Tijdsblok 1 — ca. 3000–2000 v.Chr.

De strandwal, Klein Dorregeest en de oudste bewoning van Akersloot

Akersloot begint niet bij de kerk, niet bij het kasteel en niet bij de haven. Het begint bij de hoge rug in het landschap. Rond 3000 v.Chr. ontstond de strandwal van Uitgeest–Akersloot–Oudorp–Sint Pancras. In het natte westen van Noord-Holland was zo’n strandwal geen detail, maar een voorwaarde voor bewoning. Buiten die rug lagen lagere gronden: veen, riet, natte vlakten, kreken, kwelders en waterlopen. De latere wereld van De Woude, Stierop, Wouthuyse en de polders bestond toen nog niet als dorpenland, maar als een veranderlijk nat landschap.

Op die hoge zandige rug konden mensen verblijven. Niet als dorpsbewoners in latere zin, maar als mensen die gebruikmaakten van een gunstige plek: droog, overzichtelijk en bruikbaar. Hier kon men vuursteen bewerken, voedsel bereiden, potten gebruiken, graan malen en jagen. De strandwal was de eerste vaste lijn in een omgeving die door water werd bepaald.

Het sterkste bewijs daarvoor kwam in oktober 2004 aan het licht bij Klein Dorregeest. Op een bouwterrein vonden leden van de regionale archeologische werkgroep Oer-IJ vondsten die voor Akersloot bijzonder belangrijk waren. De bouwput was ruim twee meter diep. Juist daardoor kwamen lagen tevoorschijn die normaal verborgen blijven onder latere bewoning, tuinen, erven en grondwerk.

In die diepe bouwput werd niet alleen gekeken, maar ook laag voor laag gewerkt. Met schop en troffel werd in de grondlagen geschaafd. Het profiel werd op tekening gezet en er werden grondmonsters genomen. Die monsters gingen naar de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, waar ze werden onderzocht op fossiele zaden en stuifmeel. Daarmee ging het onderzoek verder dan het verzamelen van scherven alleen. Men probeerde ook iets terug te halen van het landschap waarin deze vroege bewoners leefden.

De vondsten bestonden uit ongeveer dertig stukken. Daarbij hoorden aardewerkscherven, vuursteenfragmenten, een maalsteen en uiteindelijk ook een vuurstenen pijlspits, gevonden op de laatste middag van het onderzoek. De scherven werden toegeschreven aan de Enkelgrafcultuur en de Klokbekercultuur. Daarmee werd duidelijk dat er ongeveer 4500 tot 5000 jaar geleden mensen op de strandwal van Akersloot aanwezig waren.

Dat schoof de bewoningsgeschiedenis van Akersloot ver terug. Tot dan toe gold een vondst aan de Breedelaan uit de late bronstijd al als zeer oud. De vondsten aan Klein Dorregeest maakten het verhaal ouder. Niet een beetje ouder, maar duizenden jaren ouder. Akersloot werd daardoor niet langer alleen een middeleeuws kerkdorp met latere buurtschappen, maar een plek waar de hoge bodem al in de prehistorie betekenis had.

De strandwal bleef eeuwenlang het natuurlijke middelpunt van het gebied. Waar eerst prehistorische bewoners hun sporen achterlieten, verrezen later de kerk, het kasteel, de haven en de bestuurlijke kern van Akersloot. De geschiedenis van het dorp bouwde voort op dezelfde hoge zandrug die al duizenden jaren eerder aantrekkelijk was voor bewoning.

Tijdsblok 2 — ca. 2000–800 v.Chr.

Bronstijd: de strandwal als woonrug, route en grens met het natte land

Na de eerste prehistorische bewoning bleef de strandwal van Akersloot de vaste lijn in het landschap. De mensen verdwenen niet uit een leeg decor en zij begonnen ook niet telkens opnieuw op een lege plaats. Zij leefden in een gebied dat langzaam veranderde, maar waarin de hoge zandige rug zijn betekenis behield. Die rug bleef droog, zichtbaar en bruikbaar. Aan weerszijden lagen lagere strandvlakten, plekken waar water, veen, riet en moeras steeds sterker hun plaats innamen. Juist dat verschil tussen hoog en laag bepaalde waar mensen konden wonen, lopen, akkers gebruiken en vee laten grazen.

