. Het werk verscheen in Enkhuizen bij uitgever en drukker Egbert van den Hoof.

Brandt schreef meer dan drie eeuwen na de eerste schriftelijke vermeldingen van Enkhuizen. Zijn beschrijving was daarom geen ooggetuigenverslag van het middeleeuwse dorp. Zij geeft weer wat in de zeventiende eeuw over de vroegste geschiedenis van de stad werd verteld en wat men toen in het kustlandschap meende te herkennen.

Volgens Brandt hadden de eerste, afzonderlijk of aan het uiteinde gelegen huizen van Enkhuizen gestaan op grond die door het afspoelen van het land uiteindelijk buitendijks was geraakt.

De plek zou zich hebben bevonden bij een droogte of ondiepte ten zuidoosten van het Oosterhoofd en de Ketendijk, wanneer men van daaruit recht het water op voer.

Daar zouden niet alleen huizen, maar ook een kerk en een begraafplaats hebben gelegen. De ondiepte stond in Brandts tijd volgens de overlevering nog bekend als het oude kerkhof. Die naam hield de herinnering levend aan een verdwenen woonplaats die ooit een eigen godsdienstig middelpunt had gehad.

Geen plotseling verdronken stad

Brandts beschrijving wijst niet noodzakelijk op een nederzetting die tijdens één rampnacht volledig verdween. Het land zou geleidelijk zijn afgeslagen.

Woningen, erven en kerkelijke grond kwamen steeds dichter bij het water te liggen. Zij raakten buitendijks en verdwenen uiteindelijk in de Zuiderzee. Dit proces kan zich over verschillende generaties hebben uitgestrekt.

Hoe nauwkeurig deze overlevering de werkelijke middeleeuwse ontwikkeling weergeeft, kan niet meer worden vastgesteld. Brandt baseerde zich op plaatselijke herinneringen en mogelijk op namen en ondiepten die in zijn tijd nog bekend waren.

Zijn verhaal is daarom vooral waardevol als herinneringsbron. Het bewijst niet exact waar de eerste nederzetting lag, maar laat zien dat Enkhuizers in de zeventiende eeuw het ontstaan van hun stad verbonden met landverlies, een verdwenen kerk en een oude woonplaats buiten de toenmalige kust.

Een aanwijzing uit 1319

Een document uit 1319 werpt achteraf enig licht op de ligging en omvang van het middeleeuwse Enkhuizen. Hoewel deze bron uit de veertiende eeuw dateert, beschrijft zij een dijk- en nederzettingsstructuur die vermoedelijk gedeeltelijk al aan het einde van de dertiende eeuw bestond.

Het stuk bevatte een uitspraak van de bisschop van Zuden over geschillen betreffende landerijen, onderhoud en andere verplichtingen. In het document werd een groot deel van de Omringdijk beschreven. De lengten van de verschillende dijkgedeelten werden uitgedrukt in gherden, oftewel roeden.

In deze bron werd een gedeelte aangeduid als het Oisdorp van Enghusen. Dit Oostdorp strekte zich volgens de beschrijving over 166 gherden langs de dijk uit. Omgerekend ging het om ongeveer zeshonderd meter.

Het gebied liep van het noordelijke tot het zuidelijke einde van Enghusen. Opvallend is dat de bron zowel Enghusen als het Oostdorp van Enghusen noemt. Mogelijk werd daarmee onderscheid gemaakt tussen de grotere nederzetting en een oostelijk gedeelte daarvan.

Verschillende mogelijke verklaringen

Het oostelijke deel kan een overblijfsel van oudere bewoning zijn geweest, terwijl de nederzetting zich naar veiliger grond achter of langs de dijk had uitgebreid.

Het is ook mogelijk dat Oostdorp eenvoudig een afzonderlijk gedeelte van een langer bewoningslint was. De bron bewijst niet dat het de oudste kern van Enkhuizen was.

Evenmin kan uit de beschrijving met zekerheid worden afgeleid of daar de door Gerard Brandt genoemde kerk en het oude kerkhof lagen. Brandt en het document uit 1319 kunnen naar verschillende plaatsen of verschillende onderdelen van de nederzetting verwijzen.

Wanneer Oostdorp zich van noord naar zuid langs de dijk uitstrekte, lag het waarschijnlijk vooral ten oosten van het tracé van de latere Breedstraat. Dat wijkt enigszins af van Brandts aanwijzing dat het oude kerkhof ten zuidoosten van het Oosterhoofd en de Ketendijk moest worden gezocht.

De twee bronnen hoeven elkaar niet volledig tegen te spreken. Een langere buitendijkse of kustgerichte nederzettingszone kan verschillende delen hebben gehad. De kustlijn kan bovendien tussen de dertiende en zeventiende eeuw sterk zijn veranderd.

De Omringdijk als nieuwe vaste lijn

De vermelding uit 1319 laat zien hoe belangrijk de dijk inmiddels was geworden. De Omringdijk vormde niet alleen een waterkering, maar ook een lijn waarlangs land, bewoning en onderhoudsverplichtingen konden worden beschreven.

Voor de bewoners betekende de dijk veiligheid, maar ook voortdurende arbeid. Iedere roede moest worden onderhouden. Wanneer ergens een zwakke plek ontstond, kon het achterliggende land onderlopen.