De strandwal was in deze periode meer dan een toevallige verhoging. Hij was een woonrug, een route en tegelijk een grens met het natte land. Wie zich door dit landschap bewoog, koos niet willekeurig zijn weg. Men volgde de droge lijnen, de hogere stukken, de plaatsen waar de bodem stevig genoeg was om te wonen en te werken. De lagere delen waren niet onbruikbaar, maar zij vroegen een andere omgang. Daar lagen natte vlakten, rietlanden, moerassen, veenstroken en waterlopen. Het was geen leegte, maar een ander soort gebruiksland.

Rond 1500 v.Chr. veranderde de situatie verder. Westelijker sloot de strandwal van Limmen–Heiloo–Alkmaar zich steeds meer. Die nieuwe kustwal beschermde het achterland beter tegen de zee, maar had ook een ander gevolg. Water dat eerder gemakkelijker kon wegstromen, bleef nu langer in het gebied staan. De afwatering werd moeilijker. Daardoor steeg de grondwaterstand in de lagere strandvlakten en begon daar veen te groeien. De hoge strandwal van Akersloot werd daardoor nog duidelijker een droge woonrug tussen natter wordende gebieden.

Dat landschap moet niet worden voorgesteld als een dorp met vaste grenzen, wegen, erven en namen zoals later. In de bronstijd was Akersloot nog geen kerkdorp en ook geen bestuurlijke eenheid. Het was een reeks bruikbare plekken op en rond een hoge rug. Op de hogere delen lagen mogelijkheden voor bewoning, kleine akkers, haardplaatsen, opslag, paden en dagelijks gebruik. In de lagere delen lagen natte vlakten, riet, moeras, veen en waterlopen. Daar kon vee worden geweid wanneer de omstandigheden het toelieten, daar kon men riet snijden, jagen, vissen of andere natuurlijke grondstoffen gebruiken.

De latere namen De Woude, Stierop, Wouthuyse, Westwouderpolder en Oostwouderpolder horen hier nog niet thuis als nederzettingen. Hun ondergrond was er wel, maar hun dorpswereld nog niet. Wat later als eiland, polder, waternaam of buurtschap herkenbaar werd, was in deze periode onderdeel van een nat en veranderlijk landschap. Juist daarom is het belangrijk om niet te vroeg met latere namen te denken. De bronstijdse werkelijkheid lag dieper: hoge zandruggen, natte vlakten, veengroei, waterlopen en mensen die daartussen hun weg zochten.

De vondst aan de Breedelaan hoort in dit tijdsblok. Lange tijd gold deze late-bronstijdvondst als de oudste aanwijzing voor bewoning van Akersloot. Dat maakte de Breedelaan belangrijk, omdat zij liet zien dat Akersloot al vóór de middeleeuwen een gebruikte plek was. Later werd dat beeld door de vondsten bij Klein Dorregeest duizenden jaren teruggeschoven, maar daarmee verloor de Breedelaan haar betekenis niet. Integendeel: zij laat juist zien dat de strandwal niet alleen in de steentijd werd bezocht, maar ook later in de prehistorie gebruikt bleef.

De vondst aan de Breedelaan vormt daardoor een schakel tussen de vroegste bewoning en de langere ontwikkeling van Akersloot. Klein Dorregeest liet zien dat mensen hier al rond 3000–2000 v.Chr. aanwezig waren. De Breedelaan laat zien dat de hoge rug ook in de late bronstijd betekenis hield. Dat is belangrijk, want bewoning in dit gebied moet niet worden gezien als één losse vondst of één korte episode. Het gaat om een lange aantrekkingskracht van dezelfde bodem. De hoge strandwal bleef telkens opnieuw bruikbaar, terwijl het omliggende lage land natter werd.

De betekenis van Akersloot ligt in deze periode dus opnieuw in de bodem. De hoge geestgronden boden ruimte voor bewoning, kleine akkers, routes en dagelijks gebruik. De lage strandvlakten waren natter en minder geschikt voor vaste bewoning, maar zij hoorden wel bij het gebruikte landschap. Daar lagen mogelijkheden voor riet, water, jacht, vee en natuurlijke grondstoffen. Hoog en laag vormden samen het leefgebied. De hoge rug gaf veiligheid en richting; het natte land leverde aanvullend gebruik, voedsel, materiaal en ruimte.

Zo groeide in de bronstijd de tweedeling die later het hele gebied bleef bepalen: Akersloot op de hoge rug, het omliggende land als natte rand. Die tweedeling was geen strakke grens op een kaart, maar een dagelijks verschil in bodem, water en gebruik. Waar de grond droog was, kon men wonen en lopen. Waar de grond nat was, moest men zich aanpassen aan water, veen en seizoenen. De strandwal werd daardoor niet alleen een woonplek, maar ook een looplijn door het landschap.

Die droge lijn zou later de richting geven aan wegen, erven, buurtschappen en het kerndorp. Veel later kwamen daar kerk, hof, kasteel, haven en polders bij. Maar de basis lag al eerder vast. De bronstijd laat zien dat Akersloot niet toevallig op deze plek ontstond. De plek was al duizenden jaren logisch: hoog genoeg om te blijven, droog genoeg om te gebruiken en zichtbaar genoeg om richting te geven in een landschap dat aan alle kanten door water werd bepaald.

 

Tijdsblok 3 — ca. 800–12 v.Chr.

IJzertijd: akkers, vee en het open landschap rond Akersloot

In de ijzertijd wordt het gebied rond Akersloot scherper zichtbaar. De strandwal bleef de hoge woonrug, maar het landschap eromheen was niet leeg. Het bestond uit graslanden, kwelders, moerassen, rietkragen, brak water en lagere natte zones. Juist op de overgang tussen hoog en laag konden mensen leven. Op de hogere zandgronden lagen akkers en erven; in de lagere delen lagen weiden, natte graslanden en plekken waar vee kon grazen.

Het belangrijkste bewijs voor deze periode komt van Buurtweg 43A, tussen de Buurtweg en het Kerkmeer. Daar zijn bij archeologisch onderzoek sporen uit de ijzertijd onderzocht. In een kuil werden resten gevonden van gerst, vlas en raapzaad. Dat zijn geen losse plantenresten zonder betekenis. Gerst wijst op akkerbouw. Vlas kon worden gebruikt voor vezels en voor oliehoudende zaden. Raapzaad leverde olie, blad of knollen. Samen laten deze resten zien dat men het hoge land rond Akersloot niet alleen bewoonde, maar ook bewerkte.

Ook de wilde plantenresten vertellen veel. Er kwamen soorten voor van voedselrijke akkers en tuinen, zoals melganzenvoet, perzikkruid, vogelmuur en gekroesde melkdistel. De vondst van vlashuttentut is bijzonder, omdat die plant vooral als onkruid in vlasakkers voorkwam. Daardoor wordt de verbouw van vlas op of bij de strandwal nog aannemelijker. Naast deze akkerplanten waren er ook planten van armere zandige bodems, zoals schapenzuring, gewone spurrie en eenjarige hardbloem. Dat past bij een landschap waarin de zandige rug niet overal even vruchtbaar was.

De lagere omgeving komt naar voren door kwelderplanten, moerasplanten en brakwaterindicatoren. Er zijn resten gevonden van onder meer zulte, strandmelde, melkkruid, zilte rus, zeeweegbree, kweldergras, zeekraal, schorrenkruid en schorrenzoutgras. Ook water-, oever- en moerasplanten waren goed vertegenwoordigd, zoals riet, heen, waterdrieblad, grote waterweegbree, lisdodde en verschillende zeggesoorten. Dit was dus geen droog binnenland, maar een open landschap waar zoet, brak, droog en nat dicht bij elkaar lagen.

Het pollenonderzoek bevestigt dat beeld. Het aandeel boompollen was laag. Het landschap had dus een open karakter. Er stonden wel hazelaars, berken, elzen en enkele andere bomen of struiken, maar geen gesloten bos. Hazelaar was belangrijk, niet alleen als bron van hazelnoten, maar ook als leverancier van rechte takken voor vlechtwerk, erfafscheidingen en gebruikshout. Elzen en wilgen hoorden bij de nattere plekken.

De aanwezigheid van mestschimmels laat zien dat vee in de directe omgeving aanwezig was. Ook smalle weegbree wijst op begrazing. De hoge delen van kwelders en de zoete tot zwak brakke graslanden waren geschikt voor runderen en schapen. Akkerbouw en veeteelt hoorden hier dus samen. De boer gebruikte niet één soort landschap, maar een reeks zones: zand voor akkers, nat grasland voor vee, riet en moeras voor materiaal, water voor verbinding en voedsel.