De nederzetting ontwikkelde zich daarom steeds sterker achter en langs de waterkering. Buitendijkse bewoning werd riskanter naarmate de kust verder afsloeg. Huizen en erven op veiliger grond kregen meer betekenis.

De dijk droeg zo bij aan de verschuiving van de nederzetting. Niet de zeezijde alleen, maar juist de combinatie van waterkering, bewoningsweg en toegang tot het achterland bepaalde waar Enkhuizen verder kon groeien.

Enkhuizen rond 1300

Rond 1300 was Enkhuizen nog geen grote handels- of havenstad. Er stonden geen Drommedaris, VOC-pakhuizen of monumentale stedelijke kerken. De internationale haringvaart en de latere wereldhandel lagen nog ver in de toekomst.

Toch was de plaats duidelijk verder ontwikkeld dan rond 1200. De naam Enkus was in 1283 in een geschreven bron verschenen. In 1299 had de nederzetting rechten van graaf Jan I ontvangen. Langs de Streekweg, het Westeinde, de Westerstraat en de kustdijk lagen blijvende woonplaatsen.

Gommerkerspel en Enchusen vormden nog herkenbare landschappelijke werelden. De ene was verbonden met het agrarische achterland, de andere met dijk en water. Tussen beide groeiden contacten, routes en bebouwing.

De bewoners leefden van landbouw, veeteelt, visserij, zuivel, ambachten, dijkwerk en kleinschalig vervoer. Zij waren afhankelijk van De Streek én van de Zuiderzee. Hun nederzetting kon alleen bestaan doordat beide richtingen met elkaar waren verbonden.

De werkelijke grondleggers

Van de meeste bewoners zijn geen namen overgeleverd. We kennen de boeren niet die de eerste sloten groeven, de vrouwen niet die melk verwerkten en kleding maakten, de kinderen niet die vee hoedden en brandstof verzamelden, en de dijkwerkers niet die na stormen klei en plaggen aanbrachten.

Toch waren zij de werkelijke grondleggers van Enkhuizen. Zij bouwden nog geen stadhuis en rustten geen handelsvloten uit. Hun werk lag in de bodem: in sloten, kleiwinningskuilen, huisplaatsen, terpen, dijken en paden.

Zij maakten het landschap bewoonbaar en hielden het bewoonbaar toen bodemdaling en waterdruk toenamen. Zij verbonden het agrarische achterland met de kust. Zij vormden kerkelijke en praktische gemeenschappen.

De stad die later zou ontstaan, werd niet op een leeg terrein gebouwd. Zij groeide uit honderden jaren van arbeid, aanpassing en samenwerking.

Van landschap naar nederzetting

De vroegste geschiedenis van Enkhuizen is geen verhaal van één stichting of één beslissende gebeurtenis. Het is een langzaam proces waarin landschap en mens elkaar voortdurend veranderden.

Bronstijdbewoners hadden het oude kleilandschap gebruikt. Daarna groeide het veen. Middeleeuwse ontginners groeven dit landschap opnieuw open. Zij legden sloten, wegen, dijken en woonplaatsen aan.

De Streekweg gaf de latere stad haar landwaartse verbinding. De kustdijk gaf haar een veilige hoogte bij het water. Huisterpen maakten bewoning mogelijk in een dalende bodem. Kerkelijke gemeenschappen en gezamenlijke dijkzorg hielpen losse huishoudens zich te organiseren.

De stormvloeden boden geen duidelijke scheiding tussen voor en na. Zij maakten deel uit van een langdurige ontwikkeling waarin land verdween, water breder werd en de bewoners hun woonplaatsen steeds opnieuw moesten aanpassen.

De grondslag van de latere stad

Toen de dertiende eeuw eindigde, stond er nog geen machtige havenstad. Er lag wel een groeiende nederzetting op de grens van veenland en water.

De bewoners hadden het land ingericht, woonplaatsen verhoogd en dijken aangelegd. De eerste geschreven naam was verschenen en de gemeenschap had in 1299 rechten ontvangen.

De twee oorspronkelijke richtingen bleven zichtbaar. Naar het westen lagen Gommerkerspel, De Streek en Drechterland. Naar het oosten lagen de kust, de visgronden en de steeds opener Zuiderzee.

Uit die combinatie kon Enkhuizen verder groeien. Het achterland leverde voedsel, vee, zuivel, grondstoffen en arbeid. Het water bood visserij, vervoer en toegang tot andere plaatsen.

De latere stad begon daarom niet als wereldhaven. Zij begon als een kwetsbare nederzetting in een West-Fries landschap waar mensen leerden wonen tussen veen, klei, sloten, dijken en open water.

De veertiende eeuw zou op deze grondslag voortbouwen. Enchusen en Gommerkerspel zouden verder naar elkaar toegroeien. De bestuurlijke rechten zouden worden uitgebreid, de bewoning zou dichter worden en de plaats zou steeds duidelijker stedelijke kenmerken krijgen.

Maar onder die latere ontwikkeling bleven de oude lijnen bestaan: de Streekweg, de Enkhuizer Vaart, het Westeinde, de Westerstraat, de kustdijk en de herinnering aan grond die door het water verloren was gegaan.

Daar lag de werkelijke oorsprong van Enkhuizen.