Ook bij Buurtweg 9 zijn enkele ijzertijdscherven aangetroffen. Die horen niet bij de latere beerkuilen, waterputten of zeventiende-eeuwse bewoning, maar bij een veel oudere gebruiksfase van dezelfde strandwal. Dat is belangrijk voor de chronologische opbouw: één vindplaats kan meerdere perioden bevatten. De ijzertijdscherven van Buurtweg 9 horen in dit blok, terwijl de waterputten en majolica pas veel later thuishoren.

De latere buurtschappen bestonden in deze tijd nog niet. Boekel, Starting, Sluisbuurt, Molenbuurt, De Woude, Stierop en Wouthuyse waren nog geen dorpen of gehuchten. Toch lagen hun toekomstige landschappen al klaar. De hoge lijn van Akersloot bleef de woon- en gebruiksroute. Het lage land richting het latere Kerkmeer, Alkmaardermeer, De Woude en Stierop was een wereld van nat gras, kwelders, riet, veen en water.

Zo wordt Akersloot in de ijzertijd zichtbaar als vroeg agrarisch landschap. Niet als kerndorp, nog niet als kerkgebied, maar wel als plaats waar mensen akkers aanlegden, gewassen verbouwden, vee hielden en gebruikmaakten van de overgang tussen hoge zandgrond en natte rand. De hoofdvorm van het latere gebied is er al: een droge rug met menselijke activiteit, omgeven door waterig land dat nog eeuwenlang bepalend zou blijven.

 

 

Tijdsblok 4 — ca. 12 v.Chr.–450 n.Chr.

Romeinse tijd en vroege bewoning in het lage land bij De Woude

Na de ijzertijd blijft Akersloot de hoge lijn in het landschap. De strandwal was nog steeds de droge rug waar bewoning, akkers en routes het meest voor de hand lagen. Maar in deze periode komt ook het lage land sterker in beeld. Niet als latere polderwereld, nog niet als De Woude of Stierop in middeleeuwse zin, maar als een nat gebied waarin toch gewoond, gewerkt en afval achtergelaten werd.

Het belangrijkste bewijs komt uit de omgeving van De Woude en Markenbinnen. In april 1957 werden bij werkzaamheden voor een nieuwe provinciale weg in een brede sleuf scherven gevonden van het zogenoemde Fries-Bataafse type. De plek lag onder de rook van het gehucht Woude en iets ten noorden van Markenbinnen. Omdat het wegdeel snel zou worden opgespoten, moest direct worden gehandeld. De burgemeester van Akersloot, G.J.A. van den Heuvel, waarschuwde Provinciale Waterstaat. De werkzaamheden werden tijdelijk stilgelegd en er kwam toestemming om het tracé archeologisch te onderzoeken.

Daarna verscheen dr. P.J.R. Modderman van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek ter plaatse. Na inspectie werd het onderzoek overgedragen aan de A.W.W.N. In de maanden daarna werd het wegtracé zo goed mogelijk onderzocht. De dragline had al veel sporen verstoord, waardoor het beeld nooit volledig kon worden. Toch kwamen er belangrijke resten tevoorschijn.

Het terrein bleek opgebouwd uit lagen die veel vertellen over het landschap. Bovenin lag zeeklei. Daaronder lag op meerdere plaatsen een humeuze laag. Verder zuidelijk kwam bagger met rietwortels voor, wat wijst op moerassige omstandigheden. Daaronder begon een veenpakket dat volgens een boring van Provinciale Waterstaat tot ongeveer vier meter diepte doorging. Dit was dus geen droge zandgrond zoals de strandwal van Akersloot, maar een laag, nat veen- en kleilandschap.

Binnen dat natte landschap lagen vindplaatsen die met A en B werden aangeduid. Bij vindplaats A was waarschijnlijk sprake van een flauwe terreinverhoging, een klein ruggetje van minstens vijf meter lang. Juist zo’n geringe verhoging kon in een nat landschap voldoende zijn om tijdelijk of langer te wonen. In een ongeveer vijftien centimeter dikke woonlaag werden veel Fries-Bataafse scherven gevonden, waaronder rand- en bodemfragmenten. Er waren lichtgrijze tot donkergrauwe randscherven van een middelgrote pot, scherven met plantaardige verschraling, een randscherf van een knikkend type en dunwandig aardewerk met een eenvoudig profiel.

Ook kwam er hout tevoorschijn, waaronder een aangepunt stukje hout, waarschijnlijk van linde of hazelaar, en enkele beenderresten. Midden in de kleine onderzochte plek lag bovendien een zware paal met een brede punt en afgevlakte zijden. Het verband met de woonlaag was niet helemaal zeker, maar de vondst laat wel zien dat hout in deze natte bodem bewaard kon blijven.

Enkele meters ten noorden van vindplaats A lagen opnieuw verspreide scherven. Ook in het aangrenzende weiland werden later steekproeven en boringen gedaan om te kijken hoe ver de nederzetting zich uitstrekte. Daarbij werd een afvalkuil gevonden met scherven van een complete voorraadpot. Dat is een belangrijk detail. Een voorraadpot wijst niet op een toevallig verloren scherf, maar op huishoudelijk gebruik: bewaren, koken, wonen en weggooien.

In januari 1958 kon in het weiland ten oosten van de nieuwe weg nog een kleine opgraving plaatsvinden, nadat opnieuw werkzaamheden dreigden. Daarbij werden sporen van een primitief soort hut blootgelegd. Daarmee kreeg de vondst meer betekenis dan alleen aardewerk. Het ging om woonsporen in het lage land.

Deze vondsten horen bij het verhaal van Akersloot, omdat zij laten zien dat het lage achterland niet leeg was. Akersloot bleef de hoge kern op de strandwal, maar in de natte omgeving bij het latere De Woude en Markenbinnen waren ook oudere gebruiks- en woonplekken aanwezig. De hoge rug was de hoofdroute en woonlijn; het lage land was moeilijker, natter en kwetsbaarder, maar niet onbewoond.

Tegelijk moet voorzichtig worden omgegaan met de lagen op deze vindplaats. In hetzelfde gebied werden ook latere sporen gevonden. Er waren paaltjes en planken van dennenhout, waarschijnlijk veel jonger. Daarbij kwamen scherven en puin uit de 17e en 18e eeuw aan het licht, vermoedelijk van houten gebouwen, mogelijk behorend bij het verdwenen Wouthuyse. Ook werden op een ander deel enkele kogelpotscherven gevonden die rond de 12e eeuw werden geplaatst. Die vondsten horen niet in deze Romeinse tijd, maar later in het middeleeuwse en vroegmoderne verhaal. Juist deze plek laat dus goed zien waarom de chronologische opbouw belangrijk is: één terrein bevat sporen uit meerdere perioden.

Voor dit tijdsblok horen vooral de Fries-Bataafse scherven, de woonlaag, de paalsporen, de afvalkuil, de voorraadpot, houtresten en beenderresten bij het vroege gebruik van het lage land. De latere kogelpot, 17e-eeuwse resten en mogelijke Wouthuyse-sporen worden pas in latere blokken geplaatst.

Zo ontstaat een scherper beeld van het hele gebied. Akersloot was de droge rug. Daar lag de natuurlijke route door het landschap. Maar aan de oostelijke en zuidelijke kanten, in het lage veen- en kleigebied richting De Woude, Markenbinnen, Stierop en het latere Alkmaardermeer, waren ook plekken waar mensen zich wisten aan te passen aan natte omstandigheden.

De Romeinse tijd en vroege eeuwen tonen dus geen groot dorp, geen kerk en geen kasteel. Die komen later. Wat hier zichtbaar wordt, is ouder en eenvoudiger: mensen die op kleine verhogingen in het natte land woonden, potten gebruikten, hout bewerkten, voedsel bewaarden en afval in kuilen achterlieten. Het lage land was geen lege rand van Akersloot, maar een vroeg gebruikt landschap naast de hoge strandwal.

Tijdsblok 4 — ca. 12 v.Chr.–450 n.Chr.

Romeinse tijd: wonen op kleine ruggen in het lage land bij De Woude

Na de ijzertijd blijft Akersloot de hoge lijn in het landschap. De strandwal was nog steeds de droge rug waar bewoning, akkers en routes het meest voor de hand lagen. Maar in deze periode komt ook het lage land sterker in beeld. Niet als latere polderwereld, nog niet als De Woude of Stierop in middeleeuwse zin, maar als nat gebied waarin toch gewoond, gewerkt en afval achtergelaten werd.

Het belangrijkste bewijs komt uit de omgeving van De Woude en Markenbinnen. Eind april 1957 werden daar, bij werkzaamheden voor een nieuwe provinciale weg, in een brede sleuf scherven gevonden van het zogenoemde Fries-Bataafse type. De plek lag onder de rook van het gehucht Woude en iets ten noorden van Markenbinnen. De ontdekking werd gedaan toen men toevallig met de bromfiets langs de sleuf kwam. Omdat het wegdeel op het punt stond te worden opgespoten, moest snel worden gehandeld.

De burgemeester van Akersloot, G.J.A. van den Heuvel, werd gewaarschuwd. Hij stuurde het bericht direct door naar Provinciale Waterstaat met het verzoek de werkzaamheden enkele dagen stil te leggen. Dat gebeurde ook. Sterker nog: er kwam toestemming om het tracé te onderzoeken. Daardoor kon een vondst die anders onder zand en ophoging was verdwenen, toch nog worden vastgelegd.

Daarna verscheen dr. P.J.R. Modderman van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek op het terrein. Na zijn inspectie werd het onderzoek overgedragen aan de A.W.W.N. In de maanden daarna werd het wegtracé zo goed mogelijk onderzocht. Daarbij waren verschillende mensen betrokken of adviserend aanwezig: Calkoen, Helderman, Modderman, prof. dr. H. Brunsting, J. Ypey, drs. B. Zwart jr. voor de houtdeterminatie, C.R. Hooijer, W. Vis, W. Prinsze, J. Piek van Provinciale Waterstaat en ir. C.A. van Os. Het was geen groot modern onderzoek met alle middelen van nu, maar een reddingsonderzoek onder tijdsdruk, met veel inzet en veel onzekerheid.

De dragline had al veel sporen verstoord. Daardoor bleef het beeld onvolledig. Toch werd duidelijk dat het terrein uit verschillende lagen bestond. Bovenop lag een laag zeeklei. Daaronder kwam op meerdere plaatsen een humeuze laag tevoorschijn. Verder zuidelijk lag onder de klei bagger met rietwortels. Dat wijst op moerassige omstandigheden. Daaronder begon een veenpakket, bruin van kleur en verschillend van samenstelling. Een boring van Provinciale Waterstaat liet zien dat dit veen tot ongeveer vier meter diepte doorging.

Dat lagenprofiel is belangrijk. Het laat zien dat het hier niet ging om de droge strandwal van Akersloot, maar om laag, nat veen- en kleiland. Toch werden juist daar woonsporen gevonden. De onderzoekers wezen twee vindplaatsen aan: A en B. Ze lagen op korte afstand van elkaar, één aan de oostzijde en één aan de westkant van de sleuf. Op die plekken lagen de meeste scherven verspreid.

Vindplaats A bleek waarschijnlijk op een flauwe terreinverhoging te liggen, een klein ruggetje van minstens vijf meter lang. In een nat landschap kon zo’n geringe verhoging al voldoende zijn om er te wonen of te werken. Een deel van dat ruggetje was door de dragline gespaard gebleven. Daar werd voorzichtig laagsgewijs afgegraven.

In het centrum van een kleine plek van ongeveer twee vierkante meter kwam een zware paal tevoorschijn. Het uiteinde had een brede punt en was aan meerdere zijden afgevlakt. Het verband met de woonresten was niet helemaal zeker, maar de paal past wel in een landschap waar houtconstructies nodig waren om in natte omstandigheden iets vast te zetten, te bouwen of te ondersteunen.

In de ongeveer vijftien centimeter dikke woonlaag lagen veel Fries-Bataafse scherven. Daarbij waren rand- en bodemfragmenten, lichtgrijze tot donkergrauwe randscherven van een middelgrote pot, scherven met plantaardige verschraling, een randscherf van een knikkend type en een dunwandige randscherf met eenvoudig profiel. Ook kwam een aangepunt stukje hout tevoorschijn, waarschijnlijk van linde of misschien hazelaar, en er lagen enkele beenderresten.

Enkele meters ten noorden van A lagen opnieuw verspreide scherven. Deze plek werd als A1 aangeduid. Dat laat zien dat de vondsten niet beperkt waren tot één klein punt. Het terrein bevatte meerdere concentraties en losse verspreidingen, alsof het gebruik van het lage land zich over kleine ruggen en plekken had uitgesmeerd.

Ook vindplaats B hoorde bij dit complex. Hoewel het beeld daar minder duidelijk bleef, was B belangrijk omdat de vondsten aan beide kanten van de sleuf voorkwamen. Het ging dus niet om één toevallige scherf in een ophogingslaag, maar om een groter vondstgebied langs het tracé.

Na het eerste onderzoek werd ook het aangrenzende weiland gecontroleerd. In het weiland ten oosten van de nieuwe weg werden steekproeven genomen en kleine boringen verricht. Men wilde weten hoe ver de nederzetting zich had uitgestrekt. Bij een van die controles werd een afvalkuil gevonden met de scherven van een complete voorraadpot. Dat is een belangrijk detail. Een voorraadpot wijst op huishoudelijk gebruik: bewaren, koken, wonen, breken, weggooien. Het lage land leverde dus niet alleen losse scherven op, maar resten van dagelijks leven.

In december 1957 dreigde opnieuw aantasting van het terrein, toen afwateringsslootjes zouden worden gegraven langs het lichaam van de nieuwe weg. Calkoen nam contact op met Provinciale Waterstaat. Daardoor kwam toestemming voor een kleine opgraving in het weiland. In januari 1958, bij gunstig weer, werden daar sporen blootgelegd van een primitief soort hut. Daarmee werd de vondst nog duidelijker: hier was niet alleen aardewerk terechtgekomen, hier was gewoond of gewerkt.

Tegelijk bleef het terrein lastig te lezen. Boven en naast de oudere sporen lagen latere resten. Er stonden paaltjes en planken in rijen boven het terrein uit. Een houtmonster bleek van Pinus, dennenhout. Dat wees op een latere datering. In hetzelfde noordwestelijke deel, rond en ten zuiden van A, lagen ook veel scherven en puin uit de 17e en 18e eeuw. Een rood geglazuurde potscherf leverde zelfs een jaartal uit de 17e eeuw op. Waarschijnlijk ging het om funderingen of resten van houten gebouwen uit die tijd, mogelijk behorend bij het verdwenen Wouthuyse.

Die latere laag hoort niet bij de Romeinse tijd, maar zij is wel belangrijk voor het lezen van het terrein. De plek is in meer dan één periode gebruikt. Wat in de bodem door elkaar lijkt te liggen, moet in het verhaal uit elkaar worden gehaald. De Fries-Bataafse scherven, woonlaag, afvalkuil, voorraadpot, paalsporen, hutsporen, hout en beenderresten horen bij het vroege gebruik van het lage land. De 17e- en 18e-eeuwse paaltjes, planken, puin en geglazuurde scherven horen later bij Wouthuyse en het vroegmoderne polderland.

Er was ook nog een middeleeuwse laag. Ongeveer halverwege vindplaats A en het landweggetje werden enkele kogelpotscherven gevonden. Zij lagen op de grens van de humeuze laag en de kleilaag en werden in verband gebracht met ongeveer de 12e eeuw. Ook die vondsten horen niet bij de Romeinse tijd, maar bij het latere middeleeuwse verhaal van ontginning, bewoning en gebruik van het lage land.

Zo laat deze ene vindplaats precies zien waarom de chronologische opbouw noodzakelijk is. Hetzelfde terrein bevat sporen uit meerdere perioden: Romeinse of vroeg-historische woonsporen, middeleeuwse kogelpotscherven en vroegmoderne resten van Wouthuyse. Per tijdsblok moeten alleen de vondsten worden meegenomen die bij die tijd horen.

Voor deze periode blijft vooral het vroege beeld staan. Akersloot lag op de hoge strandwal, de natuurlijke woonrug en route. Maar het lage land bij De Woude en Markenbinnen was geen lege wildernis. Op kleine verhogingen in het veen- en kleilandschap konden mensen wonen, werken en hun afval achterlaten. Zij gebruikten potten van Fries-Bataafs type, plaatsten of verloren hout, lieten beenderresten achter en groeven kuilen waarin uiteindelijk een voorraadpot brak of werd weggegooid.

De latere dorpen waren er nog niet. De Woude was nog geen eilanddorp, Stierop nog geen lint, Wouthuyse nog geen gehucht. Maar de ondergrond van hun wereld werd al gebruikt. Het lage land was nat, moeilijk en veranderlijk, maar niet betekenisloos. Het hoorde al vroeg bij het grotere landschap rond Akersloot.